VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (7) – over de dromedaris

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 52                                                                                                     hoofdstuk 7

Het Duits is enigszins verwarrend. De kameel met twee bulten heet ‘Trampeltier’. ‘Kamel’ is in het Duits de kameel met één bult, die wij dromedaris noemen, een woord dat ook in het Duits bestaat als ‘Dromedar’. Grohmann gebuikt hier steeds ‘Kamel’ als het over de dromedaris gaat. Vandaar de eerste zin: ‘Die Kamele, auch Dromedare genannt’.

Het kamelengeslacht waartoe ook de dromedarissen behoren, vertoont veel verwantschap met de herkauwers, want beide diersoorten behoren tot de herkauwers. Wat is erger, iemand een rund noemen of als os bestempelen of hem voor kameel uit te schelden? [Kamel = ‘ezel, domkop’] Wie zou deze vraag makkelijk kunnen beantwoorden? Maar wacht maar eens af wat de bioloog daarover te zeggen heeft. Misschien kan hij ons het juiste antwoord geven. Zo gaat dat, wanneer de mens op de een of andere manier iets van het dier overneemt. Meteen houdt hij dan een beetje op mens te zijn.
Maar aan de andere kant, wie heeft nu eigenlijk het recht een dier minder te achten, omdat het maar een dier is? Zeker geen mens, want dieren worden toch juist zo volmaakt in hun soort, ook zo nuttig of dienstbaar omdat ze iets bepaalds volmaakt ontwikkeld hebben of goed kunnen, veel beter dan de mens het ooit zou kunnen. Moeten we daarom dan minder van hen houden?
De koe kan buitengewoon goed het groenvoer verteren om daaruit uiteindelijk melk te laten ontstaan. In haar verschillende magen zondert ze het voedsel af en verandert het. Iedereen weet toch wat voor ingewikkelde buik ze heeft. Die is veel volmaakter en zit gecompliceerder in elkaar dan de onze. In haar kop is ze daarom oliedom. Maar wat maakt dat uit als ze daarvoor in de plaats in haar buik zo kunstig gebouwd is. Daar is ze bijna de hele dag bezig. Acht uur alleen al moet ze per dag grazen. Dan gaat ze liggen om te herkauwen, want dat is haar belangrijkste taak. Nee, deze goede runderen zijn echt ijverig en ze worden bij hun werk dan ook niet graag gestoord.

Aan de dromedaris zie je al uit de verte dat hij hoewel hij ook een herkauwer is, niet zo’n grote buik heeft. Hij heeft ook één maag minder dan andere herkauwers. want hij heeft geen boekmaag. Daarvoor in de plaats zitten de goede eigenschappen in de lange en sterke poten. Hij kan vracht dragen en je kan zelfs op zijn rug rijden. Het is echt een origineel dier, deze dromedaris, ondanks veel echt wel slechte eigenschappen, maar daarover hebben we het niet.
De gezichtsuitdrukking van de dromedaris lijkt onbewogen, zelfs een beetje onnozel waaraan in het bijzonder ook de overhangende bovenlip bijdraagt. Die is gespleten. De oogpupil is een langwerpige, scheefstaande spleet. Aanhankelijkheid aan de mens, ook aan die hem verzorgt en beschermt, kent de dromedaris niet. Hij is gedienstig als hij daartoe wordt gedwongen en stribbelt tegen, als het maar eventjes kan.

Het is beter om maar eerst de slechte eigenschappen van het dier te noemen, zodat later de goede des te meer opvallen.
Laten we eens luisteren naar hoe de beroemde bioloog Brehm zijn slechte ervaringen met dromedarissen samenvat:
‘De enige eigenschap waar de dromedaris groot mee is, is zijn vreetlust; al het andere valt daarbij in het niet. Hij heeft buitengewoon weinig verstand. Onaangedaan vertoont hij geen liefde en geen haat, het is hem wat alles betreft om het even, behalve zijn voer en de jongen. Prikkelbaar wordt hij, zo gauw hij zich moet inspannen; als z’n boosheid niets helpt, schikt hij zich weer onverschillig in wat hij doen moet, zoals in al het andere. Als hij kwaad is, wordt hij boosaardig en gevaarlijk. Echt afschuwelijk is zijn grenzeloze angst. Het gebrul van een leeuw laat meteen de karavaan uiteenvallen; iedere dromedaris werpt ogenblikkelijk z’n vracht af en gaat ervan door.  Van het huilen van een hyena wordt hij buitengewoon onrusitg; een aap, een hond, een schildpad, voor hem zijn het verschrikkelijke schepsels. Ik ken geen ander dier waarmee het op een vriendelijke manier omgaat. Met de ezel lukt dat nog wel; het paard ziet hij als het meest afschuwelijke dier. Van zijn kant lijkt de dromedaris de andere schepsels met dezelfde wrevel aan te kijken, als waarmee hij naar de mens kijkt.
De dromedaris komt wat edelmoedigheid betreft achter aan de rij van alle huisdieren. Hij heeft echt geen enkele grote karaktereigenschap; hij verstaat de kunst om de mens razend te maken. En daarom heeft ook de benaming [Duits Kamel, kameel] een diepere betekenis, want wanneer je een mens die naam geeft die alle eigenschappen van een os, ezel, schaap en muildier in zich verenigt, kun je geen beter voorbeeld kiezen.’
Na deze woorden van de natuuronderzoeker Brehm is het nu wel duidelijk of het erger is om iemand een os of een rund te noemen of een kameel.

Maar wanneer er nu zoveel slechte eigenschappen van de dromedaris te berde zijn gebracht, is het toch niet anders dan eerlijk en billijk om ook de vele eigenschappen naar behoren onder de aandacht te brengen die het dier tot een bijna niet te vervangen vriend en helper van de mens maken. Als je ooit van dieren kan zeggen dat ze met ‘huid en haar’ door hun vlees en vet, ook door de melk, talloze mensen het leven mogelijk maken, dan moet er toch in de allereerste plaats aan de dromedaris gedacht worden. Hij is lastdier en rijdier, geeft kleding en voedsel sinds oertijden, wat we bijv. uit de Bijbel weten. De melk kan door het hoge vetgehalte beslist niet worden gedronken. Zelfs de mest die in de morgen geproduceerd wordt, wordt meegenomen, want in de woestijn waar geen hout is, is het een kostbaarheid. Overdag droogt het in de hitte en ’s avonds doet het dienst als brandstof voor het vuur bij het kamp. Niets mag ongebruikt verloren gaan! Reusachtige stukken woestijn en steppenland maakt de dromedaris door zijn veelzijdige nuttigheid pas bewoonbaar. Hij maakt het leven mogelijk voor veel volksgemeenschappen. Toen het Suezkanaal er nog niet was, trokken grote karavanen van Suez naar Port Said door de woestijn.
Ten zuiden van de 12e breedtegraad kan de dromedaris niet meer leven, daar ook niet in woestijnen of op de steppen. Van Noordwest-Indië naar Klein-Azië, in Palestina en het land van de Nijl, uiteindelijk in heel Noord-Afrika wordt hij als onmisbare helper gefokt. Hij is naar Australië en Amerika gehaald. Vooral in vochtig-hete klimaten kan hij in zijn thuisland niet en ook niet ergens anders bestaan.
Laten we nu eens naar zijn eten kijken.
Ondanks de vreetzucht die we al genoemd hebben, is er aan de andere kant geen dier dat met weinig zo tevreden is als de dromedaris, vooral wanneer er simpelweg geen voedsel is. Als het avond is geworden en de drijvers de dieren van hun last bevrijd hebben, beginnen de dromedarissen zelf naar voedsel te zoeken. Van hun drijvers kunnen ze op lange woestijnreizen niet meer dan een paar handen gierst of gerst krijgen. De drijver houdt dit karige voer voor hen in zijn omslagdoek bij zich. Wat de dromedaris nog vindt is dor en droog, hard en doornig. Maar daar geeft hij niets om. Hij vermaalt alles met zijn sterke tanden en omdat de lippen en de bek verhoornd zijn, voelt hij er ook niets van. De strohutten van de woestijnbewoners die met bladeren gedekt zijn, moeten met een muur beschermd worden, anders vreten de dromedarissen ze tot aan de grond toe op. Bijzonder graag halen ze ook de bladeren van de bomen naar beneden. Dierenonderzoeker Brehm vertelt dat hij op zijn reizen steeds weer op scherpe doorns trapte die door de zolen van zijn laarzen drongen of door de leren neuzen van zijn schoenen; maar dat de dromedaris dat soort doornen met graagte opvrat. Met een dergelijk karig voedsel kan een dromedaris zeker geen vet produceren.
Nu heeft de dromedaris boven op zijn rug iets heel wonderlijks meegekregen dat hem helpt wanneer hij door gebrek in nood raakt: zijn bult. Die is in betere tijden  door eten ontstaan, want het is niets anders dan een vetbuikje dat hij op zijn rug draagt. Er zitten geen beenderen in en daarom kunnen ze dikker worden en weer dunner al naar gelang het goede of slechte dagen zijn. Wie zijn vetbuik op zijn rug draagt, wordt bij het lopen niet gehinderd. Als een bult goed vol zit, kan die wel 15 kg wegen, maar wanneer die opgebruikt is, weegt die nog maar 2 kg en je ziet hem haast niet meer. Wat een geluk voor iemand die zo lang een voorraad voedsel heeft!
Ook wat drinken betreft zijn de dromedarissen onderweg met weinig tevreden. Als ze veel verse bladeren vinden, kunnen ze ook wel helemaal zonder water, maar anders zakken ze in elkaar wanneer ze geen drinken krijgen. Met hun bijzonder verfijnde speurzin nemen ze een bron al op grote afstand waar. Ze weten ook de plaastsen nog waar ze vroeger weleens hebben gedronken, strekken de halzen, rennen erop los en laten zich niet tegenhouden tot ze bij hun doel zijn. Dan slurpen ze begerig en heel lang en het hele lijf schijn het water op te zuigen, maar dat de dromedaris speciale waterzakken in zich heeft die het voor droge tijden kan vullen, is echt een voorstelling waarom hij die het weet, moet glimlachen.
Alle streken op aarde hebben dieren als helper en elk doet dat op zijn manier. In het hoge noorden is het dat half in het wild levende rendier, ook een herkauwer, in de Afrikaanse woestijn is het de dromedaris. De loggere kameel met zijn twee bulten die in Azië tot ver in het noorden voorkomt en daar eveneens als lastdier, vlees- en melkdier gefokt wordt, noemen we hier terloops. De lama die heel verwant is aan de dromedaris, dient in het hooggebergte van Zuid-Amerika als lastdier. Door zijn andere lichaamsbouw is hij juist voor het gebergte bijzonder geschikt. 

De dromedaris daarentegen is alleen geschikt voor vlak land of een beetje bergachtig. Daarin ligt zijn eenzijdigheid, maar ook zijn kracht. Juist voor deze leefruimte vind je geen geschikter dier. De hoge poten beweegt hij in telgang, dat betekent dat er twee poten aan dezelfde kant tegelijk naar voren worden gezet. Daar komt de wat schommelende gang vandaan, het schommelen van het schip van de woestijn. Maar wanneer hij steil van de berg naar beneden moet, wordt hij onzeker. Zijn eigen lichaam met de lange poten moet hij wel als een last ervaren die hem steeds opzij trekt. Nee, van iemand die zo is als de dromedaris kan je niet verlangen dat die steil naar beneden van een berg afdaalt!

Het is vanzelfsprekend dat er van een dier dat al duizenden jaren onder de menselijke zorg leeft – wilde dromedarissen zijn er niet meer – wel net zoveel rassen moeten zijn dan bij paarden en runderen. Zware, logge kamelen die vooral gebruikt worden voor het dragen van vracht, vind je bijv. in Egypte. Ook in de vruchtbare gebieden van Noord-Afrika worden zulke kamelen gehouden. Men gebruikt ze niet om op te rijden. Daarvoor zijn toch de in de hoogte gegroeide slanke dromedarissen met de hoge poten die de berijder in snelle loop door de woestijn dragen, zodat geen paard volgen kan, een trots geslacht! De woestijnrijders kunnen daarom alleen maar geringschattend naar de zwaar uitgevallen vrachtkamelen kijken. Ook bij dromedarissen spreekt men van edele en onedele soorten. Beroemd geworden is de rit op de dromedaris van de profeet Mohammed die haastig vluchtend op een ‘hedjin’, een rijkameel of pelgrimskameel genoemd in twaalf uur de afstand van Kairo naar Alexandrië aflegde.

Wat gebeurt er allemaal tot de karavaan eindelijk klaar is, de dromedarissen gevangen en bepakt? Laten we het Brehm, de ervaren woestijnreiziger, laten vertellen:
‘De dromedarissen die de vracht verder moeten brengen, zijn pas gisteren aangekomen en vreten met het onschuldigste gezicht de muur van een strohut op, waarvan de eigenaar even afwezig is en die nagelaten heeft zijn huis met doornstruiken te beschermen. Een paar dromedarissen ondersteunen het geschreeuw van de drijver met dat van henzelf in afwachting van wat er gaat komen; bij de andere, die nog niet meebrullen, betekent dat zoveel als: ‘Onze tijd is nog niet aangebroken, maar die komt wel. Ja, die komt! De zon geeft de tijd aan voor het namiddaggebed, de tijd van elk begin volgens Arabische begrippen.  De gebruinde mannen stormen naar alle kanten om hun aan de huizen vretende of ergens anders onheil aanrichtende dromedarissen te vangen; gauw daarna zie je ze met hen tgerugkomen. Iedere dromedaris wordt tussen de klaarstaande goederen van zijn lading geleid en met een onbeschrijfelijk gorgelend geluid gevraagd of door een paar zweepslagen die de vraag ondersteund, te gaan liggen. Met uiterste tegenzin gehoorzaamt het schepsel dat wel een vermoeden heeft dat er een aantal zware dagen in schrille kleuren aankomen. Eerst brult hij met gebruikmaking van zijn longen op een manier die door merg en been gaat en weigert duidelijk hoorbaar en vastbesloten zijn nek uit te steken voor de vracht. Hij schikt zich in het onvermijdeliljke, maar niet met berusting en overgave, maar met alle tekens van een gemoed dat in hoge mate is verstoord, met het draaien van zijn ogen, het laten zien van zijn tanden, met stoten, slaan, bijten, kortom met ongekende grimmigheid. Eindelijk schijnen de longen leeg te zijn. Maar nee: er worden andere stemmen opgezet en in een afgrijselijke volgorde iets klagelijkere tonen aangeheven.’

Zo schetst Brehm het. Ja, ze zouden het weleens kunnen voorvoelen, deze dieren, dat hun nood en ontbering wacht. Op veel plaatsen ken je de karavaanroute aan de geraamten van dromedarissen die aan hun einde zijn gekomen. Dieren die in elkaar gezakt zijn, kun je niet anders dan simpelweg laten liggen. Dan komen uit duizelingwekkende hoogte, waar je ze nauwelijks nog als een puntje kan zien, de grote aasgieren naar beneden. Ze hebben de woestijn afgezocht naar buit en de dode dromedaris ontdekt. Met hun vreselijke snavels scheuren ze wat eetbaar is van het karkas af, steken hun kop met de kale hals in de holte van de ingewanden en verslinden gretig wat daar is te vinden. Scharen andere aasvogels komen erbij, vechten, tot er nog alleen maar een skelet op de grond ligt dat in de zon verbleekt. Zo neemt het leven van de woestijn het dode lichaam van de dromedaris weer in zich op.
Alsof de woestijnbodem hen heeft gemaakt als een deel van zichzelf, zo zijn de poten van dromedaris. Ze lopen maar op twee tenen, net zoals de andere tweehoevige zoogdieren, runderen, herten en ook giraffen. Ze staan allemaal maar alleen op de derde en vierde teen van de voet. De andere tenen zijn verkommerd. De teennagels zijn bij de dromedarissen tamelijk klein, veel kleiner dan bij andere tweehoevigen, maar de dromedarisvoet is met een eeltkussen gepolsterd. Dan kan hij niet wegzakken in het zand. Die merkwaardige zolen hebben hem de naam eeltpotige gegeven.
Men zegt wel na vele ervaringen, dat de dromedarissen bang zijn. Ze worden ook onrustig als ze een woestijnstorm aan voelen komen, een zandstorm, de samum.  Al lang voor die aankomt, hebben ze die met hun fijne zintuigen waargenomen. Dan beginnen ze steeds sneller te lopen om hem nog voor te blijven. Maar tenslotte gaan ze liggen, met de rug in de windrichting en leggen ook hun gestrekte hals in het zand. Zo houden ze het uit, tot die alles doordringende gloeiende hitte weer voorbij is. Ze lijden zeker niet minder dan de mens die onder de vracht beschutting heeft gezocht. De zon is door de dikke wolken verduisterd en nog voor ze weer zichtbaar wordt, zijn sommige dromedarissen aan de droogte en de gloeiende hitte bezweken. Met de tong uit de bek blijven zij op de route liggen.
Wanneer de dromedaris gaat rusten, bijv. ’s avonds, wanneer hij gaat herkauwen, komen de eeltkussens hem goed van pas. Hij ligt erop als op een ondergrond die het zelf meegebracht heeft, omdat ze aan hem vastgegroeid zijn. Die kussens worden gevormnd wanneer de dromedaris groter wordt, op z’n borst, op zijn ellebogen, op zijn zoolgewrichten, op de knieën en de hielen, overal dus, waar het liggend met de bodem in aanraking komt. Je kan wel bewondering hebben voor de wonderlijke samenhang van dit dier met het landschap waarin het leeft. Ja, tot in zijn lichaamsbouw is de dromedaris zelf een stukje woestijn geworden.
Tot slot moet er ook nog iets worden gezegd over de jonge dromedarissen. Iedere dromedarismoeder of  -merrie brengt er jaarlijks maar één ter wereld. Hij is meteen beweeglijk en speelt vrolijk met de andere. De kalfjes hebben een mooie, wollige huid. Ook wanneer ze niet meer door hun moeder gezoogd worden, mogen ze nog jarenlang vrij rondspringen. Dan lopen ze hun moeder achterna en zo raken ze aan het lange reizen gewend. Na ongeveer drie jaar moeten ze dan leren zalf lasten te dragen of de ruiter op hun rug te verdragen. Dat is natuurlijk zoals bij alle last- en rijdieren een zwaar werk waarbij het niet zonder slaag toegaat. Maar de moeite wordt beloond, want een edele berijdbare dromedaris is net zoals een edel paard, de trots van zijn berijder.

.

dromedaris
kameel en dromedaris

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1659-1555

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-14)

.

Een artikel uit ‘de oude doos’. Maar het bevat nog altijd actuele opvattingen over het vrijeschoolonderwijs in klas 1 en over de 1e-klasser.
De oorspronkelijke spelling heb ik laten staan.

HET BELANG VAN DE EERSTE KLASSE OP DE VRIJE SCHOOL

Het grootste bezwaar, dat de ouders hebben om hun kinderen dadelijk vanaf de eerste klas op de Vrije School te brengen is, dat ze niet direct lezen en schrijven leeren. Tegenwoordig maakt men zich ongerust, wanneer een 6-jarig kind niet net zoo geleerd in de boeken leest als een volwassen mensch.

Een tijd, waarin psychologisch inzicht alleen langs experimenten wordt verkregen en waarin het technische hulpmiddel zoo geperfectioneerd wordt, dat de mensch er haast machinaal nauwkeurig op reageeren moet, ziet het gebeuren, dat een kind vóór zijn 7e jaar in den kortst mogelijken tijd het lezen en schrijven leert.

En toch zijn er vroeger tijden geweest, waarin de menschen nog niet in den tegenwoordigen zin lezen en schrijven leerden. Men beoordeelt echter die menschen uit oude tijden als dom en kinderlijk, terwijl men het tegenwoordig zoo ver gebracht heeft. Wanneer men echter ingaat op de zielekennis en op de geestkennis der oudere menschheid, dan ontdekt men verbluffende wijsheid. Toen kwam het ook niet in de menschen op over opvoeding te praten en zulke zonderlinge proeven te doen, als men tegenwoordig doet om iets te weten te komen.

Men is vergeten, dat een oudere menschheid een schrift gevormd heeft. Tegenwoordig is het schrift een conventioneel iets.

Toen de eerste Europeanen in Amerika kwamen, vonden de Indianen de schriftteekens kleine demonen en duivels. Zij ondervonden wat eigenlijk onbewust een kind ook ondervindt, nl. het abstracte en beeldlooze van den verstarden vorm, waarmee zich de ziel niet meer verbinden kan. Omdat ze echter zoo graag leeren wat een volwassene kan, nemen ze het in zich op.

Een gevoeliger onderzoek langs geesteswctenschappelijken weg merkt wel degelijk, dat in het kind een reusachtige antipathie leeft tegen deze vreemde vormen. Desniettegenstaande zijn ze gedwongen de letters te leeren, dus iets, wat hun menschelijk vreemd is met het zieleleven te verbinden. Dat is door een fijner onderzoek te merken aan den slaap der kinderen. Deze wordt n.l. door ongezonde droomen gekweld. Na eenigen tijd kan men opmerken, dat dc gezondheid er onder begint te lijden.

Hoe komt dat?

De zielefuncties van het kind zijn in de eerste jaren volkomen gebonden aan het lichamelijke. Overal waar het lichaam groeit, neemt ook de ziel actief deel aan het groeien en vormen. Het zijn de zielekrachten, die voor het herinneren en voorstellen, gebruikt worden, welke na het 7e jaar vrij komen. Gebruikt men ze voor het leeren van abstracte letters, dan worden die zielekrachten sterk afgeleid van den lichaamsarbeid en verstoren deze. Bij sommige kinderen toont zich zoo’n stoornis dadelijk, bij andere eerst veel later en weer andere pas op ouden leeftijd in den vorm van allerlei ziekten.

Wacht men af, tot de.kinderen na het tandenwisselen, de zielekrachten voor het herinneren vrij krijgen, dan kan men veel beter de letters leeren en ook schrijven. Vervolgens moet men nu ook de goede methode vinden, om sympathiek te maken, wat de kinderen onbewust antipatisch is.

Daarom moet men in de eerste plaats het kinderkarakter kennen, weten welke vermogens in zijn ziel verborgen liggen. Onderzoekt men of een kind fantasierijk of -arm is, hoe het geheugen werkt, hoe de wil in het kind werkt, hoe het zich beweegt en of het graag of niet graag teekent, dan kan men de wegen tot de persoonlijkheid vinden. Maar een algemeen klassikaal onderwijs moet met algemeene gezichtspunten kunnen werken. Het algemeene gezichtspunt moet zijn de kunst.

Het kind speelt. Zijn spel is echter niet voor het kind wat het spel voor den volwassene is. Wanneer men dus zegt: het leeren moet spelend gaan en men meent daarbij, het kind moet zoo spelen, als wij dat opvatten, dan spreekt men als een dilettant. Want het spel is voor den volwassen mensch een grap, een pleizier, iets wat dus niet de inhoud van het leven is. Het spel van een kind is de ernstigste inhoud van zijn leven, het is de waardigste wijze waarop het de wereld beleeft. Wanneer men het spel, als spel, als grap of vreugde invoegt in het onderwijs, zal men onpaedagogisch werken. Laat men dit spel overgaan in het kunstzinnige en doet men dit met dezelfde ernstige heilige overgave, als waarmee het kind vroeger speelde, dan heeft men de juiste opvoedingskunst gebruikt. Het is noodig om de methode te gebruiken, die een middenweg volgt tusschen kunstmatig inhameren en dilettantisch spelen.

Wanneer de kinderen in de eerste klas op de Vrije School komen, leeren ze dus zich kunstzinnig bezig te houden met dezelfde vreugdevolle ernst, waarmee ze vroeger gespeeld hebben. Ze moeten met hun onhandige vingers en handen op het papier met water en verf werken en men zal ze door de vreugde van het kleurbcleven, tot het kunstzinnige samenvoegen der kleuren brengen. Ze teekenen of plasticeeren. Daardoor groeien de kinderen met hun innerlijk zielewezen op fijne wijze in de dingen, die ze zelf maken, die echter de autoriteit hun opgegeven heeft. Door het muzikale en dichterlijke element groeit het in een muzikale dichterlijke wereld om hen heen. Men wekt eigenlijk de groeikrachten op gezonde wijze. En het kind neemt in zich op, wat het zoo geleerd en ervaren heeft. De kunstzinnige beelden en tonen leven verder in den nacht in zijn droomleven en werken aan den opbouw van het lichaam mee. Men kan merken, dat de kinderen den volgenden dag ontvankelijker terug komen. De beelden komen weer te voorschijn en willen nu verder ontwikkeld. worden. Men laat ze vormen loopen en met de hand bewegen. Het geheele menschenwezen is kunstzinnig in actie.

Heeft men dit in voldoende mate gedaan met de kinderen, dan kan men tot het schrijven overgaan. Evenals de oude volken een natuurlijken overgang hebben gemaakt van het beeldenschrift tot het abstracte schrift, zoo moet ook ieder kind door het kunstzinnige beeld in het schriftteeken een weg vinden. Uit het teekenen en schilderen ontstaan de beelden, die men na lange herhaling in een teekenschrift over kan brengen. Het schrijven is een veel actiever bezigheid dan het lezen. Dit begint eerst wanneer het kind voldoende kan schrijven om het geschrevene terug te lezen.

Een schrift, dat met liefde geteekend is, kan ook schooner zijn dan een mechanisch geschreven schrift. Wat in het eerst deprimeerend was voor de ouders, om hun kinderen niet met trots te kunnen vergelijken met anderen die al lezen en schrijven kunnen, verandert in een voldoening, wanneer ze zien: hun kind is gezond gebleven, gaat met vreugde naar school en kan nu schrijven met groote liefde.
.

