VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (4)

Nadat de nazi’s de vrijeschool in Stuttgart hadden verboden, zodat deze haar deuren moest sluiten, gingen deze na de overgave van Duitsland op zeker ogenblik weer open: het schoolleven kwam weer op gang. Het tijdschrift ‘Erziehungskunst’, dat in de jaren 1938-1947 niet verscheen, hervatte de uitgaven in 1948. Uit het decembernummer van dit jaar vertaalde ik onderstaand artikel.
Opmerkelijk is de stemming die Ernst Bindel (ook leraar aan de vrijeschool Stuttgart) hier verwoordt.
Die stemming heb ik – vanaf begin jaren’70 van de vorige eeuw – vaak geproefd. Vooral bij de kleinere kinderen, tot een jaar of 10, 11. En bij de volwassenen.
Maar de groep daartussenin? Bij hen is die stemming niet meer vanzelfsprekend. Daarvoor zijn vele oorzaken te noemen – al doe ik dat hier nu niet.
Wel kan ik me voorstellen dat er leraren zijn die voor de bovenbouw (vanaf 12/13 jaar) een nieuwe vorm proberen te vinden – en zo speelt het Novalis College in Eindhoven al enkele jaren een geheel eigen Driekoningenspel.

‘Op alle vrijescholen voeren de leerkrachten als een kerstgeschenk voor hun leerlingen de oude kerstspelen uit Oberufer op. In het intiemere schoolleven dat in de adventstijd verlicht wordt door de kerstverwachting, vormen de kerstspelen een echt hoogtepunt in het jaar.
Om de ouders en vrienden van de school aan dit feest van de schoolgemeenschap te kunnen laten deelnemen, worden er ook openbare opvoeringen gehouden. De openingswoorden die wij hier laten volgen zijn een jaar geleden bij zo’n opvoering gesproken. Daarbij werden verklaringen van Rudolf Steiner gebruikt die hij gaf bij een opvoering van de kerstspelen in Dornach voor Duitse krijgsgevangenen en geïnterneerden ten tijde van de 1e Wereldoorlog – inhoudelijke verklaringen en gedeeltelijk letterlijk gebruikt uit het gepubliceerde ‘Weihnachtsspiele aus deutschem Volkstum’.

Voor de opvoering van het Oberuferer kerstspel

Inleidende woorden voor de ouders van de vrijeschool Stuttgart.

Voor het gordijn open gaat, sta mij toe een paar woorden als inleiding tot u te spreken! Ze gaan over iets wat de opvoering zelf niet kan vertellen. Wat op het toneel gebeurt, spreekt duidelijk genoeg voor zich. Maar hoe deze spelen zijn ontstaan, van waaruit en op welke bodem ze ontsproten, dat kom je door de opvoering niet te weten. Wellicht kan het de indrukken wat verdiepen die door de opvoering gegeven worden, als je er iets over weet.

Weliswaar heten de spelen ‘de Oberuferer kerstspelen’ en tot Oberufer is het een heel eind (‘machtig veer’). Maar de plaats waar ze ontstaan zijn, ligt veel dichter bij ons. Hun thuis is de omgeving van de Bodensee waar de Rijn doorheen stroomt. Op een bepaalde plaats in het spel komt dat naar voren: als de sterrenzanger in zijn begroetingswoorden bij het kerstspel de woorden spreekt:

‘Laten we de os en de ezel groeten
die daar bij het kribje staan.
Laten we ze groeten door de zon- en de maneschijn,
waarvan het licht straalt over het meer en over de Rijn!’

(In het Nederlands zoals Mevrouw Bruinier dit samenstelde:

‘Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’)

Geachte aanwezigen! Dit meer is niet anders dan ons Schwabische meer met de Rijn. Daar zijn de spelen ontstaan en voor het eerst opgevoerd.
Toen moesten de mensen daar weg uit hun streek, zoals het de Duitsers vaak overkwam en ver, ver weg, naar andere landen trekken om daar te proberen het brood te verdienen. En de spelen zijn op die manier met hen meegegaan en in het verre Oberufer terecht gekomen, waar de Donau vanuit Hongarije Oostenrijk in stroomt en zich in verschillende zijarmen vertakt en zo een paar kleinere en grotere eilanden vormt; op een daarvan ligt het dorpje Oberufer. Als een kostbaar kleinood werden door hen in den vreemde, midden tussen onbekende volksstammen, de meegenomen spelen behoed. Om ze zo zuiver mogelijk te houden, was hun grootste zorg. Wat zal er niet allemaal door hun ziel gegaan zijn, wanneer rond de kersttijd tijdens de opvoeringen de woorden klonken:

Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’

Dan zullen ze in gedachten wel weer in hun geliefde vaderland teruggekeerd zijn, op hun boerderijen, waaruit ze noodgedwongen moesten vertrekken.

Het opvoeren van de spelen gaf hun nieuwe kracht om het in den vreemde uit te houden en te aarden.
De spelen gingen van generatie op generatie over, mondeling en zo getrouw mogelijk. Er mocht niets aan veranderd worden. Zo ging het in de 17e en 18e eeuw, tot de 19e aanbrak die overal in het leven het materialisme bracht en toen liepen de spelen ook gevaar, aangetast te worden of zelfs in vergetelheid te raken.

Maar toen was daar, op het juiste ogenblik eigenlijk, iemand die ze voor onze tijd veilig stelde. De man heet Karl Julius Schröer. Hij was weliswaar een geleerde, maar wel zo een die het hart op de juiste plek had. Hij had een heel mooi onderzoeksveld gekozen: de studie van de dialecten van al die kleine Duitse gemeenschappen die over Oostenrijk en Hongarije verstrooid waren. Wanneer je die wil leren kennen, kun je niet aan je bureau blijven zitten om woordenboeken uit te pluizen, maar je moest die woordenboeken eerst zelf samenstellen en daarom bij de mensen zelf aankloppen die deze dialecten spraken en trouw waren gebleven.

Zo kwam hij tijdens zijn reizen ook op het eilandje Oberufer en daar deed hij de ontdekking van onze kerstspelen. Een daar in aanzien staande boer, had de voor iedere speler uitgeschreven rol in zijn bezit, waarmee Schröer dan een manuscript kon samenstellen, want als geheel was dat niet voorhanden.
De boer moet hebben gemerkt dat hij met Schröer geen nieuwsgierige geleerde voor zich had, en hij vertrouwde hem. Hij kon hem veel meedelen wat met de voorbereiding van de spelen te maken had. Voor iemand anders had hij dit geheim gehouden. Hij vertelde hem hoe deze boer, die van zijn voorouders het recht op de spelen geërfd had – we zouden nu zeggen de opvoeringsrechten –  – wanneer de oogst er opzat en de stillere maanden van het jaar aanbraken, dan een groep jongens bij elkaar riep die hij als speler verkozen had. Het was een grote eer om aan de spelen te mogen meedoen. Maar deze eer had een hoge prijs.
Er waren vier voorwaarden waaraan de knapen moesten voldoen.
In de maanden van de voorbereiding en het instuderen mocht geen van hen met de meisjes omgaan, wat voor sommigen wel moeilijk geweest zal zijn. Er mochten door hen geen ondeugende liedjes worden gezongen. Bovendien moesten ze de hele tijd fatsoenlijk leven en ze mochten bij het repeteren nooit protesteren, maar ze moesten zonder meer luisteren naar de  ‘meester die het claor kan speulen’.
Zo werd er dus in oktober en november ijverig geoefend tot de adventstijd en daarmee de tijd van de opvoering. En dan was het eindelijk zo ver. De spelersgroep kwam op de dag van de opvoering bij elkaar en trok als ‘kompanij’ door het dorp, de sterrenzanger voorop met de engel en de duivel achteraan. Hij en de engel waren al verkleed, de anderen nog niet. De hele groep ging na de processie naar de herberg waar de opvoering zou plaatsvinden, trok de toneelkleren aan, bracht alles voor de opvoering in gereedheid. In die tussentijd bleef de duivel in het dorp  en haalde onder de dorpsbewoners zijn streken uit. Hij blies op een koeienhoorn die hij met zich meedroeg, praatte op de mensen in en maakte zoveel stampei, opdat maar heel veel mensen naar de opvoering zouden komen. Maar nodig was dat niet, want de opvoering was de grootste gebeurtenis van het hele jaar. Of er ook iemand was die niet ging? Ja, er was iemand en tijdens Schröers tijd was dat uitgerekend de schoolmeester, die tegelijkertijd ook het aanzien van een burgemeester of notaris genoot. Hij, als vertegenwoordiger van het intellect, hield niet van de spelen. Misschien stak het hem dat de spelen helemaal niet bij één van de godsdiensten hoorde, want ze werden zowel voor katholieken als door protestanten opgevoerd en de spelers waren zowel katholiek als protestant. Misschien was hij ook geïrriteerd, omdat de vrouwenrollen, bv. die van Eva en Maria, door jongens gespeeld werden.
Maar laten we de schoolmeester vergeten!
Tijdens de opvoering zaten de toeschouwers in een halve kring, in hoefijzervorm om de in het midden daarvan spelende groep en zo konden ze zich helemaal één voelen.
Tot zover over de manier hoe een opvoering tot stand kwam en verliep!

Toen Schröer oud geworden was en als professor aan de universiteit van Wenen werkte, volgde een jonge student zijn colleges, die we allemaal kennen en op wie we van harte zijn gesteld. Hij heet Rudolf Steiner. De oude Schröer had al snel in de gaten met wie hij te maken had en sloot hem in zijn hart. Beide, de oudere en de jongere waren spoedig diep bevriend. Het kon niet uitblijven dat Schröer de ander tot assistent en mederaadgever maakte bij alles wat hem zelf zo dierbaar was en zo gaf hij hem de kerstspelen uit Oberufer als een kostbaar erfstuk.
De jonge Rudolf Steiner heeft ze trouw bewaard.
Toen hij zelf ouder was en zich rondom hem een grote groep mensen aaneensloot die enthousiast was voor het nieuwe en het grootse wat hij te brengen had, was het ook aan de tijd de spelen die hij gekregen had weer een plaats te geven in het leven, eerst in Dornach en dan, toen de vrijeschool in Stuttgart opgericht was, ook daar.
Hij gaf ze de toenmalige lerarengroep als geschenk en zo werd in 1921 door de leraren van de vrijeschool, met persoonlijke aanwijzingen van Rudolf Steiner, het herdersspel opgevoerd. (Het is voor ons een mooie gedachte, dat twee van de leraren van toen, ook vandaag weer meespelen in de rollen waarin ze toen al opgingen: de sterrenzanger en de engel. Drie van hen die de jaren daarna met iedere kerst trouwe medespelers waren, zijn reeds door de poort van de dood gegaan.)

Zo loopt er een levende lijn vanaf de boeren uit Oberufer over Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner naar de leerkrachten van de vrijeschool Stuttgart.
Maar de ketting heeft nog een schakel. Want tegelijk met ons en naast ons leerkrachten wedijveren oud-vrijeschoolleerlingen om deze spelen in een grotere openbaarheid door te dragen.
Tien jaar lang was het ons niet gegund de Oberuferer kerstspelen op deze plaats in deze zaal op te voeren. De vrijeschool was verboden en de grote zaal lag in puin. Die is weer opgebouwd en zo konden de drie voorbije avonden de leraren hierin hun kerstgeschenk aan de leerlingen geven. Dat was ook wat Rudolf Steiner graag wilde.
Uit het schoolleven van de vrijeschool zijn de spelen niet meer weg te denken. De leerlingen weten dit het beste. Ze verheugen zich, je zou willen zeggen, al een heel jaar, op het ogenblijk waarop ze naar de zaal komen en het gordijn opengaat.

U allen, beste aanwezigen, willen wij leraren, aan de vreugde van dit geschenk dat voor onze leerlingen is, laten deelnemen.

Ernst Bindel, Erziehungskunst 12e jaargang dec.1948

Kerstspelen: alle artikelen

976-903

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-2)

de eerste jaren van een kind

Er wordt weleens gezegd dat de eerste drie levensjaren van een mens het meest bepalend zijn voor zijn hele verdere leven.

En inderdaad – als je ziet wat er in die eerste drie jaren allemaal gebeurt, wat een stormachtige ontwikkeling er plaats vindt vanaf de eerste ademtocht tot het moment dat een kind zijn intrede in de peuterklas kan doen, hoe het in die drie jaren van klein hulpeloos, onbewust dromend popje groeit tot een zich krachtig manifesterend wezentje, dan is het duidelijk dat zoiets maar éénmaal in een mensenleven zo overrompelend gebeurt. even zo overrompelend gebeurt.

Die eerste drie jaren zijn een aaneenschakeling van wonderen en je kunt het gevoel hebben dat het allemaal “vanzelf” gaat, er zijn niet te stuiten krachten aan het werk, waar je als ouder part noch deel aan hebt.

Aan de andere kant ben je als ouder ten nauwste met de hele gang van zaken verbonden. Van dag tot dag, van uur tot uur wordt er een beroep op je gedaan, wordt er in vol vertrouwen van je verwacht dat je alles in het werk zult stellen om die ontwikkeling mogelijk te maken. Moeder-zijn – en in zekere mate ook vader-zijn- is het meest verantwoordelijke en meest wezenlijke beroep dat er bestaat. Merkwaardigerwijze is het tegelijkertijd ongeveer het enige beroep waar geen opleiding voor bestaat en waarvoor geen diploma vereist wordt.

Gelukkig maar – stel je voor dat je alleen met een door de staat erkende akte van bekwaamheid moeder zou mogen worden! Aan de andere kant: nu kom je vaak totaal onvoorbereid voor deze gigantische taak te staan!

Er was een tijd dat de mensen nog meer vanuit een oorspronkelijke verbondenheid met de natuur leefden; ze waren minder knap, maar ze handelden meer instinctief. En het hele leven was natuurlijker en eenvoudiger. Moeders deden toen veel uit intuïtie en dat bleek dan vaak het juiste te zijn.

Nu leven we in zo’n uiterst gecompliceerde en onnatuurlijke maatschappij, dat we bij onze handelingen veel meer moeten nadenken en alles veel bewuster moeten en ook willen doen. Er zal dan ook wel zelden tevoren zoveel aandacht besteed zijn aan het onderwerp “zuigelingenzorg” en opvoeding als juist in deze tijd. Stapels boeken en tijdschriften worden aan dit onderwerp gewijd, consultatiebureaus staan ons ten dienste. Maar waar halen zij hun wijsheid vandaan? Is het altijd wel wijsheid?

Over het algemeen zijn de adviezen gebaseerd op het soort wetenschap, dat zich in de laatste eeuwen heeft ontwikkeld en dat de mens als hoger ontwikkeld dier tot uitgangspunt heeft, evenwel met het accent op ’dier’. De biologie, psychologie, gedragswetenschappen baseren zich op dit mensbeeld: het mensdier.

Maar wat houdt het ‘hogere’ nu eigenlijk in? Hoe openbaart zich dat en hoe zou nu juist dit typisch menselijke opgevangen en verzorgd moeten worden? Dit zijn vragen die bij jonge en aanstaande ouders zeker leven en de antwoorden hierop omvatten alles : zowel zaken als: hoe vaak doe ik de baby in het bad? wat geef ik hem te eten? als: wat voor muziek laat ik mijn kind horen? wat voor verhalen vertel ik?

Door de menswetenschap, die Rudolf Steiner gebracht heeft (antroposofie) is veel inzicht gewonnen in het typisch menselijke en hieruit blijkt, dat de mens tot een heel andere orde hoort dan het dier. Deze inzichten hebben hun uitwerking gevonden op medisch, pedagogisch, voedselkundig, maatschappelijk/cultureel en moreel gebied.

Het mensenkind dat op aarde geboren wordt, brengt zijn eigen unieke persoonlijkheid mee en zoekt in dit aardebestaan naar de omstandigheden, die hem helpen zijn eigen levensopgave te vervullen. De omgeving waarin hij opgroeit, de mensen die hem leiden en begeleiden, spelen daarbij vanzelfsprekend een grote rol. Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de moeder en de vader. En iedere moeder en vader zullen ook niet anders willen dan hun kind zo goed mogelijk te verzorgen.

A.Schukking-Perdijk, Geert Grooteschool, september 1974

Het artikel was de opmaat voor het in het leven roepen van een ‘zuigelingenzorggroep’

De eerste jaren van een kind (1-1)

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

975-902

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten -Kerstmis (32)

van een natuurfeest tot het kerstfeest

Stel je eens voor dat de zon steeds maar kleiner wordt en een kleinere boog gaat beschrijven aan de hemel. Voor ons, met al onze kennis, is dat niet zo vreemd, wij weten immers wat er gebeurt. Maar voor oude volkeren moet het korten van de dagen en het afnemen van het licht wel beangstigend zijn geweest, zoals zo veel natuurverschijnselen om hen heen.

Zij beschikten immers nog niet over de wetenschap waarmee zij alles konden verklaren. De zon betekende voor oude volkeren in de eerste plaats licht, daarnaast ook warmte en voeding, want wat ze aten was afhankelijk van de zon. De zon was dus noodzakelijk om te overleven.

Dit alles zorgde ervoor dat er allerlei mythische verhalen ontstonden over wat er allemaal was gebeurd in het donker, terwijl de goden en demonen op dat moment in een strijd waren gewikkeld om de zon te veroveren.

Daarnaast vierden veel volkeren op het noordelijk halfrond midden in de donkere winter een feest om de komst van het licht te begroeten. Deze winterzonnewende was van groot belang. Men vierde er de terugkeer van het zonlicht, dat met het lengen der dagen nieuw leven zou brengen.

Rituelen
In de culturen van bijna alle natuurvolkeren werd het ‘keren van de zon’ als een regelmatig terugkerend verschijnsel gezien. Vanouds werd in de rituelen dan ook veel aandacht besteed aan de beide jaarlijkse zonnewendedagen (bij benadering: 21 december en 21 juni.) Vooral aan de winterzonnewende, die periode van het jaar dat de zon als het ware tot stilstand komt in haar laagste stand boven de horizon, hechtte men veel belang. Daar de eerste nacht van de winter de langste nacht is, en vanaf hier de dagen lengen en het licht en de warmte van de zon vermeerderen, werd deze nacht verondersteld het moment te zijn van de wedergeboorte van de zon.

