VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 302

.

GA 302

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Menskunde en opvoeding

Blz. 19   vert. 20

Voordracht 1, Stuttgart, 12 juni 1921

Aber von ganz besonderer Wichtigkeit ist die Beziehung, die wir überall herstellen sollen, wo es nur die Möglichkeit ist: die Beziehung zum Menschen als solchem. Überall sollten wir Gelegenheit nehmen, die Beziehung zum Menschen als solchem herzustellen. Ich will sagen, wir besprechen ein Tier, wir besprechen eine Pflanze, wir besprechen eine Wärmeerscheinung, überall ist die Möglichkeit, ohne daß wir den Unterricht zerstreuen, ohne daß wir gewissermaßen das Kind ablenken, die Sache überzuführen auf irgend etwas, was den Menschen betrifft

Van het allergrootste belang echter is de relatie die wij overal moeten leggen waar zich de mogelijkheid maar voordoet: de relatie tot de mens als zodanig. Overal moeten wij de gelegenheid te baat nemen om de relatie te leggen tot de mens als zodanig. Als we een bepaald dier, een plant, een warmteverschijnsel bespreken, overal doen zich mogelijkheden voor om, zonder dat we het onderwijs versnipperen, zonder dat we de kinderen op een dwaalspoor brengen, het behandelde onderwerp in verband te brengen met iets wat de mens betreft.
GA302/19
Vertaald/20

In GA 295 ruimt Steiner een belangrijke plaats in voor de plant en de 4 elementen, door het jaargetijde heen.
In de 7e voordracht in GA 302 behandelt hij de 4 elementen zoals de Grieken die zagen, in relatie tot het etherlijf. Ook daarin iets over de plant en de elementen.

Blz. 112  vert. 111/112

Voordracht 7, Stuttgart 18 juni 1921

Die Griechen haben, wenn sie es auch nicht deutlich ausgesprochen haben, sich
gesagt: Da wirkt aus der Erde herauf von unten nach oben dasjenige, was Erde ist, was das Kalte und Trockene ist, das wirkt da von unten herauf und sobald die Pflanzen herausbrechen über die Erdoberfläche,dann wirkt, in freier Tätigkeit herausquellend, die Pflanze mit ihrerGrünheit, mit ihrer Blütenfarbigkeit, da wirken Wasser, Luft – aber so,wie es sich die Griechen vorstellten -, und da wirkt, alles in sich einfassend, das Feuer. Da draußen wirken durcheinander das Warme und Trockene, das Kalte und Feuchte, das Warme und Feuchte, und dasjenige, was da durcheinanderwirkt, feucht und trocken und warm und kalt, dieses Qualitative, das da ineinander webt und ineinander wirbelt, das wirkt über der Oberfläche der Erde in der Pflanzenwelt. Das muß man anschauen. Schaut man es an und schaut dann weg auf den Menschen hin, wie sein Ätherleib da drinnen arbeitet, da hat man etwas Ähnliches. Aber man fühlt sich drinnen, indem man das ganze Leben der Pflanze ansieht, angeregt durch eine solche Anschauung, ich möchte sagen, in sich selber hereinzuleben dieses Pflanzenleben, dieses objektive Leben. So ein Grieche hatte die Empfindung: da draußen blüht und gedeiht und wächst alles und verändert sich. Das wirkt auch in mir. 

Ook al spraken de Grieken het niet zo duidelijk  uit, ze waren van mening: vanuit de aarde werkt van onder naar boven dat wat aarde is, wat koud en droog is; dat werkt van onder naar boven. En zo gauw als de planten door het aardoppervlak heen breken, dan werkt de plant, actief en vrij opstijgend, met haar groene kleur, met haar kleurige bloemen, dan werken water, lucht – maar zó als de Grieken zich dat voorstelden -, en dan is het vuur werkzaam, dat alles in zich sluit. Buiten werken door elkaar het warme en droge, het koude en vochtige, het warme en vochtige; en datgene wat daar door elkaar werkt – vochtig en droog, en warm en koud, deze kwaliteiten die door elkaar weven en wervelen, dat werkt op het oppervlak van de aarde in de plantenwereld.
Dat moeten we goed bekijken. Als we daar naar kijken en vervolgens naar de manier kijken waarop het etherlichaam in de mens werkt, dan vinden we iets soortgelijks. Maar van binnen voel je, als je het totale leven van de plant bekijkt, door zó’n manier van kijken een aansporing om dit plantenleven, dit objectieve leven, in jezelf te beleven. De Griek had zo’n gevoel: buiten mij groeit en bloeit en gedijt en verandert alles; dat werkt ook in mij. – Immers wat hij zich voorstelde bij de werking van zijn eigen etherlichaam was niet iets wat ver van hem af stond. Hij zei: datgene wat als etherlichaam in mij zit, blijft geen onbekende voor mij. Zeker, in mijzelf kan ik dat niet zien, maar als ik mijn blik richt op alles om me heen wat groen is, dan vertoont zich daar iets aan mijn blik wat ook in mijzelf zit.
GA302/111-112  
Vertaald/111-112

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2678-2508

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen

.

Enige jaren bezocht ik een ‘alternatief’ driekoningenspel. Het speelde zich af in deze tijd waarin we geconfronteerd worden met aanslagen, angst, maar ook hoop en positivisme.
Het gaat me nu niet om de inhoud. Hoewel die genoeg ‘stof tot spreken geeft’ om met de jongelui van de bovenbouw in gesprek te komen.
Ik vond de beelden indrukwekkend, het verhaal meeslepend en het taalgebruik beeldend en verzorgd.
Ik kan niet anders dan heel positief reageren op wat er geboden werd.

Een jaar later zag ik het opnieuw en, nu ging ik toch voornamelijk omdat er iemand meespeelde die ik van zeer nabij ken, vond ik het weer ‘boeiend’, maar ‘het nieuwe’ was er toch vanaf. 
Een jaar later had ik om dezelfde reden weer kunnen gaan, maar iets weerhield me – ik kende het stuk nu wel: de verrassing was totaal weg.

Waarom heb ik dit gevoel nooit gehad met de Kerstspelen uit Oberufer. Waarom keek ik daar ieder jaar naar uit, ook al kende ik op den duur vrijwel de hele tekst uit mijn hoofd?

Jesse Mulder verwoordde in onderstaand artikel nagenoeg mijn gevoelens:.

Jesse Mulder, Antroposofisch \magazine, nr. 5 2017
.

GOEDE BEDOELINGEN

“Let’s make Judea great again!” riep Koning Herodes, tot vermaak van de vele ouders en belangstellenden die naar het vernieuwde, moderne driekoninginnen-spel kwamen kijken op vrijeschool De Vuurvogel te Driebergen. [Inderdaad: driekoninginnenspel.) Ik was er bij: na lezing van het prikkelende stuk in de laatste Seizoener was ik nieuwsgierig geworden, zij het met een bedenkelijk voorgevoel. En zoals je dat soms kunt hebben, bleek dat voorgevoel niet onterecht. Niet dat het slecht theater was. Het was een goeddeels bevlogen gespeeld, vermakelijk stuk waarin het enthousiasme van de spelers duidelijk voelbaar was. En ik ben er ook niet principieel op tegen om vastgeroeste gewoontes eens radicaal om te gooien, integendeel. Mijn onbehaaglijke voorgevoel duidde op iets anders, namelijk op de vraag: wat is eigenlijk vernieuwing? Als je iets bestaands vernieuwt, dan moet je het wezenlijke van dat bestaande wel meenemen. Anders is het geen vernieuwing maar eerder een vervanging. En daar lag voor mij het probleem. Er was iets verloren gegaan dat mij wezenlijk scheen in het traditionele spel: de algemeen-objectieve beelden. Die waren namelijk vervangen door persoonlijk-subjectieve belevenissen. De centrale figuren in het oorspronkelijke spel stijgen boven het persoonlijke uit: in de koningen kun je bijvoorbeeld beelden zien van wijsheid, schoonheid, en goedheid of kracht. De koninginnen in het vernieuwde spel bleken daarentegen vooral bezig met hun persoonlijke ontwikkeling, getuige de aan het einde toegevoegde ‘evaluatie’ van wat ze op hun reis hadden geleerd. En zoals bovenvermelde uitroep van Herodes laat zien, werd zelfs expliciet de link naar onze eigentijdse context gelegd, met alle verheerlijking van het persoonlijke dat daarbij hoort. In die zin beleefde ik de ‘moderne versie’ dus niet als vernieuwing, maar als vervanging: het driekoningenverhaal was hier een instrument om typisch modern-individualistische boodschappen over te brengen, zoals dat het om de weg gaat en niet om het doel (aldus Caspara aan het slot]. Nu is onze tijd uiteraard de tijd van het individualisme en het intellectualisme, maar juist daarom, zou ik zeggen, wordt er op de vrijeschool zo veel aandacht besteed aan beelden die geen persoonlijke belevenissen uitbeelden en ook geen instrument zijn om iets over te brengen dat ‘begrepen’ moet worden. Ze werken veel meer op de bodem van de ziel, waar ze op mysterieuze wijze een vermoeden wekken van het grotere, persoonlijkheid overstijgende geheel waar wij individualisten uit voortgekomen zijn en dat we niet uit het oog moeten verliezen. En dat staat haaks op de drijfveer van de vernieuwers in Driebergen: “De kinderen snappen het in deze vorm niet, dus het moet persoonlijker, subjectief navoelbaar.” Op die basis is échte vernieuwing eigenlijk bij voorbaat al onmogelijk, alle goede bedoelingen ten spijt.

Jesse Mulder is universitair docent Theoretische Filosofie bij het departement Filosofie en Religiewetenschap, waar hij tevens verbonden is met het onderzoeksproject Responsible Intelligent Systems. Hij promoveerde in 2014 cum laude op het thema Conceptual Realism, over de structuur van metafysisch denken. Jesse is vader van twee dochters.
.

In de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde‘ geeft Steiner het vrijeschoolonderwijs een soort opdracht: de opvoed- en onderwijskundige taak proberen te zien als iets moreels en geestelijks, i.p.v. een van intellect en gemoed.
De eerste past in het bewustzijnzielentijdperk, de andere is uit de tijd van de verstands-gemoedsziel.
Ik denk dat Mulder een paar eigenschappen van deze tijdperken karakteriseert, zonder ze zo te noemen, wanneer hij over het bovenpersoonlijke en het individualistische spreekt.
.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2677-2507

.

.

.

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-4-1)

.

Enige opmerkingen bij blz. 181 – 184  vertaling

.
ALGEMENE MENSKUNDE – VOORDRACHT 12

.
Op blz.182/183 – vert. 183  zegt Steiner:

Wenn der Krankheitsprozeß über das bloß Vegetative hinausgeht, das heißt, wenn der Körper die Tendenz hat, nicht nur das Pflanzliche in sich beginnen zu lassen, sondern auch den mineralischen Kristallisationsprozeß, dann ist eine höhere, sehr zerstörerische Form von Krankheit vorhanden, zum Beispiel Zuckerkrankheit. Dann ist der menschliche Leib nicht in der Lage, aus der Kraft seiner Gliedmaßen heraus, die er von der Welt aufnimmt, das Mineral, das er fortwährend auflösen soll, wirklich aufzulösen. Und wenn heute die Menschen gerade jener Krankheitsformen, die vielfach von krankhaftem Mineralisieren im Menschenleibe herrühren, nicht Herr werden können, so rührt das vielfach davon her, daß wir nicht genügend anwenden können die Gegenmittel gegen diese Erkrankungsform, ( ).

Wanneer een ziekteproces niet slechts plantaardig is, wanneer het lichaam de neiging heeft niet alleen het plantaardige in zich te laten ontstaan, maar ook het kristallisatieproces van de mineralen, dan is er sprake van een ernstiger, zeer vernietigende vorm van ziekte, bijvoorbeeld suikerziekte.0 Dan is het menselijk lichaam niet in staat om door de kracht van de ledematen – die het uit de wereld opneemt – het mineraal dat het zou moeten oplossen, ook werkelijk op te lossen. En wanneer mensen tegenwoordig juist die vormen van ziekten, die dikwijls ontstaan door een ziekelijke vorm van mineraliseren in het lichaam, niet de baas kunnen worden, dan komt dat doordat we niet voldoende gebruik kunnen maken van het middel dat deze ziekten tegengaat.

In Steiners opvattingen over ‘genezen’ komen we tegen dat bv. planten dodelijk voor ons kunnen zijn, maar ook dat ze – in een veranderde hoedanigheid – de mens juist ook genezing kunnen brengen.
Dat geldt ook voor de mineralen.
In onderstaand artikel wordt daarover iets duidelijk gemaakt.

E.Cloos, Weledaberichten nr.84, 12-1969
.

MINERALE GENEESMIDDELEN

.
De mens is een wezen dat men niet zo zonder meer „natuurlijk” kan noemen. Weliswaar heeft hij kalk en fosfor in zijn beenderen, kiezelzuren in zijn bindweefsel en haren; hij groeit als een plant, ondervindt lust en onlust als de dieren — maar dit alles wordt — door het feit dat hij als mens een „ik” heeft — opgeheven in een sfeer, die boven de natuur ligt. Vanuit deze sfeer wordt ook in de onderbewuste gebieden van de stofwisseling en groei, van de droomachtige gevoelens van lust en onlust iets omgevormd, wat zozeer bij de mens als bewust geestelijk wezen behoort, dat datgene wat hij gemeen heeft met de andere natuurrijken in hem opgeheven wordt in het menselijke. De levensprocessen in de opbouw en afbraak worden zo gevormd, dat de mens niet slapend als een plant, niet alleen maar dromend als een dier leeft, maar in zijn denkende bewustzijn in staat is, zichzelf en de wereld te doorgronden. Het menszijn wordt bepaald, doordat de natuur in de mens wordt overwonnen. Dat is de reden, waarom de mens niet — zoals een door een kruisspin vergiftigde merel — naar een bilzenkruidplant kan gaan, om een blaadje daarvan als tegengif te nuttigen. De merel is een natuurwezen; hij vindt het geneesmiddel voor de vergiftiging in de natuur door zijn instinct, d.w.z. door het feit dat hij in de natuur zelf leeft. De mens heeft zichzelf — door zich te verheffen boven de natuur — de basis voor zijn zelfbewustzijn en denkvermogen geschapen, maar heeft daardoor het instinct meer en meer verloren.

Het gevolg daarvan is, dat de geneesmiddelen voor de mens toebereid moeten worden en wel zodanig, dat men steeds in het oog moet houden, hoe de natuursubstantie zo omgevormd moet worden, dat ze in staat is, de mens — als een boven de natuur levend ik-wezen — te genezen.

Dit ik-wezen van de mens beleeft zichzelf aan het feit, dat het in het organisme afbraakprocessen veroorzaakt: een werkelijk doden van stoffen in organen. Er ontstaat iets min of meer mineraalachtigs. Dat mag natuurlijk niet lang zo blijven: het moet weer uitgescheiden worden. Maar in dat vormen en uitscheiden van het minerale „leeft” eigenlijk het ik-wezen van de mens. Daarbij speelt de warmte in zijn verschillende stadia in het organisme een grote rol. De beenderen en de hersenen zijn koel. Men heeft een koel hoofd nodig om goed te kunnen leven. De lever en het hart moeten zeer warm zijn. Een „warm hart” is altijd goed in het leven; vaak ook een gloeiende wil.

Waar het koel wordt in het organisme, vormt zich dode of minerale substantie, zoals bv. in de beenderen. Waar de organen warm zijn, wordt het minerale weer opgelost. Hieruit blijkt, hoe belangrijk minerale stoffen voor het leven van de mens zijn.

Wanneer het er nu om gaat, minerale geneesmiddelen voor de mens te bereiden dan moet men zich afvragen: hoe is de betreffende substantie als zodanig in de mens voorhanden (bv. ijzer in het bloed), of hoe is ze in de fijnste vorm in een of ander orgaan werkzaam (bv. tin in de lever of in de gewrichten). Men zal erop bedacht moeten zijn, dit ijzer of tin zo te bereiden, dat het het organisme ertoe aanzet, zelf de metaalsubstantie sterker op te nemen, of — zoals bij tin — het metaal in zijn functies op te voeren.

Daartoe bestaan verschillende mogelijkheden, al naar gelang van de bedoelingen van de arts. Men kan het ijzer als erts uit de natuur halen, het tot een soort mest verwerken en het in fijne hoeveelheden toevoegen aan grond, waarin brandnetels of spinazie groeien, planten die het bijzondere vermogen hebben, met het ijzer om te gaan. Ze verwerken het ijzer zo, dat het, wanneer men het brandnetel- of spinaziesap als geneesmiddel gebruikt, het organisme stimuleert, zich sterker met het opnemen van het ijzer bezig te houden.

Er worden dus geen hoeveelheden ijzer aan het lichaam toegevoegd, maar het organisme wordt in staat gesteld, zich bezig te houden met de vorming van ijzer. Op die manier bestaan voor alle belangrijke metalen die als geneesmiddelen gebezigd worden, overeenkomstige planten, die het vermogen hebben, met bepaalde metalen om te gaan.

Bij het proces van bemesting van planten met metalen werkt men geheel en al in overeenstemming met de wordende natuur, omdat de plant in zijn levensfuncties iets overneemt, wat men natuurlijk ook „mechanisch” door het homeopathisch potentiëren kan voltrekken. Want de plant brengt inderdaad (vooropgesteld, dat de mest goed bereid en in de juiste dosering wordt gebruikt) een potentiëring van het metaal tot stand. Het is daarentegen in geen geval mogelijk, een verhoogde opname van het betreffende metaal vast te stellen. De therapeutische werking bij de patiënt laat zien, dat het plantensap gepotentieerde metaliteit bevat. Wanneer men de metalen vanuit een ander gebied tot werkzaamheid wil brengen, dan is het nodig ze op een geheel andere manier te bereiden. Dit proces is gebaseerd op iets uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de metalen.

Deze waren in vroegere aardperiodes nog in de omgeving van de aarde als wolken verdeeld. In die tijd vertoonden de metalen in deze toestand nog een intensieve kleurigheid. Resten van die kleurigheid van de metalen vinden we tegenwoordig nog terug in de getintheid van de doorzichtige edelstenen. Uit die wolkentoestand, die ook door moderne onderzoekers aangenomen wordt, hebben de metalen zich verdicht tot een vloeibare toestand en zijn op die manier van buitenaf in de aarde binnengedrongen. Daardoor komen de metalen ook in de diepere lagen van de aarde niet meer voor.

Door ze sterk te verhitten kan men alle metalen weer in die damp- of wolkentoestand terugbrengen. Wanneer men die damp op een koud oppervlak opvangt, dan krijgt men het metaal in een eigenaardige toestand, die niet meer kristallijn is, zoals bij de natuurlijke metalen en ertsen. In die vorm vertonen de metalen een andere werkzaamheid dan de door planten gepotentieerde metalen, wanneer men deze aansluitend nog „mechanisch” potentieert.

Ook hier heeft men nu op een zuiver fysiek vlak een proces voltrokken, dat afgeluisterd is van de natuurlijke ontwikkelingsgang van de metalen. Men maakt alleen de metaalsubstantie zeer sterk los uit de aardse krachtwerkingen van het kristalliseren en verandert daardoor de richting waarin ze in de mens werken.

Een nog verdergaande weg, die evenals het hierboven beschreven proces, berust op aanwijzingen van Rudolf Steiner, leidt tot volkomen nieuwe geneesmiddelen van minerale aard. Het is een eigenaardigheid van alle planten, dat ze zeer bepaalde minerale stoffen opnemen en in de organische substantie van wortels, stengel, bladeren, bloesems en zaden opnemen. Wanneer men de plant verbrandt, dan vindt men deze minerale substanties in de as. Het betreft meestal kalk, kiezel, kalium, natrium, magnesium, ijzer, mangaan, fosfor en zwavel om de belangrijkste te noemen. De verhouding van deze asstoffen tot elkaar is bij alle planten verschillend. De as van de akkerpaardenstaart heeft steeds een andere samenstelling dan de as van kamille. Wat betreft het groen van de bladeren, zijn alle planten, bij wijze van spreken, gelijk. Maar bij het invoegen van de minerale stoffen, worden het uitgesproken individualisten.

Nu is op zichzelf reeds bekend, dat het ijzer van de brandnetel, de kiezelzuren van de akkerpaardenstaart, of de zwavel van de ui belangrijke bestanddelen zijn voor de genezende werking van de betreffende planten.
Dit principe is nog in hoge mate uit te breiden. De geneeskracht van zeer vele planten berust juist op een bepaalde verhouding van minerale stoffen.

In dit verband is het nodig, de wetmatigheden van de asvorming bij afzonderlijke planten te onderzoeken en zich er voorstellingen over te maken, hoe de plant het klaarspeelt, nu juist die stoffen en in die verhouding op te nemen. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk, zeer nauwkeurige analyses van de plant te maken. Wanneer men de verhoudingen van de verschillende minerale stoffen heeft vastgesteld, dan moet men nagaan, hoe de plant het tot stand brengt om deze of gene stof in zich op te nemen of te vormen. Wanneer ons dit — na rijpelijk overleg — gelukt is, dan moet men trachten dat, wat de plant doet, in een laboratorium-proces scheikundig of natuurkundig na te bootsen. Men verkrijgt dan een stofcombinatie die, wat de getallen betreft, met de mineraal-stofverhoudingen van de betreffende plant die men zich tot voorbeeld heeft genomen, overeenstemt. Men gaat hierbij a.h.w. bij de natuur in de leer, doordat men bepaalde levensprocessen van de groeiende plant tot model neemt, waarnaar men in het laboratorium zijn werkwijze ontwikkelt.

Wanneer men nu — zoals hierboven werd geschetst — bepaalde plantenprocessen in het organisch-minerale overgebracht heeft, dan verkrijgt men therapeutische werkingen, die op die van de modelplant lijken, maar die aanzienlijk duurzamer en sterker zijn. Deze preparaten stimuleren — zoals alle minerale preparaten — vooral ook het ik-wezen van de mens, wiens samenhang met het vormen en oplossen van het minerale hierboven geschetst werd.

Aan deze enkele voorbeelden, die maar een klein gedeelte van onze werkwijze op dit gebied uitmaken, hopen we de buitengewone betekenis van de minerale geneesmiddelen duidelijk te hebben gemaakt. Rudolf Steiner heeft eens uitgesproken, dat men de mens eert, wanneer men tracht hem met minerale geneesmiddelen te helpen.

.

Algemene menskundevoordracht 12– alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2676-2506

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-4)

.

Enige opmerkingen bij blz. 181 – 184  vertaling

.
ALGEMENE MENSKUNDE – VOORDRACHT 12
.

Blz. 180      vert.  181

Het gaat in de 12e voordracht o.a. over ‘verbondenheid met de wereld‘.
Zie daarvoor [12-3]
Eerst neemt Steiner het hoofd als uitgangspunt en verbindt dat op een bijzondere manier met de dierenwereld. [12-2]
Daarna is het vertrekpunt de romp en wordt er een verbinding gelegd naar de plantenwereld.
En geheel in lijn met de drieledigheid hoofd – romp – ledematen belicht Steiner de verbinding met de wereld nu vanuit de ledematen, als 3e van de rijken om ons heen: dieren-, planten- en mineraalrijk.
(Het is niet per se het derde: vaak wordt het als eerste genoemd, maar in deze volgorde verschijnt het nu in deze voordracht).

Blz. 180  vert. 181

Nun bleibt uns noch die Frage: Wie stehen nun eigentlich Knochengerüst und Muskeln zum gesamten menschlichen Lebensprozeß, wenn wir den Menschen betrachten leiblich in seiner Beziehung zur Außenwelt?

Nu rest ons nog de vraag hoe de botten en spieren zich eigenlijk verhouden tot het gehele levensproces van de mens, wanneer we hem zien in zijn lichamelijke relatie tot de buitenwereld.

Blz. 181    vert. 181

Sehen Sie, da kommen wir auf etwas, was Sie unbedingt begreifen müssen, wenn Sie den Menschen verstehen wollen, worauf aber in der gegenwärtigen Wissenschaft fast gar nicht gesehen wird. Beachten Sie einmal, was geschieht, indem Sie den Arm beugen. Da bewirken Sie ja durch die Muskelanziehung, die den Vorderarm beugt, einen ganz maschinellen Vorgang. Stellen Sie sich jetzt vor, das wäre einfach dadurch geschehen, daß Sie zuerst gehabt hätten eine Stellung wie diese:

Daar komen we op iets wat u absoluut moet begrijpen, wanneer u de mens wilt begrijpen. De huidige wetenschap ziet dit vrijwel niet. Bedenkt u eens wat er gebeurt als u uw arm buigt. Dan brengt u door de samentrekking van de spier die de onderarm buigt een puur mechanisch proces op gang. Stelt u zich voor dat uw arm eerst deze houding had:

Sie würden nun ein Band spannen (c) und würden es zusammenrollen; dann würde diese Stange diese Bewegung ausführen.

