Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Wetenschap

.

Aan de grens van de kennis begint het leven

De moderne natuurwetenschap wordt in toenemende mate door de methodes van de zogenaamde exacte natuurwetenschappen gevormd en dienovereenkomstig bepaald — met als voornaamste vertegenwoordigers de fysica en de chemie.
Rangschikken we de methodes die worden toegepast om de doelstellingen van het wetenschappelijk onderzoek te bereiken, dan tekenen zich drie door interne samenhangen verbonden groepen af, een trilogie van methodes.

Allereerst is er de mechanistisch-deterministische zienswijze: daarmee tracht men de natuur terug te brengen tot de causaliteit van natuurkundig-chemische wetten en haar als een mechanisme te zien.

In het systematisch-reproduceerbare experiment — de eigenlijke en laatste ‘instantie’ van de moderne natuurwetenschap — wordt geprobeerd de mechanistisch-deterministische voorstelling in het laboratorium als een proefmodel, als apparaat te laten ontstaan. Alleen wat in het experiment systematisch-reproduceerbaar kan worden voortgebracht, wordt binnen het bereik van de chemie en de fysica als wetenschappelijk bewezen beschouwd. Al het andere geldt als hypothesen, die overigens — en wel naar gelang de experimentele moeilijkheden toenemen — steeds meer bladzijden in de vaktijdschriften vullen.

De derde methode kan het beste worden omschreven als het differentieel-causale principe-, ze brengt tot uitdrukking, dat de mathematiek een instrument van toepassing moet zijn. Het blijkt, dat de natuurkundige wetten kunnen worden beschreven met differentiaalvergelijkingen, waarvan de integratie wordt nagestreefd om te komen tot registratie van afmetingen in ruimte en tijd.

Het is goed nota te nemen van het feit, dat de voornaamste methode, het systematisch-reproduceerbare experiment (de moderne natuurwetenschap is een ervaringswetenschap), een tweesnijdend zwaard is: het dient namelijk zowel tot middel als tot grens van de kennis. Wat men tijdens het experiment niet kan laten ontstaan, ligt buiten het bereik van de kennis van de chemie en fysica, dus van de moderne natuurwetenschap. Haar vertegenwoordigers staan onder de reële dwang van de maakbaarheid; door de uitsluitendheid, waarmee de moderne natuurwetenschap de voor de chemie en fysica succesrijke methodentrilogie op de hele wereld wil toepassen, is ze materialistisch geworden. Oorzaak voor het geloof aan deze eenzijdigheid zijn voor een groot deel de op de kennis van fysisch-chemische wetten berustende successen van de techniek. Daarmee werd een civilisatie geschapen, die zich in een dergelijke reële dwangpositie bevindt, nu de technocraten beweren dat alles maakbaar is.

Met uitsluitend fysisch-chemische processen kan geen leven worden voortgebracht, het laat zich er alleen door beïnvloeden en…vernietigen. Het is een experimenteel bewezen feit: we kunnen alles wat we weten op het gebied van de chemie en de natuurkunde bij elkaar optellen, zoveel als we maar willen, nooit ontstaat er ergens een levend wezen. Er bestaat geen differentiaal van het leven, die zich tot de afmeting van een levensvorm zou laten integreren. Het systematisch-reproduceerbare experiment als middel tot kennis in de moderne natuurwetenschap toont dus aan, dat de grens van het bereik van haar kennis daar loopt, waar het leven begint. Natuurlijk zijn er zeer vele hypothesen, die streven naar een uitsluitend fysisch-chemische verklaring van het leven. Maar let wel: het gaat daarbij uitsluitend om hypothesen en niet om experimenteel bewezen feiten. Een beoefenaar van de wetenschap, die de kennistheorie ernstig neemt, kan op de vraag ‘wat is leven?’ alleen maar een wetenschappelijk antwoord geven: de wetenschap weet niet, wat leven is.

De materialistische beoefenaars van de natuurwetenschap, die geloven aan de vergelijking ‘leven is chemie plus fysica’ zijn het slachtoffer van een kennistheoretische drogreden. Men kan namelijk alle fysisch-chemische meetinstrumenten, die er maar bestaan, aan alle levende wezens aanleggen, altijd wijzen ze een bij dat instrument passende meetwaarde aan. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken, dat fysisch-chemische processen voor het leven toereikend zijn. Deze metingen en het onvermogen om leven te doen ontstaan in het laboratorium bewijzen iets anders: fysisch-chemische processen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende voor het bestaan van een levend wezen. Door de mogelijkheid gebruik te maken van het differentieel-causale principe zijn op het gebied van de chemie en de fysica vele dingen berekenbaar. Maar iets kunnen berekenen betekent nog absoluut niet, dat men dat iets dan ook kan begrijpen; dat moet in de eeuw van de computer in alle duidelijkheid worden gezegd. Een voorbeeld: met behulp van de gravitatiewet kunnen de banen van planeten, satellieten of ook projectielen zeer nauwkeurig worden berekend. Wat echter ondanks deze berekeningen niet kan worden begrepen, is het wezen van de gravitatie. Geen enkele fysicus kan zeggen, wat deze kracht nu eigenlijk is, die de appel op de aarde doet vallen. Men geeft dit ‘iets’ een naam: gravitatieveld of veld der zwaartekracht. Er zijn zelfs wetenschapsmensen, die zeggen dat de zwaartekracht ten enenmale iets mystieks is. —

Een juiste berekening kan, wat het leven betreft, zelfs vernietigend zijn; bijvoorbeeld de juist berekende kogelbaan van een projectiel, dat een stad treft. Aangezien op het gebied van het leven fysisch-chemische processen slechts deelaspecten zijn van een mechanistisch-deterministisch en differentieel-causaal niet registreerbare totaliteit, is bij de toepassing van exact-natuurwetenschappelijke methodes op het leven terughoudendheid op zijn plaats. Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij extrapolaties, die, uitgaand van fysisch-chemische metingen, als basis voor medische overwegingen dienen. Levensfuncties, in het bijzonder die van de mensen, kunnen alleen door generaties-lange ervaringen ook wetenschappelijk worden verklaard.

De verleiding is natuurlijk groot, tijd te besparen door datgene wat in de toekomst zal gebeuren met de in de chemie en natuurkunde beproefde methodes te berekenen. Zulke extrapolaties zijn echter — zoals de begrensdheid van de kennis van de moderne natuurwetenschap aantoont — alleen toelaatbaar op het gebied van het niet-levende (en soms met succes). Een bijzonder problematisch gebied bij de toepassing van de mathematica om fysisch-chemische processen te beschrijven is de statistiek-, des te verwonderlijker, dat de geneeskunde vaak juist een royaal gebruik daarvan maakt.

In verschillende landen was en is sprake van een wetsontwerp, dat alleen die medicamenten toelaat, waarvan de werking met fysisch-chemische methodes meetbaar is. Nu zijn echter gezondheid en ziekte kwaliteiten van dat fenomeen, dat nu juist met de kwantiteiten van de chemie en de fysica niet te doorgronden is: het leven. Bij een dergelijke wetgeving zouden onvermijdelijk die geneesmiddelen, die ziekte met leven genezen, de natuurgeneesmiddelen, verboden worden. Ook de homeopathische geneesmiddelen zouden dan worden uitgesloten, aangezien de concentraties van de werkzame stoffen meestal fysisch-chemisch niet meetbaar zijn — hoewel de artsen melding kunnen maken van vele miljoenen genezingsgevallen.

Het bewijs wordt dan gevormd door een ervaring, opgedaan door vele generaties heen, een ervaring die een mechanistische – deterministisch niet vatbaar feit opbrengt. Dit is begrijpelijk, want de zich hierbij openbarende fenomenen liggen buiten het bereik van de fysische en chemische kennis. Ze daarom te ontkennen zou dogmatisch zijn en daarom onwetenschappelijk. Het gevaar bestaat, dat ten gevolge van de overschatting van synthetische farmaceutische producten een rijke schat van onvervangbare natuurgeneesmiddelen tegelijk met degenen, die daarvan weten, in het graf daalt. Een vooruitstrevende geneeskunde blijft niet koppig aan het een of ander vasthouden, maar zou juist op weloverwogen wijze natuurlijke en synthetische geneesmiddelen moeten toepassen.

Ook op het gebied van de profylaxis — dus bij maatregelen ter voorkoming van ziekte en tot behoud van de gezondheid — is een extrapolatie van statistische metingen problematisch. Zo is bijvoorbeeld bij de omstreden cariës profylaxis door fluoridering van het drinkwater wetenschappelijke terughoudendheid op zijn plaats. Buitengewoon bedenkelijk is daarbij het feit, dat het om een medicatie onder dwang gaat. Wie ervan overtuigd is, dat fluor zijn tanden beschermt, kan fluortabletten of chocolade met toevoeging van fluor eten (een tip voor de producenten van snoepgoed). Je zou daarbij aan Orwell kunnen denken en je kunnen afvragen, voor welke andere diensten de drinkwaterleiding van een stad gebruikt zou kunnen worden. Een regering, die op dergelijke wijze zorgt voor het welzijn van de bevolking, zou in de geest van Frederik de Grote — ‘Rust is de eerste plicht van de burger’ — uit de waterkraan psychofarmaca met librium- of valiumwerking kunnen laten geven. Dit zou, wat de dwangmaatregel betreft, ten opzichte van de drinkwaterfluoridering geen principieel, maar alleen een gradueel verschil zijn.

Met het systematisch-reproduceerbare experiment als voornaamste middel van kennis van de moderne natuurwetenschap wordt degenen, die geen andere kennisbronnen laten gelden, in de reële dwangpositie van het maakbare van een materialistische wereldbeschouwing gebracht. Met uitsluitend fysisch-chemische methodes zijn echter alleen machines, apparaten en chemische substanties maakbaar. Welke machines kunnen worden gebouwd? Alle machines, die niet in tegenspraak zijn met de wetten van de chemie en de natuurkunde. Met de wetten van het leven mag een machine zonder meer in tegenspraak zijn. Iedere machine, die wat betreft haar grootte (bijvoorbeeld atoomcentrales of supertankers) of haar aantal (bijvoorbeeld auto’s of televisietoestellen) mateloos is, is in tegenspraak met de wetten van het leven, omdat al het leven aan strenge maten is gebonden. De vraag, of een machine of een chemische substantie goed is of slecht, is niet steekhoudend, beslissend is de maat bij de toepassing.

Het gefascineerd zijn door de techniek laat vele mensen geloven dat degenen, die in staat zijn om vliegtuigen, camera’s en telefoons te bouwen, in principe ook bekwaam zijn om vogels, ogen en oren voort te brengen. Maar vliegtuigen beleven hun vlucht niet, camera’s en telefoons zien en horen niet. En nog iets heel wezenlijks: vogels, ogen en oren ontstaan zonder medewerking van de mens — geen enkele machine ontstaat zo maar vanzelf. Machines moeten door mensen worden gemaakt; zijn door de geest bestuurde handen produceren haar uit de mineralen van de aardkorst. Daarom is geen enkele machine (met inbegrip van de computer) zekerder dan de mensen, die haar bouwen en exploiteren.

De bedreiging van het leven door de moderne natuurwetenschap en de daaruit voortgekomen techniek is duidelijk geworden. De oorzaak ligt in de pretentie, het leven met de wetten van de levenloze materie te begrijpen en in de hand te krijgen. Een dergelijke beschouwingswijze is een materialistische. Ze vooronderstelt de prioriteit van de materie, de geest is slechts een product (een soort emanatie) van de stoffelijke vorm hersens. Maar zelfs bij de veronderstelling ‘In den beginne was de waterstof’ is de prioriteit van de materie onhoudbaar. Om ook maar één enkele waterstofatoom voort te brengen, zijn er fysische wetten nodig, waaraan het waterstofatoom gehoorzaamt. Wetten echter zijn altijd iets geestelijks; chemie en fysica — als ze ten einde worden gedacht — bewijzen de prioriteit van de geest. Een natuurwetenschap, die de natuur liefheeft en haar niet als middel tot het doel beschouwt, kan de gevaren van het materialisme aan; de moderne natuurwetenschap moet dat worden, wat ze eigenlijk is — een geesteswetenschap.
.

Max Thürkauf, Jonas 2, 28-09-1977

(Een uitvoerige beschrijving van deze gedachten is te vinden in: Max Thürkauf: Sackgasse Wissenschaftsglaubigkeit. Strom Verlag, Zürich 1975)

1626

Menskunde en pedagogie:

Antroposofie en wetenschap

Anderen over wetenschap

.

1707-1601

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1679-1574

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7-1)

.

Wat de kleur in de tekst betreft:
groen is tekst van Steiner
zwart/schuin is tekst van anderen
zwart/recht is vertaald door mij
blauw is mijn tekst

Enkele gedachten bij blz. 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE SPRONG IN DE ONDERBROKEN ZENUWEN

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat. Overal waar de activiteit van de zenuwen onderbroken is, over­al waar een sprong is, daar is zo’n centrum waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn.
GA 293/40
vertaald/41

Toen ik dit in 1970 las, had ik geen flauwe voorstelling van deze ‘sprong’, bijv. En tijdens het werken aan deze voordracht in de pedagogische vergadering heb ik nooit iemand hier een bredere verklaring voor horen geven.
Toch was daarover ook tijdens Steiners leven al iets bekend. 

Pas met de vlucht die het hersenonderzoek de laatste decennia heeft genomen, is er veel meer duidelijk geworden.

Oud-antroposofisch huisarts Arie Bos, schrijver van o.a. ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’, en ‘Gebruik je hersens’, schreef een artikel ‘Kneedbare hersenen‘ waarin hij naar Steiner verwijst, een voordracht van 2 december 1917 (GA 179/14, waarin Steiner al over ‘een sprong’ spreekt. 

Bos: De Spaanse histoloog (weefselonderzoeker) Ramon y Cajal zag dankzij een nieuwe manier van kleuring van hersenweefsel dat hersenen niet, zoals tot dan toe gedacht, uit een aaneengesloten netwerk van zenuwvezels bestond, maar dat de op elkaar volgende zenuwen elkaar net niet raken. Consternatie alom! De verbinding die de geleiding van de elektrische prikkel van de ene zenuw naar de andere moet verzorgen bestaat dus uit een spleet (synaps)! Niemand die toen nog snapte wat daar aan de hand was, laat staan wat de verreikende betekenis van deze vondst was. Al had Ramon y Cajal blijkbaar al wel een idee toen hij in een lezing zei dat “mentale oefening bijdraagt aan de ontwikkeling en de groei van zenuwen in de hersenen”. Het werd in de jaren tachtig een stuk duidelijker, dankzij onderzoek op de zeeslak.’

Ik heb niet kunnen vinden of Steiner het werk van Cajal of diens tijdgenoot Golgi, kende.

De huidige techniek maakt het mogelijk dat we ons een voorstelling kunnen maken van – hier – de opening, de synaps, tussen twee zenuwbanen:

Stefan Leber behandelt in zijn boek dit onderwerp uitgebreid en citeert Schmidt/Thews: ‘Physiologie des Menschen’  blz. 45:

Leber:
Untersucht man das Gehirn und damit das zentrale Nervensystem
(ZNS), fallen zwei Tatsachen auf. An seiner Oberfläche erscheint es wie gefaltet; nachembryonal nimmt die Furchung (Sulci) zu, die Wölbungen (Gyri) treten immer plastischer hervor. Diese Oberflächenschicht besteht aus Nervenzellen (Neuronen), die einerseits Reize empfangen, andererseits Reize an andere Zellen weiterleiten, allerdings selektiv, also keineswegs unverändert. Dabei kann eine einzige Zelle unzählige Berührungen mit anderen Zellen eingehen (bis zu 10.000 sind bei einer Zelle gezählt worden). Jede dieser Berührungsstellen bildet so etwas wie eine Sprungstelle, Synapse genannt. Denn der Impuls oder Reiz läuft als elektrisches und damit mess- bzw. ableitbares schwaches Potenzial entlang der Nervenausläufer; am Ende, an der Synapse, verschwindet dieser Impuls und wird in einen chemischen Vorgang verwandelt: Transmittersubstanzen werden von der Synapse in den flüssigkeitsgefüllten Synapsenspalt abgegeben und lösen in der anliegenden Synapse (dem Ausläufer einer anderen Zelle oder gelegentlich auch der eigenen) wieder einen chemischen Prozess aus, der wiederum nach der Synapse längs des Ausläufers zu einem elektrischen Impuls führt. Hensel 1966, S. 71. Nun ist es so, dass die Impulse längs der Neuriten unverändert entlang laufen, dass aber an ihnen mehrere Informationsströme verbunden werden (Vermaschung) eine räumliche und zeitliche Speicherung stattfindet eine Verstärkung oder Drosselung, d.h. Umformung des Informationsgehaltes erfolgt. In alle Sinnesnerven sind solche Sprünge eingeschaltet, je nach Sinnesorgan verschieden. Desgleichen finden sich in den eigentlichen Verarbeitungszentren im Gehirn zahlreiche Synapsenbildungen, von denen schon gesprochen wurde. Auch die von den so genannten motorischen Zentren ausgehenden Efferenzen sind unterbrochen.

Wanneer je de hersenen onderzoekt en daarmee het centrale zenuwstelsel, vallen twee dingen op. De oppervlakte lijkt geplooid; na het embryonale stadium worden meer groeven gevormd, de windingen worden plastischer. Deze oppervlaktelaag bestaat uit zenuwcellen (neuronen) die enerzijds prikkels ontvangen, anderzijds prikkels aan andere cellen doorgeven, in ieder geval selectief, dus geenszins vastliggend. Daarbij kan een enkele cel talloze contacten met andere cellen aangaan (tot wel 10.000 zijn er bij één cel geteld). Ieder van deze contactplaatsen zijn gevormd als een soort sprongplaats, synaps genoemd. Want de impuls of prikkel loopt als elektrisch en daarmee meet- resp. afleidbaar zwak potentieel via de zenuwuitlopers; aan het eind, bij de synaps, verdwijnt deze impuls en wordt omgezet in een chemisch proces: transmitterstoffen worden door de synaps afgegeven in de vloeistof in de synapsspleet en roepen in de aangrenzende synaps (de uitloper van een andere cel of soms ook van de eigen uitloper) weer een chemisch proces op, dat opnieuw naar de synaps via de uitlopers tot een elektrische impuls leidt.
Nu is het zo dat die impulsen onveranderd langs de neurieten lopen, maar dat ze wel met meerdere informatiestromen verbonden worden (netwerken), er een ruimtelijke en tijdelijke opslag plaatsvindt of een meer of minder sterk worden, d.w.z. omvorming van de informatie-inhoud volgt. In alle zintuigzenuwen zijn dergelijke sprongen ingeschakeld, bij elk zintuigorgaan verschillend. Op een zelfde manier vind je in het eigenlijke verwerkingscentrum in de hersenen talrijke synapsverbindingen, waarover al werd gesproken. Ook de vanuit de zgn. motorische centra uitgaande efferente zenuwen zijn onderbroken.

Schema van de chemisch synaptische overdracht. Het actiepotentiaal in de zenuwvezels depolariseert de pre-synaptische zenuweinden. Daardoor komt het vrij worden van transmitterstof op gang die zich door de synaptische spleet verspreidt en die zich aan de receptoren van de post-synaptische cel kan binden. De binding veroorzaakt het openen van membraankanalen waar specifiek ionen doorheen kunnen stromen en een post-synaptische potentiaalverandering veroorzaken

Leber haalt dan Steiner aan uit dezelfde voordracht waaruit Bos hierboven citeert:

Nun entsteht aber die Frage: Warum ist der Nervenstrang unterbrochen? – Er ist unterbrochen aus dem Grunde, weil wir, wenn er nicht unterbrochen wäre, nicht eingeschaltet wären in den ganzen Vorgang. Nur dadurch, dass gewissermaßen der Impuls hier an der Unterbrechungsstelle überspringt … sind wir selbst drinnen in der Welt, dadurch sind wir bei diesem Impuls dabei. Würde er einheitlich sein, würde nicht hier eine Unterbrechung sein, so wäre das ganze ein Naturvorgang, ohne dass wir dabei wären.

Nu onstaat de vraag: waarom is de zenuwbaan onderbroken? Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in het hele proces van de hersenenacitivteit. Alleen door het feit dat de impuls hier bij de plaats waar de onderbreking is, overspringt, zijn wij zelf aanwezig in de wereld, daardoor zijn wij zelf bij deze impuls aanwezig.

Of, met de woorden van Bos:
Als de zenuwen niet onderbroken zouden zijn geweest, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in de werking van de hersenen. Daardoor zijn we er zelf bij.

Leber:
Steiner wendet sich gegen die allgemeine Vorstellung, eine Wahrnehmung werde zum Gehirn geleitet und dort umgeschaltet, wodurch die Bewegung als Antwort auf den Eindruck zu gelten habe; mit anderen Worten: an der Synapse könne die intendierte Bewegung auf den «motorischen» Nerven übergehen und durch diesen auf die Muskulatur übertragen werden. Vielmehr wird – so Steiner – der Bewegungsimpuls schon am Beginn des afferenten Nervenabschnittes mit der sich dort bildenden Vorstellung verbunden.

Steiner verzet zich tegen de algmene voorstelling dat een waarneming naar de hersenen geleid wordt en daar verandert, waardoor de beweging het antwoord op de indruk zou zijn; m.a.w. bij de synaps zou de bedoelde beweging op de ‘motorische’ zenuwen overgaan en door deze overgeleid worden naar de spieren. Veel eerder – aldus Steiner – wordt de bewegingsimpuls al aan het begin van het afferente zenuwdeel met de zich daar vormende voorstelling verbonden.

Leber:
Wenn ich also beispielsweise an einem Baum einen Apfel hängen sehe und die Hand ausstrecke, um ihn zu pflücken, ist gleichsam schon in dem Apfel der Bewegungsablauf enthalten, der von der Hand vollzogen werden muss. Es werden also schon am Apfel Vorstellungs- und Bewegungsimpuls zu einem Einheitlichen.

Wanneer ik dus bijv. een appel aan een boom zie hangen en mijn hand uitstrek om die te plukken, zit de afloop van de beweging die mijn hand moet maken,  a.h.w. al in de appel. Dus in de appel worden voorstellings- en bewegingsimpuls tot eenheid.

‘Wenn ich eine Hand bewege, dadurch veranlasst, dass ein äußerer Sinneseindruck auf mich gemacht worden ist, dann liegt der Impuls, dass diese Hand bewegt wird, vereinigt von der Seele mit dem Sinneseindruck, schematisch dargestellt, schon bereits hier», d.h. am Ort des Sinneseindrucks 

Wanneer ik mijn hand beweeg, veroorzaakt doordat iets van buitenaf op mijn zintuigen werkt, ligt de impuls dat mijn hand zich beweegt, door mijn ziel met de zintuigindruk tot eenheid gemaakt, schematisch voorgesteld al hier’ d.w.z. op de plaats van de zintuigindruk. [In onderstaande tekening bij a]

Leber:
Dieses Geschehen wird einheitlich in der gesamten Nervenbahn, das heißt prä- und postsynaptisch wahrnehmend «gespiegelt»;

Deze activiteit wordt in z’n geheel in de totale zenuwbaan, d.w.z. pre- en post-synaptisch waarnemend ‘gespiegeld’.

in Rudolf Steiners Worten: :

In de woorden van Steiner:

Und dasjenige, was geleitet wird, wird auf den ganzen sensitiven Nerven und den so genannten motorischen Nerven entlang geleitet von a bis zu b. Das ist nicht so, dass der Sinneseindruck erst bis zu c geht und dann von da aus einen Befehl gibt, damit b dazu veranlasst werde – nein, wenn ein Willensimpuls stattfindet, lebt das Seelische schon befruchtet bei a und geht durch den ganzen unterbrochenen Nervenweg durch.