Zo vierden de Germanen rond 25 december joelfeesten. Dat waren feesten van dankbaarheid voor wat geweest was en hoop voor wat nog kwam. Ze duurden dertien dagen en twaalf nachten (van 24 december tot 6 januari) en sloten direct aan op de grote slachttijd. Er werd niet gewerkt, maar wel veel gegeten, gedronken en lawaai gemaakt. Ook werden er enorme vreugdevuren aangestoken in een poging om de stervende zon te laten herleven.

De Romeinen
Mithras, een zonnegod die al voorkomt in de Vedische geschriften van India, werd vooral populair in Perzië als beschermer van de onschuldigen en als bemiddelaar tussen het zuiver hemelse licht en de aardse corruptie ervan. Herders waren getuige hoe hij uit een rots geboren werd als aanvoerder van de lichtlegioenen, die streden tegen de machten der duisternis. In het bijzonder dit laatste zou hem zo populair maken bij de soldaten van de Romeinse legioenen. Zij brachten hem in de eerste eeuw voor Christus mee uit het Oosten. Omdat de Romeinse legers ’overal’ heen trokken, verspreidde de cultus van Mithras zich snel en het duurde niet lang of het Mithrasïsme werd de belangrijkste godsdienst van het Romeinse rijk.
Opvallend zijn trouwens de parallellen met het christendom. Zo werd van Mithras verteld dat hij gestorven was en weer opgestaan en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om zo te vieren dat hij in hen zelf opnieuw geboren werd. In Rome zelf wemelde het in de 3e eeuw trouwens van mensenreddende goden of godenzonen. En van bijna allemaal werd de geboorte in december gevierd in de buurt van de winterzonnewende.

In 274 werd het keizer Aurelianus te bar en hij verordonneerde dat al die feesten op één dag gebundeld moesten worden en wel op de 25ste december, de feestdag van de Sol Invinctus (de onoverwinnelijke zon). En aan het hoofd van heel die godenschare benoemde hij Mithras, die volgens de mythe ook op 25 december geboren was, tot staatsgod.

Toen het christendom zich verspreidde over het Romeinse rijk werden steeds meer Romeinen christen. Zij bleven echter het feest van Mithras op 25 december vieren. Omdat dat feest, het feest van de onoverwinnelijke zon, gemakkelijk te combineren was met het feest van Jezus als het Licht der wereld (men wist immers niet wanneer Jezus geboren was) besloot paus Liberius in het jaar 354 dat voortaan de geboorte van Jezus op 25 december gevierd moest worden met een speciale ’Christusmis’ (Kerstmis).

Aanpassingen
Dit soort aanpassingen deed de kerk overigens vaker. Want naarmate het christendom zich meer en meer uitbreidde onder ‘heidense’ volkeren, kwamen ook steeds meer ‘heidense’ gebruiken de leefwereld van de christenen binnen. Het was belangrijk voor de kerk deze te christianiseren om niet ten onder te gaan. Zo heeft ze kunnen integreren in de cultuur van vele volkeren.

Omdat de christelijke beweging in het begin zo sterk was, misschien wel dankzij de ernstige vervolgingen waaronder zij in de eerste eeuwen te lijden had, verdween de verering van Mithras steeds meer naar de achtergrond, zeker na de bekering van keizer Constantijn de Grote tot het christendom. Vanaf die tijd wordt er steeds meer aandacht gegeven aan de geboorte van Jezus en ontwikkelt het kerstfeest zich tot het feest dat wij tegenwoordig kennen. Buiten proporties gegroeid, vieren we nog steeds hetzelfde als de oude volkeren: de warmte, de knusheid en gezelligheid midden in de kilheid en tegenwoordig voor veel mensen, de eenzaamheid van de wintermaanden. Laten we het Licht daarbij niet vergeten.

Theo Hofland in een regionaal dagblad, nadere gegevens onbekend

Kerstmis: alle artikelen

.

974-901

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-1)

EEN MENS KOMT OP AARDE

Uitgangspunt voor onze pedagogie is het diepgewortelde besef dat ieder mens een absoluut unieke persoonlijkheid is. Alle invloeden van erfelijkheid en milieu, die zeer zeker hun stempel op de opgroeiende individualiteit zullen drukken, zijn niet meer dan gelaagde jasjes om een geheel eigen kern.
Deze persoonlijkheidskern kan dan later wel eens wat erg diep schuil gaan onder hele ladingen van deze jasjes, maar als je als opvoeder, pedagoog of medemens, goed toeziet, ontdek je toch hoe het eigene erdoorheen straalt. Het is dan onze taak er met al onze krachten naar te zoeken hoe dit eigene bij kind of mens verder kan worden gewekt.
Al tijdens de zwangerschap komt dit individuele zo duidelijk naar voren. Moeders zijn er telkens weer enthousiast over hoe ieder kind zich tijdens de zwangerschap op volkomen eigen wijze kenbaar maakt. De één maant zijn moeder tot rust, de ander geeft wonderkrachten. Kinderen die rustig zijn en kinderen die zoveel trappelen dat het er pijn van doet. Ook wat de aanstaande moeder er innerlijk aan beleeft is telkens weer anders.

En dan de geboorte zelf. Vroeg of laat, snel of langzaam, meer of minder met pijnen gepaard, met of zonder schreeuw, blauw of roze, hoofd of stuit, met of zonder ingreep, gerimpeld of glad, droog of vettig, open of gesloten ogen en ga zo maar door. Allemaal evenzovele gebaren waarmee het kind uitdrukking geeft aan zijn persoonlijkheid. En het gaat al net zo met het drinkgedrag, het slapen, het schreeuwen, het ritme van de ontlasting, enz. enz.

Dan ligt het pasgeboren kind daar in de wieg, met dicht opgetrokken knietjes, de gebogen armpjes bij het hoofd, de knuistjes gebald. Af en toe klinkt een klein murmelgeluidje, een gaap, een zucht. Er heerst vrede. De ademhaling gaat heel onregelmatig, wat hijgerig en weinig diep. Het moet nog leren te ademen. Soms worden de longen even goed volgezogen en stoot een driftige schreeuw de lucht weer fors naar buiten.

De eerste voedingen worden genoten (bij de oude Germanen gold een kind pas als aardeburger nadat het de eerste voeding had genoten). Diep klokt het naar binnen, het kind krult driftig zijn tenen en spant en ontspant al zijn kleine spieren om maar zoveel mogelijk zo snel mogelijk naar binnen te krijgen. Intense, volledige overgave. Als het verzadigd is, ontspant het zich van top tot teen, de mond glijdt af, eindeloze vredigheid. Er glijden hele fijne glimlachtrekjes (nog niet het eigenlijke lachen) over het gezichtje, alsof er engeltjes voorbij zweven op een zachte vleug van wind. De diepste rust in de wieg. Het slaapt. Het is alsof je kijkt naar een vleesgeworden droom, het is er en het is er toch ook niet. Dan heeft het een natte luier of ook weer honger en het feest begint. Geen twijfel mogelijk, geen droom, het is er. Een huilbui zonder tranen, de ene schreeuw is er nog niet uitgeperst of de volgende struikelt er al weer overheen en nog een en nog een, vreemd dat het er niet in stikt. Het geluid resoneert helemaal in het hoofdje met nasale hoge tonen (als van oosterse muziek). En toch ook weer van een eindeloze diepte, duiven die koeren boven je hoofd.

Een wonder temidden van al deze wonderen beleefden we rond de derde dag. De eerste dagen had ik bij onze zoon de indruk dat er wel een heel klein hoopje in de wieg of in mijn armen lag, maar dat de hele kamer tot in alle hoeken vervuld was van zijn bepaald niet geringe wezen. Een machtig, indrukwekkend wezen, dat ik bij de geboorte had ontmoet, toen het zijn allereerste levensmomenten besteedde door ons heel intensief met peilloze zeeën van ogen aan te kijken. Een blik die ik nooit zal vergeten, zozeer sprak die nog van de werelden die zojuist waren verlaten om hier op aarde te komen werken. Een blik uit het voorgeboortelijke èn een blik naar de toekomst, sprekend van zijn diepste levensbesluiten. Na de derde dag was hij uiterlijk gezien natuurlijk nog steeds een klein hoopje mens, maar zijn hele wezen sprak nu tot ons van binnenuit, hij leek enorm gegroeid.

De eerste spanningen, verwonderingen en emoties waren nu voorbij en we gingen nu echt eens goed kijken hoe hij er uit zag en wat hij allemaal deed. Een reusachtig hoofd met een onaanzienlijk lijfje eronder; in het hoofd zelf was deze verhouding weerspiegeld in de enorme welving van voor-, boven- en achterhoofd ten opzichte van het kleine teruggetrokken kinnetje en het kleine mondje met tuitlipjes en zuigblaasje. Eigenlijk één en al hoofd met vaak al heel wakkere ogen die dapper de nieuwe wereld inkeken. De armpjes en beentjes leken een heel eigen leven te leiden, zo schijnbaar doelloos maaiend en trappelend.

Zo’n klein kind is één en al zintuig. Het reageert op het kleinste geluidje, op het geringste lichtstraaltje, maar ook op de fijnste stemmingsnuancen van de volwassenen, met zijn totale organisme. Het is eigenlijk niet te geloven dat het mogelijk is om zó open, met zo’n volledige overgave indrukken van buiten waar te nemen. Dat kunnen wij ons met ons denkende bewustzijn, dat zich kritisch tegenover de dingen op een afstand plaatst (daaraan hebben wij ons zelfbewustzijn immers ontwikkeld), niet neer voorstellen. We kunnen de tegestelling beleven: het pasgeboren kind zonder denkend bewustzijn, maar met een waarnemings- en invoelingsvermogen dat dwars door alle uiterlijkheden, en cultuurvernisjes heen gaat en wij, met (zelf)bewustzijn, die eigenlijk voortdurend botsen tegen en blijven steken op de buitenkant van dingen en mensen.
Als een baby je aankijkt, voel je hoe alle zelfdunk en eigenwaan van je afglijdt. Het is een zegen voor ons, ons even zo helemaal puur te kunnen voelen, zoals we werkelijk zijn. Het kind houdt immers onvoorwaardelijk van ons en het draagt ons een eindeloos vertrouwen tegemoet. We zouden moeten proberen dat vast te houden voor later, dat gebaar van oneindige liefde en vertrouwen; een ware godendrank, waar de opvoeder krachten uit zal kunnen putten in moeilijkere tijden.
Maar het leven, dat uitsluitend lijkt te bestaan uit slapen en drinken, aan- en uitkleden, gaat verder. Het kind komt voor het eerst in de grote kamer. Wat een wereld! Wat is daar veel nieuws te zien. Het hoofdje beweegt bruusk heen en weer als dat van een vogeltje en je ziet de spannende aandacht waarmee alles wordt opgenomen. Het zou bijna vergeten te drinken, maar natuurlijk niet helemaal, want dat blijft voorlopig toch nog wel het allerzaligste. En dan mag hij van de dokter ook al even op de bank blijven liggen, om te “keten”. Lekker trappelen, maaien en geluidjes uitstoten. De slaap wordt er des te diepeer om, om dit alles weer te kunnen verwerken, te verteren. Want werkelijk, al deze zintuigindrukken vormen net zozeer kostelijke, onmisbare voeding als de melk.

De eerste traan! Als een grote kostbare glanzende parel glijdt hij langzaam rollend langs zijn wang. Eerste voorbode van het menselijk vermogen om innerlijk leed te beleven. En de eerste lachjes! Waren het vroeger voorbij zwevende vleugjes, die het mondje als het ware van buitenaf even licht aantipten, nu komt het echt van binnenuit; je ziet het aan de stralende ogen en je hoort het aan de pogingen het met kraaigeluidjes te begeleiden.

Een brede warme stroom van wereldomvattende mildheid komt je uit het kind tegemoet. Je zo zonder enige terughouding te kunnen geven aan je omgeving, dat kan, waar nog geen bewustzijn heerst dat bijna alleen nog maar kan (ver)oordelen.

Zo is het kind onder ons, een geschenk uit de hemel, intens vol van liefde, vertrouwen, onbevangenheid en mildheid, zo schenkt het zichzelf aan ons. Een mens komt op aarde. Het vraagt ons niets en toch stelt het ons de allergewichtigste vragen. Wij moeten leren ze te verstaan.

Maarten Ploeger, Geert Grooteschool Amsterdam, sept.1974

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

973-900

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (31)

het donkere gat tussen os en ezel

Dagen, soms wel een hele week, mochten we niet in de voorkamer komen. De mooie kamer. Zelfs op zondag niet. Want ook op die dag werd er gewerkt. De stoelen gingen aan de kant. De tafel werd ergens anders opgeslagen en als de geur van warme worstenbroodjes uit de oven van het fornuis kwam, mochten we binnen. Kerstmis. Het was een sprookje. In een week tijd was Bethlehem en wijde omgeving compleet in onze voorkamer overgeplant De kamer was Bethlehem geworden. Honderden lampjes flonkerden in de blauwe hardboardhemel. Weggetjes slingerden zich wit onder piepkleine lantaarntjes omhoog in de papieren rotsformatie. Een wand vol Alpen. Plukjes schapen keken op van mossige weitjes of spiegelden zich in waterpartijtjes.
Midden in dat gigantische land brandde een piepklein lampje in een stalletje. Daar woonden ze. Tijdelijk, omdat er in de herberg een steenworpje verderop geen plaats was.

Weken lang tot 2 februari, Maria Lichtmis, was Israël een flinke lap grond kwijt en Judea samen met Lucas II  l-14 bij ons in de voorkamer te gast.

En niet alleen bij ons. In veel huiskamers waren ‘stalmeesters’ keihard aan het werk om Kerstmis vorm te geven. Er was er zelfs een, zo werd gefluisterd, die een electrische trein tussen Bethlehem en de stal had lopen.

Elk jaar opnieuw worden de kerststalletjes van stal gehaald. Soms uitbundig, dan weer jarenlang rustig. Een simpel stalletje. De stal als tijdsbeeld. Dwarrelende plukken engelenhaar, glitterballen, gipsen heiligen, nog grotere kerstbomen. En na de nachtmis: worstenbroodjes, stollen, een plas of een plats, balkenbrei of kerboet.

Maar niet alles is heilig pal onder de plek waar de drie stralen door één schieten. Daar zou het engeltje een kleur van kunnen krijgen.

Een Tour de Noël door de oude boeken van het kerstverhaal Op zoek naar het licht in het donkere gat tussen os en ezel.

De kerstboom, de bijl van St. Winifried, worstenbroodjes en balkenbrij

‘We dromen naar Kerstmis toe,
het is in ons hart geweven…’

De eerste regels van een warm kerstgedicht gemaakt op een stille middag oog in oog met de kerststal, met de kerstboom. Een piek in de top, een engeltje ter bewaking van het prille geluk in de schaduw van de os en de ezel.

Een vredig tafereel. Niets is er te horen van het briesen en stampvoeten van de de blonde Germaan Winifried, ergens tijdens een koude winternacht in het jaar 725.
Winifried was een van de eerste brengers van het evangelie die in Noorwegen de Scandinaviërs probeerde te bekeren. Geen makkelijke opgave, want de druïden hadden een dikke vinger in de toverpap. Onder de leiding van die druïde kwamen de Noormannen onder de heilige eik van Donar bij elkaar om de dondergod te vereren. Telkens als Winfried dat zag, bad hij tot zijn god om hulp. Maar hij hoorde niets terug.

Tot die koude decemberwinternacht. Winifried wandelde door het grote woud en kwam oog in oog te staan met de Heilige Eik. Maar er was meer: vlakbij zag Winifried hoe een stel woeste barbaren met iets bezig waren: een klein kind. Winifried had niet veel nodig om te begrijpen dat dat kleine kind aan de god Donar geofferd zou worden. Dat was teveel. Hij ontstak in woede, sprong naar voren, het kind onder de wrede handen van de woestelingen weg en pakte een bijl. Met ferme klappen viel hij de Heilige Eik aan. De barbaren hielden hun adem in. Donar zou dat nooit toelaten en met donder en bliksem die blonde Germaan mores leren.

Geraas
Maar er gebeurde niets. De Noormannen waren sprakeloos. Iemand die geen ontzag had voor de donderdergod Donar en ook niet gestraft werd…. Terwijl de eerbied voor de prediker met elke klap toenam, brak een donderend geraas los. Geen Donargedonder, maar de laatste splinters die de gigantische eik nog aan de wortels bond, werden gebroken en met een daverend geweld klapte de woudreus als een toren naar beneden. Niets ontziend, alles meesleurend, bomen brekend.

Behalve…… een jonge den.

Het boompje bleef onbeschadigd en zoals het in het scenario van een goede legende altijd geregeld is: geheel onverwacht brak een straal maanlicht door de donkere wolken en zette de naalden in een zilveren glans. Een wonder, dachten de mannen met baarden en Winifried sprak de historische woorden: „Dit boompje zal vanavond uw heilige boom zijn. Zijn hout is het hout van de vrede, want uw huizen zijn van dennenbomen gebouwd. Hij is het teken van het eeuwige leven, want zijn tooi is altijd groen. Zie, hoe hij naar de hemel wijst. Het is de boom van het Christkind.”

En het was de Eerste Kerstdag.

Winifried zelf: hij had succes, bekeerde bossen Noormannen en werd beloond met de titel ‘St’

Voorgebakken
Waar of niet waar. „’t Is echter een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van het Christendom, dat de kerk een heidensch feest, dat niet zo gemakkelijk was uit te roeien, annexeerde door er een christelijke beteekenis aan te geven”, zo staat in het boek Mozaik Tegels uit 1892.
De schrijver F.W. Drijver heeft het over de accommodatie- of verzoeningstheorie en legt uit: het is hem opgevallen dat het Kerstfeest samenvalt met het Joodse feest van de Tempelreiniging en het heidense feest Saturnalia. De Saturnaliën werden eind december na de oogst gevierd ter ere van Saturnus, de god van de landbouw. Aan het feest van de Romeinse god was ook de zogenaamde Brumalia verbonden, het feest van de kortste dag, dat door Julius Caesar zelf met enig historisch besef op 25 december was vastgesteld. „Die dag, ook solstitium, zonnestilstand, of dies natalis invicti solis, geboortedag der onoverwinlijke zon geheeten, kan misschien de overgang gevormd hebben tusschen ’t feest der Heidenen en dat der Christenen.”

