VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-2)

 

Slecht eten

Je verslikken in de buitenwereld

Ik ben zelf een slechte eter geweest, en mede daardoor boeit het mij bijzonder om mijn gedachten eens over het probleem van het slecht etende kind te laten gaan. Trouwens, ik ben de enige niet: het niet of slecht eten is bij kleine kinderen een veel voorkomende klacht. Soms is er nog wel meer aan de hand, maar dikwijls is het niet-eten de enige klacht waarmee de moeder op het spreekuur komt. Je vraagt dan door naar de ‘medische biografie’- van het kind: zwangerschap, bevalling, eerste ontwikkeling, kinderziektes, slapen, spelen, hoe de ontlasting is en wat je verder zoal wilt weten. Verder probeer je je een beeld te vormen van de gezinssituatie: de plaats in de kinderrij, conflicten tussen de ouders of tussen gezin en omgeving (schoonmoeders, buren). Ten slotte onderzoek je het kind. Soms is dan in één oogopslag duidelijk wat het probleem is, maar meestal moet de conclusie zijn: het kind is prima in orde, alleen eet het niet.

Wanneer de amandelen zo groot geworden zijn dat er nog maar een potloodgroot gaatje overgebleven is, hoef je je ook niet te verbazen over het slechte eten van je kind. En wanneer de ouders het met elkaar niet meer zo kunnen vinden en dat aan tafel breed uitmeten,is het niet verwonderlijk dat het kind geen trek meer heeft.
Maar wanneer je er een beetje op gaat letten, blijven er nog heel wat ‘probleemloze’ kinderen over, dat wil zeggen kinderen waarbij het er niet zo duimendik bovenop ligt waarom ze niet willen eten. Niet-eten is geen eenduidig probleem; het kan dus ook niet op één bepaalde manier opgelost worden. Het lijkt eerder een uitingsvorm van een moeilijkheid die het kind op dat moment in zijn bestaan ondervindt, lichamelijk, psychisch- geestelijk of, en dat zal in de meeste gevallen zo zijn, een combinatie daarvan.

Waarom eet je overigens? En wat gebeurt er precies wanneer je aan tafel zit en je een maaltijd tot je neemt? Heel in het algemeen kun je zeggen dat eten eigenlijk een vorm is van contact maken met de ons omringende wereld. In het voedsel ontmoeten we een stukje buitenwereld. We gaan het te lijf door het te verteren, we vernietigen het en worden er zelf beter van. Dank zij ons voedsel kunnen we ons staande houden, blijven wij onszelf ten opzichte van de buitenwereld. Nu zijn er natuurlijk nog andersoortige, minder grofstoffelijke vormen van contact met de buitenwereld, bijvoorbeeld door middel van onze zintuigen en niet te vergeten ons denken. Ook daar worden stukjes buitenwereld opgenomen en verwerkt. Ook daar, in het denken, verbinden we ons met de wereld, om ons vervolgens weer tegenover die wereld te kunnen plaatsen. Maar het denken ontwikkelt zich pas goed wanneer het kind de lagere school gaat bezoeken en dat is bepaald niet de periode waarin zich de meeste eetproblemen voordoen. Deze spelen zich af op de baby-, peuter- en kleuterleeftijd, wanneer het kind nog helemaal bezig is met de opbouw en vorming van zijn lichaam.

Alles wat het kleine kind, en daar hebben we het nu verder over, meemaakt, spiegelt zich in zijn lichamelijke ontwikkeling. Zijn relatie met de wereld ontwikkelt zich nog op strikt lichamelijk niveau en aangezien eten beschouwd kan worden als een vorm van lichamelijk contact met de wereld, is het niet zo verwonderlijk dat problemen in die relatie-legging, van welke aard dan ook, zich zullen uiten in veranderingen of verdwijnen van het eetplezier.

De voedselweg
Om verder door te dringen in het probleem van het ‘niet-eten’ moeten we eerst eens de weg vervolgen die het voedsel door ons lichaam gaat. Die weg begint in de mond. Daar wordt het voedsel op verschillende manieren ‘bekeken’. Allereerst wordt de consistentie beoordeeld: moet er gekauwd worden? Daar wordt ook ‘getemperatuurd’: is het voedsel een beetje in overeenstemming met de eigen lichaamswarmte? (zoniet: blazen of opwarmen). En bovenal wordt er geproefd in de mond: vind ik het lekker of niet?

