VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-11)

.

over muziek

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand half febr.’18– elf voorbeelden van.

Zijn 11e artikel gaat over:

MUZIEK

Luc:

Bij mijn weten is de steinerpedagogie het enige pedagogisch concept dat zo veel belang hecht aan muziek, al bestaan er ook andere scholen die muziek belangrijk vinden, maar er anders mee omgaan, in die zin dat muziek er een vak is, terwijl muziek in de steinerscholen niet alleen een vak is, maar op verschillende manieren in de pedagogie geïntegreerd is. Dankzij de vele schoolfeesten is muziek in de steinerscholen een element in de opvoeding waarin kinderen zich al jong kunnen tonen, zingend, en musicerend op instrumenten.

Maar het vak muziek heeft ook een antroposofische achtergrond die vooral tot uiting komt in de manier waarop kinderen tot negen jaar met muziek te maken krijgen. Vanuit de antroposofische inzichten van Rudolf Steiner hebben leerkrachten twee zaken met elkaar verbonden die niet altijd ten goede komen van het kind.

  1. Steiner heeft het over de muzikale beleving van de Atlantische mens die niet in staat was intervallen kleiner dan de septime te beleven. Na de ondergang van Atlantis begint het muziekbeleven van de voorchristelijke culturen stilaan wakker te worden voor de kleinere intervallen en wordt het kwintbeleven algemeen. Pas na de komst van Christus is de mens in staat de terts (grote en kleine) werkelijk te beleven en ontstaat die muziek die we vandaag nog kennen met zijn grote en kleine tertstoonaarden.
  2. Herhaaldelijk heb ik in antroposofische lectuur gelezen dat het kind in versneld tempo de ontwikkeling van de gehele mensheid doormaakt.

Op basis van de combinatie van punt 1 en punt 2 beweren antroposofisch geschoolde leerkrachten dat het kind tot 9 jaar zich in het kwintbeleven van de voorchristelijke tijd bevindt en dat in de kleuterschool en de eerste drie klassen van de lagere school de kwintenmuziek en de pentatonische muziek de bovenhand moeten hebben. Pas in de derde klas mag men via de kerktoonaarden overgaan tot onze hedendaagse grote en kleine tertstoonaarden.

Je stelt hier nog al absoluut dat het vak muziek een antroposofische achtergrond heeft.
Het ligt voor de hand dat Steiner die over zoveel onderwerpen heeft gesproken ook iets heeft gezegd over het typisch menselijke vermogen te kunnen zingen en musiceren. In de pedagogische voordrachten staat veel over ‘het muzikale’ en heeft vrijwel allemaal betrekking op het ritme, maat, melodie. Ik heb nog geen enkele verwijzing gevonden naar bepaalde toonladders voor een bepaalde leeftijd. En jij ook niet, wat blijkt uit wat je hier hebt weergegeven.
Het is zoals je zegt: er zijn in het verleden mensen geweest die Steiners (niet-pedagogische) aanwijzingen over muziek, hebben meegenomen in het geven van muziekonderwijs, zoals de door jou o.a. genoemde Elizabeth Lebret.

Je zegt:
‘Herhaaldelijk heb ik in antroposofische lectuur gelezen dat het kind in versneld tempo de ontwikkeling van de gehele mensheid doormaakt.’

Ik ook en ik zoek nog steeds naar de essentie van deze bewering(en). Ik heb er hier al veel aandacht aan besteed. (Onder nr. 12, speciaal daarvan nr 6)

Wat Elizabeth Lebret zegt vind je hier.
Je haalt eveneens de woorden aan van Beatrijs Gradenwitz en Petra Rosenberg die in de liedbundel “Ik ben een zeemanskind’ zeggen: ‘Je kunt een overeenkomst zien tussen de ontwikkeling van de mensheid als geheel en de ontwikkeling van ieder mens als individu. Hierin kunnen grote bewustzijnsveranderingen worden waargenomen die in de loop van de geschiedenis hun uitdrukking vonden in kunst en cultuur.
Dat geldt tevens voor wat je van Willemijn Soer aanhaalt.

Dan beweer je:

Uitgaande van de antroposofische visie over de mensheidsontwikkeling enerzijds en de opvatting dat ieder kind de mensheidsontwikkeling in zijn jonge jaren versneld doormaakt anderzijds, wordt er in de steinerscholen op muzikaal vlak pentatonisch gewerkt tot en met de tweede klas en nog deels in de derde klas. Omdat de kinderen echter volop geconfronteerd worden met de hedendaagse muziek die meestal majeur of mineur van karakter is, moet men volgens Steiner, niet te fanatiek aan de kwintenstemming vasthouden. Gelukkig maar.

Dit klinkt mij ook veel te zwart/wit.
Toen ik zelf net begonnen was met mijn allereerste eerste klas, gebruikte ik ook het boek van Lebret. Ik kende ook veel andere kinderliedjes die ik eveneens zong. Een aantal pentatonische liedjes zongen de kinderen buitengewoon graag, voor andere bestond er in deze klas weer minder animo. Op grond van de uitleg van Lebret voelde ik me zeker niet gedwongen om – zoals jij zegt tot en met de tweede en deels derde klas met pentatoniek te werken, noch dat iemand anders in de school daar op aandrong.
Eind december, begin januari van dat eerste schooljaar maakten de kinderen a.h.w. zelf een eind aan de pentatoniek door – vanuit een soort onbewust aanvoelen – een pentatonisch liedeinde naar de grondtoon af te ronden.

Je zegt ook:

Dit is een veel te vernauwende benadering van de muziek voor kinderen tot negen jaar, die trouwens van jongs af aan vertrouwd zijn met de huidige muziekcultuur. 

Dat laatste ben ik met je eens. Ik ben me ook terdege bewust van het feit dat onze – ook jongere – kinderen veel muziek horen ‘van nu’ en van ‘een beetje vroeger’. Ik ken genoeg ouders die de hits waarmee zij zijn opgegroeid (vaak rond hun puberteit) luidkeels meezingen in de auto wanneer het gezin met vakantie naar het buitenland reist. Maar ook onderweg naar school pikken ze op wat de wegbrengende ouder in de auto aan heeft staan. Nog maar te zwijgen van oudere broers en zussen die af en toe luidruchtig de kamer vullen met hun muziek of de kleineren laten meeluisteren via hun telefoon. En hoeveel kinderen kijken niet naar ‘The voice of’ en ‘The voice kids’.
Werelden van verschil met deze ‘kwintenstemming’.

Maar dit ben ik grondig oneens met je:

Het gevolg is dat het muzikale leven van deze kinderen afgeremd wordt.

Integendeel: door in een andere omgeving – school – ook iets mee te geven, te laten ervaren van een totaal andere muziekrijkdom, geef je de kinderen een meerwaarde aan muzikaliteit mee. Dat kan ik geen ‘afremmen van hun muzikale leven’ noemen, noch een veel te benauwende benadering.

Muziek in de steinerschool gaat dus uit van een antroposofische ideologie en jammer genoeg te weinig van een muzikaal-pedagogische visie.

Nou, niet bij mij en bij velen niet. De opmerking ‘jammer genoeg te weinig van een muzikaal-pedagogische visie’  staat haaks op de vele opmerkingen die je op je site over Steiners visie op muziek hebt gepubliceerd en die publicatie alleen al, haalt een streep door je opmerking.

En ook deze opmerkingen – hoewel ik ze geheel onderschrijf – staan toch in een vreemde verhouding met wat je eerst beweert:

Moet de pentatoniek dan maar ineens uit het curriculum verwijderd worden? Dat hoeft niet, want pentatoniek heeft bepaalde waarden die ook buiten de steinerscholen erkend en gebruikt worden.
Zo is pentatoniek ideaal om blokfluit te leren spelen. Zie
Kwintenmuziek (pentatoniek rond de toon a) is bijzonder goed geschikt om de intervallen te leren.

Met pentatoniek en vooral kwintenmuziek kun je uitstekend instrumentaal improviseren.
Kwintenmuziek – op voorwaarde dat zij werkelijk los staat van maat en grondtoongevoel – kan zeer rustgevend zijn. Maar gebruik ze niet te pas en te onpas, want dan werkt het niet meer. Er zijn leerkrachten die – om de klas stil te krijgen – om de haverklap een kwintenmelodie op een klokkenspel spelen.
Voor uitleg over kwintenmuziek kun je terecht op de site van Elisabeth Lebret.

Ook deze opmerking is te ongenuanceerd:

Hoewel de steinerscholen muziek belangrijk vinden, wordt er te weinig mee gedaan.

Ik ken veel mensen die juist heel veel doen met muziek

Zo vind ik op een site van een steinerschool het volgende voor de eerste klas:
Natuurlijk worden er pentatonische liederen met een dromerige en sprookjesachtige stemming gezongen die aansluiten bij de vertelstof. Als Sinterklaas de blokfluit heeft gebracht, leren de kinderen liedjes spelen met twee en drie tonen.
Waarom moeten eersteklassers wachten tot 6 december om met blokfluitspelen te beginnen?

Ja, dat is mij ook een raadsel. Daarmee kun je en moet je m.i. zo snel mogelijk beginnen nadat de kinderen in de 1e klas zijn gekomen.

Voor de tweede klas staat er:
In de muziekles wordt er nog steeds pentatonisch (zonder halve tonen) gezongen en sluiten de liederen aan bij de jaarfeesten of de vertelstof (liederen over dieren). Het spel op de blokfluit wordt uitgebreid met de lage tonen en er wordt al eens een ander instrument geïntroduceerd: xylofoon, klokkenspel, eigen instrument …

Hierin herken ik niet de tweede klas.

Als kinderen van nature al veel verder staan dan de pentatonische muziek, waarom hen dan nog dwingen daarmee door te gaan? Soms heb ik de indruk dat steinerscholen de kinderen willen tegenhouden in hun ontwikkeling, terwijl onderwijs juist dient om de ontwikkeling te stimuleren. Onderwijs moet altijd een stap vóór zijn op de ontwikkeling van het kind. Het kind moet zich kunnen ‘optrekken’ aan de leerstof.

Ook hier deel ik je mening!

In de derde klas (Elisabeth Lebret):

‘De pentatonische scala gaan we vaarwelzeggen. De oude kerktoonaarden echter (dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch), met hun sterk religieus karakter, kunnen ons nog goed dienen voor de muzikale omlijsting van die allerbelangrijkste verstelstof: Het Oude Testament.’

Daarmee is het gevaar dat de derde klas een religieuze Bijbelklas wordt nog wat groter geworden: kerkmuziek bij de Bijbelverhalen. Als de kerktoonaarden in de oude volksmuziek aan bod komen, is het geen probleem, maar kerkmuziek bij Bijbelverhalen? Eens te meer wordt de steinerschool op deze manier een kerk in plaats van een school.

Beste Luc,
Door de artikelenreeks heen heb ik je aversie tegen religie gemerkt en ik denk dat daar je opmerking ‘gevaar van’ z’n oorsprong vindt. Als toonsoorten die gebruikt zijn voor kerkmuziek voor andere liedjes gebruikt worden, zijn die niet per definitie kerkmuziek. Ze ademen hooguit een bepaalde sfeer. Dat vind ik – evenals zie boven – een toegevoegde waarde.
Die laatste opmerking van je vind ik wel passen bij je aversie, maar is daardoor veel te subjectief en daardoor voor de objectiviteit weinig sprekend.

Op wat je en passant opmerkt over de vertelstof van de derde klas, wil ik nog terugkomen, maar niet in dit artikel.

‘Vele steinerscholen gebruiken antroposofisch vormgegeven instrumenten zoals fluiten en lieren. Het zijn meestal zeer kwetsbare, delicate instrumenten. Ik ben nooit helemaal overtuigd geraakt van de muzikale waarde ervan en heb ze dan ook vermeden’

Het zijn in mijn ogen prachtige instrumenten, qua vorm en qua klank. Dat eerste lijkt nog een kwestie van smaak, maar als je je verdiept in vorm en functie e.d. ziet het er al weer anders uit; dat de klank van de fluit minder schel en hard is dan andere blokfluiten is gewoon hoorbaar. Sympathiek vind ik nog steeds de gedachte dat de fluiten worden gemaakt door de minder bedeelden onder ons.
Ik had ooit de gelegenheid in Hepsisau een bezoek te kunnen brengen aan de heilpedagogische instelling. Wat ik daar zag gebeuren met de kinderen door de klanken van de lier, zal ik nooit vergeten. Die hadden een heilzame uitwerking: chaos en onrust veranderden in vredige rust. Ik ben daar geheel overtuigd geraakt van hun muzikale waarde, zonder achterliggende theorieën en datzelfde geldt voor de pentatoniek en de andere genoemde toonladdersoorten.

Na de vingerzetting op de pentatonische fluit in eerste en tweede klas moesten de kinderen in de derde klas de andere vingerzetting op de diatonische fluit leren: weer typisch steinerschool, te vergelijken met het leren van kapitalen in de eerste klas, onderkastletters in de tweede klas en gebonden schrift in de derde klas, al houdt men nu gelukkig niet meer zo hevig vast aan dat leren van drie lettertypes. Waarom dan ook niet vanaf de eerste klas een gewone blokfluit (of diatonische fluit) geven?

Ik heb de pentatonische fluit nooit gebruikt – die is in mijn ogen ook overbodig en het is voor de ouders onnodig duur. En iets aanleren wat je later weer af moet leren, lijkt me onjuist – evenals bij het schrijven, daar geef ik je ook gelijk in.

‘Ik waardeer de zorg en het respect die de kinderen voor hun instrument hebben (moeten hebben), maar een instrument dient toch in de eerste plaats om bespeeld te worden.” 

Zeer zeker!

Kinderen in sommige steinerscholen worden onbewust ondergedompeld in antroposofische muziekgeschiedenis op antroposofisch vormgegeven instrumenten. Maar gelukkig zijn er ook steinerscholen die hier niet aan meedoen en waar het muzikale voorgaat op de ideologie.’

Nee Luc, het zingen van pentatonische en de andere hier genoemde toonsoortliederen is niet een onderdompelen in antroposofische muziekgeschiedenis. Over die geschiedenis horen de kinderen niets.

Tot slot:

Vanaf de vierde klas gaat het muzikale leven in vele steinerscholen de goede kant op en komen kinderen meer en meer toe aan volwaardig musiceren, ook meerstemmig en op diverse ‘normale’ instrumenten – al gaat het naar mijn mening nog te traag. Schoolkoren en schoolorkesten bereiken soms wel een hoog niveau.

Aan dit positieve einde heb ik niets meer toe te voegen.

Voor een verdere genuanceerde mening over muziekonderwijs op de vrijeschool zie over muziek

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[7] het schoollied
[8kan een leerkracht agnost of atheïst zijn
[9] schoolfeesten
[10] euritmie en bothmergymnastiek

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

,

1524-1429

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – rekenen – metriek stelsel (9)

.
Wanneer je eenmaal met kinderen de afkortingen gaat gebruiken van de namen die in het metriek stelsel voorkomen, worden deze geschreven zonder punt:
km   hm   m   mm   enz.
Dat geldt ook voor kg    hg   en  voor gram  =  g   enz.
De afkorting voor gram:   gr.  komt wel voor in recepten, maar moet dan worden gevolgd door een punt.
Ook met liters: geen punt.   hl   cl  enz. De l (el) mag hier wel een hoofdletter zijn, al zie je dat bijna nooit:   cL, ook dan geen punt.
Uiteraard geldt dit ook voor de kubieke aanduidingen.
Voor meer afkortingen: beter spellen
Voor meer metriek stelsel: beter rekenen

METEN

Meestal wordt in klas 4 begonnen met het metriek stelsel.
De lengtematen als begin, ligt het meest voor de hand.

Een kleine introductie kan zeer verhelderend werken.
Hoewel de kinderen al vele maten kennen, is het toch interessant voor ze eens terug te gaan naar een tijd waarin die eigenlijk nog niet bestonden.

‘Laten we ons voorstellen dat we nog zo meten als jullie nu doen, wanneer je b.v. wil bepalen wie met knikkeren mag beginnen: jullie gaan ‘poten’. Ieder voetje voor voetje tot de laatste niet meer past. Je voeten als meetinstrument.

Nu wil je vloerbedekking kopen om de hele vloer mee te bedekken en ‘voetje voor voetje’ meet je de lente en breedte van de kamer. Met die getallen in het hoofd ga je naar de verkoper en deelt hem mee dat je een kleed wil van zoveel bij zoveel voet.

Op een dag wordt de vloerbedekking gebracht en neergelegd. Maar, o heden, het kleed is te klein. Hoe kan dat nu? De verkoper wil zijn gelijk bewijzen en meet het kleed stappend na: zie je wel: 65 voet. De opdrachtgever meet ook: bij 63 voet stapt hij van het kleed af: zie je wel: te klein, het had tot hier moeten komen. De kinderen hebben natuurlijk al lang door, dat de verschillende grootte van de voeten de oorzaak van alle misverstand is en begrijpen onmiddellijk dat een vaste maat uitkomst biedt, ja noodzakelijk is om allerlei meningsverschillen en de daaruit voortkomende ruzies te vermijden.’

(Voor een taalperiode met b.v. spreekwoorden, ligt hier een aanknopingspunt: met twee maten meten)

Wel, zo’n vaste maat is er: de meter.
(Nu kun je nog wat wetenswaardigheden over de meter [1] vertellen, of dat doe je later, want de kinderen willen aan het werk)

Meten is een activiteit die alle kinderen heel leuk vinden.
Ik ben altijd van de meter uitgegaan. De bordliniaal is een meter en de kinderen kennen die al heel lang. Ook de naam meter -hij die meet; het dat meet – is niet nieuw.
De klas wordt verdeeld in groepjes, elk met een bordliniaal ( verzameld uit de hele school of zelf gemaakt) en een schrift met pen of potlood om de resultaten in te noteren. De functies van opmeter en schrijver worden afgewisseld. En meten maar: in het lokaal, maar veel interessanter: daarbuiten: de gang, het plein en mits veilig, een stukje van de straat.
Als de kinderen later, vaak met rode hoofden en soms ‘uitgewaaid’ weer zitten, worden de resultaten op het bord genoteerd.
De kinderen doen meestal veel, én verrassende vondsten!

Ooit kreeg ik van een ouder een aanzienlijke hoeveelheid papieren stroken van ca. 80 bij 10 cm. De kinderen kregen de opdracht van deze stroken te maken van 1 m, met nog aan weerzijden een plakstrook van 5 cm.
Er werd driftig gemeten, geknipt en geniet en na verloop van tijd hadden we wel over de honderd meters.
Inmiddels hadden de kinderen wel ervaren dat het meten van het plein b.v. met de bordliniaal wel tijdrovend is en ook lastig, telkens bukken, liniaal verleggen, goed de tel bijhouden….en dat een langere maat wel handiger zou zijn.
Je kan natuurlijk iedere lengte-eenheid nemen, maar de kinderen weten of voelen wel aan, dat het ‘iets’ met tien moet zijn.
Dus, wel precies natuurlijk, tien stroken van 1 meter aan elkaar geniet.

Die 10 meterlengte heeft ook een naam: de decameter.
Je kan best even stilstaan bij zo’n naam: het zal blijken dat er steeds voorvoegsels komen die op iets wijzen: deca is het Griekse tien(maal) de eenheid. En de kinderen die iets weten van atletiek kennen wellicht de decatlon, de tienkamp.
Met deze decameter kunnen we de grotere lengtematen dus handiger meten. Maar voor nóg grotere afstanden is hij toch ook weer niet zo geschikt. Dus zit er niets anders op dan een grotere maat te zoeken.
Oei, moeten we dan naar tien maal de decameter. Ja!
Meten, knippen en nieten dan maar weer. Tot er tien stroken van tien meter aan elkaar zitten. Die zul je moeten oprollen, in ieder geval wat voorzichter behandelen, anders breken ze.
En ook die heeft zijn naam naar het Grieks: hecto is honderd.
Nu naar buiten en een (straat)lengte vinden.
Het eerste kind blijft staan; houdt de strook goed vast, de anderen lopen verder en rollen af: na de eerste decameter blijft een kind staan en zo gaan we verder tot we honderd meter hebben. De strook van 100 meter wordt voorzichtig op de grond gelegd; de helft van de kinderen onder de 50 loopt naar het begin, de andere helft naar het eind en nu maar zwaaien naar elkaar en vooral goed in je opnemen: dat is een afstand van 100m!
De vraag: ‘Gaan we ook nog met 10 hectometers meten?’ blijft niet uit en ja, dan gaan we doen.

Misschien niet meer diezelfde dag: we moeten ook weer een beetje bij ons zelf komen, wat in de schriften schrijven of alvast onze uitstapjes tekenen of zelf een situatie bedenken die het ongemak van het meten zonder standaardmaat verbeeldt.

Maar we gaan weer naar buiten met onze opgerolde hectometer en wanneer we een lange rechte weg hebben bereikt gaan we aan de gang. Als na 100 meter de hectometer uitgerold is, blijft op dat punt een kind staan; de helpers die op elke 10 meter zijn blijven staan – het ‘begin’kind blijft ook staan en heeft een vlag bij zich – lopen behoedzaam verder en deze procedure werd zo lang herhaald tot er 10 keer is afgemeten. Het kind dat aan het eind staat heeft ook vlag. De tussen de vlaggen staande kinderen (elk op 100m dus, zwaaien naar elkaar. Vervolgens wisselen ze af met de andere kinderen zodat iedereen een keer met de vlag naar ‘de overkant’ zwaait. Dat is dus de kilometer. Het is natuurlijk geweldig als een kind dan verzucht: ‘Ik heb nooit geweten dat dat zo ver was’, of een ander: ‘best lang, eigenlijk, zo’n kilometer. (Dat zijn de kleine ‘innerlijke glunderogenblikken’ van de leerkracht die meteen alle moeite en tijd optillen naar het niveau van ‘welbesteed’!)
In de klas staan we dan nog even stil bij het woord kilo, het Grieks voor 1000.

Dit is maar een van de manieren waarop je zou kunnen beginnen.
Ik ben ook weleens begonnen met een vraag aan de kinderen dat als we iets zouden willen meten en we zouden geen liniaal e.d. hebben, wat zouden we dan doen.
Dan wordt vrijwel altijd het lichaam ingezet, zoals bij de voet.

Dan kan je daarop verdergaan: (met de meest sprekende voorbeelden). Natuurlijk alles door de kinderen laten doen en opschrijven om alles weer te laten uitmonden in de maten die we nú hanteren.
Zo zal je ook bij deci – een tiende – centi – een honderdste en milli – een duizendste uitkomen. (Breuken!)

Vanuit het lichaam gedacht, bestaan er nog steeds namen van maten die ooit daadwerkelijk werden gebruikt. Je moet een keus maken: de meest aansprekende ligt voor de hand. En de grootte behoeft niet onthouden te worden.
Interessant zijn natuurlijk de namen voor de oppervlaktematen van vóór het metriek stelsel. Die hangen nauw samen met het werk op de akker: boer en paard en ploeg.

Hier volgen er een paar:

STAP of PAS
Een zeer oude lengtemaat.
‘Hij woont een paar passen van hier’.

MIJL
De grote ‘pas’ is de mijl, afgeleid van Latijn milia-mille) = 1000 stappen.
Romeinse mijl: 1472m
Engelse mijl: 1609m
Na een mijl werd er een paal neergezet: de mijlpaal (bij de behandeling van de spreekwoorden, zegswijzen: van letterlijk naar figuurlijk). Een mijl op zeven.
Verder.

De vastgestelde stap was een dubbele rechts-links.

EEN UUR GAANS
In een uur loop je ca. 4,5 km. Verder
In een rekenboek uit begin 1900 wordt een uur gaans, afgekort U.G. als maateenheid gebruikt voor 5556m 

De Kelten kenden de lieska: deze term duidde de afstand aan die iemand in een half uur kon afleggen en bedroeg ongeveer 2450 m.

EL
De lengte van de arm aan de buitenkant gemeten van de schouder via de elleboog tot de hand, 68,8 cm. Vooral gebruikt door kleermakers en stoffenverkopers. In sprookjes komt die voor als de ‘ellemaat’. Verder.

DUIM
Breedte van de duim.
Nu gelijk aan 1 inch = de helft van een Engelse voet.

VOET
ca. 30 cm
Amsterdamse voet
Rijnlandse voet
Engelse voet, ca. 30,48cm. Verder

VADEM     6 voet
3 voet= YARD.  Verder   verder

een vadem is de spanwijdte van de uitgestrekte armen. Soms 1, 698m tot 1,88m

SPAN
is de afstand tussen de toppen van de duim en de pink als men die zo ver mogelijk van elkaar verwijdert. Zie hand:  palm enz.

OP EEN STEENWORP AFSTAND
Dit was lang een bepaalde manier van spreken, maar daar heeft men iets op gevonden.

Later, dat zal wel in klas 5 zijn, kom je ook aan de inhoud toe.
Daarbij kan je ook weer op een bepaalde manier te werk gaa, waarbij de kinderen veel moeten kunnen experimenteren. Met water! (organiseren). Met scheppen en schepjes enz.

ROEDE
verder

Nog wat namen:

Voor oppervlakte:

MUD
Als oppervlaktemaat: zoveel als met een mud bezaaid kan worden. Ook wel mudde. Uit Romeinse graanhandel: modius = zak vol. Zo groot als te dragen was?
Inhoudsmaat voor droge waar. Nu 1 hl.
Mudgoedhandelaar = iemand die bep. waar per hl verhandelt.
Mudzak, mudman.
Mudvol = stampvol. Wat er in een mudzak gestampt kan worden.
Hutje bij mutje leggen.

MORGEN
Met een morgen wordt een gebied aangeduid dat in een ochtend kon worden geploegd.

GEMET
Daar zit nog duidelijk het woord ‘meten’ in: eilandje ‘Tiengemeten’.
De maat is waarschijnlijk gelijk aan de oppervlakte van het zaailand dat een koppel paarden kan omploegen tussen zonsopgang en zonsondergang.  Verder.

DAGWAND
De oppervlakte grond die een boer met behulp van een os en een ploeg normalerwijze in 1 dag kon ploegen, ‘wand’ komt van ‘wenden’, het keren van de ploeg.

GRAS
Eén gras is de hoeveelheid gras die nodig was voor een koe en bedroeg iets minder dan een halve hectare. Dit komt dus neer op twee koeien per hectare. Verder 

HOEVE
Een hoeve was de hoeveelheid grond waarvan een boer met zijn gezin kon leven. Verder

Dat ‘honderd’ ook een rol ging spelen, is aanduidende te vinden in
HONT, verder

LOOPENSE
Het woord loopense is een verbastering van loopensaet, de oppervlakte die ingezaaid kon worden met één loopen, een houten zaaikorf. Verder.

Oude Testament    en deze

INHOUDSMATEN

LITER
Gaat via Frans ‘litron’ terug naar Grieks ‘litra’ = een gewicht, naar Latijn ‘libra’ is het gewicht van een pond. Dat is inhoudsmaat geworden. .

BAAL
een hoeveelheid samengeperst stro, oud papier, enzovoort, vaak samengebonden met ijzerdraad, vervaardigd in een balenpers
Grote dichtgenaaide zak van jute of linnen. Maat voor wat erin gaat:100 of 50 kilo.
Het is ook 10 x een riem

RIEM
papiermaat     10 riem = 5000 vel.
Daar kan je eventueel nog meer over vertellen.

ZAK/MUD
Hoeveelheid die erin gaat
1 hectoliter=mud
mudde, door de Romeinse graanhandel: modus=zak vol, waarschijnlijk zoveel als te dragen was; inhoudsmaat voor droge waar.

Als oppervlaktemaat: zoveel als met een mud bezaaid kan worden

Vroeger: 1 zak guldens: 600
1 zak rijksdaalders: 200

TON
Gekuipt houten vat
maat: ton bier = 1 hl.
100.000 euro
1000 kg        verder   zie ook vat
LAST
Hangt samen met ‘wat je kon laden. Verder.
Die kon weer uit een aantal houten haringtonnen bestaan: kantje

SCHEPEL
De hoeveelheid die je scheppen kon; ook weer afhankelijk van hoe groot de schep is. Verder.

AAM
Oude vochtmaat: 4 anker(s)
ca. 150 liter
ook als vat of ton  ‘wijnmaat’.  Verder

Anker = 44/45 flessen (ca. 40 liter)
maat van een fust

FUST
houten vat van 25-50 kg
(etymologisch: boomstam)

Bij alle vaten: duig=
platgebogen stukken hout, gemaakt door de kuiper

VAT
Vochtmaat
Eerst 735 l, later 100.  ‘Iets wat omsluit’.   Verder

OKSHOOFD
oude vochtmaat, kwart vat
van hogshead-varkenskop. Verder.

GEWICHTEN

LOOD
Gewicht van een hoeveelheid lood. ‘Loodzwaar’. Verder.

GREIN
Hangt samen met ‘graan(korrel) De korrel(s) werd(en) gebruikt als gewicht. Verder
‘Geen greintje verstand van’

POND
Oorspronkelijk ‘aan/van gewicht’. Verder.
Zie liter

ONS
Van Latijn ‘uncia’, een twaalfde deel. Verder.

GRAM
Grieks, ‘gramma’ klein gewicht

Nogmaals: het lijkt mij niet de bedoeling de kinderen hier veel van te laten leren – het gaat meer om de verbinding naar de mens en naar een stukje geschiedenis hoe de mens vroeger bepaalde maten hanteerde.

Voor jou als keerkracht nooit verkeerd om ‘boven de stof te staan’. Daartoe dienen ook de artikelen:

.
pieter ha witvliet
.

Rekenen – metriek stelsel [9-2/1]  [9-2/2]  [9-2/3]

4e klas rekenen: alle artikelen

rekenen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

1523-1428

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1/3)

.

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Sociale zekerheid een illusie?

‘Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil mijn eigen geld verdienen’. Het is een begrijpelijke wens —- maar in strikte zin een illusie. In onze tijd van arbeidsverdeling werkt niemand meer voor zichzelf. Men werkt voor anderen, anderen werken voor ons. In oude dorpsgemeenschappen was men zich van de onderlinge afhankelijkheid heel wel bewust en de ‘nabuurhulp’ is er een laatste overblijfsel van.

Maar het geld wekt de illusie dat wij met ons bezit onafhankelijk zijn geworden, niet meer aangewezen op anderen. Wij hebben ermee, deftig uitgedrukt, aanspraak op een abstract deel van het maatschappelijke product. Daar kunnen wij dan te allen tijde beslag op leggen, van ons recht gebruik maken. Behalve als de anderen weigeren voor ons te werken, dan staan wij met onze zak vol centen, zoals menigeen in de oorlogsjaren is overkomen. Captain Boycott is er het historische voorbeeld van: voor al zijn geld vond hij niemand bereid om hem iets te verkopen of iets voor hem te doen. Wij hebben er de term boycotten aan overgehouden. Zolang het om koopgeld gaat, behoeven wij echter niet angstig naar onze portemonnee te kijken. Heel buitenissige toestanden, die even de geldsluier optillen, daargelaten, mogen wij echt wel vertrouwen, dat wij het vandaag verdiende geld vandaag in dagelijks brood kunnen omzetten. Maar hoe staat het met het leengeld?

Met veel trots zegt het echtpaar op middelbare leeftijd: ‘Wij leggen geld opzij, want wij willen straks niet van de kinderen afhankelijk zijn.’ Zeker, wij willen verzorgd zijn van de wieg tot het graf, wij willen vooral zekerheid – hele verkiezingscampagnes zijn met die slogan gewonnen – en het geld geeft ons die illusie: wij hebben immers een spaarpotje, een polis, zitten in ’t pensioenfonds, hebben wat stukjes in de kluis, wij zijn veilig.

Taart

In tijden vóór de geldeconomie wist men wel beter. De oogst ging in drie delen: het zaad voor het volgende jaar, een deel voor eigen gebruik, een klein deel voor de ruil. Was de oogst niet ruim, dan werd er honger geleden, mislukte hij, dan stierven mensen. Was de oogst na een jaar nog niet op, dan rotte hij weg, werd veevoer. Een farao die voor de magere jaren kan laten oppotten, was en is uitzondering, meer nog in onze tijd, waarin de schaarste hier gecompenseerd kan worden met overvloed elders. Maar dat betekent dat de goederen, die wij niet gebruiken, consumeren, omdat wij aan het sparen zijn, niet voor ons bewaard worden. Anderen nuttigen ze – kinderen, ouden van dagen – of gebruiken onze onthouding om te investeren, voor een omwegproductie. De taart kan slechts éénmaal opgegeten worden en als wij straks aan het opsouperen van onze spaarcenten toe zijn, dan is de maatschappelijk koek die wij hebben helpen voortbrengen, al lang op. En al ons geld zal ons niet helpen, als er straks geen nieuwe generatie klaarstaat, die bereid is om voor onze oude dag te zorgen. Het geld versluiert het feit, dat wij een groot deel van hetgeen wij produceren afstaan aan anderen die niet in staat zijn te produceren, en dat wij straks als oudjes, aangewezen zullen zijn – zoals wij in onze kinderjaren aangewezen waren – op het werk van diegenen die dan tot produceren in staat zijn.

Inflatie-proof

Maar geeft ons geld, onze polis, de wet (AOW!) ons dan geen recht op een stuk van de maatschappelijke koek? Het lijkt zo, want ons, nog van Romeinse opvattingen afkomstig, eigendomsrecht kent als laatste rest van het instituut der slavernij het recht op andermans arbeid. De economische en politieke werkelijkheid is er al lang aan voorbij gegaan. Het kan gaan op revolutionaire wijze, door het vervallen verklaren van ‘titels’, zoals men dergelijke rechtsaanspraken pleegt te noemen: voorbeelden vinden wij waarachtig niet alleen in Oost-Europese staten; de z.g. geldzuiveringen en vermogensheffingen na de oorlog waren niets anders! Het kan ook gaan langs sluipende weg, via inflatie. Hoe meer wij onze voorzieningen ‘inflatieproof’ maken (zoals onze sociale verzekeringswetten) en daarmee de werkende generatie willen dwingen, des te explosiever en gevoeliger voor revolutionaire oplossingen wordt de situatie.

Zo gezien is alle streven naar zekerheid een illusie – en daarmee komt de oude betekenis van crediet weer naar voren: afstand doen van consumptie in het vertrouwen, dat men straks ook terwille van mij afstand van consumptie zal willen doen. Als wij door de geldsluier heenprikken, dan kan een nieuw soort zekerheid ontstaan: het vertrouwen, dat bij een volgende generatie zo veel rechtsgevoel aanwezig zal zijn, dat zij ons op onze oude dag, in onze invaliditeit een bestaan zal gunnen.

D.Brüll, Jonas 24-09-1970

.

Deel 1   Deel 2

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1522-1427

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

.

Blz. 21   vert. 21

Wir werden in unser Bewußtsein die Tatsache aufnehmen müssen, daß der Mensch sich entwickelt eine lange zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt, daß er innerhalb dieser Entwickelung an einen Punkt gelangt ist, wo er für die geistige Welt gewissermaßen stirbt, wo er unter solchen Bedingungen in der geistigen Welt lebt, daß er dort nicht mehr weiterleben kann, ohne in eine andere Daseinsform überzugehen. Diese andere Daseinsform bekommt er dadurch, daß er sich umkleiden läßt mit dem physischen und Ätherleib. Dasjenige, was er bekommen soll durch die Umkleidung des physischen und Ätherleibes, könnte er nicht bekommen, wenn er sich in gerader Linie in der geistigen Welt nur weiterentwickeln würde. Indem wir daher das Kind von seiner Geburt an nur mit physischen Augen anblicken dürfen, wollen wir uns dabei bewußt sein: auch das ist eine Fortsetzung. 

We zullen ons bewust moeten zijn van het feit dat de mens zich gedurende lange tijd ontwikkelt tussen de dood en een nieuwe geboorte en dat hij in deze ontwikkeling op een punt belandt waarop hij voor de geestelijke wereld in zekere zin sterft; dat is wanneer hij onder zodanige omstandigheden in de geestelijke wereld leeft dat hij daar niet meer verder kan leven zonder in een andere bestaansvorm over te gaan. Deze andere bestaans­vorm krijgt hij doordat hij zich omhult met het fysieke lichaam en het etherlichaam. Wat hij in zich moet opnemen door mid­del van de omhulling van het fysieke lichaam en het etherli­chaam zou hij niet kunnen opnemen wanneer hij zich linea recta in de geestelijke wereld alleen maar verder zou ontwikke­len. Aangezien we het kind vanaf zijn geboorte slechts met fysieke ogen mogen aanschouwen, moeten we ons daarbij be­wust zijn: ook dat is een voortzetting.
GA 293/21
Vertaald/21

Vóór de mens op aarde fysiek geboren wordt, bestaat hij – als geestelijke realiteit – onstoffelijk.
Maar er komt een tijd dat deze ‘geestkern’ zich in de geestelijke wereld niet verder kan ontwikkelen: ‘hij is daar klaar’ en kan alleen op aarde verder.

Blz. 22   vert. 22

Wenn nun das Kind auf den physischen Plan herausgetreten ist, dann müssen wir uns bewußt sein, was eigentlich für das Kind geschehen ist im Übergang von einem geistigen zu einem physischen Plan. Sehen Sie, da müssen wir vor allen Dingen uns bewußt werden, daß sich das Menschenwesen wirklich aus zwei Gliedern zusammensetzt. Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; (  )

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; ( )
GA 293/22
Vertaald/22

Blz. 23  vert. 23

Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem SeelischenDer Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. 

En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielengeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan.
GA 293/23
Vertaald/23

In [1-2] , m.n. in [1-2-3] gaat het over de vraag hoe we de uitspraken van Steiner over het bovenzintuiglijke, die we niet door een eigen bovenzintuiglijk vermogen kunnen waarnemen, toch op de een of andere manier kunnen begrijpen. Het misschien ook ergens in de stoffelijke wereld kunnen zien.
Op de grens, de overgang van geestelijke wereld naar fysieke, bevindt zich het ongeboren kind. Dat als ‘Ik’, als individualiteit al bestond.
Dat werpt o.a. een bepaald licht op ‘abortus’.

