VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-3)

.

OVER HET GEHEUGEN

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.

Voor de pedagoog en opvoeder ook een belangrijk onderwerp. Als je wilt dat kinderen dingen voor een langere tijd leren, moeten ze die kunnen onthouden, moeten die ‘in het geheugen worden geprent’. Of als het vaardigheden betreft: die moeten ze ‘onder de knie’ krijgen.

Maar hoe doe je dat dan het best? Of, wat belemmert het, wat werkt tegen.

Hier volgt een artikel van filosoof Douwe Draaisma:

HET GEHEUGEN LIJKT OP EEN HOLOGRAM

Herinneringen worden niet bewaard in een bepaald deel van de hersenen, zo hebben proeven aangetoond. Ze lijken overal en nergens in de grijze massa te zitten. Sinds de uitvinding van de holografie dringt zich de vergelijking op tussen ons geheugen en een hologram. Psycholoog Douwe Draaisma signaleert dat het hologram ook mystici bezighoudt.

Wie wel eens een hologram heeft gezien weet dat de eerste indruk betoverend is. Van een afstand zie je alleen een grijze plaat, kom je dichterbij dan zie je vanuit de diepte achter het hologram een voorstelling opdoemen die daar lijkt te zweven. Als je er langs loopt zie je telkens het perspectief veranderen, zodat je — anders dan bij een foto — werkelijk om de voorstelling heen lijkt te kunnen lopen. Toch hangt het ding gewoon aan de muur.

Holografie is een betrekkelijk recente uitvinding. De wiskunde die er voor nodig is werd aan het eind van de jaren 1940 ontwikkeld door Dennis Gabor, die er de Nobelprijs voor kreeg. Maar pas in de jaren 1960 was de lasertechnologie zo ver dat er echte hologrammen konden worden gemaakt.

Wanneer een bundel laserlicht rechtstreeks naar een gevoelige plaat wordt geleid en een andere bundel uit dezelfde laser pas op die plaat terechtkomt na teruggekaatst te zijn door het te fotograferen voorwerp, interfereren de twee bundels. Dit interferentiepatroon bevat de informatie over het voorwerp en ligt over de hele plaat verspreid.

Gabor noemde zo’n plaat een „hologram”, omdat ieder deel van de plaat de informatie bevat die nodig is voor de reconstructie van het gehele beeld (holos = geheel). Met een scherf van het hologram beschikt men in principe over het volledige beeld, al neemt de scherpte af naarmate de scherf kleiner is. Wie uit een hologram van Lincoln de oorlel wegsnijdt heeft in zekere zin dus nog de hele Lincoln.

Door deze eigenschap zijn hologrammen in hoge mate bestand tegen beschadiging. De informatie op het hologram is onherkenbaar gecodeerd: pas door de plaat te belichten met laserlicht van dezelfde golflengte wordt het beeld weer zichtbaar. In één plaat kunnen zeer veel beeldjes tegelijk worden opgeslagen. Niettemin is elk beeldje afzonderlijk zichtbaar te maken.

In de wetenschapsgeschiedenis is aan te wijzen dat de meest geavanceerde technische prestaties in een bepaalde periode telkens als analogie of metafoor hebben gefungeerd in wetenschappelijke theorieën. Zo werd in het begin van de 17e-eeuw het hart opgevat naar analogie met de pas geconstrueerde zuigperspomp.

Vooral in de psychologie zijn veel voorbeelden van dergelijke metaforen te vinden. Radio en radar hebben eertijds de theorievorming rond aandacht en waarneming beïnvloed en momenteel heeft de metafoor van de computer een groot aandeel in theorieën over de menselijke informatieverwerking.

Ook de holografie is al snel na de uitvinding als wetenschappelijke metafoor gebruikt en daarmee is vooral de naam van de hersenneuroloog Karl Pribram verbonden. In Languages of the Brain (1971) schrijft hij dat het hologram een aantal verschijnselen rond waarneming en geheugen begrijpelijk maakt die tevoren een volslagen mysterie waren. Aan de overtuigingskracht van de metafoor heeft vooral bijgedragen dat twee ogenschijnlijk tegenstrijdige bevindingen omtrent de localiseerbaarheid van geheugensporen zich binnen het holografisch idioom lieten verzoenen.