D. J. v. BEMMELEN, Ostara (vrijeschool Den Haag), 2e jrg. 02-1928

.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas 

.

1658-1554

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(9-1)

.

er was eens, maar hoe lang nog……?

Rond de sprookjes is het eigenlijk wonderlijk gesteld.
“Je moet me geen sprookjes vertellen’, staat toch min of meer gelijk aan: ‘Je moet niet tegen me liegen.’ Of  ‘me geen onzin verkopen.’
In dit verband delen ze het lot van de mythe. Ook deze wordt vaak gelijk gesteld aan iets wat niet klopt. De mythe wordt dan – of moet dan worden ‘ontmaskerd’ of ‘ontzenuwd’.

In zijn boek ‘Er was eens en er is nog’  verklaart C.J.Schuurman’  sprookjes. Hij zegt: ‘Mythen en sprookjes zijn de dromen van de mensheid die zo een expressie van het wezen van de ziel vertolken. We zien in de symbolen onszelf weerspiegeld in onze neigingen, verlangens en onze zoektocht naar bewustwording.’

De ‘leugens’ en/of ‘de onzin’ maken bij hem plaats voor dieper liggende symboliek. Is dat de waarheid achter de sprookjes?
Voor Schuurman wel, maar iemand die een recensie over het boek schreef, merkt op: ‘De inleiding behelst een theorie over het sprookje, die alleen als curiositeit waarde heeft’. En even verder: ‘een opvatting volgens welke sprookjes een “oneindig gevarieerde uitbeelding van het kosmisch gebeuren” en een “uitdrukking van wat in de onderstroom van de ziel leeft” zijn, kan nergens anders in uitmonden dan in een zeer speculatieve wijze van uitleggen.

Maar niet alleen Schuurman heeft zich aan uitleg gewaagd. Ook Freud bijv. En het hoeft niet te verbazen dat hij ze bekeek vanuit zijn visie op seksualiteit. [7-1]

Erich Fromm schreef ‘Dromen, sprookjes, mythen
De recensent van dit boek zegt: ‘Fromm wil de ‘symbolische taal’, waarin moeilijk grijpbare innerlijke ervaringen uitdrukking vinden in narratieven van gebeurtenissen in de buitenwereld, onder de aandacht brengen. Hij noemt het de enige universele taal van de mensheid, de hele geschiedenis en alle cultuurverschillen overstijgend. We riskeren deze taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’

En dan is er bijv. ‘De symbolische betekenis van de klassieke sprookjes
Daarvan wordt gezegd: ‘Een symbool is een openbaring en een versluiering van een waarheid die erachter verborgen ligt. Sprookjes, en haar symbolen, worden van generatie op generatie doorgegeven en zijn levend gebleven omdat “de mens er het werkelijk levende in gevonden heeft’.

In ‘Waar kom je vandaan en waar wil je naartoe? van Bert Voorhoeve, is ook sprake van ‘beeldentaal’.

En Jung had weer zijn visie in ‘De mens en zijn symbolen

Over de mythe zei Rudolf Steiner dat deze wel op zevenvoudige manier verklaard kan worden. Of hij dat over de sprookjes ook heeft gezegd, is mij niet bekend, maar het zou me niet verbazen, gezien de vele interpretaties die er in de loop van de tijd gegeven zijn.

Ook Rudolf Steiner heeft over de sprookjes gesproken: Sprookjes

De recensent zegt erover:
‘Drie voordrachten door de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). De eerste voordracht gaat over het sprookje in het licht van de antroposofie. De ziel heeft sprookjesbeelden nodig om ervaringen een plaats te geven. Omdat in oude tijden ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, kon de mensenziel toen sprookjesbeelden scheppen. De tweede voordracht behandelt de beeldentaal van de sprookjes. Sprookjes moeten worden geduid vanuit de achterliggende geestelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt waargenomen door de gewaarwordingsziel, de verstandsziel of de bewustzijnsziel. Sprookjesmotieven als de reuzen, betoverde gestalten, het huwelijk worden in deze voordracht geduid. In de derde voordracht gaat Steiner in op de Rozenkruiserwijsheid in de sprookjes. Men voelde aan dat de oude geestelijke schatten aan het verdwijnen waren en dat men ze in de toekomst door de wetenschappelijk gefundeerde theosofie weer terug moest zien te krijgen. Dit vond plaats aan het begin van de negentiende eeuw. Het boek is niet gemakkelijk te lezen, maar achtergrondkennis over de antroposofie is niet per se noodzakelijk.’

Op grond van Steiners mededelingen zijn anderen de sprookjes verder gaan onderzoeken, o.a.
Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘; Rudolf Meier ‘Sprookjeswijsheid‘; Rudolf Geiger: ‘Met sprookjesprinsen op weg’

Het moge duidelijk zijn dat er nogal wat invalshoeken zijn van waaruit je naar sprookjes kan kijken.

En dat gebeurt af en toe:

Hier vanuit feministisch perspectief, dissertatie van Floor van Twuyver.

Waar mevrouw van Twuyver het vandaan heeft, weet ik niet, maar ze beweert dat sprookjes vooral favoriet zijn bij meisjes.
Ik zou dat vanuit een jarenlange praktijk als sprookjesverteller niet kunnen bevestigen: ik zag nooit een grotere interesse bij de meisjes t.o.v. de jongens.
De dissertatie begint al wat feministisch gekleurd: prinsessen in torens die wachten tot de knappe prins hen komt redden van de draak of over
Sneeuwwitje die weg moet vluchten omdat ze te mooi bevonden wordt door haar stiefmoeder.

Als het moet gaan om ‘de kracht van de vrouw’ had mevrouw van Twuyver ook kunnen beginnen met het zusje in ‘Broertje en zusje’ waarin zij haar broertje redt; of hetzelfde motief in ‘De zeven raven’ of Grietje die Hans toch maar mooi uit zijn kooi redt.

Ze zegt: ‘Ik vraag me af wat voor invloed dit heeft op jonge kinderen. De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving.

Dat is op zich natuurlijk een interessante vraag, waar ik ook het antwoord niet op weet. Dat is altijd de onmogelijkheid bij de opvoeding: je kan het niet dubbel doen: een opvoeding met en een opvoeding zonder sprookjes om dan te vergelijken wat het aan een kind heeft gedaan. Dat is bij veel meer dingen zo.

En: ‘De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving’, gaat voorbij aan de vele sprookjes waarin het goede wordt beloond of gierigheid wordt bestraft enz. (Is het niet ‘de moraal(v!) die; en beeld dat?). Het is toch meer het ballonnetje van een suggestieve veronderstelling van de negatieve invloed van sprookjes op kinderen, vooral: de meisjes! – dat de schrijfster van het proefschrift hier oplaat.

Aan het proefschrift kan je zien hoe je over de sprookjes kan denken, gaat denken, wanneer je vertrekpunt ‘feminisme’ is.
Dat is trouwens ook zo wanneer het sprookje vanuit een heel andere optiek wordt bekeken, wanneer je vertrekpunt de symboliek is zoals die gevonden kan worden door de ontwikkeling van de mens, de menselijke ziel te bestuderen met bijv. antroposofische gezichtspunten, zoals Friedel Lenz, Meier, Geiger en Voorhoeve doen.

Het is niet mijn bedoeling met bovengenoemde gezichtspunten de feministische te weerleggen. Dat kan ook simpelweg niet, omdat de uitgangspunten totaal andere zijn. Alsof ‘Twee-oogje’ hetzelfde zou (moeten) zien als ‘Drie-oogje’.

Maar de feministische zienswijze pleit wél voor aanpassing van de sprookjes. Die zouden herschreven moeten worden.
Als dat gebeurt, is dat op basis van intellectuele gezichtspunten. Of zoals Fromm zegt: We riskeren deze (sprookjes)taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’
En de feministische bril is dan wellicht niet conventioneel, zeer zeker wel rationeel en realistisch. Van deze tijd.
En dat is het grote verschil met het echte sprookje: het is van alle tijden!
Herschreven sprookjes kunnen geen sprookjes meer zijn, zoals ‘ze in oude tijden zijn ontstaan toen ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, toen kon de mensenziel nog sprookjesbeelden scheppen.’ (Steiner)
De ‘achterliggende geestelijke realiteit’ waarover Steiner spreekt, is niet de realiteit van een ‘hier en nu’ die vanuit feministische, rationele gezichtspunten de sprookjes als inhoud zouden moeten krijgen.

Op de vrijescholen worden sinds jaar en dag sprookjes verteld. Dat zijn zeker niet alleen de sprookjes die de gebroeders Grimm verzamelden. Alle mogelijke volkssprookjes kunnen worden gebruikt.
In de kleuterklassen (groep 1 en 2) en in de 1e klas (groep 3) zijn sprookjes de vertelstof.

Af en toe gaan er stemmen op of niet ook de vrijeschool de inhoud van de sprookjes zou moeten herzien, met het oog op bijv. feministische motieven. ‘Aanpassen aan de moderne tijd’ heet het dan en ‘ze zijn al 200 jaar oud, dat moet nodig gemoderniseerd’.

Wie niet in de eerste plaats naar de beeldentaal kijkt, naar de achterliggende geestelijke realiteit zoekt, zal tot andere interpretaties komen die met het ‘waarom de sprookjes op de vrijeschool zo verteld worden als ze worden verteld’, niet veel te maken hebben.

Sprookjes herschrijven leidt m.i. onvermijdelijk tot intellectualisering van het sprookje, tot de beeldenstorm ervan.

Rudolf Steiner gaf zijn pedagogische aanwijzingen om een onderwijs te creëren dat ‘moreel-spiritueel’ is, i.p.v. een onderwijs van ‘het intellect en het gemoed’.

Ik ben van mening dat volkssprookjes veel meer moreel-spirituele inhoud bevatten, dan intellectueel-gemoedelijk bedachte (feministische) verhalen, die ik ‘per definitie’ geen sprookjes kan (en zal) noemen.

.

Pieter HA Witvliet

.

Sprookjes: alle artikelen

.

1657-1553

.

.

.

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/34454/%27Spiegeltje%2C%20spiegeltje%27%20een%20blik%20op%20de%20verhouding%20van%20Sneeuwwitje%20tot%20het%20hedendaags%20feminisme.pdf?sequence=1

https://www.nu.nl/cultuur-overig/5348528/sprookjes-worden-al-eeuwen-aangepast-maar-essentie-blijft.html

link naar artikel over infantilisering taalgebruik https://www.independent.ie/entertainment/british-prizewinning-author-slams-dumbing-down-of-language-in-childrens-books-37022860.html

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6-1)

.

In dit artikel ging het om

‘De mens als kosmisch wezen’

Daarin werd opgenomen uit GA 294, 2e voordracht Steiners uiteenzetting over de samenhang van de mens met de kosmos, met als uitgangspunt het ademen.

Op andere plaatsen spreekt hij daar ook over, vaak weer net iets anders. 

GA 192     blz. 77

Wir sehen hin auf unsere Atmung. Wir haben beim normalen Atmen 18 Atemzüge in der Minute. Das gibt in einem Tage bei 24 Stunden ungefähr 25.920 Atemzüge. So daβ wir in einem Tage rhythmisch hintereinander vollziehen das Einatmen und das Ausatmen ungefähr 25.920 mal. Das ist das kleinste Atmen das unser individueller Mensch entfaltet. Schon im Alten Testament hat man das Patriarchealter auf 70 Jahre ungefähr angenommen. Das sind ungefähr 25.920 Lebenstage.
Wenn Sie nun nehmen jenen groβen Atemzug, der mit uns gemacht wird, indem wir am Morgen untertauchen mit unserem Ich und Astralleib in unsern Ätherleib und physischen Leib, so daβ wir morgens einatmen unser Geistig-Seelisches und abends wieder ausatmen, wenn Sie das nehemen als einen Atemzug, der jeden Tag vollzogen wird, dann vollzieht unser Lebenstag, der ungefähr 71 Jahre umfaβt 25.920 Atemzüge.Das heiβt, jener groβe Geist, der da atmet, indem wir geboren werden und sterben, der atmet in seinem Lebenstag, der unser ganzes Menschenleben umfaβt, so oft ein und aus wie wir in 24 Stunden. So sind wir angepaβt mit unserem menschlichen Atmen jenem geistigen Atmen das der Geist vollzieht, für den das Ein-und Ausatmen ist, was für uns Geborenwerden und Sterben ist. Wir sind das Ergebnis seiner Atemzúge in unserem Wach-und Schlafesleben. Und die Sonne, von der Sie ja wenigstens ahnen können, daβ sie eine Beziehung zu unserem Erleben hat: der Mensch beobachtet wie ihr Aufgang vorrückt im Tierkreisbild um eine bestimmte Anzahl Grade jährlich, so daβ, wenn der Frühlingspunkt liegt an einer bestimmten Stelle eines bestimmten Tierkreisbildes, er das nächsdte Jahr weiter verschoben ist usw. So kreist der Aufgangpunkt der Sonne scheinbar um die ganze Ekliptik herum, in dem, was ein platonisches Weltenjahr genannt wird, und das umfaβt 25920 Jahre.

Laten we onze ademhaling nemen. Wanneer we normaal ademhalen, doen we dat 18 keer per minuut. Dat is op een dag van 24 uur ongeveer 25920 keer. Zodat we op een dag ongeveer 25920 keer ritmisch achter elkaar in- en uitademen. Dat is het kleinste ademhalingsritme dat wij als individuele mens hebben.
Al in het Oude Testament heeft men de leeftijd van de aartsvaders op ongeveer 70 jaar gesteld*. Dat zijn om en nabij 25920 levensdagen.
Wanneer we nu de grote ademhaling nemen die we ’s morgens ondergaan wanneer ons Ik en astraallijf bezit neemt van ons etherlijf en fysieke lichaam, zodat we ’s morgens ons geest-zielenwezen inademen en dat ’s avonds weer uitademen, beschouwen als een ademhaling die iedere dag plaatsvindt, dan voltrekt zich dat wat op één dag uit ons leven dat ongeveer 71 jaar duurt, in 25920 ademhalingen.
Dat betekent dat die grote geest die ademt wanneer we geboren worden en sterven, tijdens zijn levensdagen die ons hele mensenleven omvat, zo vaak in- en uitademt als wij doen in 24 uur.
Zo zijn we met ons ademen als mens aangepast aan het geestelijk ademen dat de geest voltrekt voor wie het in- en uitademen is, wat voor ons geboren worden en sterven betekent. Wij zijn het resultaat van zijn ademhaling in ons waak- en slaapleven.
En de zon waarvan je op z’n minst wel een gevoel kan hebben dat die iets met ons leven op aarde te maken heeft: de mens neemt waar dat het punt waar zij opkomt in het sterrenbeeld jaarlijks met een paar graden opschuift, zodat het lentepunt op een bepaalde plaats in een bepaald dierenriemteken ligt en dat dit jaarlijks wat verschoven is. Zo loopt het punt waar de zon opkomt schijnbaar door de hele ecliptica wat een platonisch wereldjaar wordt genoemd en dat ongeveer 25920 jaar duurt
Een dag in ons leven bevat 25920 ademhalingen, ons leven tussen geboorte en dood omvat 25920 levensdagen, een groot zonnejaar ongeveer 25920 levensjaren.
Zo voegen wij ons naar datgene wat ademen is in het zon-aardeproces door een platonisch wereldjaar. Hier zie je een wereldritme waarmee de mens deel uitmaakt van de kosmos.
GA 192/77

*Daar is vrij veel onderzoek naar gedaan. Men heeft wel iets gevonden dat bijv. de hoge leeftijd van Methusalem verklaart en als men dan een andere berekening hanteert is hij i.p.v. 969 jaar, 78 jaar. Maar dat had tot gevolg dat ermet deze berekening iemand is geweest die op 3-jarige leeftijd een kind heeft verwekt. Kortom: die leeftijden zijn raadselachtig en de aartsvaders zijn geen 70, zoals Steiner hier zegt, maar rond de 180 jaar. 

GA 201    blz. 57

Der Mensch hat in seinem Atmungsrhythmus-die 18 Atemzüge in der Minute-etwas, was in einer merkwürdigen Übereinstimmung steht mit anderem im Weltenall. Wir haben 18 Atemzüge, die ausgerechtnet für den Tag, 25920 tägliche Atemzüge ergeben. Das ist aber dieselbe Zahl, die man bekommt, wenn man ausrechnet wieviel Tage eine so normale Lebensdauer von etwas 72 Jahren hat. Auch das sind ungefähr 25920 Tage. So daβ in einem Tag irgend etwas ausatmet unseren astralischen Leib und unser Ich, und wiederum einatmet beim Aufwachen, aber nach demselben Zahlen-rhythmisch.Und wiederum, wenn wir die Zahl der Jahre nehmen, welche die Sonne braucht, wenn sie scheinbar oder wirklich, darauf kommt es jetzt nicht an, vorrückt in ihrem Frülingspunkte-immer schreitet sie um ein Stückchen vor jedes Jahr-so braucht sie 25920 Jahre, um einmal ihren Frühlingsausgangspunkt um den ganzen Himmel herumzuführen: ein platonisches Jahr.
Es ist eigentlich dieses menschliche Leben bis ins Kleinste, bis in den Atemzug und bis in seine irdische Begrenzung zwischen Geburt und Tod nachgebildet den Gesetzen des Weltenalls.

De mens heeft in zijn ademritme de 18 ademhalingen per minuut – iets wat op een bijzondere manier overeenkomt met iets anders in de wereldruimte. Wij hebben 18 ademhalingen, dat is per dag 25920 ademhalingen. Dat is echter hetzelfde getal dat je krijgt wanneer je uitrekent hoeveel dagen een normale leeftijd van 72 jaar heeft. Ook dat zijn ongeveer 25920 dagen. Net zo als we op één dag ons Ik en astraallijf uitademen en bij het wakker worden weer inademen, volgens dezelfde getallen, ritmisch.
En ook, wanneer we het getal van het aantal jaren nemen dat de zon nodig heeft, wannneer die, schijnbaar of in werkelijkheid, daar komt het niet op aan, verder gaat met het lentepunt – ze gaat steeds een stukje verder, ieder jaar – dan heeft ze 25920 jaar nodig om weer bij beginlentepunt te komen: een platonisch jaar. [ik meen gelezen te hebben, maar ik weet niet meer waar – dat ook dit punt iets verder ligt dan 25920 jaar geleden]. Eigenlijk is dit menselijk leven tot in het kleinste, tot in de ademteug en tot in zijn aardse begrenzing tussen gebooret en dood nagevormd naar de wetten van het wereldal.

blz. 58

Nehmen Sie die 18 Atemzüge in der Minute, das gibt in der Stunde 1080, in 24 Stunden 25920 Atemzüge. Das heiβt, wir muβten multiplizieren 18 mit 60 mal 24, um 25920 Atemzüge im Tage zu bekommen. Nehmen wir das aber als den Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel. Würden wir das nun dividieren durch 60 mal 24, so würden wir natürlich wiederum 18 bekommen. Wir würden 18 Jahre bekommen. 18 Jahre, was würde denn das eigentlich sein? Überlegen wir uns das einmal, was diese 18 Jahre bedeuten würden. Die 25920 Atemzüge entsprechen einen 24 stündigen Menschentag beziehungsweise sagen wir, dieser 24stündige Menschentag ist also der Tag des Mikrokosmos. 18 Atemzüge entsprechen der Einheit des Rhythmus. Nehmen wir jetzt einmal-scheuen wir uns dessen nicht-den ganzen Umlauf des Frühlingspunktes um den Himmel als einen groβen Himmelstag, nicht bloβ als das platonische Jahr, sondern als einen groβen Himmelstag. Nehmen wir ihn als Himmelstag oder Weltentag, wie sie wollen, als Tag des Makrokosmos. Wenn wir die Atemzüge aufsuchen würden im Makrokosmos die entsprechen würden den Atemzüge des Menschen in einer Minute, wie lange müβten die denn dauern? Es müβten diese Atemzüge 18 Jahre dauern. Ein 18jähriges Atmen, ausgeführt von demjenigen Wesen das dem makrokosmos entspricht.

Neem nu eens de 18 ademhalingen per minuut, dat zijn er in een uur 1080, in 24 uur 25920. Dat betekent dat we 18 moeten vermenigvuldigen met 60 keer 24 om aan 25920 ademhalingen per dag te komen. Dat nemen we nu als de omlooptijd van het lentepunt langs de hemel. Als we dat zouden delen door 60 keer 24, dan zouden we natuurlijk weer 18 krijgen. Wij zouden 18 jaar hebben. 18 jaar, wat is dat dan? Je moet goed nadenken over deze 18 jaar. De 25920 ademhalingen komen overeen met een dag van 24 uur bij de mens, we zeggen dus a.h.w. deze dag van 24 uur in een mensenleven is als de dag van de microkosmos. 18 ademhalingen komen overeen met de eenheid van het ritme. Maar nu nemen we – we hoeven er niet voor terug te schrikken – de hele omloop van het lentepunt langs de hemel als één grote hemeldag, niet alleen als het platonisch jaar, maar als een grote hemeldag. We beschouwen deze als hemeldag of werelddag, wat u wil, als dag van de macrokosmos.
Wanneer we de ademhalingen zouden zoeken in de macrokosmos die overeenkomen met de ademhalingen van de mens in een minuut, hoe lang zouden die dan moeten duren? Die zouden 18 jaar moeten duren. Een ademhalingsperiode van 18 jaar, uitgevoerd door het wezen dat met de macrokomos overeenkomt.
GA 201/57
Niet vertaald

blz. 63

Viele tausend Jahre vor unserer Zeitrechnung war es den Ägyptern bekannt, daβ nach 72 Jahren die Fixsterne in ihrer scheinbaren Bewegung der Sonne um einen Tag vorausgeeilt sind. Die Sonne dreht sich [scheinbar] wesentlich langsamer als die Fixsterne, und nach 72 Jahren sind die Fixsterne schon ein Stück vorausgeeilt.Deshalb verschiebt sich ja der Frühlingspunkt, weil die Fixsterne vorauseilen wenn der Frühlingspunkt weiter und weiter rückt, dann müssen sich ja die Fixsterne gegenüber dem Stand der Sonne verschoben haben. Nun, die Sache ist so, daβ nach 72 Jahren tatsächlich die Fixsterne der Sonne um einen Tag voraus sind. So findet man, daβ nach 72 Jahren die Sterne Ende des 30.Dezember an einem bestimmten Punkte ankommen, die Sonne kommt erst Ende des 31.Dezember an demselben Punkte an. Sie ist also langsamer gegangen um einen Tag. Nach 25920 Jahren bleibt sie so weit zurück, daβ der ganze Umkreis vollendet ist, daβ sie wiederum an den Punkt zurückkomt, den wir vorher notiert haben. Nach 72 Jahren ist die Sonne um einen Tag zurückgeblieben hinter den Fixsternen. Das ist aber eben ungefähr die normale Lebensdauer eines Menschen, das sind die 72 Jahre, die 25920 Tage sind. Und nehmen wir diese 72 Jahre 360 mal, dann haben wir eben wenn wir das Menschenleben als einen Tag betrachten und 360 Weltentage annehmen, in denen die Sonne einmal herumgeht, da haben wir dann das Menschenleben als einen Tag des Makrokosmos-der Mensch gleichsam ausgeatmet aus dem Makrokosmos-das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Vier duizend jaar voor onze jaartelling was het bij de Egyptenaren bekend dat na 72 jaar de dierenriemtekens in hun schijnbare bewegingen een dag verder zijn dan de zon. De zon draait (schijnbaar) wezenlijk langzamer dan de direnriemtekens en na 72 jaar zijn deze al een stukje verder.  Het lentepunt verschuift omdat de dierenriemtekens vooruitgaan; wanneer het lentepunt steeds verder komt te liggen dan moeten de dierenriemtekens t.o.v. de stand van de zon verschoven zijn.
Nu, het zit zo dat na 72 jaar inderdaad de dierenriemtekens één dag uitgelopen zijn op de zon. Dan vind je dat na 72 jaar de sterren op het eind van 30 december op een bepaalde plaats aankomen en dat de zon op het eind van 31 december op hetzelfde punt aankomt. Zij is dus 1 dag langzamer gegaan. Na 25920 jaar is ze zover achter, dat de hele omloop voltooid is; dat ze opnieuw op het punt terug is, dat we van te voren genoteerd hebben. Na 72 jaar is de zon één dag achtergebleven op de dierenriemtekens. Dat is ongeveer ook de normale leeftijd van een mens, 72 jaar en dat zijn 25920 dagen.
En als we deze 72 jaar 360 keer nemen, dan hebben we ook wanneer we het mensenleven als een dag beschouwen en 360 werelddagen nemen waarin de zon één keer haar omloop voltrekt, het mensenleven als één dag van de macrokosmos – de mens a.h.w. uitgeademd vanuit de macrokosmos – het mensenleven als een dag in het macrokosmische jaar.
GA 201/63-64

GA 205     blz.  112

Wir atmen, nicht wahr, und ich habe Ihnen das letzte Mal die Atemzüge ausgerechnet für vierundzwanzig Stunden. Rechnen wir achtzehn Atemzüge auf die Minute, so haben wir in der Stunde sechzig mal acht­zehn, und in vierundzwanzig Stunden 25920 Atemzüge in Tag und Nacht. Wenn Sie nun einen andern Rhythmus im Menschen nehmen, so ist es der Rhythmus von Tag und Nacht selber. Am Morgen beim Aufwachen saugen Sie in Ihren physischen Leib und Ätherleib hinein den Astralleib und das Ich. Es ist auch ein Atmen. Sie atmen morgens herein, und Sie atmen am Abend beim Einschlafen den astralischen Leib und das Ich wieder aus, also ein Atemzug in vierundzwanzig Stunden, in einem Tag. Das sind dreihundertfünfundsechzig solche Atemzüge im Jahr. Und nehmen Sie das Durchschnittsalter eines Men­schen, zweiundsiebzig Jahre, so haben Sie ungefähr dieselbe Zahl; würde ich nicht zweiundsiebzig genommen haben, sondern etwas dar­unter, so würde ich dieselbe Zahl bekommen haben. Das heißt, wenn Sie das gesamte irdische Leben des Menschen nehmen und Sie sehen in einem Tag im Einschlafen und Aufwachen einen Atemzug, so haben Sie in einem Leben auch so viel solches Ein- und Ausatmen des astra­lischen Leibes und des Ich, wie Sie in vierundzwanzig Stunden Atemzüge haben. Sie machen während eines Lebens auch so viel solche Atemzüge, 205/113 die im Ausatmen und Einatmen des Ich und des astralischen Lei­bes bestehen. Diese Rhythmen entsprechen sich durchaus, und wir sehen, wie da der Mensch in die Welt eingefügt ist. Das Leben des Tages, Sonnenauf- und -untergang, also das einmalige Herumgehen entspricht einem inneren Sonnenauf- und -untergang, der von der Ge­burt bis zum Tode dauert.

