VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-2-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 31-33 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Rudolf Steiner noemt de voorstelling o.a. ‘niet meer werkelijk‘ (unter-real). De werkelijkheid lag in de geestelijke wereld vóór onze geboorte – en zoals Steiner er vaak aan toevoegt: vóór onze conceptie.
Maar wat daar werkelijkheid was, is met onze geboorte niet opgehouden te bestaan: vanuit deze geestelijke wereld ‘stromen’ nog altijd krachten in ons die het ons mogelijk maken dat we ons kunnen voorstellen.
En zoals we dagelijks door onze voeding bijv. verbonden zijn met de aarde, ook als we niet eten of drinken, zo lijkt het alsof we ook – maar nu natuurlijk helemaal onstoffelijk – verbonden zijn met een wereld van ‘de gedachtevoeding’.

Iedere vergelijking met iets aards gaat eigenlijk mank: de wereld van de geest is een totaal andere wereld.

Toch probeert Steiner deze voor ons te beschrijven.

In GA 9, theosofie, doet hij dat zo:

Bevor nun der Geist auf seiner weiteren Wanderung betrachtet werden kann, muß das Gebiet selbst erst beobachtet werden, das er betritt. Es ist die «Welt des Geistes». Diese Welt ist der physischen so unähnlich, daß alles das, was über sie gesagt wird, demjenigen wie Phantastik Vorkommen muß, der nur seinen physischen Sinnen Vertrauen will. Und in noch höherem Maße gilt hier, was schon bei der Betrachtung der «Welt der Seele» gesagt worden ist: man muß sich der Gleichnisse bedienen, um zu schildern. Denn unsere Sprache, die zumeist nur der sinnlichen Wirklichkeit dient, ist mit Ausdrücken, die sich für das «Geisterland» unmittelbar anwenden lassen, nicht gerade reich gesegnet. Besonders hier muß daher gebeten werden, manches, was gesagt wird, nur als Andeutung zu verstehen. Es ist alles, was hier beschrieben wird, der physischen Welt so unähnlich, daß es nur in dieser Weise geschildert werden kann. Der Schreiber dieser Darstellung ist sich immer bewußt, wie wenig seine Angaben wegen der Unvollkommenheit unserer für die physische Welt berechneten sprachlichen Ausdrucksmittel wirklich der Erfahrung auf diesem Gebiete gleichen können.
Vor allen Dingen muß betont werden, daß diese Welt aus dem Stoffe (auch das Wort «Stoff» ist natürlich hier in einem sehr uneigentlichen Sinne gebraucht) gewoben ist, aus dem der menschliche Gedanke besteht. Aber so wie der Gedanke im Menschen lebt, ist er nur ein Schattenbild, ein Schemen seiner wirklichen Wesenheit. 

Voordat we de geest op zijn verdere weg kunnen volgen, moeten we eerst het gebied leren kennen waar hij nu in terechtkomt. Dat is de ‘wereld van de geest’. Deze wereld lijkt zo weinig op de fysieke wereld dat iemand die alleen zijn fysieke zintuigen wil vertrouwen alle uitspraken over die wereld wel als pure fantasie moet beschouwen. En in nog sterkere mate geldt hier wat ook al bij de ‘wereld van de ziel’ is opgemerkt: je moet gebruik maken van vergelijkingen om die wereld te kunnen beschrijven. Want onze taal, die hoofdzakelijk in dienst van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat, is arm aan uitdrukkingen die direct op het ‘geestenrijk’ kunnen worden toegepast. Daarom moet met name bij de volgende beschrijvingen de lezer worden verzocht veel slechts als aanduiding op te vatten. Alles wat hier beschreven wordt lijkt zo weinig op de fysieke wereld, dat het alleen maar aanduidingsgewijs, met behulp van vergelijkingen, kan worden geschetst. De schrijver is er zich voortdurend van bewust hoe weinig zijn beschrijving — wegens de onvolmaakte uitdrukkingsmiddelen van onze taal die op de fysieke wereld is toegesneden — kan weergeven wat op dit gebied in werkelijkheid wordt ervaren.

Allereerst moet er de nadruk op worden gelegd dat deze wereld geweven is uit de stof (ook het woord ‘stof’ is hier natuurlijk in zeer oneigenlijke zin gebruikt) waaruit de menselijke gedachte bestaat. Maar zoals de gedachte in de mens leeft is ze slechts een schaduwbeeld, een schim van haar werkelijke wezen.

