Tagarchief: kleuters schrijven

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-12)

.

‘Platform “Met ons kun je Schrijven en Lezen’.:

‘Er vindt momenteel een discussie plaats onder leerkrachten van vrijescholen over het leren schrijven en leren lezen in de eerste klas van de vrijeschool. Een aantal scholen hanteert de zogenaamde José Schraven methodiek en weer anderen zijn het daar hartgrondig mee oneens en gaan voor één van de kroonjuwelen van de vrijeschool: het leren schrijven en lezen zoals Rudolf Steiner dat heeft aangegeven voor de kinderen in een eerste klas.’

Van verschillende mensen zijn bijdragen over dit onderwerp opgenomen op de site van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst.

In de Seizoener, winter 2011 verscheen een artikel met de titel:

ontdekkend leren en lezen

De overheid oefent de laatste jaren steeds meer druk uit op kleuterleerkrachten om kleuters letterkennis en dergelijke bij te brengen. Kleuters leren daardoor echter niet sneller lezen, betoogt wetenschapper Ewald Vervaet. Uit zijn onderzoek naar de psychologische ontwikkeling van jonge kinderen blijkt dat zij zich sprongsgewijs, in fasen, ontwikkelen. Ontkenning van die fasen brengt onderwijs volgens hem terug tot een geestdodende geheugenactiviteit. Vervaet toont aan dat voor een schoolrijp kind ‘ontdekkend leren lezen’ de meest effectieve methode is om te leren lezen. Op verzoek van de redactie vergelijkt hij zijn bevindingen met die van Steiner.

Dat kinderen pas vanaf 6, 7 jaar (met uitschieters naar beneden maar ook naar boven) aan lezen toe zijn, wordt zowel door Rudolf Steiner gesteld en beargumenteerd als door de Zwitserse psycholoog Jean Piaget. Over het werk van beide mannen merkt Frans Carlgren in zijn boek De Vrije School op:

‘Piagets waarnemingen stemmen volledig overeen met die van Rudolf Steiner’.

Wat Steiner betreft, in zijn tweede fase (tussen 6, 7 jaar en 12-14 jaar) is het kind ‘meer gericht op zaken die met de ziel samenhangen dan op elke uiterlijke zintuigindruk als zodanig’. Dit is scherp gezien. Vanuit Piagets theorie en vanuit mijn eigen theorie die daarop voortbouwt, kunnen we dit specificeren in de begrippen ‘onomkeerbaar denken’ van de kleuter (fase 13; 4,5-6,5 jaar) en ‘omkeerbaar denken’ van het jonge schoolkind (fase 14; 6,5-8,5 jaar). Ik licht dit toe aan de hand van een voorbeeld.

We kunnen onderzoeken wanneer en hoe een kind begrijpt dat vijf voorwerpen altijd ‘5’ zijn en blijven. We doen dit met deze twee rijen sterren:
* * * * * en *   *   *   *   *. Pas het jonge schoolkind oordeelt dat er in beide evenveel sterren zitten. Het redeneert dat de tweede rij weliswaar langer is,  maar dat de sterren erin verder van elkaar liggen dan in de eerste rij. Tot zo’n logische redenering is het in staat vanwege de omkeerbaarheid in zijn denken: de factor ‘lengte’ en ‘dichtheid’ compenseren elkaar. Dit is een vroege uitgave van wat volwassenen wel eens aanduiden met ‘wat je in de lengte verliest, win je in de breedte’, maar dan nu met ‘dichtheid in plaats van ‘breedte’.

De kleuter daarentegen blijft in het zintuiglijke hangen, zoals ook Steiner al opmerkte. Ook als een kleuter telt dat er in beide rijen vijf sterren zitten, oordeelt hij dat de rijen niet evenveel sterren bevatten. Doorgaans meent de kleuter dat er meer in de tweede rij zitten ‘omdat die langer is’. Een minderheid oordeelt omgekeerd ‘omdat de sterren dichter bij elkaar liggen’. Vanwege de onomkeerbaarheid in zijn denken is hij niet in staat om te bedenken dat lengte en dichtheid elkaar compenseren.

Dat onomkeerbare komt op talloze manieren tot uiting bij de kleuter. Zo weet een kleuter beslist dat hij vijf vingers heeft aan elke hand. Toch tekent hij zichzelf gemakkelijk met drie. vier, zes of zeven vingers aan een hand – met vijf komt uiteraard ook voor. Zou hij omkeerbaar denken dan zou hij drie vingers aan een getekende hand terugkoppelen aan het aantal vingers van een lijfelijke hand. Dat zien we dan ook gebeuren bij een kind dat net in fase 14 zit. Het tekent bijvoorbeeld drie vingers aan elke hand, maar verbetert daarra zichzelf: ‘Oh, nee, ik heb vijf vingers aan een hand’ en tekent er twee bij. Of, bij zes vingers: ‘Oh, nee’, pakt een gum en wist een vinger uit.