We halen adem, niet waar en ik heb de vorige keer het aantal ademhalingen uitgerekend per 24 uur. Wanneer we 18 ademhalingen per minuut rekenen, dan hebben we er per uur 60 x 18 en in 24 uur 25920 ademhalingen dag en nacht. Wanneer we nu een ander ritme in de mens nemen, dan is het dat van dag en nacht zelf. ’s Morgens wanneer we wakker worden neemt u [letterlijk ‘zuigt’] uw Ik en astraallijf weer op in uw etherlijf en fysiek lichaam. Dat is ook een ademhalen.
U ademt ’s ochtends in en ’s avonds bij het inslapen ademt u het astraallijf en Ik weer uit, dus één ademhaling in 24 uur, op 1 dag. Dat zijn 365 van zulke ademhalingen in het jaar. En neem nu de gemiddelde leeftijd van de mens, 72 jaar, dan krijg je ongeveer hetzelfde getal; zou ik geen 72 genomen hebben, maar iets lager, dan zou ik toch hetzelfe getal hebben gekregen. D.w.z. wanneer je het totale aardse leven van de mens neemt en je ziet op 1 dag inslapen en wakker worden als een ademhaling, dan krijg je in zijn leven ook zoveel in- en uitadelingen van het astraallijf en het Ik, als je in 24 uur aan ademhalingen hebt. U maakt gedurende een leven zoveel van de in- en uitademingen die het Ik en het astraallijf maken. Die ritmen staan in verhouding tot elkaar en we zien hier hoe de mens deel uitmaakt van de wereld. Het leven van de dag, zonsopkomst en zonsondergang, dus de eenmalige zonsomloop staat in verhouding tot een innerlijke zonsopkomst en -ondergang, die van de geboorte tot de dood duurt.
GA 205/112-113
Niet vertaald

.

over: 25920 jaar

Algemene menskunde: voordracht 2alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1656-1552

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-6)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 40 en 41
.

DE MENS ALS KOSMISCH WEZEN

Nadat Steiner a.h.w. op ‘micro’-niveau naar de mens heeft gekeken en zijn visie op de zenuwen heeft gegeven, richt hij de blik in tegengestelde richting: naar de kosmos.
Hij beperkt zich echter meteen tot één aspect: dat van sympathie en antipathie.
Dat ligt uiteraard voor de hand, want tot nog toe ging het over wat daarmee in de mens samenhangt wanneer hij op aarde is: voorstellen en willen, daartussen het gevoel, dat in wezen bestaat uit sympathie en antipathie. Die kunnen we echter niet los zien van de alom aanwezige sympathie en antipathie buiten ons in een ‘wereld’ waarin we verblijven vóór de geboorte en na de dood.

Deze ‘wereld’ is veel omvattender dan alleen sympathie en antipathie bevattend. Het is de wereld van ‘de geest’ en ‘de ziel’: de geestes- en zielenwereld.

Moeilijke begrippen waarmee we al te maken kregen in de 1e voordracht, toen het ging om bijv. de hiërarchische wereld.

Omdat deze wereld voor Steiner een concrete inhoud heeft, heeft hij er ook veel mededelingen over gedaan, vooral in de talrijke voordrachten.

Om er meer een paar te noemen:    (als er geen verwijzing is naar een vertaling zijn ze niet vertaald)
GA 67 Het eeuwige in de menselijke ziel. Onsterfelijkheid en vrijheid
Vertaald: 67 “Dromen, hallucinaties, visioenen 
GA 79 De werkelijkheid van de hogere werelden
GA 102 De invloed van geestelijke wezens op de mens
GA 110 Kosmische hiërarchieën
GA 119 Macrokosmos en microkosmos
GA 133 De aardse en de kosmische mens
GA 136 De geestelijke wezens in de hemellichamen en in de natuurrijken
GA 141 Het leven tussen dood en nieuwe geboorte in relatie tot kosmische feiten
GA 151 Het menselijk en het kosmisch denken
GA 178 Individuele geestwezens en hun werking in de ziel
GA 219 De verhouding van de sterrenwereld tot de mens en omgekeerd
GA 224 De menselijke ziel in samenhang met goddelijk-geestelijke individualiteiten.
GA 230 De mens als klankharmonie van het scheppende wereldwoord

De lijst is verre van compleet.

Het is vrijwel onmogelijk voor velen van ons, al deze inhoud te bestuderen en innerlijk eigen te maken.
Dat is m.i. ook niet nodig om vrijeschoolleerkracht te kunnen zijn.

Wél belangrijk is je te verdiepen in wat sympathie en antipathie zijn en hoe ze in het gevoel van de leerlingen aanwezig zijn en welke invloed je daarop uitoefent met je lesstof. En vooral ook: hoe komt je lesstof bij de leerlingen aan als je weet dat de ziel het instrument is waarmee we in eerste instantie de wereld in ons opnemen. Dat is dus met sympathie en/of antipathie. Maar niet alleen de wereld in ons opnemen: we manifesteren ons vanuit onze ziel in wat we doen; wat we in de wereld zetten en de manier waarop.

Een paar voorbeelden die direct met het klassenwerk hebben te maken (er zijn er meer)

Het spreken: de klanken in de vorm van klinkers en medeklinkers. De ‘sympathieke’ vocalen en de ‘antipathieke’ consonanten.
Hoe zou je ooit  ‘in geestelijke zin’ de letters aanleren die in onze culturele ontwikkeling vanuit het beeld tot letter zijn geworden, als je het verschil tussen klinker en medeklinker niet kent vanuit de optiek sympathie-antipathie!

Roept de leerstof meteen antipathie op door de manier waarop je het brengt of neem je de kinderen op een door hen gewilde manier mee omdat je bijv. fantasievol of kunstzinnig lesgeeft?

En wat we al tegenkwamen bij het geheugen, het ontstaan van voorstellingen die herinneringsbeeld kunnen worden (of met nog meer antipathie: begrippen):

Blz. 40  vert. 40

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.

Blz. 41  vert. 41

Wir sind mit unserem Erleben in den Kosmos eingeschaltet. Ebenso wie wir Tätigkeiten entwickeln, die im Kosmos weiter zu verfolgen sind, so entwickelt wieder mit uns der Kosmos fortwährend Tätigkeiten, denn er entwickelt fortwährend die Tätigkeit von Antipathie und Sympathie. Wenn wir uns als Menschen betrachten, so sind wir wieder selbst ein Ergebnis von Sympathien und Antipathien des Kosmos. Wir entwickeln Antipathie von uns aus: der Kosmos entwickelt mit uns Antipathie; wir entwickeln Sympathie: der Kosmos entwickelt mit uns Sympathie.

Met ons beleven maken we deel uit van de kosmos. Zoals wij activiteiten ontwikkelen die in de kosmos verder gevolgd kun­nen worden, zo ontwikkelt omgekeerd de kosmos voortdurend activiteiten met ons, want de kosmos ontwikkelt voortdurend sympathie en antipathie. Wanneer wij mensen onszelf be­kijken, dan zijn wij weer een resultaat van de sympathie en antipathie van de kosmos. Wij ontwikkelen vanuit onszelf anti­pathie: de kosmos ontwikkelt met ons antipathie; wij ontwikke­len sympathie: de kosmos ontwikkelt met ons sympathie.
GA 293/41
Vertaald/41

Dit  ‘maken we deel uit van de kosmos’, behandelde Steiner in GA 294 in de tweede voordracht, d.w.z. in het tweede morgenuur, na de tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde’ al door het spreken – het gebruik van klinker en medeklinker te zien als uitingen van sympathie en antipathie.
Je zou daarin een verdere karakterisering van ‘het ademhalen‘ kunnen zien die in de 1e voordracht aan de orde werd gesteld.

De uitgebreide uiteenzetting daarover uit GA 294 en andere voordrachten.

Steiner:

GA 294
Blz. 30  vert. 41

Auf diese Weise haben wir die Sprache erkannt als eine Beziehung des Menschen zum Kosmos. Denn der Mensch für sich würde bei Be­wunderung, Staunen stehenbleiben; erst seine Beziehungen zum Kos­mos rufen Bewunderung, Staunen zu demjenigen auf, was lautet.

Zo hebben we de taal leren kennen als een verbinding van de mens met de kosmos. Want de mens op zichzelf zou in bewondering, verwondering blijven steken; pas door zijn verbindingen met de kosmos ontstaan bewondering en verwondering voor dat wat er klinkt.0

ºbewondering en verwondering voor dat wat er klinkt: Deze wat cryptisch eindigende zin is misschien onvolledig gestenografeerd.
GA 294/30
Vertaald/41

Aan het eind van de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ wijst Steiner erop dat het er bij de leerkracht om moet gaan ‘hoe hij is’, niet zo zeer om wat hij doet. 
De essentie is: met welke gedachten loopt hij rond over het zich ontwikkelende kind, de wordende mens. 

Dan volgt een nieuw voorbeeld hoe de mens met de kosmos samenhangt, opnieuw vanuit het perspectief ‘ademen’.

Blz. 30  vert. 41

Nun ist der Mensch auf eine bestimmte Art in den Kosmos einge­bettet und man kann ja schon durch ganz äußerliche Erwägungen dieses Drinnenstehen des Menschen im Kosmos beobachten. Was ich jetzt sage, das sage ich aus dem Grunde, weil – wie Sie schon aus dem gestrigenVortrage gesehen haben – viel davon abhängt, wie wir gefühls­mäßig zu dem werdenden Menschenwesen stehen, wie wir in dein wer­denden Menschenwesen wirklich ein rätselvoll Offenbares des ganzen Kosmos verehren können. Daß wir dieses Gefühl als Erzieher und Unterrichter entwickeln können, davon hängt ungeheuer viel ab.

Nu is de mens op een heel bepaalde manier ingebed in de kos­mos, en we kunnen al op grond van heel uiterlijke overwegingen deze verbondenheid van de mens met de kosmos leren zien. Wat ik nu zeg, zeg ik omdat er veel van afhangt hoe wij gevoelsmatig tegenover het wezen van de opgroeiende mens staan, of wij in dat wezen werkelijk een raadselachtige manifestatie van de hele kos­mos kunnen vereren. Dit hebt u ook al uit de voordracht van giste­ren kunnen opmaken. Er hangt ongelooflijk veel van af of wij als opvoeder en leraar dit gevoel kunnen ontwikkelen.

Blz. 30/32:  vert. 41 e.v.

Nehmen wir die bedeutungsvolle Tatsache, daβ der Mensch etwa 18 Atemzüge in der Minute macht. Wieviel macht er in 4 Minuten. 18 mal 4 = 72 Atemzüge. Wieviel Atemzüge macht er am Tage? 18 mal 60 mal 24= 25920. Ich kann es aber auch so ausrechnen, daβ ich die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten nehme, das sind 72. Ich hätte dann anstatt mit 24 mal 60, nur, nur mit 6 x 60, das heiβt mit 360 die Zahl der Atemzüge von 4 Minuten zu multiplizieren und bekäme dann ebenfalls 25920 Atemzüge am Tage, 360 mal 72=25920.
Man kann sagen: während 4 Minuten ist der Atmungsprozeβ-einatmen, ausatmen, einatmen-ausatmen-gewissermaβen ein kleiner Tagesprozeβ, und indem wir diese Zahl mit 360 multipliziert haben, ist die andere Summe von 25920 dem gegenüber ein Jahresprozeβ und der Tag von 24 Stunden ist ein Jahr für unser Atmen.

Neemt u nu eens, vanuit een iets ruimer gezichtspunt, het be­langrijke feit dat de mens ongeveer 18 keer ademhaalt in één mi­nuut. Hoeveel is dat in 4 minuten? 18 x 4 = 72 ademhalingen. Hoe­veel is dat op een dag? 18 x 60 x 24 = 25 920 ademhalingen op een 1 dag. Maar ik kan het ook zo uitrekenen: ik neem het aantal ademhalingen in 4 minuten, dat zijn er 72. Dan hoef ik niet 24 x 60, maar 6 x 60, dus 360, te vermenigvuldigen met het aantal adem­halingen per 4 minuten. Dan krijg ik ook 25920, want 360 x 72 = 25920. We kunnen dan zeggen: gedurende 4 minuten is het pro­ces van ademhalen – inademen, uitademen, inademen, uitademen als het ware een klein dagproces. Doordat we dit aantal met 360 vermenigvuldigd hebben, is het andere totaal van 25 920 ten op­zichte daarvan een jaarproces. De dag van 24 uur is een jaar voor onze ademhaling.

Jetzt nehmen Sie unseren gröβeren Atmungsprozeβ, der darin besteht, daβ wir tägllich wechseln zwischen Wachen und Schlafen. Was heiβt denn Wachen und Schlafen im Grunde genommen? Wachen und Schlafen bedeutet, daβ wir auch etwas ausatmen und einatmen. Wir atmen aus das Ich und den astralischen Leib beim Einschlafen, und wir atmen sie wieder ein beim Aufwachen. Das tun wir innerhalb von 24 Stunden. Wenn wir diesen Tag nehmen, so müssen wir ihn, um dazu den Jahreslauf zu haben mit 360 multiplizieren. Das heiβt im Laufe eines Jahres vollbringen wir in diesen Atmen etwas Ähnliches, wie in dem kleinen Atmungsprozeβ an einem Tage bei dem wir mit 360 das multiplizieren, was in 4 Minuten geschieht; multiplizieren wir mit 360 die Zeit zwischen Aufwachen und Einschlafen, was während eines Tages vor sich geht, so haben wir das, was in einem Jahr geschieht; und multiplizieren wir jetzt 1 Jahr mit unserem durchschnittlichen Lebensalter, also mit 72, so bekommen wir wieder 25920. Jetzt haben sie eigentlich schon einen zweifachen Atmungsprozeβ: unser Ein-und Ausatmen, das in 4 Minuten 72 mal geschieht und in einem Tag 25920 mal; unser aufwachen und Einschlafen das mit jedem Tage geschieht, das 360 mal in einem Jahr und 25920 mal im ganzen Leben geschieht. Dann haben Sie noch ein drittes Atmen, wenn sie die Sonne in ihrem Umlauf verfolgen. Sie wissen, daβ der Punkt, wo die Sonne im Frühling aufgeht, in jedem Jahr um ein Stück vorrückt scheinbar, und die Sonne geht auf diese Weise in 25920 Jahren um die ganze Ekliptik herum, rückweise; also hier wieder die Zahl 25920 im planetarischen Weltenjahr.

Maar neemt u nu ons grote ademhalingsproces: onze dagelijkse afwisseling van waken en slapen. Wat zijn waken en slapen eigen­lijk? Het is zo dat we bij het waken en slapen ook iets in- en uitade­men. Bij het inslapen ademen we het ik en het astrale lichaam uit en bij het ontwaken ademen we ze weer in. Dat doen we in 24 uur. Nemen we deze dag, dan moeten we deze met 360 vermenigvuldi­gen om een jaar te krijgen. Dat wil zeggen dat we in de loop van een jaar iets soortgelijks doen als in het kleine ademhalingsproces op een dag, waarbij we dat wat in 4 minuten gebeurt, vermenigvuldi­gen met 360. Vermenigvuldigen we de tijd van ontwaken en insla­pen, van wat op één dag gebeurt, met 360, dan hebben we wat er in een jaar gebeurt. En vermenigvuldigen we nu 1 jaar met de gemid­delde leeftijd die de mens bereikt, met 72 dus, dan krijgen we weer 25.920. Daarmee hebt u eigenlijk een tweevoudig ademproces: het in- en uitademen dat in 4 minuten 72 keer gebeurt en op een dag 25.920 keer, en het ontwaken en inslapen dat iedere dag gebeurt, 360 keer in een jaar en 25.920 keer in een mensenleven.
Maar dan is er nog een derde ademhaling: die vindt u wanneer u de loop van de zon volgt. U weet dat het punt waar de zon in het voorjaar opkomt ieder jaar schijnbaar een stukje opschuift. Op de­ze wijze gaat de zon in 25.920 jaar, steeds een stukje opschuivend, door de hele ecliptica. Ook hier in het planetaire wereldjaar vindt u weer het getal 25.920.

Blz. 32   vert. 42

Wie ist unser leben in die Welt hineingestellt? Wir leben 72 Jahre im Durchschnitt. Multiplizieren Sie diese Zahl mit 360, so bekommen Sie wiedeer 25920. Sie können sich also vorstellen, daβ das platonische Jahr, der Weltenlauf der Sonne, der sich in 25920 Jahren vollendet, als einen Tag unser menschliches Leben hat, so daβ wir, wie wir in unserem menschlichen Leben dastehen, als einen Atemzug ansehen können denjenigen Vorgang, der sich im ganzen Weltenall darstellt als ein Jahr, daβ wir unsere menschliche Lebensdauer verstehen können als ein Tag im groβen Weltenjahr, so daβ wieder den kleinsten vorgang als das Abbild des groβen kosmischen Vorganges verehren können. Sieht man es sich genauer an, dann bekommt man durch das platonische Jahr, daβ heiβt, was im platonischen Jahre geschieht, ein Abbild des gesamten Vorganges, der sich von der alten Saturnentwicklung über Sonnen-, Monden,-Erdentwicklung usw bis zum Vulkan hin abspielt. Aber alle Vorgänge, die sich in der angedeuteten Art abspielen, sind geordnet als Atmungsprozeβ nach der Zahl 25920. Und in dem, was sich abspielt für uns in der Zeit vom Aufwachen bis zum Einschlafen ist wieder Ausgedrückt, was sich abspielte während der Mondenentwicklung, sich abspielte während der Erdenentwicklung, sich abspielen wird während der Jupiterentwicklung. Da drückt sich aus, was uns zum Angehörigen des Auβerirdischen macht. Und was sich in unserem kleinsten Atemprozeβ der sich in 4 Minuten ausdrückt, abspielt, darin ist das wirksam, was uns zu irdischen Menschen macht.

Hoe is ons leven opgenomen in de kosmos? Wij leven gemid­deld 72 jaar. Vermenigvuldigt u dit getal met 360, dan krijgt u weer 25.920. U kunt zich dus voorstellen dat in het platonische jaar – de gang van de zon door de kosmos in 25.920 jaar – een mensenle­ven een dag betekent. Vanuit ons leven beschouwd kunnen we dus het proces dat in de kosmos een jaar is, beschouwen als een adem­haling, en we kunnen onze menselijke levensduur begrijpen als een dag in het grote wereldjaar. We kunnen dus ook hier weer het kleinste proces eren als een afspiegeling van het grote kosmische proces. Bekijken we dit nauwkeuriger, dan laat het platonische jaar, dat wil zeggen wat in een platonisch jaar gebeurt, ons een afspiegeling zien van het hele proces vanaf de oude saturnusontwikkeling, via de zon-, maan- en aardeontwikkeling enzovoort tot en met vulcanus.0 Maar alle processen die zich op deze manier afspelen, zijn als ademprocessen geordend naar het getal 25.920. En in het gebeuren dat zich bij ons afspeelt tussen ontwaken en inslapen, is weer uitgedrukt wat zich afspeelde tijdens de maanontwikkeling, zich afspeelt tijdens de aardeontwikkeling en zich zal afspelen tijdens de jupiterontwikkeling. Daarin wordt uitgedrukt wat ons tot deel­genoten van het buitenaardse maakt. En wat zich in ons kleinste ademproces van 4 minuten afspeelt, daarin is werkzaam wat ons tot aardse mensen maakt.

º Volgens Steiner maakt de aarde waarop de mensheid zich ontwikkelt, zelf ook een gefaseerde evo­lutie door. De voorafgaande planetaire verschijningsvormen van de aar­de noemt hij ‘(oude) saturnus’, ‘(oude) zon’ en ‘(oude) maan’, de toekom­stige verschijningsvormen resp. ‘jupiter’, ‘venus’ en ‘vulcanus’. Met de gelijknamige hemellichamen van ons zonnestelsel houden deze evolutiestadia slechts indirect verband. Zie o.m. GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel en GA 110  Kosmische hiërarchieën. De evolutie van aarde en mensheid.

Wir müssen also sagen: wir sind irdische Menschen durch unseren Atmungsprozeβ; wir sind durch unseren Wechsel von Aufwachen und Einschlafen Monden-, Erden-und Jupitermenschen; und wir sind dadurch, daβ wir mit unserem Lebenslauf eingegliedert sind in die Verhältnisse des Weltenjahres, kosmische Menschen.
Für das kosmische Leben, für das ganze Planetensystem, umfaβt ein Atemzug einen Tag unseres Daseins, und unsere 72 Lebensjahre sind ein Tag für jenes Wesen, dessen Organe das Planetensystem bilden.

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

We moeten dus zeggen: wij zijn aardse mensen door ons ademhalingsproces; wij zijn door onze afwisseling van waken en slapen maan-, aarde- en jupitermensen; en wij zijn kosmische mensen doordat we met onze levensloop zijn ingebed in de orde van het wereldjaar. In het kosmische leven, in het hele planetenstelsel omvat één ademhaling een dag van ons leven, en onze 72 levensjaren betekenen één dag voor het wezen waarvan de organen het planetenstelsel vormen. Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.
GA 294/30-32
Vertaald/41-43

Dus:
Ein Jahreskreislauf im Kosmos entspricht dem Tageskreislauf des Menschen

Een jaaromloop van de aarde in de kosmos staat tot een dagomloop van de mens.

das Menschenleben als einen Tag im makrokosmischen Jahr.

Het mensenleven is als een dag in het macrokosmische jaar.

Ein Tag des Menschenlebens: ein Atemzug des Kosmos

Een dag uit een mensenleven: voor de kosmos is het één ademhaling.
.

Grootse gedachten die ik destijds (en nog) heel bijzonder vond.
Toch rezen er, wellicht in tegenspraak met deze universele visie, wat kleinschaliger vragen: die 18 ademhalingen en 4 polsslagen kloppen. Dat getal 72 ‘staat’. Maar hoe is het met de 360 dagen per jaar. Kosmisch gezien moet er steeds iets ‘gesmokkeld’ worden, want het is meer: ca. 365.
En de gemiddelde leeftijd van 72 jaar? 
Er bestaat een hardnekkig misverstand dat de gemiddelde leeftijd van bijv. een paar eeuwen veel lager lag. Dit blijkt niet zo te zijn
De gemiddelde leeftijd van vrouwen en mannen is in de loop van de tijd wel gestegen. Als die nu bijv. gesteld wordt op ca. 80 jaar, hoe verhoudt zich dat dan tot die 72 die zo mooi in de vermenigvuldiging passen om bij 25920 te komen. En hoe is dit t.a.v. de wereldbevolking.
Ik heb op die vragen nog geen antwoord gevonden.

Desalniettemin richt het de blik op de leerling als een ‘raadselachtige manifestatie van de hele kosmos’. Dat wezen zou je als leerkracht moeten kunnen vereren.

Tegelijkertijd maakt Steiner de opmerking dat wij als mens groots over onszelf mogen denken, weliswaar ‘slechts; een ademhaling van de kosmos, maar tegelijkertijd een deel van het grote geheel’. 

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daβ Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeβ, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirklichkeit ist, dann können Sie sagen: Ich selber bin ein Atemzug des Kosmos.

Schud de illusie van u af dat u een beperkt mens bent, zie uzelf als wat u bent: een proces in de kosmos, dat bent u in werkelijkheid. Dan kunt u zeggen: ikzelf ben een ademhaling van de kosmos.

Natuurlijk vinden we daarover in ander pedagogische voordrachten ook opmerkingen:

In deze tweede voordracht van de ‘Algemene menskunde” wanneer het zal gaan over het voorstellen en het willen:

Erst dann, wenn man den Zusammenhang des einzelnen Menschen mit dem ganzen Weltenall ins Auge fassen kann, ergibt sich ja eine Idee von der Wesenheit Mensch als solcher.

Pas wanneer men de samenhang van de individuele mens met de gehele kosmos kan inzien, kan men zich een idee vormen van het wezen van de mens als zodanig.
GA 293/32
Vertaald/31

Zoals in dit artikel aan de orde komt:

( dass ) das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen.

Het wezen van de mens kan eigenlijk alleen begrepen worden in samenhang met het kosmische.
GA 293/40
Vertaald/40

In de derde voordracht:

Der gegenwärtige Lehrer müßte im Hintergrunde von allem, was er schulmäßig unternimmt, eine umfassende Anschauung über die Gesetze des Weltenalls haben.

Als achtergrond voor alles wat hij in de school doet, zou de leraar van tegenwoordig een grondig inzicht moeten hebben in de wetten van het heelal.
GA 293/46
Vertaald/46

Der Mensch ist nicht bloß ein Zuschauer der Welt, sondern er ist Schauplatz der Welt, auf dem sich die großen kosmischen Ereignisse immer wieder und wieder abspielen. 

