Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 – voordracht 14

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]  [13]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

14e voordracht Bazel, 11 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave 
Verdere gezichtspunten en vragenbeantwoording:

Geen nieuwe formele basisregels, maar verruiming van het blikveld
noodzaak van verandering in de opvoeding
geen overdreven aanschouwelijkheidsonderwijs/
breuken
natuurkunde moet zich op het praktische richten
kind in belangrijke levensaspecten leiden
verstandskiezen/de juiste plaats in het leven
orthografie
Robinson, prototype van filisterij
Rousseau en de vraag van de oorspronkelijke goedheid van mens
het element van teloorgang in de natuurkrachten
Marxisme als ziekmakend element
genezende impulsen.

blz. 217

Weitere Gesichtspunkte und Fragenbeantwortung

Es würde mir sehr leid tun, wenn aus der einen oder anderen Be­merkung heraus die Ansicht entstanden wäre, daß das, was hier vorge­bracht worden ist in bezug auf pädagogische Kunst, nach irgendeiner Richtung hin dogmatisch wirken sollte, das heißt, in irgendeiner Weise vereinseitigen könnte. Allem hier Gesagten liegt die Meinung zu­grunde, daß Geisteswissenschaft als solche die pädagogische Kunst be­fruchten könne. Dann aber ist gerade das besonders Befruchtende wohl darin zu suchen, daß Erziehung und Unterricht durch diese Befruch­tung einen lebendigen Charakter bekommen würden, und deshalb glaube ich, daß solche allgemeinen Richtungen, wie sie hier vorgezeich­net worden sind, im einzelnen tatsächlich in der mannigfaltigsten Weise eingeschlagen werden können. Für den Ausbau wäre es daher schon gut, wenn gegenseitige Verständigung, gegenseitiger Meinungs­austausch eintreten könnte unter den verehrten Zuhörern und auch unter anderen, die in irgendeiner Weise für die Fortbildung der Er­ziehungskunst, wie sie hier gedacht wird, gewonnen werden können. 

Verdere gezichtspunten en beantwoording van vragen

Het zou me erg spijten wanneer er door een of andere opmerking de mening zou ontstaan dat hetgeen hier aan de orde werd gesteld m.b.t. de pedagogische kunst, op de een of andere manier dogmatisch zou overkomen, d.w.z. op de een of andere manier eenzijdig. Aan alles wat hier is gezegd, ligt de opvatting ten grondslag dat geesteswetenschap als zodanig vruchtbaar kan zijn voor de pedagogie. Dan moet echter juist dat bevruchtende element gezocht worden in hoe levend opvoeding en onderwijs daardoor kunnen worden en daarom geloof ik dat die algemene wegen zoals ze hier aangegeven zijn, juist op de meest uiteenlopende manieren ingeslagen kunnen worden. Voor de opbouw zou het daarom goed zijn, wanneer er over en weer begrip kan ontstaan en meningen kunnen worden uitgewisseld onder de vereerde aanwezigen en anderen die op de een of andere manier voor de verdere ontwikkeling van de opvoedkunst zoals er hier over gedacht wordt, vruchtbaar kunnen worden.

Denn es handelt sich ja in der Tat heute darum, aus einem lebendigen Erfassen der Menschheitsentwickelung im ganzen und der Zeitent­wickelung im besonderen gerade in der Pädagogik auf unmittelbar von der Zeit Gefordertes zu kommen. Es handelt sich heute weniger darum, daß wir formale Erziehungsgrundsätze neu gewinnen, sondern es han­delt sich darum, daß wir gerade mit Hinblick auf die pädagogische Kunst den Gesichtskreis, den wir haben, mit Bezug auf die Mensch­heitsentwickelung und so weiter, erweitern.
Wo steht die Menschheit heute in ihrer Entwickelung? Was müssen wir dem Kinde beibringen, wenn wir gerecht werden wollen diesem Standpunkt, den die Menschheit in ihrer Gesamtentwickelung heute einnimmt und immer deutlicher einnehmen wird in der nächsten Zu­kunft? Wenn man nicht dasjenige, was sich in der letzten Zeit zugetragen

Want het gaat er vandaag inderdaad om vanuit een levendig opvatten van de mensheidsontwikkeling in z’n geheel en de ontwikkeling van de tijd in het bijzonder, juist in de pedagogie te komen tot wat de tijd nu van ons vraagt. Het gaat er vandaag minder om dat we nieuwe formele opvoedingsprincipes ontwikkelen, maar dat we juist met het oog op de pedagogische kunst de bllikrichting die we hebben m.b.t. de ontwikkeling van de mensheid enz. verruimen.
Waar staat de mensheid vandaag wat haar ontwikkeling betreft? Wat moeten we het kind bijbrengen, wanneer we recht willen doen aan de positie die de mensheid in haar totale ontwikkeling nu inneemt en in de nabije toekomst steeds duidelijker in wil nemen ? Wanneer je niet hetgeen wat er de laatste tijd

blz. 218

hat, als eine Art von Feuerzeichen betrachten kann, die deutlich darauf hinweisen, daß gerade mit Bezug auf die Erziehungskunst man­ches zu erneuern ist, dann versteht man eigentlich die gegenwärtige Zeit schlecht. Unzähliges einzelnes wäre natürlich zu erwähnen. Be­denken Sie nur, wie nahe es liegt nach den Angaben, die ich gemacht habe, beim Rechnen neben der gewöhnlich bloß beobachteten synthe­tischen Methode aufzusuchen die analytische Methode, von der Summe und vom Produkt, nicht allein von den Addenden und von den Fak­toren auszugehen. Wie naheliegend wäre es, in ausführlicher Weise gerade von diesem Gesichtspunkte aus die Bruchrechnung zu behandeln und alles, was damit zusammenhängt. Ich will über diese Einzelheiten nur etwa das Folgende sagen. Ich will Sie darauf aufmerksam machen, daß ja in dem Augenblicke, wo wir vom Rechnen von ganzen Zahlen zum Rechnen mit Brüchen übergehen, wir ganz naturgemäß ins Analy­sieren hineinkommen, denn Zahlen bis zu Brüchen verfolgen, heißt eben analysieren; so daß es gerechtfertigt ist, beim Bruchrechnen ein anderes Element in die Unterrichtsmethode einzuführen als beim Rech­nen mit gewöhnlichen Zahlen.

gebeurd is als een teken aan de wand kan zien dat er duidelijk op wijst dat juist wat de opvoedkunst betreft veel te vernieuwen is, dan begrijp je eigenlijk de tegenwoordige tijd slecht. Er zouden nog ontelbare details kunnen worden opgesomd. Maar denk er eens aan hoe voor de hand het ligt om bij de aanwijzingen die ik heb gegeven bij het rekenen naast die methode van het synthetiseren die als de gebruikelijke wordt gezien, te zoeken naar de analytische methode die vanuit de som [het totaal van een optelling] en van het product uitgaat en niet van de optellers en de factoren. Hoe voor het grijpen ligt het niet om uitvoerig stil te staan om vanuit dit gezichtspunt het rekenen met breuken te behandelen en alles wat daarmee samenhangt. Ik wil over deze details slechts het volgende zeggen: ik wil u erop wijzen dat op het ogenblik waarop wij van het rekenen met hele getallen overgaan op het rekenen met breuken, we a.h.w. vanuit de aard van de zaak bij een analyse terecht komen, want van getallen naar breuken is nu eenmaal analyseren; zodat het gerechtvaardigd is bij het rekenen met breuken een ander element in de methodiek in te voeren dan bij het rekenen met gewone getallen.

Es ist ja gewiß von der einen Seite her nicht gerade anzufechten, wenn im Laufe des 19. Jahrhunderts die Rechenmaschine in der Schule eingeführt worden ist; aber diese Rechenmaschine sollte nicht zu einer zu starken materialistischen Überschätzung des Anschauungsprinzips führen. Wir sollten uns klar sein darüber: Anschaulichkeit ist schon recht, aber es handelt sich doch darum, daß durch den Unterricht menschliche Fähigkeiten entwickelt werden sollen. Die Zeit vom Zahn-wechsel bis zu der Geschlechtsreife ist vor allen Dingen dazu da, daß das Gedächtnis herangebildet werde. Unterschätzung des Gedächt­nisses auf Grundlage der Anschauung, auf Kosten der Anschauung, die Bevorzugung der Anschauung auf Kosten des Gedächtnisses, beides sollte man eigentlich vermeiden. Man sollte allerdings zunächst in ein­facher Weise – aber dazu genügen im Grunde für denjenigen, der lebendigen Unterricht zu erteilen in der Lage ist, die zehn Finger an der Hand -, man sollte innerhalb, sagen wir, der Zähl-Zahl 10 allerlei Gruppierungen vornehmen, welche die Rechnungsoperationen und das Verhältnis der Zahlen untereinander veranschaulichen. Aber dann müßte man sich klar darüber sein, daß man es mit dem Rechnen doch so halten sollte, wie es im Leben, im seelischen Leben der Menschheit überhaupt ist.

Van een bepaalde kant uit gezien is het zeker niet echt aanvechtbaar dat in de loop van de 19e eeuw de rekenmachine in de school gekomen is [het Duits heeft Rechenmaschine, maar dat kan niet het digitale rekenmachientje van nu zijn; het moet om een soort telraam of abacus gaan]; maar die zou niet tot een te sterke materialistische overschatting van het aanschouwelijkheidsprincipe moeten leiden. We moeten duidelijk zijn: aanschouwelijkheid is wel goed, maar het gaat er toch om dat door het onderwijs menselijke vaardigheden worden ontwikkeld. De tijd van tandenwisseling tot puberteit is er vooral om het geheugen te ontwikkelen. Onderschatten van het geheugen door aanschouwelijkheid, ten koste van de aanschouwelijkheid, het benadrukken van de aanschouwelijkheid ten koste van het geheugen, moet je allebei vermijden. Je zou wel eerst op een eenvoudige manier – maar in de aard van de zaak  heeft iemand die in staat is levendig onderwijs te geven aan de tien vingers van een hand genoeg – je zou, laten we zeggen, binnen het getal 10 allerlei groepjes kunnen hebben die de rekenoperaties en de verhouding van de getallen t.o.v. elkaar, verduidelijken. Maar dan moet je in de gaten hebben dat je het met rekenen toch zo moet doen als in het leven is, in ieder geval in het zielenleven van de mens.

blz. 219

Was eigentlich eine Zahl wirklich ist, was ein Bruch ist, darüber gibt es ja ausführliche Philosophien, ganze Abschnitte in philosophischen Untersuchungen. Damit ist ja zum Ausdruck gebracht, daß man als Kind über Zahlen, über Brüche unterrichtet wird, daß man aber doch im späteren Leben, sogar wenn man Philosoph ist, sagen kann: Man muß nun erst untersuchen, was eine Zahl in Wirklichkeit bedeutet, was ein Bruch ist. Wenigstens auf das eine muß das hinweisen: daß man es nicht nötig hat, durch sogenannte Anschauung alles bis ins Minuziöse­ste hinein klarmachen zu wollen, sondern daß man vieles heranzubrin­gen hat an das Kind, was eben dem Gedächtnis einverleibt und dann später erst durchdrungen wird, wenn man dazu reif ist. Von einem an­deren Gesichtspunkte aus habe ich ja auf eine solche Sache schon hin­gewiesen. Beim Bruchrechnen ist es etwas anders. Weil das Entstehen des Bruches gewissermaßen etwas Analytisches ist, muß man diesem analytischen Bedürfnis, das ich in den vorigen Stunden erwähnt habe, entgegenkommen. Daher ist es gut, die Bruchrechnung so anschaulich wie möglich zu machen. Das kann vielleicht gerade dadurch geschehen, daß man einen großen Würfel teilt in kleine Würfel – sagen wir, einen großen Würfel teilt in sechzehn Würfel, dadurch übergeht zu dem Be­griff des Viertels zuerst, indem man ihn in vier Teile teilt, dann jedes Viertel wiederum in vier.

Wat een getal eigenlijk is, wat een breuk is, daar bestaan uitvoerige filosofieën over, hele artikelen bij filosofisch onderzoek. Daarmee wordt wel duidelijk dat je als kind les hebt gekregen over getallen, over breuken, maar dat je toch pas in je latere leven, pas als je filosoof bent, kan zeggen: ‘Nu moeten we toch eerst eens onderzoeken wat een getal in werkelijkheid is, wat een breuk is.’ Op z’n minst wijst dit dus op: dat men het niet nodig vond om alles door de zgn. aanschouwelijkheid tot in het kleinste detail te willen verklaren, maar dat men veel aan het kind moest aanleren, eerst voor het geheugen om dat dan later pas te kunnen snappen, als men daar aan toe was. Vanuit een ander gezichtspunt heb ik daar al eens op gewezen. Bij breuken is het wat anders. Omdat het ontstaan van de breuk in zekere zin iets analytisch is, moet er aan de behoefte tot analyseren, wat ik in andere uren genoemd heb, tegemoet gekomen worden. Vandaar dat het goed is het rekenen met breuken zo aanschouwelijk mogelijk te maken. Dat kan bijv. wanneer je een grote kubus* deelt in zestien kleine om zo te komen tot het begrip een kwart door ze in vieren te delen en ieder kwart wéér in vieren.
*het gaat Rudolf Steiner er klaarblijkelijk minder om de kubus in 8, 16 of 27 evengrote kubussen te delen en veel meer erom door het delen van een geheel voor de kinderen aanschouwelijk te maken hoe de breuken  ½  ¼   1/8     1/16
ontstaan.

Man kann ja sehr hübsch allerlei Beziehun­gen der Sechzehntel, Achtel und so weiter den Kindern klarlegen, wenn man den Würfel teilt. Wendet man dann später dazu verschie­dene Farbengebung der Teile an, dann kann man, indem man die ge­gliederten Würfelteile wiederum zusammensetzt in verschiedene Me­thoden, schon daran außerordentlich viel anschaulich machen.
Nun möchte ich aber, daß namentlich der Übergang von den ge­wöhnlichen Brüchen zu den Dezimalbrüchen nicht in einer unratio­nellen Weise, in einer unwirklichkeitsgemäßen Weise an die Kinder herantritt. Die Kinder sollten vom Anfange an ein Gefühl dafür be­kommen, daß das Benutzen des Dezimalbruches eigentlich auf mensch­licher Konvention, auf einer Art menschlicher Bequemlichkeit beruht, und sie sollten ein weiteres Gefühl davon bekommen, daß das An­setzen des Dezimalbruches eigentlich nichts weiter ist als ein Fortsetzen derselben Methoden, welche unseren Zahlen überhaupt zugrunde lie­gen, indem wir bis 10 zählen und dann die 10-Zahl neuerdings in der 20 (= zweimal 10) enthalten ist – dann wird bei 20 eine neue Zehner-reihe angeschlossen und so weiter. Rechnen wir nach links mit demselben

Dan kun je heel leuk aan de kinderen duidelijk maken hoe er allerlei verhoudingen bestaan tussen de zestienden, de achtsten enz., wanneer je de kubus verdeelt. Geef je dan later aan de delen verschillende kleuren, kun je, wanneer je de losse delen van de kubus weer bij elkaar doet op verschillende manieren, daarmee al buitengewoon veel aanschouwelijk maken.
Nu zou ik echter willen dat de overgang van de gewone breuken naar de tiendelige niet op een onlogische manier, een onwerkelijke manier, aan de kinderen gegeven wordt. De kinderen moeten er vanaf het begin een gevoel bij hebben dat het gebruik van de tiendelige breuken eigenlijk op een afspraak tussen de mensen berust, op een soort gemak dient de mens en zij moeten er ook een gevoel voor krijgen dat het gebruik van de decimaalbreuken eigenlijk niets anders is dan een voortzetting van dezelfde methoden die aan onze getallen ten grondslag liggen, wanneer we tot 10 tellen en dat het 10-tal dan weer in de 20 (= tweemal 10) zit – dan wordt er bij 20 een nieuwe rij van tien gevoegd enz. Rekenen we naar links met het

blz. 220

Prinzip, mit dem wir rechnen, wenn wir Dezimalbrüche nach der rechten Seite hin ausbilden, so kann das Kind einen Begriff davon bekommen, daß das eigentlich relativ ist, daß ich eine Einheit auch haben könnte, indem ich den Dezimalbruch um zwei Stellen nach rechts setze. Dieses Konventionelle, das in den Einteilungen steckt, sollte den Kindern durchaus vom Anfange an beigebracht werden. Dann würde manches auch wiederum Konventionelle sich hineinfügen in die soziale Ordnung. Mancher falsche Autoritätsglaube würde schwinden, wenn alles dasjenige, was im Grunde genommen auf Übereinkunft beruht, von vornherein auch als solches durch Übereinkunft Festgestelltes an das Gemüt des Kindes herangebracht würde. Vor allem aber wird geisteswissenschaftliche Durchdringung diese Erziehungskunst so zu gestalten versuchen, daß das Kind in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife mit Berücksichtigung all dessen, was wir über die Lebensepochen und das Hervortreten der Fähigkeiten in den Lebens-epochen gesagt haben, dazu kommt, eine Vorstellung von dem prak­tischen Leben zu haben. Jeder einzelne Gegenstand sollte dazu ver­wendet werden, das Kind hineinzuführen in eine Anschauung über das praktische Leben. 

zelfde principe waarmee we rekenen, wanneer we de tiendelige breuken naar rechts maken, dan kan het kind er een begrip voor krijgen, dat dit eigenlijk relatief is, dat ik een eenheid ook kan hebben, wanneer ik de decimaalbreuk twee plaatsen naar rechts zet. Het conventionele dat in dergelijke indelingen zit, moet de kinderen zeker vanaf het begin bijgebracht worden. Dan zou ook veel conventioneels zich voegen in de sociale orde. Veel verkeerd geloof in autoriteit zou verdwijnen, wanneer alles wat in de grond genomen op overeenkomsten berust, van meet af aan ook, wat als zodanig door overeenkomst is vastgesteld, door de kinderen te laten beleven. Voor alles echter zal de geesteswetenschap die doordringt tot deze opvoedkunst, deze zo proberen vorm te geven, dat het kind in de tijd van de tandenwisseling tot de pubertei,t rekening houdend met alles wat we over de leeftijdsfasen en het naar buitenkomen van vaardigheden gezegd hebben, ertoe komt een voorstelling van het praktische leven te krijgen. Alles  moet worden gebruikt om het kind een opvatting over het praktische leven mee te geven.

Wir werden ja, wenn wir das Kind in der richtigen Weise verstehen, den physikalischen, chemischen Unterricht gegen das 12. Jahr hin auftreten lassen, den mineralischen Unterricht um diese Zeit auftreten lassen in dem Sinne, wie wir das hier ausgeführt haben. Wir werden aber auch den Rechenunterricht um diese Zeit oder viel­leicht schon um das ii. Jahr herum so gestalten, daß er nunmehr schon etwas von dem enthält, was aller mineralische, aller physikalische, aller chemische Unterricht an Charakter annehmen soll: die Richtung aufs Praktische. Im Rechnen sollte das Kind durchaus eine Vorstellung davon bekommen, wie man Wechsel diskontiert, wie man den Diskont berechnet, wie man Bücher anlegt, wie man Briefe, die über geschäft­liche, rechnerische und sonstige Verhältnisse sich ergeben, von einem Geschäft an das andere richtet. Ferner sollte der Unterricht zwischen dem 12. und 14., 15. Jahre so eingerichtet werden, daß das Kind, wenn es etwa 15 Jahre alt geworden ist und die Volksschule verläßt oder in eine höhere Schule hinaufrückt, von den wichtigsten Lebens-zweigen eine wirkliche, reale Vorstellung hat.
Ich weiß, daß gegen diesen Grundsatz gewöhnlich eingewendet wird:
Ja, woher soll zu alledem die Zeit genommen werden? Woher soll die Zeit dazu genommen werden, daß das Kind eine wirkliche Vorstellung

We zullen, wanneer we het kind op de juiste wijze begrijpen, de natuurkundige, scheikundige lessen tegen het 12e jaar aanbieden, de mineralogie ook, in de zin van hoe dit hier behandeld is. We zullen echter het rekenonderwijs rond deze tijd of misschien al rond het 11e jaar zo vormgeven dat daar nu zondermeer al iets in zit, van wat de mineralogie, natuur- en scheikunde helemaal als eigenschap moeten hebben: gericht op de praktijk. Bij het rekenen moet het kind er echt een voorstelling van krijgen hoe je een cheque verzilvert, hoe je een disconto berekent, boekhoudt, hoe je zakenbrieven schrijft, rekeningen of hoe de ene zaak (bedrijf] met de andere correspondeert. Verder moet het onderwijs tussen het 12e en 14e, 15e jaar zo ingericht worden dat het kind, wanneer het ongeveer 15 jaar oud is en de basisschool verlaat of overstapt naar een hogere school, een echte, realistische voorstelling heeft van de belangrijkste terreinen van het leven.
Ik weet dat tegen dit basisprincipe gewoonlijk ingebracht wordt: ja, waar moeten we alle tijd vandaan halen? Waar moet die vanaf genomen worden om het kind een realistische voorstelling van zaken te geven

blz. 221

davon hat, wie Papier fabriziert wird, wie man Seife, wie man Zigarren fabriziert und so weiter? Dennoch, wenn man die Sache ordentlich einrichtet, so kann man das Typische zusammenfassen, zum Beispiel typische Industrien oder Verkehrsverhältnisse darstellen. Man kann es dahin bringen, daß das Kind nicht wie jemand durch die Welt geht, dem für alle möglichen Verhältnisse Scheuleder angelegt sind, sondern daß es weiß, um was es sich eigentlich handelt in der allernächsten Um­gebung, der es gegenübersteht. Wir erleben es ja wirklich, daß Stadt-kinder keine Ahnung davon haben, wie die Gerste sich vom Weizen unterscheidet. Wir erleben es auf der anderen Seite, daß Kinder, in deren Nähe vielleicht nicht gerade eine Seifenfabrik ist, keine Ahnung davon haben, wie Seife fabriziert wird; aber manchmal, wenn eine Seifenfabrik in der Nähe ist, wissen trotzdem die Kinder nicht, wie Seife fabriziert wird, weil nicht darauf gesehen wird, daß der Mensch tatsächlich mit dem bekanntgemacht werde, was eben die Menschheit heute in ihrer Umgebung hat, und wodurch sie zu dem Standpunkt der Kultur- und Zivilisationsentwickelung kommt, auf den sie ge­kommen ist. Es ist wahrscheinlich wenig Neigung gerade in der Gegen­wart vorhanden, mit Imponderabilien in der Menschheitsentwickelung überhaupt zu rechnen.

hoe papier gefabriceerd wordt, zeep gemaakt, sigaren enz.? Maar toch, als je het goed organiseert, kun je wat typerend is, samen nemen, bijv. industrieën of verkeersverhoudingen. Je kan het zo doen dat het kind niet als iemand door de wereld gaat die oogkleppen op heeft, maar als iemand die weet wat zich in de naaste omgeving afspeelt. We maken het toch echt mee dat stadskinderen er geen idee van hebben wat het verschil is tussen gerst en tarwe. We maken ook mee dat kinderen die in de omgeving geen zeepfabriek hebben, er geen notie van hebben hoe zeep gefabriceerd wordt; maar ook dikwijls, ook al staat er wél een zeepfabriek in de omgeving, toch niet weten hoe zeep gemaakt wordt, omdat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de mens echt moet weten wat de mensheid tegenwoordig zoal om zich heen heeft en waardoor zij een plaats inneemt in de cultuur- en beschavingsontwikkeling en al ingenomen heeft. Er is waarschijnlijk weinig neiging aanwezig, met name nu, om überhaupt met imponderabele zaken in de mensheidsontwikkeling rekeng te houden.