Stel dat u dan een touwtje zou spannen [c] en dit zou oprollen. Dan zou die stang deze beweging maken.

Es ist eine ganz maschinelle Bewegung. Solche maschinelle Bewegungen führen. Sie auch aus, wenn Sie Ihr Knie beugen und auch, wenn Sie gehen. Denn beim Gehen kommt fortwährend die ganze Maschinerie Ihres Leibes in Bewegung, und fortwährend wirken Kräfte.
Es sind vorzugsweise Hebelkräfte, aber es wirken eben Kräfte.

Het is een puur mechanische beweging. Zulke mechanische bewegingen voert u ook uit wanneer u uw knie buigt en ook wanneer u loopt. Bij het lopen komt namelijk voortdurend de hele machinerie van uw lichaam in beweging. Voortdurend werken er krachten. Het zijn voornamelijk hefboomkrachten, maar in ieder geval krachten.

Wat er nu komt, is in wezen een nieuwe karakterisering van het Ik; het geeft ons weer een andere nuance van wat we al hadden leren kennen.

Blz. 181/182   vert. 181/182

Denken Sie sich jetzt einmal, Sie könnten durch irgendeinen kniffligen photographischen Vorgang bewirken, daß, wenn der Mensch geht, vom Menschen nichts photographiert würde, aber all die Kräfte, die er anwendet, photographiert würden. Also die Kräfte, die er anwendet, um das Bein zu heben, es wieder aufzustellen, das andere Bein nachzusetzen. Vom Menschen würde also nichts photographiert als nur die Kräfte. Es würde da zunächst, wenn Sie diese Kräfte sich würden entwickeln sehen, ein Schatten photographiert und beim Gehen sogar ein ganzes Schattenband. Sie sind groß im Irrtum, wenn Sie glauben, daß Sie mit Ihrem Ich in Muskeln und Fleisch leben. Sie leben mit Ihrem Ich, auch wenn Sie wachen, nicht in Muskeln und Fleisch, sondern Sie leben mit Ihrem Ich hauptsächlich in diesem Schatten, den Sie da abphotographieren, in den Kräften, durch die Ihr Leib seine Bewegungen ausführt.

Stelt u zich eens voor dat u door een of andere fotografische truc iemand zou fotograferen die loopt, en wel zo dat je niet hemzelf ziet maar alle krachten die hij gebruikt om zijn been op te heffen, weer neer te zetten en het andere been bij te trekken. Stel, u zou dus alleen die krachten zien. Als u zou zien hoe deze krachten worden ontplooid, dan zou u eerst een schaduw zien en bij het lopen zelfs een schaduwstrook. U vergist zich schromelijk als u denkt dat u met uw ik leeft in spieren en vlees. Ook al bent u wakker, dan is uw ik niet present in spieren en vlees, maar voornamelijk in die schaduw, in de krachten waardoor het lichaam beweegt.

M.i. is het helemaal niet zo grotesk: als we willen gaan staan vanuit een stoel, kost dat kracht. En wanneer je het spelletje ‘handje-drukken’ doet, voel je al helemaal dat je a.h.w. totaal in de drukkrachten aanwezig bent of graag wil zijn. En er zijn natuurlijk nog veel meer situaties waarin dat beleven:

So grotesk es Ihnen klingt: wenn Sie sich setzen, dann drücken Sie Ihren Rücken an die Stuhllehne an; mit Ihrem Ich leben Sie in der Kraft, die sich in diesem Zusammendrücken entwickelt.
Und wenn Sie stehen, leben Sie in der Kraft, mit der Ihre Füße auf die Erde drücken. Sie leben fortwährend in Kräften. Es ist gar nicht wahr, daß wir in unserem sichtbaren Körper mit unserem Ich leben.
Wir leben mit unserem Ich in Kräften. Unseren sichtbaren Körper tragen wir nur mit; den schleppen wir nur mit während unseres physischen Erdenlebens bis zum Tode.

Hoe grotesk dit ook mag klinken: wanneer u gaat zitten, dan drukt u uw rug tegen de leuning; uw ik leeft in de kracht die u in dit drukken ontwikkelt. En staat u, dan leeft uw ik in de kracht waarmee uw voeten op de aarde drukken. U leeft voortdurend in krachten. Het is niet waar dat ons ik leeft in ons zichtbare lichaam. Het leeft in krachten. Ons zichtbare lichaam dragen we alleen maar met ons mee, dat slepen we hier tijdens ons leven op aarde tot onze dood toe mee.

Die laatste zin is dagelijks zichtbaar in de oud geworden mens die m.b.v. rollator of door een stok gesteund zich nog enigszins kan bewegen.
Ook als we (veel) jonger zijn, kan het dat we de zwaarte van ons lichaam voelen. Ook dan zeggen we vaak: ‘Ik sleep me voort’ En niet alleen in het Nederlands. ‘Mi tira avanti’, zegt de Italiaan, als het hem/haar een dag eens niet goed vergaat. 

Bij het hoofd beschreef Steiner een bepaalde ‘ontaarding’ – dat bedoel ik hier letterlijk – het verlaat wat zijn eigenlijke aard is. Dat mondde dan uit in een bepaalde verdierlijking.
Bij de romp kwamen we iets soortgelijks tegen.
Het ligt dus voor de hand dat dit ook het geval is bij de ledematen.
Die hebben – ze bestaan vooral ook uit botten – een affiniteit tot het rijk van de aarde, in dit geval de mineralen. 
Vele mineralen hebben een kristalvorm, bv. het zout:

Hebben we het over nierstenen, dan weten we onmiddellijk dat de kristallen als kristal niet in ons lichaam horen:

niersteen

Het is dus nodig dat ‘iets’ in ons de vorming van steen-, kristalvorm tegengaat. 

En dat doen volgens Steiner: de ledematen:

Nicht wahr, indem Sie sich ernähren, nehmen Sie auch auf allerlei mineralische Stoffe. Auch wenn Sie sich nicht stark Ihre Suppe salzen – das Salz ist ja in den Speisen drinnen -, nehmen Sie mineralische Stoffe auf. Sie haben auch das Bedürfnis, mineralische Stoffe aufzunehmen. Was tun Sie denn mit diesen mineralischen Stoffen? Ja, sehen Sie, Ihr Kopfsystem kann nicht viel mit diesen mineralischen Stoffen anfangen. Ihr Rumpf-Brust-System auch nicht. Aber Ihr Gliedmaßensystem; das verhindert, daß diese mineralischen Stoffe in Ihnen die
ihnen eigene Kristallform annehmen. Wenn Sie nicht die Kräfte Ihres
Gliedmaßensystems entwickeln, so würden Sie, wenn Sie Salz essen,
zum Salzwürfel werden. Ihr Gliedmaßensystem, das Knochengerüst und das Muskelsystem haben die fortwährende Tendenz, der Mineralbildung der Erde entgegenzuwirken, das heißt, die Minerale aufzulösen. Die Kräfte, die die Mineralien auflösen im Menschen, die kommen vom Gliedmaßensystem.

Het is toch zo dat u met uw voedsel allerlei mineralen in u opneemt. Ook als u de soep niet al te zout maakt — zout zit namelijk ook in de spijzen zelf- neemt u mineralen in u op. U heeft ook de behoefte om dat te doen. En wat doet u nu met die stoffen? Welnu, uw hoofd kan er niet veel mee beginnen en uw romp-borststelsel ook niet. Maar de ledematen wel: die verhinderen dat deze minerale stoffen in u hun eigen kristalvorm aannemen. Zou u niet de krachten van uw ledematen inzetten, dan zou u een klompje zout worden wanneer u zout eet. Uw ledematenstelsel, de botten en de spieren, hebben de voortdurende tendens om de mineralisering van de aarde tegen te gaan, dat wil zeggen, de tendens om mineralen op te lossen. De krachten die mineralen in de mens oplossen komen van het ledematenstelsel.

Even eerder zei Steiner over deze krachten, dat daarin het Ik leeft. En vanuit de 10e voordracht weten we dat de ledematen ‘het meest geest zijn’. De geest staat hier tegenover de sclerotisering, het mineraalworden.

Wanneer dit ‘oplossen’ niet lukt, ontstaan er bepaalde ziekten. Steiner noemt hier jicht en suikerziekte.
Dat zal in een ander artikel aan de orde komen.

Aan het eind van de voordracht vat Steiner nog een keer samen:

Blz. 183  vert. 184

Der Leib des Menschen wird auf keine andere Weise erklärlich, als indem man zuerst seine Vorgänge, seine Prozesse kennt, indem man weiß, daß der Mensch in sich auflösen muß das Mineral, in sich umkehren muß das Pflanzenreich, über sich hinausführen muß, das heißt, vergeistigen muß das Tierreich. Und alles dasjenige, was der Lehrer wissen soll über die Leibesentwicklung, das hat zur Grundlage eine solche anthropologische, anthroposophische Betrachtung, wie ich sie hier mit Ihnen angestellt habe.

Het lichaam van de mens kan alleen verklaard worden wanneer men eerst de processen ervan kent en weet wat zich erin afspeelt. Men moet weten dat de mens het mineraal in zich moet oplossen, het plantenrijk moet omkeren en het dierenrijk moet transformeren, dat wil zeggen vergeestelijken. En alles wat een leraar moet weten over de ontwikkeling van het lichaam, moet gestoeld zijn op een antropologische, antroposofische benaderingswijze als die welke ik nu met u besproken heb.
GA 293/181-184
Vertaald/181-184
.

Algemene menskunde: voordracht 12– alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

Vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

2675-2505

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin

.

Dr. H. Kaufmann, Weledaberichtennr. 85, 05-1970
.

DE VERZORGING VAN DE HUID IS ZO BELANGRIJK

Niet alleen voor de zuigeling

Elke levensfase van de mens heeft bepaalde hoogtepunten: het vermogen om te spelen, dat zich in de eerste zeven jaren ontwikkelt, het vermogen om te leren en te bewegen in de tweede fase, later andere. Men zou ditzelfde ook van afzonderlijke organen kunnen zeggen, bv. van de huid, het meest omvattende en grootste omhullende en beschermende orgaan van de mens. In de eerste jaren, vooral bij de zuigeling, bereikt de huid zijn hoogtepunt wat betreft de uiterlijke indruk: teerheid, gladheid en zachtheid zijn met niets te vergelijken en geven een indruk van de uitzonderlijke plaats van de mens tegenover de natuur.

Gedurende zijn hele levensloop draagt de mens jeugd- en ouderdomsprocessen in zich. In de jeugd heeft het opbloeien de overhand en wel het sterkst in de embryonale tijd; in de ouderdom meer de afbraak, de verharding. Onafgebroken vinden in elk orgaan, zowel in het bloed als in de beenderen, deze processen plaats, die bij de gezonde mens in elke leeftijdsfase op een bijzondere manier moeten optreden. Bij de twee uiterste fasen nl. die van de zuigeling en die van de grijsaard, zien we deze polariteiten zich in de huid weerspiegelen. Bij de zuigeling een zeer sterke opbouw, overvloed van leven: alles is rond en zacht; bij de grijsaard een zeer sterke afbraak, rimpels, gevormdheid, tot uitdroging toe. Tussen die beide extremen moet de huid op elke leeftijd het evenwicht scheppen, want reeds bij de zuigeling treedt een voortdurende afbraak van de huidsubstantie op, die echter door de overmatige opbouw a.h.w. wordt overvleugeld. Maar ook bij de grijsaard moet, ondanks alle gevormdheid en verhardende afbraak, steeds weer huidsubstantie gevormd worden, alleen valt dit – door de overmatige ouderdomsprocessen — niet meer zo op.

Zo beschouwd kan men inzien, hoe volwassenen, bv. de ouders, het opgroeiende kind verzorgen kunnen. We willen hier in het bijzonder aandacht schenken aan de huid. Bij de zuigeling en het kleine kind dienen we erop te letten, dat de opbouw niet eenzijdig begint te overheersen en het opgroeiende kind steeds weer een bij de mens behorende beschermende omhulling door middel van de huid krijgt. Toch moet die zo zijn, dat ze ook gevoelig en open tegenover de buitenwereld blijft.

Welke taken liggen hier voor de moeder, wanneer ze de huid van de zuigeling en de kleuter op de juiste manier wil verzorgen?

1. het opbouwende leven moet op een goede manier gestimuleerd worden, dus: opbouw

2. de omhullende, afsluitende functies moeten in stand gehouden worden, dus: vorming en afbraak

3. de zintuigelijke vermogens van de huid — tast- en temperatuurzin — moeten gewekt worden, dus: bewustzijn.

Wel is tegenwoordig een verzorging van de zuigeling met de vier hoofdmiddelen: olie, vet (crème), poeder en zeep vanzelfsprekend, maar aan een verstandige huidverzorging voor de kleuter en het jonge kind wordt weinig aandacht geschonken. Het algemene proces van de ontwikkeling, dat we in de aanvang beschreven, gaat echter in die jaren voort. Vooral van 7 tot 14 jaar spelen ritme en beweging een belangrijke rol. De wil doordringt de ledematen steeds meer: springen, lopen, huppelen, klimmen en gooien zijn een uitdrukking van deze ontwikkeling.

In de zomer breekt er dan een tijd aan, waarin men de meisjes en jongens bijna niet uit het water kan krijgen. Bibberend ziet men ze eruit klimmen, de lippen en het puntje van de neus blauwachtig verkleurd en met kippenvel over het hele lichaam: een teken dat het te veel van het goede was! Er heeft duidelijk een veel te sterke afkoeling plaatsgevonden. Dan is een goede huidolie [1] van uitgesproken hygiënisch belang. Deze wekt het warmte-organisme weer op en geeft de nodige beschermende laag.

Men hoeft niet teveel te letten op dergelijk te sterke afkoelingen, maar men zou  er ook niet achteloos aan voorbij moeten gaan. We hebben hier te maken met een storing in het warmte-organisme en dit is het nu juist, dat het mogelijk maakt dat de persoonlijkheidskrachten in de mens kunnen werken. Wanneer die storing door eenvoudige maatregelen weer in evenwicht gebracht kan worden, dan helpt men het kind in zijn ontwikkeling.

Het invetten met olie voor het baden is in dit verband zeer aan te bevelen, omdat men op die manier een beschermende laag aanbrengt tegen dergelijke afkoelingen. Het andere uiterste is de zonnebrand. In de zomer komt die zo vaak voor, dat men het helaas als onvermijdelijk beschouwt. De hierdoor veroorzaakte aantasting van de bovenste huidlagen, die op een verbranding lijken, slaat zonder twijfel terug op het innerlijke organisme, nog afgezien van het feit, dat de huid — door een te sterke zonbestraling — bij een dieper onderzoek duidelijke tekenen van verouderen vertoont. Zonnebrandcrème, maar ook huidoliën, onder toevoeging van de juiste bestanddelen, werken profylactisch. Wanneer er eenmaal verbranding door de zon is opgetreden, dan is een goede verzorging van de beschadigde huid [1] dringend aan te bevelen.

Over ’t algemeen is een massageolie voor het kind steeds een goede hulp om de huid bij het zich verder ontwikkelen te helpen. De overmatige levenskrachten, die een uitdrukking vinden in de gespannen, gladde toestand van de huid, treden later steeds meer op de achtergrond. De huid wordt nu duidelijk een uitdrukking van de persoonlijkheid. Dit subtiele proces kan alleen bevorderd worden door substanties, die aan de mens aangepast zijn. De gewone chemie voldoet hierbij niet aan de eisen. Hier begint een ,,anti-chemie” (Rudolf Steiner). Deze spreekt niet over geïsoleerde werkzame stoffen, die dus een „maximale zuiverheid” hebben, maar over vormkrachten. Deze werken niet analytisch, maar synthetisch in de meest omvattende betekenis. Iedere echte natuursubstantie is eigenlijk een „compositiegeheim”. Daarom kunnen de organische stoffen ook zo moeilijk analytisch onderzocht worden, omdat ze — wanneer ze met middelen uit de gewone chemie geanalyseerd worden — meestal „buitengewoon gecompliceerd samengesteld” blijken te zijn. Plantaardige oliën zijn substanties die ontstaan, wanneer het vegetatieproces met de vorming van vrucht en zaad ten einde loopt. Nu krijgt het zaad zijn warmte-omhulling en wordt omgeven met olie, die door de kosmos uit licht en warmte is gevormd. Het eigenlijke echte proces van de olievorming in de olijfboom, de sesamplant, de zonnebloem en het lijnzaad is meer een kosmisch dan een aards proces. Met deze krachten verbindt de mens zich, wanneer hij zich met dergelijke oliën inwrijft.

Een huidverzorging die aan de ontwikkeling van de mens aangepast is, omvat drie grondfactoren: de reeds genoemde olie, water en zeep. [2]

De olie is meer gericht naar de kosmische kwaliteiten van licht en warmte; het water is het element van het leven, dat ons met de aarde op de juiste wijze verbindt. De zeep is de bemiddelaar tussen beide, doordat deze vet of olie met het water in verbinding brengt.

Reeds herhaaldelijk werd in de Weleda Berichten erop gewezen, dat lichamelijke hygiëne en verzorging van het lichaam meer is dan alleen „iets fysieks”. Uiteindelijk moet het instrument, waarin de ziel zich in de aardse omstandigheden wil uiten, zo goed mogelijk afgestemd zijn op de impulsen van het Ik. In dit licht bezien hebben de substanties van de natuur en de daaruit ontwikkelde kosmetische preparaten nog een verder reikend aspect, dan alleen aangenaam te zijn. Substanties uit de natuur — op de juiste wijze verwerkt — zijn voor de mens steeds werkelijke helpers op de weg van de ontwikkeling.

[1] Huidverzorging      meer   meer
[2] Zeep

In de 7e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ ging Steiner uitgebreid in op het verschil jeugd-ouderdom.

Tastzin en huid: zintuigen onder nr. 2

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2674-2504

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-3/1)

.
Dr.W.Bühler, Weledaberichten nr. 80, 12-1968
.

DE „ZIEL” VAN HET HART

Het bericht van de eerste harttransplantatie heeft — meer dan welke andere gebeurtenis in de geschiedenis van de medische wetenschap ook — de mensheid daarom zo geschokt, omdat ze het hart tot toetssteen van onze wereldbeschouwing maakte. In de terecht optredende bewondering over de technisch meesterlijke prestatie van de chirurgen, mengde zich de schrik voor de consequenties voor ons aan traditie gebonden mensbeeld, dat aan het hart de bovenbedoelde uitzonderingspositie onder alle organen inruimde als zetel van de diepere zielenkrachten of als centrum van het gemoed.

In vele publicaties kon men lezen, dat het nu gedaan was met frases zoals „zich iets ter harte nemen”, „een koud of een warm hart”, een „van harte ergens mee instemmen”, m.a.w. met de hele „hartelijkheid”, omdat dit een door de natuurwetenschap achterhaald woordgebruik blijkt te zijn. Zelfs het Vaticaan, dat – via de Osservatore Romano – te kennen gaf, dat er tegen de orgaantransplantaties vanuit religieus en filosofisch standpunt geen bezwaren bestonden, was van mening, dat het hart een zuiver fysiologisch orgaan is en dat zijn functies zuiver mechanisch zijn, ofschoon het het menselijke bestaan bepaalt. Gezien het feit, dat voor een dergelijke opvatting het hart nog slechts een spiermotor of een dubbelpomp in de machine „Mens” is, dat — zoals elk versleten deel daarvan — door een ander vervangen kan worden, vreesde de Nobelprijsdrager W. Forszmann niet ten onrechte, een „verlies aan zedelijke substantie” voor de mensheid.

Het heeft er alle schijn van, dat het hart voortaan alleen nog maar in overdrachtelijke betekenis als abstract symbool voor „hartsaangelegenheden” zal kunnen dienen.

De discussie over de harttransplantatie raakt de diepste vragen van ons psychisch en geestelijk bestaan. Ze scheurt weer opnieuw de kloof open tussen weten en geloven, tussen een meestal nog slechts traditioneel of dogmatisch, maar toch spiritueel mensbeeld en de zuiver wetenschappelijke, geestloze opvatting. Inderdaad dreigt de ingreep van Kaapstad een wereldomvattende val in het materialisme met zich mee te brengen, tenzij het gelukt, de oordeelsvorming over de daardoor aan het licht tredende problematiek naar een geestelijk mensbeeld te oriënteren en dienovereenkomstig te verdiepen.

In de „Weleda” Berichten werd er vaak op gewezen, hoe het menselijke lichaam van het hoofd tot de voeten een drieledige vorm en tegelijkertijd instrument voor de mensengeest is, die zich in denken, voelen en willen als zielenwezen uitdrukt. Alleen een dergelijke opvatting is in staat ook de vraag naar het wezen van het hart en naar de samenhang daarvan met het zielenleven van de mens te benaderen.

De levenswil van het hart

Fysiek beschouwd brengt het hart, als onvermoeibaar werkende spier, een enorme arbeidsprestatie tot stand. In één dag zet dit orgaan in meer dan 100.000 slagen een hoeveel bloed om van over 5 ton gewicht! Wie daarin alleen maar de mechanische topprestatie van een spierpomp ziet, miskent de realiteit van de wilskrachten. Tegenover een dergelijke veruiterlijkte, ofschoon historisch vooreerst noodzakelijke opvatting, is het nodig de spierstructuur van de mens als instrument van de willende ziel te beschouwen, waarin ze zich incarneert, wat letterlijk „vleesworden” betekent. De naar de wereld toegekeerde, actieve ziel kan haar drijfkrachten en de impulsen, waarmee ze bewegend en vormgevend in de wereld van de stof zou willen ingrijpen, alleen verwezenlijken via het ledematenstelsel. Een naar binnen gekeerde metamorfose van deze door de wil bepaalde omgang met de stof, vindt plaats in de voeding en de spijsvertering. Daar brengt de gladde spierstructuur van de maag, de darmen en andere organen de meer grove omvorming en verandering van de in het lichaam opgenomen stoffen tot stand, tot en met de fijnere stofwisselingsprocessen, zoals die b.v. in de lever plaatsvinden. Daarbij verzwakt de op een doel gerichte en van het Ik uitgaande wilsfunctie van de ledematen tot een onbewuste, door het instinct geleide driftmatige functie in de stofwisseling. Zo beschouwd is het hart als stofwisselingsorgaan en als machtigste holle spier van het lichaam, vanuit de ziel doordrongen met een in het lichaam verankerde levenswil, die de eigenlijke drijfkracht uitmaakt. Via de fijne spieren die het aderlijke vatennet omspannen en de bloeddruk onderhouden, slaat — van het hart uitstromend — deze door de ziel bewerkte levenswil zijn wortels in het gehele organisme. Daarbij kan die ziel, in de verhoging van de bloeddruk, een te sterke binding met het lichamelijke aangaan, of bij een te lage bloeddruk aan dit lichamelijke ontsnappen in een toestand van onmacht of in een collaps.

Het bloed komt tot stilstand

Het hart reageert op een vluggere manier van lopen of op een koortsaanval met een versnellen van de functie of wel het vertraagt zijn slag, wanneer het lichaam in een toestand van rust is. Het vermogen tot reageren heeft het te danken aan het feit, dat het begiftigd is met het vermogen om waar te nemen, dat ons wijst op het zenuwzintuig-aandeel van dit orgaan. Door de gevoeligheid van onze zintuigen beleven we de afspiegeling van de wereld en verwerken, met behulp van het centrale zenuwstelsel de op deze wijze opgenomen waarnemingen tot voorstellingen. Zintuigen en hersenen zijn de spiegel voor de ziel, die met de hulp daarvan een beeld van de wereld en van zichzelf kan maken. Deze spiegelende functie van het zenuwstelsel is slechts mogelijk, omdat aan deze pool van het organisme de stofwisselingsfunctie en -bewegelijkheid in hoge mate tot rust komt. Dit komt ook tot uitdrukking in de verstarring van de hersenwindingen. Van hieruit valt een licht op het veel te weinig opgemerkte feit, dat het hart de enige plek in het organisme is, waar de bloedstroom steeds opnieuw gestuwd, zelfs onderbroken wordt en volledig tot stilstand komt. Door het viervoudige tegenhouden van de bloedstroom door middel van de hartkleppen — waarvan men de functie zou kunnen vergelijken met een tolboom aan een grens of een douanestation, wordt voor het hart de beweging van het bloed, en zelfs de hele bloedsomloop bewust. Het maakt zich stap voor stap een beeld van de dynamiek van het bloed; het tast of proeft a.h.w. bij het doorstromen van de bloedmassa — onder samentrekking van de holle musculatuur van de hartkamers — de fijnste kwaliteiten van het bloed: zijn warmteverschillen, zijn samenstelling en nog veel meer. Het is dan ook geheel doortrokken van een zenuwweefsel dat prikkels kan geleiden.