In de jaren 1950 ondernam de neuro-chirurg Penfield pogingen om bij epileptische patiënten de plek in de hersenen te vinden die verantwoordelijk is voor epileptische aanvallen. Tijdens de operatie liet hij zijn patiënten bij bewustzijn blijven. De schedel werd plaatselijk verdoofd en geopend. Daarna werd op verschillende plaatsen de buitenkant van de hersenen geprikkeld met een zwakke elektrische stroom. De patiënt moest intussen zijn gewaarwordingen beschrijven. Penfield hoopte zo kunstmatig een epileptische aanval teweeg te brengen. De zieke plek zou dan kunnen worden vernietigd.

Bureau
Penfield ontdekte echter ook dat als hij met zijn elektrode een deel van de hippocampus prikkelde, de patiënt zeer gedetailleerde herinneringen rapporteerde. Eén van hen zei bijvoorbeeld: „Oh, een alledaagse herinnering — ergens op kantoor. Ik zag de bureaus. Ik was daar en iemand riep iets naar me — een man die met een potlood in zijn hand op een bureau leunde.”

Deze verschijnselen zouden er op wijzen dat herinneringen op hooguit enkele neuronen vastliggen en dat er dus ontelbare, haarfijne geheugensporen bestaan. Die conclusie was echter in strijd met eerdere bevindingen.

De neuroloog Lashley had in de jaren 1920 onderzoek gedaan naar het geheugen van ratten. Hij leerde ratten de weg te vinden in een doolhof en verwijderde vervolgens delen van hun hersenen. Lashley hoopte door het systematisch versnijden van het rattenbrein uiteindelijk een geheugenspoor te vinden.

Dit hardhandige spoorzoeken had echter weinig succes. Welk deel van de hersenen Lashley ook wegsneed, de ratten bleven in staat om op de aangeleerde wijze door het doolhof te wandelen. Weliswaar nam deze vaardigheid af naarmate er een groter deel van de hersenen was verdwenen, maar met het geleerde bleek in ieder geval geen specifieke plek in de hersenen te corresponderen. Kennelijk zaten de sporen overal en nergens, wat voor een neuroloog op hetzelfde neerkomt.

Dat Lashley’s lancet geen sporen aantrof, terwijl Penfïelds elektrode juist zeer gedetailleerde sporen aan het licht bracht lijkt moeilijk met elkaar te rijmen. Hebben geheugensporen nu wel of niet een precieze lokalisatie? De
hologrammetafoor maakt het mogelijk beide onderzoekers een deel van het gelijk te geven en volgens de hersenonderzoeker Rosé wierp men zich dan ook met een „bijna hoorbare zucht van verlichting” op de nieuwe analogie.

Dat de geheugensporen kennelijk overal en nergens zitten komt overeen met de verspreiding van informatie over een hologram. Met een fragment kan de gehele voorstelling worden gereconstrueerd, zoals Penfield merkte, terwijl die voorstelling, zoals Lashley merkte, niet uit het geheugen is weg te snijden door een deel te verwijderen. Dat er niet plotseling afzonderlijke herinneringen wegraken, hoewel er volgens schattingen dagelijks zo’n vijftigduizend hersencellen afsterven, is precies wat we binnen de hologrammetafoor zouden verwachten.

Ook associatie is goed in de metafoor te passen. Sommige hologrammen maakt men door de combinatie van lichtstralen die elk door een ander voorwerp worden gereflecteerd. Als men het hologram vervolgens beschijnt met licht dat afkomstig is van het ene voorwerp ontstaat tevens een vaag beeld van het andere voorwerp. Als zich in de hersenen vergelijkbare processen afspelen zou dat kunnen verklaren waarom we ons de details van gebeurtenissen soms veel beter herinneren wanneer we terugkeren naar de desbetreffende plaats.

Tenslotte is er nog de grote informatiedichtheid van hologrammen. Pribram noemt al een cijfer van 10 miljard bits per cmen volgens hem is het dankzij deze technische analogie veel begrijpelijker geworden hoe tweeëneenhalf pond menselijke hersenen zo’n enorme hoeveelheid informatie kan bevatten.

Een andere discipline waar de metafoor van het hologram bruikbaar lijkt is de celbiologie. In de kern van al onze lichaamscellen ligt in de vorm van DNA-strengen ons gehele erfelijke materiaal opgesloten. Dat betekent dat met één willekeurige cel het geheel gereconstrueerd kan worden. Soms kan men het geheel er zelfs mee construeren.

In een vermaard experiment werd uit de darmcel van een kikker de kern weggenomen en in een eicel geplaatst. Uit deze eicel ontwikkelde zich een normale kikker. Evenzo zou men met een cel uit de oorlel van Lincoln in zekere zin over de gehele Lincoln beschikken — wat op zijn minst weer doet denken aan de principes van het hologram.