Als je zo alle facetten van wat er zo in de mond gebeurt samen neemt dan krijg je de indruk dat er in de mond bepaald wordt of er überhaupt een relatie met dit voedsel kan worden aangegaan. Is dit goed voedsel of niet? Wil ik het of wil ik het niet? Zo ja, dan verhuist het naar de maag, zo nee, dan spuug ik het uit. In de mond ga je nog heel zelfbewust om met het stukje buitenwereld en bepaal je of je de verbinding zult aangaan of niet.

De geur, de smaak, het uiterlijk van het voedsel en de gedachte alleen al aan eten doen je maag zijn zuur afscheiden. Allerlei zintuigindrukken en emoties werken op de maag in. Denk maar eens aan het verband dat duidelijk gelegd kan worden tussen zorgen, ergernissen en verdriet enerzijds en maagzweren en maagbloedingen anderzijds. De maag is een orgaan dat sterk verbonden is met het psychische, het emotionele, het beleven van de dingen.

Na de eerste vluchtige kennismaking met het voedsel in de mond wordt het in de maag sterker ‘beleefd’. Wat maakt het voor indruk op me, wat kan ik eraan ervaren, hoe voelt het aan (ligt het me zwaar op de maag)? In de maag wordt het voedsel tot ervaring gebracht, net zoals je de relatie met je ouders of je chef ervaart als plezierig of frustrerend. Wanneer het voedsel door het zuur goed bewerkt is, en de hele voedselmassa goed is doorkneed, komt de, inmiddels meer vloeibaar geworden spijsbrij in de dunne darm. Daar wordt het voedsel verder bewerkt. De miljoenen darmvlokken tasten het voedsel af, breken het in steeds kleinere stukjes, verteren het en nemen de zeer kleine brokstukjes op. Hier treedt het lichaam in een echte uitwisseling met het voedsel, net zolang tot er van het voedsel niets meer over is.
Het lichaam kan het voedsel wel gebruiken, maar dan moet eerst de eigen gedaante ervan verdwenen zijn. Wanneer je spinazie eet, wordt in de dunne darm dat wat spinazie tot spinazie maakt door het lichaam als het ware overwonnen. In het overwinnen, het teniet doen van het eigene van de spinazie, heeft het lichaam de mogelijkheid zijn eigen opbouwkracht te sterken. Je krijgt de sterkste beenspieren door over veel horden heen te springen. Door verschillende soorten voedsel ‘te lijf’ te gaan creëert je lichaam de mogelijkheid om tegen veel situaties in het leven opgewassen te zijn. De dunne darm is dus het gebied waar dank zij vreemde levenskracht-mineraal, plant en eventueel dier- eigen levenskracht ontstaat.
In de dikke darm ten slotte wordt datgene wat door de dunne darm niet is opgenomen, of juist is uitgescheiden, in een bepaalde vorm gebracht. Hier is geen sprake meer van vertering. Meer wordt hier duidelijk hoe het lichaam vorm kan geven (hoe het zich kan uitdrukken!!) aan dat wat het van het voedsel geleerd heeft.

In de ontlasting geeft het lichaam iets terug aan de wereld, en beïnvloedt zo de aardesubstantie. De ontlasting is ook een uiting van de mogelijkheid van een mens om vorm te geven aan zijn bestaan. Een mens die zich onmachtig voelt om zijn leven een bepaalde richting te geven zal gemakkelijk aan diarree kunnen gaan lijden. Een al te precies iemand, die zo graag alle puntjes op de i’s zet, zo dat er eigenlijk niets uit zijn vingers komt, kan levenslang tot obstipatie veroordeeld zijn. Samenvattend gebeuren er in het verteringsproces (= aangaan van relatie met de wereld) vier dingen.

Eerst stel je je in de mond de vraag: ‘Wil ik of wil ik niet?’
Dan volgt de maag met: ‘Hoe ervaar ik het?’
De dunne darm komt met het probleem: ‘Wat kan ik ervan leren?’
En de dikke darm ten slotte vraagt zich af hoe al die ervaringen nu zinvol te maken zijn voor het bestaan: ‘Wat doe ik er nu mee?’

