Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (10)

.

TORENS, BURCHTEN, HUIZEN

leven O.T. 521. Israëlitische vestingtoren in Samaria
Samaria was gebouwd op een heuvel (1 Kon. 16 : 24) op „het hoofd der zeer vette vallei” (Jes. 28 : 1). Aan alle zijden geïsoleerd, leende de plaats zich voor vesting. Condor beweerde dat deze vesting voor de uitvinding van het buskruit onneembaar moet zijn geweest. — De versterking geschiedde door muren, en torens of burchten. Kenmerkend voor deze na-Salomonische bouwwijze is de stapelligging van grote rechthoekige steenblokken (a) die aan de voorzijde (b) zijn gladgeslepen; de zware goed gehouwen stenen sluiten precies op elkaar, het zijn „drie rijen van gehouwen steen”. Dit stuk vestingwerk is zo indrukwekkend, dat het als een nationaal-monument zal bewaard blijven en ter bezichtiging gesteld is door de regering van Palestina.

2. Reconstructie van de vesting Sichem
tussen Ebal en Gerizim. De stad Sichem (c) was niet, gelijk de meeste andere plaatsen van Palestina gebouwd op de top van een natuurlijke heuvel, maar in de dalweg tussen de Gerizim (a) en de Ebal (b). De oudste nederzetting lag op een haast vlakke uitloper van de Ebal, op een terras gelijk een schouder (want dat betekent de naam Sichem) tegen het hoofd van de hoge berg Ebal aan (Prof. Böhl).
Vermoedelijk is hier opgegraven „de sterkte (c) in het huis van de god Berith” (Richt. 9 : 46); de Sichemtoren met de verschansing.

leven O.T. 533. De Westburcht van Thanach
(reconstructie van Prof. Thiersch). De muur op de achtergrond is de stadsmuur (a); de burcht lag aan de binnenzijde. Deze burcht b-b) was een groot, bijna vierkant gebouw; 20 bij 21,80 m. Voor ons zien wij rechts een binnenhof (c). In het midden daarvan is een cisterne (d), een gegraven waterbak; in de Statenvert. van het O. T. bakken genoemd (Spr. 5 : 15), in de Statenvert. van het N. T. gracht (Matth. 12 : 11). Om de hof liggen kamers; deze worden gestut door houten balken; de muren zijn opgetrokken van leemtegels (e). Van de hof liep een trap, die recht naar de bovenverdieping en het dak van de burcht voerde; daarboven was dan de plaats voor den wachter op de muur (ƒ).

leven O.T. 544. Huizen met platte daken binnen de stadsmuur
De meeste huizen in de stad waren klein; met één verdieping; vier wanden op een onderbouw van keien en veldstenen, opgebouwd van leemtegels, gemaakt in tichelvorm (e). De deur was ter zijden begrensd door stenen zijposten (d), een bovendorpel (e) genoemd in Exodus 12 ; 7 en beneden (ƒ) een dorpel (1 Kon. 14 : 17). Wanneer men al een venster (g) had, stelde men zich met één tevreden (Jozua 2 : 18). Een trap (a) leidde naar het platte dak (b). Omdat de huizen dikwijls dezelfde hoogte hebben en tegen elkaar zijn gebouwd, is het gemakkelijk om van het ene dak op het andere te komen (Matth. 24 : 17).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1055-978

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over heemkunde
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311
.

Klas 3

[1] Heemkunde klas 3
Ambachten, boerderij, huizenbouw
Uit ‘Het binnenste buitenover: lesvoorbeeld hoe je zou kunnen beginnen – Grimm: Pief Paf Polleken; bezoek boerderij, molen, bouwplaats enz.; gedichtjes over graan en bakken; gedichtjes huizenbouw.

[2] Een periode heemkunde in de 3e klas
Martin Stoop
over oude ambachten: hoe de 3e-klasser meer zicht krijgt op het aardse leven; eerst kijken naar wat je begrijpt, later de techniek; op bezoek bij de boer – ploegen – en vele andere ambachten; wat kun je in de klas doen: gedichtjes over dieren (varken, geit); gedichtjes over het zaaien.

[3] Van zoet tot brood
Onbekend over: van graan tot brood; eerbied wekken voor het dagelijks brood.

[4-1] Huizenbouw in de 3e klas (huizenbouwspel)
Onbekend over: waarom heemkunde in de 3e klas: het veranderende kind; de betekenis van ‘huis’; wat er allemaal bij het bouwen komt kijken.

[4-2] Van holen tot paalwoningen
Onbekend over: het wonen in paalwoningen; hoe werden ze gebouwd, waarom; voorbeelden uit de geschiedenis, met illustraties.

[4-3] Huizenbouw in de 3e klas
Tine Timmermans-van Merwijk over: wat kun je de kinderen echt laten beleven: naar het bos: hutten; naar een technische school: metselen; naar een steenfabriek; en in de klas.

[4-4] Huizen bouwen
Frans Geus over: wat er nodig is om een huis te bouwen; activiteit in de klas.

[4-5] Over de huizenbouw in de 3e klas
Edgar Förster over: de heemkunde, huizenbouw; hier wordt beschreven hoe het toegaat bij het bouwen van een oven.

[5] De ambachtenperiode van de 3e klas
Ria Buscop over: ambachten: molenaar, bakker, nettenboetster;  e boer, zaaien, graan, molen; beroepsmensen in de klas.

[5-2] Over de molen
Iets over molentaal; doorsnede van standaardmolen; gedichtjes rond de molen; en extra: gedichtje over de smid.

[6 ] Over ‘hand’elingen
Pieter Witvliet
over: de menselijke hand; samenhang van hand en andere lichaamsdelen met het ontstaan van gereedschappen.

[7] 3e klas heemkunde
M.Brouwer over: de belevingswereld van de 3e-klasser; over de vakken; over heemkunde.

[8] De ploeg in de heemkundeperiode van de 3e klas
Reinhard Ziller:
een uitgebreide geschiedenis van de ploeg; met vele illustraties, waaronder die je zelf met de kinderen zou kunnen maken; ontstaan en gebruik.

[9] Papier maken
Franka Paul
: papier maken met 3e klas: benodigdheden en werkwijze.

Heemkunde: alle artikelen

Ook de vertelstof: het Oude Testament biedt aanknopingspunten voor het heemkunde-onderwijs: het leven in het Oude Testament

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1044-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.

VRIJESCHOOL – 8e klas: alle artikelen

.
Caroline von Heydebrand: over: het leerplan van de 8e klas

Rudolf Steiner over: het leerplan van de 8e klas

Algebra: zie rekenen

Biologie:
Evt. de huid: zie onder tastzin

Handvaardigheid
Zie handvaardigheid alle artikelen

Menskunde in de 8e klas
Christine Britsche over: skelet en botstructuur; verschil hoofd-ledematen; mens-dier.

Geschiedenis: alle artikelen

Meetkunde:
Meetkunde klas 8 t/m 12

[1-1] Regelmatige veelvlakken
Onbekend over: vier-, acht-, twaalf- en twintigvlak; voorbeelden om deze Platonische lichamen te kopiëren.

Natuurkunde
alle artikelen

Nederlandse taal
Een 8ste-klasser
Hoe is een 8-klasser? Literatuur: beschrijvingen leren maken; hoe doe je een boekbespreking; leren luisteren naar elkaar; poëzie; stijlfiguren; dictee; samengestelde zin; synoniemen; homoniemen; dubbelzinnigheid; vergelijkingen; subjectief-objectief;

voorbeelden van opstellen

Rekenen: alle artikelen
rekenraadsels

breinbrekers

Natuurkunde: alle artikelen

Vertelstof: biografieën

.

1022-947

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – runen

Hoe ziet je naam eruit in runentekens?

Dat vinden de meeste kinderen heel interessant.
En dan zelf maken, natuurlijk.

Er zijn allerlei mogelijkheden:

runentekens

.
Runen
Runen zijn afgeleid van de letters van de alfabetten die rond 200 v. Chr. in Noord-Italië in gebruik waren.
Het Germaanse runenalfabet telde oorspronkelijk vierentwintig letters, maar later werd het aangepast aan de talen van de verschillende gebieden.

De runen waren hoekiger dan hun Italiaanse voorbeelden. Ze werden vooral op hout en steen gebruikt, waarin rechte lijnen makkelijker uit te snijden zijn dan ronde. Het runenalfabet wordt “futhark” genoemd, naar de eerste zes letters:
F,U, D (th), A, R en K.

Runen hadden veel praktische toepassingen. Ze werden gebruikt op graf- en gedenkstenen, maar tevens om wapens en kostbaarheden te merken met de naam van de maker of de eigenaar.

Runen hadden ook magische associaties; het woord betekent zelfs “geheim”. Tacitus beschrijft in hout gekerfde symbolen die voor wichelarij werden gebruikt, en in IJslandse gedichten en sagen wordt dankzij runen genezen, vervloekt en de zege behaald, worden wapens bot gemaakt en bevallingen bespoedigd en laten ze zelfs de doden spreken.

runentekens  1

deze runensteen uit ca.1000 na Chr. staat in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Meer informatie: Wikipedia

Runentekens

Namen in runentekens

Zelf maken

Ze leren lezen

4e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas: Germaanse mythologie

1011-937

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pericles

Pericles

Pericles ca. 490-429 v. Chr.

Tijdens de Gouden Eeuw van de Griekse democratie koos de Atheense bevolking Pericles meermalen voor hoge functies in de regering. Hij was een arrogant en emotieloos mens, maar iedereen wist dat hij diep geloofde in de democratie en in de vrijheid, die de mensen de kans gaf te denken, leren en scheppen. Dertig jaar lang maakte Pericles deel uit van het bestuur van Athene, dat onder zijn bewind een culturele bloeiperiode doormaakte. Doordat hij de Atheense ideeën overal verbreidde, bereikte de stad ook een hoogtepunt van politieke macht.

Pericles was een zoon uit een rijke en vooraanstaande Atheense familie. Hij trad voor het eerst op de voorgrond toen hij samen met een aantal anderen hervormingen wilde doorvoeren in de al zeer democratische grondwet. Ze wilden de politieke macht van de armen vergroten. Ze stelden voor om alle ambtenaren, van de hoogste tot de laagste leden van de volksvertegenwoordiging, te betalen. Dat was een uitstekende methode om de corruptie voor een deel onmogelijk te maken. Ook de leden van de rechtbank moesten voor hun verdiensten worden betaald. Kort na het aanvaarden van deze nieuwe hervormingen werd Pericles, in 461 v. Chr., gekozen tot een van de strategen (generaals). In die hoedanigheid werd hij vrijwel tot het eind van zijn leven jaarlijks herkozen.

In de tijd dat Pericles voor het eerst een regeringspositie bekleedde, was de onafhankelijke stad-staat Athene, samen met andere Griekse stad-staten, lid van de Delisch-Attische Bond. Dit bondgenootschap was tot stand gebracht om een eenheid te vormen tegen de overweldigende macht van het Perzische Rijk. Van alle steden in Griekenland had Athene de enige grote vloot, dus werden de meeste gevechten door Athene geleverd. De andere leden van de bond betaalden bijdragen. Het was niet verbazingwekkend, dat Athene de Delisch-Attische Bond geleidelijk aan begon te beheersen. Andere leden werden meer als vazalstaten dan als bondgenoten behandeld.