In voordracht 2 heb ik dit tekeningetje gemaakt:

De muur is hier ‘de spiegel’; voor het denken de spiegelende functie van het aan de fysieke hersenen gebonden denken.

Wie der Schatten eines Gegenstandes an einer Wand sich zum wirklichen Gegenstand verhält, der diesen Schatten wirft, so verhält sich der Gedanke, der durch den menschlichen Kopf erscheint, zu der Wesenheit im «Geisterland», die diesem Gedanken entspricht.
Wenn nun der geistige Sinn des Menschen erweckt ist, dann nimmt er diese Gedankenwesenheit wirklich wahr, wie das sinnliche Auge einen Tisch oder einen Stuhl wahrnimmt. Er wandelt in einer Umgebung von Gedankenwesen. Das sinnliche Auge nimmt den Löwen wahr und das auf Sinnliches gerichtete Denken bloß den Gedanken des Löwen als ein Schemen, als ein schattenhaftes Bild. Das geistige Auge sieht im «Geisterland» den Gedanken des Löwen so wirklich wie das sinnliche den physischen Löwen. Wieder kann hier auf das schon bezüglich des «Seelenlandes» gebrauchte Gleichnis verwiesen werden. Wie dem operierten Blindgeborenen auf einmal seine Umgebung mit den neuen Eigenschaften der Farben und Lichter erscheint, so erscheint demjenigen, der sein geistiges Auge gebrauchen lernt, die Umgebung mit einer neuen Welt erfüllt, mit der Welt lebendiger Gedanken oder Geistwesen. – In dieser Welt sind nun zunächst die geistigen Urbilder aller Dinge und Wesen zu sehen, die in der physischen und in der seelischen Welt vorhanden sind. Man denke sich das Bild eines Malers im Geiste vorhanden, bevor es gemalt ist. Dann hat man ein Gleichnis dessen, was mit dem Ausdruck Urbild gemeint ist. Es kommt hier nicht darauf an, daß der Maler ein solches Urbild vielleicht nicht im Kopfe hat, bevor er malt; daß es erst während der praktischen Arbeit nach und nach vollständig entsteht. In der wirklichen «Welt des Geistes» sind solche Urbilder für alle Dinge vorhanden, und die physischen Dinge und Wesenheiten sind Nachbilder dieser Urbilder. – Wenn derjenige, welcher nur seinen äußeren Sinnen vertraut, diese urbildliche Welt leugnet und behauptet, die Urbilder seien nur Abstraktionen, die der vergleichende Verstand von den sinnlichen Dingen gewinnt, so ist das begreiflich; denn ein solcher kann eben in dieser höheren Welt nicht wahrnehmen; er kennt die Gedankenwelt nur in ihrer schemenhaften Abstraktheit. Er weiß nicht, daß der geistig Schauende mit den Geisteswesen so vertraut ist wie er selbst mit seinem Hunde oder seiner Katze und daß die Urbilderwelt eine weitaus intensivere Wirklichkeit hat als die sinnlich-physische.

Zoals de schaduw van een voorwerp op een muur zich verhoudt tot dat voorwerp zelf dat de schaduw werpt, zo verhoudt de gedachte die via het hoofd van de mens tot verschijning komt [de oudere vertaling had ‘opkomt’]* zich tot het wezen in het ‘geestenrijk’ waarmee deze gedachte overeenkomt. Als nu het geestelijke zintuig van de mens is geopend, dan neemt hij dit gedachtewezen werkelijk waar, net zoals hij met het fysieke oog een tafel of een stoel waarneemt. Hij begeeft zich in een wereld van gedachtewezens. Het fysieke oog neemt de leeuw waar en het op de zintuiglijk waargenomen wereld gerichte denken ervaart de gedachte van ‘de leeuw’ als een schim, als een schaduwachtig beeld. Met het geestelijke oog zie je in het ‘geestenrijk’ de gedachte van ‘de leeuw’ zo werkelijk als het fysieke oog de fysieke leeuw ziet.* Hier is opnieuw de vergelijking van toepassing die ook al met betrekking tot het ‘zielenrijk’ werd gebruikt. Zoals de blindgeborene zijn omgeving na de operatie plotseling verrijkt ziet met nieuwe kleur- en lichteigenschappen, zo ziet iemand die zijn geestesoog leert gebruiken zijn omgeving vervuld van een nieuwe wereld, de wereld van levende gedachten of geestelijke wezens. — In deze wereld zijn in de eerste plaats de geestelijke oerbeelden te vinden van alle wezens en verschijnselen die in de fysieke wereld en in de zielenwereld voorkomen. Denk aan het beeld dat in de geest van een schilder aanwezig is voordat hij het schildert. Dat beeld is vergelijkbaar met wat hier aangeduid wordt als oerbeeld. Het is daarbij onwezenlijk dat de schilder zo’n oerbeeld misschien niet in zijn hoofd heeft als hij begint te schilderen; dat het pas tijdens het daadwerkelijke schilderen geleidelijk helemaal te voorschijn komt. In de echte ‘wereld van de geest’ zijn nu dergelijke oerbeelden voor alle verschijnselen aanwezig; en de fysieke wezens en verschijnselen zijn afbeeldingen van deze oerbeelden. — Als iemand die alleen zijn uiterlijke zintuigen vertrouwt het bestaan van deze ‘oerbeeldenwereld’ ontkent en beweert dat de oerbeelden slechts abstracties zijn die het vergelijkende verstand uit de zintuiglijk waargenomen verschijnselen haalt, dan is dat begrijpelijk; want zo iemand kan die hogere wereld nu eenmaal niet waarnemen; hij kent de ‘gedachtewereld’ alleen in haar schimmige abstractheid. Hij weet niet dat wie geestelijk waarneemt met de geestelijke wezens net zo vertrouwd is als hij zelf met zijn hond of zijn kat, en dat de oerbeeldenwereld een veel intensievere werkelijkheid is dan de zintuiglijk-fysieke wereld.