En wat geleid wordt, wordt langs de gehele sensitieve zenuwen en de zgn. motorische zenuwen geleid van a naar b. Het is niet zo dat de zintuigindruk eerst naar c gaat en dan vandaaruit een bevel geeft, zodat b actief wordt – nee – wanneer er een wilsimpuls is, is de ziel al impulserend bij a en gaat door de hele onderbroken zenuwweg heen.’

Leber:
Wie der Bewegungsimpuls unmittelbar in die Muskulatur eingreift, entzieht sich dem Bewusstsein, denn was in der Nervenbahn sich abspielt, ist ja nur eine gewissermaßen gespiegelte Wahrnehmung des Geschehens, nicht die Veranlassung der Bewegung. Der Muskel kommt nicht durch Nervenimpulse, sondern durch den Astralleib in Bewegung.

Hoe de bewegingsimpuls direct in de spieren ingrijpt, onttrekt zich aan het bewustzijn, want wat zich in de zenuwbaan afspeelt, is alleen maar een gespiegelde waarneming van wat er gebeurt, niet de aanzet tot de beweging. De spier komt niet door de zenuwimpuls, maar door het astraallijf in beweging.

Wenn wir eine Vorstellung mit einem Willensimpuls zusammen formen in a, so wird dieser Impuls von a aus weitergeleitet. Indem er von c auf d [die Synapse] überspringt, schwächt sich das Ganze so ab für unser Bewusstsein, für unser bewusstes Erleben, dass wir das Weitere, was wir nun in uns erleben, die Erhebung der Hand und so weiter, nur mit der geringen Intensität des Bewusstseins erleben, die wir sonst auch im Schlafe haben. Wir sehen das Wollen erst wiederum, wenn die Hand sich bewegt, wenn wir wieder von einer anderen Seite her eine Sensation haben. 

Wanneer we een voorstelling vormen samen met een wilsimpuls in a, dan wordt deze impuls van a uit verder geleid. Wanneer hij van c op d [de synaps] overspringt, wordt het geheel voor ons bewustzijn, voor ons bewuste beleven zoveel zwakker dat we wat er nog komt, wat we in ons zelf beleven – het uitstrekken van onze hand  enz. – slechts de geringe intensiteit van het bewustzijn beleven, die we anders ook in de slaap hebben. We zien de wil pas weer, wanneer de hand zich beweegt, wanneer we van de andere kant uit iets beleven.

Steiner wiederholt dann noch einmal, dass wir eigentlich nur mit demjenigen Teil unseres Wesens, welcher vor den Synapsen liegt, wachen; was dahinterliegt, also der post-synaptische Teil wird von uns «verschlafen».

Steiner herhaalt dan nog een keer dat we eigenlijk alleen met dat deel van ons wezen dat vóór de suynapsen ligt, wakker zijn; wat erachter ligt, dus het post-synaptische deel wordt door ons ‘verslapen’.

Es folgt eine entscheidende Formulierung: 

Er volgt een doorslaggevende formulering:

«Und alles dasjenige, was nun unter der Nervenunterbrechungsstelle liegt, wird von der geistigen Welt heraus direkt gebildet, geschaffen.»

En alles wat maar onder [wat hij met ‘unter’ bedoelt is mij niet helemaal duidelijk] de zenuwonderbreking ligt, wordt direct vanuit de geestelijke wereld gevormd, geschapen.
GA 179/12-17
Niet vertaald

Wenn Sie verfolgen, sagen wir zum Beispiel einen Nerv, der von irgendeiner Stelle des Leibes nach dem Rückenmark geht, so finden Sie für jeden solchen Nerv auch einen anderen, oder wenigstens annähernd für jeden solchen Nerv auch einen anderen, der irgendwoher wiederum zurückführt irgendwohin. Die Sinnesphysiologen nennen das eine einen sensitiven Nerv, das andere einen motorischen Nerv. – Uber den Unsinn dass es sensitive und motorische Nerven gäbe, habe ich ja des öfteren schon gesprochen. Aber das Wichtige ist, dass eigentlich jede ganze Nervenbahn an dem Umfang des Menschen entspringt und wiederum zum Umfang [gemeint ist die Körperperipherie, etwa die Haut] zurückgeht, aber irgendwo unterbrochen ist, wie ein elektrischer Draht, wenn er einen Funken überspringen lässt. Das ist eine Art Uberspringen, ein sensitives Fluidum von dem so genannten sensitiven bis zu dem sogenannten motorischen Nervenanfang. Und an den Stellen – solche Stellen sind sehr viele, in unserem Rückenmark zum Beispiel, und in anderen Partien unseres Leibes – sind auch die Raumesstellen, wo der Mensch sich nicht allein selber angehört, wo er dem Weltenall angehört. Wenn Sie alle diese Orte miteinander verbinden, dazu auch die Ganglien des Sympathikus nehmen, dann bekommen Sie diese Grenze, auch leiblich-physiologisch diese Grenze. Sodass Sie sagen können: Sie halbieren gewissermaßen den Menschen – es ist dieses mehr als die Hälfte – … und betrachten ihn wie ein großes Sinnesorgan, betrachten das Aufnehmen durch die Sinne überhaupt als die Sinnesempfänglichkeit, das Verarbeiten durch den Verstand als eine weitere feinere Sinnestätigkeit, das Entstehen der Erinnerungsbilder als Nachbilder, die aber bleibend sind für das Leben zwischen Geburt und Tod, weil aufgestoßen wird, wenn die Erinnerung sich bildet, an dem Weltenäther. Unser eigener Äther stößt an den Weltenäther auf, und es finden Auseinandersetzungen zwischen uns und dem Weltenäther statt.
Der andere Teil des Menschen ist der, welcher gewissermaßen zu seinem Endorgan die Gliedmaßen hat. …

Wanneer we bijv. een zenuw volgen die van de een of andere plaats in het lichaam naar het ruggenmerg loopt, vind je voor elk van die zenuwen ook een andere, of tenminste bijna voor elk van die zenuwen, ook een andere die ergens weer naar elders loopt. De zintuigfysiologen noemen dat een sensitieve zenuw, de andere een motorische.
Over de onzin dat er sensitieve en motorische zenuwen zouden bestaan, heb ik het al vaker gehad. Maar het belangrijke is dat eigenlijk iedere totale zenuwbaan aan de buitenkant van de mens ontspringt en daar weer naar terugkeert, [bedoeld wordt de lichaamsperiferie, dus de huid] maar ergens onderbroken is, zoals een elektriciteitsdraad, wanneer die een vonk over laat springen.
Dat is een vorm van overspringen, een sensitief fluïdum van de zgn. sensitieve naar het zgn. motorische zenuwbegin. En op die plaatsen – die zijn er heel veel, bijv. in ons ruggenmerg en in andere delen van ons lichaam – bevindt zich ook de ruimte waar de mens niet alleen zichzelf behoort, maar waar hij ook bij het wereldal behoort. [Hier krijg ik sterk de indruk dat het dezelfde plaats betreft die Steiner in GA 179 beschrijft en dus de synapsspleet zou zijn – de plaats ‘waar we er zelf bij zijn‘.]
Wanneer je al deze plaatsen met elkaar verbindt, daarbij ook de gangliën [ganglion (een oudere definitie): een opeenhoping van zenuwcellen waarin de prikkels van het aanvoerend deel van de zenuw door de ganglioncellen worden overgenomen en door het afvoerend deel van de zenuw verder geleid. In de Algemene menskunde wordt ook het woord Ganglien gebruikt en vertaald met ‘zenuwknoop’.] van de sympathicus neemt, dan krijg je die begrenzing, ook lichamelijk-fysiologisch. Zodat je zou kunnen zeggen: je halveert de mens in zekerer zin – het is wel meer dan de helft -en beschouwt hem als een groot zintuigorgaan, zie het in zich opnemen door de zintuigen vooral als het ontvankelijk zijn van de zintuigen; het verwerken door het verstand als een verdere fijnere zintuigwerking, het ontstaan van de herinneringsbeelden als nabeelden, die echter blijvend zijn voor het leven tussen geboorte en dood, omdat we, wanneer de herinnering gevormd wordt, in aanraking komen met de wereldether [aufstossen = er tegenaan stoten, op botsen, raken, maar ook ontmoetenOnze eigen ether ontmoet de wereldether en er vindt uitwisseling tussen ons en de wereldether plaats. [auseinandersetzen = o.a. zich uitvoerig met elkaar bezighouden].
Het andere deel van de mens is het deel dat in zekere zin als eindorgaan de ledematen heeft….
GA 194/128ff
Vertaald (geen gebruik gemaakt van de vertaling)

Hoewel het moeilijke materie blijft, lijkt het erop dat we toch een stukje ‘dichterbij’ komen wat betreft de opmerking van Steiner: 

Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat.

De plaats waar geheugen ontstaat zou dus – dat blijkt uit wat hierboven naar vorenkomt – de synapsspleet te zijn, ‘waar we er zelf bij zijn’, waar onze ether de wereldether ontmoet.
Dat zou dan het ‘fluïdium’ zijn: dat wat zich tussen de synapsen bevindt. Dan zou daar ook bloed aanwezig moeten zijn.

Leber bevestigt dit:

Die Begegnung von Blut und Nerv erfolgt physiologisch im Synap-
senspalt. Während sonst, wie schon dargestellt, eine Blut-Hirn-Schranke vgl. S. 239 besteht – die fetten Hüllschichten der Nervensubstanzen weisen das Wässrige (Blut) ab -, wird der Synapsenspalt von einem feinen Flüssigkeitsfilm ausgefüllt, der, auch wenn er keine Zellen aufweist, physiologisch als Blut zu betrachten ist. Blut und Nerv berühren sich hierdurch unmittelbar; damit kann sich der vergangenheits- und der zukunftsorientierte Mensch in die dort zum Bewusstsein gelangenden Vorgänge einschalten. Im Kopfbereich hat man es mit dem Bewusstsein zu tun:
Hier hat der Träger des Bewusstseins seinen Sitz, während der Wachzeiten ist der Mensch hier eingeschaltet, bewusst teilnehmend und erlebend anwesend.

Het samengaan van bloed en zenuw vindt fysiologisch plaats in de synapsspleet. Terwijl in het andere geval bloed en zenuw van elkaar gescheiden worden – de vettige hulsellagen van de zenuwsubstantie houden het waterige bloed af – bevindt zich in de synapsspleet een dunne vloeistoffilm die, ook al zitten er geen cellen in, fysiologisch als bloed beschouwd moet worden. Bloed en zenuw komen hierdoor direct met elkaar in contact; zo kan de mens die zich op het verleden en op de toekomst richt deel hebben aan de daar tot bewustzijn komende activiteiten. In het gebied van het hoofd heb je te maken met bewustzijn:
Hier heeft de drager van het bewustzijn zijn plaats, tijdens de wakkere uren is de mens hier ingeschakeld, bewust deelnemend en meebelevend aanwezig.

Zie over de synaps

Gezien de ingewikkeldheid van alles, beweer ik zeker niet dat het zo is zoals ik hier bij elkaar zet. Ook voor mij is dat vrij nieuw. En alles roept weer nieuwe vragen op: hoe is het bijv. met de opmerking van Leber dat de synaps gevuld is met ‘bloed’, zij het dan in een heel bijzondere vorm. Wat zegt de wetenschap daarover: ik heb het nog niet kunnen vinden.De antipathie die Steiner in dit verband noemt, zien we in een vorm van wakker, voorstelling, geheugen; de sympathie is minder duidelijk, gekoppeld aan het willen, waarvan hier wordt gezegd dat de impuls na ‘de sprong’ voor ons bewustzijn snel ‘slaperiger’ wordt.

Kun je aanvullen, uitbreiden? Je bent van harte uitgenodigd.

Wat bijv. als je je afvraagt wat er voor belangrijks moet gebeuren in de synaps wil het mogelijk zijn dat daar geheugen ontstaat. Welke elektrische vonken moeten overspringen van ‘de ene naar de andere kant’. Dan vraag je eigenlijk: welke neurotransmitters moeten dan worden geactiveerd. Maar wie activeert die en waardoor? Doen wij dat zelf als ‘Ik’. 
Dat is wel het antwoord van Bos: 

In 2003 publiceerde de neurowetenschapper Joseph Ledoux zijn boek ‘The synaptic Self’, waarin hij tot op de laatste molecuul uitlegt wat er gebeurt in de synapsen. Elke ervaring die wij hebben of zelf veroorzaken zorgt ervoor dat bepaalde synapsverbindingen worden versterkt en andere verzwakt, zodat die ervaring als het ware zich een nieuwe weg baant in het zenuwnetwerk van de hersenen. Er ontstaan nieuwe circuits. Hij gaf zijn boek dan ook de ondertitel ‘Hoe onze hersenen worden wie wij zijn’ mee. Dat is andere koek dan automatisch reageren. Hij zegt eigenlijk dat wij zelf onze hersenen vormgeven. Dat wordt de plasticiteit (‘kneedbaarheid’) van de hersenen genoemd. Ramon y Cajal had dat al voorzien: wij kunnen dat zelf actief doen.

En laten wij bij de opvoeding, bij het lesgeven de kinderen niet van alles ervaren. Om welke ervaringen gaat het dan en maakt het iets uit hoe iets wordt ervaren? Of op welke leeftijd?

En als we dat zelf actief kunnen doen, hoe laten we dan in de opvoed- of onderwijssituatie de kinderen dit actief doen?

Dus: op zoek naar antwoorden op deze vragen!

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] 
GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1676-1571

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen (3)

.

Annet Schukking, Jonas 13, 19-02-1988
.

kinderen die niet praten
.

Stralend kijkt een baby je aan. Blijdschap, herkenning! Er komt een lachje, kleine kirrende geluidjes.

Of juist het tegendeel. De blik is ernstig onderzoekend. Er komt een koddige frons tussen de ogen, de mondhoeken trekken omlaag, lipjes beginnen te trillen, mekkerend geblaat zet in en zwelt aan tot gebrul.

Een baby kan nog niet praten, maar de drang om zijn gevoel te uiten leeft al in hem. Ook in rust maakt hij allerlei geluidjes, van een simpel ‘urruh’ tot uitbundig kraaien toe.
Na de babyfase, na het zich oprichten, gaan zitten, gaan staan, gaan lopen, beginnen de eerste woordjes te komen. Het kind begint te praten, zich met de taal te verbinden. Dit is uiterst belangrijk want met de taal leert een mens aan veel meer uitdrukking te geven dan dat hij met kreten en bewegingen kan doen.

Het kind begint in de loop van de volgende jaren in steeds wijdere kringen dingen om zich heen te zien, te benoemen en met elkaar in verband te brengen, hij gaat denken en vragen stellen (de bekende ‘waarom?’ periode), hij begint zelf verhaaltjes te vertellen en eigen woorden te creëren. In een stormachtig tempo maakt het kind zich een verbluffend vocabulaire eigen en een heel leven lang gaat dit proces door, zij het steeds kalmer aan.

Naast de moedertaal kunnen andere talen worden geleerd en het gebruik van de eigen taal kan steeds meer verfijnd, gedifferentieerd, rijker en creatiever worden. Maar het allerbelangrijkste van taal is dat het de mogelijkheid geeft om gesprekken te voeren, niet alleen de gewone communicatie, maar gesprekken waarin zowel de diepste gevoelens als de beste gedachten uitgesproken kunnen worden.

Hoe belangrijk de taal voor een mens is als middel om aan zijn meest wezenlijke behoefte — het zich ontwikkelen — te voldoen, is nergens zo indrukwekkend te voorschijn gekomen als in de biografie van Helen Keller, het doof-blinde kind dat eigenlijk pas mens begon te worden nadat zij door een speciale, aan haar handicap aangepaste methode, toegang kreeg tot de taal.

‘Wanneer een kind van twee jaar nog niet begint te praten, dat wil zeggen enkele woordjes te spreken of te brabbelen, dan is er iets mis’, zegt Xavier Tan, kinderpsychiater te Amsterdam.

Wat kan er mis zijn? Het kind kan doof zijn, er kan een hersenbeschadiging zijn of er kan iets met het spraakorgaan niet in orde zijn. Wanneer geen van deze problemen aan de orde is en het kind wèl begrijpt wat er gesproken wordt zonder dat het zelf tot spreken komt, kan het zijn dat je te maken hebt met een dysfatische ontwikkeling.

Vroegtijdige diagnose

Xavier Tan, een kleine donkere man met opvallend fijngevormde handen, werd geboren in Djakarta en groeide op in het vooroorlogse Indonesië. Zijn grote liefde geldt Bali, waar, vooral in de minder toeristische gebieden, nog een oorspronkelijke cultuur aanwezig is die onder andere sterk leeft in ritme, klank en dans. Dit zijn elementen die Tan onder meer toepast om bij zijn patiëntjes de spraakstroom op gang te krijgen.

Tan spreekt levendig en straalt dat soort gemoedswarmte uit dat eigen is aan mensen die in de buurt van de evenaar geboren en getogen zijn. Zijn opleiding is echter westers-wetenschappelijk. Toen zijn aanvankelijke wens chirurg te worden om praktische redenen niet realiseerbaar bleek, heeft hij zich in de kinderpsychiatrie gespecialiseerd. In zijn betoog wisselen kleine gespeelde situaties zich af met medische termen, Amerikaanse praktijkvoorbeelden en flitsen uit Europese cultuur.

Telkens weer roept Tan hoe belangrijk het voor een kind is dat vroegtijdig de diagnose wordt gesteld. Aandacht voor het beeld van de dysfatische ontwikkeling bestaat relatief kort. Tan kwam in zijn werk als consulent van LOM-scholen kinderen tegen waarbij het niet ging om een vertraging in de algehele ontwikkeling, maar waarbij hij te maken had met kinderen die de taal beter kunnen begrijpen dan dat ze die kunnen spreken. Er bestond een opvallende stoornis in de overgang van een waarneming, een gevoel, een gedachte, een beleving of een idee naar het gesproken woord. Tan merkte tot zijn verbazing dat dit verschijnsel niet werd onderkend. Toen hij begon in te zien welke rampzalige consequenties dit voor een kind kan hebben, was zijn conclusie: ‘Daar moet iets aan gedaan worden!’.

‘Als het een kind van een jaar of twee niet lukt om te gaan praten terwijl het er wel aan toe is, de drang wel aanwezig is, en het de respons niet krijgt waar het behoefte aan heeft, dan gaat het zich in zichzelf terugtrekken. Dat heeft begrijpelijkerwijs invloed op zowel zijn emotionele als zijn cognitieve, verstandelijke ontwikkeling. Wanneer je er niets aan doet zal zo’n kind zich als zwakzinnig gaan gedragen. Het kan dan ten onrechte in een zwakzinnigeninrichting terecht komen. En krijg het daar maar weer eens uit! Dat is bijna onmogelijk.

Praten doe je met je gevoel

Eind 1982 werd de Stichting Dysfatische Ontwikkeling opgericht en sindsdien is Tan bezig om met een groeiend team van medewerkers een multi-disciplinaire diagnostiek en therapie in praktijk te brengen. Het team bestaat uit een kinderneuroloog, een psycholoog, twee logopedistes en twee ergotherapeuten. ‘Maar het mooiste zou zijn als je het werk dat deze mensen doen allemaal in één of twee personen zou kunnen samenvatten’, zegt Tan.

Als kinderpsychiater houdt hij zich bezig met de gevoelsontwikkeling. De hele spraak-taalontwikkeling bij een kind is tot nu toe altijd onderzocht door linguïsten (taalgeleerden), neurologen of psychologen. De laatste tien jaar heeft men op het gebied van de neurofysiologie veel ontdekkingen gedaan, maar niet zo geïntegreerd.

‘Je moet van veel dingen afweten om dat te kunnen integreren. In de academische wereld zijn in de loop der eeuwen vakken als muziek en beeldende kunst afgevallen. Deze tendens is nadelig, en bij kinderen merk je dat deze muzische kant nodig is bij de vroege ontwikkeling (vóór vier à vijf jaar).

We weten tegenwoordig dat er twee hersenhelften zijn, de rechter- en de linkerhemisfeer, ieder met hun eigen bepaalde functies. De verbinding tussen die twee komt bij deze kinderen niet goed op gang. Als je rechtshandig bent, ontstaat er een taalcentrum in de linkerhelft. De rechterhemisfeer, daar zitten dingen als beleven van muziek en tekenen, die totaal anders zijn dan wat bij de linker hoort, die meer voor het logische is, voor een bepaalde vorm van praten.

Wat is praten? Hoe doe je dat? Ik zeg: praten, in ieder geval zoals kinderen praten, dat doe je met je gevoel! Daartoe behoort bij voorbeeld de intonatie, die door kinderen feilloos begrepen wordt.’ Tan acteert en slaat met zijn vuist op tafel: ‘Ik heb het je toch gezegd! Héé? … Eh! Dat zijn nauwelijks woorden, dat is puur intonatie.’

Kinderen kunnen dat ook prachtig imiteren, constateren Tan en ik. Ik herinner me hoe een vierjarig jongetje mij eens een boekje ‘voorlas’, letterlijk de tekst zoals die op iedere pagina stond, weergaf met alle intonaties waarmee zijn vader het hem ontelbare malen had voorgelezen, alleen al op de visuele herkenning van de pagina en de plaatjes zonder dat er natuurlijk van echt lezen sprake was.

Moeilijk voor academici

Tan: ‘Bepaalde dingen weten we, bij voorbeeld dat een kind al direct na de geboorte kan onderscheiden: menselijke stem — niet menselijke stem, een paar uur na de geboorte! Wat we ook weten is dat één hersencel een hele hand kan zien; dat is bij apen zo, maar dat moet bij mensen ook zo zijn. Dat is de rechterhersenhelft.
Die hele hersenfysiologie blijkt moeilijk direct in linker- of rechter hemisfeer te onderscheiden: wat bekijkt iemand analytisch en wat ziet hij in één oogopslag. Als je een kamer binnenkomt, kun je al meteen een totaalindruk krijgen (Gestalt) en pas daarna ga je analyserend waarnemen. Het is een tweeduidige vorm van waarnemen.

Mensen in een land als Bali nemen anders waar dan in het tegenwoordige Europa en Amerika. Daar overheerst de linker hemisfeer; het digitale en de computer.’

‘Je moet je voorstellen dat je twee vormen van waarnemen hebt, zeker bij het jonge kind. Dat is ook nodig, dat is survival of niet-survival, overleven of niet overleven, je moet meteen kunnen zien: vijand of niet-vijand. Dat soort aspecten is moeilijk voor academisch gevormde mensen: ‘Ach, dat is niet aantoonbaar’, zeggen ze dan.