Niet-eters
Wanneer we als volwassene voor een probleem gesteld worden, dat ons nogal aanpakt, zijn we in de meeste gevallen wel in staat dat denkend te verwerken. Niet elk probleem maakt ons direct lichamelijk ziek. Onze psyche kan een heleboel spanningen opvangen. Dat geldt in veel mindere mate voor het kleine kind. Daar is het psychische nog sterk met het lichamelijke verweven. Alles wat het kleine kind meemaakt zal zich uiten in het functioneren van zijn lichaam en met name van zijn stofwisseling, omdat het kleine kind nog een en al groei is en de stofwisseling daar een heel voorname plaats bij inneemt. Wanneer je slecht of niet-eten nu ziet als een uiting van een niet goed functionerende stofwisseling en je bedenkt dat de manier waarop het lichaam met het voedsel omgaat de manier is waarop je als mens met alle levensproblemen omgaat, dan moet het slechte eten van je kind iets te maken hebben met een onmogelijkheid om op een of meer van de boven geformuleerde vragen ‘een goed antwoord’ te geven. Het niet goed eten kan dus op verschillende niveaus ontstaan: op ‘mond-, maag-, dunne en dikke darm niveau’.

Wat moet je je nu voorstellen bij een zogenaamd mondkind? Het verbindt zich moeilijk echt met de buitenwereld en is een beetje in zichzelf gekeerd. Het heeft iets tastends, proevends over zich. Bij het eten wordt maar een heel klein beetje opgeschept en als het wat in de mond stopt blijft het voedsel daar eindeloos. Toch, ondanks het weinige eten, lijkt het kind prima gezond; het leeft van de lucht. Vaak lijkt het met het sanguinische of melancholische temperament samen te gaan. Het zijn kinderen die er moeite mee hebben om echt contact te maken met de wereld. Zij moeten daar een beetje toe verleid worden. ‘Mondkinderen’ moeten een beetje op aarde gelokt worden. Dat lukt ook meestal wel wanneer je je wat terughoudt, niets opdringt. Zorg ervoor dat het eten er lekker uitziet en zodoende de fantasie en de interesse prikkelt. Daarbij kun je, wat het eten zelf betreft, het beste aansluiten bij wat het kind lekker vindt en dat in kleine porties over meerdere maaltijden (vier a vijf) per dag aanreiken. Heel langzaam kun je daarna de samenstelling van de maaltijd wat evenwichtiger proberen te maken. Preciezere aanwijzingen staan uitgebreid in het voortreffelijke boek over kindervoeding van Renzenbrink.
De grootste groep van niet-eters wordt gevormd door de maagkinderen. Door allerlei oorzaken is het kind te nerveus om te eten. Met witte, verkrampte gezichtjes zitten ze achter hun bord en weigeren eten tot zich te nemen. Een overbekende oorzaak daarbij is de zogenaamde ‘eetstrijd’. Het kind wil niet eten tenzij er hele rituelen opgevoerd worden. Als je dan als ouder daarop ingaat worden de eisen hoger en hoger. Hierbij begint alles met onzekerheid bij de ouders over de opvoeding. Die onzekerheid (doe ik het wel goed, gedijt mijn kind wel?) leidt heel gemakkelijk tot krampachtigheid in de opvoeding die door het kind opgevangen en met dezelfde krampachtigheid beantwoord wordt, niet in psychische zin, zoals bij de ouders, maar in lichamelijke zin.
Die kinderen klagen dan ook over buikpijn: alle buikorganen verkrampen, ook de maag, zodat het kind voedsel weigert. Eveneens zijn allerlei angsten waaraan het kind blootstaat (ouders die gaan scheiden, naar school moeten terwijl ze je daar altijd plagen, enzovoort) in staat zo’n krampreactie op te roepen. Typerend voor deze situatie is dat het kind meteen goed eet, wanneer het uit de kramp verwekkende sfeer weg is, bijvoorbeeld als het bij oma gaat logeren. Oma hoeft zich niet zo druk te maken over het gehalte van haar opvoeding, dus het kind hoeft niet krampachtig met het eten om te gaan. Het is niet zo simpel om in deze situatie een eenduidig advies te geven. Duidelijk moge zijn dat hier de emotionele inbreng (of juist het afwezig zijn daarvan) van de ouders in de opvoeding een centrale rol speelt. In het eetgedrag van je kind spiegelt zich de manier waarop je zelf met spanningen, angsten en emoties omgaat. Opvoeden is voordoen, ook wat betreft het hanteren van spanningen. En wanneer je, ondanks alle problemen, in staat bent het geloof in jezelf terug te vinden zal dat direct merkbaar zijn aan tafel. De zekerheid die je uitstraalt op zo’n moment moet in staat zijn ook de verkramptheid van je kind op te lossen.

