VRIJESCHOOL – Kind mogen zijn

.

Regelmatig publiceer ik hier artikelen die qua verschijningsdatum gerust ‘uit de oude doos’ mogen worden genoemd. Kijk je naar de inhoud, dan blijken deze artikelen nog uiterst actueel te zijn. Dat heeft alles te maken met de basis van de artikelen: de pedagogische visie van Rudolf Steiner. Daarin vinden we gezichtspunten die, omdat ze zo samenhangen met het wezen mens, nauwelijks verouderen: streven naar harmonische opvoeding; het belang van creativiteit; de waarde van het spel voor het (kleine) kind. Enz.

.
Bernard Lievegoed, Jonas 20, 3 juni 1977
.

kind mogen zijn
.

Onder de titel ‘Kind mogen zijn’ sprak Bernard Lievegoed op 7 mei 1977 tijdens het congres ‘De tweede schoolstrijd’ over de ontwikkeling van het kind en de consequenties daarvan voor de onderwijsvernieuwing. Hieronder een schriftelijke neerslag van zijn betoog.

Ik wil mijn onderwerp benaderen vanuit de totale menselijke levensloop. Het kind-zijn is geen fase op zichzelf; noch is het een doorgangsfase of voorbereidingsfase op iets wat men dan het werkelijke leven noemt. Kind zijn is een volledig menszijn, met mogelijkheden die later verloren gaan en met onmogelijkheden die later pas tot mogelijkheid worden.

De Italiaans-Duitse filosoof Guardini zei: volledig mens is men in elke fase van zijn leven en in elke fase is het volledige leven aanwezig. Schaadt men één fase dan schaadt men de totaliteit. Dezelfde gedachtegang werd reeds uitgesproken door de Griekse filosoof Heraclitus: ‘Opvoeden is niet een emmer vullen, maar een haardvuur ontsteken’. In dit beeld gaat men een haarvuur ontsteken.

Dit heeft vele gezichtspunten. Wil het haardvuur kunnen gaan branden dan moet er iets aanwezig zijn dat wil gaan branden en voor het ontsteken zelf is maar een heel klein vlammetje nodig, niet meer dan een ‘wekker’. Is een haardvuur eenmaal brandende, dan brandt het uit zichzelf verder, en wordt steeds groter. Het verwarmt ten slotte een hele leefruimte en als we deze metafoor even doortrekken dan kan men zeggen: in de werkelijkheid zorgt het vuur later voor eigen verdere brandstof.

Nu kan men de vraag stellen: hoe krijgt men nu bij de hele jonge mens het vuur aan het branden en hoe wekt men het verlangen om in een veel latere levensfase misschien wel 50 jaar later, het vuur ook brandende te houden. Nu moet reeds in de kleuter de kiem gewekt worden voor de ‘éducation permanente’ die op latere leeftijd dan in zelfopvoeding overgaat.

Maar ook de kleuter kent zijn vorm van zelfopvoeding en wel door het spel. Ik heb het gevoel dat in de totaliteit van levensfasen de kleuter de grootste meester is in zelfopvoeding. Het leerproces te beschouwen als een informatie-opnemingsproces is een ontoelaatbare simplificatie en verminking.

Informatie-opnemingsverwerking

De informatie, opneming en verwerking zo efficiënt mogelijk te willen laten verlopen is ontsproten aan een technisch denken dat ervan uitgaat dat het grootste effect — de grootste output — bereikt moet worden langs de geringste inspanning, dus met minimaal energieverbruik.

Maar leren voor het leven verloopt nooit efficiënt, in de technische zin van het woord. Men hoeft slechts te letten op de directe gedragsveranderingen en dan zal het blijken dat die als maatstaf gebruikt worden voor de mate van leren. Informatie-reproductie en gedragsverandering kan men meten. De verleiding is groot dat gemetene gelijk te stellen met het leerproces.

Vandaar ook het geloof in de heilige toetsen, die als maatstaf moeten gelden voor het leersucces. Het denken van de onderwijstechnologie is niet geheel onjuist maar het is partieel, het ziet naar de buitenste kant van het leerproces: de gedragsverandering. Juist deze gereduceerde visie is veel gevaarlijker dan een totale dwaling. Beziet men het kind-zijn als een onvervangbaar deel van de totale biografie, dan komen alle onderwijskundige problemen in een nieuw en omvattend licht te staan. Dan valt op dat wat er in de kinderjaren gebeurt, of wat er niet gebeurt, in geen enkele andere levensfase even intensief te beleven of in te halen is. Die ervaringen zijn onvervangbaar. Wat er in deze korte jaren gebeurt straalt uit over evenzovele tientallen jaren later.

Ik zei het al: het kind is een meester in zelfopvoeding, alles uit zijn omgeving gebruikt het daarvoor, het gebruikt het op z’n eigen originele wijze. Alleen al kan men waarnemen hoe elk kind op z’n eigen wijze leert lopen en praten — een fascinerende zaak om in eenzelfde gezin twee verschillende kinderen te zien die op een totaal eigen wijze leren lopen en spreken. Kijk hoe het kind anders speelt met hetzelfde speelgoed om dat te leren wat het straks nodig heeft om als volwassene iets eigens in de wereld te kunnen brengen. Zodra wij doelgericht speelgoed brengen en nuttige en bedachte handelingen laten uitvoeren, conditioneren we kinderen op een leerproces dat wij nuttig vinden.
We sluiten de toekomst af en we bepalen die en beperken die tot die handelingen die wij juist of nuttig achten. Maar het spel kent geen gesloten toekomst, spel kent geen directe leerdoelen. Het spel wordt gespeeld met een open toekomst, het spel voert naar ervaringen die een antwoord zijn op mijn wijze van vraagstelling waardoor ik creatief kan zijn en niet de wijze waarop de onderwijstechnoloog meent dat ik creatief moet zijn.

Creativiteit

Hoe komt men op de idee om creativiteit bij kleuters en later bij leerlingen te willen wekken met van te voren geprogrammeerde methoden of inhouden, al zijn die nog zo slim bedacht. In het onderwijs kan creativiteit alleen gewekt worden in situaties die zelf vanuit de creativiteit van de leidster of onderwijzer of leraar ontstaan zijn in een reële pedagogische situatie hier en nu, met deze kinderen op deze ochtend, met deze pedagoog. Ingeblikte creativiteit is niet meer kiemkrachtig. Creativiteit kan ook niet in een apart uur onderwezen worden, zelfs niet met een uur kunstbeoefening. Het moet het gehele onderwijs doortrekken, in elke pedagogische situatie. Bij rekenen, taal en gymnastiek – in de kleuterleeftijd, in elke spelsituatie, bij het vertellen en ook bij het opruimen van de klas.

De echte les wordt tijdens de les geboren, in het samenspel van pedagoog en kinderen, echte creativiteit is nooit efficiënt in de zin zoals de onderwijstechnoloog die opvat. Creativiteit maakt omwegen waarop pas het wezenlijke ontdekt wordt. De mens in de creatieve situatie gebruikt meer energie dan strikt nodig is om een zogenaamd doel te bereiken. Zodra hij de beste methode gevonden heeft en deze verder toepast, is hij per definitie niet meer creatief, maar herhalend bezig.

Men kan proberen het kind te vinden via de kortste en meest efficiënte weg, door het meteen een door een ander gevonden weg aan te bieden. In de industrie noemt dat de methode van de versnelde scholing: oefen stap voor stap de handelingen of de intellectuele operaties via de ‘one best way’ — : enig juiste weg — en je kunt in de kortst mogelijke tijd van een ongeschoolde een geschoolde arbeider maken, bruikbaar voor op de training volgende geprogrammeerde arbeid. Dat alles is bijzonder nuttig — het is ontdekt en ingevoerd in oorlogstijd, om veel arbeiders voor in de munitiefabrieken klaar te maken en helaas na de oorlog als methode ingeslopen in het denken over onderwijstechnologie.

Oefenen

Overdrijf ik nou? Maar kijkt u zelf hoe in laatste vijf jaar de inrichting en het lesmateriaal van de kleuterschool aan het veranderen zijn. Het speelklimaat is veranderd in een klimaat van wetenschappelijk verantwoord doelgericht oefenen. In plaats van vrij te mogen spelen met veel open materiaal worden allerlei series plaatjes aangeboden waarbij stiekem tellen, vergelijken, rubriceren geleerd moet worden. Elke kleuter moet zijn door anderen bedachte taken ook afmaken, elke zelfopvoeding is daarbij uitgesloten, en stuiten op onverwachte weerstanden of nieuwe ervaringen waaraan de kleuter of voorbij kan gaan omdat hij nog niet de ontwikkelingsrijpheid heeft om dit probleem te bekijken of waaraan de kleuter de voor hém en op dat moment aanvaardbare ervaring kan opdoen.

Maar ziet u, elke eenzijdigheid roept een tegenbeeld op. Daarom vinden we daar naast de kleuterschool ook de anti-autoritaire kleuterschool. Het kan daar voorkomen dat de ene kleuter tegen de andere kleuter zegt: ‘Joh, we moeten weer gaan spelen op de manier waar we zelf zin in hebben’.
Tussen deze uitersten is er een nieuwe weg, waarin situatie en materieel weer open zijn, d.w.z. voor meer dan één doel bruikbaar zijn, maar wat ook aanwezig moet zijn als de kleuter daar zelf aan toe is. Waar het even belangrijk is dat de kleuter een onooglijk lappenpopje liefheeft, als dat hij naar een sprookje luistert, waarbij het bij een bepaald woord nog weg mag dromen, maar ook weer flink helpt bij het opruimen.

Kind-zijn als kleuter betekent: spelend ontdekken en nabootsend spelen. Tijd hebben voor emotionele belevingen van vreugde en leed, verwachting en vervulling.

Dat betekent in de eerste plaats: doende leren en dat op een individuele manier die voor dit kind de meest doeltreffende manier is. Door de nabootsing van de omgeving verovert het de rechtopgaande gang, de moedertaal en het denken in het cultuurpatroon van zijn tijd. Het zal in de toekomst aan dit cultuurpatroon iets nieuws moeten kunnen toevoegen, anders stagneert de hele cultuur. De kleuterschool mag niet meer of minder zijn dan een gunstig milieu voor zelfopvoeding in spel en luisterend opnemen. Hoe rijker en opener het gebodene, hoe beter.

kleuter

Kijken we nu naar een iets oudere leeftijd, het kind als scholier. Dan zien we dat dat de fase is waarin het kind zelf moet leren denken en ontdekken, maar dat in de fantasie als voorloper van een sociale werkelijkheid later. De leerling die alleen maar geprogrammeerd leert wat anderen voorgedacht hebben – dat is natuurlijk voor hun bestwil bedoeld en om hen onnodige ‘omwegen’ te besparen – die wordt misschien een nuttig werker in de door sociologen ontworpen structuren, weer natuurlijk voor aller bestwil bedoeld, maar geen sociaal verbindend mens. Dan zal hij in z’n dertiger jaren gaan klagen dat hij geen contacten kan maken, dat hem niets invalt, en hij of zij zal klagen over leegheid en vereenzaming.

Nog een fase later: het kind als puber en adolescent. Dat betekent de wereld ontdekken in verhouding tot de eigen toekomstvisie in ideaalstelling en ongeduld. De ontdekking van de taaie weerstand van de werkelijkheid: ‘We hebben gisteren al gezegd dat de hele situatie fout was en vandaag is er nog niets veranderd.’

De wereld ontdekken betekent ook antwoord krijgen van de wereld op de eigen prestatie. De beoordeling van het werk door anderen krijgt nu pas z’n echte pedagogische betekenis. Het is bekend dat elke leerling zijn leermethode instelt op de manier van examineren. Daarin hebben de leerlingen nog groot gelijk ook. Wie multiple choice examineert kweekt leerlingen die ‘losse feiten weten’ van levensbelang achten. Wie daarmee doorgaat in universiteiten — en dat gebeurt — selecteert niet de beste artsen en pedagogen.

Innerlijke zekerheid

‘Kind mogen zijn’ was de vraag die mij gesteld werd. Kind mogen zijn als kleuter, schoolkind, jonge mens, betekent het veroveren van talloze niet-examineerbare vermogens voor het latere leven. Deze vermogens kunnen echter in latere levensfasen doorslaggevend zijn voor het huwelijksbeleven, voor het functioneren in werksituaties en voor het leidinggeven op alle mogelijke niveaus. In de kleutertijd wordt veroverd een voor het leven durende innerlijke zekerheid, die vooral in de veertiger jaren vaak doorslaggevend is in huwelijk en beroep. Die spanboog is bijzonder groot maar hij is er.

In de schooltijd wordt veroverd het vermogen om met de mensen creatief om te gaan en iets te kunnen beleven aan mensen en aan de wereld. In de dertiger jaren komt het ontbreken van dit vermogen tot uitdrukking, bij de man in verzakelijking en verharding in zijn beroepsleven, bij de vrouw in vereenzaming en leegheid in het gevoelsleven. En beide kwalen zijn momenteel bijna epidemisch. Waarom kunnen de onderwijshervormers deze samenhangen niet zien? Hoe kon dat? Komt dat misschien omdat men geen dubbelblind proeven kan nemen over 40 jaar met mensen?

In de puberteitsjaren en daarna wordt veroverd de volwassenwording in de verhouding tot de realisatie van de eigen doelstelling. Daar moet geleerd worden dat tussen de idee en de verwerkelijking van de idee een eindeloos lange weg ligt van moeizaam overwinnen van weerstanden. Op dit punt zien wij de velen die eeuwige pubers blijven en zichzelf dan bijzonder progressief vinden ook.

De laatste tijd is mij herhaaldelijk gevraagd: heeft u er dan bezwaar tegen dat onderwijsvernieuwing gedragen wordt door een duidelijke politieke doelstelling? Ik heb moeten antwoorden: elk standpunt op cultureel, kunstzinnig of sociaal gebied is tevens een politiek standpunt. Mijn zogenaamd ontwikkelings-psychologische standpunt is óók een politiek standpunt, daaraan kan niemand zich onttrekken. Bezwaren beginnen pas daar waar de politieke keuze een scherp bepaald mensbeeld meebrengt. Dit mensbeeld bepaalt dan weer de pedagogische doelstellingen, die voor de één ideaal en voor de ander verwerpelijk zijn.

De keuze van mijn mensbeeld is een personalistische. Dat betekent dat naast de erfelijke aanleg en de invloeden van milieu de persoonlijkheid een derde kracht is met een eigen, zich langzaam doorzettende
levensdoelstelling. Pas uit deze persoonlijkheid, dit het Ik, het Zelf,, of hoe men het noemen wil, komt de vernieuwing van de cultuur, en niet uit eventuele opgelegde sociale structuren. Maar even zomin als het toelaatbaar zou zijn dat ik mijn visie aan heel Nederland zou willen opleggen, zomin is het toelaatbaar dat een overheid zijn visie aan heel Nederland oplegt. En waar de staat via de geldkraan een monopolistische positie in zou kunnen innemen, moet de overheid in dezen extra terughoudend zijn. Niveau-eisen kunnen gesteld worden, maar de weg waarlangs en het moment waarop dat niveau gehaald wordt, moet vrij blijven en moet ontstaan uit het concrete samenwerken van pedagoog en leerlingengroep. Pas dan kan de pedagoog er voor waken dat elk kind in iedere fase op zijn manier kind mag zijn.

Intellect

Nu ten slotte mijn zorg. De invalshoek van waaruit ik het kind-zijn bekijk is dat van de psychiater. Voor mijzelf was dat eerst de kinderpsychiatrie en later die van de volwassenen. En bij alle latere levenscrisissen stoot men steeds weer op onvermogens, ontstaan doordat bepaalde ontwikkelingen tijdens de kindheid niet tot stand zijn gekomen. Dit tot ontwikkeling komen van de emotionele rijpheid kan evenzeer komen door een te langzame ontwikkeling als door een te snelle ontwikkeling in bepaalde kinderjaren. Vooral de te snelle ontwikkeling heeft voor het latere leven desastreuze gevolgen. Wie te snel het kleuter-zijn afbreekt en afsluit door verintellectualisering van het kleuteronderwijs, die sluit tegelijk te vroeg die emotionele ontwikkelingen af die hem later existentiële positiviteit in het leven kunnen schenken. Men blijft dan onderontwikkeld in het gevoelsleven naast vaak een vroegtijdig ontwikkeld intellect. Dat intellect geeft na de veertiger jaren geen houvast meer voor de laatste levensfase. Elk leer- en ontwikkelingsproces heeft nu eenmaal resultaten op korte en op zeer lange termijn.

Te langzame ontwikkeling bij normale intelligentie geeft een heel ander beeld. De laatbloeiers gaan vooral in de moderne scholen een lijdensweg. Hun ontwikkelingsleeftijd houdt geen gelijke tred met hun
kalenderleeftijd. Ze komen onherroepelijk terecht in een schooltype dat beneden hun werkelijke vermogens ligt en ook daar gaat het vrij moeizaam. Ze komen pas op spoor als ze hun eigen tempo mogen volgen. Zij blijken nog op latere leeftijd over onverwachte reserves te beschikken en schieten maatschappelijk pas naar hun eigenlijke niveau na hun veertigste jaar. Dan blijkt pas wie ze werkelijk zijn.