Rode draad
In Een nieuwe werkelijkheid. Het holografische model en andere paradoxen (K. Wilber, red. Uitgever: Lemniscaat, is een groot aantal artikelen en commentaren rond de metafoor van het hologram verzameld. Het boek bevat onder meer een artikel van Pribram zelf, een gesprek met Fritjof Capra over zijn Tao van de fysica en enkele interviews met David Bohm, die met behulp van het holografische model zijn fysische theorie uitlegt. Rode draad in het boek is de verwachting dat dit nieuwe model een verbintenis tussen natuurwetenschap en mystiek mogelijk zal maken.

Het hologram blijkt in kringen van mystici nogal wat te hebben losgemaakt. Om voor hen bruikbaar te zijn moest de metafoor wel enigszins uit zijn hengsels worden gelicht. Werden aanvankelijk de delen van het brein opgevat als scherven van een hologram, nu interpreteert men het brein zélf als een scherf en wel van, zoals men schrijft, het Grote Hologram, het universum.

Wie eenmaal deze stap heeft gezet — een kleine stap voor wie gewend is in kosmische dimensies te denken — kan vervolgens de holografische principes toepassen op: „helderziendheid, psychokinese, wondergenezing, tijdscontractie, extra snel leren, de ervaring van ’één-zijn met het universum’, de overtuiging dat de gewone werkelijkheid een illusie is, en beschrijvingen van een leegte die tegelijk vol is.”

Ter illustratie de toepassing van holografie op psychokinese. Daarover wordt gezegd: „er is evenmin behoefte aan een kracht in punt Y die een invloed uitoefent op punt Z, als de informatie die nodig is om het voorwerp in beweging te brengen, zich ook al in punt Z bevindt. Als de hersenen een hologram zijn dat een holografisch universum interpreteert, zijn buitenzintuiglijke waarneming en psychokinese onvermijdelijke aspecten van dat universum.”

Even verderop oppert men dan dat mensen als Uri Geller toegang hebben tot een „werkelijkheid die verschilt van die van ons, omdat in zijn werkelijkheid de dingen die volgens ons onmogelijk zijn, wel mogelijk zijn.”

Dit werd geschreven in 1978, dus nog vóór Gellers ontmaskering. Geller zou, zuiver door gedachtekracht, lepels en vorken kunnen verbuigen. Televisieopnamen brachten later aan het licht dat Geller onder zijn vingernagels een chemische stof verborgen hield die hij uitstreek op de steel. Dat die vervolgens kromtrok had dan ook niets met psychokinetische vermogens te maken.

De enige werkelijkheid waar Geller toegang toe had was de platte werkelijkheid van het bedrog en de hele affaire was de zoveelste bevestiging dat in de parapsychologie de verklaringen Toeval & Bedrog altijd aan het langste eind trekken. Bovendien: als het menselijk brein een scherf is van het Grote Hologram, waarom is dan niet iederéén paranormaal begaafd?

Zelfs als de metafoor van het hologram met meer terughoudendheid wordt gehanteerd, zoals in het hersenonderzoek, blijven er nog genoeg problemen over. De perceptiepsycholoog Gregory heeft bijvoorbeeld als bezwaar aangetekend dat het licht dat het menselijk oog binnenkomt in tegenstelling tot laserlicht niet gefaseerd is en dus niet holografisch kan worden vastgelegd. Ook als men namens Pribram antwoordt dat het niet om de fysica maar de logica van het hologram gaat, maakt zo’n tegenwerping duidelijk dat er nader onderzoek nodig is naar de punten waarop de vergelijking mank gaat.

Wastablet
Een ander probleem, meer filosofisch van aard, wordt evenmin opgelost met de metafoor van het hologram. Of we het geheugen nu voorstellen als een wastablet (zoals Plato deed) of als een hologram, onduidelijk blijft wie er naar het wastablet of het hologram kijkt. Wastabletten veronderstellen lezers, hologrammen toeschouwers. Dit is het probleem van de „ghost in the machine” en ook de metafoor van het hologram heeft dat spook niet kunnen verdrijven. Sommige problemen krijgen door nieuwe technologieën wel telkens een andere formulering, maar worden er niet door opgelost.
.

 

Herinneringen lijken in ons geheugen te worden bewaard als een hologram. Als een hologram, zoals hierboven van president Lincoln, in stukjes wordt geknipt geeft ook het kleinste stukje nog informatie over het geheel. Het beeld wordt alleen wat vager.

Douwe Draaisma in De Volkskrant 10-08-1985

geheugen en herinneren in menskunde en pedagogie nr. 18

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-3)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Geheugen, herinneren – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s