Bedenken Sie, wie viele Menschen heute in einen Tramwagen ein­und wiederum aussteigen, ohne auch nur eine oberflächliche Idee davon zu haben, wie ein solcher Wagen eingerichtet ist und in Bewegung ge­setzt wird und so weiter. Natürlich darf man bei dem, was ich jetzt sage, nicht radikalisieren, aber im wesentlichen gilt es doch: Wir be­dienen uns heute fortwährend der Kulturmittel, ohne daß wir eine Ahnung haben, was in diesen Kulturmitteln wirkt. Wir sind nicht zum geringen Grunde gerade aus diesen Ursachen heraus ein nervöses Ge­schlecht geworden. Denn wenn wir fortwährend von Verhältnissen umgeben werden, die wir nicht durchschauen, werden wir verwirrt, wenn auch die Verwirrung nur auf unser Unterbewußtsein wirkt. Na­türlich kann der Mensch nicht alle Einzelheiten des heutigen kompli­zierten Lebens kennen; aber dennoch, das ist zu erreichen gerade in der Zeit, wo sich die Fähigkeit des Menschen gegen das 12. Jahr hin gestal­tet, daß das Urteilsvermögen hereinleuchtet, das mit der Geschlechts-reife herauskommt. In dieser Zeit ist es möglich, daß man das Kind bekannt macht mit dem Wichtigsten, was uns das praktische Leben ent­gegenbringt. Es sollte heute nicht gewissermaßen alles dasjenige, was

Bedenk nog eens hoeveel mensen er vandaag de dag een tram in- en uitstappen  zonder maar het flauwste idee te hebben hoe zo’n ding gemaakt is en in beweging komt enz. Natuutlijk hoef je bij wat ik nu zeg, niet radicaal te werk te gaan, maar in wezen geldt toch: we maken voortdurend gebruik van cultuurmiddelen, zonder dat we een notie hebben hoe ze werken. Voor een niet onbelangrijk deel zijn we hierdoor een nerveus geslacht geworden. Want wanneer we voortdurend door dingen omringd worden die we niet doorzien, raken we in de war, ook al werkt deze verwarring slechts op ons onderbewuste. Natuurlijk kan de mens niet alle details van het tegenwoordig gecompliceerde leven kennen; toch kan je bereiken dat juist in de mens tegen het 12e jaar, met de geslachtsrijpheid het oordeelsermogen ontstaat. In deze tijd is het mogelijk dat je het kind kennis laat maken met het belangrijkste van wat het leven ons brengt. Vandaag hoeft zeker niet alles 

nicht mit unserem eigenen Berufe zusammenstößt, für den Menschen ein Mysterium sein. Ein Mysterium ist es für den Menschen, wie Bücher geführt werden, wenn er nicht selber Buchhalter ist; ein Mysterium ist es für den Menschen, wie Schule gehalten wird, wenn er nicht selber gerade Lehrer ist und so weiter. Dasjenige, was unsere Zeit so sozial zersplittert, muß überwunden werden. Wir müssen uns wieder ver­stehen lernen. Wir müssen die Fähigkeiten, ins praktische Leben hin­einzuschauen, die in den Kindern vorhanden sind, nicht brach liegen lassen. Statt manches Firlefanzaufsatzes, der in der Schule geschrieben wird, Beschreibungen von allem Möglichen – ich weiß nicht, was hier in der republikanischen Schweiz zuweilen für Aufsätze gemacht wer­den, das heißt, ich sehe es ja aus den Schulprogrammen, aber ich will mich nicht darauf einlassen -, aber statt alldem, was zum Beispiel in den ehemaligen monarchistischen Staaten an Aufsätzen geschrieben worden ist über »Geburtstag des Monarchen« und so weiter, müßten Aufsätze geschrieben werden, in die das geschäftliche Leben, Kauf­männisches und Industrielles unmittelbar hereinspielt.

wat niet met ons eigen beroep heeft te maken voor de mens een mysterie te zijn. Een mysterie is voor de mens hoe boekhouding gedaan wordt, wanneer hij zelf geen boekhouder is; een mysterie is het voor de mensen hoe het op school toegaat, wanneer hij nou net zelf geen leerkracht is, enz. Wat onze tijd sociaal zo versplintert, moet overwonnen worden. We moeten elkaar weer leren begrijpen. We moeten de vermogens die de kinderen hebben om het praktische leven te zien, niet braak laten liggen. Ik weet niet wat hier in de republiek Zwitserland bij tijd en wijle voor opstellen gemaakt worden, daar wil ik ook niet mee bezig zijn – maar in plaast van alles wat bijv. in de vroegere monarchistische staten aan opstellen geschreven is over ‘de verjaardag van het staatshoofd’ enz, zouden er opstellen geschreven  moeten worden, waarin zakenleven, handel en industrie direct een rol spelen, alle mogelijke beschrijvingen n plaats van de onzinopstellen die op school geschreven worden.

Das ist durch­aus nicht etwa ein Element, welches den Idealismus oder die geistige Gesinnung zugrunde richten muß. Geistige Gesinnung braucht nicht durch fortdauerndes Betonen des Idealismus und des Ideals gepflegt zu werden, sondern geistige Gesinnung wird dadurch gepflegt, daß man den Menschen veranlaßt, aus dem Geiste heraus zu wirken, daß man in ihm dasjenige, was geistig heraus will von Jahr zu Jahr, wirklich an die Oberfläche trägt. Da gliedert sich dann der große Gesichtspunkt mit dem einzelnen zusammen.
Es ist die Frage gestellt worden: Wie ist das manchmal sehr späte Hervorbrechen der sogenannten Weisheitszähne geisteswissenschaftlich zu erklären? Hat das Auftreten dieser Weisheitszähne ebenso mit dem Freiwerden gewisser Erkenntniskräfte zu tun, wie dies beim Zahn-wechsel der Fall ist?
Nicht wahr, wir müssen uns über Folgendes klar werden: Der Zahn-wechsel bezeugt, daß gewisse Kräfte, die vorher den Organismus durch­drungen haben, durchkraftet haben, nun frei werden, sie werden dann, wie ich Ihnen dargelegt habe, Vorstellungskräfte, freie Vorstellungs-kräfte. Aber alles, was so im Organismus vorgeht, darf nicht streng abgegrenzt und abgezirkelt sein, das wäre gerade gegen den Sinn der Entwickelung. Dasjenige, was bis zu einer Epoche der Menschheitsent­wickelung das Hauptsächlichste ist, von dem muß ein Rest zurückbleiben.

Dat is zeker geen element dat het idealisme of de geestelijke atmosfeer te gronde moet richten. Geestelijke atmosfeer hoeft niet  verzorgd te worden door voortdurend benadrukken van het idealisme en het ideaal, maar geestelijke atmosfeer wordt verzorgd door de mens aan te sporen vanuit de geest te werken;  dat je overal wat van jaar tot jaar geestelijk naar buiten wil, werkelijk naar buiten brengt. Dan valt het grote gezichtspunt met het gedetailleerde samen.

Er is een vraag gesteld: hoe is het dikwijls zeer late doorbreken van de verstandskiezen geesteswetenschappelijk te verklaren? Heeft het verschijnen van deze verstandskiezen net zo te maken met het vrijkomen van bepaalde kenniskrachten, zoals bij de tandenwisseling?
We moeten, het volgende begrijpen: de tandenwisseling betekent dat bepaalde krachten die eerst het organisme doordrongen hebben, kracht hebben gegeven, nu vrij worden en worden dan, zoals ik gezegd heb, krachten om voor te kunnen stellen, vrije voorstellingskrachten. Maar alles wat op deze manier in het organisme gebeurt, moet niet streng afgebakend, begrensd worden, dat zou juist tegen de zin van de ontwikkeling ingaan. Van wat tot een bepaalde fase van de mensheidsontwikkeling het voornaamste is, moet een bepaalde rest achterblijven.

blz. 223

Den Weisheitszahn bekommen wir eben später, weil noch immer ein Rest von dem im Organismus weiter wirken muß, was bis zum 7. Lebensjahre besonders radikal wirkt. Es muß ein Rest zurückbleiben. Wenn plötzlich alles abgeschlossen würde, würden wir Menschen einen sehr starken Ruck bekommen jedesmal, wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen. Wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen, dann kommen diese Kräfte, die vorher im Organismus bis zum 7. Jahre tätig waren, unter Willkür zur Anspannung. Das, was da als eine notwendige Brücke sein muß zwischen dem abgesonderten Geistig-See­lischen und dem Organischen, das muß bis zu einem gewissen Grade bleiben. Wir müssen frei werden für das Vorstellen, aber wir müssen doch züsammenhängen mit unserem Organismus. Das drückt sich dar­innen aus, daß das Hervorbrechen des Weisheitszahnes so spät ge­schieht. Es bleibt eben etwas von der Kraft, die für das Vorstellen frei wird, doch noch in der organischen Entwickelung zurück.
Etwas Ähnliches können wir für alles Mögliche in der Menschen-bildung entdecken, wie für diesen Weisheitszahn. Eine andere Frage, ebenso interessant wie diese, die gestellt worden ist, ist diese: Inwie-fern können die Lehrer aus geisteswissenschaftlich-pädagogischer Kunst heraus durch die Erziehung dazu beitragen, daß die Kinder später ihre Anlagen richtig erkennen und somit ihren richtigen Platz im sozialen Leben finden?

De verstandskiezen krijgen we dus later, omdat er nog steeds een rest in het organisme verder moet werken van wat bijzonder sterk werkt tot het 7e levensjaar. Er moet een rest achterblijven. Wanneer plotseling alles afgesloten zou worden, zouden wij mensen iedere keer als we zouden gaan nadenken, een zeer sterke schok krijgen. Wanneer we willen nadenken, komen deze krachten die voordien in het organisme actief waren tot het 7e jaar, door willekeur tot activiteit. Wat er als een noodzakelijke brug moet zijn tussen de afgezonderde geest-ziel en het organisme, moet in een bepaalde mate blijven. Voor het voorstellen moeten we vrij worden, maar we moeten toch blijven samenhangen met ons organisme. Dat komt te voorschijn in het zo laat doorkomen van de verstandskiezen. Er blijft toch nog iets van de kracht die voor het voorstellen vrij komt in het organisme achter.

Iets soortgelijks als deze verstandskiezen kunnen we voor van alles in de ontwikkeling van de mens ontdekken. Een andere vraag die is gesteld, net zo interessant als deze, is: in welke mate kunnen de leerkrachten uit de geesteswetenschappelijk-pedagogische kunst eraan bijdragen dat de kinderen later hun talenten goed inschatten en zo hun juiste plaats in het sociale leven vinden?

Darauf muß gerade aus dem Geist der Geisteswissenschaft – wenn ich den Ausdruck gebrauchen darf – geantwortet werden, daß solche Fra­gen eigentlich wegfallen, denn sie sind rationalistisch, materialistisch gestellt. Das Kind muß bewahrt bleiben davor, sich irgendwie solch eine abstrakte Frage vorlegen zu können: Wie stelle ich mich nach meinen Anlagen auf den richtigen Platz des Lebens? Das Kind muß ganz all­mählich mit allen möglichen Übergängen empfindungsgemäß zu dieser Entscheidung kommen. Und liegt eines Tages die abstrakte Frage vor unserer Seele: Wie sollen wir denn unsere Anlagen im Dienste der Menschheit verwerten? – so ist das schon eigentlich eine seelische Krank­heit. In dieses ganze Einstellen in den Gang der Menschheitsentwicke­lung, in das Verhältnis zu unseren Mitmenschen müssen wir langsam und allmählich wie von selbst hineinwachsen. Das werden wir, wenn wir so erzogen werden, wie es hier angegeben worden ist. Dann werden wir gar nicht in diese krankhafte Frage hineinfallen können: Wie stelle ich meine Anlagen in soziale Dienste oder sonst hinein? Wir werden

Daarop moet juist vanuit de geest van de geesteswetenschap – als ik die uitdrukking mag gebruiken – geantwoord worden, dat zulke vragen eigenlijk wegvallen, want ze zijn rationeel, materialistisch gesteld. Het kind moet ervoor bewaard blijven dat het zich hoe dan ook zo’n abstracte vraag stelt: hoe moet ik met mijn talenten de juiste plaats in het leven innemen? Het kind moet heel langzamerhand met alle mogelijke overgangsvormen, met zijn gevoel tot deze beslissing komen. En ligt er op een dag de vraag in de ziel: hoe moeten wij onze talenten in dienst stellen van de mensheid? – dan is dat eigenlijk van de ziel iets ziekelijks. Je plaats vinden in de gang van de mensheidsontwikkeling, in de verhouding tot onze medemens, moet langzaam en stap voor stap vanzelf gaan. Dat zal het ook, wanneer we zo opgevoed worden als hier is aangegeven. Dan vallen we helemaal niet ten prooi aan deze ongezonde vraag: hoe zet ik mijn talenten in voor het sociale of voor iets anders? We zullen

blz. 224

zum Beispiel dadurch, daß wir in gesunder Weise das Praktische eben kennen, schon beim Verlassen der Volksschule im Grunde genommen so dastehen, daß uns das Leben entgegenträgt die Art, wie wir uns in es hineinstellen sollen. Daß solche Fragen auftauchen und ganz ernsthaftig als etwas angeführt werden, was in unserer Zeit eine Rolle spielen kann, bezeugt, wie wir in unserem Zeitalter ins intellektualistische und damit ins materialistische Fahrwasser gekommen sind.
Deshalb möchte ich darauf hinweisen, wie konkrete allgemeine Grundsätze immer in ihren praktischen Konsequenzen im einzelnen ausgebaut werden können, wenn man dazu nur den guten Willen hat. Ich möchte im einzelnen auch noch auf diese Frage antworten: Ich wurde gefragt, wie es bestellt ist mit solchen Schwächen im orthogra­phischen Schreiben, die beruhen auf Worten, wo das Wortbild, das Geschriebene, nicht eindeutig bestimmt hat, zum Beispiel ob ein h da ist oder ein e da ist zur Dehnung und dergleichen.
Ich habe gesagt, daß dem orthographischen Schreiben eine Ein­schulung im deutlichen Anhören zugrunde liegen muß. Dieses Schulen im Anhören wird das orthographische Schreiben unterstützen.

bijv. doordat we op een gezonde manier het praktische wel kennen, al bij het verlaten van de basisschool basaal gesproken er zo voor staan dat ons door het leven de manier tegemoet gedragen wordt hoe wij ons daarin moeten opstellen. Dat zulke vragen opkomen en heel ernstig gebracht worden als iets wat in onze tijd een rol kan spelen, laat zien hoe wij in onze tijd in intellectualistisch en daarmee in materialistisch vaarwater terecht gekomen zijn.
Daarom zou ik er graag op willen wijzen hoe concreet algemene basisregels steeds in hun praktische consequenties in detail uitgewerkt kunnen worden, wanneer men daarvoor de goede wil maar heeft.
Ik zou nu in detail nog willen ingaan op deze vraag: hoe het staat met het zwak zijn bij het schrijven zonder fouten van woorden waarbij het niet duidelijk is of er bijv. een h inzit of een e, zoals bij [het Duits heeft hier Dehnung als woordvoorbeeld, waarbij Dehnung ook als klank langerekt betekent, in onze taal te vergelijken met bijv. een lange klinker die bij ons uit 1 klankletter bestaat, boom-bo-men] e.d.
Ik heb gezegd dat aan het orthografisch schrijven oefeningen in goed luisteren ten grondslag moeten liggen. Dat oefenen in luisteren zal het foutloze schrijven ondersteunen.

Das deutliche Anhören, wenn es gepflegt wird, schult dann aucn das ge­naue Sehen. Es unterstützen sich die Fähigkeiten gegenseitig; wenn man die eine in der richtigen Weise entwickelt, dann verlangt die an­dere auch in der richtigen Weise entwickelt zu werden. Man bekommt dann zum Beispiel durchaus eine Tendenz, das Wortbild als solches auch dem Sinn des Gesichtes, dem inneren Gesichte nach zu behalten, wenn man sich gewöhnt, genau zuzuhören. Das genaue Zuhören unter­stützt das genaue Sehen, so daß für diejenigen Worte, bei denen die Orthographie scheinbar willkürlich ist, wie bei Dehnungszeichen und dergleichen, wir das Kind in bezug auf das orthographische Schreiben unterstützen können, indem wir es veranlassen, deutlich, mit plasti­schem Hineingehen in die Silben die Worte nachzusprechen.
All das, was ich sage, bitte ich aber eben nicht so zu nehmen, daß es etwa zu Dogmen werden könnte, sondern so zu nehmen, daß der Geist, der da in den Auseinandersetzungen lag, in der allerverschiedensten Weise angewendet werden kann. Ich kann mir schon gut vorstellen, daß jemand zum Beispiel über die Stellung der Griechen im allgemei­nen Gang der abendländischen Kultur eine andere Anschauung hat, als die, welche ich beispielsweise bei meiner Auseinandersetzung der geschichtlichen Methode vor einigen Tagen zugrunde legte; da kann

Het goed leren luisteren, als dat verzorgd wordt, ontwikkelt dan ook het goed kijken. Die vaardigheden ondersteunen elkaar; ontwikkel je de ene op een goede manier, dan vraagt de andere ook om op een goede manier ontwikkeld te worden. Dan ontstaat er zeker de neiging het woordbeeld als zodanig ook als zinvolle verschijningsvorm, als innerlijke verschijningsvorm vast te houden, wanneer je er een gewoonte van maakt, goed te luisteren. Het precieze luisteren ondersteunt het precieze kijken, zodat voor die woorden waarbij de schrijfwijze schijnbaar willekeurig is, zoals bij Dehnung [zie boven] e.d. wij het kind kunnen helpen wat betreft het orthografisch schrijven wanneer we het aansporen duidelijk, met een soort plastische overgave in de lettergrepen de woorden na te spreken.
Alles wat ik zeg, verzoek ik echter niet zo op te vatten dat het dogma’s kunnen gaan worden, maar zo dat de geest die door de uitleg spreekt op de meest verschillende manier toegepast kan worden. Ik kan me heel goed voorstellen dat er bijv. iemand is die over de positie van de Grieken in het algemene verloop van de cultuur van het Avondland een andere opvatting heeft dan die ik als voorbeeld bij mijn uitleg van de geschiedenismethode, enige dagen geleden, eraan ten grondslag legde; daarbij kan

blz. 225

jemand eine ganz andere Ansicht haben, kann aber diese Ansicht mit derselben Methodik vorbringen, die ich vorgebracht habe. Mir kommt es nicht darauf an, etwas Dogmatisches über die Griechen vorzubrin­gen, sondern ich wollte zeigen, wie man eine bestimmte Anschauung über dies oder jenes im Sinne einer symptomatologischen Geschichts­auffassung beizubringen hat. Denn ich glaube, daß es der Lehrer ins­besondere in der Gegenwart notwendig hat, darauf aufmerksam zu sein, wie wir gar sehr des Hereinfließenlassens des Geistes und der Begeisterungsströmung in unsere menschliche Gesamttätigkeit bedür­fen, um in der Erziehung den Menschen kennenzulernen. Vorurteilsfrei müssen wir auf das hinsehen, was uns beim Kinde schon entgegentritt, wenn wir es so erziehen wollen, wie es erzogen werden muß, wenn die nächste Generation schon ein wenig über die sozialen Schäden hinüber sein soll, die so furchtbar in die Gegenwart hineinragen.
Wer in der Lage ist, dieses Menschenleben unbefangen zu beobach­ten, der sieht, daß bei der Ausbildung des Intellektes schon beim Kinde sich das zeigt, was der Menschennatur so furchtbar eigen ist: die Be­quemlichkeit. Was wir notwendig haben, um den Intellekt auszubilden, das ist – bitte jetzt nicht über das Paradoxon etwa innerlich zu lachen -, das ist Willensentwickelung des Menschen. 

iemand een heel andere mening hebben, en kan die mening met dezelfde methodiek naar voren brengen als ik heb gedaan. Het gaat er mij niet om iets dogmatisch over de Grieken te zeggen, maar ik wilde aangeven, hoe je een bepaalde opvatting over dit of dat in de zin van een symptomatologische geschiedenisopvatting bij moet brengen. Want ik geloof dat de leraar van nu heel erg nodig heeft erop te letten hoe noodzakelijk het is dat we de geest toelaten bij en enthousiast zijn voor wat we als mensen met elkaar doen om in de opvoeding de mens te leren kennen. Zonder oordeel moeten we bij het kind al kijken, wanneer we het zo willen opvoeden, hoe het opgevoed moet worden, wanneer de volgende generatie al een beetje bekomen is van de sociale schade die in deze tijd zo vreselijk om zich heen grijpt.
Wie in staat is dit mensenleven onbevangen te bekijken, ziet dat bij de vorming van het intellect al bij het kind duidelijk wordt, wat de natuur van de mens zo verschrikkelijk eigen is: het gemak. Wat we nodig hebben om het intellect te vormen, dat is – lacht u a.u.b. innerlijk niet om deze paradox, – dat is de ontwikkeling van de menselijke wil.

