Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (23)

.

Sint-Maarten had ’n koe

Op 27 april 1948 kreeg Utrecht een nieuwe vlag. Of beter gezegd de oude stadsvlag werd in mooie ere hersteld. Uit oude documenten was namelijk gebleken, dat de oorspronkelijke vlag rechts-geschuind van rood en wit was en dat die witte helft de beeltenis van Sint-Maarten droeg. Om die Sint-Maarten gaat het, want de stad Utrecht staat onder zijn bescherming.
Te zijner ere werd vroeger een processie gehouden en de burgers droegen de erenaam Sint-Maartensdienst-mannen of welgeboren Sint-Maartensmannen. Was er – zoals dat vaak is voorgekomen – weer eens oorlog of ruzie tussen die van Holland en die van het Sticht en kwam het tot een treffen, dan klonk – volgens een overlevering – als antwoord op de strijdkreet

‘Holland! Holland!’

het ‘Sint-Martijn! Sint-Martijn!’ van de Stichtenaren.

Niet alleen in Utrecht, maar in heel Nederland is Sint-Maarten na Sint-Nicolaas de populairste volksheilige. De in de achtste eeuw gestichte Dom van Utrecht is een Sint-Maartenskerk en zo zijn er vele. Steden, dorpen, kerken, altaren, klokken, gilden, liefdadigheidsinstellingen stonden of staan onder bescherming van Sint-Maarten.

En vergeet nooit
‘die onder protectie van Sint-Maarten staat is veilig en wel bewaard.’

Wij kennen in Noord-Holland Sint-Maarten, op Tholen Sint-Maartensdijk, in Utrecht Maartensdijk en onder Schipluiden de buurtschap Sint-Maartensrecht; en daar staat dan maar één enkel Sint-Nicolaasga in Friesland tegenover.
Ook in gemeentewapens kreeg Maarten zijn plaats, zoals in Itteren en Eethen en natuurlijk in de wapens van de plaatsen met zijn naam.

Wie was deze populaire heilige? Hij was een eeuwgenoot van Sint-Nicolaas, een zoon van een Romeins tribuun uit Pavia. Nog een knaap trok hij als soldaat naar Gallië. Aan de stadspoort van Amiens, zo wil de legende, deelde hij op een winterdag zijn soldatenmantel met een bedelaar. In de daarop volgende nacht zag hij in een droom Christus, bekleed met het stuk mantel dat hij weggeschonken had en hoorde hij Christus tot de engelen zeggen: ‘Hiermede heeft Martinus, de geloofsleerling, mij bekleed.’

De jonge Romein zei de krijgsdienst vaarwel, liet zich dopen, werd kluizenaar en monnik, stichtte het eerste klooster in West-Europa en reisde stad en land af om het evangelie te prediken. Hij hielp de armen en genas de zieken. In 370 werd hij door het volk tot bisschop van Tours uitgeroepen. Niettegenstaande deze hoogwaardige plaats bleef hij een eenvoudig man, goed doende waar hij kon.

11 november werd zijn feestdag, de dag van Sint-Maarten die nog steeds wordt gevierd, zij het minder uitbundig dan het vroeger gebeurde.

In voorbije tijden kon het op Sint-Maarten wild toegaan; er werd duchtig gegeten en gedronken. De overheid moest paal en perk stellen aan baldadige uitwassen. Een Dordtse keur uit 1443 vertelt:
‘So die jonghe boefkens op Sint-Maartensavond lestleden veel onredelikheden bedreven mit groote vuren te bernen opter straten, daertoe der luden banken, doeren ende vengsteren ende houten, die zij afbraken ende krijgen konden, ende verbernden ze ende deden den luden schade.’
Dat kon natuurlijk niet en daarom werd iedereen aangeraden deze belhamels ’also te kastijen ende bedwingen, dat sij alsulcke hantieringe mit vuuren te bernen ende der luden houten ende banken oft vengsters te halen, niet meer en doen tot gheenre tijd.’

Sint-Maarten mag dan niet zo hoog genoteerd staan als Sint-Nicolaas, zijn naamdag wordt nog steeds gevierd en het is vooral een kinderfeest. Op 11 november trekken in vele plaatsen in het land kinderen door de straten met lampionnen of andere fraaie lichtjes. Er wordt gebedeld – als men dit bedelen mag noemen – om een appel of om een peer; het mogen ook koekjes, snoepjes of geld zijn. Om kenbaar te maken, dat ze er aan komen of al voor de deur staan, wordt er hard gezongen. Keuze genoeg uit een indrukwekkend en gevarieerd sintmaartensrepertoire.

Zo zingt men in de stad Groningen – met een Sint-Martinuskerk! – :

Sint-Martinus, Bisschop
Roem van alle landen.
Dat wij hier met lichtjes lopen
Is voor ons geen schande.
Hier woont een rijke man
Die ons wel wat geven kan.
Geef een appel of een peer
’k Kom van ’t hele jaar niet weer.
’t Hele jaar, dat duurt zo lang
Dat mijn lichtje branden kan.

Op Ameland was het volgende liedje in trek.

Sinte, Sinte Marten.
De koeien hebben starten,
Ossen horens,
Kerken torens,
Torens klokken,
Mooie meisjes rokken,
Schoenmakers elsen,
Oude wijven pelsen.

Een ander oud liedje weet te vertellen:

Sint Maarten had ’n koe,
die moest naar de slager toe;
was ie vet of was ie mager,
toch moest ie naar de slager.

Om de vrijgevigheid te stimuleren werd en wordt graag het nodige gedaan en beloofd. Door het hele land is daarom het volgende liedje bekend en populair geworden. Want iedereen wil wel graag voor een rijkaard worden uitgemaakt.

Hier woont ’n rijk man,
Die veel geven kan,
Veel wil ’ie geven,
Zalig zal ‘ie leven,
Zalig zal ’ie sterven,
Den hemel zal ’ie erven.
God zal hem loonen,
Met honderdduizend kroonen,
Met honderdduizend rokkies an:
Hier komt Sint her Martijn an!

Op vele plaatsen wordt ’s avonds het sintmaartensvuur ontstoken, waarbij alles wat maar branden wil, gebruikt wordt. Allerlei onderzoekers naar de diepere en de diepste betekenis van oude volksgebruiken, willen hierin een afweermiddel zien tegen de boze geesten en heksen die verdreven moeten worden. Sint- Maarten wordt door dat vuur natuurlijk aangetrokken en gaat er meteen voor zorgen dat allen die ongeluk zouden willen brengen de wijk nemen. Meteen!

Na al die drukte met lampions en vuur gaan wij even een stukje eten. Dat kan heel goed. Het feest van Sint-Maarten is namelijk steeds een eetfeest geweest; men brengt dit wel in verbinding met november als slachtmaand en met het feit dat deze Sint zo gul was voor de armen. Lang waren pannenkoeken een echt sintmaartensgerecht, maar ook schotels met mispels, een gerecht dat helemaal niet meer bestaat. Trouwens de vrucht mispel is nauwelijks bekend. De mispel komt van een appelachtige boom en wordt gegeten als zij overrijp is. Vandaar zo rot als een mispel. Een oud liedje vertelt over de mispel:

Heere, Sinte Maarten! heilig sant!
Goede platte mispelen wasschen in uw hand.

Het gerecht bij uitnemendheid was in enkele plaatsen de sintmaartensgans. Wie geen gans had gegeten, had geen feest gevierd. Aan het eten op Sint-Maarten herinnert ook de oude benaming – reeds in 1276 bekend – van schuddekorfsdag. Op deze dag werd een grote korf gevuld met allerlei versnaperingen zoals appels, peren, tamme kastanjes boven een vuur gehangen en af en toe rond geschud. Dan vloog een deel van de inhoud in het rond en de omstanders konden naar hartelust grabbelen. Voor weerkundigen en weervoorspellers is Sint Maarten een zeer belangrijke dag. Wie die dag goed in de gaten houdt, weet welk weer er te wachten staat.

Als op Sint-Maarten de ganzen op het ijs staan, moeten we met Kerstmis door het slijk gaan.
Is het donker lucht op Sint-Martijn, zo zal ’t een zachte winter zijn, maar is die dag het weder helder, de vorst dringt door in menig kelder.

Er is nog meer. Zo het loof niet valt voor Sint-Martijn, zal ’t een harde winter zijn, maar nevels in sintmaartensnacht, brengen winters kort en zacht.

En nu nog even snel naar een paar hoogtepunten van de viering zelf; daarvoor kan men naar Utrecht en Groningen of bepaalde delen van Drente, Twente, de Achterhoek, Noord-Brabant en Limburg gaan.

Shell Journaal van Nederlandse folklore

.

Sint-Maarten: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: St.-Maarten

St-Maartensliedjes

1191-1111

.

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-1/1)

.

SCHEPPINGSVERHAAL

Uit het Mahabaratha, Hindoe-epos

Een eeuwigheid lang had Brahma, als een Niets, dat zich voorbereidt op Alles, gerust op de rug van de oerslang Sesha.

Toen schiep zijn denken de tien Scheppers!

Die werden de vaders van goden en demonen, de voorvaderen der mensen en met hen bouwden zij werelden uit het Al.

Kashyapa, een van de scheppers, nam de dochters van de Schepper Daksha tot vrouw: Aditi schonk hem de Aditia of Goden; Diti de Daitia en Danoe de D’anawa, twee demonengeslachten, die de goden vijandig gezind zijn.

De zoon van de zon echter was Manoe, de eerste mens.

In de loop der tijden werd het aantal schepsels vrijwel oneindig groot, aangezien er geen einde voor het leven was vastgesteld.

Brahma verzonk in diep nadenken:
hij wilde het woekerende leven tot staan brengen, maar hij kon geen middel vinden om de stroom van vruchtbaarheid in te dammen.
Zijn scheppingswil had die stroom voortgebracht en die was dus voor eeuwigdurende tijden onveranderlijk.

Toen schoten, uit toorn om zijn hulpeloosheid, laaiende vlammen uit de ogen van de onmachtige Almachtige en dreigden de wereld te vernietigen!

De god Shiwa echter gevoelde innig meelij met alle leven en hij vroeg de Verhevene om zijn toorn te matigen, opdat het vuur het heerlijke heelal niet zou verteren. Toen doofden de vlammen voor deze adem van meegevoel.

Een droppel viel van Brahma’u voorhoofd en werd tot een ernstige, zwartogige vrouw in een purperkleurig gewaad . Zij wendde zich naar het zuiden om heen te gaan, toen Brahma haar aanriep en sprak: “Jij, vrucht van mijn denken over vernietiging van het leven, zult Dood heten. Ga heen en tref de wijzen en de dwazen, de goeden en de kwaden, en alles wat leeft, opdat het niet meer opsta, want de wereld verzinkt bijna in het water door de last van het levende!”
Luid wenende wierp de lotosomkranste zich op de knieën voor de Almachtige en verborg haar gelaat in diens handen.
“Genade, Heer der Wereld!”, snikte zij. “Moet ik kinderen en grijsaards, sterken en zwakken, zondaars en boetelingen met dezelfde maat meten?
Wat zal men mij haten, wanneer vader of moeder, echtgenoot, vriend of zuigeling sterven! In alle eeuwigheid zullen de tranen van de ongelukkigen mij branden!
Genade! Gij goede Vader aller wezens!”

“Mijn woord is onveranderlijk en eeuwig!” sprak Brahma; “Dood zal het eind des levens zijn! Maar jij zult voor alle schepsels zonder schuld zijn. Jij houdt van ze en jij zult hen bevrijden! Boosheid, haat en nijd zullen verdwijnen, voordat zij in jouw armen rust vinden. De tranen, die je in mijn hand hebt gehuild, zal ik als ziekten over de aarde strooien, zodat de stervenden je als een verlossing zullen eren. Laten de zondaars door hun zonden vergaan, jij bent de verzoenende gerechtigheid, die hen zonder haat of liefde opneemt! En Yama, die heer van het Recht is, zal ook heer over jou zijn, Dood!”