Pericles wilde Athene tot de politieke en culturele leider van de Griekse stad-staten maken. Door middel van het bondgenootschap verwierf hij de politieke macht. Om de culturele leiding te krijgen, liet hij een enorm bouwprogramma ten uitvoer brengen. In 480 v. Chr. hadden de Perzen de stad Athene geplunderd. Alle tempels die toen waren verwoest, liet hij herbouwen. De belangrijkste bouwplaats was de Acropolis. Er was een schitterende poort, de Propylaeën en een prachtige aan de godin Athene gewijde tempel, die later het Parthenon werd genoemd. Ook werd er een kleine tempel gewijd aan de godin van de overwinning, Nikè. Om deze en andere kostbare gebouwen te betalen, liet Pericles de schatkist van de Delisch-Attische Bond naar Athene brengen. De machtige stad-staat Sparta, ten zuiden van Athene, leverde heel wat meer problemen op dan de zwakke bondgenoten. Sparta was in het verleden even machtig geweest als Athene. Maar na de Perzische aanvallen tussen 490 en 480 v. Chr. was Sparta ernstig verzwakt. De stad had geen vloot waarmee de strijd kon worden voortgezet. De Spartanen verzetten zich tegen de groeiende Atheense macht en weigerden zich bij de Delisch-Attische Bond aan te sluiten en ze schonken geen geld voor de tempels. In plaats daarvan vormde Sparta een eigen bondgenootschap met de stadstaten die rond Sparta op de Peloponnesus lagen. Toen Athene probeerde haar invloed tot dit gebied uit te breiden, ontstond er tussen de twee staten een conflict. Na een aantal schermutselingen tussen de twee kampen sloten Sparta en Athene een overeenkomst. Het rijk van Athene moest beperkt blijven tot de eilanden en de Griekse steden overzee.  Het rijk van Sparta zou de steden op het vasteland en wel in het bijzonder die op de Peloponnesus omvatten.
Na het sluiten van dit verdrag volgden er vijftien  jaren van vrede, de enige vrede die Athene tijdens het leven van Pericles meemaakte. De inwoners hadden de vrijheid om te genieten van de meest creatieve en intellectueel stimulerende periode uit de hele geschiedenis.

De culturele vooruitgang zette zich tot in de volgende eeuw voort. Maar met de vrede was dat echter niet het geval. Tegen 431 v. Chr. ontstonden er grote spanningen tussen Athene en Sparta en er braken gevechten uit, die uiteindelijk uitliepen op de bittere en desastreuze Peloponnesische Oorlog. De Atheense vloot was oppermachtig en Pericles besloot de oorlog op zee uit te vechten. Hij liet alle Atheners naar de stad komen om hen achter de muren tegen het landleger van Sparta te beschermen. Maar het overbevolkte Athene werd zwaar getroffen door een pestepidemie. Duizenden bewoners stierven een ellendige dood. Niet lang daarna stierf Pericles zelf. De oorlog sleepte zich, met tussenpozen van vrede, nog 28 jaar voort. Uiteindelijk won Sparta. In de 4e eeuw v. Chr. herkreeg Athene voor korte tijd de macht. Uiteindelijk moest de stad zich, samen met de rest van Griekenland, overgeven aan de oprukkende legers van Philippus van Macedonië. Dit was in 338 v. Chr.

Andere naties hebben het veel langer volgehouden en waren rijker en machtiger dan het Athene van Pericles. Maar alles wat daarvan is overgebleven, zijn ruïnes, kunstvoorwerpen en onvolledige verslagen. Van Athene bleef veel meer bewaard. Het leeft voort, doordat het nog steeds invloed uitoefent op de regeringsvormen over de hele wereld. De reden is waarschijnlijk, dat Athene de eerste staat was die door het volk zelf werd geregeerd. En dat idee was te machtig om vernietigd te kunnen worden.

AtheneTerwijl Pericles Athene tot ontwikkeling bracht, werden er vele theaters zoals deze gebouwd. Dit theater had een van de eerste podiums ter wereld en bood plaats aan 14.000 toeschouwers. Het heeft een buitengewone akoestiek.

Athene 1De Acropolis, die Pericles liet bouwen. Vandaar heeft men een schitterend uitzicht over de tegenwoordige stad Athene. Het belangrijkste gebouw van de Acropolis is het enorme en smaakvolle Parthenon. Deze tempel werd gebouwd ter ere van de godin Pallas Athene. De tempel Erechteion was gewijd aan Athene Polias en Poseidon en genoemd naar de held Erechteus. Uiterst links op de foto de Propylaeën (poorthuis).

5e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis: Griekenland

1008-934

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (17)

opspattend grind

‘GEZONDMAKEND ONDERWIJS’

Buikpijn door stress van school

ZWOLLE. Spanningen op school veroorzaken vooral in november en maart bij kinderen hoofdpijn, buikpijn en gewrichtsklachten. In die maanden kloppen fors meer leerlingen aan bij het ziekenhuis.

Dat kinderziektes zoals bronchitis en astma vooral tijdens de maanden voorkomen die eindigen op de ‘r’„ was bekend. Nu blijken ook klachten als hoofdpijn, migraine, buikpijn, vermoeidheid en gewrichtspijnen seizoensafhankelijk te zijn.

Dat stellen onderzoekers van het Amalia Kindercentrum in Zwolle. Zij spitten de patiëntdossiers van meer dan vijftigduizend kinderen tot 18 jaar door. Ze analyseerden met welke klachten de patiënten in het ziekenhuis kwamen en in welke maand. De onderzoekers zagen zes jaar achter elkaar een piek in november en maart van het aantal kinderen met onder meer buikpijn en hoofdpijn. Terwijl de spreekuren van de kinderartsen tijdens de zomermaanden juist opvallend rustig waren.

De kinderen krijgen gezondheidsklachten door spanningen op school, verklaren de onderzoekers. Want bij patiënten tussen o en 4 jaar ontbreken die seizoenspieken. „We zien de klachten echt bij schoolgaande kinderen”, concludeert Jolita Bekhof, een van de onderzoekers.

Maar waarom kloppen kinderen juist in november en maart bij de kinderartsen aan? „Stress bouwt zich op”, verklaart Bekhof. „Tijdens de zomermaanden zijn ze ontspannen. In november krijgen leerlingen meestal hun eerste rapport of horen ze of ze het gewenste niveau halen.” Ze krijgen zoveel stress dat ze ruim 13 procent vaker met klachten naar het ziekenhuis komen. Hét aantal jonge patiënten is in maart zelfs 34 procent hoger. „Dan merk je dat leerlingen stressen over de vraag of ze hun examen wel gaan halen of dat ze over mogen naar de volgende klas”, aldus Bekhof.

Het Amalia Kindercentrum wil aanvullend onderzoek doen naar eventuele andere oorzaken. Want school is niet de enige factor die stress bij kinderen veroorzaakt, zo beseffen de onderzoekers. Bekhof: „Je ziet dat soms andere problemen spelen. Sommige ouders vragen bijvoorbeeld veel van hun kinderen, zonder dat ze het zelf door hebben. Dat kan ook meespelen.”

Eindhovens Dagblad 19-12-2015

Rudolf Steiner:
Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat heel onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan  in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit.

Rudolf Steiner: gezondmakend onderwijs

opspattend grind: alle artikelen

1007-933

VRIJESCHOOL – 8e klas – geschiedenis – alle artikelen

[1] Industriële revolutie
Uit ‘IJzeren engelen’ over: ontwikkeling stoommachine; Newcomen, Smeaton, Savery, Trevithick, James Watt

[2] Industriële revolutie
Uit ‘IJzeren engelen’ over: verdere ontwikkeling stoommachine; Papi, Roebuck, Boulton, Murdock, James Watt (2); ijzer door de eeuwen heen; zwaard; Germaanse helden met zwaard; ontstaan kanon;

[3
Onbekend
over: Newcomens stoommachine als voorloper; Heron van Alexandrië; Savery; Hargreaves’ spinning jenny; schietspoel John Kay;   Cromptons spinning mule; Arkwrights water frame; James Watt; daarvan afbeeldingen

.

Biografieën: James Watt

1003-929

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Darius l

.

Darius I   

ca. 584-486 v. Chr.

De geschiedkundigen zijn het er niet over eens welke van de heersers uit het geslacht van de Achaemeniden in het Perzische Rijk de meeste betekenis heeft gehad. Velen vinden dat het Cyrus I, ‘Cyrus de Grote’, was. Hij stichtte een enorm rijk, het grootste dat de wereld tot die tijd had gekend. Hij was een befaamd krijgsman en hij werd door zijn volk aanbeden. Maar andere geschiedkundigen houden vol dat Darius I nóg machtiger was. Hij breidde het rijk uit tot in Europa en India en organiseerde het zo doeltreffend, dat het na zijn dood nog tweehonderd jaar bleef bestaan. Er kwam pas door toedoen van Alexander de Grote een einde aan.

In 522 v. Chr. werd Darius, na de dood van Cyrus en zijn zonen, tot koning verkozen. Hij liet het verhaal over zijn troonsbestijging graveren in een hoge rots in de buurt van het dorp Bisoetoen in het tegenwoordige Irak. Hij deed dit waarschijnlijk om elke twijfel over zijn recht op de troon weg te nemen. De meeste geschiedkundigen menen, dat het de waarheid is. Volgens Darius bestemde Cyrus zijn troon voor zijn oudste zoon Cambyses. Er was echter de voorwaarde aan verbonden, dat zijn jongere zoon Bardja een aantal van de oostelijke provincies moest besturen. De wrede Cambyses was jaloers op zijn populaire broer. Nadat hij koning was geworden, liet hij Bardja vermoorden. Dat gebeurde vlak voordat hij tegen Egypte optrok, om dat land te veroveren. Cambyses slaagde erin Egypte bij het rijk in te lijven. Hij vervulde daarmee de laatste wens van zijn vader. Op de thuisreis kreeg hij te horen, dat iemand die een sterke gelijkenis met Bardja scheen te hebben, de macht had gegrepen en veel steun kreeg.

Cambyses kwam niet lang daarna om het leven en liet de troon leeg achter. Darius was toen lid van de lijfwacht van Cambyses. Hij en zes andere jonge edelen wantrouwden de overweldiger. Ze slaagden erin het koninklijk paleis binnen te dringen en hem daar te vermoorden. Darius behoorde tot het geslacht van de Achaemeniden, waartoe ook Cyrus behoorde. Hij beschouwde zich als de rechtmatige troonopvolger en nam de macht in handen.

Als voorzorgsmaatregel tegen toekomstige wanorde reorganiseerde Darius het bestuur van zijn rijk. Onder het oude bestuur, dat van de Assyriërs was overgenomen, werd elke provincie door een satraap (gouverneur) bestuurd. Er was maar weinig controle en dat maakte het eenvoudiger om te rebelleren. Darius loste het probleem op door drie officiële ambtenaren aan het hoofd van elke vazalstaat of provincie te stellen: een satraap, een generaal en een minister. Ze waren onafhankelijk van elkaar en brachten ieder direct aan de koning verslag uit. Elke provincie werd met onregelmatige tussenpozen door inspecteurs bezocht. Op belangrijke plaatsen stationeerde Darius regeringsgetrouwe troepen, wat als voorzorgsmaatregel erg goed bleek te werken.

Darius verstevigde het centraal gezag door het vervoer en de handel binnen het rijk te verbeteren. Hij bouwde een koninklijke weg, die liep van Susa in Perzië tot aan Sardis in Klein-Azië. Er kwamen standaardmaten en gewichten.

Net als Cyrus moedigde Darius de plaatselijke bevolkingen binnen het rijk aan, hun eigen gewoonem taal en godsdiensten in stand te houden. In Egypte restaureerde hij bijvoorbeeld de aan de god Amon gewijde tempel. Hij gaf de plaatselijke satraap opdracht met de priesters samen te werken om de Egyptische wetten in een wetboek vast te leggen. De Griekse steden in Klein-Azië, dat toen door de Perzen werd beheerst, kregen speciale privileges voor het bouwen van heiligdommen. De Hebreeërs waren tijdens de regering van Cyrus naar hun land teruggekeerd. Ze kregen van Darius toestemming in Jeruzalem de tempel te herbouwen. Het was waarschijnlijk ook door toedoen van Darius, dat in Perzië de leer van Zarathoestra als staatsgodsdienst werd ingevoerd. Darius liet twee nieuwe hoofdsteden bouwen: een regeringsstad in Susa en een koninklijke residentie bij Persepolis. Hij maakte daarbij gebruik van de ideeën en vaardigheden van veel van de verschillende mensen die in zijn rijk woonden. Beide steden werden gekenmerkt door een nieuwe stijl, die ontstond door de vermenging van uitheemse invloeden en de oorspronkelijke vormen.