Toen daarover indertijd* werd gediscussieerd, verscheen in Jonas onderstaand artikel.
Kan de embryologie ons verder helpen?
Embryoloog Dr. Jaap van der Wal:

Embryo: vrucht of mens?

De vraag van de redactie die tot het schrijven van dit artikel leidde, was of ik ‘als embryoloog’ een bijdrage kon leveren aan de discussie rond het abortusvraagstuk, zoals die gestalte krijgt in een reeks artikelen over dit onderwerp in Jonas. Dat is een ongebruikelijke vraag, omdat in de openbare discussie over dit onderwerp nog maar zelden expliciet om kennis van en inzicht in de vroegste ontwikkelingsstadia van de mens wordt gevraagd; veeleer ligt de gespreksstof in het medische, psychologische, ethische, politieke, sociologische vlak.

Het is niet de bedoeling van het onderhavige artikel om vanuit een geesteswetenschappelijke en/of fenomenologische benaderingswijze van het embryo met argumenten vóór of tegen abortus te komen. Dat is in andere artikelen al in voldoende mate gebeurd. Bovendien wil ik stellen, dat, omdat de discussie rond dit vraagstuk zo breed maatschappelijk wordt gevoerd en zo veel mensen direct of indirect bezighoudt, het op de politieke en/of maatschappelijke meningsvorming in deze geen groot effect heeft, wanneer men vanuit een voor velen (nog) niet verstaanbare denktrant, levensbeschouwing, argumenten aanvoert. Het lijkt mij haalbaarder om – in plaats van het stellen van ‘alternatieven’ alleen – na te gaan hoe mensbeeldaspecten, verweven met de visie op de menselijke embryonale ontwikkeling, al dan niet de meningsvorming over deze zaak (stilzwijgend) beïnvloeden en te bezien of, en zo ja waar, op vruchtbare wijze bewustwording daarvan (en daarmee keuzebepaling) kan worden gestimuleerd.
Het uitdragen en versterken van antroposofische inzichten is één weg, het bijdragen aan het bewust maken van het bij velen impliciet levende materialistische mensbeeld, een niet minder belangrijke. Niets is gevaarlijker voor deze tijd en onvruchtbaarder dan het stilzwijgende uitgaan van een mensbeeld, dat men niet als levensbeschouwelijk uitgangspunt (h)erkent en daarvan dus niet de beperkingen, begrenzingen weet. In dat kader dient het hier volgende artikel te worden bezien.

In het eerste deel van dit artikel wil ik ruwweg schilderen op welke wijze in het algemeen het menselijk embryo in de meningsvorming rond het abortusvraagstuk wordt betrokken. Ten eerste is er de wijze waarop (vaak door voorstanders en in medische kringen) het embryo wordt weggewerkt achter ‘objectieve’ beschrijvingen als ‘zwangerschapsproduct’, ‘baarmoederinhoud’ en dergelijke, geen beeld of gevoel oproepende kwalificaties. Naast deze zakelijke terminologie staat vaak een invoelbaarder, herkenbaarder beschrijving van de problematiek van de vrouw in kwestie, haar nood, haar dilemma, haar vrijheid, haar angsten (en dit – laat men mij niet misverstaan – terecht). Deze benadering vindt ook haar weerslag in de vaak technisch-zakelijke behandeling van een individueel geval van abortus. Deze wijze van uitdrukken is echter ook bijna inherent aan de huidige gezondheidszorg. Wat gaat er niet aan kwaliteit, bijvoorbeeld aan menselijk gevoelen schuil achter begrippen als ‘de patiënt’, ‘het geval’, ‘de gewonde’. Angst, dood, chaos, verminking zijn verborgen in objectieve, abstracte termen. Woorden zijn dan niet meer dan dode slakken, die niet meer vertolken wat er in wezen aan menselijk gevoelen achter ligt.

Deze zakelijke, objectieve benadering van het embryo is wijd verbreid. Ik ervaar dit onder andere wanneer ik tijdens colleges embryologie aan medische studenten menselijke embryo’s (op ‘sterk water’) toon en daarbij de leeftijden van deze embryo’s duidelijk relateer aan vaak rond abortus gehanteerde grenzen (ik kom daar later op terug). Dat valt vaak geheel verkeerd en men beschuldigt mij dan bijvoorbeeld van ‘emotionele indoctrinatie’. Eigenlijk doet zich daarbij het paradoxale voor, dat ik in werkelijkheid feitelijkheden laat zien, maar dat deze objectieve gegevens door het collegegehoor emotioneel worden beleefd, en dat deze gevoelens als niet-passend in de objectief zakelijke benadering, die kennelijk gewenst wordt, worden afgewezen.

De tweede wijze waarop het embryo in de discussie betrokken wordt, ligt juist heel sterk in de gevoelssfeer, het emotionele. Vaak zijn het tegenstanders die juist de emoties die embryo’s, beschrijvingen en afbeeldingen ervan, oproepen, bespelen en deze een zwaar gewicht geven in de afweging van voor en tegen. Men is daarbij allerminst exact in dit gevoel, vraagt zich niet af wat voor emoties hier spelen, waardoor ze dan worden opgeroepen. Maar in het emotionele vlak worden door deze mensen vaak begrippen, gevoelens aan elkaar gekoppeld, die bij nadere beschouwing niet aan elkaar gelijk gesteld zouden mogen worden. De slogan ‘abortus is moord’ bijvoorbeeld koppelt de emoties rond het begrip ‘moord’ direct aan het begrip ‘abortus’.

Maakt de eerste categorie mensen het embryo monddood door het gevoel in zakelijkheid te smoren, bij de tweede categorie wordt het embryo evenmin  verstaan, gehoord: het wordt overschreeuwd en de taal van het embryo wordt op oneigenlijke wijze, door onexacte gevoelens vertolkt.

Min of meer een middenweg kan men beluisteren bij gematigde tegenstanders. Vaak spreekt men hier in termen van ‘de problemen van de vrouw afwegen tegen de bescherming van het menselijke leven’. Aan dit begrip zijn dan godsdienstige en ethische normstellingen verbonden. Men stelt, dat embryonaal leven net als elk ander menselijk leven beschermd dient te worden. Maar wanneer spreekt men van ‘menselijk leven’? Paradoxaal genoeg zijn het juist deze ethici die op de natuurwetenschappers een beroep doen om aan te geven, wanneer een embryo ‘menselijk leven’ wordt, met andere woorden om grenzen vragen waarna ethische normen geldig zijn. De veel gehoorde 10-weken- of 3-maandengrens is hiervan een voorbeeld. Een wonderlijke mengeling van levensbeschouwelijke-ethische normen en natuurwetenschappelijke (zogenaamd niet-levensbeschouwelijke) criteria. Het is een schoolvoorbeeld van hoe zogenaamde waardevrije wetenschap verstrekkende invloed uitoefent op ethische waarden en normstelling.

Met excuus voor de misschien wat sterke simplificatie van categorieën van meningen, denk ik te kunnen stellen dat het embryo meestal in de discussie betrokken wordt, zoals dat voor- of tegenstander uitkomt: als anoniem, niet-menselijk, biologisch vormsel, als menselijk wezen, als leven, dat na een bepaalde grens menswaardig is. En allen baseren hun visie van het embryo mede op de kennis, die daarover de afgelopen eeuw door wetenschappelijk onderzoek is vergaard. Maar wat is dat voor kennis en waar komt die vandaan? (Andere bronnen van inzicht blijven, zoals gezegd, in het kader van dit artikel, buiten beschouwing).

De vroegste ontwikkelingsstadia van een menselijk embryo onttrekken zich aan onze directe zintuiglijke waarneming. Schematisch gesteld is het onzichtbare terrein van bevruchting tot het eerste leven voelen ‘ontsluierd’ door de wetenschap. Onderzoek heeft zichtbaar gemaakt wat zich daar afspeelt en men heeft naar verklaringen gezocht. Maar… dat alles is gebeurd met de instrumenten, de taal van de natuurwetenschap en die taal hanteert termen en begrippen binnen een materialistisch kader; het kader van het reductionisme, bijvoorbeeld: een embryo is ook maar een complexe samenhang van cellen, kernen, DNA, genetische code, eiwitten, etc. Embryologie betekent chemische embryologie, biologische embryologie. Menselijke embryologie werd
dierembryologie. Geheel passend in de idee van de afstammingsleer werd humane embryonale ontwikkeling ‘verklaard’ uit een herhaling van de evolutionaire ontwikkelingsgeschiedenis van de afstamming van de mens. Terwijl deze ‘grondwet’ door menige moderne bioloog niet meer zo strikt wordt gehanteerd, beheerst zij het denken van leken en menig wetenschapper over humane embryologie. En zo is het menselijke embryo, zoals de meesten dat kennen, een chemisch, biologisch, etc. (lees: niet-menselijk) embryo. Een deel van de waarheid dus.

Als deze natuurwetenschappelijke benadering haar uitspraken doet over het ‘menselijke’ van bijvoorbeeld een embryo van 4 weken, heeft zij daarvoor haar normen. En die criteria daarvoor zijn maar al te vaak ontleend aan de verschijningsvorm die de mens vertoont gedurende een groot deel van zijn leven, na zijn groei en vóór de involutie, de ouderdom. En als we déze norm hanteren is nergens de verleiding om over onvolledig, nog-niet-volwaardig menselijk leven te spreken groter dan juist bij het embryo: het leven dat nog niet zinvol is (L.F.C. Mees, De aangeklede engel). In mindere mate bespeurt men iets dergelijks als het gaat om ‘het kind’. Kinderen worden vaak impliciet beschouwd als nog-niet-complete mensen – ‘ach, wat kan een kind van twee jaar nu al ervaren hebben’ -. Pedagogiek is dan de kunst datgene bij een kind aan te brengen, wat het tot een ‘groot mens’ maakt. Schoorvoetend begint het inzicht te dagen dat het kind een verschijningsvorm van de mens is, met een geheel eigen ‘functioneren’ en karakter. Hoe moeilijk moet het binnen een dergelijke ‘mensvisie’ niet zijn om in dat vreemde, zwijgende, verbijsterende wezen dat embryo heet, een mens te zien?

Vanuit de geesteswetenschap bekende beschrijvingen geven een heel ander beeld van het menselijk embryo. Wat ik met de tweede helft van dit artikel beoog is de lezer(es) enigszins op de hoogte te brengen van een stroming in de gangbare, ‘officiële’ embryologie, die van een totaalbeschouwen, een holistische zienswijze uitgaat. Hierbij worden de bekende gegevens uit de chemische/biologische embryologie in een zodanig ander kader geplaatst, dat veel meer ruimte ontstaat een menselijk embryo, vanaf de conceptie te bezien als mens in ontwikkeling. Ik wil dit doen omdat ik deze stromingen beschouw als een trait-d’union tussen biologische en humane embryologie, tussen materialistische en geesteswetenschappelijke embryologie. Kennis nemen van deze richting is dan ook zeer zinvol als het om ‘het embryo in de abortuskwestie’ gaat.

Als voorbeeld neem ik de beschouwingswijze van prof. E. Blechschmidt, en ik doe dit aan de hand van een afbeelding (fig. 2) en de beschrijving van een voorval.

Figuur 2 is ontleend aan de reconstructie van een menselijk embryo van 4.2 mm, ongeveer 28 dagen oud. Deze reconstructies zijn vervaardigd door prof. Blechschmidt te Göttingen. Hij heeft hier volgens een bepaalde methode embryo’s vergroot en in kunststof afgebeeld om zo een beter inzicht te krijgen in de totale structuur van een embryo. Zo staan er in een zaal van het Anatomisch Instituut te Göttingen ongeveer 70 van deze enorme modellen (tot 100 cm hoog), aan de reconstructie waarvan hij meer dan 20 jaar heeft gewerkt en waarop hij zijn inzichten in de menselijke embryonale ontwikkeling baseert. Meer dan 300.000 microscopische coupes zijn in deze verzameling verwerkt, nauwkeurig bekeken en nagemaakt. Wie ooit in de buurt van Göttingen komt, moet beslist eens een bezoek aan deze ‘Göttinger Embryonensammlung’ brengen. Het is een indrukwekkende ervaring. Het is de eerste keer geweest dat zo nauwkeurig menselijke embryo’s zijn afgebeeld; in de gangbare embryologie zijn de meeste inzichten gebaseerd op proeven met dieren, met name kippen- en rattenembryo’s.

Toen ik laatst* een tiende klas van een vrijeschool met dit beeld (fig. 2) confronteerde, werden het allerlei kwalificaties toegedacht, zoals ‘vis, dikkopje, worm’ en waren de aanduidingen ‘vinnen, kop, kieuwen, staart’ niet van de lucht. Dat is overigens niet specifiek voor deze groep leerlingen; ook medische studenten en, naar ik aanneem, ook menig lezer(es) reageren zo. Men ‘ziet’ dierlijke vormen. Wanneer ik dan echter de leerlingen, studenten meedeel dat het hier een menselijk embryo betreft, gebeurt er iets, dat ik wel verwacht, maar dat eigenlijk heel vreemd is. Er is geen verbazing, geen ongeloof, want het klopt toch? De verklaringen vliegen je om de oren en grofweg gezegd komen die neer op die heersende opvattingen dat de mens in zijn ontwikkeling dierlijke voorstadia doorloopt, de zogenaamde biogenetische grondwet van Haeckel. Deze wet komt in het kort erop neer dat in de ontwikkeling van een individuele vertegenwoordiger van een soort (ontogenie) – en de mens is gewoon een soort, nietwaar? – de ontwikkeling van de soort als geheel (fylogenie) nog eens wordt herhaald.

Wat hier optreedt, is een heel belangrijk verschijnsel. Hier worden waarneming en voorstelling door elkaar gehaald. Want hoe dierlijk dit er ook uit mag zien, het is een menselijk embryo. Bijvoorbeeld wat de kieuwen betreft: ook al zou de ontwikkeling hier worden beëindigd, dan is er nog geen sprake van een vis, maar wel van een uiterst mismaakt mens, dan wel menselijk stadium. Wij zien geen kieuwen, we zien hoogstens op kieuwen gelijkende plooien. Maar de mens is een wezen op weg. Een kind is ook een verschijningsvorm van de mens, is niet minder mens dan een volwassene of een puber of een oude vrouw. Het zijn stadia, verschijningsvormen van die individuele mens in ontwikkeling. Zoals we verbaasd zijn dat uit zo’n nietig pasgeboren mensje eens een groot mens zal groeien, zo zouden we verbijsterd moeten staan dat dit wezen, dat we nu beschouwen, menselijk is, een mens in wording. Maar nu, wat we zien, zien we niet meer, horen we niet meer, het wordt vertaald in onze voorstellingen, we plakken etiketten op wat we zien, geven het een naam, en be-grijpen.

Letterlijk! Door dat be-grijpen spreekt de vorm niet meer uit zichzelf, maar maken wij die verschijningsvorm monddood: het heeft ons niets (nieuws) meer te vertellen. Een vrucht.

Een aangrijpender voorbeeld. Het misschien wel monsterlijk aandoende gezicht (fig. 3) is dat van een menselijk embryo van ongeveer 45 dagen (16 mm).

Het zal grote moeite kosten hierin iets menselijks te herkennen. Dat ligt alweer anders voor de volgende twee afbeeldingen (fig. 4 en 5) van een menselijk gelaat van ± 50 dagen (21 mm), respectievelijk ± 60 dagen (43 mm). De neiging om ook hier van ‘dierlijkheid’ te spreken, is echter groot.

Het uitgesproken of stilzwijgende geloof in de juistheid van de biogenetische grondwet heeft in het onderzoek van het gedrag en zelfs op het gebied van wereldbeschouwing tot desastreuze vergissingen geleid. Hier is het misverstand ontstaan, dat het specifieke karakter, ja zelfs de oorspronkelijkheid van het menselijk gedrag, uit het gedrag van zijn dierlijke voorouders, die hij alleen maar herhaalt, te verklaren is, dat wil zeggen, wetenschappelijk gezien daartoe te herleiden is. Dit misverstand behelst ook de onjuiste opvatting, dat de mens eenvoudigweg een hoger ontwikkeld dier is en dat hij als zodanig te manipuleren is.’

Prof. E. Blechschmidt

De sleutelpositie die prof. Blechschmidt mijns inziens in het veld van de embryologie inneemt, ligt in het feit dat hij op aannemelijke wijze ook deze dierlijk aandoende vormen, zoals het getoonde gelaat, de kieuwen, de staart etc. etc. verklaart uit het totaal van groeiprocessen en groeibewegingen, die op dat moment de groei, vorm en ligging van bepaalde delen van het lichaam beïnvloeden. Hij beschouwt een embryo voortdurend in een totaal en staat daarmee lijnrecht tegenover de reductionistische benadering, die hij zelf niet afwijst, maar met zijn visie zegt aan te vullen. Nergens in de vele boeken die hij nu heeft geschreven, schiet zijn algemene verklaringsconcept, dat de vormen, de stadia voortdurend mechanisch-dynamisch uit de totale embryo-ontwikkeling van dat moment afleidt, mijns inziens tekort. Hij beschrijft daarmee, dat alle verschijningsvormen van een menselijk embryo menselijk zijn en het niet nodig is terug te grijpen naar een ‘grondwet’ zoals die van Haeckel. Onlangs nog is er een klein boekje van hem verschenen, waarin hij voor leken zijn theorieën uiteenzet (The Beginning of Human Life, Heidelberg Science Library, Springer Verlag, New York 1977) en nog menig ander controversieel standpunt inneemt, waarop ik hier nu helaas niet kan ingaan.

Een voorbeeld nog. Hoe verklaart Blechschmidt deze metamorfose van het gelaat? U kunt zelf zien (fig. 2) hoe het embryo sterk krom groeit (de verklaring daarvan laat ik achterwege) en hoe de ‘kop’ tegen de enorme bult, die het hart in dit stadium vormt, komt te liggen. Het toekomstige gelaat van de mens wordt daardoor van onderaf (kin) in zijn groei plat gedrukt door deze hartbult: het gelaat wordt een ‘dwarsgezicht’ (fig. 3). Wanneer nu later de groei van het hart bij de totale groei van het embryo achterblijft (hetgeen weer zijn eigen verklaring heeft) en de hersenen enorm gaan ontwikkelen, wordt het gelaat weer meer in de lengte gericht en komen zo de ogen bijvoorbeeld schijnbaar dichter bij elkaar, omdat de schedel wel, maar het aangezicht (relatief) nauwelijks meer groeit (fig. 5). Is het niet wonderlijk dat ook bij de volgroeide mens de gelaatsuitdrukking (mimiek) bepaald wordt door hart (gevoel, emotie) én hoofd (denken, willekeurig bewegen), maar dan in de beweeglijkheid van spierbewegingen en niet zoals, bij het embryo, in vormbewegingen?

De beschouwing van Blechschmidt en anderen maakt het mogelijk het beeld te vormen van een menselijk wezen dat functioneert in vormen. Een unieke fase in ons bestaan, waarin de groeibeweging, de veranderende vormen ons ‘functioneren’ zijn. Zo zouden we uit de wijze van groeien en ontstaan van organen de (toekomstige) functie kunnen aflezen: ‘das Seelische übt sich voraus’. Hierin ligt onder andere de aansluiting naar de fenomenologische Goetheanistische beschouwingswijze (gebaren, taal) en naar de geesteswetenschap (etherkrachten). Maar als voornaamste conclusie voor dit artikel kan men uit deze holistische benaderingswijze, belangrijke gronden halen voor de stelling: een mens wórdt niet in een bepaald stadium mens, hij is mens vanaf het eerste begin, functioneert, leeft in menselijke vormen.

Door de explosie van kennen en kunnen op medisch-biologisch gebied staat de mens voor de mogelijkheid menselijk leven af te wegen tegen… Of dat mag, of dat kan is hier niet aan de orde. Ik heb willen laten zien dat het van uitermate groot belang is te weten waartussen men een afweging maakt. Standpuntbepalen in dat moeilijke dilemma, dat bij elk individueel geval van abortus speelt, begint al vér voor de afweging ‘de vrouw of het kind’. Het abortusprobleem is niet alleen een medisch, ethisch, sociaal probleem, het is ook het vraagstuk van mensbeeldkeuze, levensbeschouwing. Of liever: het bewust worden daarvan.

Een embryo is een menselijk wezen
op weg.
Een stadium
een hoofdstuk
uit de unieke biografie
van een mens.

We zijn in verwachting:
Wie zal het worden?

Niet: wat zal het worden?
Wie slechts ziet de herhaling van de
ontwikkeling
van een soort,
Hem zijn de geheimen niet gegeven:
hij heeft reeds gelezen
wat nog geschreven moet worden

Jaap van der Wal, Jonas 1, *07-09-1979
(met toestemming van de auteur)

Dr. Jaap van der Wal    meer       via Google
.

Meer over embryologie onder ‘ontwikkelingsfasenaan het begin van het leven

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.

1521-1426

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297 – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht Stuttgart 24 augustus 1919

Welke gezichtspunten vormen de basis voor de vrijeschool

De op handen zijnde stichting van de vrijeschool als een eerste stap op weg naar een vrij geestesleven. (blz. 15)
De afhankelijkheid van de school van de staat tot nog toe. (blz. 17 e.v.)
De macht van de frase en het aan elkaar voorbijpraten; een voorbeeld uit de pedagogie. (blz. 19)
Activiteiten op pedagogisch gebied in de afgelopen decennia (1). blz.20)
De experimentele psychologie (2)  (blz.21)
De pedagogiek van Herbart: de eis van opvoeding van wil en gevoel, echter de herbartse psychologie berust uitsluitend op het voorstellen. (blz.23 e.v.)
De noodzaak van een nieuwe menskunde: waarnemen van de totale mens. (blz. 29)
Voorstellen en wil als een en dezelfde ontwikkeling; de voorstelling: oud geworden wil. (blz.30 e.v.)
Rekening houden met het leven vóór de geboorte en na de dood. (blz. 31 e.v.)
Een voorbeeld van zoeken naar iets nieuws voor het schoolleven en het oude niet kunnen loslaten: citaten uit het boek ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Johann Kretschmar (over de staat en het onderwijs; over lerarenopleiding) (blz. 34 e.v.)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school. (blz. 40 e.v.
Het streven naar een nieuwe methodiek en onderwijspraktijk op de vrijeschool. (blz. 41)

Inhoudsopgave 2e voordracht Stuttgart 31 aug. 1919, ’s middags.

Uit welke geest kan een opvoedkunst tot ontwikkeling komen voor deze tijd?

Echte opvoedkunst als voorwaarde voor het scheppen van een sociale toekomst voor de mens.
De betekenis van de lerarenopleiding
De vergeefse zoektocht van de pedagogen Sallwürk. Vogt en Rein naar nieuwe opvoedingsgezichtspunten in de natuurwetenschap en geschiedenis.
De noodzaak van een nieuwe menskunde
De opvoedingsprincipes voor de zevenjarige fasen in de ontwikkeling van het kind; nabootsing voor, autoriteit na de tandenwisseling.
De onderverdeling van de leeftijdsfasen en hun overgang (levensrubicons); een voorbeeld daarvan in de tweede fase: het zeven- tot negenjarige kind: het samengaan van nabootsing en autoriteitskracht.
Over het ‘aanschouwelijkheidsonderwijs’.
De drang om moraliserend naar de wereld te kijken (voorbeeld: introductie van een fabel).
Het negen- tot twaalfjarige kind: biologie aanknopend bij de de mens, een voorbeeld uit de dierkunde (inktvis)
Het twaalf- tot veertienjarige kind: vorming van het oordeelsvermogen; begin van de eigenlijke natuurkunde.
De huidige natuurlijke ontwikkeling  van de mens tot 27 jaar, de langere mogelijkheid tot ontwikkeling in vroegere cultuurfasen.
Over opvoedingsbegaafdheid.
De opvoeding van intellect, gevoel en wil.
Levende begrippen.
Het wezen van het spel, spel en arbeid.
De oriëntatie van het intellect op de geest door wilsopvoeding.
Vroege verzorging van het elementair kunstzinnige
Het afwenden van sociale misstanden door een nieuwe, op menskunde gebaseerde opvoedkunst.
De grootst mogelijke interesse voor het leven als voorwaarde om leraar te zijn.

3e voordracht Stuttgart 31 augustus 1919 ’s avonds:

Voordracht voor de ouders van de vrijeschoolkinderen

Deze is vertaald en uitgegeven door uitgeverij Nearchus. Opvoeding en sociale verandering
(opgenomen in:: Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding : over de levensvoorwaarden voor een werkelijk vrij onderwijs)

Inhoudsopgave 4e voordracht Stuttgart, 24 september 1919 

Bovenzintuiglijke kennis en pedagogische levenskracht

De onwerkzaamheid van ‘de goede wil’ en de ‘mooie gedachte’ voor het omvormen van de huidige sociale verhoudingen (blz. 89)
Impuls van de geesteswetenschap: gevoels- en wilscultuur, omvorming van het oude instinctieve naar volbewust beleven (blz. 90)
De oprichting van de vrijeschool: aansluiten bij de industrie (blz. 90)
De natuurwetenschappelijke manier van denken als enige bron voor de vorming in deze tijd (blz. 91/92)
De weg van de geesteswetenschap: het ontwikkelen van tot in de twintiger jaren onbewuste werkende krachten: imaginatie, inspiratie, intuïtie (blz. 92)
De omvorming van de actieve krachten in de derde zevenjaarsfase in imaginatie, die van de tweede fase in inspiratie, van de eerste in intuïtie (blz. 92/96
Het tegenwoordige sociale denken naar het model van de natuurwetenschappelijke ‘objectiviteit’ (blz. 97/98)
Het enthousiasmeren van wils- en gevoelskrachten door geesteswetenschappelijke kennis (blz. 99/100)
De sociaal-pedagogische terreinen van onderwijs aan jeugdigen en de ‘leer van het leven’: i.p.v. abstract-dode en levendige, concrete pedagogiek: beschouwing over de mens die wordend is (blz. 100/103)
Eisen aan de lerarenopleiding (blz. 103)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school (blz. 104/105)
Over de banaliteit van het aanschouwelijkheidsonderwijs (blz. 105/106)
(Een nieuwe manier van denken is nodig (blz. 107)
Het negende levensjaar (blz. 108)
Over het schrijf- en leesonderwijs (blz. 109)
Over het zgn. vrouwenvraagstuk (blz.110)
De invloed van de geesteswetenschap op de vrouw en de man (blz.110)
De drang tot en de dodelijke tendens aan het voorbeeld van Rusland (Lenin) (blz. 111)
De spraak als sociaal instrument (blz. 111/112)
De school van het leven (blz. 113 t/m….
De huidige abstract uiterlijke en de toekomstig innerlijk psychisch-mentale organisaties
Het levensvreemde van de zgn. ‘practici’
De noodzaak van een echte i.p.v.een  metafysische, wereldvreemde geest voor het huidige leven    …..115)
‘Zoek het werkelijk praktische materiële leven” (blz.116/117)

Inhoudsopgave 5e voordracht, Basel 25 november 1920

De sociaal-pedagogische betekenis van de antroposofisch georiënteeerde geesteswetenschap

Blz. 118 e.v.: sociale nood; sociale eisen
Blz. 119 e.v.: nergens een sociale impuls
Blz. 122 e.v.: de natuurwetenschap kan geest en ziel niet begrijpen
Blz. 123 e.v.: geesteswetenschap wél
Blz. 124: kritiek zegt: de geest kan zich niet ontwikkelen, de geesteswetenschap geeft de wegen daartoe aan
Blz. 125; 146: spiritisme,
Blz. 126: de geest van de mens leren kennen door waarnemen
Blz. 127: nabootsing
Blz. 128: autoriteit
Blz. 129 e.v: aanschouwelijkheidsonderwijs; trivialiteit; alleen leren wat begrepen kan worden; iets in een verhaal verpakken en daar zelf niet achter staan
Blz. 131: het onweegbare, imponderabele tussen leerkracht en leerling; te vroeg oordelen schaadt
Blz. 132 e.v: imaginatieve kennis, geïnspireerde kennis en intuïtieve kennis.
Blz. 134e.v.: imaginatieve krachten zijn sluimerende nabootsingskrachten, inspiratieve krachten zijn sluimerende autoriteitsgevoelens, intuïtieve kennis zijn de krachten die diep in het organisme weggezonken zijn na de tandenwisseling

Blz. 136: ieder kind is een raadsel
Blz. 137: geesteswetenschap komt uit de wezenlijke groeikrachten van de mens; ontwikkeling is omvorming van groeikrachten; geestelijke ontwikkeling brengt de mens verder
Blz. 138: wetenschap wil gevoel en wil uitschakelen;
Blz. 139 e.v.: daardoor verdwijnt het sociale;
Blz. 141: geestesleven impulseert ook gevoel en wil;
Blz. 142: met gezond verstand zijn de geesteswetenschappelijke mededelingen te volgen
Blz. 143 e.v.: de geesteswetenschappelijke inzichten kunnen tot een sociaal-pedagogische impuls worden
Blz. 144: sociale driegeleding
Blz. 145: de sociale vraag moet een mensheidsvraag worden

De 5e voordracht wordt besloten met een vraag en een antwoord. Die zijn op deze blog in een apart artikel weergegeven:

Blz. 147, 148: iemand die de voordracht heeft bijgewoond houdt een pleidooi voor meer leven in de religie, filosofie, wetenschap en de kunsten.
Steiner antwoordt daarop:
Geesteswetenschap moet op elk gebied meer omvattende ideeën ontwikkelen
Blz. 149: de taak van de geesteswetenschap
in de kunst is men tot naturalisme vervallen; de natuur kun je niet imiteren; pogingen om daarbovenuit te komen: expressionisme
Blz. 151: door vastlopen van oude gezichtspunten: verlangen naar geesteswetenschap
Blz. 152: oprichting vrijeschool vanuit de geesteswetenschap; niet vanuit het geheugen iets aangeleerds doen, maar vanuit de levende realiteit (in de klas)
Blz. 153: pedagogie als scheppende kunst
Blz. 155: een hernieuwde geest is nodig om de problemen te kunnen oplossen

Inhoudsopgave 6e voordracht, Basel 27 november 1919

Geesteswetenschap en pedagogie

Blz. 158: relatie geesteswetenschap-pedagogie; geesteswetenschap en natuurwetenschap
Blz. 159: natuurwetenschap heeft mens buiten spel gezet;
Blz. 160: ontwikkeling door geesteswetenschap
Blz. 161: tot nog toe geen geesteswetenschappelijke methode om de mens te leren kennen
Blz. 162: sprongen in de ontwikkeling
Blz. 163 e.v.: nabootsing
Blz. 165: tandenwisseling; autoriteit
Blz. 168: wil ligt ten grondslag aan nabootsingsdrang; op de wil werken door kunstzinnig-esthetische activiteit – bv. bij leren schrijven
Blz. 169: schrijven kunstzinnig aanleren
Blz. 170: vlinder en ziel, beeld van onsterfelijkheid; geloof jet zelf; het imponderabele
Blz. 171: in de jeugd leren bidden, is in de ouderdom kunnen zegenen
Blz. 172 en 179: 9e jaar; Ik-ontwikkeling; eerste herinnering;
Blz. 173: pedagogie als kunst; verandering in het benaderen van de wereld: van verhaal naar meer objectiviteit;
Blz. 174: 11e, 12e jr: terugtreden autoriteit – op weg naar zelf oordelen; leeerplan af te lezen aan ontwikkeling kind
Blz. 175: aanschouwelijkheid;
Blz. 176: wat ooit werd aangeleerd uit autoriteit, metamorfoseert zich en treedtveel later in het leven weer aan de dag;
Blz. 177: onderwijs niet alleen intellect: ook handen en sociaal
Blz. 178: gymnastiek en euritmie
Blz. 180: geesteswetenschap moet menskunde worden; wordende mens als raadsel

Vragenbeantwoording bij de 6e voordracht 27 november 1919

Geen andere opmerkingen dan die over euritmie: hier te vinden.

Inhoudsopgave 7e voordracht, Aarau 21 mei 1920

Opvoeding en sociale gemeenschap vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Blz. 190: geesteswetenschap en natuurwetenschap;
Blz. 191: geesteswetenschap maakt verdere ontwikkeling mogelijk;
Blz. 192: scholing; wat geesteswetenschap aan de pedagogie kan bijdragen
Blz. 193: nabootsing; na tandenwisseling vorming v.h. geheugen; spel van vóór de tandenwisseling metamorfoseert zich en komt terug in je twintiger jaren;
Blz. 194: het gaat om de wil, niet om het intellect; kunstzinnigheid vooral bij het concentionele; niet-Nederlandse talen; euritmie; oordeelsvermogen vóór 9e jr.; in beelden die je gebruikt moet je zelf geloven
Blz.195 e.v.: over sociale driegeleding; democratie alleen voor rechtsleven; economisch leven te bestuderen door producent en consument; geestesleven vrij

Inhoudsopgave 8e voordracht Dornach 8 september 1920

Blz. 201 e.v.: antroposofie/geesteswetenschp als bevruchtende basis voor de pedagogie;
Scholing geesteswetenschsp net zo streng als bij natuurwetenschap; voorwaarden voor de scholing;
Blz. 204: natuurwetenschap aanhangen: gevolgen voor de werkelijkheid
Blz. 205: doel: het raadsel van de opgroeiende mens leren kennen door geesteswetenschap
Blz. 206; om de mens te begrijpen hebben we naast het woord onsterfelijkheid ook het woord ongeborenheid nodig; bijzonderheden van de ziel werken in op het fysieke lichaam;
Blz. 208: het belang van de tandenwisseling; geheugen: vrijkomende opbouwkrachten aan het lichaam;
Blz. 209: schrijven en lezen uit beelden; periodeonderwijs;
Blz. 211: geesteswetenschap kan aan de gangbare pedagogie ped/did. handgrepen geven; kind rond 9e jaar;
Blz. 212: kind: een geestelijk wezen dat zich hier belichaamt; wij helpen daaraan mee;
Blz. 213: onsterfelijkheid en beeld van de vlinder: hoe sta je zelf tegenover dit beeld en het belang daarvan; werkzaamheid van het imponderabele;
Blz. 214: het banale van dat een kind alleen maar moet leren wat het begrijpt;
Blz. 215: het belang van nabootsing; van geliefde autoriteit;
Blz. 216: geesteswetenschap kan je een goede basis geven voor wat je doen moet met het kind; de vrijeschool wil geen wereldbeschouwelijke school zijn; godsdiernstonderwijs door de vertegenwoordigers van de verschillende kerken;
Blz. 217: euritmie: v oor de inhoud: zie Steiner over euritmie GA 297
Blz. 218: eurtimei\\ie: bezielde gymnastiek;
Blz. 219: wat is dichten, reciteren; gymnastiek dient alleen het uiterliujk fysiek organisme
Blz. 220: euritmie: verplicht schoolvak; mend heeft initiatiefkracht nodig

Inhoudsopgave Bespreking van pedagogische en psychologische vragen Dornach 8 okt. 1920

Blz. 222: geen ‘kneepjes’, maar opvoedkunst; kind echt waarnemen;
Blz. 223 e.v.: vraag-antwoord en hoe de vier temperamenten reageren;
Blz. 225 e.v.: temperament en kleur; choleriek rood/blauw; melancholie groen/blauw
Blz. 226: niet intellectualistisch schema’s maken
Blz. 227 e.v.: met kleine kinderen ‘terugblik’ oefenen (als geestelijke scholing): nee!
Blz. 228: hangen bepaalde opvoedproblemen samen met vorige leven? hoe te behandelen: voor ieder geval individueel te bekijken;
Blz. 229 e.v.: het negende jaar; Ik-ontwikkeling; verandering van lesstof;
Blz. 230: geen wetenschappelijke verhandelingen, maar opvoedkunst
Blz. 231 e.v.: Pestalozzi;
Blz. 233 e.v. Herbart; Schiller, Zimmermann
Blz. 239: geen vorming van de mens als alleen maar ‘hoofdmens’

Inhoudsopgave 9e voordracht Olten, 29 december 920

Blz.240 e.v: grenzen van kennen bij de verschillende wetenschapsdisciplines, niet voor de antroposofie;
Blz. 241: kritiek op antroposofie;
Blz. 242 e.v.: door antroposofie is denken verder te ontwikkelen; voorbeelden en literatuur over ‘hoe’;
Blz. 244 e.v.: mediteren, concentreren ontwikkelen zielenkrachten
Blz. 248: we hebben een woord nodig a
ls ‘ongeborenheid’; ontwikkeling, ook voor het praktische leven;
Blz. 249 e.v.: innerlijke scholing raakt ook gevoel en wil, is niet alleen kennis van het hoofd;
Blz. 250 e.v.: er ontstaat enthousiasme en dat heeft een opvoeder nodig; de huidige psychologie, de huidige wetenschap, kan niet doordringen tot het wezen van de mens; antroposofie is inspiratie;
Blz.251: zenuwen geen basis voor het zielenleven van de mens; alleen voor het voorstellingsleven; voor gevoelsleven het ritmische systeem van hart en longen, voor het wilsleven het stofwisselingsysteem; drieledige mens;
Blz. 252: kind een wonderbaarlijk raadsel;
Blz. 253: kracht van antroposofie om ontwikkeling te doorzien;
Blz. 254: opvoedingswetenschap heeft mooie principes, maar ze blijven te abstract;bv. ontwikkeling individualiteit; drie ontwikkelingsfasen
Blz. 255 e.v: 1e levensfase: nabootsing; hoe ben je in de omgeving van een klein kind;
Blz. 257: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; antroposofie is er niet voor het kind, maar voor de leerkracht om te leren hoe hij het kind opvoedt en lesgeeft; het geven van godsdienst;
Blz. 258: de hele mens aanspreken: voorbeeld: leren schrijven;
Blz. 259 e.v.: na de tandenwisseling: gevoel voor autoriteit;
Blz. 260: kind hoeft niet alles meteen te begrijpen; geheugen; niet alles kan aanschouwelijk zijn;
Blz. 261: op gezag iets aannemen en latere levenskracht;
Blz. 262: samenhang spel en hoe je later in het leven staat;
Blz. 263: vóór het 9e jaar: fantasie, beeld; daarna zaakvakken, nog geen causaliteit; onsterfelijkheid, beeld cocon-vlinder; imponderabele;
Blz. 264: verandering in het kind rond tiende jaar; Rubicon; autoriteit;
Blz: 265: belang van eerbied;
Blz. 266 e.v.: het belang van antroposofie voor het lerarenberoep;

Vragen n.a.v. de 9e voordracht, Olten 29 dec. 1920

Inhoudsopgave bij de vragenbeantwoording

Blz. 267 e.v.: over het spel van het kleinere kind
Blz. 268 e.v.: spel, speelgoed en temperament, drukke, snelle kinderen en rustige, trage kinderen; welke kleuren voor hen;
Blz. 269: nabeeld complementaire kleur; blokkendoos; intellectueel speelgoed; prentenboek met beweegbare platen;
Blz. 270: de ‘mooie’ pop; speelgoed dat te af is; fantasie; het gelijke met het gelijke behandelen;
Blz. 271 e.v.: zelf geloven in de beelden die je gebruikt; hoe zit het met bv. de paashaas, Sinterklaas [zie ook 273]; Steiner geeft deze een diepere betekenis; Ernst Mach
Blz. 272: over mythen, sagen e.d.
Blz. 273: dromen;
Blz. 274 e.v.: Sinterklaas en de kerstboom; relatie psycho-analyse en geesteswetenschap; een voorbeeld van psycho-analytische verklaring (vrouw en koets)

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

de in de Gesamtausgabe (GA) voorkomende pedagogische geschriften

.