*102 Met het geestelijke oog… de fysieke leeuw ziet: Vgl. ook wat Steiner in zijn artikel ‘Filosofie en antroposofie’ daarover zegt: Waarheid en wetenschap – Filosofie en antroposofie (1892 en 1918)

Allerdings ist der erste Einblick in dieses «Geisterland» noch verwirrender als derjenige in die seelische Welt. Denn die Urbilder in ihrer wahren Gestalt sind ihren sinnlichen Nachbildern sehr unähnlich. Ebenso unähnlich sind sie aber auch ihren Schatten, den abstrakten Gedanken. – In der geistigen Welt ist alles in fortwährender beweglicher Tätigkeit, in unaufhörlichem Schaffen. Eine Ruhe, ein Verweilen an einem Orte, wie sie in der physischen Welt vorhanden sind, gibt es dort nicht. Denn die Urbilder sind schaffende Wesenheiten. Sie sind die Werkmeister alles dessen, was in der physischen und seelischen Welt entsteht. Ihre Formen sind rasch wechselnd; und in jedem Urbild liegt die Möglichkeit, unzählige besondere Gestalten anzunehmen. Sie lassen gleichsam die besonderen Gestalten aus sich hervorsprießen; und kaum ist die eine erzeugt, so schickt sich das Urbild an, eine nächste aus sich hervorquellen zu lassen. Und die Urbilder stehen miteinander in mehr oder weniger verwandtschaftlicher Beziehung. Sie wirken nicht vereinzelt. Das eine bedarf der Hilfe des andern zu seinem Schaffen. Unzählige Urbilder wirken oft zusammen, damit diese oder jene Wesenheit in der seelischen oder physischen Welt entstehe.

Natuurlijk is de eerste blik in dit ‘geestenrijk’ nog verwarrender dan die in de zielenwereld. Want de oerbeelden lijken in hun ware gedaante heel weinig op hun zintuiglijk waarneembare afbeeldingen. Ze lijken echter eveneens heel weinig op hun schaduwen, de abstracte gedachten. – In de geestelijke wereld is alles voortdurend in actieve beweging, is alles onophoudelijk creatief werkzaam. Rust, het vertoeven op één plaats, zoals dat in de fysieke wereld voorkomt, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de werkmeesters van alles wat in de fysieke wereld en in de zielenwereld ontstaat. Hun vormen wisselen snel; en ieder oerbeeld heeft de mogelijkheid talloze bijzondere gestalten aan te nemen. Ze laten als het ware de afzonderlijke gestalten uit zichzelf voortkomen; en nauwelijks is de ene gestalte voortgebracht of het oerbeeld is al doende uit zichzelf een andere te voorschijn te laten komen. En tussen de oerbeelden bestaan min of meer verwantschapsbetrekkingen. Ze werken niet onafhankelijk van elkaar. Het ene oerbeeld heeft bij zijn scheppende werkzaamheid de hulp van het andere nodig. Vaak werken talloze oerbeelden samen om een bepaald wezen in de fysieke wereld of in de zielewereld te laten ontstaan.
GA 9/120-122
Theosofie/101-103

 

.

*Een deel van deze oudere vertaling staat hier

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1524

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.