Een van de weinige fouten die Darius tijdens zijn zeer succesvolle koningschap maakte, werd uitgelokt door de Grieken. Het gebeurde aan het einde van zijn leven. De Griekse stad-staten Athene en Eretria hadden opstanden in de door de Perzen beheerste Griekse steden in Klein-Azië ondersteund. Darius stuurde in 492 v. Chr. zijn vloot om de twee steden te straffen. De vloot verging echter in een storm bij de berg Athos. Twee jaar later versloeg een Perzisch leger Eretria, maar verloor in de veldslag bij Marathon van het leger van Athene. Terwijl Darius zich voorbereidde op een derde aanval, kwamen op hun beurt de Egyp-tenaren in opstand. Hierdoor kon Darius geen aandacht meer aan Griekenland schenken. Hij stierf voordat hij kon terugkeren. Zijn zoon Xerxes hervatte de strijd van zijn vader, maar ook hij werd door de Grieken verslagen. Dat gebeurde in de zeeslag bij Salamis.

Hoewel na de dood van Darius de macht van de Perzen begon af te nemen, bestond het rijk nog bijna twee eeuwen. Het werd uiteindelijk in 331 v. Chr. door Alexander de Grote veroverd. Na de dood van Alexander werd Perzië achtereenvolgens door de Seleuciden, de Parthen en de Sassaniden geregeerd. De Sassaniden waren oorspronkelijk Perzen, die vanaf 224 v. Chr. de traditie van de Achaemeniden in ere herstelden. Ze bouwden een nieuw rijk op, dat alle gebieden tot aan de grens van Egypte omvatte. Bij Ctesiphon werd een prachtige nieuwe hoofdstad gebouwd. In 637 na Chr. begon de verovering van het rijk door de Arabieren. De islam werd in Perzië ingevoerd en later bracht men zeer veel schitterende islamitische kunst en architectuur voort. De Arabieren legden samen met de Achaemeniden de basis voor de tegenwoordige staat Iran.

Darius

Een afbeelding van Darius, die audiëntie verleent aan een priester. Het staat op een reliëf uit Persepolis. Dit beeldhouwwerk werd gemaakt toen Darius op het toppunt van zijn macht stond. Zijn opvolger, Xerxes, staat achter de troon af-gebeeld.

Vertelstof: alle biografieën

5e klas geschiedenis: alle artikelen

1001-928

VRIJESCHOOL – Kerstmis (16-2)

 

het hele verhaal

Onder deze titel verscheen er in Jonas een interview dat Ernst Fuld had met de schrijfster van haar boek over de twee Jezuskinderen.

Hella Krause-Zimmer: ‘Het thema van de twee Jezuskinderen is zeer omvangrijk. En het is iets dat kan shockeren. Ik voel me daarvoor zeer verantwoordelijk en weet niet of dat allemaal maar zo in een interview kan. Hopelijk ziet de lezer er slechts een aanmoediging in om zich met het thema bezig te gaan houden, want we kunnen hier niet alles tot in detail behandelen.

‘Misschien kan ik het beste met mijn persoonlijke ervaringen beginnen. Mijn verjaardag valt vlak voor Kerstmis en daardoor beleefde ik vanaf mijn vroegste jeugd de kersttijd als iets heel bijzonders. Mijn moeder kwam terwijl ik nog sliep en maakte een tafeltje met kaarsen naast mijn bed. Ik deed net alsof ik niks merkte en als ik dan mijn ogen opende, dan was het eerste wat ik zag de kribbe met de aanbidding van de herders en de koningen. Dat heeft diepe indruk op mijn gemoed gemaakt en Kerst was voor mij de mooiste dag van het jaar.

Later – zo vanaf mijn zestiende levensjaar – werd ik leeg in mijn gevoel. Het was allemaal wel mooi, maar het deed me niet veel meer. Steeds sterker werd de vraag: waarom is Kerst zo belangrijk? Er waren wel allerlei verklaringen uit de godsdienstlessen, maar die voldeden niet meer voor mijn gevoel. Die intense beleving uit mijn kindertijd was verdwenen en daar werd ik zeer ongelukkig door. Het is toen, tot vertwijfeling van mijn moeder, zelfs zover gekomen dat ik eens bij het kerstfeest ben weggelopen. Zo sterk was de drang dat ik toch ergens Kerst moest kunnen vinden en dat het gewone kerstfeest het niet meer was. Van de mooiste avond was Kerst geworden tot de moeilijkste avond van het jaar. Ik denk dat dat nu voor veel mensen ook zo is.

Later ontdekte ik de antroposofie en daardoor kregen alle feesten, dus ook het kerstfeest, weer nieuwe inhoud. Ik ontdek er steeds weer nieuwe dingen aan en de beleving wordt nog steeds intenser. Bij die ontdekking van de antroposofie hoorde ook dat ik bij Rudolf Steiner iets las over het bestaan van twee Jezuskinderen, die niet even oud waren, maar ongeveer een jaar in leeftijd scheelden. Het was een grote schok voor me. Mijn eerste gevoel was dat Kerst me nu helemaal werd ontnomen. Twee kinderen vond ik minder dan een. Met een kind, het Jezuskind, was ik opgegroeid en vertrouwd. Nu opeens: het zijn er twee geweest. Nu ja, dacht ik, dan kunnen het er ook drie of vier zijn geweest. Maar ondanks de grote schok had ik toch het gevoel dat ik het serieus moest nemen en ik ging het in de bijbel nalezen.

Ik was helemaal niet zo bijbelvast en ik denk ook niet dat je van bijbellezen alleen de oplossing voor de raadsels van het leven mag verwachten. Er staan zoveel wonderlijke en moeilijk te begrijpen verhalen in de bijbel! Voor mij is het veel meer een hulp om de bijbel vanuit een bepaald gekozen gezichtspunt te bevragen. Wanneer je dat doet met de vraag naar het bestaan van twee Jezuskinderen, dan worden een heleboel dingen ronduit opvallend.

Van de vier evangeliën beschrijven alleen Lucas en Mattheus de geboorte van het kind. Die twee verhalen passen op geen enkele wijze bij elkaar. De twee stambomen zijn niet verenigbaar: bij Lucas komt geen lijn over Salomo. Zelfs wanneer je van deze onverenigbaarheid der stambomen afziet, dan nog zijn die twee geboorteverhalen niet bij elkaar te denken. Er zijn wel gedachten dat de evangelisten het als een soort ‘teamwork’ hebben verdeeld. Zo van: de één beschrijft de ene helft, de herders; en de ander nam de koningen voor zijn rekening. Een soort werkverdeling die afgesproken zou zijn. Maar zelfs dat gaat niet op; het past gewoon niet.

Kijk, men zegt meestal dat de herders eerst kwamen en de koningen daarna, een paar dagen later. Bij preciesere en exacte bestudering van de tekst blijkt dat niet te kunnen. Lucas vertelt dat de ouders uit Nazareth kwamen en vanwege de volkstelling naar Bethlehem trokken. Het moet er, waarschijnlijk vanwege die volkstelling, erg druk zijn geweest, want er was geen plaats voor hen in de herberg. Vermoed wordt, dat Maria het kind in een soort grot ter wereld bracht. Het evangelie verhaalt verder hoe de herders, die door de engelen op de hoogte zijn gebracht, komen om het kind te aanbidden. Zij maken ‘alom bekend’ wat zij hebben gezien. Na acht dagen wordt het kind besneden en na veertig dagen, in overeenstemming met de joodse wetten, in de tempel getoond. Dat betekent, dat Maria en Jozef met het kind zo’n veertig dagen in Bethlehem zijn gebleven of in Jeruzalem zijn geweest. In de tempel komen dan twee mensen met profetische gaven, Simeon en Anna, die het kind herkennen en prijzen in het openbaar. Daarna gaan de ouders terug naar Nazareth.

Het Mattheusverhaal is heel anders. Er is geen sprake van een volkstelling of volle herbergen. Ook geen stal of grot, maar het evangelie noemt heel duidelijk een huis waarin Maria en Jozef met het kind zijn. In plaats van herders komen er dan koningen of magiërs om het kind te aanbidden. Er is geen sprake van een reiniging na veertig dagen of opdracht in de tempel. Jozef en Maria vluchten naar Egypte vanwege de kindermoord. Hoe kan het nu, dat, terwijl alle kinderen onder de twee jaar in de omgeving van Bethlehem door Herodes vermoord werden, de ouders, volgens Lucas, zo in het openbaar met het kind waren? Dat kan zich toch niet tegelijkertijd hebben afgespeeld?

Er bestaan schilderijen — die vind je ook in mijn boek – waar, bij de opdracht in de tempel, dus waar het kind veertig dagen oud moet zijn geweest, het Jezuskind al staat voor het altaar. Je ziet een jongetje van vijf of zes jaar oud. Ik vraag me dan af: wat heeft die schilder zich daarbij voorgesteld? Misschien een soort ‘inhaalactie’, zoals ook wel eens de doop later wordt voltrokken? Het wordt wel eens op de fantasie van de schilder geschoven. Nou, ik kan u verzekeren dat de schilders uit de oude tijd bijzonder weinig gefantaseerd hebben. Hoe bestaat het dan, dat een schilder een jongetje van vijf of zes jaar afbeeldt, terwijl het evangelie spreekt van een tonen in de tempel bij de opdracht veertig dagen na de geboorte?

Wijsheid en liefde
Na de eerste aanvankelijke schok werd het thema steeds waardevoller voor me. Ik geloof dat het belangrijk is, dat wij ons met de waarheid bezighouden. Het heeft een objectieve betekenis voor de wereld als wij ons met de waarheid bezighouden. We vergroten daardoor het waarheidsgehalte van de wereld. Groot of klein: elke waarheid heeft ‘op zich’ waarde. En als het om iets gaat dat zo centraal met het christendom te maken heeft, dan zouden wij ons zeker ervoor moeten interesseren.

Naar mijn ervaring vormt het geheim dat er twee Jezuskinderen zijn geweest, een grote sleutel voor het begrip van onze heilsgeschiedenis. Ook voor het begrip van de mensheidsontwikkeling tot in de tegenwoordige tijd aan toe, vormt dit raadsel een belangrijke sleutel. Je krijgt meer begrip voor de wereld en dan sta je ook anders in die wererld. Het is niet zozeer het feit ‘dat’ er twee kinderen zijn geweest, maar vooral ‘hoe’ de verschillen tussen die twee kinderen waren.

Het geboorteverhaal zoals Lucas dat vertelt, gaat over ons eigenlijke Kerstkind. De schilders hebben dat kind altijd naakt op de aarde gelegd. Heel klassiek kun je dat zien bij het zogenaamde Thomasaltaar in Hamburg dat door meester Francke (circa 1424) is vervaardigd. Francke heeft voor één en hetzelfde altaar twee aanbiddingen geschilderd. Bij de Jezus van Lucas is alleen Maria aanwezig. Er zijn geen andere mensen te zien behalve heel in de verte een paar herders. Het is alsof de schilder vooral de natuurverbondenheid van dit kind heeft willen uitdrukken. Maria heeft haar haar loshangen, wat in de middeleeuwen een uitdrukking van maagdelijkheid was. Zij is sober gekleed in een wit gewaad met een gouden zoom. Twee engelen houden een mantel beschermend om haar heen. De stralenkrans van Maria en het kind is echt stralend open. Er is geen Jozef. In de hemel is de God-Vader zichtbaar en uit zijn mond komt een stralenbundel die rechtstreeks tot het kind voert: hij lijkt op de weg waarlangs het kind is afgedaald. Het is een hemelsgeschenk. Zo naakt en onbeschermd als het daar ligt! De schilder laat zien: ‘dit kind heeft zoveel warmte van zichzelf, dat kun je naakt op de aarde leggen.’ De achtergrond bestaat uit bomen en landschap; ‘natuur en geen cultuur’ is het motto voor dit schilderij.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 2

‘Heel anders is het met de andere aanbidding die op hetzelfde altaar is afgebeeld door dezelfde schilder. Maria heeft een roze gewaad met blauwe mantel in plaats van wit met goud zoals bij de vorige. Zij heeft haar haar bedekt; de aura is een gesloten schijf. Jozef zit naast haar om de geschenken van de koningen in ontvangst te nemen. Daartoe houdt hij alvast een kist geopend. Het kind staat op Maria’s schoot en is naar de wereld toegekeerd, grijpt zelfs in een kistje! Achter Maria zie je een bed met een rijk geborduurd kussen erop. Ook een huis is zichtbaar, kortom: deze Jozef en Maria zijn rijk, terwijl de vorige arm waren. De koningen hebben rijke gewaden aan. Het is één en al cultuur en minder natuur. Geen God-Vader, engelen en bomen te zien! Wel zie je de ster waar een van de koningen naar kijkt en de ander wijst.