De mens is niet alleen een toeschouwer in de wereld, maar ook het schouwtoneel van de wereld waarop de grote kosmische gebeurtenissen zich steeds weer afspelen.
GA 293/61
Vertaald/61

In de genoemde GA 294, tweede voordracht:

Es ist jetzt die Zeit, wo der Mensch das, was zur Erziehung gehört, herholen muß aus der Erkenntnis der Beziehung des Menschen zum Kosmos.

Het is nu de tijd dat de mens uit het inzicht in de samenhang van mens en kosmos moet putten wat voor de opvoeding nodig is.
GA 294/33
Vertaald/30

En verder:

Der Mensch ist ja eine kleine Welt, der Mensch ist ein Mikrokosmos.

De mens is een kleine wereld, de mens is een microkosmos
GA 301/253
Op deze blog vertaald/253

Ja, das ist dasjenige, was eine solche Menschenerkenntnis darstellen will, daß wir den Menschen wiederum hinstellen in das ganze Weltall nach Leib, Seele und Geist.

(   )  Deze mens­kunde wil dat we de mens naar lichaam, ziel en geest weer in de totale kosmos plaatsen.
GA 302/120
Menskunde en opvoeding/119
.

Het ligt voor de hand dat er ook in andere – ook niet pedagogische – voordrachten over het platonische jaar wordt gesproken.

Voorbeelden daarvan in [2-6-1

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven.

over 25920 jaar
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1655-1551

.

.

*

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (17-2)

.

ZONDEBOK TEGEN WIL EN DANK

Sommige kinderen worden dag en uur gepest. Dit op te lossen reikt verder dan het herstellen van de vrede.

‘In de kleine pauze maakte Diederik een rare opmerking tegen mij. Hij zei: ‘Je kunt maar beter zelfmoord plegen, want er is toch niemand die je belangrijk vindt’. In de grote pauze werd ik als een hond weggejaagd. Ik ging maar ergens anders zitten. Maar na een kwartier pakte Rogier een boek en smeet dat een eind weg. Hij zei: ‘Die richting ga jij ook’.’

Dit is een flard uit het verhaal van een volwassen man, die terugblikt op zijn schooltijd. Normaliter vindt een mens in zijn herinneringen afwisselend leuke en minder leuke gebeurtenissen, maar voor sommige mensen was en is hun schooltijd een hel. En dan niet omdat de leerkrachten niet aardig zijn of de leerstof te ingewikkeld, maar omdat de klasgenoten om de een of andere duistere reden uitgerekend die persoon uitkiezen om kapot te treiteren. Zondebok tegen wil en dank.

Naar verluidt werd er ooit op Grote Verzoendag door de oude Israëlieten een bok als zondoffer geslacht, terwijl een andere bok de woestijn werd ingejaagd nadat hij door de hogepriester op een symbolische manier beladen werd met ‘de zonden des volks’. Over het lot van deze ‘zondebok’ had niemand enige twijfel.

Enige tijd geleden verscheen er een boekje over menselijke zondebokken in het onderwijs, geschreven door oud-gymnastiekleraar en psycholoog Bob van der Meer. (†) Toen hij eens meemaakte dat een meisje huilend zijn les uitliep en hij achteraf naar de reden daarvan vroeg, kwam hij voor het eerst in zijn loopbaan in aanraking met het verschijnsel zondebok.

‘Daarvoor was ik druk met de les, had vijfentwintig kinderen in de klas en een houding van: ach het is er één en het hoort er gewoon bij. Dat kind zal het er ook wel naar gemaakt hebben’. Maar tijdens het gesprek met dat meisje begreep hij plotseling hoe eenzaam en verdrietig een kind kan zijn door die aanhoudende pesterijen en hij begon een onderzoek. In zijn boekje worden de slachtoffers onderverdeeld in soorten, zo is er ‘de vieze leerling’, ‘de volgzame leerling’, ‘de afkoper’. Het verschil tussen hen ligt in de manier waarop ze naar buiten treden, maar de overeenkomst is dat ze allemaal over te weinig sociale vaardigheden beschikken om zich aan de groep aan te passen.

Het is vooral dit laatste dat mij een onbehaaglijk gevoel geeft, want ik stel me dan al die meelopers voor, die zich wezenloos achter de aanstichter scharen en dus blijkbaar wel over die zogenaamde vaardigheden beschikken. Het ‘missen van de boot’ op dit gebied zou ik absoluut niet negatief willen kwalificeren, maar bovendien geloof ik niet dat hier de oorzaak van de problemen te vinden is.

‘De zondebok’, zo lees ik, ‘bestaat bij de gratie van zijn agressor en paradoxaal genoeg houdt een intieme band hun beider gedrag in stand’.

Ik denk dat daar de quintessens van de zaak ligt: twee zielen zitten om vooralsnog onbegrijpelijke redenen in elkaar verknoopt. Het oplossen van dit raadsel is niet alleen verschrikkelijk moeilijk en vraagt meer inzicht dan puur psychologisch, maar tegelijk reikt het belang daarvan verder dan het herstellen van de vrede in de klas. Het is zowel voor de ontwikkeling van de zondebok als van de agressor van levensbelang dat die knoop wordt ontward.

De aanwijzingen die in het boekje worden gegeven, lijken adequaat genoeg om de situatie in de klas te verbeteren en de pijn van het slachtoffer te verlichten. Maar — hoe wenselijk dat ook is — het blijft oppervlakkig, want de vraag waarom die twee kinderen die ontmoeting hebben, wordt niet beantwoord. In opvoeden kun je je bekwamen en daar zijn talrijke hulpmiddelen voor, maar hoe dan ook…..het blijft een kunst
.

Hanneke Steutel, Jonas, nadere gegevens onbekend

.

zie ook: Sarren, jennen en treiteren

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1654-1550

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (17-1)

.

Hier verwees ik naar een krantenberichtje -juni 2018 – over pesten dat op steeds jongere leeftijd lijkt te gaan voorkomen.

In 1995 verscheen in Jonas ook al een artikel over pesten, tevens een verslag hoe leerkrachten van Tobiasscholen probeerden door te dringen tot dit vaak zo ongrijpbare probleem. Ook al is het artikel al weer wat ouder, er staan nog genoeg gezichtspunten in die nog altijd actueeel en belangrijk zijn.

SARREN, JENNEN EN TREITEREN

Een op de vijf leerlingen in het basisonderwijs wordt (naar eigen zeggen) regelmatig gepest. En een op de vijf leerlingen zegt zelf regelmatig te pesten.*

Is pesten op school onvermijdelijk? Niet wanneer de ‘samenzwering van zwijgen’ die het pestgedrag in stand houdt, wordt doorbroken.

“Mijn kind wordt niet gepest,” weten de meeste ouders zeker. Hun kind overkomt zoiets niet. Niemand ziet zijn lieveling immers graag in de rol van slachtoffer. Met ouders van de andere partij, de notoire pestkoppen, is het al niet anders gesteld: hun kind anderen pesten? Dat beslaat niet. En anders zal die ander het er wel naar gemaakt hebben. Om het beeld compleet te maken, hebben leerkrachten, net als ouders, vaak een te rooskleurig beeld van de
‘pestwerkelijkheid’ op school. Dat komt ook weer doordat de leerling het in driekwart van de gevallen niet aan de leerkracht vertelt. Kortom, er klopt iets niet met het beeld dat alle betrokkenen hebben van het pesten op school.

Onderwijspsycholoog Bob van der Meer, (†) verbonden aan het Katholiek Pedagogisch Centrum in Den Bosch, heeft er een verklaring voor: “Pesten gebeurt altijd in de klas of in de groep, waarbij er sprake is van een dader en een slachtoffer en een zwijgende meerderheid die meedoet of anders in ieder geval geen stelling neemt. Een enkeling neemt het wel eens op voor het slachtoffer. Maar wie de ‘samenzwering van zwijgen’ doorbreekt en het publieke geheim verklapt, doorbreekt de groepsnorm en ligt er zelf al snel uit, of wordt het volgende slachtoffer.”

Zo is dat altijd gegaan en zo gaat dat nog steeds. Zolang er scholen bestaan, wordt daar behalve geleerd ook gepest. Daarmee is het pesten een probleem van alle tijden.

In de media is het onderwerp actueel geworden nu er sinds een paar jaar serieus onderzoek wordt gedaan naar pestgedrag en de gevolgen daarvan. Het lijkt tijd om het zwijgen rond het pesten te doorbreken, want de onderzoeksresultaten liegen er niet om. De gevolgen van pesten variëren van een paar blauwe plekken tot een onprettig gevoel, slechte schoolresultaten, geen zin om naar school te gaan, faalangst, bedplassen, agressief gedrag thuis, onzeker en teruggetrokken gedrag, en zelfs in de ergste gevallen tot zelfmoord. In heftige gevallen levert het pesten ook blijvende schade op, mensen die als kind zijn gepest kunnen er (levens)lang onder gebukt gaan, wantrouwend blijven en aan die ervaring een gering zelfvertrouwen houden. En wat de daders betreft: recent onderzoek in Scandinavië toont aan dat vergeleken met andere kinderen, pestkoppen een vier maal zo grote kans hebben om later in het criminele circuit te belanden.

Sinds november vorig jaar*, toen vier landelijke ouderverenigingen een nationaal onderwijsprotocol tegen het pesten presenteerden, staan de kranten helemaal bol van het sarren, het treiteren en jennen op school. Het pesten staat volop de in de schijnwerpers.

Ongelijk machtsspel

Zo ook op de Amsterdamse Tobiasschool, een school voor kinderen met leer- en ontwikkelingsmoeilijkhedein. Daar werd onlangs de landelijke Tobiasdag georganiseerd rond het thema ‘Agressie, pesten en sociale vaardigheden’

Bob van der Meer legt om te beginnen uit dat het menens is en dat het hier niet om plagen gaat. “Plagen vindt plaats in een situatie van gelijkwaardigheid en is goed voor je sociale emotionele ontwikkeling. Pesten is een ongelijk machtsspel, is structureel destructief en heeft negatieve gevolgen voor je verdere ontwikkeling.”

Zijn aanpak betrekt alle partijen bij het probleem; ouders moeten het pesten aankaarten, docenten moeten het probleem signaleren en de pestkoppen aanpakken, de samenzwering van zwijgende klasgenoten moet worden doorbroken door het doorvertellen geen klikken te noemen en in de klas moet erover gepraat worden als het pesten zich voordoet. Tot nu toe doen scholen vaak niets, houden leerkrachten zich erbuiten en zwijgen klasgenoten angstvallig. De onderwijsmarkt wordt op dit moment overspoeld door een vloed van pestmateriaal met leskoffers, videobanden en lespakketten. De grootste taak is misschien wel weggelegd voor de leerkracht: als die een sfeer van vertrouwen en veiligheid weet te scheppen, en de onderlinge competitie niet tot norm verheft, zal er veel minder gepest worden.”

Na Van der Meers lezing gaan de leerkrachten in werkgroepen uiteen, waar liet zojuist vertelde aardig geïllustreerd wordt door de praktijk op de scholen.

Een groep leraren uit Groningen vraagt zich hardop af of op hun school nou wel zoveel gepest wordt, maar moet meteen toegeven dat het ze kennelijk in driekwart van de gevallen ook niet ter ore komt.

Amsterdam mist het trekken van één lijn in de aanpak van het pestprobleem. De lerares Duits realiseert zich dat het gezien de cijfers veel belangrijker is op school het pesten aan te pakken, dan je bezig te houden met bijvoorbeeld alcohol en drugs, waar verhoudingsgewijs veel minder jonge kinderen mee in aanraking komen. Ze oppert dat er misschien een vaste vertrouwenspersoon zou moeten rondlopen, tot wie de gepesten zich kunnen wenden. Iedereen blijkt geschrokken van de hoge zwijgcijfers.
(64 Procent van de gepeste leerlingen in het basisonderwijs vertelt niets aan de ouders.) Eigenlijk ligt er nog nergens een structureel plan tegen het pesten. Terwijl een Tobiasschool toch wel degelijk voor grote problemen staat waar het om pesten gaat. Hier gelden hogere pestpercentages dan in het ‘normale’ onderwijs en bovendien heeft de helft van de kinderen al een behoorlijke pestgeschiedenis, voordat ze in het speciale onderwijs belandden.

“De kinderen zijn duidelijk beschadigd en dat leidt tot een onrustig en vaak onveilig klimaat in de klas, waar veel wordt gepest”, vertelt Gerard de Jong die Wiskunde en Nederlands in Amsterdam geeft. “Er is veel plotseling opkomende agressie, als ze te ver gaan laat ik ze meestal zelf hun strafsoort en maat bepalen en overweeg die dan meteen met de klas. Maar wat er op de gang of op het schoolplein gebeurt zie je natuurlijk niet.”

Bob van der Meer: “In het speciale onderwijs zie je een veel grilliger patroon in de rollen van dader en slachtoffer dan elders. Wie in het normale onderwijs hevig gepest is, kan zich in het speciale onderwijs tot een aartspester ontpoppen. Bovendien zie je alleen hier het wonderlijke fenomeen dat iemand de ene dag een pester is en de volgende dag de gepeste, of zelfs voor en na de pauze al die rollen omdraait. Je moet ook verschil maken tussen de angstige en de provocerende zondebok, de een is stil, de ander vertoont angstig en agressief uitlokgedrag, wat veel irritatie oproept en op pestgedrag lijkt, maar in werkelijkheid een reactie is op voortdurend gepest en getreiterd worden.”

Van der Meer pleit ervoor de pestkoppen aan te pakken middels gesprekken, afspraken, of in het uiterste geval een gedwongen cursus, en de slachtoffers weerbaar te maken door ze op een sport te doen als judo of karate of op een assertiviteitstraining.

Groepstraining

Begin maart zijn de pedagogen Maud Kampstra en Viva Meessen** gestart met de eerste groepstraining voor pestslachtoffertjes in Amsterdam. Zij maken gebruik van een programma dat is ontwikkeld door de Riagg in Groningen en daar al vijftien jaar met succes wordt toegepast. Die donderdagmiddag komen er zes slachtoffertjes naar de pedagogische praktijk in Buitenveldert. ’t Zijn geen wandelende karikaturen zoals je geneigd bent te denken als het om
pestdoelwitten gaat: ze zijn niet extreem lang of dik, noch brildragers of beugel-bekjes. “Daar gaat het ook niet om,” legt Viva Meessen uit: “In sommige gevallen kun je juist de pineut zijn als je géén bril of beugel hebt. Je kunt ook gepest worden omdat je bijvoorbeeld te goed in tekenen bent. En als het een beetje tegenzit kan het verkeerde broodbeleg al reden genoeg zijn. Als je eenmaal een aanleiding zoekt, kun je die bij iedereen wel vinden, maar dat is slechts een handvat.

Twee factoren maken een kind tot slachtoffer: het karakter en de pech van toevallige omstandigheden waarin het verzeild raakt

Er zijn eigenlijk twee factoren van belang die een kind tot slachtoffer van pesterijen kunnen maken, namelijk diens karakter en de pech van de toevallige omstandigheden waarin het verzeild raakt. Een wat teruggetrokken kind, dat niet erg zelfbewust of assertief is, dat bijvoorbeeld door een verhuizing in een hechte groep geplaatst wordt die de nieuweling niet accepteert, is een gedoodverfd doelwit.”

Na zes weken is de eerste oudercontactavond net achter de rug, en de ouders zagen zowaar al voorzichtige verandcringen optreden bij hun veelvuldig getreiterde kroost. De ouders zijn enthousiast, en dat moet ook, want zonder hun steun en stimulerende woorden is het voor de kinderen veel te zwaar. De rol van de ouders bestaat vooral uit het zelfstandig maken van de kinderen en het benadrukken van de positieve dagelijkse dingen. Tijdens het intakegesprek wordt er door Kampstra en Meessen zorgvuldig afgewogen of zowel kind als ouder goed gemotiveerd zijn, anders heeft de training weinig zin. De kinderen moeten minstens acht jaar oud zijn; pas op die leeftijd beschik je namelijk over een beginnend vermogen tot zelfbeschouwing. En dat is nodig, want er moet immers hard gewerkt en gereflecteerd worden om vanuit de slachtofferrol zelfvertrouwen op te bouwen en vervolgens weer greep te krijgen op de sociale relaties met de omgeving. De cursus begint heel simpel met luisteren naar het verhaal van de ander, iemand aankijken tijdens het spreken, letten op stemgebruik en houding (rechtop straalt meer zelfbewustzijn uit) en leren beurtelings iets positiefs over jezelf en de ander te zeggen. Daarna wordt er in de vorm van rollenspellen gewerkt aan het verbeelden van de juiste lichaamstaal bij de juiste emoties (zeg niet lachend dat je iets niet leuk vindt), aan het zeggen hoe het voelt om buitengesloten te worden, leren hoe je daarop reageert en het analyseren van het pestgedrag van de ander en van de eigen reactie als slachtoffer.

Vaak blijkt het voor de kinderen al een hele opluchting om er eindelijk eens vrijuit over te kunnen praten met medestanders. De onderlinge interesse en solidariteit is dan ook groot. Deze middag moeten ze de werkelijkheid naspelen: de opdracht van de week luidde: “Vraag iets aan een klasgenoot en zeg eens iets aardigs”. Maud Kampstra: “Die kinderen zitten vaak al zo vast in hun slachtofferrol en zijn zo beschadigd, dat ze nauwelijks meer contact maken met hun omgeving op school. Dan is zo’n ogenschijnlijk simpele opdracht al een hele opgaaf.

Er is tijd nodig om uit die negatieve spiraal te komen, daarom duurt onze training ook zestien weken en houden we daarna nog contact.”
.
**over hen vond ik geen nadere informatie

Karin Groet, Jonas 25 ? -1995*

.

zie ook: Zondebok tegen wil en dank

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1653-1549

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-3)

.

Chronische voedselweigering

Als je baby wekenlang slecht drinkt, als je peuter niet alleen kieskeurig is maar systematisch zijn eten niet opeet, dan kun je eigenlijk niet meer spreken van een eetprobleem. Dan gaat het over chronische voedselweigering.

Het aantal kinderen met een chronische eetstoornis groeit. In veel gevallen gaat het om kinderen met ernstige lichamelijke afwijkingen of een te laag geboortegewicht die dankzij de voortschrijdende medische technologie in leven kunnen blijven. Vaak worden ze langdurig kunstmatig gevoed. Tegen de tijd dat ze sterk genoeg zijn om zelf te gaan eten of drinken, lukt dat niet meer omdat hun mondmotoriek totaal niet is ontwikkeld. Eten is voor zulke kinderen wezensvreemd. Ze weigeren stelselmatig iets in hun mond te nemen. In negen van de tien gevallen gaan ouders dan in wanhoop hun kind dwangmatig voeden en groeit de kans op een chronische eetstoornis.

Theo Beentjes, vader van Luuk, die jarenlang weigerde te eten, ontdekte hoe weinig deskundige hulp er voorhanden was. ‘Uit boosheid en frustratie’ richtte hij in 1997 de Vereniging voor Ouders van Kinderen met Chronische Voedselweigering en Sondevoeding op.

Verwend kind

Luuk was zeven weken oud toen hij slecht begon te drinken en ging spugen. Onderzoek in het ziekenhuis wees uit dat hij een hartafwijking had en niet de kracht had om te drinken. Toen hij vier maanden oud was werd hij geopereerd. Beentjes: ‘Luuk genas voorspoedig, de hartkwaal was verholpen en conditioneel gezien kon hij weer een fles leeg drinken. Maar technisch gezien kon hij het niet meer.

Zo rond de drie, vier maanden is er een belangrijke fase in de ontwikkeling van de reflexen in de mond. Als een kind dan nog steeds met slangetjes wordt gevoed, blijven de prikkels om zelf te leren eten uit. Wanneer je dan het mondgebied negatief prikkelt door telkens weer die speen of dat lepeltje erin te stoppen, ontwikkelt een kind snel een aversie tegen eten en drinken. Maar daar wisten mijn vrouw en ik toen nog niets van. De kindercardioloog zei dat Luuk weer gezond was en gewoon kon drinken. Wij moesten hem maar eens flink aanpakken, want we hadden hem maandenlang te veel vertroeteld, vond hij. En dat is eigenlijk wat de meeste mensen in onze omgeving zeiden: gewoon een verwend kind. Dus wij pakten Luuk aan. We dwongen hem te drinken. Maar daardoor ging hij zich zo wapenen tegen het eten dat hij al begon te spugen als hij de fles alleen maar zag.’

Groeicurven

Luuk dreigde uit te drogen en werd opgenomen. Hij verliet het ziekenhuis met een sonde, maar ook de sondevoeding spuugde hij uit. De eetstoornis was uitgegroeid van een technisch probleem tot een gedragsprobleem. Beentjes: ‘Ik kan nu zeggen dat we de eerste jaren nogal verkeerd bezig zijn geweest. Door gebrek aan kennis en de juiste steun maak je enorme fouten. Toen ik me dat realiseerde, heb ik die vereniging opgericht.
Meteen kreeg ik het hele scala van ouders aan de telefoon: die van de “totaalweigeraars” tot gewoon die van de lastige eters.’-
Met name die laatste groep groeit heel snel. Beentjes heeft het idee dat het nog maar het topje van de ijsberg is. ‘Veel mensen durven niet met het probleem naar buiten te komen, juist omdat eten zo normaal is of. hoort te zijn. Als ouders met kinderen die slecht eten bij het consultatiebureau komen, krijgen ze het meestal nog eens extra te verduren, want dan komen de groeicurven voor de dag. Velen raken daarvan zo van streek dat ze niet meer gaan.’

Risicomoment

‘Thuis val je het kind constant lastig met eten, de sfeer aan tafel raakt verpest en het hele gezin gaat eronder lijden. Als je in die fase belandt, red je het als ouders haast niet meer om dat alleen op te lossen. Er bestaat bovendien geen eenvoudige remedie. Bijna alle eetstoornissen die geen duidelijke medische achtergrond hebben, ontwikkelen zich vanaf een bepaald risicomoment. Bijvoorbeeld nadat een kind bijna ergens in stikte, door een amandeloperatie, door chronische obstipatie of gewoon door een traumatische gebeurtenis. Zo vertelde een moeder me dat ze haar dochtertje toen het drie dagen oud was lepeltjes met wortelsap moest voeren om haar te laxeren. Vanaf dat moment was er een probleem met drinken. Maar moet je je ook voorstellen, dat je drie dagen oud bent en voortdurend zo’n hard lepeltje in je mond krijgt. Geen wonder dat een kind daar niet aan mee doet.’

Eettherapie

Toen Luuk drie jaar was kwam hij terecht bij dr. Wauters van het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht (WKU), een van de weinige artsen in Nederland die is gespecialiseerd in deze problematiek. De therapie van Wauters was erop gericht Luuk geleidelijk weer vrijwillig aan tafel te krijgen. Beentjes: ‘Hij moest leren wat honger is. Eerst kreeg hij een leeg bordje voor zijn neus totdat hij zelf om iets erop vroeg. Maar als hij dan een doperwtje at, kwam dat er meestal meteen weer uit.
Op zo’n moment moet je de discipline opbrengen om dat te laten gebeuren, want als je zegt dat spugen aan tafel niet mag, zal hij ook dat doperwtje niet meer nemen. Vier jaar heeft het geduurd voor Luuk van de sondevoeding kon overgaan op zelf eten. Met de eettherapie die het Eetteam van het WKU ontwikkelde, kan dat sneller gaan, maar de reis van en naar Utrecht vermoeide Luuk te veel.’
Hoewel Luuk eten nooit echt prettig zal vinden, is hij intussen een gezonde jongen van zeven geworden. Van die zeven jaren kreeg hij er bijna zes sondevoeding. Theo Beentjes: ‘We hebben in de zaak berust en onze frustratie omgezet in actie. Ik vind het nu ook niet meer zo erg dat het zo’n tergend langzaam proces is geweest. We hadden die tijd nodig om weer gewoon ouder te leren zijn en niet meer alleen over het eetprobleem te praten. Bovendien hebben we daardoor veel ervaring opgedaan waarmee we lotgenoten kunnen helpen.’
.

Petra Weede, Weleda Puur Kind nr. 5, lente 2000

Petra Weedaboeken

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1652-1548

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-1/2)

.

Zie voor een inleiding op deze artikelen deel 1

Een artikel – vanuit weer andere motieven – over het basisinkomen stond op 7 juli 2018 in Trouws Letter en Geest.

ARBEID EN INKOMEN

‘Doe het-zelf voor een ander’ (2)

Samenleving koerst aan op loskoppeling arbeid en inkomen

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid acht de tijd* niet rijp voor het invoeren van een basisinkomen. Arnold Henny denkt daar anders over. Hij ziet symptomen in de samenleving die wijzen in de richting van loskoppeling van arbeid en inkomen.

De crisis in de huidige verzorgingsstaat doet denken aan het verhaal van de man die een brandkast kocht om er zijn geld veilig in op te bergen. Toen hij de brandkast in huis had merkte hij tot zijn schrik dat het geld, dat hij wilde beveiligen, aan de aanschaf was uitgegeven.

Met een soortgelijke schrik ontdekken thans veel mensen, in ambtelijke en niet- ambtelijke instanties, dat onze verzorgingsstaat niet meer financierbaar blijkt te zijn. Als in paniek worden plotseling subsidies afgekapt en wordt er allerwege geknabbeld aan rechten die ontstaan zijn uit overwegingen van sociale zekerheid. Het geld is op. Het is uitgegeven aan de opbouw van onze gigantische brandkast, waarmee de verzorgingsstaat in de afgelopen jaren van economische groei de arbeidende en niet- arbeidende bevolking heeft willen verzekeren van de wieg tot aan het graf.