1520-1425

.

VRIJESCHOOL – 10e klas – handvaardigheid

.

Het kan maar zo zijn dat ‘handvaardigheid’ op de middelbare vrijeschool inmiddels een heel andere inhoud heeft gekregen. Onmiskenbaar heeft het examenmonster hier en daar wezenlijke vrijeschool(op)voeding kunnen opvreten. Aldus knagend aan ‘hoofd, hart en hand’, waarbij hij het hoofd lijkt te ontzien.

Onderstaand artikel gaat over spinnen. Toen het op alle vrijeschoolbovenbouwen nog werd gegeven. Misschien is het nu wel ‘archiefmateriaal’.

Als je aan iemand vertelt dat er op de vrijescholen in de 10e klas met de hand gesponnen wordt dan blijkt vaak uit de reacties dat die bezigheid gezien wordt als een uiting van ” het terug naar vroeger verlangen”.
Vroeger – U weet wel, dat dromenland toen alles in de wereld nog goed en mooi was.

Wie zich er wel eens toe gezet heeft het spinnen te leren, is snel van dat soort romantische illusies genezen. Het spinnen eist een voortdurende aandacht voor het materiaal, een voortdurende aanpassing aan de eisen die het stelt. Want dat is het paradoxale dat overigens voor allerlei werkgebieden geldt: je kunt die vezels slechts zoveel beheersen en naar je hand zetten als je in staat bent hun hoedanigheid, hun toestand te beluisteren, te ervaren .

Die vezels groeien op het schaap in een vaste orde en de spinner moet die orde overleiden in een nieuwe orde: de draad. Tussen schaap en draad dreigt voortdurend de chaos. Dat begint al bij het scheren en inpakken. Wie spint werkt met materiaal dat zich steeds dreigt te verwarren, en hij probeert voortdurend die verwarring te verhinderen.

Maar de spinner doet meer; hij verhindert niet alleen de chaos, hij brengt ook iets nieuws voort: de draad.
Het wonderlijke van zo’n draad is dat daarin allemaal losse elementjes, de vezels, met een beperkte lengte – zeg 3 tot 12 cm tot een nieuwe eenheid van onbeperkte lengte worden samengebracht. Losse vezels worden verbonden tot een ononderbroken stroom,

Voor beide dingen, het tegengaan van de verwarring en het maken van de draad gebruikt de spinner zijn handen en z’n gereedschap; spinhaak, spindel of spinnewiel. Hij is daarmee een technicus. En al stelt de spinhaak zeer bescheiden technische eisen, de kleine machine die spinnewiel heet draagt heel wat vernuft op zijn romantische gedraaide pootjes.

Met de puberteit breekt een chaotische fase van het menselijk bestaan aan. 16-jarigen raken in staat daar wat uit te komen. Door hun het spinnen te leren wordt het vermogen om chaos te lijf te gaan gestimuleerd. Niet door hun redelijk bewustzijn aan te spreken, maar door te doen.

Een 10e-klasser leert nog meer. Hij krijgt de behoefte om zijn begrippen en voorstellingen tot logische redeneringen aaneen te schakelen. Weliswaar kon hij al veel eerder logische gedachten volgen en meedenken, maar nu begint hij ze zelfstandig te produceren. Het vrije onafhankelijke denken ontstaat.

De activiteit van de spinner is niet ongelijk aan die van de denker. Als het spinnen lukt maak je garen of draad, en als het niet lukt ontstaat er een of ander spinsel. Zo spreken we ook over de draad van een gedachte of een verhaal, en ongunstig over gedachtespinsels. Het leren van het denken wordt ondersteund door het doen.

Er is nog een derde reden om met jonge mensen te spinnen. Wij leven in een technische omgeving. Dat maakt de mens vrij, in zoverre dat hij meer aandacht kan besteden aan andere dingen dan de zorg voor voedsel, kleding en brandstof. Het stelt hem ook bloot aan gevaar. Gevaar van vervreemding van de wereld waarin hij leeft. Het is namelijk niet zonder meer doorzichtig hoe die omgeving tot stand is gekomen.

Daarom is het van belang om mensen die in een technische wereld zullen leven daadwerkelijk met technische principes in contact te brengen. Niet alleen door uitleggen, maar door doen.

H. Pronk, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend

.

handenarbeid: alle artikelen

10e klas: Nederlands

Hugo Pronk: Innerlijk vuur     Is de kast leeg?    Veertien worden

.

1519-1425

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 297 – voordracht 1

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

GA 297: vertaling
inhoudsopgave   voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.; vragenbeantwoording bij de 6e vdr.;
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

RUDOLF STEINER  

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

1e voordracht Stuttgart 24 augustus 1919 [2]

Inhoudsopgave 
Welke gezichtspunten vormen de basis voor de vrijeschool
De op handen zijnde stichting van de vrijeschool als een eerste stap op weg naar een vrij geestesleven. (blz. 15)
De afhankelijkheid van de school van de staat tot nog toe. (blz. 17 e.v.)
De macht van de frase en het aan elkaar voorbijpraten; een voorbeeld uit de pedagogie. (blz. 19)
Activiteiten op pedagogisch gebied in de afgelopen decennia (1)*. blz.20)
De experimentele psychologie (2)*  (blz.21)
De pedagogiek van Herbart: de eis van opvoeding van wil en gevoel, echter de herbartse psychologie berust uitsluitend op het voorstellen. (blz.23 e.v.)
De noodzaak van een nieuwe menskunde: waarnemen van de totale mens. (blz. 29)
Voorstellen en wil als een en dezelfde ontwikkeling; de voorstelling: oud geworden wil. (blz.30 e.v.)
Rekening houden met het leven vóór de geboorte en na de dood. (blz. 31 e.v.)
Een voorbeeld van zoeken naar iets nieuws voor het schoolleven en het oude niet kunnen loslaten: citaten uit het boek ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Johann Kretschmar (over de staat en het onderwijs; over lerarenopleiding) (blz. 34 e.v.)
Vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school. (blz. 40 e.v.)
Het streven naar een nieuwe methodiek en onderwijspraktijk op de vrijschool. (blz. 41)
.
*het is mij tot nu toe niet duidelijk waarnaar deze cijfers verwijzen.

Welche Gesichtspunkte liegen der Errichtung der Waldorfschule zugrunde

blz. 15

Heute möchte ich zu Ihnen sprechen in Anknüpfung an die von unserem Freunde, Herrn Molt, begründete Waldorfschule. Wie Sie wohl aus den Ankündigungen wissen, soll mit dieser Schule eine Art erster Schritt auf dem Weg zu einem freien Geistesleben getan werden. Herr Molt hatte sich mit der Begründung dieser Waldorfschule in einem hohe Maße bewogen gefühlt, etwas in der Richtung eines freien Geisteslebens zu tun, die – in bezug auf die sozialen Aufgaben der Gegenwart und Zukunft – vorgezeichnet werden soll durch die Dreigliederung des sozialen Organismus. Diese Waldorfschule kann selbstverständlich nur dann gelingen, wenn sie ganz durchdrungen ist von dem Geiste, aus dem heraus die Dreigliederung des sozialen Organismus erstrebt wird. Es ist nur allzu begreiflich, daß ein sol­cher erster Schritt nicht gleich vollkommen sein kann, und die Ein­sicht, daß ein solcher erster Schritt nicht gleich vollkommen sein kann, wird dazugehören zu dem Verständnis, von dem wir so sehr möchten, daß es wenigstens von einigen Zeitgenossen dieser Schul­gründung entgegengebracht würde.

Welke gezichtspunten liggen er ten grondslag aan de inrichting van de vrijeschool

Vandaag zou ik tot u willen spreken over de door onze vriend, de heer Molt, opgerichte vrijeschool. Zoals u wellicht uit de aankondigingen weet, zal met deze school een eerste stap worden gezet op weg naar een vrij geestesleven. Met de oprichting van de vrijeschool voelde mijnheer Molt* zich in hoge mate geroepen om iets te doen voor een vrij geesteslven, waarvoor – wat de sociale opgaven van de huidige tijd en de toekomst betreft – de weg uitgestippeld moet worden door de sociale driegeleding**. Deze vrijeschool kan vanzelfsprekend alleen dan lukken wanneer ze volledig doordrongen is van de geest van waaruit de sociale driegeleding wordt nagestreefd. Het is maar al te zeer te begrijpen dat deze stap niet meteen volmaakt kan zijn, en het inzicht dat dat niet kan, hoort bij het begrip waarvan wij zo graag willen dat op z’n minst een paar tijdgenoten dat kunnen opbrengen voor de oprichting van deze school.

*Emil Molt, 1876-1936, Direktor der Waldorf-Astoria-Zigarettenfabrik in Stutt­gart, Kommerzienrat. Er richtete für die Angehörigen seines Unternehmens Arbeiterbildungskurse ein. Hieraus entstand schließlich der Gedanke, eine Schu­le für die Kinder der Arbeiter einzurichten. Für den Aufbau und die Leitung dieser Waldorf-Schule berief er Rudolf Steiner. Molt war 1919 einer der en­gagierteiten Vertreter der Dreigliederungsidee Rudolf Steiners. Siehe Emil Molt, «Entwurf einer Lebensbeschreibung», Stuttgart 1972, sowie einige seiner Auf­sätze in der Schriftenreihe «Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe», Heft 103, Michaeli 1989. – Vgl. auch den Vortrag vom 24.Sept.1919 in diesem Band.
.
Emil Molt, 1876-1936, directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart, industrieel. Hij organiseerde voor de medewerkers van zijn onderneming vormingscursussen voor de werknemers. Hieruit ontstond uiteindeijke de gedachte een school voor de kinderen van de werknmers op te richten. Voor de in inrichting en de leiding van deze Waldorfschool vroeg hij Rudolf Steiner. Molt was in 1919 een betrokken vertegenwoordiger van Rudolf Steiners idee van de driegeleding. Zie Emil Molt: Entwurf einer Lebensbeschreibung Stuttgart 1972, alsmede een paar van zijn artikelen in de serie ‘Bijdragen aan de GesamtAusgabe van Rudolf Steiner, band 103, Michael 1989. Zie ook de voordracht van 24 september in deze voordrachtenserie (GA 297)
.
**Dreigliederung des sozialen Organismus: Näheres siehe Rudolf Steiner «Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft« (1919), GA 23, insbesondere auch Rudolf Steiners Vorwort zur 4. Aufl. 1920, ferner «Aufsätze über die Dreigliederung des sozialen Organismus und zur Zeitlage 1915-1921», GA 24, und die Schriftenreihe «Beiträge zur Ru­dolf Steiner Gesamtausgabe», Hefte 24/25, 27/28, 88, 106.
.
Driegeleding van het sociale organisme: zie Steiner: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk (1919)  GA 23, in het bijzonder het voorwoord bij de 4e druk 1920; verder ‘Opstellen over de driegeleding en de tijd van 1915-1921, GA 24 en de serie: Bijdragen aan de G(esamt) A(usgabe) van Rudolf Steiner, band 24/25; 27/28, 88, 106
.

Die Arbeit hat schon begonnen, und zwar damit, daß jene Per­sönlichkeiten, die sich von sich aus zur Mitarbeit entschlossen ha­ben beziehungsweise die von uns in Aussicht genommen wurden, gegenwärtig an einer Art seminaristischem Kurs* teilnehmen, der vor kurzem begonnen hat und der eine Vorbereitung für das Wir­ken an der Waldorfschule sein soll. Zu diesem Kurs sind nur einige wenige Persönlichkeiten eingeladen worden, und zwar solche, die durch ihre bisherigen Lebensumstände geeignet erscheinen, im Sinne derjenigen Kulturbewegung zu wirken, welcher die Waldorf­schule dienen soll, und die speziell dazu berufen erscheinen, auf dem pädagogischen Gebiet zu wirken. Aber es besteht natürlich in höchstem Grade die Notwendigkeit, daß der Waldorfschule, we­nigstens zunächst in engerem Kreise, Verständnis entgegengebracht

Wij zijn al met het werk begonnen en wel zo, dat de mensen die uit zichzelf het besluit hebben genomen om mee te werken, resp. die wij zelf op het oog hadden, nu deelnemen aan een soort opleidingscursus* die net begonnen is en die als voorbereiding dient om op de vrijeschool te gaan werken. Voor deze cursus zijn maar een paar mensen uitgenodigd: het zijn de mensen die door hun huidige levensomstandigheden geschikt lijken om in de geest van de cultuurbeweging te werken waaraan de vrijeschool dienstbaar wil zijn en die zich in het bijzonder geroepen voelen pedagogisch te werken. Maar natuurlijk is er in hoge mate de noodzaak dat de vrijeschool, op z’n minst in kleinere kring, op begrip kan rekenen.

*an einer Art seminaristischem Kurs: Zur Vorbereitung der künftigen Waldorfleh­rer fand in Stuttgart vom 24. August bis 4. September 1919 ein pädagogischer Kursus statt, der sich in drei Teile gliederte morgens wurde ein Vortrag uber «Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Padagogik» (GA 293) gegeben darauf folgte ein weiterer uber methodisch didaktische Fragen (»Erziehungs kunst. Methodisch-Didaktisches», GA 294) und am Nachmittag wurden in se minaristischer Form padagogische Besprechungen abgehalten ( Erziehungskunst. Seminarbesprechungen und Lehrplanvortrage» GA 295.
.
*een soort opleidingscursus: Als voorbereiding voor de toekomstige vrijeschool vond in Stuttgart van 24 aug. tot 4 sept. 1919 een pedagogische cursus plaats die in drieën was opgedeeld: ’s morgens een voordracht over  algemene menskunde (GA 293), dan volgde een verdere curus over methode en didactiek (GA 294)  en in de namiddag in cursusvorm besprekingen over pedagogie en leerplan (GA 295)

blz. 16

wird. Man wird ja immer mehr und mehr bemerken, je mehr man in das Soziale hineinwächst, daß das gegenseitige Verständnis der Menschen mit Bezug auf ihre Leistungen in erster Linie zu dem zukünftig zu begründenden sozialen Leben gehört. Und so schei­nen mir zunächst diejenigen Persönlichkeiten, die von sich aus ihr Interesse bekunden können, am geeignetsten zu sein, bei den Aus­einandersetzungen* teilzunehmen, die heute und am nächsten Sonn­tag hier in Anknüpfung an die Bestrebungen der Waldorfschule gepflogen werden sollen.
Am liebsten wäre es mir allerdings, wenn auch noch etwas an­deres zur Pflege dieses Verständnisses zustande kommen könnte:
Ein weitgehendes Interesse an demjenigen, was durch die Waldorf­schule geschehen soll, haben ja zweifellos alle Eltern derjenigen Kinder, welche die Waldorfschule besuchen wollen. Und so wäre es mir ein besonderes Bedürfnis, wenn es zustande kommen könn­te, daß vor der Eröffnung dieser Waldorfschule in der ersten Hälfte des September noch einmal irgendwie eine Versammlung** einberu­fen werden könnte, an welcher alle Eltern derjenigen Kinder teil­nehmen würden, welche diese Waldorfschule besuchen wollen; 

Men zal steeds meer merken, dat hoe meer men zich in het sociale leven thuis gaat voelen, het over en weer begrijpen van de mensen van wat ze presteren in eerste instantie hoort bij een sociaal leven dat in de toekomst gestalte moet krijgen. En zo lijken mij nu de personen die van zich uit hun interesse laten blijken het meest geschikt te zijn om bij de voordrachten* aanwezig te zijn die vandaag en a.s. zondag hier gehouden zullen worden over wat de vrijeschool voorstaat. Het liefst had ik vooral wanneer ook nog iets anders bij het begrijpen tot stand zou komen:
een grootse belangstelling voor wat door de vrijeschool tot stand moet worden gebracht; dat er vóór de opening van deze vrijeschool in de eerste helft van september nog een keer een samenkomst** belegd kan worden waar alle ouders van de kinderen die naar de vrijeschool gaan, naartoe kunnen komen;

*Auseinandersetzungen, die heute und am nachsten Sonntag hier in
Anknüpfung an die Bestrebungen der Waldorfschule gepflogen werden sollen Gemeint ist der Vortrag vom 31. August 1919 (nachmittags, siehe 5. 42ff.) für die Mitglie­der des Stuttgarter Zweiges und Interessierte.
>
*Voordrachten die vandaag en a.s. zondag hier gehouden zullen worden over wat de vrijeschool voorstaat. Bedoeld is de voordracht van 31-08-1919 (’s avonds, zie 5. blz. 42 e.v.
** eine Versammlun , an welcher alle Eltern derjenigen Kinder teilnehmen würden, welche diese Waldorfichule besuchen wollen: Sie fand ebenfalls am 31. August 1919 (abends) statt; vgl. 5. 64ff.
.
**een bijeenkomst waaraan alle ouders van de kinderen deelnemen dei deze vrijeschool willen bezoeken: die vond eveneens plaats op 31 aug. 1919, ’s avonds, zie 5, blz. 64 e.v.
.

denn nur dasjenige wird in einem wirklich sozial orientierten Ge­sellschaftsleben gedeihen können, was wurzelt in dem Verständnis derjenigen, die mit ihren Seelen und mit ihrem ganzen Leben an solchen Gründungen beteiligt sind.
Was ich Ihnen heute auseinandersetzen möchte, das soll eine Besprechung der Ziele und auch in einigem schon eine Bespre­chung der Methoden der Unterrichts- und Erziehungsweise sein, wie sie durch die Waldorfschule in Angriff genommen werden sollen. Wir möchten ja in der Tat mit der Waldorfschule dasjenige schaffen, was nach unserer Einsicht aus der besonderen Ent­wicklungsstufe der Menschheit heraus geschaffen werden soll, die durch die Gegenwart und für die nächste Zukunft geschichtlich erreicht ist. Man mißverstehe die Gründung der Waldorfschule nicht dahingehend, daß etwa geglaubt würde, im alten Schulwesen sei alles schlecht. Es sollte auch nicht geglaubt werden, daß unsere Ausgangspunkte bei Begründung der Waldorfschule nur eine Kritik

want alleen wat wortelt in het begrip van degene die met hart en ziel meedoet met dergelijke schoolstichtingen, kan floreren in een werkelijk sociaal gericht samenleven.
Wat ik voor u vandaag graag wil neerzetten zal over de doelen en ook wat over de onderwijs- en opvoedingsmethode gaan, zoals de vrijeschool die gaat toepassen. We zouden inderdaad met de vrijeschool willen bereiken wat o.i. met het oog op de bijzondere ontwikkelingsfase van de mensheid gedaan moet worden die historisch nu en voor de toekomst aangebroken is. De stichting van de vrijeschool moet niet verkeerd begrepen worden zodanig dat we van mening zijn dat in het traditionele onderwijs alles slecht gaat. Je moet ook niet geloven dat onze uitgangspunten bij de oprichting van de vrije school alleen maar

blz. 17
des alten Schulwesens seien. Es handelt sich vielmehr um etwas ganz anderes.
Es haben sich im Laufe der letzten drei bis vier Jahrhunderte im gesellschaftlichen Leben ein Staats-Rechts-Leben, ein Geistes- und Kulturleben und ein wirtschaftliches Leben herausgebildet, die eine bestimmte Konfiguration angenommen haben und jetzt, wie ja öfters von mir in diesen Zeiten auseinandergesetzt worden ist, einem Neubau unserer sozialen Verhältnisse, man möchte schon sagen entgegenstürmen. In dieses Vorwärtsstürmen ist das Schul­wesen gerade dadurch besonders eingegliedert, daß dieses Schulwe­sen in den letzten drei bis vier Jahrhunderten ganz abhängig ge­worden ist von dem Staatswesen, so daß man sagen kann: In einer ganz besonderen Weise nimmt das Schulwesen an dem Staatswesen teil. Nun kann man sagen: Bis zu einem gewissen Grade – aller­dings aber nur bis zu einem gewissen sehr niederen Grade – war unser Schulwesen den Einrichtungen, in die die Menschen hinein-gewachsen waren durch die Staatenkonfiguration der zivilisierten Welt, angemessen.

kritiek op het traditionele onderwijs is. Het gaat om iets heel anders.
In de loop van de laatste drie-, vierhonderd jaar is er in de maatschappij een staats/rechtsleven, een geestes- en cultuurleven en een economisch leven tot ontwikkeling gekomen die een bepaalde vorm gekregen hebben en nu, zoals ik de laatste tijd al vaker uiteengezet heb, stormachtig een nieuwe opbouw van onze sociale verhoudingen tegemoet gaan. Bij deze stormachtige ontwikkeling is met name het onderwijs in het bijzonder, betrokken daar dit in de laatste drie, vier eeuwen geheel afhankelijk is geworden van de staat, zodat je kan zeggen: op een heel bijzondere manier is het onderwijs een deel van de staat. Nu kun je zeggen: tot op zekere hoogte – weliswaar tot een beperkte hoogte – paste ons onderwijs bij de instellingen waarmee de mensen door de bestaande maatschappelijke staatsinrichting vertrouwd geraakt waren.

Aber gerade nach einer Umwandlung dieser Staatenkonfiguration wird ja gestrebt, und nach den Anschauun­gen, die zugrunde liegen werden den zukünftigen Staatenkonfigu­rationen, wird es nicht möglich sein, das Schulwesen in derselben Verbindung mit dem Staatswesen zu lassen, in dem es bisher ge­wesen ist. Gerade wenn eine soziale Gestaltung des Staats- und Wirtschaftswesens angestrebt wird, dann wird sich um so dringen­der das Bedürfnis herausstellen, das geistige Wesen überhaupt, und insbesondere das Schul- und Erziehungswesen in seiner Verwal­tung, herauszugliedern aus dem Staats-Rechts-Leben und aus dem Wirtschaftsleben. Gefühlt wird die Sache schon sehr, sehr lange. Aber man möchte sagen: alles pädagogische Streben in der jüngsten Vergangenheit und insbesondere in der Gegenwart hat etwas Ge­drücktes, hat etwas, was wenig ausblicken möchte von den großen Gesichtspunkten des Kulturlebens überhaupt. Das alles ist so ge­kommen durch die besondere Art, wie das öffentliche Leben sich in der jüngsten Vergangenheit und insbesondere in der Gegenwart zu solchen Bestrebungen, wie die pädagogischen sind, gestellt hat.

Maar nu streeft men naar een verandering van deze staatsinrichting en met de opvattingen die de basis zullen gaan vormen voor de toekomstige staatsinrichting, zal het niet mogelijk zijn het onderwijs net zo bij de staat te laten, zoals in het verleden. Juist wanneer men een sociale vorm van de staat en het economisch leven nastreeft, zal des te sterker de behoefte blijken het geestesleven en dan vooral het onderwijs en de opvoeding bij het realiseren daarvan, buiten het staats-rechtsleven en het economisch leven te plaatsen. Dat voelt men al heel, heel lang aan. Maar, al het streven op pedagogisch gebied van de laatste tijd en met name nu, maakt een sombere indruk, kijkt over het algemeen bijna niet naar de grote gezichtspunten van het culturele leven. Dat alles is veroorzaakt door de bijzondere manier waarop het openbare leven in het recente verleden en vooral nu zich opstelt tegenover die initiatieven, zoals de pedagogische.

blz. 18

Natürlich wird die Waldorfschule sich fügen müssen all dem, was vorhanden ist gegenwärtig an öffentlichen Anschauungen und Einrichtungen über Erziehung und Unterricht; wir werden nicht gleich morgen alles dasjenige leisten können, was wir leisten möch­ten – wir werden ganz selbstverständlich genötigt sein, im allgemei­nen stufenweise die Lehrpläne einzuhalten, welche gegenwärtig öffentlich vorgeschrieben sind. Wir werden genötigt sein, bei den von unserer Schule Abgehenden diejenige Stufe zu erreichen, die verlangt wird für den Übergang in höhere Schulen, namentlich in die Hochschulen. Wir werden daher unseren Unterrichtsstoff nicht so gliedern können, wie wir das dem Ideal einer wirklichen Men­schenerziehung entsprechend finden; wir werden gewissermaßen nur die Löcher, die noch gelassen sind von dem dichtmaschigen Netz, das sich ausbreitet über dem Schulwesen, benützen können, um im Sinne eines ganz freien Geisteswesens für den Unterricht und die Erziehung der der Waldorfschule anvertrauten Kinder zu wirken. Diese Maschen werden wir sorgfältig nach jeder Richtung ausnützen. 

Natuurlijk zal de vrijeschool zich moeten voegen naar alles wat er tegenwoordig bestaat aan publieke opvattingen over opvoeding en onderwijs en hoe dit nu georganiseerd is; we kunnen niet meteen morgen alles voor elkaar krijgen,wat we zouden willen – we er zullen vanzelfsprekend aan gehouden zijn om ons in het algemeen aan de leerplannen te houden voor de verschillende niveaus, die heden ten dage officieel zijn voorgeschreven. We zullen eraan gehouden zijn dat wie bij ons de school verlaat hetzelfde niveau heeft dat geëist wordt bij de overgang naar hogere scholen, met name naar de universiteit. Daarom kunnen wij onze leerstof niet zo indelen als dat past bij wat wij het ideaal van een echte mensopvoeding vinden; in zekere zin kunnen we de gaten van het fijnmazige net dat uitgeworpen is over het onderwijs nog gebruiken om in de zin van een geheel vrij geestesleven voor het onderwijs en de opvoeding van de ons toevertrouwde kinderen te werken. Van die mazen zullen we zorgvuldig in elke richting gebruik maken.

Wir werden gewiß nicht dann schon eine Musterschule schaffen können, werden aber zeigen können, zu welchem Grade innerer Erstarkung und innerer wirklicher Erziehung der Mensch gebracht werden kann, wenn diese innere Erstarkung und Erzie­hung bewirkt wird nicht durch etwas von außen Vorgeschriebenes, sondern rein durch die Anforderungen des geistigen, des Kultur-lebens selber bewirkt wird.
Wir werden gerade mit Bezug auf das Verständnis, das uns heute noch entgegengebracht werden kann, mit vielem Widerstrebenden zu kämpfen haben, werden deshalb mit viel Widerstrebendem zu kämpfen haben, weil ja mit Bezug auf ihr Verständnis in der Ge­genwart – wie ich auch hier an diesem Ort öfters erwähnt habe -die Menschen eigentlich aneinander vorbeigehen. Gerade auf dem Gebiet des Unterrichts- und Erziehungswesens kann man es immer wieder und wiederum erleben, daß man anscheinend von den Ge­sichtspunkten aus, die hier vertreten werden, auch anderswo über eine Umwandlung dieses Erziehungs- und Unterrichtswesens spricht. Die Menschen, die mit ihren Anschauungen ganz in der

We zullen zeker nu al geen modelschool kunnen oprichten, maar we kunnen laten zien, tot welk niveau van innerlijke sterkte en echte innerlijke opvoeding de mens gebracht kan worden, wanneer dit ontstaat niet door iets wat vanbuiten voorgeschreven wordt, maar puur door wat door de vragen van het geestes-, van het cultuurleven ontstaat.
We zullen met name wat het begrip betreft dat ons nu nog geschonken kan worden, ook veel strijd te leveren hebben met nog al wat tegenwerking, omdat juist met het oog op hun begrip in deze tijd – zoals ik ook hier op deze plaats al vaker aangeroerd heb – de mensen eigenlijk aan elkaar voorbij lopen. Juist op het vlak van onderwijs en opvoeding kan je keer op keer weer ervaren dat men schijnbaar vanuit de gezichtspunten waar wij hier voor staan, ook elders over een verandering van opvoeding en onderwijs praat. Mensen die met hun opvattingen

blz. 19

gegenwärtigen Periode jüngstvergangener Unterrichts- und Erzie­hungsprinzipien drinnen stecken, hören einem dann zu und sagen: Ja, das ist ganz richtig, das wollen wir ja längst! – Sie wollen natür­lich etwas ganz anderes in Wirklichkeit. Aber wir haben uns heute, indem wir unsere Worte aussprechen, so sehr entfernt von den Sachen, daß wir uns zuhören und glauben, bei denselben Worten dasselbe zu meinen – und eigentlich das Entgegengesetzte meinen. So stark ist über die zivilisierte Welt hin das geworden, was man in weitestem Umfange als Phrase bezeichnen muß! Haben wir doch wirklich durch lange Zeiten innerhalb dieser unserer zivilisierten Welt in ausgiebigstem Maße erlebt die Herrschaft der Phrase, und in diese Herrschaft der Phrase* war eingesponnen das furchtbarste Ereignis, das die Weltgeschichte getroffen hat: die schreckensvolle Kriegskatastrophe der letzten Jahre! Denken Sie nur einmal nach, wie sehr die Phrase bei alldem, was mit dieser Katastrophe zu­sammenhangt, eine Rolle gespielt hat, und Sie werden ein wirklich innerlich Sie entsetzendes Urteil gewinnen über die Herrschaft der Phrase in unserer Zeit.

in de huidige fase van de laatste opvoedings- en onderwijsprincipes staan, horen je dan aan en zeggen: ‘Ja, dat is helemaal waar, dat willen wij ook allang! – In werkelijkheid willen ze natuurlijk iets heel anders. Maar wij zijn tegenwoordig, wanneer we onze woorden uitspreken, zo ver verwijderd van die dingen dat we elkaar aanhoren en dan geloven bij dezelfde woorden hetzelfde te bedoelen – maar eigenlijk het tegenoverstelde. Over de beschaafde wereld is gekomen wat je in de ruimste mate ‘frase’ moet noemen. We hebben toch daadwerkelijk tijden lang in onze beschaafde wereld beleefd de zeer ver gaande heerschappij van de frase* en daarin zat gevangen de meest vreselijke gebeurtenis die de wereldgeschiedenis getroffen heeft: de verschrikkingen van de oorlog van de laatste jaren! Denk er eens over na, hoe erg de frase bij alles wat met deze catastrofe samenhangt een rol heeft gespeeld en dan zal je van binnen tot een werkelijk verschrikkelijk oordeel komen over het overheersen van de frase in onze tijd.
.

*Herrschaft der Phrase: Siehe hierzu auch Rudolf Steiners Aufsatz «Zur Psycho­logie der Phrase« in «Gesammelte Aufsätze zur Dramaturgie», GA 29, und die Vorträge vom 12. September 1919 in «Der innere Aspekt des sozialen Rätsels», GA 193; vom 5. Mai 1920 in «Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft«, GA 301; vom 6. August 1922 in »National-ökonomischer Kurs», GA 340.
.
heerschappij van de frase: zie hiervoor Rudolf Steiners opstel ‘Over de psychologie van de frase’ in ‘Verzamelde opstellen over dramaturgie’ GA 29 en de voordrachten van 12 september 1919 in ‘Het innerlijk aspect van het sociale raadsel, GA 193; van 5 mei 1920 in ‘De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap GA 301; van 6 aug.1922 in de GA ‘Nationaal-economische cursus’   GA 340
.

So kann man heute auch auf pädagogischem Gebiete von denje­nigen, die wahrhaftig etwas ganz anderes innerlich anstreben als das, was hier gemeint ist, hören: es komme beim Erziehen und Unterrichten nicht auf den Lehrstoff an, sondern auf den Zögling. Sie wissen, da wir uns einmal der Worte aus unserem Sprachschatz bedienen müssen, so werden wir auch vielfach zu sagen haben: es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zögling axi, und wir wollen innerhalb unserer Waldorfschule den Lehrstoff so be­nützen, daß er auf jeder Stufe des Unterrichts nicht zur Übermitt­lung eines äußeren Wissens dient, sondern daß er dient dem Wei­terkommen der menschlichen Entwicklung des Zöglings mit Bezug auf die Willens-, Gemüts-, und Verstandesbildung. Jedes einzelne Unterrichtsfach soll nicht irgendeinen Selbstzweck in sich tragen in bezug auf seine Vermittelung, sondern es soll in der Hand des Lehrers zur Kunst werden, so daß es durch seine Behandlung in der entsprechenden Weise so auf den Zögling wirkt, wie im Sinne einer wirklich begriffenen Menschheitsentwicklung in den betreffenden

Zo kun je tegenwoordig ook op pedagogische gebied van de mensen die echt van zich uit iets heel anders willen dan wat hier bedoeld wordt, horen: het komt bij het opvoeden en het lesgeven niet aan op de leerstof, maar op de leerling. U weet, omdat we nu eenmaal de woorden moeten gebruiken uit onze taalschat, we dan ook vaak moeten zeggen: het komt niet op de leerstof aan, het komt op de leerling aan en wij willen op onze vrijeschool de leerstof zo gebruiken dat die op ieder niveau van het onderwijs niet dient om uiterlijk weten over te dragen, maar dat deze dient om met de menselijke ontwikkeling van de leerling verder te komen wat betreft de wils- gevoels- en verstandsvorming. [4] Ieder onderwijsvak moet niet een of ander doel op zichzelf hebben wat het overdragen betreft, maar in de hand van de leerkracht moet het kunst worden, zodat het door zijn manier van doen op een adequate manier zo op de leerling werkt zoals in de zin van een daadwerkelijk begrepen mensheidsontwikkeling in de betreffende

blz. 20

Entwicklungsjahren auf den Zögling gewirkt werden soll, damit er ein dem Leben gewachsener, im Leben seinen Platz aus­füllender Mensch werde. Bewußt muß man sich dabei werden, daß jedes Lebensalter des Menschen aus den Tiefen der Menschennatur die Anlagen zu gewissen Seelenkräften hervortreibt. Werden diese Anlagen in dem betreffenden Lebensalter nicht ausgebildet, so können sie später nicht mehr in Wahrheit ausgebildet werden: sie müssen dann verkümmern, und der Mensch ist in bezug auf seinen Willen, in bezug auf sein Gemüt, in bezug auf seinen Verstand dem Leben nicht gewachsen; er stellt sich nicht in richtiger Weise auf den Platz, auf den er durch das Leben gestellt wird. Gerade zwi­schen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, in welche Zeit ja gerade die Jahre des eigentlichen Schulwesens hineinfallen, gerade in diesem Lebensalter ist es von eminentester Wichtigkeit, zu er­kennen, welche Seelen- und Körperkräfte aus dem Menschen her­aus wollen, damit er später seinen Platz im Leben ausfüllen könne.
Alles, was ich jetzt gesagt habe, könnte sich zum Beispiel je­mand anhören, der die pädagogischen Gedanken der letzten Jahr­zehnte in sich aufgenommen hat, und er würde sagen: Ganz meine Meinung! 

ontwikkelingsjaren met de leerling gewerkt moet worden, zodat hij een mens wordt die tegen het leven opgewassen is en die in het leven zijn plaats kan innemen. Daarbij moet je je bewust worden dat op iedere leeftijd van de mens uit de diepten van de menselijke natuur de aanleg voor bepaalde zielenkrachten manifest wordt. Wanneer die aanleg in de betreffende levensjaren niet ontwikkeld wordt, dan kunnen die later niet meer ontwikkeld worden zoals zou moeten; dan lijden ze daaronder en de mens is, wat zijn wil, zijn gevoel en zijn denken betreft, niet tegen het leven opgewassen; hij neemt zijn plaats in het leven niet op een goede manier in. Juist tussen tandenwisseling en puberteit, de tijd van het eigenlijke naar school gaan, juist voor die leeftijd is het bijzonder belangrijk te onderkennen, welke zielen- en lichamelijk kracht naar buiten wil, zodat hij later in het leven zijn mannetje kan staan.
Naar alles wat ik nu gezegd heb, zou iemand kunnen luisteren die de opvattingen over pedagogie van de laatste tientallen jaren bestudeerd heeft en die zou kunnen zeggen: daar ben ik het helemaal mee eens.