Zo was Dood in de wereld gekomen, opdat die zich eeuwig mag vernieuwen.

.

5e klas – geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis alle beelden

.

1174-1094

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (36)

.

PLANTEN

hysop, linze, mirte

leven-o-t-170

1. Mirte
Van ouds heeft men de mirte zeer op prijs gesteld om de welriekende geur; bladeren en bessen werden in de geneeskunde gebruikt: in deze is namelijk een aromatisch-etherische olie (dat de bladeren doorschijnend-gevlekt maakt).
In Israël werden mirtetakken ook gebruikt bij het Loofhuttenfeest. Ten Westen van Jeruzalem was in Nehemia’s dagen een bosstreek (waaraan ook de naam Kirjath-Jearim = bossenstad; Jozua 15 : 10 herinnert) en uit dit gebied haalde men o. m. „takken van myrtebomen” om loofhutten te maken (Nehemia 8 : 16). De mirte (myrt) groeit in de dalen, waar de bodem vochtig genoeg is; het wijst dus op een algehele verandering van de woestijnsteppe in een bevloeide streek als voorzegd wordt: Ik zal in de woestijn de myrteboom zetten (Jes. 41 : 19). Als de verslagenen van hart uitgenodigd worden tot de genieting van Christus’ weldaden, wordt de totale verandering, die Zijn vrederijk brengt in de donkere wereld, getekend door de voorzegging: voor een distel zal een myrteboom opgaan (Jes. 55 : 13). Dat de mirten in de dalen groeien, leest men ook in het eerste nachtgezicht van Zacharia: de Engel des Heeren is tussen de mirten, die in de diepte waren (Zach. 1 : 8—11).

leven-o-t-171

2. Linze
De gewone linze, een eenjarig plant, die om haar voedzame, smakelijke zaden veel verbouwd wordt. In Palestina wordt de linze gezaaid in december. Men eet de warmgekookte linzen graag als wintervoedsel. Het was in de oudheid ook in Israël bekend (Genesis 25 : 34; 2 Sam. 17 : 28; 23 : 11; Ezechiël 4:9).

leven-o-t-172

3. Hysop
 De hier afgebeelde plant is de Hyssopus officinalis: een struik met veel stengel; de bloemen hebben een vijfspletige, twee-lippige kelk (a) die gewoonlijk een donkerblauwe, soms ook rose of witte kroon omgeeft. Het gebruik van hysop wordt in de H. Schrift het eerst vermeld in Exodus 12 : 22. Neemt dan een bundeltje hysop en doopt het in het bloed en strijkt daarmede aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten. Bij het ontzondigingswater werd eveneens hysop gebruikt (Numeri 19 : 6) terwijl bij de reiniging der melaatsen sprake is van cederhout en scharlaken en hysop (Lev. 14 : 4, 6, 49, 51, 52) en de brief aan de Hebr. 9 : 19 er van spreekt dat „hij nam het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol en hysop”. Daarom roept David het uit: Ontzondig mij met hysop (Ps. 51 : 9). Van Salomo wordt vermeld: Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom of, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast (1 Kon. 4 : 33) waar dus tegenover de machtige grootse ceder de hysop als een der geringste gewassen wordt gesteld. Tenslotte wordt in het Evangelie van Johannes 19 : 29 meegedeeld: zij vulden een spons met edik en omlegden die met hysop. — De vraag: welke plant wordt met hysop bedoeld, is verschillend beantwoord; Linneus nam aan dat bedoeld wordt de Hyssopus officinalis.

leven-o-t-173

4. Sjalotten
De sjalot heeft haar naam te danken aan de stad Askalon (het is de ui van Askelon; Allium ascalonicum). Nog steeds is het in Palestina een geliefde lekkernij, gelijk in de oudheid, toen de Joden in de woestijn met heimwee terugdachten aan het look, en aan de ajuinen en aan het knoflook (Numeri 11 : 5).

meer over planten in de bijbel

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1169-1090

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – vingerspelletjes (1-2)

.

Vingerspelletjes in de kleuterklas

Bijna elke dag komt er wel een moment voor dat de klas rumoerig en druk is.
’s Morgens als ze net binnen zijn bijvoorbeeld, of halverwege de ochtend als na het opruimen ‘de klas is, precies zoals hij was’.

Dan doen we vaak vingerspelletjes. Deze korte versjes en liedjes, eindeloos herhaald en met bewegingen van vingers, handen en voeten begeleid, vertonen een duidelijke samenhang tussen bewegen, spreken en denken. Dit werkt vormend op de kinderen en de rust in de klas keert weer..

En ze doen het met plezier! Er worden nieuwe variaties en aanvullingen bedacht en alles wordt eindeloos en eindeloos, herhaald. Ik zal u een klein voorbeeld geven van spelletjes die ik veel doe. De bewegingen moet u maar aan de kinderen vragen, en zelf verzinnen mag ook!

Kom mee kinderen, we gaan naar de stad!
En het allereerste wat we zien, is de grote toren!

Torentje torentje bussekruit
wat hangt eruit?
Een gouden fluit
Een gouden fluit met knopen
Torentje is gebroken.

Maar daar komt de reus aan,samen met zijn reuzenvrouw.
Ze stappen recht op de kerktoren af!

Hij luidt de klok zo hard hij kan
Zij luidt de bel van Ilpendam
Hij slaat de trom van Didodom
Zij slaat de pan op ’t aanrecht krom
En samen geeft dat een lawijt
’t Is aan de tijd zo wordt gezeid

Er zijn twee mannetjes op weg, ze gaan ook naar de stad.
Ze passen goed op dat de reus ze niet ziet.

Daar liepen eens twee mannetjes op de berg zoals je ziet

De ene heette Jan
de andere heette Piet
weg Piet! weg Jan!
Kom weerom, Piet!’
Kom weerom, Jan!

En vader haas en moeder haas zijn ook op stap gegaan.
Ze zijn blij dat het bijna pasen is!

Er waren 2 haasjes
vader haas en moeder haas
dag vader haas,
dag moeder haas
zullen wij gaan dansen,
en met de pootjes van de grond
dansen de haasjes in het rond
dan worden de haasjes moe
slaan ze snel hun oogjes toe
kruipen in hun holletje
en boven op hun bolletje
wiegen de grasjes heen en weer.

En boven de grasjes vliegen de bijen rond. Ze zijn op zoek naar honing.

Dit is de korf, het bijenhuis
Is er geen enkel bijtje thuis?
Wacht even, dan komen ze wel
en beginnen met hun bijenspel
1, 2, 3, 4, 5!

Het bijtje vliegt naar een bloemetje.

‘Bloemetje, mag ik van je honing snoepen?’
‘Ja, ja.’

En dan is het bijtje verdwenen!
.

Petra Agterof, nadere gegevens onbekend
.

vingerspelletjes ( 1-1)

peuter en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

.

1167-1088

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (1)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

Ik bewaar heel goede herinneringen aan ‘De boom (die) wordt hoe langer, hoe dikker’.

Eerst loop je in een lange rij – hand in hand – achter elkaar aan en dan moet de achterste stil blijven staan en gaat de rest er voortdurend rond omheen. Dat achterste kind moet wel stevig zijn! en stevig staan! De rij moet wat dicht bij elkaar blijven, anders raken de handen los en is er een soort ‘ban’ verbroken. Ook moet je nog opletten dat de kring om het achterste kind niet te ‘strak’ wordt: het kind wordt anders bijna letterlijk verpakt.

Wanneer dan alle kinderen in een grote spiraal om elkaar heen staan, is het spelletje ten einde. Bij de wat oudere kinderen probeerde ik dan de hele kluwen iets heen en weer te wschommelen onder het roepen van: ‘O, wat komt daar een storm; de boom schudt heen en weer, als die maar niet omvalt’ en meer van deze opmerkingen.

De boom mag NIET omvallen, maar moet weer dunner worden, dus gaan we de spiraal weer uitwikkelen door min of meer nu achteruitlopend weer, uiteindelijk, tot de lange rij te komen. Ook hierbij weer opletten dat het niet te vlug gaat; dat kinderen niet gaan trekken (waarbij anderen kunnen vallen).

Er zijn nog varianten.

Er zijn wel verklaringen gegeven voor dit soort spelletjes.

Deze is van Melly Uyldert:

DE BOOM WORDT HOE LANGER HOE DIKKER!
.
De kinderen vormen een lange rij en houden elkaar bij de hand. De voorste houdt een boom of paal vast en nu beweegt de hele rij zich, zingend: De boom wordt hoe langer hoe dikker! daar al windend om heen. Als de boom klaar is, ontwinden de kinderen hem weer, zingend: De boom wordt hoe langer hoe dunner!

Of de kinderen vormen een kring, die ergens open blijft; het kind aan het ene uiteinde loopt nu met de anderen achter zich aan langs de binnenkant van de kring, dus in steeds kleinere ronden, tot het niet verder kan. Daarna, onder het zingen van: de boom wordt hoe langer hoe dunner! — keert het achterste kind óm en gaat aan het afwinden.

Verklaring
.
Deze dans is waarschijnlijk eens een draai-dans of tri-dans geweest, waarmee men om een heuvel heen spiraalde. Men bootste daarmee de spiraal na, die de zon voor ons ook aan de hemel beschrijft tussen de keerkringen: op de langste dag en op de kortste dag heeft zij die keer-kring bereikt en schijnt op haar weg terug te keren. Vooral op de langste dag, 21 juni, het grote feest van de zon, werden vroeger zulke dansen uitgevoerd tot haar eer, en werd ook rond oplaaiende midzomervuren -tegenwoordig: pinkstervuren, gedanst.

.

Spel: alle artikelen

Peuters/kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

.

1166-1087

.

VRIJESCHOOL – Jaargetijden – herfst (2)

Wilde vruchten in bossen en langs wegen

Aan het eind van de zomer rijpen de vruchten. Als we daar in de komende winter van willen genieten, moeten we nu actief worden. Allerlei soorten sap en jam kunnen we maken.
Een aantal suggesties.

Het is alweer bijna afgelopen. September, toch vaak nog zulk prachtig weer brengend, is de herfstmaand, de maand van Michaël die ons al groot en ernstig staat op te wachten om de wintermaanden tegemoet te gaan. We moeten weer bij ons zelf terugkomen na een zomer van laat maar waaien en vakantie vieren.

Voor stadsmensen is dat moeilijker, buitenmensen hebben in juli al de weilanden gemaaid en het hooi opgeslagen en augustus- oogstmaand brengt zeker veel werk met zich mee. Het koren moet gebonden en op schoven gezet vóór het onweer losbarst. Wie de afscheidsgaven van de zomer niet op een landje heeft staan moet nu zoeken en verzamelen. Bramen, natuurlijk, en bosbessen, maar er zijn nog veel meer wilde vruchten waar we ons mee kunnen wapenen vóór de winter komt.

Ik noem er hier een aantal met wat suggesties voor de verwerking. Wat het zoeken en plukken betreft, een goede flora is wel belangrijk want er is veel giftigs tussen al dat rode en zwarte schoons.

Amerikaanse Vogelkers (Prunus Serotina). In bossen. Rauw zijn de vruchten zoet maar bitter, gekookt zijn ze pas écht lekker. Bijvoor­beeld voor gelei.

Lijsterbes (Sorbus aucuparial). In bossen en langs wegen. Niet rauw eten, niet echt giftig maar wel sterk laxerend. Voor gelei.

Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)

Meidoorn (Crataegus spec.). Bossen, hagen en duinen. Vooral geschikt om samen met andere vruchten tot gelei verwerkt te wor­den. Pluk ze niet overrijp dan bevatten ze veel geleermiddel.

Mispel (Mespilus germanica). In bossen en heggen, vooral in het zuiden van ons land, verder in tuinen. Rauw lekker als ze goed rijp zijn, gepoft als appels in de oven ook heerlijk.

Rijpe mispels

Wilde Appel (Malus Sylvestris). In bossen en langs wegen. Rauw niet lekker, gepoft met veel zoetigheid wel. Als geleermiddel in gelei heel waardevol.

Malus sylvestris fruit, Vosseslag.jpg

Zwarte Vlier (Sambucus Nigra). In bossen, heggen, duinen etc. Verwar nooit zwarte vlier met kruidvlier die giftig is. De eerste heeft houtige stengels en de tweede groene kruidachtige. Voor sap en gelei.

kruidvlier:Attich.jpg

Beuk (Fagus Sylvatica L). In parken en bos­sen. Rauw zijn beukennootjes een klein beetje giftig, niet al te veel zo eten. Geroosterd zijn ze prima consumeerbaar, het meel kan tot brood gebakken worden, als je dóór blijft ma­len krijg je beukennootjespasta.

Beuk (boom)

Hazelaar (Corylus avellana). In parken en bossen. Rauw lekker, geroosterd of in brood of taart heerlijk.

gevlochten strpVoor wie bezwaar heeft tegen veel suiker en toch echte gelei wil is het leuk om te weten dat Agar-agar (Kanten) een goed bindmiddel is voor gelei. Gebruik dan potten met twist off-deksels en zet die na het vullen en dichtdraaien omgekeerd weg. Zo blijft het allemaal best goed tot het volgende jaar.

In de bibliotheek zijn  nog wel boeken waar meer bekend en onbekend zoek- en vindbaar lekkers in staat. Een heel leuk en betaalbaar boekje vond ik ‘Eetbare  wilde vruchten, zaden en noten, door Erik en Marian de Graaf uit de serie Ecologische Alternatieven van de Kleine Aarde.

En dan nog voor wie op z’n speurtochten naar bovenstaande vruchten langs een verlaat korenveld loopt: probeer van de boer wat tarwe of haverstro los te krijgen. Want ook dat hoort bij deze tijd, vlechten met goudgeel stro. Er zijn natuurlijk heel ingewikkelde dingen te doen met stro maar het is ontspannend om er gewoon lange vlechten van te maken. Daar kun je dan verder mee werken. Maak er kransen van, en harten, sterren en zonnen en hang ze dan op boven de eettafel om dank te zeggen aan een zomer die misschien niet ideaal was maar toch weer goed voor ons heeft gezorgd.

Nikole Karrèr, Jonas 1, 31-08-1984

Over vruchten

Jaarfeesten: jaargetijden en seizoenen

1154-1075

.

 

 

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (3)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ en deel 2.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

.

OPSTELLEN VAN KINDEREN (vervolg)

In de twee vorige nummers  van „Ostara” schreef ik over het taalonderwijs in de zevende en achtste klasse van de „Vrije School”. Ditmaal laat ik hierbij aansluiten eenige opstellen van kinderen uit een achtste klasse over twee dezelfde onderwerpen, namelijk een bezoek aan het Museum Mesdag te ‘s-Gravenhage, dat kort daarop gevolgd werd door een bezoek aan het Museum Kröller, waar meer moderne schilderijen tentoongesteld worden. Het kan misschien voor velen interessant zijn naast elkaar te lezen, wat op vrije wijze, hierover, door de leerlingen werd geschreven. De bezoeken hadden plaats naar aanleiding van het behandelen der schilderkunst in de 19e en 20e eeuw in de geschiedenisperiode. Hierover en over de elkaar opvolgende kunstrichtingen werd in het algemeen gesproken, over de bijzonderheden minder, zcodat de in de opstellen besproken details geheel uit de kinderen zelf ontstaan zijn.

Zestiende voorbeeld

Gedachten bij het schilderij van Jozef Israëls: „Alleen op de Wereld”.

Een nevelig waas hangt over de kamer. Een waas van den dood; van het onbegrijpelijke. Jarenlang had hij, Jelle, met zijn vrouw samengewoond en zij had gezorgd en gezwoegd van den morgen tot laat in den avond. Nu was ze dood. En als ik naar het schilderij kijk, zie ik den man zich omdraaien en angstig kijken naar het bleeke gelaat, met de rimpels van arbeid en de zorg. En hij grijpt naar de medicijnflesch, die op tafel staat. Maar zijn vrouw is dood… In stomme droefheid, de handen gevouwen, bevend, zit hij op een stoel. Hij kan het zich niet indenken. De klok in de eenvoudige kamer tikt langzaam. Jelle staat op en zacht, op zijn kousevoeten loopt hij naar de doode. Hij kust het rimpelige gezicht en fluistert zacht: „Je was toch goed voor me, hoor.” De man herinnerde zich de tijd, waarin ze elkaar soms niet begrepen hadden. Tranen biggelen langs zijn wangen, terwijl de nevel langzaam wijkt. Nu staat hij alleen in de wereld.

Zeventiende voorbeeld

Bij het schilderij van Jozef Israëls „De zieke vrouw”.

Schamel is het anders zoo overvloedige maal bij den heer Hennings. Zijn zaken, die tot nog toe zoo reusachtig goed gingen, zijn langzamerhand achteruitgegaan. Een week geleden had hij de zaak moeten opheffen. Dit was een te groote slag geweest voor zijn nog jong vrouwtje. In die week was ze zoo erg ziek geworden, dat de dokters voor haar leven vreesden. Dure levensmiddelen kon men haar niet geven. Dus haar genezing werd niet geholpen. Arme Hennings, om daar zijn jong, blozend en gezond vrouwtje zoo uitgeteerd op het schamele leger te zien liggen. De lijdenstrekken, die al dien tijd om zijn lippen speelden, waren tot een diepe groef geworden. De dokter was er vandaag nog geweest en had gezegd, dat de crisis nabij was. Zoo ligt zij dan met den dood te strijden. Hennings staart droevig voor zich uit. Daar ontsnapt de laatste zucht bij de stervende. Arme vrouw. De dood heeft overwonnen. Zij moest haar diepbedroefden man alleen achterlaten. Het was Gods wil.

Achttiende voorbeeld

Museum Mesdag.

Vanmiddag gingen wij naar het Museum Mesdag. Toen wij binnenkwamen trof ons dadelijk het borstbeeld van dezen grooten meester. Zijn breede, groote kop keek vriendelijk rond in het huis waar hij gewoond en gewerkt had. Boven hingen groote zeegezichten van hem; de zee woest-bewegelijk, groen en bruin, met dikke witte koppen; kleine visscherspinken op den achtergrond, en geweldige wolkenmassa’s, waar het licht zoo straalsgewijs, als na een onweer, even doorbreekt. Een van de werken van Millet heeft een geweldigen indruk op mij gemaakt. De uitdrukking op het gezicht van de vrouw op den voorgrond was van zoo’n doffe dierlijkheid en van zoo’n groot menschelijk verlangen tegelijk, dat het was of deze mensch levend van ’t doek zou komen.

Negentiende voorbeeld

Museum Kröller.

De schilderijen in ’t Museum Kröller waren wel in staat iemand te overweldigen; ik kan niet zeggen wat van alles mij het meest heeft getroffen. Het „Trappenhuis” van den Hollandschen schilder Mondriaan, de „Piëta” van Degouve de Nunques of de „Blinden” en de „Pratende Vrouwen” van den Kubist van der Leck. — Ik geloof wel de laatsten. De stemming, die over de werken lag deed iemand rillen. Dat moeten dragen van „de Blinden”, waar geen opstandigheid of gelatenheid op hun gezichten te lezen was, maar alleen blindheid, in de omgeving, de buizen, ja zelfs tot in de kleeren toe, was zóó grootsch, zóó geniaal gedaan, dat het tegelijk heerlijk en afschuwelijk was, om naar dit werk te zien. Toen kwamen we bij van Gogh. In tegenstelling met het Kubisme geen vaste vormen, geen begrensde lijnen, alleen kleur en schwung, kracht en moed.

Het „Ravijn”, wilde bergstroom tusschen rotsen; cypressen, donker, dreigend en met een geweldige kracht.En daarnaast het heel teere roze kerseboompje.

Van Gogh was een hartstochtelijk zoekend mensch. Moet men hem daarom beklagen? Hij zocht, heeft hij gevonden? Ja!

Twintigste voorbeeld

Schilderijen. (Uit het Museum Kröller.)

Een waterval ruischt naar beneden. De blanke droppels vallen in het heldere meertje. Zij zijn zoo schoon en fijn en zóó kleurrijk. De duizend blanke drupjes zijn zoo blank en rein.

Een donkere mist, grauw opeengepakt. Ondoordringbaar. — Een blij lichtje en vogelgezang. Het is alles zoo grauw en donker. Hu, hu, hu.

Een oplaaiende vlam. En een vonk. Een bliksemstraal. En een lichtende zon. Alles dwarrelt omhoog met een groote kracht. Dan weer wild, woest, grootsch. Dan weer zacht en kalm. En de lentezon kijkt vriendelijk om een hoekje.

Eenentwintigste voorbeeld

Een Schildersmeening.

De eene mensch zegt: „Schilderen is de kunst”. Maar een ieder heeft een anderen smaak. „Tooneelspelen, dat is ’t wat men hebben moet.” Zoo zegt de een dit en de ander dat. Ik vind alles wat mooi is en goed kunst. Als een mensch een schilderstuk maakt, waarin hij zijn gevoelens probeert uit te drukken en om de menschen daarmee te helpen, dan is dat goed en mooi. Als iemand een rol speelt bijv. van een arme vrouw en ze leeft daarin en laat zien hoe vreeselijk zoo iets kan zijn, dat de menschen toch medelijden moeten hebben, dan is dat ook zeer goed en kunstig. Maar men moet meenen, wat men in die rol tracht uit te beelden, anders denken de menschen iets goeds over die uitbeelding, terwijl het eigenlijk valsch en niet gemeend is. Vincent van Gogh tracht ook zichzelf in zijn werk uit te beelden; ’t broeit en woelt in hem om in zijn schilderstuk ’t leven te brengen. Zijn boomen staan daar vlammend als wilden zij omhoog. Hij schildert een cypres, heel hoog, naar boven getrokken; de maan en de sterren leven. Hij maakt den hemel zoo, als zag je daar de baan, die de sterren beschrijven. Hij smeert de kleuren op het doek, het duurt hem te lang, voordat er een beeld verschijnt. Maar dan is ’t ook zoo forsch en met zoo’n leven bezield, dat ’t als ’t ware te zien is hoe alles leeft en werkt.Zijn werk is met leven bezield; zijn koppen zijn gedurfd en geestig.

Een schilderstuk (van Degouve de Nunques) was er van een stad, blauw en geheimzinnig. Degene, die buiten op het veld staat voelt zich eenzaam en alleen, als hij daar die stad ziet liggen met haar gezellige flikkerende lichtjes, die tusschen de huizen dóórschemeren. Zoo zal de schilder zich ook hebben gevoeld. „Ik sta hier alleen en daar in een warm huis, wat zal ’t daar heerlijk en gezellig zijn!”

De „Pias” van Renoir vond ik erg geestig.

’t Schilderwerk, dat ik gezien heb, was allemaal erg mooi en vol gevoel, dit laatste ’t meest bij Vincent van Gogh; de felle kleurschakeeringen van van Rysselberghe en trouwens ook van van Gogh waren prachtig. Ik heb er weer veel van geleerd. Schilderen is moeilijk, maar prachtig.