Men kan dit nagaan aan de hand van de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De kosten voor sociale zekerheid stegen van 1965 t/m 1982 van 10.9 miljard tot 115.8 miljard, die voor gezondheidszorg van 1963 tot 1982 van 2.4 miljard tot 31.8 miljard. De uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning gingen van 322 miljoen naar 5 miljard, de kosten voor onderwijs van 4.3 miljard  naar 23.2 miljard. (gulden). Dat is een tienvoudige verhoging voor sociale zekerheid, een veertienvoudige verhoging voor gezondheidszorg, een zeventienvoudige verhoging voor ontwikkeling en ontspanning, een zesvoudige voor onderwijs. Daartegenover staat een toename van het nationaal inkomen van 62.5 miljard tot ongeveer 237.5 miljard, een ongeveer drie en halve verhoging.

De financiering van deze voorzieningen geschiedt voornamelijk via belastingen en leningen. De belastingen stegen van 1965 tot 1982 van 16.7 miljard tot 96.8 miljard. (Per hoofd van de bevolking, van 1.3 duizend tot 6.7 duizend.) Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven steeg van 1.3 miljard tot 29.5 miljard.**

De vergelijking tussen de man die een brandkast heeft gekocht en de overheid, die zijn onderdanen sociale zekerheid wil bieden, gaat hier niet helemaal op. De overheid kan zijn tekorten altijd aanvullen door belastingverhoging, de particulier kan dit niet. Wanneer hij zijn financiële verplichtingen niet meer na kan komen, wordt hij failliet verklaard.

Toch blijft ‘sociale zekerheid’ min of meer afhankelijk van economische welstand. Ook staten kunnen failliet gaan, of een faillissement toedekken door inflatie. De laatste tijd geven Zuid-Amerikaanse republieken hierover nog al eens een voorbeeld van aanschouwelijk onderwijs.

Twee beginselen

Nu berust de zekerheid in onze verzorgingsstaat op twee beginselen. Het eerste houdt in dat sociale verzekeringen die beschermen tegen verlies van inkomen door werkloosheid, ziekte en invaliditeit (WW, ZW, en WAO) gebaseerd zijn op het beginsel dat evenredigheid – equivalentie – bestaat tussen de betaalde premies en de uitkeringen, tussen het laatst verdiende loon en de uitkeringshoogte. Daarnaast zijn er de volksverzekeringen, zoals bijvoorbeeld de AOW. Daarbij betaalt iedereen tot een zekere grens een gelijk percentage van zijn inkomen aan premie, maar de uitkeringen zijn voor iedereen gelijk. De hoogte van de uitkering is dus onafhankelijk van het laatste verdiende loon. Met deze volksverzekering vindt een herverdeling plaats van het nationaal inkomen: een deel van het inkomen van de rijken wordt overgedragen naar de armen. Zo’n herverdeling via een omslagsysteem berust dan niet op het beginsel equivalentie maar op het beginsel solidariteit. Al deze uitkeringen zijn waardevast en groeien mee met de inflatie. Ook wanneer men een algehele loskoppeling van inkomen en arbeidsprestatie invoert, hebben we met een solidariteitsbeginsel te maken, dat zal leiden tot herverdeling van het nationaal inkomen. Waardevast inkomen, bestemd voor iedereen, is dan onafhankelijk van vooropleiding, onafhankelijk ook van het soort werk, lichamelijk of geestelijk.

Zoals in een vorig artikel is vermeld, heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid reeds aandacht besteed aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, hetgeen zou leiden tot een inkomensoverdracht van 36 miljard bij een basisinkomen van f 5000,- voor alle 24- tot 65-jarigen. De Raad achtte een dergelijke ingrijpende verandering van maatschappijstructuur nog niet haalbaar, maar acht invoering niet onmogelijk wanneer de publieke opinie hiervoor rijp is. Daarmee is ook de ‘haalbaarheid’ van het voorstel van Prof. Kuiper, namelijk erkenning van een onvoorwaardelijk recht op inkomen, gepaard met volledige ontkoppeling van inkomen en arbeidsprestatie op de lange baan geschoven.

De ondoorzichtigheid van de samenleving

Niet dat de maatschappij door al deze overheidsvoorzieningen, in haar geheel doorzichtiger zal worden. Zet eens een aantal sociale wetten die de laatste 35 jaar tot stand zijn gekomen, op een rijtje: AOW, WAO, AAW, AWBZ, AKB, WW, ZW, WAM, RWW, ABW, AWBZ…Alles tesamen een letterslot dat slechts gehanteerd kan worden door een betrekkelijk kleine groep deskundigen. Dat hoort bij de brandkast, waarin al deze verzekeringen moeten worden opgeborgen. De deur die toegang geeft en het inzicht opent in de werking van al deze vormen van inkomensoverdracht, zit op slot. Slechts een klein aantal ingewijden kan een overzicht hebben hoe dit sleutelsysteem werkt.

En wat de financiering betreft via de belastingen, deze is thans wel aan zijn maximum toe. Bij verdere verhoging stuit men op weerstand, niet alleen uit onbehagen, maar ook omdat twijfels ontstaan aan de legitimiteit. De ‘Bijsterveld-enquête’ bracht aan het licht dat tweederde van de ondernemers fraudeert. Het zwarte circuit dat in omloop is – men schat het op 30 miljard – duidt erop dat frauderen langzamerhand een nationale eigenschap is geworden in dit land van ‘kooplieden en kruideniers’. Daarnaast wordt een legitieme weg bewandeld door afwenteling. Van ondernemerszijde kan dat leiden tot verhoging van prijzen, van de zijde van vakbeweging tot eisen van hoger loon. Is dat nog solidariteit, wanneer de werkende bevolking blijkt niet meer bereid te zijn de niet werkenden – dus juist de ouderen, zieken, werklozen, jeugdigen en studerenden – te onderhouden? Of is solidariteit via het overheidsmechanisme afgestompt tot automatisme, waarbij de directe betrokkenheid tussen burgers onderling geheel verloren is gegaan? Ook de toename van de overheidsschuld (per hoofd van de bevolking van f 3.357 in 1965 tot f 13.953 in 1982) waarmee de toename van sociale voorzieningen moet worden gefinancierd, maakt de maatschappij er niet doorzichtiger op. Al deze schulden moeten niet alleen worden afbetaald, er moet ook rente voor worden betaald.

Men leze de zojuist uitgekomen publicatie van de lezing die Prof. Brüll in november 1982 heeft gehouden voor de Erasmus Liga over de ‘Kwitantie van de verzorgingsstaat’. Hij wijst daarbij op het feit dat met tien procent inflatie de reële overheidsschuld jaarlijks eveneens met tien procent afneemt. Ook hier kan men spreken van een voor de burgers onmerkbare belastingheffing, die alle zicht ontneemt op wat, door middel van deze gedwongen schenkingen, zich in werkelijkheid voltrekt.

Een meest ‘pijnloze’ wijze van belastingheffing vindt in de Sovjet-Unie plaats. Daar worden de belastingen aan de bron van het productieproces geheven: op elke ton steenkool of ijzer, op elke KW energie die de natuur oplevert. Het prijspeil van alle consumptiegoederen wordt er door beinvloed. Wie in de winkel een broodje koopt of een nieuwe schrijfmachine, financiert daarmee zowel de ballerina’s van het Bolsjoi-theater als de productie van SS-20 raketten, zonder dat men zich daarvan bewust is.

Een gedwongen solidariteitsheffing dus, waardoor de staat niet alleen als weldoener kan optreden maar ook een machtsapparaat opbouwt, nodig om de burger onder druk te zetten. Daar is gelukkig onze Nederlandse verzorgingsstaat nog niet aan toe, hoewel Brüll er op wijst dat wij reeds een aardig eind op weg zijn. (Zie ook zijn artikelen in Jonas (12e jaargang 14,15,16, niet op deze blog). In het algemeen kan wel worden gezegd dat wanneer het overheidsapparaat meer dan zestig procent van het nationaal inkomen herverdeelt, het de tactiek kan toepassen van ‘sticks and carrots’, waarmee ezels worden gedresseerd: met behulp van stokslagen enerzijds, worteltjes anderzijds…

Maar wat is solidariteit dan eigenlijk? Hoe verhoudt deze zich tot het proces van emancipatie ten aanzien van de arbeid? Hoe ligt deze verhouding in een drieledige maatschappijstructuur?

Sociologische basiswet en sociale hoofdwet

Rudolf Steiner wijst in 1898 – in een artikel over Vrijheid en samenleving in het Magazin für Literatur reeds op een ‘soziologisches Grundgesetz’ (sociologische basiswet). Hij formuleert deze als volgt: ‘De mensheid streeft in het aanvangsstadium van de cultuurontwikkeling naar het totstandkomen van sociale gemeenschapsvormen. Ten behoeve daarvan wordt aanvankelijk het belang van het individu opgeofferd. De latere ontwikkeling voert tot bevrijding van het individu uit het gemeenschapsbelang en tot vrije ontplooiing van de behoeften en de capaciteiten van de enkeling’.

Daarnaast kan worden gewezen op een ‘Soziales Hauptgesetz’ (sociale hoofdwet) die Rudolf Steiner in 1905 formuleert in een artikel van het tijdschrift Luzifer-Gnosis. Deze luidt als volgt: ‘Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op de opbrengsten van zijn prestatie, dat wil zeggen, naarmate hij meer van deze opbrengsten aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn eigen behoeften niet door zijn eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd’.
Hij voegt daaraan toe: ‘Alle regelingen binnen een geheel van mensen die in tegenspraak zijn met deze wet, moeten op de lange duur ergens nood en ellende voortbrengen. Deze hoofdwet geldt voor het sociale leven even absoluut en onontkoombaar als een natuurwet geldt binnen een bepaald gebied van de natuur. Men moet echter niet denken dat het voldoende is deze wet als algemene morele wet op te vatten; ook moet men haar geenszins in zo’n gezindheid om willen zetten dat iedereen in dienst van zijn medemensen zou moeten werken. Neen, deze wet heeft alleen uitwerking wanneer het een gemeenschap van mensen gelukt om in de praktijk regelingen te treffen dat niemand de vruchten van zijn werkzaamheden voor zichzelf kan opeisen, maar dat deze, zo mogelijk in hun geheel aan de gemeenschap ten goede komen. Hij zelf moet dan anderzijds door het werk van zijn medemensen worden onderhouden. Waar het nu op aankomt, is dat werken voor je medemensen en een bepaald inkomen verkrijgen, twee geheel uit elkaar gescheiden zaken zijn’.

Op deze ‘sociale hoofdwet’ komt Rudolf Steiner in zijn later werk nergens meer terug. Niettemin blijkt dat hij er steeds van uitgaat. In De kernpunten van het sociale vraagstuk wijst hij herhaalde malen op het feit dat de arbeid van de mens het karakter van koopwaar heeft gekregen en dat dit zo blijft wanneer men niet een manier vindt arbeid los te maken van de wet van vraag en aanbod in het economische proces en wanneer men de arbeid uitsluitend aanvaardt als een sociale factor. Dit zou dan moeten leiden tot een ontkoppeling van prestatie en loon.

Vrijheid – gelijkheid – broederschap

Er is al vele malen gewezen op de drie idealen van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap, en hun toepassing in het praktische leven. Dit houdt in dat de impuls van de vrijheid zijn verwerkelijking moet vinden op geestelijk gebied, dat naar gelijkheid moet gestreefd worden in het rechtsgebied, terwijl het samenwerken in economisch gebied moet berusten op broederschap, dat wil zeggen het dragen van wederzijdse verantwoordelijkheid. Het is wel duidelijk dat bijvoorbeeld door nationalisatie van het bedrijfsleven de overheid, ter wille van de collectiviteit, in hoge mate afbreuk doet aan de wederzijdse verantwoordelijkheid, die de kern zou moeten zijn van een op zichzelf staand economisch leven.

Deze wederzijdse verantwoordelijkheid leefde in zekere zin al in het oude gildeverband maar ging teloor aan het einde van de Middeleeuwen, toen de individuele ondernemer zich emancipeerde uit het gemeenschapsverband van de gilden als onderdeel van de standenmaatschappij.
In deze emancipatie liggen de kiemen van het op eigenbelang gebaseerde handelskapitalisme. In de achttiende eeuw zou hieruit, met de opkomst van de industrialisatie, de ‘law of the jungle’ groeien, onder invloed van de opvatting dat economische welvaart voortkomt uit de behartiging van het individueel eigenbelang. Wij zien hier het verloop van de sociologische basiswet, die wijst op de geleidelijke bevrijding van het individu uit de gemeenschapsbanden.

Tussen de tijd van de gilden en de industriële revolutie speelt zich een enorme evolutie af: met de ontdekkingsreizen ontstaat ook de wereldhandel, enerzijds vrije ontplooiing van de op eigen risico handelende ondernemer, anderzijds, door vrijhandel, een wereldomvattende arbeidsverdeling, die leidt tot steeds toenemende wederzijdse afhankelijkheid.

De industrialisatie heeft een nog verdere ontwikkeling van mondiale arbeidsverdeling ten gevolge gehad in verband met grondstof verwerkende en grondstof verbruikende landen. Een grote rol speelt hierbij de research. Iedere nieuwe uitvinding die ergens ter wereld plaats vindt, leidt tot waardestijging van bepaalde grondstoffen. Zo steeg de waarde van steenkool door de uitvinding van de stoommachine, die van de aardolie, door de uitvinding van de explosiemotor (bij auto en vliegtuig), die van uranium door de kernsplitsing en het ontstaan van de kernenergie. Voorbeelden die op ieder gebied van de economie kunnen worden aangevuld. Zo is ook de opbrengst van de oliemaatschappijen in het Midden-Oosten, niet alleen te danken aan eigen arbeid maar ook aan arbeid, die plaats vindt in de researchcentra in de vliegtuigfabrieken en autofabrieken in Palo Alto en Detroit in Amerika. Dan ziet men dat ‘het werk van de anderen’ van invloed is op de resultaten van het ‘eigen werk’, en dat de ‘waarde’ van eigen prestaties nauwelijks meer is vast te stellen omdat vele anderen daar reeds invloed op hebben uitgeoefend. Het causaal verband tussen eigen arbeid en inkomen wordt daardoor verbroken. In feite vindt nu reeds een loskoppeling plaats, die wordt toegedekt door het mechanisme van de wet van vraag en aanbod op de vrije goederen- en arbeidsmarkt. Zo treedt de ‘sociale hoofdwet’ al in werking vóórdat deze bewust wordt aanvaard. Eigen behoeften worden dan niet meer door eigen prestaties, maar ook door de prestaties van anderen bevredigd.
Daardoor is deze sociale hoofdwet niet alleen meer een aangelegenheid van arbeidsethiek of van ‘altruïstische’ gezindheid, waardoor iedereen in dienst van zijn medemens zou móeten werken. In feite wérkt reeds iedereen in dienst van zijn medemens onder invloed van arbeidsverdeling als een vorm van ‘objectief altruisme’. De consequentie dat niemand meer de vruchten van zijn eigen werkzaamheden voor zichzelf zou kunnen opeisen, wordt nog niet getrokken. Wel blijkt dat onze samenleving daar meer en meer naar toegroeit, naarmate het industrialisatieproces zich voortzet en daarmee de wederzijdse afhankelijkheid, bijvoorbeeld tussen geestelijke en lichamelijke arbeid.

Als zodanig is ook het vraagstuk van de ‘emancipatie ten aanzien van de arbeid’ te bezien. Niet alleen meer als een bevrijdingsproces – in overeenstemming met de sociologische basis – maar ook als een proces aangaande versterking van wederzijdse verantwoordelijkheid in overeenstemming met de sociale hoofdwet. Vrijheid en verantwoordelijkheid vullen elkaar aan, zonder dat ze met elkaar in conflict behoeven te komen. Emancipatie als bevrijdingsproces is een aangelegenheid van het rechtsleven, van strijd voor gelijke rechten, tegen discriminatie. Zo zijn de emancipatiebewegingen van de laatste twee eeuwen te bezien: emancipatie van de burger uit de feodale orde van de standenmaatschappij (eind achttiende eeuw), emancipatie van de arbeider, van de vrouw, van de niet blanke bevolking in de negentiende en twintigste eeuw. Zo zijn ook de politieke partijen – confessioneel, liberaal, socialistisch – als emancipatiebewegingen ontstaan in de verschillende fasen van de cultuurgeschiedenis van Europa.

De oude emancipatorische doelstellingen schoolstrijd, uitbreiding van het kiesrecht, klassenstrijd) zijn thans vrijwel achterhaald zodat zij de kiezers niet meer aanspreken. Wel heeft in politiek driestromenland de overheid langzamerhand, buiten haar eigenlijke functie in het rechtsleven, de verzorging van een groot deel van het culturele leven en het economische leven op zich genomen. Daarmee neemt de overheid steeds meer verantwoordelijkheid van de burger over.

Nieuwe fase van het emancipatieproces

Zo staan wij voor een nieuwe fase van het emancipatieproces door het eisen van ruimte voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid in deze – eigenlijk niet binnen de staat vallende – gebieden. Men behoeft niet te vrezen daarmee te vervallen in de oude ‘nachtwakerstaat’ waarbij de overheid het geestesleven en het economische leven geheel aan zichzelf overliet. Als waarborg daartegen zijn er thans de sociale grondrechten; op onderwijsgebied het recht op ontwikkeling; op economisch gebied de waarborg dat arbeidsprestatie wordt losgekoppeld van inkomen en daardoor niet tot koopwaar – in strijd met de waardigheid van de mens – behoeft te degraderen. Daarop wijst ook Brüll in zijn Erasmuslezing.
Dat is iets geheel anders dan wanneer de staat zélf de verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van het onderwijs of voor de groei van economische welvaart als aangelegenheid van sociale gerechtigheid.

Hoe is nu de loskoppeling van arbeidsprestatie en inkomen in een rechtsstaat te verwezenlijken? Wij zagen dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de tijd nog niet rijp acht voor de invoering van een basisinkomen voor iedereen van f 5000,- per jaar. Maar de kosten hiervoor – 36 miljard – zouden op den duur kunnen worden opgebracht uit drastische bezuinigingen op alle subsidies die de verzorgingsstaat thans uitdeelt om bedrijven en culturele instellingen in het leven te houden. Dat houdt dan een totale herziening van ons fiscale systeem in. Subsidies zouden rechtsstreeks moeten worden opgebracht via schenkingsgeld en investeringen van de burgers onderling en veel minder langs een omweg, via herverdeling van belastingopbrengst door de overheid.

Daarnaast bestaan nog andere waarborgen tegen de terugkeer van de oude liberale ‘nachtwakerstaat’, waarborgen tegen het misbruik van het eigendomsrecht als ‘droit sacré et inviolable’ en als machtselement in het kapitaalvormingsproces. De staat behoeft daarbij niet zelf eigenaar te worden van de productiemiddelen via nationalisatie, maar kan het tijdelijk beheer hiervan doen overdragen aan bepaalde groeperingen van mensen, waarvan de individuele capaciteit een waarborg vormt dat dit beheer ten goede komt aan de gehele gemeenschap.

Men kan hier tegenin brengen: daar is thans de samenleving, noch mentaal, noch organisatorisch, aan toe. Toch zijn er reeds enkele symptomen aan te wijzen waaruit blijkt dat de samenleving bezig is daar naartoe te groeien. Dit blijkt onder andere uit de plotseling overal opduikende roep om ‘privatisering’ (als een liberaal-confessionele vervanging van het uit pauselijke encyclieken stammende ‘subsidiariteits’-beginsel).

En wat de ontkoppeling betreft, deze zou als een leerschool kunnen worden gezien voor de 496000 ambtenaren en 485000 ‘trendvolgers’ die een ‘waardevast’ inkomen van de overheid ontvangen. Wanneer een deel van hen later afvloeit naar ‘buitenstatelijke’ werkkring beschikken velen over de ervaring dat inkomen niet afhankelijk behoeft te zijn van het vast aantal uren werk dat zij per dag hebben verricht. Want dat geldt zeker niet voor hen die dagelijks overwerk hebben verricht. Daar vindt, uit verantwoordelijkheidsbesef, een volledige ontkoppeling plaats van ‘werken’ en ‘verdienen’. Daar heeft men geleerd dat men niet alleen werkt om een inkomen te ontvangen, maar dat men ook een inkomen kan ontvangen om te kunnen werken, voor het belang van anderen…

Misschien echter, zal de huidige werkloosheid een hardere leerschool zijn de mogelijkheid tot werken, niet alleen als een recht maar ook als een voorrecht te kunnen zien. Men neme als voorbeeld de arbeid van duizenden vrijwilligers, die een nieuwe motivatie vinden voor hun arbeid. In die zin kan dan ook het vraagstuk van de ‘emancipatie ten aanzien van de arbeid’ worden gesteld; niet alleen meer vanuit de strijd voor gelijkheid van rechten, maar ook vanuit groeiende bereidheid tot het dragen van verantwoordelijkheid ten dienste van anderen.

Arnold Henny, Jonas 14, *04-03-1983

.

**bedragen nog in guldens, dus te delen door 2,25 voor de euro. De verhoging van de ziektekosten is elk jaar en in de laatste jaren zelfs fors gestegen.
.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

zie ook: De eigenlijke vraag is niet of het basisinkomern financierbaar is

1651-1547

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – alle artikelen

.

Op deze blog staan niet veel artikelen over de bovenbouw van de vrijeschool: de middelbare school. 
Dat heeft te maken met het feit dat ik onderbouwleerkracht was en weinig artikelen heb bewaard die over de bovenbouw gingen.

Toch heb ik er nog wel een paar en die worden hier gepubliceerd.

Ze hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen die over de 11e klas gaan, zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

AARDRIJKSKUNDE
[1] Christoph Göpfert over: aardrijkskunde-overzicht klas 4 t/m 12

WISKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE
Verwijzing voor de behandeling van de zonnewijzer.

GESCHIEDENIS
11e, 12 klas:
Omzien in verwondering
Willem F.Veltman
over: het conflict tussen Israël en de Arabische wereld; achtergronden vanuit een Bijbels verleden; de impuls van Gondishapur; wat kan de taak van Europa zijn.

Boetseren in klas 9 – 11
Een kleine impressie

KUNSTGESCHIEDENIS

[1Henri Zagwijn over: Welke betekenis kan het oude Griekendom voor ons hebben

MEETKUNDE
Klas 8 t/m 12

NATUURKUNDE
[1] Peter Landweer over: elektriciteit.

NEDERLANDS

De roos
Jelle van der Meulen over:
poëzie; Gerrit Achterberg en Arie Gerlderblom; beleven van een gedicht; denken en waarheid; roos; subjectief en objectief; Xavier Villauruttia; Rilke.

NIET-NEDERLANDSE TALEN

Een creative benadering van de vreemde talen
René M. Querido
over: talen in klas 9, 10, 11 en 12: voorbeelden van literatuur, gedichten enz,; hoe kind een taal leert; ‘typisch’ Duits, Frans, Engels; de sociale kant van een taal kennen.

PARZIVAL
[1] Groots en meeslepend wil ik leven
Henk Spijker
over: de periode; hoe kan het verhaal de 11e-klasser in zijn ontwikkeling verder helpen.