Der Intellekt wird gesund, wenn wir den Willen gesund erziehen, durch jene Methoden, die ich geschildert habe, durch möglichst frühe Einführung der Kunst in den Volksschulunterricht; denn die Kunst stärkt den Willen. Wir unter­richten den Willen und pflegen damit ganz besonders den Intellekt. Und erweitern wir umgekehrt den Gesichtskreis des Kindes durch Vorbringung von hochsinnigen, weitschauenden Vorstellungen, wie man es im Geschichts- und im Religionsunterricht tun kann, dann wirkt man auf den Willen. Das ist das Sonderbare, daß die richtige Erzie­hung des Intellekts auf die Aktivierung des Willens, die richtige Er­ziehung des Willens auf die Aktivierung des Intellektes wirkt. Über alle diese Dinge ist durch den Materialismus der letzten Jahrhunderte eine furchtbare Finsternis gebreitet worden. Man bemerkt es heute noch kaum, wie sich in der tiefsten Menschennatur eine gewisse innere Bequemlichkeit des Seelenlebens gegen die Aktivität des Denkens gel­tend macht. Der Egoismus sollte studiert werden, weil er sich in der heutigen Zeit so raffiniert geltend macht, weil er so stark wirkt, wenn die Gemüts- und Gefühlsbildung in Betracht kommt. Darauf muß im­mer wieder und wiederum hingewiesen werden. Eine richtige Willensinitiative

Het intellect wordt gezond, wanneer we de wil gezond opvoeden door de methoden die ik heb geschetst, door zo mogelijk een vroeg invoeren van kunst op de basisschool; want kunst versterkt de wil. We onderwijzen de wil en verzorgen daarmee in het bijzonder het intellect. En als we omgekeerd het blikveld van het kind verruimen door zeer zinnige, verruimende voorstellingen aan te reiken, zoals je dat bij geschiedenis en godsdienst kan doen, dan werk je aan de wil. Dat is het opmerkelijke, een goede opvoeding van het intellect activeert de wil, de juiste wilsopvoeding werkt stimulerend op het intellect. Over al deze dingen is door het materialisme van de laatste eeuwen een dekmantel geworpen. Men heeft het tegenwoordig nauwelijks nog in de gaten hoe zich in de diepste diepte van de mensennatuur zich een zeker innerlijk gemak van de ziel tegen de activiteit van het denken doet gelden. Het egoïsme moet bestudeerd worden, omdat dat zich in de tegenwoordige tijd zo geraffineerd doet gelden, omdat dit zo sterk werkt, wanneer het gaat om de vorming van het gevoel. Daar moet steeds opnieuw op gewezen worden. Een echt wilsinitiatief

blz. 226

kann nur zustande kommen, wenn man den Menschen den Blick erweitert und auf das hinlenkt, was geistig wirkt in der Welt, geistig wirkt von den Sternen hinunter, geistig wirkt aus der Welt­geschichte, geistig wirkt im tiefsten innersten Menschenherzen. Nur indem man den Menschen eine geistige Weltanschauung erschließt, kann man ihren Willen aktivieren. Das sollte eben eingesehen werden. Wir müssen hinauskommen über gewisse Dinge. In unserer Gesinnung, die wir namentlich auch mit Bezug auf die erzieherische Kunst ent­wickeln, steckt noch zu viel – ich möchte nicht zurückhalten mit diesem Radikalismus wenigstens -, steckt noch zu viel Robinson.
Der Robinson und alles, was mit ihm zusammenhängt, ist das Sym­ptom für das Heraufziehen alles Philiströsen, alles eng Pedantischen, alles Engmaschigen in der menschlichen Lebensanschauung und ins­besondere in unserer Einwirkung auf die Kinder: Dieser Robinson wurde so recht dargestellt für die bürgerlich-engherzige Weltanschau­ung des 1 8.Jahrhunderts und hat überall Nachahmung gefunden. Kaum war der englische Robinson da, gab es einen tschechischen, einen pol­nischen, einen deutschen, einen kroatischen Robinson. 

kan alleen tot stand komen, wanneer je de mens een ruimer blikveld geeft in de richting van wat er geestelijk in de wereld werkzaam is, geestelijk werkzaam is vanuit de sterren, geestelijk werkzaam is vanuit de wereldgeschiedenis, geestelijk werkt in het diepst van het mensenhart. Alleen wanneer je voor de mens een geestelijke wereldbeschouwing toegankelijk maakt, kan je zijn wil activeren. Dat moet worden ingezien. We moeten met bepaalde dingen verder komen. Ook in ons beleven dat we met name m.b.t. de opvoedkunst ontwikkelen, zit nog te veel – ik wil me niet inhouden, wat zeker wel radicaal is – zit nog te veel Robinson.
Robinson en alles wat ermee samenhangt, is een symptoom voor het benadrukken van alles wat filistreus is, allemaal erg pedant, alles zo klein in de levensopvatting van de mens en in het bijzonder hoe wij op de kinderen inwerken: deze Robinson werd echt zo ten tonele gevoerd voor de burgerlijk-bekrompen wereldbeschouwing van de 18e eeuw en die heeft overal navolging gevonden. Nauwelijks was de Engelse Robinson er, of daar kwam een Tjechische, een Poolse, een Duitse, een Kroatische Robinson.

Man weiß nicht was noch – in allen europäischen Sprachen waren die Robinsonaden da. Robinson ist ja diejenige Persönlichkeit, die keine Persönlichkeit ist, weil sie gewissermaßen wie eine menschliche Maschine in Not und äußerliche Veranlassungen versetzt werden soll, damit sie Stück für Stück das, was nur dann gesund in der menschlichen Entwickelung ent­stehen kann, wenn es aus der innersten Aktivität heraus sich entwickelt, aus der äußeren Not heraus entwickeln soll. Seite für Seite des Robinson könnte man durchgehen und die Philisterhaftigkeit, die gerade in die­sem Robinson zum Ausdruck gekommen ist, darlegen; könnte jenen jämmerlichen Rationalismus einer religiösen Weltauffassung darlegen, der da sagt: Wir haben einen einheitlichen Gott, und der Mensch ist ein guter Mensch, wenn er nur nicht verdorben wird durch diese oder jene Faktoren. Diese Philisterauffassung, die durchaus absieht davon, daß der Mensch lebendigen Geist braucht, der seine Seele durchzieht, den er in der Geschichte, den er überall auch bis in die Sterne hinauf wirksam sieht, dieser Robinson haust auch dort, wo er nicht gelesen wird, als Ge­sinnung. Diese Philistergesinnung muß aus der Menschheit wiederum heraus; denn sie ist es, welche durch die feinsten Kanäle in alles mög­liche geronnen ist, was uns heute von da oder dort entgegentönt und das Leben so gestaltet, daß eigentlich überall nur Sinn ist für Mittelmäßigkeit,

En wat al niet – in alle Europese talen waren daar de Robinsonverhalen. Robinson is een persoonlijkheid die geen persoonlijkheid is, omdat die in een bepaald opzicht als een menselijke machine in de problemen moet komen, uiterlijk genoodzaakt, zodat die persoonlijkheid het een na het ander vanuit uiterlijke noodzaak moet ontwikkelen, wat alleen dan gezond in de menselijke ontwikkeling kan ontstaan, wanneer het vanuit de meest innerlijke activiteit kan ontstaan. Je kan bladzij voor bladzij nalopen en dat filistreuze dat met name in deze Robinson zichtbaar wordt, aantonen; je zou ieder pijnlijk rationalisme van een religieuze wereldbeschouwing kunnen aantonen wanneer er gezegd wordt: we hebben maar één God en de mens is goed wanneer hij door dit of dat niet verdorven wordt. Deze filisteropvatting, die er volledig aan voorbijgaat dat de mens een levende geest nodig heeft, die zijn ziel doortrékt, die hij in de geschiedenis, die hij overal, ook tot in de sterren werkzaam ziet, deze Robinson, huist ook daar waar hij niet wordt gelezen, als stemming. Deze filisterstemming moet weer uit de mensheid verdwijnen; want die is doorgedrongen tot in de kleinste hoekjes, in van alles wat tegenwoordig hier of daar vandaan op ons afkomt en het leven zo maakt  dat er eigenlijk overal alleen maar zin voor middelmatigheid

blz. 227

für das Nichtübersteigen eines gewissen Niveaus. Der Ro­binson ist es, der den Sinn für das Nichtüberragende, für das Nicht­geniale, für das Durchschnittsmäßige großgezogen hat. Ich weiß, daß man eigentlich in sehr, sehr viele Herzen hineinstößt und es bitter emp­funden wird, wenn man gerade auf die Robinsonaden, auf das in­tellektuelle Abenteuer der europäisch-amerikanischen Zivilisation auf­merksam macht, das in der Überschätzung des Robinson liegt. Aber man muß sich schon auch diesem Gefühl ein bißchen überlassen, daß man halt hineingewachsen ist in dasjenige, mit dem man groß geworden ist. Man ist aufgewachsen mit der Robinson-Gesinnung, und man muß sich schon ein bißchen besinnen, um das loszukriegen, was in die mo­derne Menschheit mit dieser Robinson-Gesinnung hineingewachsen ist.
Gewiß, in einer Beziehung war dieser Robinson eine Art Protest gegen etwas, was in der christlichen Entwickelung immer mehr und mehr heraufgekommen ist. Die christliche Entwickelung geht ja im Grunde genommen davon aus, so wie sie geworden ist, nicht wie sie im ursprünglichen Christentum lag, daß die menschliche Natur verdorben ist. 

heerst, het niet boven een bepaald niveau uitkomen. Het is Robinson die de zin voor het gewone, voor het niet-geniale, voor wat doorsnee is, groot gemaakt heeft. Ik weet dat je eigenlijk op heel veel harten trapt en dat het als bitter ervaren wordt, wanneer je nu juist op die Robinsonromans, op het intellectuele avontuur van de Europess-Amerikaanse beschaving de aandacht vestigt, die in de overschatting van de Robinson ligt. Maar je moet je maar een beetje aan het gevoel overgeven dat je nu eenmaal gewend geraakt bent aan hetgeen waarmee je groot geworden bent. Men is opgegroeid met die Robinsongezindheid en men moet zich wel een beetje bezinnen om los te komen van wat in de moderne mensheid met deze Robinsongezindheid meegegroeid is.
Zeker, aan de ene kant was deze Robinson een soort protest tegen iets wat in de christelijke ontwikkeling steeds meer opgeld ging maken. De christelijke ontwikkeling gaat er in de grond van de zaak vanuit, zoals ze geworden is, niet zoals dat in het oorspronkelijke christendom zat, dat de menselijke natuur verdorven is.

Der Rationalismus, die Aufklärerei des 18. Jahrhunderts, aus der der ganze Robinson heraus auch gedacht und geschrieben ist, geht davon aus, daß die menschliche Natur doch eigentlich gut ist, daß nur ihre bösen Feinde hinweggeräumt werden müssen, damit ihr Gutes heraus­kommt. Beides sind furchtbare Einseitigkeiten. Begreiflich ist es schon, daß gegenüber dem Vorurteil von der Verdorbenheit, von der Grund­verdorbenheit der menschlichen Natur, das andere Vorurteil auftauchte von der Grundgutheit der menschlichen Natur. Im Grunde ist ja auch das nichts anderes, was als der letzte Rest des Philistertums, aber eines argen Philistertums, in dem begeisterten und begeisternden Philister Jean- Jacques Rousseau lebt. Es ist die Meinung, daß, wenn man den Menschen nur wie ein Naturkind aufsprießen läßt, er schon alles ma­chen wird, wie sich sozusagen um Robinson herum, auch noch unter der Einwirkung eines baptistischen französischen Priesters, alles in der allerbesten Weise mit Nüchternheit macht. Gewiß, so ist ja ungefähr die Meinung; aber wir werden die Menschen vom gegenwärtigen Kul­turstandpunkt aus nicht weiterbringen, wenn wir irgendeiner dieser Einseitigkeiten verfallen. Die eine wie die andere Einseitigkeit muß in einer gewöhnlichen Synthese Lösung finden. Der Mensch ist ja ganz gewiß von Natur aus gut, das heißt, seinem Wesen nach gut; denn das Kind spricht, so wie es als nachahmendes Geschöpf in die Welt hereintritt,

Het rationalisme, de Verlichting van de 18e eeuw, van waaruit de hele Robinson ook bedacht en geschreven is, gaat ervan uit, dat de menselijke natuur uiteindelijk toch goed is, dat alleen de boze vijanden opgeruimd moeten worden, zodat het goede een kans krijgt. Beide zijn verschrikkelijke eenzijdigheden. Begrijpelijk is wel dat tegenover het vooroordeel van de verdorvenheid, van de natuurlijke verdorvenheid van de menselijke aard, het andere vooroordeel opdook, dat van de natuurlijke goedheid van de menselijke aard. In de grond van de zaak is dat ook niet anders dan wat als laatste rest van het filisterdom, maar dan van een erg soort filisterdom, dat in de enthousiaste en enthousiastmerende filister Jean-Jacques Rousseau leeft. Hij is van mening dat, wanneer je de mens nu maar als een natuurkind groot laat worden, hij alles zal doen, zoals dat a.h.w. rondom Robinson, ook nog onder invloed van een Franse baptistenpriester, allemaal op de beste manier, gladjes verloopt. Dus, dat is ongeveer de mening; maar wij zullen de mensen uit de huidige cultuur niet verder brengen, wanneer we vervallen tot een van deze eenzijdigheden. De ene zowel als de andere eenzijdigheid moet in een gewone synthese opgaan. De mens is zeker van nature goed, dat wil zeggen, wezenlijk goed; want het kind spreekt zoals het als nabootsend wezen de wereld

blz. 228

gewissermaßen überall das Urteil aus: Ich glaube an die Güte der Welt, die mich aufgenommen hat. Das ist ein unbewußtes Urteil des Kindes. Aber so wahr es ist, daß der Mensch seiner Wesenheit nach gut ist, so wahr ist es, daß der Mensch seiner Wesenheit nach, ich möchte sagen, wie das Produkt eines Lebendigen ist. Fleisch unmittelbar ge­schlachtet, ist gut; nach acht Tagen ist es nicht mehr gut. Es ist deshalb schlecht, weil es stinkig geworden ist; es muß eben etwas zu seiner Ver­besserung getan werden, wenn man es nach acht Tagen noch genießen will. Der Mensch ist seinem Wesen nach gut. Aber er wird, wenn er so bleibt, wie er ist, wenn er aus der geistigen Welt vom vorgeburtlichen Dasein herunterschreitet in die physische Welt, er wird schlecht, wenn in ihm nicht die Kraft geweckt wird, sich selber zu verbessern.
Da haben Sie beides: Der Mensch ist gut seinem Urwesen nach, aber in ihm müssen die Kräfte erweckt werden, sich die Güte zu erhalten. Und der Mensch ist nicht von Grund aus verdorben, aber er verdirbt, wenn man in ihm nicht die Kräfte erweckt, durch die er sich seine ur­sprüngliche Kraft erhalten kann. Es ist ebenso falsch zu sagen, der Mensch bringe seine Güte unbedingt zum Vorschein, wenn er sich selbst überlassen bleibe, wie es falsch ist zu sagen, der Mensch sei von Grund aus verdorben.  

binnenkomt, in zekere zin overal het oordeel uit: ik geloof in de goedheid van de wereld die mij opgenomen heeft. Dat is een onbewust oordeel van het kind. Maar zo waar als het is dat de mens wat zijn aard betreft goed is, zo waar is het ook dat de mens wat zijn aard betreft een product is van het leven. Vlees, direct na de slacht is goed; na acht dagen niet meer. Het is slecht omdat het stinkt; er moet iets aan verbeterd worden wil je er na acht dagen nog van kunnen genieten. Maar hij (de mens), wanneer hij blijft zoals hij is, wanneer hij uit de geestelijke wereld vanuit het voorgeboortelijke bestaan incarneert in de fysieke wereld, wordt slecht wanneer in hem niet de kracht wordt gewekt om zichzelf te verbeteren.
Hier heb je ze allebei: de mens is naar zijn oerwezen goed, maar in hem moet de kracht worden gewekt om het goede te bewaren. En de mens is niet basaal verdorven, maar dat wordt hij, wanneer je in hem niet de kracht wekt waarmee hij zijn oorspronkelijke kracht bewaren kan. Net zo verkeerd is het om te zeggen dat de mens zijn goedheid zondermeer vertoont, wanneer hij aan zichzelf overgelaten wordt, als dat het verkeerd is om te zeggen dat de mens basaal verdorven is.

Richtig ist es, daß der Mensch seinem Wesen nach gut ist. Es müssen aber die Kräfte in ihm immer neu geweckt werden, die dieses Gute zur fortschreitenden Entwickelung bringen, weil sonst die menschliche Natur verdorben wird, wenn sie nicht durch die eigene Aktivität in die Richtung nach dem Guten hin erhalten wird. Diese Gesinnung müssen wir eigentlich in uns tragen gegenüber der Ent­wickelung der Menschheit. Sie wird dann auf die Kinder übergehen, wenn wir sie selber haben, wenn wir das Märchen so erzählen, den Mai-käfer so schildern, den Stern so beschreiben, daß etwas zu merken ist im Einzelnen oder im Zusammenhang des Ganzen, wie wir davon überzeugt sind, daß das, was gerade der Mensch im Weltenzusammen­hang bedeutet, von dem Urelement heraus gut ist, daß aber diese Güte fortwährend gepflegt werden muß, und daß von der Pflege des Menschen das Gutsein der ganzen Welt abhängt; daß es in den Menschen hineingelegt ist, an der Entwickelung der ganzen Welt mit­zugestalten.
In dieser Beziehung sind wir abgekommen von dem, was aus einer Urweisheit heraus – wie es eine solche ja in der Menschheit wirklich gegeben hat – unsere Altvordern gehabt haben. Es ist merkwürdig, wie

Juist is dat de mens naar zijn aard goed is. In hem moeten echter die krachten steeds opnieuw gewekt worden die dit goede tot een voortgaande ontwikkeling brengen, omdat de menselijke natuur anders verdorven wordt als die niet door de eigen activiteit voor het goede bewaard blijft. Die stemming moeten we eigenlijk in ons meedragen, wat de ontwikkeling van de mensheid betreft. Dat zal op de kinderen over gaan, wanneer wij die hebben, wanneer wij het sprookje zo vertellen, de meikever zo schetsen, de sterren zo beschrijven dat er iets op te merken is in het kleine of in de samenhang met het grote, zoasl we ervan overtuigd zijn dat wat juist de mens betekent in de wereldsamenhang, vanuit het oerelement goed is, dat dit goede echter steeds verzorgd moet worden en dat van de verzorging door de mens, het goed-zijn van de hele wereld afhangt; dat het de mens gegeven is mede vorm te geven aan de ontwikkeling van de hele wereld.
Wat dat betreft zijn we weggeraakt van wat uit een oerwijsheid – die er in de mensheid werkelijk geweest is – die onze voorvaderen nog hadden. Het is merkwaardig hoe

blz. 229

selbst noch im älteren Griechenland, gar nicht zu reden von Ägypten, wo das selbstverständlich war, alles Unterrichten, alles Einwirken aber auch des Priesters, des religiösen Menschen auf das Volk, mit dem Be­griff des Heilens zusammengebracht worden ist. Wissen übermitteln, das war überhaupt ein Begriff in alten Zeiten, der ganz gleichbedeu­tend war mit Heilen. Der Arzt war im Grunde genommen nur, ich möchte sagen, ein etwas anderer Priester und der Priester ein etwas anderer Arzt. Daß das Doktor-sein irgend etwas mit Verbessern zu tun hät, das wurzelt ja sogar heute noch im Volke. Der »Dr. Mam­moniae«, der ist selbstverständlich eine Art Eitelkeitsprodukt der Ge­genwart. Die gegenwärtige Menschheit ist bis in solche Dinge hinein außerordentlich eitel. Denn dasjenige, was Gelehrsamkeit ist, was Er­kenntnis behandeln und mitteilen ist, Lehrerberuf, Arztberuf, alles mögliche, das floß für die ursprünglichen Instinkte der Menschheit in Eins zusammen. Mit alledem war der Begriff des Heilens verknüpft. Warum? Weil eine ganz bestimmte Anschauung dem zugrunde lag, eine Anschauung, die wir leider heute in unserer materialistischen Zeit nicht haben, zu der wir aber wiederum hinsteuern müssen. 

zelfs nog in het oudere Griekenland, om maar te zwijgen van Egypte, het vanzelfsprekend was om alles wat onderwijs was, alles wat van invloed was op het volk door de priester, de religieuze mens, in verband is gebracht met het begrip genezing. Kennis overbrengen was volstrekt in oude tijden een begrip dat gelijk was aan genezen. De arts was eigenlijk een iets andere priester en de priester was een soort andere arts. Dat het dokter-zijn [in het Duits is Doktor zowel de academische Dr. als de arts, onze dokter] ergens nog met verbeteren te maken heeft, zit nog in het volk. ‘Dr. Mammoniae’ [geen aanwijzing kunnen vinden wat dit betekent] is vanzelfsprekend een soort ijdelheidsproduct van deze tijd. De mens van tegenwoordig is tot in zulke dingen buitengwoon ijdel. Want wat eruditie is, wat kennis behandelen en meedelen is, het beroep van leraar, van arts en wat al niet, kwam voor de oorspronkelijke instincten van de mensheid in één ding samen. Mit dit alles was het begrip van genezen verbonden. Waarom? Omdat er een heel bepaalde beschouwing aan ten grondslag lag, een beschouwing die wij helaas in onze materialistische tijd niet hebben, waarop we echter wel weer moeten aansturen.