Aber das, was er auf Grundlage dieser Meinung erziehe­risch tut, ist durchaus nicht dasjenige, was hier gewollt werden soll. Wir reden eben in der Gegenwart vielfach aneinander vorbei, und deshalb muß versucht werden, in einer etwas tieferen Weise auf das aufmerksam zu machen, was eigentlich die Waldorischule will. Vor allen Dingen ist heute der Mensch, man möchte schon fast sagen besessen von einem gewissen Trieb, alles absolut zu nehmen. Ich meine damit das Folgende: Spricht man heute davon, der Mensch solle in dieser oder jener Weise erzogen werden – wir wollen nur darüber sprechen; man könnte dieselben Betrachtungen in variier­ter Weise auch auf andere Gebiete des Lebens ausdehnen -, so hat man immer im Auge, daß es sich um etwas handeln solle, was nun im absoluten Sinne für den Menschen gilt, was sozusagen das absolut Richtige ist, was, wenn es nur hätte angewendet werden wollen, für den Menschen auch hätte angewendet werden können, zum Beispiel im alten Ägypten, im alten Griechenland, wie es auch

Maar wat hij opvoedkundig op grond van deze mening doet, is echt niet hetzelfde als wat we hier willen. We praten in deze tijd vaak langs elkaar heen en daarom moeten we proberen op een diepere manier te wijzen op wat de vrijeschool wil. De mens is tegenwoordig vóór alles, je zou bijna willen zeggen bezeten van een bepaalde drang om alles absoluut te nemen. Ik bedoel hiermee het volgende: Spreek je er vandaag de dag over dat de mens op een of andere manier zou moeten worden opgevoed – we hebben het nu alleen maar hierover; je zou dezelfde overwegingen op een uiteenlopende manier ook naar andere gebieden van het leven kunnen uitbreiden -, dan heeft men altijd voor ogen dat het om iets zou gaan dat voor de mens in absolute zin geldt, wat om zo te zeggen het absoluut juiste is, dat – als het maar toegepast had kunnen worden – ook voor de mens in het oude Egypte had kunnen worden toegepast of bijvoorbeeld, in het oude Griekenland, 

blz. 21

noch in viertausend Jahren angewendet werden könnte von den Menschen, die dann leben werden, was auch von China, Japan etc. angewendet werden kann. Diese Anschauung, von der der heutige Mensch geradezu besessen ist, daß er etwas absolut Gültiges auf­stellen kann, das ist der größte Feind aller Wirklichkeit. Daher handelt es sich gerade darum, zu erkennen, daß wir nicht im ab­soluten Sinne Menschen sind, sondern Menschen eines ganz be­stimmten Zeitalters; daß die Menschen in bezug auf ihre Seelen­und sogar Körperverfassung im gegenwärtigen Zeitalter anders beschaffen sind, als zum Beispiel die Griechen und Römer waren, und auch, daß sie anders beschaffen sind, als schon die Menschen nach einer verhältnismäßig kurzen Zeit, nach einem halben Jahr­tausend sein werden. Daher fassen wir die Erziehungsaufgabe nicht im absoluten Sinne, sondern wir fassen sie auf als hervorgehend aus den Bedürfnissen der Gegenwart und der nächsten Zukunft der Menschheitskultur.
Wir fragen: Wie ist die zivilisierte Menschheit heute beschaffen?
– und begründen darauf unsere Anschauung, wie wir sie zu erzie­hen und zu unterrichten haben.

dat het ook nog na 4000 jaar kan worden toegepast voor de mensen, die dan zullen leven, dat het ook door China, Japan enz. toegepast kan worden. Deze mening, waardoor de hedendaagse mens gewoonweg geobsedeerd is, dat hij iets absoluut geldigs kan opstellen, dat is de grootste vijand van alle werkelijkheid. Daarom gaat het er juist om te erkennen, dat wij niet in absolute zin mensen zijn, maar mensen van een bepaald tijdperk; dat de mensen wat hun ziel en zelfs hun lichaamsgesteldheid aangaat, anders zijn dan hoe bijvoorbeeld de Grieken en Romeinen waren, en ook dat ze anders van aard zijn dan de mensen al na een relatief korte tijd, na een half millennium, zullen zijn. Daarom vatten wij de opvoedkundige taak niet in absolute zin op, maar we beschouwen die als voortkomend uit de behoeften van de huidige tijd en de nabije toekomst van de menselijke beschaving.
We vragen ons af: hoe staat het er met de beschaafde mens voor en daarop baseren we de opvatting hoe we moeten opvoeden en onderwijs moeten geven.

Wir wissen ganz gut, ein Grieche oder Römer hat anders erzogen werden müssen, und in fünfhun­dert Jahren schon wiederum wird der Mensch anders erzogen werden müssen. Wir wollen eine Erziehungsgrundlage für unsere Gegenwart und die nächste Zukunft schaffen. Nur dadurch widmet man sich wirklich der Menschheit, daß man sich dieser realen Be­dingung für die Entwicklung der Menschheit bewußt werde und nicht immer nebulose, absolute Ziele ins Auge faßt. Daher ist es notwendig, hinzuweisen auf dasjenige, was gerade mit Bezug auf das Erziehungs- und Unterrichtswesen der Gegenwart droht und was wir von dieser Gegenwart abwenden wollen.
Ich habe eben darauf hingewiesen, wie manche Leute schon sagen, es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zög­ling an, es komme darauf an, wie der Lehrer sich verhalten soll im Unterweisen des Zöglings, wie er den Unterrichtsstoff zu dieser Unterweisung, zu dieser Erziehung verwende. Aber daneben sehen wir eine merkwürdige andere Richtung gerade bei denjenigen

Wij weten heel goed dat een Griek of een Romein anders opgevoed moest worden en over vijfhonderd jaar zal de mens wel weer anders opgevoed moeten worden. Wij willen een basis leggen voor de opvoeding in onze tijd en voor de nabije toekomst. Je richt je pas echt op de mensheid wanneer je je van deze echte voorwaarde voor de ontwikkeling ervan, bewust wordt en niet door steeds maar zweverige, absolute doelen op het oog te hebben. Daarom is het nodig te wijzen op wat juist de opvoeding en het onderwijs van nu, bedreigt en wat wij willen voorkomen.
Ik heb er net op gewezen hoe sommige mensen al zeggen, dat het niet gaat om de leerstof, maar om de leerling, dat het erom gaat hoe de leerkracht zich moet opstellen bij het lesgeven, hoe hij de lesstof gebruikt bij het lesgeven, bij het opvoeden. Maar daarbij zien we het een merkwaardige andere richting opgaan, juist bij

blz. 22

Menschen, die solches aussprechen, eine andere Richtung, die ge­wissermaßen das, was sie so mehr für den Zögling als für den Unterrichtsstoff fordern, durchaus paralysiert und unmöglich macht.
Man hat wahrgenommen, wenn man so spricht, daß durch die Spezialisierung des Wissenschaftsstoffes allmählich den Menschen das intellektuelle Leben der Wissenschaft über den Kopf gewach­sen ist und daß der Wissenschaftsstoff in einer gewissen außer­lichen Weise, ohne auf den Zögling hinzuschauen, rein um dessen Erkenntnis willen an ihn herangebracht worden ist. So sagt man jetzt: Das darf man nicht tun, man muß den Zögling so erziehen, wie es im Wesen des jungen Menschenkindes begründet ist. Aber wovon will man denn lernen, wie man den Zögling nun behandeln will? Man will es lernen von derjenigen Wissenschaft, die sich ge­rade ausgebildet hat unter jenem Regime, das man auf der einen Seite bekämpfen will; man will das Wesen des Kindes kennenler­nen, aber man strebt darnach, es zu untersuchen in allerlei expe­rimentellen Psychologien nach denjenigen Methoden, welche die Wissenschaft angenommen hat, indem sie sich eingezwängt hat in jenen Mangel, dem man abhelfen will.

de mensen die zoiets uitspreken; een andere richting die nu net wat zij dus meer voor de leerling dan voor de leerstof willen, volkomen lam legt en onmogelijk maakt. Men heeft waargenomen dat door de gespecialiseerde wetenschapskennis de wetenschap intellectueel de mens boven het hoofd gegroeid is en dat de wetenschapskennis op een bepaalde uiterlijke manier, zonder naar de leerling te kijken, puur omwille van de kennis, aan hem is overgedragen. Dus zegt men nu: dat mag je niet doen, je moet de leerling zo opvoeden, zoals dat in het wezen van het jonge mensenkind als aanleg gegeven is. Maar waarvan wil men dan leren hoe je met een jong mens om moet gaan? Men wil het leren van die wetenschap die zich nu juist zo ontwikkeld heeft, dat men enerzijds die ontwikkeling wil bestrijden; men wil het wezen van het kind leren kennen, maar men streeft ernaar dat te onderzoeken met allerlei experimentele psychologieën volgens de methoden die de wetenschap is gaan hanteren, toen in een keurslijf terechtgekomen dat tekort schiet en waarvan men af wil.

So will man auf dem Wege der experimentellen Psychologie an den Universitaten die speziel­len Methoden untersuchen, die für die Pädagogik die richtigen sind. Man will hineintragen in dieses Universitätsleben experimen­telle Pädagogik, will hineintragen alles das, was die Wissenschaft an Einseitigkeiten angenommen hat. Also man will reformieren. Man will reformieren, weil man ein dunkles Gefühl von der Reform­notwendigkeit hat, aber aus dem Geiste heraus, der gerade das Alte gebracht hat, das man behalten will. Eine Erziehungswissenschaft möchte man begründen, aber man möchte etwas begründen aus jenem wissenschaftlichen Geiste heraus, der dadurch gekommen ist, daß man die Menschen nicht richtig erzogen hat.
Solche stark wirkenden Kräfte in unserer Kulturentwicklung sieht man noch gar nicht. Man sieht gar nicht, wie man sich in Widerstreit und Widersprüche einläßt, indem man nach der einen Seite den allerbesten Willen hat. Wenn vielleicht auch der eine oder

Dus men wil langs de weg van de experimentele universiteitspsychologie de speciale methoden onderzoeken die voor de pedagogie de juiste zijn. Men wil aan de universiteit experimentele pedagogie hebben, alles wat de wetenschap aan eenzijdigheden aangenomen heeft. Men wil dus moderniseren. Dat wil men; maar aangezien men een vaag gevoel heeft voor de noodzaak tot moderniseren, wél vanuit de geest die het oude gebracht heeft en dat men wil behouden. Men zou een opvoedingswetenschap in het leven willen roepen, maar dan wel uit die wetenschappelijke geest die ontstaan is, doordat men de mens niet goed heeft opgevoed.
Dergelijk sterk werkende krachten in onze cultuurontwikkeling ziet men nog helemaal niet. Men ziet zelfs niet hoe men zich inlaat met tegenstellingen en tegenspraak, ook wanneer men naar de andere kant de allerbeste bedoelingen heeft. Wanneer misschien ook de een of de

blz. 23

andere eine andere Anschauung haben kann über dasjenige, was ich jetzt aussprechen werde, so kann man aber doch sagen, daß in vielen Richtungen auf pädagogischem Gebiet einer der bedeutsam­sten Persönlichkeiten der neueren Zeit Johann Friedrich Herbart ist. Herbart* steht durch die pädagogische Richtung, die er begrün­det hat, eigentlich in einer gewissen Beziehung einzig als pädago­gischer Schriftsteller und als pädagogischer Arbeiter in der neueren Zeit da. Im Jahre 1806 ist seine «Allgemeine Pädagogik» erschie­nen. Er hat dann seine ja selbst pädagogisch geartete Tätigkeit von Jahr zu Jahr so verfolgt, daß er immer Neues lernen konnte. Im Jahre 1835 ist dann der «Umriß» seiner pädagogischen Vorlesungen erschienen, die zeigen, wie er selbst vorgeschritten ist in der Erfas­sung der pädagogischen Probleme. Dann aber kann man sagen, daß ein gut Stück der pädagogischen Entwicklung in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ausgegangen ist von dem Impuls, den die Her­bartsche Pädagogik gebracht hat, da ja zum Beispiel das ganze österreichische Schulwesen inspiriert worden ist von Herbarts Päd­agogik.

ander een andere opvatting heeft over wat ik nu ga zeggen, dan kun je toch stellen dat in de vele richtingen op pedagogisch gebied een van de belangrijkste persoonlijkheden van de laatste tijd Johann Friedrich Herbart* is. Herbart staat door de pedagogische richting die hij ontwikkeld heeft, in een bepaald opzicht alleen, als schrijver van pedagogie en werkend voor de pedagogie van de moderne tijd. In het jaar 1806 verscheen zijn ‘Algemene pedagogie’. Jaar na jaar ging hij zelf verder met zijn pedagogisch getinte werk, zodat hij steeds iets nieuws leerde. In 1855 verschenen de ‘contouren’ van zijn pedagogische voordrachten die laten zien hoe hij zelf verder gekomen is in het breed vastleggen van de pedagogische problemen. Dan kan je wel zeggen dat een goed deel van de pedagogische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw begonnen is vanuit de impuls die de pedagogie van Herbart heeft gebracht, b.v. het hele Oostenrijkse onderwijs werd door de pedagogie van Herbart geïnspireerd.

*Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, Philosoph und Pädagoge; lehrte in Göt­tingen, zeitweise Hauslehrer in Bern. Gilt als Begründer der wissenschaftlichen Pädagogik, die ihrerseits eng mit der praktischen Philosophie (Ethik) und der Psychologie verknüpft sein muß. Rudolf Steiner spricht über Herbarts Weltan­schauung im Kap. «Reaktionäre Weltanschauungen» in «Die Rätsel der Philoso­phie«, GA 18. Siehe auch den Vortrag vom 4. Dezember 1903 in «Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung», GA 52; vgl. außerdem die Fragenbeantwor­tung vom 27. November 1919 im vorliegenden Band. Werke: »Allgemeine Pad­agogik» (1806), «Umriß pädagogischer Vorlesungen» (1835).
.
Johann Friedrich Herbart, 1776-1841, filosoof en pedagoog; doceerde in Göttingen, tijdelijk huisleraar in Bern. Geldt als grondlegger van de wetenschappelijke pedagogie die nauw verbonden moet zijn met de praktische filosofie (ethiek) en de psychologie. Rudolf Steiner spreekt over Herbarts wereldbeschouwing in het hoofdstuk: ‘Reactionaire wereldbeschouwingen’ in ‘De raadsels van de filosofie’ GA 18. Zie ook de voordracht van 4 december 1903 in ‘Spirituele leer van de ziel en wereldbeschouwing‘ GA 52; de vragenbeantwoording van 27 nov. 1919 in deze voordrachtenreeks (GA 297). Werken: ‘Algemene pedagogiek (1806), ‘Schets van pedagogische hoorcolleges’ (1835)
.

Und auch in Deutschland lebt heute noch in der Unter­richts- und Erziehungsgesinnung außerordentlich viel von dem Geiste der Herbartschen Pädagogik. Man muß sich daher heute schon – wenn man sich orientieren will gerade in dem Sinn, daß man nicht absolutistisch, sondern mit dem Bewußtsein spricht, daß man in einer bestimmten Kulturepoche steht – etwas mit dem auseinandersetzen, was Inhalt der Herbartschen Pädagogik ist und was wirklich eine pädagogische Kraft, eine pädagogische Wirklich­keit ist.
Will man Herbart richtig verstehen, so kann man sagen: Dieser Herbart steht mit allen seinen Gedanken und Ideen in jener Kul­turperiode noch voll drinnen, die ihren deutlichen Abschluß ge­nommen hat für den wahren Menschheitsentwicklungs-Betrachter mit der Mitte des 15. Jahrhunderts. Wir stehen einmal seit der Mitte des 15. Jahrhunderts für die zivilisierte Menschheit in einer neuen Epoche drinnen, aber wir haben noch wenig erreicht in der Verfolgung derjenigen Impulse, die im 15. Jahrhundert aufgegan­gen sind; und dasjenige, was vor dem 15. Jahrhundert gewirkt hat,

En ook in Duitsland zit tegenwoordig nog buitengewoon veel van de geest van de Herbartse pedagogiek in onderwijs en opvoeding.Vandaar dat als je je vandaag al wil oriënteren, niet op een absolutistische manier, maar sprekend vanuit het bewustzijn dat je je in een bepaalde cultuurperiode bevindt, je je wel wat uiteen moet zetten met de inhoud van de pedagogiek van Herbart en wat nu echt een pedagogische kracht, een pedagogische werkelijkheid is.
Wanneer je Herbart goed wil begrijpen. kun je zeggen: Deze Herbart staat met al zijn gedachten en ideeën nog volledig in die cultuurperiode die voor degene die de mensheidsontwikkeling juist waarneemt, tot een einde is gekomen, zo in het midden van de 15e eeuw. Sinds die tijd bevinden we ons als beschaafde mensheid in een nieuwe fase, maar we hebben nog weinig bereikt in het gevolggeven aan de impulsen die in de 15e eeuw zijn begonnen; en wat vóór de 15e eeuw werkzaam was,

blz. 24

setzt sich noch in unser Leben fort. In unser pädagogisches Leben hinein hat es sich geistvoll, bedeutsam fortgesetzt in alledem, was Herbart selbst gearbeitet hat und was von ihm ausgegangen ist. Wenn man charakterisieren soll, was eigentlich jenem langen Zeit­raum in der Entwicklung der Menschheit, der im 8. vorchristlichen Jahrhundert begonnen hat und in der Mitte des 15. Jahrhunderts schließt, mit Bezug auf die Menschheitsentwicklung zugrunde liegt, so muß man sagen: die Menschheit hat sich innerhalb dieses Zeitraumes so entwickelt, daß alles Verstandes- und Gemütsmäßi­ge wie instinktiv noch war. Seit diesem Zeitpunkt, seit der Mitte des 15. Jahrhunderts, strebt die Menschheit nach dem Persönlich­keitsbewußtsein, sie strebt darnach, sich auf die Spitze der eigenen Persönlichkeit zu stellen. Keinen wichtigeren Wandel der ge­schichtlichen Impulse für die Entwicklung der Menschheit, inso­fern sie jetzt und in der Zukunft in Betracht kommen, als das instinktive Verständnis, die instinktive Gemütsbetätigung der grie­chisch-lateinischen Epoche, die langsam bis ins 15. Jahrhundert hinein abläuft – und der neueren Epoche, die seit dem 15. Jahrhun­dert begonnen hat! Alle einzelnen Ausführungen zum Beweise dessen, was ich gesagt habe, finden Sie in meinen Schriften und Veröffentlichungen dargestellt.*

loopt in ons leven nog door. In ons pedagogisch leven is geestrijk, betekenisvol doorgegaan in alles wat Herbart bewerkt heeft en in wat er van hem is uitgegaan. Wanneer je moet karakteriseren wat er ten grondslag ligt aan die lange tijd in de ontwikkeling van de mensheid die in de 8e voor Christus is begonnen en ten einde loopt in het midden van de 15e eeuw, m.b.t. tot die ontwikkeling, moet je zeggen: de mensheid heeft zich in deze tijdsfase zo ontwikkeld dat alle verstand en gevoel a.h.w. nog instinctief verliep. Sinds de tijd van midden 15e eeuw streeft de mensheid naar een persoonlijkheidsbewustzijn, ze streeft ernaar zichzelf als persoonlijkheid bovenaan te zetten. Er is geen belangrijkere omwenteling in de impulsen van de geschiedenis voor de ontwikkeling van de mensheid, voor zover die voor de toekomst geldt, dan dat het instinctieve begrijpen, het instinctieve beleven van de Grieks-Latijnse fase die, langzaam tot in de 15e eeuw, afloopt en de nieuwe fase die sinds de 15e eeuw is begonnen! U vindt in mijn boeken en in wat er gepubliceerd is alle uiteenzettingen voor het bewijs daarvan, wat ik daarover heb gezegd.*

* finden Sie in meinen Schriften und Veröffentlichun gen dargestellt: Über die Kulturepochen siehe u.a. das Kapitel »Die Weltentwickelung und der Mensch», in «Die Geheimwissenschaft im Umriß« (1910), GA 13, die Schrift «Die geistige Führung des Menschen und der Menschheit«, GA 15, und die Vorträge vom 7. und 14. Juni1906 in «Kosmogonie», GA 94.
>
*U vindt in mijn boeken en in wat er gepubliceerd is alle uiteenzettingen voor het bewijs daarvan, wat ik daarover heb gezegd: over de cultuurfasen zie o.a. het hoofdstuk: ‘De wereldontwikkeling en de mens’, in ‘Wetenschap van de geheimen van de ziel‘ (1910) GA 13; in ‘De geestelijke leiding van mens en mensheidGA 15  en de voordrachten van 7 en 14 juni 1906 in ‘KosmogonieGA 94
.

Hier mussen wir es einfach als eine Tatsache hinnehmen, daß mit der Mitte des 15. Jahrhunderts etwas Neues beginnt mit der Menschheit: das Streben nach bewußter Persönlichkeitswirkung, während früher ein instinktives Verständ­nis und Gemütsstreben vorhanden war. Dieses instinktive Ver­ständnis und Gemütsstreben hatte eine gewisse Tendenz, das intel­lektuelle Leben einseitig zu pflegen. Es könnte sonderbar erschei­nen, daß man gerade von einer Zeit, die den Verstand instinktiv orientiert hat, sagt, daß diese Zeit in ihrem Gipfel zu einer beson­deren Ausbildung, einer Überausbildung des Intellektuellen, der Intellektualität des Menschen hingeführt hat. Aber man wird sich nicht mehr über eine solche Idee verwundern, wenn man bedenkt, daß ja das Intellektuelle, was im Menschen wirkt, durchaus nicht immer ein bewußt Persönliches sein muß, daß gerade instinktiv das Intellektuelle im höchsten Grade zum Ausdruck kommen kann.

Hier moeten we het nu als feit accepteren dat met het midden van de 15e eeuw iets nieuws begint met de mensheid: de drang naar een bewuste activiteit van de persoonlijkheid, terwijl er eerder een instinctief begrijpen en voelen als drang aanwezig was. Deze hadden een zekere tendens het intellectuele leven eenzijdig te behandelen. Het kan merkwaardig lijken dat men juist van een tijd die zich instinctief op het verstand oriënteerde, zegt dat deze tijd op haar toppunt tot een bijzondere vorming, een ‘over’vorming van het intellectuele, de intellectualiteit van de mens heeft geleid. Maar over zo’n idee verwonder je je niet meer, wanneer je bedenkt dat het intellectuele dat in de mens werkzaam is, zeker niet altijd iets bewust persoonlijks hoeft te zijn, dat juist instinctief het intellectuele in de hoogste mate tot uitdrukking kan komen.

blz. 25

Man braucht sich ja nur daran zu erinnern, daß die Menschen viel später das Papier entdeckt haben als die Wespen durch ihren aller­dings instinktiven Intellekt; denn die Wespennester bestehen aus Papier, sind ganz richtig so aus Papier geformt, wie die Menschen aus ihrem Intellekt heraus das Papier formen. Denn Intellekt braucht durchaus nicht bloß durch die Menschen zu wirken, son­dern er kann auch die anderen Wesen durchdringen, ohne daß die Persönlichkeit, die sich erst in unserem Zeitalter entwickeln soll, gleichzeitig zu ihrer höchsten Höhe gebracht wird.
Nun war selbstverständlich aus einer solchen Zeit heraus, in welcher die Intellektualität nach ihrer höchsten Höhe sich zu ent­wickeln bestrebt hat, auch das Bestreben vorhanden, das Erzie­hungswesen und alles, was gedanklich das Erziehungswesen durch­zieht, mit Intellektualität zu durchdringen. Wer nun die Herbart­sche Pädagogik ansieht, der findet zwar innerhalb derselben viel betont, man solle den Willen, solle das Gemüt erziehen. Aber wenn man nicht stehenbleiben würde bei den bloßen Sätzen, sondern wenn man zur Wirklichkeit übergehen würde, so würde man das folgende bemerken. Man würde bemerken, daß die Ausbildung von Regierung und Zucht, wie sie bei Herbarts Pädagogik zutage tritt, etwas krampfhaft immer fordert: es soll der Wille, es soll das Gemüt ausgebildet werden. 

Je hoeft er maar even aan te denken dat de mensen het papier veel later hebben ontdekt dan de wespen door hun ongetwijfeld instinctieve intellect; want de wespennesten bestaan uit papier, zijn heel goed van papier gemaakt, zoals de mens vanuit zijn intellect papier maakt. Want intellect hoeft zeer zeker niet alleen maar via de mens te werken, het kan ook andere wezens doordringen, zonder dat de persoonlijkheid die zich pas in onze tijd zal ontwikkelen, meteen tot de allerhoogste vorm gebracht wordt.
Nu was vanzelfsprekend vanuit een dergelijke tijd waarin het intellectuele het streven had zich tot de hoogste hoogten te ontwikkelen, ook het streven aanwezig de opvoeding en alles wat er aan gedachtegoed in het opvoedingssysteem zit, met het intellectuele te doordringen. Wie naar de pedagogie van Herbart kijkt, vindt weliswaar vaak benadrukt dat men de wil, het gevoel op moet voeden. Maar wanneer je niet simpelweg wil blijven staan bij deze regels, maar je tot de praktijk over wil gaan, kom je tot deze ontdekking: het vormen van ‘Regierung’ en ‘Zucht’ [twee begrippen uit Herbarts theorie die ik vertaald vond als ‘karakter’ en ‘wil’] vraagt steeds iets krampachtigs; de wil móet, het gevoel (karakter) móet worden gevormd.

Was aber Herbart an Inhalt bietet, das ist eigentlich nur geeignet, die Intellektualität auszubilden. Und weil instinktiv gefühlt wird, gerade von Herbart selbst am meisten, daß dasjenige, was er an pädagogischen Grundsätzen bietet, nicht hinreicht, um den ganzen Menschen zu begreifen, sondern nur den Menschen als Intellektualität, so fordert er aus einem gesunden Instinkt heraus immer wieder und wieder: es muß aber auch Gemüts- und Willensbildung da sein.
Es fragt sich nur: Kann man aus diesen Grundlagen heraus wirk­lich Gemüt und Willen in entsprechender Weise, in einer dem Menschenwesen entsprechend begründeten Weise erziehen und unterrichten? Ich möchte Sie darauf aufmerksam machen, daß ja Herbart davon ausgeht, daß alle Pädagogik begründet sein muß auf Psychologie und Philosophie, also auf die allgemeine Weltanschauung

Echter, wat Herbart aan inhoud te bieden heeft, is eigenlijk alleen maar geschikt om het intellect te ontwikkelen. En omdat men instinctief voelt, met name door Herbart zelf het meest, dat wat hij aan pedagogische basisregels aangeeft, niet voldoende is om de hele mens te begrijpen, maar slechts de mens als intellectueel wezen, eist hij dus vanuit een gezond instinct steeds maar weer: er moet ook gevoels- en wilsopvoeding zijn.
Hij vraagt zich alleen maar af: kun je vanuit deze basisprincipes daadwerkelijk gevoel en wil op een adequate manier, die zijn uitgangspunt vindt in wat bij de mens hoort, opvoeden en onderwijzen? Ik wil u erop wijzen dat Herbart ervanuit gaat dat alle pedagogiek zijn grondslag moet vinden in psychologie en filosofie, dus in de algemene wereldbeschouwing

blz. 26

und auf die Erkenntnis des menschlichen Seelenlebens. Nun hat Herbart ein durch und durch abstrakt gerichtetes Denken, und dieses abstrakt gerichtete Denken hat er ja namentlich in seine Psychologie hineingetragen. Ich möchte Ihnen das an einem Bei­spiel der Herbartschen Psychologie populär auseinandersetzen.
Wir wissen, daß in der menschlichen Wesenheit drei Grundkräf­te wirken: Denken, Fühlen und Wollen. Wir wissen, daß die Ge­sundheit der menschlichen Seele davon abhängt, daß diese drei Grundkräfte – Denken, Fühlen und Wollen – in der entsprechen­den Weise zur Entwicklung kommen, daß jede dieser Grundkräfte zu ihrem Rechte kommt. Was liegt für die Erziehung dieser Grundkräfte innerhalb der Herbartschen Philosophie vor?
Herbart ist der Meinung, daß das ganze Seelenleben im Vorstel­lungsleben zunächst aufgeht, er findet in dem Fühlen eigentlich nur Vorstellungsgebilde. Und auch das Wollen, das Streben, das Begeh­ren sind für Herbart Vorstellungsgebilde. So können Sie von Her­bartianern folgendes hören: Wenn wir streben, Wasser zu trinken, weil wir Durst haben, so streben wir eigentlich durchaus nicht nach dem Inhalt des Wassers, sondern wir streben darnach, jene Vor­stellung, die der Durst in uns auslöst, loszubekommen und in un­serer Seele zu ersetzen durch die Vorstellung des gelöschten Dur­stes. 

en op de kennis van het menselijke gevoelsleven. Nu heeft Herbart een door en door abstract georiënteerd denken en dat heeft hij namelijk in zijn psychologie gebruikt. Ik zal u dat aan een voorbeeld van de Herbartse psychologie in gewone taal uitleggen.
Wij weten dat in de mens drie basiskrachten werkzaam zijn: denken, voelen en willen. Wij weten dat de gezondheid van de menselijke ziel ervan afhangt of deze krachten op de juiste manier tot ontwikkeling komen, dat ieder van hen tot zijn recht komt. Wat heeft de filosofie van Herbart voor de opvoeding van deze basale krachten te bieden?
Herbart is de mening toegedaan dat heel het zielenleven allereerst in het voorstellingsleven opgaat, hij vindt in het gevoel alleen maar vormen van voorstellen. Ook het willen, het streven, het sterk verlangen zijn voor Herbart voorstellingen. Van de aanhangers van Herbart kun je horen: wanneer we water willen drinken omdat we dorst hebben, dan willen we zeer beslist geen water, maar we willen die voorstelling hebben die de dorst in ons opheft, los te maken van ons en in onze ziel te vervangen door de voorstelling dat de dorst gelest is.

Wenn wir eine angereg­te Unterhaltung erstreben, so erstreben wir nicht den Inhalt dieser angeregten Unterhaltung, sondern wir haben Sehnsucht nach einer Änderung der gegenwärtig in uns befindlichen Vorstellungen und streben eigentlich nach dem, was in uns als Vorstellung auftauchen wird durch die angeregte Unterhaltung. Wenn wir eine Lust haben, so haben wir diese Lust nicht als eine Auswirkung einer elemen­taren Kraft unserer Seele, sondern wir haben sie dadurch, daß ge­wisse Vorstellungen, die uns angenehm sind, leicht in unser Be­wußtsein heraufdringen, die entgegengesetzten Hemmungen leicht uberwinden, und dieses Erleben, daß eine Vorstellung leicht gegen­uber den ihr widerstrebenden Hemmungen in unser Bewußtsein

Wanneer we een interessant gesprek willen, gaat het ons niet om de inhoud van zo’n gesprek, maar we hebben behoefte aan een verandering van de voorstellingen die we nu hebben en we willen eigenlijk de voorstellingen hebben die door dit interessante gesprek in ons zullen ontstaan. Wanneer we zin in iets hebben, dan is dat niet het gevolg van de werking van elementaire krachten in onze ziel, maar zin hebben we door bepaalde voorstellingen die we aangenaam vinden, die makkelijk tot ons bewustzijn doordringen, de daar aan tegengesteld zijnde remmingen makkelijk overwinnen en deze beleving

blz. 27

eindringt, das ist die Lust. Alles bewegt das Vorstellungsleben, das andere ist eigentlich dasjenige, was sich nur durch das bewegte Vorstellungsleben offenbaren soll. Man kann sagen: Die ganze Herbartsche Denkweise und alles, was sich bis heute darauf aufge­baut hat – und mehr, als man glaubt, hat sich auf der Herbartschen Denkweise aufgebaut -, ist durchdrungen von einem allerdings nicht bewußten, sondern unbewußten Glauben, daß das wahre Seelenleben in dem Ablauf der gegenseitigen Hemmung und Un­terstützung der Vorstellungen besteht, und daß dasjenige, was als Gefühl und Wille zutage tritt, eben nur in den Bewegungen des Vorstellungslebens besteht. Man darf sich nicht beirren lassen durch die Tatsache, daß zwar sehr viele pädagogisch orientierte Leute heute bekämpfen wollen, daß man so unterrichten und erzie­hen will, indem man nur auf das Vorstellungsleben seine Bestre­bungen lenkt. Sie sagen es zwar, aber sie tun nicht das Entspre­chende; sie tun alles, was sie tun, so, daß doch zugrunde liegt: auf die Vorstellung kommt es an! Und das Sonderbarste, was man heute erleben kann, ist ja dieses Leben der Menschen in solchen Widersprüchen.

noemen we zin. Het voorstellingsleven zet alles in beweging, het andere is eigenlijk alleen maar wat door dit voorstellingsleven aan het licht moet komen. Je kan zeggen: heel die herbartsiaanse manier van denken en alles wat zich daar tot nu op baseert, is doordrongen van een zeker niet bewust, maar onbewust geloof dat het echte zielenleven bestaat uit het verdwijnen van remmingen door steun van voorstellingen. U moet zich niet in de war laten maken door het feit dat tegenwoordig weliswaar zeer veel pedagogisch georiënteerde mensen willen bestrijden dat men alleen wil onderwijzen en opvoeden, door zich alleen te richten op het voorstellingsleven. Ze zeggen het wel, maar ze doen niet wat daar logischer wijze bij hoort; ze doen alles wat ze doen toch zo dat daaraan ten grondslag ligt: het komt op de voorstelling aan! En het meest wonderbaarlijke dat men tegenwoordig kan ervaren is, het leven van de mensen met dergelijke tegenspraak.
.

Was wird heute gepredigt und deklamiert davon, daß man eigentlich auf den ganzen Menschen sehen sollte, daß man sehen soll darauf, daß ja das Gemütsleben, also das Gefühls- und Willensleben, nicht zu kurz komme. Ja aber wenn man wieder an die Praxis geht, so ist es gerade bei denjenigen, die so über die Ausbildung des Gefühls- und Willenslebens deklamieren, am mei­sten der Fall, daß sie in der Erziehung und dem Unterricht intel­lektualisieren. Die Menschen verstehen sich eben selbst nicht, weil sich das Wort so sehr von der Sache entfernt hat und zur Phrase geworden ist.
Das sind die Dinge, auf die heute wirklich mit aller Intensität hingeschaut werden muß, wenn man gerade auf dem Gebiete des Erziehens und Unterrichtens zu denjenigen Forderungen strebt, die gerade unserem Kulturzeitraum entsprechen.
Damit komme ich zu einer Hauptsache: Man sagt schon, es komme nicht auf den Lehrstoff an, sondern auf den Zögling, aber, wie ich schon erwähnt habe, nach den Methoden der einseitigen

Wat wordt er tegenwoordig niet gepredikt en uitgedragen dat je eigenlijk naar de hele mens moet kijken, zodat het emotionele leven, dus het gevoels- en wilsleven niet tekortgedaan wordt. Ja, maar als je dan weer naar de praktijk kijkt, is het met name bij degenen die op een dergelijke manier de vorming van het gevoel- en wilsleven bepleiten, het meest zo, dat zij bij opvoeding en onderwijs nog het meest intellectualiseren. De mensen begrijpen zichzelf haast niet, omdat het woord zo ver af is komen te staan van de zaak en tot frase is geworden.
Dat zijn dingen waar we in deze tijd met grote aandacht naar moeten kijken, wil je met name op het gebied van opvoeding en onderwijs naar vooruitgang streven die bij onze cultuurfase hoort.
Hiermee kom ik bij de hoofdzaak: men zegt wel dat het niet op de leerstof aankomt, maar op de leerling, maar, zoals ik al zei, met de methoden van de eenzijdige

blz. 28

Wissenschaft will man durch eine Erziehungswissenschaft den Zögling studieren. Aber man kommt dem Menschen nicht nahe mit der äußerlich gerichteten Wissenschaft der letzten Jahrhunderte. Man braucht eine ganz andere Orientierung, um dem Menschen nahe zu kommen. Und diese Orientierung wird durch unsere anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft angestrebt. Wir wollen die äußerlich gewordene Anthropologie, die äußerlich ge­wordene Menschenerkenntnis ersetzen durch eine andere, die auf den ganzen Menschen, auf seine leibliche, seelische und geistige Wesenheit wirklich eingeht. Gewiß, man betont heute, auch dem Worte nach, das Geistige und das Seelische, aber man kennt es ja nicht.
Und so kommt es, daß man gar nicht aufmerksam darauf gewor­den ist, daß so etwas wie die Herbartsche Weltanschauung gerade mit Bezug auf die Seele ganz intellektualistisch ist, daß sie daher den Weg in unser Kulturzeitalter hinein nicht finden kann. Auf der anderen Seite will Herbart aufbauen auf Philosophie.

wetenschap wil men door een opvoedingswetenschap de leerling bestuderen. Maar je komt niet dichter bij de mens met een wetenschap die zich de laatste eeuwen richt op de buitenkant. Er is iets heel anders nodig om dichter bij de mens te komen. En daar streeft onze antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap naar. We willen de antropologie van de buitenkant, de uiterlijke menskunde vervangen door een andere die daadwerkelijk rekening houdt met de hele mens, zijn lichamelijk, psychisch en geestelijk wezen. Zeker, tegenwoordig legt men ook de nadruk wat het woord betreft op geest en ziel, maar men kent die niet.
En daardoor komt het dat men helemaal niet in de gaten heeft dat zoiets als de wereldbeschouwing van Herbart juist met het oog op de ziel, heel intellectualistisch is, en dat ze daardoor de weg in ons cultuurtijdperk niet kan vinden. Aan de andere kant wil Herbart bouwen op de filosofie.