Temperamenten
Als een kind niet wil eten is het ook heel belangrijk je een oordeel te vormer over zijn temperament. Wanneer dat temperament nogal uitgesproken is zal dat ook zijn stem­pel drukken op de vertering, dat wil zeggen het vermogen bepaald voedsel af te breken en er iets van te leren, zoals beschreven voor de dunne darm. Voor heel veel kinderen is het hun aangeboden voedsel gewoon een te zware opgave: het is niet in overeenstem­ming met hun temperament en de daarmee samenhangende ‘verteringsenergie’. Het zijn in de regel kinderen die snel moe zijn, neigen tot bloedarmoede, moeilijk van een ziekte helemaal beter worden en op school snel hun koncentratie verliezen. Vooral bij melancho­lische kinderen kun je zo’n situatie aantref­fen. Bij deze zogenaamde dunne darmkinderen speelt dus een onvermogen om het voed­sel de baas te worden en het is dan ook heel belangrijk om ten eerste te weten welk tem­perament het kind heeft en, ten tweede, daar het dieet op af te stemmen. En, net als bij de ‘mondkinderen’, moet het eten er leuk uit­zien, lekker smaken en verdeeld zijn over vier of vijf maaltijden. Heel belangrijk zijn daarij de tuinkruiden, die de stofwisseling activeren en de vertering bevorderen.

Het hele verterings- en uitwisselingsproces in de dunne darm bestaat bij de gratie van rit­me. Bij de ‘dunne darm-kinderen’ is het dan ook van groot belang ritme in de voeding aan te brengen, zowel in de verdeling van de maaltijden over de dag (geen tussendoortjes) als over die van het soort voedsel (granen en groentes) door de week. Gebruik bijvoor­beeld eens de zaaikalender van Maria Thun bij het bepalen van de samenstelling van de maaltijd (iets meer wortel op worteldagen, iets meer blad op bladdagen, enzovoort).
Het is niet zo eenvoudig je iets voor te stel­len bij een slecht etend dikke
darmkind.
Toch bestaan die ook. In de puberteit, die als geheel sterk toekomstgericht is (wat wil ik met mijzelf?), kan een situatie ontstaan dat een kind zo verstrikt raakt in zijn worste­ling met de toekomst, er zo tegenop ziet
vol­wassen te worden, dat het niet meer eet. Wanneer dat extreme vormen aanneemt, ontstaat een psychiatrisch ziektebeeld dat ‘Anorexia nervosa’ heet en vooral bij meisjes nogal eens voorkomt. De voedselweigering leidt dan tot ernstige vermagering. Maar dat is zo’n extreme situatie en zo’n onderwerp op zichzelf dat bespreking daarvan buiten het kader van dit artikel valt.

Het is onmogelijk om binnen het bestek van een artikel als dit volledig te zijn, zowel wat betreft de beschrijving van de verschillende oorzaken van het slecht eten als wat betreft datgene wat je eraan moet doen. Dit artikel is eerder een verkenning op het terrein van de manier waarop het kind met zijn omringende wereld omgaat en hoe zich dat uit in zijn eetgewoontes. Misschien herken je in één oogopslag je kind in een der geschetste types. Waarschijnlijker is dat bij een slecht etend kind verschillende problemen door elkaar spelen en dat zich in je kind verschillende types vermengd hebben. Dit maakt het probleem niet eenvoudiger, maar laat eens te meer zien. hoe elk kind op zijn eigen persoonlijke manier met de wereld omspringt en er zich soms in verslikt.

Aart van der Stel, arts. Jonas 08-01-1982

Opvoedingsvragen (4-1): slecht eten

Opvoedingsvragen: alle artikelen

915

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-1) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s