Maar niet alleen de Romeinen hadden feest. Ook de Germanen in de noordelijke bossen vierden hun midwinterfeest, de Joeltijd, het feest ter ere van de zon, die na de korste dag aan een nieuw leven begon. Joel staat voor toverij. De aarde die ontwaakt in nieuw leven, het begin van dertien dagen Joelfeest

Van 25 december tot 6 januari was een tijd van rust voor de zon en voor de mensen. Een feesttijd van dertien dagen, waarvan de laatste als dertiendag gevierd werd en nu nog als Driekoningen.

Maar het was dé tijd voor de geesten, de elfen, de nixen en de nimfen om los te breken in een nieuw leven. Ze trekken met vliegende vendels over de aarde. „Woeste horden”, staat er in het volkskundig leesboek voor de lagere scholen uit 1931. „Nu moet er ook geofferd worden aan de god der vruchtbaarheid, aan Wo- dan; onder ’t winterkleed vergadert de aarde nieuwe levenskrachten, en ’t is Wodan, die dat alles schikt en die over dat alles zijn zegenende zorg doet gaan. Nu verheugt men zich bij dans en drank….”

Eten
En wat zegt de schrijver Drijver: voor de zendelingen was het een makkie om een feest dat bij de heidenen al bestond een Christelijk betekenis aan te geven. Een voorgebakken feest, inclusief heidense gebruiken.

Het klokgelui in de kerstnacht om de boze geesten te verjagen, de midwintersboom. Het gebruik bij onze oosterburen om elkaar met kerst geschenken te geven: het is een oud Germaans gebruik, de ‘Jul-klapper’, de Joelcadeautjes in het Zweeds. Het branden van het kerstblok, dat in veel landen wordt gedaan, de ‘Souche de Noël’ in Frankrijk, de Letten noemen kerstavond zelfs ’Bluckewart’ blokavond. In sommige delen van Nederland werd vroeger de Kerststobbe op het vuur gelegd, het kerstblok. In een charter van 1264 gaven de schepenen van Susteren aan ieder de vrijheid om tegen kerstmis een kerststobbe uit het bos te halen.
Allemaal staat het in verbinding met de vuren van de Germaanse eredienst, zeggen historici.

Offer
En het eten. Het schoolboekje uit 1931 heeft het over de de ‘dikke vretaovond1  zoals die in de Gelderse Achterhoek werd genoemd. De Kerstnacht en eten. ‘Het kerstgebak’, zo schrijft de heer Drijver uit 1892, „dat mede afstamt uit de heidensche oudheid, toen men nog godenbeelden van deeg maakte.”
De krakeling, met de vier spaken, het zinnebeeld van de Zonnegod. Het kerstbrood is niets anders dan een overblijfsel van de oude offermaaltijden, waarbij koeken een zinnebeeldige vorm hadden. De benaming duvekater voor kerstbrood, bepaald geen heilige naam.

Eten: later het worstenbroodje, balkenbrij dampend op tafel na de nachtmis. De smaak van Kerstmis.

Het donkere gat tussen os en ezel: heidense gebruiken, Germanen, Wodan, Donar, duvekater, offerbrood.

Zo leert het leesboek uit 1931:
„De dieren vertellen van het kerstfeit:
De haan kraait: Kin..detje ge- bóren”..
De duif roept: „Woe.. woar?”
Het lam zegt: „In Bê.. .t.lêm”

„Zeker, nog leeft het geloof, dat de Kerstnacht, zooals Midwinternacht weleer, een toovernacht is, voort.”

Hans Jacobs, De Gelderlander, 15 december 1989

Kerstmis, alle artikelen

972-899

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje

 

Willem de Zwijger  1533-1584

Willem van Oranje

Een portret van Willem van Oranje. Het werd geschilderd door de Hollandse schilder Michiel van Mierevelt.

Toen de elfjarige Willem van zijn neef René van Chalon het prinsdom Oranje en de uitgestrekte bezittingen van Nassau erfde, werd hij daardoor een van de rijkste edelen van Europa. Zijn vader, graaf Willem de Rijke van Nassau-Dillenburg, die zijn zoon volgens de lutheraanse gedachten wilde opvoeden, was er niet erg gelukkig mee. Het betekende namelijk, dat de jonge Willem aan het hof te Brussel zou moeten gaan wonen. Keizer Karel V wilde dat Willem verder zou worden opgevoed door de landvoogdes Maria van Hongarije, die trouw rooms-katholiek was.

Willem was een zelfbewuste vriendelijke jongeman, die bij keizer Karel V in de smaak viel. Zijn bijnaam ‘de Zwijger’ dankte hij aan het feit, dat hij zijn gevoelens zo goed wist te verbergen. Als jongeman leidde hij een werelds bestaan, op het genotzuchtige af.

Toen Filips II van Spanje in 1555 het beheer over de Nederlanden kreeg, werd zijn kijk op het leven ernstiger. Willem was stadhouder voor Filips van de provincies Holland, Zeeland, Utrecht en Bourgondië. Trouw te zijn aan zijn vorst beschouwde hij als zijn eerste plicht. Willem, en met hem andere leden van de heersende klasse, begonnen tot het besef te komen dat Filips II van plan was hun macht ernstig te beknotten, zo niet geheel te laten verdwijnen. Filips II had zich voorgenomen, de ketterij in de Nederlanden ten koste van alles uit te roeien.

Ten gevolge van deze politiek, die op meedogenloze wijze in praktijk werd gebracht door de afgevaardigden van Filips II, verlieten veel van zijn onderdanen het land. Willem en de andere edelen – katholieke zowel als protestantse – verzochten Filips II via een Smeekschrift, een wat toegeeflijker houding aan te nemen. Het antwoord van Filips II kwam in de vorm van de hertog van Alva en enkele duizenden soldaten. Het buitengewone gerechtshof van Alva, de Raad van Beroerten (bekender als ‘de Bloedraad’), maakte al snel duidelijk dat het niet alleen de ketters waren die zouden worden gestraft. Bezittingen van lastige edelen werden in beslag genomen, de eigenaars werden gevangengezet en in sommige gevallen ter dood gebracht. Willem en zijn familieleden vluchtten naar Duitsland. In de vijf jaar dat zijn ballingschap duurde, bracht Willem van Oranje een leger op de been.

Voor Willem had de strijd tegen Spanje voornamelijk politieke betekenis. Maar al kwam voor hem in dit geval de godsdienst op de tweede plaats, toch werd hij gedwongen zich aan te sluiten bij de protestanten. Dankzij de strijdvaardigheid van zijn soldaten, kreeg hij de beschikking over een leger dat een gericht doel voor ogen stond. Langzamerhand begon Willem steeds meer voor het calvinisme te voelen. Maar hij zou blijven werken aan de vereniging van de Nederlanden, waar volledige vrijheid van godsdienst mogelijk moest zijn.

In 1572 rukte Willem met een leger van 20.000 man de Nederlanden binnen. Aan het eind van dat jaar had hij éénderde van Holland en gedeelten van Zeeland en Friesland in handen. Dat was nog maar het begin van de oorlog. De Spanjaarden sloegen terug. In het voorjaar van 1574 belegerden ze Leiden. Het heldhaftige opheffen van het beleg, door het omliggende platteland onder water te zetten en de stad met behulp van boten te bevrijden, betekende de redding van Holland.

Een belangrijke stap voorwaarts bij de totstandkoming van de eenheid was de Pacificatie van Gent van 1576. Hierdoor werden Holland en Zeeland verenigd, terwijl aan Willem van Oranje uitgebreide militaire bevoegdheden werden verleend. In het zuiden nam het verzet tegen de Spanjaarden toe. Men riep Willem te hulp om de opstand te leiden. Maar al snel begon de kloof tussen het calvinistische noorden en het katholieke zuiden breder te worden. Enkele zuidelijke provincies (Artois, Henegouwen en de stad Douai) sloten zich middels de Unie van Atrecht, in januari 1579 aaneen. Nog geen drie weken later kwam de Unie van Utrecht tot stand, een verbond tussen Noord- Nederlandse gewesten en Brabantse en Vlaamse steden. Daarmee kwam een eind aan het vooruitzicht het gebied van de Nederlanden tot één geheel te verenigen.

Dit schilderij werd in 1832 gemaakt door Cornelis Kruseman. Het is een voorstelling van Willem de Zwijger, die in 1559 in Vlissingen door Filips II van Spanje werd beschuldigd van trouweloosheid. Filips II staat op het punt uit de Nederlanden te vertrekken. Willems trouw aan Filips II bracht hem in een innerlijk conflict met zijn sympathie voor het volk der Nederlanden. Hij besefte, dat Filips II de bedoeling had, de Nederlanden met geweld te onderdrukken.

Willem van Oranje

In het jaar daarop (1580) verscheen de Apologie van Willem. In dit verweerschrift rechtvaardigde hij zijn opstandigheid. Het was ook de eerste keer dat hij Filips II ervan beschuldigde, de trouw van zijn onderdanen niet waard te zijn. Op 26 juli 1581 tekenden de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden de Akte van Afzwering. Daarbij verklaarden ze Filips II van de heerschappij over de Nederlanden vervallen, terwijl ze de Prins van Oranje, de ‘Vader des Vaderlands’, tot tijdelijk regeringshoofd kozen.

Maar Filips II had een prijs gezet op het hoofd van Willem van Oranje. De eerste moordaanslag mislukte. Enkele jaren later, op 10 juli 1584, werd hij doodgeschoten door Balthasar Gerards, een schrijnwerkersleerling. Het wapen waarmee deze de aanslag pleegde, had hij betaald met geld dat hij van Willem van Oranje zelf had geleend.

Willem van Oranje 2

Deze prent is een afbeelding van Willem de Zwijger, die door Balthasar Gerards werd doodgeschoten. Het moordwapen werd met het geld van het slachtoffer gekocht.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

971-898

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (8-1)

.

de omgeving spiegelt onze zorg
.

Verzorging, verzorgd, zorgzaam, bezorgd, zorg, zorgend, verzorgen….

Het zijn kwaliteiten die altijd in ons leven een rol spelen. Omdat ze er zijn of omdat ze er juist niet zijn (en we ze missen). Verzorgen is echter een kwaliteit die vaak onbewust of ongemerkt werkt. Om die kwaliteit dan ook “te pakken” moest ik eens rustig nadenken wat verzorgen allemaal omvat. Dat is een heleboel, in ieder geval is het een kwaliteit die op een band duidt.
Een band, een betrokkenheid, een verantwoordelijkheid van ons uit én naar ons toe.

Als we kijken in een concrete situatie, kunnen we al snel zien wat verzorgen betekent. Als we in een gebouw rondlopen zijn we in staat op de een of andere manier waar te nemen of aan te voelen of er sprake is van verzorging: De vloer is gezogen, tafels zijn afgenomen, er hangen lithografieën aan de muur, er is een hal met vitale planten die een zithoek omzomen waar op een schoon tafeltje een schone asbak staat, in de hoek staat op ordelijke wijze een prullenbak, de portiersbalie is rustig van kleur en prettig verlicht. Nou is er echter één probleem: De beschreven situatie heeft iets zo vanzelfsprekends, dat wanneer we hem tegenkomen we ons vaak niet bewustworden dat er van een verzorgde situatie sprake is. Het dringt misschien niet eens tot ons door omdat we het niet anders verwachten.

Toch moeten we ons afvragen: Is dit nu echt vanzelfsprekend? Is het zo dat wij niet anders mogen verwachten?

Laten wij de situatie eens totaal anders beschrijven en kijken wat verzorging inhoudt.

We lopen door hetzelfde gebouw: op de vloer liggen pluisjes, snippers en achter een klapdeur ligt een prop papier, op tafels zitten kringen en aan een poot kleeft een bonk kauwgum, naast een deur zit een gat in de muur waar een schilderij heeft gehangen en een stukje pleisterwerk weg is, achter een glazen deur„ met veel “vingers”  is een hal met planten die in bakken staan met aan hun voeten peuken, klokhuizen en dorre bladeren, daarachter is een zithoek geformeerd om een tafeltje waarop plastic bekertjes een koffieplasje omringen, in de hoek staat een prullenbak enigszins te stinken, de portiersbalie is van een prikkelbare kleurkombinatie en er is een lamp kapot.

Nu staan we aan de andere kant van de zaak: de beschreven situatie heeft iets zó onverwachts dat, wanneer we hem tegenkomen, we ons er onmiddellijk van bewust worden dat er van een onverzorgde situatie sprake is. Dit hadden we toch echt niet verwacht! Waarom is er niet gezogen, zijn de tafels en deuren niet gelapt, hangt dat schilderij er niet, worden de plantenbakken niet verschoond, de prullenbak niet geleegd, het licht niet gemaakt??

Omdat niemand dat gedaan heeft!

Er was geen sprake van een band of een betrokkenheid of een verantwoordelijkheid t.a.v. al deze situaties, vanwaaruit iemand op al die plekken is geweest om ze te verzorgen. Dat is het wat we bewust of onbewust, waarnemen in situaties. Is hier iemand geweest die zijn sporen heeft achtergelaten in de vorm van zorg voor deze situaties of niet. Als er inderdaad overal mensen “zijn geweest” toont hun verantwoordelijkheid (als schoonmaker bijv.) of betrokkenheid (als medewerker bijv.) zich in de zorg die zij a.h.w. “achterlaten”.

Nu draagt verzorgen het echter in zich dat het iets is wat altijd gedaan, volgehouden en zelfs opgebracht moet worden. Want, maken wij niet schoon dan wordt het vies, onderhouden wij het niet dan gaat het stuk, kleden wij niet aan dan wordt het kaal, verandert onze leefomgeving niet mee dan “sterft” zij (bijv. inrichting thuis)

Verzorging is een voedende, opbouwende kracht die levend houdt of maakt.

Is er geen sprake van goede verzorging dan volgt onherroepelijk ondervoeding en afbraak. En verzorgen wij onszelf niet goed dan kunnen wij deze verzorgende kracht ook niet opbrengen. Wanneer wij de verzorging kunnen plegen t.a.v. onszelf of onze omgeving die nodig is, kunnen wij daar heel voldaan over zijn, er vreugde aan beleven.

Je wordt enthousiast om wat het verzorgde je teruggeeft.

Dat verzorging niet altijd en overal opgebracht kan worden kennen we denk ik allemaal. Ieder huis kent wel die ene plek die we allemaal enigszins mijden. Daar staat of ligt altijd iets dat we dan ook rommel of troep noemen. Of het is een plaats waar je nooit eens goed bij kan (tenzij je wel heel veel zin maakt!). Of die plek wordt zo intensief gebruikt dat je haar maar laat voor wat het is.

Het is de plek die ik gewoonlijk de “verloederhoek” pleeg te noemen. Ieder huis kent er één, ieder gebouw kent er één. De anonieme plek die van niemand is en/of van iedereen! wie is er verantwoordelijk?

Het rooster? de taak-of werkverdeling? de schoonmaker want die hebben we daarvoor aangenomen? de laatste gebruiker (dit kennen we toch ook hè)? Zo ’n verloederhoek is niet alleen het aanrechtkastje of de hal vol jassen en schoenen of de gemeenschappelijke keuken van de woongroep of de doodlopende gang of trap. Zij kan ook veel groter zijn: ieder gebouw heeft er één, sommige straten hebben er één, elk dorp en elke stad kent er een aantal.(parkeergarages b.v.) Zelfs kent elke samenleving vaak zijn verloederhoek en is het zelfs niet zo dat onze wereld ook zijn verloederhoeken heeft?

De verloederhoek, die anonieme plaats vaak ook achteraf gelegen, leert ons bij uitstek wat zorg betekent. In het heel groot als Derde Wereldprobleem bijvoorbeeld en in het heel klein, als w.c. gebruik bijvoorbeeld.

Zorg heeft te maken met een werkelijke band tussen ons en de ander, tussen ons en de omgeving (milieu bv.), tussen ons en de mensen met wie we leven en werken (school en bedrijf). Zorg heeft te maken met betrokkenheid van mensen tot mensen zonder dat er sprake is van anonimiteit. Zorg heeft te maken met verantwoordelijkheid omdat er nog mensen na ons komen (in het klein bv. in de keuken, in het groot bv. in het milieu).

Zorg heeft te maken met plezier, met enthousiasme, met liefde, met voldoening. Kijk maar heel dichtbij hoe het werkt. Hoeveel genoegen geeft het niet als je je fiets of auto weer een goede onderhoudsbeurt hebt gegeven, als je de moestuin weer “schoon” hebt gemaakt, als je de kast af hebt waar je zo lang en hard aan gewerkt hebt, als je kat na een lekkere maaltijd van jou ligt te snorren, als je een goed gesprek hebt gehad met die oude man die nog zoveel te vertellen heeft.

Waar onze zorg tekort schiet zien we dat, zoals zorg vreugde in zich draagt, niet-zorg verdriet in zich draagt.

Waar geen zorg is, ontstaat vanzelf iets wat op de een of andere manier pijnlijk, vervelend, droevig of naar is.

Van gaatjes in kiezen tot de dode vis in de Rijn.

Niet-zorgen betekent altijd dat er situaties ontstaan die we niet wensen en die ons haarfijn tonen dat onze zorg ergens mank gaat, dat de band, de betrokkenheid of de verantwoordelijkheid er niet is  (door anonimiteit of doordat we het (net) niet voor elkaar krijgen). Onderhouden we onze fiets niet dan gaat hij ons spoedig vertellen, door roesten en rammelen, dat het zo niet langer gaat. Laten we de tuin onverzorgd dan groeit onkruid om het hardst. Laten we kat en hond onverzorgd dan trakteren zij ons weldra op ongedierte. Laten we in onze samenleving gaten vallen, ontstaat er een ‘apart-living”, dan verschijnen er tegenculturen en subculturen die ons en onze “verzorgingsstaat” vaak harde lessen leren.