Aber jene Philosophie, worauf er baut, ist ebenfalls mit dem Ende desjenigen Zeitraumes, der da seinen Abschluß genommen hat in der Mitte des 15. Jahrhunderts, zu ihrem Absterben gekommen. In unserem Zeit­raum will eine wirklich auf das Geistige gehende Weltanschauung Platz haben. Und von dieser Weltanschauung aus kann auch das Seelisch-Geistige des Menschen wirklich so erstarkt werden, daß es verbunden werden kann mit dem, was wir rein anthropologisch finden mit Bezug auf das Leiblich-Körperliche. Denn wahrhaftig groß ist unsere Zeit auch in der Kindheits-Erkenntnis in bezug auf das Leiblich-Körperliche, wenn sie auch vielfach das Seelische nur erwähnt. Aber nehmen Sie eine heutige Psychologie in die Hand und seien Sie dabei gesund empfindende Menschen – fragen Sie sich, was Sie aus einer heutigen Psychologie eigentlich gewinnen können. Da finden Sie Auseinandersetzungen über die Vorstel­lungswelt, über die Gefühlswelt, über die Willenswelt. Aber dasje­nige, was Sie an diese Worte Vorstellen, Fühlen, Wollen geknüpft finden – es ist im Grunde genommen ein Spiel mit Worten. Sie werden nicht klüger über das Wesen von Vorstellung, Gefühl und

Maar de filosofie waarvan hij uitgaat, is eveneens met de tijd van de cultuurfase die ten einde kwam in het midden van de 15e eeuw, aan het afsterven geraakt. In onze tijd moet er een echt nieuwe wereldbeschouwing komen. En door deze wereldbeschouwing kan ook de ziel en de geest van de mens daadwerkelijk zo sterker worden dat deze samen kunnen gaan met wat wij puur antropologisch vinden m.b.t. het levend-lichamelijke.[3] Want echt groot is in onze tijd ook de kennis van het kind m.b.t dit levend-lichamelijke, ook al wordt de ziel alleen maar aangestipt. Maar neem een psychologie van nu ter hand en stel je als een gezond waarnemend mens op – en vraag je af wat je nu aan zo’n psychologie hebt. Dan vind je uiteenzettingen over de voorstelling, over het gevoel, over de wil. Maar wat er nog aan woorden aan besteed is, is in de grond genomen slechts een woordenspel. Je wordt niets wijzer over het wezenlijke van voorstelling, gevoel en

blz. 29

Wille, wenn Sie die heutige Psychologie durchgehen. Daher kann man auf die heutige Psychologie auch nicht gut wirkliche Pädago­gik bauen. Es muß erst wiederum eingegangen werden können auf das Sachliche, auf das wirkliche Wesen von Vorstellen, Fühlen und Wollen. Dazu ist nicht nötig jener überreife, scholastische Geist, der heute in den Psychologien waltet, sondern dazu ist notwendig eine wirkliche Beobachtungsgabe für das menschliche Leben. Was heute beobachtet werden soll in den Psychologien und pädago­gischen Laboratorien, das kommt einem vor wie etwas, was in seinem Streben von dem besten Willen beseelt ist, was aber deshalb diese Richtung genommen hat, die es eben genommen hat, weil im Grunde genommen gar nicht die Fähigkeit da ist, eine wirkliche Menschenbeobachtung zu entfalten.
Man möchte am liebsten heute den werdenden Menschen in das psychologische Laboratorium einspannen und äußerlich kennen­lernen, wie er sich innerlich entwickelt, weil man das lebendige Verhältnis von Mensch zu Mensch verloren hat. Solche Beobach­tung ist für das Leben notwendig, und die ist in hohem Grade verlorengegangen. Wir reden heute über das Geistig-Seelische so, wie wir in bezug auf den Menschen über Äußeres reden. 

wil, wanneer je de psychologie van nu dóórloopt. Vandaar dat je op de huidige psychologie ook niet zo goed een echte pedagogie kan funderen. Eerst moet je weer op de feiten kunnen ingaan, op wat de voorstelling echt is en het gevoel en de wil. Daar is geen overrijpe, scholastische geest die tegenwoordig de psychologieën ademen, voor nodig, maar een echte waarnemingsgave voor het menselijk leven. Wat er tegenwoordig waargenomen moet worden in de psychologie en de pedagogische laboratoria, lijkt op iets wat voor dat doel met de beste wil bezield is, terwijl er in de aard der zaak niet eens het vermogen bestaat om een werkelijk waarnemen van de mens te ontplooien.
Men zou tegenwoordig het liefst de wordende mens in het laboratorium houden en uiterlijk leren kennen hoe hij zich innerlijk ontwikkelt, terwijl het levende contact van mens tot mens verloren is gegaan. Dit waarnemen is voor het leven noodzakelijk en dat is in hoge mate ter ziele. We praten tegenwoordig over ziel en geest net zoals we wat de mens betreft, het over iets uiterlijks hebben.

Wenn wir einem Kinde begegnen, einem Menschen mit 35 Jahren begegnen und einem Greis begegnen – wir sagen: dies ist ein Mensch, dies ist ein Mensch, dies ist ein Mensch. Aber eine wirkliche Beobachtung unterscheidet doch so, daß das Abstraktum Mensch seine gewisse Berechtigung hat, daß aber doch schließlich eine Wirklichkeit zu­grunde liegt: daß das Kind ein Mensch von 35 Jahren wird und daß ein Mensch von 35 Jahren ein Greis wird. Einer wirklichen Beob­achtung muß der Unterschied in diesem Werdegang sehr klar vor das Auge treten. Nun ist es verhältnismäßig leicht, ein Kind zu unterscheiden von einem Menschen mit 35 Jahren und von einem Greis. Aber schon etwas schwieriger ist es mit Bezug auf das Inner­liche des Menschen, nun wirkliche Beobachtungen für solche Un­terschiede anzustellen. Daher verwuselt man in der heutigen Zeit immerzu die Einheit mit der Mannigfaltigkeit, die Einheit des seelischen Lebens mit jener Mannigfaltigkeit, die zum Beispiel

Wanneer we een kind ontmoeten, een mens van 35 jaar ontmoeten en een bejaarde – zeggen we: dit is een mens, dit is een mens en dit is een mens. Maar een echte waarneming maakt wel verschil, wél is de abstractie mens in zekere zin gerechtvaardigd, maar dat er uiteindelijk wel een realiteit aan ten grondslag ligt: dat het kind een mens van 35 jaar wordt en de mens van 35 een bejaarde. Bij een echte waarneming moet dat verschil in dit wórden, wel helder voor ogen staan. Nu is het betrekkelijk makkelijk een kind te onderscheiden van een mens van 35 en van een bejaarde. Maar het is al wat moeilijker als het om het innerlijk gaat dergelijke verschillen echt waar te nemen. Vandaar dat in de huidige tijd steeds weer de totaliteit en de details in de war raken; de eenheid van het zielenleven met dat vele, wat b.v.

blz. 30

durch die drei Glieder des Seelenlebens – Denken, Fühlen und Wollen – ausgelöst wird. Sind denn Denken, Fühlen und Wollen ganz voneinander verschiedene Dinge? Wären sie das, dann wäre ja unser Seelenleben absolut in drei Glieder gespalten, dann wäre kein Übergang zwischen Wollen, Fühlen und Denken und damit dem Intellektuellen des Menschen, wenn dies drei Glieder des mensch­lichen Seelenlebens wären, die man einfach so, wie es die Menschen heute bequem finden, zur Einteilung nebeneinander stellen könnte. Gerade aus dem Grunde, weil man das nicht kann, versucht Herbart, Denken, Fühlen und Wollen einheitlich zu betrachten. Aber er hat das Ganze nach der Vorstellungsseite hinübergeleitet, und seine ganze Psychologie ist im Grunde genommen intellektuali­stisch geworden. Man muß einen Sinn in sich entwickeln, auf der einen Seite die Einheit von Denken, Fühlen und Wollen zu sehen und auf der anderen Seite wiederum die Unterschiede von Denken, Fühlen und Wollen zu erkennen.
Betrachtet man nun, nachdem man sich genügend dazu vorbe­reitet hat, das Wollen des Menschen, alles, was mit Begehren und Wollen zusammenhängt, dann kann man dieses Wollen mit etwas vergleichen, was weiter im Seelenleben davon absteht, mit dem Intellektuellen, und man kann sich fragen: 

door de drie aspecten van het zielenleven: denken, voelen en wollen uitgelokt wordt. Zijn denken, voelen en willen dan heel van elkaar verschillende zaken? Als ze dat waren, dan zou ons zielenleven absoluut in drie delen gespleten zijn, er zou dan geen overgang tussen willen, voelen en denken en daarmee met de intellectuele mens zijn wanneer dit drie delen van de menselijke ziel zouden zijn die men simpelweg, zoals de mens dat makkelijk vindt, als indeling naast elkaar zou kunnen zetten. Juist omdat je dat niet kan doen, probeert Herbart denken, voelen en willen als eenheid te beschouwen. Maar het totaal heeft hij aan de voorstellingskant gezet en heel zijn psychologie is in wezen intellectualistisch geworden. Je moet er een zintuig voor ontwikkelen om enerzijds de eenheid van denken, voelen en willen te zien en anderzijds het verschil tussen denken, voelen en willen te leren kennen.
Bekijk je nu, wanneer je je daar voldoende op heb voorbereid, de wil van de mens, alles wat met verlangen en willen samenhangt, dan kan je dit willen met iets vergelijken dat daar in het zielenleven verder vanaf staat, met het intellectuele en dan kan je je afvragen:

Wie verhält sich das Willensleben, das Begehrungsleben zum intellektuellen Vorstel­lungsleben? Und man kommt nach und nach darauf, daß ein Entwicklungsunterschied besteht zwischen dem Wollen, dem Be­gehren und dem Vorstellen, ein solcher Entwicklungsunterschied wie zwischen dem Kinde und dem Greise zum Beispiel. Aus dem Kinde wird der Greis in der Entwicklung; aus dem Wollen wird in der Entwicklung das Vorstellen. Die beiden sind nicht so voneinander verschieden, daß man sie nebeneinander stellen kann und sagen: Das eine ist das, das andere ist das -, sondern sie sind so voneinander verschieden, wie Entwicklungszustände verschie­den sind. Man wird erst das menschliche Seelenleben in seiner Ein­heit richtig verstehen können, wenn man wissen wird: Wenn ein scheinbar reines Begehren in der menschlichen Seele, ein reines Wollen auftritt – so ist das eine jungzuständliche Äußerung des

Hoe staan het wilsleven, het begeerteleven en het intellectuele voorstellingsleven dan t.o.v. elkaar? En langzamerhand kom je erop dat er een verschil in ontwikkeling is tussen de wil, het verlangen en het voorstellen, net zo’n verschil als tussen het kind en de bejaarde, b.v. Uit het kind wordt in de ontwikkeling de bejaarde; uit de wil wordt in de ontwikkeling de voorstelling. Beide zijn niet zo verschillend van elkaar dat je ze naast elkaar kan zetten en zeggen: het ene is dit, het andere is dat – maar, ze verschillen, zoals ontwikkelingsfasen van elkaar verschillen. Je zal het menselijke zielenleven als totaliteit pas echt kunnen begrijpen, wanneer je weet: wanneer er een schijnbaar puur verlangen in de menselijke ziel een pure wil oproept – dan is dat een uiting van ’t wat jonge

blz. 31

Seelenlebens, da lebt die Seele in ihrem Jugendzustand. Tritt intel­lektuelles Leben auf, tritt Vorstellungsleben auf, so lebt die Seele in dem Zustand, der schon voraussetzt die Willensentfaltung, der geworden ist aus der Willensentfaltung, und das Gemüts- und Gefühlsleben steht mitten drin, so wie der fünfunddreißigjährige Mensch zwischen dem Kinde und dem Greise. Durch das Gemütselement hindurch entwickelt sich das Wollen zum intellektuellen Leben. Nur dadurch, daß man Wollen, Fühlen und Denken nicht wie drei nebeneinanderstehende Seelenfähigkeiten auffaßt, wie es von Herbart bekämpft, aber nicht richtig korrigiert worden ist, sondern dadurch, daß man diese drei Seelenfähigkeiten in ihrer Lebendigkeit, in ihrem Auseinanderhervorgehen auffaßt, kommt man zu einer wirklichen Erfassung des menschlichen Seelenlebens.
Nun wird aber allerdings die Beobachtung leicht getäuscht, wenn wir das Seelenleben nach diesem Gesichtspunkte auffassen. Die Beobachtung wird leicht getäuscht, weil wir niemals innerhalb des Lebens zwischen Geburt und Tod beim Menschen stehenblei­ben können, wenn wir diese Gesichtspunkte zugrunde legen. Wer da glauben wollte, daß das Leben zwischen Geburt und Tod so verläuft, daß einfach aus dem Willen sich die Intelligenz entwickelt, der würde auf einem falschen Boden stehen.

zielenleven, de ziel bevindt zich in haar jeugdfase. Wanneer er intellectuele voorstellingen optreden, bevindt de ziel zich in een toestand die de ontplooiing van de wil veronderstelt, een toestand die ontstaan is uit deze ontplooiing en het gemoeds-, het gevoelsleven staat daar midden tussen, zoals de vijfendertigjarige mens tussen het kind en de bejaarde staat. Door het element van de gevoelens heen ontwikkelt de wil zich tot intellectueel leven. Alleen door willen, voelen en denken niet als drie naast elkaar staande zielenvermogens op te vatten, zoals door Herbart wordt bestreden, maar niet op een goede manier rechtgezet is, maar door deze drie zielenvermogens in hun levendigheid te nemen, hoe ze vanuit elkaar verschijnen, kom je tot een goede opvatting over het menselijke zielenleven.
Maar wanneer je het zielenleven in deze richting opvat, kan je waarneming je makkelijk bedriegen. Dat gebeurt snel, omdat we tussen geboorte en dood nooit bij de mens stil kunnen blijven staan als we deze gezichtspunten als basis nemen. Wie denkt dat het leven tussen geboorte en dood zo verloopt dat eenvoudigweg uit de wil de intelligentie zich ontwikkelt, bevindt zich op drijfzand.

Wir sehen, wie sich die Intelligenz allmählich heraus offenbart aus den Untergründen der menschlichen Wesenheit bei dem werdenden Kinde. Wir können dasjenige, was da an Intelligenz auch durch die Erziehung herausgeholt werden kann, nur herausholen, wenn wir uns bewußt sind, daß dasjenige, was das Kind erlebt nach seiner Geburt, die Vorstel­lung, die Folge dessen ist, was es erlebt hat vor der Geburt be­ziehungsweise in dem vorgeburtlichen Dasein, vor der Empfängnis. Und wir verstehen dasjenige, was als Wille sich ausbildet im Leben zwischen Geburt und Tod nur, wenn wir Rücksicht nehmen dar­auf, daß der Mensch durch die Pforte des Todes geht, in ein geisti­ges Leben eingeht und sich dort sein Willenselement weiter ausbil­det. Wir können nicht, ohne auf das Gesamtleben des Menschen Rücksicht zu nehmen, den Menschen wirklich erziehen. Wenn wir uns bloß sagen: wir wollen das heranerziehen, was in der Zukunft

We zien hoe de intelligentie stap voor stap uit de diepten van het mensenwezen bij het kleine kind naar buiten komt. Wij kunnen, wat ook door de opvoeding aan intelligentie naar boven gehaald kan worden, alleen maar oproepen wanneer we ons bewust zijn dat wat het kind na de geboorte beleeft, de voorstelling, een gevolg is van wat het beleefd heeft vóór de geboorte, of in het voorgeboortelijke leven, voor de conceptie. En we begrijpen dat wat zich als wil ontwikkelt tussen geboorte en dood alleen maar, wanneer we er rekening mee houden dat de mens door de poort van de dood gaat, een geestelijk leven binnengaat en daar zijn element van de wil verder ontwikkelt. We kunnen, zonder rekening te houden met het totaalbeeld van de mens, de mens niet echt opvoeden. Wanneer we alleen maar zeggen: wij willen opvoeden wat in de toekomst

blz. 32

da sein soll – dann nehmen wir keine Rücksicht darauf, daß die Menschenwesenheit so beschaffen ist, daß jedes Kind rätselhaft von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr durch das Gewebe des Leibes das offenbart, was sich entwickelt hat im vor­geburtlichen, beziehungsweise vor der Empfängnis liegenden Le­ben. Und mit Bezug auf den Willen werden wir niemals eine rich­tige Ansicht gewinnen, wenn wir uns nicht bewußt werden, daß dasjenige, was sich als Wille geltend macht, nur ein Keim ist, der erst zur vollen Entfaltung kommt, wenn der äußere Leib, in dem er sich wie in einem Boden entwickelt, abgelegt ist. Gewiß, wir müs­sen die sittlichen Ideen in einem Menschen entwickeln, aber müs­sen uns klar sein, daß diese sittlichen Ideen mit ihrem Eingebettet-sein in den Willen noch nicht zwischen Geburt und Tod alles das bedeuten, als was sie sich äußern, sondern daß ihr volles Leben erst auftritt, wenn dieser Leib verlassen ist. Das schockiert den heutigen Menschen noch, wenn man für eine vollständige Menschen-erkenntnis eine Eingliederung des Menschen in die ganze, auch zeitliche Welt fordert, wenn man dazunimmt zu dem, was im Men­schen lebt, dasjenige, was er vor der Geburt durchgemacht hat und was er nach dem Tode durchmachen wird. 

er moet zijn – dan houden we er geen rekening mee dat het mensenwezen zo geschapen is dat ieder kind op raadselachtige manier iedere dag, iedere week, ieder jaar door het samenstel van zijn lichaam naar buiten brengt wat zich in het voorgeboortelijke, respectievelijk voor de conceptie liggend leven ontwikkeld heeft. En wat de wil betreft zullen we nooit een juist inzicht krijgen, wanneer we ons niet bewust worden dat wat zich als wil doet gelden, maar een kiem is, die pas vol tot bloei komt wanneer het uiterlijke lichaam waarin die wil zich als in bodemgrond ontwikkelt, afgelegd is. Zeker, we moeten bij een mens morele ideeën ontwikkelen, maar we moeten ons bewust zijn dat deze ideeën, ingebed in de wil, tussen geboorte en dood niet alles betekenen zoals ze zich voordoen, maar dat ze pas volledig zichtbaar worden, wanneer dit lichaam verlaten is. Wanneer je voor een complete menskunde vraagt om de mens onder te brengen in de totale wereld, ook in de tijd, wanneer je daarbij betrekt wat hij vóór de geboorte meegemaakt heeft en wat hij na de dood zal meemaken, is dat schokkend voor de mensen.

Aber nimmt man das nicht dazu, betrachtet man den Menschen so, wie es die heutige Anthropologie tut, nur in seinen Äußerungen zwischen Geburt und Tod, so hat man es nicht mit dem vollständigen Menschen zu tun, sondern nur mit einem Stück des Menschen, und dieses Stück des Menschen kann man aus dem Grunde nicht erziehen, weil man sich hinstellt vor das werdende Kind und etwas erziehen will, wovon man nichts weiß. Es wollen die Eigenschaften heraus, die sich entwickeln wollen nach Maßgabe dessen, was vorgeburtlich ist; aber man nimmt keine Rücksicht darauf. Man löst nicht das Rätsel des Kindes, weil man keine Ahnung hat, was in dem Kinde rinnen steckt aus dem Leben vor der Geburt, und man löst das Rätsel des Kindes auch nicht nach der anderen Seite, weil man nicht weiß, was Werdeprinzip ist, was sich erst entwickelt, wenn es durch den Tod gegangen ist.
Das muß eine Hauptforderung der heutigen Erziehung werden,

Maar wanneer je dat er niet bij neemt, wanneer je de mens beschouwt zoals de antropologie dat doet, alleen wat er zichtbaar is tussen geboorte en dood, dan heb je niet met de totale mens van doen, maar slechts met een deel en dit deel kan je niet opvoeden omdat je voor het levende kind staat en je iets wil opvoeden waarvan je niets weet. Er willen zich eigenschappen manifesteren die zich willen ontwikkelen in samenhang met wat voorgeboortelijk is; men houdt daar echter geen rekening mee. Je lost het raadsel van het kind niet op wanneer je geen besef hebt van wat er in het kind zit uit het leven vóór de geboorte en je lost het raadsel ook niet op naar de andere kant, wanneer je niet weet wat het wordende is, wat zich pas ontwikkelt wanneer het kind is gestorven.
Dat moet de vraag aan de huidige opvoeding worden,

blz. 33

aus einer Wissenschaft heraus, die den ganzen Menschen ins Auge faßt; nicht aus einer Wissenschaft heraus, die behauptet, statt auf den Lehrstoff auch auf den Zögling zu sehen; nicht aus einer Wis­senschaft, die nicht den Menschen ins Auge faßt, sondern ein wesenloses Abstraktum des Menschen. Es ist wahrhaftig keine ein­seitige Mystik, die dem Erziehungswesen zugrunde gelegt werden soll, indem so gesprochen wird, sondern es ist nur eine vollständige Beobachtung des ganzen Menschenwesens. Es ist der Wille, wirk­lich den ganzen Menschen in der Erziehung zu begreifen. Strebt man einseitig, so wie Herbart, nach der Entwicklung der Intellek­tualität, so muß Willens- und Gemütsbildung unerzogen und un­entwickelt bleiben, denn man wird dann glauben, daß man durch das Beibringen von gewissen Vorstellungen, durch das Aufstellen und Vorbringen gewisser Vorstellungen jene Bewegung, jene Hem­mung und Sich-Stützung der Vorstellung hervorrufen kann, von der man ja spricht, wenn man von dem Gefühl und dem Willen spricht. Das kann man nicht; man kann nur den altgewordenen Willen, das heißt die Intellektualität, durch eine intellektuelle Er­ziehung entwickeln. 

vanuit een wetenschap die naar de hele mens kijkt; niet vanuit een wetenschap die beweert i.p.v. naar de leerstof naar de leerling te kijken; niet vanuit een wetenschap die geen oog heeft voor de mens, maar voor een wezenloze abstractie mens. Het is echt geen eenzijdige mystiek die aan het wezen van de opvoeding ten grondslag gelegd moet worden als er zo gesproken wordt, maar een totaal waarnemen van de hele mens. De wil om daadwerkelijk naar de hele mens te kijken, bestaat heus wel. Streef je eenzijdig, zoals Herbart, naar de ontwikkeling van het intellect, dan blijven wils- en gevoelsvorming onopgevoed en onontwikkeld, want dan zal men geloven dat men door het bijbrengen van zekere voorstellingen iedere beweging, iedere hindernis en het op zichzelf staan van de voorstelling, op kan roepen, daarover spreekt men wanneer men over gevoel en wil spreekt. Dat kan men niet; men kan alleen de oud geworden wil, d.w.z. de intellectualiteit, door een intellectuele opvoeding ontwikkelen.

Man kann das Gemüt nur durch jenes Verhält­nis entwickeln, das sich herausbildet zwischen Lehrer und Zögling in einer gemüthaften Weise selbst; und man kann den Willen nie­mals anders entwickeln, als indem man sich bewußt wird der ge­heimnisvollen Fäden, die unterbewußt zwischen Zögling und Er­zieher sind. Alles abstrakte Aufstellen von Erziehungsgrundsätzen für die Gemüts- und Willensentwicklung kann nichts fruehten, wenn nicht Rücksicht genommen wird auf die Durchdringung des Erziehers und Unterrichtenden selbst mit solchen Gemüts- und Willenseigenschaften, die geistig – nicht durch Ermahnung, das ist physisch – wirken können auf den Zögling. So muß auch das Erziehungs- und Unterrichtsverhältnis nicht einseitig auf Intellek­tualität gebaut sein, sondern muß ganz auf die Beziehung zwischen Mensch und Mensch gestellt sein. Sie sehen daraus, daß es notwen­dig ist, alles, was auf Erziehung sich bezieht, zu erweitern, also darauf Rücksicht zu nehmen, daß tatsächlich jenes intime Ver­hältnis zwischen Erzieher und Unterrichter und dem Zögling

Je kan het gevoel alleen maar ontwikkelen doordat zich een gevoelsrelatie tussen leerkracht en leerling vormt op een gevoelsmatige manier zelf; en je kan de wil nooit anders ontwikkelen dan door je bewust te worden van de geheimzinnige banden die er onbewust tussen de leerling en de leerkracht bestaan. Al dat abstract formuleren van opvoedingsbeginselen voor de gevoels- en wilsontwikkeling levert niets vruchtbaars op wanneer er geen rekening wordt gehouden met zulke gevoels- en wilseigenschappen die de leerkracht zelf vervullen– die geestelijk – niet door ge- en verbod, dat is fysiek – kunnen werken op de leerling. Dus ook de opvoedings- en onderwijsrelatie moet niet eenzijdig op intellectualiteit stoelen, maar in z’n geheel berusten op de relatie van mens tot mens. Daaraan kan je zien dat het nodig is om alles wat te maken heeft met opvoeden, te verruimen, dus er rekening mee te houden dat die tere verhouding tussen opvoeder/leraar en leerling

blz. 34

hergestellt werden kann, wodurch hinausgehoben wird über die Phrase der Satz: man solle nicht Lehrstoff übermitteln, sondern man solle den Zögling erziehen. Das wird man aber nur können, wenn man sich bewußt wird, daß dann, soll so etwas erstrebt wer­den, das ganze Leben des Unterrichtenden und Erziehenden nicht abhängig sein kann von etwas anderem, von dem staatlichen oder dem Wirtschaftsleben, sondern daß das Erziehungs- und Unter­richtswesen ganz allein auf sich selbst gestellt sein muß, damit es wirken könne aus seinen eigenen Impulsen, aus seinen eigenen Bedingungen heraus.
Was geltend gemacht wird sowohl auf anthroposophischem Ge­biete wie auf dem Gebiete der Dreigliederung des sozialen Orga­nismus, das wird ja eigentlich dumpf von den besseren Persönlich­keiten der gegenwärtigen Menschheit schon gefühlt. Aber da auch diese besseren Persönlichkeiten der gegenwärtigen Menschheit mutlos davor zurückscheuen, sich wirklich einzulassen auf eine geistige Erfassung des Lebens, wie sie angestrebt wird durch eine anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, so können diese Persönlichkeiten beim besten Willen das volle Wesen des Men­schen nicht erkennen, was sie dazu bringen könnte zu sagen:

tot stand gebracht kan worden, waardoor boven de frase uitgetild wordt de zin: je moet niet de leerstof overbrengen, maar je moet het kind opvoeden. Dat kan je echter alleen maar, wanneer je je bewust wordt dat dan, wil je zoiets nastreven, het hele leven van de leerkracht en de opvoeder niet afhankelijk kan zijn van iets anders, van de staat of van het economisch leven, maar dat opvoeding en onderwijs autonoom moeten zijn, zodat het kan werken vanuit zijn eigen impulsen, vanuit zijn eigen voorwaarden.
Wat naar voren gebracht wordt en op antroposofisch gebied en op het gebied van de driegeleding van het sociale organisme, dat wordt eigenlijk wel aangevoeld door de sterkere persoonlijkheden in de mensheid van nu, op een doffe manier. Maar omdat zij er moedeloos voor terugdeinzen echt werk te maken van een geestelijke opvatting over het leven zoals die nagestreefd wordt door een antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap, kunnen deze persoonlijkheden met de beste wil van de wereld het volle wezen van de mens niet kennen, wat hen ertoe zou kunnen brengen te zeggen:

Gerade das Unterrichts- und Erziehungswesen muß auf die wirk­liche Erfassung und auf das wirkliche Erleben des geistig Impul­siven selbst gestellt sein. Es ist interessant zu sehen, wie, ich möch­te sagen kümmerlich sich durch die Kultur der Gegenwart durchzwängen manche Gefühle besserer Persönlichkeiten nach einer Befreiung des Unterrichts- und Erziehungswesens und wie sie nicht heraus können, weil sie eigentlich nicht wissen, was sie machen sollen, weil sie im Widerspruch drinnen leben, mit einer Wissenschaft reformieren zu wollen, die noch ganz aus dem Alten herausgewachsen ist.
Da liegt ein Buch vor mir über «Entwicklungs-Psychologie und Erziehungswissenschaft» von Doktor Johannes Kretzschmar*, der tatsächlich etwas Neues aus dem Unterricht machen will, der da fühlt, daß das Unterrichtswesen nicht richtig in der sozialen Ver­fassung der Gegenwart drinnen steht. Sehen wir uns einmal etwas

Juist opvoeding en onderwijs moeten zich baseren op de juiste opvatting en op het werkelijk beleven van geestelijke impulsen zelf. Het is interessant te zien hoe sommige gevoelens van grotere persoonlijkheden zich moeizaam een weg banen door de cultuur van nu om onderwijs en opvoeding te bevrijden en hoe ze niet verder komen, omdat ze eigenlijk niet weten wat ze moeten doen, omdat ze in tegenspraak leven door met een wetenschap te willen vernieuwen die nog helemaal uit het oude ontstaan is.
Voor mij ligt een boek over ‘Ontwikkelingspsychologie en opvoedwetenschap’ van Dr. Johannes Kretzschmar*, die daadwerkelijk iets nieuws wil met het onderwijs; die aanvoelt dat het onderwijs niet op een goede manier in de sociale vorm van de tegenwoordige tijd staat. Laten we eens bij deze man

*Johannes Kretzschmar, geb. 1876, Realschuloberlehrer und Assistent am Institut für Kultur- und Universalgeschichte an der Universität Leipzig. «Entwicklungs-psychologie und ErziehungswissenschafL Eine pädagogische Studie auf entwick­lungstheoretischer, ethnologischer und kulturhistorischer Grundlage», Leipzig
1912.
.
*Johannes Kretzschmar, geb. 1876, hoogleraar en assistent aan het Instituut voor cultuur- en algemene geschiedenis aan de universiteit van Leipzig. Ontwikkelingspsychologie en opvoedingswetenschap. Een pedagogische studie op basis van theoretische ontwikkeling, ethnologie en cultuurgeschiedenis’, Leipzig 1912.
.

blz. 35

Charakteristisches gerade bei diesem Mann an. Er sagt auf Seite 210 seines Buches:
«Gehen wir nun auf diese Weise vom Standpunkte der selb­ständigen, der forschenden Erziehungswissenschaft aus» – und er meint eine Erziehungswissenschaft damit, die durchaus auf der Grundlage der alten Wissenschaft gebaut ist -, «so wird dadurch nicht nur die Lehrerbildung und die Schularbeit beeinflußt, son­dern auch die Stellung des Lehrers, des Pädagogen im Staate, in der Schulverwaltung. Zunächst ist prinzipiell selbstverständlich, daß der Lehrer, ähnlich wie der Arzt, Staat und Gemeinde gegenüber eine Vertrauensstellung einnehmen muß. Sie müssen ihm zugeste­hen, daß auch die Erziehung – wie die Gesundheitspflege – eine Sache ist, für die in erster Linie das Gutachten des wissenschaftlich geschulten Sachverständigen maßgebend sein muß, nicht die Wün­sche und Forderungen politischer und kirchlicher Parteien; daß ferner die Leitung der Schule weniger eine Verwaltungstätigkeit als eine wissenschaftliche Funktion ist».
Was fühlt der Mann also? 

naar iets karakteristieks kijken. Op blz. 210 van zijn boek zegt hij:
‘Wanneer we op deze manier uitgaan van het standpunt van de zelfstandige, de onderzoekende opvoedwetenschap’ – en daarmee bedoelt hij een opvoedwetenschap die volstrekt gefundeerd is in de oude wetenschap – ‘dan wordt daardoor niet alleen de lerarenopleiding en het werk in de school beïnvloed, maar ook de positie van de leraar, de pedagoog bij de staat, in de school. Allereerst is het principieel vanzelfsprekend dat de leerkracht, net als de arts, tegenover de staat en de gemeenschap een vertrouwenspositie in moet nemen. Ze moeten hem toestaan dat ook de opvoeding – zoals de gezondheidszorg – een zaak is voor wie in de eerste plaats de expertise van de wetenschappelijk geschoolde deskundige maatgevend moet zijn, niet de wensen en eisen van politieke en kerkelijke partijen; verder, dat de leiding van de school minder een administratieve dan een wetenschappelijke functie behelst.’
Wat voelt de man eigenlijk?

Er fühlt, daß die Verwaltungstätigkeit, die eine staatliche Funktion ist, nicht so voll ausgedehnt werden kann auf den Unterricht und die Erziehung und daß in den Impul­sen des Unterrichtenden und Erziehenden zu wenig von dem drin ist, was man über das Wesen des Menschen wissen kann. Der Mann möchte die Verwaltung ersetzt wissen durch eine Erteilung des Unterrichts- und Erziehungswesens im Sinne desjenigen, was man wissenschaftlich über das Wesen des Menschen erkennen kann. Deshalb sagt er aus einem dumpfen Gefühl heraus: «daß ferner die Leitung der Schule weniger eine Verwaltungstätigkeit als eine wis­senschaftliche Funktion ist, mithin nicht auf dem Wege behörd­licher Verordnungen bis in alle Einzelheiten hinein vorgeschrieben werden kann. Gemeinde und Staat müssen zur Lehrerschaft das volle Vertrauen haben, daß sie ihrem Amte gewachsen ist, daß sie ihrer Pflicht in vollem Umfange sich bewußt und daher von äuße­ren Anregungen unabhängig ist. Dieses Vertrauen wird sich darin äußern, daß – soweit die internen Angelegenheiten des Schulbetrie­bes in Betracht kommen – neben den Direktoren auch die Kollegien

Hij voelt dat het bestuur dat een staatsfunctie is, niet zo helemaal over onderwijs en opvoeding uitgebreid kan worden en dat de impulsen van de leraar en opvoeder te weinig bevat van wat je over het wezen van de mens kan weten. De man zou het bestuur willen vervangen door het geven van onderwijs en opvoeding in de zin van wat men wetenschappelijk over het wezen van de mens kan weten. Daarom zegt hij vanuit een vaag gevoel: dat verder de leiding van de school minder een bestuurszaak is dan wel een wetenschappelijke functie, derhalve niet met overheidseisen tot in alle details voorgeschreven kan worden. Gemeenschap en staat moeten de leerkrachten ten volle vertrouwen, dat zij voor hun beroep geschikt zijn, dat ze zich ten volle bewust zijn van hun plicht en daardoor onafhankelijk zijn van van buiten komende voorstellen. Dit vertrouwen zal blijken uit – voor zoverre de interne aangelegenheden van het schoolleven in aanmerking komen – dat naast de directeur ook de collega’s

blz. 36

zu ihrem Recht kommen, der Lehrer also nicht bloß als Untergebener, als Beamter betrachtet wird. Die rechte Würdigung der pädagogischen Tätigkeit wird sich sodann in der Regelung der Schulaufsichtsfrage zeigen müssen. Weder der Geistliche noch der Philolog kann als die geeignete Persönlichkeit für die Schulleitung und Schulauflicht erachtet werden.»
Man fragt sich dann nur: Wieso kommt der Mann noch nicht dazu, auch einzusehen, daß auch der Schulaufseher nicht vom Staat ernannt werden kann, daß er aus dem Schulwesen selber heraus gestellt werden müßte?
«Beides muß durchaus in die Hände von Fachleuten, von Päd­agogen, gelegt werden»: Ja, warum soll es dann nicht gleich vom pädagogischen Felde aus geleitet werden? Warum erst auf dem Umwege von etwas, was im Grunde genommen sachlich nicht mitsprechen kann!
«Daß auch Fürsorgeerziehungsanstalten, Schwachsinnigenschu­len usw. weder von Pfarrern noch von Ärzten zu leiten sind, bedarf wohl keines eingehenden Beweises. – Von größter Wichtigkeit ist aber nun vor allem der Einfluß der Lehrerschaft auf die Schul­gesetzgebung. »

tot hun recht komen, de leraar niet alleen maar als ondergeschikte, als ambtenaar gezien wordt. De juiste waardering van het pedagogisch werk moet dan als zodanig in de regeling van de schoolinspectievraag zichtbaar worden. Nog de geestelijke, noch de filoloog kan als de geschikte persoon voor de schoolleiding en het toezicht beschouwd worden.’
Dan vraag je je alleen maar af: waarom komt de man er nog niet toe in te zien dat ook de inspecteur niet door de staat benoemd kan worden, dat deze uit het schoolwezen zelf moet komen?
‘Beide moet zeer zeker in de handen van vakmensen, van pedagogen, gelegd worden.’ Ja, waarom eerst langs een omweg van iets wat in de aard der zaak feitelijk niet mee kan spreken!
‘Dat ook de jeugdhulpverleningsinstituten en instellingen voor verstandelijk gehandicapten enz. nog door priesters, noch door artsen moeten worden geleid, behoeft wel geen nader bewijs. – Van het grootste belang is echter toch vooral de invloed van de leraren op de schoolwetgeving.’