[2Het netwerk van Parzival
Mark Mastenbroek

[3-1] Een Middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg
Jacobus Knijpenga

[3-2] deel 2

[3-3] deel 3

[4] De drie bloeddruppels in de sneeuw
L.F.C.Mees

[5] Parzival, Middeleeuws gedicht met moderne strekking
Peter de Beer

[6] De weg van Parzival en de weg van Lohengrin
Gieljan Vingerhoets

1650-1546

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – aardrijkskunde

.

landschappen en mensen in andere werelddelen: Azië

Mensvorming door aardrijkskunde (5)

In de twee laatste jaren* waarin je klassenleraar bent komt het tot een afsluiting wat de behandeling van de landen betreft. Bouwend op het meer systematische overzicht van de hele aarde in klas 6, moet de blik nu minder gericht worden op de economische omstandigheden, maar veel meer op de geestelijke en culturele.
In de ontwikkeling van een kind vindt in de vóórpuberteit een duidelijke verandering plaats in de richting van het aards-materiële. Niet alleen de lichaamsbouw wordt steviger en beniger; ook het gedrag in de klas en tegenover de volwassenen wordt ‘robuster’. De ontwakende oordeelskracht meldt zich en vraagt om voedsel. Dat wordt in de eerste plaats door het leerplan gegeven door de nieuwe vakken natuur- en scheikunde.
In de aardrijkskundelessen wilde Rudolf Steiner daarom juist die kant benadrukken die de leerling voor een te sterk onderduiken in materiële samenhangen beschermt. Steiner beschijft de opdracht voor de 7e en 8e klas zo:

Nadat u, zoals gezegd, alles wat u de kinderen hebt geleerd over het economische leven kort hebt herhaald voor de hele aarde, en u misschien al een half jaar geschiedenis hebt gegeven zoals we dat hebben leren kennen, dan is dat een goed moment om over te gaan tot de geestelijke, de culturele omstandigheden van de mensen die die verschillende werelddelen bewonen.** Maar vergeet u niet om deze verschillen pas te behandelen nadat u door de eerste geschie­denislessen de ziel daarvoor enigszins ontvankelijk hebt gemaakt. Dan vertelt u ook hoe de verschillende volkeren met hun specifie­ke karakter over de aarde verdeeld zijn. Maar spreekt u niet eer­der over verschillen in karakter tussen volkeren dan rond deze tijd, want dan hebben kinderen pas de basis die ik u geschetst heb om dit soort dingen het beste te begrijpen. Dan kunt u ze vertellen over het verschil tussen Aziatische, Europese en Amerikaanse vol­keren, over het verschil tussen volkeren in Zuid-Europa en Noord- Europa. Dan kunt u ertoe overgaan aardrijkskunde geleidelijk aan met geschiedenis te verbinden. Als u dit doet, bij voorkeur tussen het twaalfde jaar en het veertiende à vijftiende jaar, dan vervult u daarmee een mooie taak waar de kinderen vreugde aan beleven. U ziet dat we in de aardrijkskundelessen buitengewoon veel moeten onderbrengen, wil aardrijkskunde inderdaad een soort samenbundeling zijn van alle andere vakken. [1]

Nu moet je de verwijzing naar de geschiedenis niet zo begrijpen dat aardrijkskunde een soort cultuurkunde zou moeten worden die meer met het verleden dan met het heden van deze aparte gebieden op aarde bezig is. In de aardrijkskunde gaat het steeds om de ruimte en daarvan moet je met de behandeling uitgaan. De culturele omstandigheden waarover het nu moet gaan, moeten tegelijk met het landschap bekeken worden waarin die ingebed zijn. Je zou de gemeenschappelijke signatuur moeten zoeken die werkzaam is in de natuur en de cultuur van een gebied. In dat opzicht moet je ook in de 7e en 8e klas de natuurlijke feiten van de werelddelen, hun indeling in het groot enz. bekijken, zoals je in de 6e klas met de kinderen hebt geoefend. Toen ging het om het begrijpen van de grote Europese gebieden om de invloed van de elementen aarde, water lucht en warmte. En bij een eerste kennismaking met de hele aarde – eveneens in klas 6 – probeerden we aarde en werelddeel als organisme te begijpen, door levensprocessen gevormd, waartoe toch ook de harder wordende ‘beendervorming’ behoort.
Je moet voor alle twee de klassen besluiten aan welke werelddelen je ‘de geestelijke omstandigheden van de mens’ duidelijk wil maken en waar je vergelijkend terug kan kijken op wat al bekend is. Want de vier overige werelddelen (Afrika, Australië, Azië, Amerika) zal je niet in een vloek en een zucht willen behandelen. Als je in de 6e klas goed voorwerk hebt verricht, dan kun je in de 7e klas in een periode van vier weken (wanneer twee perioden er niet inzitten) allereerst ‘de oude wereld’ behandelen, omdat die met de oude culturen de kinderen het meest dichtbij staat en Amerika in dit schooljaar bij geschiedenis ‘ontdekt’ wordt.
Aan Azië als voorbeeld willen we laten zien, hoe je in het begin het hele werelddeel als ruimtelijk gebied nemen kan om dan de geestelijk-culturele kleur van een deel van het landschap uit te werken. De leerkracht moet aanschouwelijker maken wat hier maar een schets moet blijven.

Centraal Azië – ‘het geraamte’ van het continent 

Bij de blik op het ‘lichaam’ van Azië verschijnt Centraal-Azië met het compacte hoogland van Tibet, een bergketen die in het noorden tot aan het Baikalmeer doorloopt met bekkens en in het westen het aangrenzende steppenplateau van Kazachstan waar geen water vanaf komt, als het ‘geraamte’ van het werelddeel. Het element aarde overheerst hier. Samenballing en afsplitsing, als samentrekken en loslaten, is het vormingsprincipe van alles wat leeft, vinden we hier veelvuldig in de vorming van het jonge plooiingsgebergte terug. Het hoogland van Tibet, de hoogtepool van de aarde, rijst in het westen uit de gebergten van de Pamir ‘het dak van de wereld’ omhoog en wordt in bogen breder tussen Himalaya en Kunlun, verdeeld in zeer vele losse bergketens die in het bevroren puin van de hooggelegen dalen ‘verdrinken’ en balt zich weer samen tot een plooiingsknoop in Achter-Indië. Het hooggebergte– en woestijnklimaat veroorzaken extreme omstandigheden. Naar het noorden toe maken een paar aparte bergketens zich los en omsluiten woestijngebieden zonder waterafvoer: Tarimbekken, Dzjoengarije, Gobi. Ten westen van Tiensjan, naar het Balkasj- en Aralmeer opent het landschap zich in de ‘hongersteppe’ van het Russische Midden-Azië, waarvan de rivieren eveneens het meer niet bereiken. Overal heerst het motief dat het water op berghoogte, waar zelfs gletsjers zijn, zich terugtrekt, zodat de rivieren uitdrogen, steppen en woestijnen ontstaan. De materie valt uiteen.
Ondanks deze vijandigheid t.a.v. het leven zorgt de natuur voor evenwicht: zouden de bergketens naar het noorden toe niet verdwijnen en bekkens omsluiten, dan zou het hoogland van Tibet tot in Mongolië doorlopen, dan zou heel Centraal-Azië een ijsklomp zijn. Nu kunnn in de dalen subtropische planten worden verbouwd.
Toch hebben mensen dit ongunstige gebied al in een vroegere tijd ingenomen, weliswaar eerst voornamelijk als nomaden, in de dichtbevolkte oasen, maar ook als ambachtslieden en kooplieden (zijdestraat). Met de weidsheid van het landschap hangt het ruimomvattende bewustzijn van haar bewoners samen. De nomaden overzagen door hun trektochten reusachtige gebieden en stichtten heerschappijsystemen die daarbij hoorden. De grote rijken van de Mongolen vonden hier hun oorsprong. Deze staten waren centralistisch opgebouwd en het schijnt dat het bewustzijn van deze mensen de gedachte aan eenheid ook in religieus opzicht in zich droegen. Want de volkeren van deze streek hebben in de loop van de tijd het monotheïsme aangenomen; in de hoge streken van Tibet het boeddhisme met zijn louteringsweg, de islam meer in de verharde, woestijnachtige landstreken. Het is alsof landschap en menselijk bewustzijn door dezelfde geestelijke signatuur bepaald zijn.

Voor-Azië – wieg van oude culturen

Voor-Azië lijkt wel een verkleinde voorfase van Centraal-Azië. Ook hier de knooppunten en vertakkingen van het alpine plooiingsgebergte met het daarin gelegen woestijnachtige bekken (Iran en Anatolië) en een daarvoor gelegen woestijnplateau (Arabië). Het is hier niet meer zo extreem. Het waterelement doet zijn invloed gelden vanaf vijf kanten door randzeeën, door Transkaukasië en Mesopotamië stromen rivieren. Waar in Centraal-Azië samenhangend een woestijn- resp. hooggebergteklimaat heerst, vind je hier een polariteit wat klimaat betreft tussen het woestijnachtige binnenland en de vruchtbare landschappen aan de randen, met subtropische winterregens (Klein-Azië, de ‘vruchtbare halve maan’, de landen van de Kaukasus. Bepalend zijn echter het aarde-element en het warmte-element die in verregaande mate uitdrogings- en verwoestingsprocessen met zich meebrengen. Daartussen liggen echter zones die weer veel leven bevatten waarin er afhankelijk van het jaargetijde vochttoevoer plaatsvindt door regenwinden. Ondanks dat is het een vijandig landschap om er te gaan wonen. Toch treffen we in de door het klimaat bevoorrechte streken de wieg aan van de oude culturen: Perzië, Mesopotamië en Klein-Azië; later kwamen daar het christendom en de islam bij. Daarbij springt het in het oog hoe het christendom in de kleine ruimten, in zekere zin meer in de naar ‘het innerlijk’ liggende landschappen ingeburgerd raakte (Libanon, Armenië, Georgië), terwijl de islam met zijn tendens tot extremisme zich in de uitgedroogde woestijngebieden verspreidde.

Noord-Azië: toendra, taiga, steppengordel

Noord-Azië (Siberië) wordt op een andere manier dan Centraal-Azië door het aarde-element beheerst; op een duidelijk drievoudige weg neemt het van het West-Siberische laagland via het Midden-Siberische bergland toe op weg naar de hooggebergten van Oost-Siberië. In dit extreme continentale klimaat (65º C verschil over het jaar) ligt de koudepool van de aarde, hoewel de korte zomer relatief warm is.  Alleen dan verschijnt het waterelement met de dan ijsvrije stromen. In grote delen van het land is er toch ook dan permafrost; het water wordt zogezegd door het element van het aards-vaste opnieuw vast.
Van het noorden naar het zuiden volgen opnieuw drie zones elkaar op die met het oog op hun levensprocessen verschillend zijn: de toendra van het arctische noorden waar het licht en de vegetatie beperkt zijn – een landschap dat tot aan de kosmos open is [2]; het woudengebied van de Taiga, met weinig boomsoorten, met beperkt bodemleven, de moerasachtige of bevoren ondergrond; de vruchtbare steppengordel, waarin evenwichtige organische processen duizenden jaren lang de vruchtbare zwarte aarde deden ontstaan. In het noorden staat het leven stil, ook voor de mens (het was het gebied van de Goelag, de strafkampen), in het zuiden sinds heel lang volksverhuizingen in beide richtingen – tegenwoordig een gordel van industrie.
Wat het bewustzijn betreft – en daarmee cultureel – bevinden zich de mensen hier in het gedwongen veranderen van oude gevoelsmatige tradities naar het materialistische nuttigheidsdenken. Dat geldt én voor de oorspronkelijke Mongoolse bosbevolking als ook voor de gemigreerde Russen. Voor allemaal is het een moeizaam proces van er innerlijk vrede mee hebben, waarover Valentin Rasputin in zijn romans veel schrijft.
Tegenover het Noord-Azië dat arm is aan nederzettingen, dus cultuurarm, staan de drie Aziatische grote landschappen als uitgesproken samengebalde ruimte, rijk aan cultuur: Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Zuid-Azië. In elk zal je een natuurlijke onderverdeling ontdekken die op de meest verschillende manier door de elementen beïnvloed zijn en de ‘omhulling’ voor de cultuur vormen.

Oost-Azië: ijzig noorden, subtropisch zuiden

In Oost-Azië maken we onderscheid tussen het door de Siberische kou beïnvloede continentale noorden (Amurbekken en Mantsjoerije) en het oceanische subtropische zuiden (Japan-Korea, Noordchinese laagland, Zuidchinese bergland). Hoe verder we naar het zuiden gaan, des te meer nemen niet alleen warmte- water- en stromingsfenomen toe, maar ook de culturele activiteit. De mens bevindt zich in een wisselwerking met de natuur, verandert deze in cultuurlandschappen (rijstterrassen, rivierbeheersing, irrigatie van het Rode Bekken, planten kweken en vroege cultuurtechnieken). De veelzijdige menselijke activiteit in de vroege tijd, waartoe ook het aannemen van het boeddhisme, dus een uitgesproken religie van ‘gene zijde’ hoort, komt in de loop van het historische proces, valt verrassend genoeg bijna stil: filosofie, staatsinrichting, ambtenarij verstarren in hun vorm, die in Japan tot het midden van de 19e eeuw, in China tot in de 20e eeuw voortduren. In een land waarin de persoonlijkheidskrachten eeuwenlang onderdrukt werden, kan het communisme zodanig hardnekkig standhouden, als we nu kunnen meemaken.

Zuid-Azië – subcontinent van de tegenstellingen

Zuid-Azië, d.w.z. Voor-Indië, staat duidelijk onder invloed van de elementen warmte en water, waarbij de laatste in het bijzonder gedurende aan de jaarlijks optredende moessons gebonden is.
Tegenstellingen bepalen het aanzien van dit subcontinent: om te beginnen de bergmuren die het van de rest van Azië scheiden; dan het laagland van de GangesBrahmaputra waar steeds het gevaar van overstromingen dreigt, de belangrijkste levensruimte voor de mensen daar; verder het uit vulkanische deklagen (Duits heeft Dekken, waarvan geen vertaling bestaat) opgebouwde hoogland van Dekan waar men de water’tanks’ uitvond om vocht op te slaan; tenslotte de Induslaagvlakte, die alleen maar in schijn vruchtbaarheid belooft, in werkelijkheid echter woestijnland is en waarvan de uitdroging alleen door kunstmatige irrigatie overwonnen kan worden. Polariteiten ook in het klimaat: een droge, warme winter die met het draaien van de windrichting abrupt in de zwoele zomer overgaat met de wolkbreuken van de moesson. Nog talrijker zijn de culturele tegenstellingen: wat de religie betreft enerzijds de hindoes met hun gevarieerde godenhemel, aan de andere kant Pakistan, bezield door een gevoel van eenheid, steunend op Allah; het Indische kastenstelsel, de ontelbare Indische volkeren en talen (140 in aantal). Ook dat kun je met vele voorbeelden ook nu, concreet schetsen.

Zuidoost-Azië – wereld in wording

In Zuidoost-Azië vinden we tenslotte dat Aziatische grote land dat het sterkst door de ritmische processen, door het water- en warmte-element wordt bepaald. Al aan de grenzen blijkt hoe de Aziatische vastelandmassa in Achter-Indië in aparte schiereilanden uiteenvalt die in vlakke randzeeën naar voren springen en overgaat in het onafzienbare aantal grotere en kleinere eilanden van de Indische Archipel die in de vorm van guirlandes geordend uit de diepzee oprijzen. Grote slibgebieden van de rivieren worden in Achter-Indië door hoge jonge plooiingsgebergten verdeeld en op de eilanden liggen voor de bergruggen zompige laaglanden. Actieve vulkanen, aard- en zeebevingen, koraalriffen op 600m hoogte op de bergen en een merkwaardig verlaagde aantrekkingskracht van de aarde tonen dat we hier te maken hebben met een deel van het aardoppervlak dat nog helemaal niet af is. Het komt nog steeds omhoog, het is dus nog niet helemaal vast geworden.
Het element van het stromende is werkelijk karakteristiek voor de gehele ruimte. De neerslag valt zo rijkelijk dat de laagvlakte in de regentijd in reusachtige amfibische vlakten veranderd worden; de Mekong bijv. kan de watermassa’s niet snel genoeg wegvoeren, zodat een meer in zijn mondingsgebied dat normaal zo groot als het Bodenmeer is, in de regentijd twintig maal groter wordt. Aan de kust strekken zich mangrovebossen uit die met hun luchtwortels in het water groeien; de grens tussen water en land is niet duidelijk meer. De bewoners van deze aarderuimte, de Maleiers wonen op huisboten op de rivieren, in paalwoningen in lagunen en ook op het vaste land houden ze aan de paalbouwmanier vast. Er zijn tuinlieden die drijvende groeibedden in de rivier aanleggen en ook anderszins brengt de natte rijstbouw de mensen voortdurend in contact met het water. Zelfs waar tegenwoordig nieuwe takken van landbouw lokken die meer opbrengen of andere beroepen, laten de Maleiers de rijstbouw niet los. Je krijgt de indruk dat ze zich met het waterelement meer verbonden voelen dan met de vaste aarde.
Ook als je naar de Maleier kijkt, vind je iets van het waterelement terug: de ronde, enigszins dikkere gezichten, de zachte lichaamsvormen, de vloeiende bewegingen, zoals in de dans op Bali. Wat ras betreft zijn de Maleiers een vroege vorm van de Mongolen en in vergelijking met de Chinesen valt de veel minder verharde lichamelijkheid van de Maleiers in het bijzonder op.
In de geschiedenis van deze ruimte vallen de vele volksbewegingen op. Er ontstonden verschillende rijken naast elkaar, ze werden groter en weer kleiner, trektochten van het vaste land naar de eilanden en omgekeerd vonden plaats. Allerlei invloeden van buitenaf speelden een rol, met name het religieuze leven kreeg steeds weer nieuwe impulsen. Oorspronkelijk heerste er het animisme van de natuurvolkeren, dat in dieren, planten, stenen en wateren goddelijke wezens, demonen of de zielen van de voorvaderen beleeft. Door helderziende en magische krachten wordt de verbinding met het bovenzintuiglijke in stand gehouden. In de minder toegankelijke gebieden is deze religieuze houding, ondanks alle latere stromingen tot nu toe blijven bestaan en iedere religie die erbij kwam moest uit het animisme elementen aannemen: het hindoeïsme, het boeddhisme, de islam, het katholicisme. Er ontstonden merkwaardige versmeltingen. Overal voelen we het waterelement! Tegenwoordig bestaan naast elkaar: het boeddhisme in Achter-Indië, de islam in Indonesië, het katholicisme op de Filippijnen en overal daaronder het animisme.
In de nieuwere tijd stroomden met golfbewegingen andere volken naar Zuidoost-Azië: Portugezen, Spanjaarden, Hollanders, Engelsen, Fransen, Indiërs, Chinezen. Van allen namen de Maleiers cultuurimpulsen op, zonder daardoor hun eigenheid te verliezen. Het stroomde door hen heen en de zielenvermogens bleven beweeglijk. Je krijgt de indruk van een volksgroep die zich – anders dan wij Europeanen – met de fysieke aardse omstandigheden niet helemaal verenigt, die niet alleen maar uiterlijk amfibisch tussen land en water leeft, maar ook tussen deze en gene zijde. Spirituele vermogens en praktijken zijn talrijk gebleven, hun muziek werkt door ritme, melodie en de klank van de instrumenten eveneens excarnerend; pantomime, schimmenspel en andere theatervormen, maar ook sagen en sprookjes kunnen worden genoemd. Tot in de politieke bewegingen van deze eeuw (1992) kun je het element van het stromende, de volksbewegingen en bevolkingsverdelingen volgen, processen die vooral in Indochina ook geweld en chaos met zich meebrengen.
Wanneer je met een dergelijke leerweg voor de leerlingen het beeld ontwerpt van een aarderuimte zodat de losse verschijnselen innerlijk overeenstemmen, breng je beweeglijkheid in de kinderlijke fantasie en kan de opbloeiende oordeelskracht die een werkterrein zoekt, zich met deze fantasie verder ontwikkelen. [3]

.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst, jrg. 56 03-1992
.

*Dat geldt niet meer voor de Nederlandse situatie. Ooit was dit wel zo: de vrijebasisschool telde 7 klassen.

**cursief van de schrijver

[1] hier de totale voordracht [GA 294, vdr. 11] waaruit dit is geciteerd (vert. blz. 158 e.v.)
[2] Christiane Ritter: Een vrouw in de poolnacht
[3] Als leraar kun je je laten inspireren door de manier waarop Laurens van der Post [niet onomstreden] de Afrikaanse en Aziatische volksmentaliteit vanuit hun mythen bekijkt en in zijn boeken beschrijft

Göpfert plaatste in zijn artikel ook foto’s die in de Erziehungskunst zwart/wit zijn.
o.a. uit het boek ‘Russland und die Russen‘ van Valerij Tarsis

Turkmenische herder die noch in de zomer, noch in de winter zijn schapenwollen muts afzet, omdat die hem tegen hitte en kou beschermt. Op het uitgestrekte vlakke land dat vijandig is voor het leven moet de nomade zelf voor zijn bescherming zorgen en een doelgericht bewustzijn ontwikkelen dat hem helpt de grote ontberingen te overwinnen.

.

deel 1deel 2;  deel 3;  deel 4;

Aardrijkskunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1649-1546

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-1/1)

.

We weten niet anders: als we in dienstverband werken, krijgen we daar geld voor.
Uit mijn kindertijd weet ik nog dat vader iedere zaterdag bij zijn baas het loonzakje ging halen en zelfs begin jaren ’70 van de vorige eeuw, werd ik op de Haagse vrijeschool ook zo uitbetaald. De administrateur, de heer Boele, zat in de leraarskamer waar je werd binnen geroepen – alleen – om je salaris, in een zakje, in ontvangst te nemen.

Steiner heeft in zijn idee van ‘sociale driegeleding’ ook veel uiteengezet over ‘kapitaal en arbeid’. Daarbij past eigenlijk geen ‘uurloon’.

In uiteenlopende artikelen, de meeste verschenen in het blad ‘Jonas’, probeerden verschillende schrijvers hun licht op dit aspect te laten schijnen.
.

ARBEID EN INKOMEN

‘Doe-het-zelf voor een ander’ (1)

‘Zolang arbeid en inkomen nog volledig aan elkaar gekoppeld zijn, is er nog een laatste rest van slavernij in onze maatschappij aanwezig.’
Aldus Arnold Henny in zijn beschouwing over de noodzaak van emancipatie van de arbeid. Hij pleit ervoor meer aandacht te besteden aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen.

‘Emancipatio’ was eens in de Romeinse republiek een rechtshandeling die plaats vond wanneer iemand zijn slaaf de vrijheid wilde geven. Slaaf en meester verschenen voor de rechter. De slaaf rukte zich los uit de hand van de eigenaar – ex manu – en dit werd door de rechter in een verklaring vastgelegd. Daardoor kreeg deze ‘emancipatio’ rechtskracht.
Slavernij, in zijn oude juridische vorm, is thans vrijwel over de gehele wereld afgeschaft. Daarmee is echter het emancipatieproces ten aanzien van de arbeid nog niet afgesloten.
Over dit onderwerp heeft Dr. R.J.A. Janssens onlangs* een belangwekkend boekje (verschenen bij Kluwer, Deventer) geschreven naar aanleiding van een van de meest urgente vraagstukken van onze tijd: de werkloosheid.

De oplossing ligt voor Janssens niet alleen op het economische vlak, maar vooral op het moreel-ethische vlak. Want ook al is de moderne arbeider een vrij mens wat betreft zijn rechtspositie, economisch is hij gebonden aan de uitoefening van een beroep. Dit beroep bepaalt zijn inkomen en krijgt daardoor een bepaalde marktwaarde. Daardoor wordt de waarde van de arbeid afhankelijk van de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het verschil met vroeger is, dat niet meer de gehele mens, maar nog slechts zijn arbeid koopwaar is. Dat geldt niet alleen voor lichamelijke arbeid, maar ook voor geestelijke arbeid die zijn waarde voornamelijk ontleent aan behaalde diploma’s.
Door de koppeling van baan en inkomen krijgt het beroep een marktwaarde, waardoor het besef dat de mens met zijn taak dienstbaar is aan zijn medemens als het ware geblokkeerd wordt. Als zodanig is de huidige* economische crisis tevens als een geestelijke crisis te bezien. Wie geen werk meer heeft – omdat hij op de arbeidsmarkt niet meer aan bod komt – dreigt in een geestelijk vacuüm terecht te komen. Hij beleeft zijn leven als zinloos door het verlies van zijn maatschappelijke status die de uitoefening van zijn beroep hem verleent. Toch berust deze zinloosheid op schijn.

Voor de miljoen mensen die in ons land thans behoren tot de zichtbare of onzichtbare werklozen, voor allen die vallen onder de steun van sociale voorzieningen, is er nog een onafzienbare hoeveelheid werk te verrichten op sociaal en educatief gebied. Dat dit niet wordt aangepakt, ligt deels aan de verzorgingsstaat – die niet tolereert dat in geval van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid naast sociale voorzieningen nog andere bronnen van inkomsten worden aangeboord – deels ook aan een zich vastgezet hebbende mentaliteit die vrijwilligerswerk als min of meer minderwaardig beschouwt. Toch bevinden zich in ons land drie miljoen vrijwilligers waarvan een groot deel werk verricht naast het werk van hun betaalde baan!
Volgens Janssens wordt de maatschappij langzaam maar zeker naar een samenleving getrokken, waar iedere burger recht heeft op een collectief basisinkomen dat door arbeid – lichamelijke of geestelijke – kan worden verhoogd. Dat zou twee voordelen hebben:

1. Zij die werkloos worden – en werkloosheid is immers in onze post-industriële samenleving een structureel verschijnsel geworden – zouden zich minder gediscrimineerd voelen ten opzichte van hen die nog in het arbeidsproces staan.

2. Individuele capaciteiten en ontplooiingsmogelijkheden zouden minder worden geremd door deze beroepsstructuur van koppeling baan-inkomen, waarin men gevangen zit. ‘Het is een adembenemend gegeven dat een beroepsstructuur door ieder vrijheid minnend mens niet meer als een onderdeel van de bestaande maatschappijstructuur behoeft te worden geaccepteerd,’ aldus Janssens.
De titel van het boek, ‘Emancipatie ten aanzien van de arbeid’, wordt daarmee verduidelijkt. Zolang de prestatie nog volledig aan het loon, zolang de baan nog volledig aan het inkomen is gekoppeld, is er nog een laatste rest van slavernij in onze maatschappij aanwezig.
Niet de gehele mens is meer slaaf, maar zijn arbeidskracht die als
verhandelingsobject een marktwaarde heeft.

Bewustzijnsontwikkeling

Is de samenleving thans reeds rijp voor deze laatste fase van het emancipatieproces? Nog heel wat weerstanden zullen moeten worden overwonnen. Wij hebben hier te maken met een voorafgaand historisch proces van geleidelijke bewustzijnsontwikkeling binnen de Europese cultuur. Daarin hebben, naast christelijke opvattingen, ook opvattingen betreffende economische wetmatigheden een belangrijk aandeel gehad. Lange tijd beschouwde men arbeid nog in verband met de zondeval. Door de val van Adam was de arbeid een straf: ‘Gij zult arbeiden in het zweet Uws aanschijns’.
Zo werd in de Middeleeuwse standenmaatschappij horigheid nog gerechtvaardigd. Ook na de Reformatie blijft – volgens puriteinse opvattingen -‘work a discipline for human sin’. Werken als tuchtiging voor menselijke zonde. Onder invloed van Calvijns predestinatieleer gold: arme mensen zijn lui, rijke mensen zijn vlijtig. Daarmee worden welstand en armoede gezien als tekenen van Gods genade of toorn, en wordt het verschil tussen arm en rijk gerechtvaardigd.