Er is al veel onderzoek gedaan op het gebied van hersenfysiologie, maar het is voornamelijk onderzoek bij volwassenen. Het kind is natuurlijk in ontwikkeling. Cellen moeten nog op hun plaats komen. Komen ze niet op hun plaats, dan ontstaan bij voorbeeld bij het spreken verwisselingen van lettergrepen. Verder is de hele motoriek belangrijk voor de spraak-taalontwikkeling. Daarmee raak je de werkgebieden van euritmie en toneel. De Russische toneelpedagoog en -theoreticus Stanislavski (1863-1938) zegt: als je een poes aait op toneel, moet je niet zomaar wat doen, je moet je terugverplaatsen in hoe je als kind een poes hebt geaaid, dan komt die motoriek vanzelf.’ ‘Het is moeilijk om een algemeen beeld te geven van de therapie. Er spelen veel factoren een rol: leeftijd, motoriek, wat kan het kind wel, waar kun je op aansluiten. Iedere profielschets zal weer anders uitvallen. Je gaat mee in wat het kind al kan en dit stimuleer je op de juiste manier door middel van spel, klank, muziek (eenvoudige kinderliedjes), ritme (schommelen) en beweging. Steeds moet het totaalbeeld in het oog worden gehouden. Bij het toespreken speelt ook de intonatie een belangrijke rol.

Allereerst moet je een relatie met het kind krijgen. De moeder moet een paar keer komen praten, de kamer zien. Het behandelingsteam moet ook mobiel zijn. Als een kind erg jong is, gaan kinderpsychiater, logopediste en ergotherapeute op huisbezoek. Doel is het kind in een ontspannen situatie en een vertrouwde omgeving te ontmoeten en andersom: dat het kind de therapeuten leert kennen.

Een hulpmiddel bij de behandeling is het visueel maken van de taal. Een Zweedse vrouw, Ragnhild Söderbergh, heeft geheel vanuit het gevoelsbeleven van het kind, een methode ontwikkeld om dove kinderen te leren lezen. Ik veronderstel trouwens dat het probleem van de spellingfouten, dat je tegenwoordig zoveel tegenkomt, samenhangt met een meer auditief gericht taalonderwijs, terwijl het vroeger meer op het visuele letterbeeld gericht was.

De leesmethode van Ragnhild Söderbergh staat centraal in onze geïntegreerde groepsbehandeling en deze taal wordt uitgevoerd via een kleuterleidster. Er is nu een groepje kinderen in de leeftijd van vier tot negenjaar dat één maal per week anderhalf uur therapie krijgt.

Het is frappant dat moeders die onze folder lezen vaak zeggen: dat is het, dat heeft mijn kind. Ze hebben een soort instinct, ze herkennen het onmiddellijk. Ik denk dat moeders vaak instinctief het juiste voor hun kind doen.’

Weten, wat je doet

‘Het komt er op aan dat je met het juiste affect komt. Dat kun je echter niet alléén met instinct. Je moet wéten, wat je doen moet, kennis hebben. Het is heel belangrijk dat je alle determinanten (bepalende factoren) van de spraak-taalontwikkeling versterkt, zoals lichamelijk contact, spel, zingen, ritmische beweging. Laat je een kind schommelen, dan komt er al gauw iets van a – la – la. Zegt het kind al een woordje, bij voorbeeld ‘pappa – auto’, dan haak je daar op in: o, ben je met pappa in de auto geweest. Niet invullen wat het wil zeggen, ook niet corrigeren. Spontaan kunnen deze kinderen zich ook beter uitdrukken in een dialoog. Die moet je niet direct aangaan als je zo’n kind tegenover je krijgt. Je begint zelf te kwebbelen, zo van: ‘o, je komt met je vader’, en dan ga je door zodat het kind alleen maar hoeft mee te lopen en ja of nee te zeggen.

Dysfatische ontwikkeling bestaat in graden. De duur van de behandeling is zeer variabel. Die is afhankelijk van de ernst van het beeld, de leeftijd waarop het ontdekt wordt en waarop de therapie wordt ingezet. Verder ook van complicaties zoals dyspraxie (storing in de verbinding tussen denken/voorstellen en doen) of epilepsie, en van de intelligentie van het kind. Het zijn vooral de jonge kinderen, tot ongeveer zes jaar, die een behandeling vragen met een vrij hoge frequentie.

Als een kind op school zit, hangen behandeling en begeleiding samen met wat een school hierin kan bieden. Eventueel begeleidt men ook de leerkrachten van het kind. Bij jonge kinderen moeten de ouders veel doen bij de behandeling.’

Kind-onvriendelijke cultuur

Xavier Tan heeft een dubbele functie bij de Stichting Dyfatische Ontwikkeling. Behalve coördinator van het onderzoek- en behandelingsteam is hij ook voorzitter van het bestuur van de stichting. Hij meent dat hij het interview moet geven vanuit deze laatste functie. Wat hij zinvol vindt, is dat men er toe komt het beeld te onderkennen. Informatie geven over de therapie, bij voorbeeld door het beschrijven van een case, of het vermelden van resultaten hoort volgens hem in een vakblad thuis, daar waar deskundigen hierover kunnen oordelen en discussiëren.

Over stoornissen van de spraak of van het taalbegrip bij volwassenen als gevolg van hersenbeschadiging is, medisch gezien, al veel bekend, van kinderen die in het begin van de ontwikkeling van deze vermogens staan, nog vrijwel niets, ook in het buitenland niet. Tan werkt met kinderen uit Hamburg, Curacao en Boston. Bij navraag bij verscheidene artsen en psychiaters blijkt dat ook in de antroposofische geneeskunde geen duidelijkheid is over de dysfatische ontwikkeling. Dat kan te maken hebben met het relatief kleine aantal kinderen dat deze ontwikkeling vertoont; ook kan het zijn dat door het muzisch-ritmisch element van het peuter- en kleuteronderwijs in de vrijescholen al veel ‘vanzelf’ genezen wordt.

Tenslotte rijst de vraag of je ook hier weer te maken hebt met de invloed van de uitgesproken kind-onvriendelijke cultuur waarin vooral de stadskinderen opgroeien en waarvoor meestal te weinig compensatie wordt geboden.

Hoe dan ook — het gaat, denk ik, niet alleen om alertheid op een goed verloop van de spraak-taal-ontwikkeling van het jonge kind, ook de verzorging van het gevoelsleven van de baby van het prille begin af aan vraagt nadrukkelijk om aandacht.

.

Een aantal gezichtspunten is zeker nog actueel. Het dysfatisch ontwikkelingscentrum is nog actief. Meer hierover.

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1669-1564

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-6)

.

Het ene eetprobleem is het andere niet

.

Wat te doen als je kind veel te weinig (of veel te veel) eet? Een eenduidige remedie tegen eetproblemen bestaat niet. Goed kijken naar je kind is een eerste vereiste om erachter te komen waar het probleem zijn oorsprong heeft. Huisarts George Maissan geeft een paar voorbeelden uit zijn praktijk, met adviezen voor de aanpak ervan.

Tot nu toe was het zo’n lief, rustig kind. Alles ging vanzelf’, verzucht de vader van de 26 maanden oude Pim.
Ik kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Gefeliciteerd, u heeft een zoon.’ Verbouwereerd kijkt hij me aan. Hij heeft me net omstandig uitgelegd dat het zo echt niet verder kan. Pim wil niet meer eten. Vooral de warme maaltijd is een strijd. Groenten worden met een luid ‘nee’ afgewezen. Ik vertel hem dat zijn zoon in de fase van het nee-zeggen is gekomen. Hij zet zich af tegen zijn omgeving en in Pims geval richt zich dat op het eten. Door nee te zeggen versterkt hij zijn ontluikende zelfbewustzijn. Je zou dat een soort tweede geboorte kunnen noemen. Vandaar mijn felicitatie.

Het oplossen van zo’n eetprobleem vraagt van ouders wel wat creativiteit.

Het is belangrijk dat je er geen machtsstrijd van maakt. Je kunt je peuter het beste wat afleiden met een verhaaltje of een spelletje. Het probleem zal vanzelf weer over gaan als het zelfgevoel van je kind zich zover heeft ontwikkeld dat hij het niet meer nodig heeft voortdurend nee te roepen. Maar dat vraagt van ouders wel een oefening in zelfwaarneming: ‘Ben ik duidelijk genoeg naar mijn kind?’ Want het heeft in deze fase herkenbare grenzen nodig. Dat komt al tot uiting in kleine dingen als de manier waarop je het kind aanspreekt: ‘Kom, we gaan naar buiten’ in plaats van ‘Wil je naar buiten?’ of: ‘We gaan nu eten’ in plaats van ‘Wil je iets eten?’

Te klein en te licht

Een heel ander kind is de driejarige Robbert, die samen met zijn moeder heel mijn spreekkamer vult. Hij vraagt honderd uit over mijn computer, rent op zijn tenen rond en zit, tot wanhoop van zijn moeder, overal aan. Hij ziet er bleek en mager uit maar kijkt wakker uit zijn heldere, blauwe oogjes. Robbert eet al maanden heel weinig of niets. Zijn ontlasting komt verschillende keren per dag en is altijd dun. ’s Nachts is hij vaak wakker en wil dan drinken. Dat doet hij overdag ook veel.

Als ik hem onderzoek voelt zijn lichaam, met uitzondering van zijn hoofd, koud aan. Hij is duidelijk te klein en te licht voor zijn leeftijd. Als hij gaat tekenen, bespreek ik met zijn moeder hoe we het probleem gaan aanpakken. Robbert verliest zich helemaal in de dingen om hem heen. We zullen moeten proberen hem interesse bij te brengen voor zijn binnenwereld, dat wil zeggen zijn stofwisseling. Dit kun je doen door een vaste regelmaat van drie maaltijden per dag aan te houden en hem dan vooral veel zoete vruchten en de bloemige delen van planten te eten te geven, naast meelspijzen en pap. Ook stel ik voor dat zijn moeder of vader hem regelmatig (om het anderhalf uur) op de bank op schoot neemt en samen met hem een prentenboek bekijkt of hem een verhaaltje voorleest. Dat brengt ritme in zijn dag. Om zijn warmteorganisme te verbeteren en hem wat af te sluiten voor de buitenwereld, raad ik Baby- en Kinderbad aan (driemaal per week) en Calendula Babyolie om hem ’s ochtends en ’s avonds mee in te smeren.

Als ondersteunend medicijn schrijf ik tweemaal daags tijdens het eten een halve tablet Nahrkraftquell* voor en driemaal daags voor het eten vijf druppels Anaemodoron*, dat ervoor zorgt dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen.

‘Kan ik dat ook aan Yvon, mijn dochter van zeven, geven?’ vraagt Robberts moeder. ‘Die eet ook bijna niets.’ Ik vertel haar dat dat inderdaad kan, maar dat het eetprobleem van haar dochter toch van een heel andere aard is. Yvon is een licht en vlinderig meisje. Het is alsof ze overal net even aan tipt. Ze heeft niet de rust om zich door een rijstebrijberg aan eten op haar bordje te werken. Zij wil heus wel wat eten maar ze is zo snel vol. Ze kan alleen maar kleine hapjes aan en floreert daar eigenlijk ook goed op. Een kind als Yvon kun je best wat vaker op de dag kleine, lichte hapjes als een yoghurtje, een rijstewafel of een vrucht geven.

Uit de kluiten gewassen

Weer een heel ander eetprobleem heeft Gerard, een uit de kluiten gewassen kleuter van vijfeneenhalf. Bij het wegen en meten slaat hij alle records. Zijn waarden passen niet op de grafiek die bij zijn leeftijd hoort. Als ik over zijn eetgedrag doorvraag, blijkt dat hij altijd kan eten en geen enkele maat weet te houden.

Gerard is wat je noemt een ‘stofwisselingskind’. Hij schrokt alles in hoog tempo naar binnen zonder waar te nemen wat hij eet en hoeveel hij eet. Het vermogen om het voedsel dat je eet werkelijk te proeven, verdwijnt vaak wanneer kinderen te vroeg te veel en te sterke smaken aangeboden krijgen. Door een kind eenvoudige, bij de leeftijd passende voeding te geven kunnen de zin voor smaak en geur zich geleidelijk ontwikkelen. Gerard moet geholpen worden om waar te gaan nemen wat hij eet en wanneer zijn buikje vol is. Dit kan door hem langzaam en rustig te leren eten en tijdens de maaltijd af en toe een vraag over het eten te stellen. Voor hem zijn rauwkost en zure ingrediënten belangrijk.

.

* Deze zelfzorgmiddelen zijn ook zonder dokstersrecept verkrijgbaar bij drogist en apotheek (soms bestellen).

George Maissan, arts, Weleda Puur Kind nr 5, lente 2000

.
Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1666-1561

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – alle artikelen

.

Op deze blog staan niet veel artikelen over de bovenbouw van de vrijeschool: de middelbare school. 
Dat heeft te maken met het feit dat ik onderbouwleerkracht was en weinig artikelen heb bewaard die over de bovenbouw gingen.

Toch heb ik er nog wel een paar en die worden hier gepubliceerd.

Ze hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen die over de 11e klas gaan, zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

AARDRIJKSKUNDE
[1] Christoph Göpfert over: aardrijkskunde-overzicht klas 4 t/m 12

WISKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE
Verwijzing voor de behandeling van de zonnewijzer.

GESCHIEDENIS
11e, 12 klas:
Omzien in verwondering
Willem F.Veltman
over: het conflict tussen Israël en de Arabische wereld; achtergronden vanuit een Bijbels verleden; de impuls van Gondishapur; wat kan de taak van Europa zijn.

HANDENARBEID
Boetseren in klas 9 – 11
Een kleine impressie

KUNSTGESCHIEDENIS
[1Henri Zagwijn over: Welke betekenis kan het oude Griekendom voor ons hebben

De maatschappelijke impact van kunst
Siegfried Pütz over: een geschiedenis van de kunst; gaat in op het ontbreken van kunst in het onderwijs en de gevolgen daarvan op de ontwikkeling van het (gevoels)leven van de jeugd. 

LEERPLAN
Rudolf Steiner over het leerplan van klas 11
Wat Steiner voor de 11e klas opmerkte in de vergaderingen met de leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart. Hoofdzakelijk uit deze GA 300 (a, b, c).

Het leerplan van klas 11
Caroline von Heydebrand over het leerplan van klas 11.

Over het leerplan van de bovenbouw
Johannes Kiersch over: het ontstaan van de stageperioden, het eindwerkstuk; verbanden leggen naar het ‘echte’ leven.

MEETKUNDE
Klas 8 t/m 12

NATUURKUNDE
[1] Peter Landweer over: elektriciteit.

NEDERLANDS

De roos
Jelle van der Meulen over:
poëzie; Gerrit Achterberg en Arie Gerlderblom; beleven van een gedicht; denken en waarheid; roos; subjectief en objectief; Xavier Villauruttia; Rilke.

NIET-NEDERLANDSE TALEN
Een creative benadering van de vreemde talen
René M. Querido
over: talen in klas 9, 10, 11 en 12: voorbeelden van literatuur, gedichten enz,; hoe kind een taal leert; ‘typisch’ Duits, Frans, Engels; de sociale kant van een taal kennen.

PARZIVAL
[1] Groots en meeslepend wil ik leven
Henk Spijker
over: de periode; hoe kan het verhaal de 11e-klasser in zijn ontwikkeling verder helpen.

[2Het netwerk van Parzival
Mark Mastenbroek

[3-1] Een Middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg
Jacobus Knijpenga

[3-2] deel 2

[3-3] deel 3

[4] De drie bloeddruppels in de sneeuw
L.F.C.Mees

[5] Parzival, Middeleeuws gedicht met moderne strekking
Peter de Beer

[6] De weg van Parzival en de weg van Lohengrin
Gieljan Vingerhoets

[7] Van zwivel tot saelde
Ingeborg Schröder over: het 9e, het 14e boek en het 15e boek; strijd van Parzival tegen Gawan; tegen de heiden; tegen Gramoflanz.

Stage
Over de inrichting van de bovenbouw
Wolfgang Schad over: de (menskundige) achtergronden van de stage.
Zie hierboven: Kiersch

Wat leerlingen over hun stage zeggen

.

1650-1546

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (4)

.

DE KINDERBESPREKING

Een weg naar het wezen van het kind

De  kinderbespreking zoals die hier wordt beschreven, is ontstaan in de heilpedagogie. In de ‘Heilpädagogischer Kurs‘ [GA 317] laat Steiner aan voorbeelden zien, hoe door een geschoold waarnemingsvermogen ‘een gezonde diagnose zich vanzelf tot iets therapeutisch ontwikkelt’. (R.Steiner, Genezend opvoeden, 3e voordracht).
Een pedagogisch noodgeval of een verlangen een kind zo snel mogelijk te helpen, kan er makkelijk toe leiden dat er te snel therapeutische maatregelen worden genomen en dat de kinderbespreking niet als een ontwikkelingsproces wordt gezien.

Wanneer je de kinderbespreking losmaakt van een vooropgezet doel en in de lerarenvergadering als gemeenschappelijke, regelmatige scholing verzorgt, kan er daardoor een kracht ontstaan die niet beperkt hoeft te blijven tot de heilpedagogie. [nu orthopedagogie]

Met chaotische bewegingen en ongearticuleerde spraak uit de zuigeling zijn pure levenswil – vaak sterker in vergelijking met zijn lichamelijke hulpeloosheid. De ongerichte, onbeheerste wil vindt een aanknopingspunt wanneer de blik ‘geboeid’ raakt, de handjes iets pakken en het kind uiteindelijk zijn lichaam zonder hulp van buitenaf in evenwicht kan houden. Met het vinden van het eigen ‘standpunt’ begint de natuurlijke wil zich te differentiëren in voelen en denken. Dat vindt plaats met andere mensen: door spreken en begrijpen komt het eigen wezen meer tot bewustzijn en los van de omgeving. Het eigenzinnige in de koppigheidstijd laat dat duidelijk zien.

We komen steeds meer kinderen tegen die geen rem lijken te hebben, bij wie binnen- en buitenwereld niet duidelijk begrensd van elkaar afgescheiden zijn. Het lijkt net alsof hun levenswil geen geschikte lichamelijkheid en sociale omgeving heeft gevonden die een steun voor hen zijn.
Dat komt overeen met een algemene waarneming dat de traditionele sociale structuren hun draagkracht verliezen en dat het menselijk lichaam zwakker, gevoeliger en kwetsbaarder wordt (maar niet korter leeft). Deze processen zijn gunstig voor de individuele ontwikkeling – hoe onherbergzamer het landschap en hoe ongeschikter de ‘transportmiddelen’, des te groter de uitdaging de weg, mijn weg, op eigen kracht te vinden. Daarbij hoort ook het verdwijnen van de traditionele ouder-kind-  of leerkracht-leerlingrelatie en we maken steeds meer ogenblilkken mee van grote individuele intensiteit.
Dergelijke onconventionele ontmoetingen waren er ook vroeger wel, bijv. de pastor of de leerkracht die bij een kind uit een kinderrijk daglonersgezin de bijzondere begaafdheid opmerkte. Hoe was het mogelijk deze verborgen ontwikkelingsmogelijkheden van een kind te ontdekken. Omdat het nog voor de toekomst, in de wil van kind ligt, omdat het nog niet naar buiten gekomen is, kan men het zich niet voorstellen. Maar je kan er wel een indruk van krijgen of het kan een indruk op je maken, omdat er van deze aanwezige wilskracht een werking uitgaat.
De kinderbespreking probeert langs een bepaalde kennisweg die stap voor stap opgebouwd is, de verborgen ontwikkelingskracht van het kind te ontdekken, zodat de opvoeder de voorwaarden kan scheppen waarmee de wil van een kind richting, steun en doel kan vinden.

hoe kan een kinderbespreking eruit zien?

Een groep mensen die met een bepaald kind werken – het kunnen ook alle leerkrachten van een tehuis zijn, of van een school of een kleuterschool, met de schoolarts en andere medisch-therapeutische vakmensen, komt regelmatig bij elkaar om een kind in het middelpunt van hun belangstelling te plaatsen.
Eerst wordt het uiterlijk van het kind zoals zich dat aan ons voordoet, geschetst: houding, bewegingen, gebaren, mimiek, blik, het spreken worden beschreven; hoe het ademhaalt, hoe het eet en ook wat zijn ziel betreft: denken en waarnemen, voelen en hoe het sociaal is en alles wat het kind met zijn wil laat zien. Om de beschrijvingen zoveel mogelijk niet vooringenomen aan te horen, is het raadzaam, nu de voorgeschiedenis te vertellen. Misschien zijn er ook vermoedens ontstaan die door de voorgeschiedenis bevestigd of ontkracht worden. In ieder geval is deze volgorde gunstig voor het open staan en het meebewegen met de ziel.
Aan het eind van de bespreking kan je dikwijls verbaasd staan over de verandering van je blik op het kind. Er is tijdens de bespreking een duidelijke verandering ontstaan – en wanneer de aandacht voor het kind bijzonder sterk was, kan je bijna de indruk krijgen dat je de wereld nu door de ogen van het kind ziet.
Wanneer het je vereenzelvigen met het wezen van het kind gelukt is, word je alert en open voor het pedagogische idee: wat kunnen we in overeenstemming met de meest innerlijke wil van het kind voor zijn ontwikkeling doen – het zij uiterlijk, het zij innerlijk. Het kind merkt al snel een andere houding van de pedagoog. Na een kinderbespreking lijkt het wel alsof er ’s nachts in de ontwikkeling van het kind iets is gebeurd. Het kan ook voorkomen dat kinderen na een bespreking opstandig worden, omdat de blik van de opvoeders niet open is, maar vol met bedoelingen – misschien wel de allerbeste.
Programma en methode van de kinderbespreking ondersteunen elkaar. De weg van de uiterlijke verschijningsvorm naar de wil van het klnd loopt over een drempel. Wat geworden is, de lichamelijkheid en de levensomstandigheden kun je uiterlijk beschrijven. Maar hoe een kind daar met zijn individuele aard mee omgaat en zich ontwikkelt aan de weerstand die deze hem bieden, kun je niet echt goed weergeven. We worden opgeroepen mee te bewegen, het na te voelen, ons in te leven. Het wezen van het kind waar de ontwikkelingsimpulsen vanuit gaan, kunnen we alleen maar leren kennen, wanneer we onder de indruk kunnen komen van het kind, wat daar werkzaam is ‘aan het eigen lijf’ ervaren. Het hoeft niet meteen zo te zijn dat het kind ons uit de slaap houdt, of ‘in de war maakt’, maar iets subtiels zou wel een indruk op ons moeten maken.