Daarentegen zijn de vroegbloeiers de ideale klanten voor de intellectuele spelletjes en taken die ze in hun kleutertijd voorgelegd kregen. Maar meestal al na hun vijftiende jaar beginnen ook hun intellectuele prestaties af te zakken.

Mijn zorg is, dat het geheel van onderwijs op de kleuterscholen, basisscholen en secundair onderwijs de te snelle, te progressieve ontwikkeling bevordert. Waarbij intellectuele prestaties te voorschijn komen, emotionele en morele ontwikkelingen echter te vroeg worden afgesloten en daardoor onderontwikkeld blijven. En dit kan niet de bedoeling zijn van hen die met de beste bedoeling een dergelijk onderwijs propageren. Een ieder kan vanzelfsprekend staan achter het streven ieder wordend mens gelijke kansen te geven tot volle ontplooiing. Volle ontplooiing is echter een zeer individuele zaak die alleen tot stand komt indien er werkelijke vrijheid bestaat om in elk ontwikkelingsstadium ook werkelijk kind te mogen zijn.
.
Spelen of leren

Spelend leren?

Erica Ridzema

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter en kleuter

.
961-889

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel V

Karel V  1500-1558

Karel VEen portret van de Habsburgse keizer Karel V. Het is afkomstig van een familieportret, dat door Bernard Striegel werd geschilderd. Het schilderij werd gemaakt toen Karel nog een tiener was. Op zijn negentiende jaar werd hij ‘Heilig Rooms Keizer’. De familie van de Habsburgers was bijna 600 jaar de belangrijkste macht in Centraal-Europa.

Voor een miljoen gouden florijnen kreeg Karel van Habsburg de zekerheid, dat hij keizer van het Heilige Roomse Rijk zou worden. Zeer waarschijnlijk zouden de zeven keurvorsten – die aan het hoofd stonden van de belangrijke Duitse staten – hem, als kleinzoon van Maximiliaan I, tóch wel hebben gekozen. Maar de mogelijkheid bestond, dat hun keus zou vallen op Frans I, koning van Frankrijk. Dat was een zorgwekkend vooruitzicht voor Karel. Zijn rijkste bezittingen, de Nederlanden, zouden daardoor immers komen te liggen tussen twee door de Fransen beheerste gebieden.

Karel, die al hertog van Bourgondië, koning van Spanje, Sicilië, Sardinië en Napels was, alsmede erfopvolger in de Habsburgse landen in Midden-Europa, was op zijn negentiende jaar de machtigste vorst van het Westen. Maar zijn macht werd van alle kanten bedreigd. De Franse koning, die was omringd door Habsburgse landen, was vastbesloten de eerzuchtige plannen van de keizer in Italië tegen te gaan. Oost-Europa en de landen om de Middellandse Zee ondervonden voortdurend bedreiging van de Turken, die Constantinopel hadden veroverd. Ook waren er enkele Duitse vorsten, die zich tegen Karel verzetten. Het lutheranisme dat ze aanhingen, verstoorde de eenheid van het keizerrijk. De hervorming was het grootste struikelblok tijdens de regering van Karel, die zijn uiterste best bleef doen de protestanten terug te brengen naar de rooms- katholieke kerk. De keizer was het in zoverre met Lutner eens, dat hij zich veel moeite getroostte er bij de paus op aan te dringen een eind te maken aan de corruptie binnen de rooms-katholieke kerk. Maar Luthers nieuwe leerstellingen kon hij niet aanvaarden. Zonder enig succes wierp de ene Rijksdag na de andere zich op het probleem van de godsdienstkwestie. Veel Duitse vorsten gingen namelijk niet alleen zelf tot het lutheranisme over, maar eisten bovendien dat ze zelf de staatsgodsdienst van hun rijk mochten bepalen. Toen Karel ten slotte paus Paulus III bereid had gevonden een concilie te houden, was de houding van de protestanten harder geworden.

Karel V  2

Het schitterende schild van Karel V. Het werd ontworpen door Raphael. Het reliëf is een voorstelling van de ‘Slag bij Carthago’.

In 1546 kwam het tot een oorlog tussen de protestantse landen – geholpen door Frans I – enerzijds, en de katholieke staten onder Karel V met steun van paus Paulus III anderzijds. De strijd duurde voort tot 1555. Bij de Vrede van Augsburg werd bepaald, dat een staatshoofd het recht had de godsdienst van zijn onderdanen te bepalen. Intussen was Karel V voortdurend betrokken bij oorlogen tussen de Fransen en de Turken. Verbintenissen met vooraanstaande Italiaanse geslachten (vaak door middel van huwelijken) maakten, dat het grootste deel van Italië onder Habsburgs bewind kwam. Maar niet alle pausen waren gelukkig met deze gang van zaken. Teneinde een machtsevenwicht tot stand te brengen, verleenden ze steun aan Frankrijk, dat eveneens naar Italië lonkte. In 1521 brak er oorlog uit tussen Karel V en Frans I. De voornaamste inzet was Milaan, dat destijds in Franse handen was. De strijd duurde jaren, maar uiteindelijk slaagde Karel V erin een federatie van Noorditaliaanse staten te vormen die trouw was aan de keizer. Deze band zou 300 jaar blijven bestaan.

De Turken, die gebruik maakten van de vijandelijkheden tussen de christelijke machten, vielen Hongarije binnen. Maar in 1532, toen ze bijna voor Wenen stonden, werden ze door de legers van Karel V verslagen. Het kwam in Hongarije tot een weinig overtuigende vrede. Toen Karel V in 1535 Tunis veroverde, kreeg de Turkse heerschappij op de Noordafrikaanse kust een forse klap. Maar tijdens de hele regeringsperiode van Karel V en ook nog daarna bleven de Turken de landen om de Middellandse Zee bedreigen. Voordat het goud uit de Spaanse bezittingen in Zuid-Amerika begon binnen te stromen, vormden de Lage Landen de voornaamste bron van welvaart van Karel V. Al eeuwenlang bloeiden daar handel en industrie. Karel V, die hertog van Bourgondië was, eiste van deze provincies trouw en het recht op financiële steun – geen belasting, maar hulpverlening. De vele oorlogen waarin hij betrokken was, kostten schatten. Dat was iets waarover hij herhaaldelijk waarschuwingen kreeg van zijn zuster Maria, de regentes over deze gebieden. Het bestuur dat Karels eisen desondanks had ingewilligd, werd in 1539 door de bevolking van Gent omvergeworpen. Maar Karel V sloeg de opstand meedogenloos neer.

Toch was Karel V graag gezien in de Nederlanden. Hij was er geboren en getogen en sprak de taal. Het gebied was tijdens zijn regering groter geworden en de zuidelijke provincies Vlaanderen en Artois waren bevrijd van de Franse dreiging. Toen Karel V in de vijftig was, zag hij eruit als een oude, uitgeputte man. Verwonderlijk was dat niet, gezien de spanningen waarmee hij voortdurend te maken had gehad. De verbintenis tussen Maria Tudor en zijn zoon Filips, die ten doel had een gecombineerde Engels-Nederlandse macht te stellen tegenover Frankrijk, deed zijn energie tijdelijk weer opleven.

In 1555 maakte Karel V een begin met het overdragen van zijn verschillende kronen aan Filips en aan zijn broer Ferdinand, die keizer zou worden. Zelf trok hij zich terug in een klein huis in Spanje. Daar bracht hij zijn laatste levensjaren door. Hij hield er hof, genoot van de jacht en muziek en van de overdadige maaltijden, die zijn gezondheid verder ondermijnden. Veertig jaar lang had hij een enorme last op zijn schouders gedragen. Niet al zijn ondernemingen waren geslaagd. Maar hij stierf als een bemind vorst.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

960-888

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – alle artikelen

7e KLAS GESCHIEDENIS ALLE ARTIKELEN

[1] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 7e klas; overzicht van de lesstof.

[2-1] Ontstaan van de boekdrukkunst
[2-1/1] deel 1
P.J. van der Horst over: schrijfmateriaal in oude culturen – Soemeriërs, Egyptenaren: papyrus; ‘monnikenwerk’; blokboeken; houtsnede
[2-1/2] deel 2
P.J. van der Horst over: Gutenberg of Coster?; Gutenbergbijbel
[2-1/3] deel 3
P.J. van der Horst over : verder over Gutenberg of Coster; Waldfoghel
[2-1/4] deel 4
P.J. van der Horst over: ook Waldfoghel niet; andere namen die als uitvinder worden genoemd: Italië, Frankrijk, België, Engeland; etsen; kopergravure; hoogdruk, diepdruk, vlakdruk
.
[3] Geschiedenis in de onderbouw
J.H.M.Dieselhorst over: geschiedenis in klas 7; de 7e-klasser; verloop geschiedenis klas 4, 5, en 6; ruimte en tijd: aardrijkskunde en geschiedenis

uitwerking van de door Lindenberg genoemde onderwerpen:

Biografieën van:

Columbus
Cortez
Galilei
Gutenberg en Coster
Hendrik de Zeevaarder
Jeanne d’Arc
Karel V
Leonardo da Vinci
Luther
Magalean
Marco Polo [1]  [2];
Paracelsus
Willem de Veroveraar

Willem van Oranje

Over ‘hoe vertel je’

7e klas: alle artikelen

alle biografieën

.
959-887

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits

Enkele gedichtjes die in de kersttijd kunnen worden gebruikt in de Duitse les:

Klas 1, 2, 3:

Es leuchten die Kerzlein,
es freut sich mein Herzlein.
Die Kerzen sind Augen vom Christkindlein
und leuchten in mein Herz hinein.

0-0-0

Ich schaue in das Licht.
Das fromme Glanzen spricht:
Du stammst vom Gottessein,
von ihm kommt aller Schein.

Ich strebe in die Höh,
wenn ich das Kerzlein seh,
erinnert mich die Flamme,
dass ich vom Himmel stamme.

0-0-0

Liebes Kerzlein, halte still,
weil ich dich bewundern will.
Kerze ist der feste FuB
drauf das Lichtlein ruhen muB.

Sorg nur, daB es grade steh.
’s Lichtlein deutet in die Höh.
Liebes Kerzlein, flackre nicht,
sei mein gutes, stilles Licht.

Vanaf klas 3, 4:

Das Licht strahlt durch die ganze Welt
und alles erwarmt und durchstrahlt und erhellt.
Es strömt und warmt, immer schenken mag,z
als Sterne bei Nacht, als Sonne bei Tag.
Das Licht laBt mich sinnen und denken:
wie kann auch ich andern schenken?

0-0-0

(of ouder)

Feuer gibt dem Licht die Kraft,
das gezähmte Leidenschaft.
Wilde Flamme viel vernieht’,
Ruhe strömt das edle Licht.

Dieser Zwiespalt wie bekannt
ist’s dem Menschen, urverwandt.
Denn im Menschen ungeheuer
Tief verborgen lebt das Feuer.
Ob es heilt, ob es verletzt,
ist in unsre Kraft gesetzt.

0-0-0

Eine Kerze sah den Sonnenschein
und sprach: „Ich leuchte mir allein.
Ich brauche andre Sonnen nicht.
Seht her, ich habe eignes Licht.”

Daneben eine Kerze stand,
die eine andre Antwort fand:
„Eignes Feuer hab ich nicht,
ich stamme von dem einen Licht.
Und leuchtet mir der Sonnenschein,
dann will die Kerze ausgelöscht sein.
Mein Leuchten nachts im Dunkien spricht
als Zeichen von dem groBen Licht.”

So lebten sie und dachten
und leuchteten und wachten.

Und in dem Menschenherzen
gibt’s auch die beiden Kerzen.
.

Elisabeth Klein, der Elternbrief 11-1966

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

958-887

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent en Kerst in de kleuterklas

.

ADVENT EN KERSTMIS 

Na de herfststormen met dwarrelende bladeren, vallende vruchten met felle kleuren, komt er nu een tijd van verwachting. Waarin we ook stil kunnen worden van een brandende kaars, een mooie kerstboom óf van het kerststalletje met Jozef en Maria.

Een heel andere tijd, de advent, waarin we langzaam met de kinderen toeleven naar het kerstfeest, de geboorte van Jezus.

Deze tijd begint al op de eerste adventszondag, 29* november. Die maandag (30 nov.) wanneer de kinderen op school komen, gaan we met de kinderen het adventstuintje lopen. Een grote spiraal van dennengroen op de grond waarin het midden een grote kaars brandt. Ieder kind neemt dan zijn eigen kaarsje mee in de spiraal en loopt deze tot de grote kaars, steekt daar zijn kaarsje aan, zet deze dan neer in de spiraal en loopt weer terug. Ondertussen zingen wij er steeds een liedje bij tot ieder is geweest. Als we dan weer terug in de klas zijn, steken we de eerste kaars aan van de adventskrans. Ook zien de kinderen dat de jaartafel anders is, want dan staat er alleen het kerststalletje nog maar met in de verte herders, verder nog wat sterren.

Photo from anoukert

Ook openen we die dag het eerste luikje van de adventskalender en begin ik het eerste deel van het kerstverhaal te vertellen. Wat later op de dag beginnen we ook met het kaarsen trekken. Al vroeg zijn we begonnen met de was te smelten en als het zacht genoeg is dopen de kinderen er om de beurt hun lontje in en hangen we ze aan het rek te drogen. Het beeld is erg mooi, want de bijenwas is uit het zonlicht gemaakt door de bijen en de bloemen en zal ons, wanneer de kaars klaar is, licht geven en een heerlijke geur. Ook zullen we in die eerste advents- week met het kerstspelletje beginnen wat de kinderen misschien later opvoeren.

Al deze dingen zullen zich iedere dag herhalen behalve het adventstuintje, dat doen we één keer. Verder zal er elke dag een luikje van de kalender opengaan en iedere dag vertel ik een stukje van het kerstverhaal.

In de tweede adventsweek een stukje verder en in de derde week nog verder en op het kerstfeest vertel ik het helemaal aan de kinderen. Zo ook met de adventskrans. Iedere week zal er één kaars bij gaan branden tot ze alle vier branden. En elke dag gaan we verder met ons kaarsje te trekken. Zo gaan we ons voorbereiden op het kerstfeest in een stille verwachting. Op de jaartafel zal er ook iedere week iets veranderen.

Steeds dichter komen Jozef en Maria bij het kerststalletje en wanneer ze er in zijn en het kindje ligt in de kribbe en alle luikjes van de adventskalender zijn open, dan vieren we het kerstfeest. In die laatste week zal er ook de kerstboom staan met de rode en witte rozen en echte kaarsjes.

Nu, in de eerste adventsweek is er ook nog een feest, het Sint-Nicolaasfeest, waar de kinderen in alle spanning naar uitkijken. Op deze dag zal Sint-Nicolaas even in de klas zijn en gaan we voor hem zingen. Van tevoren hebben we zijn stoel mooi versierd, ook een voor Zwarte Piet. Ook maken we een mooi cadeau voor hem en misschien heeft hij ook wel iets voor ons meegenomen. Dit is een spannend en leuk feest, wat echt goed past in die eerste adventsweek. Om dan daarna naar het kerstfeest toe te gaan leven in volle verwachting. Nu praten de kinderen er al over, wat straks gaat gebeuren. Ik hoop echt, dat het een fijne gezellige kersttijd gaat worden, want na deze tijd zal het driekoningenfeest zijn, maar eerst het kerstfeest, waar we echt van gaan genieten.

Annemiek Slotboom
*in het jaar waarin dit artikel werd geschreven – onbekend

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

liedjes voor de feesten vind je hier

957-886

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (31)

.

Vijf december, ha dat is de blijde dag
.

Er kunnen boeken vol worden geschreven over het belangwekkendste, interessantste, merkwaardigste, oudste, bekendste feest op folkloristisch gebied. Wat men ook wil beweren, Sint-Nicolaas zal altijd hoge ogen gooien bij zo’n vergelijking. En er zullen ook nog mensen zijn die zich waarachtig en principieel keren tegen de goedheilig man.

Luister naar dit stukje proza.
‘Wat nu de St. Nicolaes- avonden belangt, die insonderheyt in deze onse Stadt Amstelredamme tot een blaem van onse Reformatie geviert ende jaerlijks onderhouden worden, het is niet ande’rs als een versiert en afgodisch werck.’