De aanwijzing die Rudolf Steiner, de grondlegger van de Antroposofie, aan de artsen gaf, om het hart steeds meer als zintuig te begrijpen, was tegelijkertijd een belangrijke oproep om het als een bezield orgaan te leren kennen. Het hart dankt het vermogen om zich steeds weer op elastische wijze aan de eisen van de periferie aan te passen aan de boven beschreven aandacht voor het circulatieproces.

Het hart als orgaan voor „hartelijkheid”

Het hart heeft echter ook deel aan de voelende ziel. Het voelen is een bemiddelaar tussen de voorstelling en de wil. Het wisselspel tussen sympathie en antipathie, lust en tegenzin, openheid voor de wereld en afweer, vrolijkheid en droefheid wordt fysiologisch gedragen door de ritmische processen van ons organisme. Op de vleugelslag van het ritme van de ademhaling dringt de ziel inspiratief binnen in de lichamelijkheid, wordt verdergedragen door de ritmen van het bloed en openbaart zich in klanken en gezang in de uitademing weer naar buiten.

In de uitzetting van de vaten bij toorn en schaamte, in het zich samentrekken ervan bij schrik, d.w.z. bij het blozen en verbleken, speelt de voelende ziel op haar ritmische instrument. Het hart, dat van vreugde sneller klopt, of bijna stilstaat van angst opent echter in fijne sympathieprocessen zijn poorten voor de uit alle organen samenvloeiende bloedstroom en plaatst in een zekere mate van antipathie zich daartegenover, doordat het deze stroom terughoudt en remt. In deze zeer fijne processen schept het door de kunstgreep van het ritme, voortdurend een evenwicht tussen de ontelbaar vele tegengestelde processen van de grote en de kleine bloedsomloop, tussen de centripetale tendenties van de aderen en de centrifugale tendenties van de slagaderen, de vertraging en de versnelling, de koolzuuroverlading en de zuurstofverrijking van het bloed.

De zetel van het geweten

Als centrum van het ritmische systeem heeft het hart dus een bijzondere verhouding tot de voelende ziel en wordt — hoe verrassend dit ook moge klinken, inderdaad tot de voornaamste plek waar onze gemoedskrachten verankerd zijn. Tegenover de doodsangst die uit het hart opwelt bij een toestand van kramp of verstikking, staat — zoals bij een zonsverduistering het stralende licht — de levensmoed, bron van alle gemoedskrachten, waarmee het onvermoeibaar klopt. Het gezonde hart wordt door deze actieve, harmoniserende processen voor ons zielenleven tot een wezenlijke bemiddeling van het ons dragende levensgevoel en levensvertrouwen, dat onder de drempel van het bewustzijn ligt. Een storing in deze bemiddelende functie daarentegen, belast ons met een gevoel van zwaarte en psychisch met een toestand van depressie. Aldus blijkt het hart een drievoudig, door en door bezield orgaan te zijn, dat samenhangt met de idee van de drieledigheid van het totale organisme. Het kan zijn functies alleen vervullen krachtens de reële, zij het ook aan het lichaam gebonden zielenkrachten. Daarmee valt echter ook een nieuw licht op de vraag van de harttransplantatie. De chirurg die het hart van de gestorven donor in zijn hand heeft en meent, dat hij het hart in zijn totaliteit overdraagt, lijkt op de zoöloog, die een leeg nachtegaalnest ontdekt en gelooft, dat hij in deze omhulling het hele wezen van de nachtegaal in handen heeft. Oerbeeld en wezen van het hart bevinden zich in het innerlijke deel van de wereld; zij zijn gegrondvest in het bovenzinnelijke. De ontvanger van een nieuw hart moet daarom dit vreemde hulsel met zijn eigen bloed doordringen; hij moet het met warmte, adem en ritme doordringen. Hij moet het zelfs met de krachten van het „zielenhart” die hem nog resten, met zijn eigen levenswil en levensgevoel actief en tot ontvangen bereid — ofschoon onbewust — bezielen. Wanneer er zich daarbij een verborgen antipathie tegen het „wezensvreemde lichaam” opdoemt, dan staat de arts voor de moeilijke belemmering van iedere orgaantransplantatie nl. de individueel min of meer sterke afweerreactie. De harttransplantatie kan dus nimmer vergeleken worden met alleen maar een gedeeltelijke reparatie.

De wakende mensenziel moet offeren

Het jonge meisje dat op straat gestorven is, bestaat niet in het nog levende hart voort; de persoonlijkheid van de mens, ofschoon die onafscheidelijk met het lichamelijke verbonden is, ligt in een innerlijke, onzichtbare kracht van de ziel. Men moet echter aan de positief te nemen opvatting van ,,l’Osservatore Romano” toevoegen, dat het juist die kracht van de ziel is, die een reëel aandeel heeft in de vorming en het functioneren van een gezond hart en van het organisme van het bloed, en die tegelijkertijd gebaseerd is op het bloedritme. Want evenals een plant een deel van zijn levenskrachten moet onttrekken aan het groeien en bloeien om zich te verankeren in de duisternis van de aarde, moet de wakende mensenziel een deel van haar krachten offeren, om wortel te slaan in de bewustzijnsduisternis van het lichaam. Daarbij ligt het centrum van deze lichamelijke verankering als voelende ziel in het ritme van het hart, zoals ook het verstand de spiegel van de hersenen nodig heeft. Daarom is het ons veroorloofd, om wanneer louter logica en verstandsanalyse niet opgewassen blijken tegen de vele problemen van leven en lot, op het waarheidsgevoel te vertrouwen, dat in de hartenkrachten van ons wezen sluimert. We zouden naar de stem van het geweten moeten luisteren, ook wanneer het hoofd iets immoreels met duizend verstandige redenen tracht te verontschuldigen. Want die stem komt uit de diepte van het zuivere hart. Wanneer we aldus bezonnenheid en hartelijkheid verbinden, dan zal het hart voor ons levenslot steeds meer worden een „sleutel van de wereld en het leven” in de zin van een woord van Novalis.

.

Rudolf Steiner: algemene menskunde voordracht 2: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Meer over het hart

.

2673-2503

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 301

.

GA 301

Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap

Blz. 84/85  vertaald blz. 8/85

Voordracht 5, 26 april 1920

                                           Einiges über den Lehrplan 

Ist der Lehrer selber kein Phantast, so wird er zunächst alles dasjenige, was er an das Kind über die Umgebung des Menschen heran­bringen will – das Kind unterscheidet sich ja noch nicht von der Um­gebung, das tritt erst später, im 9. Jahre ein -, alles das, was er ent­wickelt über Tier, Pflanze, über die übrige Natur, er wird es dem Kinde in Märchenform beibringen. Wenn man nur einmal sich damit vertraut machte, welch gewaltiger Unterschied darinnen liegt, ob man dem Kinde Märchen liest oder man solche Märchen selber erst aus­gestaltet! Ich bitte, lesen Sie noch so viel Märchen und erzählen Sie gelesene Märchen Ihren Kindern, sie wirken nicht so, als wenn Sie viel schlechtere Märchen selber ausgestalten und sie an die Kinder heran­bringen, und zwar weil der Prozeß des Gestaltens in Ihnen – das ist ja eben das, was ich meine mit dem Lebendigen – auf das Kind nachwirkt, weil er sich wirklich dem Kinde mitteilt. Das sind die Imponderabilien des Umgangs mit dem Kinde.

Iets over het leerplan

De tekst tussen << en >> betreft een doorverwijzing vanuit een elders geplaatste link.

<< Is de leerkracht zelf geen fantast, dan zal hij vooral alles wat hij aan het kind over de omgeving van de mens wil leren (het kind onderscheidt zich dus nog niet van zijn omgeving, dat komt pas later, in het 9e jaar), alles wat hij maakt over dier, plant, over de overige natuur, hij zal het het kind bijbrengen in de vorm van een sprookje. Maakte men zich maar eens vertrouwd met wat voor geweldig verschil het is of je het kind sprookjes voorleest of dat je zelf eerst zulke sprookjes ontwerpt. Ik vraag u, leest u nog zo veel sprookjes en vertel de gelezen sprookjes aan uw kinderen, ze werken niet zo, als wanneer u veel slechtere sprookjes zelf maakt en die aan de kinderen geeft en wel omdat het proces van het maken in u – dat is nu wat ik bedoel met het levendige – in het kind nawerkt, omdat het echt bij het kind aankomt. Dat is het imponderabele in de omgang met het kind.

Darum wird in unserer Waldorfschule versucht, alles dasjenige, was sich auf die menschliche Umgebung bezieht, in den ersten Schuljahren durch die Phantasie an die Kinder heranzubringen. Wie gesagt, der Lehrer, der nicht selber ein Phantast ist, macht auch die Kinder nicht zu Phantasten, mag er noch so phantasievoll über Käfer und über Pflanzen und über Elefanten. und über Nilpferde erzählen.

Daarom wordt in onze vrijeschool geprobeerd alles wat te maken heeft met de menselijke omgeving in de eerste schooljaren door de fantasie aan de kinderen te geven. Zoals gezegd, de leerkracht die zelf geen fantast is, maakt ook zijn kinderen niet tot fantast, als spreekt hij nog zo fantasievol over kevers en over planten en over olifanten en over nijlpaarden.>>
GA 301/84-85
Op deze blog vertaald/84-85

Blz. 124  vert. 124

Voordracht 8, 3 mei 1920

Zoologie- und Botanikunterricht vom 9. bis 12. Jahr

Im 9. Jahre erlebt das Kind wirklich eine völlige Umgestaltung sei­nes Wesens, die hinweist auf eine bedeutsame Umgestaltung seines Seelenlebens, auf eine bedeutsame Umgestaltung seines leiblich-physi­schen Erlebens. Der Mensch beginnt von da ab sich abgesondert zu füh­len von seiner Umgebung. Er lernt unterscheiden Welt und Ich. Wenn wir richtig zu beobachten verstehen, so müssen wir sagen: Welt und Ich fließen mehr oder weniger bis zu diesem Lebensumschwung im menschlichen Bewußtsein zusammen. Vom 9. Lebensjahre an – natür­lich ist das alles approximativ gemeint – unterscheidet der Mensch sich und die Welt. Dies muß durchaus beachtet werden bei dem, was wir als Unterrichtsstoff und Erziehungsleben vom 9. Lebensjahre an an das Kind heranbringen. Wir tun gut, bis dahin nicht allzusehr das Kind zu beirren mit der Schilderung, der Charakteristik von Dingen, die ab­gesondert vom Menschen sind oder abgesondert vom Menschen be­trachtet werden. Wenn wir dem Kind eine Fabel erzählen, wenn wir den Kindern Märchen erzählen, so fabulieren wir über Tiere und viel­leicht über Pflanzen so, wie wir etwa auch über einen Menschen spre­chen können. Tiere und Pflanzen werden personifiziert, sagen wir wohl

Dier- en plantkunde tussen het 9e en het 12e jaar

Op z’n 9e beleeft het kind echt een volledige verandering van zijn wezen die wijst op een belangrijke verandering van zijn gevoelsleven, op een belangrijke verandering van wat hij fysiek-etherisch beleeft. De mens begint vanaf die tijd zich afgezonderd te voelen van zijn omgeving. Hij leert onderscheid te maken tussen de wereld en zijn Ik. Wanneer we goed kunnen waarnemen, moeten we zeggen: Ik en wereld gaan min of meer samen tot deze ommezwaai in het menselijk bewustzijn. Vanaf het 9e jaar – natuurlijk betekent dit, alles bij benadering – maakt de mens verschil tussen zichzelf en de wereld. Dit met name, moet je goed in de gaten hebben voor wat betreft de leerstof en de opvoeding die we vanaf het 9e jaar aan het kind geven.<<We doen er goed aan tot dan toe het kind niet al te veel in de war te maken met het schetsen en karakteriseren van dingen die los staan van de mens of los van de mens bekeken worden. Wanneer we het kind een fabel vertellen, wanneer het een sprookje vertellen, dan fantaseren we over dieren en wellicht ook over planten, zoals we ook over een mens zouden kunnen spreken. Dieren en planten worden gepersonifieerd, zeggen we ook wel.

Blz. 125 vert. 125

( ) Wenn Sie daher dem Kinde Märchen erzählen, Fabeln erzählen, dann reden Sie ihm von so vielem, als das Kind von der äußeren Welt auffassen kann. Das muß bis zum 9. Lebensjahre geschehen. Von da ab können Sie beginnen, damit zu rechnen, daß das Kind Ich und Welt voneinan­der unterscheiden lernt. Das heißt, von da ab können wir erst über Pflanzen und Tiere naturgeschichtlich mit dem Kinde reden.

Im 9. Lebensjahre ist der Zeitpunkt gegeben, wo wir beginnen dür­fen, naturgeschichtliche Begriffe an das Kind heranzubringen, aber

Wanneer je het kind sprookjes, fabels vertelt, praat je over zoveel als het kind van de wereld kan opnemen.>> Dat moet tot het 9e jaar gebeuren. Vanaf daar kun je beginnen er rekening mee te houden dat het kind Ik en wereld van elkaar leert onderscheiden. Dat betekent dat we vanaf die tijd pas over planten en dieren als biologie met de kinderen kunnen spreken.

In het 9e levensjaar ligt het tijdstip dat je mag beginnen met biologische begrippen aan het kind aan te leren,

Blz. 126 vert. 126

auch erst noch lebendige Begriffe; womöglich ist noch zu vermeiden, Mineralisches, Totes an das Kind in dieser Zeit heranzubringen. Leben­diges, das außermenschliche Lebendige, es steht ja in zwei Gebieten, zwei Sphären vor uns, in dem tierischen Gebiete und in dem pflanz­lichen Gebiete. Aber wenn wir nun dasjenige, wozu es die Menschen gebracht haben in der Beschreibung der Tiere, in der wissenschaftlichen Charakteristik der Tiere, in der wissenschaftlichen Beschreibung und Charakteristik der Pflanzen, wenn wir das in populären kurzen Büchern für die Kinder verarbeiten, versuchen, äußerlich populär zu bespre­chen, so kommen wir dadurch dem Kinde doch nicht bei. Es ist fast durch alle unsere naturgeschichtlichen Handbücher zu verfolgen, daß sie eigentlich nichts anderes sind als etwas flltrierte, naturwissenschaft­liche Gelehrsamkeit, und das ist schrecklich. 

maar dan ook eerst nog met levende begrippen; zo mogelijk vermijd je nog om het minerale rijk, het dode het kind in deze tijd aan te leren. Het levende, wat naast de mens leeft, staat op twee gebieden, twee sferen voor ons, het gebied van de dieren en dat van de planten. Maar wanneer we nu voor de kinderen gaan aanpassen wat de mensen van de beschrijving van dieren, in de wetenschappelijke karakteristiek van dieren, in de wetenschappelijke beschrijving van dieren en de karakteristiek van planten, hebben gebracht, gaan we proberen dit uiterlijk populair te bespreken, dan bereiken we daardoor het kind toch niet. Het is bijna door alle biologieboeken heen te volgen dat die eigenlijk niets anders zijn dan iets gefilterde, natuurwetenschappelijke geleerdheid en dat is verschrikkelijk. 

Blz. 127  vert. 127

Ein Verhältnis zur Welt müssen wir gerade dadurch gewinnen, daß in der richtigen Weise der naturgeschichtliche Unterrichtsstoff an das Kind herangebracht wird. Es hilft gar nichts, wenn wir dem Kinde die auf­einanderfolgenden Klassen der Tiere beschreiben oder die aufeinander­folgenden Klassen und Arten und so weiter der Pflanzen beschreiben und dann, gewissermaßen um nicht trocken zu werden, auch einmal mit den Kindern einen Spaziergang machen, um die Pflanzen im Freien den Kindern zu zeigen; das nützt eigentlich gar nicht viel. Ge­wiß, nach der instinktiven Veranlagung wird ja der eine Lehrer mehr, der andere weniger bewirken. Er wird recht viel durch eine gewisse ihm selbst eigene Hinneigung zur Natur auch in den Kindern anregen können. Aber dasjenige, was aus Geisteswissenschaft in den Menschen und in sein Gemüt übergehen kann, das ist doch noch etwas ganz ande­res, das bringt uns die Empfindung von einem lebendigen Zusammen­gehören des Menschen mit der ganzen übrigen Welt.

Een verhouding tot de wereld moeten we juist krijgen door op de juiste manier plant- en dierkunde aan het kind te geven. Het helpt helemaal niets wanneer we het kind de op elkaar volgende klassen der dieren beschrijven of de op elkaar volgende klassen en soorten enz. van planten en dan, in zekere zin om niet te droog te worden, ook eens een keer met de kinderen een wandeling maken om hun de planten in de vrije natuur te tonen; dat heeft eigenlijk helemaal geen zin.
Zeker, naar zijn intuïtieve aanleg zal de ene leerkracht meer, de andere minder op de wal slepen. Hij zal zeker veel door zijn eigen houding t.o.v. de natuur ook de kinderen enthousiasmeren.
Maar wat vanuit de geesteswetenschap in de mens en in zijn gevoelshouding kan komen, is toch nog heel wat anders, dat brengt ons het gevoel van een levend samenhoren van de mens met heel de andere wereld.

Blz. 130  vert. 130

Bei der Pflanzenwelt geht es uns nicht so, daß wir nun auch die ein­zelne Pflanzenart oder Pflanzengattung einseitig darstellen können und dann alles dasjenige, was da zusammengefaßt wird, etwa im Men­schen wiederum sehen können. Die Betrachtungsweise, die so fruchtbar ist für die Tiere, die uns eine so gute Grundlage abgibt für eine künst­lerisch lebendige Gestaltung des zoologischen Wesens, sie versagt beim Pflanzenreich. Das können wir nicht so betrachten; das geht nicht: da müssen wir etwas ganz anderes zu Hilfe nehmen. Dieses ganze Pflan­zenwesen müssen wir als zur Erde, zur ganzen Erde lebendig hinzu-gehörig betrachten.
Unser Materialismus hat es dazu gebracht, die Erde wie eine Kugel aus Steinen, aus Mineralien bestehend zu betrachten, und die Pflanzen gleichsam so drinnen steckend. Wir dürfen dasselbe Prinzip nicht an­wenden, sagen wir, auf das menschliche Haupt und seine Haare. Wir werden den Haarwuchs als etwas betrachten, was zum menschlichen Haupt gehört. So müssen wir die Erde mit ihrem Pflanzenwuchs als etwas betrachten, was zum Organismus Erde hinzugehört

Bij de plantenwereld gaat het niet zo dat we nu ook de individuele planten of de plantensoort eenzijdig kunnen beschrijven en dat alles wat we dan samenvatten weer in de mens gezien kan worden. De manier van kijken die zo vruchtbaar is voor de dieren die zo’n goede basis vormt voor een kunstzinnige, levendige beschrijving van het dierenwezen, schiet tekort bij het plantenrijk. Dit kunnen we niet zo bekijken; dat gaat niet; dan moeten we iets anders te hulp nemen. Dit hele plantenwezen moeten we als tot de aarde, levend tot de hele aarde behorend beschouwen.
Ons materialisme heeft het zover gebracht de aarde te beschouwen als een bol uit stenen, uit mineralen bestaand waar de planten dan zo in staan. We mogen ditzelfde principe niet toepassen – laten we zeggen – op het menselijke hoofd en het haar. Wij zien de haren als behorend bij een menselijk hoofd. Zo moeten we ook de planten beschouwen als iets wat tot het organisme van de aarde behoort.

Wir schaffen uns ein Abstraktum, wenn wir die bloß steinerne Erde betrachten, die höchstens noch die Schwerkraft ihr eigen nennt. Wir reden von der wirklichen Erde, wenn wir den Organismus Erde so betrachten, daß die Pflanzen zu ihm gehören, wie die Haare unseres Hauptes zu uns gehören. Dann aber, wenn man das so betrachtet, wachsen einem im Anschauen der Erde die Pflanzen mit der Erde zusammen, und man bekommt den richtigen Instinkt dafür, nun die Erde im Zusammen­hang mit ihrer Pflanzenwelt wirklich ins Auge zu fassen. Das tun wir dann, wenn wir die Erde im Zeitenlaufe, im Jahreskreislaufe betrach­ten. Wenn wir tatsächlich Naturgeschichte der Pflanzen mit dem Kinde betreiben, müssen wir nicht Klasse neben Klasse, Art neben Art stellen. Wir mussen vielmehr alles zu Hilfe nehmen, was wir haben, das natur-geschichtliche Kabinett, die Spaziergänge, alles dasjenige, woran sich das Kind erinnert, alles dasjenige, was wir an frischen Pflanzen in die Klasse schleppen können, und dann dem Kinde schildern: Der Früh­ling zaubert diese oder jene Pflanze aus der Erde hervor, zaubert von den Pflanzen dies oder jenes hervor, da schaut es so aus – dann schreiten wir weiter in den Mai hinein, da wird die Erde so; dann schreiten wir weiter in den Sommer hinein, da wird die Erde so.
Wir versuchen, die Blüten der Pflanzen nicht anders ins Auge zu fassen als ein Kind der Zeitentwickelung der Erde im Jahreskreislauf.

We maken er een abstractie van, als we alleen naar de aarde van steen kijken die hooguit nog zegt dat ze zwaartekracht bezit. We spreken over de echte aarde, wanneer we het organisme aarde zo bekijken dat de planten bij haar horen, zoals het haar bij ons hoofd hoort. Dan echter, wanneer je dat zo bekijkt, vormen in deze zienswijze de aarde en de planten een eenheid en je krijgt er het juiste instinct voor nu de aarde en de samenhang met haar plantenwereld werkelijk te begrijpen. Dat doen we ook, wanneer we de aarde in de loop van de tijd, in de kringloop van het jaar bekijken. Wanneer we daadwerkelijk met de kinderen plantkunde doen, moeten we niet klasse naast klasse, soort naast soort neerzetten. Veel meer moeten we alles te baat nemen wat we hebben, de kast met biologiespullen, de wandelingen, alles waaraan een kind zich herinnert, wat we aan verse planten de klas binnen kunnen halen om dan de kinderen te schetsen: de lente tovert deze of die plant uit de aarde, tovert uit deze of die plant dit of dat tevoorschijn, zo ziet dat eruit – dan wordt het mei en dan ziet de aarde er zo uit; dan komen we verder in de zomer, dan wordt de aarde zo.
We proberen de bloem van de planten niet anders op te vatten dan een kind van de ontwikkeling in de tijd van de aarde in de kringloop van het jaar.

Blz. 131  vert. 131

Wir reden dem Kinde davon, wie im Herbste die Pflanzensamen wie­derum zurück zur Erde gehen, wie der Kreislauf von neuem beginnt. Wir fassen die Erde als einen Organismus auf und verfolgen dieses lebendige Aufsprießen und wieder Zurückgehen der Pflanzen. Wir nen­nen dem Kinde den Namen – der ja etwas Konventionelles ist – erst dann, wenn wir es dazu hingeführt haben: »Sieh einmal, da hast du dieses Pflänzchen: das ist so und so – unter Bäumen oder von Bäumen entfernt. Da steht dieses Pflänzchen, weil im Mai diese Pflänzchen so und so gedeihen; das hat fünf Blättchen. Erinnere dich… da ist es: das, was da fünf gelbliche Blättchen hat, hängt mit dem ganzen Leben der Erde im Mai zusammen; das ist der Hahnenfuß!« und so weiter, so daß die ganze Naturgeschichte der Pflanzenwelt als das Jahresleben der Erde erscheint. Und dann geht man weiter über auf jene etwas mehr verborgenen Dinge, wie gewisse Pflanzen zur Weihnachtszeit blühen, wie andere Pflanzen überdauern, wie manche lange überdauern. Man geht über von dem Leben des einen Krautes, das im Jahreslaufe die Erde schmückt und wiederum weggeht, man geht über von da zum Wachstum des Baumes und so weiter. Niemals betrachtet man bloß Pflanze neben Pflanze, sondern die Erde mit ihrem Pflanzenwachstum, und das Pflanzenwachstum herausentstehend aus der lebendigen Erde.