Krause-Zimmer Francke Thomas-altaar 1

Zoiets is toch wonderbaarlijk! Je ziet hier het essentiële verschil. Bij Lucas is alles lieflijk, kinderlijk, onschuldig, onbevooroordeeld en warm. Het kind heeft een aura om het gehele lichaam. Terwijl bij Mattheus altijd alleen het wijze hoofd verlicht wordt. Je ziet wijsheid en liefde, licht en warmte, cultuur en natuur. Op een kind reageren volwassenen — ook nu nog gelukkig! — heel anders dan onder elkaar. Men wordt geroerd, vertederd, vriéndelijk en levendig. Dat is de quintessens van Lucas. Mattheuskinderen zijn streng, wijs, volwassen. Ze worden door de schilders nooit naakt op de grond gelegd. Soms lijkt het alsof een Mattheuskind zelfs op een troontje op de schoot van de moeder zit!

Deze twee verschillende houdingen tonen aan dat ze representanten zijn van twee stromingen die tot op de dag van vandaag in de mensen zijn terug te vinden. Het zijn twee manieren van in de wereld staan; het zijn twee idealen. De ene stroom heeft de eenvoud, de natuurverbondenheid, de vroomheid, de armoede als ideaal. En de ander wil cultuur scheppen, wérken in de wereld.

Dat geldt in het klein, maar ook in het groot. Bij het begin van onze jaartelling waren er twee volken die zo’n beetje de wereld uitmaakten: het joodse en het Griekse volk. Dat is een mooi voorbeeld van die twee stromingen. Bij de joden vind je muziek, hymnen, grote profeten, enorme gedichten, koningen die musiceren, maar haast geen beelden. Het religieuze gebod geen beeld van God te mogen maken, voerde zelfs zover, dat het joodse volk niet eens zijn eigen tempel kón bouwen. De joden hadden maar één tempel en zelfs die hebben ze door een niet-jood, Hieram, laten bouwen. Moet je dat eens vergelijken met de Grieken: duizenden tempels, beelden, beelden, en nog eens beelden! Men ziet hier dat de aandacht wordt gevestigd op twee verschillende gebieden.

De Kerk
De tweede verbazing die ik bij de kennismaking met de antroposofie onderging was, dat het de taak van Christus was om deze twee gebieden weer bij elkaar te voegen. Het Lucasevangelie beschrijft de verbazing van de priesters en de ontsteltenis van de ouders doordat deze jongen plotseling zo wijs was toen hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel was. De Jezus volgens het Mattheusevangelie stierf kort daarna. Vanaf dat moment was er nog maar één Jezus.
Rudolf Steiner beschrijft hoe de Jezus van Mattheus in een langzaam proces als het ware overstroomt in de ander. Degeen die dat interesseert kan het nazoeken bij Steiner. Men moet de dingen toch grondiger zelf onderzoeken dan in het kader van een interview kan.

Zoals gezegd: voor mij was de kennismaking met deze inzichten niet gemakkelijk. Ik heb er ook nooit aan gedacht om in de traditie van de schilderkunst te gaan zoeken. Ik ben eigenlijk helemaal geen kunsthistorica maar schrijfster. Van jongs af heb ik iets met het woord, geschreven of gesproken, gehad, Als actrice en dramaturge was ik helemaal niet zo op zien of kijken ingesteld. In die tijd had ik twee collega’s waarvan de één naast het acteren schilderde en de ander beeldhouwde. Wanneer we over straat liepen, zagen zij van alles wat ik niet zag. Hoe twee kleuren in de hemel bij elkaar pasten of de bijzondere proporties van een erker aan een huis. Als ze daar dan op wezen, dacht ik: ‘Wat zien zij toch! Ik ben partieel blind, ze leven in een totaal andere wereld.’ Zo werd er in mij de behoefte gewekt om beter te leren kijken. Welnu, dat heb ik in mijn verdere leven rijkelijk mogen inhalen!

Ik trouwde met Erich Zimmer, een architect. Samen hebben we veel studiereizen gemaakt. Naar Griekenland, Turkije, Italië enzovoorts — overal hebben we architectuur en beelden bestudeerd. Het thema van de twee Jezuskinderen speelde geen noemenswaardige rol in mijn leven. Zo had ik ook de Borgognone
(16-1,
kleurenafbeelding aan het eind)  gezien die in Milaan te vinden is. Het is een afbeelding van de twaalfjarige Jezus in de Tempel waar ook een tweede kind op te
zien is. Dat is de afbeelding waar Rudolf Steiner op wijst in een van zijn voordrachten. Ik vond het een mooi schilderij, maar was toch meer op de Griekse beeldhouwkunst en architectuur georiënteerd.
De grote aanleiding om me er meer systematisch mee te gaan bezighouden kwam bij de icoon van
Milos. Hoe kan het dat er nergens in de kerkelijke leer iets gezegd wordt over het bestaan van twee kinderen en het toch heel duidelijk op een schilderij staat? Ik had altijd gedacht dat zo’n inzicht alleen uit de geesteswetenschap te halen zou zijn en niet dat er ook nog zoiets als een geschilderde traditie zou zijn.

Op de icoon van Milos zie je duidelijk dat de twaalfjarige discussieert met een vrouw die links op het beeld staat. Een priester houdt haar een boek voor. Zij maakt een heel ontspannen indruk. Wie is deze vrouw? Het is ook verbazingwekkend dat de hogepriester haar een boek voorhoudt. Aan de rechterkant van de icoon zijn drie schriftgeleerden te zien. Maar ze lijken eerder op de drie wijzen dan op de schriftgeleerden zoals die gebruikelijk worden afgebeeld!

Net zoals je je bij de linker groep afvraagt: ‘Wat doet die discussiërende vrouw daar?’, zo vraag je je hier af: Wie is die jongeling die daar bij de wijzen staat?’ Hij staat daar baardloos, in een groen gewaad. Zijn handen zijn helemaal verborgen en een gedeelte van zijn armen is nog maar zichtbaar. Er gaat geen enkele activiteit van hem uit en uit zijn blik spreekt geen sterke interesse voor wat er verder gebeurt. Zijn hoofd neigt licht naar de andere — zonnige, heldere — jongeling; hij kijkt onnoemelijk weemoedig, treurig, dromerig. Niemand let op hem.

Krause-Zimmer icoon van Milos

Er zitten nog veel meer details in die icoon. Dat kan ik nu niet allemaal beschrijven, daarvoor moet je mijn boek bestuderen. Voor mij vormde Milos de aanleiding om me systematisch met het thema van de twee Jezuskinderen te gaan bezighouden. Toen begon het materiaal te groeien, te groeien, te groeien — het groeit nog steeds!

Mooiste tijd
Zo werd ik steeds wakkerder in het kijken naar kunst. Je moet natuurlijk kritisch blijven, want er zijn vele valkuilen. Je moet bijvoorbeeld Maria’s van Anna’s leren onderscheiden, Verder moet je jezelf streng scholen om niet iets in een schilderij te leggen wat er niet inzit! Bij het schrijven van mijn boek heb ik daarom vaak gedacht: ik wou dat een ander het deed.

Nadat ik eerst Kerstmis was kwijtgeraakt, kreeg ik het steeds meer terug. Allerlei verbanden en samenhangen gingen mij opvallen. De diepe achtergronden maakten mij eerbiedig. Je ziet opeens de samenhang met het jaarverloop. December, dat is donker en naar binnen gekeerd; het begin van de dertien heilige nachten hoort bij Lucas, het eigenlijke kind dat naakt op de aarde ligt, omgeven door duisternis. En januari is voor mij een totaal andere stemming. Meer helderheid, meer licht, meer op de wereld gericht en op het nieuwe jaar ingesteld. Volgens de geesteswetenschap is het Mattheuskind bijna een jaar ouder; de geboorte daarvan ligt rond 6 januari. Daarna volgt de vlucht naar Egypte en de kindermoord. In de zomer wordt Johannes geboren en op 24 december, lang na de dood van Herodes, wordt het Lucaskind geboren. De periode van 24 december tot 6 januari is werkelijk een uitsparing in het jaarverloop. Voor deze bijzondere tijd kan men een gevoel ontwikkelen op grond van inzichten.

Zoiets hoort bij onze tijd: dat men op grond van nieuwe inzichten weer een levendige verhouding tot de feesten kan verwerven. Door alleen het gevoel een beetje op te poetsen lukt dat niet meer om tot religieuze beleving te komen. Inzicht wil nog niet zeggen dat het dan intellectueel moet worden. Aan intellectuele theologische strijdgesprekken heb je niet zoveel. Het intellect levert geen levenswijsheid en ook geen zekerheid. Dat neemt niet weg dat de mens eerbiediger wordt wanneer hij probeert wat meer van de dingen te begrijpen.

Vaak verontschuldigen volwassenen zich wanneer ze een kerstboom hebben staan. Daar schaamt men zich dan voor. ‘We doen het voor de kinderen’, krijg je te horen. Het kind – ik kan mij dat zelf nog maar al te goed herinneren — reageert namelijk niet zo best op zo’n houding. Waarom zou een kind iets serieus nemen als de volwassenen het zelf ook niet serieus nemen. Een kind vóélt of iets echt is en het wil graag meedoen, maar dan ook alleen als je het werkelijk meent. Je zet geen kerstboom neer voor de kinderen of voor jezelf of deze of gene mens. Zoiets heeft alleen zin als je het doet ter ere van het feest zelf. Je zet iets neer dat nergens bestaat. Een boom met kaarsen groeit niet vanzelf — die bestaat helemaal niet! Alleen de mens kan zulke symbolen maken om daarmee de diepere waarheid die erachter zit te eren. Wanneer je een kerstboom neerzet doe je dus iets heel unieks. Je brengt iets bij elkaar dat niet uit zichzelf bij elkaar komt: het eeuwige leven en het eeuwige licht. Dat is niet iets dat alleen zo’n tweeduizend jaar geleden gebeurde en we nu herdenken; het is iets dat wij telkens weer kunnen doen. Uiterlijk gezien heeft het absoluut geen nut om een boom in je huis te halen en hem met licht te versieren. De mens geeft het bestaan een extra dimensie doordat hij zich bezint op deze twee stromen en ze symbolisch met elkaar verbindt. Kerstmis wordt dan weer zowel voor volwassenen als voor kinderen de mooiste tijd van het jaar.’

Ernst Fuld, Jonas 8/9, 19 december 1986

H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart

voor meer literatuur: Kerstmis (16-1)

984-911

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten -Kerstmis (32)

van een natuurfeest tot het kerstfeest

Stel je eens voor dat de zon steeds maar kleiner wordt en een kleinere boog gaat beschrijven aan de hemel. Voor ons, met al onze kennis, is dat niet zo vreemd, wij weten immers wat er gebeurt. Maar voor oude volkeren moet het korten van de dagen en het afnemen van het licht wel beangstigend zijn geweest, zoals zo veel natuurverschijnselen om hen heen.

Zij beschikten immers nog niet over de wetenschap waarmee zij alles konden verklaren. De zon betekende voor oude volkeren in de eerste plaats licht, daarnaast ook warmte en voeding, want wat ze aten was afhankelijk van de zon. De zon was dus noodzakelijk om te overleven.

Dit alles zorgde ervoor dat er allerlei mythische verhalen ontstonden over wat er allemaal was gebeurd in het donker, terwijl de goden en demonen op dat moment in een strijd waren gewikkeld om de zon te veroveren.

Daarnaast vierden veel volkeren op het noordelijk halfrond midden in de donkere winter een feest om de komst van het licht te begroeten. Deze winterzonnewende was van groot belang. Men vierde er de terugkeer van het zonlicht, dat met het lengen der dagen nieuw leven zou brengen.

Rituelen
In de culturen van bijna alle natuurvolkeren werd het ‘keren van de zon’ als een regelmatig terugkerend verschijnsel gezien. Vanouds werd in de rituelen dan ook veel aandacht besteed aan de beide jaarlijkse zonnewendedagen (bij benadering: 21 december en 21 juni.) Vooral aan de winterzonnewende, die periode van het jaar dat de zon als het ware tot stilstand komt in haar laagste stand boven de horizon, hechtte men veel belang. Daar de eerste nacht van de winter de langste nacht is, en vanaf hier de dagen lengen en het licht en de warmte van de zon vermeerderen, werd deze nacht verondersteld het moment te zijn van de wedergeboorte van de zon.