Dieser Einfluß der Lehrerschaft auf die Schulgesetzgebung wird ganz gewiß am allergrößten dann sein, wenn die Lehrer selbst diese Schulgesetze machen in dem selbstverwalteten Geistesleben im Sin­ne des dreigliedrigen sozialen Organismus.
Sie sehen in alledem ein dumpfes Sich-Hinbewegen zu dem, wozu nur der Impuls des dreigliedrigen sozialen Organismus den Mut hat, es wirklich in die Außenwelt einpflanzen zu wollen. Als Bedürfnis ist es bei den besten Menschen der Gegenwart vorhan­den, was der Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus will. Nur sind diese besten Menschen der Gegenwart in ihrem geistigen Atmen so beengt durch die dumpfe Luft des heutigen öffentlichen Lebens, durch die Vorurteile, welche alles zusammenschweißen in den Einheitsstaat, so daß sie nicht dazu kommen, ihre Gedanken wirklich zu Ende zu bringen. Und so kann man lesen, daß die Gesetzgebung «wird darauf hinzuwirken haben, daß der

Deze invloed van de leraren op de schoolwetgeving zal zeer zeker het allergrootst zijn, wanneer de leerkrachten zelf de schoolwetten opstellen in het geestesleven dat zichzelf bestuurt in de zin van de sociale driegeleding.
Je ziet in alles een wat vaag zich bewegen naar de impuls waarvoor het driegelede sociale organisme de moed heeft het daadwerkelijk in de buitenwereld neer te willen zetten. Bij de beste mensen van nu bestaat de behoefte aan wat de impuls van de sociale driegeleding wil. Alleen, de beste mensen van nu hebben geestelijk zo weinig adem door de bedompte lucht van het huidige officiële leven, door de vooroordelen die alles in de eenheidsstaat laten samenkomen, dat zij er niet toe komen hun gedachten te verwerkelijken. En dan kan je lezen dat de wetgeving ‘ernaartoe moet werken dat de

blz. 37

Einfluß der Schule auf das Elternhaus durch den Staat zu stützen und zu stärken ist, daß unter Umständen schulfeindliche und wi­derspenstige Eltern zur richtigen Erziehung ihrer Kinder zu zwin­gen sind. Die Schulsynode würde also den Staat zu bestimmen suchen, daß er nicht nur das Aufsichtsrecht über das Schulwesen ausübt, sondern auch den Lehrer schützt und unterstützt in seiner Wirksamkeit. »
Man fragt sich: Ja, warum soll das der Lehrer nicht alles selber machen können? – Weil solche Menschen, die nach dieser Richtung denken, eben, wie gesagt, die freie Atemluft nicht fühlen, die das freie Geistesleben gewährt. Sie sind durch die Verkümmerung des Denkens im Sinne des alten Einheitsstaates soweit gebracht wor­den, daß sie gar nicht daran denken, welch ein Unding es doch ist, daß dasjenige, was – wie sie es selbst verlangen – von dem geistigen Gliede des sozialen Organismus verwaltet werden soll, nicht erst von dem Rechtsgliede befohlen, nicht erst von dem Rechtsgliede geschützt und unterstützt zu werden braucht. Sind nicht die Wor­te, daß der Lehrer «geschützt und unterstützt werden soll» vom Staate, recht charakteristisch? Das ist so, wie wenn jemand sagt:

invloed van de school op de ouders door de staat gesteund en versterkt wordt, dat onder bepaalde omstandigheden ouders die vijandig tegenover de school staan of zich weerbarstig opstellen tot een goede opvoeding van hun kinderen gedwongen kunnen worden. De schoolsynode (in Zwitserland, in bepaalde kantons, een overkoepelende vergadering van leerkrachten) zou dus de staat moeten laten vastleggen dat deze niet alleen het recht van inspectie over het onderwijs uitoefent, maar ook de leraren beschermt en ondersteunt bij hun werk.’
Dan vraag je je af: Ja, maar waarom zou de leerkracht dat allemaal niet zelf kunnen? – Omdat zulke mensen die in deze richting denken, dus, zoals gezegd, niet vrij kunnen ademen zoals het vrije geestesleven dat mogelijk maakt. Zij zijn door het verslappen van het denken in de trant van de oude eenheidsstaat zover gebracht, dat ze er zelfs niet meer aan denken, wat voor gedrocht het toch is, dat wat zij zelf graag willen, wat door het geestesleven van het sociale organisme verzorgd moet worden, niet in de eerste plaats door het rechtsleven bevolen, niet door het rechtsleven beschermd en ondersteund dient te worden. Zijn de woorden dat de leraar ‘beschermd en ondersteund moet worden’ door de staat nou niet typisch? Het is alsof iemand zegt:

Wir getrauen uns nicht, selber diesen Zustand herbeizuführen, der wünschenswert wäre, wir wollen, daß wir angetrieben werden. Aber dieser Antrieb kommt nicht. Denn auf jener Seite, von der man ihn erwartet, besteht eben – selbstverständlich ganz gerecht­fertigt – kein Verständnis für das, was eigentlich geschehen soll.
«Dieser größere Einfluß des Staates auf die Erziehung» – also er will sogar noch einen größeren Einfluß des Staates auf das, was der Lehrer und Erzieher tun soll – «liegt ja ganz logisch in der Rich­tung der historischen Entwicklung.» Ja, in der Richtung der histo­rischen Entwicklung liegt es wirklich, aber die historische Ent­wicklung muß um ihrer Gesundheit willen einen anderen Lauf nehmen als zu dem, wozu sie bis jetzt den Anlauf nimmt. Denken Sie einmal, eine Pflanze würde im Sinne der Goetheschen Meta­morphose immer nur grüne Blätter hervorbringen und nicht vom grünen Laubblatt zum farbigen Blumenblatt übergehen wollen, dann würde sie das Ziel ihrer Entwicklung nicht erreichen. In ähnlichem

Wij durven het niet aan zelf deze omstandigheden in het leven te roepen die wij voor wenselijk houden, wij willen dat wij daartoe aangezet worden. Maar die impuls komt niet. Want aan de kant waarvan je die verwacht, bestaat nu eenmaal – vanzelfsprekend geheel gerechtvaardigd – geen begrip voor wat er eigenlijk moet gebeuren.
‘Deze grotere invloed van de staat op de opvoeding’- dus hij wil zelfs een nog grotere invloed van de staat op wat de leraar en opvoeder te doen staat, ‘is logischerwijs gelegen in de richting van de historische ontwikkeling.’ Ja, het is inderdaad gelegen in de richting van de historische ontwikkeling, maar de historische ontwikkeling moet, wil ze gezond zijn, een andere loop nemen dan waar ze nu op weg naartoe is. Denkt u zich eens in dat een plant, zoals in Goethes metamorfose, steeds maar groen blad zou voortbrengen en niet zou willen overgaan van het groene blad naar het kleurige bloemblad, dan zou ze het doel van haar ontwikkeling niet bereiken. Op dezelfde

blz. 38

Sinne muß man beachten, daß nicht immer im Sinne der historischen Entwicklung in gleicher Weise weitergegangen werden kann, sondern daß in der Entwicklung eine Epoche die andere ablösen muß.
«Es gab eine Zeit, da der Staat noch kein unmittelbares Interesse am Bildungswesen hatte, und dann kam die Zeit, wo er dieses In­teresse im Schulzwang und im Schulunterricht zum Ausdruck brachte. Der moderne Staat als Verfassungsstaat, in dem das Volk an der Gesetzgebung unmittelbar beteiligt ist, muß neben der po­litischen auf die allgemeine Bildung seiner Glieder ganz besonde­ren Wert legen. Da nun aber die Erziehungsmöglichkeit der Schule nur eine begrenzte ist, so muß der Staat seinen Einfluß auf alle Gebiete der Erziehung ausdehnen, also auch auf die Familie und die Umwelt des Kindes.» – Nun soll der Staat zum Miterzieher berufen werden neben dem, was das Geistesleben aus sich selbst hervorbringen kann. Sie sehen daran, daß man dumpf richtig fühlt und von diesem Gesichtspunkt zu dem Gegensatz von dem ge­langt, was aus einer gesunden Anschauung heraus heute angestrebt werden soll: 

manier moet je bekijken dat er niet steeds op dezelfde manier verder gegaan kan worden in de zin van de historische ontwikkeling, maar dat in de ontwikkeling de ene fase de andere moet opvolgen.
‘Er was een tijd dat de staat nog geen directe interesse had in educatie en toen kwam de tijd waarin deze zijn interesse ging tonen voor leerplicht en onderwijs. De moderne staat als verzorgingsstaat, waarin het volk direct betrokken is bij de wetgeving moet naast de politieke een heel bijzondere nadruk leggen op de algemene vorming van zijn onderdanen. Daar echter de opvoedingsmogelijkheid van de school maar beperkt is, moet de staat haar invloed op elk terrein van de opvoeding uitbreiden, dus ook op het gezin en de leefomgeving van het kind.’
Nu moet de staat tot medewerker benoemd worden naast wat het geestesleven uit zichzelf kan leveren. Daar ziet u aan dat men het op een dromerige manier wel goed aanvoelt, en vanuit dit gezichtspunt tot het tegenovergestelde komt van wat uit een gezonde opvatting nu nagestreefd moet worden:

«Dasjenige Gebiet der pädagogischen Wissenschaft, das für ihn den größten Wert besitzt, ist naturgemäß die pädago­gische Soziologie.»
Also er will das soziale Leben zur Richtschnur für die Pädago­gik machen, während gerade die sozialen Triebe in dem Menschen durch eine richtige Erziehung entfacht werden müssen, damit sie zur Gesundung des sozialen Lebens vorhanden sein können.
«Sie zeigt ihm einerseits den Einfluß der Erziehung auf die öf­fentliche Wohlfahrt und klärt ihn andererseits darüber auf, inwie­weit die Entwicklung des Zöglings nicht bloß von der systemati­schen Erziehung, sondern auch von den Miterziehern abhängig ist. Auf die Wichtigkeit dieser pädagogischen Soziologie muß auch die Schulsynode immer wieder hinweisen, deren Rat für den Staat um so unentbehrlicher wird, je mehr sein Einfluß auf die Erziehung wächst.»
Also Kretzschmer sieht ein: Der Staat wird immer mehr nötig haben, auf die Erziehung zu hören. Trotzdem soll sie nicht unmittelbar

‘Het gebied van de pedagogische wetenschap dat voor haar de grootste waarde bezit, is begrijpelijkerwijs de pedagogische sociologie.’
Dus hij wil het sociale leven tot richtlijn voor de pedagogie maken, terwijl nu juist de sociale drijfveren in de mens door een juiste opvoeding aangespoord moeten worden zodat deze er zijn om het sociale leven gezond te maken.
‘Deze laat hem enerzijds zien de invloed van de opvoeding op de publieke welvaart en anderzijds maakt ze hem duidelijk in hoeverre de ontwikkeling van het kind niet alleen van de systematische opvoeding, maar ook van de medeopvoeders afhankelijk is. Op dat belang van deze pedagogische sociologie moet ook de schoolsynode (in Zwitserland, in bepaalde kantons. een overkoepelende vergadering van leerkrachten) steeds maar weer wijzen, haar raad zal voor de staat steeds onontbeerlijker worden, naarmate de invloed daarvan op de opvoeding sterker wordt.’
Dus Kretzschmer ziet in: de staat zal het steeds meer nodig hebben naar het onderwijs te luisteren. Desondanks moet zij niet meteen

blz. 39

ausgeführt werden durch eine Einrichtung, die durch das Erziehungswesen selbst geschaffen werden kann, sondern es soll erst der Staat das ausführen; dann wird erst darauf hingewiesen, daß er auch «anordnen» kann. Also gestützt will das sein, was eigentlich die Forderung in unserer Zeit erheben muß, sich frei, unabhängig zu entfalten.
Etwas ist ganz besonders interessant in diesem Buche. Selbstver­ständlich wird ein Mann, der so gutwillig ist wie Kretzschmar, auch aufmerksam darauf, daß die Lehrerbildung anders werden müßte. Er findet, daß in den Lehrerbildungsanstalten auch nicht alles so ist, wie er es haben möchte. Er bemerkt es und sagt sich:
Da muß manches anders werden. Er bemerkt: die Pädagogik wird an den Universitäten so als Nebenfach behandelt, aber sie umfaßt nach seiner Ansicht so vieles, daß sie nicht als Nebenfach behandelt werden dürfte, sondern sie müßte eingegliedert werden in die Universitäten als selbständiges Lehrfach.

uitgevoerd worden door een organisatievorm die door de opvoeding in zijn totaliteit zelf in het leven geroepen kan worden, maar dat moet de staat dan doen; dan pas wordt erop gewezen dat deze ook kan organiseren. Dus, steun moet krijgen wat eigenlijk de eis van onze tijd naar voren moet brengen, zich vrij en onafhankelijk te ontplooien.
Er zit in dit boek iets heel interessants. Vanzelfsprekend heeft een man die zo van goede wil is als Kretzschmer, ook in de gaten dat de lerarenopleiding anders moet worden. Hij vindt dat op de lerarenopleidingen ook niet alles zo is, zoals hij het zou willen. Dat ziet hij en hij zegt:
Daar moet veel veranderd worden. Hij merkt op: de pedagogiek wordt aan de universiteiten zo’n beetje als bijvak behandeld, maar die omvat naar zijn mening zo veel, dat zij niet als bijvak behandeld mag worden, maar zij moet binnen de universiteit een plaats krijgen als een zelfstandig leervak.

Nun denkt er nach: die sogenannten vier Fakultäten sind schon durchbrochen worden, man hat schon zu der philosophischen Fakultät die naturwissen­schaftliche hinzugefügt und zur juristischen die staatswissenschaft­liche. Er denkt nun nach, ob man nicht vielleicht die Pädagogik mit irgendeiner Fakultät durch die Erweiterung dieser Fakultäten ver­binden könnte. So gibt es heute Universitäten, die haben neben den bekannten vier Fakultäten – also der theologischen, der philosophi­schen, der medizinischen, der juristischen – noch die staatsrecht­liche und die naturwissenschaftliche Fakultät. Nun meint er, daß es zu allerlei Kalamitäten führen könnte, eine eigene pädagogische Fakultät zu errichten. Aber mit welcher Fakultät sollte man Päd­agogik sonst verbinden? Und es ist sehr charakteristisch, daß er dazu kommt, daß er die Pädagogik der Staatswissenschaft zuweisen und eine staatswissenschaftlich-pädagogische Fakultät begründen möchte.
Sie sehen, so stark wirkt der Zwang, daß vom Staate alles das­jenige ausgehen soll, was auf den Menschen wirkt, daß selbst ein so aufgeklärter Herr es am günstigsten findet, die Pädagogik zum Ge­schwisterwesen des Staatsrechtes zu machen. Ich habe es ja hier

Nu denkt hij na: de zgn. vier faculteiten zijn al opengebroken, men heeft aan de filosofische faculteit al de natuurwetenschappelijke toegevoegd en aan de rechtsfaculteit de staatswetenschappen. Nu denkt hij erover na of men misschien de pedagogiek met een of andere faculteit door de uitbreiding van deze faculteiten kan laten samengaan. Tegenwoordig zijn er dus universiteiten die naast de bekende vier faculteiten – de theologische, filosofische, geneeskundige, de juridische – ook de staatsrechtelijke en natuurwetenschappelijke faculteit hebben. Hij denkt wel dat het tot allerlei dilemma’s zou kunnen leiden bij het oprichten van een eigen pedagogische faculteit. Maar met welke faculteit zou je pedagogie anders moeten verbinden? Het is zeer treffend dat hij ertoe komt de pedagogiek bij de staatswetenschap te voegen en een staatswetenschappelijke-pedagogische faculteit in het leven te roepen.
U ziet hoe sterk de dwang werkt dat alles wat van invloed op de mens moet zijn, van de staat zou moeten uitgaan, dat zelfs een zo verlicht man het ‘t gunstigst vindt om van de pedagogie een zusterdiscipline bij het staatsrecht te maken. Ik heb het hier al

blz. 40

schon gesagt: die Menschen streben immer dahin, nicht als dasjeni­ge zu gelten, was sie durch ihr Wesen sind, sondern als das, was sie durch die Abstempelung des Staates sein können. Selbst freie Bür­ger sollen sie nicht sein, sondern Menschen, die irgendwie mit ih­ren Bürgerrechten in den Staat eingetragen sind. Die Menschen streben darnach, Glieder der Staatsordnung zu werden. Das bildet den Gedanken aus: Also muß man die Menschen so erziehen und unterrichten, daß sie richtige Glieder des Staates werden. Wo sollte also die Pädagogik besser hingestellt werden als zum Staatsrecht? Es ist interessant, daß ein Mann, der ganz richtige Empfindungen hat für das, was geschehen soll, die entgegengesetzten Schlüsse zieht aus seinen Voraussetzungen, als man meinen sollte.
Sehen Sie, ich habe Ihnen damit heute vor allen Dingen zunächst die Widerstände charakterisiert, mit denen man zu kämpfen haben wird, wenn man eine solche Schule aufbauen will, wie es die Wal­dorfschule werden soll. Sie widerstrebt den Gedanken der Men­schen, selbst den Gedanken der besten Menschen. Sie muß wider­streben; denn würde sie nicht widerstreben, so würde sie nicht in der Richtung der Zukunftsentwicklung arbeiten. 

eens gezegd: de mensen streven er steeds naar zich niet te laten gelden als wat ze door hun wezen zijn, maar als wat zij door het stempel van de staat kunnen zijn. Zelfs vrije burgers willen ze niet zijn, maar mensen die op de een of andere manier met hun burgerrechten in de staat ingeschreven staan. Dat vormt de gedachte: dus moet je de mens zo opvoeden en lesgeven dat hij een brave staatsburger wordt. Waar zou de pedagogiek dus beter geplaatst kunnen worden dan bij het staatsrecht? Het is interessant dat een man die een heel goed gevoel heeft voor wat er moet gebeuren, uit zijn voorwaarden de tegenovergestelde conclusies trekt dan dat je zou denken.
Ziet u, ik heb u daarmee nu vooral de weerstanden geschetst waarmee je van doen hebt wanneer je zo’n school wil oprichten als de vrijeschool moet worden. Zij gaat in tegen de gedachten van de mensen, zelfs de gedachten van de beste mensen. Ze moet  ertegen ingaan; want als ze dat niet zou doen, dan zou zij niet in de richting van de toekomstontwikkeling kunnen werken

Aber es wird in dieser Zukunftsrichtung gerade auf geistigem, erzieherischem und unterrichtendem Gebiete gearbeitet werden müssen. Wir werden wahrhaftig keine einseitige Weltanschauungsschule errichten. Wer glaubt, daß wir eine «Anthroposophenschule» gründen wollen, oder wer das verbreitet, der glaubt oder verbreitet eine Verleum­dung. Das wollen wir ganz und gar nicht, und wir werden es zei­gen, daß wir es nicht wollen. Denn kommt man uns mit allem so entgegen, wie wir allem entgegenkommen, dann wird in der Wal­dorfschule der Religionsunterricht der evangelischen Kinder von dem am Orte lebenden evangelischen Pfarrer beziehungsweise Vi­kar erteilt werden, der katholische Unterricht wird von dem katho­lischen Priester erteilt, der jüdische von dem Rabbiner. Das heißt, wir werden uns nicht darauf einlassen, irgendeine Weltanschau­ungsschule zu begründen, wir wollen nicht den Inhalt der Anthro­posophie in unsere Schule hineintragen, wir wollen etwas anderes. Anthroposophie ist Leben, ist nicht bloß eine Theorie. Und Anthroposophie

Maar in de richting van de toekomst zal nu juist, op spiritueel opvoedkundig en onderwijsgebied moeten worden gewerkt. Wij zullen waarachtig geen eenzijdige wereldbeschouwelijke school in het leven roepen. Wie gelooft dat wij een ‘school voor antroposofen’ willen oprichten of wie dat bericht verspreidt, die gelooft of verspreidt laster. Dat willen wij helemaal niet en wij zullen laten zien dat we dat niet willen. Want doet men ons in alles net zo’n recht als wij in alles doen, dan wordt op de vrijeschool het godsdienstonderwijs aan de evangelische kinderen gegeven door de dominee ter plaatse en door de pastoor het katholieke en door de rabbijn het joodse godsdienstonderwijs. D.w.z. dat wij ons niet inzetten om een of andere wereldbeschouwelijke school te grondvesten, wij willen de inhoud van de antroposofie niet de school binnenbrengen, we willen iets anders.
Antroposofie is leven, is niet alleen maar een theorie. En antroposofie

blz. 41

kann übergehen in die Gestaltungsfähigkeit, in die Handhabung des Unterrichts – insofern Anthroposophie pädago­gisch werden kann, insofern durch Anthroposophie die Fertigkeit gewonnen werden kann, zum Beispiel besser das Rechnen zu lehren, als es bisher gelehrt wurde, besser das Schreiben, besser die Sprachen, besser die Geographie zu lehren, als sie bis jetzt gelehrt wurden. Also insofern eine Methode für diese Schule geschaffen werden soll durch Anthroposophie, insofern streben wir. Wir er­streben Methodik, Unterrichtspraxis. Das ist es, in was wir auslau­fen lassen möchten dasjenige, was aus einer wirklichen Erkenntnis des Geistigen wahrhaftig folgen wird. Wir werden eben so lesen lehren, wir werden so schreiben lehren und so weiter, wie es der Wesenheit des Menschen angemessen ist. Dadurch werden wir zunächst ganz absehen von dem, was man uns wahrscheinlich un­terstellen wird: daß wir durch eine Schule schon bei den Kindern Propaganda machen wollen für Anthroposophie. Das werden wir nicht wollen. Denn wir wissen ganz gut, daß die Widerstände, die wir schon zu überwinden haben, ins Unermeßliche steigen. Wir werden nur streben, zu unterrichten insofern, als durch das Durch­lebtsein mit anthroposophischen Impulsen gut unterrichtet und erzogen werden kann. Deshalb wird es uns nicht stören, wenn gewissen Anforderungen genügt wird, die von da oder dort kom­men, zum Beispiel, daß der Religionsunterricht in den einzelnen Konfessionen von den Verwaltern, die innerhalb dieser Konfession stehen, besorgt wird.
Damit habe ich zunächst einiges einleitend über dasjenige ge­sagt, was die Waldorfschule sein will. Ich werde am nächsten Sonn­tag um dieselbe Zeit in diesen Betrachtungen fortfahren.

kan overgaan in een vaardigheid, gestalte, vorm te geven aan het onderwijs in die mate waarin antroposofie pedagogie kan worden, in die mate waarin uit antroposofie vakbekwaamheid kan ontstaan om b.v. het rekenen beter aan te leren dan dit tot nog toe aangeleerd werd, beter het schrijven, beter de talen, beter de aardrijkskunde aan te leren dan deze tot nog toe aangeleerd werden. Dus in zoverre als er een methode door de antroposofie in het leven geroepen wordt, in die mate streven wij dit na.
Wij streven naar methodiek, naar onderwijspraktijk. Daarin willen wij graag laten uitmonden wat in waarheid volgen zal uit de kennis van de geest. Dus daarom leren wij zo het lezen en het schrijven aan enz., zoals dit in overeenstemming is met het wezen van de mens.
Daarom werpen wij beslist verre van ons, wat men ons waarschijnlijk in de schoenen wil schuiven: dat wij door een school bij de kinderen al reclame willen maken voor antroposofie. Dat willen wij niet. Want we weten heel goed dat de weerstand die we nu al te overwinnen hebben, dan nog aanzienlijk zal toenemen.
Wij streven er alleen naar in die mate les te geven zoals dat door het doortrokken zijn van antroposofische impulsen, goed les geven en opvoeden mogelijk kan worden. Daarom hebben wij er geen last van om aan bepaalde eisen te voldoen die van elders komen, bijv. dat het godsdienstonderwijs in de verschillende geloofsvormen door de vertegenwoordigers van dit geloof, gegeven wordt.

Hiermee heb ik iets inleidends gezegd over wat de vrijeschool beoogt. Volgende zondag om deze tijd zal ik verder gaan met deze beschouwingen.

.
[1] GA 297: inhoudsopgave
[2] GA 297 voordracht 1
[3] levend-lichamelijk: algemene menskunde
[4] GA 294 voordracht 1

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

Over Herbart

.

1518-1424

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-3)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

.

Beschermend badwater

Om schoon te worden heeft een kleine baby de dagelijkse badbeurt eigenlijk nog niet nodig. Toch kan regelmatig baden met een heilzame substantie in het water in een aantal gevallen een eenvoudige maar doeltreffende oplossing bieden voor een probleem. Uit de vele goede natuurlijke oliën die er verkrijgbaar zijn, kun je juist die kiezen die voor jouw kind het meest geschikt is.

Zo geborgen als toen hij nog in het lichaam van zijn moeder was, zal een baby zich na de geboorte nooit meer voelen. Daar werd hij voortdurend heen en weer gewiegd, zonder honger en dorst en in een constante aangename temperatuur. Bij iedere beweging voelde hij de begrenzende en beschermende aanraking met de baarmoeder. Na de geboorte komt de baby abrupt in een totaal andere toestand terecht. Hij wordt blootgesteld aan licht, lucht en zwaartekracht. Hij voelt kou, honger en dorst en als hij zijn armpjes beweegt is er de grenzeloze ruimte. Uiteraard verlangt dat kleine, open wezentje de eerste weken vooral naar een situatie die zo veel mogelijk lijkt op die van voor de geboorte, en daar speel je als ouders ook op in. Door het warmte te geven, te koesteren, te voeden en het zo nu en dan te baden in zijn vertrouwde element: water.

Reinigen en verwarmen

Wil je je baby of peuter verwennen met een lekker verwarmend bad, dan is een olie als Calendula Babyolie (Weleda)* altijd goed. Voordat je de olie aan het badwater toevoegt, kun je de olie ( het beste eerst in een (jam)potje met wat warm water goed schudden tot je kleine belletjes ziet.

Maar natuurlijk snuffel je ook eerst aan je baby om te weten wat hij er voor eentje is en stem je voeding en verzorging op zijn behoefte af. Lang niet iedere baby kan zich meteen aanpassen aan het gemiddelde ritme van voeden en slapen en lang niet iedere pasgeboren baby geniet er bijvoorbeeld van als je hem dagelijks in bad doet. Dat hoeft geen enkel probleem te zijn, want om schoon te worden heeft een zuigeling het bad eigenlijk ook nog niet echt nodig. Het reinigen gaat zeker zo goed met een beetje babyolie en wat babycrème of babybalsem voor de billetjes. Daarna is één keer per week in bad meestal ruim voldoende.

Een moeilijke start

Toch kunnen er omstandigheden zijn waarin het goed is ook de kleine baby regelmatig te baden: als de baby onrustig is en veel huilt, of als hij of een moeilijke start maakte na een zware bevalling of een verblijf in de couveuse. In die gevallen kun je hem helpen zich aan te passen aan het ‘aardse’ ritme door hem regelmatig te baden in water waar een heilzame substantie aan toe is gevoegd. Weleda Baby- en Kinderbad is daar een uitstekend geschikt middel voor, omdat het een ontspannende werking heeft en bij wijze van spreken een beschermend laagje om zijn huidje legt. Ook op een drukke peuter werkt Weleda Baby- en Kinderbad harmoniserend.

Als je baden voor je kind als therapeutisch middel gebruikt, is het belangrijk dat je erop let dat de temperatuur van het water niet hoger is dan 37 graden en dat je de baden gedurende een bepaalde tijd ritmisch toepast, dat wil zeggen twee of drie keer per week. Om de therapeutische werking niet weer teniet te doen, kun je zo’n bad beter niet combineren met zeep om de baby te wassen. Het bad werkt verder het beste als het kind daarna lekker onder de wol wordt gestopt.

Inwrijven met olie

Een angstige peuter of kleuter kun je ontspannen door een lavendelbad. Je versterkt de werking daarvan door hem voor het slapen gaan ook nog in te wrijven met een goede olie. Dat kan Calendula Babyolie zijn maar er bestaat een scala aan mogelijkheden met olie. Voor kinderen (en volwassenen!) die zeer gevoelig zijn voor zintuigindrukken – wat zich bijvoorbeeld uit in buikkrampjes – werkt ook Solum uliginosum van Wala heel ondersteunend. De olie breng je op met rustige, draaiende bewegingen naar de wervelkolom toe, van boven naar beneden. Ook de armpjes en beentjes masseer je van boven naar beneden. Bij de buik kun je het beste altijd met de klok mee draaien. Bij heel kwetsbare kinderen of bij baby’s met buikkrampjes kun je onder het hemdje dan bovendien nog een zacht zijden lapje op de buik leggen waardoor dit gebied van de stofwisseling nog wat extra wordt beschermd. Ook een paar theelepeltjes venkel- of kamillethee kunnen de buikkrampjes van de baby helpen verlichten.

Andere heilzame baden

Ook een mollige, dromerige peuter die vaak wat traag en snotterig is, kun je zo nu en dan in een heilzaam bad stoppen: maar dan natuurlijk niet met rustgevende lavendelolie! Bij het dromertje wil je juist wat meer belangstelling voor de wereld wekken en daarvoor is een bad met een handje zeezout erin heel geschikt. Zo’n bad mag zeker niet te warm zijn en het is het beste om het kind er maar kort in te laten zitten. Het is ook het enige bad dat je niet voor het slapen gaan geeft, omdat het er juist op is gericht te activeren. Het zout-bad kun je eventueel afwisselen met een dennennaalden- of rozemarijnbad, die dezelfde opwekkende werking hebben. Wanneer je hem na het bad ook nog inwrijft met rozemarijnolie (alleen op recept verkrijgbaar), dan zal zelfs de grootste dromer wakker de wereld in stappen.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.
ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

 

.

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.


meer Weleda

.

1517-1423

.

.

VRIJESCHOOL – Slaap

.

In de eerste voordracht van de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de slaap van het kleinste kind. In vele andere voordrachten belicht hij de slaap steeds vanuit verschillende gezichtspunten. 
In onderstaand artikel komen we er daar een aantal van tegen.

WIJSHEID VAN DE NACHT

SLAPEN

Wanneer een mens slaap wordt onthouden, ontstaan er al snel verschijnselen van irritatie, stress en verlies aan wilskracht. Slaap hebben we nodig om beter tot besluiten te kunnen komen (ergens een nachtje over slapen); dromen voor het verwerken van emoties.

Maar wat is slaap eigenlijk, hoe komt het verschijnsel dromen tot stand, en wat gebeurt er wanneer we slaapmiddelen gebruiken? Jan Zee, arts, poogt in dit artikel antwoorden te vinden.

iK herinner me eens een lezing bijgewoond te hebben van Lubiensky, zo’n tien jaar geleden in Rotterdam. Het ging over mediteren. Ik zat achteraan en waagde het na afloop de vraag te stellen of mediteren enige zin heeft als men slaapmiddelen gebruikt. Ik voegde er aan toe dat boven de vijftig jaar een zeer hoog percentage van de mensen slaapmiddelen gebruikt. Het daar aanwezige, voornamelijk bejaarde, publiek draaide zich als door wespen gestoken met een ruk naar mij om. Deze enfant terrible-vraag houd ik nog altijd voor een juiste vraag. Mediteren kan men op velerlei wijzen. Maar uiteindelijk komt het neer op een stuk scholing ten behoeve van de innerlijke ontwikkelingsweg. Is de slaap daarbij dan zo belangrijk? Wel als je gaat beseffen hoe wezenlijk de geheimzinnige wereld van de slaap voor de mens is.

Wat verstaan we onder slapen? Een gezaghebbend onderzoeker op dit terrein I. Oswald geeft de volgende definitie:
‘De slaap is een terugkerende gezonde toestand van inertie en van niet reageren, die met verschillende fysiologische veranderingen gepaard gaat’.

Zoals zo vaak wordt ook hier geformuleerd wat iets niet is, zonder te zeggen wat het wél is. Vanuit de wetenschap is de slaap een gewenste onderbreking van het bewustzijn, en is de slapeloosheid een ongewenste vorm van bewust-blijven die men dient uit te schakelen. Het leven zelf echter lijkt ingewikkelder te zijn dan wat deze eenvoudige maar wel practische conceptie aangeeft. Zei al niet Sigmund Freud, die veel geschreven heeft over het slaap- en het droomleven, dat de slaap geen toestand is van coma maar een waarin de actieve geestelijke processen gedurende de nacht voortgang vinden?

Een zegswijze uit de fysiologie drukt het positiever uit: als u slaapt, waakt uw parasympaticus. Wie of wat is mijn parasympaticus? Ons onwillekeurige zenuwstelsel, het zogenaamde autonome zenuwstelsel, bestaat uit twee polaire werkingsvelden, het sympatische en het parasympatische. Beide werken in het onbewuste, in het onwillekeurige, dus in het gebied dat niet onder de invloed staat van onze bewuste wil. Dankzij het sympatische zenuwstelsel kunnen we een actief wakend leven leiden, het brengt de kat bijvoorbeeld in strijdfase (ook in de vluchtfase) zodat haar haren recht overeind gaan staan, de ogen wijd opengaan, de hartslag sneller gaat en de stofwisseling wordt geactiveerd. Het parasympatische systeem stelt mens en dier op onbewuste wijze in staat tot het tegenovergestelde: de ogen gaan dicht, de slaap overweldigt ons, de spieren raken ontspannen, er is sprake van een trage circulatie en stofwisseling. Alhoewel uiterlijk bezien het bewuste leven uitdooft, breidt zich onder de oppervlakte een wereld van activiteit uit over het onbewuste leven. Een fase van herstel, van wederopbouw gaat overheersen.

Met de slaap glijdt de mens terug in die wereld, die al bestond vóór dat er zelfs van een eerste waakbewustzijn sprake was, in een wereld die in feite een voortzetting is van het embryonale leven, waar geheimzinnige scheppingskrachten werkten aan het vóórtbrengen van de mensvorm. Diezelfde mensvorm wordt hersteld in iedere nacht. Is het niet een zinnige vraag: wie bouwt daar ons lichaam op?

Tempelslaap

Wat weten we uit eigen ervaring over de slaap? Behalve de verkwikking die we er lichamelijk in opdoen, weten we dat de slaap ook iets heel essentieels toevoegt aan de kwaliteit van ons zieleleven. Vooral bij de moeilijke beslissingen zeggen we ‘er een nachtje over te willen slapen’. De mens is na de slaap niet precies dezelfde als ervoor. Er is iets gebeurd. Er is overzicht ontstaan over de soms chaotische gebeurtenissen van de vorige dag. De mens is besluitvaster. Er is ordening ontstaan, bepaalde dingen zijn blijven hangen en als het ware gevoelsmatig uitgewerkt of tot hun recht gekomen. Nu kunnen we er iets mee doen. De hoeveelheid opgestapelde informatie van de vorige dag, die vooral de voorstellingskant van de ziel heeft aangesproken, heeft er door het slapen een dimensie bij gekregen. De wilskant wordt na de nacht toegevoegd aan de informatiekant van de ziel.

Gaandeweg wordt duidelijker dat de slaap iets te maken heeft met de wil. Op verborgen, maar voor wie er op let toch merkbare wijze, ordent deze geheimzinnige wil de informatiestroom van gisteren zodanig dat het wezenlijke uit het onwezenlijke naar voren wordt gehaald, en blijkbaar zodanig dat ons lichaam opgebouwd en hersteld wordt in overeenstemming met deze diepere wil in ons. Het zijn dezelfde krachten die in de embryologie scheppend plasticeerden aan de erfelijkheidssubstantie. Te denken is hier aan wat Dr. L.F.C. Mees schrijft in zijn enige tijd geleden* verschenen boek ‘Geneeskunde op de drempel’, hoe mensen in de oud-Egyptische tijd werden genezen door de zogenaamde tempelslaap. Onder de leiding van priesters-ingewijden werden mensen groepsgewijs in hun slaap hersteld van blijkbaar opgetreden vervormingen. In het spanningsveld van de behoudende erfelijkheidskrachten van het lichaam enerzijds en de krachten die de ontwikkeling naar morgen in het oog houden anderzijds, werden veranderingen teweeggebracht in overeenstemming met het door de goden geïnspireerde ontwikkelingsperspectief. Opmerkelijk hierbij is dat hulp werd geboden van buitenaf. In tegenstelling tot tegenwoordig, waar de hulp van binnenuit geboden wordt door middel van stoffen (bijvoorbeeld slaaptabletten), werd hier therapeutisch ingegrepen door de geest, en van buiten naar binnen. (Tegenwoordig worden de mensen niet groepsgewijs geholpen, maar zij krijgen wel bij duizenden hun slaaptabletten.) Deze ingewijden kenden nog de geheimen van de nacht en van de embryologie, waar scheppende krachten plasticerend en boetserend werkzaam zijn aan het substraat van de erfelijkheid.

Wie dit alles in zijn overwegingen kan betrekken, begint te beseffen dat de huis-tuin-en-keuken-opvatting over ons dagelijks bestaan onjuist is. De gewone opvatting is immers dat ons bestaan uit een continue film bestaat waarbij de ene dagervaring zich knoopt aan de volgende? Onze planning van gisteren loopt door in die van vandaag, en de oorzaak van wat er vandaag gebeurt wordt gezocht in gisteren. Zo is het echter niet helemaal. Ons bestaan wordt gevoed vanuit twee bronnen, en wordt in feite geënsceneerd door twee wezens.

De dagmens beleeft zijn middelpunt in zichzelf, in het lichaam. In feite is ’t het hoofd waar de mens tot het waakbewustzijn komt, voornamelijk levend in het voorstellingsmatige. De impulsator is het ego, in antroposofische terminologie het ‘lagere ik’ genoemd. Vanuit ons ego is het helemaal niet nodig om er een nachtje over geslapen te hebben alvorens iets te willen. Maar dit willen is en blijft een voortvloeisel van de voorstellingsmens. Het is een willen dat aansluit bij de werkelijkheid in zoverre men zich daar een bewuste voorstelling van kan maken. Of dit ook aansluit bij het eigen wezen zal nog moeten blijken.

De tweede bron van waaruit ons bestaan wordt bepaald is die van de nacht. Deze strekt zijn activiteit duidelijk uit over de onbewuste gebieden van de buik, maar het centrum ervan ligt niet in de buik maar erbuiten.
Rudolf Steiner spreekt hier van het ‘hogere ik’ of het ‘kosmische ik’, waarvan de werking zichtbaar wordt in de diepere wil die in ons leeft. Er is een voortdurende uitwisseling gaande tussen deze twee, in deze zin dat het lagere ik zijn centrum wel heeft in het hoofd en wakend zich beweegt in het zintuigelijke volbewuste leven, maar zijn werking ontplooit het in het lichaam van boven naar beneden, van het hoofd naar het wilsgebied. Terwijl dus de wakende mens onafgebroken handelt vanuit zijn voorstellingen, zit er dieper in de mens een kern, die deze onstuimige dadendrang op zijn merites beproeft. Deze hogere maar vanuit het onbewuste werkende mens breidt zijn invloed uit van beneden naar boven. Het kan dan voorkomen dat iemand na ‘rijp beraad’ terugkomt op zijn tevoren genomen beslissing omdat hij ‘bij nader inzien’ toch tot andere gedachten is gekomen. Dit inzicht ontstaat dan doordat de mens te rade is gegaan of bij anderen of bij ‘zichzelf’ (meestal door er een of meerdere nachtjes over te hebben geslapen). In ieder geval door niet in zich (dat wil zeggen in zijn eigen behoeftematige wereld) maar buiten zich te rade te gaan. Dit kan wel degelijk ook overdag gebeuren, want in feite slapen we niet alleen ’s nachts in bed, maar onder ons middenrif slapen we 24 uur van de dag, daar slapen we permanent.

denken     hoofd     waken     bewust

voelen       borst      dromen  onderbewust

willen        buik       slapen     onbewust

Alleen in het hoofd zijn we volledig wakker, en dan nog maar een deel van de dag. Daar komt nog bij dat wij gedurende de dag vermoeid raken van alle indrukken en bewustwordingprocessen. Wat de dagmens afbreekt moet door de nachtmens weer worden opgebouwd. Dit bevestigt opnieuw dat de nachtmens vanuit een veel hoger bewustzijn werkt – namelijk scheppend, synthetisch, echter in het onbewuste en vanuit de kosmos – dan de analytische dagmens vanuit zijn op zichzelf betrokken bewuste bestaan. Alhoewel wij als dagmens helemaal vastgebakken zitten aan ons kleine ikje, is het hoog bejubelde bewustzijn ervan toch niet meer dan het puntje van de ijsberg, en dat puntje is in zijn ontstaan en voortbestaan totaal afhankelijk van de wijsheid van de nacht.