Zo foeterde dominee Wittewrongel in een oud boekje Christelicke Huyshouding. Na verteld te hebben dat de verhalen over Sint-Nicolaas ‘leugenachtige legenden’ zijn, vervolgt hij: ‘Wie en siet oock niet, dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden, onvruchtbaer wercken der duysternisse zijn? Dat men sijne kinderen onderwesen heeft hare schoenen oock in de schouwe te hangen opdat desen Sint-Nicolaes oock daer iets goed in mochte bringen? Zijn het oock niet dagen van enckel weelde en wellust geweest, sal men nu noch geloove ende vertrouwen willen stellen op eenen Afgodt? Van eenen versierden Sant so veel wercks maken? Konnen versierde fabulen ende leugenen van een afghesette Sant noch goede vruchten geven? Wie en siet oock niet dat de vruchten van de St. Nicolaesavonden ongodsdienstige wercken der duysternisse zijn? En grouwelijcke afgoderijen? Voorwaar, sulcke vermaek ende apenspel moet nootsaekeleick op het eynde eene bitterheid sijn.’

De eerwaarde Wittewrongel stond niet alleen. In de zestiende eeuw werden in verschillende steden keuren uitgegeven om aan openbare Sinterklaasvieringen paal en perk te stellen en in de ‘gereformeerde’ kerken werd op de zondag voor 5 december met klem tegen de ‘Spaanse’ bisschop gepreekt. Het protestantse verzet tegen Sinterklaas is nooit helemaal verdwenen, al wordt het tegenwoordig weinig serieus genomen. Toch hoort men van tijd tot tijd nog van acties in streng calvinistische streken tegen ‘dit spotten met de heilige beginselen van de reformatie’, zoals een Staphorster raadslid dit in 1964 formuleerde.

Hoe vreemd het misschien mag lijken, toch werd een uit Klein Azië afkomstige, door de kerk nauwelijks erkende, heilige het middelpunt van Nederlands meest gevierde volksfeest. Om de verwarring nog groter te maken, komt hij ieder jaar uit Spanje per schip naar Nederland, waar hij te paard en omstuwd door Zwarte Pieten in vele steden en dorpen zijn glorieuze intocht houdt.

Hoewel 6 december de naamdag van Sint Nicolaas is, gaat het toch echt om 5 december; dat is de blijde dag.

De dag van pakjesavond, angst, beven, surprises, eten, snoepen, feest, pret, plezier. Daar is de nodige voorbereiding aan voorafgegaan. Dagen, soms reeds weken van tevoren, wordt door de kinderen voor het slapen gaan bij de schoorsteen gezongen. En waar geen schoorstenen meer zijn, wordt altijd wel een andere plaats gevonden waar de sinterklaasliedjes ten gehore worden gebracht. De schoen wordt gezet, gevuld met eten voor het paard en natuurlijk het verlanglijstje. Want daar gaat het om.

Piet komt alles hoogstpersoonlijk ophalen. De volgende dag ligt er een presentje in de schoen; een bewijs dat Sinterklaas bestaat en een voorproefje van wat nog komen gaat.

Sint Nicolaas 3

Op 5 december is de schoen te klein. Dan worden de pakjes vaak bij mandenvol, zakkenvol, krattenvol binnengedragen. Hier en daar verschijnt Sinterklaas in eigen persoon, spreekt een vermanend woord, prijst het kind dat goed zijn best deed, laat de Pieten pepernoten strooien, laat zijn cadeautjes achter en vertrekt snel naar het volgende adres. Want de goedheiligman heeft het, zoals iedereen, steeds drukker.

In de hoofdstad wordt het Sinterklaasfeest steeds zeer uitbundig gevierd. Dat is begrijpelijk want Sint- Nicolaas is niet alleen de schutspatroon van de zeevarenden, maar ook van Amsterdam. De eerste parochiekerk die hier in 1306 werd gesticht, werd opgedragen aan de bisschop van Myra en een van de bekendste kerken, recht tegenover de haven en het Centraal Station is nog steeds de Sint – Nicolaaskerk. Een oud liedje zegt heel terecht:

Sinterklaassie bisschop
Zet je hooge mutse op,
Trek je beste tabberd an,
Rij ermee naar Amsterdam.

Grote bekendheid kregen de Sinterklaasmarkten die van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw op de Dam werden gehouden. Jos. Winkelmeyer heeft in zijn schetsen over oud-Amsterdam van zo’n markt – de laatste werd in 1836 gehouden – de volgende, levendige impressie gegeven.

’De Amsterdammers van elken stand stroomden daarheen, en onder het vroolijkste gewoel en gejoel kocht men de geschenken voor ouden en jongen. Men trakteerde elkaar op ‘Sinterclaeskoeck, amandel-broot, honincktaert en massepeyn’. Dan kwam de doedelzakblazer in de stad, en sprong op een ton, ergens in een hoekje op den Dam, bij een steegje en blies lustig zijn ’deuntgen’, terwijl de jeugd en de mannelijke leeftijd in uitgelaten vroolijkheid rondsprongen en dansten. Dan kwamen de reizende sprooksprekers of comedianten en sloegen hun schavot of plankier op, een stellaadje van planken op biertonnen of palen, en speelden hunne kluchten met een grappigheid, dat ’t volk het uitschaterde van het lachen. Dan vloog de komieke nar, met rinkelbellen behangen, links en rechts over den Dam, tot groot vermaak van iedereen.’

Sinds 1934 kent de hoofdstad het jaarlijks weerkerende feest van de ‘blijde inkomste’ van de goedheiligman. Gevolgd door praalwagens waarmee handel en industrie onderstrepen dat zij belang bij het Sinterklaasfeest hebben, rijdt Sint- Nicolaas dan door zijn stad. Aanvankelijk geschiedde de aankomst op de zaterdag voor de naamdag van Sinterklaas; de laatste jaren werd dit vervroegd, maar het blijft op zaterdag. Bij de Dam staat een beker bisschopswijn als traditionele begroetingsdronk te wachten. Vele Amsterdamse burgemeesters hebben in de loop der jaren de grijze maar vitale bisschop op plechtige en eerbiedige wijze welkom geheten, vroeger op het Stadhuis, daarna op de Dam.

Niet alleen Amsterdam weet wat Sinterklaasfeest is. Op de Waddeneilanden gebeurde en gebeurt er ook heel wat. Daar is Sinterklaas een heel apart feest. En daar gebeuren dan de gekste dingen.

Op Ameland heeft men in 1955 danig in het nauw gezeten of een zending buffelhorens wel op tijd zou aankomen. Die zending moest komen van missionaris De Jong in West-Afrika, een neef van wijlen kardinaal De Jong, die evenals zijn neef op Ameland werd geboren. Sinds eeuwen was er vrijwel in ieder huis van dit Waddeneiland ten minste één buffelhoren te vinden. Niemand scheen te weten waar die horens precies vandaan kwamen. Door het intensieve gebruik en het steeds toenemend aantal gebruikers moesten er nieuwe horens komen. Die horens zijn op tijd gekomen. Uit Afrika! Maar waarom? Om er op te blazen. Bij het feest van de Sunde- klazen. Inderdaad, niet te geloven. Maar absoluut waar. Want missionarissen laten wat Afrika en Sint Nicolaas betreft, niet met zich spotten. En zo konden dan de Amelanders op de oude en hun zo vertrouwde wijze Sinterklaas vieren: het feest van de Sundeklazen.

Ameland kent twee Sinterklaasavonden; de eerste op 4 december voor de jongens tot achttien jaar en de tweede of wel de grote Sundeklaasavond op 5 december, wanneer de mannen van boven de achttien jaar de straat op gaan. Let wel: het feest is een zuiver mannenfeest, waarbij een vermomming nodig is. Als een vrouw, zoals dat heet ‘in het pak’ kruipt, heeft zij een bijzonder slechte avond als de mannen dat merken. Mevrouw Van Brakel- Immink, de echtgenote van een Amelander predikant heeft in De Vrije Fries in 1929 beschreven wat er allemaal gebeurt.

‘Bij den echten Hollumer zit de onrust reeds de gehele dag in ’t huisgezin. Te ruim vier uur treft men op alle hoeken der straten, voornamelijk op ‘de Driesprong’ als centrum, troepjes jongemannen, omringd door kinderen, die angstig uitzien en bij elk verdacht witte aanblik uitroepen: ‘daar is er een’ en dan het bekende ba! ba! schreeuwen. Haastig lopend vrouwvolk, die je aan kunt zien dat ze anders zijn dan gewoon, haastig, onrustig, bang sommigen, vreugdevol, angstig. De spanning is er een van ‘vol verwachting klopt ons hart’ voor de te verwachten vreugdevolle avond. Van . . . zullen we ze kennen, wie wel en wie niet, hoe zullen ze zijn en hoeveel …’ Op 4 december, dus de kleine editie, gaan de jongens tegen de schemering de straat op. Zij zijn gehuld in lakens en kleden. Op 5 december komen de grote Sundeklazen, voorzien van de ons nu al bekende buffelhorens en onherkenbaar vermomd. De deuren van allerlei huizen staan voor de Sundeklazen open; in die huizen zit het vrouwvolk. De Sundeklazen kunnen nogal eens hardhandig en doortastend optreden, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Het ideaal is onbekend te blijven. Wie dat bereikt, heeft de dag van zijn leven. Iedereen probeert door stemverdraaiing of anderszins zo min mogelijk op zichzelf te lijken. Wat de data 4 en 5 december betreft, nog wel één punt. Het kan vanwege zondagsheiliging ook op 7 en 8 december vallen. Dus vóór het verkleden wel informeren.

Op Terschelling kent men iets soortgelijks. Speciaal in Midsland trekken op 6 december verklede mannen en jongens met rammelende kettingen en veel getoeter door de straten. Vrouwen worden ook hier niet geduld. De deuren staan open en in de huizen worden de rondtrekkende personages getracteerd. ‘Sinterklaes koom krek as op de aest- en noardfriese eilânen in dei letter as op de feste wal, 6 December. Dà wy lyts wanen, ronne dir jongs op de borren grizige Sinterklazen mei grinzen foar, en mei swiere, izeren kettings. ’t Waes akelik om to sjean, mar tige lillike dingen dogen se toch net. It slimste hwat ik wit is, se trokken wol rys troch de krûme schorstienen binne in grette izeren pot fol koitsjende sikkelaet nei boppen: ’t koe dir boppen op sò’n dak eak sò tige kâld wèze.’

Zo vertelt Knop over zijn jeugd op het eiland; een verhaal dat vermoedelijk niet al te veel moeilijkheden bij het vertalen oplevert.

Sint - Nicolaas 4

Op Texel gaat het weer anders toe. Daar zijn ook twee data te vermelden. Op 5 december vindt het huiselijk feest plaats. Een week later wordt Oude Sunderklaas gevierd. Dat is een openbaar feest dat op straat plaats vindt. Als het op 12 december donker begint te worden, stromen verklede en mooi toegetakelde kinderen de straat op. Later op de avond komen de volwassenen. Met iedereen en met alles wordt de draak gestoken.

In De Cocksdorp trekken de Sunderklaasspelers van huis tot huis; daar staan alle deuren open. En zo wordt Oude Sunderklaas een feest van deinende, hossende mensen. De muziek schijnt nooit te stoppen en de feestvreugde lijkt nooit op te houden. Met slechts één doel: onbekend te blijven.

Een aardige variant op het sinterklaasfeest bestond in het Noord-Hollandse dorp Koedijk, waar op oudejaarsavond het feest van de Gouden Engel werd gevierd, dat in vele opzichten herinnert aan wat elders op 5 december gebeurt. Hier reed niet Sinterklaas maar de Gouden Engel rond om zijn geschenken te brengen. Over de oorsprong van deze verlate pakjesavond bestaan veel veronderstellingen. Een van de mooiste is wel dat Koedijk vroeger een vissersdorpje was en dat de vissers pas tegen het einde van het jaar thuiskwamen. Zij konden dus niet eerder het sintnicolaasfeest vieren. De benaming Gouden Engelfeest zou dan ontleend zijn aan het feit dat de mannen met goede vangsten in de thuishaven arriveerden. Zoals het hoort. Maar helaas. Oude Koedijkers weten er nog wel van mee te praten, maar ook in Koedijk komen mensen van elders wonen en dat nam die Gouden Engel niet. En zo is dit ook al weer een feest dat hard aan het verdwijnen is.

Sint Nicolaas is – dat kunnen wij uit de moderne psychologie leren – zo’n overheersende en dominerende persoonlijkheid dat wij er maar al te weinig bij stil staan dat hij – naar men zegt – ook nog een broer heeft gehad, die met hem op reis ging en meehielp bij de uitdeling van de geschenken en versnaperingen op zijn naamdag. Maar – hoe bestaat het? – zij kregen ruzie. Dat was in Friesland onder Irnsum bij de weg naar Grouw. Sint – Nicolaas wilde naar Leeuwarden, maar broerlief wilde eerst naar Grouw. De ruzie ging zover dat Sint-Nicolaas met alle geschenken naar Leeuwarden trok. Broer bleef achter in Irnsum. Wat mismoedig keerde hij terug naar Spanje om geschenken op te halen, omdat hij de kinderen van Grouw niet in de steek wilde laten. De vervoersmogelijkheden waren toen ook voor Sint – Nicolaas’ broer nog zeer beperkt en Sint – Pieter – dat was de naam van de broer – keerde pas op 21 februari in Grouw terug. Dat gebeurt nu nog. Op de vooravond van Sint- Pieter komt deze Sint nog steeds in Grouw aan; een figuur die verdacht veel op Sinterklaas lijkt. Hoe kan het ook anders. Natuurlijk wordt hij toegezongen en uiteraard in het Fries:

Sint Pietersdei,
Dan grienet de wei,
Dan keallet de kou,
Dan leit de hin,
Dan hat de hûsman
It nei syn sin.

Zij die de brave heilige Sinterklaas zo graag aan vruchtbaarheidsriten koppelen, krijgen ook hier hun zin. Het zit er bij Sint- Pieter dik in: de weilanden worden groen, de koe kalft, de kip legt een ei en de boer heeft het naar zijn zin.

Shell Journaal 1972

Vijf december, ha dat is de blijde dag: lied

Sint-Nicolaas: alle artikelen

956-885

VRIJESCHOOL- 7e klas – geschiedenis

Marco Polo 1

portret van Marco Polo, die door de Venetianen ‘Mijnheer Miljoen Wonderen’ genoemd werd om de wonderbaarlijke avonturen die hij zou hebben beleefd.

MARCO POLO

In het jaar 1261 vertrokken twee Venetiaanse kooplieden vanuit Constantinopel naar Azië. Het waren de gebroeders Mattheus en Nicolaas Polo. Het was hun bedoeling om de binnenlanden van Azië te doorkruisen, waar ze naar nieuwe specerijgebieden zouden zoeken.

Tijdens hun zwerftochten ontmoetten ze ondermeer Koebilaj Khan, de machtige keizer van de Tartaren. Dat gebeurde in 1264 aan het hof van Kambalig (het tegenwoordige Peking). De gebroeders Polo werden er met veel pracht en praal ontvangen, want ze waren de eerste blanken die de oosterse landen bezochten. De keizer wilde alles weten over de gebruiken in de landen van Europa. Vooral de godsdienst in Europa interesseerde de keizer zeer. Drie jaar later vertrokken de Polo’s weer naar hun vaderland Italië. De terugreis verliep een stuk gemakkelijker dan de heenreis, want Mattheus en Nicolaas Polo droegen een gouden amulet bij zich. De keizer had daarop geschreven, dat iedereen hen tijdens hun tocht behulpzaam moest zijn.

WAT WIST MEN VAN AZIË IN DE TIJD VÓÓR MARCO POLO?
In de middeleeuwen was er weinig bekend over de oosterse landen. Er werden ongelooflijke verhalen verteld over vreemde dieren, planten en mensen. Maar wat er waar van was…? Niemand was er ooit geweest.

De kooplieden die handel dreven met de Aziatische landen, kwamen niet verder dan de havens. Daar kwamen de karavanen met oosterse waren, die geruild werden tegen producten uit Europa. Toen men in Europa hoorde dat de Tartaren, onder leiding van hun aanvoerder Djengis Khan, bijna heel Azië hadden veroverd, besloot de paus om enige monniken naar Karakoroem te zenden. Daar bevond zich het hof van de keizer. De paus hoopte op deze manier de woeste Tartaren tot het christendom te bekeren. Eén van de beroemdste monniken, die door de paus naar het oosten werden gestuurd, was Johannes da Pian del Carpine.

In 1245 trok hij door Rusland en Toerkestan naar het rijk der Tartaren. Alles wat hij tijdens zijn lange en vermoeiende reis zag en beleefde, beschreef hij later in zijn boek.