De kinderbespreking kent drie fasen, die niet noodzakelijkerwijs op elkaar hoeven te volgen, maar waar je het toenemen van de intensiteit aan kan beleven.
Eerst moet er in wie er bij is, een levendig, kleurrijk, aanschouwelijk beeld van het kind ontstaan. Bij de volgende stap moeten de geschetste verschijnselen innerlijk levendig in samenhang worden gebracht, waarbij het gevoel aftast of men het kind recht doet. Zonder meer moeten hierbij zijn bijzondere talenten ter sprake komen en wat opvallend is aangevuld met wat ‘achter, onder of boven’ verborgen ligt. De tweede fase wordt vaak als een soort zweeftoestand beleefd, waarbij de fenomenen niet op zich staan, maar bij elkaar komen als een soort vlechtwerk. Dat betekent de overgang naar de derde fase al, die het gevolg is van de inzet van de deelnemers om de kinderbespreking niet volgens de leus ‘wij willen wat voor het kind mogelijk maken’, maar door terughoudendheid te oefenen. Dan kan men getuige zijn van een gemeenschappelijk gevormde ‘vrije ruimte’ waarin het wezen van het kind zich kan uitspreken en die het ons mogelijk maakt zich met hem te identificeren: we spreken niet meer over het kind, maar het kind spreekt door ons heen.
De kinderbespreking kan ertoe bijdragen dat de relatie met een bepaald kind helderder wordt en een nieuwe, diepere verbinding tot stand komt.
Daar kan een gezondmakende werking vanuit gaan voor een hele kleutergroep of schoolklas.

.

Heiner Priess, heilpedagoog, medewerker aan de opbouw van het heilpedagogische dagverblijf ‘Rudolf Steiner Schule Kiel, waar hij vele jaren klassenleraar was. Nu* docent aan het Rudolf Steiner Instituut voor sociale pedagogiek te Kassel, Erziehungskunst, jrg. 64-*5-2000

.

Kinderbespreking: alle artikelen

Uit de praktijk

1631-1529

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 9e-10e levensjaar

.

Dat onderstaand artikel al heel oud is, doet niet veel af aan de inhoud. Wat hier over het zich ontwikkelende kind wordt geschreven, geldt ook nu in grote mate nog. Het taalgebruik is uiteraard niet overal van deze tijd.
Ik heb de spelling van die tijd niet veranderd.

HET KIND VAN DE GEBOORTE TOT DE PUBERTEIT EN DEN OVERGANG MET HET 9e OF 10e LEVENSJAAR.

Geen opvoeding kan de juiste genoemd worden, als men niet voortdurend twee dingen in het oog houdt:

ten 1e: den mensch te beschouwen in den volstrekten zin des woords naar lichaam, ziel en geest,

en ten 2e: het geheele menschenleven van geboorte tot dood.

Want opvoeden beteekent, met inachtneming van het verleden en heden van het kind, hem de beste kansen voor de toekomstige ontwikkeling van lichaam, ziel en geest te geven.

Omdat menige opvoedkundige maatregel niet alleen in het heden werkt, maar tot ver in de toekomst zijn uitwerking doet gelden, is het noodig met dieper menschenkennis, dan waarover de gewone paedagogie beschikt den wordenden mensch gade te slaan.

Van Dr. Rudolf Steiner hebben de leeraren der Vrije School een schat van kennis en aanwijzingen ontvangen, die hun een dagelijkschen steun zijn bij hun paedagogischen arbeid.

Want zonder toereikend inzicht loopt men gevaar door te kortzichtigen blik, of verblind door een schijnbaar direct succes, groot kwaad voor de toekomst aan te richten.

Gaan wij voor een duidelijke en regelmatige uiteenzetting terug tot het pasgeboren kind.

Het physieke lichaam is geboren. Ziel en geest, nog slechts in kiem aanwezig, zijn er op de innigste wijze mee verbonden, veel inniger, dan dat bij een volwassen mensch het geval is.

Het jonge kind is eigenlijk geheel zintuigwezen en uiterst sensitief voor de sfeer, die het omgeeft. Zoo subtiel is het waarnemingsvermogen van het jonge kind, dat het, wat moreel en geestelijk in zijn omgeving leeft, in zijn organisme opneemt. In ons bloed en zenuwleven werken invloeden voort, die uit de eerste levensjaren dateeren. Omringt het kind een sfeer, die goed, zuiver, rustig en harmonisch is, dan bloeit het op en ontvangt ook voor de toekomst een bron van kracht.

Want het is een foutieve gedachte, te veronderstellen dat wat men voor het lichaam doet, alleen het lichaam beïnvloeden zou, of wat men voor den geest doet zijn invloed op den geest alleen doet gelden.

Slechts een materialistische tijd als de onze kan een zóó dwaze en grove scheiding trekken. Lichaam, ziel en geest zijn een drie-eenheid, die wederkeerig elkander beïnvloeden en onafscheidelijk in ’t kind verbonden zijn.

Wat men voor het lichaam doet, heeft zijn uitwerking op ziel en geest, wat men voor den geest doet, heeft zijn uitwerking op ’t lichaam. Niet een eenzijdig spiritueele opvoeding is het tegendeel van een materialistische, dat is slechts een moderne verdwazing. Men kan bij het kind, lichaam en geest niet van elkaar scheiden. Bovendien is het lichaam niet de vijand van den geest, maar zijn drager. Lichaam, ziel en geest tot een schoone harmonie te doen opbloeien is de eenige werkelijk geestelijke opvoeding.

Maar keeren wij tot het jonge kindje terug!

We zagen reeds van hoe overwegenden invloed de hem omgevende sfeer is. Wat het voorstellingsleven betreft, leeft het kind in een elementairen droomtoestand. Herinnering is wel aanwezig, maar onbewust en gebonden aan zintuigelijke waarneming.

Na het 7e jaar komt het kind vrijer tegenover zijn voorstellingsleven te staan. Dit is niet meer in die mate gebonden aan de zintuigelijke waarneming en den wil tot bevrediging van de daardoor opgewekte begeerte.
Ook kan het kind nu vrijer terugzien op wat het beleefd heeft en wordt de herinnering bewuster.
Het is alsof met de tandenwisseling latente krachten, die eerst voor den opbouw van het physieke lichaam verbruikt werden, vrijgekomen zijn, waarover het nu de beschikking krijgt. Het onbestemde en onbewuste leven van het kleine kind begint meer vorm en vastheid te krijgen.
De vrije ontwikkeling van het zieleleven wordt nu pas mogelijk, met als direct gevolg een krachtige ontwikkeling van het gevoelsleven en het rythmische systeem (ademhaling en bloedsomloop).
Langs den weg van het gevoel en het rythme moet het kind in deze jaren onderwezen worden. In beelden moeten hem de begrippen worden bijgebracht, want het denkleven, dat pas na het 12e jaar tot zijn volle ontplooiing komt, moet nu nog gespaard. Zoozeer moet de leeraar in het kunstzinnige leven, dat zijn beeldend onderwijs, als iets van zelfsprekends tot het kind komt. Een intellectueel uitgedacht beeld, waaraan de leeraar eigenlijk zelf niet gelooft, maar wat hij van zijn hoogverheven standpunt als volwassene slim heeft bedacht om het kind iets duidelijk te maken, blijft waardeloos.

Daar evenwel het verstand en het geheugen van het kind zijn voorbestemd om ontwikkeld te worden, moet ook hiermee rekening gehouden. Het geldt dus de juiste maat te vinden.

Overmatig intellectueel onderwijs wreekt zich, doordat het kind bleek, nerveus en prikkelbaar wordt, onrustig gaat slapen, zelfs kan gaan slaapwandelen. Intellectueel onderwijs werkt verstarrend, ontneemt het kind te veel groei- en levenskrachten en mist ook in latere jaren zijn uitwerking niet. Rheumatiek, jicht, en bloedvatenverkalking hangen samen met te verstandelijk onderwijs in de jeugd.

Het tegendeel, te weinig geheugenstof bij ’t onderwijs kweekt slappe, paffige kinderen. Te weinig voedsel wordt dan door hoofd en zenuwen opgenomen. Het lichaam groeit te snel. Hierdoor vraagt de maag steeds om meer voedsel, dat echter deels niet verwerkt wordt. Niet alleen de denkprocessen gaan te traag, maar op den duur ook de spijsvertering. Het geheele kind maakt den indruk van te weinig intensief levend, te slap, te lusteloos, te hangerig, te vegetatief.

Er moet evenwicht zijn in de juiste mate van beeldend onderwijs en geheugenstof, maar óók in de geestelijke en lichamelijke inspanning. Door de geestelijke inspanning moet het verlangen naar de lichamelijke gewekt worden, niet omgekeerd. Overmate van lichaamsoefening verstompt den geest en werkt te emotioneerend, roept te sterk dierlijke instincten op. De sportwaanzin van dezen tijd is dan ook een zeer verontrustend verschijnsel, dat zich wreken moet.

In de jaren van 7—12 komt zeer veel op de menschelijke verhouding van opvoeder tot kind aan. Omdat het „ik” van het kind nog bij lange na niet tot volle ontwikkeling is gekomen, heeft het behoefte zich veilig te voelen en beschermd te weten door de leiding van dengene, wiens autoriteit het ten volle erkent. Zulk een autoriteit kan natuurlijk nooit op dwang- of strafbedreiging berusten, maar alleen op innige genegenheid en liefde. Met liefde geeft het kind zich geheel over aan de leiding van den volwassene, uit liefde wil het gehoorzamen. Is de verhouding de goede, dan beschouwt het kind hem als het toonbeeld van goedheid, wijsheid en waarheid. Zóó wil het ook worden, zóó goed, zóó verstandig, zóó edel, zóó oprecht. En hiermede legt de opvoeder de basis voor de moreele ontwikkeling van meisje of jongen. Want de neiging tot moraliteit moet in deze jaren worden aangekweekt. De grootste invloed gaat uit van het dagelijksche voorbeeld van den volwassene. Verder moeten wij het goede zóó tot het kind brengen, dat het welgevallen krijgt aan het nobele. Het moet in deze jaren het edele als iets zeer begeerenswaardigs leeren liefhebben en het slechte haten.

Wilsimpulsen moeten we van het jonge kind nog niet verwachten, dat zou te hooggegrepen zijn. En met „je zult” of „je zult niet” wekt men slechts den prikkel tot verzet. Een dwingend bevel roept geen moraliteit op, eer het tegendeel. Het kind wil uit eigen overtuiging het goede liefkrijgen, niet, omdat hem dit opgedrongen wordt. Zóó alleen kweekt men later menschen met moreele wilskracht.

Tusschen het 9e a 10e levensjaar grijpt er met het kind een verandering plaats. Bij het eene komt het iets vroeger, bij het andere later.
Het is of er een „bewustzijnsverdichting” optreedt. Het kind begint zichzelf als alleenstaande, op zichzelfstaande ikheid te beleven, tegenover en te midden van andere schepselen ieder met een specifiek eigen innerlijk leven.
Dit gevoel van eigen afgeslotenheid brengt een eenzaamheidsgevoel met zich. Eenigszins schuw trekt het kind zich terug en het is of het meer en dieper dan vroeger onze liefde en belangstelling noodig heeft. Het vraagt ons onbewust om liefde en eerbiediging van zijn persoonlijkheid, om erkenning van zijn ikheid.

Het zelfrespect wil groeien aan de hand van ons respect voor hem.

Het kind, dat afdaalde uit goddelijk-geestelijke sferen tot deze aarde, zet in zijn eerste levensjaren nog het nabootsend principe voort, dat hem in de geestelijke wereld beheerschte. Daar was het nabootsend wezen, daar nam het voortdurend uit de goddelijk-geestelijke wereld krachten in zich op. Dit nabootsend principe, dat het als baby nog zoo sterk vertoonde, legt het nu langzamerhand af.

Waar het vroeger ouders en opvoeders als vanzelfsprekende autoriteit erkende, begint er op dezen leeftijd een vage weifeling in het kind te komen. Met den groei van zijn bewustzijn is de zin tot critiek ontwaakt. Het 9 a 10 jarige kind ziet scherper. Het wil, dat de volwassenen door hun gedragingen hem bewijzen, dat zij het onbeperkte vertrouwen, de liefde, de vereering, die het hun toedraagt, waard zijn. ’t Is alsof het kind ons onbewust smeekt: „Val mij niet tegen”! „Bewijs, dat je zóó goed, zóó edel, zóó volmaakt bent, als ik dacht dat je was”.

Onbeperkt zijn de eischem, die een kind ons stelt. Eigenlijk willen zij, dat wij alles kennen, alles beheerschen, alles begrijpen. De maatstaf van de hemelsche volmaaktheid leggen ze ook ons aan, maar gaande weg worden hun de oogen voor de aardsche betrekkelijkheid geopend, de groote ontgoochelingen beginnen. Als aardewezens moeten zij zich steeds meer met het aardsche verbinden. Van al de aardsche tekortkomingen beginnen ze nu een vermoeden te krijgen. Het is of het kind terugschrikt, of het door middel van ons volwassenen, den band met het volmaakte, het goddelijke waaruit het gekomen is, wil vasthouden. Op dezen leeftijd heeft het een mensch noodig, die door eigen diep-vromen aanleg zich een klare wereldbeschouwing opbouwde; op dezen leeftijd behoeft het een fijn religieus mensch. Zonder dat er in woorden zooveel over godsdienst gesproken wordt, moet het omgeven worden door innig, waarachtig geestelijk leven.

Twee maal in het kinderleven treedt die „bewustzijnsverdichting” op, dat is op het 9e en op het 17e a 18e jaar.

Op het 9e jaar is het onze taak den band tusschen het kind en het hemelsche vast te houden, nu het bewuster tot het aardsche afdaalt, waardoor het in staat is, van nu af aan met vrucht dierkunde, plantkunde, aardrijkskunde en geschiedenis onderwijs te ontvangen. Op het 18e moet hem den weg tot het aardsche in zijn vollen omvang gewezen, maar het aardsche gezien tegen een geestelijken achtergrond. Het geldt hier dus een bestaande, hoewel onbewuste band met het spiritueele, die op het 9e jaar zwakker dreigt te worden, te versterken en het kind op het 18e jaar van het aardsche uitgaande een hernieuwde, nu bewuste band met de geestelijke wereld te helpen vinden.

In verband met die diepere, zij het misschien onbewuste, behoefte aan het religieuze, staat de dankbaarheid en de ontwikkeling van de liefde-capaciteit in een kind.

Een menschenleven wordt slechts rijk en gelukkig, en krijgt waarde naar gelang van de mate der liefde, die een mensch voor iets waardevols kan opbrengen. Zonder liefde is het leven een rampzalige mislukking. Graag willen wij, dat onze kinderen later een groote liefdekracht zullen ontwikkelen. Daarvoor moet hand aan hand met het godsdienstige de zin voor dankbaarheid worden aangekweekt, deze beide leggen den grondslag, waarop later de liefde ontbloeien kan.

„Dankbaarheid”, het klinkt wat antiek! De moderne mensch vindt haar een beetje lastig, leeft liever oppervlakkig heen over de dingen. Toch is geen menschelijke verhouding goed, waar het element van dankbaarheid ontbreekt. Want hier is natuurlijk niet de dankbaarheid van het welopgevoede kindje, dat netjes: „dank u wel”! heeft leeren zeggen, bedoeld.

Dankbaarheid kan zelfs zeer goed bestaan, zonder dat ze ooit onder woorden gebracht wordt. Zij moet als een tastbare ondergrond leven in de gevoelsverhouding tusschen twee menschen. Geen vriendschapsdaad, geen offer heeft groote waarde voor wie ze ontvangt, als niet het dankbaarheidsgevoel daarbij een zeer reëele plaats inneemt.

Wie zichzelf niet hooghoudt tegenover anderen, nonchalant met
gaven en giften omspringt, oogst geen respect nóch een ontroerd gevoel van dankbaarheid, maar spot en minachting. Wie met diepen eerbied voor het heilige, dat hij hoog te houden heeft er anderen van meedeelt, in geen enkel opzicht „goedkoop” is, nóch tegenover ’t eigen zelf, nóch in hetgeen men anderen te brengen heeft, wekt achting en dankbaarheid. Zulk een dankbaarheid, die gebaseerd is op grootsche verheven gevoelens, opent de mogelijkheid tot de ontwikkeling van een krachtige liefde in later jaren.

Wie nu uit het bovenstaande afleidt, dat het 9 a 10 jarige kind iets stils, iets inzichzelfgekeerds is, heeft het glad mis. Innig ontroerend is deze leeftijd. Het eene oogenblik hulpzoekend, stil, indachtig, het andere uitgelaten, overmoedig, branie-achtig. Ze onderschatten zichzelf lang niet, in deze bewustwordingsphase! Het zijn kostelijke opscheppertjes, die bij voorkeur studentikoze termen gaan gebruiken. „Een aardige jongen”, klinkt veel te tam. Als je al zulk een groot mensch van 10 jaar bent, spreek je van: „een getapte kerel”, of „een verdomd lollige vent”. En dat doe je met des te meer smaak, naarmate je vader of moeder het woord „verdomd” en „lollig” minder apprecieert.

Als je gevraagd wordt: „Ken je die, of die jongen”? dan luidt het antwoord: „Och ja, het heet een geschikte vent, maar ’t is mijn soort niet. Van het oordeel van anderen kun je trouwens toch niet op aan, je moet zelf een oordeel vormen.”

Tot een vriend, dien je troosten wilt, zeg je eigenwijs schouderophalend: „Och kerel, stoor je er niet aan, die lui weten niet beter, wij zouden dat .heel anders doen!”

Met een der mooiste gesprekken, die ik opving, wil ik dit stuk besluiten. Een 10-jarig baasje, dat sinds een jaar op de Vrije School is, ontvouwde een ander zijn toekomstplannen: „Zie je,” zei hij: „ik heb er nog eens rijpelijk over nagedacht, maar ik blijf er bij, al mijn kinderen gaan later naar de Vrije School!”

Wel ja, mijn jongen, een beetje zorg voor de toekomst kan geen kwaad!
.

C. J. Gischler, vrijeschool Den Haag, Ostara 1/5  06-1928

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiek: alle artikelen
.

1621-1520

.

.

.

VRIJESCHOOL – Waarnemen (21-2)

.

Geschiedenis van de waarneming

Goethe en de manlijke tucht van het objectieve waarnemen

‘De huidige natuurwetenschappelijk geschoolde wijze van waarneming heeft geen absoluut karakter. Zij geldt niet voor alle tijden.’

Aldus Arnold Henny in onderstaand artikel over de geschiedenis van het waarnemen.

‘De scholingsweg van een nieuw waarnemingsvermogen blijft een belangrijke aangelegenheid’.

Een geschiedschrijving van de menselijke waarneming zou een verrijking kunnen zijn van de cultuurgeschiedenis. Maar moet naast de reeds bestaande ‘geschiedenis der huisdieren’, de ‘geschiedenis van het postwezen’, de ‘Weltgeschichte der Sexualitat’, ook nog een ‘geschiedenis van de waarneming’ in de bibliotheken worden opgeborgen? In veel geschiedenisboeken worden nog steeds de hoofdstukken waarin de cultuurgeschiedenis wordt behandeld in kleine letters gedrukt. Dat wil dus zeggen dat die hoofdstukken van minder belang worden geacht dan de hoofdstukken waarin de politieke geschiedenis wordt behandeld.

Geschiedenis is nog steeds een ‘manlijk’ vak. Men behandelt hierin revoluties, ontdekkingstochten, veldslagen, grensveranderingen en grondwetsherzieningen met hier en daar wat ‘histoire parfumé’ van vrouwelijke intrige achter de schermen. Waar dit als elitair wordt afgedaan richt men zich op het dagelijks leven van de ‘gewone man’: wat hij eet, wat hij drinkt, hoe hij vrijt. Dat is dan de cultuurgeschiedenis. Ook worden meer en meer harde wetmatigheden waarin het verloop van de geschiedenis zich sociologisch gezien voltrekt, met behulp van de computer opgetekend. Daarmee is dan de geschiedenis gerangschikt onder de ‘exacte vakken’ en valt zij onder de manlijke tucht van objectieve waarneming. Dat maakt een vak als ‘beschavingsgeschiedenis’ bijzonder kwetsbaar. Want hier komt het er juist op aan dat men zich open leert te stellen, dat men leert, zich telkens te verplaatsen in een wereld die anders is dan de wereld waarin men nu zelf leeft. Een zuiver empirische benadering schiet hier volkomen tekort. Deze empirische benadering – dat wil zeggen een instelling waarbij men zich zelf als objectief toeschouwer plaatst buiten de natuurverschijnselen – is echter wel het uitgangspunt van iedere scholing van technicus en ingenieur.

Historisch gezien is deze empirische instelling van de mens ten opzichte van de natuurverschijnselen nog niet veel ouder dan vierhonderd jaar. Vóór het tijdperk van de Renaissance beschikte de mens nog over een geheel ander waarnemingsvermogen en ook in de Oudheid zijn tal van voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat niet alleen de opvattingen over de natuur, maar ook het waarnemen van de natuur anders was dan tegenwoordig. Daarom kan een zich verdiepen in de ‘geschiedenis van de menselijke waarneming’ in verschillend opzicht bevrijdend werken. Immers, de huidige natuurwetenschappelijk geschoolde wijze van waarneming heeft geen absoluut karakter. Zij geldt niet voor ‘alle tijden’. Men kan haar zien als een bepaalde fase in het ontwikkelingsproces van de mensheid. Reeds door deze relativering zou vertrouwen kunnen groeien in de toekomst en kan men hopen dat deze empirische benadering verrijkt zal worden met een andere. Deze laatste mogelijkheid is niet alleen afhankelijk van het standpunt dat men inneemt maar tevens van de wil om door eigen geestelijke activiteit zich een nieuw ervaringsgebied te veroveren.

Wetenschap en geloof

Waarin ligt nu bijvoorbeeld het verschil tussen de moderne wijze van waarneming en die van de middeleeuwse mens? De grote Franse kunsthistoricus Emile Male beschrijft in zijn boek ‘L’art religieux au treizième siècle en France’ de middeleeuwse visie als volgt: ‘In de Middeleeuwen heerst eensgezind de opvatting dat de wereld een symbool is. Het heelal is een gedachte die God in zich droeg bij het begin van de schepping zoals de kunstenaar de voorstelling van zijn kunstwerk in zijn ziel draagt. God heeft de wereld geschapen maar Hij heeft haar geschapen door zijn Woord, door zijn Zoon. Men kan de wereld omschrijven als een gedachte Gods, verwerkelijkt door het Woord. Wanneer dit zo is, verbergt ieder levend wezen een goddelijke gedachte in zich. De wereld is een onmetelijk boek, geschreven door de hand Gods, waarin ieder wezen één woord is, vol van betekenis. De onwetende neemt dit alles waar, hij ziet de vormen, geheimzinnige letters, en begrijpt er niet de betekenis van. De wijze echter verheft zich van de zichtbare dingen tot de onzichtbare. Terwijl hij leest in de natuur, leest hij de gedachte van God… want ieder schepsel is, zoals Honorius van Autun het uitdrukt, de schaduw van de waarheid en het leven’.

Deze middeleeuwse symbolische wijze van het waarnemen van de natuurverschijnselen geldt tegenwoordig als volkomen verouderd. Wie naar het voorbeeld van een middeleeuws schrijver de natuur zou trachten te bezien, zou er van beschuldigd worden de natuur te bezien door een ‘theologische bril’. Men zou zeggen: zijn verbeelding maakt hem blind voor de werkelijkheid. Hij schijnt niet te beseffen dat hij vier eeuwen ten achter is en dat de wetenschap zich voor goed bevrijd heeft van religieuze opvattingen en kerkelijke dogma’s.