Zo vierden de Germanen rond 25 december joelfeesten. Dat waren feesten van dankbaarheid voor wat geweest was en hoop voor wat nog kwam. Ze duurden dertien dagen en twaalf nachten (van 24 december tot 6 januari) en sloten direct aan op de grote slachttijd. Er werd niet gewerkt, maar wel veel gegeten, gedronken en lawaai gemaakt. Ook werden er enorme vreugdevuren aangestoken in een poging om de stervende zon te laten herleven.

De Romeinen
Mithras, een zonnegod die al voorkomt in de Vedische geschriften van India, werd vooral populair in Perzië als beschermer van de onschuldigen en als bemiddelaar tussen het zuiver hemelse licht en de aardse corruptie ervan. Herders waren getuige hoe hij uit een rots geboren werd als aanvoerder van de lichtlegioenen, die streden tegen de machten der duisternis. In het bijzonder dit laatste zou hem zo populair maken bij de soldaten van de Romeinse legioenen. Zij brachten hem in de eerste eeuw voor Christus mee uit het Oosten. Omdat de Romeinse legers ’overal’ heen trokken, verspreidde de cultus van Mithras zich snel en het duurde niet lang of het Mithrasïsme werd de belangrijkste godsdienst van het Romeinse rijk.
Opvallend zijn trouwens de parallellen met het christendom. Zo werd van Mithras verteld dat hij gestorven was en weer opgestaan en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om zo te vieren dat hij in hen zelf opnieuw geboren werd. In Rome zelf wemelde het in de 3e eeuw trouwens van mensenreddende goden of godenzonen. En van bijna allemaal werd de geboorte in december gevierd in de buurt van de winterzonnewende.

In 274 werd het keizer Aurelianus te bar en hij verordonneerde dat al die feesten op één dag gebundeld moesten worden en wel op de 25ste december, de feestdag van de Sol Invinctus (de onoverwinnelijke zon). En aan het hoofd van heel die godenschare benoemde hij Mithras, die volgens de mythe ook op 25 december geboren was, tot staatsgod.

Toen het christendom zich verspreidde over het Romeinse rijk werden steeds meer Romeinen christen. Zij bleven echter het feest van Mithras op 25 december vieren. Omdat dat feest, het feest van de onoverwinnelijke zon, gemakkelijk te combineren was met het feest van Jezus als het Licht der wereld (men wist immers niet wanneer Jezus geboren was) besloot paus Liberius in het jaar 354 dat voortaan de geboorte van Jezus op 25 december gevierd moest worden met een speciale ’Christusmis’ (Kerstmis).

Aanpassingen
Dit soort aanpassingen deed de kerk overigens vaker. Want naarmate het christendom zich meer en meer uitbreidde onder ‘heidense’ volkeren, kwamen ook steeds meer ‘heidense’ gebruiken de leefwereld van de christenen binnen. Het was belangrijk voor de kerk deze te christianiseren om niet ten onder te gaan. Zo heeft ze kunnen integreren in de cultuur van vele volkeren.

Omdat de christelijke beweging in het begin zo sterk was, misschien wel dankzij de ernstige vervolgingen waaronder zij in de eerste eeuwen te lijden had, verdween de verering van Mithras steeds meer naar de achtergrond, zeker na de bekering van keizer Constantijn de Grote tot het christendom. Vanaf die tijd wordt er steeds meer aandacht gegeven aan de geboorte van Jezus en ontwikkelt het kerstfeest zich tot het feest dat wij tegenwoordig kennen. Buiten proporties gegroeid, vieren we nog steeds hetzelfde als de oude volkeren: de warmte, de knusheid en gezelligheid midden in de kilheid en tegenwoordig voor veel mensen, de eenzaamheid van de wintermaanden. Laten we het Licht daarbij niet vergeten.

Theo Hofland in een regionaal dagblad, nadere gegevens onbekend

Kerstmis: alle artikelen

.

974-901

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Luther

Luther


Een portret van Maarten Luther van een 17e eeuwse gravure. Luther betwistte de macht van de rooms-katholieke kerk. Zelfs volgens de vroomste en trouwste aanhangers was de kerk van Rome duidelijk aan hervormingen toe. Er ontstond een bittere vete tussen Luther en de pausen over de leer. Luther werd meermalen gesommeerd om spijt te betuigen. Volgens de katholieke kerk maakte Luther zich schuldig aan ketterij, omdat hij de heerschappij van de paus bekritiseerde.

Maarten Luther 1483-1546

In een tijd dat ieder weldenkend mens oprecht verlangde naar veranderingen binnen de rooms-katholieke kerk, verscheen Maarten Luther, de grondlegger van de Europese Hervorming. Hij maakte een eind aan de tot dan onaangetaste macht van de Roomse Kerk. Hij deed een beroep op het persoonlijke geweten van de mens en stelde het Woord van God in de Heilige Schrift als opperste gezag.

Maarten Luther stamde uit een boerengeslacht en werd geboren in Eisleben, bij Leipzig, Duitsland. Hij studeerde filosofie, werd monnik en – in 1507 – priester. In mei van het jaar 1517 schreef hij aan een vriend: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de kerk niet zal veranderen, als we het kerkelijk recht, de scholastische godsdienstleer en de logica, zoals die nu worden onderwezen, niet afschaffen en er iets anders voor in de plaats brengen.’ Enkele maanden later al, in oktober van datzelfde jaar (1517), voegde hij de daad bij het woord. Hij nagelde toen een lijst van 95 stellingen aan de deur van het slot te Wittenberg. Deze stellingen hielden een aanval in op de verkoop van de zogenaamde aflaten, bijzondere verklaringen van dispensatie van Rome die, naar men beweerde, konden zorgen voor kwijtschelding van de hellestraf. In deze aflaten bestond een levendige handel. De geestelijkheid verkocht ze op grote schaal, om een bijdrage in de bouwkosten van de Sint Pieter te Rome te kunnen leveren.

Luthers protesten waren zowel van maatschappelijke als van nationalistische en godsdienstige aard. ‘De paus bezit meer dan wie ook ter wereld, dus waarom bouwt hij de Sint Pieter niet van zijn eigen geld, in plaats van met het geld van arme christenen?’

‘Luthers stellingen trokken dadelijk sterk de aandacht. Het duurde nog geen twee weken of iedereen in de talrijke staten van het toenmalige Duitsland was ervan op de hoogte. En omdat de Duitsers toch al niet waren gesteld op de Italiaanse macht van de Roomse Kerk, werd Luther uitgeroepen tot nationale held.

Er volgden drie jaren van twistgeschrijf. Aanvankelijk aarzelde paus Leo X om stappen te ondernemen. Maar in augustus van het jaar 1518 ontbood hij Luther naar Rome. Daar zou hij zich moeten verantwoorden wegens zijn aanval op de verkoop van aflaten en, wat een ernstiger kwestie was, op de opperheerschappij van de paus. Luthers invloedrijke vrienden betoogden echter, dat hij niet in Rome, maar in eigen land zou moeten worden berecht. De paus gaf toe en een maand later reisde Luther naar Augsburg. Daar zou hij zich, in een openbaar debat met kardinaal Cajetanus, moeten verdedigen. Het debat eindigde onbeslist. Toen Luther halsstarrig bleef weigeren zijn stellingen in te trekken of zijn eerder gedane beweringen te herroepen, verloor de kardinaal zijn zelfbeheersing. ‘Ga heen en kom niet terug, voordat ge bereid zijt uw dwalingen in het openbaar te erkennen.’

Weer terug in Wittenberg kreeg Luther een jaar later opnieuw bevel zich te komen verantwoorden – ditmaal in Leipzig, tegenover dr. Eek uit Ingolstadt. Ook toen bleef Luther aan zijn stellingen vasthouden en ook dit debat eindigde zonder dat er een uitspraak kon worden gedaan. Het was inmiddels 1520 geworden, toen de paus een edict liet verschijnen, waarin hij Luthers geschriften als ‘ketters, schandelijk en beledigend voor vrome oren’ betitelde. In december van dat jaar (1520) verbrandde Luther het edict in het openbaar te Wittenberg, waarbij hij verklaarde: ‘Omdat je Gods waarheid hebt veroordeeld, veroordeelt Hij je nu tot het vuur’.

Inmiddels was Luther in heel Europa bekend geworden als een held. In een laatste poging hem te dwingen zijn ‘ketterijen’ te herroepen, werd hij voor keizer Karel V in Worms gedaagd. Het resultaat bleef hetzelfde. ‘Tenzij aan de hand van de Schrift kan worden bewezen dat ik ongelijk heb, kan en wil ik niets herroepen. God helpe mij. Amen.’

De keizer hield eveneens onwrikbaar vast aan zijn mening en verklaarde dat hij Luther zou blijven vervolgen als een berucht ketter. Maar toen Luther uit Worms vertrok, had hij een vrijgeleide en zijn eerste gang was naar het slot Wartburg bij Eisenach, waar hij het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Vervolgens keerde hij terug naar Wittenberg. In de drie daaropvolgende jaren verspreidde het lutheranisme zich op grote schaal. Verscheidene Duitse vorsten bekeerden zich ertoe. Luther bleef intussen schrijven.

De boekdrukkunst, een betrekkelijk nieuwe uitvinding in die dagen, droeg ertoe bij dat de gedachten van Luther wijd en zijd verspreid konden worden. Omstreeks 1520 waren er waarschijnlijk 300.000 exemplaren van zijn werk in omloop. Studenten stroomden naar Wittenberg om bij Luther te studeren. Wittenberg werd de geestelijke  hoofdstad van het lutheranisme, dat de Heilige Mis verwierp en aandrong op sluiting van de kloosters. Wat daar gebeurde, vond navolging in heel Duitsland. Luther was de leider geworden van een grote godsdienstige beweging.

In 1524 brak er een opstand uit onder de Duitse boeren. Hoewel Luther zelf van boerenafkomst was, verzette hij zich heftig tegen de aanvallen op het grootgrondbezit. Het kostte hem een aantal volgelingen, maar het verstevigde zijn positie als bondgenoot van de vorsten.

De besluiten van de keizer op de Rijksdag te Speijer (Spiers) brachten een aantal Duitse vorsten ertoe, in 1529 een ‘protest’ in te dienen. Het woord ‘protestant’ is van dit ‘protest’ afgeleid. Twee jaar daarna vormden de lutherse vorsten het Schmalkaldisch Verbond, dat de vorstendommen Pruisen, Brandenburg, Saksen, Hessen en 14 steden van het keizerrijk omvatte. In 1530 boden ze de keizer de Augsburgse Confessie aan, het officiële belijdenisgeschrift van de Lutherse Kerk, opgesteld door Philipp Melanchthon. Met tegenzin aanvaardde de keizer wat hij niet kon vernietigen. Luther had zijn doel bereikt. Hij had een hervormde christelijke kerk doen ontstaan, die bestand was tegen alle pogingen van de Roomse Kerk om haar te laten verdwijnen.

Het lutheranisme verspreidde zich snel over het grootste deel van Duitsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken. De Hervorming droeg bij tot onafhankelijkheid en daardoor tot nationalisme, anti-clericalisme en anti-imperialisme, dus tegen de keizer gericht. Luther zelf legde vooral de nadruk op het belang van ‘de rechtvaardiging door het geloof’ en de betekenis van Christus’ leerstellingen. Belangrijker dan uiterlijke plechtigheden zijn daarbij de geest en het hart van de mens in zijn persoonlijke gebed.

Deze omwenteling in het godsdienstig denken van de 16e eeuw, was een prestatie die slechts tot stand kon worden gebracht door een man met moed en een krachtige persoonlijkheid: Maarten Luther.

De 95 stellingen

alle biografieën

947-876

VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (8)

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Wanneer ik aan de rekenlessen denk, staat me voor het oog het beeld van een klas als een zee die door een storm in beweging is; alsof je zelf de echte Orpheus bent om die kracht vanuit de hemel tot bedaring te brengen.