DE EERSTE REIZEN VAN MARCO POLO
In 1269 keerden Nicolaas en Mattheus Polo weer terug naar hun vaderland. Kort daarna vertrokken ze voor een tweede reis naar het Oosten. Ze waren toen in het gezelschap van de jongste zoon van Nicolaas, Marco Polo. De drie dappere Venetianen trokken verder en na een avontuurlijke reis bereikten ze opnieuw het hof van Koebilaj Khan. Ze hadden een bericht van de paus bij zich. De vorst was bijzonder blij met hun komst. Hij raakte gesteld op de jonge Marco Polo, omdat deze een pientere en eerlijke jongeman bleek te zijn. De vorst benoemde Marco tot z’n raadsheer. Hij kreeg zelfs het bestuur over de provincie Sangoej (Nanking). Marco Polo kreeg daardoor de kans om verre reizen te maken door het gebied van Koebilaj Khan. Op deze manier leerde hij de gebruiken van vele volkeren kennen. De vorst vond het niet plezierig dat zijn gasten ten slotte weer naar hun eigen land wilden terugkeren en wist ze vele jaren lang tegen te houden. In het jaar 1292 gingen ze uiteindelijk terug.

Marco Polo 2

De jonge Marco Polo kijkt met zijn vader en oom hoe de schepen voor de reis naar het onbekende Azië worden volgeladen.

‘Meneer Miljoen Wonderen’
Waarom liet Koebilaj Khan zijn gasten ten slotte tóch vertrekken? Hier was een speciale reden voor. De keizer van Perzië had de keizer enkele afgezanten gestuurd met een huwelijksaanzoek voor de prinses. Op de terugreis wilden de Perzische afgezanten graag vergezeld worden door de drie Polo’s want zij hadden natuurlijk een enorme ervaring in het maken van verre reizen. Met tegenzin stemde de vorst toe en zo vertrokken onze wereldreizigers met 14 schepen en 600 man naar het westen. Na vier en een half jaar varen – er waren nog slechts 18 overlevenden – bereikte de vloot eindelijk Perzië. Vandaar ging de reis naar Venetië, waar ze in 1295 aankwamen. Ze waren toen 24 jaar van huis geweest! Marco Polo vertelde z’n avonturen uitvoerig, maar de mensen geloofden hem niet.

Men vond hem een opschepper. De mensen lachten maar een beetje om al die fantastische verhalen en gaven Marco de bijnaam van ‘Meneer Miljoen Wonderen’.

Tijdens een oorlog tussen de handelssteden Venetië en Genua werd Marco Polo gevangengenomen en kwam in een Genuese kerker terecht en ontmoette daar een andere gevangene, Rustichello uit Pisa. Deze tekende de wonderbaarlijke verhalen van Marco Polo op. Toen hij vrijgelaten werd verscheen een boek over de avonturen van de wereldreiziger. De titel van het boek was dezelfde als de bijnaam, die men Marco Polo had gegeven. ‘Meneer Miljoen Wonderen’ stond er in sierlijke letters op het omslag. Het merkwaardige was dat de mensen de verhalen toen wel geloofden.

ZO LEEFDEN DE TARTAREN
De Tartaren woonden ’s winters in de dalen, waar voldoende gras groeide voor hun dieren, ’s Zomers gingen ze de bergen in of ze trokken naar valleien waar zich veel water bevond. Wanneer de Tartaren verhuisden braken ze hun houten huizen af en namen deze mee. Voor de verhuizing werden grote karren gebruikt, die waren bedekt met grote kleden, die de regen tegenhielden. De karren werden door ossen of kamelen getrokken. Bovenop zaten de vrouwen en kinderen. Het zwaard en de knuppel waren de wapens van de Tartaren. Maar zij waren het meest gevreesd om hun trefzekerheid met pijl en boog. Als ze eenmaal op hun paard zaten, waren ze onvermoeibaar. De Tartaren konden gerust tien dagen achter elkaar op het paard zitten. Hun enige voedsel bestond dan uit het bloed dat ze uit de aderen van hun paarden zogen.

Marco Polo 3

In gevechten voerden ze een zeer speciale tactiek. De Tartaren deden eerst alsof ze op de vlucht sloegen. Als hun tegenstanders dan overmoedig de achtervolging inzetten, draaiden de Tartaarse ruiters zich plotseling om en bestookten hun vijanden met een regen van pijlen.

Het is niet verwonderlijk dat dit woeste ruitervolk heel China veroverde, met uitzondering van de stad Sanjanfoe.

Deze stad wist al drie lange jaren de aanvaller van de Tartaren af te slaan. Dat de stad ten slotte toch werd veroverd was te danken aan Marco Polo. Hij adviseerde de vorst van de Tartaren om een blijde te gebruiken. Een blijde is te vergelijken met een enorme katapult. Daarmee werden grote stenen over de stadsmuren geslingerd, een blijde was in Europa in de Middeleeuwen een veel gebruikt wapen.

De Tartaren hadden er nog nooit van gehoord. Met behulp van een tekening legde Marco PoLo uit, hoe zo’n wapen werkte.

Onder zijn leiding werden drie blijden gebouw die stenen tot 300 pond konden wegslingeren. Dit werd de stad Sanjanfoe noodlottig. Tegen dit moderne wapen was men niet opgewassen. De stad Sanjanfoe gaf zich ontsteld over.

Aantekeningen van Marco Polo over Azië

Klein-Armenië
De mensen in deze streek
zijn enorme drinkers. Aan zee ligt de stad Lajas, waar zich opslagplaatsen bevinden van goederen en specerijen uit de hele wereld.

Groot-Armenië
Boven op een berg, de Ararat, ligt de Ark van Noach.

Baldac –
Een grote stad, waar de kalief van alle Saracenen woont, zoals in Rome de paus van alle christenen (Bagdad).

Tobris –
Mooiste stad van Irak. Hier worden gewaden gemaakt van zijde en goud. Kooplieden uit alle delen van de wereld bezoeken deze stad.

Balc –
Een stad op de grens van het Tartarenland. Wie verder wil reizen moet veel proviand meenemen, aangezien men gedurende 12 dagen reizen geen onderdak zal vinden.

Balscian –
In deze streek leven wilde rammen met grote horens. Van de horens maken de herders diepe borden. Het is hier zo koud, dat er zelfs geen vogels vliegen.

Tangoet –
In deze provincie verbouwt men rabarber, dat over de hele wereld wordt uitgevoerd.

Kataj –
In deze streek wordt geld gebruikt, dat op papier lijkt. Het zijn zijden blaadjes, waar de stempel van de Grote Khan op staat. In andere gebieden gebruikt men schelpen als betaalmiddel of schijven zout van een half pond.

Sjangli –
Rond deze stad wordt in de bodem zout gevonden. Men graaft de zoute aarde op en laat er water doorheen stromen. Het zoute water wordt in grote ijzeren ketels aan de kook gebracht. Als het water is verdampt, blijft op de bodem van de ketels een laag zout liggen.

Kambalig –
Hoofdstad van het Tartarenrijk van Koebilaj Khan. De Khan woont in een schitterend paleis.

Kipangoe –
Een eiland dat rijk is aan goud. Het schitterende paleis van de keizer is goud belegd (Japan).

Kinsaj –
Betekent in het Chinees: ‘Hemelse Stad’. Het is de hoofdstad van het oude Mantsji-rijk. De stad is net als Venetië op het water gebouwd en er zijn 12.000 stenen bruggen. Elke brug wordt bewaakt door schildwachten.

Sumatra –
Een eiland dat wordt bewoond door bloeddorstige mensen. Geen enkele vreemdeling kan hier binnendringen. De mensen drinken er palmwijn.

Ceylon –
Een eiland waar kostbare edelstenen worden gevonden. De koning bezit de grootste robijn ter wereld. Deze steen is langer dan een hand en dikker dan de arm van een man.

Lar –
Het land van de boeddhisten. Dit zijn de eerlijkste kooplieden ter wereld. Ze eten geen vlees en drinken ook geen wijn. Ze zullen nooit dieren doden, zelfs geen insecten.

Escier –
Het land van wierook. Deze stof wordt uit bepaalde bomen verkregen. Er is een tekort aan graan en andere landbouwgewassen, maar er is vis in overvloed. De bewoners voeden hun dieren met vis.

Aden –
Een provincie met veel steden en kastelen. Veel schepen, die op weg zijn van Indonesië naar Egypte, doen Aden aan.

Ormoes –
Hier leven merkwaardige vogelsoorten, zoals papegaaien. De mensen in Ormoes bouwen onveilige schepen, omdat het hout niet wordt vastgespijkerd. Het hout wordt met draden bevestigd, die gemaakt zijn uit de bast van een notenboom.

Kamadin –
Rondom deze stad ligt een vruchtbaar gebied, waar dadels en paradijsvruchten worden gekweekt. Men heeft er grote ossen, die zo wit zijn als sneeuw. Deze ossen hebben kort haar, dikke horens en een grote bult tussen de schouders (zeboes).

Perzië –
In dit koninkrijk ligt de stad Sava. Vanuit deze stad vertrokken de Drie Koningen om Christus te aanbidden. De Drie Koningen liggen hier in een mooie graftombe begraven.

Mosoel –
Deze stad maakt deel uit van een koninkrijk, waar vele mensen wonen. De grootste stam is die van de aanbidders van Mohammed.

Toerkmenistan –
Hier worden de mooiste tapijten ter wereld gemaakt.

Marco Polo 4

Marco Polo

7e klas geschiedenis: alle artikelen

955-884

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (2)

.

Hier volgen een aantal gezichtspunten die Klara Hatterman, kleuterleidster op de vrijeschool in Hannover, jaren geleden – plaats en tijd onbekend – naar voren bracht over ‘kindertekeningen’.

Voor haar is het duidelijk dat aan de kindertekening de fysieke ontwikkeling van het kind af te lezen is.
Bij de geboorte krijgen wij uit onze erfelijkheid een fysiek lichaam. De vormkrachten, de architect en bouwmeester, het etherlijf genoemd, bouwen het lichaam op. Als geestelijke component nemen Ik en ziel bezit van het lichaam, totdat het totaal omgevormd is tot een persoonlijk lichaam waarin een eigen denken, voelen en vrij willen pas mogelijk worden.
Na onze eerste zeven levensjaren is ons lichaam zo veranderd, dat er geen cel meer is zoals ze uit de erfelijkheid gevormd was.

Kindertekeningen lijken overal ter wereld op elkaar. Wat haar opviel, was hoe sterk lichamelijk gebonden die tekeningen zijn m.a.w. het kind blijkt slechts in staat datgene te tekenen wat er zich in zijn lichaam afspeelt, wat er reeds in dat lichaam werd gevormd. Dat geldt niet enkel voor de tekeningen, maar ook voor het kinderspel.

Het kind groeit geleidelijk vanuit het hoofd en het is dan ook het hoofd dat het eerst omgevormd en geboetseerd wordt door de etherkrachten.

Tussen nul en ongeveer drie jaar zal het kind spiralen en wervelende lijnen tekenen – waarin een enorme dynamiek tot uiting komt. Het tekenblad zal dan te klein voor het kind zijn en muren en tafelblad moeten er dikwijls aan geloven.
Stilaan ontstaan ook verdichtingen: de lichtere kleuren worden a.h.w. overwerveld door donkere. Het kind gaat soms zodanig op in het spel van het donkermaken dat het een gat in zijn papier krast.

In deze periode zie je het kind dikwijls onder een tafel met een doek erover stil in het donker zitten om dan weer in het licht te treden. Een zwart kleurkrijtje in de handen van zo’n een kind zou hem beroven van de belevenis van het zelf verduisteren met behulp van donkere tinten.

Ten slotte groeien uit die wervelende lijnen de aparte lusjes en ringen en eerst als het hoofd volledig gevormd is, tekent het kind de gesloten cirkel. Duidelijk werd dit getoond op de dia (deze ontbreekt helaas als illustratie) waarop het kind de kringen die het tekende opzettelijk “dichtknoopte”. Voordien tekende het kind nog erg afwezig, soms met afgewend hoofd, ongeïnteresseerd. Nu maakt het echter doelbewust het sluitende gebaar. Het ïk-bewustzijn is geboren!

De fysieke grondslag van hoofd en hersenen, de basis voor het denken, is klaar. Dit alles laat zich duidelijk aflezen van de kindertekeningen.

Tussen drie en ongeveer vijf jaar dalen de vormkrachten verder in het lichaam af. De mollige handjes worden gevormder en persoonlijker; de vingertjes krijgen ieder hun eigen karakter. Het ademhalings-en bloedritme begint vaste vorm te krijgen.

In de tekeningen herkent men symmetrie en herhaling. Het kind tekent zogenaamde ladders en kruisingen (bewegingssporen) en levensbomen. De kleur wordt nu belangrijker (voorheen, was het meer een verschil tussen licht en donker).

De eerste mensen worden getekend, eerst nog schuchter; een cirkel met twee kleinere kringetjes; uit dat hoofd schieten daarna stralen. Gaandeweg krijgt het hoofd een lijf, waarin weer ‘ladders” voor komen. Boven en onder worden nu duidelijk aangegeven. Toch zweven de getekende mensenfiguren nog, ze raken de aarde niet en er worden nauwelijks benen of voeten getekend. Met de ontwikkeling van het ritme hangt ook de ontdekking van links en rechts nauw samen; nu is het kind pas in staat met andere kinderen een gesloten kring te vormen en werkelijk samen te spelen.

De fysieke basis voor het voelen is gelegd.

De ontwikkeling van dat ritme moet ook kunnen steunen op een ritmisch dagverloop: vaste uren voor eten, slapen, spel, opruimen, vaste plaats aan tafel, enz.,. Symmetrie en regelmaat zijn dus sleutels om tot een harmonisch gevoelsleven te komen.

Vanaf ongeveer vijf tot zeven jaar wordt de basis voor het vrije willen gevormd. Het stofwisselingssysteem en de ledematen worden door de etherkrachten verder doorkneed. De tekeningen worden bij wijze van spreken realistischer, de mensenfiguren komen langzamerhand op de grond te staan. Pas als het kind zelf goed met de aarde, waarop het zich beweegt vertrouwd is, als het zelf doelbewust, de benen en voeten beweegt, als de laatste en tevens de hardste erfelijkheidsresten, nl. de tanden uitgestoten zijn, is het kind schoolrijp.

Het kind leert houden van de aarde, waarop het als geestelijk wezen gekomen is, het voelt er zich thuis.

De huisvormen en de driehoek vallen nu sterk omlijnd in de tekeningen op. De fysieke vorming is nu volledig. Het melktandengebit, waarin de tanden als kleine pareltjes mooi op een rijtje stonden, is vervangen door het echte gebit. waarin de tanden individueel sterk verschillen. Ook de tenen zijn totaal gemetamorfoseerd.

Werd het kind voordien in zijn spel nog sterk beïnvloed door de dingen uit zijn onmiddellijke omgeving, nu beschikt het kind over vrije voorstellingen. De vormkrachten die het hele lichaam omgevormd hebben, worden tot beeldkrachten. Het kind is nu zelf schepper en tekent wat het uit de vrije voorstelling wil.

In deze eerste zeven jaar ligt de basis voor het verdere leven van het kind. Het is dan ook van het grootste belang dat het kind in die periode behoed wordt tegen elke vorm van intellectualistische benadering; deze wijze van doen zou immers de vormkrachten van het kind stukslaan en denken, voelen of willen zouden hierdoor onvrij en misvormd blijven.
.

Kindertekeningenalle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuter-kleuterklas

954-883

VRIJESCHOOL – Peuters-kleuters – de kindertekening (1)

.
Elly Bus – Kleuterschool Oudorp, nadere gegevens onbekend
.

DE KINDERTEKENING

TOT 7 JAAR

Als kleuterleidster verkeer je in de bevoorrechte positie elke dag een stroom van kindertekeningen in handen te krijgen en te bekijken, voor mij kunst in zijn puurste vorm, die voordat ze in map of tas verdwijnen soms eerst nog trots worden gepresenteerd.

Ik schrijf soms, omdat het de kleuter niet zoveel uitmaakt wat de volwassene er van vindt, hij tekent omdat hij móet tekenen, het resultaat is onbelangrijk.

Dit verandert naarmate de kinderen ouder worden. De kleuter is nog niet afhankelijk van een vooruitgedacht oordeel, zo van: ik zal dat of dát eens gaan tekenen, want dat vindt Juf zo mooi.

Het is niet aan de orde. Kinderen tekenen niet de buitenwereld, maar hun eigen kleine- grote- binnenwereld en die moet eruit. Ze tekenen dan ook niet wat ze zien, maar wat ze innerlijk weten: onbewuste processen en ontwikkelingen zoals het in bezit nemen van hun eigen lichaam, het incarneren, dat is in de tekening duidelijk zichtbaar. Daarnaast het al of niet thuis voelen in zijn omgeving, zijn individuele situatie. De ene keer tekenen ze een mens, dan weer een huis of schip, allemaal afbeeldingen van hun eigen lichaam en hoe ze in de wereld staan.

De tekeningen bekijk ik als ontwikkelingsgang van de kinderen. Kennis omtrent de ontwikkeling van kind én tekening is dus noodzakelijk om te kunnen beoordelen waar een kind in zijn gang naar de volwassenheid “zit”. Dit is ook belangrijk om schoolrijpheid vast te stellen, in samenhang met tandenwisseling, sociale ontwikkeling enz.