Es ist die Anschauung, daß in der geschichtlichen Entwickelung der Menschheit, auch insofern die Naturkräfte in diese geschichtliche Entwickelung der Menschheit hereinspielen, immerfort ein Niedergangselement liegt, ein Element, das in die Dekadenz hineinführt, und daß der Mensch dazu berufen ist, aus seiner Kraft heraus den Niedergang fortwährend in einen Aufstieg zu verwandeln.
Das kulturhistorische Werden droht beständig krank zu werden. Der Mensch muß aus seinem Lehren, aus seinem Wirken heraus das­jenige, was fortwährend im Kulturwerden krank werden will, heilen. Das ist etwas, das durchschaut werden muß. Die Geschichte enthält Niedergangskräfte, und von den Niedergangskräften darf nicht erwar­tet werden, daß sie die Menschheit erhalten können. Wenn der Marxis­mus heute davon lebt, daß alles auf wirtschaftlichen Kräften aufgebaut ist und das Geistige eine Art Überbau ist, dann beruht das ganz gründ­lich auf dem Materialismus der letzten Jahrhunderte. Denn was würde aus diesen rein wirtschaftlichen Produktionskräften, wenn sie sich, ohne daß von dem Menschen aus eine fortwährende Verbesserung geschehen würde, selbst überlassen würden? Sie führten die Menschen nur in das Krankmachen des sozialen Lebens hinein. Trotzkiismus und Leninis­mus bedeutet Krankmachen der ganzen Kulturentwickelung Europas.

Het is de opvatting dat in de geschiedkundige ontwikkeling van de mensheid ook in zoverre de natuurkrachten in deze historische ontwikkeling van de mensheid meespelen, steeds een element zit van achteruitgang, een element dat naar de decadentie leidt en dat de mens ertoe geroepen is vanuit zijn kracht voortdurend de achteruitgang om te buigen in vooruitgang.
De cultuurhistorische wording dreigt constant ziek te worden. De mens moet vanuit wat hij leert, uit wat hij doet, wat in de cultuurwording ziek wil worden, voortdurend genezen. Dat moet je inzien. In de geschiedenis bevinden zich krachten van neergang en daar mag je niet van verwachten dat die de mensheid kunnen bewaren. Wanneer het marxisme vandaag de dag bestaat door te zeggen dat alles op economische krachten opgebouwd is en dat het geestelijk een soort overkapping is, dan berust dat heel fundamenteel op het materialisme van de laatste paar honderd jaar. Want wat zou er uit deze puur economische productiekrachten worden, wanneer die, zonder dat van de mens uit een voortdurende verbetering zou plaatsvinden, aan zichzelf zouden worden overgelaten? Ze zouden de mens alleen maar in het ziekmaken van het sociale leven brengen. Trotkiïsme en Leninisme betekenen de hele cultuurontwikkeling van Europa ziek maken.

blz. 230

Der Osten wird, wenn der Marxismus doch verwirklicht wird, wenn es ihm gelingt, bis in die Schule hineinzudringen, er wird ein künst­liches Kranksein der europäischen Kultur; denn er rechnet damit, daß aus dem Außermenschlichen heraus allein Kultur werden könnte. Kul­tur kann aber nur werden, wenn der Mensch dasjenige, was im Außer­menschlichen fortwährend in den Niedergang strebt, von sich aus fort­während heilt. Das müssen wir uns wieder erringen, vor allen Dingen in der Schule, daß der Lehrer, der durch die Schulpforte eintritt, sich als eine Art Arzt der menschlichen Geistesentwickelung verhält, der durch das werdende Kind der Kulturentwickelung das Arzneimittel einflößt. Das ist keine Eitelkeit, das ist kein Hochmut, wenn der Leh­rer in dieser Weise sich als den fortwährenden Arzt der Kultur fühlt. Denn wird das in der richtigen Weise gefühlt, dann trägt es auch in unser Gemüt hinein das Bedürfnis, gerade wenn man Lehrer ist, hin-zuschauen auf die großen Interessen der Menschheit, auf dasjenige, was immer als die durchgreifenderen, die großen Interessen die Menschheit bewegt hat. Der Horizont des Lehrers kann nicht groß genug genom­men werden. 

In het Oosten wordt, wanneer het marxisme verwezenlijkt wordt, wanneer het deze lukt door te dringen tot in de school, de Europese cultuur onnatuurlijk ziek, want het rekent ermee dat cultuur alleen kan ontstaan buiten de mens om. Cultuur kan echter alleen ontstaan, wanneer de mens dat wat buiten hem om achteruit gaat, van binnenuit voortdurend beter maakt. Voor alles moeten we weer bereiken dat de leerkracht die de school binnengaat, zich als een soort arts van de menselijke geestelijke ontwikkeling opstelt die door het wordende kind aan de cultuurontwikkeling het geneesmiddel verstrekt. Dat is geen ijdelheid, dat is geen hoogmoed, wanneer de leerkracht op deze manier voelt dat hij de permanente arts van de cultuur is. Dan is dat gevoel juist, dan dragen we de behoefte met ons mee, juist als je leraar bent, te kijken naar wat voor de mensheid de belangrijke aangelegenheden zijn, naar wat steeds als de ingrijpende aangelegenheden de mensheid heeft bewogen. De horizon van de leraar kan niet ruim genoeg zijn.

Der hohe Sinn des Lehrers, er kann nicht hoch genug sein. Gerade wenn wir uns bewußt werden, was mit der Erziehung für die Menschheit geleistet werden soll, dann wird Hochsinnigkeit des Hori­zontes auch immer die nötige Bescheidenheit in sich schließen, das nötige Verantwortungsgefühl zugleich bringen.
Meine sehr verehrten Anwesenden, Sie werden gesehen haben, daß stets in diesen Stunden versucht worden ist, wahrzumachen für die geisteswissenschaftliche Grundlegung einer Erziehungskunde dasjenige, was ja schließlich auch Herbart gesagt hat: Er könne sich keinen Un­terricht denken, der nicht zugleich Erziehung wäre, und er könne sich keine Erziehung denken, die des Unterrichts entbehren könne. Aber es handelt sich darum, daß wir uns mit dem Geiste durchdringen, der lebendig genug ist, daß wir alles dasjenige, was uns geboten wird als Unterrichtsstoff von der fortschreitenden Entwickelung der Mensch­heit, in die Schule so hineintragen können, daß es unter unseren Hän­den Erziehung wird für das Kind. Es ist eine hohe Aufgabe, welche die Menschheit in ihrer Ganzheit uns stellt. Wozu es die Menschheit ge­bracht hat, das müssen wir durchschauen, das müssen wir umwandeln in unseren Händen, daß es geeignet werde für das jüngste Kind! Wir werden es können, wenn wir den Geist in solcher Lebendigkeit erfassen, wie er in der Geisteswissenschaft übertragen werden soll, und wie er

De grootse gedachten van de leraar, die kunnen niet groots genoeg zijn. Juist wanneer we ons bewust worden van wat er met de opvoeding voor de mensheid gedaan kan worden, dan zullen die grootse gedachten als horizon ook steeds voor de nodige bescheidenheid zorgen en tegelijkertijd voor het vereiste verantwoordelijkheidsgevoel.
Zeer geachte aanwezigen, u zal hebben gezien dat in deze uren steeds geprobeerd is voor het geesteswetenschappelijk fundament voor een opvoedkunst waar te maken wat Herbart ook al zei, dat hij zich geen onderwijs kon voorstellen dat tegelijkertijd ook geen opvoeding is en dat hij kon zich geen opvoeding voor kon stellen die buiten het onderwijs zou kunnen. Maar het gaat erom dat wij de geest in ons opnemen die levend genoeg is om alles wat ons geboden wordt als lesstof door de voortgaande ontwikkeling van de mensheid zo de school binnen te brengen, dat die in onze handen voor het kind opvoeding wordt. Dat is een belangrijke opdracht die de mensheid als totaliteit aan ons geeft. We moeten begrijpen tot hoever de mensheid gekomen is, we moeten het met onze handen veranderen zodat het geschikt wordt voor het jongste kind! Dat kunnen we wanneer we de geest zo levend opnemen zoals deze in de geesteswetenschap overgebracht moet worden en zoals deze hier

blz. 231

hier übertragen ist, wenn von einer Befruchtung der Erziehungskunst durch die Geisteswissenschaft gesprochen wird.
Ich möchte nicht in einer Art von Schlußwort, meine sehr verehrten Anwesenden, diese Vorträge zum Abschluß bringen, sondern möchte sie eben gerade ausklingen lassen in das Wort, das ich nun nicht sen­timental, sondern aus der Sache heraus vor Sie hinzustellen versuchte, das Wort: Erziehen kann nur in der richtigen Weise ausgeübt werden, wenn es aufgefaßt wird als ein Heilen, wenn der Erzieher sich bewußt wird: ich soll ein Heiler sein. Wenn diese Vorträge ein wenig dazu bei­getragen haben, das erzieherische und unterrichtende Bewußtsein zu vertiefen, so daß wiederum gefühlt werden kann, oder vielmehr, daß wir nach und nach dazu kommen können wiederum zu fühlen, wie wir Heiler, wie wir Geistesärzte werden müssen, wenn wir im richtigen Sinne Lehrende und Erziehende sein wollen, dann haben diese Vor­träge wenigstens andeutend ihr Ziel erreicht; und ich möchte nur wün­schen, daß an das, was der verehrte Vorsitzende dieser Vorträge ge­sagt hat, sich anschließen möge: ein Verarbeiten des Stoffes. Ich werde meinerseits jederzeit, wenn man an mich herantritt, gern bereit sein, zu tun, was Sie haben wollen, damit das, was ich jetzt nur in höchst un-vollkommener Form in 14 Andeutungen geben konnte, und wovon ich so gerne möchte, daß es in das Bewußtsein der Menschheit hereintrete, nun auch wirklich mehr und mehr in das Bewußtsein eintritt.

overgebracht is, toen er over het vruchtbaar worden van de opvoedkunst door de geesteswetenschap gesproken werd.
Ik zou niet in een soort slotwoord, zeer geachte aanwezigen, deze voordrachten willen afsluiten, maar ik zou ze willen laten uitklinken in de woorden die ik zeker niet sentimenteel, maar zakelijk voor u geprobeerd heb uit te spreken: opvoeden kan alleen dan op de juiste manier worden gedaan, wanneer ze opgevat wordt als een gezond maken, wanneer de opvoeder zich bewust wordt: ik moet iemand zijn die gezond maakt. Wanneer deze voordrachten er iets toe hebben bijgedragen het bewustzijn voor opvoeding en onderwijs te verdiepen, zodat weer gevoeld kan worden, of veel meer, dat we er stap voor stap ertoe komen weer te gaan voelen, dat we gezond moeten maken, dat we artsen van de geest moeten worden, willen we in goede zin van het woord leraar en opvoeder zijn, dan hebben deze voordrachten in ieder geval als richting gevend hun doel bereikt; en ik heb alleen de wens dat bij wat de geachte voorzitter van deze voordrachten heeft gezegd, aansluit: het verwerken van de stof. Ik ben mijnerzijds altijd graag bereid, desgevraagd, te doen wat u graag wil, zodat wat ik nu op een hoogst gebrekkige manier in 14 aanwijzingen kon geven en waarvan ik wens dat het opgenomen wordt in het bewustzijn van de mensheid, daadwerkelijk steeds meer in het bewustzijn van de mensheid.

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 14e voordracht (Duits)

Rekenen: alle artikelen

Luisteren en spreken: alle spraakoefeningen

Gezondmakend onderwijs: menskunde en opvoeding nr. 4

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1400-1311

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van de ‘bewustzijnsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

BEWUSTZIJNSZIEL

Eerst nog even terug naar de verstands-gemoedsziel:

Toen ik bij de bakker een ogenblik in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en we nemen een besluit: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.
Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen. Ze worden gevoeld, ervaren met de gewaarwordingsziel.

We onderscheiden deze gevoelens als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed – onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv-programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit, spreken we vanuit ons gevoel. Naarmate we bozer zijn, wordt onze stem scherper, harder, consonantischer; de andere kant is een warme, rustige, kalme stem, waarin juist het vocale overheerst.

De sympahtie en antipathie op het weiland: de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat niet afhankelijk is van mijn smaak en of ik het mooi of lelijk, fijn of niet fijn vind, graag mag of verafschuw enz. Dat wordt bij de beschouwing van de mens geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest in ons op. Als essentie betekent dat het waar is, neem ik dus de waarheid in me op.
Wie zegt mij echter, dat het waar is. En wie het zegt. zegt die ook de waarheid of is het uiteindelijk toch alleen zíjn waarheid of die van een grote groep. ‘De waarheid in pacht hebben’ klinkt niet zo positief. We laten hem liever in het midden liggen.
Velen streven er naar ‘de waarheid’ te vinden, die te benaderen op z’n minst. En daarbij blijkt altijd, dat hoe meer je het eigen gevoel, het eigen (voor)oordeel terughoudt, het ‘andere’ meer kans krijgt zich te laten zien, heel deftig: ‘zich te openbaren’.
Wel een mooi woord, overigens. Er moet iets ‘open’ gaan en worden geboren.
We ervaren daarbij ook sterk dat de ‘wereld van de waarheid’ zo openligt, dat we over ‘grenzenloos’ spreken.

Er is ook de wereld van de idee(ën). Steiner geeft hier een mooi voorbeeld over ‘de’ driehoek. De idee driehoek die je je denkend! voor kan stellen, je denkt hem uiteindelijk na. Interessant is dan natuurlijk om door te filosoferen over de vraag wie of wat deze idee dan als eerste gedacht heeft, zoals we bijv. Einsteins theoretische ideeën kunnen nadenken (als we daartoe intelligent genoeg zijn!).
Maar we zullen er snel genoeg achterkomen dat er vele ideeën zijn die niet terug te voeren zijn op mensen die ze als eerste gedacht hebben. Wie of wat is dan de ontwerper van deze ideeën.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest – de wereld van het ware, de wereld van de ideeën, Steiner noemt er ook de wereld van het goede bij –  te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden met het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen. Als verstands – gemoedsziel pendel ik daar tussenin.

Hoewel Steiner in deze voordracht nog niet spreekt over ‘slapen, dromen, wakker’ i.v.m. lichaam, ziel, geest, kun je hier al iets gaan vermoeden van wat hij daarmee bedoelt.
In ons vitale leven, bijv. in onze stofwisseling, weten we niet wat er gebeurt. Voor ons bewustzijn eigenlijk helemaal ontoegankelijk. We krijgen er pas ‘weet’ van, als er iets mis is en de pijnsignalen ons waarschuwingen. Maar dan nog weten we lang niet altijd wat er dan mis is, of gebeurt of niet gebeurt. Heel vreemd eigenlijk: je hebt het allemaal heel dicht bij je en toch tast je volledig in het duister.
Vanuit het standpunt van bewustzijn bekeken, slaap je hier dus.
In het voelen van de verstands – gemoedsziel is ook nog niet die helderheid dat we precies weten waar bepaalde gevoelens vandaan komen of ontstaan. We weten wel dat ‘we daar nou net niet tegen kunnen’; of dat ‘we daar altijd heel blij van worden’. We kunnen een beginnende antipathie voelen aanwakkeren tot boosheid enz.
Je zou hier van een meer dromend bewustzijn mogen spreken.

Pas in het denken worden we echt wakker. Als we met onze gedachten licht hebben gebracht over of in een zaak, tasten we niet meer in het duister. Om te kunnen denken moeten we (er) wakker (bij) zijn.

we zijn:
slapend voor wat betreft ons bewustzijn voor ons fysiek-vitale leven
dromend voor wat betreft ons bewustzijn voor het komen en gaan van onze gevoelens tussen antipathie en sympathie
wakker bij het heldere denken

Ook ligt hier een kiem voor het begrijpen van wat vrijheid en onvrijheid, gebondenheid is.

Het fysiek-vitale leven dwingt ons de vitaliteit in stand te houden: we moeten eten, drinken, slapen, ons voortplanten e.d. We hebben geen keus als we willen doorleven. We worden gedwongen. We moeten, zoals een dier doet wat het moet!

Ons fysiek-vitale dwingt ons niet de waarheid te zoeken. Als we dat doen, doen we het zelf. We kunnen het ook nalaten. Er is geen dwang of drift. Er kan wel ‘geest’drift zijn! Je sterke verlangen de waarheid te leren kennen; je open te stellen voor de geest. Dit openstellen voor de geest is een vrije keus.

Het ‘instrument’ waarmee je je tot ‘de geest’ richt, is je bewustzijnsziel.

Natuurlijk is al allang de vraag opgekomen: waar ben Ik(zelf). Daarover meer; meer; en in voordracht 6

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1399-1310

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – schilderen

.

3E KLAS: SCHILDEREN – DE SCHEPPING

Toen de vrijeschoolonderbouw nog uit 8 klassen bestond – ooit was dat zo – werd er in elke klas 1 uur per week geschilderd.
Ook toen de 8e klas bij de bovenbouw ging horen, stond voor de 7 klassen het schilderuur nog steeds op ‘de rooster van lesuren’ (inspectieterm)
Nu ook de 7e klas niet meer tot de onderbouw behoort, bleef het schilderuur voor de 6 basisschoolklassen – hoe het nu in 7 en 8 is, is mij onbekend.

‘Wekelijks’ is gewoonte, maar je kan allerlei gegronde redenen hebben om daar (eens) van af te wijken.

Wanneer je een derde klas hebt, zijn de zeven scheppingsdagen uit de vertelstof voor deze klas: het Oude Testament, een prachtig motief om gedurende zeven opeenvolgende weken telkens een ‘dag’ te schilderen; maar je kan ook, als je de ene lesdag een scheppingsdag hebt verteld, die de volgende lesdag schilderen, om op het verhaal op deze (kunstzinnige) manier terug te komen. Dan schilder je dus iedere lesdag het verhaal van de vorige lesdag. De wekelijkse schilderles zou dan gedurende die tijd kunnen vervallen.

In klas 1 en 2 hebben de kinderen dus wekelijks al geschilderd en daardoor o.a. kennis gemaakt met de kwaliteit van de kleuren. Door het nat-in-nat schilderen – overigens niet geheel in overeenstemming met de praktijk: het papier mag beslist niet ‘nat’ zijn, alleen maar vochtig (daarom heet de techniek in het Duits ‘feucht-in-feucht), krijgen de kinderen een grote vrijheid hun vormen te maken: de aquarelverf laat al erg vrij, maar nog meer in het vochtige papier.
In klas 1 en 2 werden de kwaliteiten vaak nog verbonden met een verhaalbeeld als introductie op de schildering: het ‘boze’ rood, of het ‘brutale’ rood en het ‘stralende’ geel enz. die samen iets gingen ondernemen; of ook wel ruzie kregen enz. Mengkleuren ontstonden meestal vanzelf – soms ‘per ongeluk’ en waren voor de kinderen vaak verrassende ontdekkingen.
Maar, in de 3e, wanneer de kinderen met het echte leven kennis maken – in de heemkundeperioden bijvoorbeeld – zouden de kleuren ook weer in een nieuwe context gebruikt kunnen gaan worden.
Moeilijke vragen voor ze: hoe laat je dat zien: ‘er zij licht!’ En ‘de aarde waarop nog niets leeft’, die a.h.w. stil ligt te wachten tot er iets gebeurt, welke kleur zou daarbij horen? En hoe schilder je die dan?
Dat ‘hoe’ kan ook technisch bekeken worden: welke techniek gebruik je (nu nog bewuster dan in de vorige jaren).

Hoe meer je als leerkracht aangeeft hoe het eigenlijk zou moeten worden, des te onvrijer wordt het kind. Vragen stellen en de kinderen laten antwoorden. ‘Hoe zou je…hoe zou het….?” En dan maar schilderen!
De andere dag moet je erop terugkomen, ‘bespreken’. De schilderingen zijn dan waarschijnlijk nog niet droog en kunnen dus niet opgehangen worden, maar wel met plank en al op de vloer om ze zo te kunnen bekijken. ‘Welke is gelukt, is daar iets te veel….of te weinig…..’ Het gaat nooit om ‘de beste’, maar altijd om ‘waar zien we al dat…..’
(Je kunt dit niet bij iedere opdracht vragen, want er zijn opdrachten waarbij ‘het’ altijd lukt – een ‘gesprek’ tussen rood en blauw, bijv. -, maar bij een gerichte opdracht wél: het kind wil weten of het aan de opdracht heeft voldaan, m.a.w. dat het iets kan of net heeft geleerd. Je stelt als leerkracht een bepaalde eis: eisen zin er om aan te voldoen – daar hoeft het kind niet direct aan te voldoen, maar het wil wel weten waar het staat: dat is leren.)
Nu kun je de volgende dag dezelfde opdracht nog eens geven, maar dan gaan veel kinderen toch naschilderen van wat ze met elkaar wel de meest gelukte vonden. Je kunt dus ook een half jaar wachten om dan de hele reeks van 7 scheppingsdagen nog eens te maken, nu bijv. elke week in het schilderuur. Kortom: vele mogelijkheden.

Er zij licht!
Stralend geel, het goudgeel, maar ook het citroengeel. Misschien een kleine strook pruisisch blauw/donkerrood aan de benedenrand.

De scheiding tussen de wateren
Een ‘boven’ en een ‘onder, met blauwtinten naar boven lichter wordend, naar onder zwaarder, daar misschien weer dat vleugje donkerrood

*

De groene wereld
De onderrand groter en vanuit diep pruisisch blauw naar boven lichter wordend. Van bovenaf goudgeel, intenser wordend naar beneden, voorzichtiger wordend in het citroengeel, dat aftastend het pruisisch blauw ontmoet en groen wordt.
De lichtste kleur (citroengeel) ontmoet de donkerste kleur (het pruisisch blauw) en de groentinten ontstaan.
Ik heb eens het geluk gehad dat een kind zei: ‘Nu begrijp ik waarom de wereld groen is.’
De andere dag kun je het groen dan later verdichten tot donkergroen, afgewisseld met lichtgroen, kortom: allerlei groenen die een plantaardige vorm krijgen. ‘Je hoeft geen bestaande plant te schilderen, maar een vorm waarvan iedereen meteen zegt: dat is een plant of een struik of een boom.’

Dag en nacht
Uiteraard is er bijna nooit maar 1 mogelijkheid. Hier kun je de nacht nemen met veel blauw en een nieuwe techniek, het uitsparen van een vorm voor de maan of de sterren, want zonder uitsparing worden die groen, natuurlijk. Dan moet je veel dunnere penselen gebruiken. Dat geeft uiteraard bij de kinderen het gevoel dat ze weer meer gaan kunnen, want in de 2e kreeg je die niet!
Sommige kinderen probeerden de hemel donker te maken en naar beneden toe een soort zonsondergang met het warme geel en lichtere rood om tot een vorm van oranje te komen.