Nu is het ongetwijfeld waar dat de theologie een belangrijke invloed heeft uitgeoefend op de wijze van waarneming van de middeleeuwse mens. Voor zover de mens zijn waarneming onafhankelijk heeft gemaakt van religieuze dogma’s kan men spreken van een perfectionering, van een ‘vooruitgang’. Aan de andere kant is hierdoor ook iets verloren gegaan: de universele visie, het vermogen de natuur te zien in grote samenhangen. Dat vermogen behoeft niet afhankelijk te zijn van kerkelijke opvattingen. Het is ook een kracht in de mens die langzamerhand verzwakt is naarmate, min of meer als protest tegen de kerk, de menselijke verhouding ten opzichte van de natuur onpersoonlijker is geworden. Men vergete niet dat omstreeks de tijd van de ‘beeldenstorm’ het natuurwetenschappelijk onderzoek begint via telescoop en microscoop.

In 1609 toont Galilei op de kade van Venetië aan dat men door middel van een telescoop op zee schepen kan zien die voor het blote oog onzichtbaar zijn. Drie jaar daarvoor werd te Amsterdam Swammerdam geboren, de man die door zijn onderzoekingen „met de microscoop een nieuwe wereld van wonderen zou ontsluiten die tot dusver voor de mensheid verborgen was gebleven. Sindsdien drong men met telescoop en microscoop steeds verder door in de wereld van het oneindig grote en het oneindig kleine. Deze mechanische instrumenten hebben de mens geleerd waar te nemen zonder religieuze ‘vooroordelen’, zonder ‘idolen’, zonder ‘wetenschap en godsdienst met elkaar te verwarren’.

Francis Bacon die eveneens aan het begin van de zeventiende eeuw leefde, is een van de eersten geweest die dit neerlaten van een ‘brandscherm’ tussen de ‘theatrale wereld’ van de godsdienst en de ‘toeschouwersruimte’ van de wetenschap als een vooruitgang van de beschaving heeft beschreven.

Het perfectioneringsproces van de menselijke waarneming zet zich in snel tempo voort. Steeds verder dringt men door in de wereld van het oneindig grote en de wereld van het oneindig kleine. Enerzijds sterrenwerelden die miljoenen lichtjaren van ons verwijderd zijn, anderzijds de wereld van het atoom. Volgens de moderne onderzoekers en de hypothesen die zij naar aanleiding van hun onderzoekingen hebben opgesteld, hebben deze twee werelden – die van het oneindig grote en die van het oneindig kleine – één ding met elkaar gemeen, namelijk de volkomen leegte die daar heerst.

Dit fenomeen van de leegte, waardoor de materie langzamerhand haar ‘waarneembaar’ karakter is gaan verliezen, stelt de moderne mens voor een steeds groter wordend innerlijk conflict. Hij is zijn innerlijk houvast in de meest letterlijke betekenis van het woord kwijt geraakt. De scheiding tussen wetenschap en geloof, tussen waarneembare wereld en de gedachte van God – die in de Middeleeuwen nog niet gescheiden was, maar die na de Middeleeuwen werd beschouwd als een wetenschappelijke triomf – leidt langzamerhand tot een levensconflict, waaraan geen geleerde zich meer kan onttrekken. Hier treedt, naast de verrijking die de nieuwe wetenschappelijke benadering gebracht heeft, de verarming van onze cultuur aan het licht. Bertrand Russell zegt: ‘De mens is het product van oorzaken die buiten iedere voorzienigheid staan. Zijn oorsprong, zijn groei, zijn gevoelens van hoop en vrees, van liefde en geloof, zijn slechts het resultaat van toevallige botsingen van atomen… Alle arbeid van eeuwen, alle devotie en inspiratie, alle glans van de menselijke genius zijn bestemd uit te doven in het afstervingsproces van het zonnestelsel.’

Nu is het haast vanzelfsprekend geworden dat iemand die als geleerde – Russell is winnaar van de Nobelprijs – een dergelijke definitie geeft van de mens in zijn persoonlijk leven als mens anders leeft dan hij denkt. Niets verhindert iemand die beweert dat gevoelens van hoop, van liefde en geloof – in de Middeleeuwen nog bekend als de drie ‘theologische deugden’ – slechts het resultaat zijn van toevallige botsingen van atomen, zelf een warm mensenvriend te zijn, een standvastig bouwer aan een betere samenleving. Men denke slechts aan het ‘Russell tribunaal’ dat ter nagedachtenis van deze geleerde is gesticht en dat opkomt voor de rechten van gediscrimineerde minderheden in de wereld.

Maar blijkt uit deze innerlijke gespletenheid niet hoe beperkt ons eigen waarnemingsvermogen is geworden? Blijkt niet hoezeer wij bij de vorming van een ‘wetenschappelijk verantwoord’ mensbeeld de waarneming van de meest eenvoudige levensverschijnselen uitschakelen? Geloof, hoop en liefde zijn zintuiglijk onwaarneembaar. Geestelijk zijn het krachten die de mens door alle beproevingen die het leven hem oplegt heendragen. Om dit alles als ‘realiteit’ te erkennen is een ander waarnemingsorgaan nodig dan de zintuigen en hun verlengstuk, de telescoop en de microscoop. Dit behoeft nog geen pleidooi te zijn voor een terugval in de ‘duistere Middeleeuwen’, voor een prijsgave van de ongebondenheid die, vooral dank zij het empirisch onderzoek van de natuur, de mens sedert het einde van de Middeleeuwen veroverd heeft. Juist dankzij deze ongebondenheid kan nu de weg zelfstandig worden voortgezet en kan de mens worden verlost van de innerlijke gespletenheid waartoe de beperktheid van ons waarnemingsvermogen ons gebracht heeft. Hoe deze weg kan worden voortgezet vindt men beschreven in de scholingsaanwijzingen in Rudolf Steiners boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ Daarin wordt allereerst gewezen op de kracht van de eerbied als innerlijke grondhouding van waaruit pas dan de wereld om ons heen ons als totaliteit kan tegemoet treden. Als oefening kan men hierbij zijn waarneming gedurende een bepaalde tijd trachten te concentreren op een bepaald object, bijvoorbeeld een plant. Men wordt zich dan allereerst bewust met hoeveel innerlijke weerstanden men te maken krijgt. Men wordt niet alleen telkens afgeleid, men gaat ook merken dat men eigenlijk niet onbevangen is maar belast met eigen voorstellingen en grote onvolledigheid daarvan. Het kost moeite de plant als totaalbeeld in ons op te nemen. Meestal maken wij onbewust een keus in wat wij zien; kijken wij bij een roos alleen naar de bloem en niet naar de aard van de bladeren of het gebaar van de stengel.

Pas wanneer wij van binnenuit afstand hebben gedaan van voorstellingen die wij van tevoren hebben meegebracht, of ons hebben losgemaakt van herinneringen die opkomen, vinden wij in ons zelf de sleutel die de toegang opent tot de levenswereld die zich uit in een totaalbeeld, dat in een eigen taal tot ons spreekt. ‘Die Aussenwelt’, zegt Steiner, ‘ist in allen ihren Erscheinungen erfüllt von göttlicher Herrlichkeit; aber man muss das Göttliche erst in seiner Seele selbst erlebt haben, wenn man es in der Umgebung finden will’. [De wereld om ons heen is in al haar verschijnselen vervuld van goddelijke heerlijkheid; maaar je moet eerst het goddelijke in je eigen ziel beleefd hebben, wil je het in je omgeving vinden’]

Ficino en Goethe

Reeds aan het begin van de Renaissance schreef de grote humanist Marsilio Ficino: ‘De ziel is geschapen met twee lichten. Het ene stelt haar in staat zichzelf waar te nemen en alles wat beneden haar is, het andere is het goddelijke licht dat haar de hemelse dingen doet zien.’
De weg die volgens Ficino leidt tot dit innerlijk schouwen van de hemelse dingen is de versterking van de vier kardinale deugden: wijsheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid. Deze ontwikkelingsweg is verloren gegaan in het tumult van de Renaissance, de ontdekkingstochten en de Reformatie. Pas later, aan het einde van de achttiende eeuw, in het tijdperk van de Verlichting en de eerste machinebouwers, vinden wij verschillende van deze opvattingen terug in het werk van Goethe, deze grote waarnemer van mensen en natuurverschijnselen. Voor Goethe was de scheppende activiteit in de mens verwant met de goddelijke scheppingskracht buiten de mens. Goethe spreekt dan ook over ‘anschauende Urteilskraft’ en brengt dit in verband met de menselijke waardigheid. Pas wanneer wij innerlijk creatief deelnemen aan de groeiprocessen van de natuur als een wordende wereld is onze waarneming de natuur waardig. Dan werken daarin ook morele waarden die op materieel gebied niet te vinden zijn maar die tot de inhoud der geestelijke wereld behoren. Daardoor kan opnieuw een betrokkenheid tussen mens en natuur ontstaan die na de Renaissance verloren is gegaan maar thans via de versterking van het mensen-Ik weer mogelijk wordt.

De veel moderner ingestelde Goetheanistische ontwikkelingsweg van de waarneming ging in het tumult van de sociale en de industriële revolutie van de negentiende eeuw ook verloren. Pas in de twintigste eeuw – de eeuw van de crisis der zekerheden van de westerse beschaving – heeft Rudolf Steiner opnieuw een beroep gedaan op die krachten in de mens die de waarneming naar buiten versterken door de ontwikkeling van innerlijk creatieve vermogens. Uiterlijk bezien lijkt misschien deze nieuwe ontwikkelingsweg van de waarneming nog weinig kracnt uit te oefenen tegenover het tumult van sociale revoluties en de opmars van de technologie. Toch komt nu en dan – en niet alleen in Duitsland maar ook in ons land – iets te voorschijn dat lijkt op een doorbraak van wat Goethe bijna tweehonderd jaar geleden beschreef als ‘anschauende Urteilskraft’.

Zo vindt men in een brief van de dichter Albert Verwey een merkwaardige passage over de wijze waarop bij hem een gedicht tot stand komt: ‘Je hebt een duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen. Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken, zonder veel van het landschap in je werk op te nemen. Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, én het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de duinen; alléén: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur; maar als eenwording met den geest’.

Waarschijnlijk kan deze dichterlijke ontboezeming weinig invloed hebben op het waarnemingsproces dat zich thans in de duizenden research-laboratoria van onze vertechnologiseerde beschaving afspeelt. Ook kan zij nauwelijks meer de huidige dichtkunst beïnvloeden die wel volledig vervreemd is geraakt van de wijze waarop de dichter Verwey zich nog verbonden voelde met het landschap, met de natuur.

Niettemin blijft de scholingsweg van een nieuw waarnemingsvermogen een belangrijke aangelegenheid in onze twintigste eeuwse cultuur waar kunst en natuurwetenschap volledig uit elkaar zijn geraakt. Men kan daaraan toevoegen: natuurwetenschap en godsdienst. Daarom kan het in dit Goethe-jaar toch wel van belang zijn te herinneren aan Goethe’s uitspraak: ‘Die Natur verbirgt Gott… aber nicht Jedem!’

.

Arnold Henny, Jonas 24 30-07-1982
.

waarnemen van planten

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1619-1518

.

.

VRIJESCHOOL – Willem Frederik Veltman

.

Op 28 mei 2019 bereikte mij het bericht dat op 24 mei Willem Veltman is overleden.

WILLEM FREDERIK VELTMAN
07-02-1923                     24-05-2018

Een persoonlijk dankwoord

In 1969 hoorde ik voor het eerst een voordracht van hem over de vrijeschoolpedagogie. Voor mij waren zijn woorden zeer inspirerend en enthousiasmerend.
Ik kreeg de gelegenheid om in het najaar van dat jaar de applicatiecursus vrijeschoolleerkracht te volgen aan de Haagse vrijeschool. Veltman gaf daarin Nederlandse literatuur, toneelspelen en antroposofie. Hij opende werelden voor mij. Steiners ‘dramatische cursus’ was toen al ‘vlees en bloed’ voor hem en door zijn bezielde manier van werken, haalde hij onvermoede talenten in ons omhoog. We leerden allerlei vormen van reciteren – nog zie ik hem ‘Stil, wees stil, op zilveren voeten…..(Boutens) voordoen; hoe we ‘Der alte Hexenmeister’ (Goethe) speelden – nog hoor ik hoe zijn ‘Besen, Besen seids gewesen’ machtig door de grote zaal van de school weerklonk. Met hem maakten we van het sprookje ‘De drie sinaasappelen’ een toneelstuk dat we ook opvoerden.

Zeven jaar lang mocht ik in Den Haag zijn collega zijn.
Hij was ook nog een jaar mijn ‘huisbaas’. Ik kon in zijn huis en dat van zijn voor mij ook onvergetelijke vrouw Hanna† met wie hij toen gehuwd was, aan de Badhuisweg 104 in Schevingen, een klein kamertje betrekken, toen ik in augustus 1970 met mijn allereerste eerste klas begon.
Wij – mijn vriendin Catherine – dit jaar al 48 jaar mijn partner – en ik aten regelmatig mee in het gezin en we waren er een keer bij dat Wim met Oudjaar ‘Scrooge’ uit Charles Dickens’ A Christmas Carol voorlas, d.w.z. hij wás wat hij vertelde.

In Steiners GA 295 wordt n.a.v. het cholerische temperament aan hem gevraagd of hij de scène tussen Napoleon en zijn secretaris wil vertellen. Steiner antwoordt: ‘Dan zouden we eerst toestemming moeten vragen aan de bouwcommissie!

Daar moest ik de andere dag aan denken, toen de avond ervoor – het was zeker al middernacht – Wim – thuiskomend van een cursus of voordracht – met bulderende stem verslag deed van de diefstal van zijn brommer. De scheldwoorden aan het adres van de dief – ik zal ze hier niet herhalen – deden ons stijf overeind in bed zitten. Ook ’s morgens was de woede daarover nog niet bekoeld.

In de m.n. ‘zakelijke’ vergaderingen op school kon je van tijd tot tijd zijn intense betrokkenheid bijna aan den lijve ervaren. Dan kon het in discussies met anderen – ook vaak begaafde sprekers – fel toegaan.
In het begin dacht ik dan: ‘Die kijken elkaar nooit meer aan!’. Ik was zeer verbaasd dat er dan ’s morgens weer volkomen normaal met elkaar werd omgegaan: geen spoor van de tegenstellingen van de vorige avond.

Toen ik hem daar eens naar vroeg, antwoordde hij: ‘We strijden niet tegen elkaar, maar voor de zaak.’

Mijn herinneringen aan hem zijn ook onlosmakelijk verbonden met ‘De kerstspelen’. Niet alleen was het een bijzondere ervaring om onder zijn leiding mee te spelen, maar ook wanneer hij zelf meespeelde. Zijn ‘Herodes’ zal ik nooit vergeten.

Zoals zoveel niet: zijn gloedvolle lezingen op zondagmorgen in het Haagse Diligentia; zijn inspirerende uiteenzettingen over Steiners mensbeeld; zijn grote kennis van allerlei onderwerpen: de hiërarchieën; Chartre, Shakespeare, Goethe. Te veel om hier op te noemen.
Ze staan uitvoerig beschreven op zijn website.

Wim wás vrijeschool, wás antroposofie: voor mij was hij een grote bron van inspiratie.

Ik ben hem veel dank verschuldigd.

VAN HARTE DANK, WILLEM

Website W.F.Veltman

.

1610-1509

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/2)

.

HeT ontstaan van DE boekdrukkunst (II)

Gutenberg of Coster?

Juist omdat de uitvinding van het drukken met losse letters van onschatbare waarde is, hebben vele Europese landen zich de eer van die uitvinding willen toe-eigenen. Het zal u bekend zijn dat men als uitvinder meestal Gutenberg (Duitsland) of Coster (Nederland) noemt. De traditie heeft voor beiden het jaar van uitvinding op 1440 gesteld, hoewel daarvoor geen duidelijke aanwijzing bestaat.

Over de vraag wie van beiden de werkelijke uitvinder is, zijn vele boeken en artikelen geschreven. Ten aanzien van de identiteit van de uitvinder hebben onderzoekers een schat aan bewijzen verzameld. Hiervan heeft echter slechts een klein deel directe bewijskracht. Wanneer men nu vraagt wie na al die onderzoekingen als uitvinder naar voren komt, moet het antwoord luiden dat het niet absoluut zeker is wie recht heeft op het predikaat van uitvinder der boekdrukkunst. Uit de talrijke onderzoekingen van het vele materiaal blijkt echter wel dat Johann Gutenberg de meeste aanspraak op de eretitel maakt!

Dat men niet zeker weet wie de uitvinder is, komt doordat die uitvinding onopvallend heeft plaatsgevonden. Het is toch eigenlijk een vreemde zaak dat de uitvinder zelf zo weinig ruchtbaarheid aan zijn vinding heeft gegeven, terwijl hij over het best denkbare middel tot publikatie beschikte.

Johann Gensfleisch (of: Gansefleisch) Gutenberg werd omstreeks 1400 in Mainz geboren (men neemt wel aan 24 juni 1400). Hij vestigde zich waarschijnlijk ongeveer 1430 als banneling in Straatsburg. Hier vinden we de eerste aanduidingen dat hij proeven nam met boekdrukken.

Uit de stukken van een proces uit 1439, waarbij Gutenberg betrokken was, vernemen we dat hij enkele jaren tevoren een compagnonschap was aangegaan met twee personen die hij in enkele ambachten zou opleiden. De originele verslagen van dit proces zijn bij de inneming van Straatsburg door de Pruisen in 1870 verloren gegaan, zodat we moeten steunen op de tekst uit de tweede hand. Bij een later proces in verband met de dood van een van die compagnons komen we enkele – zij het vage – zinspelingen tegen over de aard van de onderneming. We kunnen daaruit echter afleiden dat de werkzaamheden te maken hadden met het uitwerken van een bepaalde werkwijze die verband hield met het drukken.

Het is niet met zekerheid bekend waar Gutenberg verbleef nadat hij uit Mainz was weggetrokken. Vertoefde hij in de buurt van Mainz? Is hij naar Holland gegaan, waar hij kennis heeft gemaakt met de boekdrukkunst van Coster? Dit zijn slechts enkele van de veronderstellingen!

In 1455 komen we hem weer tegen, nu als aangeklaagde in een proces. In 1450 had hij een groot bedrag geleend van een zekere Johan Fust, goudsmid en geldschieter in Mainz, met het doel ‘zijn werk te voltooien’. In die tijd was de schoonschrijver Peter Schöffer bij Gutenberg in dienst, een knap man die er veel toe heeft bijgedragen om de boekdrukkunst praktisch bruikbaar te maken. Fust kon veel beter met Schöffer opschieten dan met Gutenberg. Bovendien was Schöffer de schoonzoon van Fust!

In 1452 had Gutenberg nogmaals een groot bedrag van Fust geleend. In het proces eiste deze o.a. terugbetaling van het geleende bedrag plus rente. Uit de stukken van deze zaak weten we dat de onderneming een drukkerij betreft. Er wordt o.a. gesproken over uitgaven aan perkament, papier en inkt.

Hoe het proces ook afgelopen mag zijn, het is een feit dat Fust en Schöffer de voornaamste drukkerij in Mainz bezaten toen de drukkunst het stadium van proefnemingen had verlaten!

De zgn. Gutenbergbijbel is overal beschouwd als het eerste boek dat in Europa is gedrukt. Het is dezelfde als de ’42-regelige Bijbel’, die zo heet omdat de meeste pagina’s 42 regels per kolom tellen. De mening dat deze als het eerste in Europa gedrukte stuk moet worden beschouwd, is achterhaald. Al zo’n tien jaar eerder zag het ’Wereld-Oordeel’ het licht: een 74 pagina’s tellend boek. Er zijn trouwens nog vele andere werken vóór de Gutenbergbijbel verschenen. Er bestaat in elk geval een Duits calendarium dat men op 1448 kan dateren.

De verschijningsdatum van de genoemde werken berust op gissingen. Het eerste gedateerde boek dat we kennen, is uit 1454.

In 1457 gaven Fust en Schöffer een prachtig werk uit, te weten het Psalterium. Aan het slot van dit psalmboek stond vermeld dat dit werk was vervaardigd door middel van de kunst van het drukken met losse letters, uitgevonden door Fust en Schöffer. De naam Gutenberg werd niet eens genoemd!

Om nog even terug te komen op de Gutenbergbijbel; na langdurige studie menen vele geleerden te mogen veronderstellen dat deze – op zijn minst gedeeltelijk – door Johann Fust is gedrukt!

Sommige al te geestdriftige pleitbezorgers hebben aan het bewijsmateriaal ten gunste van Gutenberg nadeel berokkend door een aantal documenten te vervalsen. Deze vervalsingen zijn als zodanig onderkend en hebben ertoe geleid dat men ging twijfelen aan de echtheid van alle bewijsstukken.
.

P.J.van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1   deel 3    deel 4

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1592-1491

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1588-1487

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie (GA 306)

.

RUDOLF STEINER OVER  EURITMIE

Rudolf Steiner hield een aantal voordrachten over euritmie.
Ze zijn in de GA genummerd: 277*; 277A; 278 en 279

Ook in de pedagogische voordrachten spreekt hij bij tijd en wijle over euritmie. Uit deze voordrachten: GA 293-311 staan hier zijn opmerkingen.

GA 306

Beknopte inhoud:
blz. 187-190: over kunstzinnig spreken, reciteren, declameren;
blz. 190: verschil met dans; het individuele van de  euritmist

blz. 199: euritmie wil zichtbare taal, zichtbaar zingen zijn;
blz. 200202: euritmiebewegingen: de vormen van de luchtstromen die de mens bij het spreken verlaten;
blz. 202-203: reciteren is niet de proza-inhoud benadrukken; het wezenlijke van het dichterlijke; dat wil euritmie zichtbaar maken
blz.  203-205: euritmie geen mime, dans, enz.
blz. 205: over belichting

blz. 187

Über Rezitation und Eurythmie.