Uit een schoolkrant, nadere gegevens onbekend
970-897

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-2)

Slecht eten

Je verslikken in de buitenwereld

Ik ben zelf een slechte eter geweest, en mede daardoor boeit het mij bijzonder om mijn gedachten eens over het probleem van het slecht etende kind te laten gaan. Trouwens, ik ben de enige niet: het niet of slecht eten is bij kleine kinderen een veel voorkomende klacht. Soms is er nog wel meer aan de hand, maar dikwijls is het niet-eten de enige klacht waarmee de moeder op het spreekuur komt. Je vraagt dan door naar de ‘medische biografie’- van het kind: zwangerschap, bevalling, eerste ontwikkeling, kinderziektes, slapen, spelen, hoe de ontlasting is en wat je verder zoal wilt weten. Verder probeer je je een beeld te vormen van de gezinssituatie: de plaats in de kinderrij, conflicten tussen de ouders of tussen gezin en omgeving (schoonmoeders, buren). Ten slotte onderzoek je het kind. Soms is dan in één oogopslag duidelijk wat het probleem is, maar meestal moet de conclusie zijn: het kind is prima in orde, alleen eet het niet.

Wanneer de amandelen zo groot geworden zijn dat er nog maar een potloodgroot gaatje overgebleven is, hoef je je ook niet te verbazen over het slechte eten van je kind. En wanneer de ouders het met elkaar niet meer zo kunnen vinden en dat aan tafel breed uitmeten,is het niet verwonderlijk dat het kind geen trek meer heeft.
Maar wanneer je er een beetje op gaat letten, blijven er nog heel wat ‘probleemloze’ kinderen over, dat wil zeggen kinderen waarbij het er niet zo duimendik bovenop ligt waarom ze niet willen eten. Niet-eten is geen eenduidig probleem; het kan dus ook niet op één bepaalde manier opgelost worden. Het lijkt eerder een uitingsvorm van een moeilijkheid die het kind op dat moment in zijn bestaan ondervindt, lichamelijk, psychisch- geestelijk of, en dat zal in de meeste gevallen zo zijn, een combinatie daarvan.

Waarom eet je overigens? En wat gebeurt er precies wanneer je aan tafel zit en je een maaltijd tot je neemt? Heel in het algemeen kun je zeggen dat eten eigenlijk een vorm is van contact maken met de ons omringende wereld. In het voedsel ontmoeten we een stukje buitenwereld. We gaan het te lijf door het te verteren, we vernietigen het en worden er zelf beter van. Dank zij ons voedsel kunnen we ons staande houden, blijven wij onszelf ten opzichte van de buitenwereld. Nu zijn er natuurlijk nog andersoortige, minder grofstoffelijke vormen van contact met de buitenwereld, bijvoorbeeld door middel van onze zintuigen en niet te vergeten ons denken. Ook daar worden stukjes buitenwereld opgenomen en verwerkt. Ook daar, in het denken, verbinden we ons met de wereld, om ons vervolgens weer tegenover die wereld te kunnen plaatsen. Maar het denken ontwikkelt zich pas goed wanneer het kind de lagere school gaat bezoeken en dat is bepaald niet de periode waarin zich de meeste eetproblemen voordoen. Deze spelen zich af op de baby-, peuter- en kleuterleeftijd, wanneer het kind nog helemaal bezig is met de opbouw en vorming van zijn lichaam.

Alles wat het kleine kind, en daar hebben we het nu verder over, meemaakt, spiegelt zich in zijn lichamelijke ontwikkeling. Zijn relatie met de wereld ontwikkelt zich nog op strikt lichamelijk niveau en aangezien eten beschouwd kan worden als een vorm van lichamelijk contact met de wereld, is het niet zo verwonderlijk dat problemen in die relatie-legging, van welke aard dan ook, zich zullen uiten in veranderingen of verdwijnen van het eetplezier.

De voedselweg
Om verder door te dringen in het probleem van het ‘niet-eten’ moeten we eerst eens de weg vervolgen die het voedsel door ons lichaam gaat. Die weg begint in de mond. Daar wordt het voedsel op verschillende manieren ‘bekeken’. Allereerst wordt de consistentie beoordeeld: moet er gekauwd worden? Daar wordt ook ‘getemperatuurd’: is het voedsel een beetje in overeenstemming met de eigen lichaamswarmte? (zoniet: blazen of opwarmen). En bovenal wordt er geproefd in de mond: vind ik het lekker of niet?

Als je zo alle facetten van wat er zo in de mond gebeurt samen neemt dan krijg je de indruk dat er in de mond bepaald wordt of er überhaupt een relatie met dit voedsel kan worden aangegaan. Is dit goed voedsel of niet? Wil ik het of wil ik het niet? Zo ja, dan verhuist het naar de maag, zo nee, dan spuug ik het uit. In de mond ga je nog heel zelfbewust om met het stukje buitenwereld en bepaal je of je de verbinding zult aangaan of niet.

De geur, de smaak, het uiterlijk van het voedsel en de gedachte alleen al aan eten doen je maag zijn zuur afscheiden. Allerlei zintuigindrukken en emoties werken op de maag in. Denk maar eens aan het verband dat duidelijk gelegd kan worden tussen zorgen, ergernissen en verdriet enerzijds en maagzweren en maagbloedingen anderzijds. De maag is een orgaan dat sterk verbonden is met het psychische, het emotionele, het beleven van de dingen.

Na de eerste vluchtige kennismaking met het voedsel in de mond wordt het in de maag sterker ‘beleefd’. Wat maakt het voor indruk op me, wat kan ik eraan ervaren, hoe voelt het aan (ligt het me zwaar op de maag)? In de maag wordt het voedsel tot ervaring gebracht, net zoals je de relatie met je ouders of je chef ervaart als plezierig of frustrerend. Wanneer het voedsel door het zuur goed bewerkt is, en de hele voedselmassa goed is doorkneed, komt de, inmiddels meer vloeibaar geworden spijsbrij in de dunne darm. Daar wordt het voedsel verder bewerkt. De miljoenen darmvlokken tasten het voedsel af, breken het in steeds kleinere stukjes, verteren het en nemen de zeer kleine brokstukjes op. Hier treedt het lichaam in een echte uitwisseling met het voedsel, net zolang tot er van het voedsel niets meer over is.
Het lichaam kan het voedsel wel gebruiken, maar dan moet eerst de eigen gedaante ervan verdwenen zijn. Wanneer je spinazie eet, wordt in de dunne darm dat wat spinazie tot spinazie maakt door het lichaam als het ware overwonnen. In het overwinnen, het teniet doen van het eigene van de spinazie, heeft het lichaam de mogelijkheid zijn eigen opbouwkracht te sterken. Je krijgt de sterkste beenspieren door over veel horden heen te springen. Door verschillende soorten voedsel ‘te lijf’ te gaan creëert je lichaam de mogelijkheid om tegen veel situaties in het leven opgewassen te zijn. De dunne darm is dus het gebied waar dank zij vreemde levenskracht-mineraal, plant en eventueel dier- eigen levenskracht ontstaat.
In de dikke darm ten slotte wordt datgene wat door de dunne darm niet is opgenomen, of juist is uitgescheiden, in een bepaalde vorm gebracht. Hier is geen sprake meer van vertering. Meer wordt hier duidelijk hoe het lichaam vorm kan geven (hoe het zich kan uitdrukken!!) aan dat wat het van het voedsel geleerd heeft.

In de ontlasting geeft het lichaam iets terug aan de wereld, en beïnvloedt zo de aardesubstantie. De ontlasting is ook een uiting van de mogelijkheid van een mens om vorm te geven aan zijn bestaan. Een mens die zich onmachtig voelt om zijn leven een bepaalde richting te geven zal gemakkelijk aan diarree kunnen gaan lijden. Een al te precies iemand, die zo graag alle puntjes op de i’s zet, zo dat er eigenlijk niets uit zijn vingers komt, kan levenslang tot obstipatie veroordeeld zijn. Samenvattend gebeuren er in het verteringsproces (= aangaan van relatie met de wereld) vier dingen.

Eerst stel je je in de mond de vraag: ‘Wil ik of wil ik niet?’
Dan volgt de maag met: ‘Hoe ervaar ik het?’
De dunne darm komt met het probleem: ‘Wat kan ik ervan leren?’
En de dikke darm ten slotte vraagt zich af hoe al die ervaringen nu zinvol te maken zijn voor het bestaan: ‘Wat doe ik er nu mee?’

Niet-eters
Wanneer we als volwassene voor een probleem gesteld worden, dat ons nogal aanpakt, zijn we in de meeste gevallen wel in staat dat denkend te verwerken. Niet elk probleem maakt ons direct lichamelijk ziek. Onze psyche kan een heleboel spanningen opvangen. Dat geldt in veel mindere mate voor het kleine kind. Daar is het psychische nog sterk met het lichamelijke verweven. Alles wat het kleine kind meemaakt zal zich uiten in het functioneren van zijn lichaam en met name van zijn stofwisseling, omdat het kleine kind nog een en al groei is en de stofwisseling daar een heel voorname plaats bij inneemt. Wanneer je slecht of niet-eten nu ziet als een uiting van een niet goed functionerende stofwisseling en je bedenkt dat de manier waarop het lichaam met het voedsel omgaat de manier is waarop je als mens met alle levensproblemen omgaat, dan moet het slechte eten van je kind iets te maken hebben met een onmogelijkheid om op een of meer van de boven geformuleerde vragen ‘een goed antwoord’ te geven. Het niet goed eten kan dus op verschillende niveaus ontstaan: op ‘mond-, maag-, dunne en dikke darm niveau’.

Wat moet je je nu voorstellen bij een zogenaamd mondkind? Het verbindt zich moeilijk echt met de buitenwereld en is een beetje in zichzelf gekeerd. Het heeft iets tastends, proevends over zich. Bij het eten wordt maar een heel klein beetje opgeschept en als het wat in de mond stopt blijft het voedsel daar eindeloos. Toch, ondanks het weinige eten, lijkt het kind prima gezond; het leeft van de lucht. Vaak lijkt het met het sanguinische of melancholische temperament samen te gaan. Het zijn kinderen die er moeite mee hebben om echt contact te maken met de wereld. Zij moeten daar een beetje toe verleid worden. ‘Mondkinderen’ moeten een beetje op aarde gelokt worden. Dat lukt ook meestal wel wanneer je je wat terughoudt, niets opdringt. Zorg ervoor dat het eten er lekker uitziet en zodoende de fantasie en de interesse prikkelt. Daarbij kun je, wat het eten zelf betreft, het beste aansluiten bij wat het kind lekker vindt en dat in kleine porties over meerdere maaltijden (vier a vijf) per dag aanreiken. Heel langzaam kun je daarna de samenstelling van de maaltijd wat evenwichtiger proberen te maken. Preciezere aanwijzingen staan uitgebreid in het voortreffelijke boek over kindervoeding van Renzenbrink.
De grootste groep van niet-eters wordt gevormd door de maagkinderen. Door allerlei oorzaken is het kind te nerveus om te eten. Met witte, verkrampte gezichtjes zitten ze achter hun bord en weigeren eten tot zich te nemen. Een overbekende oorzaak daarbij is de zogenaamde ‘eetstrijd’. Het kind wil niet eten tenzij er hele rituelen opgevoerd worden. Als je dan als ouder daarop ingaat worden de eisen hoger en hoger. Hierbij begint alles met onzekerheid bij de ouders over de opvoeding. Die onzekerheid (doe ik het wel goed, gedijt mijn kind wel?) leidt heel gemakkelijk tot krampachtigheid in de opvoeding die door het kind opgevangen en met dezelfde krampachtigheid beantwoord wordt, niet in psychische zin, zoals bij de ouders, maar in lichamelijke zin.
Die kinderen klagen dan ook over buikpijn: alle buikorganen verkrampen, ook de maag, zodat het kind voedsel weigert. Eveneens zijn allerlei angsten waaraan het kind blootstaat (ouders die gaan scheiden, naar school moeten terwijl ze je daar altijd plagen, enzovoort) in staat zo’n krampreactie op te roepen. Typerend voor deze situatie is dat het kind meteen goed eet, wanneer het uit de kramp verwekkende sfeer weg is, bijvoorbeeld als het bij oma gaat logeren. Oma hoeft zich niet zo druk te maken over het gehalte van haar opvoeding, dus het kind hoeft niet krampachtig met het eten om te gaan. Het is niet zo simpel om in deze situatie een eenduidig advies te geven. Duidelijk moge zijn dat hier de emotionele inbreng (of juist het afwezig zijn daarvan) van de ouders in de opvoeding een centrale rol speelt. In het eetgedrag van je kind spiegelt zich de manier waarop je zelf met spanningen, angsten en emoties omgaat. Opvoeden is voordoen, ook wat betreft het hanteren van spanningen. En wanneer je, ondanks alle problemen, in staat bent het geloof in jezelf terug te vinden zal dat direct merkbaar zijn aan tafel. De zekerheid die je uitstraalt op zo’n moment moet in staat zijn ook de verkramptheid van je kind op te lossen.

Temperamenten
Als een kind niet wil eten is het ook heel belangrijk je een oordeel te vormer over zijn temperament. Wanneer dat temperament nogal uitgesproken is zal dat ook zijn stem­pel drukken op de vertering, dat wil zeggen het vermogen bepaald voedsel af te breken en er iets van te leren, zoals beschreven voor de dunne darm. Voor heel veel kinderen is het hun aangeboden voedsel gewoon een te zware opgave: het is niet in overeenstem­ming met hun temperament en de daarmee samenhangende ‘verteringsenergie’. Het zijn in de regel kinderen die snel moe zijn, neigen tot bloedarmoede, moeilijk van een ziekte helemaal beter worden en op school snel hun koncentratie verliezen. Vooral bij melancho­lische kinderen kun je zo’n situatie aantref­fen. Bij deze zogenaamde dunne darmkinderen speelt dus een onvermogen om het voed­sel de baas te worden en het is dan ook heel belangrijk om ten eerste te weten welk tem­perament het kind heeft en, ten tweede, daar het dieet op af te stemmen. En, net als bij de ‘mondkinderen’, moet het eten er leuk uit­zien, lekker smaken en verdeeld zijn over vier of vijf maaltijden. Heel belangrijk zijn daarij de tuinkruiden, die de stofwisseling activeren en de vertering bevorderen.

Het hele verterings- en uitwisselingsproces in de dunne darm bestaat bij de gratie van rit­me. Bij de ‘dunne darm-kinderen’ is het dan ook van groot belang ritme in de voeding aan te brengen, zowel in de verdeling van de maaltijden over de dag (geen tussendoortjes) als over die van het soort voedsel (granen en groentes) door de week. Gebruik bijvoor­beeld eens de zaaikalender van Maria Thun bij het bepalen van de samenstelling van de maaltijd (iets meer wortel op worteldagen, iets meer blad op bladdagen, enzovoort).
Het is niet zo eenvoudig je iets voor te stel­len bij een slecht etend dikke
darmkind.
Toch bestaan die ook. In de puberteit, die als geheel sterk toekomstgericht is (wat wil ik met mijzelf?), kan een situatie ontstaan dat een kind zo verstrikt raakt in zijn worste­ling met de toekomst, er zo tegenop ziet
vol­wassen te worden, dat het niet meer eet. Wanneer dat extreme vormen aanneemt, ontstaat een psychiatrisch ziektebeeld dat ‘Anorexia nervosa’ heet en vooral bij meisjes nogal eens voorkomt. De voedselweigering leidt dan tot ernstige vermagering. Maar dat is zo’n extreme situatie en zo’n onderwerp op zichzelf dat bespreking daarvan buiten het kader van dit artikel valt.

Het is onmogelijk om binnen het bestek van een artikel als dit volledig te zijn, zowel wat betreft de beschrijving van de verschillende oorzaken van het slecht eten als wat betreft datgene wat je eraan moet doen. Dit artikel is eerder een verkenning op het terrein van de manier waarop het kind met zijn omringende wereld omgaat en hoe zich dat uit in zijn eetgewoontes. Misschien herken je in één oogopslag je kind in een der geschetste types. Waarschijnlijker is dat bij een slecht etend kind verschillende problemen door elkaar spelen en dat zich in je kind verschillende types vermengd hebben. Dit maakt het probleem niet eenvoudiger, maar laat eens te meer zien. hoe elk kind op zijn eigen persoonlijke manier met de wereld omspringt en er zich soms in verslikt.

Aart van der Stel, arts. Jonas 08-01-1982

Opvoedingsvragen (4-1): slecht eten

Opvoedingsvragen: alle artikelen

969-896

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen

.

Alfabetische volgorde van de onderwerpen:                                              23

[8] aandacht
ADHD bij ontwikkelingsbelemmeringen [5]
[16] angstig, onrustig, wakker, schoolziek
autisme bij ontwikkelingsbelemmeringen [7]
[2] autoriteit
[9] bedplassen
[11] crèche, digitaal
[19] digitale media
[6] duimzuigen
[4] eetproblemen
[16] gesloten kind
[1] gezin: oudste, broertje of zusje op komst
[2] grenzen stellen
[7] hartelijkheid
[20] hechten
[12) inenten
[14] jongens
[12] (kinder)ziekte   mazelen; allergie; inenten
[5] kunststof
[23] luizen
MBD bij ontwikkelingsbelemmeringen [1]
[19] media
motoriek bij ontwikkelingsbelemmeringen [4]  [6]
[8] muziek
[16] onrustig
[16] open kind
[17] pesten
niet praten bij ontwikkelingsbelemmeringen [3]
[16] schoolziek
[15] slaap(problemen)
[21] straf
[19] televisie
[12] vaccineren
[18] vakantie
[12] verkouden
[13] verlegen
[16] verwennen
[10] vrijheid, opvoeding tot
[16] wakker
[3] zakgeld
[12] ziekte
[22] zonlicht

[1] Het oudste kind
Maakt het uit welke plaats je als kind inneemt in het gezin.

[1-2] Broertje of zusje op komst
Joyce Honing over: wat gebeurt er met het kind wanneer het een broertje of zusje krijgt?; hoe vang je ‘afwijzing’ op.

[2-1] Autoriteit en gezag
Lili Chavannes over: Wat is ‘autoriteit’ en welke plaats neemt die in de opvoeding in. Anti-autoritaire opvoeding; oordelen en te vroeg oordelen; Een ouder geeft haar bevindingen weer.