Herhaaldelijk heeft Rudolf Steiner uitgesproken, dat juist door het eerste rekenonderwijs de manier van denken in het latere leven beïnvloed wordt. Je kunt je goed voorstellen, hoe door de gestage herhaling van een rekenhandeling de manier van denken er bij de mens als gewoonte ingehamerd wordt.

Het rekenonderwijs begint met optellen, bv. 6  +  4  =  10. Het is niet zo moeilijk om uit te maken welke manier van denken door deze sommen aangelegd wordt: je hebt delen en die worden een geheel. Maar in het leven ontstaat uit het bij elkaar brengen van delen, het geheel niet.

Wij doen het op aanraden van Dr.Steiner omgekeerd en gaan in het rekenen in het begin van het geheel uit.

In de eerste rekenuren vertelde ik van de 12 broers en 1 moeder [1] of we hadden het over een kip en haar kuikens. Er is altijd een moeder en veel kinderen.

Dan kwamen veel getallen langs. Wie is toch de moeder van al die getallen? Dat is de één. [2] Door te delen komen uit de een alle getallen tevoorschijn. Tegelijkertijd leerden we het gedicht van Christian Morgenstern: ‘Ich bin die Mutter Sonne’…. en omdat de zon de moeder is van alles wat er is, maken we voor de één, een zonnestraal.

Het rekenen dat van het geheel naar de delen gaat, wordt ook in het verdere verloop geoefend. Je kunt de vraag beter zo stellen: ‘Ik heb 10 hazelnoten. Hoe kan ik van alles uit 10 halen en weggeven? Je kunt het verschil tussen beide manieren van rekenen duidelijk aan de kinderen zien. Leven en beweging is er in de klas als de kinderen erop gebrand zijn de 10 hazelnoten weer een nieuw geheim te ontfutselen.
In plaats van het naar je toe halen ligt als een glans over het rekenuur de stemming van weer weggeven.

Met het rekenen met de 5 en de 6 hebben we helemaal in de sfeer van de sterren geleefd. De 5-ster, de 6-ster, de adventster en de kerstster kregen hun glanzende kleuren.

In het hoofdonderwijs hebben we ons ook tegelijkertijd met de bijen beziggehouden en dat de honingraten eigenlijk sterrenhuisjes zijn, was wel de mooiste verrassing en bevestiging van ons verhaal. Ieder raatje, alsof het om een verborgen ster was gebouwd. En hoe mooi moet je daarbij niet tekenen!
Ik zie de schriftjes en blaadjes vol met honingraten met sterretjes daarin nog voor – als werden ze op het laatst wel wat scheef en krom. De ster was de hoofdzaak. Het lijkt wel of de kinderen overvloeien als ze maar vormen die voor hen belevingen zijn, mogen kleuren.

Het streven om juist het begin van het rekenen aanschouwelijk vorm te geven, kan je tegenwoordig [3] overal waarnemen. Welke aanschouwelijkheid je daarbij kiest, is niet geheel onwezenlijk. Het is voor een kind  mooier als het inslaapt met in zijn herinnering de bladzijde uit zijn schrift waarop de bonte sterren  stralen, dan wanneer er kleine zwarte hokjes en puntjes in zijn voorstellingen moeten leven.

Maar het rekenen aanschouwelijk te brengen is maar één kant van het rekenonderwijs. Dan ben je alleen maar bezig met het oog en het hoofd van het kind. Maar dat wil nu juist alles als volledig mens beleven. het wil rekenen met de ledematen en de spieren.

Het ritme is daarbij de grote helper.

Kinderen beleven een grenzeloos plezier aan ritmische bewegingen.

Zo hebben we de eerste tafels van vermenigvuldiging met alle lichaamsdelen geoefend: stampend, klappend, schrijdend, buigend. Het meest geliefd is de ruiteroefening bij de tafel van 3. In de maat rijden de op de bank alsof ze in het zadel zitten. Bij 1 en 2 komen ze iets omhoog, bij 3 helemaal; bij 4 en 5 weer een beetje, bij 6 helemaal. Enz. Vlugger, langzamer, naar voren, naar achteren, alles hebben onze paardjes geleerd. Dat ‘zit’ dan echt en is vlees en bloed geworden. De liefde voor het ritme wordt hier ‘letterlijk’ uitgedrukt. Deze oefening heeft nog een voordeel: de ruiters moeten wel een poosje uitrusten.

Met het aanschouwelijke rekenen dat tegenwoordig zoveel beoefend wordt, bereik je alleen het verstand van het kind. Met het ritmische rekenen echter ook zijn wil.

Hoe verder je met rekenen komt, des te duidelijker kun je ervaren dat het aanschouwelijk maken door beelden alleen maar een eerste hulpmiddel bij het rekenen mag zijn. Door het ritmische rekenen kom je veel dichter bij het intuïtieve van het rekenproces, bij het wezen van het rekenen.

Het ritme is a.h.w. de pols van het rekenuur.

Ritme kan ook in de opbouw van de les zitten.

De vier rekenbewerkingen hebben we vanaf het begin alle 4 geoefend. Het lesuur is heel anders wanneer je met optellen of met delen begint en hoe je dat afwisselt. Bij vermenigvuldigen gaat het onstuimig toe, bij delen wordt het plechtig, bij optellen een beetje saai.
Wanneer ik eerst alleen maar één rekenbewerking zou hebben geoefend en dan pas de andere, dan zou dat voor mij zo zijn alsof ik eerst 4 weken zou hebben geslapen en dan vier weken wandelen. Je kan niet anders dan afwisselend door elkaar oefenen.

Hoezeer ook het rekenen in het algemeen door zichzelf al levendig is en niet door fantasie gekruid hoeft te worden, heb ik toch steeds bij een bepaald punt een verhaal verteld.

Aftrekken bv. werd verbonden met het verhaal van Gelukkig Hans [4]. Hans leert aftrekken. Eerst heeft hij het klompje goud, dan het paard, de koe; hij heeft steeds minder en wordt steeds gelukkiger. Elke keer ligt er een stukje weg te bewandelen, tot hij weer iets minder heeft. Deze weg kleuren we als het minteken.

De rekentekens zijn, zoals Ernst Bindel dat in zijn boek ‘Het rekenen in het licht van de antroposofie’ [5] mooi laat zien, zijn als realistische tekens voor het begrijpen van de aard van de rekenbewerkingen ontstaan.

En daardoor ontstond bij mij de behoefte die tekens niet simpelweg over te dragen, maar ze met een beleving te verbinden.

Heel bewust heb ik voor het sprookje van Gelukkige hans gekozen. De ziel is terecht blij wanneer hij geldstuk na geldstuk krijgt, wanneer men rijker wordt. Maar daarnaast bestaat een net zo’n terecht gevoel wat zich los kan maken van al het bezit.

Rudolf Steiner heeft geschetst dat in het sprookje van  Gelukkige Hans de belevingen van de ziel van de mens na de dood in beelden wordt beschreven. Het zou te ver voeren dat hier te bewijzen. Maar het bij elkaar tellen, het vergaren leert men vanzelf. Het grote afstand doen moet iedere mensenziel  met smart leren. En op het eind, toen de stenen in de bron waren gevallen, knielde Hans neer en dankte God met tranen in zijn ogen, dat Hij hem deze genade ook nog deelachtig liet worden en hem van de zware stenen bevrijdde. ‘Zo gelukkig als ik ben’, riep hij uit, ‘bestaat er geen mens onder de zon.’ Opgelucht en bevrijd van alle lasten snelde hij nu weg tot hij thuis was bij zijn moeder.

Dit citaat dat een gevoelige snaar bij het kind kan raken, was voor ons aanleiding die nul als een grote stralende zon, als moeder, te tekenen, omdat hij nu heel gelukkig is.

Het is mijn overtuiging dat daardoor in het onderbewuste van het kind iets ontstaat, wat hem in het leven kan helpen.

Dr.Elisabeth Klein, Dresden, Erziehungskunst 4e jrg.nr 5 1930

[1] Grimm: Sprookjes nr. 9
[2] op een bepaalde manier voor kinderen wel verwarrend. Je moet zeker de nadruk leggen op de ‘eenheid’ of de of het ‘ene’.
[3] Dit artikel uit 1930 heeft ook na 85 jr! nog niets aan frisheid verloren.
[4] Grimm: Sprookjes nr. 83
[5] (nu) Die Arithmetik, E.Bindel

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen
,

946-875

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (5)

.
tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: pieterhawitvlietatgmailpuntcom
.

Wanneer Steiner over schrijven en lezen spreekt, geeft hij meestal een voorbeeld van hoe hij een bepaalde letter aan de kinderen zou aanleren.

Hier volgen die voorbeelden zoals ze te vinden zijn in de voordrachten over pedagogie in de Gesamt Ausgabenummers 293 t/m 311 en GA 349

Voorbeeld 1:

Du hast schon einen Fisch gesehen. Mache dir einmal klar, wie das ausgesehen hat, was du als Fisch gesehen hast. Wenn ich dir dieses hier (siehe Zeich­nung links) vormache, so sieht das einem Fisch sehr ähnlich. Was du als Fisch gesehen hast, sieht etwa so aus, wie das, was du da an der Tafel siehst. Nun denke dir, du sprichst das Wort Fisch aus. Was du sagst, wenn du Fisch sagst, das liegt in diesem Zeichen (siehe Zeichnung links). Jetzt bemühe dich einmal, nicht Fisch zu sagen, sondern nur anzufangen, Fisch zu sagen. – Man bemüht sich nun, dem Kinde bei­zubringen, daß es nur anfangen soll, Fisch zu sagen: F-f-f-f-. – Sieh einmal, jetzt hast du angefangen, Fisch zu sagen; und nun bedenke, daß die Menschen nach und nach dazugekommen sind, das, was du da siehst, einfacher zu machen (siehe Zeichnung rechts). Indem du an-fängst, Fisch zu sagen, F-f-f-f-, drückst du das so aus, indem du es niederschreibst, daß du nun dieses Zeichen machst. Und dieses Zeichen nennen die Menschen f. Du hast also kennengelernt, daß das, was du in dem Fisch aussprichst, beginnt mit dem f – und jetzt schreibst du das auf als f. Du hauchst immer F-f-f- mit deinem Atem, indem du anfängst, Fisch zu schreiben. Du lernst also kennen das Zeichen für das Fischsprechen im Anfange.

GA 294 blz. 9
We zeggen bijvoorbeeld tegen een kind: Je hebt wel eens een vogel gezien. Denk nog eens heel goed na hoe die vogel er precies uitzag. Als ik nu dit teken (zie tekening links), dan lijkt dat wel op een vogel.2 De vogel die jij gezien hebt, ziet er wel ongeveer zo uit als de tekening die je op het bord ziet. Stel je nu voor, je zegt het woord Vogel’. Als je vogel zegt, bedoel je dit (zie tekening links). Probeer nu eens om niet vogel te zeggen, maar alleen het eerste begin van vogel. — Dan probeert men het kind alleen het begin van vogel te laten zeggen: v-v-v-v-. Kijk, nu zeg je alleen het begin van vogel. En nu is het zo, dat de mensen langzamerhand de tekening die je daar ziet makkelijker zijn gaan maken (zie tekening rechts). En als je nu het allereerste begin van vogel zegt, v-v-v-v-, dan kun je dat opschrijven. Je doet dat zo, dat je dit teken maakt. En dit teken noemen de mensen v. Je hebt dus gezien dat het woord vogel begint met de v. Nu schrijfje dat op: v. Als je het allereerste begin van vogel opschrijft, dan zeg je met je adem steeds v-v-v. Je leert dus het teken voor het begin van het woord vogel.
GA 294/9
vertaald/10-11

Zoals overduidelijk blijkt, gaat het om het benoemen van de klank. Niet om het noemen van de letter zoals we dat in het alfabet doen: aaa, beee, ceee, enz.

‘Wanneer je vogel BEGINT te zeggen. Het ALLEREERSTE begin. Dat zeg je met je ADEM.’