Tweeentwintigste voorbeeld

Vincent van Gogh.

Vincent van Gogh, de voorganger van het expressionisme. Vincent van Gogh, de woelende, zoekende mensch, uitbeeldend van wat er in zijn ziel omging in zijn schilderstukken. De laaiende, krachtige boomen en luchten op het doek, die den toeschouwer in vuur en vlam zetten. De cypressenweg met de maan en de sterren, die schijnen te leven, te bewegen, te deinen, is onvergetelijk. Maar ook de tragische zijde vindt haar plaats in zijn schilderstukken. In het oude mannetje op den kapotten stoel bij het stervende vuurtje is zoo iets droevigs, dat het alles levend schijnt. Ik vind dezen vertwijfelenden grijsaard veel mooier dan de kubistische schilderstukken van van der Leck. De ellende van het blindzijn is wel uitgebeeld op de gezichten van de beide mannen, geleid door het kleine meisje, maar het leeft niet. De houding van de menschen bij den „Brand”, een werk van denzelfden schilder, is ver van menschelijk. Het lijkt wel wat op de Egyptische muurschilderingen. Het schilderstuk van van Gogh is veel aangrijpender, omdat de houding menschelijker is.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.5, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1144-1065

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – impressie (4)

.

In iedere kleuterklas van de vrijeschool is een ‘blauw en een rood’ huis.

Leuk is het om te zien, dat er in het rode huis vaak zeer rustig gespeeld wordt, bv. poppenziekenhuis, terwijl het in het blauwe huis meestal drukker is. Er ligt binnen vaak een onoverzichtelijke stapel planken en doeken. Geluiden, die uit het blauwe huis komen zijn ook opmerkelijk luider.

Wanneer we de wanden van een kleuterklas bekijken, dan zijn die roze.

Roze noemen we ook wel de kleuterkleur. Het is een warme, omhullende kleur, die de kleuter nog omringt.

De materialen zijn natuurlijke materialen. Ze moeten het kind de mogelijkheid geven door z’n fantasie telkens opnieuw innerlijk actief te worden. In deze materialen leeft nog een natuurgebeuren. Het zijn de warme, nog van leven doortrokken substanties. Het brengt een persoonlijke verbinding tussen kind en materiaal tot stand. De ziel van het kleine kind laat zich daar graag in opnemen, omdat het daardoor een stukje wereld leert kennen.

Het kleine kind, dat een en al zintuig is, moet datgene ontmoeten, aanraken, wat waar is, wat écht is.

Het is voor het kind, wiens zinnen de eerste zeven jaren nog in ontwikkeling zijn, van belang, dat naar die natuurlijke stoffen gezocht wordt en dat die hem worden aangeboden, opdat het later wezenlijk mens kan zijn.

We moeten ze laten beleven hoe bv. de wind door het hoge gras waait; hoe de hommel in een bloem kruipt. Zeg niet tegen zijn oogjes : “Kijk eens, zó haalt de hommel de honing uit de bloem”, maar geniet zelf en het kind geniet onbewust mee. Geniet zelf van de klas als volwassene en het kind geniet mee.

Laat hem rustig in een boom klimmen; hij houdt zich wel vast. De ruwe stam aan z’n knuistjes, die koele bladeren tegen zijn wang – het is allemaal voedsel voor zijn zintuigen.

Zingen met de kinderen en de heerlijke ritmische spelletjes van vroeger: ze groeien er aan; het geeft hun zekerheid, veiligheid en geborgenheid.

In zo’n klas voelt het kind zich – met al z’n andere vriendjes en vriendinnetjes – op zijn gemak} Heerlijk toch.!

Elly, nadere gegevens ontbreken

.

Kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuterklas

.

1141-1062

.

VRIJESCHOOL – Remedial teaching

.

In het blad ‘Stroom‘ – tijdschrift voor gezondheidszorg geïnspireerd door antroposofie – april 2011, staat een interview met Joep Eikenboom die vertelt over remedial teaching en de rol van Audrey McAllen bij het ontwikkelen van hulp aan kinderen met problemen.

Hier volgen waardevolle gezichtspunten:

.

‘De onderbouw is de leerperiode van ongeveer zes à zeven tot aan het dertiende levensjaar. Die periode heeft als perspec­tief de zieleontwikkeling van het kind. Maar wat in de eerste zeven jaar niet goed is afgerond, moet je blijven dooroefenen. Kijk goed naar de fysieke ontwikkeling. Hoe beweegt het kind? Loopt het met een zekere pas of voorzichtig. Hoe kijkt, tast en luistert het? Kortom hoe “bewoont” het zijn lichaam?

Joep raadt daarom ouders aan een boekje aan te leggen waarin ze bijhouden hoe hun kind geboren werd, zijn eerste lachje, voor het eerst ging rollen, kruipen, staan, enzovoort.

Zulke “tekens”, kunnen heel nuttig zijn bij het eventueel bijstu­ren in een latere fase,

Audrey McAllen wijst op de noodzaak evenwichtscheppend te werken met alles wat het kind in de eerste zeven jaar van zijn leven nog niet voldoende heeft ontplooid. Het fysieke is een fundament. De zieleontwikkeling – tussen zeven en veertien jaar – komt daar als proces “bovenop”.’

De oplettende leerkracht
‘Zo kan je oog vallen op een leerling die consequent met zijn andere dan zijn voorkeurshand het potlood terug in de doos legt. Of zie je de slechte pengreep, heel lastig bij het lezen en schrijven. Met de Extra Les [1] krijg je aanwijzingen zulke onvol­komenheden om te vormen.’

Volgens Joep heb je kinderen die qua ontwikkeling schoolrijp zijn maar niet schoolvaardig, de motorisch-neurologische ontwikkeling is dan niet voldoende uitgerijpt.

‘In de vrijeschool laat je de klas veel oefenen met handen en voeten. Ik heb het voorrecht Audrey McAllens’oefeningen in mijn eigen klas toe passen. Wat blijkt? Dat er altijd zo’n vijf leerlingen zijn die het klassikale te weinig oppikken. Die geef ik extraatjes.

De oefenstof grijpt terug op hoe het kleine kind zich ontwik­kelt. Vanuit rollen, kruipen, staan, lopen, springen enzovoort. Kinderen blijven soms ergens steken. Bijvoorbeeld het kind dat zich omdraait en in die beweging van nek en hoofd zijn arm nog meeneemt. In het eerste levensjaar leert een kind vanzelf zulke bewegingen van elkaar los maken.’

Dubbelhandigheid
‘Er is een jongen in de klas die zijn hoofd draait om te kijken naar zijn rechterhand die schrijft. Hij wordt na een korte tijd duizelig. Hij lijkt volkomen linkshandig te zijn maar na een test blijkt dat hij in zijn peuterjaren heeft vermeden zijn rechterhand te gebruiken. Ook hier weer een achtergebleven bewegingspatroon. Bij deze jongen gaat het om slecht focus­sen en een gebrek aan concentratie. Als hij de klas uitgaat om zijn tas te halen die hij vergat mee te nemen, raakt hij onder­weg de weg kwijt, vergeet wat hij ging doen en komt uitein­delijk met zijn jas terug in de klas. Als hij hardop voorleest in de klas raakt hij ondanks de wijzende vinger op de letters de weg kwijt in de tekst.

Neem pianospelen. Dat kun je doen vanuit de hele arm. Dat klinkt hard en luid. Wanneer je speelt vanuit de motoriek van pols hand en vingers wordt het spel verfijnder en mooier. Zo kan ook de oogspier in het grove gebaar blijven steken. Dat wordt bij het lezen een handicap. Als er in de motoriek van het lichaam nog onvoldoende rijping is, heeft dat zijn effect op de oogspieren. De bewegingen die de schrijvende hand uitvoert vragen een uiterst fijne inspanning van de ogen.

Veel kinderen hebben problemen met kijken, de visuele verwerking. De bekendste is die van het omkeren van letters (b of d) of van het naar voren halen van bepaalde medeklin­kers. Verwerking van de zintuiglijke indrukken heeft soms last van een oud motorisch patroon. Als je er niets aan doet, blijven deze opspelen tot in de volwassenheid. Let maar eens op iemand die net iets te luidruchtig is in gezelschap. Dat kan een oud bewegingspatroon als achtergrond hebben. Iemand kan zich dan onvoldoende “pakken”.’

[1] The Extra Lesson
Audrey McAllen werd gevraagd te werken met bijzondere kinderen. Jarenlang maakte zij studie van het gezonde kind en het kind met handicaps. Zij richtte zich daarbij op het fundamentele leerproces. Zij zag retardaties, achterblijvende bewegingspatronen die de normale ontplooiing van het kind in de weg zitten. Het ging daarbij om de vroegste vormen van bewegen. Deze konden ook bij een ouder kind nog na-geoefend worden. Zij ging daarbij steeds uit van het normaalintelligente kind. Dyslexie zag zij als een probleem van kinderen die qua intelligentie normaal zouden moeten kunnen leren lezen en schrijven.

Frontaal
Ons leefklimaat is ingrijpend veranderd, dat geldt ook voor de vroegste kinderjaren.
‘Wij hebben de tijd tegen. We kunnen het jonge kind niet aan zijn lot overiaten. Het zou aan het einde van het eerste levens­jaar uit eigen aandrang moeten gaan staan, maar kijk, kinde­ren worden ai heel jong rechtop gedragen. Die verticale stand van de nek is vaak nog veel te weinig geoefend. Het kind gaat dus te hard vooruit met een ongeoefende spiergroep. Boven­dien komt de verticale positie normaal gesproken pas in beeld bij het optrekken, zitten en leren staan. Baby’s brengen al vroeg lange uren door in de maxi-cosi die de wet voorschrijft en zitten dan vaak al vroeg in een onvrije houding. In de eerste drie jaar wil het kind eigenlijk veel meer omhulling en rust voor de ontwikkeling dan ouders van nu opbrengen. Er gaat veel mis uit onwetendheid en door de jachtige verplaat- scultuur van nu! Zo komt het kind niet spontaan in een bij zijn leeftijd passende motorisch-neurologische fase.’

Joep wijst ook op de tegenwoordige kinderwagens. De ouderwetse waren meestal zo geconstrueerd dat het kind naar ma of pa gericht was. Tegenwoordig zie je dat het kind met open ogen de wereld in rijdt.’Ga maar eens kijken bij een stoplicht. Wie zit vaak het dichtst bij de voorbijschietende auto’s? Of voor de openspringende deuren van de metro? Het kind moet aan onze snelle wereld veel eerder wennen dan voor zijn ontwikkeling goed is. De heftige indrukken schieten naar binnen en zijn waarschijnlijk mede oorzaak van nerveuze verstoringen zoals ADHD. In de klas zie ik kinderen al een behoorlijke dosis onrust meebrengen. Vaak ziet de leidster bij het binnenkomen in de kleuterklas al waar zo’n kind het moeilijk mee gaat krijgen.’

Consumentenelectronica
‘Kinderen weten al heel vroeg hoe alles werkt. Ze zien de volwassene de telefoon en pc bedienen en kunnen deze han­delingen feilloos herhalen. Kinderen zijn in een tijd geboren waarin de cultuur sterk wordt bepaald door apparaten. Toch zou je wensen dat het kleine kind daar nog van weggehou­den werd. Het flexibele wezen van een peuter zit nog niet te wachten op de verstarring en verharding die gepaard gaan met onze hi-tech-verworvenheden. Het is echt niet iets om trots op te zijn als een kind van 18 maanden al dagelijks zijn eigen teletubbies aanzet op het scherm. Het blootstellen aan zulke intense lichtbronnen kan schadelijke gevolgen hebben voor de nog uitrijpende zintuigfuncties en corresponderende hersencentra. Je kunt het vergelijken met het onbeschermd in de zon kijken.’