Aansluiten bij de ontwikkeling

Voor opvoeding en onderwijs betekent dit alles dat we bij de ontwikkelingsfase van het kind dienen aan te sluiten. Alleen zo kan het zichzelf en de wereld van binnenuit ontdekken. Bovendien, als bepaalde hersendelen nog niet met elkaar verbonden zijn, kan het kind het aanbod slechts vervormd in zich opnemen. Voor het verwerken van de schoolstof houdt dat in dat het noodzakelijkerwijze een beroep moet doen op het geheugen en op het imiteren van de leerkracht. Een fase-13-kind leert letters hooguit van buiten en reproduceert die klakkeloos, maar daardoor maakt het zich het lezen zelf in het geheel niet eigen. Laten we een voorbeeld nemen uit de praktijk van veertig basisscholen in Twente. In het kader van het Leesverbeterplan Enschede doen de kinderen vanaf de eerste dag op school elke dag drie tot vier kwartier letterkennis. Dat gebeurt weliswaar zo leuk mogelijk, maar het resultaat is er niet naar. Na gemiddeld 350 uren kennen ze zestien letters, zonder te kunnen lezen. Het trieste is dat deze praktijk tot voorbeeld wordt gesteld aan andere scholen en dat sommige daarin meegaan…

Er zijn uiteraard kinderen die al in groep 1 toe zijn aan lezen, maar de overgrote meerderheid is dat niet. Het kind is neurologisch en psychologisch gemiddeld met 6,5 jaar zo ver. Als het in fase 14 zit kan het zich in veertig uur niet alleen alle letters (eventueel minus Q, X en Y) eigen maken, maar kan het ook nog eens lezen!

Leren lezen als ontdekkingsproces

Hoe gaat leren lezen in veertig uur in zijn werk bij een kind dat we Gerda noemen? Dat gaat in twee stappen.

In de eerste stap stel ik vast of ze aan lezen toe is. Dat doe ik door haar GERDA, MAMA en PAPA te leren schrijven als ze een gevorderde kleuter is – dus gemiddeld vanaf 5,5-6 jaar. Vervolgens maak ik met haar letters nieuwe klankzuivere woorden van drie of vier letters, zoals DAG, REM, ERG en GRAP. Als ze DAG alleen spelt als ‘D, a, g’, is ze niet aan lezen toe. Dan zit ze wat lezen betreft nog in kleuterfase 13. Als ze daarentegen in fase 14 zit, maakt ze er ook het woord ‘dag’ mee: ‘D, a, g; dag’. Dat gaat als volgt. Ze neemt D waar, zet die om in de /d/-klank. Ze neemt A waar, zet die in /a/ om en koppelt die terug aan /d/ tot /da/ . Dan neemt ze G waar, zet ze die om in /g/ en koppelt die terug aan /da/ tot dag/. Voor leren lezen is het dus nodig om heen en weer te gaan tussen de volgende letter en terugkoppelen aan wat al verklankt is. Dat kan met het omkeerbare denken van het jonge schoolkind (fase 14), maar niet met het onomkeerbare denken van de kleuter (fase 13).

De tweede stap is dat Gerda de klankwaarde van de overige letters zelf ontdekt. Bijvoorbeeld, als ze de letters ‘a’, ‘e’, ‘k’, ‘l’, ‘s’ en ‘t’ al kent, ontdekt ze de ‘m’ aan de hand van de woorden ‘kam’, ‘mes’, ‘lam’, ‘mat’, ‘melk’ en ‘mast’.

Dit zestal woorden bevat genoeg materiaal voor het ontdekkingsproces. Omdat Gerda letters als ‘a’ en ‘e’ al kent, komt ze onmiddellijk op het idee dat ‘m’ ook een letter is. Verder is er genoeg materiaal voor het vermoeden dat het figuurtje ‘m’ klinkt als /m/ zoals in /mama/. Ten slotte bevat het zestal genoeg materiaal om dat vermoeden te toetsen. Stel dat ze eerst denkt dat de afbeelding rechts boven een glas weergeeft en dat ‘m’ dus als /g/ klinkt, dan verwerpt ze dat vermoeden spoedig vanwege de andere woorden die dan als /kag/, /ges/ en dergelijke zouden klinken.