Es ist ja schade, daß gerade Frau Dr. Steiner, die die Rezitations-kunst hier ausgebildet hat, in diesen Tagen krank ist und nicht die Rezitation selber hat besorgen können. Es handelt sich darum, daß die Eurythmie selber dazu zwingt, wieder zurückzugehen zu derjeni­gen Rezitations- und Deklamationskunst, die gepflogen worden sind in mehr künstlerisch-fühlenden Zeitaltern, als das unsn.ge ist. Das heutige Zeitalter istjakein sehrkünstlerisch empfindendes undwürde nicht leicht verstehen, warum Goethe selbst seine Jamben-Dramen wie ein Kapellmeister mit dem Taktstock mit seinen Schauspielern einstudiert hat. In unserem Zeitalter wird bei der Rezitation und De­klamation – die beide voneinander unterschieden werden müssen in sehr strenger Weise – viel mehr Rechnung getragen dem Pointieren eben des Prosa-Inhaltes. Wenigstens eine starke Strömung war seit den neunziger Jahren vorhanden, die eigentlich die künstlerische Ge­staltung der Sprache selber mehr in den Hintergrund treten ließ und den Prosagehalt des Gedichtes mehr in den Vordergrund treten ließ, während es tatsächlich darauf ankommt, in der imaginativen Gestal­tung der Laute, aber auch, sagen wir, des Strophenbaues oder in der

Over recitatie en euritmie

Het is wel jammer dat mevrouw Steiner* die hier het reciteren vorm gegeven heeft, deze dagen ziek is en niet zelf de recitatie kan doen. Het gaat erom dat de euritmie zelf afdwingt weer terug te gaan tot die recitatie- en declamatiekunst die gewoonlijk uitgevoerd werd in meer kunstzinnig voelende tijden dan de onze. De tijd van nu is niet zo kunstzinnig voelend en zal niet snel begrijpen waarom Goethe zelf zijn drama’s in jamben als een kapeldirigent met de dirigeerstok met zijn toneelspelers instudeerde. In onze tijd wordt bij de recitatie en declamatie – die heel strict van elkaar onderscheiden moeten worden – veel meer rekening gehouden met het benadrukken van de proza-inhoud. In ieder geval was er sinds de negentiger jaren (van 1800) een sterke stroming aanwezig die eigenlijk de kunstzinnige vormgeving van het spreken zelf meer op de achtergronden hield en de proza-inhoud van het gedicht meer op de voorgrond plaatste, terwijl het er in feite op aankomt bij de imaginatieve vormgeving van de klanken, maar ook, laten we zeggen, bij de opbouw van de strofen of bij de

*Mevr. Steiner, die hier het reciteren vorm gegeven heeft: Marie Steiner-von Sivers, 1867-1948. Ze ontwikkelde samen met Rudolf Steiner de goetheanistische toneelkunst (spraakvorming en euritmie). Zie Marie Steiner: ‘Rudolf Steiner und die Redenden Kunste, Dornach 1974, alsook Rudolf Steiner/Marie Steiner – von Sivers. Sprachgestaltung und dramatische Kunst, GA 282; ‘Methodik und Wesen der Sprachgestaltung’, GA 280, ‘Marie Steiner – ihr Weg zur Erneuerung der Bühnenkunst durch die Anthroposophie, Dornach 1973 

blz. 188

musikalisch-thematischen Behandlung, in Rhythmus, Takt, im melo­diösen Thema, das überall doch zugrunde liegen wird, das Wesent­liche zu sehen, und durch die Sprachbehandlung auf einer höheren Stufe das zu erreichen, was man in der Prosa durch den bloßen Wort-inhalt erreicht. Es ist ja das Gefühl für das Künstlerische der Sprache überhaupt in der neueren Zeit zurückgegangen, selbst äußere Kultur-erscheinungen machen einem das klar. Ich glaube nicht, daß sehr viele Menschen wissen oder beachtet haben, was der berühmte Cur­tius an der Berliner Universität für ein Fach hatte. Er trug Kunstge­schichte und dergleichen vor, aber das war nicht das Fach, für das er an der Berliner Universität angestellt war, sondern er hieß «Profes­sor der Eloquenz», er war eigentlich angestellt für die Redekunst, über Redekunst zu sprechen. Aber man hatte dafür kein Verständnis mehr, es war unnötig, daß er über sein eigenes Fach las, so rutschte er in ein anderes Fach hinein. Solche Erscheinungen sind heute viel­fach da. 

muzikale thematische behandeling in ritme, maat, in het melodieuze thema, dat er overal wel aan ten grondslag zal liggen, het wezenlijke te zien en door de spreekuitvoering op een hoger niveau dat te bereiken wat men in het proza enkel door de woordinhoud bereikt. Het gevoel voor het kunstzinnige van het spreken is de laatste tijd zeer zeker achteruit gegaan, zelfs uiterlijke cultuurverschijnselen maken dat wel duidelijk. Ik geloof niet dat er zeer veel mensen weten of waargenomen hebben, wat de beroemde Curtius aan de Berlijnse universiteit voor vak had. Hij doceerde kunstgeschiedenis e.d., dat was echter niet het vak waarvoor hij aan de Berlijnse universiteit aangesteld was, maar hij was ‘professor welsprekendheid’, eigenlijk was hij aangesteld voor de kunst van het spreken, om erover te spreken. Maar daarvoor had men geen begrip meer, het was niet meer nodig dat hij zijn eigen vak doceerde, zo kwam hij in een ander vak terecht. Zulke dingen zie je tegenwoordig veel meer.

Es ist notwendig, wenn wiederum zu einer Rezitationskunst gekommen werden soll, die vorzugsweise ausgebildet werden muß für das mehr Erzählende oder für diejenige Poesie, die etwa die Grie­chen hatten, für die Rezitationskunst und die Deklamationskunst, das ist diejenige Kunst, die der älteren deutschen Poesie zugrunde liegt, daß da wiederum für die Sprachbehandlung das Nötige getan wird. Das ist es, worauf es ankommt. Ich weiß nicht, was dem Fragesteller gerade aufgefallen ist, aber das ist es, worauf es uns ankommt: durch die Sprachbehandlung das zu erreichen, was für die Prosa durch den Sprachgehalt selber erreicht wird.
Es ist nicht durch die Betonung des Inhalts, nicht durch die Prosa-bedeutung des Inhalts, sondern durch die Art und Weise der Aufein­anderfolge der Laute oder des Gebrauches des Reimes und derglei­chen, es ist also gerade durch die Form das zu erreichen, was man heute gerne erreicht durch die prosaische Pointierung. Die Rezita­tion sucht vorzugsweise an das Plastisch-Maßvolle sich zu halten, sie sucht also vorzugsweise das, wo es darauf ankommt, im Aushalten der Silben und im Kurzmachen der Silben, was ja bei Balladen ganz besonders wichtig werden kann. Die Deklamation sucht durch den Hoch- und Tiefton und was sich daran anschließt das Wesentliche zu

Het is noodzakelijk, willen we weer tot de kunst van het reciteren komen, dat die allereerst ontwikkeld moet worden voor het meer vertellende of voor de poëzie die bijv. de Grieken hadden; voor de kunst van het reciteren en declameren, dat is de kunst die aan de oudere Duitse dichtkunst ten grondslag ligt, dat er weer het nodige gedaan wordt voor het uitvoeren van het spreken. Daar komt het op aan. Ik weet niet wat de vraagsteller al opgevallen is, maar hier komt het op neer: door de manier van spreken te bereiken wat voor het proza door het inhoudelijke van de taal zelf bereikt wordt.

Niet door de inhoud te benadrukken, niet door de prozabetekenis van de inhoud, maar door de manier waarop de klanken elkaar volgen of door het gebuik van het rijm e.d.; juist door de vorm te bereiken wat men tegenwoordig graag bereikt door het prozaïsche eruit te lichten. Het reciteren zoekt allereerst zich te houden aan de plastische volheid van de maat, zoekt ook allereerst naar waarop het aankomt, het aanhouden van lettergrepen en deze korter te maken wat dus bij ballades heel belangrijk kan worden. De declamatie zoekt door de hoge en lage tonen en wat zich daarbij aansluit, het wezenlijke te

blz. 189

erreichen. (Es war dem Fragenden aufgefallen, daß bei dem Worte «grüßen» die Silbe «grüs» in demselben Tone gesprochen wurde wie die Silbe «sen».> Das ist keine künstlerische Frage, sondern eine bloße Auffassungsfrage. Das hängt ganz davon ab, ob der Sprechende den Hauptwert darauf legt: Sag, ich lass’ sie grüßen, oder: Sag, ich lass’ sie grüßen.

bereiken. (Het was de vraagsteller opgevallen dat bij het woord ‘groeten ‘de lettergreep ‘groe’ op dezelfde toonhoogte werd gesproken als de lettergreep ‘ten’) Dat is geen vraag naar het kunstzinnige, maar naar de opvatting. Dat hangt er helemaal vanaf of de spreker de nadruk wil leggen op, zeg maar, ik laat u groeten, of ik laat u groeten.

Frage: Wird dadurch nicht das Gewicht des Reimes verschoben ?

Das könnte nur dann verschoben werden, wenn man die anderen Silben der Sache nicht anpassen würde. Das kommt ja aus der Stim­mung, nicht aus der Sprachbehandlung.

Vraag: wordt daardoor het accent van het rijm niet verschoven?

Dat zou alleen dan verschoven kunnen worden, wanneer je de andere lettergrepen niet zou aanpassen. Dat komt vanuit de stemming, niet vanuit de manier van spreken.

Frage: Drückt sich in der Auffassung keine Gesetzmäßigkeit aus ?

Nein, die Auffassung muß frei bleiben. Es ist durchaus möglich, daß Sie ein und dasselbe Gedicht künstlerisch deklamieren oder rezi­tieren, und Sie können die verschiedensten Auffassungen hereinbrin­gen, gerade wie einer im Spielen eines musikalischen Stückes die ver­schiedensten Auffassungen hereinbringt. Es gibt keine eindeutige Behandlung des Gedichtes, sondern es kommt auf das Wesentliche an, daß man es also dazu bringt, nicht mehr das Gefühl zu haben:
Man spricht rezitierend oder deklamierend mit dem Kehlkopf, son­dern man spricht mit der Luft. Darauf kommt es an, daß man wirk­lich die Gabe entwickelt, die Luft zu gestalten. Darauf kommt es beim Rezitieren an. Beim Gesang gestaltet man die Luft. Beim Re-zitieren muß auch dieselbe Tendenz walten, nur natürlich bei der Sprache liegt die Melodie schon im Laut. Also es muß tatsächlich in das Behandeln der Sprache das Wesentliche hereingebracht werden und nicht in den Inhalt. Es muß einer solchen Sache Rechnung ge­tragen werden, daß es bei Schiller zum Beispiel so war: bei seinen be­deutendsten Gedichten hatte er eine allgemeine Melodie in der Seele ; dazu konnte er einen Text schreiben, den er wollte. Man muß er­reichen, das Wesentliche auszudrücken auf der einen Seite durch das Musikalische, auf der anderen Seite durch das Plastisch-Malerische in der Sprache.

Vraag: drukken zich in de opvatting geen wetmatigheden uit?

Nee, de opvatting moet vrij blijven. Het is natuurlijk mogelijk dat u
een en hetzelfde gedicht kunstzinnig declameert of reciteert en u kan de meest verschillende opvattingen erin leggen, zoals iemand bij het spelen van een muziekstuk daar de meest verschillende opvattingen in kan leggen. Er bestaat geen eenduidige uitvoering van een gedicht, maar het komt op het wezenlijke aan dat je bereikt niet meer het gevoel te hebben: men spreekt reciterend of declamerend met het strottenhoofd, maar dat men spreekt met de lucht. Het komt erop aan werkelijk de gave te ontwikkelen de lucht vorm te geven. Bij het reciteren moet dezelfde tendens heersen, maar bij het spreken ligt natuurlijk de melodie al in de klank. Dus in het uitvoeren van de spraak moet daadwerkelijk het wezenlijke erin worden gebracht en niet de inhoud. Je moet er bijv. rekening mee houden dat het bij Schiller zo was: bij zijn belangrijkste gedichten droeg hij een algemene melodie in zijn ziel; daar kon hij een tekst bij schrijven die hij wou. Je moet bereiken dat je aan de ene kant het wezenlijke uitdrukt door het muzikale en aan de andere kant door het plastisch-schilderende in de taal.

blz. 190

Frage: In der Tanzkunst tanzen die Tänzer verschieden. Das ist bei der Eurythmie nicht der Fall; da ist die Bewegung selbst ja wohl immer die gleiche ?

Das würden Sie nicht sagen, wenn Sie die Eurythmie viel sehen würden. Sagen wir, wenn Sie ein Gedicht rezitieren und ein anderer Mensch dasselbe Gedicht rezitiert, so sind das doch zwei verschie-dene Stimmlagen usw. Sie können nun künstlerisch das Gedicht in der gleichen Weise behandeln. Die künstlerische Behandlung wird gleich sein. Schon dieser Unterschied tritt bei der Eurythmie stark hervor. Sie werden trotzdem die persönlichen Eigentümlichkeiten bei den einzelnen Eurythmikern sehen. Die sind schon individuell. Die Eurythmie ist nur noch nicht weit genug, daß die besondere indivi­duelle Art schon hervortreten würde. Es wird aber das sein, wenn die Eurythmie so weit ist, daß der Eurythmist ganz zusammen sich lebt mit seiner Kunst ; dann wird auch die individuelle Auffassung schon bemerkbar sein. Gewiß, es liegt zugrunde immer eine gesetzmäßige Bewegung. Es ist das so wie beim Sprechen: wenn ich Mund sagen will, darf ich nicht Mond sagen, also nicht ein o statt des u.

Vraag: In de danskunst dansen de dansers verschillend. Dat is bij de euritmie niet het geval; daar is de beweging zelf, lijkt het, steeds hetzelfde?

Dat zou u niet zeggen, wanneer u veel euritmie zou zien. Wanneer u een gedicht reciteert en een ander doet dat zelfde gedicht, dan zijn dat toch twee verschillende stemhoogten enz. U kan het gedicht nu kunstzinnig op dezelfde manier behandelen. De kunstzinnige aanpak zal dezelfde zijn. Dit verschil komt bij euritmie sterk naar voren. Ondanks dat zal u de persoonlijke trekken bij de individuele euritmist zien. Die zijn dus individueel. De euritmie is alleen nog niet ver genoeg dat de bijzondere individuele manier al naar voren zou kunnen komen. Dat komt wel als de euritmie zo ver is, als de euritmist helemaal één is met zijn kunst; dan zal ook de individuele opvatting wel merkbaar zijn. Zeker is het dat er altijd een wetmatige beweging aan ten grondslag ligt. Dat is net zoals bij het spreken: wanneer ik ‘kun’ wil zeggen, mag ik geen ‘kon’zeggen  [Duits Mund-Mond], dus geen o i.p.v. een u.

Der Be­treffende muß deshalb eurythmisierend ein u an der betreffenden Stelle haben, aber da kommt dann innerhalb dieser Gesetzmäßigkeit die individuelle Ausgestaltung der Auffassung, die größte Entfal­tungsmöglichkeit zu ihrem Recht. Es ist nicht irgend etwas Pedanti­sches, Stereotypes. Sie werden auch sehen, wenn ein Anfänger etwas eurythmisch darstellt, oder jemand, der es jahrelang getrieben hat, ist es ein großer Unterschied, nicht bloß in der Fertigkeit, sondern auch im Künstlertum. Und ebenso kommt wiederum die ursprüngli­che künstlerische Begabung zum Vorschein, ob jemand künstlerische Veranlagung hat oder nicht. Mehr wie bei einer anderen KLlnst kommt das bei der Eurythmie zum Vorschein. Die Eurythmie ist ganz im menschlichen Organismus beschlossen. Der menschliche Or­ganismus umfaßt die Eurythmie so, daß die Eurythmie, ebenso wie die anderen Künste, zum Beispiel die Malerei, nicht verstandesmäßig, aber innerhalb des Bewußtseins, beschlossen werden, während das Tanzen ins Emotionelle hinübergeht. Da können andere Schwierigkeiten

Wie het uitvoert moet daarom euritmiserend een ‘u’ op die plaats maken, maar dan komt binnen die wetmatigheid de individuele opvatting ten uitvoer, de grootste uitvoeringsmogelijkheid, tot zijn recht. Het is niet een of ander pedant iets, iets wat stereotiep is. U zal ook zien, wanneer een beginner iets euritmisch doet, of iemand die het al jarenlang beoefend, dat er een groot verschil is, niet alleen in vaardigheden, maar ook in het kunstzinnige. En net zo komt weer de oorspronkelijke kunstzinnige aanleg te voorschijn; of iemand een kunstzinnige aanleg heeft of niet. Meer dan bij een andere kunst komt dat er bij de euritmie uit. De euritmie ligt geheel in het menselijk organisme besloten. Het menselijk organisme omvat de euritmie zo, dat de euritmie, net zoals andere kunsten, bijv. de schilderkunst, niet intellectueel, maar in het bewustzijn besloten ligt, terwijl het dansen meer in het emotionele overgaat. Dan kunnen er andere moeilijkheden

blz. 191

hervortreten. Das Tanzen ist doch nicht etwas rein Künstleri­sches. Die Eurythmie ist schon Kunst.

ontstaan.Het dansen is toch niet helemaal puur kunstzinnig. De euritmie is wel kunst.
GA 306/189-191
eigen vertaling

blz. 199

EINLEITENDE WORTE ZUR EURYTHMIE-AUFFÜHRUNG
Dornach, 15. April 1923

Meine sehr verehrten Anwesenden!

Die Eurythmie, von der wir Ihnen auch heute wiederum einen Ver­such vorführen wollen, wird eine künstlerische Bewegung einleiten, welche aus bisher ungewohnten künstlerischen Quellen schöpft und sich einer auch noch ungewohnten künstlerischen Formensprache be­dient. Daher darf es gestattet sein, daß einige Worte vorausgeschickt werden. Nicht um die Vorstellung selber zu erklären, das wäre ja et­was Unkünstlerisches – Kunst muß durch sich selber sprechen -, und besonders eine Kunst, die eigentlich für die Sichtbarkeit geschaffen ist, sollte man nicht in ihren Einzelheiten erklären wollen, sondern nur eben anschauen.
Die Eurythmie tritt ja so vor Sie hin, meine sehr verehrten Anwe­senden, daß Sie auf der Bühne sehen werden den bewegten einzelnen Menschen, der gebärdenartige Bewegungen ausführt, namentlich durch Arme und Hände, die ausdrucksvollsten Glieder des menschli­chen Organismus, aber auch durch andere Glieder dieses Organismus. Sie werden Menschengruppen sehen in bestimmten Stellungen zu­einander, Menschengruppen in Bewegungsformen und so weiter. Das alles woUen nicht Zufallsgebärden sein, sondern das alles will sein eine wirkliche sichtbare Sprache, oder auch ein wirklich sichtbarer Gesang.
Daher wird diese Eurythmie begleitet auf der einen Seite durch das Rezitatorische und Deklamatorische für die Dichtungen, auf der anderen Seite durch Musikalisches. Gerade so, wie der Mensch von seiner kindlichen Stufe der Entwickelung an im weiteren Verlauf sei­nes Lebens mit Bezug auf die Lautsprache von einem gewissen Lal­len, das nur Gefühle, Empfindungen ausdrückt in primitiver Weise, aufruckt zu der artikulierten Lautsprache, so kann man nämlich auch von dem, ich möchte sagen Lallenden in Gebärden, die der Mensch

Inleidende woorden bij de euritmie-opvoering
Dornach, 15 april 1923

Zeer geachte aanwezigen!

De euritmie. die we u vandaag ook weer willen laten zien, zal een kunstzinnige beweging inleiden die uit tot nog toe onbekende kunstzinnige bronnen put en zich ook nog van een ongewone kunstzinnige vormentaal bedient. Vandaar dat het wel geoorloofd is, een paar woorden vooraf te zeggen. Niet om de voorstelling zelf uit te leggen, dat zou iets onkunstzinnigs zijn, – kunst moet door zichzelf spreken – en in het bijzonder een kunst die eigenlijk in het leven geroepen is om naar te kijken, moet je niet in detail willen verduidelijken, maar er gewoon naar kijken.
De euritmie vertoont zich zo voor u, beste aanwezigen, dat u op het toneel de zich bewegende individuele mens zal zien, die gebaarachtige bewegingen uitvoert, met name met de armen en de handen, die ledematen met de meeste uitdrukkingskracht van het menselijk organisme, maar ook door andere delen van dit organisme. U zal een groep mensen zien in bepaalde posities t.o.v. elkaar, en groepen in een bewegingsvorm enz. Dat zijn geen toevallige gebaren, maar dat alles wil een werkelijk zichtbare taal zijn of ook een werkelijk zichtbaar
zingen .
Vandaar dat deze euritmie begeleid zal worden door recitatie en declamatie bij de gedichten, aan de andere kant door muziek. Net zoals de mens vanaf de kinderfase in zijn ontwikkeling in het verdere verloop van zijn leven m.b.t. het spreken van klanken van een zeker lallen dat alleen maar gevoelens, gewaarwordingen op een onbeholpen manier tot uitdrukking brengt, zich verder ontwikkelt tot de gearticuleerde spraak, zo kun je ook van wat ik zou kunnen noemen het lallen met de gebaren die de mens

blz. 200

im gewöhnlichen Leben anwendet, um seine Sprache zu begleiten, um das oder jenes in seiner Sprache durch die Gebärde deutlicher oder eindringlicher zu machen – man kann von diesen Gebärden vor­rücken zu einer wirklichen sichtbaren Sprache, die als Bewegung des menschlichen Organismus ausgeführt wird.
Dasjenige also, das Sie sehen werden, beruht keineswegs auf will­kürlicher Erfindung, sondern es beruht darauf, daß in sorgfältiger Weise studiert worden ist durch sinnlich-übersinnliches Schauen, um mich dieses Goetheschen Ausdruckes zu bedienen, wie die Lautspra­che oder der menschliche Gesang zustandekommen. Da hat man es eigentlich auch mit einer Art Gebärde zu tun, aber mit einer Ge­bärde, die sich nicht in dem gewöhnlich sichtbaren Teil des mensch­lichen Organismus abspielt, sondern die sich abspielt mit dem aus-strömenden Atmungsstrome, der zum Teil natürlich immer mit Hilfe der körperlichen Organe dirigiert wird vom menschlichen Willen und zum Teil vom menschlichen Denken.

in het dagelijks leven gebruikt om zijn spreken te begeleiden, om dit of dat van zijn spreken door de gebaren duidelijker en indringender te maken – van deze gebaren opklimmen tot een werkelijk zichtbaar spreken dat als beweging van het menselijk organisme uitgevoerd wordt.
Wat u dus zal zien, berust geenszins op iets wat willekeurig ontworpen is, maar berust erop dat op een zorgvuldige manier bestudeerd is door een zintuiglijk-bovenzintuiglijk schouwen, om deze uitdrukking van Goethe te gebruiken, hoe de taalklanken of het menselijk zingen ontstaan. Daarbij heb je eigenlijk ook met een soort van gebaar te maken, maar met een gebaar dat zich niet afspeelt in het gewoon zichtbare deel van het menselijk organisme, maar dat zich afspeelt met de uitstromende ademlucht die voor een deel natuurlijk steeds met hulp van de lichamelijke organen gestuurd wordt door de menselijke wil en voor een deel door het menselijke denken.