[2-2] Zo klein en dan al opvoeden?
Hester Anschütz over: stel snel grenzen aan het gedrag van de kleine, maar doe het op een juiste manier; tips om dit ‘juiste’ te benaderen.

[3-1] zakgeld
[3-2] zakgeld
Op welke leeftijd; hoeveel; waarvoor enz.

EETPROBLEMEN

[41] Slechte eters
De niet- of slecht- of helemaal niet etende peuter

[4-2] Slecht eten
De’ mond-maag-en darmkinderen’

[4-3] Chronische voedselweigering
Petra Weeda
over: interview met Theo Beentjes, oprichter van  Vereniging voor Ouders van Kinderen met Chronische Voedselweigering en Sondevoeding; voorbeeld van een kind dat een chronische voedselweigering ontwikkelt.

[4-4] Voedingsperikelen in het eerste jaar
Paulien Bom
over: van borst naar boterham; een brede kijk ontwikkelen: alles hangt met elkaar samen; voeding ‘op vraag’ of op ritme?; samengaan ritme en slaap; slechte slapers en bakeren; borstvoedingsproblemen; bijvoeding;

[4-5] Eten als peuterwapen
Machteld Huber
over: wanneer spreek je van een eetprobleem; waar moet je op letten; moet je in alles toegeven;

[4-6] Het ene eetprobleem is het andere niet
Georges Maissan
over: als zich een probleem voordoet: goed waarnemen; duidelijk zijn; ritme en rust belangrijk; dieet en extra verzorging;

[4-7] Hoe wordt je kind een gezonde fijnproever?
Marjolein Wolf over: het belang van het proeven; onbewerkt voedsel; geen fanatisme, er ‘speels’ mee omgaan, ook durven genieten van wat niet zo gezond is.

[4-8] Voedselallergie
Katja Madrigal en Aart v.d. Stel over: eczeem (natte, droge); dauwworm; verstoring in omgaan met prikkels en indrukken; huid, holtes als grensvlak; het probleem van ‘begrenzing’; vanuit de omgeving nodig: rust, regelmaat, hygiëne; een positieve kant.

[4-9] Mijn kind eet niet
A.Fauth, kinderarts
over: welke houding neem je als ouder aan om dit probleem op te lossen; wat is het probleem, is het er wel?

[4-10] Aan tafel!
Loïs Eijgenraam over: hoe schep je aan tafel een gezonde eetcultuur; over eerbied, aandacht, duurzaamheid.

[5-1] Kunststof of natuurproduct
maakt het uit of je de wereld leert kennen door natuurstoffen of niet

[5-2] De mens tussen natuur en kunststof
O. Wolff over: het verschil tussen een natuurproduct en een synthetisch product; hoe hangt e.e.a. met de mens samen; de drie rijken en de techniek; vitamine(n) C

[6] Duimzuigen is meer dan alleen maar lekker
Aart v.d. Stel over: wat is duimen; waarom gebeurt het; over de duim en de andere vingers.

[7] Hartelijkheid als levenselixer voor het kind
Elisabeth Klein over: wat is hartelijkheid; ‘van harte = uit het hart opvoeden; zo nodig voor het kind; zowel vreugde als verdriet moeten echt zijn; ergernis of geduld.

[7-1] Het kind heeft echte zielenkrachten nodig
G. von Arnim over: het  jonge kind in de wereld van de vele zintuigindrukken; wat doet dat; hoe schep je tegenwicht; het belang van voorlezen; van echte aandacht.

[8] de omgeving weerspiegelt onze zorg
het belang van zorg en aandacht
[8-1] aandacht
Wanneer de jongste kinderen totaal geen aandacht krijgen, blijven hun hersenen kleiner

[8-2] Muziek
Saskia Stienstra over: muziek maken met heel jonge kinderen; wat kun je doen en waarom; het gevaar van mechanische muziek op CD; verwijzing naar liedjes.

[8-3] Zingen met kleuters
Fiona van Mansvelt over: zingen met peuters en kleuters in het gezin; ervaringen van een moeder; de waarde van muziek voor de kleintjes.

[9] bedplassen

[10] opvoeding tot vrijheid

[11] digitale crèche

ZIEKTE

[12-11] Angst voor mazelen
Huisarts Arie Bos over: kinderziekte, mazelen, inenten
Aansluitend Jaap van der Wal over: de kijk op vaccineren vanuit de wereldbeschouwing die mensen on- of half- of bewust aanhangen.

[12-1-2] Kinderziekten: gevaar of hulp bij de ontwikkeling?
Dr. O. Wolff over: kinderziekte; koorts; ziekte als ontwikkelingsmogelijkheid. 

[12-1-3] Mazelen, meningen, mensbeelden
Jaap v.d. Weg
over: wetenschap, geloof en antroposofie over de mens en ziekte; ziekte en reïncarnatie en karma; ziekte als ontwikkelingskans; ‘warme en koude’ ziekten; kinderziekten.

[12-2-1] RS-virus of gewoon verkouden?
Huisarts George Maissan over: RS-virus, symptomen; wat te doen; ‘gewone’ verkoudheid, symptomen; wat te doen. (tijmolie)wikkel.

[122-2] Snotverkouden, steeds maar weer
Ziekenhuisarts Anne Schilder over: verkoudheid bij kleine kinderen; antibiotica? neusamandelen knippen? Of maar laten gebeuren?

[12-2-3] Vat op kou
Ineke van der Duijn Schouten en George Massain over: verkoudheid; kou en warmte(mantel); ‘weglekken’ van energie; Ik-werking; welke hulpmiddelen zijn er.

[12-2-4] Kouwelijkheid
Ineke van der Duijn Schouten en George Maissan over: het beleven van warmte en kou; kleding, hoeveel, kwaliteit; levenszin; warmtezin; middelen om warm te worden.

[12-2-5] Hoe voorkomen we verkoudheid
Weledaberichten over: de functie van warmte; kwetsbaar als je verzwakt bent; wat kan je doen voor jezelf en je kind.

[12-3] Het allergische kind is een rebel
Huisarts Aart van der Stel over: wat is allergie; voeding, voedsel; hoe ‘bewoont’ het kind zijn lichaam; veranderingen in eerste zeven jaar; te veel aan indrukken; immuunsysteem in de war; tastzin, huid; hoe te (ver)helpen

[12-4] Het nieuwe opvoeden: intuïtie én bewustwording
Aart van der Stel over: gezichtspunten over inenten; argumenten voor- en tegenstanders; een uitweg? waarde van ziek-zijn; groei en ontwikkeling; koorts; voedingsbad; je kind waarnemen.

[12-5] Wie niet (meer) horen wil, moet voelen
Noor Prent over: oorontsteking; hoe komt het; wat kun je eraan doen, ook als ouder.

[12-6] Het coronavirus
Georg Soldner over: wat is een virus; virus en de dierenwereld; long en virus; hoe versterk je je levenskrachten.

HET ENE KIND IS HET ANDERE NIET

[13-1] Het verlegen kind
Rineke Wisman over: het verlegen kind: artikel met citaten van wetenschappers over verlegenheid: hoe het komt en tips om ermee om te gaan.

[14] Opvoeding: jongens

[15-1] Het spook in de nacht
Dick Hütter over: kinderen met slaapproblemen; slecht inslapen; wakker worden; (bange) dromen; pavor nocturnus; wat is slaap; REM-slaap; welke indrukken gaan mee de nacht in;

[15-2] Wakker tegen wil en dank
Ineke van der Duijn Schouten en George Massain over: slapeloosheid bij volwassenen en kinderen; wakkerheid; te veel zintuigprikkels; rust scheppen.

[15-3] Slapen in een wereld die nooit rust
Loïs Eijgenraam over: slaapproblemen bij kleine kinderen; wat geef je ze mee voor een goede nachtrust.

[16-1] Angstige en onrustige kinderen
Henning Köhler
over: wat gaat er in je kind om als het bang of boos is; hoe kun je helpen; hoe belangrijk de verzorging van bepaalde zintuigen is;

[16-2] Erg wakker en onrustig
Noor Prent over: een kind dat druk is, onrustig en angstig; hoe kan dit komen; wat kun je doen; bakeren, ouderwets of een zegen om de eigen grenzen te leren kennen?

[16-3] De stekel in het buikje van de egel
Joyce Honing
over: wat kunnen verhaaltjes betekenen voor het oplossen van allerlei gedragsproblemen; met voorbeelden van een druk en van een angstig en boos kind.

[16-4] Kinderen die te open of te gesloten zijn
Joyce Honing
en Petra Weeda over: wat is een ‘gesloten’ of een ‘open kind’. Voorbeelden; hoe kun je ze verder helpen

[16-4-1] Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…
Noor Prent over: kinderen met huidproblemen: eczeem; een (te) dunne huid; warmte; wat kun je doen

[16-5] ‘Mama, er zit een griezelig beest onder mijn bed!
Joyce Honing en Petra Weeda over: kinderen die bang zijn, vooral bij het inslapen; wat wél en wat niet te doen; agressief blijk panisch te zijn; hoe help je.

[16-6] Verwennen en ontwennen
Noor Prent over: wat is verwennen; hoe ontstaat het; hoe kun je het voorkomen; ontwennen kost tijd.

[16-7] Het labiele schoolkind
Walther Holzapfel over: wat kan er zijn met het kind dat niet naar school wil en hoofdpijn, buikpijn heeft of misselijk is.

PESTEN
[17-1] Sarren, jennen en treiteren
Karin Groet
over: verslag themabijeenkomst met (wijlen) Bob v.d. Meer: wat is pesten; de rol van ouders, leerkrachten, de pestkop, het slachtoffer, de meelopers; hoe kun je/moet je het aanpakken

[17-2] Zondebok tegen wil en dank
Hanneke Steutel
over: n.a.v. een aantal opmerkingen van (wijlen) Bob v.d.Meer; pester en slachtoffer: twee zielen in de knoop; het belang van die te ontwarren

[17-3] Pesten, moed en de kracht van verandering
Angelika Lonneman over: ervaringen van een gepest kind op de vrijeschool; wat is er veranderd sinds toen en wat moet er nog meer veranderen; is er moed om dat te doen.

[17-4] Brandpreventie i.p.v. de brandweer
Anne Brockmann over: de aanpak van maatschappelijk werker Fridtjof Meyer-Radkau, verbonden aan een vrijeschool en auteur van het boek Waldorfschulsozialarbeit’, bij pesten.

[17-5] Scholen moeten in actie komen
Astrid Frank over: pesten herkennen; actie ondernemen; voorbeelden; leerkracht moet inzicht hebben in psychisch geweld.

[18-1] Vakantie met baby en peuter
Paulien Bom over: moet je wel met jonge kinderen op (ingewikkelde) vakantie; dag- en nachtritme verstoord bij lang vliegen; waarmee kun je rekening houden;

TELEVISIE

Wat zijn beelden en wat is fantasie
Wat zijn ‘ware’ beelden en wat ‘valse’. De werking van gezonde fantasie en ongezonde fantasie in/op de ontwikkeling van het (jonge) kind.


[19-1] Sesamstraat, een aanslag van de televisie op de kleuter
Marijke Roetemeijer over: het ontstaan van Sesamstraat; Nederlandse situatie heel anders; behaviorisme als achtergrond; meer dressuur dan creativiteit; het belang van spel; de pogingen van allerlei instanties de kleuter intellectueel vooruit te helpen;

[19-2Voor de buis?
Oene Schreuder over: kijk ik wél of niet: een keuzemoment; een kind kent zo’n moment (nog) niet, wat doe je als ouder dan; een kind kan veel moeilijker afstand nemen; kind leeft in beelden; oogontwikkeling bij kinderen nog volop gaande; de camera kijkt voor het kind, het kind kijkt niet zelf; 

[19-3] De andere kant van de tv
Joke Beekman
over: ze stelt vragen bij het tv-gebruik voor kinderen; ze geeft voorbeelden uit het leven van kinderen; tv als dwangmedium;

[19-4] Alleen maar verbieden heeft nauwelijks zin
Rita van Haren
over: wat te doen als ‘de buurt’ tv-kijken normaal vindt en jij dat voor je kind niet zo nodig vindt; wordt het een ‘buitenstaander’?; moeders organiseren een ‘creatieve middag’ als alternatief; ideeën voor zo’n middag;

en GEWELD

[19-5/1] Britse jeugd wordt crimineler door tv
In de loop der jaren verschenen er artikelen over de invloed van tv op kinderen en jongeren. Een regeringsonderzoek in Engeland constateert een relatie tussen tv en geweld onder en door jongeren.

[19-5/2] Enige opmerkingen over het tv-kijken door volwassenen
Mr.R.M.F. Houwink
over: de invloed van tv op jonge kinderen; agressie; liefdeloze gezinnen en latere problemen; nabootsing en navolging

[19-6/1] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: wat is agressie, ontstaan;

[19-6/2] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: oorzaken toenemend geweld; innerlijke leegte, angst, spanning, gebrek aan liefde; invloed milieu; invloed film en tv; 

[19-6/3] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: invloed film en tv op geweldsontwikkeling; taak van de opvoeding, in inzonderheid school: pleidooi voor meer ‘zachte krachten’;
Ghandi: de wereld heeft meer vrouwen nodig

[19-7] Televisiegeweld slecht voor jeugd
Dr. Jan Verhulst
over: het boek ‘De invloed van televisiegeweld’. In dit boek wordt een relatie gelegd tussen agressieve tv-beelden en gewelddadig handelen van sommige jeugd.

[19-8] Sommige films zijn tóch te eng voor twaalfjarigen
De Kijkwijzer over: sommige films/series krijgen een andere leeftijdsaanwijzing. Voor tot nog toe geadviseerde leeftijden bestaan er te enge, agressieve films waarvan de invloed op een te jonge leeftijd te groot kan zijn met negatieve gevolgen.

[19-9] Opzwepend geweld op televisie meest schadelijk voor kinderen
Patti Valkenburg
over het boek: vierkante ogen van . Ze toont o.a. het verband aan tussen  geweld op tv en angst bij kinderen.

0-0-0

[19-10] Over de invloed van radio televisie op kleuters en jonge kinderen
Hugo Verbrugh en Peter van Domburg over: het in 1964 verschenen boekje van Frits Wilmar met bovenstaande titel; vanuit recente en minder recente essentiële gezichtspunten waar het gaat om de ‘technische’ invloed van media op jonge kinderen: dus niet over de inhoud van programma’s maar wat een kind moet ondergaan als het radio luistert en/of tv kijkt,

[19-11] Met een beetje godenhulp
Hester Anschütz over: zoveel media om het kind heen; wat moet je als opvoeder doen; het belang van kunst; het belang van zintuiglijke ervaringen; kijk mee!; 

[19-12/1] Mediawijsheid
Freek Zwanenburg over: de kinderen leven in een wereld met media. Hoe leer je ze ermee om te gaan; hoe zorgen we ervoor dat ze geen slaaf, maar de baas worden van de moderne technologie.

[19-12/2] Omgaan met beeldschermen
Hester Anschütz over: het lastige van mediaopvoeding thuis; verbieden? wat is een alternatief; welke beelden krijgen de kinderen binnen en wat doen die daar; gezichtspunten en tips.

[19-12/3] Digitale media in spiritueel perspectief
Andreas Neider over: hoe doen ze het in Taiwan; Steiners begrip van ‘ondernatuur’; elektriciteit; afstervende en opbouwende krachten; ‘bovennatuur’; Ahriman en materialisme; echte en onware beelden n het gevolg van de consumptie daarvan;

[19-12/4] Het gebruik van de computer op onze school
Maria Duif
over: waarom haar vrijeschool (in 2002) geen gebruik wil maken van computers in het basisonderwijs; de argumenten: conclusie: computer is geen meerwaarde voor het vrijeschoolbasisonderwijs. 

 

0-0-0

[20] Als liefde niet genoeg is
Christoph Meincke
over: hechtingsproces bij de baby. Kan die zich aan meerdere personen tegelijk hechten; je eigen houding

STRAF

[21] Straffen, soms heeft je kind het gewoon nodig
Joyce Honing en Petra Weeda over: kinderen die moeilijk gedrag vertonen: teruggetrokken, of juist agressief; hoe ga je met ze om: aandacht, consequent; praktijkvoorbeelden

[22] Zonlicht is gezond
Patricia Wessels en Arie Bos over: de werking van zonlicht; de onmisbaarheid ervan; het gevaar i.v.m. kanker; baby en (ouder) kind in de zon?

[23] Luizen
Luizenkliniek Houten over: gedrag van luis; hoe te voorkomen; hoe te bestrijden.

ONTWIKKELINGSBELEMMERINGEN

Het ‘gestoorde’ kind kan als begrip een zekere weerstand oproepen: het kind is niet ‘gestoord’, er is iets ‘ver-stoord’. Het wordt in ‘iets’ belemmerd. Vandaar dat ik kies voor ‘ontwikkelingsbelemmeringen.
Het past ook beter bij:

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
Steiner GA 305 → wegwijzer 134

[1Het MBD-kind
Dirk Hütter over: het wezen van dit kind; over een aanpak

[2] Het ontwikkelingsgestoorde kind
Dirk Hütter over: de verlammende werking van sentimenteel medelijden

[3Kinderen die niet praten
Annet Schukking
 over: belang taalontwikkeling; kind goed waarnemen; betekenis van linker- en rechterhersenhelft; belang van motoriek; dysfatische problemen;

[4] Springen en stampen om rustiger te leren bewegen
Joyce Honing over: kinderen die niet willen bewegen of te veel bewegen; het zelf in de beweging van zo’n kind kruipen, openbaart je veel; samenhang spreken en bewegen

[5-1] ADHD
Noor Prent over: als er zorg is dat het pasgeboren kind ADHD ‘heeft’; wat kan je doen: rust, ritme, borstvoeding, wikkels; omgang leren.

[6] Ik ben een muisje met hele kleine snorhaartjes
Marjolein de Wolf: interview met euritmietherapeut die voorbeelden geeft hoe een zich moeizaam ontwikkelende motoriek gestimuleerd kan worden.

[7-1/1] Autisme
Krantenbericht over: Dr. van Soest: het heeft met de zintuigen te maken; zijn aanpak; kritiek daarop.