Wanneer later in de achttiende eeuw door de opkomst van de natuurwetenschap Gods greep op de maatschappij verbleekt, ontstaat een andere rechtvaardiging van armoede en rijkdom. Welvaart ontstaat dankzij het mechanisme op de vrije arbeidsmarkt, dat functioneert via een onbelemmerde uitoefening van het eigenbelang. ‘Private sins are public benefit.’ Maatschappelijke welvaart is te danken aan individueel eigenbelang.
Arbeid wordt nu ‘koopwaar’, onderhevig aan de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het voorbeeld dat Adam Smith geeft in zijn ‘Wealth of nations’ heeft niet alleen betrekking op de situatie in Schotland anno 1776 maar kan nog steeds worden gebruikt door ondernemers om duidelijk te maken dat niemand aan de harde economische wet van vraag en aanbod ontkomt.

Adam Smith wijst erop dat bij schaarste van arbeid – bijvoorbeeld ’s zomers wanneer veel mensen op het platteland werken – het loon voor fabrieksarbeid in de stad stijgt. Wordt het aanbod groter – bijvoorbeeld ’s winters wanneer er een trek ontstaat van het platteland naar de stad – dan daalt het loon in de fabriek. De wet van vraag en aanbod verdringt het rechtvaardigheidsgevoel: ’s winters is immers het levensonderhoud duurder dan ’s zomers. De behoeften zijn groter. Zuiver economisch gezien, richt het loon zich niet naar de behoeften maar naar de wet van vraag en aanbod. Tegen dit ‘natuurlijk verloop’ op de arbeidsmarkt is langzamerhand verzet ontstaan en daaraan hebben wij onze sociale wetgeving te danken. Economische doelmatigheid geraakt in conflict met maatschappelijke gerechtigheid. Vandaar dat het een taak wordt van het rechtsleven grenzen te stellen aan de expansie van economische belangen.

In ons land is deze sociale wetgeving begonnen onder liberale en confessionele ministers. Reeds in 1913 rechtvaardigde Talma de invoering van sociale wetgeving met de rechtsgrond dat in het loon de tijden dat de arbeider door ziekte, invaliditeit of ouderdom niet kan werken, moeten worden
verdisconteerd.
Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog (1943) stelde de commissie van Rhijn dat niet alleen de twee sociale partners, werkgever en werknemer, verantwoordelijk zijn voor de sociale zekerheid van de arbeider, maar dat de samenleving de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt.
Ten slotte voegt Veldkamp in 1967 bij de indiening van de wet op de arbeidsongeschiktheid de ‘ontplooiingsmogelijkheden van het individu’ aan de rechtsgrond toe.

Ondertussen waren ook onder invloed van de Labourpartij in Engeland en de Partij van de Arbeid in ons land de fundamenten gelegd van de huidige verzorgingsstaat, waarop een bouwwerk is verrezen dat thans allerlei barsten laat zien, niet alleen onder invloed van de stagnatie van economische groei maar zeker ook door overschatting van de taak van de overheid.
Niettemin zet de emancipatie ten aanzien van de ‘bewustwording’ binnen het arbeidsproces zich voort. Prof. Kuiper, hoogleraar in de sociale geneeskunde te Amsterdam, vraagt zich af of een volgende stap in de ontwikkeling van de rechtsgrond voor sociale zekerheid zou kunnen zijn: erkenning van een onvoorwaardelijk recht op inkomen ter bevordering van persoonlijke ontplooiing.
Daarmee zou dan een volledige ontkoppeling plaats vinden van arbeidsprestatie en inkomen, waardoor alle ingezetenen zonder nadere voorwaarden kunnen beschikken over een inkomen. Dat inkomen zou dan voldoende moeten zijn om zich de middelen aan te schaffen als volwaardig burger in de samenleving te kunnen leven. De wijze waarop dit zou moeten worden gefinancierd, lijkt niet anders mogelijk dan door een omslagstelsel, waarbij de overheid zich garant stelt voor een ‘menswaardig inkomen’.

Ook het rapport van de Wetenschappelijke Raad van het Regeringsbeleid ‘Vernieuwingen van het arbeidsbestel’ (1981) besteedt aandacht aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen. De Raad acht echter invoering op korte termijn niet uitvoerbaar. Zij gaat uit van een basisinkomen van f 5000,- per jaar voor alle 24-65 jarigen, hetgeen zou leiden tot een inkomensoverdracht van 36 miljard gulden (prijzen 1980); door invoering van een profijtbeginsel kan dit worden teruggebracht tot 25 miljard gulden.

Arbeid als dienstverlening

Ook het boekje van Janssens wijst in deze richting. Voor hem staat vast dat het huidige werkloosheidsvraagstuk een structureel probleem is dat niet langs uitsluitend economische weg – bijvoorbeeld via investeringen in het bedrijfsleven – is op te lossen. Wij staan nog maar aan het begin van een nieuwe industriële revolutie, waarin niet alleen maar de geestelijke arbeid wordt vervangen door de machine maar ook de geestelijke arbeid de opmars naar de informatiemaatschappij door middel van de computer en de micro-elektronica. Een herverdeling van de beschikbare arbeid door arbeidsverkorting en deelarbeid is onontkoombaar. Dit kan langs twee verschillende wegen: spreiding in de ruimte, door minder arbeid over meer mensen te verdelen, en spreiding in de tijd, doordat ieder mens gedurende de loop van zijn leven een tijd lang educatief verlof krijgt, waardoor hem gelegenheid wordt verschaft zich ruimer te ontwikkelen.

Daarnaast zou in geval van werkloosheid de mogelijkheid moeten openstaan voor vrijwillige arbeid met of zonder betaling. Deze mogelijkheid is in de huidige verzorgingsstaat nog geblokkeerd. Tal van behoeften in onze samenleving blijven daardoor onvervuld, omdat de vele baanlozen met een uitkering ten gevolge van een sociale zekerheidswetgeving of sociale voorziening dit werk niet mógen doen. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld werk in de sociaal-culturele sfeer, energiebesparing, onderwijs aan volwassenen, communicatie, wetenschappelijk en technisch onderzoek en ontwikkelingswerk, stervensbegeleiding en begeleiding van delinquenten en slachtoffers van misdrijven enzovoort. Ook op het gebied van de handel – ‘zondagsmarkten’ schieten als paddestoelen uit de grond – liggen blokkades onder andere door de winkelsluitingswet, die op zich zelf weer is voortgekomen uit de sociale wetgeving.

Indien al deze activiteiten verricht zouden worden door de hierboven genoemde uitkeringstrekkers, dan zou dit kunnen gebeuren in de vorm van een ‘doe-het-zelf voor een ander’. Daarmee krijgt arbeid in beperkte en overzichtelijke kring het karakter van wederzijdse dienstverlening, of, zoals Prof. Kuiper het uitdrukt, ‘datgene wat door het ego (het Ik) wordt gedaan om in de behoefte van het alter (de ander) te voorzien.

De vraag blijft daarbij of de ontwikkeling van het arbeidsbestel in deze richting alleen maar een aangelegenheid is van sociale wetgeving via overheidsvoorzieningen, of dat zij daarnaast ook een aangelegenheid is van een arbeidsstructuur die berust op wederzijdse afhankelijkheden in het economische leven. Daarbij gaat het meer om het dragen van onderlinge verantwoordelijkheid in het arbeidsproces, dan om het verkrijgen van rechten via politieke partijen die zijn voortgekomen uit emancipatiebewegingen.

Arnold Henny, Jonas 13, 18-02-1983

.

zie deel  [2]  en [9-2]

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1648-1545

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-13)

.
Willi Aeppli ‘Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steiner-Schule

.

HET EERSTE SCHRIJFONDERWIJS

Schrijven, zoals wij. volwassenen, dat min of meer als een verworven automatisme doen, is uitsluitend iets van het intellect, d.w.z. van het hoofd. Dit fundamentele inzicht met alle pedagogische en methodische gevolgen van dien, danken we aan Rudolf Steiner.
Het intellect echter, is een menselijk vermogen dat de mens helemaal nog niet zo lang als iets eigens bezit, maar dat hij zich in de laatste tijd van zijn mensheidsontwikkeling heeft verworven.
Als we ons afvragen welke zichtbare uitdrukkingsvormen deze nog jonge menselijke kracht gecreëerd heeft, hoeven we alleen maar te kijken naar alle technische resultaten; we kunnen ook langs de gevels van huizen lopen, die laten we zeggen aan het begin van onze eeuw [de 20e], gebouwd zijn, die eveneens een uitdrukkingsvorm van het intellect zijn.

Bijzonder typische vormen heeft het intellect tot stand gebracht met de 25 letters van ons alfabet. Het zijn eveneens ook abstracte, conventioneel geworden tekens waaruit ieder leven is verdwenen.
Ze zijn iets wat aan het eind van een lange ontwikkeling staat en daarom zouden we ons wel kunnen afvragen: wat staat dan aan het begin van deze ontwikkeling? Geen letters in de zin van nu, maar…….beelden! Het schrift van de Oude Egyptenaren of van de Azteken in Mexico was een beeldschrift; het is de uitdrukking van hoe ze gevoelsmatig in de wereld stonden, net zoals de 25 letters een uitdrukking zijn voor hoe de mens van nu in de wereld staat. We komen hier twee verschillende werelden tegen.
Laten we ons de Oude Egyptenaar eens voorstellen, hoe hij vanuit een beeldend schouwen met hamer en beitel die beelden in steen vervaardigde. Dat was nog een schrijfkunst waarbij de hele mens actief was. Het schrijven zoals we dat nu doen, gaat van het hoofd uit en wordt als een kant-en-klaar iets, net nog met de drie laatste vingertoppen van de hand uitgevoerd. Ja, het gevaar dreigt dat de dunne pen ieder ogenblik uit de vingers kan vallen en daarmee eigenlijk helemaal los komt van het menselijk lichaam, wat zoveel zeggen wil als het laatste stukje abstractheid. [1]

Het eerste volk dat het beeldenschrift achter zich liet en in plaats daarvan het samengaan van de 25 letters ging gebruiken, was een volk dat al sterk op de buitenwereld gericht was: de Feniciërs. Het Fenicische alfabet kwam via Griekenland en Rome bij ons, waarbij de vorm door het karakter van de conventie steeds veranderde.

Als leerkracht van een eerste klas heb je de opdracht de kinderen deze letters aan te leren.
Een realistische waarneming toont echter aan dat bij het zevenjarige kind dat aan het begin staat van zijn ontwikkeling op aarde, nog heel andere krachten werkzaam zijn dan bij de volwassene. Het kind van zes à zeven jaar staat wat de ontwikkeling van zijn ziel betreft, bijv. dichter bij de Egyptenaar dan bij de volwassene van nu. Het heeft nog geen beschikking over de kracht van het intellect, wel de kracht om in beelden te leven; in een bepaald opzicht heeft het nog een beeldend bewustzijn, te vergelijken met dat uit vroegere mensheidsfasen. Daarom is het meer thuis in de wereld van gelijkenissen, symbolen en in de sprookjeswereld.
Wanneer we het kind niet willen beschadigen, mogen we het ook geen leerstof bieden dat intellectueel gevormd is.
Nauwkeurig waarnemen laat ook nog wat anders zien bij het kind dat zijn tanden gaat wisselen. Het is nog op een veel intensere manier met zijn lichaam bezig dan in andere levensfasen. Armen en benen, zijn hele lichaam is bij hem een middel om op veel verschillende manieren zijn gevoelsleven tot uitdrukking te brengen. Omgekeerd zijn z’n ledematen ook een instrument om kennis op te doen, met behulp daarvan kan hij veel begrijpen wat de volwassene met het hoofd begrijpt.
Voor de leerkracht van een eerste klas kan nu de vraag worden gesteld: hoe verbind ik die 25 abstracties, die kale letters met het levendige kind, dat nog zo sterk in het imaginatief-kunstzinnige en in gebaren leeft. Voor het kind hangt er heel veel vanaf, hoe de leerkracht deze vraag, die een pedagogisch en methodisch probleem is, beantwoordt. We kunnen het niet, als we het kind iets willen aanleren wat bij zijn leeftijd past, zomaar die letterskeletten aanbieden, we zullen veel meer terug moeten grijpen op het levende beeld, dat pas later, als resultaat van een lange ontwikkeling, alleen nog maar teken is.

De activiteit van het eerste schrijfonderwijs kan alleen maar een kunstzinnige activiteit zijn.

Daarom wordt er in de vrijescholen gedurende het hele eerste kwartaal [2] met de kinderen van de eerste klas geschilderd, getekend, geboetseerd. Als het kind schildert bevindt het zich in een gevoelssfeer en daarin kan het met zijn gevoel actief zijn. Dat is werk dat zijn wezen aanspreekt en dat het uitgangspunt moet zijn voor het leren schrijven. De opdracht aan de leerkracht is dan om het werken vanuit dit gevoelsmatig-kunstzinnige langzaam en voorzichtig over te brengen in het intellectuele, d.w.z. het schilderen langzamerhand schrijven te laten worden.

Je kan je verder nog afvragen: is het misschien ook mogelijk om dit beweeglijke  wezen dat zich zo intensief wil uitdrukken met zijn gebaren en door zijn gebaren beleeft, met het schrijfonderwijs tegemoet te komen?

Met deze vraag komen we aan bij het hoofdstuk voorbereiding van de leerkracht op het schrijfonderwijs. Dat ligt best gevoelig, maar moet toch worden besproken. Deze voorbereiding moet geen, zoals voor de hogere klassen, kwantitatieve zijn die het breed zoekt. Deze moet de diepte in, het gaat om kwaliteit.

Met name moet je je bewust worden dat we aan de kinderen niet alleen de letters aanleren, maar ook wat er door de letters klinkt: de klank. Wanneer de leerkracht met echte aandacht zich in de klanken verdiept, vindt hij niet alleen hoe wezenlijk ze zijn, maar ook hoe hij de letters aan het kind zal aanbieden.

Alleerst zul je door het intensief je verbinden het verschil duidelijk worden tussen een klinker en een medeklinker. In de vocalen klinkt wat de mens in zijn ziel beleeft. De verschillende gevoelsnuances waarmee de mens zich uiten kan, komen in de klinkers tevoorschijn.
De consonanten echter kun je zien als nabootsingen van wat er zich in de buitenwereld voordoet.

Bij de voorbereiding van de leerkracht hoort dat hij zich aftastend inleeft in het wezen van iedere klinker, het gevoel daarbij te beleven. Wat beleef je aan een A?
Die draagt de stemming van verbazing in zich. Wanneer we iets moois zien waar we in opgaan, bevinden we ons in de A-stemming en de A-klank komt uit onze ziel naar buiten. Denken we aan het kind voor de kerstboom, hoe van binnenuit bijna als vanzelfsprekend de A-klank te horen is. [3]
De grootste tegenstelling tot de A-klank is de U [Duits uitgesproken OE], de klank van de angst, de schrik. Wanneer we schrikken, staan we heel sterk op onszelf, we zijn meer dan wakker. De mond bijna gesloten, alleen door een smalle opening wordt de oe-klank naar buiten geperst [in het Nederlands kennen we het als U in huu, als we schrikken of huiveren en wanneer we iemnand laten schrikken: boe!].
Tussen deze beide tegengestelde klinkers bevinden zich de andere. Door de O klinkt de zuiverste sympathie, het liefdevol omsluiten van iets. In de I beleven we iets heel actiefs, een sterk zelfgevoel dat naar voren wil om de hele wereld te veroveren. Het is erg belangrijk dat juist in de woorden ‘liefde’ en ‘Ik’ [Duits heeft de uitspraak van de I als -ie-] de I de klank is die beide woorden hun karakter geeft. Het Ik, wanneer het zich met liefde verbindt, heeft ook de mogelijkheid in zich de hele wereld te ‘veroveren’.
Van de E-klank kunnen we zeggen dat die ons als tegenwoordige mens het meest aanspreekt. Die heeft iets afwerends in zich. Er klinkt iets uit als: kom mij niet te na! Laat me met rust!
Die gevoelsnuances vind je in de klinkers wanneer je de moeite neemt om in hun wezen door te dringen.
De medeklinkers laten ons nog wat anders zien. Ze tonen ons hoe elk van hen te maken heeft met een zichtbaar gebaar. Dit feit lijkt wel een ‘geheime natuurwet’.
De mooiste uitdrukking van deze geheime natuurwet is wel de euritmie. Die laat ons op zijn mooist de gebaren zien waarin de klanken zich voordoen. We kunnen die gebaren echter ook, min of meer volmaakt, bij het onschuldige kind zien en van tijd tot tijd zelfs bij de volwassenen.
Een volk dat tot voor kort nog sterk in gebaren sprak, is het Italiaanse.
Dat zou ik willen illustreren door een persoonlijke ervaring.

Jaren geleden was ik met een Italiaanse priester gedurende een paar dagen in de Apennijnen aan het klimmen. Deze man die op een mooie en amusante manier nog iets van het kind in zich had, beleefde voor het eerst de bergen. De tweede dag beklommen wij de Monte Cimone. Dat was nogal vermoeiend. En we kwamen al gauw in de mist terecht. Maar toen we de top van de berg bereikt hadden, spande de blauwe Italiaanse hemel zich weer boven ons en aan onze voeten lag in koninklijke rust een uitgestrekte zee van mist. De priester was geraakt door deze schoonheid. Hij klom met zijn soetane op het uiterste randje van een rots, spreidde zijn armen in een volmaakt A-gebaar uit en zong in deze houding blijvend een tedeum laudamus. Het is voor mij moeilijk onder woorden te brengen wat een diepere indruk maakte, de verhevenheid van de natuur of de totaal door deze natuur gegrepen kleine in het zwart geklede mens met zijn wijd uitgestrekte armen.

Wanneer de mens in een O-stemming is, dan houdt hij zijn armen of vingers rond, alsof ze in sympathie wat voor hem staat, willen omarmen. Zelfs de mond die de O spreekt, vormt zich tot een ovaal.
Bij de I kunnen we een echt uitdrukkingsvol gebaar beleven. Een actief naar voren lopen en naar voren komen van de armen. Het is o.a. het gebaar dat de kinderern in school maken, wanneer hen een licht is opgegaan, d.w.z. wanneer ze het antwoord op een vraag weten. Ze steken hun arm in de lucht met een tot in het topje strekte vinger en roepen iiiiii [in het Nederlands roepen de kinderen ‘ik, of iiiiiik] Dit I-gebaar werkt tegenwoordig op school niet meer zo direct, omdat je als leraar bijna gedwongen wordt het a.h.w. te organiseren, het wat af te dwingen bij de kinderen die iets weten. [Ik heb dit gebaar tijdens al die jaren dat ik voor de klas stond, nooit minder zien worden]
Met de E-stemming en daarmee ook het E-gebaar hebben kinderen het minst.  Die zitten nog niet op een eilandje en zeggen: ‘Kom mij niet te na! Het kind kent de gevoelens van verering, van liefde, van vreugdevolle opwinding, van bang zijn, maar minder dat van afhouden. De volwassene ligt dit E-gebaar wél. Wat zie je bij de volwassene vaak als gebaar? De armen voor de borst gekruist. Of (een nogal favorite houding van de leerkracht): de handen gekruist op de rug! Twee vormen van het E-gebaar.
Deze gebaren die bij de aparte klinkers horen, kunnen voor de kinderen een brug worden naar de letters. Op zo’n brug heeft Rudolf Steiner nadrukkelijk en met een paar principiële aanwijzingen, gewezen.
Hoe echter op grond van deze principiële aanwijzingen het schrijfonderwijs vorm krijgt, hangt én af van de kinderen die lotsverbonden tot een klas zijn geworden én van de persoonlijkheid van de leerkracht.
Wanneer er daarom hier wordt verteld hoe een individuele leerkracht voor bepaalde individuele kinderen geprobeerd heeft het schrijfonderwijs tot in details vorm te geven, kan het er niet om gaan een of andere algemeen geldende norm op te stellen die a.h.w. door iedere leerkracht, op ieder tijdstip en op elke plek toegepast kan worden. Een dergelijk kopiëren zou het echte pedagogische principe heel diep beschadigen. Maar als alleen maar een stimulans kunnen dergelijke manieren van doen toch gerechtvaardigd zijn.Vanuit deze achtergrond worden ze verteld. In een heel persoonlijke, geheel en al vrijblijvende vorm, in overeenstemming met de aard van de zaak.

Om de kinderen de stemming en de gebaren die ten grondslag liggen aan de losse klinkers meer door het bewustzijn op te laten nemen, vertelde ik hun in de eerste ‘schrijf’les een verhaal:
‘Er was eens een oude tijd waarin de mensen nog niet konden spreken. Wanneer ze iets moois zagen, bijv. de zonsopgang, konden ze geen ‘aaaa’ zeggen en wanneer ze aan een mooie roos voorbij liepen, zwegen ze en konden niet ‘oooo, wat een mooie roos’ zeggen. En wanneer het donker werd en ze in het bos verdwaald waren en de boze uil verscheen, voelden ze zich wel bang, maar ze konden hun angst niet uitspreken en ‘huu, ik ben bang’, zeggen. Toen vetelde ik verder hoe engelen op de regenboog van de hemel naar de aarde kwamen om de mens de spraak te schenken. Ieder was in een andere kleur gekleed en bij ieder was het gebaar weer anders. De engel die de A naar de aarde bracht, droeg een blauw kleed en hield de armen wijd uitgestrekt. – Zo schetste ik iedere engel met zijn bijzondere gestalte en houding. [4]

Daarna probeerde ik de letters vanuit het gebaar te ontwikkelen en af te leiden, zodanig dat ik de kinderen eerst door een vertelling of door ze zelf te laten vertellen, in de stemming bracht die in een bepaalde klinker leeft om ze daardoor aan te sporen, helemaal van zich uit het erbij behorende gebaar te maken.
We beklommen een hoge berg, zagen de rivier en het meer aan onze voeten, strekten onze armen uit naar beneden en riepen ‘A’ – We liepen op een bloem toe waar we van hielden en omhulden die heel voorzichtig met onze armen en handen en zeiden: ‘O’! – We liepen met een meisje mee dat in een toverbos verdwaald was en beleefden al haar angst mee, vooral toen de grote uil uit de boom aangevlogen kwam. We strekten de armen afwerend omhoog en riepen: ‘Huuu’ – Ook de E en de I werden op deze manier uit de stemming en de gebaren gevonden. De I werd – dat was niet bedoeling – een lichtje, omdat we steeds dan ‘I’ zeggen, wanneer ons een licht opgaat.
Het ‘schrijven’ was nog weken lang echt nog schilderen. De kinderen schilderden met waterverf en brede penseel bijv. de engelen die de klinkers naar de mensen hadden gebracht. Ze schilderden zichzelf of de gestalten, de ‘vrouwen’, met de verschillende gebaren, echt alles wat ze in beeldende vorm was aangereikt. Ook knipten ze met de schaar van kleurig papier engelen en mensen. Zo bevonden zich de kinderen een langere tijd in een kunstzinnig-gevoelsmatig element, vóór ze de letters in hun dode, onkunstzinnige vorm moesten schrijven. – Ik liet de kinderen de stap van het gebarenspel naar de abstractie zetten, toen ik hun zei:  ‘Kijk eens naar de engel die de A gebracht heeft, hoe jullie die geschilderd hebben of de ‘vrouw’ die jullie hebben geschilderd, die de ‘A’ zegt en die haar armen naar omlaag uitstrekt. Wanneer de grote mensen de A willen schrijven, gaan ze niet de hele ‘vrouw’, ook niet de engel (veel grote mensen zijn vergeten dat de engelen de spraak uit de hemel naar de aarde gebracht hebben) schilderen; zoveel tijd als wij op school hebben, hebben zij niet, zij hebben altijd wel een beetje haast en daarom doen ze het veel simpeler, ze tekenen de armen en nog een horizontaal streepje.’ Daarmee was de stap van concreet naar abstract gezet en die was verbonden met een bepaalde ‘belofte’ van de kinderen, op z’n minst nog in gedachten bij iedere klinker de engelenvleugels te schilderen.
Maar zelfs toen we vanuit het gebaar het conventionele tekenen van letters geabstraheerd hadden, bleven we nog een tijdje in het schilderende element (dat zo bij het wezen van het kind hoort). Ook de letters werden eerst met waterverf geschilderd, op een kleurige achtergrond. Later pas werden ze met een kleurstift getekend, uiteindelijk met een potlood geschreven. Daarmee was de lange weg die a.h.w. van de hemel naar de aarde leidt, afgelegd. Toen ik voor de eerste keer met het doodse wit van het bordkrijtje de letterrij op het zwarte schoolbord schreef, kon ik dat na al die levende kleurenpracht slechts wat weemoedig doen. Voor die witte skeletten van de letters schrok ik eigenlijk een beetje. ‘Wat voor afdalende weg ben je met je kinderen als hun gids gegaan? Jij bent wel een niet al te best mens.’ Dat zei ik tegen mezelf en verder (maar helemaal stil) tegen de kinderen: “Het spijt me heel erg voor jullie, arme schaapjes, dat je deze letters nu zo moet schrijven, maar de volwassenen doen dat nu eenmaal zo.’ Maar van deze ongezonde gevoelens hebben de kinderen me grondig genezen. Wat deden ze toen ze de vreemd geschreven letterstokjes op het bord zagen staan? Ze begonnen vreselijk te lachen, want zo’n schrift vonden ze dolkomisch. Door hun gelach heen sprak: ‘Wat zijn die volwassenen toch grappige lui. Maar toch is het leuk ze na te doen en ook zo te schrijven.’
En zo begonnen ze, met veel gelach en met veel plezier, te schrijven.
Dit voorval leerde me twee waarheden.
De eerste: wat intellectueel i,s werkt in het begin komisch op het kind, vooral de intellectuele volwassene!
De tweede: het is zeer zeker de opgave van de leerkracht het kind op  aarde  leiding te geven, maar laat hij dat op de goede manier doen, zodat de geestelijke oorsprong van de dingen niet vergeten wordt.