Proef van Jouvet

Wat is er wetenschappelijk bekend over die wijsheid van de nacht? Gegevens hierover blijken in belangrijke mate verkregen te zijn met behulp van het zogenaamde EEG, het Electro-Encefalo-Gram. Hiermee worden de elektrische potentiaalverschillen van de hersenen gemeten, via op de schedelhuid geplaatste kleefelektroden (ca. 20). Afleidingen hiervan gaan naar een registratieapparaat en het signaal wordt door een serie pennen op bewegend papier geschreven. Doordat verbindingen tussen de elektroden automatisch gevarieerd kunnen worden, kan vrijwel ieder gedeelte van de schedel worden onderzocht.
Door het EEG af te nemen van vele gezonde slapende proefpersonen heeft men het gebeuren in de slaap – voor zover elektrisch meetbaar – in kaart kunnen brengen. (Het is overigens typerend voor de materialistische visie dat de wetenschappers op de geheimen, die bij uitstek in de buik hun domicilie hebben, trachten te ontraadselen door metingen uitsluitend aan het hoofd te verrichten.) Het typische is nu dat er twee soorten slaap blijken te zijn, ieder met een eigen kenmerkend EEG-patroon.
1. De diepe slaap, of corticale slaap, naar Dement en Kleitman ingedeeld in vier stadia of slaapdieptes, die elkaar onregelmatig afwisselen.
2. De zogenaamde REM-slaap, of paradoxale slaap. REM betekent: Rapid Eye Movements, snelle oogbewegingen, die gedurende het slapen optreden. De gewone (diepe) slaap wordt vier à vijf keer per nacht abrupt onderbroken door de REM-slaap, dat wil zeggen door een droom. Wekt men de proefpersoon tijdens de REM-slaap dan blijkt hij vrijwel altijd in staat te zijn om zijn droomherinneringsbeelden duidelijk te reproduceren. Overigens kunt u de verschijnselen het beste observeren bij uw hond. Behalve dat de oogbollen, heen en weer draaien, kan men soms waarnemen aan de poten dat het dier in zijn droom in volle actie is. Soms worden er zelfs jankende geluiden bij geproduceerd.

Zo’n REM-periode heeft een met de waaktoestand overeenkomende EEG-activiteit, Kenmerkend is verder de sterke spieron-spanning (ongedacht) en een zeer geringe wekbaarheid (ook ongedacht). Ongeveer 60 tot 90 minuten na het inslapen bij de mens treedt dit REM-slaappatroon voor het eerst op. Zulke perioden herhalen zich ritmisch om het uur ongeveer, en gaan dan ook steeds langer duren. Is de eerste REM-periode relatief kort (5 tot 15 minuten), de laatste kan, tegen het ontwaken, wel 30 tot 50 minuten duren (de zogenaamde ‘ontwaakdroom’, waarvan men zich soms nog een deel kan herinneren).

Parallel daarmee wordt de corticale slaap steeds minder diep (zie figuur).

Bij de volwassene wordt ca. 25 procent van de slaap ingenomen door het dromen, ca. 75 procent door de diepe slaap. De baby droomt veel meer, ca. 60 à 70 procent. Waarom wordt de REM-slaap een paradoxale slaap genoemd? Omdat zoals is vermeld, een proefpersoon zeer moeilijk te wekken is. Iemand in slaapstadium IV is makkelijker te wekken dan in de droomperiode, terwijl naar de activiteit op het EEG te oordelen zo iemand dan bijna wakker lijkt te zijn. Een andere merkwaardigheid is dat zelfs in stadium IV er nog van enige spiertonus sprake is. Ook in de diepste slaap kan een dier zich reflectoir in evenwicht houden. Dit maakt dat een slapende vogel bijvoorbeeld niet van zijn tak afvalt! Bij de REM-slaap echter is die spierspanning weg, terwijl toch de hond in zijn droom ligt te trekkebekken.

Het paradoxale element van de REM-slaap blijkt nergens beter uit dan uit de proef van Jouvet. Deze onderzoeker hield zich bezig met REM-deprivatieproeven bij katten. Op buitengewoon slimme wijze wist Jouvet zijn katten te beroven van hun dromen. In de proefopstelling van Jouvet slaapt de kat op een piepklein vlotje op het water, verbonden met een EEG-apparaat. Ook diep in slaap slaagt de kat er in zich daarop in evenwicht te houden. Zodra zijn slaap echter overgaat in de REM-fase dan verliest hij dit onbewust in stand gehouden evenwicht en dreigt hij in het water te tuimelen. Op die manier bezorgde Jouvet zijn katten een niet al te rustige maar wel 100 procent droomloze slaap.

Uit dit soort proeven blijkt dan dat de REM-slaap onmisbaar is. Berooft men de mens van zijn dromen (door hem steeds te wekken als het zover is), dan blijkt dat getracht wordt het tekort in te halen door een groter percentage van de nacht te dromen. Tegelijk gaat dit gepaard met een negatieve kleuring van de droominhoud dat wil zeggen dat die door de proefpersoon bewust wordt ervaren als tevéél dromen, angstdromen, gevoel van beklemming en nachtmerries. Van alcohol en slaaptabletten is het bekend dat zij de REM-slaap kunnen onderdrukken. Bij staken van deze middelen blijkt dan een REM-schuld te zijn ontstaan die wordt teruggevorderd, het zogenaamde ‘rebound-fenomeen’ (onrustige slaap, angstige droominhoud). Te denken is hier aan het slaapmiddel Halcion, dat onlangs* nog verboden werd door de suïcidale depressies die er door bleken te ontstaan. Langdurige deprivatie brengt de proefpersoon in een psychose, die dikwijls een paranoïde kant opgaat.

Ook deprivatie van de slaap toont aan dat bij het inhalen van de slaap een groter gedeelte in de slaapstadia III en IV wordt doorgebracht. (Tevens wordt de REM-achterstand ingehaald.) De gevolgen van de slaapdeprivatie zijn in grote trekken gelijk aan de stadia ten gevolge van stress: er is eerst een alarmstadium, dan een van weerstand, ten slotte een van uitputting. Er ontstaan bij gezonde proefpersonen verschijnselen van irritatie op de derde dag. Na circa zeven dagen volgt een totale ineenstorting. Interessant (tussen aanhalingstekens) zijn de verschijnselen van hypothermie (dalen van de lichaamstemperatuur) en het toenemend gaan falen van de wilsorganen: gevoel van zwaarte en slapte in de ledematen en gevoel van droogte in alle gewrichten. Ten slotte kunnen de proefpersonen niet meer zonder ondersteuning lopen, en zelfs niet meer praten.

Opbouw

Hoe kunnen we dit alles interpreteren? En biedt de antroposofie hierop nieuwe gezichtspunten? Ook wetenschappelijk is het bekend dat de droom een belangrijk aandeel levert in het verwerken van emoties. Wat is de droom eigenlijk, hoe komt dat verschijnsel tot stand? Mees zegt heel raak in zijn eerder genoemde boek: ‘Wat is slapen? In slaap vallen betekent: eruit gaan; wakker worden betekent: er weer in komen’. Maar hoe gaat dat erin komen en op welke manier?

Het lichaam dat achter gelaten wordt is een tweeledigheid. Het fysieke lichaam bestaat uit een samenstel van stoffen die met elkaar vorm geven aan het menselijk lichaam. Toch kan de mensvorm onmogelijk voortkomen uit de stof. Want het stoffelijk lichaam valt, zodra het aan zichzelf wordt overgelaten, zoals bij de dood gebeurt, uit elkaar. Er moet dus iets zijn dat gedurende het leven voortdurend strijd levert tegen dit uit elkaar vallen. Dat, wat voortdurend strijd levert tegen de ontbinding, is, naar Rudolf Steiner, het etherlichaam. Het is een zelfstandig en samenhangend krachtensysteem, een ‘lichaam’, echter niet zichtbaar. Zichtbaar zijn de resultaten van de uitwerkingen van het etherlichaam, de levensverrichtingen, de instandhouding van de mensvorm, de opbouwprocessen, de groei etcetera. De bron van het leven zelf blijft echter voor onze ogen onzichtbaar.

Wanneer de mens, die in de nacht dit tweeledige lichaam heeft verlaten, zich opnieuw hiermee verbindt, dan kan dat op twee manieren. Hij kan zich direct met het fysieke lichaam verbinden; hij wordt dan wakker, doordat het fysieke lichaam de spiegel wordt voor het dagelijkse voorwerpsbewustzijn. Het kan ook zijn dat de mens zich indirect verbindt, namelijk alleen met de levensprocessen. Als gevolg hiervan droomt de mens. De levensprocessen spiegelen de mens een meer of minder vaag of verward beeldbewustzijn terug, dat in groot contrast staat met het duidelijke en gecontoureerde voorwerpsbewustzijn tijdens het waken.

Dromen en waken is het resultaat van de activiteit van het lagere ik. Weliswaar verlaat de mens die gaat slapen het levende lichaam om dit te laten herstellen in hoger-menselijke zin, maar blijkbaar is het nodig het contact op ritmische en indirecte wijze gedurende de nacht voort te zetten. Alleen tijdens de diepe slaap is het lichaam geheel bevrijd van de aanwezigheid van het lagere ik, en het is dan geheel aan de invloed van het kosmische ik onderhevig. Alles staat nu in het teken van de opbouw. De lever, in de buik, staat in het midden van de nacht op zijn hoogtepunt. De hersenen, in het hoofd, staan dan daarentegen functioneel op hun dieptepunt.

De geheimzinnige krachten van de nacht zijn het ook die verantwoordelijk zijn voor de onbewuste spiertonus, die de kat in de proef van Jouvet zelfs in diepste slaap op zijn vlotje in evenwicht hield (we moeten aannemen dat de diepe slaap bij het dier op een andere manier wordt geimpulseerd als bij de mens). Hoe moeten we verklaren dat dit evenwichtsgevoel door de REM-slaap op paradoxale wijze wordt onderbroken? Het doet mij denken aan het verbroken radio-contact met de space-shuttle zodra die de dampkring binnen komt vliegen. Het dromen is inderdaad een paradoxale toestand, waarbij de diepe slaap niet meer – en het lager ik nog niet – de zaak onder controle heeft.

Het lijkt erop dat we in zijn algemeenheid kunnen stellen dat het EEG-patroon van de diepe slaap verband houdt met de opbouw van het lichaam (in de zin van vermenselijking) en dat het EEG-patroon van de REM-slaap verband houdt met de psyche (in individuele zin), verband houdt met de verwerking van emoties, van indrukken, en van alles wat de psyche bezighoudt.

Schipbreuk

Keren we terug naar de eerste vraag. Is de slaap zo belangrijk voor het mediteren? Het lagere ik voert tot hyper-individualisatie. Vanuit het ego is ieder van ons louter en alleen betrokken op het eigen middelpuntje. Hetgeen per definitie betekent dat we van die kant uit niet of nauwelijks echte betrokkenheid hebben ten opzichte van de wereld en de ander. En wat wil mediteren ten behoeve van de innerlijke ontwikkeling anders inhouden dan een poging zich als mens te vermenselijken, in plaats van te hyper-individualiseren? In hoeverre staan slaaptabletten ons daarbij in de weg? Slaapstoornissen worden voor ca. 80 procent veroorzaakt door onverwerkte emoties (in de andere gevallen wordt slapeloosheid veroorzaakt door lichamelijke hinder, bijvoorbeeld pijn. Een pijntablet is dan in ieder geval nog een betere oplossing dan een slaaptablet). Ieder slaaptablet werkt zo dat het de centra van het centrale zenuwstelsel voldoende verdooft voor de niet aflatende prikkels vanuit het emotionele leven. Het werkt dus als een verdovingsmiddel. De effecten hiervan worden vooral bij langduriger gebruik zichtbaar. Behalve de begrijpelijke dingen zoals sufheid overdag, voorwerpen uit de handen laten vallen, het grotere gevaar van valneigingen bij bejaarden, treden de volgende verschijnselen op: geheugenzwakte, gebrek aan creativiteit, geen raad weten met emoties, fantasieverlies, niet kunnen mediteren, stagnerende innerlijke ontwikkeling.

Dit alles wijst erop dat de vruchtbare uitwisseling van het lagere ik via de nacht met het eigen wezen schipbreuk gaat lijden. De vruchtbare uitwerkingen van de nacht, zoals het verkrijgen van overzicht, de sterking van het onderscheidings- en oordeelsvermogen ten opzichte van de veelheid van informatie van gisteren, al dit soort zaken blijven uit ten gevolge van veelvuldig slaapmiddelengebruik. Door het verlies van de aansluiting op de toekomst beginnen gaandeweg de hogere menselijke functies af te nemen, terwijl de opbouw en het herstel van het menselijk lichaam voortgang vindt, echter in het spoor van het lagere ik. Dit is precies het omgekeerde van wat ieder mens diep in zijn hart werkelijk zal willen.

Jan Zee, arts, Jonas 1, *02-09-1983

.

Algemene menskunde: over slaap van het kleinste kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1516-1422

.l

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch… slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

De paradox van ons geld

Met het geld is het een wonderlijke zaak: iedereen gebruikt het, alom wordt erover gepraat, er is niets, waarmee wij ons dag-in dag-uit, zowel handelend als denkend, zo geregeld bezighouden als met geld… en toch vinden wij, al naar ieders aard, er iets fascinerends, raadselachtigs, angstaanjagends, omlaaghalends aan zitten. Waar schuilt dat mysterieuze toch in?

Reeds de oude Romeinen verzekerden ons dat geld niet stinkt. Zij bleven evenwel in gebreke ons te vertellen waar de begeleidende geuren dan wel vandaan komen.

Bij de meeste economie-studenten is ‘geldtheorie’ een geliefd onderwerp; hoewel er nog steeds dikke boeken over verschijnen, heeft men toch met een afgeronde, overzichtelijke en met niet al te veel moeite kwantificeerbare materie te maken. Het is daar niet ongebruikelijk om over de geldsluier te spreken, waarmee men op het verschijnsel doelt, dat niet meer zo als vroeger het geld om zijn intrinsieke waarde begeerd wordt – een laatste rest ervan wordt door onze overheden uitgebuit door gouden of zilveren munten te slaan, die in onze tijd geen enkele geldbetekenis meer hebben – doch dat het als een in zichzelf waardeloze sluier over de werkelijkheid van het economische leven ligt.

Lichaam als sluier

Wat wordt er nu eigenlijk versluierd? De leerboeken wijzen er terecht op, dat het in wezen om het goederen- en dienstenverkeer gaat, om de invloed van het geld daarop en omgekeerd. De mens die het geld hanteert, komt daarbij hoogstens als een randverschijnsel van pas. Meer en meer ontwaakt echter het vage bewustzijn, dat de relatie met de goederenwereld niet het enige, zelfs niet het belangrijkste aspect van het geld is. Als geld, zoals een ander gezegde beweert, de wereld regeert, dan is met ‘de wereld’ toch niet alleen de goederen- en dienstenstroom bedoeld, maar ook en in de eerste plaats de bewoners van deze wereld. Wat gebeurt er dan nog meer met en onder deze sluier, en vooral: hoe gebeurt het?

Wij stuiten hier op een paradox. Eens was het geld zichtbaar en weegbaar. De gouden munten waren hun gewicht in goud ‘waard’. In die tijd was nog vrij doorzichtig wat met het geld gebeurde. Maar het trok zich uit de zintuiglijke wereld terug: eerst verdween de weegbaarheid; voor de onvolwaardig geworden munten en later het papiergeld lag de ‘dekking’ ergens onder de grond. Daarna verdween ook de zichtbaarheid; tot in de consumptieve sfeer neemt hand over hand het gebruik van giraal geld toe, dat van alle fysieke substantie ontdaan, alleen nog rekengrootheid is. Naarmate echter het geld zich in de onzichtbaarheid terugtrok, nam de zichtbaarheid van de eronder liggende werkelijkheid niet toe maar af. Meer en meer onttrekt zich aan ons bewustzijn dat zich onder deze onzichtbare en toch nauwelijks doordringbare sluier niet alleen een economische, doch in de eerste plaats een sociale werkelijkheid verbergt.

Wat zijn sluiers eigenlijk? Wij maken er op vele wijzen gebruik van. Men kan ermee de waarheid versluieren zonder bepaald een leugen te zeggen – een vaardigheid, waarin b.v. overheden, directies en andere bestuurderen die met lastige vragen geconfronteerd worden, uitblinken. Men kan ook, zoals b.v. in de kunst, de sluier gebruiken om het niet-essentiële te verbergen, zodat het wezenlijke beter tot uitdrukking komt.
Ten slotte kan men een deel van de werkelijkheid aan het oog onttrekken, omdat de beschouwer er nog niet tegen opgewassen is. Wij zullen een twaalfjarige die net de eerste beginselen van de meetkunde leert, niet in verwarring brengen door hem te vertellen dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dan is de bedoeling niet om van de waarheid af te leiden, maar juist om de waarheid op den duur te doen begrijpen. Het mythologische beeld daarvoor is de versluierde Isis, welker sluier eerst gelicht zal mogen worden, als wij het bewustzijn van onze onsterfelijkheid hebben verworven. Het dagelijkse beeld van een dusdanige sluier is de mens zelf: onze lichamelijke gestalte versluiert onze persoonlijkheid. Eerst daardoor is sociaal verkeer mogelijk, want een directe herkenning van de ander, een openbaring van zijn werkelijk wezen, zouden wij nog niet aankunnen. Naarmate wij echter door de sluier heendringen, de ander ontdekken, ontwikkelen wij ook de kracht om hem te verdragen.

Verhongeren

Op een soortgelijke wijze maakt de geldsluier het economisch verkeer mogelijk: zouden wij bij elke transactie het door ons aangebodene willen vergelijken met de waarde van alle door ons gewenste goederen en diensten, teneinde tot een ruil te kunnen komen … wij zouden al calculerende verhongeren. Het geld ontheft ons van deze noodzaak, doordat het ons voorgevormde waardeoordelen aanbiedt. Maar gemak gaat altijd tenkoste van iets. In dit geval versluiert de prijs de waarde. Maar het geld versluiert nog veel meer en het is goed om zich er bij tijd en wijle rekenschap van te geven op welke wijze wij door het geld te hanteren de sociale werkelijkheid beïnvloeden.

Dieter Brüll, Jonas 12-09-1970

.

Deel   [2]   [3]

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1515-1421

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-1)

.

Dat ventje kan alleen maar eten

Een mollige peuter die alleen aandacht heeft voor het vullen van zijn buikje, vraagt een heel andere benadering dan de gespierde driejarige die vooral wil bewegen of het spichtige meisje dat uit angst dat haar speeltje wordt afgepakt bij voorbaat al om zich heen slaat. Niet altijd is het gemakkelijk om los te komen van de verwachtingen die je pasgeboren baby in je wekte en te zien wat jouw opgroeiende kind werkelijk van je vraagt voor zijn ontwikkeling. Peuterjuf Joyce Honing laat je mee kijken naar een paar kinderen in haar klasje.

Tegen half negen verschijnen de eerste peuters op het schoolplein, al dan niet aan de hand van hun vader of moeder. Hun stemmetjes klinken licht. Het is voorjaar – de winterjassen en mutsen zijn uitgetrokken en de kinderen worden weer zichtbaar. Ik zie een moeder door het grote hek het plein op komen. Haar wangen zijn verhit, alsof ze zojuist een zware klus heeft geklaard. Een eindje achter haar volgt haar zoontje. Hij houdt zijn mollige armpjes gestrekt voor zich uit en draagt in de schaal van zijn handjes een appel. Langzaam nadert hij het peuterplein.

De moeder, die naar haar werk moet, spoort het kleine mannetje aan tot grotere snelheid. Maar J. loopt voetje voor voetje en draagt zijn appel mee alsof het zijn dierbaarste speelgoed is. Als zijn moeder hem de appel wil afnemen om hem in beweging te krijgen, trillen zijn lippen en zakt zijn mond langzaam open. Dikke tranen rollen over zijn bolle wangetjes en in plaats van het gewenste hogere tempo staat hij nu helemaal stil. Zijn moeder kijkt wanhopig op naar het raam van het peuterklasje en kan niet anders doen dan hem de appel teruggeven. Dan zijn de tranen weg en lacht zijn mond weer. Met zijn jas nog aan loopt hij het klasje binnen. ‘Kijk eens juffie,’ zegt hij met trage stem, ‘J. heeft een appel.’ Ik ga op mijn knieën bij hem zitten en bekijk de appel en aanschouw het stralende wonder. Samen leggen we het wonder in de fruitmand.

Sporten
De moeder staat bij de deur. ‘Wat ik ook doe, ik krijg er geen snelheid in’, zegt ze geërgerd. Omdat ik zie dat de situatie haar zwaar valt, stel ik voor een gesprek met haar te hebben, nadat de peuters zijn opgehaald. Als ze aan het einde van de ochtend binnenkomt en het met stroop besmeurde snoetje van haar kind ziet, zegt ze met verwijtende stem: ‘Dat ventje kan alleen maar eten.’

In het spreekkamertje vraag ik haar naar de reden van haar oplopende irritatie. Ze vertelt over haar man, die sportfanaat is en dolgraag voetbalt. Hij neemt de buurjongetjes regelmatig mee naar voetbalwedstrijden. Zelf doet ze aan atletiek.
Het is haar droom dat J. met zijn papa zal gaan voetballen en met haar hardlopen of desnoods zwemmen. Ze is er heilig van overtuigd dat het een kwestie is van het aansporen van zijn snelheid en het afremmen van de overmatige eetbehoefte, om deze droom in vervulling te laten gaan. ‘Hij moet afslanken,’ zegt ze stellig. Ook in het klasje geldt haar voorschrift van maximaal een boterham per ochtend zonder boter.

Hooggespannen verwachtingen
Als je zelf zo dol bent op sport, is het begrijpelijk dat de verwachtingen die je van je kind hebt op dat gebied hoog gespannen zijn. Naast haar droombeeld heb ik het beeld geplaatst van J. zoals ik hem zie: bolle wangetjes, dromerige, wat waterige oogjes, een vormeloos mondje, vlezige oorlelletjes, mollige armpjes en beentjes, handen met babykuiltjes. Het is een gestalte die maar een ding zegt: ik wil genieten en veel eten en ik wil niet bewegen. ‘Valt daar dan helemaal niks aan te veranderen,’ roept de moeder wanhopig.

Als antwoord stel ik voor dat ze de volgende ochtend in het peuterklasje met me meekijkt naar een kind dat van nature atletisch is. We zien het jongetje minuten eerder dan zijn moeder de klas binnen rennen. Zijn jas hangt nog aan zijn linkerarm als hij al bovenop de omgekeerde schommelboot staat. Door niets wordt hij gehinderd in zijn actieve bewegingen. Hij is net zo oud als Jesse en even groot, maar zijn armen en beentjes zijn pure spierbundels. Zijn buikje is gestrekt, het peutervet verdwenen en de ogen wakker. Naast dit jongetje dat plezier beleeft aan bewegen, staat J. Wat de kleine atleet ook uit de kast haalt om hem over te halen om mee te spelen, J’s mond blijft open hangen, zijn oogjes dromerig en zijn schoudertjes afgezakt.

Opnemen en verteren
Alles wat J. ziet en hoort wil hij mee naar binnen nemen, proeven, voelen, verteren. En dan pas handelen. Maar dan is het voor handelen al te laat want er is intussen al weer iets nieuws verschenen dat geproefd en verteerd wil worden. Dat heeft niets te maken met sloomheid. Dat heeft te maken met het wezen van het kind, met zijn specifieke manier van de wereld ontmoeten. Dat kun je volgens mij als ouder inderdaad niet veranderen. Wat je doen kunt is goed kijken en antwoord geven op datgene wat je kind zichtbaar aan je vraagt. Wanneer een kind als J., dat door zijn aard niet anders kan dan opnemen en verteren, wordt voortgestuwd, blijven zijn waarnemingen als onverteerbare aardappels in zijn maag liggen en wordt hij gespannen. Hoewel het niet bij zijn molligheid hoort, is J. nerveus omdat hij niet mag zijn wie hij is. Eigenlijk vraagt hij zijn ouders: hou van me, hoewel ik me zo van jullie onderscheidt dat ik niet aan de verwachtingen die je van me hebt zal kunnen beantwoorden.

De volgende ochtend ga ik bij het begroeten van ouders en kinderen de kring met peuters langs. L. vertelt over het poesje dat ze heeft gekregen, R. over zijn nieuwe schoenen en J. over de boterham die hij heeft gegeten: ‘… met kaas, enne… met mosterd en gisteren heeft mamma spruitjes gemaakt en oma pannenkoeken.’ Gelukkig kan zijn moeder meelachen.

Jk
In het klasje zit ook Jk. Haar donkere piekhaartjes staan slordig op haar hoofd. Ze heeft een bleek, wat schraal gezichtje. Haar armen en vingertjes zijn dun. Ze draagt ultramoderne schoenen met dikke plateauzolen en kleren in een waterval van felle kleuren. Als ik haar groet, heb ik al bijna de eerste krab op mijn wang te pakken. Als J. in haar buurt komt, heeft hij in een ommezien haar tanden in zijn mollige handje staan. Maandenlang al is Jk de schrik van de klas.

Als ouders overwegen hun kinderen uit het peuterklasje te nemen uit angst voor haar uithalen, stel ik Jk’s moeder voor om eens over haar dochter te praten.

Jk’s moeder is nog heel jong. Omdat ze zelf een verdrietige, strenge jeugd heeft gehad, nam ze zich voor alleen maar lief te zijn voor haar dochtertje. Tot haar grote verwarring heeft dat dochtertje zich niet ontwikkeld tot het zachtmoedige, ronde meisje dat ze zich had voorgesteld, maar tot een kind dat krabt, bijt, schopt en slaat. Daar is ze van in de war.
Ze begrijpt niet waarom Jk is zoals ze is. Ze voelt zich schuldig, en hoe schuldiger ze zich voelt, hoe meer speelgoed er komt en hoe meer pretparken er worden bezocht.

Ook haar stel ik voor om een ochtend in het klasje te komen.

Samen kijken in het klasje
We kijken samen naar dat dunne, doorschijnende meisje van haar. Ze heeft geen gram vet en is zo gestrekt als een speer, klaar om weg te schieten. Ze hoort en ziet alles. Zowel voor als achter zich is ze waakzaam aanwezig en haar handjes en voetjes zijn klaar voor de aanval. Jk’s moeder geneert zich en vergoelijkt voortdurend het gedrag van Jk, die deze ochtend meer krabt en bijt dan ooit. Doordat ze zo hard bezig is haar dochter te verontschuldigen, ziet ze haar kind niet echt. Ze ziet niet dat Jk heel agressief lijkt, maar eigenlijk bang is.

‘Waar is ze dan bang voor?’ vraagt ze in tranen. ‘We doen er toch van alles aan om het haar naar de zin te maken.’

Een welkom thuis
Ik vertel haar dat ik denk dat Jk bang is om niet gezien te worden, om geen bestaansrecht te hebben. Misschien vraagt ze helemaal niet om het pretpark maar om een thuis waarvan ze wat zekerder weet dat haar pop, haar prentenboek en haar bed er zijn. Ze vraagt om de zekerheid dat er tijd is voor kleine dingen als het op schoot een boekje kijken zonder dat de telefoon stoort. Haar tengere gestalte roept erom warm te worden aangekleed, zodat haar lijfje een welkom thuis voor haar wordt. Omdat ze te veel waarneemt, zou ze het beste een lange nachtrust kunnen hebben om de indrukken te kunnen verwerken. Een vast slaapritueel waardoor ze zich kan ontspannen, zal haar helpen rustig in te slapen. Er kan haar nog extra bescherming en geborgenheid worden geboden door haar hele lijfje ’s avonds in te wrijven met olie. Verder heeft een kindje dat innerlijk geen grond onder de voeten voelt, behoefte aan stevige schoenen met zolen waarmee je de aarde onder je kunt voelen.

Duidelijke grenzen
Maar Jk vraagt ook om duidelijke grenzen en dat betekent dat je niet goedkeurt dat ze bijt en krabt. Natuurlijk kun je tegen haar niet uitvallen of haar straffen, want dan zou ze zich nog meer bedreigd gaan voelen. In de peuterklas doen we daarom een schoentje uit als er een voetje schopt, zodat dat voetje weet dat het iets deed wat niet mag. En als haar handjes krabben of slaan, ligt er in het klasje een speciaal blauw fluwelen kussentje klaar dat die handjes ‘lief en aardig’ kunnen aaien. Want zelf is ze die nog niet de baas. Aanvankelijk voelde Jk’s moeder zich wat overdonderd door deze benadering. Het sterkte haar in haar overtuiging dat ze geen goede moeder is. Intussen is ze ervan overtuigd geraakt dat ze als liefdevolle moeder de grote gebaren, de uitjes en het nieuwe speelgoed niet nodig heeft om Jk te laten merken dat ze er mag zijn. En ze kan het opbrengen om streng te zijn voor haar, omdat ze heeft gemerkt dat juist het stellen van grenzen Jk rustiger maakt.

Joyce Honing, Weleda Puur kind nr. 1, lente 1998
.

peuters en kleuters: alle artikelen

ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1514-1420

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 304

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 304

beknopte inhoud:
blz. 117: 
euritmie belangrijk voor hoe je in de wereld staat; voor lichaam, ziel en geest;
blz. 118: geen miniek o.i.d., bewegingen afgelezen aan het lichaam;
blz. 166: euritmie en intelligentie;
blz. 167: euritmie: zichtbaar gemaakte bewegingstendenzen (strottenhoofd)
blz. 168: bewegingen niet willekeurig, maar wetmatig;
blz. 169: werken vanuit heel de mens= wekken intelligentie;

blz.117

Darauf ist nun auch gerade die pädagogische Grundlage der Waldorf­schule angelegt, daß das Kind in der richtigen Weise arbeiten lernt, daß das Kind mit seinem ganzen vollen Menschen herangeführt wird an die Welt, die in sozialer Beziehung die Arbeit fordert, die auf der anderen Seite aber auch fordert, daß der Mensch dem Menschen selbst in der richtigen Weise, und vor allem sich selbst in der richtigen Weise gegen­übersteht. Aus diesem Grunde haben wir zum Beispiel in der Waldorfschule neben dem gewöhnlichen Turnen, das aus der Physiologie des Leibes heraus erwachsen ist und in dieser Beziehung außerordentlich günstig wirkt, eingeführt die Eurythmie, welche Leib, Seele und Geist ausbildet, welche eine sichtbare Sprache ist. ( ) was man unter Eurythmie versteht, wie es tatsächlich, geradeso wie es hörbare Sprachen und den Gesang gibt, so ein Sprechen gibt durch Gesten und Gebärden, nicht

In de pedagogische uitgangspunten van de vrijeschool gaan we er nu juist vanuit dat het kind op een goede manier leert werken, dat het kind als volledig mens de wereld leert kennen, die wat het sociale betreft, werk vraagt, die aan de andere kant ook eist dat de mens op een goede manier staat t.o.v de andere mens en vooral t.o.v. zichzelf. Daarom hebben we bijvoorbeeld op de vrijeschool naast de gewone gymnastiek die uit de fysiologie van het lichaam ontstaan is en wat dat betreft buitengewoon goed werkt, euritmie ingevoerd die lichaam, ziel en geest ontwikkelt, het is een zichtbare spraak. ( ) Euritmie is er in feite net zo als spraak en zingen die je kan horen, een spreken door gebaren, niet

blz. 118

durch Mimik, sondern durch regelmäßige, aus der Organisation des Körpers herausgeholte Bewegungen der menschlichen Glieder oder Bewegungen von Menschengruppen, wodurch dasselbe ausgedrückt werden kann, was durch die hörbare Sprache oder den Gesang ausge­drückt wird.
Und wir haben in der Waldorfschule in den letzten zwei Jahren durchaus schon sehen können, wie von der untersten bis in die obersten Schulklassen die Kinder, wenn diese Eurythmie richtig gepflegt wird, sich mit derselben Selbstverständlichkeit in sie hineinfinden, wie sich das kleinere Kind in die Sprache hineinfindet.
Ich habe dieses einmal auseinandergesetzt in einer Einleitung zu einer Eurythmieaufführung in Dornach. Da war einer der berühmtesten Phy­siologen der Gegenwart dabei – wenn ich Ihnen den Namen nennen würde, würden Sie erstaunt sein -, der sagte mir, nachdem ich gesagt hatte: Wir wollen das Turnen nicht verkennen, aber eine zukünftige Zeit wird unbefangener urteilen, wird das geistig-seelische Turnen der Eurythmie in seinem Werte einsehen neben dem gewöhnlichen Turnen -der kam zu mir und sagte: Sie haben gesagt, daß sich das Turnen in günstiger Weise in die moderne Erziehung hineinstellt, daß es auf Physiologie begründet ist. Ich als Physiologe sage, das Turnen ist eine Barbarei. – Das sage nicht ich, das sagt einer der berühmtesten Physiolo­gen der Gegenwart.

door mimiek, maar door op elkaar volgende bewegingen die uit de organisatie van het lichaam gehaalde bewegingen van de menselijke ledematen zijn of bewegingen van groepen mensen waardoor hetzelfde tot uitdrukking kan komen wat door de hoorbare spraak en het zingen uitgedrukt wordt.
Ik heb dit eens uiteengezet in een inleiding bij een euritmieopvoering* in Dornach. Daarbij was een van de beroemdste fysiologen van tegenwoordig aanwezig – wanneer ik u zijn naam zou noemen, zou u verbaasd zijn – die tegen me zei, nadat ik had gezegd: wij verketteren de gymnastiek niet, maar een toekomstige tijd zal meer onbevangen oordelen, die zal de de waarde van de geest-zielengymnastiek van de euritmie inzien, naast de gewone gymnastiek – die kwam naar me toe en zei: u hebt gezegd dat de gymnastiek op een gunstige manier zijn plaats heeft in de moderne opvoeding, dat het op fysiologie berust. Ik als fysioloog zeg, dat de gymnastiek iets barbaars is. –
Dat zijn niet mijn woorden, dat zegt een van de beroemdste fysiologen van heden.
GA 304/117-118
Niet vertaald

*in einer Einleitung zu einer Eurythmieaufführung: Siehe Rudolf Steiner, «Euryth­mie – Die Offenbarung der sprechenden Seele« (Ansprachen zu Eurythmie-Auffüh­rungen 1918-1924), Bibl.-Nr. 277, GA 1972.
In een inleiding bij een euritmie-opvoering: zie Rudolf Steiner: ‘Euritmie, hoe de sprekende ziel zich uit’. (Toespraken bij euritmie-opvoeringen 1918-1924) GA.277.
.

blz. 166/167

Wir schreiben gewissermaßen in erster Linie dem Nervensystem viel zuviel zu; während das von ganz besonderer Wichtigkeit ist, daß aus dem ganzen Menschen heraus, durch eine Strömung von unten nach oben, die Gliederbetätigung, alles dasje­nige, was der Mensch im Verhältnis zu seiner Umgebung ausführt, sich erst abdrückt im Nervensystem, namentlich im Gehirn. So daß wir es nicht als paradox ansehen würden, wenn anthroposophische Menschen­erkenntnis behaupten muß: Auch für später wird die Intelligenz, wird das Unterscheidungsvermögen, wird der Verstand, die Vernunft ausge­bildet dadurch, daß man das Kind im frühen Alter die richtigen Bewe­gungen machen läßt. Wenn man gefragt wird : Warum hat dieses Kind im dreizehnten, vierzehnten Jahre kein gesundes Unterscheidungsvermö­gen? Warum urteilt es verworren? – so muß man oftmals sagen: Weil man es im früheren Kindheitsalter nicht die richtigen Bewegungen mit Händen und Füßen hat machen lassen.
Daß dies eine gewisse Berechtigung hat, das zeigt uns im Waldorf-schulunterricht, in der Waldorfschulerziehung die Verwendung der Eurythmie als eines obligatorischen Lehrgegenstandes. Diese Eurythmie ist eine Bewegungskunst, aber sie hat durchaus auch eine pädagogisch-didaktische Seite.

In eerste instantie leggen we te veel nadruk op het zenuwsysteem; terwijl het heel belangrijk is dat vanuit de totale mens, door een stroom van onder naar boven, de activiteit van de ledematen, alles wat de mens, wat zijn verhouding tot de buitenwereld betreft doet, dan zijn sporen nalaat in het zenuwsysteem, met name in de hersenen. Zodat het geen paradox is als de antroposofische menskunde moet zeggen: Ook voor later wordt de intelligentie, wordt het onderscheidingsvermogen, wordt het verstand gevormd door wat je het kind op jonge leeftijd aan goede bewegingen laat maken. Wanneer er wordt gevraagd: waarom heeft dit kind op z’n dertiende, veertiende jaar geen gezond onderscheidingsvermogen? Waarom oordeelt het zo warrig? dan moet je vaak zeggen: omdat men het op jonge leeftijd niet de juiste bewegingen met handen en voeten heeft laten maken.
Dat dit op een bepaalde manier gerechtvaardigd is, laat ons de toepassing van de euritmie zien als verplicht vak in het vrijeschoolonderwijs, in de vrijeschoolpedagogie. Deze euritmie is een bewegingskunst, maar ze heeft ook een pedagogisch-didactische component.