Alle kinderen tekenen hetzelfde, op dezelfde wijze. Ze zijn nog één volk, één ras, ze begrijpen elkaar. Herhaling van motieven is hierin een belangrijk verschijnsel zo wie zo in een kleuterleven en het zijn altijd de dingen waar hij plezier aan beleeft. Vele kindermotieven komen ook steeds weer terug in oude culturen, o.a de Kelten. Het is een aanduiding die gaat in een richting dat iedere mens in het kort de mensheidsontwikkeling doormaakt[1]

Het kind gaat tekenen vanuit de nabootsing als het ongeveer 2 jaar oud is, heeft er plezier in sporen en bewegingen achter te laten en herhaalt die steeds maar weer, grenzeloos, het liefst neemt hij alle muren, boeken als ondergrond, maar op een gegeven moment leert hij de beperkingen van het blad kennen en kan er een ontwikkeling gaan plaatsvinden. De waaiervormige krabbels ontstaan, hij krijgt controle over zijn motoriek, eerst nog is het hele lijfje in beweging, maar de bewegingen worden steeds gedifferentieerder. Tijdens de kleuterleeftijd, tekent het kind nog vanuit de schouder en de pols, pas tegen het zevende jaar is de motoriek zo ontwikkeld dat het vanuit de vingers tekent en dus rijp is om te leren schrijven.

De kleuterfase is afgerond en gaat het lagere schoolkind anders tekenen, veel minder vanuit de beweging en de authenticiteit verdwijnt voor een groot gedeelte.

kindertekening 3

Het basisschoolkind tekent nu in opdracht, dikwijls mooi versierd niet alleen voor zichzelf, maar is ook afhankelijk geworden van wat de buitenwereld ervan vindt.

Krabbel tekeningen zijn altijd de eerste op weg in de ontwikkeling, enorme wervelingen, alleen maar belangrijk voor zichzelf. Zo doorloopt het kind tot zijn zevende jaar een aantal fasen :

1) tot 3 jaar:
Nog geen herinnering. ritmische bewegingen, nog geen echte voorstelling. Uit de chaos van de 2- en 3-jarigen ontstaat het oerkruis, vanuit de rechte en de kromme lijn. Vanuit de bal en kluwen een wat doelgerichter bewegen.

tot plus minus 3 jaar: inwikkelende spiralen (z’n onbewuste weggetje). Koppigheidsfase – gaat Ik en Nee zeggen en maakt de tekeningen nu dicht tot cirkels. Ook ontstaat het kruis. De loodrechte richting is veroverd, daarop de horizontale en nog wat wijd verbreide kluwens. Zoeken van balans, staan in de ruimte – hoe steviger het kruis, hoe groter die vastberadenheid.

2)
3- 4 jarigen. Ontwaken van de fantasie. Kind laat zich leiden door fantasie. Kind benoemt achteraf. Na het derde jaar smelten cirkel en kruis samen. Zelfontdekking. Vanaf 4 jaar bewegingssporen van binnen naar buiten. Vorming van de ledematen, de koppoters krijgen steeds grotere rol. De koppoter weerspiegeld de zintuiglijke ontwikkeling. Vierkant doet zijn intrede.

kindertekening 2

3)
5 jaar. Illustratieve fase
Driehoek beïnvloedt de tekening (huis). De kleur wordt een belangrijk facet. Cirkel, vierkant en driehoek zijn wetmatigheden in de tekeningen en is de geboorte van de tekentaal. Bovendien toont het ons de ontwikkeling vanuit het hoofd naar beneden, de ledematen. Deze kun je onderverdelen in de armen en benen, 2 verschillende levensgebieden. Armen zijn altijd vrijer en beweeglijker dan de benen. Soms blijven voeten lange tijd achterwege. Handen maken contact met de buitenwereld, zijn waarnemingsorganen. Voeten geven een wilsmatig element aan de tekening, een krachtsimpuls. Geen naturalistische afbeeldingen.

Kleur is een nieuw expressie-element van lineair naar twee dimensionaal. Het kind kiest de kleur die zijn gevoelens past, een mengeling ontstaat van ritmische bewegingen en een psychische uiting, dus met de gevoelens (sympathie, antipathie) doen ook de kleuren hun intrede. (Kinderziektes openen de poort naar de kleur). Het ontwikkelt zijn eigen kleursymboliek. Zijn behoefte aan expressie is zo groot dat het zelfs met een ongeschikt krijtje genuanceerde kleurpartijen kan doen ontstaan. Vanuit de beweging ontstaan ook prachtige geometrische vormen zoals sterren, zo mooi in evenwicht, dat u of ik ze zo uit de losse hand niet na zouden kunnen maken. Hoogtepunt : vlak voor de tandenwisseling + eind 5 jaar.

4)
5,6 en 7 jarigen. De voorstellingen worden steeds naturalistischer en dramatiek wordt zichtbaar en wat het kind belangrijk vindt, bepaalt het zwaartepunt.

Het kind trekt zich terug in zijn lichaam, wordt steeds minder uithuizig. De huizen, die eerst zo gezellig open waren, met tafels, stoelen, bloemetjes krijgen nu een stevige gevel met een voordeur.

Het kind raakt zijn natuurlijke onbevangenheid kwijt en moet een nieuwe manier vinden om weer naar buiten te treden.

De tekenproductie neemt af tussen 6 à 7 jaar. Het kind neemt een meer nadenkende passieve waarnemingshouding aan i.p.v. actieve.

Hij is bezig met de metamorfose van zijn gestalte, een grote krachtsinspanning en dit gaat ten koste van zijn psychische fantasie. Tandenwisseling treedt in en daarmee een kunstzinnige pauze.

kindertekening 1

Geraadpleegde literatuur:

Kindertekening – Michaela Strauss

De kindertekening ontwikkeling en uiting – Karen Mortensen

[1] zie voor dit onderwerp: menskunde en pedagogie – artikelen onder nr.12

Kindertekeningenalle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuter-kleuterklas
.

953-882

.

VRIJESCHOOL – Mensbeeld en examen

.

Ook dit wat oudere artikel bevat hoogst actuele gezichtspunten. Juist in deze tijd waarin met name de vrijeschoolbovenbouwen sterker dan voorheen worden geconfronteerd met exameneisen.

KIND IN ONTWIKKELING – MENSHEID IN ONTWIKKELING
.

Onlangs vroeg iemand – hoogleraar en lid van een examencommissie m.o.-wiskunde – mij (A.S) of het mogelijk zou zijn om een school zo in te richten dat je een breed vormingsonderwijs geeft zonder daarbij van een bepaalde wereldbeschouwing uit te gaan.

In het gesprek hierover kwamen wij erop dat dit niet mogelijk is, dat iedere school, hoe dan ook, altijd uitgaat van een bepaald wereldbeeld, een bepaalde wereldbeschouwing. Een school is in feite nooit ‘neutraal’; neutraal onderwijs bestaat niet.

Het wereldbeeld van de school wordt zichtbaar in de doelstelling. Is de voornaamste of enige doelstelling de opleiding voor een examen, dan wordt uitgegaan van het wereldbeeld, waarin de mens beoordeeld wordt naar bepaalde, eenzijdig beperkte prestaties, die hem al dan geen toegangskaart verschaffen tot een besloten maatschappij. Haalt hij die toegangskaart niet, dan staat hij eigenlijk buiten die maatschappij, staat voor een gesloten deur – het schrikbeeld dat zelfs kleuterouders al voor hun kinderen voor ogen zweeft. En omdat het onrechtvaardig aandoet om mensen buiten te sluiten wordt er eindeloos aan de methode van onderwijs gesleuteld opdat toch zoveel mogelijk leerlingen hun toegangskaart halen zonder dat er aan de feitelijke handicaps, de doelstelling, iets wordt veranderd,

Haal je de toegangskaart wel, dan zet de ladderklimmerij zich voort. Iedere sport hoger biedt immers kansen op een betere positie in die maatschappij, op een hoger inkomen. Doelstelling van examengericht onderwijs is: sleutel tot laddermaatschappij, tot positie, inkomen, kortom tot individueel succes, zoals dit door minister van Kemenade weer eens is uitgesproken op het landelijk congres van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs, op zaterdag 24 mei j.l.* Gelijke kansen in het onderwijs betekent in dit wereldbeeld niet anders dan gelijke kansen op het leveren van gelijke prestatie – minstens mavo- die toegang geeft tot een maatschappij, waarin de waarde van een mens wordt afgemeten naar zijn papieren status en wordt uitgedrukt in geld – een zuiver materialistisch wereldbeeld.

Rudolf Steiner heeft een ander wereldbeeld gegeven. Het is een beeld dat getuigt van een enorme visie, een beeld dat zich uitstrekt over grote tijdperken van aarde- en mensheidsontwikkeling. In een aantal werken en voordrachten beschrijft Rudolf Steiner hoe onze aardeplaneet en de daarmee verbonden mensheid aeonen omvattende ontwikkelingsstadia doormaken, ieder met hun eigen opgave. In een vorige, ver terugliggende fase, is het de wijsheid geweest, de goddelijke wijsheid, die zich langzamerhand met de aarde verbonden heeft. Het is de wijsheid die wij nu in de natuur kunnen terugvinden als overal werkende kracht. In de substanties van de minerale wereld, in alle skeletvorming bv., in de levensprocessen van de planten, in het instinkt van de dieren. Hoe meer wij met ons menselijk ‘on’wijs handelen in deze natuur ingrijpen, des te meer merken wij hoe wij iets verstoren wat verbazingwekkend geniaal in elkaar zit en in stand blijft. Alles wat wij ‘ontdekken’ en ingenieus vervaardigen, is in de natuur al ergens verborgen aanwezig en reeds toegepast, de natuur is daarin veel verder. Deze innerlijke wijsheid leert de mens eerst geleidelijk te veroveren.
Inmiddels wordt in de tegenwoordige fase van de aarde iets anders voorbereid.

Iets, wat niet in de natuur te vinden is en wat alleen met behulp van de mens bereikt kan worden: de liefde, de broederlijkheid.

Dat is de opgave van de ontwikkelingsperiode van mens en aarde, waarin wij nu leven. Deze liefde, zegt Steiner, is reeds lang geleden in kiem aangelegd in zijn laagste vorm en zal zich steeds meer vergeestelijken totdat, wanneer de aarde aan het eind van deze ontwikkeling gekomen is, zij geheel van liefde zal zijn doortrokken zoals zij nu van wijsheid is doortrokken.

Voorwaarde voor het volbrengen van deze opgave is echter, dat de mens een vrije persoonlijkheid wordt. Alleen in volle geestelijke vrijheid, nooit onder dwang, kun je iets liefhebben, kunnen mensen broederlijk met elkaar omgaan.

Het is een opvallend verschijnsel dat er zo’n groot verlangen naar broederlijkheid onder de mensen leeft en dat er toch zo weinig van verwezenlijkt wordt. Je kunt je daarbij troosten met de gedachte, dat we nog aan het begin van deze ontwikkeling staan.

Maar worden we ook niet geremd doordat we ons nog steeds (moeten) onderwerpen aan de consequenties van een voor algemeen geldend gehouden wereldbeeld, ook als we daar innerlijk niet achter staan? Een wereldbeeld dat bovendien bedriegt, omdat het zich niet als zodanig aandient. Omdat het via het ingeslepen opvoedingspatroon zo aan je is vastgegroeid als je eigen neus aan je is vastgegroeid, die je ook niet meer ziet. Maar zodra je over onderwijs komt te spreken wordt het zichtbaar.

*Annet Schukking, Geert Grooteschool, *juni 1975

Literatuur:
Rudolf Steiner –
GA 13
vertaald: de Wetenschap van de geheimen van de ziel
GA 103
vertaald: Het evangelie naar Johannes
de Zending van de Aarde (vertaling van Die Mission der Erde), voordracht gehouden te Hamburg op 20 mei 1908

Toetsenalle artikelen
Zie bv. Opspattend grind [4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92].

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

952-881

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

Hoe ga je te werk

In ‘Geschichte lehren’ staat de lesstof van de 7e klas in grote lijnen beschreven.

Dit is wat je eigenlijk met de kinderen zou moeten behandelen en wel in 2 perioden van 3 à 4 weken.

Lindenberg geeft in zijn boek perioden van 3 weken, maar de ervaring is bij velen dat 4 weken nodig zijn, dus totaal 8.

Zeker, wanneer je niet voortdurend – gedurende die 2 uur hoofdonderwijs waar ook vaak nog iets vanaf gaat (een paar liederen, getuigschriftspreuken enz.???) aan het woord wilt zijn. Dat verdragen de leerlingen niet en vanuit de algemene menskunde kun je weten dat ze dan teveel wegdromen en derhalve niet veel opnemen. Je doet dus moeite voor niets.

Het is dus belangrijk dat je kijkt naar de werkvormen die je wilt hanteren bij het aanleren van de stof.

Het vertellen is toch een belangrijk onderdeel en hierbij gelden, ook al hebben we hier met een hogere klas te maken, dat het ‘beeldend’ moet zijn. (Dat geldt ook  nog voor klas 8).

Beeldend is, wanneer je iets voor je ziet; wanneer je iets meebeleeft; wanneer er spanning en ontspanning is; humor en verdriet enz.

In de lesstof die in de artikelen voor de 7e klas wordt beschreven, is daarvan niet erg veel aanwezig; het gaat daar meer om de inhoud.

Goede schrijvers van historische (jeugd)romans kunnen een zeer inspirerend voorbeeld zijn. Het betekent wel dat je die boeken zelf eerst moet lezen en er vervolgens die onderwerpen uit moet halen die je nodig hebt.

Voor de geschiedenis van de lage landen bestaat er een serie die voor ons buitengewoon geschikt is: ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar.

Hij laat steeds de mensen iets beleven en doet dit zoals wij dit met onze vertelstof door de klassen heen, ook doen.
De kinderen in je klas kunnen dit zo meebeleven, dat hun gevoel aangesproken wordt en niet, zoals bij het feitelijk overbrengen van de stof, het hoofd – de ‘antipathiekrachten van het spiegelend moeten leren’ (Algemene menskunde o.a. 2e voordracht).

Uit deel 2: DE WERELD IS ROND

Tegen het eind van de 15de eeuw zijn de geleerden – maar nog niet allen – ervan overtuigd, dat de aarde rond is. De weg naar het Verre Oosten, open gelegd door de tocht van Mar co Polo (in 1271 van Venetië naar Peking), moet dus ook via het Westen bereikbaar zijn. Nu Constantinopel gevallen is en de Turken beslag hebben gelegd op het Byzantijnse rijk, ligt de handelsroute naar het Oosten gedeeltelijk geblokkeerd. Wel worden nu nog omvangrijke zaken gedaan met Egypte, maar de wens bij de kooplieden groeit om een zeeweg naar het Oosten via het Westen te vinden. Koene Portugezen varen langs de kust van Afrika. Zij verdienen kapitalen met hun handel in slaven (voor huiselijk gebruik in Europa en door de verkoop van de ongelukkigen aan andere stammen!). Zij halen vermogens op met specerijen, ivoor en goud. Met het zo verdiende geld zijn de Portugezen in staat snellere en zeewaardiger schepen te bouwen. Steeds verder zeilen ze uit om rijkdommen in de wacht te slepen – terwijl de rest van Europa hun verrichtingen jaloers gadeslaat.

In 1488 zeilt Bartholomeus Diaz als eerste Europeaan om Kaap de Goede Hoop. Hij koestert de hoop de zeeweg naar Azië eindelijk te hebben gevonden. Wanneer na drie weken zeilen nog steeds geen land in zicht komt slaat de bemanning aan het muiten.

Tot zover is het nog een gewone beschrijving. Dan begint de ‘echte’ vertelling:

„Terug!” roept het zeevolk uit angst voor donkere zeeën en onbewoonbare gebieden. De stoere Diaz ziet zich gedwongen het roer te wenden.
De wereld is rond! Jawel, maar welke gek waagt het naar de qwestelijke einder te zeilen om zodoende in China aan land te gaan?

Christofoor Columbus, een weverszoon uit Genua wil het proberen. Zeelieden hebben hem verteld, dat op de Azoren meermalen voorwerpen zijn aangespoeld :

„Ver in het Westen moeten eilanden zijn!”

„Een stuurman uit Portugal heeft op de Azoren een kunstig gesneden brok hout gevonden!”

„Stukken riet en zelfs twee lijken van een vreemd mensenras zijn daar door de golven aan land gespoeld!”

Onvermoeid vecht Columbus – aan vele hoven van Europa – acht j aar lang voor zijn plan. Eindelijk beginnen koningin Isabella en koning Ferdinand toch iets te zien in de ideeën van de welbespraakte kapitein. De Moren zijn net uit Granada verjaagd en nu aan die slepende oorlog een eind gekomen is, kunnen er wel gelden beschikbaar worden gesteld.

..Het prestige van Spanje zal groeien, als de tocht met succes wordt bekroond!” denkt men aan het hof.