[7-1/2] Autisme
Krantenbericht over: het Leo Kannerhuis; de opening; de werkwijze (toen) ; karakteristieken van de mens met autisme;

[7-1/3] Voor- en tegenstanders twisten over vraag of afwijking te genezen is
Krantenbericht over: verschillende manieren van aanpak door verschillende uitgangspunten: Martha Welch – contactgestoordheid; Nico Tinbergen: koestering; Jo Stades-Veth: oogcontactherapie; Kaufmann Option-methode; Nan Snijders-Oomen: niet te genezen.

[7-1/4] X, een autist die zoent
Krantenbericht: over de Option-methode van Kaufman; praktijkvoorbeelden.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Leerproblemen: alle artikelen

.

968-895

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-1)

slechte eters

Jan is op het eerste gezicht een stevige kleuter van twee en een half jaar. Daarom is het verrassend van zijn moeder te horen dat hij vrijwel niets eet. Het begint er al mee dat hij niet eens aan tafel wil, daarna zet hij het al spoedig op een spugen, of wil overal appelmoes door — wat dan ook gebeurt, hij moet toch iéts eten? — of hij wil tenslotte met eindeloos geduld en afleiden wel wat gevoerd worden. Zijn ouders hebben al van alles geprobeerd, tot boos worden, of er in proppen toe.

Zonder succes. Vele maaltijden zijn al in scènes geëindigd. Vruchten wil hij ook niet, maar wel banaan en snoepjes. Maar als hij niet eet, krijgt hij ook geen snoepjes, voegt moeder eraan toe, waarmee ze wil laten merken dat ze toch wel streng is. Daar kan het dus ook niet aan liggen. Op mijn vraag of hij altijd zo slecht gegeten heeft, blijkt dat in het eerste jaar alles goed is gegaan, ze moesten hem zelfs wel eens afremmen.

Met een kleine variatie geldt het bovenstaande voor verbazend veel kinderen. Hoe komt het toch, dat we als baby zo graag eten, als volwassene meestal ook zo graag —overgewicht is één van onze volksvijanden— maar dat we in onze kleutertijd het onze ouders vaak zo zuur maken door niet te willeneten? Is het normaal dat er op een gegeven moment een zekere voorkeur komt. We mogen elk kind toestaan van een enkel ding weinig of zelfs helemaal niet te eten. Maar daar gaat het niet om.

AANDACHT
In het tweede jaar komt er een moment dat de kleuter een zekere zelfstandigheid gaat ontdekken. Hij leert de verrukking ontdekken om ‘nee’ te zeggen. Hij merkt dat hij daarmee weerklank, positief of negatief, maar in ieder geval flinke reacties in zijn omgeving kan oproepen. Zijn zelfstandigheid, zijn los-van-de-ander-zijn, wordt ermee versterkt. En hij vangt er de aandacht mee. Aandacht van anderen, is één van de bronnen vanwaaruit een kind kan groeien. Innerlijk kan groeien. Aandacht is even noodzakelijk als eten en drinken. Als een kind kan kiezen tussen aandacht of eten, zal het zelfs de voorkeur geven aan aandacht. Zelfs als het negatieve aandacht is, d.w.z. gevoelens van boosheid en ergernis i.p.v. liefde en geduld. En hier zit nu juist het geheim.

We kennen allemaal de stemming bij onze kinderen om voortdurend iets te doen wat niet mag, waardoor wij als ouders even zo vele keren verbieden, mopperen of straffen. In plaats van de situatie te doorbreken, of door zelf weg te gaan, of door iets leuks met het kind te gaan doen, laten we dit vaak veel te lang doorgaan. Het kind zelf zal niet stoppen, want het vangt er immers een grote hoeveelheid aandacht mee…

Als dit botsen tussen ouder en kind een te groot gewicht krijgt, zich te vaak herhaalt, en daardoor zelfs een vast patroon dreigt te worden, kan het volgende gebeuren.
Bij een confrontatie tussen kleuter en volwassene ‘wint’ meestal de ouder, omdat hij de sterkere is. Maar op enkele gebieden geldt niet het recht van de sterkste, of zou je kunnen zeggen dat het kind de sterkste is. En kinderen zijn o zo slim om deze puntjes te ontdekken. Kinderen kunnen hun ouders de baas zijn, door simpelweg te weigeren, als er iets heel graag van ze verlangd wordt. En hoe belangrijker moeder iets vindt hoe sterker het verzet kan worden.

Hiertoe kan het potje horen —‘Hij begint te krijsen, houdt het tijdenlang op, en zodra hij van de po af is, doet hij het in zijn broek’.
Ook het slapen — ‘Hij wil niet slapen, gaat staan, zingen, spelen of gillen, roept om water, wil naar de W.C., etc’. En het eten. Welke ouder wil nou niet dat zijn kind goed eet? En goede dingen? Bruin brood, groene groenten?

NEE-FASE
Maar als een kind in die nee-fase komt, en het ontdekt wat er van hem verlangd wordt, is het normaal dat hij nee zegt. De enig juiste reactie hierop is: nou dan niet. Zet rustig zijn bord weg, dek desnoods niet voor hem, en ga gezellig met de anderen eten, die wèl willen. — Ook de aandacht gaat dan zijn neus voorbij. Geef ook het toetje niet, geef eventueel hetzelfde bordje, nu koud geworden, ’s avonds nog eens, of laat hem zonder eten naar bed gaan. Geef ’s middags alleen wat te drinken, waardoor je er zeker van bent dat hij ’s avonds een lege maag heeft, en schenk er verder geen aandacht aan. Op deze manier is er als je twee en een half jaar oud bent toch geen lol aan, om je bordje te weigeren? Zelfs niet als je het eigenlijk niet zo lekker vindt. En je gaat eten zoals het hoort: tijdens de maaltijden, omdat je toch honger hebt gekregen. Onder deze omstandigheden is het eten ongedwongen, gezellig, iedereen kan wat vertellen, iedereen kan om de beurt aandacht krijgen. Zo is de maaltijd een uitermate sociale aangelegenheid.

Natuurlijk blijven er ook nu nog wel eens wat strubbelingen over. De zon kan niet altijd schijnen. De jongste eet ook nog wat langzamer dan de anderen, en moet soms nog wel wat aangemoedigd of met de laatste hapjes geholpen worden, zodat ook zijn bordje leeg is voordat het toetje komt. Maar dit neemt niet weg, dat het geheim van goede eters is: graag of niet!

B.C.Witsenburg, arts, Jonas 01-11-1974

Opvoedingsvragen (4-2): slecht eten

Opvoedingsvragen: alle artikelen

967-895

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips ll

Filips ll

Filips II 1527-1598

Filips II was, evenals zijn vader Karel V, de machtigste vorst van zijn tijd. Maar ondanks de internationale positie die hij innam, bekeek Filips II de wereld uitsluitend vanuit Spaans oogpunt. Hij sprak geen vreemde talen en in tegenstelling tot zijn vader hield hij niet van reizen.

Hoewel de kroon van het Heilige Roomse Rijk na de dood van Karel V naar diens broer Ferdinand was gegaan, bleef er toch een aanzienlijke erfenis over voor Filips: Spanje met zijn bezittingen in de Nieuwe Wereld, de 17 provincies van de Nederlanden, Bourgondië, Napels en verscheidene andere bezittingen in het Middellandse zeegebied. Door zijn huwelijk met Maria Tudor werd hij in naam koning van Engeland. In 1578 erfde hij Portugal met zijn bezittingen. De militaire ondernemingen van Filips II tegen de Turken, de Fransen, de Nederlanders en de Engelsen werden bekostigd met geld uit de Nieuwe Wereld. Filips II was reeds op 27-jarige leeftijd weduwnaar. Overeenkomstig de wens van zijn vader hertrouwde hij in 1554 met de koningin van Engeland, Maria Tudor, die elf jaar ouder was dan hij. Het huwelijk was een mislukking. Tweemaal verkeerde Maria in de veronderstelling dat ze zwanger was. Tweemaal bleken het symptomen van waterzucht te zijn. De erfgenaam die Engeland en de Nederlanden met elkaar zou moeten verbinden, werd niet geboren.

Filips’ grootste streven was, de positie van de rooms-katholieke kerk in heel Europa te herstellen. Maar met de vervolgingen van de protestanten in Engeland onder ‘Bloody Mary’ kon hij zich niet bemoeien. Hij had zich namelijk verplicht, zich niet in Engelse aangelegenheden te mengen. Ook had hij toegezegd, Engeland niet te betrekken bij de oorlogen van Spanje. Toen hij echter in 1557 in oorlog raakte met Frankrijk, deed hij een beroep op Maria en haar Geheime Raad om hem met manschappen en geld te steunen. Het leger van Filips II bracht de Fransen een verschrikkelijke nederlaag toe bij St. Quentin, in het noorden van Frankrijk. Maar de Fransen wisten de slecht verdedigde haven Calais te veroveren.

Maria Tudor stierf in 1558. Haar dood bracht Elizabeth I op de troon. Zij zou later een geduchte tegenstandster worden van Filips II, maar voorlopig waren de Nederlanden zijn grootste zorg. Deze provincies waren weliswaar onafhankelijk van elkaar, maar er begon zich langzamerhand een gevoel van saamhorigheid te ontwikkelen. Streng, vroom en sober als Filips II was, voelde hij zich niet aangetrokken tot de Nederlanders. Hij begreep niet, wat Karel V zo goed had ingezien, dat ze zich zouden verzetten tegen Spaanse overheersing. De adellijke Nederlandse families hadden een afkeer van de landvoogd die Filips had gestuurd om hen te regeren. In 1566 bood een groep protestantse en katholieke edelen hem een smeekschrift aan, waarin hem dringend werd verzocht de Spaanse inquisitie niet naar de Nederlanden te laten komen. Het verzoek werd verworpen. Horden woedende calvinisten vernielden heiligenbeelden en voorwerpen van de eredienst in talloze katholieke kerken en kloosters. In antwoord op deze ‘beeldenstorm’ stuurde Filips II niet alleen de inquisitie om de ketters op te sporen en te bestraffen, maar bovendien duizenden soldaten onder de hertog van Alva. Deze werd de nieuwe landvoogd en trad de opstandelingen met uiterste wreedheid tegemoet. Maar de geest van de opstand was aangewakkerd en er begon een lange bittere strijd.

Een latere landvoogd, de hertog van Parma, slaagde erin de zuidelijke provincies te onderwerpen, maar in 1581 verklaarden de noordelijke provincies zich onafhankelijk. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg steun van de Engelsen, die Spaanse schepen aanvielen en plunderden. Besluitvaardigheid was niet het sterkste punt van Filips II. Maar hij nam zich toch voor, de Engelsen een lesje te leren, Elizabeth I van de troon te stoten en het land in bezit te nemen ten gunste van het katholieke geloof.

Hij gaf opdracht tot het bouwen van 130 schepen, de grootste vloot die de wereld ooit had aanschouwd, de Armada. Met 30.000 man aan boord zette de Armada in juli 1588 koers naar het noorden, terwijl het leger onder bevel van de hertog van Parma vanuit de Nederlanden oprukte. In Het Kanaal zette de Engelse vloot de achtervolging van de Spaanse schepen in, verjoeg de schepen en bracht de Armada, Onoverwinnelijke Vloot, ernstige schade toe. Hevige storm dreef de geteisterde Spaanse schepen de Noordzee op. Na een verschrikkelijke tocht langs de kust van Engeland keerde slechts de helft van de vloot met één derde van de bemanning in Spanje terug.

Kunst en cultuur waren inmiddels in het moederland tot grote bloei gekomen. Dankzij mannen als de schrijver Cervantes en de schilder El Greco kon men terecht spreken van een ‘Gouden Eeuw’. Maar de voornaamste bezittingen van Filips II, de rijke landen overzee, waren er oorzaak van dat het verval zich begon in te zetten. De stroom goud die Spanje vanuit Amerika binnenvloeide, bracht er een ernstige inflatie teweeg. Maar Filips II was evenmin als zijn raadslieden in staat de hand over hand toenemende waardevermindering van het Spaanse geld aan banden te leggen. Bovendien hadden de rijkdommen van het buitenland een duidelijke lokroep laten horen. Grote delen van de bevolking waren vertrokken, om hun geluk daar te gaan beproeven. Het gevolg was dat de industrie in het eigen land begon weg te kwijnen. Koning Filips II was oud en ziek. In het
Escoriaal, het grote paleis dat hij bij Madrid had laten bouwen, wijdde Filips II zich meer en meer aan het geestelijk leven, teleurgesteld over de wereld.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

966-894

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2)

zakgeld

Het onderstaande artikel is de neerslag van een gesprek over zakgeld tussen Louise Berkhout, Marie-Louise Sloots en Lili Chavannes. Louise putte uit haar eigen ervaringen, Marie- Louise heeft een gezin met drie kinderen van 20, 18 en 16 jaar, en Lili’s kinderen zijn 9, 7, 5 en 1 1/2 jaar oud.
De bedoeling van het gesprek was niet om bepaalde richtlijnen te vinden voor het geven van zakgeld; al pratende bleek veeleer dat die niet te vinden zijn, maar dat het wel verhelderend kan zijn je bewust te worden van je motieven bij het zakgeld-geven, als zich daarbij moeilijkheden voordoen.

Wanneer begint geld eigenlijk een rol te spelen in het leven van kinderen? Over het algemeen: als kinderen groot genoeg worden om ze om een boodschapje te sturen, zo vijf, zes jaar. Als ze winkeltje gaan spelen, hoewel het de kinderen dan meestal meer gaat om de hoeveelheid muntjes dan om de waarde. Marie-Louise vertelt dat zij pas met zakgeld geven begonnen is toen haar oudste dochter tien jaar was. Aanleiding daarvoor was een ‘snoep-hausse’ in de klas. Behalve voor snoep was het bedrag dat ze kreeg ook bestemd voor het kopen van cadeautjes voor verjaardagen; werden de cadeautjes zelf gemaakt, dan bleef er veel over! Vanaf dat ogenblik kregen de drie kinderen allemaal zakgeld, hoeveel was afhankelijk van hun leeftijd. Verhoging ging in op verjaardagen.

In tegenstelling tot de familie Sloots, waar het zakgeld een antwoord was op de behoefte van de kinderen, is het bij de familie Chavannes begonnen toen de kinderen een spaarvarken cadeau kregen, waar op zaterdagavond iets ingestopt mocht worden. Dat één van de varkens maar één opening had was een probleem op zich; in principe werd het geld besteed aan cadeautjes en snoep. Maar omdat het te moeilijk bleek het overzicht te bewaren op de komende verjaardagen en partijtjes – als je net zo’n ontzettende zin hebt in iets lekkers – werd het zakgeld, nadat er een zakcentje van afgenomen was voor het snoepwinkeltje op de hoek, verdeeld over twee potjes: één voor cadeautjes en één om te sparen voor eigen brandende wensen. Waarbij het zakcentje – zeker tot in het tiende jaar – in het centrum aller belangstelling staat. De suggestie dat je er ook een zakje worteltjes van kunt kopen wordt één keer willend uitgevoerd. Snoep is heerlijk. Toch blijven de meeste ouders het er moeilijk mee hebben, ook al weten ze uit eigen ervaring hoe heerlijk het is!

Hoeveel zakgeld je een kind geeft is afhankelijk van de klas waarin het zit. Ook een rol speelt daarbij wat andere kinderen krijgen en wat het kind ervan moet doen. Als kinderen ouder worden is het prettig niet meer voor elk wissewasje te hoeven aankloppen, maar de beschikking te hebben over een groter bedrag dat over een langere termijn, naar eigen goeddunken, besteed kan worden. Grotere vrijheid, grotere verantwoordelijkheid.

In een publikatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting  ‘Zakgeld en kostgeld van opgroeiende kinderen’, wordt vermeld dat men naast het zakgeld vaak begint met een klein bedrag, het zogenaamde kousengeld, dat de kinderen alleen behoeven te besteden aan kleinere kledingstukken: panty’s,  sokken, ondergoed en dergelijke, zodat zij stukje bij beetje de verantwoordelijkheid leren voor het besteden van grotere bedragen. Voor de ouders vaak ook een leerproces; hoe moeilijk is het niet je kind een miskoop te ‘gunnen’!

Het ene kind is handig en maakt in zijn vrije tijd zijn kleren zelf, het andere kind heeft in zijn vrije tijd liever een baantje waardoor hij of zij weer meer geld ter beschikking heeft. Louise vertelt dat zij vroeger geen kleedgeld kreeg, kleren kreeg ze van haar ouders. Wel had ze een krantenwijk om zelf de begeerde paardrij- en balletlessen te kunnen betalen. Marie-Louise vertelt over hoe in haar gezin het bericht ontvangen werd dat er op school, waar Benno en zij beide werken, het behoefte-salaris werd ingesteld. De kinderen reageerden: ‘Nou, dat is wél leuk, maar worden daar dan onze behoeftes ook bij ingedeeld?’ Waarop zij antwoordde: ‘Ja, gedeeltelijk, maar we vinden ook dat als jullie behoeften uitbundig gaan worden, dat jullie daar best zelf voor kunnen werken. Jullie hebben twee goede rechterhanden aan je lijf en dus hoeft de maatschappij niet alles voor jullie op te brengen.’

Als kinderen wat ouder worden is het heel goed mogelijk ze inzicht te geven in het gezinsbudget, waardoor ze zich gaan realiseren dat het geen bodemloze put is, maar iets dat zo eerlijk mogelijk verdeeld moet worden, waarbij ieder persoonlijk altijd te wensen over houdt.

Kinderen willen zakgeld – goed, ze krijgen zakgeld – hoeveel is afhankelijk van wat ze ermee moeten doen en hoe oud ze zijn. Soms is het te weinig, soms is het buitensporig veel.

Het is belangrijk om in een gezin je eigen normen vast te stellen, ook al is het daarbij ook nodig ‘voeling’ te houden met de omgeving. In dit proces kan het ook verhelderend zijn je als ouder af te vragen welke normen je al ‘klaar’ hebt liggen, die uit je eigen opvoeding in je overgegleden zijn. De één heeft nooit zakgeld gekregen en hield daarom wel eens het geld voor boodschappen of het
kerkzakje achter. De ander heeft als vroegste herinnering het glorieuze gevoel dat zij had toen ze de pillen voor haar grootvader mocht betalen uit haar eigen spaarpot. Voor de één is zakgeld iets dat je uit mag geven, voor de ander moet er eigenlijk van gespaard worden, ook al wordt in deze tijd het leven met schulden aangemoedigd.