Wir sehen, daß der Mensch, indem er spricht, die Luft in Bewe­gung setzt. Würden wir diese Bewegungsformen, durch die der Mensch seine Lautsprache an den andern Menschen heranbringt, im einzelnen studieren, so würden wir sehen: Jedem Laute, jedem Wort-gebilde, jedem Satzgebilde entspricht eine ganz bestimmte Formung der ausströmenden Luft.
Dasjenige, was mehr radial vom Menschen weggeht in diesenFor­men, das rührt vom menschlichen Willen her, wie gesagt, immer ver-mittelt durch die körperlichen Organe. Dasjenige, was mehr als Querschnitte, wenn ich das so nennen darf, diese Luftgebärde wellig macht, das rührt vom menschlichen Gedanken her. Und wenn wir, wie das eben durch sinnlich-übersinnliches Schauen geschehen kann, wenn wir so, wie wir den bewegten Menschen anschauen können, diese Luftgebärde sehen könnten, so würden wir auch gewissermaßen ein luftartiges Abbild des Menschen vor uns haben, wenigstens eines Teiles des Menschen, und würden darinnen Bewegungen, Bewegun­gen von Luftströmungen sehen.
Diese Bewegungen von Luftströmungen werden sorgfältig stu­diert. Und statt daß man den Kehlkopf und die anderen Sprach- und

We zien dat de mens, wanneer hij spreekt, de lucht in beweging brengt. Zouden wij deze bewegingsvormen waardoor de mens zijn spraakklanken tot de andere mens richt, een voor een bestuderen, dan zou je zien: bij iedere klank, ieder gevormd woord, iedere gevormde zin, hoort een heel bijondere vorm van de uitstromende lucht.
Wat meer straalvormig de mens verlaat, komt meer uit de menselijke wil, zoals gezegd, steeds d.m.v. de lichamelijke organen.
Wat meer [Steiner gebruikt hier ‘Querschnitte’, – je zou kunnen denken aan ‘Querrichtung’ = (en dat als tegenstelling voor het straalvormige) wat ‘uitwaaiert’ alsof je een doorsnee van iets maakt] doorsnee-achtig, als ik dat zo noemen mag, deze gebaren in de lucht doet golven, komt vanuit de menselijke gedachten. En wanneer we, zoals dit dan door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk schouwen gezien kan worden, wanneer we, zoals we naar de zich bewegende mens kunnen kijken, deze gebaren van de lucht zouden kunnen zien, dan zouden we in zekere zin een luchtachtige afbeelding van de mens voor ons hebben, op z’n minst een deel van de mens en daarin zouden we bewegingen, bewegingen van luchtstromen zien.
Deze luchtstroombewegingen worden zorgvuldig bestudeerd. En in plaats dat je het strottenhoofd en de andere spraak- en

blz. 201

Gesangsorgane dann gewissermaßen die Luftgebärde als Sprache und Gesang ausführen läßt, überträgt man dasjenige, was sonst Luftge­bärde ist, auf die Gebärde des Armes, der Hand, oder auch des gan­zen Menschen, oder der Formen, in denen sich Menschengruppen be­wegen. Dadurch hat man auf sichtbare Weise genau dasselbe, was man im Sprechen und im Singen hat, nur daß wegbleibt von dieser Bewegung das Gedankenhafte. Das Gedankenhafte ist ja immer ein Unkünstlerisches, ein Prosaisches.
Der Dichter muß, um sich durch die Sprache künstlerisch auszu­drücken, geyade das Gedankenhafte bekämpfen. Er ringt dasjenige, was er in der Sprache hat, dem Gedanken ab. Er sucht gewisserma­ßen den Gedanken herauszulösen und nur das Willensartige in der Sprachbildung zu behalten, die er zum Ausdruck für sein seelisches Erlebnis macht.
Daher drücken wir auch nicht in der Eurythmie das Wellige, das vom Gedanken herrührt in der Luftgebärde, aus, sondern vorzugs­weise dasjenige, was bei einem Laute, bei einem Worte, einer Satz-bildung radial nach außen strömt.

zangorganen dan in zekere zin de luchtgebaren als spraak en zang uit laat voeren, breng je, wat anders luchtgebaar is, over op de gebaren van arm en hand of ook op de hele mens, of op vormen waarop de groep mensen zich beweegt. Daardoor krijg je op een zichtbare manier precies hetzelfde als wat je bij spreken en zingen hebt, met dat verschil dat uit deze beweging weggelaten wordt wat met het denken heeft te maken. Dat laatste is steeds onkunstzinnig, het is proza.
De dichter moet, om zich door de taal kunstzinnig uit te drukken, juist het uitdenken bestrijden. Hij probeert juist, wat hij in de taal heeft, uit de gedachtesfeer te halen. Hij probeert in zekere zin het bedachte eruit te halen en alleen het wilskarakter van de spraakvorming te behouden dat hij tot uitdrukking maakt van wat hij in zijn ziel beleeft.
Daarom drukken we in de euritmie niet het ‘golvende’ [aanhalingstekens van mij – zie terug] dat uit de gedachtesfeer komt, uit in de luchtgebaren, maar voornamelijk dat wat bij een klank, een woord, een zin straalsgewijs naar buiten stroomt.

Dadurch aber hat man ganz be­sonders Gelegenheit, dasjenige, was der Dichter im ganzen seiner Seele erlebt, gerade durch die das Wort begleitende Eurythmie deut­lich und sichtbarlich zum Ausdrucke zu bringen.
Es ist ja so, daß es ein Vorurteil bedeutet, wenn man glaubt, das Menschlich – Seelisch – Geistige stünde mit irgendeinem Teil des menschlichen Körpers in Berührung. Es ist so, daß die Seele den gan­zen menschlichen Organismus erfüllt, bis in die äußersten peripheri­schen Teile, daß sie in allem, was körperliche Ä ußerung und Offen­barung ist, lebt.
Der Dichter erlebt den Inhalt eines Gedichtes mit seiner totalen Menschlichkeit, und er muß eigentlich zurückhalten dasjenige, was bei ihm in die Glieder fließt. Gewiß, solche wahren Dichter, die das wirklich durchmachen, gibt es ja nur wenige; denn man kann schon sagen, daß eigentlich in bezug auf die dichterische Kunst 99% von dem, was produziert wird, auch wegbleiben könnte, und es wäre am Künstlerischen nicht sonderlich viel verloren. Aber dasjenige, was wirklich dichterisch erlebt wird, das wird eben vom ganzen Menschen

Daardoor echter heb je de unieke gelegenheid om wat de dichter in heel zijn ziel beleeft, juist door de euritmie die het woord begeleidt, duidelijk en zichtbaar tot uitdrukking te brengen.
Het is een vooroordeel wanneer men gelooft dat het [zie het Duits] menselijk-ziel-geestelijke met een bepaald deel van het menselijke lichaam in verbinding zou staan. Het is zo, dat de ziel het hele menselijk organisme doortrékt, tot in de buitenste periferie, dat zij in alles wat lichamelijke uiting en uitdrukking is, leeft.
De dichter beleeft de inhoud van een gedicht met zijn volledige menselijkheid en eigenlijk moet hij terughouden wat bij hem naar de ledematen stroomt. Zeker, zulke dichters die dat daadwerkelijk doormaken, zijn er maar weinig; want je mag wel zeggen, dat eigenlijk m.b.t. de dichtkunst 99% van wat er gemaakt wordt, ook achterwege gelaten zou kunnen worden en dan zou er niet uitzonderlijk veel kunstzinnigs verloren gaan. Maar wat werkelijk dichterlijk beleefd wordt, wordt door de hele mens

blz. 202

erlebt, und das Seelisch-Geistige ergießt sich dann in den gan­zen Menschen, – dasjenige, was der Dichter erreichen will durch das Imaginative, Malerisch-Plastische der Lautgestaltung, oder auch durch das Rhythmisch-Taktmäßige, Musikalisch-Thematische der Lautgestaltung, das erreicht er dadurch, daß er im Grunde genom­men den Prosainhalt des Wortes zurücktreten läßt, und das eigent­lich Dichten.sch-Künstlen.sche ausspricht. Wirkliche Rezitations­kunst muß daher, wenn sie dem Dichter gerecht werden will, nicht auf das heute in einem unkünstlerischen Zeitalter so beliebte Pointie­ren des Prosagehaltes den Hauptwert legen, sondern sie muß auf die Gestaltung der Sprache sehen.
Das war ja das Bestreben der hier gepflegten Rezitationskunst, der sich Frau Dr. Steiner jetzt schon seit sehr langer Zeit gewidmet hat. Wenn der Inhalt des Wortes in der Rezitation pointiert wird, dann ist das eben durchaus Prosa. Wenn das auch noch so interessant ist, weil man glaubt, daß die Persönlichkeit des Rezitators dann beson­ders zum Vorschein kommt, so ist es doch unkünstlerisch. 

beleefd en gevoel en geest stromen in de hele mens -, wat de dichter wil bereiken door het imaginatieve, het schilderend-plastische van de klankvorming, of ook door het ritme en de maat, het muzikaal-thematische van de klankvorming, dat bereikt hij in de grond beschouwd wanneer hij de proza-inhoud van het woord terughoudt en het eigenlijk dichterlijk-kunstzinnige uitspreekt. Echte recitatiekunst moet daarom, wanneer ze recht wil doen aan de dichter, niet op het vandaag in een onkunstzinnige tijd zo populaire benadrukken van de proza-inhoud letten, maar op de vorming van de spraak.
Dat is het streven van de hier toegepaste recitatiekunst, waaraan mevrouw Dr. Steiner zich al een hele tijd wijdt. Wanneer bij het reciteren de inhoud van het woord benadrukt wordt, dan is dat gewoon proza. Ook al is dat nog zo interessant, omdat men gelooft dat de persoonlijkheid van degene die reciteert dan vooral naar voren komt, toch 
is dat dan onkunstzinnig. 

Künstle­risch ist es, wenn man in der Lage ist, durch die malerisch-plastische Ausgestaltung der Lautfolge und der gegenseitigen Nuancierungen der Laute – nicht durch den Inhalt des Wortes – das herauszubringen, was an Leidenschaftsempfindung, an Gefühl und, wenn es sich um Gedanken handelt, auch an Gedanke geoffenbart werden soll. Denn auch wenn dichterisch der Gedanke zur Offenbarung kommen soll, muß die Form des Gedankens unterdrückt werden, und es muß allein in der Gestaltung der Sprache dasjenige gesucht werden, was eigent­lich dichterisch ist.
Ebenso, wie es auf das malerisch-plastische Gestalten der Sprache ankommt, so kommt es auf das musikalische, taktmäßige, rhythmi­sche und so weiter an. Man möchte sagen: in der Prosa wird man selbstverständlich den Vers nicht haben; in der Poesie braucht man den Vers, denn in dem Verse wird gestaltet ein Zusammenhang, und auch auf diese Gestaltung des Zusammenhanges, auf dieses gewisser­maßen Rhythmisch-Musikalische in der Sprache kommt es an.
So liegt durchaus bei dem wahren Dichter schon eine geheime Eu­rythmie in der Art und Weise, wie er die Sprache behandelt. Und es

Kunstzinnig is het, wanneer men in de omstandigheid verkeert, door de schilderend-plastische vormgeving van de klankopvolging en de onderlinge klanknuanceringen – niet door de inhoud van het woord – uit te drukken wat er aan sterke gevoelens, aan gevoel en wanneer het om gedachten gaat, ook aan gedachten, uitgedrukt moet worden. Want ook wanneer dichterlijk de gedachte uitgedrukt moet worden, moet de vorm van de gedachte onderdrukt worden en moet alleen in de vorming van de spraak gezocht worden, wat eigenlijk dichterlijk is.
Net zoals het op het schilderend-plastische vormen van de spraak aankomt, zo komt het aan op het muzikale, wat maat, wat ritme is, enz. Je zou willen zeggen: in het proza is er vanzelfsprekend geen couplet; in de poëzie heb je dat nodig, want daarin wordt een samenhang vorm gegeven en ook op dit vormen van een samenhang, op dit in zekere zin ritmisch-muzikale in de spraak, komt het aan.
Dus bij de ware dichter is er al een verborgen euritmie aanwezig in de manier waarop hij met de taal omgaat. En daarom is het

blz. 203

ist daher nichts Künstliches, sondern etwas ganz Selbstverständliches, daß man dasjenige, was der wahre Dichter eigentlich unterdrücken muß, durch die Eurythmie wiederum zur Offenbarung, zum Vor­schein bringt. Der Dichter möchte eigentlich mit seinem ganzen Menschen in die Welt hineinstellen dasjenige, was er dichterisch ver­körpert. Aber er muß es, ich möchte sagen, künstlich zurückhalten und muß dasjenige, was er in seinem ganzen Menschen ausdrücken wollte, allein in die Behandlung der Sprache hineingehen. In der Eu­rythmie wird das alles wieder sichtbar. So daß, wenn man auf der ei­nen Seite hat das Rezitatorisch-Deklamatorische, und auf der anderen Seite auf der Bühne dasjenige, das nun von dem Seelisch-Geistigen ganz so, wie sonst in den Sprachstrom, nun in die körperlichen Be­wegungen hineinfließt, so hat man unmittelbar ein Bild des dichteri­schen Erlebnisses. Und das ist eigentlich dasjenige, was Eurythmie möchte: das dichterische Erlebnis sichtbar durch menschliche Bewe­gungen hinmalen lassen auf die Bühne.

helemaal niet gekunsteld, maar iets heel vanzelfsprekends dat je, wat de echte dichter eigenlijk moet onderdrukken, door de euritmie weer tot uiting brengt,
tevoorschijn haalt. De dichter zou eigenlijk als volledig mens in de wereld willen zetten wat hij poëtisch belichaamt. Maar hij moet het, zogezegd, kunstmatig terughouden en moet wat hij als totaal mensenwezen zou willen uitdrukken, alleen in de taal leggen. In de euritmie wordt dat allemaal weer zichtbaar. Zodat, wanneer je aan de ene kant het recitatorisch-declamatorische hebt en aan de andere kant op het toneel hebt wat nu vanuit de ziel, de geest helemaal zoals anders in de stroom van het spreken, nu in de lichamelijke bewegingen instroomt, dat je op deze manier direct een beeld van de dichterlijke beleving hebt. En dat wil euritmie eigenlijk: de dichterlijke beleving zichtbaar maken door menselijke bewegingen op het toneel te laten schilderen.

Wenn Sie die Eurythmie in richtiger Weise auf die Seele wirken lassen wollen, dann müssen Sie sie nicht verwechseln mit den Nach­barkünsten, mit den mimischen und mit den Tanzkünsten. Die Eu­rythmie ist weder das eine noch das andere. Gewiß, diesen Künsten soll alles Gute nachgesagt werden, sie sollen hier durchaus nicht in ihrer Bedeutung angefochten werden; aber Eurythmie will eben et­was ganz anderes sein. Wenn man dasjenige, was Eurythmie zum Ausdrucke bringt, zu stark nach dem Mimischen hin bildet, wenn also Mimisches zum Ausdrucke kommt, kann das nur der Fall sein, wenn zugrunde liegt, sagen wir, irgend etwas in der Dichtung, was Hohn, was ein Sich-Wegsetzen über irgend etwas bedeutet, also et­was bedeutet, wo der Mensch etwa die Mundwinkel verzieht, wenn er spricht, oder wo der Mensch mit den Augen zwinkert, wenn er spricht usw. Alles Mimische ist vom eurythmischen Standpunkte aus so zu betrachten. Will man Mimisches darstellen, so ist das ja ganz berechtigt. Dasjenige, was ich also hier zu sagen habe, bezieht sich nicht auf die mimische Kunst als solche, sondern nur, wenn die Eu­rythmie unberechtigterweise in das Mimische ausartet. Da wird dann die Eurythmie unkeusch. Ebensowenig bezieht sich das, was ich jetzt

Wanneer je de euritmie op een goede manier op je gevoel wil laten werken, moet je haar niet verwisselen met de zusterkunsten, met de mimische en met de danskunsten. De euritmie is noch het een, noch het ander. Zeker, over deze kunsten kan van alles gezegd worden, wat goed is, ze zullen hier zeker niet in wat ze betekenen aangevallen worden; maar euritmie wil nu eenmaal wat anders zijn. Wanneer je wat de euritmie tot uitdrukking brengt, te sterk in het mimische trekt, wanneer dus het mimische tot uitdrukking komt, kan dat alleen het geval zijn, wanneer eraan ten grondslag ligt, dat er iets in het gedicht zit, wat hoon, wat een zich afkeren over iets betreft, dus iets betekent waarbij de mens een beetje met de mondhoeken trekt wanneer hij spreekt, of waarbij de mens met de ogen knippert, wanneer hij spreekt enz. Vanuit de euritmie is al het mimische zo te beschouwen. Wil je dat laten zien, dan is het terecht. Wat ik hier dus moet zeggen, heeft geen betrekking op de mimische kunst als zodanig, maar alleen wanneer de euritmie op een niet terechte manier uitmondt in mime. Dan wordt de euritmie onzuiver. Net zo min heeft, wat ik nu

blz. 204

sagen will, auf die Tanzkunst selbst; sondern nur auf das unberech­tigte Ausarten der Eurythmie in das Tanzen. Gewiß, die eurythmi­schen Bewegungen können in Tanzbewegungen übergehen, wenn zum Beispiel in einem Gedichte etwas vorkommt, wo einer den ande­ren schlägt, dem anderen irgend etwas antut, wo eine mächtige Lei­denschaft zum Ausdrucke kommt, dann kann die sonst ganz im Ge­biet des Körperlichen gehaltene eurythmische Bewegung übergehen in die Tanzbewegung. Aber wenn die Eurythmie unberechtigt aus­artet in Tanzen, wenn das Tanzen um seiner selbst willen im Euryth-mischen erscheint, dann wirkt es brutal. Ich sage nicht, die Tanzkunst ist brutal, sondern: das Ausschlagen der Eurythmie in dieTanzkunst. So daß man dieseswirklich derEurythmie ablauschen kann und sagen kann: Eurythmie ist nicht pantomimisch, ist nichts Mimisches; durch diese künstlerische Form werden andeutende Gebärden gemacht. Eurythmie ist nicht Tanz; durch die Tanzbewegungen werden überschäumende Gebärden gemacht vom Menschen, wo die Leidenschaft ausfließt, so daß der Mensch gewissermaßen seine Bewegungen nicht innerhalb dessen zurückhält, was er mit seinem Bewußtsein umfassen kann.

wil zeggen, betrekking op de danskunst zelf; maar alleen op het onterecht uitmonden van de euritmie in dans. Zeker, de euritmische bewegingen kunnen in dansbewegingen overgaan, wanneer er bijv. in een gedicht iets voorkomt, waarbij de een de ander slaat, de ander iets aandoet, waarbij een heftig gevoel tot uitdrukking komt, dan kan de anders helemaal in het gebied van het lichaam gehouden euritmische beweging overgaan in de dansbeweging. Maar wanneer de euritmie onterecht uitmondt in dans, wanneer de dans om harentwil in het euritmische verschijnt, dan maakt dat een lompe indruk. Ik zeg niet dat de danskunst dat is, maar het uitmonden van de euritmie in danskunst. Zodat je echt aan de euritmie kan aflezen en kan zeggen: euritmie is geen pantomime, is geen mime; door deze kunstzinnige vorm worden aanduidende gebaren gemaakt. Euritmie is geen dans; door  de dansbewegingen worden overvloedige bewegingen gemaakt van een mens bij wie de heftige gevoelens naar buiten stromen, zodat de mens in zekere zin zijn bewegingen niet terughoudt binnen de grenzen van zijn bewustzijn,

Die Eurythmie steht mitten drinnen: sie hat weder ausschweifende tan­zende Gebärden, noch hat sie pantomimische Gebärden, die immer auf Verstand hindeuten. Eurythmie hat ausdrucksvolle Gebärden, die in ihrer Art ästhetisch-künstlerisch wirken sollen, Gebärden, die weder ausgeklügelt sind noch ausschweifend, die weder gedeutet werden sollen noch durch die man gewissermaßen überwältigt wird, sondern die man in der unmittelbaren Form der Linie, in der ganzen Art der Bewegung, dem Auge gegenüber als wohlgefällig, schön empfindet.
Man kann sich eine Empfindung von der Eurythmie verschaffen, wenn man sie sieht als bewegten Gesang. Sie werden auch Musik-stücke hören; dazu wird eurythmisiert. Dieses Eurythmisieren ist nicht ein Tanz. Es unterscheidet sich ganz wesentlich, wenn es rich­tig gemacht wird, vom Tanz: es ist ein bewegtes Singen, nicht ein Tanzen. Und gerade daran, daß sie bewegtes Singen ist, daran kann man die Eurythmie unterscheiden von ihren Nachbarkünsten. Und man kann sich daran eine Empfindung von dem erwerben, was ich eben ausgesprochen habe.

De euritmie staat in het midden: zij heeft noch opzwepende dansende gebaren, noch pantomimische die steeds naar het verstand wijzen. Euritmie heeft uitdrukkingsgebaren die in haar soort esthetisch-kunstzinnig moeten werken, gebaren die noch uitgedacht zijn, noch overdreven, die niet verklaard moeten worden en ook niet waardoor je in zekere zin overvallen wordt, maar die je in de directe vorm van het lijnenspel, op de totale manier van bewegen, voor het oog welgevallig, mooi vindt.
Je kan een gevoel voor euritmie ontwikkelen wanneer je die ziet als bewegend zingen. U zal ook muziekstukken horen; daarop wordt ge-euritmiseerd. Dat is geen dansen. Er is een heel wezenlijk verschil met de dans, als het goed gedaan wordt: het is een bewegend zingen, geen dansen. En juist aan dit bewegend zingen kun je zien dat euritmie verschilt van de zusterkunsten. En je kan een gevoel ontwikkelen voor wat ik net heb uitgesproken.

blz. 205

Die Eurythmie steht erst im Anfange ihrer Entwickelung, und sie wird einer langen Zeit bedürfen, um ihre Vollkommenheit einiger­maßen zu erreichen. Daher muß ich bei einer Eurythmie-Vorführung immer um Nachsicht bitten. Wir haben ja in der letzten Zeit nament­lich eine Seite des Eurythmischen ausgebildet. Zum Beispiel haben wir hinzugefügt zu dem, was im bewegten Menschen liegt, das Licht-Bild der Bühne. Da soll dasjenige, was in den aufeinanderfolgenden Beleuchtungseffekten auftritt, gewissermaßen wie eine Licht-Euryth­mie wirken, und wiederum wie eine Eurythmie den Begleitungen der Eurythmisierenden dienen, so daß das ganze Bühnenbild eigentlich ein Eurythmisches wird. Aber es wird dieses Bühnenbild als Euryth­misches ganz gewiß gegen die Zukunft hin noch viel vervollkomm­net werden. Man darf auch an diese Vervollkommnung glauben, denn die Eurythmie bedient sich des vollkommensten Instrumentes, das man haben kann zum künstlerischen Ausdruck: des Menschen selbst, der ein Mikrokosmos, eine kleine Welt ist und alle Geheimnisse und Gesetzmäßigkeiten der großen Welt in sich enthält. 

De euritmie staat nog maar aan het begin van haar ontwikkeling en ze zal een lange tijd nodig hebben om het volmaakte enigszins te bereiken. Daarom moet ik bij een euritmie-opvoering steeds om begrip vragen. De laatste tijd hebben we één kant van de euritmie ontwikkeld. We hebben bijv. toegevoegd aan wat in de bewegende mens aanwezig is, het lichtbeeld van het toneel. Dat moet wat in de elkaar opvolgende belichtingseffecten in zekere zin als een licht-euritmie werken en dat weer als een euritmie het begeleiden van de euritmisten dienen, zodat het gehele toneelbeeld eigenlijk één euritmie wordt. Maar dit toneelbeeld als iets euritmisch zal zeker in de toekomst volmaakter worden. Je kan ook in deze vervolmaking geloven, want de euritmie gebruikt het meest volmaakte instrument, dat je kan gebruiken voor een kunstzinnige uitdrukking: de mens zelf, die een microkosmos, een kleine wereld is en alle geheimen en wetmatigheden van de grote wereld in zich draagt.