Zó doldriest, zó avontuurlijk, zó gevaarlijk lijkt de onderneming dat Columbus geen zeevolk voor zijn schepen vindt. Gevangenen kunnen hun vrijheid krijgen als zij zich melden, maar ze doen het niet. Tenslotte krijgt Columbus zijn bemanning toch bij elkaar.

3 augustus 1492: In de haven van Palos gooien de matrozen op de Pinta, de Nina en de Santa Maria de trossen los. In de hut van Columbus ligt een brief in het Latijn, bestemd voor de keizer van China.

Het is prachtig weer. Met een constante oostenwind drijven de schepen, met in totaal 120 koppen aan boord, in snelle vaart westwaarts.

„Pssst!” Ze spugen in zee, tellen de polsslagen, terwijl de spuugvlek langs het schip drijft. Zó meten ze hun snelheid. Columbus geeft de afgelegde afstand steevast te klein op: zijn zeelieden moeten de afstand naar Spanje vooral niet te groot gaan vinden.

De zee, de eindeloze zee, maakt de bemanning soms wanhopig. Pas na 10 weken komen er aanwijzingen, dat „Indië” nabij moet zijn.

„Daar!” wijst een matroos over de reling. Een stok met snijwerk en kort daarop nog een tak met rode bessen worden verheugd uit zee opgevist. Op de avond van de 11de oktober meent Columbus in de verte een licht te zien:

„Het flikkerde met zulk een onzekere glans, dat ik het niet als een teken van land durfde aanmerken . . .” noteert hij in zijn logboek. Ruim 23 uur later weerklinkt in de nacht opeens de bevrijdende kreet van de uitkijk:

„Land! Land!”

Rodrigues Bermejo, matroos op de vooruitvarende Pinta, heeft in het maanlicht de zoom van een zeestrand ontdekt. Wat een blijdschap!

„Rodrigues!”

„Fernando! Land, land!” De ruige zeelui omarmen elkaar en juichen. Dankbaar zingen zij een Te Deum op het dek om God te prijzen voor de behouden vaart.

Wat een fascinerend schouwspel, als de naakte, beschilderde Taino- Indianen op de Bahama’s de vreemdelingen tegemoetgaan. Als onbekende góden uit een andere wereld betreden de Spanjaarden het land. Begerig loeren zij naar de kleine stukjes goud, die de Taino’s in de doorboorde neuswand dragen. Wapens kennen deze vreedzame Indianen niet. Eén van hen loopt argeloos in het zwaard van de admiraal en verwondt zich lelijk.

Zoekend naar Japan ontdekken de Spanjaarden in de komende weken nieuwe eilanden. De tropische lente vertoont zich in haar exotische bloemenpracht. Voor het eerst ziet het zeevolk, hoe de Indianen een soort kruiden in een droog blad wikkelen en aansteken.

„Ze drinken de rook!” schrijft Columbus in een van zijn rapporten.

De moeilijkheden waarmee hij te kampen krijgt zijn groot. Er is desertie. Belust op goud gaan bemanningsleden aan de haal. Bij het ruilen van prullaria tegen goud stapelen de ruzies zich op. Bovendien loopt de Santa Maria aan de grond. Van het wrakhout bouwen de Spanjaarden een fort: het eerste Europese bolwerk in de Nieuwe Wereld. Wat vooral opvalt is het feit, dat de Indianen nog geen spijker ontvreemden – terwijl door de bemanning toch heel wat wordt geklauwd.

Na vele avonturen vindt Columbus het mooi genoeg. 40 vrijwilligers blijven achter in het eenzame fort – hopend zich rijk te stelen. Dan wordt de terugreis aanvaard!

7e klas geschiedenis: alle artikelen

951-880

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Paracelsus

.

Paracelsus   1493-1541

Paracelsus kan worden beschouwd als de geneeskundige die voor het eerst scheikundig verkregen stoffen toepaste bij het behandelen van ziekten. Door zijn denkwijze heeft hij grote invloed gehad op de latere geneeskunde.

Paracelsus

Paracelsus werd geboren als Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim, in het dorpje Einsiedeln, bij Zürich in Zwitserland. Zijn vader was arts en chemicus. Zijn eerste opleiding kreeg hij aan een school in Augsburg, Oostenrijk. In 1507, toen hij 14 jaar was, begon hij vele universiteiten in Europa af te reizen, zoals die van Basel, Tübingen, Wenen, Wittenberg, Heidelberg en Keulen. Hij deed dat in de hoop leermeesters te vinden met denkbeelden die hij zou kunnen respecteren. Hij had een sterke persoonlijkheid en zei altijd onomwonden zijn mening. Zijn leermeesters en andere autoriteiten waren dan ook steeds al gauw beledigd, door zowel zijn houding en optreden als zijn scherpe opmerkingen. Toch behaalde hij zijn graad in de medische wetenschap, eerst in Wenen, en toen in de Italiaanse stad Ferrara, in 1716. Omstreeks dezelfde tijd nam hij de naam Paracelsus aan, die de betekenis heeft van (verheven) boven Celsus. Daarmee wilde hij zijn verachting tot uitdrukking brengen voor de oude Romeinse geneesheer Celsus, die in de 16e eeuw zo bewonderd werd.
Daarna bleef Paracelsus zwerven, van Ierland in het westen tot Constantinopel – het huidige Istanboel – in het oosten. In Rusland werd hij een tijdje gevangen gehouden door de Tataren. Omstreeks 1521 was hij chirurgijn van een leger in Italië, waarbij hij betrokken raakte bij verschillende plaatselijke oorlogen. Steeds was hij erop uit zijn kennis van medische behandelingsmethoden te verrijken en om, zoals hij het zelf uitdrukte, ‘de sluimerende krachten van de natuur’ te ontdekken.

Paracelsus’ opvallende, weidse stijl van spreken heeft de taal verrijkt met de uitdrukking ‘bombastisch’, naar het eerste deel van zijn familienaam. Ook kon hij bijzonder fel uitvallen. Zo heeft hij eens een groepje professoren, met wie hij onenigheid had, verteld: ‘U bent nog niet waard dat een hond zijn achterpoot tegen u optilt’.

In de jaren 1527-1528 was hij hoogleraar in Basel. Daar joeg hij de autoriteiten tegen zich in het harnas door de werken van de befaamde Griekse geneesheer Galen in het openbaar te verbranden. En hij maakte de zaak nóg erger door zijn colleges voor iedereen toegankelijk te maken en ze gewoon in het Duits te geven, in plaats van in het Latijn. Vanuit alle hoeken van Europa stroomden studenten toe om zijn colleges te volgen.

Net als Hippocrates geloofde Paracelsus in het geneeskundig behandelen van de hele persoon van de patiënt, en in het genezend vermogen van de natuur zelf. Hij zette een flinke stap in de richting in de richting van de homeopathische geneeswijze toen hij verklaarde dat – in kleine hoeveelheden toegediend – ‘wat een mens ziek maakt, hem ook geneest’.
Volgenss zeggen heeft hij een doeltreffend middel tegen de pest gemaakt: een pil van deeg en een uierst kleine hoeveelheid uitwerpselen van de patiënt. Hoewel hij de geneeskunde in principe zuiver wetenschappelijk benaderde, zag hij magie –  of tenminste ‘mentale kracht’ – als een belangrijk element van de genezing. Niemand minder dan de Zwitserse psycholoog uit de 20e eeuw, Carl Jung, zag in Paracelsus een pionier op het gebied van ‘een op ervaring en proeven berustende psychologische geneeswijze’.

Paracelsus was buitengewoon knap in de diagnose, het onderkennen van een bepaalde ziekte.

‘Met vastberadenheid en verbeeldingskracht kan alles verricht worden,’ heeft hij gezegd. Hij vond de astrologie bespottelijk, maar hij zocht in de alchemie naar fundamentele waarheden. ‘In magie zit grote wijsheid… in de rede alleen dwaasheid,’ verklaarde hij. Hij overbrugde de kloof tussen de oude alchemie en de nieuwe scheikundige wetenschap. Daarbij verschafte hij zich en verkregen anderen na hem, inzicht op het gebied van de chemotherapie, de geneeswijze met chemische stoffen. Paracelsus was de eerste die opperde dat longziekten bij mijnwerkers werden veroorzaakt door het inademen van metaal-‘dampen’ en niet door boze geesten. Ook als eerste legde hij verband tussen het veelvuldig voorkomen van struma (een aandoening van de schildklier in de hals) in bepaalde streken, en het gebrek aan mineralen in het drinkwater in die streken.

Een van zijn grootste werken was het schrijven van Die grosse Wundartzney (Het grote Boek der Heelkunde), dat in 1536 gepubliceerd werd. Bovendien werd hij dankzij dit werk beschermd door de machthebbers. Hij stierf op 24 september 1541 in een herberg in Salzburg, waarheen hij was gereisd om in dienst te treden van de prins-aartsbisschop hertog Ernst von Beieren. Volgens sommigen werd hij vergiftigd. Een andere lezing is, dat hij overleed aan verwondingen die hij opliep toen hij dronken van een heuvel afrolde.

Meer over Paracelsus is hier te vinden.

Alle biografieën

Paracelsus wordt (soms) in de 7e klas geschiedenis behandeld.

950-879

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4/1)

.

DE WETENSCHAP VAN DE BABYLONIËRS
.

We hebben ons wellicht allemaal wel eens afgevraagd waarom een uur wordt verdeeld in 60 minuten en een minuut weer in 60 seconden. Waarom nu juist in 60 en niet, bijvoorbeeld, in 100? Dat zou immers veel gemakkelijker zijn bij het maken van berekeningen.

En waarom wordt de cirkel eigenlijk onderverdeeld in 360 graden (6 x 60) en waarom iedere graad weer in 60 minuten en die weer in 60 seconden?

Alleen de priesters uit het oude Babylon zouden ons daar antwoord op kunnen geven. Deze oude geleerden waren namelijk de eersten die een rekensysteem ontwikkelden dat gebaseerd was op het getal 60. De keuze van het getal 60 in het oude Babylon heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de Babyloniërs zich met sterrenkunde bezighielden. Ze merkten op dat het getal 60 in hun waarnemingen en berekeningen een grote rol speelde.

Dit 60-tallige systeem bestaat tegenwoordig, ongeveer 4000 jaar later, nog steeds.

Wie er op school of op het werk moeite mee heeft, weet nu aan wie hij dit heeft te danken…

Babylon 1

Op deze stenen grafzuil zijn naast een Babylonische vorst en enige hoogwaardigheidsbekleders ook hemellichamen afgebeeld, waaruit de grote belangstelling voor de sterrenkunde blijkt.

Knap in wiskunde, maar zwak in meetkunde
De Babyloniërs maakten voor hun berekeningen gebruik van een telbord. Ze noemden het ’abacus’ en we kennen de werking ervan. De Babyloniërs hadden een tientallig rekensysteem. Dit systeem werkte zeer eenvoudig, omdat het zich van slechts drie verschillende tekens bediende. Er was een symbool voor de eenheden, een symbool voor de tientallen en een symbool voor de honderdtallen. In de praktijk moet het omslachtig zijn geweest, omdat men bij vele getallen eenzelfde teken wel vele malen moest herhalen. Net als wij beschouwden de Babyloniërs het getal 10 dus als het basisgetal voor de telling.

Dit kleitablet  is een rekentabel. Het is een tafel van vermenigvuldiging, die door kooplieden werd gebruikt om berekeningen te maken. Er zijn dergelijke tafels gevonden met van de meestvoorkomende getallen de helft, een kwart, een derde, het kwadraat en de derde macht.

Babylon 2

Fragment van een Babylonisch kleitablet met daarop in Babylonische tekens de tafel van vermenigvuldiging. Links de getallen 1 t/m 4, bovenaan de getallen 1 t/m 3. De twee rechter rijen geven de sommen van deze getallen aan.

De rekentafels van de kwadraten werden gebruikt voor het berekenen van oppervlakten. De Babyloniërs waren zo in staat om zelfs zeer onregelmatig gevormde oppervlakten te berekenen, mits die maar uit rechte lijnen bestonden.

Maar de oppervlakte van een cirkel berekenen konden ze niet!

Ze tekenden binnen en buiten de cirkel een vierkant. Van beide vierkanten werd de oppervlakte uitgerekend. Vervolgens werden de uitkomsten bij elkaar geteld en de som werd door 2 gedeeld. Zo verkregen ze bij benadering de cirkeloppervlakte.

Om de cirkelomtrek uit te rekenen werd de middellijn ervan eenvoudig met 3 vermenigvuldigd. Dat is een zeer ruwe berekening, zeker als we weten dat reeds de oude Egyptenaren erin geslaagd waren de juiste vermenigvuldigingsfactor te vinden (3 1/7).

Babylon 3

De tafel van vermenigvuldiging in onze moderne (Arabische) cijfers, overeenkomend met het kleitablet hierboven.

Babylon 4

Door de som van de oppervlakten van de twee vierkanten door twee te delen, verkregen de Babyloniërs bij benadering de cirkeloppervlakte.

Babylon 5

Fragment van een tablet met meetkundige tekeningen en berekeningen

Waarzeggers
AI 5000 jaar geleden waren Babylonische priesters in staat zons- en maansverduisteringen te voor spellen. Deze bijzonderheid staat vermeld in een verhandeling over sterrenkunde op kleitabletten, die archeologen in Mesopotamië hebben gevonden. De tabletten dateren uit de tijd van koning Sargon (2850 v. Chr.). De priesters, die in staat waren de verduisteringen op de dag nauwkeurig te voorspellen, werden ongetwijfeld als tovenaars beschouwd, die macht hadden over de natuur.

Niemand zal begrepen hebben dat de priesters niet zelf de verduisteringen veroorzaakten, maar deze slechts hadden berekend. De priesters werden ook geacht het weer te kunnen beheersen, het leger te kunnen laten winnen of verliezen, zieken te kunnen genezen, met de goden te kunnen spreken, enz.

De Babyloniërs wisten meer van sterrenkunde dan ieder ander volk uit de Oudheid. Ze konden nauwkeurig vaststellen op welke dagen de lente, de zomer, de herfst en de winter begonnen. Ze berekenden de omloop van de planeten en de banen van de zon en de maan. De baan die de aarde om de zon beschreef deelden ze in 12 sterrenbeelden in. De Babyloniërs tekenden een hemelkaart met daarop de positie van de sterren.

Door hun grote sterrenkundige kennis konden de Babyloniërs een nauwkeurige kalender maken.
Voor het gemak verdeelden ze het jaar in twaalf ’manen’ (maanden): zes van 30 dagen en zes van 29. Maar op deze wijze had het jaar maar 354 dagen en dat waren er ruim 9 te weinig, wisten ze. Daarom werd af en toe een extra maand aan een jaar toegevoegd: een schrikkeljaar.
De Babyloniërs verdeelden het jaar aanvankelijk in 12 maanden van 30 dagen: in totaal dus 360 dagen. De cirkelvormige baan van de aarde om de zon was dus in 360 dagen verdeeld. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de cirkel in de meetkunde in 360 graden is verdeeld.

Aardrijkskundige kaarten in gedroogde klei
De afbeelding hieronder stelt een Babylonische wereldkaart voor. De kaart is in een nat kleitablet gegraveerd, die daarna in de zon werd gedroogd. De aarde wordt voorgesteld als een platte ronde schijf. De bergen zijn aangegeven met cirkels en de rivieren met lijnen. De stad Babylon is in het midden van de ’wereld’ geplaatst (de punt in het midden tussen de lijnen die de rivieren de Eufraat en Tigris voorstellen).

Babylon 6

Babylonische ‘wereld’-kaart in gedroogde klei. De stad Babylon was het centrum van de aarde

Een gevaarlijk beroep
De geneeskunde was in Babylon niet hoog ontwikkeld. Vrijwel alle behandelingen bestonden voor een deel uit magie en tovenarij. Misschien is dat wel de reden waarom koning Hammoerabi (1728-1686 v. Chr.) in zijn wetboek een aantal strenge wetten liet opnemen tegen artsen die de toestand van patiënten verslechterden:

‘Een arts, die met een bronzen mes een gezwel opensnijdt en de patiënt doodt of diens gezichtsvermogen aantast, zullen de handen worden afgezet…

Babylon 7

Babylonische kooplieden met een ‘abacus’, een soort telbord waarmee ze konden optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

949-878

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

.

Als achtergrond voor het geschiedenisonderwijs is “Geschichte lehren”  van Christoph Lindenberg een behulpzame bron.

7e klas

“In de leerplanvoordrachten uit het jaar 1919 [1] staat de enige directe aanwijzing voor het thema van de 7e klas:

‘In de 7e klas zal het erom gaan dat men het kind goed duidelijk maakt hoe het leven er vanaf de vijftiende eeuw voor de moderne mensheid uit gaat zien en dat men de situatie in Europa en elders schetst tot ongeveer het begin van de zeventiende eeuw. Dit is een uitermate belangrijke periode, die men zorgvuldig dient te behandelen. Belangrijker zelfs dan de tijd daarna.’