We praten er met de kinderen over, hoe in de herfst het zaad van de planten weer teruggaat in de aarde, hoe de kringloop weer opnieuw begint. We beschouwen de aarde als een organisme en volgen dit levendig opschieten en weer afsterven van de plant. We geven de kinderen de naam –  die wat conventioneel is – pas, wanneer we zover gekomen zijn tot: ‘Kijk eens, hier heb je dit plantje; dat staat zus of zo onder de bomen of zo ver er vandaan. Daar staat dit plantje, omdat in mei deze plantjes zus en zo groeien; het heeft vijf blaadjes. Probeer je eens te herinneren….daar staat het: wat daar vijf gelige blaadjes heeft. hangt met heel het leven in mei samen; dat is de boterbloem!’ enz., zodat de plantkunde als het jaarlijkse leven van de aarde verschijnt. En dan ga je vervolgens over tot de meer verborgen dingen, zoals dat bepaalde planten met de Kerst bloeien, hoe andere planten overblijvend zijn, hoe sommige lang overblijvend zijn. Je gaat van het leven van het ene gewas dat in de loop van het jaar de aarde bekleedt, naar dat het weer verdwijnt; vandaar ga je weer naar het groeien van een boom enz. Nooit beschouw je alleen maar de ene plant naast de andere, maar de aarde met haar plantenwasdom en de plantengroei ontstaand uit de levende aarde.

Blz. 132  vert. 132

Im Pflanzenreich, da haben wir gerade das Entgegengesetzte. Da vergessen wir den Menschen ganz und betrachten das Pflanzenreich ganz und gar aus der Erde selbst herauswachsend, aus dem Planeten, auf dem wir herumwandeln. Das eine Mal bringen wir das Tierreich in engstes Verhältnis zum Menschen, das andere Mal bringen wir das Pflanzenreich in das engste Verhältnis zu dem, was außermenschlich, objektiv ist. Mit anderen Worten: auf der einen Seite rufen wir das empfindende Verstehen des Tierreiches und des Menschen selbst durch die Betrachtung des Tierreiches hervor; auf der anderen Seite erziehen wir den Menschen, die Erde in ihrer Objektivität zu betrachten, als einen

In de plantenwereld hebben we juist het tegenovergestelde. Daar laten we de mens helemaal buiten beschouwing en bekijken het plantenrijk uitsluitend vanuit de aarde zelf groeiend, uit de planeet waarop wij rondlopen. De ene keer het dierenrijk zo nauw mogelijk verbonden met de mens, de andere keer het plantenrijk zo nauw mogelijk verbonden met wat buiten de mens staat, objectief is. Met andere woorden: aan de ene kant brengen we een invoelend begrijpen van het dierenrijk en de mens zelf, door de beschouwingswijze van het dierenrijk te weeg; aan de andere kant voeden we de mens erin op de aarde in haar objectiviteit te bekijken, als een

Organismus, auf dem er herumläuft und von dem er lebt, und auf dem das, was er sieht in dem Wachsen der Pflanzen, in dem jähr­lichen Leben der Pflanzen, in dem besonderen Überdauern der Pflan­zen dieses Jahres und so weiter, abgesondert von ihm ist. Durch diese zweifache Betrachtungsweise bringen wir ungeheuer viel von dem, was man Gleichgewicht zwischen dem Intellektuellen und dem Gemüthaf­ten nennen kann, in diese Menschenseele hinein. Dies führt dazu, daß das bloße Intellektualistische, das so pedantisierend und austrocknend wirkt, zurücktritt. Wenn man begreift die Jahrespflanze, die kraut­artige Pflanze herauswachsend aus der Erde, die Wurzel in der Erde, Blättchen und Stengel heraus, die grünen Blätter bis herauf zur Blüte und Samenbildung, wenn man das lebendig empfindet im Zusammen­hang mit der Erde und einem das noch besonders lebendig gemacht wird dadurch, daß man es im Jahreskreislauf erlebt; daß man erlebt, wie die Blüte hervorgeholt wird, wenn das Sonnenlicht sich, ich möchte sagen, in Liebe verbindet mit demjenigen, was aus der Erde heraus-quillt, wenn das ganz durchempfunden wird als empfindende Erkennt­nis, als erkennende Empfindung, wenn man so vom Frühling in den Herbst hin empfindet das Werden von der Wurzel durch das Blatt bis zur Blüte und zum Samen, wenn man das alles empfindet, dann kommt

organisme waarop hij loopt en waarvan hij leeft en waarop wat hij ziet aan het groeien van de plant, aan het jaarleven van de plant, aan het bijzondere overblijven van de plant dit jaar en zo verder; dat dit los van hem staat. Door deze tweevoudige manier van kijken brengen we ongelooflijk veel evenwicht aan  in deze mensenziel tussen het intellectuele en het gevoel. Dat leidt ertoe dat het alleen maar intellectualistische, dat zo’n pedante en verdorrende uitwerking heeft, een stapje terug doet. Wanneer je de jaarplant begrijpt, de bladplant die uit de aarde groeit, de wortel in de aarde, blaadjes en steel naar buiten, de groene bladeren tot aan de bloei en de zaadvorming, wanneer je dat levendig ervaart in samenhang met de aarde en dat nog eens bijzonder levendig neergezet door het beleven van de kringloop van het jaar; dat je beleeft hoe de bloei ontstaat, wanneer het zonlicht zich, ik zou het zo willen zeggen, in liefde verbindt met wat uit de aarde opbloeit, wanneer dat heel sterk wordt beleefd als invoelende kennis, wanneer je zo van de lente tot in de herfst de groei van de wortel, door het blad, tot in de bloei en het zaad meebeleeft, wanneer je dat allemaal meevoelt, wordt 

Blz. 133  vert. 133

einem etwas anderes. Sehen Sie, da ist die Erde, da die Pflanze, die Jahrespflanze. Die einjährige Pflanze, sie wurzelt in der Erde drinnen. Jetzt betrachten wir den Baum; hier ist er verholzt, da sind die Äste. Was da erscheint in einem Jahre, das empfindet man ja ähnlich wie die einjährige Pflanze, das sitzt so ähnlich an dem Baum, wie die einjäh­rige Pflanze in der Erde sitzt. Gewissermaßen wird einem die Erde und dasjenige, was da Holz des Baumes ist, eine Einheit, und man bekommt die ungeheuer stark auf uns wirkende Vorstellung: indem der Baum mit seinem Holz herauswächst, türnit sich die Erde selbst auf und das­jenige, was unter der Erde ist; wo keine Bäume, sondern die Jahres-pflanzen wachsen, da ist die Kraft, die sonst in den Baumstamm her­aufquillt, in der Erde selbst drinnen. Man bekommt eine lebendige Empfindung, den Säftestrom des Baumstammes zu suchen unter der Oberfläche der Erde. Und so wie der Säftestrom des Baumstammes nun eben die Blüte des Jahres hervortreibt, so treibt der Säftestrom unten, den man identisch mit dem Säftestrom des Baumstanimes weiß, die ein­jährige Pflanze hervor. Ich möchte sagen: die Anschauung des Baum-stammes verwächst einem mit der Anschauung der Erde. In das Leben­dige kommt man hinein.

nog iets anders duidelijk voor je. Kijk, hier de aarde, hier de plant, de plant door het jaar heen. De eenjarige plant wortelt in de aarde. Nu kijken we naar deze boom; hier is die verhout, hier zijn de takken. Wat zich daar vertoont in een jaar, ervaar je net zo als de eenjarige plant, dat zit ook zo bij de boom, zoals de eenjarige plant in de aarde zit. In zekere zin wordt voor jou de aarde en wat het hout van de boom is, een geheel en je krijgt de sterk op je inwerkende voorstelling: als de boom met zijn hout opgroeit, komt de aarde zelf mee omhoog en wat onder de aarde zit, waar geen bomen, maar de jaarplanten groeien, zit de kracht die hier in de boomstam omhoog komt, in de aarde zelf. Je krijgt er een levendig gevoel voor de sapstroom van de boomstam te zoeken onder de oppervlakte van de aarde. En net zoals de sapstroom van de boomstam ook de bloei van dat jaar aan het licht brengt, zo brengt de sapstroom onder, die je gelijk kan stellen met de sapstroom in de boomstam, de eenjarige plant aan het licht. Ik zou willen zeggen: de blik op de boomstam valt samen met de blik op de aarde. Je krijgt zicht op wat er leeft.

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erden-leben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., ii. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., ii. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts beleben kann.

Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.
GA 301/v.a. 124
Op deze blog vertaald/v.a. 124

Blz. 184  vert. 184

Voordracht 12, 9 mei 1920

Geschichts- und Geographieunterricht

Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tier-gruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.

Geschiedenis en aardrijkskunde

Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.

Blz. 196  vert. 196

Nun sagte ich, man habe die Kinder vorzubereiten durch die Natur­geschichte auf die Geschichte, wenn man so vorgeht, wie ich es in den vorangegangenen Betrachtungen charakterisiert habe. Man hat aber die Kinder auch vorbereitet auf das Leben der Erde, indem man so Bota­nik getrieben hat, wie ich es charakterisiert habe.

Nu zei ik dat je de kinderen door de biologie moet voorbereiden op geschiedenis, als je zo te werk gaat als ik in de vorige beschouwingen gekarakteriseerd heb. Je hebt de kinderen ook voorbereid op het leven op aarde, als je zo plantkunde hebt gegeven als ik geschetst heb.
GA 301/184 en 196
Op deze blog vertaald/184 en 196

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2672-2502

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstmis (38)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021)

.

Kerstspelletje en engeltjes…

In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja

Stralende kleuters in lange witte jurken: 1 met vleugels, 1 met de sterrenstok, 1 met het kindje voor Maria en 1, soms nog meer, met een gouden hoofdbandje zingen zo helder, lopen zo gracieus, aandachtig en weten wat te doen: zij zijn “de” engelen.

In het kerstspelletje: de engel met de sterrenstok die Maria de geboorte aankondigt, de engelen, als groepje, bij het aanreiken van het Kindje aan Maria en later bij de slapende herdertjes als zij de goede mare brengen…

In het driekoningenspelletje als zij de koningen voorgaan op zoek naar het geboren Kind en later als zij de slapende koningen vertellen te vertrekken naar hun eigen land en de engel met de sterrenstok die Jozef vertelt dat hij met
het Kindje, Maria en de dieren uit de stal moet vertrekken. De engelen gaan ze voor:

”Toen Maria met haar kindje haastig vluchtte door het bos,
bogen zich de wilde winden en het sneeuwde op het mos.
Helder licht straalt allerwegen van haar vriendelijk aangezicht
in haar voetstap op de wegen, schijnt nog lang een gouden licht…”

Het Kerst- en Driekoningenspelletje betekent een periode van toneelspelen van begin december tot eind januari met de kerstvakantie als pauze: zo heerlijk vertrouwd dat op school de kersttijd nog even doorgaat. Het toneelspel, de aankleding, de versjes en liedjes, alle verzorging rond het verkleden voor en na het spel, geven de kleuters zo’n stevige vorm: ze leren te durven in het handelen, met ernst en vrolijkheid. Bovendien komen taal- reken- en
sociaal emotionele doelen uit het groepsplan als vanzelf aan de orde.
Ieder jaar opnieuw heb je de keuze als leidster om het spelletje te wijzigen, qua opzet of andere versjes/liedjes, in verbondenheid met de kleutergroep die je onder je hoede hebt. Maar sommige liedjes blijven….
Jozef of Maria mogen zijn is altijd fijn, maar engel dat wil toch iedereen. Herdertjes en waarden zijn vaak, niet alle jaren, minder favoriet. Schaapjes of andere dieren worden ook graag gespeeld in het Kerstspelletje of
Driekoningenspelletje.
Het is altijd zo’n bijzonder gegeven: een spel eerst te oefenen, daarna op te voeren voor ouders en anderen… hoe spannend is het wel niet en hoe graag willen de kinderen deelnemen, alhoewel niet alle kleuters in één keer van
harte mee kunnen doen: zij moeten eerst even meevoelen, en zich gedragen weten in verbondenheid met de uitvoerende groep, en dan opvoeren: terwijl alle genodigden hun aandacht op de groep hebben gericht. Wat een mooi beeld voor verbonden zijn: ouders, hun kind, alle kinderen uit de groep: ontroerend hoe kinderen, in hun onbevangenheid, de toeschouwers een kijkje op zichzelf geven terwijl onzichtbare engelen meebewegen met álle mensenkinderen.

“In de hemel is een dans, halleluja
daar dansen blij de engelen,
in regis curia, halleluja”

Kerstfeest:
In de natuur ziet alles er doods en kaal uit, er is weinig leven te zien.
Op 21 december begint de winter met de winterzonnewende; de langste nacht en de kortste dag.
De zon heeft haar laagste punt bereikt en vanaf nu worden de dagen langzaam maar zeker weer langer.
Op de laatste vrijdag voor de kerstvakantie vieren we op school het Kerstfeest.
Alle kinderen van de school komen ’s ochtends in de zaal, waar we samen zingen en fluiten en enkele klassen iets moois laten zien of horen aan elkaar.
Ook de kleuters laten hun liedjes horen en de gezichten van de 5e- en 6e klaskinderen zie je dan verzachten.
Vaak kennen ze het liedje nog!
Als de kleuters in hun eigen lokaal gaan spelen en een plakje kerstbrood gaan eten, luisteren de andere klassen naar het vierde deel van het adventsverhaal.
Het heet ‘Een kerstverhaal uit de bergen’ en is te vinden in het boek ‘Een ster over de grens’.
In de adventskrans wordt nu de vierde kaars aangestoken en de lichtengelen nemen dit licht mee naar de klas.
Daar zijn de tafels mooi gedekt voor de kerstmaaltijd.
In de klassen staat een kerstboompje met 30 rode en 3 witte rozen erin.
Dan wensen we elkaar een fijne vakantie en mogen alle gemaakte spulletjes mee naar huis: het adventskandelaartje, kleiwerk, een schildering of tekening, een gevouwen ster, een zelf getrokken bijenwaskaarsje, misschien een mooie kerstkaart.

In vrijwel alle vrijescholen, over de hele wereld, worden rond Kerstmis de kerstspelen opgevoerd.
Het zijn oude spelen die door Rudolf Steiner zijn herontdekt.
Tot in het begin van de vorige eeuw werden deze zogenoemde ‘Oberufer Spelen’ nog gespeeld.
Zoals elk jaar worden ook dit jaar in de Vrije School Meppel Oberüfer kerstspelen opgevoerd door leraren en ouders, als geschenk aan de schoolgemeenschap.
Deze spelen stammen uit een rijke traditie. De Kerstspelen zijn afkomstig uit Hongarije, uit het dorpje Oberüfer.
Oberüfer werd vroeger door Duitsers bevolkt en zij hebben de spelen meegebracht toen zij in de 16e eeuw naar dit oostelijk deel van Midden-Europa trokken.
Een vriend van Rudolf Steiner, de taalgeleerde Karl Julius Schröer, die een studie maakte van de Duitse folklore in de Oostenrijks- Hongaarse streken, woonde in de buurt van Presburg (het huidige Bratislava) en ontdekte dat die
Duitse boeren in de kersttijd bepaalde oude spelen opvoerden.
Hij woonde de opvoeringen vaak bij en schreef de rollen op met de bedoeling dit cultuurgoed te behouden.
In Oberüfer zijn deze spelen tot omstreeks 1920 woordelijk op dezelfde manier opgevoerd, terwijl ze elders in Europa door modernisering verloren gingen.
Rudolf Steiner heeft ze geïntroduceerd bij de vrijescholen en sinds 1919 worden ze in alle talen overal ter wereld in vrijescholen en antroposofische instituten gespeeld: met spel, zang en “ommegangen”. In feite hebben de
vrijescholen deze waardevolle traditie dus voortgezet en behouden tot op de dag van vandaag.
De Oberüfer kerstspelen bevatten veel oude wijsheden, die zijn ontleend aan de mythologie, de astrologie en de getallenmystiek van de middeleeuwen. De spelen bevatten het Paradijsspel, het Kerstspel en het Driekoningenspel en elk spel heeft zijn eigen karakter.

In de kleuterklas voeren de kleuters hun eigen Kerstspelletje op…
Wel gebaseerd op het grote kerstspel. Het liedje van de aanbidding van de herders komt ook in het grote spel voor:
een herkenningspunt voor kleuters als ze voor het eerst in de avond mogen kijken naar het Kerstspel….
Het vormt een belangrijk onderdeel van de tijd naar Kerst toe als Sinterklaas verdwenen is uit het land en de klas….
Snel kunnen ze omschakelen: de oudsten weten het nog van vorig jaar, weten ook al wat ze zouden willen worden….
In de klas wordt een van de speelhuisjes omgetoverd tot “de stal”.
De kring van stoelen wordt zo geplaatst dat er makkelijk ommegangen gehouden kunnen worden.
Spontaan worden liedjes gezongen, de hele dag door al neuriënd…
Het is druk in de klas, maar zo fijn: een zoemende en spelende menigte kleine mensjes.
Dieuwke Hessels

Weekspreuk van Kerst

Advent maande ons om stil te zijn en vol verwondering te wachten op het wonder van Kerstmis. We werden naar binnen geduwd; letterlijk onze huizen in en figuurlijk naar ons hart. In deze donkere periode waarin de nachten nog
korter werden, staken we kaarsen aan. Maar waarom? Wat valt er binnen in ons hart te ervaren? En welk licht wordt er met Kerstmis ontstoken? Dat is de andere kant of de diepere betekenis van kerstmis.
Daar wil ik je meer over vertellen, maar eerst iets over de achtergronden van Kerstmis.
In voorchristelijke tijden werd in onze streken al feest gevierd rond Kerstmis. De Germanen vierden met het Joelfeest dat het zonnekind Widar geboren werd uit de maagdelijke oermoeder.
Kerstfeest was het zonnefeest; een feest van hoop, vertrouwen en geloof. In de natuur was de overwinning van de zon op de duisternis van de winter een feit.
De Romeinen vierden op 25 december de Geboortedag van de Onveroverde Zon. Het is dan ook niet gek dat de geboorte van Jezus door de kerk geplaatst is op 24 december.
Oude en nieuwe gebruiken worden verbonden en zorgden dat mensen van de eerste tijd makkelijker over konden gaan naar het christelijke geloof. Het
bijzondere van de zonnewende bleef zo gedeeltelijk behouden.
December is de donkerste tijd van het jaar, de dagen zijn kort en de nachten lang. Met Kerstmis komen we aan op het stiltepunt. De dagen en nachten blijven kort even lang (de 12 heilige nachten). Daarna worden de dagen langer
en de nachten korter. De aarde heeft zich in zichzelf gekeerd, lijkt kaal en leeg.
In de zomer heeft de aarde de zon, al het geestelijke, alle levenskrachten in zich opgenomen. In de winter liggen de velden er kaal en omgeploegd bij.
Moeder Aarde is een in zichzelf gekeerd wezen, in verwachting van het zonnekind.
De advent geeft ons de mogelijkheid om stil te worden; in stille verwachting van het kind te zijn. Als dan het zonnekind geboren is, kan het leven in de aarde zich op maken om te kiemen. Niet alleen de aarde kan zich ontkiemen ook onze lichtkrachten, plannen en ideeën kunnen dat.
Het woord Kerstmis komt van Christusmis en verwijst hiermee naar de mis die gehouden werd in de Rooms-Katholieke Kerk om Christus’ geboorte te vieren. Het evangelie volgens Lucas beschrijft de geboorte van het kindje in de stal, de engelen, de herders, die de blijde boodschap horen en die het Jezuskind vinden in de kribbe bij Jozef en Maria. Dit is het alom bekende verhaal.
Maar het evangelie volgens Mattheüs beschrijft het bezoek van de drie koningen. Zij hebben in de sterren gezien dat er een koningskind geboren zou worden en gaan opzoek naar het kind. Dit Christuskind is anders, rijker en spiritueler dan het arme timmermanskind.
Als je zo Mattheüs en Lucas naast elkaar legt, kun je opmerken dat het over twee verschillende kinderen gaat. In de Christengemeente wordt hier vaker over gesproken en in de antroposofie over geschreven.
Tegenwoordig wordt er nog een derde kind genoemd en dat is het Lichtwezen. Over dit Lichtwezen spreken de aartsengelen en opgestegen meesters in hun
spirituele verhandelingen.
Dan hebben we het al eerdergenoemde Germaanse zonnekind nog en ons Ik. Ze vormen zich al tot één; het Christuswezen.
Het kerstfeest begint op 25 december met een heilige nacht, waarna 12 heilige nachten volgen, die het kersfeest met het Driekoningenfeest verbinden. Dan viert de Russisch Orthodoxe Kerk het kerstfeest (dus 13 dagen later dan
wij). Midden in deze periode van heilige nachten valt het Nieuwjaarsfeest, dat een impuls geeft om ons te vernieuwen. Maar wij vieren de kerstnacht dus als de zon al over haar diepste punt (21-12) heen is. In bijna alle huizen staan kerstbomen, een traditie die stamt vanaf 1850, en ’s avonds branden we kaarsen. Kerstmis is namelijk het grote lichtfeest en dat vraagt om nadere uitleg.

Kijk zo tegen kerstmis eens om je heen. In tuinen en huizen branden duizenden lampjes en sommige lichtjes flikkeren aan en uit. De lichtjes in de buitenwereld zijn overdadig. Het duister probeert ons met alle kerststress, angst en stralende neplichtjes bij ons innerlijke rust en stilte vandaan te halen, zodat de geboorte van het licht niet in ons hart kan plaatsvinden; het wil onze frequentie en bewustzijn laag houden. De geboorte van het licht, ook wel het Christenwezen of de verbinding met de bron, in ons hart is het mysterie van Kerstmis. We verhogen daarmee onze frequentie. In deze tijd is er onder zoveel mensen (en vooral kinderen) een sterke behoefte aan innerlijke rust, liefde en licht. Gelukkig zijn de lichtkrachten en de frequentie op aarde de laatste jaren sterker geworden. We kunnen het licht laten ontvlammen via ons bewustzijn. Ik vind die geboorte elk jaar weer een groot mysterie en merk wel dat het steeds gemakkelijker wordt, Ik wens jou toe dat je deze kerstperiode de rust en stilte vindt om dat innerlijk Christuskind met al zijn lichtkracht te voelen en te bewaren in je hart. Wij zijn allemaal een stukje goddelijkheid of Licht en die verbondenheid maakt ons één.
~Marion VreugdenhilAntroposofie en het Kind

De reis van Jozef en Maria

adventstijd Archieven – Antroposofisch Leven, adventstijd, kerststal, kerst, Kerstmis, Alice Rowaan, auteur op Antroposofisch Leven

Het verhaal van het kerstkindje dat geboren werd in een stal, omdat er in de herberg geen plaats meer was, kennen we allemaal. Ook weten we wel dat Jozef en Maria op reis waren vanwege een volkstelling. Maar wist je ook dat er een hele leuke manier is om hun reis thuis uit te beelden, samen met kinderen? Vandaag vertel ik jullie er meer over.

Voorbereiding

De reis van Jozef en Maria begint in principe op de eerste adventzondag. Op school zal hier veel aandacht aan besteed worden; thuis is het vooral leuk om hier in de loop van de week op aan te sluiten, bijvoorbeeld op woensdagmiddag.
Zoek allereerst de spulletjes bij elkaar: Zet het kerststalletje klaar. De seizoenstafel is een heel goede plek, maar onder de kerstboom of op een andere
geschikte plaats in jouw kamer kan natuurlijk ook. In het stalletje staat een lege kribbe en misschien heb je nog wat hooi of stro om neer te leggen. Het is handig om een mooie donkerblauwe doek als achtergrond op te hangen.
In de loop van de komende weken zal het stalletje gevuld raken, dus zorg dat je alles (stenen, plantjes, de os, schaapjes, herders, het kindje natuurlijk, de drie koningen, een of meer engelen) bij de hand hebt.
De stenen, planten, dieren en mensen zullen in deze volgorde in de vier adventsweken verschijnen omdat zij herinneren aan de schepping van de aarde. Tot slot kun je ook sterretjes van goudkarton (of vilt) goed gebruiken; die komen een voor een op de blauwe doek te hangen. Jozef en Maria staan paraat.

De reis naar de stal: de eerste adventsweek

Zoek een plekje voor Jozef en Maria om hun reis te beginnen. De eerste adventsweek leg je stenen neer.
Bijvoorbeeld langs de weg naar de stal toe, of vóór het stalletje. Het is leuk om steentjes te gebruiken die de kinderen in de loop van de tijd verzameld hebben en die je toch al in huis hebt. Maar je kunt natuurlijk ook kristallen of mineraalsteentjes gebruiken, of gevilte/gekleide stenen.
Laat dan Jozef en Maria een stukje lopen op hun pad. Elke dag een stapje is het leukst, maar als ze liever vaak rusten en dan weer een eind lopen, kan dat
natuurlijk ook. Het is leuk om elke keer als je Jozef en Maria laat lopen, ook samen een sterretje te spelden op de doek achter de stal.