‘Alles staat of valt met de visie op het kind. Ook de leerkrachten zelf doen aan scholing en gedragsverandering. Vroeger zag je in de kleuterklas niet vaak een kind op de grond liggen. Op zo’n moment pro­beerde de leidster het kind te laten zitten of opstaan. Nu zijn we erachter dat er voor de vroege motoriek niets beters is dan de wereld vanuit het horizontale te leren kennen. Als iemand evenwichtsproblemen heeft helpt het om te gaan liggen. Dan oefen je het labyrint met jezelf als rustig midden.’

Omweg
Er is veel te winnen met een rustiger tempo. Joep ziet ook in de vrijescholen een zekere haast om het kind het schrijven bij te brengen.

‘De hoofdletters, vaak afgeleid uit sprookjes­beelden, worden vaak al overgeslagen. Het kind wordt de kleine letter aangeleerd vanuit het idee dat je zo het lezen bevordert. Die haast is nergens voor nodig. Juist het vele oefenen vanuit de rechte en de ronde oervorm legt een rijke bodem voor alle latere leerstof. De oervormen komen steeds terug, in het vormtekenen en schrijven, in het rekenen en de meetkunde.’

‘Zo had ik een meisje in de klas dat met het klassikaal oefenen van kruipende bewegingsvormen niet vooruitkwam; slakken gingen sneller. Zij las en rekende als de beste van de klas. Waarom kon zij niet die kruipbeweging doen? Was zij te voorzichtig, had zij te weinig kracht in haar ledematen? Wat hinderde haar? Zij was niet goed doorwarmd en een beetje angstig. Toen ik met de moeder sprak over de moeite die zij had met het kruipen en het naar achteren buigen van haar hoofd, deed ik de beweging aan haar voor. “Ja”, zei de moeder, “zij is met aangezichtsligging geboren.” Dat opende voor mij een deurtje. Ik wilde niet zo ver gaan om te zeggen datj e daar de oorzaak had, maar vanaf dat moment had ik een ingang om met haar speciale oefeningen te doen die werkten. Wat je aan dit voorbeeld kon zien, is dat je eerst naar de erfenis van de eerste zeven jaar moet kijken voor je het in het psychische gebied gaat zoeken, namelijk in de zieleontwikkeling van zeven tot veertien. Bij dit meisje was het angstige terug te leiden naar iets wat al bij de geboorte speelde.’

Prestatiedruk
‘Tenslotte heeft het onderwijs het van alle kanten zwaar te verduren. De prestatiedwang, de peutertest, de kleutertest, de Citotoets. Alle eisen die aan het onderwijs worden gesteld hebben een intellectuele insteek.Terwijl de cogni­tieve ontwikkeling bij het gezonde kind zich eigenlijk vanzelf ontplooit. Bovendien is de know-how in de scholen aanwezig om het kind met echte leerproblemen adequaat te helpen. Waarom moeten de kennisvaardigheden steeds vroeger de maatstaf zijn? Eigenlijk begon het op de universiteiten: De studenten bleken niet zelfstandig te kunnen werken. Dus werd aan de middelbare school eisen gesteld aan zelfstandig werken en kwam het Studiehuis. Het Nieuwe Leren kwam echter niet op gang want pubers kunnen dat niet zonder hulp. Toen verschoof het probleem naar de lagere school: de basisvaardigheden moesten eerder aangelegd: leer ze eerder lezen en rekenen. En dat was weer aanleiding om de peuter voorbereidend taal- en rekenonderwijs te geven. Ziehier de verschuiving naar het jongere kind. De zorgverbreding heeft een smalle leest! Het schiet zijn doel voorbij als uitsluitend leerresultaten tellen en de blik op het kind tekortschiet.’

‘Er zijn nog maar weinig grote gezinnen. Ideaal gesproken zijn dat oases waar kinderen onbekommerd opgroeien. Kinderen voeden elkaar op. Zo raak je gericht op de ander. Zulke kinderen spelen buiten. Boompje verwisselen, stoepranden.

In de twee-kinderen-gezinnen heb je dat minder. Dan komt het er op aan dat klassikaal onderwijs het groepsgewijze leren meeneemt in de ontwikkeling. De heersende tendens is gericht op het eigen persoontje. De vrijeschool kan
tegen­wicht bieden met kunstzinnige oefening en klassikaal bewegingsonderwijs, vooral voor kinderen die sommige dingen uit hun eerste zeven jaar nog best een beetje over mogen doen.’

De ontwikkeling van kind tot volwassene, bezien vanuit de menskunde van Rudolf Steiner:

Van de geboorte tot ongeveer het zevende jaar betrekt een kind zijn fysieke lichaam. Die levensfase wordt het fundament voor alle ontwikkelingen die volgen. In de tweede periode vanaf het zesde, zevende jaar komen de lichaamvormende krachten gelei­delijk vrij voor het lerend verwerken van beelden en het leren denken. De groeikracht was in de eerste fase van baby tot school­kind geheel gericht op – en gebonden aan – de lichamelijke ontwikkeling. Met behulp van de nu vrijkomende krachten leert het schoolkind de wereld kennen. In het antroposofisch mensbeeld worden deze vrijkomende krachten ether- of levenskrachten genoemd. Zij funderen de ontwikkeling van het schoolkind tot aan het veertiende jaar. Rond die leeftijd begint de derde levens­fase waarin het zielelichaam zich geleidelijk ontplooit, tot ongeveer het twintigste jaar wanneer het eigenlijke Ik van het kind geboren wordt. In de huidige cultuur komt het steeds vaker voor dat deze ontwikkelingsfasen versneld worden doorgemaakt.

.

Audrey McAllen was bijzonder gesteld op haar vader, die kapitein was op de ‘Edinburg Castle’ die op Zuid-Afrika voer. Hij vertelde haar over de zeereizen, Audrey keek mee wanneer hij zeekaarten bestudeerde. Hij vertelde haar: ‘Je moet altijd vooral letten op de diepste zeestromingen, want alleen die kunnen het schip op de kust drijven.’
Dit werd een motto dat Audrey later veel gebruikte in haar voordrachten, wanneer zij sprak over de kinderen met leerproblemen:’Zoek in de diepste lagen, naar de oorzaken van het leerprobleem.

.

[1] Audrey McAllen: De extra les
Inkijkexemplaar

Meer boeken van haar

Een extra les met Joep Eikenboom

Meer over Audrey McAllen – en de blog van Joep

 

Rudolf Steiner over schrijven en lezen: hoofdletter of kleine letter

Rudolf Steiner over kinderbespreking

kinderbespreking  [1]    [2]

remedial teaching [2]

.

1140-1061

.

.

VRIJESCHOOL – Spreektherapie – het antroposofisch mensbeeld

.

HET ANTROPOSOFISCH MENSBEELD EN DE SPREEKTHERAPIE

Het staan
Als we de menselijke gestalte zien, valt daaraan direct een bepaalde eleding op: het hoofd, de romp en de ledematen. Verder valt de verticale stand van de gestalte op, als we uitgaan van een staand mens.
Planten en bomen hebben meestal ook een verticale gestalte. Zij groeien immers uit de donkere aarde naar het licht en de warmte van de zon. De mens groeit niet naar de zon, maar richt zich op vanuit een innerlijke geestdrift, omdat hij van binnen uit de zwaartekracht overwint.

Aan een kind, dat zich gaat oprichten, is echt te merken, wélk een overwinning het is, als het kind van een “kruipend vloerkleedje” opklimt tot een “zuil in het landschap”.

Vrij te kunnen staan, zonder hulp van vader of moeder, dat is een mijlpaal in de ontwikkeling van het kind. Natuurlijk ben je als mensenkind nog niet tevreden met alleen rechtop te kunnen staan.
Als mens hoef je immers geen wortel te schieten!!

Dan begint het spannende spel tussen licht en zwaarte, voor en achte,  links en rechts en het evenwicht daartussen, dat we lopen noemen. De eerste tijd na de geboorte was het kind nog voornamelijk een zuigende, drinkende en iets later ook etende baby. Langzamerhand wordt het meer en meer een ledematen-mens, een pakkende, grijpende en lopende mens. De triomf van het staan is daarbij een belangrijk omslagpunt.

De stofwisseling en de ledematen
Alles wat met de voeding en de inwendige verwerking hiervan samenhangt noemen we de stofwisseling.
De stofwisseling en de ledematen zijn een soort binnen- en buitenkant van elkaar. De benen brengen de armen daarheen, waar de armen iets vinden om de inwendige mens mee te voeden.
We doen natuurlijk ook nog andere dingen met onze benen en armen, maar ik ga nu even uit van onze natuurlijke behoeften.
De voeding op zijn beurt geeft de ledematen weer de kracht en het uithoudingsvermogen om hun werk te doen. Stofwisseling vindt plaats in het hele lichaam, maar is geconcentreerd in de buik. De benen zitten hier min of meer direct aan vast. De armen hebben zich meer geëmancipeerd van de stofwisseling en vormen weer een eenheid met de borstkas. In de antroposofie noemen we dit het stofwisselings-ledematenstelsel. Hierin is ons wilsleven verankerd. Met wil bedoelen we dan hetgeen we echt in daden omzetten, zodat het handen en voeten krijgt.

Het spreken
In de tijd, dat het kind rechtop kan gaan zitten en als volgende stap rechtop kan gaan staan, gaat het meestal ook zijn eerste woordjes spreken. Aanvankelijk uit het zich in spontane brabbelklanken. Zijn enthousiasme, verdriet of boosheid uit het in een nog ongevormde brabbel-klanken-brei. Het kleine kind heeft het hart op de tong en alles wat het beleeft wordt direct zichtbaar in zijn bewegingen en hoorbaar in het aan- en afgolven van zijn gebrabbel. Als het kind woordjes gaat spreken dan begint het de dingen ook te benoemen en krijgt het spreken daardoor meer vorm en richting. Eigenlijk kunnen we nu pas zeggen, dat het echt gaat spreken. Tot dan toe worstelde en speelde het alleen met klanken.

Spreken doen we met de adem, de stem en de articulatie, maar de vreugde of het verdriet van het hart klinkt er voortdurend in mee. Het hart is door middel van de bloedstroom met het hele lichaam verbonden.

Het is een merkwaardig dubbel orgaan. Enerzijds brengt het ritme in de bloedstroom als pulserende holle spier. Anderzijds is het hart het centrum van het gevoelsleven.

Het hart klinkt!
Door middel van de longen, de in- en uitademing, staat het hart in verbinding met de wereld buiten het lichaam. Want al het bloed, dat van de longen de rest van het lichaam instroomt, passeert eerst de boezem en de kamer van de linker harthelft. Dit hangt samen met de inademing.

Al het bloed, dat naar de longen toestroomt, passeert ook de poort van het hart, maar nu via de rechter harthelft. Dit hangt samen met de uitademing en op deze uitademing spreken wij.

Het hart staat door middel van het bloed in verbinding met de binnen-mens, ook wel microkosmos genoemd en door middel van ademhaling met de buitenwereld, oftewel macrokosmos.

Tussen macrokosmos en microkosmos ligt het hart als poort en als centrum van het gevoelsleven.

De taal liegt er niet om!
We spreken van een gebroken hart; van een hart dat zich omdraait in het lijf; van harten die opspringen van vreugde; harten die begeren of verbitteren; van grote en kleine harten; hooghartig en laaghartig, zelfs van harteloos en van het hart op de goede plaats hebben zitten en niet te vergeten van het hart dat spreekt, ja, zelfs op de tong ligt! Al deze nuances drukken zich uit in de klank van de stem.