Deze opvatting vindt zijn weerklank ook in het feit dat als men in de 6e klas in twee perioden twee duizend jaar moet behandelen, men nu voor twee tot driehonderd jaar twee perioden heeft.

Nu is de vraag: welke thema’s moeten hier behandeld worden? Gaat het om keizers en koningen, om Sigismund, Frederik 111, om Maximiliaan en Karel V? Om de hervorming van het rijk en concilies? Of zijn andere thema’s belangrijker? Het wezenlijke karakter van de nieuwe tijd komt zeker niet naar voren met de voortzetting van de middeleeuwse leefvormen en problemen.

Het wezenlijk nieuwe treedt allereerst in verschijning door de ontdekkingen, dus in Vasco da Gama, Columbus, Magelhaen; in de uitvindingen: dus in Gutenberg met de boekdrukkunst zie [artikelen], in de ontwikkeling van klokken, de uitvinding van het buskruit, in München en Turbinen; in de nieuwe handelsvormen, dus bij Jacques Coeur, bij Jakob Fugger, de Welser en anderen; ook, op een bepaalde manier beperkter, in de Duitse Reformatie – politiek wordt het in de vrijheidsstrijd in de Nederlanden, in de overwinning van de
Spaanse Armada, zichtbaar.

Een allerbelangrijkst, nieuw element wordt zichtbaar in de verhouding mens – zintuigervaring. In de middeleeuwen was het gewoonte om wat zich aan de zintuigen voordeed, symbolisch te bekijken. De ontwikkelde theoloog bv. wist, wat over de individuele dieren in de bijbel werd gezegd, in welke profetieën ze voorkwamen. Daarom was een wilde ezel niet simpelweg een wilde ezel. Zo komt Luidprandt von Cremona, als hij in Byzantium wilde ezels ziet, op de spreuk van Hippolytus: ‘De leeuw en haar welpen zullen samen de wilde ezels verjagen’ en het probleem is, hoe deze spreuk uitgelegd moet worden. Net zo is het met de verschijnselen aan de hemel: het zijn openbaringen van God die je moet leren lezen. Dat alles betekent zeker niet, dat de middeleeuwse mens niet ook gewoon een wilde ezel of een leeuw kan zien; dat ze op de veemarkt niet zouden weten wat de ouderdom en capaciteit, gewicht en waarde van een dier zou zijn. Maar het denken over de dingen wordt nog niet bepaald door het begrijpen van de pure feiten.

En dat nu juist, wordt anders. Wie de eerste zeekaarten uit de nieuwe tijd bekijkt, ziet hoe het precieze meten van de kustlijn, de exacte duiding van de breedtegraden nu de zuiver fysieke vorm toont. De aarde wordt met een netwerk van precieze metingen overtrokken.
Ook de anatomie die het lichaam ontleedt, levert een precieze beschrijving van het lichaam: ieder orgaan wordt wat zijn vorm en ligging betreft, beschreven. Met dit begrijpen loopt het aanpakken en gebruiken van krachten en mechanismen parallel: men leert met molens wind en water te beheersen; men leert de snelheid van een schip te meten; men meet de tijd met zonnewijzer, zandloper en uiteindelijk met de mechanisch geconstrueerde klok.
Wie zich op de hoogte wil stellen van deze nieuwe manier van waarnemen, vindt dat bij Leonardo da Vinci op z’n mooist en indrukwekkendst weergegeven. Zoals bij Leonardo verandert het bewustzijn in zijn algemeenheid: het zintuig voor het praktische, mechanische, technische groeit, het zintuig voor het wonderbaarlijke en heilige wordt minder.
Hierbij moet je iets in aanmerking nemen wat voordien niet een dermate grote rol gespeeld heeft en wat ook nu in de 7e klas niet overtrokken moet worden: het economisch aspect van de handel.

Rudolf Steiner wees erop dat de actieve krachten in de geschiedenis niet in alle tijden dezelfde zijn: er zijn tijden die voornamelijk spirituele impulsen krijgen; in andere komen meer de rechtsverhoudingen tussen de mensen aan bod; in de eerste fase van de nieuwe tijd speelt echter voor de handel van de mens de economie een bijzondere rol. Wanneer je dat zegt, beweer je nog helemaal niet dat de economie geheel zelfstandig wordt, dat puur economische processen vanzelf werkzaam zijn; wel echter, dat de beweegredenen van de mens door economische gedachten gestuurd kunnen worden of dat de mensen de toon zetten in het economisch denken.

Zo zei Steiner eens:
‘Onderzoek je in het licht van de waarheid, niet in het licht van de illusie, wat er gebeurd is en wat door de Reformatie in het begin van de nieuwere geschiedkundige ontwikkeling een metamorfose heeft ondergaan, dan moet je zeggen: zeer zeker heeft er in het begin van de nieuwere tijd een geweldige verandering plaatsgevonden wat betreft de gelaagdheid van de bevolking. Die is tot stand gekomen doordat voor het begin van de Reformatie andere mensen, met name in West-Europa, over grond beschikten dan na de Reformatie. Want de leiding gevende mensen die in zekere zin bepalend waren voor de sociale structuur van voor de Reformatie, hebben door de Reformatie hun heerschappij verloren. Veel meer dan men denkt was het grondbezit van voor de Reformatie in de meest omvattende zin afhankelijk van de priesterheerschappij. Deze was voor de Reformatie buitengewoon bepalend voor de economische verhoudingen. Degenen die grond in hun bezit hadden, bezaten dat voor het grootste deel in opdracht van en toevertrouwd door overheidsinstanties die op de een of andere manier met de kerk verbonden waren.
Welnu, wanneer je misschien minder idealistisch, maar daarvoor in de plaats meer de ware loop van de geschiedenis onderzoekt, dan vind je dat bijna over heel Europa met de Reformatie het oude kerkbezit en dat van de geestelijkheid van de eigenaren  afgenomen wordt en overgedragen aan wereldlijke heersers. Dat was in hoge mate in Engeland het geval; dat was ook in hoge mate het geval in het latere Duitsland. In Duitsland is zelfs een groter deel van de territoriale vorsten naar de Reformatie overgegaan. Maar dat was niet overal  – om mij niet helemaal te scherp uit te drukken – voor het enthousiasme voor Luther of de andere reformatoren – het was de honger naar kerkgoederen, het verlangen de kerkgoederen te seculariseren. Eindeloos veel kerkgoederen van de middeleeuwen gingen naar de wereldlijke territoriumvorsten. In Engeland was het zo dat een groter deel van degenen die land bezaten, onteigend werden en naar Amerika emigreerden. Een groot deel van de emigranten naar Amerika – we hebben gisteren vanuit een ander gezichtspunt gewezen op wat hieraan ten grondslag ligt – waren de onteigende bezitters van grond in Europa. Dus  economische verhoudingen waren in hoge mate bepalend bij die metamorfose van de nieuwe geschiedkundige ontwikkeling die men gewoonlijk  als de Reformatie bestempelt. Aan de oppervlakte ziet het er zo uit dat men zegt dat er een nieuwe geest in de menselijke ziel moest komen, dat de oude kerkleiding te zeer het wereldlijke element met het geestelijke verbonden had en dat men absoluut een meer geestelijke weg tot de Christus zou moeten vinden, enz. Iets dieper, wat minder oppervlakkig bekeken, vindt er een economische verschuiving plaats in het overdragen van geestelijke goederen aan de wereldse mens.’ [2]

Nu gaat het er niet om wat Steiner hier geformuleerd heeft, in deze vorm tot inhoud van het onderwijs in de 7e klas te maken. Het maakt alleen wel verschil of je bij het schetsen van de ontdekkingen bv. van de mythische figuur van de Priesterkoning Johannes uitgaat of dat je erover spreekt dat sinds het begin van de 14e eeuw de weg over land die de karavanen naar het verre oosten (Mongolenweg) maakten en de handel met de Oriënt die door de macht van de Turken en andere ontwikkelingen in het oosten, sterk gehinderd werden, respectievelijk tot stilstaand gekomen waren, of dat je het wegvloeien van de goudvoorraden in Europa naar de Oriënt noemt of niet.
In de 7e klas zijn dergelijke economische samenhangen feitelijk juist en ook door die leeftijd te begrijpen.
Eveneens kan bij dergelijke thema’s de stijl van het lesgeven veranderen. Bepaalde thema’s kunnen zondermeer in de les verwerkt worden. Bv. kun je de vraag stellen: Wat was er vooraf allemaal nodig, wilde Amerika ontdekt kunnen worden? Vanuit deze vraagstelling kun je de scheepsbouw, de zeevaart die zich astronomisch oriënteerde, het kompas, de aardrijkskundige kennis en de ontwikkeling van kaarten, zo behandelen, dat je de leerling deze voorwaarden zelf laat ontdekken; de leerkracht heeft dan de opgave de bijzondere historische vorm van deze voorwaarden helder weer te geven. Daarbij zal hij wellicht moeten vaststellen dat er in de klas leerlingen zitten die over de ontwikkeling van koggen, de jakobsstaf of het kwadrant al van alles weten, wat ze in het de lessen kunnen inbrengen.
Opdat dus het nieuwe van de nieuwe tijd meteen in de 7e klas naar voren komt, is het aan te bevelen met de ontdekkingen te beginnen. Ondanks alle wetenschappelijke tegenwerpingen en ondanks het feit dat de prestaties van de Portugezen geen absoluut nieuw begin waren van ontdekkingen, kan je met Hendrik de Zeevaarder beginnen. De betekenis van deze man ligt ondubbelzinnig in het feit dat hij de drijvende kracht achter de ontdekkingen was. Als beheerder over de middelen van de Christus-Orde, die in Portugal de voortzetting van de Orde van de Tempelieren was, kon hij deze middelen inzetten om de ontdekkingen langs de Saharakust te bevorderen, in een bijzonder moeilijke fase. Met deze tochten die dan steeds verder gingen, tot de evenaar en uiteindelijk tot Kaap de Goede Hoop en tot India, werden ook de middeleeuwse voorstellingen achterhaald van de onbewoonbare gebieden en kolkende zeeën van het zuiden.
Bij de behandeling van de ontdekking van Amerika door Columbus – waarbij je heel goed als bron het logboek kan gebruiken – en waarbij je op het verdere tragische lot van Columbus moet ingaan – zou je ook de verovering van Mexico of Peru kunnen laten aansluiten. |
Als een tegenwicht tegen deze onderwerpen, zou je dan ook in moeten gaan op de activiteiten van Bartolomeo de las Casas die zich sterk maakte voor menselijke behandeling, opvoeding en onderwijs van de Indianen. Het middelpunt van deze strijd van de Dominicaan is zijn audiëntie bij Karel V. Verder is het handig voor de economie van het onderwijs wanneer je bv. aan de hand van de reizen van Columbus op de zeestromingen ingaat of bij de verovering van Peru een voorstelling wekt van het Incarijk, van het Andesgebergte en van de geografische verhoudingen van het westen van Zuid-Amerika en de oostelijke Pacific.
Bij het overzien van de 15e eeuw rijst de vraag of en hoe je Jeanne d’Arc moet behandelen. Wanneer je naar de betekenis van de feiten kijkt, dat na het ingrijpen van Jeanne d’Arc de Engelsen definitief uit Frankrijk werden verdreven, dat Frankrijk en Engeland steeds duidelijker nationale staten werden, kun je aan deze gebeurtenissen niet voorbijgaan. Tegelijkertijd is het echter aan te raden in de 7e klas het leven van Jeanne d’Arc nuchter en met gebruikmaking van bronnen van tijdgenoten neer te zetten. Daarbij kun je aan de hand van de jeugd van de jonkvrouw van Orléans het dorpse boerenleven in de late middeleeuwen schetsen; aan de hand van het proces tegen Jeanne d’Arc kun je het hebben over de middeleeuwse rechtspraak of de behandeling van ketters. Als afsluiting zou je op de vrede van Picuigny in kunnen gaan waarbij Lodewijk Xl van Frankrijk bij de Engelse koning Edward zijn aanspraken op de Franse troon afkoopt.
Na dit intermezzo van politieke geschiedenis brengt de boekdrukkunst ons weer terug bij de cultuurgeschiedenis. Het symptomatische van deze uitvinding is, dat zij – evenals de ontdekkingen – geen toevalstreffer is, maar het resultaat van langere, doelbewuste pogingen. Het gaat toch in geen geval alleen maar om het uitvinden van het drukken. Het idee van drukken met beweegbare letters die men met een matrijs seriegewijs kan gieten, is meer dan alleen maar afdrukken en juist deze uitvinding stelde hoge eisen: zo moest bv. opdat de letters nog te zacht, noch te hard werden een juiste legering uit lood, tin en bismut ontwikkeld worden die aan letters hecht, dat op papier snel droogt; er moest dus absorberend papier zijn. De betekenis van de uitvinding, de gevolgen ervan, zijn dan ook in overeenstemming met de voorbereidingen. Het lot van de uitvinder [3] lijkt in veel opzichten op dat van Columbus: beiden oogsten niet de vruchten van hun prestaties.
De leerkracht ziet zich voor de opgave geplaatst om de gevolgen van deze uitvinding zichtbaar te maken. Hiervoor is allereerst het verloop van de Duitse Reformatie geschikt. Men heeft eens gezegd dat het woord van de Reformatie  zich heeft verbreid alsof engelen de boodschappers waren. Nu, engelen waren het niet, maar nadat de 95 stellingen eind oktober 1517 in Wittenberg [4]verschenen waren, werden ze al in november in Leipzig gedrukt, verschenen ze in Neurenberg in een Duitse vertaling, in Basel in boekvorm. Na de uitvinding van Gutenberg heeft de boekdrukkunst zich met grote snelheid uitgebreid. Rond 1500 had je in Augsburg 20, in Keulen 21, in Venetië 151 drukkerijen, in heel Europa in 250 steden ongeveer 1120 drukkerijen. Door de reformatie nam de leeshonger en de behoefte aan discussie aan zienlijk toe;  want met name nu werden er ook geschriften in het Duits gedrukt, in 1518 waren het er 150, 1521 al 620 en in 1524 verschenen er 990 geschriften in het Duits.

Een veel prozaïscher thema is  het ontstaan van het vroege Duitse kapitalisme. In Duitsland is hier Jakob Fugger de in het oog springende figuur. Oorspronkelijk bezig met textielhandel, waren de Fuggers in 1487 in de mijnbouwstoffenindustrie gestapt, toen zij door een krediet aan Sigmund von Tirol het recht kregen tot de schuld vereffend was, alle in Schwaz gedolven zilver en koper tegen een voorkeursprijs te verkrijgen. Algauw kregen de Fuggers steeds grotere gebieden van de toenmalige mijnbouw onder zich; ze breidden hun imperium naar Hongarije uit.
De materiële zekerheden die de vorsten voor krediet moesten verstrekken worden effectief ingezet en zo worden de Fuggers het grootste bankconcern van Europa, beslissen dan, zoals bekend door hun kapitaal over de bezetting van bisschopzetels en over de keuze voor de Roomse paus.
Met de boekdrukkunst en het vroegkapitalisme wordt op twee belangrijke factoren van de Reformatietijd gewezen. Ook wanneer de complexe uiteenzettingen en de religieuze problemen van de Reformatie niet volledig door de leerlingen van een 7e klas kunnen worden doorzien, moet je toch een korte schets geven van wat er van Luther uitging. Je kunt je het beste beperken tot de tijd tot 1525 en de daarop volgende verwikkelingen: Schmalkaldisch verbond, heilige Liga, enz. kun je weglaten.
Je kan schetsen hoe Luther in de laatmiddeleeuwse vroomheid opgroeit, hoe hij  van de een op de andere dag besluit monnik te worden; hoe hij met grote toewijding zijn boetedoeningen verricht; dan de tocht naar Rome en vervolgens de grote, bekende gebeurtenissen: de publicatie van de stellingen [4]  het debat met Eck, het voor de keizer en het rijk moeten verschijnen op de rijksdag te Worms; Wartburg; bijbelvertaling; terugkeer naar Wittenberg om zich daar te weer te stellen tegen dwepers en tenslotte zijn stellingneming tegen de boeren in de Boerenoorlog. Bij dit alles is het zeer belangrijk te benadrukken, wat C.F.Meyer zo treffend geformuleerd heeft: ‘zijn geest is op tweeërlei wijze een slagveld – d.i. Luther iste niet in onze zin een ‘modern’ mens, in hem leeft nieuw en oud, middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze houding van Luther komt bv.in Marburg, in het gesprek met Zwingli over religie duidelijk naar voren.