De tweede adventsweek

De tweede week is de week van de planten. Hier kun je zo creatief in zijn als je wilt. Mos in de kerststal, sparrentakjes die de kinderen in een voetstukje van klei zetten of dennenappels langs het pad van Maria en Jozef, of misschien liever kleine kamerplantjes in hun bloempotjes. Gestaag lopen zij verder, richting de stal.

De derde adventsweek

De derde week is die van de dieren. De os en de ezel mogen hun plaatsjes innemen in de stal, de schaapjes mogen in de buurt komen grazen, misschien heb je zelf ook wel dieren in huis die graag mee willen doen. Meestal weten
de kinderen wel, welke dat zijn.

De vierde adventsweek

In de vierde week gaan Jozef en Maria de stal binnen en installeren ze zich. Op 24 december (die soms samenvalt met de vierde adventszondag) verschijnt een engel voor de stal. In de nacht zal het kindje worden geboren; dat gebeurt waarschijnlijk vanzelf- let maar op! Zo gauw het kindje ontdekt is, kun je een grote ster ophangen in de achterdoek. Meer engelen mogen komen, en de herders met hun schaapjes stromen toe. En als je het echt compleet wilt hebben, kun je heel ver weg in de kamer de drie koningen laten verschijnen. Zij gaan de komende tijd op weg en zullen op 6 januari aankomen bij de stal.
Op deze manier kun je thuis een speelse, beeldende invulling geven aan de adventstijd. Ook na de kerst en Driekoningen kun je er nog mee doorgaan en de tijd van de lichtfeesten afsluiten op Maria Lichtmis.

Kerstverhaal  In het tijdschrift van Vrije Opvoedkunst, 4e jrg. nr 12, dec. 1936

Verhaal:
Stille nacht, tovernacht
Een kerstverhaal over ware vriendschap.

Het was koud, die nacht. Een ijzige wind joeg de sneeuw op en de mensen die nog buiten waren haastten zich.
Thuis brandde het vuur in de haard. De tafel was gedekt, de kaarsen waren aangestoken. Het was kerstnacht.
Nog maar één enkele man liep door de verlichte straten. Zijn rug was gebogen en hij liep maar voort door de sneeuw en de kou, zonder zelf te weten waarheen hij ging. Niemand wachtte op hem. Riton had geen familie en geen thuis.
De mensen keken naar hem als hij voorbijging. Hij lette er niet op. Zonder achterom te kijken, vervolgde hij zijn weg. Hij floot zachtjes voor zich heen en de sneeuwvlokken bleven in zijn baard hangen.
Toch was hij niet alleen in die ijzige nacht… Een hondje liep achter hem aan. Waar kwam hij vandaan? Om zijn nek had hij een halsband met een ster.
Toen Riton het hondje zag, begonnen zijn ogen te stralen. “Ben je verdwaald? Dan kunnen we beter bij elkaar blijven.” De hond keek hem aan.
Beschut onder de takken van een grote spar pakte Riton een stuk brood uit zijn rugzak en sneed het in tweeën.
“Hier!” zei hij met een glimlach. “Het is een mager maaltje voor een avond als deze, maar meer heb ik niet.”
Omdat het Kerstmis was vertelde hij een verhaal dat hij als kind heel mooi had gevonden. Daarna floot hij nog wat.
Ook de wind floot. Steeds luider en luider, steeds kouder en kouder. “Kom,” zei Riton. Hij zette de kraag van zijn oude, versleten winterjas op. “Laten we schuilen in die hut.”
Ze zaten daar een hele poos, lekker warm in het stro. Toen klonk er opeens een stem: “Schrik niet en luister. Ik ben geen hond. Ik ben een tovenaar.”
“Jij? Een tovenaar?” zei de oude man verbaasd.
“Vanavond heb ik mezelf in een hond veranderd, omdat ik degene die goed voor me zou zijn wilde belonen,” zei de tovenaar. “En jij bent de enige die goed voor me was. Om je te bedanken zal ik je liefste wens vervullen. Vertel me wat die wens is.”
“Ik wil geen grote dingen en ik heb niets nodig,” zei Riton. “Maar ik heb altijd al een hond gewild.”
De tovenaar dacht lang na. Was dat Ritons liefste wens? Toen besloot hij dat hij graag de beste vriend van de oude man wilde zijn. En hij gaf voorgoed zijn toverkracht op.
Heel vroeg de volgende ochtend verliet de oude man de hut om verder te trekken. En zijn vriend, de hond, volgde hem.

Een Noors kerstverhaal over een geschenk voor het Kerstkind
De fluit van de herdersjongen

In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om een van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen
diende bij een strenge heer – wie weet misschien wel bij een van de waarden in Bethlehem – en als hij zou thuiskomen en er een schaap van zijn kudde ontbrak, dan kreeg hij slaag. Daarom lette hij nauwelijks op de wonderbaarlijke dingen die om hem heen gebeurden. Hij merkte niet dat de wind ging liggen; hij hoorde niet hoe de vogels begonnen te zingen en hij zag niet dat alle sterren plotseling met dubbele glans straalden.
Zijn wegvoerde hem de berg op. Hij zocht achter iedere struik, tot hij ten slotte boven op de berg stond. Van hier kon hij ver in het rond over de velden zien, helemaal tot de stad Bethlehem.
Terwijl hij daar zo boven stond, gebeurde het, dat de hemel zich opende en dat de nacht zo licht werd als de dag.
Een ontelbare schaar engelen verscheen en hun lofzang klonk over de aarde. Hoe groot dit wonder was, dat in die nacht geschiedde, heeft tot op de dag van vandaag nauwelijks een mens begrepen. Daarom kunnen we het een
kleine herdersjongen ook vergeven, dat hij deze boodschap niet meteen begreep. Hij dacht alleen maar aan het schaap, dat ervandoor gegaan was en hij wilde verder zoeken.
Toen stond er plotseling een engel voor hem en sprak: “Maak je geen zorgen meer om het schaap, op dit uur is een veel grotere Herder geboren. Ga snel naar Bethlehem, waar het Christuskind, de Verlosser van de wereld, in de
kribbe ligt.”
“Voor de Verlosser van de wereld,” zei de jongen, “voor Hem mag ik toch niet verschijnen, als ik hem geen geschenk kan geven?”
“Hier, neem deze fluit en speel een lied voor het kind,” sprak de engel, en was op hetzelfde ogenblik verdwenen.
Zeven tonen had die fluit en toen de jongen haar aan zijn lippen zette, speelde ze als vanzelf.
Dankbaar en blij liep hij de berg af. Hij wilde over een beekje springen, maar struikelde en lag languit zo groot als hij was, tussen de kiezelstenen. De fluit viel uit zijn hand. Uit zijn mond ontglipte een woord, dat misschien wel eens
onder de herders gebruikt wordt, maar dat men beter niet gebruiken kan. Mooi was het niet! Én toen hij de fluit weer in de hand hield was er één toon verloren gegaan. Nog zes tonen kon de fluit spelen.
Tijd om te huilen was er niet en bovendien werd het pad langzaam beter; dus liep hij zo snel mogelijk door.
Ineens bleef hij staan: vlak voor zich zag hij een grote wolf zitten met ontblote tanden, klaar om te bijten. Het was de lammetjesverslinder zelf. De jongen werd woedend. “Maak dat je wegkomt,” riep hij en voor hij er erg in had, had hij de fluit naar de al wegvluchtende wolf gegooid. Toen hij haar weer vond, kon de fluit nog maar vijf tonen laten horen.
De herdersjongen was nu op de plaats gekomen waar de kudden steeds waren. Rustig lagen daar alle schapen en er heerste diepe stilte, slechts één schaap liep blatend rond. De jongen wilde het binnen de omheining brengen. Hij rende erachteraan en omdat het schaap hem ontweek gooide hij met wat hij juist in zijn hand hield. Het was de fluit, die weer een toon verloren had.
Maar waar waren de andere herders toch gebleven? De jongen kon immers niet weten dat zij voor het kindje in de stal knielden. Hij dacht dat ze vast weer met een kruik bier in de herberg zaten en dat hij als jongste weer de wacht moest houden. Boos schopte hij met zijn voet tegen een kruik met water, die dicht bij het vuur stond. Toen was het of een onzichtbare macht hem de fluit uit zijn hand sloeg, en toen hij haar weer opraapte had zij nog maar drie tonen over.
Daarop ging hij verder naar Bethlehem. Alles ging goed, tot hij door de stadspoort wilde gaan. Daar zag hij zich plotseling omringd door een groep straatjongens die hem zijn fluit wilden afnemen, maar hij wilde haar niet geven.
Er vielen klappen over en weer. De fluit had hij weliswaar behouden, maar weer was een toon verloren gegaan.
Eindelijk stond hij toch voor de stal. Hoog boven het dak straalde de wonderbaarlijke ster en in de kribbe lag de Verlosser van de wereld. En toch zou het nog gebeuren dat de fluit nog maar één toon overhad, toen hij de stal
binnenging. Want juist wilde hij langs de huisdeur lopen, toen de bitse hond van de waard op hem afschoot. Hij wist zich niet anders te verweren dan met wat hij in zijn hand hield en dat was de fluit.
Zo stond hij nu bij de staldeur maar durfde niet naar binnen te gaan. Hij schaamde zich heel diep, dat er zo weinig van zijn geschenk overgebleven was. In zijn onschuld kon hij niet weten, dat de weg die iedere mens tot de Verlosser voert vol hindernissen is.

De Zonnejaargroep geeft onderstaande aan om te vertellen in de Kerst-adventtijd.

Sprookjes
Sneeuwwitje… Gebr. Grimm
• De Sterrendaalders… Gebr. Grimm
• De drie mannetjes in het bos… Gebr. Grimm
• Het boshuis… Gebr. Grimm
• De twaalf Apostelen… Gebr. Grimm
• Het Kind van Maria… Gebr. Grimm
• De Sneeuwkoningin… Gebr. Grimm

Hennie de Gans-Wiggermans:

Elk jaar weer was de advents- en
kersttijd voor mij de mooiste periode in de kleuterklas. De
voorbereidingen naar het kerstfeest, het lopen van de adventstuin*
en natuurlijk het Kerst- en Driekoningenspel met de kinderen, waarmee ik na de eerste adventsviering begon.
Boekje vol tips en tricks.

Als volgende het kerstspelletje en voorbereidingen daarvoor.


KERSTSPELLETJE

Hoe te beginnen?

De spelers/rollen
Jozef
Maria
Os
Ezel

Waard 1
Waard 2
Waard 3

Herder 1 Stiechel
Herder 2 Witok
Herder 3 Gallus

Engel met ster
Engel met kindje
Engel

Muzikantjes

Voorbereiding

Doos met kleding in de kring.
Kleding en attributen eruit halen en neerleggen.
Zelf pakken: engel: sterrenstok en haarband.
Andere engelen: haarband en 1 engel mag het kindje voorzichtig bij zich dragen.
Muzikantjes pakken zelf een bellenketting.
Jozef en de herders halen hun eigen stokken op en herder Stiechel pakt zijn herderstas.
De waard met het lampje haalt zijn lantarentje zelf op.

Bij elkaar leggen:
• Jozef, Maria, os en ezel
• Waarden
• Herders
• Schaapjes
• Engelen
• Sterrestok in de stal
• Kindje in de kribbe

Kindje van de dag mag kiezen wie hij/zij vandaag wil zijn.
Elk kind kiest elke dag een andere rol.
Het kindje van de dag mag helpen.

Kleuters zitten in de kring op volgorde:
Naast de poort: Maria, jozef, os en ezel, herders en lammetjes aan een kant van de kring
Andere kant van de kringpoort: engelen, waarden, muzikantjes.

Ondertussen zingen en neuriën we:


Voorafgaand aan het spel

Schaapjes zijn jullie klaar?
Mé, mé, mé
Os en Ezel zijn jullie klaar?
Moeoeoe, iiaaa
Waarden zijn jullie klaar?
Jaja
Herders zijn jullie klaar?
3x tik met de wandelstokken
Jozef ben je klaar?
Ja dat ben ik!
Maria ben je klaar?
Ja, begint u maar.
Engelen zijn jullie klaar?
Zwaaien met hun armen licht op en neer.
Muzikantjes (engelen) laat je bellen maar horen.
Klingelingeling

Meteen doorgaan naar het 1e liedje van het kerstspelletje.


Alle kinderen zingen mee, zittend in de kring.
Na dit lied gaat Maria staan en gaat rond in de kring (met de klok mee) terwijl allen zingen:


Maria neemt plaats op het krukje in het midden van de kring.

Vertellen [leidster]:
Eens op een dag zit Maria in haar huis een boek te lezen toen daar ineens een Engel kwam.
De Engel met ster staat op en gaat achter Maria staan.
De Engel spreekt:
Maria heb geen angst hoor,
Ik ben de Engel Gabriël.
Het is een blijde boodschap die ik vertel.
Jij gaat een kindje krijgen,
en Jezus is zijn naam….
De Engel gaat terug.

Jozef staat op en gaat voor Maria staan en spreekt:
Lieve Maria, wij moeten gaan reizen,
om ons in te laten schrijven.
Naar Bethlehem moeten we reizen,
om onze namen op te laten schrijven.
Jozef schudt.
Os en Ezel zullen ons beiden,
naar Bethlehem begeleiden.

Maria gaat ook staan, samen lopen ze naar de Os en de Ezel. Zij lopen rond de kring terwijl door de andere kinderen wordt gezongen:


Maria staat stil en spreekt:
Och Jozef, luister me toe
Jozef stopt nu en gaat bij Maria staan. Maria spreekt:
Ik ben toch zo moe!

Jozef legt een arm om Maria heen en zegt dan:
Ben je zo moe lieve Maria?
Maria knikt.
Jozef spreekt tegen Ezel:
Kom eens kleine ezel, blijf dicht bij haar!
Het Ezeltje balkt:
Iaaaa, iaa!

Zingen: Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
Sjok, sjok, sjok liep het ezeltje
helemaal naar Bethlehem
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe
O wat was Maria moe
ze deed nu en dan haar oogjes toe

Jozef spreekt:
Ik zie een lichtje dagen,
laat ons daar om onderdak vragen.
Loopt naar de 1e Waard.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
Het deurtje gaat open, de waard komt naar voren.

Met zijn handen in zijn zij spreekt hij:
Wat zoeken jullie hier?

Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs
en moe van de lange reis.
Heeft u voor ons een bed?

De Waard spreekt:
Jammer, alles is bezet.
Ga maar naar hiernaast.
Voortuit! Want ik heb haast!

Jozef en Maria lopen naar de 2e Waard, die net zijn straatje aan het schoonvegen is.
Jozef tikt 3x met zijn staf op de grond.
De 2e Waard kijkt op, stopt met vegen en spreekt:
Wat zoeken jullie hier?
Jozef en Maria spreken:
Wij zijn zo koud van sneeuw en ijs en moe van de lange reis.
Os en Ezel willen wel wat hooi en vinden het kleinste plekje al mooi!
De 2e Waard spreekt:
Het spijt me zeer, ik heb echt geen plaatje meer!
Van zolder tot kelder is mijn huis bezet.
Pak je weg! (vegen met bezempje)
Snel van mijn deur! Verder wil ik geen gezeur!
Maria en Jozef lopen weg van de Waard.
Maria spreekt:
Oh Jozef, wat moeten we toch beginnen,
nergens kunnen we naar binnen!
Jozef spreekt:
Och Maria lief (pakt haar hand)
Ik zal wel wat verzinnen.

Maar dan komt er een 3e Waard met een lampje aan en spreekt:
Goede vrouw, ik hoor je klagen, om een bed hoe je mij niet te vragen.
Loop met me mee, hier zijn we al, In mijn eigen kleine stal.

De Waard loopt naar de stal, zet een krukje voor Maria neer (naast het kribje) en laat het lampje achter.
Ezeltje en Os gaan zitten bij het kribje.
Jozef houdt Maria’s blauwe mantel vast, terwijl Maria plaatsneemt op het krukje.
Jozef gaat aan de andere kant naast het kribje staan, leunend op zijn staf.
Verteller:
Maria en Jozef gaan slapen, het is een donkere nacht, buiten houden sterren de wacht.
Allen zingen:


Dan komen de Engelen, ze staan op van hun stoel, lopen door de kring terwijl ze zingen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

Daarna lopen de Engelen naar de stal.

Verteller:
In deze nacht wordt stil en zacht, Maria haar kindje gebracht.
(Engel geeft Maria haar kindje)
Maria neemt Hem in haar armen en dekt Hem toe om te verwarmen.

De Engelen blijven in de stal.
Maria wiegt haar kindje.

Allen zingen:


Maria spreekt: Jozef…. Jozef….wordt eens wakker! En ze zingt
Jozef, liefste Jozef mijn, help eens wiegen ons kindekijn.
Hij zal onze verlosser zijn, het Kerstekind/Jezuskind en Maria.


Jozef is wakker en komt gauw naar Maria en spreekt: verbaasd
Ohhh Maria…. Het kindje is geboren?
Wat een lief neusje, wat een mooie ogen….
Snel ga ik naar de Waard om te vragen,
of we nu warm naar binnen kunnen voor een paar dagen.

Jozef neemt het lampje mee en loopt naar de 3e Waard.
Hij tikt 3x met zijn staf op de grond en roept:
Waard, waard, (de Waard gaat staan)
Ons is vannacht een Kind geboren, in de stal is het bijna bevroren.
Nu wil u vragen, of we nu in uw huis kunnen voor een paar dagen?
De Waard spreekt:
Beste man, ik gaf het je graag, maar er zijn al zoveel gekomen vandaag.
Van kelder tot zolder alles is vol. Ik heb echt geen bed, zie zelf maar hoe je je redt!
Langzaam loopt Jozef terug, als hij weer bij Maria is spreekt hij:
Ach Maria, er is nog geen plaatsje daarbinnen, wat zullen we toch beginnen?
Ik weet het al! We leggen het Kind in de kribbe in deze stal!
Allen zingen:


Ondertussen zet Jozef het kribje voor Maria neer. Maria legt voorzichtig het Kindje in het hooi van de kribbe.
Verteller:
En boven de stal daar spreekt de ster, de stralen stralen heel erg ver.
Ook daar waar de herders waren op het veld, Zij hadden zojuist hun schaapjes geteld.

1e herder Stiechel zegt:
Brrrrr, wat is het koud vannacht, laat eens zien wat je hebt meegebracht?
2e herder Witok zegt:
Lekker spek kreeg ik van mijn vrouw,
(gaat op de grond zitten, maakt zijn tas open en deelt uit)
één voor jou, één voor jou en één voor jou.
Ze eten samen, smakken (eventueel een boertje laten)
Na het eten spreekt Gallus al gapend:
We kunnen vannacht met de schapen, wel even buiten slapen.

Nu gaan ze liggen, de schapen dichtbij.

Dan komen de Engelen en zingen terwijl ze rond de herders lopen:


…..daar dansen blij de engeltjes, in Regis Curia, Halleluja, Halleluja!

De Engelen zingen staand: [bij muzikanten en leidster]


De Engelen lopen achter elkaar de kring weer uit, terug naar de stal.

De Herders worden wakker en rekken, strekken en gapen. Ze kloppen kun kleertjes af en doen hun mutsjes goed.
Stiegel zegt:
Luister eens goed, mijn beste broers. Engelen kwamen ons bezoeken,
zodat wij het Kindje gaan zoeken! Mmmm even denken,
wat zal ik eens gaan schenken? Een kruikje melk neem ik mee,
dan is Hij vast tevree!
Gallus spreekt:
Ik geef een plukje wol van het schaap zijn vacht, dat is lekker warm én zacht!
Witok spreekt:
En ik neem mee een heel klein lam, waar het Kind mee spelen kan.
Ze staan met z’n drieën bij elkaar en dansen en zingen:
Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!
Dan gaan ze op weg, lopen buiten om de kring al tastend met hun stokken op de grond.
Allen zingen:


Als ze de kring rond zijn spreekt Stiegel:
Wat is het toch donker!
Gallus spreekt:
Waar zou het toch zijn?
Witok houdt zijn hand boven zijn ogen, tuurt en kijkt naar de ster en spreekt:
Ik zie daar een nieuwe ster, oh wonder, dat Kind is vast en zeker heel bijzonder!
Ze lopen verder:
Stiegel zegt:
Ik zie reeds een huis van strooi, Laten we vragen,
Of in het stalletje klein, Is geboren het kindekijn.

Ze komen bij de stal, ze gaan bij het stalletje staan.
Ze tikken met hun staf op de grond en roepen zacht:
Hallo daar, hallo? Is daar iemand binnen? Hallo?

Jozef pakt het lampje en komt aangelopen en spreekt:
Wat zoekt gij hier beste herdersvrienden?
Stiechel spreekt:
Beste man, wij hoorden engelen en zagen een ster.
Een Kindje zou zijn geboren, is het hier misschien,
En mogen wij het eventjes zien? We brengen melk, wol en een lammetje mee.
Jozef spreekt:
Herdersvrienden, kom binnen. Hier zijn jullie goed!
Ze nemen hun muts af en leggen de stokken neer. Ze komen binnen en knielen bij het kribbetje neer. Schaapjes zitten achter de herders.
Allen zingen:


Eén voor één geven de herders hun geschenken, het kleine lam gaat tussen Os en Ezel zitten.
Maria spreekt: Dank lieve Herders voor jullie geschenken en dat jullie hier gekomen zijn!
Wij zullen vast nog vaak aan jullie denken. En zie het Kindje wordt nu moe,
Ga zoetjes weer naar jullie schaapjes toe.
De Herders gaan staan, buigen en spreken:
Dag Maria, dag Jozef, dag lief Kindekijn!
Wij gaan iedereen vertellen, die het maar wil horen,
dat het Kindje vannacht is geboren!

Nu lopen ze achteruit de stal uit, buigen nogmaals, draaien zich om. Ze zetten hun mutsjes weer op en nemen hun stokken weer mee. De schaapjes volgen…..

Ze buigen langzaam buitenom de kring.

Ze komen terug in de kring.
Stiechel spreekt:
Wat een Kindje mooi, liggend in het hooi.
Gallus spreekt:
En geboren in een stal, het Kind dat iedereen blij maken zal.
Witok: spreekt:
Laten we gaan het gaan vertellen aan iedereen, en zeggen dat we Hem zelf hebben gezien.

Ze zingen en dansen nogmaals:

Kom we gaan naar Bethlehem, doedeldiedeldoedeldiedelda
Jezus mijn, Kindekijn, vreugde moet bezongen zijn!

Dan doet Jozef de geschenken in de tas.
Maria neemt het Kindje in haar armen, onder de mantel om het te verwarmen.
Os, Ezel en Lam lopen er achteraan.
De Engelen gaan voor het stalletje staan.
Engelen voorop, dan Maria, Jozef, Lam, Os, Ezel, Waarden, Herders en Schapen.
Allen lopen buitenom de kring terwijl ze zingen:


Allen komen uiteindelijk in de kring staan.
Aan het einde van het lied maakt iedereen een buiging naar elkaar, eventueel naar de ouders en nogmaals naar elkaar.
Dan gaan ze zitten op de stoel.
De kleertjes gaan uit, worden netjes opgevouwen en gaan terug in de doos. Of……
Als afsluiting hebben de kleuters gezongen, een buiging gemaakt en zijn blij dat ze klaar zijn. Vlug mogen ze naar hun ouders, kleertjes mogen aanblijven of als dat gewenst wordt in de kledingkratten, kleuters ontvangen complimentjes en knuffeltjes en krijgen heerlijke zelfgebakken sterrenkoekjes [door de ouders en de klas zelf gebakken], nadat ze wat koek en sap hebben gehad, krijgen ze hun kaars [met wollontengel] uitgedeeld en de ouders krijgen een kerstkaart.
Nog één keer komen de kleuters in de kring voor de gangbare afsluiting met als laatste Engel van God ontfermer, wees altijd mijn beschermer,
Houdt helpend bij mij de wacht, ’s ochtends, ‘s avonds, dag en nacht.
Wil ziel en lichaam behoeden en wil mij leren al het goede.


En dan zingen ouders en kinderen samen:

We wish you a merry christmas, we wish you a merry Christmas,
we wish you a merry Christmas and a happy New year.
Good tidings we bring, to you and your kin,
We wish you a merry Christmas and a Happy New Year.