Daher hat man im Grunde genommen in der Eurythmie im bewegten Menschen, wenn man alle Möglichkeiten seines Organismus aus ihm herausholt, ein wirkliches künstlerisches Abbild der Weltengeheimnisse und Weltgesetzmäßigkeiten. Die mimische Kunst bedient sich ja nur ei­nes Teiles der menschlichen Wesenheit; ebenso die anderen Künste, die den Menschen selber irgendwie als Instrument betrachten. So daß man sagen kann: Die Eurythmie ist nicht auf ein äußerliches Instru­ment angewiesen, auch nicht auf einen Teil des Menschen, sondern sie bringt den ganzen Menschen, insbesondere das, was am ausdruck-vollsten an ihm ist, gerade die Arme und die Hände, in eine sichtbare Sprache und in einen sichtbaren Gesang.
Man kann hoffen, daß, wenn wirklich die Entwickelungsmöglich­keiten herausgeholt werden aus der Eurythmie, dann einmal eine Zeit kommen werde, in der tatsächlich diese jüngste Kunst den älteren Künsten als eine vollberechtigte wird an die Seite gestellt werden können.

Vandaar heb je in de grond van de zaak in de euritmie, in de mens die beweegt, wanneer je alle mogelijkheden van zijn organisme uit hem haalt, een echt kunstzinnige afbeelding van de wereldgeheimen en wereldwetmatigheden. De mimische kunst gebruikt maar een deel van het mensenwezen; net als de andere kunsten die de mens zelf op de een of andere manier als instrument zien. Zodat je kan zeggen: de euritmie is niet aangewezen op een uiterlijk instrument, ook niet op een deel van de mens, maar zij brengt de hele mens, in het bijzonder wat aan hem het meest uitdrukkingsvol is, de armen en de handen, in een zichtbaar spreken en in een zichtbaar zingen.
Je mag hopen wanneer daadwerkelijk de ontwikkelingsmogelijkheden uit de euritmie gehaald worden, er eens een tijd zal komen waarin deze jongste kunst inderdaad volledig terecht naast de oudere kunsten kan staan.
GA 306/199-205
eigen vertaling

.

Rudolf Steinerover euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1557-1457

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/4)

.

Hans-Peter van Manen en Dieter Brüll discussiëren over het besturen van een vrijeschool en andere instituten die werken vanuit de antroposofie.

Deel 4 (Brüll)          andere delen*


SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

.

Waar het om gaat

Zijn Lehrs, Van Manen en ik** het roerend met elkaar eens? Eerst vertelt ons Van Manen, dat ik het met Lehrs eens ben, op diens opschrift na; Van Manen op zijn beurt is het met Lehrs eens, op een aristocratische aanvulling na; ergo is alles in eenheid verbonden? Neen, daarvoor heb ik niet naar de pen gegrepen en Van Manen nog veel minder. Aan een uitstalling van ongevraagde kennis hebben wij beiden geen behoefte. Ik schijn beter duidelijk te moeten maken, waarom het mij gaat. Daarvoor zal ik echter eerst de weg vrij moeten maken. Ik zal met name moeten aantonen, dat de verschillen tussen Van Manen en mij bepaald niet liggen in, zelfs niet te maken hebben met de (wezenlijke!) onnauwkeurigheden en de onvolledigheid, die Van Manen laakt.

Aanvankelijk dacht ik, dat de in dit verband gemaakte correctie weliswaar niet voor mijn, echter wel voor Van Manens betoog relevant zou zijn. Na het lezen van het tweede deel van zijn artikel kom ik echter tot de conclusie, dat ik het in zo hoge mate met hem eens ben, dat ik in zijn verhaal een (welkome) bevestiging zie van wat, misschien niet overal explicite, aan mijn kijk op de mesostructuur ten grondslag ligt (vgl. bijv. wat ik op p.201v van mijn ‘De sociale impuls van de Antroposofie’ schreef over de voorwaarden van het toevertrouwen van een functie). Of de Geistesadel daarbij een zelfstandig beginsel is dan wel in het republikeinse principe geïncorporeerd geacht moet worden, lijkt mij van ondergeschikte betekenis.

Mijn omissies dan. Ik heb de verslagen van de lerarenvergaderingen van 23 en 31 januari 1923 inderdaad sterk ingekort (en derhalve geenszins ‘uitvoerig beschreven’), doordat ik van het gehele gebeuren slechts dat citeerde, wat voor mijn betoog van belang is. Ik achtte o.a. overbodig, dat er een derde voorstel op tafel kwam, omdat dit slechts een herhaling van de democratische procedure betekende. Ook Van Manen schrapte immers – terecht – voor het concrete gebeuren wezenlijke dingen, bijv. dat Y opnieuw de les werd gelezen, toen hij voor het derde voorstel stemde, dat het van hem afkomstige tweede wegvaagde.

Ik heb voorts de spanningen, die aan de vorming van wat wij een ‘dagelijks bestuur’ zouden noemen, voorafgingen, welbewust niet nader uit de doeken gedaan; enerzijds omdat het stenogram daarover vaag blijft en wat ik weet slechts op mondelinge traditie berust, maar vooral, omdat dit gebeuren naar mijn mening van geen enkele betekenis voor het onderwerp is, en ware het slechts, omdat er nauwelijks een lerarencollege zonder (persoonlijke) spanningen bestaat. Ik wil daarop de nadruk leggen, want ik acht het niet onmogelijk, dat Van Manen uit die spanning (en het malafide optreden van Y) afleidt, dat Steiner de democratische stemming slechts in die uitzonderingssituatie als wenselijk beschouwt.

Ik heb tenslotte niet geciteerd, dat Steiner in diezelfde zitting de structuur van de Waldorfschule republikeins, en als oorzaak van de spanningen de deformatie door de gebruikelijke democratische structuuropvattingen noemde, omdat hij in dezelfde vergadering door de geheime vergadering demonstreerde, dat het democratische beginsel een plaats in de structuur van de school heeft – overigens zonder explicite aan te geven, waar de plaats van deze beide beginselen is. Als Steiner zich (p.238) verzet tegen de ‘übliche demokratische Verfassung der Schule’, dan volgt echter uit de context, dat hij daarmee op het oog had, dat in een übliche demokratische Verfassung het verlenen van een ambt aan de functionaris tevens een bijzondere status verleent (‘Hier in der Konferenz und in der ganzen Verwaltung der Waldorfschule gibt es nur Lehrer der Waldorfschule’). De verkiezing plaatst hem namelijk, in tegenstelling tot wat Lehrs betoogt, blijkens het geval Y juist niet in een hiërarchische positie, maar geeft hem een vrije ruimte. Wie daaraan knabbelen wil via een meerderheidsbesluit, schendt het republikeinse principe. Hier sta ik dan weer geheel achter Lehrs: Door de verkiezing van een functionaris geeft de gemeenschap het recht op een democratische verhouding tot die functionaris prijs.

Is bij dit al van belang, dat Y zijn voorstel arglistig bracht? Ik heb er niet over gerept, in navolging van Steiner maar om geheel andere redenen. Tweederde eeuw na dato behoeft men de naam van een intrigerende leraar niet meer met de mantel der liefde te bedekken. Wel kan het zijn, dat het aanwijzen van een zwart schaap afleidt van de hoofdzaak. En die heb ik duidelijk aangegeven: Het maakt in wezen geen enkel verschil, of men met boze of goede bedoelingen diegene wil corrigeren, waaraan men een taak heeft toevertrouwd. In beide gevallen laat men hem weten, dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan. Als voorstel gebracht, is zo’n correctie een motie van wantrouwen.

En op dit punt ben ik republikeinser dan Van Manen. Hij erkent de mogelijkheid dat iemand ‘van goeden huize’ met een tegenvoorstel komt. Voor mij is dat ‘huis’ oninteressant; van mijn part is het zelfs een ingewijde. De enige reden tot ingrijpen behoort te zijn, dat een functionaris – door zijn voorstel, zijn daden of anderszins -het voortbestaan van de school in gevaar brengt, en dan mag van mij de jongste bediende aan de bel trekken. Slechts dit risico rechtvaardigt, dat men door een tegenvoorstel of een terugroeping een personele crisis op de koop toe neemt. Blijven dus de tegenwerpingen van Van Manen in zeker opzicht een raadsel, ik wil niet nalaten om op een wezenlijk verschil van inzicht te wijzen, dat waarschijnlijk nauw verbonden is aan het vorige én aan zijn visie op het aristocratische beginsel. Van Manen schrijft, dat de functionaris gekozen of erkend kan worden. Wat moet ik mij daaronder voorstellen? Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, dat hier het democratische principe door de achterdeur weer eruit wordt gewerkt. Bestaan er functionarissen bij de gratie Gods, die zonder verkiezing een bepaalde plaats innemen? En waartegen niemand neen durft te zeggen?Was dat nu niet juist het probleem van Y? Bij Steiner kan ik hiervoor geen steun vinden. Als iemands kwaliteiten niet worden waargenomen, zodat de democratische verkiezing hem niet op zijn ‘natuurlijke’ plaats installeert, dan kan hij – als het een doelorganisatie zoals een school betreft – beter een andere kring van medewerkers zoeken, in beider belang. Maar zelfs als wij de door Van Manen genoemde secretarissen-generaal van de Landesgesellschaften nemen, dan zien wij, dat Steiner zijn voorkeuren gehad moge hebben, maar de opvattingen van de leden niet doorkruiste. Hij had graag Dunlop op die plaats in Engeland gezien, maar accepteerde de plaatselijke keuze.

Ik ben het met Van Manen eens, dat geen bedrijf kan marcheren, indien vaardigheid en gezag niet samenvallen. Natuurlijk zal men zo iemand als functionaris aanwijzen, als men vrij is in zijn beslissingen (‘durch das freie Verstandnis an seinen Posten gestellt’ noemt Steiner dat in GA 328/1977/157). Maar hij voegt er iets aan toe: Durch das freie Verstandnis seiner Mitarbeiter bis zum letzten Arbeiter herunter’-(id.). Passen wij dit op onze controverse toe, dan luidt dit naar mijn inzicht als volgt: de schoolgemeenschap (de rechtsvergadering) moge de meest geschikte kandidaat voor een functie democratisch aanwijzen, er is, indien zijn functie met zich meebrengt, dat hij gezag over andere mensen van de gemeenschap uitoefent, bovendien nodig, dat hij door deze laatsten als leider wordt erkend. Conclusie: hoezeer de praktijk ook anders moge zijn, het gaat niet om ‘gekozen of erkend’, doch om ‘gekozen’ resp. om ‘gekozen en erkend’.

Ik meen, dat wij hiermee de kern van de controverse naderen. Ik knoop aan bij de derde alinea van de eerste helft van Van Manens artikel. Anders dan Van Manen stelt, heb ik wel degelijk met de wijdverbreide interpretatie over Steiners aanwijzingen voor de structuur van de Waldorfschule willen afrekenen. Niet in zijn kop – Steiner wenste géén democratische Waldorfschule – maar met deze zinsnede had Info3 gelijk.*) Het ging mij niet om de titel, maar om wat de praktijk uit de titel én de tekst van het artikel van Lehrs afleidt. Daarover moest ik terug naar Steiner.

Het artikel van Lehrs gaat over het republikeinse principe. Het democratische wordt genoemd, niet behandeld. In mijn stencil van het artikel van Lehrs komt zelfs de democratische controle achteraf, die er in het exemplaar van Van Manen kennelijk wel staat, niet voor. Welnu, achter de beschrijving van dit republikeinse principe kan ik woord voor woord staan. Maar ik acht het volstrekt ontoelaatbaar, dat een als wetenschappelijk bedoeld artikel met een opschrift wordt getooid – al dan niet aan Steiner ontleend – dat de lading niet dekt.

De gevolgen bleven niet achterwege. Uitwerking had niet de inhoud, maar de titel. Ik laat in het midden, in hoeverre het artikel werkelijk – d.w.z. op de wijze, die Van Manen kenmerkt – is gelezen. Een feit is, dat de democratische component, die, zoals Van Manen mét mij als tot de structuur behorend beschouwt, vrijwel nergens in antroposofische instellingen in het algemeen en in de Vrije Scholen in het bijzonder, te vinden is. Ik zou graag eens van oude rotten in het (school-)vak willen vernemen, in welke school zij ooit een schiftelijke stemming bij het aanwijzen van functionarissen hebben meegemaakt. Iedere poging in deze pleegt van tafel geveegd te worden met de slogan ‘republikeins, niet democratisch’. Wie Leber’s ‘Die Sozialgestalt der Waldorfschule’ leest, komt weliswaar een beschrijving van het ‘incident Y’ tegen (p.160v), nochtans komt het democratische principe niet verder dan een formele gelijkheid van alle mensen (p.58). Dat zijn de dieren in Orwell’s ‘Animal Farm’ ook.

Tegen deze opvatting was mijn artikel gericht; dus zoals Info3 juist in de gaten had: om af te rekenen met een wijdverbreide en mijns inziens onware interpretatie van Steiner. Van Manen gaat met geen woord op de praktijk van de mesostructuur in. Daarom moet mijn conclusie over onze controverse een vermoeden blijven. Dat wil ik duidelijkheidshalve uitspreken. Ik heb de indruk, dat Van Manen achter de huidige praktijk staat. De rechtvaardiging daarvan zou echter meer vereisen dan de naar voren gebrachte detailcritiek. Vandaar, dat ik mijn standpunt formuleachtig wil samenvatten. – Als driegeleder stel ik prijs op sociale hygiëne. Ik sta voor een kristalklaar republikeins principe bij de uitoefening van de functie; en ik sta voor een pijnlijk precies democratisch principe bij het verkiezen van functionarissen, bij de décharge van functionarissen en voorts bij alle onderwerpen, die men bewust of door nalatigheid niet onder de taakomschrijving van een functionaris heeft laten vallen.

Ik wil thans ingaan op wat ik noemde de ‘apocriefen’ van Steiner. Ik stel voorop, dat dit woord bij mij geen negatieve klank heeft. En ik merk voorts op, dat het verwerpen van apocriefen als grondslag voor Steiner-interpretatie niet inhoudt, dat dus het gestenografeerde sacrosanct zou zijn. Het was mij bekend, dat het stenogram van de zittingen met het lerarencollege onvolledig is. Maar ik neem aan, dat wat genoteerd is ook gezegd werd; zij het dat een ontbrekende context de kleur zou kunnen veranderen. Een voorbeeld is in de titel van Lehrs gegeven. Natuurlijk kan Steiner gezegd hebben ‘republikeins, niet democratisch!’; namelijk als het om de materiële opgaven van het lerarencollege gaat. Daarmee ben ik al bij bezwaar nummer
1. Bij apocriefen is de situatie onbekend. Karikaturaal: Zou GA 280/1983/95 apocrief zijn overgekomen, dan zouden vele antroposofen met de hand in hun broekzak mediteren.

2. In de loop van de tijd treedt verminking op – en soms direct. In ditzelfde blad moest binnen betrekkelijk korte tijd tweemaal op een onjuiste mondelinge traditie worden gewezen. Vis verwees een ‘uitspraak van Steiner’ over Rembrandt naar het rijk der fabelen en Boogert corrigeerde het auteurschap van spreuken. Ik kan ook het artikel van Van Manen zelf noemen: hij duidt de titel aan als ‘een door Lehrs uit de herinnering geciteerde uitspraak’. De lezer zal dat opvatten als: Lehrs herinnerde zich, dat Steiner dat gezegd heeft. Ik acht dit zeer dubieus: de beide eerste alinea’s van Lehrs geven reden voor de veronderstelling, dat de uitspraak dateert uit een tijd, toen Lehrs nog geen lid van het college was. (Ik voeg eraan toe: Lehrs kennende, zou hij, als hij die uitspraak zelf gehoord had, gezegd hebben ‘. . . gab er uns zur Antwort’.) En naarmate diegene, die het zelf gehoord heeft, verder weg is, wordt de kans op het ‘dode-oma-in-de-achterbak-effect’ groter.

3. Sociaal erger is, dat de betrouwbaarheid van de zegsman ter beoordeling komt te staan. Naarmate meer herinneringen van mensen, die Steiner nog zelf gekend hebben, de drukpers passeren, neemt ook het verschijnsel toe, dat citaten, die in strijd met het tot dusver aangenomene zijn, worden afgedaan met: ‘Maar X is niet betrouwbaar’. Ik kwam er in de laatste tijd bedroevende staaltjes van tegen. – Om bij ons onderwerp te blijven: moet ik de betrouwbaarheid van Lehrs toetsen aan mijn ervaringen, toen ik zijn leerling was? En die van de zegsman van Rath, Günther Wachsmut, aan diens politieke opvattingen?

Met dit al wil ik de apocriefen geenszins uit de literatuur bannen. Ik heb ze zelf al te graag gebruikt. Ze geven soms een heel eigen kleur aan het onderwerp. Wij dienen echter hun plaats te weten. Men zou ze nooit anders behoren te citeren dan ‘Steiner zou gezegd hebben’. En zij kunnen een betoog nimmer dragen; alleen maar steunen.

Tenslotte de uitdaging, mijn stelling, dat wat structureel met de Weihnachtstagung door Steiner met de Gesellschaft gewild is, op losse schroeven staat waar te maken. -Primair: er staat structureel en uitsluitend dit aspect had ik dan ook voor ogen. En dan: Het zal Van Manen niet onbekend zijn, dat in de laatste levensdagen van Steiner en daarna dingen zijn gebeurd, waaromtrent een groep mensen sedert jaren documenten verzamelt, teneinde aan te tonen, dat daarmee de bedoeling van Steiner op haar kop werd gezet. Ik verwijs de verbaasden naar het artikel van Von Beckerath in Info3 van juli/augustus 1986 en voorts naar de uitgebreide documentatie door hem en anderen. Het gaat daarbij bepaald niet om randproblemen. Aan de orde is bijv., dat Steiner de statuten tijdens de Weihnachtstagung artikel voor artikel uitvoerig en voortdurend reacties uitlokkend met de leden heeft besproken, deze stuk voor stuk democratisch heeft laten aannemen, om slechts enkele maanden later deze zelfde leden, zonder hen zelfs daarvan in kennis te stellen, naar een andere vereniging met geheel andere statuten zou hebben overgeheveld. – Ik wil hieraan uitdrukkelijk toevoegen, dat deze woorden géén stellingname inhouden. Mijn bedoeling was niet meer, dan een waarschuwing, om waar het om de structuur van de Gesellschaft gaat, voorzichtig te zijn en haar niet zonder meer als ‘van Steiner afkomstig’ te aanvaarden.
.

*Dieter Brüll, Mededelingen Antroposofische Vereniging, april 1987

.

*) De wijze, waarop Van Manen problemen pleegt te analyseren, is een puur genoegen. Ook en juist waar ik met hem van mening verschil, levert zijn acribische betoog een zo duidelijke confrontatie met het probleem op, dat het ook op de eigen gedachtevorming verhelderend werkt. Daarom valt mij het volgende ‘terzijde’ moeilijk.

Omdat ik het echter bij ieder ander ook niet achterwege zou laten, doe ik dat jegens hem ook niet. -Ik ben van mening, dat de schimpscheuten tegen Info3 aan zijn artikel afbreuk doen. Ik zie bijv. niet in, waarom mijn dienst erger is dan het burgerunifirm van colbert en stropdas; en waarom het beeld erger is dan het orale geprofessor. Voorts is het inderdaad onjuiste opschrift precies het spiegelbeeld van dat van Lehrs: doet het laatste het voorkomen, alsof er geen plaats is voor het democratische element, het opschrift in Info 3 stelt, dat ik aan het republikeinse principe geen betekenis toeken. En deze onjuistheid is voor een gedegen stuk heel wat erger dan voor een actualiteitenrubriek. Voorts zal iedereen toegeven, dat het verwijt over het verslag van de bouwvergadering – werd werkelijk iets essentieel verkeerds gemeld? – niets met het onderwerp te maken heeft.
.
*100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1553-1454

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool – alle artikelen

.

100 jaar vrijeschool: toelichting


SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

uit/in het archief

[1-1]
sluimerende achtergronden 1
100 jaar vrijeschool:
een bijdrage aan meer vrijheid van onderwijs – een opdracht die Steiner de scholen meegaf – is niet gelukt; aanvaarding subsidie door Haagse vrijeschool: voortbestaan gered, grotere onvrijheid voor inrichting; uit het artikel van Steiner over ‘vrijeschool en driegeleding‘ uitgesproken vóór de vrijeschool in Stuttgart begon; ‘bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht’: voor deze tijd: de sociale driegeleding.

Met name in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw waren er steeds mensen/scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding. O.a. door het publiceren van boeken en artikelen. De laatste verschenen in het tijdschrift Jonas, een blad voor ‘maatschappelijke bewustwording’ of in schoolkranten.

[1-3]
In de jaren ’70 van de vorige eeuw bestaat er in Den Haag een leerlingenbeweging die zich inzet voor de sociale driegeleding, in zonderheid voor vrijheid van onderwijs. Drs. Hans-Peter van Manen houdt een voordracht: ‘De plaats van de vrijeschool in de huidige maatschappij’

[2-1] HOOPVOL?
Een congres over vrijheid van onderwijs, eind 2017. De vrijeschoolbeweging is vrij(wel) onzichtbaar.

[3-1/1]
Ook voor het besturen van de vrijeschool gaf Steiner aanwijzingen die vanuit zijn visie op de maatschappijstructuren stammen. Deze vorm van bestuur wordt vaak omschreven als ‘republikeins’.
Ernst Lehrs gaf daar een uitleg aan: ‘Republikeins, niet democratisch

[3-1/2]
Dieter Brüll geeft een andere uitleg aan Steiners ‘republikeins: ‘Republikeins én democratisch”

[3-1/3-1]
En Hans-Peter van Manen legt dat weer anders uit: ‘Republikeins,  democratisch en aristocratisch

[3-1/3-2]
Hans-Peter van Manen gaat verder met het vervolg op bovenstaand artikel

[3-1/4]
Het antwoord daarop van Dieter Brüll

]4-1]
Vrijheid van richting, oprichting en inrichting
Mr. A.C.Henny over: vrijheid van richting; de grondwet; toenmalige minister: overheid stelt leerplan samen; het onderwijsbestel houdt zijn centralistische structuur; de vraag blijft (ook in 2018) wie is verantwoordelijk voor het onderwijs: de staat of het onderwijs zelf?

[5-1]
Burgerlijke ongehoorzaamheid
Helmut van Renesse over: beetje ongehoorzaamheid: ja; maar vooral toch dialoog met de overheid

[5-2]
Examineren, of anders: géén subsidie!!!
De dialoog – zie boven – levert weinig tot niets op: de Onderwijsraad adviseert de overheid: examineren, anders geen subsidie!
.

[6-1]
Maatschap
Een poging de sociale hoofdwet toe te passen; samen met ouders zoeken naar het realiseren van een ideaal; ouderbijdrage; ontstaan Centrale Administratie voor vrijescholen; Jan Kluën
.
[7]
Hoe nu verder
Valentin Wember doet een oproep voor de toekomst

[8]
100 jaar vrijeschool: een promotiefilmpje
.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1550-1451

.