Ook de volksaard spreekt een woordje mee waar het de houding tegenover geld betreft. Nederland heeft zelfs een Nationaal Spaarpottenmuseum.

Veel normen blijken geen bewust gekozen normen te zijn, maar zijn bepaald door vroegere levensomstandigheden, opgepikt uit eigen ervaringen.

Het is daarom goed in de opvoeding van je eigen kinderen zo nu en dan stil te staan bij de vraag: waarom eigenlijk zakgeld?

Kinderen moeten de waarde leren kennen van het geld ten opzichte van wat ze er voor kopen. Hoe duur is iets? Waarom geeft je moeder grif honderd gulden uit aan boodschappen die in drie dagen op zijn, en vindt zij dertig gulden voor een goocheldoos zomaar te veel?

Als je een paar partijtjes achter elkaar hebt, kan je die week niet snoepen, tenzij je de cadeautjes, al snoepend, zélf maakt. Het kind leert kiezen. Het kind leert ook het verschil in kwaliteit kennen: prullige dingen zijn bereikbaarder dan goede. Twee keer iets voor vijftig cent, of één keer iets voor een gulden?

Wat is het opvoedkundig motief bij het geven van zakgeld? Leer je het kind sparen? en daarmee een directe behoefte aan drop of zo) opschorten ter wille van iets anders dat het graag wil hebben, maar waarvoor je tien weken zakgeld nodig hebt? Of zelfs sparen zonder een direct doel, voor een toekomstige behoefte: het zal je nog van pas komen. Leer je ze uitgeven? Geld moet rollen, zo belangrijk is het niet. Het is geen doel in zichzelf, het is een middel waar je iets prettigs mee kunt doen. Het angstbeeld van de tellende vrek, het aantrekkelijke van zorgeloosheid,  gulheid.

Het zal iets daartussen in zijn. Geld is niet niks, maar geld is ook niet alles. Geld is iets met betrekking tot iets anders. Het is een middel. Zakgeld is ook een middel waar je op verschillende manieren mee kunt omgaan.

Jonas 11-07-1980

Zakgeld [1]

965-893

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-1)

Op ouderavonden kwam het in mijn klassen van tijd tot tijd ter sprake: zakgeld. Zo’n onderwerp leende zich uitstekend voor het uitwisselen van vragen en antwoorden. Ouders met oudere kinderen en dus met ervaring, konden zo een steun zijn voor andere ouders die voor het eerst in hun leven met dit opvoedingsaspect te maken kregen.
Onderstaand artikel is wellicht een ondersteuning voor bepaalde gezichtspunten in het ouderavondgesprek.
De getallen van de enquêtes zijn uiteraard niet  actueel, hier staan recentere.
Het Nibud doet zeer regelmatig onderzoek.

ZAKGELD EN DE VERLEIDING

Nog nooit hebben kinderen over zoveel geld beschikt als vandaag de dag*. De zakgelden hebben een ongekende hoogte bereikt. De koopkracht heeft zich de afgelopen 20 jaar verviervoudigd. Dat maakt kinderen tot een aantrekkelijke kopersgroep.

De reclame beschouwt het kind in het koopproces als een volwassene in zakformaat; en als zodanig wordt het door de handel aangesproken. Er wordt aangenomen dat het geprononceerde wensen heeft net als de volwassene, of dat het in ieder geval in staat is die te ontwikkelen.

In de NITHO-ringband van september 1974, schrijft drs. Barends dat er verschillende factoren zijn die het geven van zakgeld bevorderd hebben:

a. Kinderen verlangen meer dan vroeger naar vrijheid en zelfstandigheid.
Dit blijkt o.a. uit hun verlangen reeds op jonge leeftijd het ouderlijke huis te verlaten en op kamers te gaan wonen. Dat verlangen naar zelfstandigheid komt ook tot uiting in het financieel onafhankelijk zijn.

b. De opvoeding is minder autoritair dan voorheen. Er is minder patriarchale begeleiding. De ouders willen kinderen de kans geven zelf geld te beheren.

c.De vrijetijdsbesteding vindt meer buiten het gezin plaats dan vroeger.

d.De grote welvaart brengt met zich mee dat er gemakkelijker geld uitgegeven wordt. De kinderen krijgen een financiële speelruimte die men vroeger niet kón geven door gebrek aan middelen.

Het is merkwaardig dat de opvoeding wat het zakgeld betreft hierin tot nog toe nog steeds geen taak heeft gezien, en zich beperkt tot de simpele opwekking tot sparen. Maar daarmee is het kind nog niet geholpen, want aan de andere kant wordt het alom opgewekt om geld uit te geven.

De jeugd van vandaag wordt vaak een protesterende generatie genoemd.
Maar dit protesterende deel is niet meer  dan 5 procent. Het is reëler te spreken van een verbruikende generatie. Immers voor het eerst in onze geschiedenis groeit er een geslacht van jonge mensen op in een samenleving waar ze geen beperking van het gebruik wegens schaarste gekend hebben. Het begrip verbruiker is er pas een van de laatste tijd. Natuurlijk hebben alle eeuwen door de mensen geconsumeerd, gegeten, en gedronken, gewoond en gekocht. Maar de vanzelfsprekendheid van deze functies is een nieuwe kwaliteit die met de veranderende kwantiteit van het verbruik zijn intrede heeft gedaan.

Schoolkinderen krijgen zo ongeveer een zakgeld van tien gulden in de maand, meisjes iets minder.
76%procent van de 8-11 jarigen krijgen tussen de f 1,- en f 10,- per maand,  80% procent van de 12-13 jarigen krijgen tussen f 10,- en f 25,- per maand, 64% procent van de 14-15 jarigen krijgen tussen de f 10,- en f 50,- per maand.

Er blijken grote verschillen te zijn binnen één leeftijdsgroep. 70 procent van de schoolkinderen leggen zich bij deze situatie niet neer. Zij vermeerderen hun inkomsten door zelf wat te verdienen: met kranten rondbrengen, in bedrijven helpen of anderszins. Gemiddeld levert dat nog zo’n f 30,- in de maand extra op

Zo leren kinderen u al vroeg dat je iets moet presteren om je in het leven wat te kunnen te veroorloven. Het wordt vaak pedagogisch verantwoord gevonden als de weg naar het begeerde object leidt via het aanharken van buurmanstuin, het wassen van een auto of het goede schoolrapport. Het leert erdoor dat een geleverde prestatie (mits door de volwassene als zinvol beleefd) geld waard is. Aan de ene kant leert het een realiteit kennen, aan de andere kant kan het door deze “leefwijze” de bereidheid verliezen ook eens iets “voor niks” te doen, zomaar uit spontane hulpvaardigheid.

Waaraan wordt het geld besteed?
Volgens een onderzoek is de volgorde: zoetwaren, bioscoop, tijdschriften, foto’s van sterren op diverse gebieden, grammofoonplaten, sport, knutselmateriaal, postzegels, boeken.

In brede lagen van de bevolking is het verlangen naar behoeftebevrediging op korte termijn, bijvoorbeeld door snoep het sterkst.

Een onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat 90 procent van de kinderen het merendeel van hun geld aan snoep uitgeeft.

Fabrikanten en reclamemensen beseffen dat het koopgedrag van ouders een voorbeeld is voor hun kinderen. Maar te gelijkertijd weten ze ook dat via kinderen invloed is uit te oefenen op het koopgedrag van ouders. Vandaar dat deze verkoopmethodes er verleidelijk uitzien en de beïnvloeding vaak niet zo gemakkelijk te onderkennen is.

Toch zou aan het zakgeld geven een praktische begeleiding vast kunnen zitten. Het samen proberen te doorzién wat de handel aan de consument kwijt wil en welke “mooie verpakking” hij daarvoor gebruikt. Dat dat niet eenvoudig is blijkt wel, als je ziet hoe weinig mensen zich van deze “verleidingen” zich bewust zijn.

INVLOED
Vance Packard heeft er op gewezen, met welke geraffineerde middelen sommige firma’s te werk gaan. Zij proberen bijvoorbeeld om via de leergierigheid van de jeugd tot een omzetverhoging te komen.

Een onderneming distribueert wandkaarten, kartonnen modellen van
producten voor de onderwijskrachten onder de detailhandel met de volgende toelichting.

“De naar kennis dorstende geest kan men zodanig beïnvloeden dat het verlangen naar uw artikelen bij haar wordt gewekt. De miljoenen jongens en meisjes die de lagere scholen bevolken eten levensmiddelen, verslijten kleren en gebruiken zeep. Vandaag zijn ze verbruikers, morgen kopers. Hier opent zich een enorme markt voor uw producten. Zorg dat deze kinderen uw merken leren kennen.
Dat zal tot gevolg hebben dat hun ouders geen andere merken zullen kopen.”

Een ander voorbeeld.

In bepaalde kringen van de bevolking wordt het langzamerhand normaal gevonden dat jongens ook met een pop mogen spelen.
De scheiding die er tussen meisjesspeelgoed en jongensspeelgoed bestaat, wordt door de fabrikant van speelgoed gehandhaafd. Maar om aan deze nieuwe tendens te voldoen brengt hij iets nieuws op de markt. Een pop voor jongens! Dat lijkt logisch. Maar het is niet zomaar een gewone pop, waar je mee kan knuffelen, slapen en mee kan rond zeulen, dat is meer voor meisjes. Het is een pop voor jongens, d.w.z. een held. Een pop die dingen kan doen waar jongens van dromen. Jagen, varen, vechten met wilde dieren en boeven, ruimtevaart, mensen redden, bergen beklimmen. Voor ieder avontuur kan je speciale attributen kopen en hij heeft ook vrienden, die bijna net zo sterk zijn als hij. Zo heeft de fabrikant voor de progressieven een antwoord op de vraag “pop voor jongens” gegeven. Maar tegelijkertijd voor die mensen, die nog niet zover zijn, dat ze de rolverdeling meisje pop, jongen auto uitzichzelf doorbreken, een helpende hand toegestoken.

Deze stoere held laat vooral de rolopvattingen bestaan. Het patroon meisje mag huilen, jongens zijn flink, sterk en huilen niet, wordt bevestigd. Dit soort manipulatie wordt vaak getolereerd, omdat ze zo vakkundig en zo schijnbaar onschuldig wordt gepresenteerd.

RECLAME
Reclame suggereert volwassenen de noodzaak om er jong uit te zien. Jongeren worden aangespoord, zo vroeg mogelijk te delen in de voordelen – en vooral de materiële en tastbare voordelen – van de wereld van de volwassenen.

Juist kinderen, die nog geen gevestigde positie hebben en daardoor onzeker zijn omtrent hun plaats, zijn vatbaar voor vleierij. Zij verlangen naar erkenning van hun eigenwaarde en laten zich gemakkelijk voorschrijven wat je daarvoor doen moet.

Zo wordt de overgang tussen de verschillende leeftijdsfasen verdoezeld en weggemanipuleerd. Een kind zoekt naar voorbeelden van een bruikbaar levenspatroon. Als deze met positieve gevoelsargumenten hem worden aangereikt, dan wil hij ze best aanvaarden. In reclamekringen voor gebruiksgoederen weten ze dat wel. Ze gaan daar heel wat effectiever te werk dan vele ouders en opvoeders, die met negatieve waarschuwingen, bedreigingen en straffen werken. Een kind neemt een uitnodiging tot een ander gedrag veel eerder aan, als deze hem niet wordt opgedrongen, maar op een aantrekkelijke wijze voor de ogen wordt “getoverd”. Een manier van aanbieden bovendien die hem in zijn waarde laat en met begrip voor zijn verlangens tegemoet komt.

De reclame kan onpopulaire waarheden en onprettige plichten ontwijken. Ze stopt kinderen een reuze speen in de mond die hen van de werkelijkheid vervreemdt, waaraan ze steeds meer moeten sabbelen en vaak genoeg ook willen sabbelen. Het is vaak verbijsterend, hoezeer deze dagelijkse manipulatie, deze honingzoete dwingeland invloed heeft gekregen op gedrag en opvoeding.

Alle ouders hebben een bepaalde houding ten opzichte van geld. Wat zij doen maakt meer indruk dan wijze woorden zoals: geld maakt niet gelukkig.

Vooral niet als je door middel van dat geld in bezit kan komen van die voorwerpen die je eigenwaarde bevestigen!

Zakgeld is er om te oefenen, hoe je met geld om kan gaan. Kinderen die nog niet kunnen rekenen, hebben geen behoefte aan zakgeld. Natuurlijk wel als de volwassenen in de omgeving veel waarde en nadruk op het in ’t bezit hebben van geld leggen.
Tien centen is voor deze groep kinderen nog aantrekkelijker dan een kwartje. Door een vaste betaaldag te hebben, kunnen kinderen leren plannen.
Een tienjarige kan al overzien en kiezen tussen bv. een bouwplaat kopen of twee keer gaan zwemmen. De grote moeilijkheid voor vele ouders is dat je het zelf zo goed weet hoe het moet.

Het liefst zou je het kind precies willen vertellen hoe het ’t beste met het gekregen geld kan omgaan. Toch is het daar weinig mee geholpen. Het is de “kunst” om het kind er zelf mee te laten modderen. Het zal zelf moeten ontdekken dat het slim kan zijn om iedere week iets apart weg te leggen, als je iets groots wil kopen.

Het zo maar geven van geld, als een kind er om vraagt omdat hij plotseling wat wil kopen, werkt inconsequent.
Hij leert er niet mee omgaan en kan ook zijn zelfstandigheid niet oefenen. Samen met het kind kan er bepaald worden hoeveel zakgeld er betaald wordt en wat hiervan als vaste kosten voor de rekening van het kind komen. Hier zal de leeftijd een grote rol spelen.

HULPMIDDEL
Als hulpmiddel om in de gaten te krijgen waar het geld aan uitgegeven wordt, kan er een eenvoudig “kasboekje” bijgehouden worden van inkomsten en uitgaven. Het is niet de bedoeling dit als controlemiddel voor de ouders te laten functioneren, want dan zal zelfs een kind wel zo slim zijn om de uitgaven te verdoezelen. Er zal vaak genoeg geld aan iets uitgegeven worden, waarbij je je als ouder afvraagt waarom, maar dat is het leer- en oefenproces. Ook moet hierbij niet vergeten worden dat het overweldigende aanbod van de handel een grote verleiding is. Artikelen die voor kinderen interessant zijn worden in supermarkten van de ooghoogten van de volwassenen verplaatst naar kniehoogte, dus binnen het gezichtsveld van het kind. Dan is het ook niet gek als het zakgeld toch weer “versnoept” wordt, al waren er zoveel andere goede voornemens!

zakgeld
*Marijke Roetemeijer, Jonas 17-01-1975
964-892

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1)

Het tijdschrift Jonas had destijds een rubriek ‘Het kind op weg’.
Daarin kwamen onderwerpen aan bod waarmee ouders met de opvoeding van hun kind(eren) te maken kunnen krijgen: ‘Rubriek voor opvoeding van kinderen en voor het gezinsleven van deze tijd.
‘Deze tijd’ was toen, 1972.
Is er in de afgelopen jaren veel veranderd en wat dat of zijn de ervaringen en gezichtspunten op een bepaalde manier nog actueel.

HET OUDSTE KIND

Vele factoren bepalen, wie wij als volwassene zullen zijn. Onze talenten, ons karakter nemen wij bij onze geboorte mee; onze oordelen, ons spreken, zelfs onze gebaren en onze manier van lopen worden mede gevormd onder invloed van onze omgeving. De verhouding tot onze medemensen, ons sociaal gedrag, onze mogelijkheden tot het maken van contact worden voor een belangrijk deel bepaald door de plaats die wij hebben ingenomen in het gezin, waarin wij opgroeiden. Die plaats ligt bij onze geboorte grotendeels vast: wij worden geboren als eerste, tweede of derde kind met weinig of veel broers en/of zusters, wij zijn enig kind of nakomertje.
Een ervaren leerkracht kan aan het gedrag van de kinderen in de klas ten opzichte van elkaar vaak heel goed zien, wie de oudste, wie de jongste is in het gezin. De vraag rijst, wat er in het kind vastgelegd is door de plaats, die het zich als het ware in de familieconstellatie heeft uitgekozen. Heeft het daardoor bepaalde mogelijkheden gekregen of zijn juist daardoor deuren voor hem op slot? Wat voor antwoord kunnen we vinden, wanneer we kijken naar het „oudste kind”?

I)e oudste dochter komt thuis uit school. Nog voor ze „dag”, heeft gezegd, breekt een luid gehuil los. Op haar weg naar binnen struikelde ze over de tas van haar zusje en ze heeft de eigenaresse van de tas hardhandig afgestraft.
I)e familie zit aan tafel. Zelf hangend op haar ellebogen let ze scherp op de tafelmanieren  van de jongere twee en maakt daarover opmerkingen.

Huilend komt ze klagen, dat vervelende jongens plagen Even later stormt ze naar buiten om haar zusje te verdedigen tegen dezelfde booswichten, die het wagen een lid van haar familie aan te vallen.

Ze is ziek en haar moeder moet lesgeven. „Je hoeft geen oppas voor mij te organiseren, hoor, ik blijf wel alleen.” En iedere morgen bleef ze van 8 tot 11 uur alleen, en genoot er innerlijk van, dat er vertrouwen in haar werd gesteld.

Deze voorvallen vertellen ons iets over het gedrag van een oudste kind, een meisje van negen jaar oud. Zijn zij representatief voor „het oudste kind”? Wij zullen het beeld nog aanvullen.