En zo is het!!!!!
Fijne Kersttijd toegewenst en goede vakantie!


I
Jozef=j
Maria=m
Os en ezel= o en ez
Engel= e [ster, kindje, vleugels]
Waarden: w 1, w2, w3
Herder: h1, h2, h3
Schaapjes= s en l
Muzikantjes= m

Mandala’s om te kleuren

Kaarten


Boeken



Transparanten

.

Met toestemming van de auteur, waarvoor dank!

.

Kerstmis: alle artikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Jasrfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis    jaartafel

.

2671-2501

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

In de jaren 1970 van de vorige eeuw werden er in het blad ‘Jonas’ artikelen gepubliceerd waarvan de auteur zich baseerde op antroposofische gezichtspunten. Die artikelen blijken al die jaren later nog veel waars te bevatten en nog steeds actueel te zijn. Het aangehaalde feitenmateriaal is uiteraard van die tijd, maar kan makkelijk door hedendaagse feiten worden vervangen.
O.a. A.H. (Lex) Bos ontwikkelde bijzondere gezichtspunten.
.

Lex Bos, Jonas 25 / 27 augustus 1976

.

Tussen groot- en kleinschalig

.

Omgaan met afhankelijkheden

.

Schumachers boekje ‘Hou het klein’ is een brevier voor vele ‘alternatievelingen’. Bij het streven naar kleinschaligheid moet nauwkeurig in het oog gehouden worden in hoeverre er motieven binnensluipen die anti-economisch zijn. Alles wat tendeert naar autarkie, naar zelfverzorgerdom, naar kleine onafhankelijke productie-consumptiecircuits is anti-economisch. In het moderne economische leven zijn de problemen in wezen altijd mondiaal. Een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid is de oefenplaats voor mensheidsbewustzijn. Wie die afhankelijkheid schuwt en uit nostalgie naar de beslotenheid van de zelfverzorgerseconomie streeft werkt tegen de tijdgeest in. Het zoeken naar milieuvriendelijke en aan mensen aangepaste technieken en ondernemingsvormen ontslaat ons niet van het probleem van de onderlinge afhankelijkheid.

We willen in dit artikel het probleem van de groot- en kleinschaligheid bespreken in samenhang met als vraag hoe we omgaan met afhankelijkheden. Het is zinnig om structuurvraagstukken altijd in samenhang te zien met gedragsvraagstukken. Organisatieproblemen hebben steeds hun complement in de menselijke vermogens die de nieuwe vormen tot leven moeten brengen. Vorm en inhoud hangen altijd samen.
Bovendien willen we het vraagstuk van de groot- en kleinschaligheid en het omgaan met afhankelijkheid niet alleen bekijken in het kader van het economische leven maar het ook opzoeken in het geestelijk-culturele leven. We zullen zien dat het daar in een soort spiegelbeeld verschijnt.

Beginnen we met het geestesleven. Het geestesleven omvat alles wat te maken heeft met opvoeding, kunst, wetenschap, gezondheidszorg, religie e.d.

In het geestesleven gaat het uiteindelijk om de geestelijke verwerkelijking van de enkeling. leder mens is uniek. Ieder gaat zijn ontwikkelingsweg. In dit geestesleven moet de grootst denkbare vrijheid worden nagestreefd voor de ander, opdat hij zijn zelfverwerkelijkingsweg kan gaan, zijn biografie kan leven. In het geestesleven gaat het om de impulsen, de intenties, het streven van het individu. In dat gebied mag ‘egoïsme’ heersen in de bovengenoemde ‘objectieve’ zin!
Daarom is het organisatieprincipe van het geestesleven: de samenbundeling van het gelijkgerichte. Gelijke intenties kunnen elkaar versterken en het geestelijk resultaat potentiëren. Voor het sociale organisme betekent dat gezonde ‘voeding’. In het geestesleven moet ruimte zijn voor de meest verschillende initiatieven: scholen met de bijbel en andere zonder, scholen voor naakte apen en andere voor aangeklede engelen, scholen die alleen direct bruikbare kennis en vaardigheden overdragen en andere waar de persoonlijkheidsvorming centraal staat.

Wanneer men nu — door een misplaatste tolerantie of door overheidsvoorschriften — al zulke stromingen onder één dak wil brengen, ontstaat er óf een kleurloos compromis óf ontstaan er zulke inwendige spanningen dat de zaak uit elkaar ploft. De ervaringen in de zogenaamde scholen-‘gemeenschappen’, in de sociale academies, aan de universiteiten (marxistische politieke economie in Tilburg bv.) demonstreren deze wetmatigheid duidelijk. De inwendige spanning leidt veelal tot een uiteengaan van deelgroepen die niet langer onder één dak kunnen samenwerken. De opvattingen van diverse groepen docenten of welzijnswerkers over het doel van de betreffende onderwijsrichting c.q. welzijnsinstituten kunnen zo verschillend zijn dat de samenwerking niet meer mogelijk is. Dat kan bv. ook het geval zijn bij een alternatief koffiehuis, opgezet door een stel enthousiastelingen die zich op dat moment nog niet bewust zijn van hun uiteenlopende intenties. Langzamerhand wordt het duidelijk dat de ene groep eigenlijk bezig is met het creëren van een ontmoetingsplaats, de ander met het inrichten van een centrum voor politieke agitatie. Laten we ons dit proces eens verder voorstellen. Hoe kan zo iets verlopen?

Laten we aannemen, dat de initiatiefnemers van dit koffiehuis hebben ingezien dat ze verschillende doelstellingen onder één paraplu hebben willen verenigen: ‘gezellige tent’ en ‘actiecentrum’ gaan niet samen. Na een woelige periode waarin de zaak wat dreigde te polariseren zijn de ‘gezellige tenters’ eruit getrokken. De ‘atie-centrummers’ voelen zich opgelucht. Zij kunnen nu constructief aan het werk gaan. De doelstelling is immers duidelijk! Dat blijkt alras een illusie. De fluorproblematiek splijt de groep opnieuw in tweeën. De ene helft is van mening dat dit actiecentrum onmiddellijk op landelijke niveau moet opereren: ‘klein kruimelwerk heeft geen zin’. Maar de andere helft is van mening dat dit centrum alleen bedoeld is voor acties die een directe betekenis voor de lokale bevolking hebben. Bovendien: ‘met dit werken op landelijke schaal hebben we geen ervaring en het maakt ons prille initiatief kapot’.

Na een woelige periode treden de ‘nationalen’ uit. De ‘lokalen’ kunnen nu eindelijk aan het werk. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig want bij de geplande actie ‘behoud van gebouw X’ wordt een pijnlijke controverse zichtbaar tussen degenen die harde acties voorstaan en anderen die via overleg, via handtekeningen inzamelen e.d. hun doel hopen te bereiken.

Enfin, toen de ‘harden’ eruit trokken en de ‘zachten’ dachten eindelijk eens aan het werk te kunnen gaan…

Duidelijk

De moraal is duidelijk: of het nu om een koffiehuis gaat of om de inrichting van een drugcentrum, de oprichting van een school of de exploitatie van een kunstatelier, overal waar persoonlijke impulsen van mensen zich doen gelden, waar vanuit idealen, vanuit waardeoordelen, vanuit eigen doelvoorstellingen samen moet worden gewerkt, is een krachtige tendens merkbaar tot schaalverkleining. Na elke ‘zuivering’ blijkt de groep nog zoveel controversiële strevingen te herbergen dat verdere differentiatie noodzakelijk lijkt. De pluriformiteit wordt steeds groter tot de kleinste eenheid bereikt is: het individu! De mogelijkheid om tot potentiëring van gelijkgerichte wil te komen is in haar tegendeel verkeerd: een versplintering die ten slotte leidt tot machteloze enkelingen!

We laten deze merkwaardige paradox van het geestesleven even staan om ons eerst tot de verschijnselen in het economische leven te wenden.

In het economische leven hebben we met de behoeftige mens te maken. Het gaat niet om zijn impulsen en intenties maar om zijn noden en tekorten. Het moderne economische leven voorziet daarin door arbeidsverdeling. Er zijn steeds minder zelfverzorgers. In een wereldwijde onderlinge afhankelijkheid werken we voor de bevrediging van elkaars behoeften.

De ontwikkelingen van de laatste jaren hebben de eigenlijke probleemstelling van het economische leven aan het licht gebracht, We zijn gaan zien:

– dat de wereldgrondstoffen eindig zijn;
– dat de kloof tussen arm en rijk een politiek kruitvat vormt dat maar ‘beperkt houdbaar’ is.
– dat het ecologisch evenwicht niet onbegrensd verstoord kan worden. Op een goed moment gaat de natuur ‘terugslaan’.

Deze ervaringen wijzen erop dat we in het economische leven te maken hebben met een gebied van het sociale organisme waar eigenlijk de grootste moraliteit zou moeten heersen, zowel tegenover de aarde als tegenover de behoeftige medemens. Het rechtsleven zou zulke regels moeten stellen dat het menselijk egoïsme deze sfeer niet kan vergiftigen.

Uit deze overweging volgen twee basisprincipes van de sociale driegeleding:

1. natuur, arbeidskracht en kapitaalgoederen kunnen geen object van koop en verkoop zijn. Hierop wil dit artikel niet verder ingaan.

2. In het economisch leven moeten tegengestelde belangen zich verenigen in associaties.

Producent, handel en consument hebben zeer verschillende posities en belangen in het marktgebeuren. Gaan zij zich onderling, eenzijdig organiseren dan ontstaat een potentiëring van het egoïsme dat fataal is voor het economische leven. Door het scheppen van concrete overlegsituaties tussen de drie genoemde groeperingen, resulterend in afspraken m.b.t. productie- en consumptieverplichtingen, worden de eenzijdige posities en belangen a.h.w. geneutraliseerd en geharmoniseerd.

Het is duidelijk dat deze organisatievorm van het economische leven mogelijk wordt naarmate het eerstgenoemde principe (natuur, arbeid kapitaal niet als koopwaar) wordt gerealiseerd.

Laten we aannemen dat zich een bepaalde associatie heeft gevormd, bv. in de schoenenbranche. Er is een overlegstructuur opgebouwd tussen een schoenfabrikant (of meerdere), een aantal detaillisten en een consumentenorganisatie. Ook dit proces moeten we dóórdenken. Welke tendenties schuilen erin? De schoenfabrikant merkt op een pijnlijke manier zijn afhankelijkheid van een aantal toeleveranciers bv. van leer, van verf en van garnituur. Voor hem heeft deze externe afhankelijkheid dezelfde betekenis als de de interne afhankelijkheid voor de conflicterende groepen in het koffiehuis.

Uitbreiders

Zoals in het koffiehuis het probleem werd ‘opgelost’ doordat er een groep uitstapte, (of werd uitgezet) zo tracht onze fabrikant zijn problemen ‘op te lossen’ door zijn productieprogramma (of invloedssfeer) uit te breiden en zelf veters te gaan produceren, leer te looien, verf te mengen. Hij kan deze toeleveranties nu naar zijn eigen behoeften gaan plannen. Zonder storende afhankelijkheden kan hij aan het werk gaan. Tot blijkt dat hij nog te zeer afhankelijk is van
ontwerpfaciliteiten van anderen, van machinefabrikanten die de schoenenmachines leveren, van verpakkingsmateriaal e.d. Ook dat probleem lost hij op door schaalvergroting. Maar steeds stuit hij op nieuwe externe afhankelijkheden, want in het economische leven hangt alles met alles samen. En zo verrijst aan het einde van dit proces één gigantisch mondiaal centraal geleid productieapparaat. Een dergelijke kolos is even machteloos om het sociale leven op aarde een gezonde materiële basis te geven als de versplinterde enkeling, die aan het einde van het koffiehuisproces verscheen, in staat is het sociale leven met gezonde initiatieven te voeden.

Samenvattend kunnen we de twee tendenties als volgt karakteriseren: wanneer in het geestesleven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de interne afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalverkleining, eindigend in een soort atomisering. Wanneer in het economische leven niet op de juiste wijze wordt omgegaan met de externe afhankelijkheden ontstaat de tendens tot schaalvergroting eindigend in een soort gigantisering.

Hoe kunnen we met deze tendenties op een constructieve wijze omgaan? Kort samengevat ligt hier, wat de vorm betreft, een taak voor het rechtsleven, wat de inhoud betreft, een scholingsweg voor de enkeling.

Er werd al eerder op geduid dat het moderne rechtsleven aan de ene kant associatieve samenwerking verbiedt (de kartelwet garandeert het heilige concurrentieprincipe), aan de andere kant het opkopen (fusioneren) van ondernemingen mogelijk maakt (aandelen zijn verhandelbaar en verlenen eigendomsrecht).

De twee genoemde wetten spelen elkaar de bal toe. Dat gaat als volgt: het grondprincipe van het moderne economische leven kan — door de wereldwijde arbeidsverdeling — niet anders dan samenwerking zijn. Wanneer dat bij de wet verboden is en men gedwongen wordt tot economie-vreemde concurrentie, kan die samenwerkingsnoodzaak zich alleen nog maar als karikatuur uitleven: de een maakt de ander aan zich ondergeschikt en binnen die grotere eenheid kan de machtigere de minder machtige tot ‘samenwerking’ dwingen. Voor deze ‘escape’ nu biedt de wet op de verhandelbaarheid van aandelen de mogelijkheid.

En daarmee zijn alle deuren opengezet naar een grenzeloze schaalvergroting, naar ondoorzichtige en onmenselijke machtsconcentraties.

Binnen het economische leven zou deze schaalvergroting echter moeten plaatsvinden in het bewustzijn van de participanten. De bewustzijnsdimensie van waaruit men, zowel als producent als in de rol van consument, deelneemt aan het economische leven, zou altijd een mondiale moeten zijn: de behoeftige mensheid en die éne aarde!

De organisatievormen waarin men aan dit economische leven deelneemt moeten echter een menselijke maat hebben. Daarvoor dient nu het rechtsleven te zorgen. Zij moet rechtsvormen scheppen die ongewenste schaalvergroting onmogelijk maken en openingen bieden (of belemmeringen wegnemen) voor associatieve samenwerking.

Naar de kant van het geestesleven hebben we ook reeds gewezen op de negatieve uitwerking van de huidige wetgeving. De vergaande bemoeienis van de staat met bv. de onderwijssector heeft geleid tot grote genormaliseerde onderwijsfabrieken waarin persoonlijke initiatieven steeds minder tot gelding kunnen komen of wel tot inwendig dynamiet worden.

In de zin van de sociale driegeleding is het de taak van het rechtsleven de kleinschaligheid van het geestesleven mogelijk te maken, zodat overal persoonlijk initiatief en persoonlijke verantwoordelijkheid tot gelding kunnen komen.

Laten we nu een moment aannemen dat het rechtsleven deze vormvragen heeft opgelost: er zijn rechtsregels gemaakt die in het geestesleven de kleinschaligheid mogelijk maken en in het economische leven de grootschaligheid verhinderen. Is daarmee het sociale organisme gezond? Neen. Want deze vormen moeten nog met leven worden gevuld. Voor het geestesleven blijft de vraag of men binnen de kleinschalige initiatief-eenheden de interne afhankelijkheid van de initiatief-genoten verdraagt en of men tot samenwerking komt. Voor het economische leven blijft de vraag of men tussen de kleinschalige groeperingen van producenten, handel en consumenten de externe afhankelijkheid van de ‘procesgenoten’ verdraagt en of men tot samenwerking komt.

Twee scholingsgebieden

Hier liggen twee scholingsgebieden voor de moderne mens, twee mogelijkheden om het sociale leven te zien als een uitdaging waaraan innerlijke kwaliteiten ontwikkeld kunnen worden. We willen beide oefenterreinen kort beschrijven.

In de associatieve samenwerking tussen organen van het economische leven is doorzichtigheid, helderheid en zakelijkheid van ’t allergrootste belang: wat zijn precies de behoeften en de mogelijkheden, hoe komt de prijs tot stand, is het duidelijk hoe die prijs is opgebouwd, zijn de leveringscondities en de afnameverplichtingen ondubbelzinnig geformuleerd? Is het voor alle betrokkenen doorzichtig hoe en waar zij afhankelijk van elkaar zijn, en wat de consequenties voor de ander zijn wanneer de een bepaalde afspraken niet nakomt?

Het gaat hier om de ontwikkeling van een waarnemend bewustzijn m.b.t. het proces waarin men gezamenlijk staat. In het economische leven gaat het altijd om processen: van grondstof tot eindverbruiker. Alleen degenen die er in staan kunnen, door het bijeen dragen van hun ervaringen en waarnemingen, gezamenlijk een objectief beeld van dit proces of van deze processen opbouwen.

In de samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven gaat het om helderheid, doorzichtigheid en zakelijkheid m.b.t. een heel ander gebied: de eigen motieven. Het bewustzijnslicht richt zich daarbij niet op de ondoorzichtige geld- en goederenprocessen buiten ons maar op het duistere gebied van de eigen begeerten, impulsen, biografische intenties in ons. In dit gebied is het niet zo makkelijk te onderscheiden tussen wensen en echte initiatieven, tussen voorbijgaande begeerten en verder reikende wilsbesluiten, tussen handelingen die bv. voortkomen uit angst of prestigedrang en die welke uit een sfeer van innerlijke vrijheid worden geboren.

Die helderheid krijgt men niet geschonken, ze moet veroverd worden. En daarvoor heeft men de ander nodig. Zoals in het economische leven de verschillende groeperingen hun ervaringen bijeendragen zodat er een
gezamenlijk procesbeeld ontstaat, zo kunnen in een orgaan van het geestesleven initiatief-genoten elkaar waarnemen in hun handelingen en daarover elkaar vragen stellen. Zodoende kan er helderheid ontstaan over de intenties en daaruit wordt tenslotte een mogelijk gemeenschappelijke wilsrichting zichtbaar.

Voor werkelijke spirituele creativiteit binnen een groep — zij het een groep leraren binnen een school, een groep artsen en therapeuten binnen een therapeuticum, een groep onderzoekers in een researchteam — is het noodzakelijk dat de leden elkaar trachten waar te nemen tot op het diepste biografische niveau en met elkaar daarover helpend-vragend in gesprek trachten te treden. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot ondermaatse schaalverkleining (versplintering) over te gaan.

Voor het functioneren van de organen in het economische leven zeiden we dat de beeldvorming waaraan zij onderling werken (bv. in een associatie) steeds naar de wijdheid en de omvattendheid van het mondiale moet streven. Naarmate dat als gezindheid, als bewustzijnsdimensie lukt, zal het niet meer nodig zijn uiterlijk tot bovenmaatse schaalvergroting over te gaan.

De mogelijkheid om tot een dergelijke proces-beeldvorming naar buiten en initiatief-beeldvorming naar binnen te komen, hangt met een voorwaarde samen die ons het tweede aspect van de sociale scholingsweg brengt: vertrouwen.

Helderheid en doorzichtigheid scheppen weliswaar de mogelijkheid tot vertrouwen maar ze maken ook kwetsbaar. Ze bieden de mogelijkheid tot manipulatie en misbruik van informatie: ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid afgesneden zich in het economische leven door privébezit van productiemiddelen persoonlijk te verrijken (men mag samenwerken), ook al heeft het rechtsleven de mogelijkheid geopend voor grote pluriformiteit van initiatieven in het geestesleven (men hoeft niet met iedereen samen te werken), toch is er een drempel te overschrijden vóór samenwerking werkelijk tot stand komt. Juist omdat die samenwerking in de zin van de sociale driegeleding uiteinde vrijwillig is, zelf-gewild, juist daarom heeft die drempel met de wil te maken. Want samenwerking vraagt altijd om vertrouwen. En vertrouwen schenken betekent in feite iets van jezelf aan de ander tonen zodanig dat er voor de ander een ruimte ontstaat waarin hij met zijn wil tot handelen kan komen. Men houdt zijn eigen wil terug, zodat de ander zijn vrije wil tot gelding kan brengen. Elke poging het handelen van de ander voor te schrijven, in te perken, te controleren, is een stapje dat via geconditioneerd vertrouwen naar wantrouwen en daarmee tot het verbreken van de open samenwerkingsrelatie leidt.

Het oefenen van vertrouwen wordt ons is de moderne samenleving bijzonder moeilijk gemaakt. Beschaamd vertrouwen is een van de allerpijnlijkste ervaringen voor de moderne mens.

Centrale plaats

En toch — misschien juist daarom — neemt deze drempel in het sociale oefenveld een centrale plaats in. Haar substantie bestaat uit angst! Angst dat de informatie die ik geef over de positie van mijn organisatie in het productie-consumptieproces door de andere groep economisch misbruikt wordt t.b.v. materieel gewin. Angst dat de informatie die ik geef over mijn intenties binnen een initiatiefgroep door de ander spiritueel misbruikt wordt ten einde zijn geestelijke impuls door te drukken!

Ten slotte is er nog een derde aspect aan ons oefenterrein. Misschien bepaalt de ontwikkeling daarvan wel of de andere twee tot nu genoemde vermogens (beeldvorming en vertrouwen) voldoende geoefend kunnen worden.

Dit derde gebied heeft te maken met sociale fantasie en speelvaardigheid. Ontwikkelingen binnen en tussen organisaties plaatsen ons steeds voor  schijnbaar harde ja-nee keuzes, zwart-wit alternatieven. Het ongenuanceerde denken — georiënteerd op de binaire computertaal, dan wel op een these-antithesefilosofie — voelt zich pas gerust als de problemen simpel dualistisch gesteld zijn. Maar zijn ze daarmee realistisch gesteld? Is ‘gezellig alternatieve tent’ of ‘actiecentrum’ een reële tegenstelling? Moet actie altijd ongezellig zijn en kan goede gezelligheid niet tot actie leiden? Misschien hebben we hier wel te maken met twee uiteinden van een continuüm. Als we ze loskoppelen zijn ze wellicht allebei negatief werkzaam. Als we de sociale fantasie opbrengen ze met elkaar te verbinden, kunnen ze elkaar eventueel versterken.

Zijn het nationale en het lokale werkelijk tegenstelling of liggen ze misschien in de tijd in elkaars verlengde? ‘We beginnen met lokale acties maar doen dat met het perspectief op een provinciale, nationale, internationale dimensie. Eerst ervaringen opdoen in het kleine en je daardoor sterker maken voor ‘t grote’.

En zo is het wellicht ook met de derde tegenstelling die we in ons koffiehuisverhaal te berde brachten. De harde en de zachte aanpak. Zouden deze wellicht twee strategie-varianten kunnen zijn, onderscheiden naar object en veld van actie, die elkaar kunnen versterken i.p.v. verstoren?

Samenwerking

Een zelfde reeks voorbeelden is te noemen met betrekking tot de samenwerking in het economische leven. Ook daar worden we vaak schijnbaar voor ja-nee-keuzen gesteld op een manier dat de relaties gepolariseerd dreigen te worden: assortiment inkrimpen of uitbreiden, prijzen verhogen of niet, productie mechaniseren of marktaandeel verliezen, rechtstreeks aan de detaillist verkopen of via de grossier.

In beide velden vragen dergelijke situaties om sociale fantasie, om speelvaardigheid, om ludieke creativiteit. Een samenwerkingsverband dat door serieuze speelsheid wordt gekenmerkt en waarin deze kwaliteit ook bewust wordt geoefend, biedt een goede voedingsbodem zowel voor de ontwikkeling van een heldere beeldvorming als voor het groeien van een echte vertrouwensbasis.

Daarmee is het oefenterrein, in grove contouren geschetst. We hebben het terrein waarop dit oefenen zich afspeelt — het sociale — beschreven naar zijn formele kant (rechtsregels, wetten enz.) en naar zijn materiële kant (de kwaliteit van het menselijk gedrag in die sociale ruimte). We hebben laten zien hoe het oefenterrein van karakter verandert al naar gelang we spreken over samenwerking tussen mensen binnen organen van het geestesleven of over samenwerking tussen organen van het economische leven.

We moeten daarbij wel bedenken dat er geen sprake is van driedeling maar altijd van drie-geleding. Wanneer we spreken over organen van het economische leven (bv. een productiebedrijf) dan zijn daarbinnen veel karakteristieken van het geestesleven herkenbaar (creatieve initiatieven). En wanneer we spreken over organen van het geestesleven dan zijn daartussen betrekkingen die een duidelijke inslag vanuit het economische leven hebben (producent-consumentrelaties). Wanneer we ervaren wat een moeizame weg het is om het economische leven vanuit een mondiaal bewustzijn in te richten zonder de organen ervan door overmatige schaalvergroting onmachtig te maken, wanneer we eveneens ervaren hoe moeilijk het is het geestelijk- culturele leven op de initiatiefkracht van de enkeling te bouwen zonder de organen van dit geestesleven door overmatige schaalverkleining krachteloos te maken, dan moet ons dat niet verbazen.