Van geheel naar deel

Omdat het kind de klankwaarde van de lettertekens zelf ontdekt, noem ik deze methode ‘ontdekkend leren lezen’. Het afgelopen schooljaar is er naar ieders tevredenheid mee geëxperimenteerd op de Vrije School Michaël in Bussum (zie kader). Ze is gebaseerd op een beginsel dat door Steiner in 1919 is geïntroduceerd. Om de letter ‘f’ van ‘Fisch’ uit te leggen tekende hij een vis op het bord. Aldus gaat Steiner van het geheel,

‘Fisch’, naar het deel, de letter ‘f’ met klankwaarde /f/. Dit beginsel nu is in het ontdekkend leren lezen tot het uiterste doorgevoerd: niemand legt het kind dat zich het lezen eigen aan het maken is, uit dat het figuurtje ‘m’ een letter is en niemand legt uit dat die als /m/ klinkt. Het kind ontdekt dat zelf aan de hand van woorden als ‘kam’ en bijbehorende afbeeldingen.

Er is nog een andere overeenkomst. Steiner is er voorstander van om het kind eerst schrijfonderwijs te geven en daarna leesonderwijs. Dat gebeurt in ontdekkend leren lezen ook doordat Gerda bijvoorbeeld eerst GERDA, MAMA en PAPA moet kunnen schrijven. Beter gezegd: als kleuter tekent Gerda letters en woorden en pas als jong schoolkind gaat ze letters en woorden schrijven.

Dat kinderen die aan lezen toe zijn, zich het lezen in veertig uur eigen kunnen maken, is al enkele eeuwen bekend. Dat ontdekkend leren lezen daar geen uitzondering op is, is al gebleken op de Michaëlschool. Ik hoop dat ook andere vrijescholen hiermee zullen willen werken omdat ze in theoretisch opzicht met Steiners ideeën overeenkomt zoals we zojuist hebben gezien. Ikzelf doe daar graag met raad en daad aan mee!

Steiner schreef in 1919: ‘Heden verdwijnt in de opvoeding geheel de opvatting van de wordende mens – het loopt allemaal in de war’.

Zoals het Twentse voorbeeld duidelijk maakt geldt dat helaas nu opnieuw. Ik ben er echter van overtuigd dat ons officiële onderwijsbeleid de weg terug naar het kind gaat vinden. Steiner en Piaget hebben goed naar het kind gekeken en ervan geleerd. Laten wij van het kind blijven leren opdat het – als het eraan toe is – van ons kan leren.

Vrije School Michaël Bussum

Jacqueline van Laerhoven, leerkracht op de Vrije School Michaël In Bussum, heeft in het schooljaar 2010/11 samen met Ewald Vervaet gekeken hoe ze de basisprincipes van ontdekkend leren lezen kon toepassen binnen het vrijeschoolonderwijs. Vanaf augustus 2010 heeft ze een jaar lang in haar toenmalige eerste klas met de methode geëxperimenteerd.

“Ik heb ervaren dat de inzichten van Ewald meerwaarde hebben voor het taalonderwijs in de eerste klas. Het ontdekkend leren lezen is echter geen volledige methodiek maar zeer bruikbaar als aanvulling voor het taalonderwijs binnen de vrijeschool. Momenteel is Ewald met een uitgebreider onderzoek bezig waarin hij mogelijkheden zoekt om kinderen pas te laten leren lezen als ze daar aan toe zijn. Nu gunt de vrijeschoolmanier – pas beginnen met taalonderwijs in de eerste klas – kinderen al een veel ruimere tijd om uit te rijpen dan het reguliere onderwijs, maar zijn bedoeling is zelfs eersteklaskinderen die daar nog niet aan toe zijn en die het ontdekkend leren lezen dus nog niet zelfstandig ten uitvoer kunnen brengen, nog niet aan de slag te laten gaan met taalonderwijs. Binnen het klassikale systeem van de vrijeschool vond ik dit wat moeilijker toe te passen – afgezien van het feit dat dit voor mijn klas niet meer aan de orde is nu ze tweedeklassers zijn geworden. Ik kies dan toch graag voor de kracht van de groep, die de zwakkere leerlingen mee op sleeptouw kan nemen.

“Het mooie van de toevoeging van de inzichten van Ewald is dat, naast het ‘ontvangende’ van het vrijeschooltaalonderwijs (de letter komt voort uit verhaal en beeld) de kinderen een actievere rol hebben in hun eigen taalverwerving. Ik vond dat het mooi aansloot bij de gretigheid van de eersteklasleerling om het lezen onder de knie te krijgen.”