Vergelijk eens wat er tot nog toe werd gezegd (over de klinkers) met de waterverfschilderingen op blad 1. Ze zijn van mij, evenals de verdere tekeningen op blad 2, voor het merendeel nagetekend van de tekeningen van de kinderen. (Van de kleurenpracht van het ‘origineel’ is helemaal niets meer te zien).
De tekeningetjes moeten verduidelijken hoe de vocalen uit het gebaar gehaald kunnen worden.

Ánders loopt de weg die tot de consonanten leidt, omdat het wezen daarvan anders is dan de vocalen. Wij kunnen deze, wanneer we ons erop instellen als nabootsingen van uiterlijke werkelijkheden en processen beleven. In hen klinkt niet het innerlijk van de mens, maar wordt in velerlei beelden de hele omgeving van de mens weerspiegeld. We knopen aan bij deze beeldnatuur van de medeklinkers en laten het medeklinkerschrift tot een beeldenschrift worden, niet uit sympathie voor de Oude Egyptenaren of Azteken, maar omdat de aard van de consonanten dit vraagt. Je kan hier het klassieke voorbeeld van Rudolf Steiner noemen. Hij heeft in de voordrachten over het schrijfonderwijs steeds (naast andere voorbeelden) het voorbeeld van de vis gebruikt. We tekenen, zo zei hij ongeveer, een vis op het bord en spreken met de kinderen over de vis en over het beeld op het bord. Dan zeggen we misschien tegen de kinderen: ‘Nu spreek ik niet het hele woord vis uit, maar alleen het eerste begin, dus V [=vvvv, niet vee]. Dus zoals jullie nu alleen maar het begin van het woord vis hebben uitgesproken (alleen de V), zo schrijven de grote mensen, wanneer ze nu deze V willen schrijven, ook niet de hele vis, maar alleen maar het begin, dat is een soort aanduiden. – (Zie blad 2 met de drie vissen [voor het Duits uiteraard de F van Fisch])
Met dit onopvallende voorbeeld geeft Rudolf Steiner een belangrijk methodisch principe aan. Het was voor mij, zoals uit de verdere uiteenzetting zal blijken, richtinggevend.

Ik vertelde de kinderen het sprookje van Grimm ‘De twee gebroeders‘. Een van de broers lukt het met hulp van vijf dieren, het haasje, de vos, de wolf, de beer en de leeuw, de draak op de drakenberg te doden en de koningsdochter te redden. Hij wordt echter door een arglistige hofmaarschalk bedrogen en vertrekt treurig vandaar. Na een jaar keert hij in de koningsstad terug en stuurt nu het ene dier na het andere naar het koninklijk slot om bij de koningsdochter (die daarmee op de proef wordt gesteld) iets lekkers te halen. Het onschuldige haasje moet beginnen en van de koninklijke dis een brood vragen. Hij denkt: ‘Hoe moet ik dat doen? De honden in de steeg zijn natuurlijk op mijn mooie velletje uit! Goed geraden, de honden zitten weldra achter hem aan. het arme ding loopt zig-zag, zodat de honden zichzelf een paar keer omverlopen…..
De kinderen mochten een paar situaties uit dit verhaal schilderen. In het bijzonder (anders hadden ze het niet gedaan) de strijd met de draak, maar dan ook het haasje dat brood moet halen en zig-zag loopt. De draak die kronkelt en vuur spuwt, werd toen hij van zijn boze leven was beroofd, tot D. Ook de haas moest zijn leven laten, alleen zijn oren en zijn voorpoten bleven bewaard en werden tot H. Het brood, een beetje recht gedrukt, werd opeens een B. En zoals de haas had gelopen, dat was louter de Z.
Het principe is steeds hetzelfde: er wordt steeds uitgegaan van het leven als beelddrager. Dan haal je het leven eruit, het verbleekt steeds meer, tot er alleen maar een skeletachtig deel van de letter overblijft, zoals die tegenwoordig wordt gebruikt. (verg. blad 2)

Een ander voorbeeld: de kinderen schilderden een woeste zee met torenhoge golven en de grote vogel die de storm aankondigde. De golven [Duits Wellen] werden een W en de vogel een V. Toen de storm was geen liggen, voer een boot over de zee. Vrolijk blaast de wind in de volle zeilen en de vissen durven weer aan de oppervlakte te komen en kijken de boot verbaasd aan. Zeil [Duits Segel] en vissen [Duits Fische] schenken ons twee nieuwe letters: S en F.
Op een keer vertelde ik een verhaal over een dappere koning die, om zijn stad te redden, met een reus moest strijden. De koning vertrouwde op zijn goede zwaard, de reus op zijn kracht en op de grote steen die hij in zijn hand hield. Na wat heen en weer gepraat, bij de situatie horend, begint de ongelijke strijd. En dit gevecht mochten de kinderen schilderen, nadat ik voor hen om goede redenen, twee helden op het bord had getekend. (Want de eigenlijke opdracht van de koning was, niet de reus te overwinnen, maar een echte, strenge K te vormen en ook aan de strijd van de reus was mij persoonlijk, in tegenstelling tot de kinderen, niet zoveel gelegen, de rol die ik hem toebedeelde was een indrukwekkende R uit te beelden.)
De lichtjes die de dwergen in het sprookje van Sneeuwwitje dragen, gaven ons de vorm van de L. Een boze slang wordt onschadelijk gemaakt doordat zij werd veranderd in een N [Duits voor slang o.a. Natter].
Met name in Noord-Duitsland bestaat een huisgeest, Puck genaamd. Vaak is het een mannetje met een bult. Hij is wel wat gevoelig. Wanneer hij beledigd wordt, wat zomaar kan gebeuren, pakt hij een stok en loopt weg. Deze Puck was zo vriendelijk, hij hield veel van kinderen, om ons een letter voor te doen. Hij ziet er, wanneer hij daar zo met zijn bult staat, net zo uit als een P.
Heel graag luisterden de kinderen naar het verhaal van de gnoom.[4] Die glipte iedere avond uit de aarde tevoorschijn om naar de zilveren maan en de fonkelende sterren te kijken. Maar hoe meer het naar de morgen ging, des te treuriger hij werd, omdat hij weer in de aarde moest kruipen, zonder de zon te hebben gezien. Dan bleef hij nog een poosje heel bedroefd en helemaal voorovergebogen op z’n steen zitten. In deze houding schilderden we hem, sterren en maan boven zijn hoofd. Later is uit deze gnoom de G gekomen.
Zo zou je iedere letter uit een beeld kunnen halen, door het beeld later te laten verdwijnen en alleen de pure abstractie te laten staan; maar een jaar tijd zou dan nauwelijks genoeg zijn, zodat je toch ergens gedwongen wordt een paar letters, misschien die niet zo gangbaar zijn, X, Y, Q enz. meer direct aan de kinderen aan te bieden. Dan schrijf je wellicht een woord of een hele zin op het bord en laat de kinderen zelf de letters vinden die ze nog niet kennen en er naar raden. Dat is dan meer een analytisch proces.
Voor de kinderen is het een belangrijke dag wanneer de leerkracht voor het eerst hun naam op het bord schrijft. Maar dan blijkt juist zo indrukwekkend bij zo’n gelegenheid op wat voor levendige manier de kinderen met de letters verbonden zijn. Wat voor ons volwassenen alleen maar een tekentje is, is voor het kind iets levends, iets wezenlijks. En de klinkers en medeklinkers die in hun naam voorkomen nemen ze in hun volle realiteit op, om niet te zeggen bij hun lot horend. ‘In mijn naam zitten vier A’s,’ zei een meisje heel gelukkig. ‘Oei, Anneli heeft twee boze slangen [Natter] in haar naam’, riep een jongetje weinig kies. [4] ‘Maar Anneli heeft wel twee lichtjes naast elkaar!’ Twee lichtjes zijn ver verheven boven twee slangen! Anneli hield toen pas echt van haar naam. Ook Hermann had twee ongeluksslangen in zijn naam. Maar hij zei tegen me: ‘De twee slangen willen het haasje (H) bijten, maar dan komt de reus (R) en daar houd ik van want die slaat de slangen dood. Weet u , mijnheer, zo is het toch? En dan heb ik ook nog de mond (M) zodat ik de gedichten mooi kan opzeggen.’

Alle letters schreef ik dan op groot formaat op de grond en de kinderen mochten de lijnen nalopen. Waar het ging, liet ik ze de letters zelf uitbeelden, zo waren ze koning, reus, gnoom. Ik wilde dat ze met hun hele lijf (dat bij het zevenjarige kind nog op een intensievere manier een uitdrukkingsmiddel en kennisorgaan tegelijk is) de lettervormen zouden kunnen beleven.
Het is een ervaringsgegeven dat een schrijfonderwijs dat zo in elkaar zit, de kinderen veel plezier geeft, want het is in overeenstemming met het wezen van het kind en het plezier dat de leerkracht er zelf aan beleeft (hij is toch, op een bescheiden manier op z’n minst, scheppend aan het werk), en dat gaat op een onzichtbare manier ook weer op het kind over. Het is een grote illusie te denken dat een dergelijke manier van lesgeven de leerkracht toch niet voor grote problemen kan stellen. Als ik over deze moeilijkheden zou moeten schrijven, dan zou ik ook tegelijkertijd over veel miskleunen en teleurstellingen moeten praten waarvan de oorzaak alleen maar ligt in het persoonlijk tekortschieten.
Want opvoeder worden, betekent een lange, moeilijke weg bewandelen die toch tot een zeer ver liggend doel leidt en waarvan de talloze mijlpalen het onvermogen is dat je onder ogen moet zien.
Niet over deze ontwikkelingsweg van de opvoeder wilde ik schrijven, maar over het schrijfonderwijs als een methodisch vraagstuk. Ik probeerde een antwoord te geven op de vraag: hoe bied ik de abstracte letters, deze dode dingen aan het kind aan dat zo graag met gebaren leeft en zo open staat voor beelden, zonder zijn levendigheid tekort te doen. Het juiste antwoord vinden we bij de klanken, wanneer onze oren subtiel genoeg zijn om het te horen.
De klinkers zeggen ons: breng ons als zichtbare gebaren, zij zijn de brug naar het kind.
De medeklinkers echter zeggen: breng ons als beelden, dan zullen de kinderen de letters aan ons kunnen aflezen.

.

Willy Aeppli ‘Aus der Unterrichtspraxis an einer Rudolf Steiner-Schule

.

[1] Het schrijven via een toetsenbord komt tot stand door het gebruik van de vingertoppen en is in dit opzicht dus nóg abstracter, bijna los van de mens; de mogelijkheid om via ‘spraakherkenning’ op de pc te schrijven, heeft dit los gemaakt van de handen.

[2] Dat ‘de tijd nemen’ voor het aanleren van de letters via de beelden, is in veel scholen, door allerlei oorzaken, onder druk komen te staan. Er lijkt een tendens te groeien waarbij het meer om het resultaat gaat, dan om de ontwikkelingsweg. Ook vrijeschoolonderwijs kan intellectualistisch worden…..

[3] Dit gold waarschijnlijk nog bij het een voor een aansteken van de kaarsjes. We kunnen het heden ten dage nog wel horen wanneer er vuurwerk wordt ontstoken, bijv.]

[4] Wat ‘de engelen’ of de ‘elementairwereld’, het ‘negatieve’ van bepaalde beelden betreft: zie de inleiding bij dit artikel

Schrijven: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas letterbeelden

.

1647-1544

.

.

VRIJESCHOOL – Remedial teaching (2)

.
De woorden ‘remedial teaching’ of ‘teacher’ worden niet meer zo vaak gebruikt, zoals ze ook nog niet gebruikt werden in de tijd dat er op scholen al wel extra hulp aan kinderen die dat nodig hadden, werd geboden.

Toen ik in 1970 in Den Haag begon, was er een ‘hulpklas’ in ontwikkeling. En we hadden die lieve mevrouw van Dunné die kinderen uit de les kwam ophalen om met hen heileuritmische oefeningen te doen.

Wie zich vooral met ‘hulp’ met remediëren bezighield in een groter vrijeschoolverband was Mies Boeke.
In mijn stapel oude Jonassen vond ik een interview met haar.

Dat plaats ik hier om haar op een bepaalde manier te eren als pionier van een nieuwe ontwikkeling op het gebied van extra hulp aan kinderen op de vrijeschool. Daar hoort ook de naam van Els Göttgens bij.

Mies Boeke: “Een remedial teacher is op elke school wenselijk’

Mies Boeke, oud-leerlinge van de Haagse vrijeschool, wilde na de twaalfde klas de heilpedagogie in. Ze werkte 1½ jaar in het Zonnehuis, maar haar vader drong aan op het behalen van een diploma. Het werd een lager-onderwijsakte, hetgeen haar lukte tussen haar werk door. In die tijd was Max Stibbe bezig met de oprichting van de Geert Groote School (Vrijeschool Amsterdam).

In 1935 werd de school geopend, wat voor Mies betekende: leren werken in het vrijeschoolonderwijs en het samen lessen voorbereiden met Caroline von Heydebrand (bekend van het boekje ‘De ziel van het kind’).
In 1940 vertrok ze naar Drente om daar gedurende zeven jaar haar taak als doktersvrouw en moeder te vervullen.
Daarna kwam ze toch weer in Amsterdam terecht, waar ze twaalf jaar lang zeer gevarieerde klassen had. Veel van haar heilpedagogische ervaringen konden ook in het vrijeschoolonderwijs benut worden. Haar belangstelling voor het ‘opvallende’ kind maakte, dat ze ging werken aan een pedo-therapeutisch instituut, waar ze kennis maakte en waardering kreeg voor het werk dat er “voor deze kinderen in Amsterdam en ook elders gedaan werd. Ze werd remedial teacher. Na zeven jaar keerde ze terug op de Geert Groote School, waar ze tot haar 65e met veel enthousiasme dit vak uitoefende.

Waar komt de Remedial Teaching oorspronkelijk vandaan?

Remedial teaching is in Amerika ontwikkeld in de jaren ‘50. Men was daar gaan inzien, dat vooral kinderen die tot de outcast behoorden (arme kinderen, zwarte kinderen, sloppenkinderen, enz.) naast het gewone lager onderwijs, extra zorg nodig hadden, een ruggensteun, zodat ze zich beter staande konden houden in de maatschappij, waar zij het bij voorbaat al moeilijk zouden krijgen gezien hun achtergrond.
Remedial teaching betekent eigenlijk ‘genezend lesgeven’.
Daartoe werden remedial teachers opgeleid, als hulp voor de klassenleraar. Zij konden de kinderen apart nemen en hen helpen hun manco’s te overwinnen.

Hoe lang bestaat het al in Nederland?

Toen in Nederland de tuinsteden ontstonden, waar op de scholen kinderen van allerlei windstreken en milieu’s als nieuwelingen bij elkaar in de klas kwamen, bleek een klassikale aanpak niet deugdelijk. Onderzoekingen destijds wezen uit, dat een kleine 50 procent van de leerlingen meer op een speciale school thuishoorde. Met de invoering van remedial teaching kon dit percentage worden teruggebracht tot 25 procent, omdat zo’n 20 procent kon worden bijgewerkt.

Om welke kinderen gaat het?

Iemand heeft ze eens ‘opvallende’ kinderen genoemd. Kinderen die niet kunnen lezen, niet kunnen rekenen, soms ook extreem knappe kinderen. Verder kinderen die om medische redenen geen greep hebben op zichzelf. Er zijn kinderen die sterk de neiging hebben het onplezierige te ontlopen. Zulke kinderen zwelgen in mooie verhalen, maar de keerzijde is dat ze het steeds genoegelijk hebben. Ze ontmoeten daarbij geen weerstand, geen substantie om doorheen te moeten. Daarmee blokkeren ze hun eigen ontwikkeling.
Dat gebeurt ook met kinderen die anti-autoritair worden opgevoed. Bij zulke kinderen verslapt de wil, ze ontwikkelen geen individualiteit zou je kunnen zeggen.
Je kunt ook spreken van bedreigde kinderen. Ze zijn bedreigd door hun omstandigheden: veel lawaai, ouders die geen tijd voor hun kinderen hebben, gebroken gezinnen, slechte behuizing enz. Daardoor raken ze ongeconcentreerd, kunnen niet mee of worden willoos. Het is duidelijk dat hun ontwikkeling, hun opvoeding bedreigd is.

Wat is de bedoeling van remedial teaching?

De bedoeling is, dat kinderen die op de een of andere manier afwijken van hun klasgenootjes, worden bijgewerkt om hen uit dat isolement te halen, dat hen door die onvermogens scheidt van de rest van de klas. Het is van fundamentele betekenis voor hun later leven, dat ze zich niet op jeugdige leeftijd geïsoleerd weten.
Een kind dat in de derde klas niet kan lezen heeft remedial teaching nodig. Want het voelt zich daardoor tekort gedaan ten opzichte van zijn klasgenootjes. Dan moet je alle zeilen bijzetten om zo’n kind te leren lezen. Daar zijn diverse methoden voor, maar ik ben er inmiddels achter, dat het er niet zoveel toe doet welke methode je daar voor kiest. Voor jezelf geldt de vraag: ‘Waarom heeft hij de boot gemist, wat is er met hem gebeurd?’ Je moet de weg naar het kind trachten te vinden. Ervaring is hier erg belangrijk. Het is een misvatting dat een onderwijzer, die mislukt voor de klas, altijd nog remedial teacher kan worden.

Voor remedial teaching moet je jaren voor de klas hebben gestaan, veel kinderen hebben gezien en veel probleemkinderen hebben herkend. Dan pas krijg je dat inzicht, waar een juiste ingeving omtrent wat je moet doen, uit kan onstaan. Je moet als Miss Marple zijn (bekend voor Agatha Christie-lezers): ‘dit heb ik al eens gezien, dat herken ik’. Je moet het kind gadeslaan, je proberen voor te stellen hoe het zal reageren.

Maak je gebruik van normen?

De remedial teaching maakt er gebruik van, in die zin, dat gekeken wordt, wat een kind in de 1e, 2e enz. gewoonlijk kan. Op de vrijeschool hanteerde ik dat niet zo scherp, maar ik vind wel, dat een kind in de 3e en 4e klas moet kunnen lezen en schrijven en eenvoudige rekenkundige handelingen moet kunnen verrichten. Voor mij gaat het niet om intelligentie, maar om een kind te verlossen uit z’n eenzaamheid, die ontstaat wanneer het iets niet kan.

Hoe signaleer je zo’n remedial-teaching-behoeftig kind?

De klassenleraar kan erop attenderen, dat er iets merkwaardigs in de ontwikkeling van een bepaald kind gaande is. Bovendien maakte ik op de vrijeschool samen met de klassenleraar klassikaal uit te voeren onderzoekjes. Het merkwaardige is, dat er dan toch ‘brekebeentjes’ uitkomen, die je niet had verwacht. Soms kan de onderwijzer bijvoorbeeld niet merken, dat een kind niet kan lezen, omdat het een sterk visueel geheugen heeft, het herinnert zich wat de onderwijzer net heeft voorgelezen, in plaats van dat hij zelf leest.

Welke middelen slaan je ter beschikking om met zo’n kind aan de gang te gaan ?

Na testen en gesprekken met ouders, begin ik met kijken. Gewoon de fenomenen bekijken, hoe zit ‘t nou met dat kind? De manier waarop een kind de school binnenloopt, daar let ik op; z‘n houding, weet hij meteen de weg te vinden, hoe loopt hij de trap op, kan hij zich in de ruimte oriënteren?
Ik vraag hem iets over thuis, want ik moet een beetje weten wat zijn leefwereld is. Ik vraag hem wat hij lekker vindt, dat zegt allemaal iets over hem. Vaak ga ik een spelletje met hem doen. Er zijn allerhande spelletjes, die hij ook van thuis kent. Als ik bijvoorbeeld Mikado met een kind speel, leer ik veel over dat kind, of hij vals speelt, of hij handig is, of hij gauw gefrustreerd is (zegt dan al gauw als ‘t niet lukt: ach, laten we wat anders doen). Sommige kinderen proberen me in te pakken, dan geef ik tegenkracht, want anders ben ik verloren als ik nog iets wil bereiken. Soms laat ik hem een zin bedenken. Uit de inhoud van de zin blijkt veelal waar het kind mee bezig is. Ik laat hem ook de moeilijkste som bedenken die hij weet. Vanuit zo’n scala aan gegevens beslis ik, waar we aan gaan werken.

Er zijn ook kinderen die intellectueel voorliggen op hun klasgenootjes. Dat kunnen harmonieuze kinderen zijn, maar vaak is het zo, dat de echte
professortjes het kunstzinnige niet zo minnen, dat ze een beetje arm zijn in hun gevoelsleven. Met die kinderen ga ik schilderen bijvoorbeeld.

Wanneer ik gemerkt heb. dat een kind moeite heeft met begrippen als achterste, voorste, bovenste (hetgeen wijst op de moeite die het kind heeft om zich in de ruimte te oriënteren), dan doen we loopoefeningen (ritmes lopen) en gaan we vormtekenen. Vijf à zesjarigen beginnen links en rechts te onderscheiden. Dat kun je oefenen door symmetrietekenen, ook weer van belang voor de ruimtelijke oriëntatie. Ach, alles wat je leert is eigenlijk therapeutisch – In elk vak zit didactiek die past in een ontwikkeling. Aardrijkskunde heeft te maken met die ruimtelijke oriëntatie. Wanneer je aardrijkskunde geeft op ’t moment dat een kind in z’n ontwikkeling daaraan toe is, schoolt het zich – of eigenlijk die ruimtelijke oriëntatie – aan dat vak.

Moet je zelf niet erg goed begrijpen waarom je bepaalde dingen doet?

Ja, dat is ontzettend belangrijk. Je moet weten waarom zinsontleding belangrijk is, wat je ermee ontwikkeld. Bij de spellingregels probeer ik uit te leggen, dat een sterk werkwoord zo sterk is, dat hij klinkers kan veranderen in de verleden tijd, dat moet je overtuigend en beeldend tonen.

Het is van veel belang, dat het begin van de elementaire hoofdbewerkingen goed verwerkt moet zijn. Hierbij kan de remedial teacher de helpende kracht zijn. In de eerste klas beginnen kinderen het optellen en het aftrekken te leren. In de vierde klas komen de breuken, die ook opgeteld en afgetrokken moeten worden en in de zevende krijgen ze met algebra nog eens 1a plus of min 2a. Allemaal variaties op hetzelfde thema. Uit de herhaling moet uiteindelijk het begrip ontstaan. Het is toch zinnig om goed te kunnen lezen, schrijven, rekenen. Een kind mist gewoon veel als het dat niet kan.

Worden er nog steeds remedial teachers opgeleid ?

De instituten waaraan remedial teachers verbonden waren en opgeleid werden, worden steeds wetenschappelijker en gaan nu tot de universiteit behoren. Wel worden werkeloze onderwijzers ingeschakeld, ze heten dan taakonderwijzers, en gaan, net als de remedial teachers dat deden, scholen langs. De laatste tijd geven enkele Pedagogische Academies aparte cursussen, waar remedial teachers opgeleid worden. Daar blijkt veel animo voor, want deze cursussen zijn veelal overtekend.

Is een remedial teacher de enige op school, die een kind weer probeert bij te trekken?

Op de vrijeschool nemen arts, heileuritmist en kunstzinnig therapeut ook een belangrijke plaats in om met een kind dat dat nodig heeft, extra dingen te doen. Eigenlijk vul je elkaar aan. Maar zoals een vrijeschoolonderwijzer zich op alle gebieden begeeft (van aardrijkskunde tot euritmie) zo doet een remedial teacher dat ook. Kunstzinnig therapeut en heileuritmist daarentegen, zijn specialisten in hun vak. De arts ondersteunt het kind met medicijnen.

Ik ben van mening dat ieder in zijn eigen discipline moet blijven. Ik zeg dus – ter illustratie – niet tegen een arts; ‘dat kind is doof’, maar: ‘wil je eens kijken of dat kind doof is?’.

Heeft Rudolf Steiner ooit aangegeven, dat zoiets als een remedial teaching op vrijescholen wenselijk zou zijn? [1]

Nee. Trouwens, er wordt nog maar op weinig vrijescholen aan remedial teaching gedaan. Rudolf Steiner heeft behandeling van functiestoornissen toch vooral in het pedagogische gezocht, niet in het medische. Ook al is de vrijeschoolpedagogie in wezen therapeutisch, omdat steeds wordt ingespeeld op de ontwikkelingsfase van het kind, er blijven altijd probleemgevallen, zéker in de grote steden, zéker in deze tijd.

Een remedial teacher is op elke school zeer wenselijk. Maar mijn grote wens, dat is het oprichten van een school voor buitengewoon onderwijs, dus voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden, gebaseerd op de pedagogie van Rudolf Steiner. De kinderen die niet te handhaven zijn op de vrijeschool, maar toch ook niet voor heilpedagogie in aanmerking komen, moest ik tot mijn grote spijt vaak verwijzen, naar een school waar ik ze liever niet op zag. Zij zouden gebaat zijn bij kleine klassen, waar wel het vrijeschoolleerplan gehandhaafd blijft, maar aangepast is aan de vermogens en onvermogens van de kinderen, dus bijvoorbeeld geen lange verhalen vertellen, geen langdurig schrijfwerk, e.d.

Ja, een aangepaste vorm van vrijeschoolonderwijs voor dergelijke kinderen. daar wil ik ’t meest voor pleiten.*
.

Mies Boeke, geïnterviewd door Joke Beekman in Jonas 22, 30-06-1978
.

*Inmiddels bestaan deze scholen

[1] Nog tijdens Steiners leiding van de eerste vrijeschool in Stuttgart, was er al een vorm van ‘hulpklas’ geleid door Karl Schubert 

Leerproblemen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Remedial teaching

1646-1543

.

.