We hebben in feite te maken met een historisch scharnierpunt, met een richtingsverandering, met een omstulping in de mensheidsontwikkeling die eenmalig is.

Alle sociale vormen in de voorafgaande cultuurperioden van de mensheidsgeschiedenis waren gekarakteriseerd door een alles doortrekkend, het geheel samenbundelend, geestesleven (de laatste rest daarvan is de katholieke kerk: kat-holos betekent: het geheel betreffend), en een economisch leven dat in feite bestond uit een eindeloze versplintering van zelfverzorgers-huishoudinkjes. Wat op het ogenblik bezig is zich te voltrekken is een omwenteling (revolutie) in de meest letterlijke vorm: een ontwikkeling naar één alles doortrekkend, onderling afhankelijk mondiaal economisch leven en een geestesleven dat tot uitdrukking komt in een eindeloze differentiatie en pluriformiteit van initiatieven.

Het is t.b.v. het met meer bewustzijn helpen voltrekken van deze omstulping dat Steiner over de sociale driegeleding sprak en dat in dit tijdschrift artikelen als deze geschreven worden.

Literatuur:

Bos, Brüll, Henny:
Maatschappijstructuren in beweging
– De drieledige maatschappijstructuur
Te-recht of on-terecht?

Sociale driegeledingalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld

2670-2500

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – alle artikelen

.

[1] Mens en voeding: periode uit de 7e klas
F.H.v.d.Hoek over: combinatie menskunde-voedingsleer; niet uitgaan van het skelet; uitgaan van kwaliteit; uitgaan van de mens; aards- en geestelijk voedsel; zintuigen, stofwisseling; seizoenen, sapstromen; verband met sterrenkundeperiode; koken; wat is goed voedsel.

[2] Over voedings- en gezondheidsleer in de 7e klas
Geert Grooteschool over: verschil klein kind – puber wat betreft gezondheidsinstinct; eiwitten, zouten, koolhydraten en vetten; theorie en in de praktijk; plant en mens in omgekeerde verhouding; b.d-landbouwmethode eb gangbare methode; koken, gerechten uit andere landen: aardrijkskunde; 

[3-1] Tabak
H.J.Ogilvie over: tabak; ritme 4 : 1; roken mensen dáárom?

[3-2/1] Suiker
A.C.Henny over: de suiker tussen West en Oost. In drie artkelen wordt de geschiedenis van de suiker behandeld; de weg van honing naar bietsuiker; samenhang mens en plant in hun drieledigheid; sociale, politieke, economische betekenis; samenhang intellectualisme en bietsuiker.

[3-2/2] Suiker
A.C.Henny over: zie boven

[3-2/3] Suiker
A.C. Henny over: zie boven

Artikelen van A.C. Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

[4] Kwaliteit en kwantiteit
B.Endlich over: nu domineert kwantiteit over kwaliteit; dieren hebben nog gezonde instincten, mensen niet meer; wat is gezond; kristallisatiemethode.

[5-1] Levende grond voor gezonde voeding
Schaumann over: veelomvattend begrip van natuur kan niet alleen met materialisme; grote opbrengsten=kunstmest=verzwakking bodem=verzwakking plant=grotere ziektekans=insecticide; dit patroon dient doorbroken te worden. 

[5-2/1] Wat is biologisch-dynamische landbouw?
Wolfgang Schmid over: natuurlandschap versus cultuurlandschap; mens wordt agrariër; moderne landbouw; kwaliteit; kunstmest en insecticiden e.d.; verstoring evenwicht; stikstof; biologische en biologisch-dynamische landbouw.

[5-2/2] Kwaliteitsvormen bij het kweken van geneesplanten
Bruno Busse
over: hoe wordt een bodem gezond; mest met kiezel en kwarts; B.D.-hoornpreparaten. 

[53] Hoe gaan wij om met de aarde, de basis van het leven?
Julius Obermaier over: wat gaat er thans mis; oorsprong van landbouw; het agrarische moet organisme zijn; koemest; biologisch-dynamische landbouw; preparaten.

[6-2] Het levenselement water
W.Schwenk over: hoe gaan wij verantwoord om met water; hét levenselement; wat is water; ritme en polariteit; water en leven; wat is goed drinkwater.

[6-3/1] Water, levensdrager van mens en wereld
Peer de Smit over: levenselement; beleving vroeger en nu; vervreemding, vervuiling; water en menselijk lichaam; water in cultuur.

[6-3/2] Lucht: element tussen ‘niet meer’ en ‘nog niet’ 
Peer de Smit over: fenomenologie van de lucht; ritme; andere talen; uitdrukkingen met lucht in de taal.

[6-3/3] Warmte: koningin van de wereld der elementen
Peer de Smit over: wat is warmte; wat doet warmte; verandering; over vuur; invloed op evolutie; innerlijke warmte.

[6-3/4] Aarde: waar de wegen van de mens beginnen
Peer de Smit over: het element aarde; draagvlak van fysiek materiële wereld; haar kwaliteiten; starheid, doodsheid, kristallijne; mineralenrijk.

[6-4/1] Over aarde
Joop van Dam over: aards worden, harder worden; mens steeds meer ‘aardeburger’.

[6-4/2] Over water
Joop van Dam
over: water als kwaliteit; water en leven; eigenschappen van water.

[6-4/3] Over lucht
Joop van Dam over: lucht, adem in de atmo-sfeer; beweeglijk, chaotisch; belangrijk voor zielenstemming (opge-lucht, hart luchten e.d.)

Joop van Dam over: het vierde element: de warmte
Hoort het bij de aggregatietoestanden; warmte (vuur) in de cultuur; kwaliteit warmte; warmte bij koorts; bij bereiding geneesmiddelen.

.

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klassterrenkundetekenen  (arceren)

.

2669-2499

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-1)

.

Wanneer er in klas 7 over voeding wordt gesproken, komt – met name in onze tijd steeds meer – de kwaliteit van de grond in de belangstelling te staan.

Al in 1924 gaf Rudolf Steiner voor een goede grondkwaliteit allerlei aanwijzingen, die nu gebruikt worden in de bio-dynamische landbouw.
Daarover moeten ook 7e-klasser iets te horen krijgen.
In 1977 verschenen er over voeding en wat ermee samenhangt artikeltjes in het blad Weledaberichten.
.

Schaumann, Weledaberichten, april 1968, nr. 77

.
LEVENDE GROND VOOR GEZONDE VOEDING
.

Het streven naar een omvattend inzicht in de natuur brengt de mens ertoe, het materiaal van de natuur uit elkaar te halen, de stoffen te meten, te wegen en te tellen. Dan maakt hij zich een beeld van de wereld, waaruit alles uit stoffen is samengesteld en door stoffen veroorzaakt schijnt te zijn. Het begrip voor het wezen van de planten, dieren en mensen wordt van onderaf, vanuit de levenloze materie opgebouwd. Dat is tegenwoordig de weg en het doel van alle natuurwetenschappelijke vorming en onderzoek. Maar in de mens leeft daarentegen ook het gevoel van de vrijheid, die van de stoffen onafhankelijk is. Een zorgvuldige waarneming van het eigen wezen kan dit gevoel tot een vast omlijnd inzicht leiden.

Dat is echter niet mogelijk zonder het fysieke lichaam. Gezondheid bestaat juist hierin, dat dit lichaam zich door het bewustzijn laat leiden, dat het de geest van de mens volgt. De stoffen zijn dienaren, niet alleen van de materie, maar ze zijn ook materiaal voor de krachten van ziel en geest. Ook van die zijde, vanuit de ervaring bekeken, is het mogelijk een veelomvattend begrip voor de natuur te ontwikkelen. Daarbij blijkt, dat de bouw van het menselijke lichaam gericht is op de denkende geest, in tegenstelling tot die van het dier, dat op gewaarwordingen en driften gericht is. Ook de plant blijkt niet alleen van buiten af bepaald te zijn, zoals processen in de anorganische natuur, maar door een inwonend geestelijk principe, n.l. dat van het leven.

Wanneer men alleen de stoffen bestudeert en zich in de landbouw alleen richt naar de wetten van die stoffen, dan gebruikt men tenslotte slechts kunstmatig materiaal. Dat is tegenwoordig algemeen gebruikelijk. Men krijgt dan weliswaar grote opbrengsten, maar de moeilijkheden die optreden laten zien, dat de opbouwende, regelende krachten te zwak worden, om de opeenhoping van dode stoffen te beheersen. Er treden disharmonieën op in de opbouw van de planten die ons tot voedsel dienen. Daardoor worden de levende wezens, die op de cultuurlanden leven, gestimuleerd om zich op overmatige wijze te vermeerderen; ze worden schadelijk. Wanneer ze de overhand krijgen, vernietigen ze onze voedingsplanten. We zijn dan tenslotte gedwongen, ze met vergif uit te roeien. Wanneer we echter verder niets aan de levensvoorwaarden veranderen en dus de eenzijdigheid in de plant blijft bestaan, dan blijft de oorzaak van de vermeerdering van de schadelijke levende wezens bestaan. De voorwaarden voor een nieuwe massa-aanval zijn geschapen. Er bestaan schadelijke levende wezens, die zelfs resistent zijn tegen z.g. middelen ter bescherming van de planten. Dat is het dilemma, waarvoor de landbouw staat. Infectieziekten zijn het gevolg van een omgang met de planten, waarbij niet rekening wordt gehouden met het wezen ervan.

Verder blijkt, dat ook de grond op den duur de stijgende hoeveelheden van zoutvormige plantenvoedingsstoffen, zoals de middelen tegen onkruid en ongedierte en die ter bevordering van de groei, slecht verdraagt. Hij verliest zijn structuur: oplosbare stoffen worden uitgewassen en maken het grondwater onbruikbaar (door nitraten). De erosie door de regen voert de beste bestanddelen van de bodem (klei, fosfaat) naar de rivieren, wat aanleiding geeft voor de gevreesde verarming van de meren, die daardoor hun vermogen om zichzelf te reinigen verliezen. Ze worden eerst als bronnen voor het drinkwater, later ook zelfs voor het baden ondeugdelijk. De grond zakt in, verliest zijn vermogen om te ademen en verarmt als basis voor de plantenwortels. Dat geeft dan weer aanleiding voor een verhoging van het gebruik van de bovengenoemde middelen! Een echte vicieuze cirkel.

De mens is erop aangewezen dat zijn voedsel door de plant op de juiste wijze wordt toebereid. Een moderne landbouw zal moeten trachten, de bodem door middel van mest levend te maken, want de werkelijk vruchtbare akker dankt zijn innerlijke opbouw, zijn fysieke en chemische geaardheid aan een grote hoeveelheid van kleine levende organismen. De cultuurland is organisch verbonden met de levende bodem. Speciaal toebereide z.g. dynamische middelen zijn in staat om dit proces te stimuleren en bevruchten het samenleven van de grond en de plant. Cultuurgewassen en huisdieren vormen, met andere talrijke levende wezens, op basis van een zinrijke voortdurende arbeid van de mens, een intensief productieve, gecompliceerde levensgemeenschap.

De economische toestanden maken het tegenwoordig wel zeer moeilijk, te verwezenlijken, wat als het juiste gezien wordt. De mens heeft echter voedsel nodig, dat zijn lichaam gezond houdt. Dat kan het echter alleen zijn, als de geestelijk-levende ordening van de natuur volledig gerealiseerd kan worden, ondanks de noodzakelijke hoge producties.

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klassterrenkundetekenen  (arceren)

.

2668-2499

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over plantkunde – GA 300

ga 300a,  300b,  300c

In GA 300A geen aanwijzingen

In GA 300B is een artikel opgenomen:

,,Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule”

De pedagogische basis van de vrijeschool

Steiner schreef het voor de „Waldorfnachrichten”, – vrijeschoolberichten Stuttgart 1919, Nr. 19.

In de GA maakt het deel uit van nr. 24 
Deze uitgave is niet vertaald, wél is er een vrije vertaling gemaakt van het artikel.

Het Duitse artikel is ook opgenomen in GA 298 , maar niet in de vertaling daarvan.

Het stukje over plantkunde daarin – dat dus ook in GA 300B staat – is hier vertaald.

Blz. 104/105

Konferenz vom Mittwoch 21. Juni 1922, 20.30-22.30 Uhr

In der Naturgeschichte, da würde es darauf ankommen, in diesem
Lebensalter die Zellenlehre zu behandeln. Und dann, nicht wahr,
nicht gerade so ausführlich, aber indem man charakteristische Pflanzen nimmt von den niedersten bis zu den Monokotyledonen, von
unten auf. Aber doch immerhin schon auf die Dikotyledonen verweisen, daß man Parallelen zieht zwischen Blüten und Pilzen. Immer
das Mycel berücksichtigen, die Sporenbildung. Wenn man Stock
bildungen schildert, muß man auch das Mycel berücksichtigen.
Teleologie, den Zusammenhang der einzelnen Glieder der Organisation auf ein vernünftiges Verhältnis bringen; WechselursachenVerhältnis, nicht rein kausale Verhältnisse. Die Zellenlehre so behandeln, daß man sie kosmologisch behandelt.

Lerarenvergadering, Stuttgart 2 juni 1922

M.b.t. 11e klas
Bij biologie komt het er nu op aan op deze leeftijd de celleer te behandelen. Weliswaar niet zo uitvoerig,  maar door karakteristieke planten te nemen, van de laagste tot aan de monocotyledonen (eenzaadlobbigen), van onderop. Maar wel ook op al op de tweezaadlobbigen wijzen (dicotyledonen),, om parallellen te trekken tussen paddenstoelen en bloeiplanten. Steeds rekening houden met het mycelium. Teleologie, op een verstandige manier samenhang brengen tussen de losse delen van het organisme, niet puur causale verbanden. De celleer zo behandelen dat je die kosmologisch behandelt.
GA 300B/104
Niet vertaald

GA 300C 

Blz. 42

Lerarenvergadering van 25 april 1923

In der 12. Klasse sollte sich die Zoologie auf eine Systematik
beschränken. Ebenso bei den Pflanzen.

M.b.t. 12e klas:
In de 12e klas moet de dierkunde beperkt blijven tot een systematiek, dat geldt ook voor de plantkunde
GA 300C/42
Niet vertaald

Blz. 79

Lerarenvergadering van 12 juli 1923

Man muß auch versuchen, die Pflanzen in zwölf Gruppen zu bringen;
das werde ich auch noch machen.

M.b.t. de 12e klas
Je moet proberen de planten in twaalf groepen te verdelen; dat zal ik nog doen.

Aantekening bij blz. 79: daarvan is het niet meer gekomen.
GA 300C/79
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over plantkunde 

Plantkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas plantkunde

.

2667-2498

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde (1-1/30)

.

BOOGSCHUTTER

De boogschutter aan de hemel is een raadselachtig sterrenbeeld dat uit een van de vroegste tijden komt. Bij opgravingen in het Tweestromenland van de Eufraat en de Tigris waar duizenden jaren geleden de Soemeriërs en na hen de Babyloniërs woonden, werd er tussen veel andere voorwerpen een grenssteen gevonden uit de 2e eeuw voor Chr., waarop plastisch uitgewerkt uit de steen gehouwen een dubbelwezen staat. Het is een gevleugeld wezen, half dier en half mens, hier op de tekening:

Uit een paardachtig onderlichaam richt zich een mensachtig wezen op met twee hoofden, die een gespannen boog in zijn handen houdt. Maar dit wezen heeft niet alleen twee koppen, maar ook twee staarten. Die naar beneden hangt ziet eruit als een staart van een paard, terwijl de opgerichte staart er meer uitziet als die van een schorpioen. Maar het merkwaardigste aan deze figuur zijn toch wel de grote vleugels. Het kan dus niet alleen springen zoals op de afbeelding, maar ook vliegen. De Babyloniërs geloofden dat buiten de vogels, alleen goddelijke wezens dit vermogen hadden om zich vanuit de aardse wereld te verheffen tot de geestelijke wereld. 
De boogschutter aan de hemel met pijl en boog was dus een goddelijk wezen waarvan er bij de Babyloniërs vele bestaan. 
Wellicht was het een bijzondere verschijning van Mardoek, de god van de stad Babylon die soms met pijl en boog wordt afgebeeld. 
Over hem wordt in een Babylonisch scheppingsverhaal verteld hoe hij met zijn pijl de moeder van de chaos, de afschrikwekkende oerdonkerte Tiamat had gedood, zodat de schepping van de aarde en de sterren een aanvang kon nemen. In deze mythe staat:

‘En Mardoek, de heer, maakte een boog
Het wapen voor de strijd, als Tiamats vijand.
Ook een net om haar daarmee te vangen.
Toen schiep hij de winden:
De boze wind, de stormwind.
De orkaan, de viervoudige wind.
  (Zie hier: tablet 4 vers 35)

Of  Tiamats dood door Mardoeks daad waarmee volgens de Babyloniërs de schepping begon, tot uitdrukking komt in het sterrenbeeld van de Boogschutter, weten we niet.

De Oude Grieken namen het sterrenbeeld van de Babyloniërs of van de Egyptenaren die het precies zo afbeeldden, over, maar ze konden er zich niet echt mee verbinden. Van de boogschutter bestond er bij hen geen echte legende. Een later bedachte legende brengt het sterrenbeeld in verband met Krotos die de uitvinder van de boog zou zijn geweest en daarom door Zeus aan de hemel geplaatst als schutter. Waarom hij een paardenlichaam heeft, wordt niet duidelijk. 
Maar hij had wel het lichaam van een paard, want dat weten we uit de beschrijving van Ptolemaeus, maar met slechts één staart. Ook de tweede kop en de vleugels bleven weg en ze zagen in de boogschutter een Kentaur, een mythologisch dubbelwezen uit paard en mens.
De kentauren stammen volgens de Griekse mythologie uit een held met de naam Ixion, die in zijn ongebreidelde begeerte met een wolkenfantoom een wezen verwekte dat maar voor de helft mens was en half dier. Deze oerkentaur verwekte bij de wilde merries van het Pelikongebergte het hele kentaurgeslacht.
Door oudere schrijvers als Homeres en Hesiodotus werden ze als ruigharige bergmonsters beschreven die hun wilde wellust ongebreideld uitleefden.
Er was maar één uitzondering en dat was de wijze Chiron. (→Kentaur)

            Zo                                                         z                                                      zw
juli   1      1°°u*                                  aug.   1  23°°u*                       sept.  1   21°°u*
       15   24°°u*                                          15  22°°u*                                15  20°°u* 
*zomertijd

Het sterrenbeeld Boogschutter is in de dierenriem het beeld dat het verst in het zuiden staat en bij ons nooit helemaal te zien is. Aan de avondhemel kun je de Boogschutter alleen in de maanden juli tot september zien. In juli komt het in het zuidoosten op, bereikt dan in augustus in het zuiden het hoogste punt boven de horizon (op deze afbeelding) en daalt in september weer onder de horizon, dan om 22u zomertijd. 

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2666-2497

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Advent (18)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’:
(november 2021) In november breidde ze haar artikel uit met nieuw materiaal, dat in onderstaand artikel is opgenomen.

.

ADVENT

Stil nu, stil nu maak nu geen gerucht,
Stil nu, stil nu ’t ruist al door de lucht,
Het wonder komt er zachtjes aan
’t Kerstkind wil naar binnen gaan.
Stil nu, stil nu maak nu geen gerucht.

Dit mooie lied, dat met name bij de peuters en kleuters op de vrijescholen gezongen wordt in de adventstijd, geeft voor mij de kern van advent zo goed weer: stil worden, zodat je het wonder van kerst kunt aanschouwen. Daarin spreekt ook dat advent de tijd van de verwachting is. Alles wordt klaar gemaakt voor de ontmoeting met het wonder. Dat gebeurt van binnen innerlijk; we kunnen even stil staan bij de verwondering en stil worden in onszelf. Uiterlijk zetten we het lege kerststalletje klaar en branden we kaarsjes. In het dagelijks leven zijn de nachten lang, staat de zon laag en de dagen zijn koud en kort, waardoor we veel en graag binnen in het warme huis zijn; we trekken ons terug naar binnen. In de Christelijke kerk is advent de benaming voor de aanloopperiode naar kerst. De naam advent komt van het Latijnse woord adventus, dat komst betekent. In de adventsperiode bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, wordt de aankondiging van de geboorte van Jezus herdacht en worden verhalen verteld over de reis van Jozef en Maria naar Nazareth. Elke adventszondag wordt er een nieuwe kaars aan gestoken totdat op de laatste zondag voor kerst alle kaarsen op de adventskrans of adventsstandaard branden.
Sommige kerken maken dan gebruik van de liturgische kleur paars, de kleur van boete en inkeer als extra voorbereiding op Kerstmis.

De Germanen zagen deze tijd als een nieuw begin. Al het oude werd opgeruimd, zelfs de vuren werden even gedoofd. Ook hadden zij net als de Kelten, Grieken en Romeinen een traditie om groene takken en bomen te gebruiken in hun riten rond de midwintervieringen. Deze planten en bomen werden magische eigenschappen toegedicht, omdat zij groen bleven en niet afstierven in de winter. Tegenwoordig begint ons nieuw begin een paar dagen later dan het oude midwinterfeest en wel bij Nieuwjaar. Een nieuw begin dus vroeger en nu.
Wij kunnen hier ook in ons eigen leven mee aan de slag; het huis opruimen, spullen uitzoeken en wegdoen, zodat er ruimte ontstaat voor de advents- en kerstspullen. Maar misschien ook opruimen van binnen, zodat er ruimte ontstaat om het wonder en het licht van het Christuskind te ontvangen.

Advent wordt op school op verschillende manieren en tijdstippen gevierd. Op Widar (Delft) begint de adventsmarkt op de vrijdag ervoor. Er worden door ouders kransen gemaakt, er zijn kraampjes met mooie spullen en er is lekkers te koop, maar ook komen de kinderen kijken en zingen; sfeervol en heerlijk! Zodra het dennengroen gebracht is, ruiken de scholen naar advent en kerst. Dan worden er ook voor de ramen blauwe gordijntjes gehangen. Op Vrijwel alle vrijescholen is er een adventstuintje voor de kleuters, worden er stalletjes gemaakt, zijn er adventsverhalen en is er ergens in de school hele mooie (live) muziek te horen. Het adventstuintje is een spiraal van dennengroen waar kleuters op de eerste adventsmaandag in lopen en hun kaarsje aan steken aan de grote kaars in het midden. Ze lopen de spiraal uit en zetten hun kaarsje ergens tussen het groen. De weg naar buiten wordt letterlijk verlicht. Elke maandag worden er verhalen met diepere betekenis in de klassen verteld en wordt een nieuwe kaars (erbij) aangestoken totdat er met kerst vier op de adventskrans staan. Vanwege brandvoorschriften zijn sommige kaarsjes helaas vervangen door neplichtjes, maar licht blijft het.