In ieder gezelschap voert zij het hoogste woord; bepaalt als je haar haar gang laat gaan, het gespreksonderwerp. Thuis en in de klas regelt zij graag, hoe aan bepaalde voorstellen uitvoering gegeven moet worden, vaak nog voor je daarover zelfs maar hebt kunnen denken. Het frappante is dan, dat het vaak nog goede regelingen zijn ook. Zij doet graag karweitjes. Zij beschermt de jongere kinderen tegen boze invloeden van buiten, maar commandeert hen evenzeer. In aanwezigheid van de anderen is zij echt het oudste kind; als zij alleen met je is, is zij een kind net als zij, dat maar al te graag geknuffeld en ondergestopt wil worden. Zij leeft  op in gezelschap, zoekt onbewust en bewust steeds contact met anderen. In dat contact, met vriendinnen bijvoorbeeld, gaat echter wel eens iets mis, door haar neiging, ook dan „oudste”, d.w.z. toonaangevende te zijn. Ze is op haar best, wanneer ze verantwoordelijkheid op zich mag nemen, die ze aankan, zoals het passen op haar broertje en zusje. Er gebeuren dan nooit „gekke” dingen. Heb je haar eenmaal herkend als „Oudste”, dan is zij een geweldig lieve, hulpvaardige meid, die erg veel kan en haar verworvenheden graag wil delen met anderen.

Voor de ouders is ieder eerste kind een „broddellap”. Voortdurend moet je het ouder zijn oefenen; ieder gezichtspunt, van waaruit je moet handelen, moet je je veroveren. Dit is voor je oudste helemaal niet leuk en dat kun je vaak aan hem beleven. Ten opzichte van de andere kinderen zijn er mede daardoor vaak een tijdlang, soms een levenlang, gevoelens van jaloezie, die maken dat een goede relatie met hen moeilijk tot stand komt. Probeer je te begrijpen, hoe dit „eerstgeboren zijn” het leven van het „oudste kind” bepaalt, dan ontdek je dat er vaak, ongewild, ten aanzien van hem te hoog gespannen verwachtingen zijn, dat er te zware verantwoordelijkheden op zijn schouders gelegd worden, dat hij onbewust ten voorbeeld wordt gesteld aan de jongere kinderen. Hij mag niet onbekommerd zijn kindertijd genieten, men vraagt hem eerder om hulp dan de anderen, maar hij heeft ook meer rechten, hij staat tussen de ouders en de andere kinderen in, neemt zelfs de ouderrol ten opzichte van hen soms over, vooral als door ziekte o.i.d. een der ouders uitvalt.

In vroeger tijden, maar ook nu nog wel, was het vooral de oudste (zoon), die de lijn der familietraditie voortzette. Hij droeg de familie voornaam, was stamhouder, en erfgenaam van de familierechten. De zegen van de vader was voor hem, hij nam het leiderschap van de familie, van het volk, van zijn vader over. Zijn nakomelingen moesten zorgen voor de continuïteit van het geslacht, hij moest het verleden bewaren tegen de verderfelijke invloed van nieuwerwetse ideeën. Het handhaven van de familiewetten was zijn lot. In de geschiedenis zien we vele oudste zonen, die niet in staat waren, al deze taken, hen door hun plaats automatisch toegevallen, naar behoren te vervullen. Het recht van de eerstgeborene dwong hen tot een rol, die zij niet konden spelen.

Ook aan onze eigen oudste kinderen zie je, dat zij, door hun omgeving, soms in een rol gedwongen worden waar zij maar al te graag uit zouden vallen. Herken je hen daarin, dan kunnen zij zichzelf worden en valt veel negatiefs in hun gedrag weg.

Het oudste kind, bemiddelaar in het gezin, houdt zijn blik gericht naar zijn ouders als vertegenwoordigers van het verleden èn naar zijn broertjes en zusjes die de toekomst in zich dragen. Zijn de ouders de kapiteins op het schip, hij is de stuurman, deel van de bemanning en toch ook niet.

Hij is het Janus-kind, met de twee gezichten. Deze godheid stond in het oude Rome zeer in aanzien. De maand januari, aanvoerder der twaalf maanden van het jaar, is naar hem genoemd. Zijn beeltenis beschermde de huisdeur, de deur die toegang geeft tot binnen èn buiten.

Steeds droeg hij twee gezichten; het ene dat van een oudere man, het andere dat van een jongeling. In zijn ene hand hield hij een stok, in zijn andere een sleutel. Hij beschermde èn opende deuren.

Het verrassende is, dat je, door je op deze manier bezig te houden met het „oudste kind” in staat bent duidelijker te zien, hoe je eigen dochter (of zoon) de rol van eerstgeborene in jouw gezin vervult. Het „Doe niet zo kinderachtig, jij bent toch de oudste” slik je gemakkelijker in, als je je ervan bewust bent, hoe verschrikkelijk veeleisend het voor haar of hem is, oudste te moeten zijn en hoe verdrietig het is, als dat nog niet goed lukken wil. Hoe veel opluchting en ontspanning komt er niet, als deze oudste af en toe helemaal uit zijn rol mag vallen en in plaats van grootste kleinste mag zijn en lekker geknuffeld wordt.

Nelle Amons, Jonas 27-05-1972

Als achtergrond voor bijgaande overpeinzingen van een moeder diende het boek van Karl König ‘Waarom ben ik mijn broertje niet’.

963-891

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5)

Dit artikel uit 1975 heeft – 40 jaar later – nog niets aan actualiteit ingeboet. In tegendeel: met name de hier gesignaleerde milieu-aspecten zijn in deze tijd veel duidelijker. Maar ook de wil onder vele mensen om het anders te doen, is toegenomen.

kunststof of natuurproduct

Kleden we onze kinderen met dralon, nylon of acryl, of zoeken we stad en land af naar wol, katoen of linnen? Geven we ze plastic speelgoed, of zoeken we naar “verantwoord” houten speelgoed?

In onze wegwerp-maatschappij, waarin men op zoek is naar zijn gemak, zichzelf en zijn milieu dreigt te verstikken, zoeken steeds meer mensen naar een gezonde levensstijl. Gezond in voeding, verantwoord in kleding, speelgoed etc. Hoort bij dit zoeken ook het afwijzen van kunststoffen? Volgens het gevoel al gauw “ja”, maar waarom eigenlijk? Is dit gevoel terecht, in hoeverre is het terecht, en waar slaan we door naar de andere kant, in ons verzet tegen alles wat we mis zien gaan?

Laten we eens proberen of we een “waarom” kunnen ontdekken, in wat velen misschien instinctief voelen.

Met een omweg hierheen, wil ik uitgaan van het kleine kind, dat, pasgeboren, alleen en hulpeloos in de wereld staat. Als het niet in de eerste jaren lukt een goed gevoelscontact met de wereld op te bouwen, dan kunnen hieruit ernstige stoornissen ontstaan. Uit onderzoekingen [1] is gebleken dat kinderen in dié tehuizen, waar een slechte vervanging van de moeder tot stand is gekomen, slecht groeien, vaker ziek zijn, zelfs eerder sterven, dan kinderen die door een zorgzame moeder of verzorgster zijn grootgebracht. Dit is goed in te voelen. Een kind dat echte gevoelens ontmoet, kan gezond opgroeien. Zulke gevoelens moeten ook inderdaad echt zijn, van binnen uitkomen. Er mag geen doen — alsof bij zijn, geen surrogaat gevoel, geen imitatie.

Er zijn echter nog meer terreinen, waar ons contact met de wereld wordt opgebouwd, zoals het gebied van onze waarnemingen. Door onze ogen, oren, tastzin, warmtezin, smaak-en reukzin, leren we ook de wereld kennen. En pas als we de wereld kennen zoals hij is, kunnen we hem vertrouwen.

Pas als we dit vertrouwen hebben, kunnen we ons erin bewegen, erin leven, erin werken, erin onszelf zijn. Dit is zó vanzelfsprekend, dat het haast moeilijk is om te zien hoe belangrijk dit is. Probeer je bv. eens voor te stellen dat je ergens gaat wandelen, en bij elke volgende stap moet uitproberen of de bodem je wel kan houden, zoals over één nacht ijs. Behalve dat het eindeloos zal duren voordat je ergens komt, ben je onzeker, en voortdurend met je lijfsbehoud bezig, je kunt geen gesprek meer voeren, niet meer op de vogels letten of dat probleem overdenken waar je mee bezig was. In werkelijkheid vertrouwen we op onze zintuigen, we herkennen een stevige bosgrond. Doordat ruiken, zien, horen, tasten met elkaar in overeenstemming zijn, zijn we zeker van onszelf. Uit ervaring kennen we het verschil tussen bosgrond en water. In water durven we te duiken, als we gezien hebben dat het diep genoeg is.

Stel je eens voor dat je duikt, maar dat het ijs blijkt te zijn? Of dat je in een boom klimt, maar eruit valt doordat de takken breken omdat je de sterkte van het materiaal verkeerd beoordeeld hebt. Als kind bouw je op grond van je waarnemingen je ervaringen op. En je ervaringen geven je zekerheid — als je je waarnemingen kunt vertrouwen.

PLASTIC
Hoe zit dat met bv. plastic gebruiksvoorwerpen? Je pakt een beker op, en tot je verrassing schiet je hand omhoog, omdat je dacht dat ie van steen was, maar van plastic blijkt te zijn. Je hebt z’n gewicht verkeerd geschat. Hij voelt ook anders dan steen, minder koel. Hij gaat ook niet kapot, als hij valt. Eigenschappen, die stuk voor stuk positief of negatief beoordeeld kunnen worden, maar in ieder geval samen een geheel vormen, dat met de wereld zoals we die van nature leren kennen, niet overeenkomt.

Een ding van kunststof, of het nu kleding, speelgoed of een gebruiksvoorwerp is, is een imitatie, maar altijd een gebrekkige. Kunststoffen hebben geen eigen combinatie van eigenschappen, zoals hout, leer, wol, katoen. Kunststoffen zijn de éne keer zacht, dan hard, dan breekbaar, dan doorzichtig, kunnen dan eens niet, dan eens wél krassen krijgen, afhankelijk van het soort imitatie. De combinatie van waarnemingen bij kunststoffen is altijd nieuw, je kunt ze zelden vertrouwen. Wie voelt zich niet gefopt als hij aan een plastic bloem ruikt? Vooral bij jonge kinderen is het goed te bedenken dat mèt het geven van bv. een rammelaar, ook een stuk materiaal gegeven wordt. Leren zijn zintuigen hem een stuk van de wereld kennen, of een stuk imitatie? Kan hij met dit materiaal bruikbare ervaring opdoen, om vertrouwen tot de wereld op te bouwen, of is het een imitatie-ervaring? Net zoals bij de gevoelsontwikkeling van belang is of het gevoel echt is, is het bij waarnemingen van belang of de waarneming “echt” is, of een imitatie.

Het net-echte van vele kunststoffen is altijd maar net-echt voor enkele eigenschappen. Vaak alleen voor het oog. Namaakleer lijkt in enkele eigenschappen precies op echt leer, maar niet in alles. Je ruikt gelukkig nog of het wel of niet echt is. Maar je ogen kun je al niet meer vertrouwen. Het geheel van eigenschappen maakt dat het niet “echt” is, dat het imitatie is. Ook wat de kosten betreft. Niet toevallig zijn de meeste kunststoffen goedkoper: namaakleer is goedkoper dan echt leer, nylon is goedkoper dan wol, plastic is goedkoper dan zilver of staal. Dat betekent, dat veel dingen zo gemaakt worden, dat als er iets aan kapot is, je het beter kunt weggooien dan het laten repareren. Weggooien is het goedkoopste. Dit geldt voor kleding, speelgoed, keukengerei, tot technische apparaten toe. Dit werkt in de hand dat je minder hecht aan je spullen, minder gevoelsbanden met je omgeving aanknoopt, onverschilliger voor je omgeving wordt. Hoort bij een gezonde ontwikkeling ook niet een goed gevoelscontact met de dingen? Een duurzaam gevoelscontact? Wie kan er houden van plastic lepels? En wie van de zilveren lepels, die je nog van je grootmoeder hebt gekregen? En zeg eens eerlijk, wie kan er nog geroerd raken bij de aanblik van bontgekleurde elektrische kaarsjes, die we niet meer aan hoeven te steken, die niet druipen, die we niet meer uit kunnen blazen? En hoe lang [2] zal het nog duren voordat we een namaakkerstboom hebben, die niet uitvalt, geen kale plekken heeft, geen…?

Gebruik van kunststof werkt het scheppen van een na-maak-wereld in de hand. Namaak-hout, namaak-bont, namaak-haar, namaak-wol, het is allemaal “alsof”. En er is al zoveel “alsof”’ in de wereld. We doen zoveel “alsof” tegen elkaar, en we zoeken er juist naar dat masker van het alsof te laten vallen.Moeten we dan ook in onze materialen het alsof-idee niet vermijden? Het doen-alsof is natuurlijk niet aan kunststoffen gebonden, maar we kunnen ons wel afvragen in hoeverre we met kunststoffen bezig zijn met een doen alsof.

Zeker zijn er ook gebieden waar kunststoffen wèl hun plaats hebben, zoals in industrie en techniek waar juist de combinatie van eigenschappen die kunststoffen hebben, hen onvervangbaar maken. Maar dan is het ook geen alsof-gebruik meer.

In het bovenstaande zijn alleen maar bepaalde kanten van
kunststofgebruik bekeken. Niet ter sprake kwam bv. het milieu-aspect. Wat betekent het niet kunnen vergaan in de kringloop van de natuur? Bijna alle producten die uit natuurstoffen gemaakt zijn, kunnen weer in de natuur opgenomen worden. Dit kan vrijwel nooit met kunststoffen. Ook het directe gezondheidsaspect kwam niet ter sprake. Van belang is bv. dat kunststoffen zeer brandbaar zijn, waar je bij de keuze van huisraad en kleding rekening mee kunt houden. Van meer dagelijks belang is het, dat kunststoffen vrijwel geen vocht opnemen, ze “ademen” niet. Voor mensen met een gevoelige huid kan dit een huiduitslag opleveren (nylon ondergoed). Bij baby’s is het gebruik van plastic luierbroekjes erg bevorderlijk voor het ontstaan van luiereczeem. Zo zijn er nog meer kanten aan het kunststofgebruik, zowel positieve als negatieve.

Maar ik hoop dat het gelukt is voor enkele gezichtspunten het gebruik van kunststoffen uit de sfeer van vóór en tegen te halen, zodat we met meer bewustzijn voor onszelf kunnen uitmaken waar kunststoffen wèl, en waar ze niet op hun plaats zijn.

 
B.W. Jonas 17-01-1975

[1] Bij het verschijnen van dit artikel was dit nog niet bekend:
In zijn boek ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’ zegt de auteur Arie Bos:

Plasticiteit van verbindingen
Maar hoe komen die hersenen zo slim? Wel, daar hebben wij zelf voor gezorgd. Natuurlijk, we moeten het om te beginnen doen met wat we bij de geboorte hebben meegekregen. Maar dan begint het pas echt. We moeten ze gebruiken. En daarmee veranderen we de hersenen, dankzij de ‘plasticiteit’ van de hersenen. Natuurlijk doen we dat niet in ons eentje. Daar hebben we hulp bij gehad. Zeker in onze kindertijd doen we niets in ons eentje. De geschiedenis heeft ooit iets laten voorvallen dat dit zichtbaar heeft gemaakt. De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte namelijk nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier (afb.1):

hersenscan verwaarloosde kinderen

hersenontwikkeling in normale drie jaar oude kinderen (links) en bij extreme verwaarlozing (rechts)

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie. Niet aangeboren dus, maat veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met de opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op. (S.Gerhardt ‘Why love matters. How affection shapes a baby’s brain’ (2004))

[2] Inmiddels zijn deze volop te koop.

In de jaren ’80 kende ik een ouderpaar wiens pasgeboren kindje naar het ziekenhuis moest: geelzucht. Het had aanhoudend een te lage lichaamstemperatuur. Onder- en bovenlakentjes/dekentjes waren voornamelijk van kunststof. De moeder, die zich een krantenartikel uit 1979 herinnerde,  nam op zeker ogenblik het wollen onderdekentje van thuis mee en legde dat ongezien – wol mocht niet!!! – verpakt in een echt lakentje onder haar baby. De temperatuur steeg dezelfde dag nog. Dat was in 1980.

In 1979 was dit echter al bekend:

Te vroeg geboren baby’s groeien en slapen beter op dekentje van lamswol

Een te vroeg geboren baby die niet op het gebruikelijke ziekenhuislaken maar op een warm, zacht dekentje van lamswol te rusten wordt gelegd, groeit sneller, slaapt beter en verliest minder lichaamswarmte. Dat is de conclusie van een Engels onderzoek op de Universiteit van Cambridge. Maar ook normale, voldragen baby’s die een met lamswol „beklede” wieg hebben, voelen zich daarin overduidelijk meer op hun gemak dan op een strak gespannen laken. Het resultaat: ze huilen minder en slapen beter. „Geen wonder ook”, zegt dr. Martin Richards, de leider van het Engels onderzoek. „Ik kan me goed voorstellen dat een baby een ondergrond waarin hij of zij zacht wegzinkt verre prefereert boven een hard laken dat vaak nog koud is ook”.

In Cambridge legde dr. Martins gedurende zo’n twee weken zes baby’s de ene dag op het gebruikelijke ziekenhuislaken en de andere dag op een lamswollen dekentje. Aan het eind van elke dag werden de kleintjes gewogen. Met verbazingwekkende resultaten. Dr. Martins: „Onze verwachtingen werden verre overtroffen. Per dag groeiden de baby’s 30 gram op lamswol tegen 20 gram op laken. Een verschil van 50%.

Bovendien huilden ze minder en lagen ze rustiger. Ik kan me voorstellen dat de isolerende werking van lamswol de baby’s warmer houdt. En als ze dan rustiger zijn in hun slaap kan de energie van de voeding worden omgezet in groei. Maar dat verklaart het verschil maar voor een deel”.

„Ik denk dat deze baby’s vooral hard groeien, omdat ze gewoon gelukkiger zijn. Op lamswol zien ze er ook meer tevreden uit en ik kan me goed voorstellen dat het voor een baby geen pretje is om in een couveuse op de nogal harde katoenen lakens te liggen die gewoonlijk worden gebruikt”. Dr. Richards hoopt meer onderzoek te doen naar de effecten van lamswol bij voldragen baby’s.

peuter/kleuter: alle artikelen

962-890