Vissen en vogels
Wat een mogelijkheden: allerlei blauwtinten voor hemel en water; allerlei verdichtingen die iets vis- en vogelachtigs verbeelden (kleine penseel). Vliegende vissen en zwemmende vogels!

De dieren
De aarde als vaste grond met pruisisch blauw en karmijnrood; het blauw tot groen wordend door het citroengeel; nu kan bijv. ook bruin erbij komen – mengvormrood, blauw en geel, maar welke? De kinderen kunnen op een apart vel de verschillende bruinen leren ontdekken. Bruin krijgt al gauw de overhand, dus met mate. Waar dan? Hier begeef je je met de kinderen voorzichtig op het vlak van de ‘kunstzin’.

De mens
Voor de mens hebben we een beetje rose nodig. Welk rood moet je dan gebruiken  En…een beetje: wit. Nu ben je toch wel een echte 3e klasser – als je ook met wit gaat werken.
Ook hier gaat het niet om een kant-en-klaar mens, maar om de aanduiding dat het onmiskenbaar om mensen gaat.

Dit is uiteraard, maar een van de mogelijkheden voor een schilderthema in klas 3 – hier n.a.v de vertelstof.

* deze schildering kan een voorbeeld zijn voor het thema, maar was dat oorspronkelijk niet
.

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas: vertelstof

1336-1248

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid en ziekte

.

onverklaarbaar?

Er komt een patiënt met symptomen die je niet kunt thuisbrengen of bij wie de testen geen afwijkingen laten zien, maar toch heb je het gevoel dat er iets mis is. Maar wat? Is het iets lichamelijks dat nader onderzoek vraagt of worden de symptomen alleen maar beleefd door de patiënt, zonder lichamelijke oorzaak? Wanneer ook nader onderzoek, bij een specialist bijvoorbeeld, niets aan het licht brengt, was tot voor kort de conclusie: ‘Er is niks aan de hand. U moet ermee leren leven’. Niet ziek dus, maar gezond. Inmiddels heeft deze situatie de naam SOLK gekregen, somatisch onverklaarbare lichamelijk klachten. En kan daardoor, nu er een naam voor is, als toestand serieus worden genomen. Er zijn zelfs speciale ’SOLK-poliklinieken’ opgericht.

Het bestaan van lichamelijke klachten die niet lichamelijk zijn werpt een interessante vraag op: wanneer is iets eigenlijk een ziekte? En wanneer ben je gezond? Er kan iets in het lichaam niet in orde zijn zonder dat je er iets van merkt. Dan zul je niet zeggen dat je ziek bent. Zelfs als het gaat om een zich ontwikkelende kwaadaardige tumor. Pas wanneer deze, al of niet toevallig, wordt ontdekt, verschijnt die dreigend in het bewustzijn en zul je jezelf als ziek definiëren. En anders doe je dat pas wanneer je er wel iets van merkt. Je bent dus pas ziek wanneer een ziekte als gevoel of kennis in je bewustzijn terecht komt. Zoals je alleen honger hebt wanneer je honger voelt. Dus of een klacht nu lichamelijk verklaard of onverklaard is, maakt in principe niets uit voor de last die je ervan hebt. Ziek ben je wanneer je jezelf beleeft als ziek. Er zijn mensen met lichamelijke handicaps die zichzelf absoluut niet als ziek ervaren en er zijn mensen bij wie geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden gevonden die zich wel ziek voelen. Zijn de laatsten nu ‘eigenlijk niet ziek’? Wanneer je ziek definieert als ‘bewustzijn van ziekte’, zijn ze dat wel degelijk en verdienen ze terecht de aandacht van de medische wereld. Een inzicht dat nu schoorvoetend doordringt.
Maar is dat ziektegevoel wel een statisch gegeven? Of het idee dat je gezond bent? Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat dat lang niet altijd het geval is. Gehandicapt voel je je alleen wanneer je iets wilt waarbij je handicap in de weg staat. En veel ziekten ‘gaan vanzelf over’. Oftewel die overwin je op eigen kracht. En dat gezondmakende gevecht geeft juist een ziektegevoel, bijvoorbeeld in de vorm van koorts. Dat laatste is dus eigenlijk juist een bewijs van gezondheid. Sinds 1948 heeft de WHO een definitie van gezondheid die als volgt luidt: ‘een toestand van compleet welbevinden op fysiek, mentaal en sociaal niveau, en niet alleen de afwezigheid van ziekte en gebrek’. Een statisch ideaalbeeld dat voor de wereldbevolking nagestreefd zou moeten worden. Maar onhaalbaar en vooral, gezien het bovenstaande, onrealistisch. Het werd tijd dat er een andere definitie kwam en dat is nu gebeurd. Machteld Huber, huisarts en onderzoekster bij het Louis Bolk Instituut, is onlangs gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde op een nieuwe dynamische definitie van gezondheid als: ‘het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. En dat is een definitie die hoop geeft dat een toestand die als ziekte wordt beleefd niet onoverkomelijk hoeft te zijn.
.

Arie Bos, gepensioneerd antroposofisch huisarts in Stroom, winter 2015

.

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1318-1231

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-3)

.

OVER HET GEHEUGEN

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.

Voor de pedagoog en opvoeder ook een belangrijk onderwerp. Als je wilt dat kinderen dingen voor een langere tijd leren, moeten ze die kunnen onthouden, moeten die ‘in het geheugen worden geprent’. Of als het vaardigheden betreft: die moeten ze ‘onder de knie’ krijgen.

Maar hoe doe je dat dan het best? Of, wat belemmert het, wat werkt tegen.

Hier volgt een artikel van filosoof Douwe Draaisma:

HET GEHEUGEN LIJKT OP EEN HOLOGRAM

Herinneringen worden niet bewaard in een bepaald deel van de hersenen, zo hebben proeven aangetoond. Ze lijken overal en nergens in de grijze massa te zitten. Sinds de uitvinding van de holografie dringt zich de vergelijking op tussen ons geheugen en een hologram. Psycholoog Douwe Draaisma signaleert dat het hologram ook mystici bezighoudt.

Wie wel eens een hologram heeft gezien weet dat de eerste indruk betoverend is. Van een afstand zie je alleen een grijze plaat, kom je dichterbij dan zie je vanuit de diepte achter het hologram een voorstelling opdoemen die daar lijkt te zweven. Als je er langs loopt zie je telkens het perspectief veranderen, zodat je — anders dan bij een foto — werkelijk om de voorstelling heen lijkt te kunnen lopen. Toch hangt het ding gewoon aan de muur.

Holografie is een betrekkelijk recente uitvinding. De wiskunde die er voor nodig is werd aan het eind van de jaren 1940 ontwikkeld door Dennis Gabor, die er de Nobelprijs voor kreeg. Maar pas in de jaren 1960 was de lasertechnologie zo ver dat er echte hologrammen konden worden gemaakt.

Wanneer een bundel laserlicht rechtstreeks naar een gevoelige plaat wordt geleid en een andere bundel uit dezelfde laser pas op die plaat terechtkomt na teruggekaatst te zijn door het te fotograferen voorwerp, interfereren de twee bundels. Dit interferentiepatroon bevat de informatie over het voorwerp en ligt over de hele plaat verspreid.

Gabor noemde zo’n plaat een „hologram”, omdat ieder deel van de plaat de informatie bevat die nodig is voor de reconstructie van het gehele beeld (holos = geheel). Met een scherf van het hologram beschikt men in principe over het volledige beeld, al neemt de scherpte af naarmate de scherf kleiner is. Wie uit een hologram van Lincoln de oorlel wegsnijdt heeft in zekere zin dus nog de hele Lincoln.

Door deze eigenschap zijn hologrammen in hoge mate bestand tegen beschadiging. De informatie op het hologram is onherkenbaar gecodeerd: pas door de plaat te belichten met laserlicht van dezelfde golflengte wordt het beeld weer zichtbaar. In één plaat kunnen zeer veel beeldjes tegelijk worden opgeslagen. Niettemin is elk beeldje afzonderlijk zichtbaar te maken.

In de wetenschapsgeschiedenis is aan te wijzen dat de meest geavanceerde technische prestaties in een bepaalde periode telkens als analogie of metafoor hebben gefungeerd in wetenschappelijke theorieën. Zo werd in het begin van de 17e-eeuw het hart opgevat naar analogie met de pas geconstrueerde zuigperspomp.

Vooral in de psychologie zijn veel voorbeelden van dergelijke metaforen te vinden. Radio en radar hebben eertijds de theorievorming rond aandacht en waarneming beïnvloed en momenteel heeft de metafoor van de computer een groot aandeel in theorieën over de menselijke informatieverwerking.

Ook de holografie is al snel na de uitvinding als wetenschappelijke metafoor gebruikt en daarmee is vooral de naam van de hersenneuroloog Karl Pribram verbonden. In Languages of the Brain (1971) schrijft hij dat het hologram een aantal verschijnselen rond waarneming en geheugen begrijpelijk maakt die tevoren een volslagen mysterie waren. Aan de overtuigingskracht van de metafoor heeft vooral bijgedragen dat twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bevindingen omtrent de localiseerbaarheid van geheugensporen zich binnen het holografisch idioom lieten verzoenen.

In de jaren 1950 ondernam de neuro-chirurg Penfield pogingen om bij epileptische patiënten de plek in de hersenen te vinden die verantwoordelijk is voor epileptische aanvallen. Tijdens de operatie liet hij zijn patiënten bij bewustzijn blijven. De schedel werd plaatselijk verdoofd en geopend. Daarna werd op verschillende plaatsen de buitenkant van de hersenen geprikkeld met een zwakke elektrische stroom. De patiënt moest intussen zijn gewaarwordingen beschrijven. Penfield hoopte zo kunstmatig een epileptische aanval teweeg te brengen. De zieke plek zou dan kunnen worden vernietigd.

Bureau
Penfield ontdekte echter ook dat als hij met zijn elektrode een deel van de hippocampus prikkelde, de patiënt zeer gedetailleerde herinneringen rapporteerde. Eén van hen zei bijvoorbeeld: „Oh, een alledaagse herinnering — ergens op kantoor. Ik zag de bureaus. Ik was daar en iemand riep iets naar me — een man die met een potlood in zijn hand op een bureau leunde.”

Deze verschijnselen zouden er op wijzen dat herinneringen op hooguit enkele neuronen vastliggen en dat er dus ontelbare, haarfijne geheugensporen bestaan. Die conclusie was echter in strijd met eerdere bevindingen.

De neuroloog Lashley had in de jaren 1920 onderzoek gedaan naar het geheugen van ratten. Hij leerde ratten de weg te vinden in een doolhof en verwijderde vervolgens delen van hun hersenen. Lashley hoopte door het systematisch versnijden van het rattenbrein uiteindelijk een geheugenspoor te vinden.

Dit hardhandige spoorzoeken had echter weinig succes. Welk deel van de hersenen Lashley ook wegsneed, de ratten bleven in staat om op de aangeleerde wijze door het doolhof te wandelen. Weliswaar nam deze vaardigheid af naarmate er een groter deel van de hersenen was verdwenen, maar met het geleerde bleek in ieder geval geen specifieke plek in de hersenen te corresponderen. Kennelijk zaten de sporen overal en nergens, wat voor een neuroloog op hetzelfde neerkomt.

Dat Lashley’s lancet geen sporen aantrof, terwijl Penfïelds elektrode juist zeer gedetailleerde sporen aan het licht bracht lijkt moeilijk met elkaar te rijmen. Hebben geheugensporen nu wel of niet een precieze lokalisatie? De
hologrammetafoor maakt het mogelijk beide onderzoekers een deel van het gelijk te geven en volgens de hersenonderzoeker Rosé wierp men zich dan ook met een „bijna hoorbare zucht van verlichting” op de nieuwe analogie.

Dat de geheugensporen kennelijk overal en nergens zitten komt overeen met de verspreiding van informatie over een hologram. Met een fragment kan de gehele voorstelling worden gereconstrueerd, zoals Penfield merkte, terwijl die voorstelling, zoals Lashley merkte, niet uit het geheugen is weg te snijden door een deel te verwijderen. Dat er niet plotseling afzonderlijke herinneringen wegraken, hoewel er volgens schattingen dagelijks zo’n vijftigduizend hersencellen afsterven, is precies wat we binnen de hologrammetafoor zouden verwachten.

Ook associatie is goed in de metafoor te passen. Sommige hologrammen maakt men door de combinatie van lichtstralen die elk door een ander voorwerp worden gereflecteerd. Als men het hologram vervolgens beschijnt met licht dat afkomstig is van het ene voorwerp ontstaat tevens een vaag beeld van het andere voorwerp. Als zich in de hersenen vergelijkbare processen afspelen zou dat kunnen verklaren waarom we ons de details van gebeurtenissen soms veel beter herinneren wanneer we terugkeren naar de desbetreffende plaats.

Tenslotte is er nog de grote informatiedichtheid van hologrammen. Pribram noemt al een cijfer van 10 miljard bits per cmen volgens hem is het dankzij deze technische analogie veel begrijpelijker geworden hoe tweeëneenhalf pond menselijke hersenen zo’n enorme hoeveelheid informatie kan bevatten.

Een andere discipline waar de metafoor van het hologram bruikbaar lijkt is de celbiologie. In de kern van al onze lichaamscellen ligt in de vorm van DNA-strengen ons gehele erfelijke materiaal opgesloten. Dat betekent dat met één willekeurige cel het geheel gereconstrueerd kan worden. Soms kan men het geheel er zelfs mee construeren.

In een vermaard experiment werd uit de darmcel van een kikker de kern weggenomen en in een eicel geplaatst. Uit deze eicel ontwikkelde zich een normale kikker. Evenzo zou men met een cel uit de oorlel van Lincoln in zekere zin over de gehele Lincoln beschikken — wat op zijn minst weer doet denken aan de principes van het hologram.

Rode draad
In Een nieuwe werkelijkheid. Het holografische model en andere paradoxen (K. Wilber, red. Uitgever: Lemniscaat, is een groot aantal artikelen en commentaren rond de metafoor van het hologram verzameld. Het boek bevat onder meer een artikel van Pribram zelf, een gesprek met Fritjof Capra over zijn Tao van de fysica en enkele interviews met David Bohm, die met behulp van het holografische model zijn fysische theorie uitlegt. Rode draad in het boek is de verwachting dat dit nieuwe model een verbintenis tussen natuurwetenschap en mystiek mogelijk zal maken.

Het hologram blijkt in kringen van mystici nogal wat te hebben losgemaakt. Om voor hen bruikbaar te zijn moest de metafoor wel enigszins uit zijn hengsels worden gelicht. Werden aanvankelijk de delen van het brein opgevat als scherven van een hologram, nu interpreteert men het brein zélf als een scherf en wel van, zoals men schrijft, het Grote Hologram, het universum.

Wie eenmaal deze stap heeft gezet — een kleine stap voor wie gewend is in kosmische dimensies te denken — kan vervolgens de holografische principes toepassen op: „helderziendheid, psychokinese, wondergenezing, tijdscontractie, extra snel leren, de ervaring van ’één-zijn met het universum’, de overtuiging dat de gewone werkelijkheid een illusie is, en beschrijvingen van een leegte die tegelijk vol is.”

Ter illustratie de toepassing van holografie op psychokinese. Daarover wordt gezegd: „er is evenmin behoefte aan een kracht in punt Y die een invloed uitoefent op punt Z, als de informatie die nodig is om het voorwerp in beweging te brengen, zich ook al in punt Z bevindt. Als de hersenen een hologram zijn dat een holografisch universum interpreteert, zijn buitenzintuiglijke waarneming en psychokinese onvermijdelijke aspecten van dat universum.”

Even verderop oppert men dan dat mensen als Uri Geller toegang hebben tot een „werkelijkheid die verschilt van die van ons, omdat in zijn werkelijkheid de dingen die volgens ons onmogelijk zijn, wel mogelijk zijn.”

Dit werd geschreven in 1978, dus nog vóór Gellers ontmaskering. Geller zou, zuiver door gedachtekracht, lepels en vorken kunnen verbuigen. Televisieopnamen brachten later aan het licht dat Geller onder zijn vingernagels een chemische stof verborgen hield die hij uitstreek op de steel. Dat die vervolgens kromtrok had dan ook niets met psychokinetische vermogens te maken.

De enige werkelijkheid waar Geller toegang toe had was de platte werkelijkheid van het bedrog en de hele affaire was de zoveelste bevestiging dat in de parapsychologie de verklaringen Toeval & Bedrog altijd aan het langste eind trekken. Bovendien: als het menselijk brein een scherf is van het Grote Hologram, waarom is dan niet iederéén paranormaal begaafd?

Zelfs als de metafoor van het hologram met meer terughoudendheid wordt gehanteerd, zoals in het hersenonderzoek, blijven er nog genoeg problemen over. De perceptiepsycholoog Gregory heeft bijvoorbeeld als bezwaar aangetekend dat het licht dat het menselijk oog binnenkomt in tegenstelling tot laserlicht niet gefaseerd is en dus niet holografisch kan worden vastgelegd. Ook als men namens Pribram antwoordt dat het niet om de fysica maar de logica van het hologram gaat, maakt zo’n tegenwerping duidelijk dat er nader onderzoek nodig is naar de punten waarop de vergelijking mank gaat.

Wastablet
Een ander probleem, meer filosofisch van aard, wordt evenmin opgelost met de metafoor van het hologram. Of we het geheugen nu voorstellen als een wastablet (zoals Plato deed) of als een hologram, onduidelijk blijft wie er naar het wastablet of het hologram kijkt. Wastabletten veronderstellen lezers, hologrammen toeschouwers. Dit is het probleem van de „ghost in the machine” en ook de metafoor van het hologram heeft dat spook niet kunnen verdrijven. Sommige problemen krijgen door nieuwe technologieën wel telkens een andere formulering, maar worden er niet door opgelost.
.

Herinneringen lijken in ons geheugen te worden bewaard als een hologram. Als een hologram, zoals hierboven van president Lincoln, in stukjes wordt geknipt geeft ook het kleinste stukje nog informatie over het geheel. Het beeld wordt alleen wat vager.

Douwe Draaisma in De Volkskrant 10-08-1985

geheugen en herinneren in menskunde en pedagogie nr. 18

.

1315-1228

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – levenszin (3-2)

.

Levenszin signaleert extremen

Zien doe je met je ogen, horen met je oren, proeven met je tong en ruiken met je neus, maar hoe weet je nu hoe je je lichamelijk voelt? Hoe je weet dat je honger hebt of dorst, misselijk bent of ‘niet lekker’ of ziek, of dat je gewoon naar de wc moet? Daar hebben we kennelijk ook een zintuig voor.
Maar niet een zintuig dat uiterlijk zichtbaar is als de ogen, oren, neus of tong. Je zou kunnen zeggen dat het hele lichaam hier als zintuig fungeert. Het is opvallend dat deze lichamelijke gevoelszin, waar we vreemd genoeg geen woord voor hebben, voornamelijk merkbaar is bij onraad. Want normaal merken we maar weinig van de levensprocessen zoals de spijsvertering of de bloedsomloop. Pas wanneer er iets aan scheelt: gebrek aan vocht of voedsel, kramp in de darmen of ander ongemak in een orgaan of in het hele lichaam, merk je dat je je binnenste kunt voelen. Wanneer iemand je vraagt hoe je je voelt en je even bij jezelf te rade moet gaan, betekent dat al dat je je kennelijk goed voelt. Anders had je dat wel geweten. Maar deze naamloze gevoelszin, die Rudolf Steiner ‘Levenszin” heeft gedoopt is niet alleen maar werkzaam als alarm. Er zijn ook momenten waarop je je juist (lichamelijk) heel goed kunt voelen. Wanneer je net gesport hebt bijvoorbeeld, of lekker gegeten of geknuffeld. Kennelijk signaleert de levenszin alleen extremen.

Waar zit die levenszin?
Er is dus geen eenduidig zichtbaar zintuig dat zorgt voor deze levenszin. Het wordt verzorgd door een geheel aan chemische en mechanische sensoren in de organen, bloedvaten en andere weefsels van het hele lichaam. Al die uiteenlopende signalen van die sensoren worden door verschillende zenuwen naar de hersenstam geleid. Die behoren tot de zogenaamde autonome zenuwen. Deze worden gewoonlijk beschreven als zenuwen waarmee de hersenen onbewust de werking van de organen regelen. Gelukkig is dat onbewust, je moet er niet aan denken dat je je daar ook nog mee bezig zou moeten houden. Dat zou niet lang goed gaan. Het opmerkelijke is dat de meeste signalen (tot wel 95 procent) naar de hersenen gaan in plaats van andersom. Er wordt dus veel meer terug gerapporteerd dan ‘van bovenaf geregeld. Dat geldt vooral voor twee belangrijke onderdelen: de Vaguszenuw en het zenuwnetwerk rond de darmen, het ‘enterisch zenuwstelsel’. Via de Vaguszenuw gaan vooral signalen van de organen, zoals het hart, naar de hersenen en veel minder van de hersenen naar het hart. Want, met uitzondering van de longen die afhankelijk zijn van de ademhalingsspieren, regelen de organen hun normale functie zelf. Ze worden hoogstens wat aangevuurd of afgeremd door de hersenen. Al die uiteenlopende rapportages ervaren wij als een geheel: hoe we ons voelen.
De hoeveelheid neuronen van het enterisch zenuwstelsel is ongeveer gelijk aan die van de hersenen. Dit zenuwstelsel wordt tegenwoordig wel het tweede brein genoemd. Misschien is om die reden wel gebleken dat van alle organen het de darmen zijn die de meest opdringerige en angstig makende vorm van ziektegevoel veroorzaken.