Op de seizoenstafel staat een leeg stalletje met wat stenen op de bruine aarde, erachter het donker blauwe van de hemel en soms een engelenladder. Daarna komen de planten en mosjes, de dieren en ten slotte de mensen (herders, Maria en Jozef) op de seizoenstafel. Dat is niet zomaar. We doen de schepping na omdat advent ook iets te maken heeft met het oerbegin en het leven (Denk ook aan het 1e kerstspel Het Paradijsspel en de vier lichamen die we hebben waar elke week er eentje centraal staat). Maria en Jozef komen elke week een stukje dichterbij het stalletje en de engel daalt elke dag een stukje neer. Kleine kinderen kun je bij dit laatste of bij een adventskalender goed betrekken. Zij mogen het kindje of de engel dagelijks iets verplaatsen. Daarnaast is voor het innerlijk beleven van advent bij kinderen belangrijk dat wij ze rust en mate (denk hierbij aan sintcadeautjes, Sint op TV en kerstversiering) aanbieden. De donkere avonden lenen zich goed om voor te lezen. Denk aan mooie boeken als: Maria’s kleine ezel van G. Sehlin, Vrolijk kerstfeest lief kerstkind van S. Heuck, De gebroeders Leeuwenhart van A. Lindgren en advents- en Sinterklaasverhalen uit Een ster over de grens van I. Verschuren.
Advent is net als Sint-Maarten en Sint-Lucia een lichtfeest, met als het hoogtepunt Kerstmis. Ons innerlijk lichtje moeten wij brandend houden, om het wonder te aanschouwen. Dat dat wonder moeilijk is om in onszelf levend en werkzaam te laten worden, heb ik al eerder verteld. We hebben daar hulp en aandacht voor nodig. De kaarsen en lampjes in de buitenwereld helpen ons door de donkere tijd van de winter heen. Zo is ook Sint-Lucia daar een symbool voor: zij draagt op 13 december een krans van kaarsjes op haar hoofd, zodat zij goed kan zien. Vroeger was dit kaarslicht hard nodig, want maar enkele straten waren verlicht met gaslampen. Tegenwoordig is er zoveel licht, schittering en schreeuwerige herrie, dat we soms te verblind zijn om het wonder te zien. Ook omdat het Sinterklaasfeest in de eerste week van advent valt. Dit kinderfeest van verlangen, verwachting, geven en ontvangen, raakt tegenwoordig overschreeuwd door alle media-aandacht. Het lijkt wel of we niet meer stil en vol van verwondering mogen zijn! Vreemd, want dat hebben onze kinderen nodig om intens te kunnen genieten van de geschenken die Sinterklaas geeft. De herrie en het uiterlijk vertoon van Sinterklaas op de TV, schept angstige en hyperactieve kinderen. De geboorte van Christus is niet zomaar een verhaal, maar wij kunnen de geboorte van Christus zien als de geboorte van ons Hogere Ik en/of als licht- en liefdekracht in ons hart ervaren. In deze donkere tijden van oorlog, leed en egoïsme zijn deze hogere krachten zo belangrijk. Wees daarom in de adventstijd regelmatig even stil, wees matig met uiterlijk vertoon en vermijd de Sint op TV. In deze tijd ligt er voor ons als ouders en leerkrachten een belangrijke taak: voor onszelf en voor onze kinderen stilte en verwachting helpen creëren: stil nu, het ruist al door de lucht! Laat het wonder geboren worden. De wereld en mensheid hebben zoveel licht en liefde nodig!
Marion Vreugdenhil

“VREDE op aarde voor de mensen van goeden wille”.
.
Van het Zonnejaar door Alice Woutersen

Advent : voorbereiding en verwachting? Voorbereiding van wat?
Voor kinderen is het duidelijk: wij vieren de geboorte van Jezus, die voor de mensen het Licht op de aarde bracht, in feite [voor hun] vieren we de geboorte van ieder kind!!!!
Met Advent bereiden we langzaam maar zeker dit feest voor.
Op de seizoentafel wordt het naar de aarde gaan van het Kind duidelijk gemaakt en mogelijk wel als volgende :
Een Engel (of engelen) brengt iedere dag het Kerstkind een beetje dichter bij de aarde. Trede voor trede daalt zij af om in de Kerstnacht het kind in de armen van Maria te leggen.
Op de seizoentafel onder een adventsladder vormt zich door de vier adventsweken heen de aarde met alles wat erbij hoort.
Eerst dragen wij zand, stenen en water aan.
De tweede week komen de planten erbij (aangevuld met zelfgemaakte bloemen en bladeren).
De derde week volgt het dierenrijk en vormen onze handen uit klei of bijenwasfiguren die op dieren lijken. Ook [wollen] figuren kunnen ontstaan, zoals de schapen en de os en ezel.
De vierde week zijn wij aangekomen bij het rijk van de mensen. Uit klei, wol en/of lapjes ontstaan herders en ook Jozef en Maria.
Jozef en Maria verplaatsen zich samen met de ezel in de richting van de stal, die ondertussen ook al verschenen is. Elke dag een stukje verder, tot ze op Adam-en-Eva-dag (24 december) in de stal aankomen. Dit is de dag waar iedereen naar uitziet.
Vandaag wordt gezamenlijk de kerstboom opgetuigd, het huis versierd en met vereende krachten het kerstbrood gebakken. De kleintjes gaan naar bed, de groten naar een kerstnachtdienst of maken in het donker een mooie wandeling.
’s Avonds laat worden de kleintjes gewekt. Het hele huis is dan met kaarsen verlicht, en zingend gaan we naar beneden om in het stalletje te gaan kijken waar Maria, verlicht door een kaarsje, gelukzalig haar kindje wiegt. De kaarsjes in de boom branden nu ook en het warme kerstbrood staat te geuren.
Dan wordt het geboorteverhaal gelezen uit ‘Maria’s kleine ezel’, nog wat gezongen, en daarna wordt het kerstbrood aangesneden.

Zo is door de jaren heen dit bij ons de traditie geworden, die natuurlijk
van gezin tot gezin verschilt.
Maar wat verwacht ik nu zelf, wordt het voor mij innerlijk ook feest of ga ik ten onder aan alle drukte en familiespanningen van dingen die niet te combineren zijn?
Wat wil ik verwachtingvol beleven of in mijzelf wakker roepen c.q. geboren laten worden? Waar wil ik zelf bij stil staan (als het al mogelijk is om in deze tijd ergens de rust te vinden om stil te staan, vooral vlak voor kerst)? Het kost moed en kracht je hiervan bewust te worden en dan bedoel ik werkelijk innerlijk in jezelf te voelen wat je wilt en niet wat je met je hoofd bedenken kan.
Ik wil in die tijd mijzelf als mens beleven en mijn innerlijk goddelijke kern voelen. Ik wil bewust leren voelen dat ik de christuskracht, die Christus sinds het mysterie van Golgotha in ieder mens gelegd heeft, in mij draag en proberen deze vonk tot een mooie vlam te ontwikkelen. Wanneer ik dat werkelijk wil dan kost dat voorbereiding. Dit Licht in mijzelf kan alleen stralen en anderen tot heil zijn
als ik zelf stevig in mijn schoenen kan staan.

Daarop moet ik dus in eerst instantie mijn aandacht richten, niet egoïstisch, maar om daardoor de ander de ruimte te kunnen bieden zichzelf te kunnen zijn. Met Michaël neem je de moed op om deze weg te gaan. De weg naar het geestelijke in jezelf, de weg naar het geestelijke in de ander, de weg naar het geestelijke in de wereld, de weg naar alle geestelijke wezens die ons zorgend en wevend omringen.

Hoe doen we dat? Als je in de Michaëlstijd (dus oktober-november) om je heen kijkt in de natuur wordt het je duidelijk. Alle bomen doen het ons namelijk voor: “leg sierlijk en met vreugde je oude omhullingen (verdedigingsmuren enz.) af en behoud de gouden essentie van je zijn”.
Iedere boom laat in de herfst met gratie en tot vreugde van vele levende wezens zijn vruchten en bladeren vallen. Hij verschijnt dan in zijn naakte zijn, zijn wezenlijke gestalte en draagt een groot geheim bij zich.
Welk geheim? Hij lijkt wel kaal en naakt, maar in zijn knoppen ligt de gouden essentie van zijn zijn. In wezen is hij nu het meest zichzelf, stevig rechtop staand trotseert hij iedere storm. Die stevigheid moeten wij ook zoeken. Wij moeten dan zelf op zoek gaan naar de gouden essentie van ons eigen zijn.
De antroposofie kan je daarbij helpen. Het is en blijft een persoonlijke zoektocht. En als je deze gouden essentie gaat naderen, dan voel je je warm van binnen worden, je voelt dat de vonk in jezelf gaat opvlammen. Het gaat echter niet alleen om jezelf. Deze vonk wordt pas echt een vlam als hij in het sociale kan opvlammen.
Daar sta je dan als een boom, kaal maar eigenlijk het meest jezelf en overal in je knoppen draag je de gouden essentie van je eigen zijn. Nu komt de eerst proef: het feest van Sint-Maarten. Ben je in staat te delen? Dit is de eerste stap in de grote adventstijd die op 11 november begint en 43 dagen duurt.
Men spreekt ook wel over de grote kersttijd die zich uitstrekt van Sint-Maarten tot en met Maria Lichtmis (2 februari, 40 dagen na Kerst).
Het sociale oefenen is begonnen. Kun je werkelijk delen op alle denkbare gebieden ? Sint-Maarten deelde zijn mantel in tweeën en gaf zijn halve mantel weg. De andere helft van zijn mantel behield hij.
Dit laatste moeten wij goed tot ons door laten dringen. Een mens kan namelijk niet meer goed functioneren als hij innerlijk alles weggeeft. Ieder mens moet een deel behouden en zal dan merken dat deze halve mantel steeds weer heel, zo niet groter, wordt. Hierdoor kan men steeds weer en steeds meer schenken.
Dit delen en schenken is een hoge kunst, een kunst die je pas goed kan leren hanteren als je inzicht hebt gekregen in jezelf dus in je eigen gouden essentie.

De volgende proef is het Sinterklaasfeest, het feest van creatief en sociaal bezig zijn.
Voor dit feest moet je je werkelijk verdiepen in de andere mens, je probeert van haar of hem een levend beeld te maken. Door de andere mens zo zuiver mogelijk te proberen te zien kun je hem datgene geven wat die ander juist nodig heeft. Met humor en creativiteit kun je de ander een handje helpen op zijn levensweg. HUMOR is daarbij onontbeerlijk. Vrolijkheid, lachen, zingen, creativiteit en
humor zijn een soort smeerolie in het leven. Het is overigens niet alleen je inleven in de ander, want de ander houdt jou ook een spiegel voor. Dit kan je weer helpen beter inzicht te verwerven over jezelf en hoe je overkomt bij anderen.
Je verzamelt dus eerst de moed om je gouden essentie te gaan zoeken (en zodoende jezelf te leren kennen), dan om te leren werkelijk te delen met anderen en vervolgens om te proberen levende beelden te ontwikkelen van je medemensen en hen met liefde en humor tegemoet te treden en tevens leer je ook in je eigen spiegel te kijken om zo een eerlijk beeld over jezelf te vormen.
Door deze ontwikkeling te gaan kun je een open en onbevangen houding ten opzichte van je medemensen krijgen waarbij je niet overheerst noch dominant voelt en waar de ander zich ook veilig en gezien kan voelen. Ontmoeten wordt dan ook echt ont-moeten, dus je moet niet meer en mag jezelf zijn. Wanneer mensen elkaar zo ontmoeten, dan geeft dat nieuwe energie (“waar twee of meer
in mijn naam verenigd zijn ben Ik (Christus) in hun midden”).
Wij worden weer enthousiast (zijn in God en-thou-siast).
Op deze wijze zou ik het kerstfeest willen naderen: rustend in mijzelf en open voor de ander. En als het je lukt niet alleen je eigen vlammetje te laten opvlammen, maar ook dat van de anderen, dan voel je de jubel: het lukt (ook al is het soms kortstondig)! Er kan dan een intense vrede ontstaan, een
vrede waarin iedereen zichzelf kan zijn in zijn diepste wezen.

Advent

Een tijd waarin het zonlicht steeds korter bij ons is op de dag, de natuur (in ons deel van de aardbol) verstilt, kan ons helpen om dichter bij ons zelf te komen en bij wat er werkelijk toe doet. Om het ‘nieuwe licht’ dat geboren wil worden straks goed te kunnen ontvangen.
De school wordt schoongemaakt; alle herfstspullen worden opgeruimd en er wordt ruimte gemaakt voor een adventskrans die symbool staat voor de 4 weken voor kerst waarin de dagen korter worden en wij het innerlijke licht meer en meer laten schijnen en in de kleuterklassen worden er blauwe gordijnen opgehangen, alle seizoentafels krijgen blauwe kleden, daarop kunnen er de 1e adventsweek ‘stenen’ gelegd worden als symbool voor het aarde element.
De andere 3 weken zal daar telkens een element bij komen: plant, dier en mens.
De ramen worden beplakt met gele vloeipapieren sterren en blauw van de hemel.
In de gangen verschijnen adventpotjes  [blauwvloeipapier geplakt om lege glazen potjes], deze worden door de kinderen gemaakt.
Op de adventsmaandagen zal er bij binnenkomst een speciale entree zijn: muziek [in de hal].
En gaan kinderen elke maandag het licht van de adventskrans in de zaal halen om daarmee een eigen licht in de klas aan te steken. De stemming zal dus veranderen.
En speciaal is, ook weer dit jaar, dat we midden in de adventstijd Sint-Nicolaas verwelkomen. Ook Sint-Nicolaas kan maken dat ons hart vol verwachting klopt en daarmee worden niet alleen de cadeautjes bedoeld!


Seizoentafel advent:

Blauwe kleuren als ondergrond en achtergrond, Jozef en Maria gaan op weg om op de dag van de kerstviering aan te komen in het stalletje; de grote engel daalt iedere week een stapje naar beneden, de berg met gouden noten [er zit voor ieder kind een klein geschenkje in] als adventkalender, het stalletje en kribje staan klaar en er liggen wat mooie mineralen.


Op de foto niet afgebeeld: 4 lichtjes: 1e week de 1e, 2e week de 2e enz.

De symboliek van de adventstuin

Bijzondere dagen, zo vlak voor advent. Alles buitelt over elkaar heen: regen en hagel, pietjes, Jan de Wind, de duisternis, maar ook de kinderen – vol van verwachting. Sint-Nicolaas is onderweg, en vlak na zijn verjaardag vieren we de geboorte van het kerstkind.
December is de tijd van wachten en verwachten, maar ook van bergen prikkels.

Het ritueel

4 zondagen voor Kerstmis is de 1e zondag de 1e advent: Dan begint de Stille Tijd: het duurt dan nog precies vier weken tot kerstavond. Op deze dag op veel vrijescholen jonge kinderen het adventstuintje: het moment alleen al is speciaal: op maandagochtend; als het nog schemert komen kleuters en een van hun ouders bij elkaar in de klas, waar een spiraal van schelpenzand met
goudsterren erin [vroeger dennengroen] ligt. In het midden staat één grote kaars. De ruimte wordt slechts verlicht door kleine adventpotjes, verdeeld in de ruimte.. Daar word je vanzelf al stil van. Elk kind krijgt een appel met gouden ster aangereikt, waarin een kaarsje is gestoken; de engel is een leerling uit de hoogste klas van de school. Er zijn meerdere engelen: sommige geven de kaarsjes aan en begeleiden een kleuter in het tuintje en andere grote kinderen maken begeleidende of ondersteunende muziek. Er is dus muziek en zang. Kleuters gaan een voor een de spiraal in naar het middelpunt toe. Daar ontsteken ze hun eigen lichtje aan de grote kaars en dan cirkelen ze weer terug.
Onderweg zetten ze op een gouden ster van de spiraal hun lichtje neer.

De gedachte

November is onstuimig en ruilt oud in voor nieuw. Voordat de winter komt, ploegen de boeren hun land en spitten wij onze tuinen om, zodat alles straks optimaal kan wortelen en groeien.
Ook het kosmische kan dan diep in de aarde doordringen.
In de adventstijd zaait de hemel nieuw leven met sterrenkracht. En ook
al is het buiten donker, diep in het binnenste van de aarde ontkiemt alweer licht.
De bloemen die komend jaar zullen bloeien, zijn er nu al: diep verborgen in het binnenste van de aarde.
Kijken we naar onszelf omdat we een innerlijke weg willen gaan, dan zullen we
moeten beginnen met het maken van diepe verbindingen.
De donkere dagen voor Kerstmis werpen ons terug op onszelf. Wanneer je minder wordt afgeleid door wat er zich buiten je afspeelt, lukt het beter om af te stemmen op jezelf. Als het donker en stil wordt, voelen we ook intenser. Door onze aandacht te vestigen op ons innerlijk, kan daar zich iets ontwikkelen.

Waarom een appel?

Een peuterjuf zei me ooit: “We doen hier niets voor niets: alles heeft een reden of
een betekenis.” Dat geldt ook voor het lichtje dat de kinderen dragen. Hun kaarsje is gestoken in een gouden ster, in een appel. Die ster verwijst naar de ster die de herders en de drie koningen de weg wees naar de stal. De sterrenkracht die in de aarde huist, ook al zien we het niet, kunnen we opvatten als een teken van hoop en houvast. De appel verwijst naar de boom van kennis van goed en kwaad – in het hart van het Paradijs – waar ook de zondeval begon.
Dit lichtje herinnert ons dus ook aan het gegeven dat we nu leven op aarde, waar we onze eigen keuzes moeten maken en dragen.
De lichtjes van de kinderen langs de spiraal maken de ruimte steeds lichter. Zij zijn nog niet vertrouwd met alle symboliek en toch voelen ze de plechtige stemming haarfijn aan: de ingetogenheid en ieders aandacht. Klein en groot, iedereen beleeft dit ritueel op zijn eigen manier. Kijk ook eens naar hoe
kinderen het adventstuintje lopen. Ieder kind loopt anders, want elk kind gaat zijn eigen levensweg.
Die eenheid in verscheidenheid samen beleven en zien hoe vele kleine vlammetjes het donker doen oplossen, wekt vertrouwen. In elk van ons vonkt een beetje sterrenkracht!


[ naar “inspiratie voor ouders”]

Adventstuintje

In de kleuterklassen wordt een adventtuin gelegd van zilverzand met in het midden een grote kaars.
Daar omheen worden stoeltjes klaargezet voor kinderen en tafels voor ouders om op te zitten.
Ook is er ruimte nodig voor de muzikanten uit de hogere klassen en een tafel staat apart voor appelkaarsjes.
Bij het adventtuintje mag per kind één ouder aanwezig zijn

over het ontstaan van het adventtuintje

Zie hier:

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden.
Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:
“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: ‘Goedenavond Maan!’
‘Goedenavond Sint-Nicolaas’, zei de Maan. ‘Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen’? ‘Natuurlijk’, zei de Maan, ‘als de Zon dan overdag wil helpen…’
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. ‘Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?’
‘Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen, Sint-Nicolaas?’ ‘De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen.’ ‘Ik help graag mee’, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan. Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het
Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Kaarsjes “trekken”… in de adventtijd

Activiteit:
getekende ster op goudpapier opvullen met verschillende
materialen [in dit geval glazen schijfjes]

Vloeipapieren sterren vouwen
Zie hier.

Origami lampje vouwen
Zie hier  (link onduidelijk)

In deze weken kerststalletje knutselen


[vanuit het Oberufer Kerstspel] aanzegging:
Engel: Wees gegroet gij begenadigde!
God den heer is met u!
Gij zijt gezegend onder de vrouwen,
want gij zult bevrucht worden
en enen zoon baren
en zult zijnen naam heten Jezus.
En hij zal over zijn volk koning zijn in der eeuwigeid.
Maria: Hoe zal dat wezen,
dewijl ik genen man en bekenne?
Engel: Ziet, ik ben den engel Gabriël
zo ‘t u verkondigt:
de kracht des allerhoogsten zal u overschaduwen.
Daarom ook dit heilige dat uit u geboren wordt
zal Gods zone genaamd worden.
En ziet, Elisabeth uw nichte
is ook zelve bevrucht mit enen zone in haren ouderdom
en deze maand is haar,
die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Want geen ding en zal bij God onmogelijk zijn.
Maria: Ziet de dienstmaagd des heren,
mij geschiede naar uw woord

Een verhaaltje:

Een oude man die het einde van zijn leven voelde naderen riep zijn drie zoons bij zich en zei: “Ik kan mijn bezit niet door drieën delen, want wat ik nalaat is niet te verdelen. Daarom heb ik besloten alles wat ik heb na te laten aan degene die het meest intelligent is en het helderste inzicht bezit, anders gezegd: aan mijn beste zoon.
Op tafel ligt voor ieder van jullie een muntstuk. Pak dat. Wie er iets van koopt waarmee deze hut waarin we wonen geheel gevuld kan worden zal alles krijgen.”
Ze vertrokken.
De eerste zoon kocht stro, maar dat reikte slechts tot halverwege.
De tweede zoon kocht zakken met veren, maar ook hem lukte het niet de hut te vullen.
De derde zoon, die de erfenis uiteindelijk zou krijgen, kocht maar iets heel kleins.
Het was een kaars.
Hij wachtte tot het donker was, stak de kaars aan en vulde de hele hut met licht.


Het Luciafeest is een typisch Zweeds lichtfeest dat op 13 december, de
naamdag van Sint-Lucia, wordt gevierd. De traditie is ontstaan in de
middeleeuwen en heeft zich in de 20e eeuw van Västergötland naar de rest
van Zweden en naburige landen verspreid. In Zweden markeert het Luciafeest
nu het begin van de kerstperiode. De traditie heeft elementen van het
voorchristelijke midwinterlichtfestival overgenomen. In vroegere tijden kwam
de dertiende december overeen met de midwinternacht. Door
kalenderwijzigingen in de loop van de eeuwen is het moment van de kortste
dag op de kalender verschoven, hoewel het feest op 13 december bleef staan.
De traditie in Zweden is dat er vroeg in de morgen meisjes in witte kleding
met een rode sjerp en met kaarsjes op hun hoofd het gezin en ouderen
wekken en eten brengen. Daar worden dan ook speciale Lucialiedjes bij
gezongen. Ook is het traditie dat elk dorp jaarlijks een eigen ‘Lucia’ kiest.
Tijdens het Luciafeest worden er vaak lussekatter (gele safraanbroodjes)
gegeten. (uit wikipedia)

In met name Zweden is het Luciafccst een populair familiefeest, waarbij de oudste dochter des huizes de ‘Lussebrud’ (= Luciabruid) vertolkt; gekleed in een witte jurk en rode ceintuur en een groene krans met brandende kaarsen op haar hoofd. Zij deelt aan haar familie (saffraan)broodjes uit. Volgens overlevering brachten de Vikingen, Noormannen, die Zuid-Italië inde 11e eeuw veroverden, van Sicilië de legende mee dat in tijd van hongersnood in Syracuse op de gebeden van de mensen die de heilige Lucia aanriepen twee schepen met graan (vandaar de saffraanbroodjes) aankwamen met Lucia aan het roer van een van de schepen, gekleed in het wit en met een stralenkrans van kaarsen op haar hoofd. De Zweden kenden aan dit Lucia brood, een soort duivekater (= feestbrood), magische krachten toe. Op 13 december riepen zij Sinte Lucia op om weer vruchtbaarheid, wasdom en het langer worden van de dagen te bevorderen.


Donker wordt de aarde,
Duister overal.
Maar ons hart bewaarde
Licht, dat blijven zal.

Dat het helder brande,
Lichten mag heel ver,
Dan zal eens de aarde
Worden tot een ster!

Lena Struik

Advent verse

In the first candle of Advent shines
The light of crystals in the mine.
The rocks. the jewels and the stones.
The seashells and our bones.
Now the stones are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the second candle of Advent shine
The plants and the berries on the vine,
The green grass and the lovely tree.
And all the flowers that we see.
Now the plants are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the third candle of Advent shine
The wondrous beasts of every kind,
Beasts who tread upon the earth
And give their stable for the birth.
Now the beasts are on the earth.
Waiting for the Christ Child’s birth.

In the fourth candle of Advent shine
Our open hearts, both yours and mine.
We can now flll our hearts with love
And shinine light fforn heaven above.
Now we are on the earth,
Waiting for the Christ Child’s birth.
.

Zie blogspot

Uit de weekspreukkalender:

24-30 november:

Vol geheimenis het bewaarde oude
met het nieuw ontstane eigenzijn
innerlijk tot leven voelen komen:
Opwekkend moet het wereldkrachten
in mijn uiterlijke levenswerk laten stromen
en een afdruk van mij maken in het bestaan.

01-07 december:

Kan ik het zijn zodanig kennen,
dat het zichzelf hervindt
in de scheppingsdrang van de ziel?
Ik beleef dat mij de macht gegeven is
om het eigen zelf bescheiden
als deel van het wereldzelf te laten leven

08-14 december:

In de diepten van mijn wezen spreekt,
tot openbaring voerend,
vol geheimenis het wereldwoord:
Vervul het doel van je werken
met het licht van mijn geest,
om zo jezelf door mij te offeren.

15-21 december:

Het geesteslicht te dragen
in de winternacht der wereld,
mijn hartendrang streeft het gelukzalig na,
opdat zielenkiemen lichtend
in wereldgronden wortelen,
En Gods woord in het duister van de zinnen
openbarend al het zijn doorklinkt.

Kerststemming:

Ik voel, als ware het onttoverd,
het geesteskind in de schoot der ziel:
In de helderheid van het hart
heeft het heilige wereldwoord
de hemelse vrucht van de hoop verwekt,
die jubelend groeit naar wereldverten
vanuit de godsgrond van mijn wezen.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent  – jaartafel

.

2665-2496

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme

.
Dr.W.Bühler, Weledaberichten nr. 82, juli 1969

.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCHE TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping. Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk. In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier bv. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot. 

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, nl. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt tenslotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter het stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, bv. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijdsziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, bv. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie bv. wordt om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de zgn. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet. „Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar levenschenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct. 

Invoegen in een hoger verband

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die bv. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuigelijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen — meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2664-2495

.

.

.

.