Het sterkst kan deze kwaliteit van de stem zich ontplooien als we zingen. Daarin kunnen we ons hart helemaal laten uitstromen, laten klinken. Dat dit mogelijk is hebben we te danken aan de muzikanten van de taal: de klinkers. De klinkers maken hoorbaar wat in het hart leeft.

De medeklinkers daarentegen zijn de werklieden van de taal. Zij scheppen beweging en vorm.

De medeklinker vormt
Iemand kan nog zo luid spreken, als hij slecht articuleert, d.w.z. vormloos spreekt, begrijp ik toch niet wat hij bedoelt. De medeklinker schept helderheid en zorgt ervoor, dat u begrijpt wat ik zeg. Maar ook wat ik schrijf. Want ook bij het lezen spreekt u innerlijk na wat ik innerlijk tegen mezelf sprak, toen ik dit neerschreef. Ik betoverde de woorden in schriftbeeld. U kunt het alleen weer uit zijn “letterschrift-ban” halen door het weer innerlijk te spreken, natuurlijk onbewust, omdat u leesvaardigheid heeft ontwikkeld.
De zanger hebben we besproken als de representant van de klinker. Bestaat er ook zo’n representant voor de medeklinker? Bestaan er mensen, die zo spreken, dat we wel begrijpen wat ze bedoelen, maar bij wie niet in de stem doorklinkt, wat ze erbij beleven?

Zo iemand is de doofstom geborene, die later het spreken heeft aangeleerd als een uiterlijke techniek. De dove hoort de gesproken taal niet en ontwikkelt daardoor ook niet de spreekvaardigheid van binnenuit. Hij of zij kan zijn of haar ziel dan ook nauwelijks uiten door de stem. Natuurlijk wel door mimiek en gebaren.

In het spreken overheerst de medeklinker en verdwijnt de klinker vergaand. (Als iemand niet doof geboren is en later doof is geworden, ligt dit heel anders) Voor de doofgeborene blijft het spreken een stuk buitenwereld. Daar zit een groot geheim in. De doofgeborene heeft namelijk de taal wel ingeademd, maar kan ze als het ware niet uitademen en tot klinken brengen. De vorming van taal, het articuleren hangt met het boetseren en modelleren van de uitademing samen. De uitademing wordt gestuwd, vernauwd, samengeperst en zodoende belemmerd in zijn verloop. Datgene wat de uitademing belemmert en daardoor vormt, zoals de handen de klei vormen, zou ik een inademingstendens in de uitademing willen noemen. Het resultaat hiervan zijn de medeklinkers.

Dit hangt samen met de longen als inademingsorgaan.

De long als ingestulpte vorm
Na de geboorte strekken de longen zich bij de eerste inademing. Ze stulpen zich letterlijk het lichaam in. Ze zijn een ingestulpte, met lucht gevulde ruimte. De lucht komt binnen door één luchtpijp, die vertakt zich dan in twee kleinere luchtpijpen, die zich ook weer vertakken en zo steeds verder – tot deze vertakkingen van vertakkingen uiteindelijk eindigen in de longblaasjes. Laatstgenoemden staan in direct contact met de bloedbaan door middel van een heel fijn netwerk van ontelbare haarvaatjes.

De longen zelf zijn volkomen passief en worden bewogen door het middenrif, een spierkoepel, die de ruimte waarin longen en hart zich bevinden, scheidt van de buikorganen en ook door de borstkasspieren.

De longen zijn praktisch pure vorm, een ingestulpte en fijn vertakte ruimte. Daarbij zijn ze het grootste orgaan dat we hebben. Hun inhoud is de adem. Zoals het hart met de uitademing samenhangt en de klinker intoneert, zo hangt de long met de inademing samen en met de medeklinker.

De medeklinker schept contouren, luchtvormen op de uitademing. De longen zijn als het ware zelf een het lichaam ingestulpte luchtvorm. De klank “K” maakt dit principe het meest beleefbaar. Spreekt u maar eens een “K” zonder hem uit te spreken. U houdt hem even vast, voordat u hem uitspreekt. Dan voelt u een stuwing, die zich het lichaam in beweegt. Dat is wat ik bedoel als ik over een inademingsprincipe spreek. Laat u de “K” weer los en spreekt hem uit: dan overheerst de uitademing weer.

Voor de andere medeklinkers geldt hetzelfde, alleen is het moeilijker te ervaren. De klankvormen die hierdoor ontstaan, hebben tot gevolg dat u begrijpt wat er gezegd wordt. Er kan een licht bij u opgaan en het wordt u helder, wat er bedoeld wordt. De medeklinker schenkt u de mogelijkheid dat het in u begint te dagen; dat het innerlijk licht wordt.

Met de medeklinker ademen we onze harte-warmte of -koelte uit.

Kinderspel met woorden
Het kind worstelt met al deze elementen, als het leert spreken. Soms wisselt het ook klanken uit en maakt hele nieuwe woordscheppingen vanuit zijn spelen met de taal. Aanvankelijk verbindt het in zijn spel nog geen vaste begrippen met de woorden. “Pop” kan evengoed een stoel, een appel of de hond zijn. Het kind dat net woordjes gaat spreken, speelt nog met de klanken en vindt het nog niet van belang als wij zeggen, dat een stoel stoel heet en niet pop. Het wil even verblijven in de spelvrijheid, waarin nog alles mogelijk is. Heel bijzonder is daarbij dat onderzoek heeft uitgewezen, dat de kinderen in dit stadium van
lettergrepen-spel nog boven de taal staan. De woordjes van een kind in Japan, Rusland, Amerika of Nederland verschillen nog zo weinig van elkaar, dat we nog niet van een taalverschil kunnen spreken. Brabbelwoorden als pappa, mamma, baba, tata zijn nog universeel. Het kind leeft nog helemaal in het ritme tussen klinkers en medeklinkers, tussen hart en longen, tussen uit- en inademing.

Het ritmische systeem
Dit gebied, waarin de ademende en kloppende mens leeft in hart en longen, noemen we in de antroposofie: het ritmische systeem. Hierin leeft de voelende mens in eb en vloed van antipathie en sympathie, van uitstromende toewending en terugstromende afwending. Natuurlijk strekt dit ritmische systeem vanuit de haar omhullende borstkas zich door het bloed en de gasstofwisseling van zuurstof en koolzuur over het hele lichaam uit en doordringt alles! Het spreken en dus ook de spreektherapie vinden hun oorsprong in dit middengebied.

Moedertaal en begripsvorming
Als we het kind verder in zijn ontwikkeling volgen, treedt er een heel spannend ogenblik op.

Nadat het kind een tijdlang heeft gespeeld met de klank en de vorm van de taal, gaat het nu dingen veel concreter benoemen. We merken dat het kind de verbinding gaat leggen tussen woord en ding. “Pop” wordt nu écht de pop en is niet meer de stoel of de hond. Het is een langzaam proces, waarin we merken, dat het kind uit het universele taalgevoel, het universele lettergrepenspel zich gaat verbinden met de moedertaal. Eigenlijk is dit een verschrompelingsproces. Uit de oceaan van alle talen duikt het kind nu onder in de zee van één taal, wat een vernauwing betekent. Het is echter noodzakelijk om “aardeburger” te worden.

De volgende stap, die het kind doet tijdens zijn ontdekkingsreis is, dat het de woorden een begripswaarde gaat geven. Het spreekt niet alleen maar van de dingen, waarmee het bezig is, die het zo te zeggen kan aanwijzen en vastpakken. Nee, het kan nu ook gaan spreken over dingen, die niet direct in zijn gezichtsveld zijn. We merken dan dat het de juiste woordbegrippen gebruikt voor de dingen, die het bedoelt. Er volgen kleine zinnetjes en het kind begint nu langzamerhand hetgeen het heeft ervaren, in woorden te vertellen volgens de wetten van de taal, waarin het spreekt. Daarin ontkiemt pas het denken, zoals wij het als volwassenen kennen. Het denken dat een zinvolle samenhang tuseen onze binnen- en buitenwereld tot stand brengt.

Het kind neemt zeker al van alles waar, wanneer het nog in de wieg ligt, grijpt er met zijn handjes naar, maar begrijpen en zich begrippen vormen over de wereld, dat begint nu pas te ontwaken.

Denken en “IK” zeggen
Dan volgen de “waarom”-vragen. Alles wil het kind nu gaan begrijpen. Wanneer het eenmaal heeft ontdekt dat het mogelijk is iets te begrijpen, wil het dit nieuwe instrument ook ijverig gebruiken. Als hoogtepunt in dit proces gebeurt er iets wat op een bliksemslag lijkt. Sommigen van u kunnen het zich misschien nog herinneren. Plotseling merkt het kind, dat het niet papa is en niet mama, niet het popje, waar het zo van houdt. Het begrijpt zichzelf als een zelfstandig wezen. Tot dan toe zei het, sprekend over zichzelf: “Jantje gaat slapen” of “Marietje moet plassen”. Zoals alle dingen in zijn omgeving benoemde het zichzelf. Vanaf dat moment noemt het zich zoals het innerlijk ontwaakte lichtje in het kind het hem ingeeft: “IK”. IK wil eten, IK wil niet slapen!

Zenuw zintuigstelsel
Het waarnemen en denken hebben hun hoofdkwartier in het hoofd. Ze vormen géén vanzelfsprekende eenheid, maar zoeken elkaar voortdurend. Als we iets waarnemen zoeken we naar mogelijkheden het te begrijpen. Soms is dat heel moeilijk, soms doodeenvoudig. Als we iets bedacht hebben, zoeken we weer bewijzen in onze waarnemingen of herinneringen.

Ons zintuigstelsel strekt zich d.m.v. de huid uit over het hele lichaam. Het denken, dat met de hersenen als het centrale zenuwstelsel verbonden is, vindt hoofdzakelijk in het hoofd plaats. Ook dit zenuwstelsel strekt zich op zijn beurt uit over het gehele lichaam. In de antroposofie noemen we dit het
zenuw-zintuigstelsel.

Het denken gebruikt het spreken als instrument, want de meeste van onze gedachten spreken we innerlijk met onszelf in woorden, en wel in een bepaalde taal. Het denken in beelden of getallen vormt hier een uitzondering op. Het beeld is concreter, het getal abstracter dan de gedachten in woorden. De woorden gaan dikwijls samen met innerlijke beelden, bijvoorbeeld, als we iets beschrijven of een herinnering vertellen. De gedachte verbindt zich daarbij bijna uitsluitend met de medeklinker. Deze schenken ons innerlijk licht, helderheid en inzicht.

De drieledige mens
Uit het voorgaande ontstaat het innerlijke beeld van de drieledige mens:

– het stofwisselings-ledematenstelsel, waarin de wil rust en waarmee wij de wereld kunnen verteren (stofwisselend) en kunnen veranderen (handelend)

– het ritmische systeem, het gesprek tussen de ademhaling en de hartslag, waarin we voelend leven en waardoor we binnen- en buitenwereld ritmisch met elkaar in uitwisseling brengen.

– het zenuw-zintuigstelsel, dat onze waarnemingen en ons denken met elkaar in overeenstemming probeert te brengen. Alleen hierin kunnen we helemaal wakker zijn. In ons ademende gevoelsleven dromen we en leven in glijdende overgangen. In ons wilsgebied slapen we.

Zeker, ik kan bewust mijn hand optillen, maar wat er inwendig voor nodig is, onttrekt zich volkomen aan mijn bewustzijn. Zolang ik geen blessures heb of ziek ben, lijkt alles vanzelf te gaan en is mijn wilsleven in diepe slaap gehuld. Alleen de resultaten van mijn wilsimpulsen worden zichtbaar in mijn bewegingen.