Het Duits heeft het woord ‘hauchen’ en dat betekent aanblazen, aspireren.
Het is van het grootste belang dat de klank eerst wordt geleerd: het foneem en pas als dit door een kind wordt herkend en gekend, mag er worden overgegaan tot het benoemen van de klank, het grafeem, het schriftteken.
Dit is meer dan logisch: hoe zou een kind kunnen leren lezen wanneer het het woordje ‘vis’ zou gaan lezen als ‘veee,   ie,   es’. Alleen de klanken leiden tot het woord ‘vis’: vvv -i (kort) sss.
In voorbeeld 4 wordt over het midden van het woord ‘oven’ gesproken: de V. Dat kan nooit de alfabetletter zijn: je leest niet: o-vee-en.
Zie ook: voorbeeld 12; 13; 16; 18; 20; 23; 24; 25; 26; 27;  28; 29

Wanneer Steiner over de ‘rechte’ en de ‘ronde’ heeft gesproken en over het belang van ‘vormtekenen‘, vervolgt hij de aanpak van het schrijven en lezen:

voorbeeld 2:

Ich nehme dabei an, daß Sie solche Übungen mit dem Stift und mit der Farbe eine Zeitlang fortgesetzt haben. Es ist durchaus ein Erfordernis eines auf guten Grundlagen ruhenden Unter­richtes, daß dem Schreibenlernen vorangehe ein gewisses Eingehen auf ein Zeichnerisches, so daß gewissermaßen das Schreiben herausgeholt werde aus dem Zeichnen.
Also werden wir versuchen, von dem Zeich­nen den Übergang zu finden zu dem Schreiben, vom Schreiben zum Lesen des Geschriebenen und vom Lesen des Geschriebenen zum Lesen des Gedruckten. Ich setze dabei voraus, daß Sie es dahin gebracht haben, daß das Kind durch das zeichnerische Element schon ein wenig darinnensteht, runde und geradlinige Formen, die es im Schreiben braucht, zu beherrschen. Dann würden wir von da aus wieder denÜbergang versuchen zu dem, was wir schon besprochen haben als die Grundlage des Schreibe-Leseunterrichtes. [ ] Also angenommen, das Kind habe es schon dazu gebracht, daß es geradlinige Formen und runde Formen beherrschen kann mit dem Händchen. Dann versuchen Sie, das Kind zunächst darauf hinzuweisen, daß es eine Reihe von Buchstaben gibt. Wir haben begonnen mit dem Fisch und dem f, die Reihenfolge ist dabei gleichgültig. Sie brauchen nicht alphabetisch vorzugehen, ich tue es jetzt nur, damit Sie etwas Enzyklopädisches haben. Wir wollen sehen, wie wir zu Rande kommen, wenn wir so vorgehen, das Schreiben und Lesen so zu entwickeln, wie es aus Ihrer eigenen, freien imaginativen Phantasie folgt. Da würde ich zunächst dem Kinde sagen: Du weißt, was ein Bad ist – und dabei will ich eine Zwischenbemerkung machen: es kommt im Unterrichten sehr darauf an, daß man in rationeller Weise schlau ist, das heißt, daß man immer hinter den Kulissen auch etwas hat, was wieder zur Erziehung und zum Unterrichte beiträgt. Es ist gut, wenn Sie zu dem, was ich jetzt entwickeln werde, gerade das Wort Bad verwenden, damit das Kind dadurch, daß es jetzt in der Schule ist, sich an ein Bad, an das Waschen überhaupt erinnert, an die Reinlichkeit. So etwas immer im Hintergrunde zu haben, ohne daß man es ausgesprochen charakterisiert und in Ermahnungen kleidet, das ist gut. Seine Beispiele so wählen, daß das Kind gezwungen ist, an etwas zu denken, was zu gleicher Zeit zu einer moralisch-ästhetischen Haltung beitragen kann, das ist gut. Dann gehen Sie dazu über zu sagen: Sieh, wenn die Großen das, was das Bad ist, niederschreiben wollen, so schreiben sie das folgendermaßen nieder:
BAD. Dies also ist das Bild desjenigen, das du aussprichst, indem du «Bad» sagst, das Bad bezeichnest. – Jetzt lasse ich wieder eine Anzahl von Schülern einfach dieses nachschreiben, damit die Kinder jedesmal, wenn sie so etwas bekommen, die Sache auch schon in das Händchen hineinbekommen, daß sie es nicht bloß mit dem Anschauen, sondern mit dem ganzen Menschen auffassen. Jetzt werde ich sagen: Sieh, du fängst an «Bad» zu sagen. Wir wollen jetzt einmal den Anfang uns klarmachen: B. – Das Kind muß geführt werden von dem Aussprechen des ganzen Wortes BAD zu dem Aushauchen des Anfangslautes, wieich es für den Fisch gezeigt habe. Und nun muß dem Kinde klarge­macht werden: Wie dies BAD das Zeichen ist für das ganze Bad, so ist das B das Zeichen für den Anfang des Wortes BAD.
Jetzt mache ich das Kind darauf aufmerksam, daß solch ein Anfang auch noch bei andern Worten vorhanden ist. Ich sage: Wenn du sprichst Band, so fängst du geradeso an; wenn du sprichst Bund, was manche Frauen auf dem Kopf tragen, einen Kopfbund, so fängst du es ebenso an. Dann hast du vielleicht im Tiergarten schon einen Bären gesehen: da fängst du ebenso an zu hauchen; jedes dieser Worte fängt mit demselben Hauch an. – Auf diese Weise versuche ich beim Kinde überzugehen von dem Ganzen des Wortes zu dem Anfange des Wortes, es überzuführen zu dem bloßen Laut beziehungsweise zum Buchstaben; immer aus dem Worte heraus einen Anfangsbuchstaben zu entwickeln.
Nun handelt es sich darum, daß Sie vielleicht versuchen, den An­fangsbuchstaben selber zuerst auch sinnvoll aus dem Zeichnerischen heraus zu entwickeln. Das werden Sie gut können, wenn Sie einfach Ihre Phantasie zu Hilfe nehmen und sich sagen: Diejenigen Menschen, die zuerst solche Tiere gesehen haben, die mit B anfangen, wie Biber, Bär und dergleichen, die zeichneten den Rücken des Tieres, die Füße, die aufsitzen und die Vorderpfoten, die sich erheben; ein sich aufrich­tendes Tier zeichneten sie, und die Zeichnung ging über in das B. Bei einem Worte werden Sie immer finden – und da können Sie ihre phan­tasievollen Imaginationen eben spielen lassen, brauchen gar nicht auf Kulturgeschichten, die doch nicht vollständig sind, einzugehen -, daß der Anfangsbuchstabe eine Zeichnung ist, eine Tier- oder Pflanzen-form oder auch ein äußerer Gegenstand. Historisch ist das so: Wenn Sie zurückgehen auf die ältesten Formen der ägyptischen Schrift, die noch eine Zeichenschrift war, so finden Sie überall in den Buchstaben Nachahmungen von solchen Dingen. Und im Übergang von der ägyptischen Kultur in die phönizische hqt sich das eerst vollzogen, was man nennen kann:  Entwickelung von dem Bilde zu dem Zeichen für den Laut. Diesen Übergang muß man das Kind nachmachen lassen.

Ik ga er dan van uit dat u die oefeningen met potlood en kleur een tijdlang heeft voortgezet. Wil het onderwijs op goede fundamenten rusten, dan is het een absolute voorwaarde dat er vóór het leren schrijven eerst getekend wordt, zodat het schrijven ontwikkeld wordt uit het tekenen. ( ) We zullen dus proberen de overgang te vinden van het tekenen naar het schrijven, van het schrijven naar het lezen van het geschrevene en van daaruit naar het lezen van gedrukte tekst.

Ik ga er daarbij van uit dat u de kinderen vertrouwd hebt gemaakt met het tekenen en dat ze de voor het schrijven noodzakelijke ronde en rechte vormen enigszins beheersen. Dan zouden we van daaruit weer proberen de overgang te vinden tot de basis van het schrijf- en leesonderwijs. ( )

We gaan er dus van uit dat het kind de rechte en ronde vormen beheerst met de handen. Dan probeert u eerst het kind te laten zien dat er een heleboel letters bestaan. We zijn begonnen met de vogel en de v – de volgorde is onbelangrijk. U hoeft niet de alfabetische volgorde aan te houden, ik doe het nu alleen opdat u een overzicht heeft.

Laten we eens kijken hoe ver we komen als we het schrijven en lezen ontwikkelen vanuit uw eigen vrije, imaginatieve  fantasie. Ik zou bijvoorbeeld tegen een kind zeggen: je weet wat een bad is… Nu wil ik iets tussendoor opmerken: het komt er bij het lesgeven zeer op aan, dat men op een rationele
wijze slim is, dat wil zeggen, dat men altijd iets achter de hand heeft wat ook weer bijdraagt tot de opvoeding en het onderwijs. Het is goed wanneer u bij hetgeen ik nu zal behandelen juist het woord ‘bad’ gebruikt. Want daardoor denkt een kind op school aan een bad, aan het wassen in het algemeen, aan schoon zijn. Het is goed om zoiets altijd achter de hand te hebben, zonder het expliciet te benadrukken of in vermaningen te verpakken. Het is goed om de voorbeelden zo te kiezen dat het kind gedwongen is aan iets te denken dat tevens bijdraagt tot een morele, esthetische houding. Dan zegt u: Kijk, als de grote mensen willen opschrijven wat het bad is, dan schrijven ze BAD. Deze letters geven weer wat je zegt als je ‘bad’ zegt en het bad bedoelt. Nu laat ik dit weer door een paar leerlingen overschrijven, opdat de kinderen steeds als ze zoiets te horen krijgen het ook ‘in de vingers’ krijgen, zodat ze het niet alleen met hun voorstellingsvermogen, maar met de gehele mens in zich opnemen. Nu zeg ik: Nu begin je ‘bad’ uit te spreken. Laten we eens kijken wat het begin is: B. Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginklank – net zoals ik bij de vogel heb laten zien. En nu moet men het kind duidelijk maken: zoals het woord ‘BAD’ het teken is voor het hele bad, zo is de B het teken voor het begin van het woord ‘BAD’.

Dan wijs ik het kind er op dat zo’n begin ook bij andere woorden voorkomt. Ik zeg: Als je ‘band’ zegt, begint dat woord precies hetzelfde. Net zo met het woord ‘boter’ – dat wat je op je brood smeert. Dan heb je misschien in de dierentuin wel eens een beer gezien. Dan is de eerste letter die je uitspreekt weer precies dezelfde. Al die woorden beginnen op dezelfde manier. Zo probeer ik het kind de overgang te laten maken van het hele woord naar het begin, de overgang naar één enkele klank, respectievelijk één enkele letter. We ontwikkelen altijd vanuit het gehele woord de beginletter.

En nu gaat het er om dat u eerst zelf zo mogelijk ook eens probeert om de beginletter op zinvolle wijze te laten ontstaan uit een tekening. Dat is heel goed mogelijk wanneer u gewoon uw fantasie te hulp roept en tegen uzelf zegt: de mensen die het eerst dieren gezien hebben die met een b (buh) beginnen  zoals bever, beer enzovoort, die tekenden de rug

GA 294 blz.69

van het dier, de achterpoten op de grond, de voorpoten omhoog. Ze tekenden een dier dat zich opricht – en de tekening ging over in de B. Bij ieder woord zult u vinden dat de beginletter een tekening is: de vorm van een dier, een plant of voorwerp. En daarbij kunt u uw fantasie de vrije loop laten en tot beelden komen, u hoeft niet in te gaan op de cultuurgeschiedenis, die toch niet volledig is. Historisch ligt het namelijk zo: Wanneer u terug gaat naar de oudste vormen van het Egyptisch schrift, dat nog getekend werd, dan vindt u overal dat de letters nabootsingen zijn. En in de overgang van de Egyptische naar de Fenicische cultuur heeft zich de ontwikkeling van het beeld naar het teken voor de klank voltrokken. Deze overgang moet men ook het kind laten maken.
GA 294 /67-70
vertaald/58-60 (1)

=

voorbeeld 3:

Dieses Prinzip, das in der Geschichte der Schriftentwickelung ein­gehalten worden ist, ist auch sehr gut im Unterricht zu verwenden, und wir verwenden es hier. Das heißt, wir werden versuchen, aus dem Zeichnerischen heraus zum Buchstaben zu kommen: Wie wir aus dem Fisch mit seinen zwei Flossen zu dem f kommen, so kommen wir vom Bären, der tanzt, der aufgestellt ist, zum B; wir kommen von der Ober­lippe zum Mund, zum M und versuchen uns durch unsere Imagination auf diese Weise für das Kind einen Weg zu bahnen vom Zeichnen zum Schreiben.