Organen, stofjes en stemmingen
De Amerikaans-Portugese neuroloog Antonio Damasio denkt dat deze informatie van het autonome zenuwstelsel niet alleen zorgt voor het gevoel van vitaliteit: of je je lekker voelt of niet, maar dat het ook invloed uitoefent op je grondstemming. Een gevoel dat van halfbewust zeer bewust kan worden als het om onlust gaat. Onze taal zit er vol mee en iedereen kent het fysieke gevoel dat erbij hoort. “Ik krijg er pijn in mijn buik van.” “Ik word misselijk bij het idee.” “De angst greep me beet.” “Mijn hart doet pijn als ik aan je denk.” “Ik deed het bijna in mijn broek toen ik het hoorde.” En ga zo maar door. Kennelijk krijgen niet alleen onze gedachten vorm met behulp van lichamelijke metaforen maar worden onze emoties en stemming ook door het lichaam en de organen gekleurd. Emoties worden veelal in verband gebracht met de verschillende neurotransmitters en hormonen. Veel organen maken hormonen en neurotransmitters en hebben zo ook buiten het autonome zenuwstelsel om invloed op onze stemming. Zo maakt het hart bijvoorbeeld oxytocine (het ‘hechtings- of ‘liefdeshormoon’) en daarmee kan het dus inderdaad de functie vervullen die we uit het taalgebruik kennen: het orgaan van de liefde. Ook dat kun je ‘fysiek’ ervaren. En de darmen (of waarschijnlijk de bacteriën in de darm) maken een stof die lijkt op valium. Zo kun je je behaaglijk voelen na een goede gezonde maaltijd.

Leren van je levenszin
Van de levenszin kun je dus leren. En wel over wat jou goed doet en wat niet. Dat is natuurlijk van belang om gezond te blijven. Vandaar dat je je ook niet lekker voelt als je langdurig stress hebt, of te lang doorwerkt. En dat kan de verwarrende sensatie geven dat je lichamelijk iets mankeert. Maar het meest interessant is misschien de vondst van Damasio dat het signaal uit het lichaam je ook waarschuwt of een situatie pluis is of niet. Om dat pluis- of niet-pluisgevoel te versterken moet je op je levenszin letten.

Arie Bos in Stroom, winter 2015
.

Arie Bos : ‘Hoe de stof de geest kreeg‘ ; ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’

Levenszin

zintuigen: alle artikelen

.

1310-1223

.

.

VRIJESCHOOL – Bewegen in de klas (2)

.

De Vrije School Den Haag startte vier jaar geleden* met het project de ‘bewegende klas’. Bankjes blijken geschikt als hindernisbaan.

Meer bewegen leidt tot betere leerprestaties, zo claimen sommige wetenschappers. In het Duitse vrijeschoolonderwijs zijn bewegende klassen al heel normaal. Toen ze daar op de school van haar neefjes zag hoe goed het concept werkte, raakte leerkracht Annemiek de Leeuw razend enthousiast. Ze kreeg de ruimte om dit uit te proberen in haar eerste klas (groep 3) van de Vrije School Den Haag en inmiddels draait het experiment al voor het vierde jaar.
Elke dag begint ze met een soort apenkooi; een parcours van bankjes hoogopgetast of dienend als evenwichtsbalk. Vervolgens wisselen leerlingen zelf steeds de opstelling. Net naar wat nodig is: de bankjes in rijen achter elkaar als de juf iets uitlegt op het bord, of leerlingen gebruiken het bankje als tafeltje als ze moeten schrijven. “Het versjouwen van meubilair leidt niet tot chaos, want kinderen hebben vaste plekken en weten precies wat ze moeten doen”, vertelt De Leeuw, die veel voordelen ziet. “Zeker de eersteklassers [groep 3] zijn nog zo springerig, veel bewegen is gewoon een must. Bovendien krijgen de hersenen zo meer zuurstof en zijn leerlingen meteen gefocust na een evenwichtsoefening.”

Leren met je lijf
Leren gaat volgens haar beter als ze hun hele lijf en dus alle zintuigen kunnen gebruiken: leren met hoofd, hart en handen. “Door bijvoorbeeld in je handen te klappen, kun je op een heel natuurlijke manier leren rekenen.” Een kringopstelling als basis levert ook winst op: iedereen zit op de eerste rij. De Leeuw: “Ik zie alle leerlingen en zij zien elkaar, waardoor ze veel meer met elkaar verbonden zijn. Ze zijn minder snel afgeleid, doen actief mee en leren dus ook van elkaar.”
Als de resultaten inderdaad goed zijn, zal het concept op haar school worden uitgebreid naar andere klassen. Iets wat elke leerling toejuicht, aldus De Leeuw. “De anderen zijn namelijk stikjaloers, iedereen wil dit wel.” Ook andere scholen zijn geïnteresseerd. Volgens De Leeuw kan elke school hier haar voordeel mee doen: “Scholen hoeven niet meteen hun inrichting radicaal te veranderen, maar kunnen ook alleen die dingen eruit halen die bruikbaar zijn. Kom gerust eens kijken.”

Onlangs verscheen, op initiatief van Annemiek de Leeuw, de vertaling van het boek ‘Klas in Beweging’ van Martin Carle, €15,00, ISBN 9789402125016.

D van ’t Erve, in Onderwijsblad van de Aob, 21-03-2015

.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.

1309-1222

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoeding: jongens

.

Kinderen goed waarnemen is een pijler van het vrijeschoolonderwijs. Een schat aan gezichtspunten staat de leerkracht ten dienste.
Toch is iedere nieuwe bijdrage het waard om bestudeerd te worden en getoetst in de praktijk. Herken je aspecten. Dat kan je blik op het wezen van een kind weer verruimen en verdiepen.

Jongens zullen altijd regels overtreden

zegt Angela Crott. Ze nam honderd jaar opvoedingsliteratuur door.

Jongens halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school en hebben vaker adhd. Verontrustend? Welnee, vindt Angela Crott, die honderd jaar opvoedingsliteratuur doorploegde. “Jongens zijn nu eenmaal jongens. Maar het onderwijs zou wel beter op jongens kunnen inspelen.”

De titel van je boek is ‘Jongens zijn ‘t.
Van Pietje Bell tot probleemgeval’.

Dus zeg het maar: welke van de twee is het?

“Volgens mij in elk geval géén probleemgeval. Maar zo worden jongens in de loop der tijd wel steeds vaker gezien, blijkt uit de opvoedingsliteratuur die ik voor mijn proefschrift heb doorgenomen.”

Vroeger werden ze meer gezien als Pietje Bell?

“Zeker. In de jaren dertig wordt in opvoedingsboeken gesteld dat ‘volgzaamheid en bravigheid’ nu eenmaal geen eigenschappen van jongens zijn. Jongens willen grenzen overschrijden en streken uithalen.”

En daar had niemand problemen mee?

“Nou, rond 1930 werden de eerste Medisch Opvoedkundige Bureaus opgericht. Ouders met jongens die heel druk en ongehoorzaam zijn – dat noemden we toen ‘zenuwachtigheid’ – beginnen de weg naar die bureaus te vinden. Rond die tijd zie je in opvoedkundige literatuur ook het woord ‘moeilijkheden’ in de titel verschijnen als het over jongens gaat. Jongensgedrag begint dus een beetje als een probleem te worden gezien, maar veel stelt het nog niet voor.”

Grote omslag

En dat veranderde?

“De grote omslag kwam in de jaren zeventig, met de opkomst van de emancipatie. Er verschijnen rond die tijd ook geen boeken meer die specifiek over het opvoeden van jongens gaan. Er verschijnen alleen boeken waarin jongens- en meisjesgedrag met elkaar wordt vergeleken. En waarin veel wordt geschreven over één specifieke eigenschap van jongens: agressie.”

Ah, en die eigenschap is een probleem natuurlijk

“Ja, want dat moet worden afgeleerd. In die agressie zit immers hoogmoed en baldadigheid besloten. Baldadigheid is niet goed, en hoogmoed mag helemaal niet meer: een jongen moet vooral niet denken dat hij meer is dan een meisje.”

Tja, wij mannen gaan al meer dan tweeduizend jaar voor onze beurt

“De heersende mening was dat vrouwen worden onderdrukt, en dat moest maar eens afgelopen zijn. Dan kón ook, volgens de nurture-theorie die toen in zwang kwam – de theorie dat gedrag vooral een kwestie is van opvoeding. Jongens en meisjes zijn hetzelfde, op een miniem lichamelijk verschil na, dus kunnen ze ook leren zich hetzelfde te gedragen.”

Oké…

“Jongens moesten hun haantjesgedrag afleren en meisjes hun verlegenheid. Er werden ook emancipatiewerkers ingezet, die sekseneutraal gedrag moesten bevorderen. Ouders, grootouders en leraren moesten zich realiseren dat ze jongens specifiek jongensgedrag aanleren. Als dat zou veranderen, kwam alles goed en zou er een vredelievende maatschappij ontstaan.”

Jongens moesten met poppen gaan spelen. meisjes met auto’s

“Ik geloofde daar toen zelf ook in. Ik dacht: ik ga eens even mijn schouders onder de emancipatie zetten, en heb poppen gekocht voor mijn twee zoons. Maar die bleken auto’s toch interessanter te vinden. Toen begon ik in te zien dat er een grote nature-component in hun gedrag zit: Pietje Bell-gedrag is voor een groot deel aangeboren.”

Lawaai maken

Tot zover de idealistische jaren zeventig. En wat zegt de opvoedingsliteratuur van nu over jongens?

“Het debat over nature en nurture woedt nog steeds. En in het onderwijs wordt steeds vaker de vraag gesteld of juffen wel kunnen omgaan met typisch jongensgedrag. Van dat gedrag had ik trouwens zelf ook last toen ik ging lesgeven.”

Vertel!

“Tussen 1975 en 1980 heb ik voor de klas gestaan. En dat jongens zó druk zijn, van hun stoel vallen niet luisteren en lawaai maken, dat hadden ze me op de pedagogische academie niet verteld.”

Daarom ben je ook gestopt?

“Eerlijk gezegd was dat wel een van de redenen. Want er zaten een paar exemplaren bij…”

Je begreep die jongens niet?

“Inderdaad. Als je zelf geen jongen bent geweest, weet je niet hoe leuk het is om een ruitje in te gooien, om dingen te doen die niet mogen. Daar ben je als meisje veel te gehoorzaam voor.”

Wat kunnen juffen doen om beter met jongens om te gaan?

“Opvoedkundigen zijn heel goed in het geven van adviezen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat je jongens om het kwartier even moet laten bewegen. Maar hoe moet je dat doen? Je kunt ze moeilijk elk kwartier een rondje door de klas laten rennen.”

In je boek geef je een paar tips die wél uitvoerbaar zijn

“In de eerste plaats: structuur bieden. . Gewoon zeggen wat wel mag en wat niet mag. En niet teveel praten, want dat vinden jongens al snel gezeur. Verder moet je met jongens vooral dingen doen, dingen beleven. Jongens houden ook erg van stoeien en aanraken, dat is hún manier van communicatie. En humor is heel belangrijk. Als je jongens op een humoristische manier benadert, zijn ze best bereid om even gehoorzaam te zijn.”

Stoer

Je pleit ook voor korter onderwijs

“De leerplicht zou verlaagd moeten worden tot 15 jaar. In allerlei
opvoedingsboeken, tussen begin vorige eeuw en nu, komt steeds terug dat jongens rond 15 jaar de brui aan school geven. Maar omdat ze tot hun achttiende in het onderwijs moeten blijven zitten, ontstaan er problemen. Ze worden ongemotiveerd, stromen af of vallen uit.”

Eh, maar dan? Op je vijftiende aan het werk, zonder diploma?

“Ik pleit voor het herinvoeren van de ambachtsschool. Er zijn nu eenmaal jongens die graag willen aanpakken, die graag dingen willen doen. En die dan graag snel aan het werk willen, om wat te betekenen in het leven. Zo van: kijk mij, ik ben geweldig. En dat zijn ze toch ook? Maar goed, verlaging van de leerplicht is geen populaire boodschap. Er stelde laatst nog iemand voor om de leerplicht te verhogen tot 23 jaar. Als je nog meer boze jongens wilt hebben, moet je dat vooral doen.”

Over omstreden boodschappen gesproken: je pleit ook voor gescheiden onder wijs aan jongens en meisjes

“Zeker. Want jongens hebben niets tegen meisjes, maar ze willen er ook niet mee concurreren – omdat ze dat vaak verliezen. In gemengde klassen gaan jongens zelfs onderling concurreren om dan maar het laagste cijfer te halen. Een 1 is heel erg stoer: een ‘paal’. De stoerste jongen haalt ‘zoveel palen dat je er een snelweg mee kunt aanleggen’. Uit Amerikaans en Engel onderzoek blijkt dat jongens in gescheiden onderwijs veel beter gaan presteren.”

En gaan ze zich ook beter gedragen?

“Ha, nee, dat niet. Jóngens zullen altijd dt schoolregels blijven overtreden. Ze willen uitdagen, de boel opschudden en kijken wat er dan gebeurt. Jongens blijven nu eenmaal jongens. Maar laten we eens ophouden met dat als probleem te zien.”

Interview: Rob Voorwinden, in Onderwijsblad Aob, 11 mei 2013

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1298-1211

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (29)

.

HEMELVAART

Wat schiet u te binnen bij het woord Hemelvaart? Ja precies, dat is een vrije dag! Dat was ook mijn eerste gedachte. En verder blijft de achtergrond toch wel in het vage. Volgens de christelijke traditie was dit de allerlaatste dag waarop Jezus in zijn aardse verschijningsvorm werd gezien. Niet direct iets om te vieren als een feestdag.

Ingebed tussen Pasen en Pinksteren, twee feesten met een indrukwekkend thema, verdwijnt Hemelvaart wat uit beeld. Ook in de beeldende kunst heb ik geen afbeelding kunnen vinden die deze bijdrage zou kunnen illustreren. Wat moeten we eigenlijk met de voorstelling van iemand die voor onze ogen opstijgt en door wolken aan het gezicht wordt onttrokken en tenslotte nooit meer door mensenogen gezien wordt?

Des te merkwaardiger is het dan dat dit thema toch herhaaldelijk opduikt. Ook de profeet Mohammed werd ten hemel gevaren en de joodse profeet Elias. Maar nog veel verder terug in de tijd, nog voor de zondvloed, wordt gesproken over Henoch. In de lijst van stamvaders die tot Noach voert, is Henoch de 7-de. Hij bereikt een leeftijd van 365 jaar en sterft niet, maar wordt om zijn vroomheid door God van de aarde weggenomen. Als we denken aan 7 dagen in de week en 365 dagen in het jaar dan ontmoeten we hier een oeroud cyclisch patroon.

Daarmee komen we wellicht dichter bij de wezenlijke betekenis van Hemelvaart. We kunnen ons voorstellen dat hier sprake is van een kosmisch principe dat alle aardse wetmatigheden overstijgt. Iets dat opkomt en ondergaat, maar- nooit vergaat! Het eeuwig leven waar Jezus herhaaldeiijk op zinspeelt. Is Jezus zélf ook niet een kosmische kracht?

De feitelijke verhalen, de Evangeliën, zijn verre van eensluidend. Zij zijn vaak overgeschreven uit oudere bronnen en verschillende talen gaven weer grond tot verwarrende interpretaties. Maar waar het ons om gaat, is het uiteindelijk beeld dat zich gevormd heeft, ja dat zich zo móest vormen. Daardoor heeft Jezus’ dood, verrijzenis en hemelvaart zich in een oeroud kosmisch patroon ingevoegd. Daardoor heeft de mystieke betekenis van Pasen, maar ook van Hemelvaart nog niets aan kracht ingeboet.

Met Pinksteren herdenken wij dat de bezielende geest neerdaalde op de apostelen en hun metgezellen in de vorm van vurige tongen. Het kan, ons opvallen dat de Joden op diezelfde dag reeds iets anders herdachten, namelijk de wetgeving van Mozes aan het volk op de berg Sinaï. In zekere zin in beide gevallen een vorm van geestelijke loutering. In beide gevallen vergezeld van vuur; de ene keer de reeds genoemde vurige tongen, de andere keer de bliksemflitsen.

Zoals het water de lichamelijke reiniging symboliseert, zo staat vuur voor de geestelijke reiniging. Pinksteren kan ons een vonk van inzicht schenken. Door Pinksteren kunnen wij ervaren hoe wij zelf deel uitmaken van de kosmos. Het kan ons vertwijfeld doen neerzitten om onze nietige onbelangrijkheid, maar het kan ons ook in dankbare eerbied doen opzien in het besef dat wij daar een deeltje van mogen zijn.

Harrie Vens, nadere gegevens onbekend

.

Hemelvaart – Pinksteren: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

1294-1208

.

.

VRIJESCHOOL – Onderwijs, hoe was het vroeger?

.

Soms is het goed naar het verleden te kijken – niet zo vanzelfsprekend voor een leekracht die met kinderen werkt: kinderen zijn de toekomst – maar het verleden geeft wel iets aan van bijv. de tijd van toen: wat vond men belangrijk en waarom.
“Elke tijd heeft zijn specifieke opdracht’, zei Steiner. Wat is de opdracht van deze tijd en wat is eigenlijk ‘deze tijd’. 

Het verleden: ook gewoon interessant!

In onderstaand artikel een schets van dat onderwijsverleden.

De zorgen van onze goede minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zijn velerlei. Tekort aan onderwijzers en leraren: te lage salariëring en daardoor weinig animo deze beroepen uit te oefenen. Te grote klassen en te weinig scholen; maar anderzijds een tendentie om steeds meer inrichtingen voor middelbaar onderwijs te stichten, terwijl tal van gemeenten een hogeschool willen hebben, of liever nog een universiteit. Iedereen klaagt over gebrek aan praktische kennis en over een teveel aan schoolse wijsheid bij de schooljeugd. Maar als de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zijn mammoetwet nog eens heeft doorgelezen en alle klachten heeft onderzocht, kan hij toch de genoegdoening smaken dat het tegenwoordige onderwijs veel en veel beter is dan dat van onze voorouders…

In de 8e eeuw stichtte Sint-Willebrord de Domschool in Utrecht; deze school, waar ook Sint-Bonifatius les moet hebben gegeven, is de oudste school in ons land, waarover we iets beschreven vinden. De scholen waren in die tijd en nog lang er na een onderdeel van de kerk en de onderwijzers waren dan ook meestal geestelijken van lage rang. Het aantal scholen nam betrekkelijk snel toe, maar in de 9e eeuw vielen de Noormannen ons land binnen en met talloze kerken werden ook de meeste scholen verwoest. Men kon weer opnieuw beginnen.

Het nauw met de godsdienst verweven zijn bracht veelal mee dat de scholen vlakbij de kerk of zelfs ertegenaan werden gebouwd. Vooral in de vroege middeleeuwen was zo’n school desondanks uiterlijk en innerlijk niet veel bijzonders. Zijn wij tegenwoordig gewend aan gebouwen waar licht en lucht vrij toegang hebben, de scholen van vroeger waren dikwijls niet veel meer dan houten hutten met daken van stro en bestaande uit twee lokalen: een als leslokaal voor de kinderen en een als woonruimte voor de onderwijzer. Het schoollokaal had een vloer van aangestampt leem, die ’s zomers met biezen en ’s winters met stro werd bedekt. Banken of lessenaars waren er niet; de kinderen zaten op de grond. Dit was niet omdat de school maar een gewone lagere school was; tot in de 15de eeuw zaten zelfs de studenten van de beroemde universiteit van Parijs op de vloer!

Het doet ons vaderlandse hart goed te weten dat ons land in het verbeteren van deze toestanden een grote rol heeft gespeeld. Reeds in 1430 had de Latijnse School in Middelburg banken. De Latijnse School in Gouda kende toen nog wel geen banken, maar de toen met stro bedekte vloer was er in elk geval al van steen. Voor licht en lucht moest men overigens langer op verbetering wachten. De ramen bestonden uit verglaasd en geolied papier, waardoor de ventilatie uiteraard niet ideaal was. De verlichting bestond uit vetkaarsen en was dus beslist onvoldoende. Pas de uitvinding van de lantaren bracht verbetering, zij het nog uiterst bescheiden.

U begrijpt dat van een behoorlijke schoolhygiëne bij dergelijke toestanden weinig sprake kon zijn, afgezien van het feit dat in die jaren het woord hygiëne nog niet was uitgevonden. Op het erf van de reeds genoemde Latijnse School in Middelburg stonden twee gebouwtjes: „die stille, het aesement ofte die heymelicheit, daer die scoelkynderen op gaan.” De kinderkens van de laagste klassen hadden overigens gemakshalve ook „een ymer en een tobbekyn” te hunner beschikking!

Het kwam dikwijls voor dat een school werd ondergebracht op de tweede etage van een of ander gebouw, en soms nog hoger. Het parterregedeelte was in Gouda en Middelburg ingericht als pakhuis en als stal voor de paarden van dóórtrekkende reizigers. In Breda gebruikte de Rederijkerskamer het benedengedeelte voor zijn bijeenkomsten, terwijl het later werd gebruikt als opslagplaats voor het transportmateriaal en de werktuigen van de gemeente en voor de brandweer. In Alkmaar diende de parterre als vergaderzaal van de gilden.

Ook vroeger was de schooljeugd natuurlijk rumoerig, vervelend en bij tijd en wijle nogal ordeverstorend. Worden de belhamels tegenwoordig in een hoek gezet of de gang opgestuurd, in de oude tijd werden ze in een klein kamertje gestopt, een soort cel, waar ze moesten blijven tot hun gevoel voor orde en netheid was teruggekeerd en ze voldoende waren afgekoeld. En dat was nog een milde straf, want de roede en de plak waren met graagte gehanteerde leermiddelen -maar daarover straks.

Het feit dat de scholen vooral in het begin door geestelijken werden bestuurd, bracht mee dat die scholen in de eerste plaats werden bestemd voor jongens die tot de geestelijke stand wilden worden opgeleid. Hieruit vloeide voort dat geleidelijk een ander soort school ontstond, waar weliswaar het godsdienstonderwijs een grote plaats bleef innemen, maar waar het onderricht verder niet de geestelijke stand tot einddoel had. Wilde men in die dagen evenwel vooruitkomen, dan moest men toch kennis hebben van de Latijnse taal – bijna alles werd in het Latijn geschreven – vandaar dat deze scholen reeds spoedig de naam kregen van Latijnse School; hierboven werden er enkele genoemd. Zo’n Latijnse school viel in twee delen uiteen: de hoge- of bovenschool omvatte 5 klassen, de lage- of benedenschool twee klassen voor elementair onderwijs, die septanos en sextanos heetten dus de 7e en 6e klas. Uit deze manier van tellen blijkt dat men niet in een opklimmende reeks sprak van 1e, 2e, 3e, enz. tot 7e klas, maar van 7e, 6e, 5e enz. tot 1e; dit systeem wordt trouwens nu nog op de Duitse gymnasia gebezigd.