Met toestemming van de auteur:

Ewald Vervaet is ontwikkelingspsycholoog (en natuurkundige) uit het reguliere veld. Van zijn hand verschenen verschillende boeken: Groeienderwijs; psychologie van 1 tot 3 en Naar School; psychologie van 3 tot 8 en Het raadsel intelligentie.

Dit artikel is gebaseerd op zijn artikel Fasen: achterhaald of actueel?

(Struktuur en genese, 2011, vol.24, p.4-50). Over ontdekkend leren lezen en schrijven heeft Ewald Vervaet een artikel geschreven. Beide artikelen kunt u gratis bestellen bij info@stichtinghistos.nl.

Zie ook zijn: Kleuters moet je niet leren lezen. Interview Ewald Vervaet

.

Rudolf Steiner over schrijven en lezenalle artikelen

Schrijven en lezenalle artikelen

Opspattend grind (50)

.

1493

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schrijven (9)

.

Toen in 1985 de Wet op het Basisonderwijs veranderde – de kleuterscholen hielden officieel op te bestaan; het ‘hoofd der school’ werd directeur – was er veel discussie over hoe het nu met de kleuter verder moest. 

Er vond veel onderzoek plaats; er ontstonden vele meningen. Hoe is het daarmee, zo’n 30 jaar later, curieus of nog actueel?

te vroeg beginnen met schrijfles is slecht voor kind

Taal is het minst geliefde vak op de basisschool. In de zesde klas kan zeven percent van de leerlingen vrijwel niet lezen, laat staan zelf iets begrijpelijks op papier krijgen (de Volkskrant 7 september 1985). Hoe kan dat? Daarover vandaag Marius Lindeman, begeleider van jongeren en volwassenen met schrijfproblemen. Dat ook kleuters al moeten leren schrijven, kon wel eens de verklaring zijn.

Het Centrum voor Onderwijsonderzoek {SCO) van de Universiteit van Amsterdam heeft een onderzoek uitgevoerd onder 1200 leerlingen op 300 basisscholen. Uit deze aanzet tot een periodieke peiling van het onderwijsniveau blijkt dat „taal het minst geliefde vak op school is” en dat scholieren brieven schrijven die ze alleen zelf kunnen lezen en begrijpen.

Het gevaar van zulk onderzoek is dat de uitkomsten zo alarmerend klinken. Bovendien worden die resultaten over de hoofden van de onderwijsgevenden de samenleving ingegooid. Het is mogelijk dat daardoor een vertekend beeld ontsaat. Onderwijsgevenden in het basisonderwijs verrichten mierenarbeid: naast het lesgeven met bijbehorend correctiewerk moet er nog veel meer ge-beuren.

Het aantal leerlingen loopt terug, onderwijskrachten kunnen daardoor worden uitgerangeerd, hun bloeddruk loopt door dit alles langzaam op. Dat er onderzoek in het onderwijs wordt gedaan is uitstekend. Kwaliteitscontrole van het onderwijsnivoau is dringend nodig, zeken in een laad als Nederland, waar zoveel hoofden, zoveel zinnen voor een gevarieerd pedagogisch klimaat zorgt. Maar zorgvuldigheid bij het hanteren van de uitkomsten is gewenst.

In de onderzoeksresultaten wordt de aandacht voornamelijk gericht op de taalvaardigheid van de leerlingen. Taal blijkt een vak te zijn dat kinderen niet aanspreekt, terwijl het toch leuke kanten heeft: spreken, schrijven, luisteren en lezen. In de laatste klas, dus een jaar voordat de kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan, kan 7 percent van de leerlihgen vrijwel niet lezen. Zij worden .. dan ook als functioneel analfabeet beschouwd

Hun briefjes, notities, schriftelijke aanwijzingen, beschrijvingen en andere schrijfproducten zijn vaak zo gebrekkig dat ze naar verwachting niet begrijpelijk zijn voor anderen, dus niet leiden tot een geslaagde communicatie. Dan volgt dat 9 percent van de leerlingen zich met hun schrijfvaardigheid buiten school niet kan redden, en voor 24 percent is dat twijfelachtig. Zesde-klassers schrijven in hun vrije tijd gemiddeld maar krap tien minuten per dag. Van die leerlingen vindt 38 percent schrijven moeilijk. Meer dan de helft van de onderzochte kinderen heeft dus problemen met schrijven.

Schrijven en schrijven
Wordt de tegenzin bij de kinderen veroorzaakt doordat ze niet weten wat ze moeten schrijven? Nee, want fantasie hebben kinderen genoeg, zoals blijkt uit het feit dat spreekvaardigheid minder problemen geeft. Of wordt er zo weinig geschreven, omdat de leerling het hanteren van de pen zo moeilijk vindt? De onderzoekers hebben het handschrift zeer nadrukkelijk niet in het onderzoek betrokken. „Er is waarschijnlijk geen relevant verband tussen
handschriftproblemen en spellingproblemen”, aldus een zegsman.