Diese Eurythmie ist nämlich eine wirkliche sichtbare Sprache.
Nicht ein bloß Pantomimisches oder irgend etwas Tanzartiges ist diese Eurythmie, sondern diese Eurythmie ist dadurch entstanden, daß, wenn ich mich dieses Goetheschen Ausdruckes bedienen darf, durch sinnlich-übersinnliches Schauen herausgebracht worden ist, wel­che Bewegungstendenzen im ganzen Menschen sind – ich sage Bewe­gungstendenzen, nicht wirkliche Bewegungen -, welche Bewegungsten­denzen im ganzen Menschen sind, wenn der Mensch in der Lautsprache oder im Gesange sich offenbart. Wirkliche Bewegungen führt der Kehl­kopf, führen die anderen Sprachorgane aus.
Diese Bewegungen setzen sich um in Luftbewegungen, die dann vermitteln den Laut, den Ton für das Gehör. Aber es gibt innerliche Bewegungstendenzen, Bewegungsintentionen. Die hören, man möchte sagen, schon auf im Status nascendi. Man kann das studieren durch sinnlich-übersinnliches Schauen. Man kann gewissermaßen dasjenige studieren, was sich im ganzen Menschen bildet, was aber nicht zur wirklichen Bewegung wird, sondern sich metamorphosiert in diejenigen Bewegungen, die Kehlkopfbewegungen oder Bewegungen anderer Sprachorgane sind.
Dann läßt man den ganzen Menschen oder Menschengruppen diese Bewegungen ausführen, und man bekommt eine geradeso geregelte

Deze euritmie is namelijk een echte zichtbare spraak. Niet alleen maar iets als pantomime of iets wat op dans lijkt is deze euritmie, maar ze is ontstaan, wanneer ik de uitdrukking van Goethe mag gebruiken, door een zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen van bewegingstendenzen in de hele mens – ik zeg bewegingstendenzen, geen daadwerkelijke bewegingen -, bewegingstendenzen in de hele mens, wanneer hij zich uit in het spreken of zingen. Echte bewegingen worden uitgevoerd door het strottenhoofd en andere spraakorganen.
Deze bewegingen worden omgezet in bewegingen van de lucht, die het dan mogelijk maken de klank, de toon te horen. Maar er zijn innerlijke bewegingstendenzen, bewegingsintenties. Die verdwijnen weer, zou je zeggen, op het ogenblik dat ze ontstaan. Wanneer je zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarneemt, kun je het bestuderen. Je kan in zekere zin bestuderen wat in de hele mens zich vormt, maar niet tot een daadwerkelijke beweging wordt, zich metamorfoseert in de bewegingen van het strottenhoofd of van de andere spraakorganen.
Dan laat je de hele mens of groepen mensen deze bewegingen uitvoeren en je krijgt een net zo geordende

blz. 168

organische sichtbare Sprache in der Eurythmie, wie man die hörbare Sprache oder den hörbaren Gesang durch die Sprachorgane des Men­schen hat. Jede einzelne Bewegung, ja jeder einzelne Teil einer Bewe­gung in der Eurythmie ist eine Gesetzmäßigkeit des menschlichen Organismus, so wie die Sprache oder der Gesang selbst.
Daher sehen wir in der Waldorfschule, wie die Kinder, die nun im schulpflichtigen Alter stehen, sich so selbstverständlich mit innerer Befriedigung, wenn die Sache richtig gemacht wird, in diese Eurythmie hineinfinden, wie das jüngere Kind sich selbstverständlich in die Sprache hineinfindet, in die Sprache hineinentwickelt. Wie der Organismus einfach sich bewegen will unter der Nachahmung, so will sich das Kind zur Offenbarung bringen in der Sprache. Sein Wohlgefallen, sein innerli­ches Wohlgefühl, alles beruht darauf, daß es sich in dieser Weise äußern kann. In einer späteren Lebensstufe entwickeln die älteren Kinder gegenüber dieser sichtbaren Sprache der Eurvthmie ganz dieselben inneren Empfindungen, nur etwas metamorphosiert. Da diese Euryth­mie hervorgeholt ist aus der vollen inneren Gesetzmäßigkeit des menschlichen Organismus, wirkt sie wiederum zurück auf die Organi­sierung des gesamten Menschen in gesunder Weise.

organisch zichtbare spraak in de euritmie, zoals je de hoorbare spraak of de hoorbare zang door de spraakorganen van de mens hebt.
Iedere aparte beweging, ja ieder apart deel van een beweging in de euritmie is een wetmatigheid van het menselijk organisme, net zoals de spraak of het zingen zelf.
Vandaar dat we op de vrijeschool zien, hoe de kinderen die de leerplichtige leeftijd hebben, het zo vanzelfsprekend fijn vinden, als het goed gegeven wordt, om euritmie te doen; hoe het jongere kind vanzelfsprekend vertrouwd raakt met de spraak, zich in het spreken ontwikkelt. Zoals het organisme eenvoudigweg wil bewegen door nabootsing, zo wil het kind zich in het spreken uitdrukken. Het fijn vinden, het innerlijk als goed voelen, alles berust op het zich op deze manier kunnen uiten. Op latere leeftijd ontwikkelen de oudere kinderen voor deze zichtbare spraak van de euritmie precies diezelfde innerlijke gevoelens, alleen iets gemetamorfoseerd. Omdat deze euritmie uit de totale innerlijke wetmatigheid van het menselijk organisme is gehaald, werkt ze omgekeerd ook op de vorming van de totale mens op een gezonde manier.

Besinnen wir uns doch nur einmal auf die menschliche Form, ich exemplifiziere auf die äußere menschliche Form, es könnte das aber durchaus auch für die inneren Organe getan werden, aber nehmen wir eine menschliche Hand mit dem menschlichen Arm : Können wir denn die menschliche Hand mit dem menschlichen Arm in der ruhenden Form verstehen? Es wäre eine Illusion, zu glauben, daß wir die ruhende Hand, den ruhenden Arm verstehen. Wir verstehen die ganze Form der Finger, der Handfläche, des Armes nur, wenn wir auch den Arm in Bewegung sehen. Die ruhende Form hat nur einen Sinn, indem sie in Bewegung übergeführt wird. Man könnte sagen: Die ruhende Form der Hand ist die Form der Bewegung der Hand, eben zur Ruhe gekommen; und die Bewegungen der Hand oder des Armes müssen so sein, weil die Hand in der Ruhe eben ihre bestimmte ruhige Form hat.
So kann man aber aus dem ganzen Menschen eben diejenigen Bewe­gungen hervorholen, die einem von der Form des Menschen, von der naturgemäßen Organisation selber vorgeschrieben werden, wie die

Laten we eens even stilstaan bij de menselijke vorm, ik neem als voorbeeld de uiterlijke menselijke vorm, het zou ook met de inwendige organen kunnen, maar we nemen de menselijke hand met de arm: kunnen we deze begrijpen als rustende vorm. Als je gelooft dat je de rustende hand, de rustende arm kan begrijpen, is dat een illusie. We begrijpen de hele vorm van de vingers, de handvlakken, de arm alleen maar, wanneer we ook de arm zien bewegen. De rustende vorm heeft alleen zin, als ze in beweging gebracht wordt. Je zou kunnen zeggen: de rustende vorm van de hand is de vorm van de beweging van de hand, maar nu tot rust gekomen; en de bewegingen van de hand of de arm moeten zo zijn, omdat de hand in rust nu eenmaal die bepaalde rustvorm heeft. Op die manier nu kun je uit de hele mens die bewegingen halen die door de vorm van de mens, door de organisatie van nature zelf, aan iemand voorgeschreven worden, zoals de

blz.169

Vokale, die Konsonanten, die aus der inneren Organisation heraus stammen. Und so ist Eurythmie durchaus gesetzmäßig aus dem herausgeholt, was in der Form des Menschen veranlagt ist.
Dieses Überführen aber des ruhenden Menschen in den bewegten Menschen, dieses sinn­volle Überführen in der sichtbaren Sprache der Eurythmie empfindet das Kind in der Tat mit tiefer innerer Befriedigung; denn es fühlt das innere Leben seines ganzen Menschen in dieser Überführung.

Das aber wirkt wiederum zurück, indem der ganze Organismus nun dasjenige gesetzmäßig ausgestaltet, was dann Intelligenz ist und was nicht direkt eigentlich ausgebildet werden soll. Bildet man die Intelligenz direkt aus, so legt man eigentlich in die kindliche Entwickelung immer etwas mehr oder weniger Ertötendes, Lähmendes. Holt man die Intelli­genz heraus aus dem ganzen Menschen, dann wirkt man im Grunde genommen außerordentlich heilsam für die Gesamtentwickelung des Menschen, dann gibt man dem Kinde eine Form der Intelligenz, die einfach herauswächst aus dem gesamten Menschen, währenddem die einseitige Ausbildung des Intellektes etwas wie auf den Gesamtorganis­mus Aufgepfropftes ist.

klinkers, de medeklinkers uit de innerlijke organisatie komen. En zo is euritmie nogal wetmatig uit wat in de vorm van de mens aangelegd is, naar buiten gebracht.
Dit overbrengen van de rustende mens in de bewegende mens, dit zinvolle overbrengen in de zichtbare spraak van de euritmie ervaart het kind inderdaad met een diepe innerlijke tevredenheid; want het voelt in dit overbrengen heel zijn menselijk innerlijk leven.
Dat echter, werkt weer omgekeerd, wanneer het hele organisme wetmatig uitvoert wat intelligentie is en wat eigenlijk niet direct gevormd moet worden. Vorm je de intelligentie direct, dan leg je eigenlijk in de ontwikkeling van het kind steeds min of meer iets afstompends, verlammends. Haal je de intelligentie vanuit de totale mens, dan werk je in feite buitengewoon gezondmakend voor de hele ontwikkeling van de mens; dan geef je het kind een vorm van intelligentie die eenvoudig uit de totale mens komt, terwijl de eenzijdige vorming van het intellect iets is wat aan het totale organisme opgedrongen wordt.

So nimmt sich die Eurythmie wirklich als ein obligatorischer Lehrge­genstand neben dem Turnen wie ein geistiges, wie ein beseeltes Turnen in pädagogisch-didaktischer Beziehung aus. Und man wird – ich bin ganz überzeugt davon – über diese Dinge einmal unbefangener denken als heute.
Es ist mir ja allerdings mit dieser Sache vor kurzem etwas sehr Merkwürdiges passiert. Ich setzte diese Dinge in bezug auf die Euryth­mie auseinander, und unter den Zuhörern war, man darf schon sagen, einer der allerbedeutendsten Physiologen Mitteleuropas. Sie würden sehr erstaunt sein, wenn ich Ihnen seinen Namen nennen würde, denn er hat Weltruf. – Ich sagte aus einer gewissen Bescheidenheit, selbstver­ständlich, heraus, denn Anthroposophie will auf keinem Gebiete irgend­wie etwas Umstürzlerisches :
Man wird über das Turnen eben einmal so denken, daß es ja herausgeholt ist aus der Physiologie des Menschen, also aus der Gesetzmäßigkeit des physischen Leibes, daß es deshalb wohltätig wirken kann auf die gesunde Ausbildung der menschlichen Leiblichkeit; man wird aber diese geistige, diese beseelte Eurythmie

Zo betekent de euritmie daadwerkelijk als verplicht vak naast de gymnastiek, iets geestelijks, een bezielde gymnastiek in pedagogisch-didactisch opzicht. En men zal – daarvan ben ik geheel overtuigd – over deze dingen eenmaal onbevangener denken dan tegenwoordig.
Met deze zaak maakte ik pas geleden iets nogal merkwaardigs mee. Ik legde m.b.t. de euritmie deze dingen uit en onder de aanwezigen was, je mag wel zeggen, een van de allerbelangrijkste fysiologen van Midden-Europa. U zou zeer verbaasd zijn, wanneer ik zijn naam zou noemen, want hij heeft een wereldreputatie. Ik zei met een zekere bescheidenheid, vanzelfsprekend, want antroposofie wil op geen enkel terrein iets rebels:
Men zal over de gymnastiek wel een keer zo denken, dat het ontwikkeld is uit de fysiologie van de mens, dus uit de wetmatigheid van het fysieke lichaam, dat het daarom weldadig kan werken op de gezonde vorming van het mensenlichaam; men zal echter deze geestelijke, deze bezielde euritmie

blz. 170

neben dem Turnen deshalb gelten lassen, weil bei ihr der Leib voll berücksichtigt wird, aber in jeder Bewegung, die ausgeführt wird, zugleich lebt Seele und Geist, so daß das Kind überall Sinnvolles fühlt in der Bewegung, sinnvolles Seelisch-Geistiges, nirgends die leere leibliche Bewegung, sondern überall das Einfließen des innersten Menschen in die Bewegung. Das Sonderbare, das ich erlebt habe, war, daß jener Physio­loge nachher zu mir kam und sagte: Sie nennen das Turnen auch ein Erziehungsmittel; ich bin durchaus dagegen, daß Sie dem Turnen eine physiologische Berechtigung zuschreiben. Von meinem physiologischen Standpunkte aus ist das Turnen für die Kinder eine Barbarei.
Nun, es fällt mir nicht ein, das von mir aus zu sagen, aber es ist mir doch immerhin interessant, mitteilen zu können, daß einer der bedeu­tendsten Physiologen der Gegenwart das äußerliche körperliche Turnen sogar für eine Barbarei hält. Wie gesagt, ich selber will durchaus nicht so weit gehen wie dieser Physiologe, sondern ich will nur eben sagen, daß Eurythmie ihre gute pädagogisch-didaktische Bedeutung hat neben dem Turnen, wie es eben heute geübt wird. So wird namentlich in diesem Lebensalter bis zum neunten, zehnten Jahre hin die Eurythmie ein wichtiges Hilfsmittel, indem sie wieder zurückwirkt auf das Geistige, auf das Seelische des Kindes; sie wird ein wichtiges Hilfsmittel für die späteren Jahre, wenn das Kind zwischen dem neunten und zehnten Jahre sich lernt unterscheiden von der Umge­bung. Aber da hat man nun recht sehr achtzugeben, wie diese Unter­scheidung eintritt.

naast de gymnastiek zijn plaats toekennen, omdat daarbij volledig rekening wordt gehouden met het lichaam, maar in iedere beweging die uitgevoerd wordt, tegelijk ziel en geest aanwezig zijn, zodat het kind bij alles in het bewegen iets zinvols voelt, zinvol bezield, geestrijk, nergens lege lichamelijke bewegingen, maar bij alles de innerlijke mens die in de beweging overgaat. Het wonderbaarlijke dat ik beleefde, was dat deze fysioloog na afloop naar me toe kwam en zei: U noemt de gymnastiek ook een opvoedingsmiddel; ik ben er echt op tegen dat u de gymnastiek fysiologisch rechtvaardigt. Vanuit mijn fysiologisch standpunt is gymnastiek voor kinderen iets barbaars.
Wel, het komt niet bij me op zoiets te zeggen, maar ik vind het wel interessant om te kunnen vertellen dat een van de belangrijkste fysiologen van nu de uiterlijke fysieke gymnastiek iets barbaars vindt. Zoals gezegd, zover wil ik niet gaan, maar ik wil wel zeggen dat euritmie haar goede pedagogisch-didactische verdienste heeft naast de gymnastiek, zoals die tegenwoordig gedaan wordt. Zo wordt met name op de leeftijd tot het negende, tiende jaar euritmie een belangrijk hulpmiddel, omdat ze weer terugwerkt op de geest, op de ziel van het kind; ze wordt een belangrijk hulpmiddel voor de latere jaren, wanneer het kind tussen het negende en tiende jaar zich leert onderscheiden van zijn omgeving. Maar dan moet je heel goed kijken, hoe dit onderscheiden begint.
GA 304/166-170
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner: over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

hand en intelligentie

.

1513-1419

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – huizenbouw (4-4)

.

HUIZEN BOUWEN
.

Achter in de klas staan op de kast vijf houten bakken, gevuld met zand en in elke bak groeit langzaam een huis. Als we bezig zijn is de klas een en al bedrijvigheid: er wordt gemetseld, getimmerd, cement* klaar gemaakt, gevijld en gezaagd en de onderdelen worden in elkaar gepast.

Aan het begin van de periode hebben we eerst naar aanleiding van een verhaal, met elkaar gepraat over allerlei dingen die met wonen te maken hebben en hebben het huis waarin we graag zouden willen wonen, getekend.

Daarna zijn we eens gaan kijken wat voor soorten huizen er allemaal zijn en wat voor huizen er vroeger gebouwd werden.

Er kwam een geweldige lijst van mensen die allemaal meewerken om een huis te bouwen en we konden zo een heleboel beroepen even onder de loep nemen. We hoorden over de architect en zijn tekeningen en maakten zelf een plattegrond van de benedenverdieping van een huis. We leerden dat een metselaar allerlei soorten muren kan maken.

We tekenden in ons schrift een paar van deze verbanden en verschillende kinderen ontdekten daarna zelf buiten nog andere verbanden. De school zelf was bijvoorbeeld in kettingverband gemaakt. Ook leerden we nog allerlei dingen over het gereedschap en het materiaal dat door de timmerman en de metselaar wordt gebruikt.

Aan het eind van die eerste week werd het steeds moeilijker om nog naar die lege bakken achter op de kast te kijken en gelukkig maakten we op die zaterdag de plannen voor de volgende maandag.

We gingen vijf verschillende soorten huizen bouwen: een huis van bakstenen (de bakstenen hadden we in de loop van de eerste week met vereende krachten gemaakt), een blokhut, zoals de vader van Laura en Mary bouwde, een huis van natuursteen, een vakwerkhuis en een plaggenhut. De laatste drie hadden we aan het begin van het jaar gezien op ons schoolreisje naar het Openlucht Museum. Na het weekend konden we dan, na nog een korte werkbespreking, met het bouwen beginnen.

Elk huis schoof elke dag door naar een volgende groep, zodat we aan elk huis konden meebouwen. We ontdekten dat het helemaal niet zo eenvoudig was om een stevige rechte muur te bouwen, maar toch groeiden de huizen elke dag verder en zullen na nog een paar dagen hard samen werken hun voltooiing bereiken.
.

Frans Geus, Geert Grooteschool, Amsterdam, mei 1976

.
*cement is het poeder, dat samen met water en meestal met zand vermengd, specie vormt.
.

3e klas heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld3e klas heemkunde

.

1512-1418

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/5)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

VRIJHEID – maatschappelijk gezien

Het woordje “vrij” klinkt ons sympathiek in de oren. Wat we er ook onder verstaan – altijd heb je het gevoel dat vrijheid iets is waar een mens voortdurend naar verlangt, iets dat met zijn diepste wezen verbonden is en aan hem trekt, zo sterk soms dat het erop kan lijken dat het het allerhoogste en kostbaarste is wat voor een mens bereikbaar kan zijn.

Aan de andere kant kun je de indruk hebben dat echte vrijheid eigenlijk nergens bestaat, nergens kan bestaan. Van buitenaf ben je als mens gebonden aan regels en wetten, zowel door mensen uitgevaardigde als natuurwetten.

Innerlijk beleef je steeds een onvermogen om vrij te zijn ten opzichte van jezelf, word je belemmerd door neigingen en gewoontes, waardoor je je laat dwingen om dingen wel of niet te doen.

En de conclusie is dan ook vaak: een mens kan niet vrij zijn, blijft afhankelijk van zijn omgeving, zijn afstamming, zijn opvoeding.

Hoe komt het dat we toch naar vrijheid blijven verlangen? Het is toch absurd dat je van nature een verlangen hebt naar iets wat onbereikbaar is. Waarom berusten we niet in onze gebondenheid en proberen er het beste van te maken?

In sprookjes en sagen wordt het koninkrijk nooit zonder meer overgedragen aan de zoon, wanneer de oude koning voelt dat zijn tijd gekomen is. De zoon of de zonen – want vaak zijn het er drie – worden erop uit gestuurd. Zij moeten een opdracht volvoeren, iets kostbaars gaan halen, iets dat ver weg, verborgen en bewaakt, alleen door zware beproevingen en strijd verkregen kan worden. Zij moeten vaak hun leven op het spel zetten en de goede afloop is niet altijd gewaarborgd. Vaak schieten eigen krachten tekort en moeten andere wezens te hulp komen.

Wat kan het zijn – die verborgen schat, dat goud, dat een mens in staat stelt koning te zijn, soeverein besluiten te nemen? Besluiten die een verantwoordelijkheid op zijn schouders leggen, die het heil van het volk moeten dienen …. Noch zijn afstamming, noch zijn omgeving met de wijze raadslieden zijn blijkbaar voldoende om hem in die zin tot koning te maken. Hij moet een eigen, individuele weg gaan, de kracht van zijn eigen wezen vinden en waar maken.

Eerzucht of verlangen naar aardse vreugde blijken daarbij slechte drijfveren te zijn. De beide oudste broers in de sprookjes falen dan ook meestal jammerlijk doordat zij aan deze verleidingen geen weerstand bieden. Slechts de jongste, die zich van alles wat hem kan belemmeren, weet los te maken, die zelfs zijn vader moet overreden om hem te laten gaan, hij die “vrij”-willig gaat, is in staat het doel te bereiken. Het is een waagstuk – maar het is de prijs waard!

Niet de vrijheid zelf is het begeerlijke, maar datgene wat alleen in vrijheid veroverd kan worden: de gouden schat, die de mens in staat stelt werkelijk koning te zijn. Vrijheid is een voorwaarde om het doel te bereiken – de koningszoon gaat alleen.

Wanneer je om je heen kijkt, word je steeds getroffen door het feit dat het lot van de mensen zo verschillend is. De een gaat het voor de wind, de ander heeft het slecht. De een krijgt een erfenis, de ander wordt bestolen; de een is gezond, de ander gehandicapt; de een heeft geluk, de ander wordt door een ramp getroffen. Op zichzelf kunnen we dit meestal niet verhelpen, het ligt blijkbaar in het individuele lot van de mensen. Wanneer je echter iemand ontmoet die duidelijk tekort komt, kan de gedachte bij je opkomen om hier iets aan te doen. Je moet erkennen: hij heeft meer behoeften dan ik en je staat iets af van je eigendom, je schenkt iets weg wat je niet direct nodig hebt of je deelt gewoon dat wat je hebt met de ander. Je kunt dit ook doen vanuit de overtuiging dat de ander met deze “gaven” bepaalde dingen voor elkaar kan krijgen waartoe je zelf niet in staat bent.

In de legenden vind je een eenvoudig voorbeeld hiervan bij Sint-Maarten, die zijn halve mantel schenkt aan de naakte bedelaar. Het is een daad die gedaan wordt vanuit het besef dat die naakte man danig kou lijdt en dat bij de beperktheid van het materiaal er geen andere mogelijkheid is dan de zaak te delen.

In tegenstelling tot het goud in het sprookje dat het beeld is van een geestelijke lichtkracht, die onuitputtelijk kan uitstralen en inspireren, is de mantel van Sint- Maarten een persoonlijk eigendom, een kledingstuk dat een lijfelijke behoefte dekt. Om op aarde te kunnen leven, hebben wij “stof” nodig: de zuur:’stof” b.v. om in te ademen, maar ook de mantel”stof” om een mantel van te maken. En al is er ook een overvloed van stof in allerlei vormen, we weten tegenwoordig wel dat deze niet onuitputtelijk is en dat het met de verdeling daarvan niet zo best zit, zodat er plaatsen in de wereld zijn waar in de meest elementaire levensbehoeften van de mensen niet voorzien wordt.

In een gezin is het min of meer vanzelfsprekend dat de beschikbare middelen eerlijk worden verdeeld. Wat niet betekent: gelijk worden verdeeld. Immers: het kind met de zwakke ogen heeft een bril nodig, de dierenvriend heeft behoefte aan een huisdier en het muzikale kind wil graag naar een concert. Mogelijk komen ook al deze behoeften in één persoon bijeen en zijn de anderen tevreden als ze samen kunnen ganzeborden. In het ideale geval spreekt het vanzelf dat ieder naar behoefte ontvangt zonder dat dit precies wordt afgewogen – je kunt van broederlijkheid spreken.

Bij steeds meer mensen begint het gevoel te ontwaken dat de hele mensheid in dit opzicht eigenlijk een groot gezin vormt. Het gevoel dat het rechtvaardig zou zijn als iedereen op de aarde op z’n minst de mogelijkheid zou hebben om te leven en daarvoor zijn deel te verwerven van wat die aarde voortbrengt. Maar ook dat ieder mens de vrijheid zou hebben om zich te kunnen ontplooien, zichzelf te zijn en zijn levensopgaven te vervullen. Gelijke kansen op existentie en ontplooiing, ongeacht levensbeschouwing of afstamming, dat is het wat ons rechtsgevoel zou bevredigen.

Verlangen naar vrijheid, besef van broederlijkheid, gevoel voor gelijkheid – waar kwamen we dit al eens eerder tegen? Bijna twee eeuwen geleden klonk tijdens de Franse revolutie al deze leuze: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!

Toen niet en ook nu nog niet is er veel terecht gekomen van de idealen die in deze leuze doorklonken en die toch een ieder wel kunnen aanspreken. Waar zo’n leuze, ook al wordt hij serieus genomen, kan in zijn beknoptheid ook veel verwarring stichten en tot het tegendeel leiden van hetgeen beoogd wordt. Want neem je de vrijheid als motto voor het economisch leven b.v., gaat iedereen vrij produceren, dan ontstaan er ongezonde machtsverhoudingen omdat de consument nu eenmaal afhankelijk is van de producent en dus per definitie onvrij. Gelijkheid van geest na te streven b.v. snijdt de weg af naar nieuwe ideeën en ontwikkelingen in het culturele leven, betekent geestelijk gezien de dood in de pot.

In het concept dat Rudolf Steiner in 1917 op verzoek van enkele hooggeplaatste personen in Berlijn ontwierp voor een maatschappelijke hervorming, die een oplossing zou kunnen bieden met betrekking tot de moeilijke positie van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije aan het einde van de eerste wereldoorlog, komt het drievoudig ideaal: vrijheid, gelijkheid en broederschap weer naar voren. Waar nu in een organische samenhang gegroepeerd naar de verschillende gebieden in het maatschappelijk leven, die ieder hun eigen wetmatigheden hebben;

– VRIJHEID, als grondbeginsel voor het geestelijk leven

– GELIJKHEID, als grondbeginsel voor het rechtsleven

– BROEDERLIJKHEID, als grondbeginsel voor het economisch leven.

Deze maatschappelijke drieledigheidsgedachte, samengevat in “Die Kernpunkte der sozialen Frage” [1] is toentertijd ondanks grootscheepse acties te weinig opgenomen en te veel tegengewerkt om wortel te kunnen schieten. Het enige wat tenslotte hiervan verwerkelijkt werd was de vrije (Waldorf) school, die in 1919 werd opgericht.

De moeilijkheid bij de concretisering van de maatschappelijke drieledigheidsgedachte was en is nog steeds, dat de drie gebieden; geestes-, rechts- en economisch leven in de loop van de geschiedenis, steeds meer zijn gaan vallen onder de verantwoordelijkheid van de Staat. In feite zou de Staat alleen ervoor moeten zorgen, dat het maatschappelijk organisme goed functioneert, dat wil zeggen het rechtsgebied verzorgen, dat enerzijds de vrijheid van het culturele leven (wetenschap, religie, kunst), anderzijds de broederlijkheid in het economisch leven (samenwerking van consumenten en producenten) waarborgt. Niet met de inhoud, doch alleen met de apparatuur zou de Staat zich dienen bezig te houden opdat het leven in de verschillende gebieden optimaal kan functioneren.

Dat klinkt weliswaar eenvoudiger dan het in de praktijk is, want natuurlijk staan de drie gebieden ook niet los van elkaar, maar doordringen elkaar en zijn met elkaar verweven. Elk gebied heeft ook de drieledigheid in zich. Het culturele leven heeft zijn behoeften in de economische sfeer (in de vorm van de behoeften van de personen die hun diensten hieraan verlenen en voorts middelen, gebouwen, enz.), heeft ook wettelijke bescherming nodig (auteursrecht b.v.). Het economisch leven heeft de inventiviteit van het geestesleven nodig ….

Waar ook, al is het in de praktijk niet eenvoudig – het is een noodzaak om te trachten met het drieledigheidsmodel te gaan werken, omdat hiervan een oplossing verwacht mag worden voor de vele netelige maatschappelijke problemen, waarmee we dagelijks zowel in kleine als in grote sociale verbanden, zowel op nationaal als op mondiaal niveau te kampen hebben.

Als ouders hebben we in de eerste plaats te maken met het onderwijs. Het onderwijs behoort duidelijk tot het culturele leven en moet daarom in principe vrij zijn van staatsinmenging of economische dwang. Het moet wel in een behoefte voorzien, namelijk in de ontwikkelingsbehoefte van de leerlingen. Deze behoefte te peilen is de taak van de pedagogen. Het is daarom belangrijk dat ouders ook proberen zich bewust te worden van de eigenlijke behoefte van hun kinderen en zich omtrent pedagogische gezichtspunten oriënteren.

Vrij onderwijs hoeft niet per se vrijeschoolonderwijs te zijn. In een vrij geestesleven moeten alle soorten van onderwijs, waar behoefte aan blijkt te bestaan, ter keuze aanwezig zijn.

Dat vrij onderwijs inderdaad door ouders verlangd en opgeëist is, blijkt uit de schoolstrijd die hiervoor werd gevoerd aan het begin van onze eeuw en die heeft geleid tot opname van een artikel in de Grondwet die de “vrijheid van richting” waarborgt. De strijd die zich nu aan het afspelen is, gaat om de vraag hoe vrijheid van richting te interpreteren valt en of deze vrijheid ook de vrijheid is die past en als eis gesteld moet worden in een drieledige maatschappij structuur.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool, Amssterdam, mei 1976

.

[1] De kernpunten van het sociale vraagstuk

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeledingalle artikelen      onder nr 7 over vrijheid

.

1511-1417

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-10)

.

over euritmie en bothmergymnastiek

.

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand half jan.’18– elf voorbeelden van.

Zijn 10e artikel gaat over:

EURITMIE en BOTHMERGYMNASTIEK

Beste Luc,

Je noemt deze vakken al meteen ‘antroposofisch’, zonder al te gedetailleerd aan te tonen wat dit ‘antroposofische’ dan wel is en waarom ze daarom – wel of niet – als pedagogisch en/of didactisch middel gebruikt kunnen, dan wel moeten worden.

Degene die wat zinnigs over deze vakken wil zeggen, zou toch op z’n minst zelf euritmist of Bothmergymnastiekleraar moeten zijn, willen de opmerkingen en de uitleg niet (te) oppervlakkig zijn.

Begrijp me goed: ook ik vind het moeilijk – als leek – er iets over te zeggen dat niet aan de buitenkant blijft; dat op ervaringen bogen kan en vanuit de praktijk kan schetsen wat er met kinderen gebeurt (of niet).
Daarom waag ik me er niet aan en ik zie dat jij dat ook niet doet waar het om de gymnastiek gaat.
Een verwijzing naar Wikipedia vind ik wel erg zwak als het moet gaan om aan te tonen dat de vrijeschool – met deze gymnastiek – een antroposofische school is.

Wat de euritmie betreft, met de verwijzingen naar opmerkingen van Steiner kom je natuurlijk wel directer bij ‘wat het is’, maar het blijft op die manier toch erg abstract.

Concreter wordt het als je beschrijft dat (jouw) kinderen het niet graag deden/doen. Dat verschijnsel ken ik – uit eigen ervaring, maar ook vanuit waarnemingen waar het andere klassen betreft.
Je merkt het terloops op en laat het als indruk achter, zonder erop in te gaan, terwijl daar nu net, m.i. een kans ligt om genuanceerder naar dit vrijeschoolvak te kijken.
Ik zou dat wel willen doen, maar ik ben dus ook die leek en/of buitenstaander zoals jij en loop, wanneer ik een poging waag, meer risico dan wanneer ik me -zoals jij nu – op de vlakte houd.

Dat euritmie niet geliefd is bij leerlingen is een interessant verschijnsel. Dat kan aan de euritmie op zich liggen, aan de leerkracht en aan de kinderen; in de meeste gevallen zal het om een combinatie gaan.
De leerkracht – dat weten we dan allebei wel zeer goed – is de centrale figuur bij het geven van een vak. En we weten ook dat niet iedereen even vakbekwaam is. Wat je volgens mij niet moet doen, is dit vak ‘te heilig’ maken, te humorloos; je moet niet met je lesstof (ver) boven de kinderen staan, enz.
Wat de leerlingen betreft – maar dit geldt veel algemener en ook voor volwassenen – ik spreek niet alleen uit eigen ervaring – is het feit dat wij (Nederlanders?) niet zo vanzelfsprekend bewegen in een ruimte met anderen.
Er wordt niet voor niets beweerd dat we onszelf wat ‘stijfjes’ vinden.

Je bewegend in een ruimte laten zien, betekent dat je iets van jezelf laat zien en daar houden wij niet zo van. Ik heb een ervaren euritmist heel wat voorbeelden horen geven van wat deze aan bewegingen gezien heeft wat in directe relatie stond met bepaalde gevoelens van het kind, al dan niet dieper zittend. En door deze waarnemingen heeft die euritmist heel wat problemen kunnen onderkennen en vaak oplossen: de leerling voelde zich in de positieve betekenis van het woord ‘gezien’.
Dus vanuit deze optiek is het vak een geweldig pedagogisch middel om kinderen te leren zien – ook al hebben zij schroom, zelfs weerstand tegen bewegen.

Kinderen bewegen graag – het liefst helemaal zoals zij dat willen, maar dat kan in de euritmie niet. De bewegingen volgen vaak patronen, zijn niet makkelijk, gaan niet vanzelf, kortom: je moet er moeite voor doen en dat is al jaren voor veel kinderen (en volwassenen!) een probleem. Dus is er weerstand.

Ik besef al te goed dat ik hiermee geen overweldigende bewijzen aandraag, maar dat lijkt me nu even geen probleem, gezien het niveau van jouw artikel.

Dan zeg je dit:
De euritmische gebaren voor de letters kun je perfect gebruiken bij het leren lezen in de eerste klas, al zien euritmisten dit niet graag gebeuren zoals ik dus mocht ondervinden. Zelfs zonder antroposofische achtergrond en zonder de diepere betekenis van de gebaren te kennen, kun je de letters, de klanken en de gebaren zeer goed samen laten gaan. Vooral bij de syntheseoefeningen, waarbij de kinderen de letters leren verbinden met de klanken om zo tot woorden te komen, is dit een pluspunt. De gebaren zorgen voor een uitstekende ondersteuning.

Toevallig – of niet natuurlijk – het ondersteunen van het aanleren van de letters door euritmiegebaren voor die letters wilde ik in mijn eerste ‘rondje’ ook en daarvan zei toen de euritmiste (die jij hier noemt – Annemarie Ehrlich) – dat ik dat niet moest doen ‘als euritmie’. Ik ben dat steeds beter gaan begrijpen. Ik ben geen euritmist, kan dus ook niet in, laten we zeggen, het maken van een A, hetzelfde leggen als de euritmist kan; bij mij blijft het gewoon het uitsteken van twee armen. Vergelijkbaar met het trekken van een lijn. De kunstenaar zal die fijngevoelig, uit zijn gevoel op papier of het doek a.h.w. overdragen, niet te vergelijken met het neerleggen van een liniaal om daarlangs, onvrij, bijna mechanisch, een lijn te trekken. ‘Zomaar’ een A uitbeelden is te mechanisch, kan natuurlijk best bij het leren schrijven, maar is geen euritmie.
Alsof je, een beetje blokfluit kunnende spelen, aan kinderen de schoonheid van de klank wil overbrengen: daarvoor moet je toch een echte fluitist(e) zijn!
Ik ben het met je eens dat de gebaren een uitstekende ondersteuning vormen. Laat de euritmie dat vooral doen; als leerkracht doe je het – niet euritmisch gewild – op jouw manier.

Je zegt:
De euritmische gebaren bij de letters zijn in feite niets anders dan het schriftbeeld van de Latijnse letter.  

Steiner beschrijft dit precies omgekeerd!

Dit komt waarschijnlijk door het feit dat de euritmische gebaren niet uitgaan van de klank, maar van de letter.

Dat ‘waarschijnlijk’ wekt de indruk dat je het zelf niet precies weet: het euritmische gebaar gaat volledig uit van de klank als gevoels/stemmingnuance. Dat is uit de door jouw aangehaalde achtergrondinformatie toch duidelijk op te maken!
En in de door jou ongetwijfeld gelezen GA 294/26 staat zeker niet:
Het gebaar voor de E is gewoon de kruising die in de handgeschreven e te zien is.
WelHebben we het gevoel dat we een indruk van buitenaf moeten afweren, dat we ons in zekere zin moeten afwenden om onszelf te beschermen, hebben we het gevoel weerstand te bieden, dan wordt dat uitgedrukt in de ‘E’.

Met je uitspraak:
De grootste waarde heeft ze mijns inziens bij de syntheseoefeningen om het leren lezen te ondersteunen.

geef je m.i. blijk je zeer weinig verdiept te hebben in wat euritmie (nog meer) is. Dat blijkt eveneens uit:
Muzikaal wordt euritmie (tooneuritmie) een grote waarde toegedicht, maar – zeker waar het de muziekintervallen betreft – schiet ze tekort en is ze amper bruikbaar in een pedagogische context.

Wat de intervallen betreft – waarop baseer je die vastliggende conclusie? En dat tooneuritmie niet bruikbaar zou zijn in een pedagogische context, gaat aan een paar zeer essentiële onderwerpen voorbij.
‘Kunnen luisteren’ lijkt mij voor het hele (sociale) leven uitermate belangrijk. Aan dat te leren, draagt vooral de tooneuritmie bij: je moet een bovenstem van de onderstem (witte toetsen – zwarte toetsen op de piano) leren onderscheiden. Daarnaast ook nog eens de toonhoogten en het ritme.
Dan zijn er allerlei oefeningen om het majeur- en mineurkarakter van een muziekstuk te kunnen onderkennen.
Dan moet je ook nog eens in staat zijn om deze onderstem op een vorm te lopen, in het ritme, terwijl je tegelijkertijd met je armen de toonhoogten moet aangeven en tegelijkertijd loopt de bovenstem door jouw onderstemvorm heen, waarbij je dus ook nog moet letten op wáár je loopt. Je wordt a.h.w. zelf een instrument.
Binnen een sociale context moet je je plaats kennen (in die innemen), de ander zijn ruimte latend. En dat zou niet in een pedagogische context passen?

Nog afgezien van het oefenen van ruimtelijk inzicht, coördinatie van handen en voeten, motorische behendigheid door o.a. staafoefeningen enz.
Met het oog op de laatste vondsten op hersenontwikkelgebied zou de euritmie nog weleens belangrijker kunnen zijn dan jij en ik nu vermoeden.

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[7] het schoollied
[8kan een leerkracht agnost of atheïst zijn
[9] schoolfeesten
[11] muziekonderwijs

.

Rudolf Steiner over euritmie

Over: bothmergymnastiek

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1510-1416

.

.