In de gebruikelijke weergave van de geschiedenis zou men nu overgaan op de Contra-Reformatie; de stichting van de Jezuïetenorde; de godsdienstvrede van Augsburg, eventueel ook Calvijn tot de Hugenoten.
Deze godsdienstige exposés zijn echter voor de zevendeklasser ten eerste nauwelijks te verteren en ten tweede zijn deze vragen ver van ons af komen te staa

Er zijn veel thema’s die je graag zou willen behandelen, maar die dat moeilijk zijn: bv. Paracelsus  [5] als voorvechter van een geneeskunst die stoelt op waarneming en ervaring; alsmede de strijd om het Copernicaanse wereldbeeld via Giordano Bruna naar Kepler en Galilei. Als leraar moet je deze dingen alleen brengen als je ze in de volle aanschouwelijkheid neer kan zetten. Met name de levensloop van Paracelsus, de dramatische strijd tegen traditie en kamertjesgeleerdheid, zijn beroemde kuren, kunnen heel interessant zijn, eigenlijk moet je je inleven in de denktrant van deze man en daarin ligt het probleem. Net zo belangrijk, dramatisch en overzichtelijk verloopt het leven van Galilei.  In tegenstelling tot dat van Paracelsus verloopt het echter controversieel. Voor de lessen komt er zeer veel op aan, dat juist de controverse niet moraliserend behandeld wordt, maar echt inzichtelijk gemaakt.

De grote en de toekomst bepalende conflicten in de tweede helft van de 16e eeuw spelen zich in West-Europa af. Aan de ene kant staat het Spanje van Philips ll, aan de andere kant staan de Nederlanden, Willem van Oranje  (biografie) en het Engeland van Elisabeth. Het loont de moeite, voor je met de oorlogschermutselingen begint, het Spanje van Philips ll goed neer te zetten: het strenge ceremonieel aan het Spaanse hof, het Escorial, een zitting van de staatsraad, het persoonlijke optreden van Philips, dan als afsluiting een blik op de binnenlandse situatie, in het bijzonder het vraagstuk van de Morisken van Granada: in deze provincie, de meest bloeiende van het koninkrijk, leefde een buitengewoon talrijke Moorse bevolking die ook 60 jaar na haar ‘bekering’ nog altijd innerlijk vreemd tegenover het christendom stond, die meer gemeen had met de Moren aan de andere kant van de zeestraat, dan met de Spanjaarden van het schiereiland. Wanneer Philips de Arabische taal, Arabische boeken, Moorse gebouwen verbiedt, breekt er een opstand uit, een strijd die aan beide zijden met grote verbetenheid wordt gevoerd; heel de provincie Granada wordt uiteindelijk van de Moren gezuiverd. Zo wordt één van de rijkste gebieden van Europa in een woestenij veranderd, maar het probleem van de Morisken was door de deportatie niet opgelost, in de jaren 1609 tot 1614 werden ze uit heel Spanje verdreven. Met de Morisken had Spanje de bevolkingslaag die qua handwerk de meest ijverige was, verloren: ondanks het zilver en het goud van de koloniën wordt Spanje nu langzaam een arm, een achtergebleven land: het geld blijft niet in Spanje, het wordt voor de godsdienstoorlogen in andere delen van Europa gebruikt. – De ondergang van de in Spanje heersende ridderstand is zoals bekend in een stuk wereldliteratuur, in de Don Quichote van Miguel de Cervantes uitgebeeld.

Je komt in een heel andere wereld, wanneer je in de zuidelijke Nederlanden komt. In de steden Gent, Brugge, Antwerpen, Brussel en vele andere leefden een rijke burgerij, kooplieden, handwerkslieden, fabrikanten. De leiding lag bij de adel, de bekendste vertegenwoordigers van deze groep waren de graven van Egmond en Hoorn. Wanneer de inquisitie in de zuidelijke Nederlanden ingevoerd wordt, komt het 1566 tot een massale petitie van de adel die om terugtrekking van de Spaanse troepen en om de afschaffing van de inquisitie vraagt. Bij de adel sluiten zich op hun manier ambachtslieden, boeren, schippers en het gewone volk aan: het komt tot de beruchte beeldenstorm. Daarop wordt Alva met het commando over de Nederlanden belast en het komt tot het bekende verloop. Het symptomatische is nu, dat uiteindelijk de rijke zuidelijke Nederlanden het onderspit delven. Het veel armere, oneconomische Holland echter stort zich in een lange vrijheidsstrijd – eerst onder leiding van Willem van Oranje. Hier ontstaat de nieuwe cultuur. Leiden wordt de toonaangevende universiteit van Europa, door de tolerantie die in Holland t.a.v. de godsdienst heerst, komen talloze belangrijke geleerden naar het land – het leven van deze wereld dat hier in overeenstemming met de echte tijdgeest ontstaat, kent men uit de beelden van Rembrandt.

De andere tegenstander van Spanje was Engeland. Ook in Engeland was er een gemeenschap aan het ontstaan die aan het individu grotere mogelijkheden liet. De Engelse lagere adel was vertegenwoordigd in het Lagerhuis, evenals de opkomende Engelse steden. Elisabeth begreep hoe je met het parlement moest regeren, zij regeerde bescheiden, stimuleerde de ondernemingen van haar onderdanen, hield er in Engeland geen paraat leger op na; de Engelse vloot die de Armada had overwonnen werd pas de laatste tien jaar voor het tot strijd met Spanje kwam, gebouwd: niet meer dan 40, relatief kleine, maar wendbare oorlogsschepen die weliswaar door ervaren zeelieden, zeerovers en soldaten bemand waren. De Spaanse Armada met haar 130 moeilijk wendbare schepen vertoonde nog het beeld van de middeleeuwse strijdtactiek: de soldaten op de Spaanse schepen, eigenlijk landsoldaten onder een riddercommando, waren ingesteld op enteren. Waar de Spanjaarden de schepen in blokformatie bijeenbrachten en zo hun beweeglijkheid beperkten, vertrouwden de Engelsen op hun artillerie en hun manouvreerkunst; zij vermeden iedere toenadering die het gevaar van geënterd te worden, mogelijk maakte. Voor de Spanjaarden was dat een bewijs van lafheid: zij vonden dat de Engelsen alleen maar konden schieten en vluchten bij gevaar. –

Zoals in Holland na de zegenrijke vrijheidsstrijd de gouden eeuw aanbreekt, volgt in Engeland op de zege over de Armada het tijdperk van Shakespeare. Dit fenomeen van het theater maakte eigenlijk maar een korte bloeitijd door – maar anders dan ander amusement fascineerde het toneel alle lagen van de bevolking: per week waren er tot 20.000 mensen die in Southwark de voorstellingen bezochten.”

Volledigheidshalve geeft ik hier de literatuurlijst weer, maar uiteraard bestaat deze uit Duitse boeken.

O. Peschel, Geschichte des Zeitalters der Entdeckungen. Neudruck Berlin 1968 Urs Bitterli, Die Entdeckung und die Eroberung der Welt. Dokumente und Berichte. Band 1: Amerika, Afrika. Miinchen 1980. Band 2: Asien, Australien, Pazifik. München 1981.
Richard Konetzke, Uberseeische Entdeckungen und Eroberungen. In: Propylaen Weltgeschichte Band 6
John R. Hale, Die Reisen der Entdecker. Reinbek 1971 Salvador de Madariaga, Kolumbus. München 1978 Christoph Kolumbus, Bordbuch. Frankfurt 1981
Ferner mit Einschrankungen, oft nur in wenigen Kapitein brauchbar, folgende Bücher zu Entdeckungsreisen:

Heinrich Harrer / Heinrich Pleticha, Entdeckungsgeschichte aus erster Hand. Würzburg 1968
Paul Herrmann, 7 vorbei und 8 verweht. 10. Aufl. Hamburg 1978
Paul Herrmann, Das grofie Buch der Entdeckungen. Reutlingen 1958
M. J. Krück von Poturzyn, Die Sendung des Madchens Jeanne d’Arc. Stuttgart 1961
Herbert Nette, Jeanne d’Arc. Reinbek 1977
Helmut Presser, Johannes Gutenberg. Reinbek 1968
Ernst Kaiser, Paracelsus. Reinbeck 1969
G. Frhr. von Pölnitz, Die Fugger. 3. Aufl. Tübingen 1970
M. Brion, Die Medici. Wiesbaden 1970
Bernd Moeller, Deutschland im Zeitalter der Reformation. Göttingen 1977 Robert van Roosbroek, Wilhelm van Oranien, der Rebell. Göttingen 1959

Vrije Opvoedkunst: kruistochten, zeereizen en ontdekkingstochten
Vrije Opvoedkunst: van Romein tot ridder
Vrije Opvoedkunst: de overgang van de 12e naar de 13e eeuw
Vrije Opvoedkunst: Hendrik de Zeevaarder
Vrije Opvoedkunst: Jeanne d’Arc
Vrije Opvoedkunst: Worms
Vrije Opvoedkunst: 7e klas , waaronder: geschiedenis

[1] GA 295/162
vertaald/150
[2] GA 191/102-103
[3] Naast Gutenberg wordt ook Coster genoemd
[4] Tegenwoordig wordt eraan getwijfeld of deze wel op een deur werden gespijkerd
[5] Nadere aanwijzingen om zijn biografie te kunnen vertellen via:
contact met uitgeverij De Woudezel:   info  apenstaartje woudezel    punt   nl
hier meer informatie

7e klas geschiedenis: alle artikelen

948-877

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Luther

Luther


Een portret van Maarten Luther van een 17e eeuwse gravure. Luther betwistte de macht van de rooms-katholieke kerk. Zelfs volgens de vroomste en trouwste aanhangers was de kerk van Rome duidelijk aan hervormingen toe. Er ontstond een bittere vete tussen Luther en de pausen over de leer. Luther werd meermalen gesommeerd om spijt te betuigen. Volgens de katholieke kerk maakte Luther zich schuldig aan ketterij, omdat hij de heerschappij van de paus bekritiseerde.

Maarten Luther 1483-1546

In een tijd dat ieder weldenkend mens oprecht verlangde naar veranderingen binnen de rooms-katholieke kerk, verscheen Maarten Luther, de grondlegger van de Europese Hervorming. Hij maakte een eind aan de tot dan onaangetaste macht van de Roomse Kerk. Hij deed een beroep op het persoonlijke geweten van de mens en stelde het Woord van God in de Heilige Schrift als opperste gezag.

Maarten Luther stamde uit een boerengeslacht en werd geboren in Eisleben, bij Leipzig, Duitsland. Hij studeerde filosofie, werd monnik en – in 1507 – priester. In mei van het jaar 1517 schreef hij aan een vriend: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de kerk niet zal veranderen, als we het kerkelijk recht, de scholastische godsdienstleer en de logica, zoals die nu worden onderwezen, niet afschaffen en er iets anders voor in de plaats brengen.’ Enkele maanden later al, in oktober van datzelfde jaar (1517), voegde hij de daad bij het woord. Hij nagelde toen een lijst van 95 stellingen aan de deur van het slot te Wittenberg. Deze stellingen hielden een aanval in op de verkoop van de zogenaamde aflaten, bijzondere verklaringen van dispensatie van Rome die, naar men beweerde, konden zorgen voor kwijtschelding van de hellestraf. In deze aflaten bestond een levendige handel. De geestelijkheid verkocht ze op grote schaal, om een bijdrage in de bouwkosten van de Sint Pieter te Rome te kunnen leveren.

Luthers protesten waren zowel van maatschappelijke als van nationalistische en godsdienstige aard. ‘De paus bezit meer dan wie ook ter wereld, dus waarom bouwt hij de Sint Pieter niet van zijn eigen geld, in plaats van met het geld van arme christenen?’

‘Luthers stellingen trokken dadelijk sterk de aandacht. Het duurde nog geen twee weken of iedereen in de talrijke staten van het toenmalige Duitsland was ervan op de hoogte. En omdat de Duitsers toch al niet waren gesteld op de Italiaanse macht van de Roomse Kerk, werd Luther uitgeroepen tot nationale held.

Er volgden drie jaren van twistgeschrijf. Aanvankelijk aarzelde paus Leo X om stappen te ondernemen. Maar in augustus van het jaar 1518 ontbood hij Luther naar Rome. Daar zou hij zich moeten verantwoorden wegens zijn aanval op de verkoop van aflaten en, wat een ernstiger kwestie was, op de opperheerschappij van de paus. Luthers invloedrijke vrienden betoogden echter, dat hij niet in Rome, maar in eigen land zou moeten worden berecht. De paus gaf toe en een maand later reisde Luther naar Augsburg. Daar zou hij zich, in een openbaar debat met kardinaal Cajetanus, moeten verdedigen. Het debat eindigde onbeslist. Toen Luther halsstarrig bleef weigeren zijn stellingen in te trekken of zijn eerder gedane beweringen te herroepen, verloor de kardinaal zijn zelfbeheersing. ‘Ga heen en kom niet terug, voordat ge bereid zijt uw dwalingen in het openbaar te erkennen.’

Weer terug in Wittenberg kreeg Luther een jaar later opnieuw bevel zich te komen verantwoorden – ditmaal in Leipzig, tegenover dr. Eek uit Ingolstadt. Ook toen bleef Luther aan zijn stellingen vasthouden en ook dit debat eindigde zonder dat er een uitspraak kon worden gedaan. Het was inmiddels 1520 geworden, toen de paus een edict liet verschijnen, waarin hij Luthers geschriften als ‘ketters, schandelijk en beledigend voor vrome oren’ betitelde. In december van dat jaar (1520) verbrandde Luther het edict in het openbaar te Wittenberg, waarbij hij verklaarde: ‘Omdat je Gods waarheid hebt veroordeeld, veroordeelt Hij je nu tot het vuur’.

Inmiddels was Luther in heel Europa bekend geworden als een held. In een laatste poging hem te dwingen zijn ‘ketterijen’ te herroepen, werd hij voor keizer Karel V in Worms gedaagd. Het resultaat bleef hetzelfde. ‘Tenzij aan de hand van de Schrift kan worden bewezen dat ik ongelijk heb, kan en wil ik niets herroepen. God helpe mij. Amen.’

De keizer hield eveneens onwrikbaar vast aan zijn mening en verklaarde dat hij Luther zou blijven vervolgen als een berucht ketter. Maar toen Luther uit Worms vertrok, had hij een vrijgeleide en zijn eerste gang was naar het slot Wartburg bij Eisenach, waar hij het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Vervolgens keerde hij terug naar Wittenberg. In de drie daaropvolgende jaren verspreidde het lutheranisme zich op grote schaal. Verscheidene Duitse vorsten bekeerden zich ertoe. Luther bleef intussen schrijven.

De boekdrukkunst, een betrekkelijk nieuwe uitvinding in die dagen, droeg ertoe bij dat de gedachten van Luther wijd en zijd verspreid konden worden. Omstreeks 1520 waren er waarschijnlijk 300.000 exemplaren van zijn werk in omloop. Studenten stroomden naar Wittenberg om bij Luther te studeren. Wittenberg werd de geestelijke  hoofdstad van het lutheranisme, dat de Heilige Mis verwierp en aandrong op sluiting van de kloosters. Wat daar gebeurde, vond navolging in heel Duitsland. Luther was de leider geworden van een grote godsdienstige beweging.

In 1524 brak er een opstand uit onder de Duitse boeren. Hoewel Luther zelf van boerenafkomst was, verzette hij zich heftig tegen de aanvallen op het grootgrondbezit. Het kostte hem een aantal volgelingen, maar het verstevigde zijn positie als bondgenoot van de vorsten.

De besluiten van de keizer op de Rijksdag te Speijer (Spiers) brachten een aantal Duitse vorsten ertoe, in 1529 een ‘protest’ in te dienen. Het woord ‘protestant’ is van dit ‘protest’ afgeleid. Twee jaar daarna vormden de lutherse vorsten het Schmalkaldisch Verbond, dat de vorstendommen Pruisen, Brandenburg, Saksen, Hessen en 14 steden van het keizerrijk omvatte. In 1530 boden ze de keizer de Augsburgse Confessie aan, het officiële belijdenisgeschrift van de Lutherse Kerk, opgesteld door Philipp Melanchthon. Met tegenzin aanvaardde de keizer wat hij niet kon vernietigen. Luther had zijn doel bereikt. Hij had een hervormde christelijke kerk doen ontstaan, die bestand was tegen alle pogingen van de Roomse Kerk om haar te laten verdwijnen.

Het lutheranisme verspreidde zich snel over het grootste deel van Duitsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken. De Hervorming droeg bij tot onafhankelijkheid en daardoor tot nationalisme, anti-clericalisme en anti-imperialisme, dus tegen de keizer gericht. Luther zelf legde vooral de nadruk op het belang van ‘de rechtvaardiging door het geloof’ en de betekenis van Christus’ leerstellingen. Belangrijker dan uiterlijke plechtigheden zijn daarbij de geest en het hart van de mens in zijn persoonlijke gebed.

Deze omwenteling in het godsdienstig denken van de 16e eeuw, was een prestatie die slechts tot stand kon worden gebracht door een man met moed en een krachtige persoonlijkheid: Maarten Luther.

De 95 stellingen

alle biografieën

947-876