De zogenaamde grote school was doorgaans een openbare gemeenteschool, waar alle kinderen konden worden aangenomen. Langzamerhand werden er evenwel ook particuliere scholen opgericht, omdat vele tot welstand komende ouders niet wilden dat hun kinderen met die van een mindere stand in één klas zaten. Deze ontwikkeling was echter niet ten voordele van de onderwijzer oftewel rector van de grote school. Deze ontving in de eerste tijden geen salaris, maar had meestal de school gepacht en had dan als inkomsten de enkele stuivers per jaar, die hij van de gegoede ouders kreeg, terwijl de minder gegoede ouders hun kinderen een bijdrage van de oogst of van de slacht voor de meester meegaven. De rest van zijn inkomen moest de goede man vinden in bijverdiensten in de kerk, waar hij als geestelijke van lagere rang bij vele plechtigheden kon assisteren. Het ontstaan van particuliere scholen betekende dus voor de onderwijzer een klont uit de pap. Het gevolg was dat hier en daar het oprichten van bijzondere scholen werd verboden, in Haarlem bijvoorbeeld. In andere plaatsen moesten de ouders die hun kroost naar een bijzondere school stuurden, de rector van de grote school een schadevergoeding geven, in Den Haag bijvoorbeeld twee carolusgul-dens per jaar.

Het ambt van onderwijzer stond intussen niet in hoog aanzien. Alleen al omdat de meester door allerlei bijverdiensten aan zijn boterham moest zien te komen, werd hij vooral op de kleinere plaatsen een manusje van alles. Dirck Adriaenszoon Valckoog, onderwijzer in Barsingerhorn, heeft tegen het einde van de 16e eeuw in een lang vers het een en ander over het onderwijs in zijn dagen verteld en zegt over de meester onder meer:

„om dat dick en vaecken een sober regiment
bij den schoolmeesters hier te lande wordt bekent,
om redenen dat hier salariën is wat magher,
waer door sy dick moeten zijn een clagher…”

„Ten eersten mach de schoolmeester wel een notaris syn,
een schatgaarder, een secretaris fijn,
d’impost uitryckenen, end’ ook droogscheren,
hair afsnyden, somstyds ook wonden cureren,
glasemaken, cloetmaken en dootkisten,
steenhouwen, schilderen, stoelen verwen en vernisten,
oock schoenlappen ende clompen maken,
rou korf maken ende den acker haken,
boeckbinden op veteren en breyen netten,
een paer koeyen houden, ossen vetten,
somtyds met naayen een stuyver verdienen,
oock uytsteken hechten in houten, in bienen,
boecken uytschryven, boelbrieven infangen
etlyke lepeleryen, daer een stuyver oft twee aenhangen …”

In de steden was het niet zó erg. Daar had de overheid al veel eerder een behoorlijke invloed op het onderwijs gekregen en werden de bepalingen dat de meester een kleine jaarwedde moest ontvangen, steeds veelvuldiger. Zo ontving rector Aernout in Nijmegen 1420 een lap zwarte lakense stof van de gemeente. Ongeveer honderd jaar later kreeg de toenmalige rector alle schoolgelden, het recht van vrij wonen, vrijdom van belasting en dan bovendien nog een jaarwedde. Vooral in de 17e eeuw werd het echter voor de onderwijzer wat beter en de man wordt zowaar een geëerd en geacht lid van de maatschappij. In brieven spreekt men hem aan met: „eerwaarde, geleerde, konstrijke”. Hij gaat gekleed in een lange wijde tabberd met korte mouwen en een geplooide halskraag. Hij draagt een bonnet met een geborduurde rand en een zijden met gouddraad doorweven knop. Op school staat hij niet meer, maar zit als een vorst aan zijn lessenaar.

Dit mogen uiterlijkheden zijn geweest, maar het was niet mogelijk deze uiterlijke waardigheid te bezitten indien men geen blijk had gegeven zijn zaakjes te kennen. In de Amsterdamse Schoolkeur, een soort stedelijke Wet op het Onderwijs, van 6 september 1623 was vastgelegd dat niemand les mocht geven die niet ten overstaan van een stedelijke commissie een examen had afgelegd en van de burgemeester geen acte van toelating had ontvangen. Dit gold niet alleen voor de rector, de „bovenmeester”, maar ook voor de „ondermeesters”. Buitenlanders waren dan ook dikwijls verrast in ons kleine land een goed georganiseerd onderwijssysteem te leren kennen. Reeds toen werden in Holland ook vreemde talen, in de eerste plaats Frans, maar toch ook Engels, Duits en Italiaans onderwezen.

De coëducatie was vroeger blijkbaar ook al een probleem; afzonderlijke jongens- en meisjesscholen bestonden er niet, maar toch werden de geslachten gescheiden gehouden, hetgeen blijkt uit hetgeen de hiervoor genoemde meester ‘Valckoog vertelt:

„De meyden sullen sitten in een loco alleen ende die knechten sullen oock sitten by een, na ’t fondament der scholen hem is streckende op datter geen oneerbaerheyt tusschen hen sy verweckende”

Men nam in die dagen geen blad voor de mond! Leiden was blijkbaar een moderne stad, want daar kregen de jongens en meisjes in één lokaal les. De dochters van de gegoede burgerij gingen overigens meestal naar de scholen in nonnenkloosters, waarvan men er in vrijwel elke stad een paar kon vinden; de dochters van edellieden gingen naar de kloosterschool in Loosduinen of bezochten de abdijschool in Rijnsburg.

De scholen hadden geen naam en zouden dan ook moeilijk te herkennen zijn geweest, ware het niet dat ze een uithangbord boven de deur hadden met in grote letters aankondigingen als SCHOOL of HIER ONDERWIJST MEN KINDEREN. Om het nog duidelijker te maken, stond er soms een bijbelspreuk op geschilderd. Niet erg aantrekkelijk en uit modern reclamepsychologisch oogpunt af te keuren, waren de uithangborden waarop plak en roede stonden afgebeeld!

Schoolboeken waren lange tijd schaars. Tot ver in de middeleeuwen gebruikte men nog de abecedariën uit de tijd van Karel de Grote. Dit waren boeken, waarin het alfabet stond, alsmede het Onze Vader en enkele andere veel voorkomende gebeden. Eigenlijk konden de abecedariën moeilijk boeken worden genoemd, daar zij aan de wand hingen. Oorspronkelijk waren ze uit perkament vervaardigd en met de hand beschilderd; later werd de tekst op bordpapier gedrukt. Nog later verschenen de zogenaamde Haneboeken: boeken waar op de voor- en achterkant een haan stond afgedrukt, welk beest als voorbeeld diende voor stiptheid en ijver: „Kinders, leert uw lessen wel.”

Als de hedendaagse jeugd de klas wordt uitgestuurd of honderdmaal moet schrijven „Ik mag niet vervelend zijn”, dan behoeft die jeugd niet te mopperen. Ondeugendheid kon vroeger met roede en plak ongenadig worden gestraft en niemand die daarvan iets mocht zeggen, want de meester was een onaantastbaar man. De plak was een schijfvormig slaginstrument op een korte stok. Hij kon rond zijn of ovaal, dik of dun, met een gladde oppervlakte of met ruiten besneden (dit laatste om de klap op de binnenkant van de hand des te gevoeliger te doen zijn). Waren de plakken gemaakt van gevlochten koperdraad of waren ze voorzien van spelden of naalden, dan was het nog minder leuk ermee te worden gestraft, maar de schooljeugd gaf daaraan toch de voorkeur boven de afstraffing met de roede, welke op vele scholen zelfs nog werd vervangen door riemen of bullepezen. Het kon echter nog erger. Op menige binnenplaats, vooral op de latere gestichtsscholen, stond een geselpaal en het was heus niet ongewoon wanneer kinderen aan die paal werden gebonden en ongenadig werden gegeseld.

Andere tijden, andere zeden. Wat we nu terecht ten zeerste afkeuren, werd in vroeger jaren zeer pedagogisch gevonden, al vond niemand het natuurlijk een pretje zelf zoiets te moeten ondergaan. Als tegenwicht waren er de schoolvermaken, waarvoor de gemeente soms geld gaf om het er eens gezellig van te nemen. De jeugd had gemeenschappelijke maaltijden op Driekoningen, Vastenavond of Onnozele Kinderen (28 december). Het feest van Vastenavond was extra gezellig, want dan konden de kinderen de zotskap opzetten en nam de meester de benen. De hele school ging achter hem aan, nam hem gevangen, bracht hem terug naar de klas en bond hem op zijn stoel vast. Wilde de meester vrijkomen, dan moest hij eerst trakteren en een dag vaststellen waarop er geen school zou worden gehouden, maar alleen spelletjes zouden worden gedaan.

Deze traditie is niet in onze onderwijswetten vastgelegd, al houdt vrijwel elke onderwijzer of leraar wel zijn particuliere verteldagen. In grote lijnen is de school nog wel hetzelfde als honderden jaren geleden, want kinderen zijn kinderen en schoolmeesters zijn ook onuitroeibaar. Maar het onderwijs en de onderwijsmethoden zijn in enkele eeuwen van primitief tot zeer goed geëvolueerd. Daarom mag onze minister van onderwijs toch niet klagen, ondanks de vele problemen die hem kwellen.

Schoolmeester met leerlingen uit ongeveer 1500. Let op de roede in ’s meesters hand!

J.H.W.boelen, nadere gegevens onbekend

.

Het eerste lees- en rekenboekje

.

1293-1207

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9-5/2)

.

Van de tast- en de levenszin zou je kunnen zeggen dat ze de buiten- en de binnenkant zijn van onze zelf­waarneming en ons zelfbeleven. De huid als concre­te buitenkant, de grens tussen onszelf en de ander, is het orgaan voor de tastzin. De levenszin zit eigenlijk overal aan de binnenkant en geeft ons het gevoel dat we ‘een-geheel’ zijn, dat we lekker in ons vel zitten. Zo geeft dit zintuigpaar naar binnen en naar buiten, houvast voor de zelfwaarne­ming. Het andere paar, de bewegingszin en de evenwichts­zin, maken de relatie zichtbaar tot de omgeving.

Bewegingszin
Natuurlijk denk je bij bewegingszin aan bewegen. Bij een zintuig gaat het steeds om waarnemen. Met de bewegings­zin nemen we onze eigen bewegingen waar. Het geeft ons de veranderingen door die optreden in de stand van het lichaam. Bij de pasgeboren baby is dit zintuig nog nauwe­lijks ontwikkeld. Al snel begint het kind te bewegen en later spelend te oefenen. De spierspanning, de beweging zelf, de spiervaardigheid, alles moet ontdekt, veroverd en geoefend worden. Het bijzondere van de werkzaamheid van zintuigen is, dat deze tot stand komt zonder tussenkomst van het verstand. Dus het jonge kind oefent, beweegt en speelt onbekommerd, om het bewegen, om het spelen zelf. Net zolang en zo vaak tot de bewegingen diep en onbewust in het lichaam zijn verzonken.

Nabootsing

De bewegingszin neemt dus de eigen bewegingen waar.

Toch zeggen we dat het jonge kind vooral leert door nabootsing. Dat zijn bewegingen, gewoontes van een ander. Hoe zit dat dan? Waarmee neemt het kind die bewegingen waar?

Er is een diepe samenhang tussen de bewegingszin en de nabootsing. Voor alle mensen geldt dat de bewegingen van een ander, in een lichte mate door ons spiersysteem mee­bewogen worden. Die veranderingen neemt de bewegings­zin waar. En dat geeft de impuls tot nabootsing. Niet bij alle kinderen zien we dat de impuls tot nabootsen vanzelfspre­kend tot stand komt. Bijvoorbeeld autistische kinderen lij­ken die impuls niet te volgen of te beleven en komen niet tot nabootsen.

Ons strottenhoofd werkt volgens ditzelfde principe.

Wanneer een ander mens spreekt, beweegt ons strottenhoofd in een lichte mate mee. Dat kun je erva­ren als een spreker veel kucht of met een hese stem praat. Vanzelf ga je ook kuchen of je keel schrapen. Zo vormt het strottenhoofd al voordat het kind spreekt de basis­vormen voor de spraak.

Voor het jonge kind is het dus van groot belang, dat de directe omgeving de moeite van het nabootsen waard is.

Lopen,spreken, denken

De meeste kinderen leren in deze volgorde drie belangrijke stappen in hun ontwikkeling.

Deze drie vermogens hangen samen met de bewegingszin. Uit het bovenstaande stukje krijg je al een gevoel voor de samenhang tussen lopen (bewegen) en spreken. Zowel ons strottenhoofd, als ons spiersysteem bewegen (dankzij de bewegingszin) mee met de bewegingen en de gespro­ken taal uit onze omgeving. De stap naar denken komt tot stand door de ervaringen die het kind opdoet: het ervaart hoe dichtbij of veraf iets is, krijgt gevoel voor verhoudin­gen, ervaart de consequenties van de zwaartekracht. Kortom: grijpen, doen wordt ‘be-grijpen’.

Een oud chinees spreekwoord zegt:

Als ik hoor, dan vergeet ik
Als ik zie, dan onthoud ik
Als ik doe, dan begrijp ik.

Dat denken en bewegen samenhangen wordt ook duidelijk in taal. We spreken van een bewegelijk denken, van ver­starde ideeën. Gedachten kunnen met iemand op de loop gaan.

En iemand die vastzit in zijn denken, kan door lopen, door bewegen zijn gedachten weer vlot trekken!

Een goed ontwikkeld zintuig wordt een vermogen voor de ziel. Kijk maar naar de kunstenaar: een pianist moet lang­durig oefenen en zijn muziekstuk letterlijk in de vingers krijgen. Zodra die vaardigheid verankerd is in het lichaam, wordt dit een poort naar een nieuw vermogen: de vertol­king of de verbeelding. Deze stijgt uit boven de vaardig­heid. Bijzonder is dat degene die luistert nu hierdoor in de ziel bewogen kan worden. Wat bij de kunstenaar nadrukke­lijk zichtbaar of hoorbaar wordt, gebeurt ook bij ons, bij het kind. Een vaardigheid die opgenomen is in het lichaamsplan, wordt een poort naar de beeldkrachten. Die werken in het denken, in de fantasie, in het uitdrukken van jezelf.

Bewegingszin en vrijheid
Een beweging ontstaat omdat we iets willen. We willen iets pakken, iets doen, ergens naartoe. Je zou kunnen zeggen dat een beweging dus eigenlijk begint bij het eindpunt. Op weg naar dat eindpunt, oefent het kind zowel vanzelf als met vallen en opstaan. Het vermogen dat hierdoor ont­staat, geeft ons een gevoel van vrijheid, niet langer zijn we gebonden aan de beperking, aan wat we eerst niet konden. Het heffen van de handen, het vrij kunnen roteren van het bovenlijf, het overwinnen van de zwaartekracht, zijn primai­re ervaringen van vrijheid. Is het niet bijzonder dat we onze eigen zwaarte optillen zonder dat als zwaar te beleven!

Nog sterker kunnen we vrijheid beleven in ons denken.

Toen mijn invalide moeder nog leefde, vertelde ze me eens: “Als ik pijn heb, of het zwaar heb, dan ga ik in gedachten op reis. Zo vergeet ik even hoe het hier is en geniet ik van de zon en van een andere cultuur”.

Door dit vermogen van de bewegingszin, van de beeldkracht ontstaat een beleven van vrijheid, zelfs in een situatie van fysieke gebondenheid. Wanneer de bewegingszin zich niet goed kan ontwikkelen, kan een gevoel van gebondenheid ontstaan. Je voelt je aan je lijf gebonden en vastzitten in een beweging die nog niet van jou is. in de ziel kan dat gevoel van gebondenheid lei­den tot depressiviteit.
.

Susan van kempen, Seizoenerzomer 2006
.

Bewegingszin

.
Zintuigen: alle artikelen

.

1284-1198

.

..

VRIJESCHOOL – Schrijven (9)

.

Toen in 1985 de Wet op het Basisonderwijs veranderde – de kleuterscholen hielden officieel op te bestaan; het ‘hoofd der school’ werd directeur – was er veel discussie over hoe het nu met de kleuter verder moest. 

Er vond veel onderzoek plaats; er ontstonden vele meningen. Hoe is het daarmee, zo’n 30 jaar later, curieus of nog actueel?

te vroeg beginnen met schrijfles is slecht voor kind

Taal is het minst geliefde vak op de basisschool. In de zesde klas kan zeven percent van de leerlingen vrijwel niet lezen, laat staan zelf iets begrijpelijks op papier krijgen (de Volkskrant 7 september 1985). Hoe kan dat? Daarover vandaag Marius Lindeman, begeleider van jongeren en volwassenen met schrijfproblemen. Dat ook kleuters al moeten leren schrijven, kon wel eens de verklaring zijn.

Het Centrum voor Onderwijsonderzoek {SCO) van de Universiteit van Amsterdam heeft een onderzoek uitgevoerd onder 1200 leerlingen op 300 basisscholen. Uit deze aanzet tot een periodieke peiling van het onderwijsniveau blijkt dat „taal het minst geliefde vak op school is” en dat scholieren brieven schrijven die ze alleen zelf kunnen lezen en begrijpen.

Het gevaar van zulk onderzoek is dat de uitkomsten zo alarmerend klinken. Bovendien worden die resultaten over de hoofden van de onderwijsgevenden de samenleving ingegooid. Het is mogelijk dat daardoor een vertekend beeld ontsaat. Onderwijsgevenden in het basisonderwijs verrichten mierenarbeid: naast het lesgeven met bijbehorend correctiewerk moet er nog veel meer ge-beuren.

Het aantal leerlingen loopt terug, onderwijskrachten kunnen daardoor worden uitgerangeerd, hun bloeddruk loopt door dit alles langzaam op. Dat er onderzoek in het onderwijs wordt gedaan is uitstekend. Kwaliteitscontrole van het onderwijsnivoau is dringend nodig, zeken in een laad als Nederland, waar zoveel hoofden, zoveel zinnen voor een gevarieerd pedagogisch klimaat zorgt. Maar zorgvuldigheid bij het hanteren van de uitkomsten is gewenst.

In de onderzoeksresultaten wordt de aandacht voornamelijk gericht op de taalvaardigheid van de leerlingen. Taal blijkt een vak te zijn dat kinderen niet aanspreekt, terwijl het toch leuke kanten heeft: spreken, schrijven, luisteren en lezen. In de laatste klas, dus een jaar voordat de kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan, kan 7 percent van de leerlihgen vrijwel niet lezen. Zij worden .. dan ook als functioneel analfabeet beschouwd

Hun briefjes, notities, schriftelijke aanwijzingen, beschrijvingen en andere schrijfproducten zijn vaak zo gebrekkig dat ze naar verwachting niet begrijpelijk zijn voor anderen, dus niet leiden tot een geslaagde communicatie. Dan volgt dat 9 percent van de leerlingen zich met hun schrijfvaardigheid buiten school niet kan redden, en voor 24 percent is dat twijfelachtig. Zesde-klassers schrijven in hun vrije tijd gemiddeld maar krap tien minuten per dag. Van die leerlingen vindt 38 percent schrijven moeilijk. Meer dan de helft van de onderzochte kinderen heeft dus problemen met schrijven.

Schrijven en schrijven
Wordt de tegenzin bij de kinderen veroorzaakt doordat ze niet weten wat ze moeten schrijven? Nee, want fantasie hebben kinderen genoeg, zoals blijkt uit het feit dat spreekvaardigheid minder problemen geeft. Of wordt er zo weinig geschreven, omdat de leerling het hanteren van de pen zo moeilijk vindt? De onderzoekers hebben het handschrift zeer nadrukkelijk niet in het onderzoek betrokken. „Er is waarschijnlijk geen relevant verband tussen
handschriftproblemen en spellingproblemen”, aldus een zegsman.

Het woord schrijven kan verwarring stichten. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen schrijven als formuleren op papier (stellen en spellen) en schrijven als de motorische beheersing van de bewegingsuitvoer (motoriek en pengreep). We gaan ervan uit dat het schrijven met de pen gebeurt.

In het verleden heeft onderzoek naar taalvaardigheden nooit aandacht aan het schrijven met de pen besteed. Er is wel onderzoek naar motorische aspecten van het schrijven verricht. Aan de Katholieke Universiteit Nijmegen wordt onderzocht wat er allemaal gebeurt als de pen over het papier bewogen wordt. In Leiden wordt onderzoek gedaan naar de ideale zit-schrijfhouding in Groningen, Amsterdam en inUtrecht wordt onderzocht op welke manier kinderen met een motorische achterstand het schrijven kunnen leren.

De veronderstelling dat de kinderen uit het SCO-onderzoek problemen met de motorische ontwikkeling hebben, is waarschijnlijk niet juist. Toch moet in die richting naar een oorzaak van de tegenzin en het onvermogen worden gezocht.

De motorische ontwikkeling van de kleuter dreigt in de huidige onderwijsorganisatie volledig geforceerd te worden (zie ook Open Forum 19 maart 1985). De laatste vijftien jaar zijn onder druk van de eisen van de basisschool kleuterleidsters ertoe overgegaan de kleuters voor te bereiden op het leren hanteren van vaardigheden die daar nodig zijn. Die dwaling doet ook opgeld na de integratie van kleuter- en basisschool. Ik doel speciaal op het kleuterschrijven.

Heel veel kleuters zijn in hun motorische ontwikkeling nog niet zo ver, dat zij een potlood of een pen ontspannen kunnen vasthouden. Als er in een kleuterklas dan toch wat aan schrijven wordt gedaan, is het risico groot dat er een motorisch onvermogen wordt gecultiveerd, waarmee de weerzin van 38 percent om te schrijven kan worden verklaard. Wie de pen heel gespannen en krampachtig hanteert, vergaat de lust tot schrijven.

Een verregaande conclusie? Uit literatuur over het methodisch handelen in ergotherapie blijkt dat bepaalde vaardigheden pas op latere leeftijd verwacht mogen worden dan nu het geval is bij het leren schrijven.