Het woord schrijven kan verwarring stichten. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen schrijven als formuleren op papier (stellen en spellen) en schrijven als de motorische beheersing van de bewegingsuitvoer (motoriek en pengreep). We gaan ervan uit dat het schrijven met de pen gebeurt.

In het verleden heeft onderzoek naar taalvaardigheden nooit aandacht aan het schrijven met de pen besteed. Er is wel onderzoek naar motorische aspecten van het schrijven verricht. Aan de Katholieke Universiteit Nijmegen wordt onderzocht wat er allemaal gebeurt als de pen over het papier bewogen wordt. In Leiden wordt onderzoek gedaan naar de ideale zit-schrijfhouding in Groningen, Amsterdam en inUtrecht wordt onderzocht op welke manier kinderen met een motorische achterstand het schrijven kunnen leren.

De veronderstelling dat de kinderen uit het SCO-onderzoek problemen met de motorische ontwikkeling hebben, is waarschijnlijk niet juist. Toch moet in die richting naar een oorzaak van de tegenzin en het onvermogen worden gezocht.

De motorische ontwikkeling van de kleuter dreigt in de huidige onderwijsorganisatie volledig geforceerd te worden (zie ook Open Forum 19 maart 1985). De laatste vijftien jaar zijn onder druk van de eisen van de basisschool kleuterleidsters ertoe overgegaan de kleuters voor te bereiden op het leren hanteren van vaardigheden die daar nodig zijn. Die dwaling doet ook opgeld na de integratie van kleuter- en basisschool. Ik doel speciaal op het kleuterschrijven.

Heel veel kleuters zijn in hun motorische ontwikkeling nog niet zo ver, dat zij een potlood of een pen ontspannen kunnen vasthouden. Als er in een kleuterklas dan toch wat aan schrijven wordt gedaan, is het risico groot dat er een motorisch onvermogen wordt gecultiveerd, waarmee de weerzin van 38 percent om te schrijven kan worden verklaard. Wie de pen heel gespannen en krampachtig hanteert, vergaat de lust tot schrijven.

Een verregaande conclusie? Uit literatuur over het methodisch handelen in ergotherapie blijkt dat bepaalde vaardigheden pas op latere leeftijd verwacht mogen worden dan nu het geval is bij het leren schrijven.

Het schrijfonderwijs op de Nederlandse basisscholen is traditioneel. De begeleidende ondersteuning door de Pedagische Studiecentra is vrijwel nihil.

De wildgroei in de praktijk heeft geleid tot een verregaand gevarieerd aanbod van schrijfmethodes die onderling sterk uiteenlopen. Zelfs het lettertype is niet bij alle methodes gelijk. In de praktijk is er bovendien een geweldige variatie in de pedagosche aanpak en de didactische ondersteuning.

Verouderd
Alle schrijfmethoden die de afgelopen vijftien jaar zijn verschenen, zijn gebaseerd op verouderde pedagogische principes. Een vooraanstaand
schrijfpedagoog heeft het onlangs in een maandblad voor het onderwijs zo geformuleerd: „Leren lezen en schrijven is een kunst waarbij de beide vaardigheden als autonome functies gescheiden blijven.”
De meeste schrijfmethoden zijn afgestemd op klassikaal onderwijs, maar de huidige opvattingen in het onderwijs gaan in een andere richting. De nieuwe basisschool is daar een sterk voorbeeld 
van. Integratie, kindgericht onderwijs en individualisering zijn ontwikkelingen die in het schrijfonderwijs bij lange na niet zijn gerealiseerd. Er is zelfs nog geen taal-leesmethode samengesteld, waar het schrijven met de pen een geïntegreerd onderdeel van is. Er wordt wel geëxperimenteerd, maar leren lezen en gebruik maken van een schrijftaal is geen veilige manier om het Nederlands te hanteren.

Door de traditionele inrichting van het schrijfonderwijs is integratie van lezen en schrijven op dit ogenblik vrijwel onmogelijk. Bij het aanbod van leermiddelen staat als norm het voorbeeld centraal. Als de letters maar mooi geschreven worden. Hoe die letters tot stand komen kan nooit door controle van het resultaat worden beoordeeld. Daar is individuele begeleiding of videoregistratie voor nodig. Het is vaak het onderwijs dat de ontwikkeling van taalvaardigheden in de weg staat.

Marius Lindeman, Volkskrant 3 okt. 1985

.

Schrijven: alle artikelen

 

1205

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.