Deze drie gebieden doordringen elkaar, duiken soms zo in elkaars werkzaamheden onder, dat ze lijken te versmelten en streven ook weer uit elkaar, zodat ze in hun driegeleding zichtbaar worden.

De spreektherapie heeft zijn brandpunt in het ritmische systeem en daarom zou ik willen afsluiten door u over één van de grote geheimen van het ritmische systeem te vertellen.

De ademhaling
Een ritme ontstaat pas als er een beweging is tussen twee tegenpolen, in dit geval tussen de uitademing, die met de klinkers samenhangt en de inademing, die met de medeklinkers samenhangt.

Deze twee zijn echter niet los van elkaar te zien. Het is veel meer zo dat de kwaliteit van de uitademing, waarmee ik spreek, een grote invloed heeft op de kwaliteit van de erop volgende inademing en omgekeerd.

We ademen koolzuur of kooldioxyde uit, dat in elk orgaan, in elke cel vrijkomt bij de verbrandingsprocessen, die daarin plaats vinden. Deze kooldioxyde wordt in het bloed opgenomen en stroomt via het hart naar de longen om daar te verdampen en op te stijgen naar het strottehoofd en de mond.

Dit is niet alleen een chemisch proces, maar ook een warmte- en luchtproces en óók een kwalitatief proces. De kwaliteit van uw uitademing wordt hoorbaar in uw manier van spreken. Daardoor worden hierin ook de ziektetendensen hoorbaar, die u in u draagt.

Ik kan echt niet meteen horen, als ik met u spreek, of u pijn hebt aan uw grote teen. In overleg met de arts kan ik wel met u gaan oefenen en zo dingen op het spoor komen.

Andersom is het zo, dat de spreekoefeningen en teksten, waarmee ik werk, de genezende krachten in taal en adem versterken.

Een eenvoudig voorbeeld is, als u sterker en gevormder uitademt in het spreken, dat u als vanzelf – dat doet het ritme voor u – ook beter inademt en u zich daardoor sterker met uw lichaam verbindt en er ook orgaanfuncties worden versterkt. Het kan evenwel ook zijn, dat u van nature te sterk inademt en niet genoeg uitademt. Daar zijn dan weer andere oefeningen voor.

Een arts noemde mijn therapie eens “de innerlijke massage”, want de adem masseert en stimuleert het lichaam van binnenuit.

Dat zijn de geheimen van het ritmisch systeem.

Spreektherapie
Een ziekte is altijd een verstoord evenwicht, dat zich zowel lichamelijk als psychisch uit.

Het ritmische systeem is een uitbalancerende kracht, die door middel van het ritme weer evenwicht kan brengen.

Daarbij komt, dat ik in mijn therapie samen met het spreken ook altijd werk met lopen, gebaren maken, ballen werpen of met stokken, zodat heel de mens wordt aangesproken en in gang gezet wordt.

De meeste bewegingen, die ik gebruik in mijn therapie, zijn afgeleid van de klassieke Griekse vijfkamp: lopen, springen, discus- en speerwerpen. Deze disciplines bereiden het spreken op lichamelijk niveau al voor en daar wordt in de spreektherapie, als echte oefentherapie, dankbaar gebruik van gemaakt!

Xandor Koesen-York, ledenbrief 60, nadere gegevens ontbreken

.

Spreektherapie

Spraakoefeningen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Drieledige mens

1135-1056

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – impressie (1)

.

‘Uit de oude doos’.
Een artikel uit 1930, maar met nog springlevende menskundige opvattingen. 

HET ONDERWIJS IN DE TWEEDE KLASSE

Het juiste tijdstip, waarop het schoolonderwijs voor het kind aanvangen kan, is dat, waarop de tandwisseling plaats heeft. Het wezen, dat, uit geestelijke werelden komende, bij de geboorte in het aarde-leven treedt, vangt aan, zijn lichaam, het hulsel, waarin het zijn aardeleven moet doorbrengen, op te bouwen. Gedurende ongeveer zeven jaren moet het daaraan werken, met alle krachten, waarover het in dien tijd beschikt. In deze jaren brengt het zijn zielelevcn het sterkst tot uiting door de beweging zijner ledematen. Ook de volwassene drukt zijn innerlijk leven uit in zijn gestes en gebaren. Het kind nu wil, tot het negende jaar, alles nadoen en door nadoen zich eigen maken, wat zijn opvoeders in hunne gebaren en gestes aan zieleleven uiten.

Wanneer dan de geërfde tanden worden uitgestooten en de eigen, blijvende tanden verschijnen, is het tijdstip aangebroken, waarop de lichaamsbouw klaar is. De lichaam-opbouwende krachten komen nu vrij en zijn te gebruiken als voorstellings- en geheugenkrachten. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, kan nu het schoolonderwijs aanvangen. Zonder de gezondheid van het kind te schaden, d. w. z., wanneer het zóó gegeven wordt, dat aan het kind zelf afgelezen wordt, wat het behoeft; wanneer uitsluitend en geheel voldaan wordt aan de eischen, gesteld door de wetten van de zich, ontwikkelende menschennatuur; wanneer de opvoeder er zich rekenschap van geeft, met welke krachten hij werkt.

Een kunstwerk van de allerhoogste orde is het menschenlichaam. Plastische, boetseerende, kunstzinnige krachten zijn het, die het lichaam bouwden en waarmee nu de opvoeder en onderwijzer te werken heeft. Kunstzinnig moet het onderwijs zijn, in alle vakken. Vandaar, dat eurhythmie, schilderen en teekenen, niet alleen op zichzelf belangrijke leervakken zijn, maar bij het leeren lezen, schrijven en rekenen een groote rol spelen.

Na het zevende jaar begint het kind zijn zieleleven meer tot uiting te brengen in het rhythme van ademhaling en bloedsomloop. Vandaar, dat veel moet worden gereciteerd; dat met rhythmisch bewegen, loopen, klappen, springen, het kind rekenen leert.

Is, met inachtneming van al het boven gezegde, het onderwijs in de eerste klas van onze school aangevangen, in de tweede klasse is het zoo voortgezet. Iets afgeslotens is niet bereikt. Tegen het achtste levensjaar bereikt ook de ontwikkeling van het zieleleven van het kind nog geen grens.

Van het schilderen en teekenen van groote Latijnsche hoofdletters, zijn de kinderen-in het afgeloopen jaar gekomen tot het lezen en schrijven van het gewone latijnsche druk- en schrijf schrift. De vier hoofdbewerkingen met getallen tot 100 zijn geleerd. Groote getallen zijn bekend; rhythmisch tellen met getallen tot millioenen b.v. De tafels van vermenigvuldiging zijn tot en met die van zes geleerd. Veel is uit het hoofd gerekend, ’t Is van zeer groot belang, dat de geheugenkrachten van het kind gebruikt worden in den tijd, waarin deze het sterkst zijn.

Hiervan wordt ook profijt getrokken bij het leeren van Fransch en Duitsch. De neiging van het kind tot nadoen en de plasticiteit der spraakorganen zijn hierbij ook van belang. Het laten verkommeren van krachten, welke in een bepaalde levensperiode aanwezig zijn, werkt fnuikend voor de geheele verdere ontwikkeling van den mensch. Liedjes, spelletjes, gedichtjes, welke het kind rhythme, melodie en klank der spraak in ’t gehoor brengen, zijn geleerd.

In het muziekonderwijs is dit jaar voor het eerst het fluitspelen ingevoerd, dat door de kinderen met zeer veel animo wordt beoefend.

Over het onderwijs in handwerken, ’t welk jongens en meisjes meemaken en dat ook medewerkt aan de opwekking van de intellectuele vermogens, alsmede over het eurhythmie-onderwijs, kan misschien door een andere hand nog iets geschreven worden.

H.Kwindt, Ostara, 3 jrg. 5/6, okt.1930, vrijeschool Den Haag
.

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1123-1044

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

.

1092-1013

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (17)

.

Om te reciteren:

WOLVENJACHT

Over de stille, besneeuwde vlakte –
Schieten schimmen, grijs en grauw.
Wolven jagen, wolven jachten
Door de bitt’re winterkou.
Rennen rust’loos, speuren en spieden,
Honger drijft hen steeds maar voort,
’t Spoor te volgen, als maar verder,
Gretig, grimmig, onverstoord.
*

DE WOLVEN

Grauwend en grommend
In grimmige groepen
Volgen wij wolven
Het rendierenspoor.

Hongerig hollen wij,
Haasten hardnekkig,
Huilen bloeddorstig
En wreed dan in koor.

Wij vliegen het vluchtende vee
Naar de kelen.
Verscheuren vraatzuchtig
En gulzig het wild.

Dan spieden en speuren wij
Andere sporen,
Want wolvenhonger
Wordt nimmer gestild.
J.K.

DE ZWIJNEN

Gruf, gruf, gruf, gruf
Wij zwijnen, wij wroeten
met woelende snoeten.
WIJ happen en smekken
met smakkende Bekken.

Wij went’len ons rond
in de modderige grond.
Wat een lekker gevoel
zo’n kledderige poel.

WIJ vreten eikels,
wormen en slakken,
muizen en vruchten
schillen en takken.

Alles gaat met
gulzig gesmek
In onze happende klappende bek.

En we maken daarvan
een vel met spek
Lekker spek
Smak smek
Lekker spek.
*

ZWIJN

Hij ploegt en zwoegt,
Hij snuift en stuift,
Hij husselt en frusselt
De rommel in ’t rond.
Hij wroet met zijn snoet,
Hij doet het wat goed,
Hij knort en hij port
En gromt in de grond.
„Zo is het fijn,”
Knort het zwijn.
L. K.

VOGELVLUCHT

Wij adelaars vliegen
in brede vlucht
In wijde kringen zweven wij
hoog in de lucht.

Wij kieviten buit’len
omhoog en omlaag.

Wij kraaien vliegen
zwart en traag.

Wij vlugge valken
schieten snel voorbij.

Wij zwaluwen zwieren en zwenken
al over de zee.

Wij mussen fladd’ren
van het dak.

Wij meeuwen zweven
over ’t wijde watervlak.

Zo vliegen wij vogels
in vrije vlucht
onze vleugels dragen ons
ver door de lucht.
*

DE KOEIEN

Wij zijn de koeien
langzaam aan
dag aan dag
stap voor stap
grazen wij
tijden en tijden
het malse gras
van de welige weiden.

Ja , wij eten graag
de kop omlaag
en vullen gestaag
onze grote maag.

En zijn wij verzadigd
vol en rond
dan gaan wij liggen
zwaar en loom
op de weidegrond.

Liggen wij dan
dromerig neer
dan kauwen wij ’ t gras
nog eens een keer
dat onze malende kaken
een smeuïge brij ervan maken.

Na nog wat rusten
gaan wij weer staan
om weer opnieuw
langzaam aan
stap voor stap
aan ’t grazen te gaan
op de malse welige weiden.
*

DE INKTVIS

Wij grijpen, wij graaien,
wij wuiven, wij waaien,
Wij tasten, wij haken
en laten ’t ons smaken!
Het mooist is een kop
met grijpers erop.

OCTOPUS

Langs rotsige kusten
In holten en spleten
Wacht hij met acht
Tastend naar eten.
Plots –
Pakt en knakt hij,
Knijpt en grijpt hij,
Gif spuit hij uit,
Lam ligt zijn buit.
Dreigt gevaar –
Dan kan hij verdwijnen
Achter inktgordijnen.
L. K.

HET MUISJE

Knibbel knabbelgraag
Bijt- en grabbelgraag
Komt uit het gat gekropen
’t Neusje heeft iets goeds geroken.