Het schrijfonderwijs op de Nederlandse basisscholen is traditioneel. De begeleidende ondersteuning door de Pedagische Studiecentra is vrijwel nihil.

De wildgroei in de praktijk heeft geleid tot een verregaand gevarieerd aanbod van schrijfmethodes die onderling sterk uiteenlopen. Zelfs het lettertype is niet bij alle methodes gelijk. In de praktijk is er bovendien een geweldige variatie in de pedagosche aanpak en de didactische ondersteuning.

Verouderd
Alle schrijfmethoden die de afgelopen vijftien jaar zijn verschenen, zijn gebaseerd op verouderde pedagogische principes. Een vooraanstaand
schrijfpedagoog heeft het onlangs in een maandblad voor het onderwijs zo geformuleerd: „Leren lezen en schrijven is een kunst waarbij de beide vaardigheden als autonome functies gescheiden blijven.”
De meeste schrijfmethoden zijn afgestemd op klassikaal onderwijs, maar de huidige opvattingen in het onderwijs gaan in een andere richting. De nieuwe basisschool is daar een sterk voorbeeld 
van. Integratie, kindgericht onderwijs en individualisering zijn ontwikkelingen die in het schrijfonderwijs bij lange na niet zijn gerealiseerd. Er is zelfs nog geen taal-leesmethode samengesteld, waar het schrijven met de pen een geïntegreerd onderdeel van is. Er wordt wel geëxperimenteerd, maar leren lezen en gebruik maken van een schrijftaal is geen veilige manier om het Nederlands te hanteren.

Door de traditionele inrichting van het schrijfonderwijs is integratie van lezen en schrijven op dit ogenblik vrijwel onmogelijk. Bij het aanbod van leermiddelen staat als norm het voorbeeld centraal. Als de letters maar mooi geschreven worden. Hoe die letters tot stand komen kan nooit door controle van het resultaat worden beoordeeld. Daar is individuele begeleiding of videoregistratie voor nodig. Het is vaak het onderwijs dat de ontwikkeling van taalvaardigheden in de weg staat.

Marius Lindeman, Volkskrant 3 okt. 1985

.

Schrijven: alle artikelen

1266-1181

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (37)

.

opspattend grind

‘Handschrift drukt gevoelens uit’

Grafologen en pedagogen maken zich zorgen over toekomst van de handgeschreven tekst

 

Het handschrift wordt ernstig bedreigd volgens een kleine groep grafolo­gen, schrijfpedagogen en schoon­schrijvers. Als mensen al met de hand schrijven, dan vaak in blokletters, beweert schrijfdocent Greetje Arends, een van de drijvende krach­ten achter de ‘Dag van het handschrift‘.

Niet alleen pubers en volwassenen met hun smartphones en compu­ters verleren volgens haar het ver­bonden schrift. Ook op de basis­school komt het in de verdrukking. Leerkrachten zijn zo druk met taal en rekenen – de kerndoelen waarop de school wordt afgerekend – dat ze voor handschriftontwikkeling steeds minder tijd uittrekken.

Hard bewijs voor deze bewering ontbreekt. Maar het idee dat het in­dividuele schrift met lussen en ver­bindingslijnen langzaam verdwijnt, leeft breed. Het doktersbriefje, het boodschappenlijstje, de ansicht­kaart, de papieren brief, ze worden schaarser. Net als het krijtbord in de klas. De juf typt haar instructies vaak op het digitale bord.

Is het erg als kinderen minder in­tensief leren schrijven met de hand? Ze leren later toch gewoon typen? Maar dat is een heel andere vaardigheid, zegt orthodidact Wally van Grunsven. Samen met kinderneuroloog Charles Njiokiktjien doet zij onderzoek naar handschriftont­wikkeling. “Het met de hand schrij­ven is innerlijke spraak (denken) brengen op papier. De hand wordt het uitdrukkingsmiddel van gevoe­lens en dit heeft gevolgen voor het leren en het geheugen.” Zo hebben kinderen die een opstel met de hand schrijven een grotere woor­denschat en meer ideeën dan kin­deren die hun opstel typen.

Wie schrijft, onthoudt de tekst ook beter, zegt Sabrine van Everdingen van de Landelijke Vereniging Schoonschrijven. Zij doceert het vak Schrijven aan de Katholieke Pabo Zwolle. “Ik vertel mijn studen­ten dat ze aantekeningen moeten maken met de hand. Dan kun je er­gens een streep onder zetten, pijlen trekken, relaties leggen, structure­ren. Zo beklijft het beter. Schrijven is meer dan alleen lettertjes creë­ren. Het is hersengymnastiek.”

Betreurenswaardig dus, de langza­me teloorgang van het handschrift? Welnee, zegt Jos Biemans, hoogle­raar handschriftenkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Na­tuurlijk moeten kinderen met de hand leren schrijven, al was het maar omdat ze andermans hand­schrift moeten kunnen lezen. Maar als ze daarna overgaan op ‘het digi­tale transport van taal’, dan is dat prima.

“Schrift is een middel, en geen doel op zich”, vindt Biemans. Dat de dokter zijn briefjes niet langer met zijn hanepoot krabbelt maar via de computer naar de apotheek stuurt, is winst: “Dat verkleint de kans dat ik iets verkeerds slik.”

In een getypte tekst kun je vol­gens Biemans ook veel van je per­soonlijkheid en gevoelens kwijt, en wie met tien vingers typt beschikt over een fijne motoriek. Het zijn, denkt hij, vooral de emoties en de nostalgie die de hang naar het handschrift versterken.

Weinig aandacht voor de pengreep

Leren kinderen goed genoeg schrijven op school? Op de Paulusschool in Utrecht krijgen ze in groep 3 en 4 nog net zo­veel schrijfles als vroeger, zegt leerkracht Margreet Vonk (55). “Maar aan de pengreep wordt weinig aandacht meer be­steed.” Zij vermoedt dat er een verschil is tussen oudere en jongere leerkrachten.

“De ouderen geven klassikale lessen: ze doen voor hoe je de k en h mooi doet, met even lan­ge lussen. Terwijl jongere leer­krachten eerder zeggen:

‘Maak die oefening in je werk­boek.’ Op de netheid in de schriftjes letten ze minder.”

Trouw, 23-01-2014

schrijven en lezen op deze blog: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

1250-1168

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (3)

.

HERDER, LAAT JE SCHAAPJES GAAN

Jaren geleden probeerde Melly Uyldert de kinderspelen als ‘verborgen schat’ voor de lezers van haar blad ‘De kaarsvlam” uit te leggen.

Over dit spelletje zegt ze:

Het mooiste en diepzinnigste van deze groep van kinderspelen, die de overgang der zielen van de ene bestaanstostand in de andere weergeven, is waarschijnlijk wel: „Herder, laat je schaapjes gaan!”

Tussen twee evenwijdige strepen ligt het veld, waar de schaapjes doorheen moeten trekken. Dat is ook zo bij ‘Schipper mag ik overvaren’ en bij ‘overlopertje’ dat ervan is afgeleid. Achter de ene streep staat een herder met zijn kudde, achter de andere een andere herder, die de eerste uitnodigend toeroept:  Er is ook een middenstreep, zodat er twee velden zijn waar de schapen overheen moeten, de ‘dreef’ of ‘drift’.

De ene herder:

Herder, laat je schaapjes gaan!

Waarop de herder antwoordt: Ik durf niet!

Waarom niet?

Om de boze wolf niet!

De boze wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen,
tussen zon en maan — herder, laat je schaapjes gaan!

De wolf zit inderdaad in een hok aan de zijkant van het veld. Maar als de herder in goed vertrouwen zijn schaapjes naar de overkant jaagt, springt hij te voorschijn en pakt zoveel schaapjes als hij kan, die hij in zijn hol sleept. De anderen bereiken de veiligheid achter de streep en nu begint het spel opnieuw in omgekeerde richting, net zo lang tot alle schaapjes door de wolf gepakt zijn.

Wat betekend dan toch eigenlijk dat: tussen zon en maan?

Om dat te begrijpen, moeten wij ons verplaatsen in de zielstoestand van onze voorouders, voor wie het duister dezelfde beangstigende gedaante had als nu voor onze kinderen, als zij ’s avonds — half slapend, half wakend — alleen in de donkere slaapkamer liggen. Vaak hebben zij dan angst voor een wolf, het zinnebeeld waarin zich ook in de droom allerlei angsten vertonen, in de eerste plaats de driften, die het geweten verontrusten: begerigheid, drift, onwaarachtigheid. De wolf is tegelijk symbool voor de uiterlijke en voor de innerlijke duisternis, en zo vinden wij dit beeld ook in de oude Germaanse mythen terug: de Fenriswolf, de vijand der zielen. In de Germaanse voorstelling worden zon en maan vervolgd door twee wolven uit het geslacht van Finrir: de een jaagt de zon na om deze te verslinden en de ander loopt voor de zon uit en probeert de maan te grijpen. De wolf Fenrir wordt ook wel voorgesteld is de verslinder van zon en maan zelf. De Asen namen hem gevangen en boeiden hem met de toverband Gleipnir en werd daarop tussen twee rotsen (de tangen?) vastgemaakt.
Wanneer de schemering over het land komt aansluipen als een alles verslindend dier, wordt de kinderlijke mens zich van gevaar bewust. Gelukkig als het verdwenen zonlicht spoedig door het maanlicht wordt vervangen, dan zit de duisternis gevangen tussen zon en maan! — (De voorstelling van de duisternis als wolf komt nog voor in de Franse uitdrukking voor de schemering tussen dag en nacht: entre chien et loup.)
De boze wolf loert in de ziel gedurende de overtocht van het bewustzijn van waken naar dromen. Dan zijn de gedachten en gevoelens zonder herder.

De herders zijn Anne en Holda, (de geboorte- en de doodsengel), Oerd en Skoeld, de eerste en de derde norne; de ene roept, de andere laat gaan. Het veld is het aardse leven, waar de zielen bedreigd worden door de boze wolf als het Kwaad. Eenmaal in zijn macht kunnen de zielen na hun dood niet in de hemel komen, maar moeten in het vagevuur blijven. De wolf als personificatie der duistere machten bedreigt de zielen in het niemandsland tussen hemel en aarde op hun weg heen of terug.

Het veld van gevaren is ook hier de stroom van vergetelheid, en men zou kunnen zeggen: de wolf is het vergeten, dat de ziel grijpt wanneer zij zowel bij haar neerdaling in het embryo als bij haar terugkeer uit andere werelden bij het ontwaken elke ochtend, de herinnering aan de hemelse heerlijkheid verliest. Zij zou die willen behouden, maar ze wordt haar afgegrist door de wolf, het dagverstand met zijn grote muil. Dezelfde muil verslindt alles wat de ziel zich op aarde verzameld had, bij haar overgang naar het hiernamaals.

De schapen kunnen de wolken voorstellen. De wolken staan onder Odin, de god van hemel en sterren. Odin is dan de schaapherder. Hij wordt door Fenrir belaagd en is niet veilig voor deze is geboeid. Daarom durft de herder zijn schapen niet te laten gaan vóór de wolf gevangen is. Wanneer de herder daar gerust op is, laat hij zijn schapen gaan. Maar de wolf rukt zich los en werpt zich op zijn vijanden. De dag van de wereldstrijd is aangebroken. De Asen zullen te gronde gaan.

De wolf, als men denkt aan de wolf Fenrir uit de Edda, kan ook gezien worden als de gestalte van Saturnus of Satan, die de mens zwaar op de proef stelt door hem sterk in zijn eigen ik te isoleren, gedrukt door een te zwaar verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer het volle maan is en Saturnus midden tussen Zon en Maan staat, lijkt dit op de situatie als van de twee herders tegenover elkaar met de wolf er midden tussenin. Saturnus maakt dan een vierkant (rechte hoek) zowel op de Zon als op de Maan, en wie bij zo’n constellatie geboren wordt, heeft zijn leven lang zwaar door Satumus te lijden, die voelt zich eenzaam en in zijn ik opgesloten, inderdaad in het hol van de wolf, die ook de dood voorstelt, die tussen de levengevers Zon en Maan niet veel kon uitrichten, (Goethe had een dergelijke geboorte-figuur: Zon op de midhemel, Maan op het diepste punt en Saturnus op de ascendant.) Satumus is echter tegelijk dóór zijn streng gezag ’s mensen geweten en tevens zijn i n w ij d e r, die hem door de beproevingen verder brengt. De mens moet door de onderwereld (het onderbewuste) van zijn eigen ziel gaan, zoals dat in de oudheid bij de mysteriën gebeurde en tegenwoordig bij een goede psycho-analyse, om tot de waarheid en ten slotte de geestelijke wereld der eenheid te geraken. Zo gaat men als het ware bij levenden lijve reeds door zijn vagevuur. Dat is het hol van de wolf.

Zo zien wij in dit spel niet alleen de drie gebieden als de voorgeboortelijke sfeer van Anne, de aardse sfeer en de sfeer hiernamaals van Holda, maar ook als de drie fasen van het ontwikkelingsproces der ziel: de eerste als het onbewuste leven van de naïeve ziel, omgaand met voorstellingen (beelden); de tweede als het bewuste ik-leven, te midden van abstracte gedachten (zoals Satumus de mens geeft) en de daaruit gevlochten problemen; en de derde als de fase dergenen, die Satumus wel ontmoeten, maar niet in zijn macht geraken en tijdig de synthese der tegenstellingen ontdekken, dus de eenheid bereiken, de reïntegratie.

Het ontkomen aan de wolf en zelfs het uiteindelijk overmeesteren van deze macht: duisternis, waan, begeerte, beperkt verstand, eigenwaan, onwaarachtigheid, is hèt grote motief, in het zieleleven van ieder mens, in occulte scholing, weergegeven in spel en sproke en mythe: Edda, Roodkapje, De wolf en de zeven geitjes!

Roodkapje was zeven jaar, toen haar grootmoeder ziek werd. De leeftijd waarop het kind naar school gaat en in de macht van de wolf geraakt. Met het rode kapje van begeerte had het ikje zich afgesloten voor de inspraak der natuur en betrad zelfstandig de dwaalwegen in het woud des levens. Edda betekent tegelijkertijd grootmoeder en oude wijsheid. Zij was verzwakt en werd een gemakkelijke prooi van de wolf, die zich, met grootmoeders muts op, aan het ikje voordeed als de oude wijsheid. En ook haar, Roodkapje, verslond! Maar Vidar verslaat Fenris, de jager doodt de wolf, bevrijdt het ik uit de donkere buik van de waan, en zie: daar komt de oude grootmoeder mede te voorschijn! Want het ik, dat zich bevrijdde van de dwingelandij van het lagere verstand, herkreeg het intuïtief begrip van de wijsheid der voorouders! Ook in de grote ontwikkelingsgang der mensheid komt een punt, waar de wolf verslagen wordt en een betere tijd begint.

Nemen wij een voorlopig afscheid van de drie hoedsters der zielen in het kinderrijmpje:

Daar waren eens drie eendjes in een pontje;
het ene heette Bontje,
het tweede heette Gontje,
en het derde heette Klisklasklepelklontje!
Dat vond eens een klontje, en wou het niet geven aan Bontje;
toen nam Bontje een steen,
en gooide die naar Klisklasklepelklontjes been!
Wel foei, Bontje, zei toen Gontje, neem jij een steen,
en gooi jij die naar Klisklasklepelklontjes been!?

In elk geval: Bontje, Gontje en Klisklasklepelklontje, ze zijn er nog! Met dwang en geweld kan men de voorstellingswereld van een volk veranderen, nieuwe namen gevend aan levende zielebeelden. Al werden haar afbeeldingen in steen tot een lieflijke onbekendheid, al vermomde het bakerrijmpje ze als eendjes en verbasterde men haar namen — het volksgeheugen is trouw: het beeld der drie jonkvrouwen is uit de volksziel nimmer uitgewist — het leeft nog vandaag de dag!

Melly Uyldert in diverse artikelen

peuters/kleuters: alle artikelen

1225-1144

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (12)

.

Dit is het laatste deel van een artikel over de 1e klas.
Het eerste deel gaat over de achtergronden van het eerste klasonderwijs; het tweede over het aanleren van de letters en dit laatste over het eerste rekenen.

.

Rudolf Treichler, Mitteilungen jrg. 1926/27 nr 5, febr. 1927
.

Maar ook het rekenen waarvoor de kleine schoolbezoekers dikwijls een beetje bang zijn, kon spannend en plezierig zijn, wanneer je achter de abstractheid van de getallen de concrete inhoud neemt en daarbij blijft. Want voor een kind zijn alleen concrete hoeveelheden interessant; die te volgen terwijl ze veranderen: groter worden, minder worden, gedeeld worden kan iets fascinerends hebben waarbij niet alleen het hoofd meedoet, maar ook het hart.
Om allereerst begrip van aantal en getal  te krijgen – dat bij veel wakkere kinderen al in hoge mate aanwezig is – tekende ik eerst – ook weer als een herinnering aan onze hemelsreis [1] zeven sterretjes op het bord, een engel met omhoog geheven armen ernaast, zo:

rekenen-15-1

Dan een versje:

Zeven kleine sterretjes staan aan de hemelboog te stralen,
Toen kwam een boze engel één zo’n sterretje halen,

(Ook naturrlijk meer in 1 keer enz) Iedere keer moesten we dan met het juiste getal beginnen)

Wanneer alle sterretjes verdwenen waren, zeiden we:

Geen enkel sterretje meer aan de hemelbaan
Daar komt de lichte engel en steekt er een, twee enz. aan!

Sieben kleine Sternlein stehn im Himmelshaus,
Da kommt ein dunkler Engel und löscht ein Sternlein aus.
Waren alle Sternlein verschwunden, hiess es:
Kein kleines Sternlein auf dunkler Iiimmelsbahn,
Da kommt ein lichter Engel und zündt e i n (zwei etc.) Sternlein an!

Dat speelden de kinderen ook zelf: een sterrenbandje om hun voorhoofd dat ze heel snel moesten omkeren als hun sterretje doofde.
De zin om mee te doen, vooral de engel te spelen, was groot.
Het aantal sterretjes groeide natuurlijk ook; dikwijls moesten ook de vingers nog meedoen.

De cijfers zelf werden eveneens vanuit een beeld ontwikkeld, zo ongeveer:[2]

rekenen-15-2

Meteen daarna werden – uitgaand van het geheel – bij het verdelen van noten, kastanjes, enz de deling en aftrekking bij het pakken ervan – een keer, twee keer enz. in hoopjes de vermenigvuldiging en ten slotte de optelling aan de kinderen gegeven. Naar ieders temperament konden bij deze rekenoperaties verschillende stemmingen worden beleefd: het sociale, vrolijk sanguinische bij het uitdelen (delen), een zekere melancholische stemming bij het aftrekken, een cholerische bij het met sprongen groeien bij het vermenigvuldigen en een gelaten flegmatische bij het alleen maar bij elkaar voegen: optellen. [3]

Ook bij de rekentekens die ervoor nodig zijn, probeerde ik deze uit een beeldende aanschouwelijkheid te ontwikkelen; dus het minteken –  als een uitgestrekte arm (van de engel enz), die iets wegneemt; het plusteken + het tegenbeeld daarvan: iets toevoegend; de beide deelpunten : als twee zuilen van een poort waardoorheen het aantal (appels bijv.) dat moest worden verdeeld onder de buiten wachtende mensen werden aangegeven, enz.

‘Lopen’ – ‘spreken’ – ‘denken’ in de zin van wat daarover [deel 1] werd gezegd, was voor elk rekenuur een soort leidraad, waarbij aan het ‘spreken’ de grootste plaats werd gegeven; ik probeerde ook het volgende uur zo op te bouwen: [4]
Eerst ‘rustig worden’ en dan om ons even te verheffen: de morgenspreuk; aansluitend een lied, dan een paar spreuken voor een aantal kinderen die met bepaalde problemen te kampen hebben, of lichamelijk of psychisch en die zo’n spreuk als een bepaalde kracht voor iedere dag nodig hebben; dan de spraakoefeningen die iedereen nodig heeft; een of meer gedichten die bijv. herkend moeten worden aan het zonder woorden gegeven ritme. Dan pas wat er zo’n dag gebeuren moet: schilderen, tekenen, boetseren, schrijven of rekenen; daartussendoor euritmie voor de harmonie en tenslotte de afsluiting, weer een gedicht of een lied en een bijna dagelijks verteld sprookje, het echte geestelijke voedsel voor een kind in deze jaren.

Nog een opmerking over de temperamenten m.b.t. de drie genoemde vaardigheden en de zichtbare affiniteit. De kinderen die je als beweeglijk, eropaf gaand, kortom als cholerisch moet bestempelen, leven het sterkst in het ‘lopen’! Het zijn bijna altijd kinderen ‘onderweg’; daarom heeft de euritmie een sterke en rustgevende werking op hen. De grootste affiniteit tot het ‘spreken’ hebben ongetwijfeld de vrolijk kletsende sanguinische kinderen, die heel vaak met een bijzondere voorliefde iets willen opzeggen, navertellen en allerlei mededelingen lijken te moeten doen; zij zijn de ‘sprekende’ kinderen. En de sterkste neiging om rustig te luisteren of diep na te denken en zich in te leven, dikwijls ook tot een rustig zich verbinden, wikken en wegen, tellen en rekenen – tot het ‘denken’ hebben in zekere zin de melancholische en flegmatische naturen, hoewel ook dikwijls nog wat versluierd, waarachter het nog goed dromen is – of slapen.
Maar ook zij zijn geroepen om wakkerder, helderder te worden, zoals alle klasgenoten en vaak lopen zij – zij het wat langzamer – met des te meer zekerheid! vol vertrouwen dezelfde weg.

En op allemaal – leerlingen en leerkrachten – blikt met liefdevolle trouw, als helpende kracht het vriendelijk geestelijk gelaat van Dr. Rudolf Steiner aan wie we alle impulsen te danken hebben!

[1] De schrijver vertelt daar meer over in het eerste deel van zijn artikel
[2] Het is de vraag of je cijfers net zo uit een beeld kan/moet halen als een letter.
[3] De rekenoperaties die de schrijver hier de temperamenten toebedeeld wijken (licht) af van wat de bedoeling is. Zie rekenen en temperamenten
[4] Het lijkt erop dat de schrijver hier het eerste uur van de (een) morgen beschrijft.

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden 

1209-1129

.

.