Zie de rappe pootjes grijpen
Zie de felle tandjes bijten
’t Staartje, lang en glad
Steunt hem bij het zitten wat

Vangt het oortje een gerucht
Fluks is het weer weggevlucht
Naar het veilig muizengat
‘Piep’, zegt hij,
‘wie doet me wat!’
J.L.

DE MENS

Met mijn voeten stevig op de aarde staan
flink mijn eigen weg te gaan.

Door mijn handen
Voor anderen te leven
Hun mijn beste kracht te geven

Met het hoofd omhooggericht
Naar het helder zonnelicht

Zo te zijn is mensenplicht.

DE MENS

Drieledig is het mensenbeeld
In hoofd, romp en ledematen
Zie je het verdeeld.

Het wakkere hoofd
Waar het verstand in woont
Hoe trots het op het lichaam troont
Zintuigen heeft het
Ogen, oren, neus en mond
Waarmee de wereld in ons komt.

Dromend draagt de romp ons hoofd
Bewegen ritmisch hart en longen
Levend ademen
Ademend leven wij.

Slapend onbewust
Kent het onderlijf geen rust
De stofwisseling werkt er dag en nacht
Uit het voedsel wordt de kracht.

Handen kunnen verzorgen, beschermen en geven
Zij helpen mij als medemens te leven.

* † Oscar Klinkenberg (vrijeschool Den Haag ca jaren 1970)
L.K. is mij onbekend; J.L. is hoogstwaarschijnlijk † Jaant Loos, werkzaam in Den Haag en Nijmegen

De verzen van L.K en J.L staan in ‘Gedichten, speuken, oefeningen van Lena Struik

4e klas dierkunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

.

1076-998

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (14)

.

WATER EN MELK

leven O.T. 681. Vrouw bij de bron
Het water, dat het meest op prijs gesteld wordt is levend water, het bewegende, frisse water van borrelende bronnen en beken (Hooglied 4 : 15). Een levendig tafereel is het, als de vrouwen bij de bron komen, „op de avondtijd, ten tijde als de putsters het water halen” (Gen. 24 : 11). Als zij naderen, hebben zij de ledige kruik op de schouder, als Rebekka (Gen. 24 : 15). De volle kruik (a) wordt op het hoofd gezet. De bron (b) op de voorgrond is in een diep in de bodem gegraven gat, dikwijls tot op de rotsbodem toe. De geulen in de bronrand zijn inkervingen ontstaan door de touwen van degenen, die de putemmers optrekken. De vrouw draagt een witte hoofddoek (c) die als sluier gebruikt kan worden (zij bedekt haar mond!). Voorts is zij gesierd met armband (d) en voorhoofdsiersel (e) en een enkelring (g), zij draagt een lang kleed, dat echter hier gegord is: het is wat opgetrokken tot aan de kniestreek, doordat zij het tussen de gordel (ƒ) heeft opgenomen.

leven O.T. 692. Emmer
De lederen putemmer (c) die men beter schepbuidel zou kunnen noemen, hangt aan een houten kruis (b) dat ten doel heeft de zak open te houden. In het midden van het houten kruis is het puttouw of scheptouw (a). Zo waren de emmers ook in de oudheid (Numeri 24 : 7, Jesaja 40 : 15).

leven O.T. 703. Waterdrager
Mannen dragen het water in lederen zakken (Jozua 9:4); een man, die een kruik draagt is een zeldzame figuur, die de aandacht trekt (Lukas 22 : 10). De lederen zak (a) wordt met een touw op de rug gedragen; de stukken van de poten (b) steken vreemd omhoog. De waterdrager draagt op het hoofd een gewonden doek (c); verder heeft hij een broek (d), een hemdachtig overkleed (e) en sandalen (ƒ). De met riempjes (Gen. 14 : 23) vastgemaakte sandalen waren in de oudheid het schoenwerk, die behoorden tot de normale kleding (1 Kon. 2:5; Ezech. 24 : 17, 23; 2 Kron. 28 : 15).

leven O.T. 714. Boterbereiding
In F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur leest men: De zoete melk, zoals wij die kennen, wordt zeer weinig gebruikt, daar ze gedurende een groot deel van het jaar spoedig bederft. Zij is vrijwel alleen van belang voor jonge kinderen. Wanneer wij in het O. T. lezen over chalab (Statenvert. „melk”) moet in het algemeen gedacht worden aan een met behulp van stukjes lebmaag gestremde en door gisting verzuurde melk, min of meer te vergelijken met de ons bekende yoghurt. Uit deze chalab wordt de chem’a, boter, bereid. Daartoe neemt men drie stokken (a) die schuin in de grond worden gestoken en waartussen een zak, van geitenhuid (b) vervaardigd gevuld met chalab wordt opgehangen. Dan gaat de vrouw erbij zitten en de zak wordt nu het doel van de welgemikte vuistslagen. (Het werkw. drukken in Spr. 30 : 33 is beter te vertalen door „het stoten” of „het stompen”). Zo komt de inhoud in voortdurend schuddende beweging en dit „stoten” heeft de vorming van boter als gevolg. Naast de dikke verzuurde melk, kent men ook zoete gestremde melk. Door verwijdering van het water wordt kaas verkregen (Job 10 : 10 … en mij als een kaas doen runnen). De vrouw draagt een lang kleed, tob (c), een jakje (d) en een van voren open mantel (e); op het hoofd heeft zij de hoofddoek (ƒ) door een hoofdband vastgemaakt.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1067-989

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-8)

.

Kinderen gebruiken zintuigen lang niet bewust genoeg

‘De overstelpende veelheid aan — vooral vluchtige — beelden en klanken die kinderen krijgen te verwerken, zonder dat ze nog in staat zijn ze werkelijk te verwerken, maakt de gevoeligheid voor indrukken geringer, waardoor de zo noodzakelijke ontwikkeling van de zintuigen verstoord wordt.

De klachten over een gebrekkige concentratie, het nauwelijks kunnen reproduceren van eigen belevingen, de onmacht om eenvoudige gebruiksvoorwerpen als een schaar of een potlood op een redelijke manier te hanteren, de achteruitgang van de in aanleg volop aanwezige fantasie bij veel kinderen, hebben direct te maken met de verwaarlozing van het gebruik en de gebruiksmogelijkheden van de zintuigen. Die verwaarlozing heeft tot gevolg dat indrukken of helemaal niet of weinig intens-bewust worden ervaren en ’ingeprent’, waardoor de vergroving en daarmee tegelijkertijd de vervlakking van het gevoelsleven toeneemt.

Als er dan eens sprake is van een gerichte, geïsoleerde opdracht aan bijvoorbeeld kinderen in een klas om de zintuigen ’aan het werk te zetten’, ontstaat dikwijls een soort schokeffect, waarmee ze geen raad weten. Het werkelijk luisteren naar geluiden van de stilte, het geconcentreerd aanhoren van een brokje muziek, het met de ogen dicht betasten van voorwerpen of in stilte gericht kijken naar wat een wolk doet, vinden ze dan ’gek’ of’vreemd’.

Dat ongewoon vinden van iets doodgewoons toont aan dat veel kinderen niet (meer) gewend zijn hun zintuigen bewust te gebruiken.

Nu spreekt het vanzelf dat ook dat moet worden aangeleerd, maar de bedreigingen van buiten af zijn zo groot dat het opgroeiende kind als een nog lang niet weerbaar wezen een grote kans loopt murw geslagen te worden in zijn gevoelsleven door een ontoelaatbare overspoeling van over-prikkels van geluiden en visuele waarnemingen.

De uiterlijke, materiële zorg en aandacht van de grote-mensen-maatschappij voor het kind in het algemeen mag de laatste decennia veel en veel groter zijn geworden, de voor het kind negatieve invloeden en bedreigingen zijn eveneens in niet geringe mate toegenomen, zodanig zelfs dat bescherming en wapening daartegen, in veel gevallen een haast onmogelijke opgave lijkt te worden. Bovendien lijkt voor de aandacht van de zintuiglijke ontwikkeling als essentieel onderdeel van de opvoeding weinig plaats meer te zijn.

Dat de zintuiglijke ontwikkeling onmisbaar is voor de ontplooiing van het kind tot een bewuste, veelzijdig ontwikkelde persoonIijkheid, hoeft geen betoog.

Maar de vluchtigheid, de gejaagdheid, de eenzijdig gerichte belangstelling, het gebrek aan wezenlijk diepe belangstelling, het gebrek aan tijd, het weinig bewust bezig-zijn met kinderen, dat alles is weinig bevorderlijk voor de stimulering van de zintuiglijke ontwikkeling.

Veel kinderen dreigen in hun ontplooiing belemmerd te worden of worden belemmerd juist in een ontwikkelingsperiode waarin het concrete en bewuste voelen-horen-ruiken-proeven-kijken de ontwikkeling van de fantasie, de creativiteit, de concentratie, het kritisch vermogen, de eigen ervaringswereld, het bewustzijn, het gevoelsleven op gang brengt en stimuleert.

Dat die belemmering in hun ontplooiing op latere leeftijd hun gedrag, hun gevoelsleven en hun levenswijze zullen beïnvloeden en meebepalen, is zonneklaar. Het is daarom werkelijk van het allergrootste belang om kinderen te behoeden voor over-prikkels en dus voor afstomping en vervlakking en te proberen de basis te leggen voor een bewuster en ’rijker’ leven, als kind en als latere volwassene. Die basis wordt gelegd als dwars tegen de absurde stroom van over-prikkelbedreigingen in het kind tegen zichzelf beschermd wordt door hem te leren zijn zintuigen te gebruiken, door hem zijn eigen wereld te laten ontdekken met zijn eigen onmisbare en altijd bij de hand zijnde hulpmiddelen. Leren geconcentreerd en genuanceerd kijken, waarnemen, luisteren, ruiken, voelen, is leren ontdekken en genieten, is leren verwonderen en bewonderen, is leren werkelijk beleven. De betekenis van de ontwikkeling en training van de zintuigen reikt echter verder dan de beleving van zintuiglijke waarnemingen alleen.

De wijze waarop een kind of een volwassene door zijn levenswijze, zijn gedrag, zijn instelling, zijn houding tegenover zichzelf en anderen in zijn omgeving functioneert, is voor een groot deel meebepaald doof de aandacht die aan zijn zintuiglijke ontwikkeling is besteed.’

Nee, dit is geen artikel uit 2016 – waarin het maar zo geschreven had kunnen zijn;- nee, het is ook niet geschreven door een vrijeschoolleerkracht – al had het maar zo gekund, want als er in een onderwijsvorm visie bestaat op ‘zintuigen’ is het wel in het vrijeschoolonderwijs -.
Op deze blog zijn al diverse artikelen over ‘zintuigen’ verschenen. Van meer theoretische aard, maar ook vanuit de praktijk. Wat kun je doen; hoe doe je het.

En vanuit de inhoud van bovenstaand artikel en vanuit ‘hoe is het vandaag de dag met de ‘zenuw-zintuigprikkels’, is de vraag misschien wel al veel meer: ‘wat moet je doen’.

Rudolf Steiner heeft scherp, helder geformuleerd hoe waarnemen en denken samenhangen, m.n. in zijn ‘Filosofie van de vrijheid‘.

Wij zijn woorden serieus overdenkt, zal tot geen andere conclusie kunnen komen dat het de hoogste tijd is voor een weloverwogen opvoeding van de zintuigen – vooral van oog en oor.

Artikel verschenen in ‘Nieuwsblad van het Noorden’29-08-1978, door WvT

.

In het Archeon in Alphen aan den Rijn bevindt zich een kruidentuin. Daarin kun je ‘speuren naar geuren”
.

Zintuigen: alle artikelen

1060-982

.