GA 294 blz.71

Dit principe dat in de historische ontwikkeling van het schrift besloten ligt, kan ook heel goed gebruikt worden in het onderwijs en dat doen we hier ook. Dat wil zeggen, we zullen proberen om vanuit het tekenen tot de letters te komen. Zoals we vanuit de vogel met zijn twee vleugels tot de V komen, zo komen we van de dansende, opgerichte beer tot de B en zo komen we van de bovenlip tot de mond, tot de M. We proberen ons via onze voorstellingsbeelden zo een weg te banen voor het kind van het tekenen naar het schrijven.
GA 294 /71
vertaald/61 (1)

Niet nodig om cultuurgeschiedenis te bestuderen om tot eigen beelden te komen!

Ich sagte, es ist nicht nötig, daß Sie Kulturgeschichte des Schriftwesens treiben und sich dort aufsuchen, was Sie brauchen. Denn was Sie sich dort aufsuchen, das dient Ihnen viel weniger im Unterricht als das, was Sie durch Ihre eigene Seelentätigkeit, durch Ihre eigene Phantasie finden. Die Tätigkeit, die Sie anwenden im Studium der Kul­turgeschichte der Schrift, die macht Sie so tot, daß Sie viel weniger lebendig auf Ihren Zögling wirken, als wenn Sie sich so etwas wie das B aus dem Bilde des Bären selbst ausdenken. Dieses Selbstausdenken erfrischt Sie so, daß auf den Zögling das, was Sie ihm mitteilen wollen, viel lebendiger wirkt, als wenn Sie erst kulturhistorische Exkurse an­stellen, um etwas für den Unterricht zu gewinnen. Und auf diese zwei Dinge hin muß man das Leben und den Unterricht betrachten. Denn Sie müssen sich fragen: Was ist wichtiger, eine kulturhistorische, mit aller Mühe zusammengestellte Tatsache aufgenommen zu haben und sie mühselig in den Unterricht hineingetragen zu haben, oder in der Seele selber so regsam zu sein, daß man die Erfindung, die man macht, im eigenen Enthusiasmus auf das Kind überträgt? – Freude werden Sie immer haben, wenn es auch eine recht stille Freude ist, wenn Sie von irgendeinem Tier oder einer Pflanze die Form, die Sie selbst gefun­den haben, auf den Buchstaben übertragen. Und diese Freude, die Sie selbst haben, wird in dem leben, was Sie aus Ihrem Zögling machen werden.

Ik zei dat het niet nodig is om de cultuurgeschiedenis van de ontwikkeling van het schrift te bestuderen en daar op te zoeken wat u nodig heeft. Want wat u daar opzoekt, dat werpt veel minder vruchten af in de lessen dan wat u door uw eigen zieleactiviteit, uw eigen fantasie vindt. Het bestuderen van de ontwikkeling van het schrift werkt zo geestdodend, dat u veel minder levendig op uw leerlingen inwerkt dan wanneer u zelf zoiets bedenkt als de ontwikkeling van een B uit het beeld van een beer. Door zelf iets te bedenken wordt u zo verfrist dat hetgeen u wilt vertellen veel levendiger is voor de leerlingen dan wanneer u eerst cultuurhistorische studies bedrijft om materiaal te verzamelen voor uw lessen. En deze twee aspecten moet men bij het leven en het onderwijs voor ogen houden. Want u moet zich afvragen wat belangrijker is: dat men een cultuurhistorisch feit met veel moeite gevonden, in zich opgenomen en moeizaam in de lessen ingebracht heeft, of dat men in de ziel zo beweeglijk is dat men de uitvinding die men doet in het eigen enthousiasme aan het kind overbrengt? Vreugde zult u altijd beleven, ook al is het een stille vreugde, wanneer u de vorm van een dier of een plant die u zelf gevonden heeft, verbindt met de letter. En deze vreugde die u zelf heeft, die zal doorleven in de wijze waarop u uw leerling vormt.
GA 294 /71
vertaald/61 (1)

=

Auf diese Weise schaut man der Natur des Kindes ab, wie man es zu führen hat, läßt es sich von dem Kinde selber diktieren. Dadurch aber ist man als Lehrer genötigt, selbst ein anderer Mensch zu sein, nicht bloß seine Lektionen zu lernen und dann in abstrakter Weise anzuwenden, sondern mit seinem ganzen Menschen vor der Klasse zu stehen und zu allem, was man zu treiben hat, das Bild zu finden, selber Phantasie zu haben. Dann geht in imponderabler Weise das von dem Lehrer auf das Kind über.

Op deze manier lees je aan de natuur van het kind af, hoe je het moet leiden, laat je je door het kind zelf dicteren. Daardoor echter, ben je als leerkracht wel verplicht, zelf een ander mens te zijn, niet alleen maar je les te leren en die dan op een abstracte manier toe te passen, maar als totale mens voor de klas te staan en bij alles wat je moet doen een beeld te vinden, zelf fantasie te hebben. Dan gaat dat op een imponderabele manier van de leerkracht op het kind over.
GA 304a/173
Niet vertaald

=

Da ist es nicht nötig, daß wir nun immer historisch zurückgeben, wie aus der Bilderschrift wirklich in solcher Weise unsere heutige Schrift entstanden ist. Das ist gar nicht nötig, wir brauchen nicht kul­turhistorische Pädagogik zu treiben. Wir brauchen nur selber uns hineinzufinden, etwas durch die Phantasie beflügelt, dann werden wir in allen Sprachen die Möglichkeit finden, von charakteristischenWor­ten auszugehen, die wir ins Bild verwandeln können und aus denen heraus wir dann erst die Buchstaben gewinnen.

Het is niet nodig dat wij nu steeds zouden moeten weergeven hoe uit het beeldenschrift ons schrift daadwerkelijk ontstaan is. Dat is helemaal niet nodig; we hoeven geen cultuurhistorische pedagogie te bedrijven. We moeten zelf de weg weten, iets door fantasie bevlogen zijn, dan kunnen we in alle talen de mogelijkheid vinden om van karakteristieke woorden uit te gaan waarvan wij een beeld kunnen maken en daaruit halen we dan pas de letters.
GA 306/81
Niet vertaald

=

Man braucht nicht Studien zu machen, um diese Dinge herauszufischen aus der Art und Weise, wie die Dinge sich entwickelt haben. Das ist nicht unbedingt notwendig für den Lehrer. Er kann es bloß, wenn er durch Intuition, ja mit Phan­tasie die Dinge entwickelt.

Je hoeft geen studies te verrichten om deze dingen op te duikelen uit de manier waarop de dingen zich ontwikkeld hebben. Dat is voor de leerkracht niet strikt noodzakelijk. Hij kan het al (de beelden vinden) wanneer hij door intuïtie, ja met fantasie de dingen ontwikkelt.
GA 309/57
vertaald

=

Ich bringe nicht das Kind in ein Zivilisations­stadium hinein, das mit ihm noch nichts gemeinschaftlich hat, sonder ich führe es so, daß niemals sein Verhältnis zur Außenwelt abreißt. Da muß man, wenn man nicht gerade Kulturgeschichte studieren will -denn aus der Bilderschrift ist die heutige Schrift entstanden, aber Kul­turgeschichte studieren braucht man gar nicht -, man muß nur seine Phantasie in Schwung bringen; denn dann bringt man das Kind dazu, aus dem malenden Zeichnen das Schreiben zu gestalten.

Ik breng het kind niet in een stadium van beschaving waarmee het nog niets gemeen heeft. Integen­deel, ik leid hem zo dat zijn relatie tot de buitenwereld nooit afbreekt. Als je je niet wilt verdiepen in cultuurgeschiedenis -want uit het beeldschrift is het huidige schrift wel ontstaan, maar cultuurgeschiedenis hoef je echt niet te gaan studeren – dan moet je slechts je fantasie in gang zetten. Want dan breng je het kind ertoe om uit het schilderend tekenen het schrijven te ontwik­kelen.
GA 310/59
vertaald/61

=

van het geheel naar de delen

voorbeeld 4

Dann geht man dazu über, das Kind darauf aufmerksam zu machen, daß das, was es so für den Anfang eines Wortes angeschaut hat, auch in der Mitte der Worte vorkommt. Also gehe man dazu über, zu dem Kinde zu sagen: Sieh einmal, du kennst das, was draußen auf den Fel­dern oder Bergen wächst, was im Herbst eingeerntet wird und aus dem der Wein bereitet wird: die Rebe. Die Rebe schreiben die Großen so:
REBE. Jetzt überlege dir einmal, wenn du ganz langsam sprichst: Rebe, da ist in der Mitte dasselbe drinnen, was bei BÄR am Anfang war. -Man schreibt es immer zunächst groß auf, damit das Kind die Ahnlich­keit des Bildes hat. Dadurch bringt man ihm bei, wie das, was es für den Anfang eines Wortes gelernt hat, auch in der Mitte der Worte zu finden ist. Man atomisiert ihm weiter das Ganze.

Vervolgens wijst men de leerlingen er op, dat dat wat aan het begin van woorden staat ook midden in woorden voorkomt. Dan kan men zeggen: Je kent wel dat ding in de keuken, waar taarten of broden in gebakken worden: een oven. De grote mensen schrijven dat zo op: OVEN. Luister eens heel goed als je het langzaam uitspreekt: oven, dan vind je in het midden hetzelfde als wat bij de VOGEL aan het begin staat. Men schrijft alles eerst met hoofdletters, zodat het kind hetzelfde beeld voor zich heeft. Daardoor leert men het kind dat de beginklanken ook midden in de woorden te vinden zijn. Men deelt verder het geheel in delen op.

In GA 301 wordt het van het geheel naar de delen behandeld:

Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe,  das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt , zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.

Het gaat erom dat je ook bv. bij het duiden van de letters niet in de eerste plaats uitgaat van een synthetische activiteit, maar van een analytische. Laten we bv. zeggen, dat ik een kind een woord laat spreken, het woord vis en dan schrijf ik dit simpelweg op het bord – en ik houd er rekening mee, dat ik met hem, zoals ik dat geschetst heb, heb getekend – ik schrijf, voor het ook maar iets van letters weet, het woord vis op. Ik probeer zelfs hem dit hele woordbeeld, zonder dat ik het in letters uiteenleg, in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik dat uiteen heb gezet, het woord te laten namaken, zonder dat het nog een flauw benul heeft van dat daar vis staat. Alleen wat op het bord staat moet het kind namaken. En voor ik tot de letters overga, probeer ik zelfs vaker het kind kant-en-klare woorden te laten nadoen. En dan probeer ik de analyse.
Dan probeer ik het kind erop te wijzen, hoe hij met het woord begint: V, analyseer de V , analyseer dan de I enz. En dat is iets wat in overeenstemming is met de natuur van de mens; dat je niet van de letters uitgaat, die synthetisch bij elkaar zet tot woorden, maar dat je van het hele woord uitgaat en analyserend tot de letters overgaat.
GA 301/155
niet vertaald

=

verschil klinker-medeklinker

voorbeeld 5

Sie sehen, worauf es uns, die wir einen lebendigen Unterricht – im Gegensatz zu einem toten – erzielen wollen, ankommt: daß wir immer von dem Ganzen ausgehen. Wie wir im Rechnen von der Summe aus­gehen, nicht von den Addenden, und die Summe zergliedern, so gehen wir auch hier von dem Ganzen ins Einzelne. Das hat den großen Vorteil für die Erziehung und den Unterricht, daß wir es erreichen, das Kind wirklich auch lebendig in die Welt hineinzustellen; denn die Welt ist ein Ganzes, und das Kind bleibt in fortwährender Verbindung mit dem lebendigen Ganzen, wenn wir so vorgehen, wie ich es angedeutet habe. Wenn Sie es die einzelnen Buchstaben aus dem Bilde heraus lernen las­sen, so hat das Kind eine Beziehung zur lebendigen Wirklichkeit. Aber Sie dürfen nie versäumen, die Buchstabenformen so aufzuschreiben, wie sie sich aus einem Bilde ergeben, und Sie mussen immer Rücksicht darauf nehmen, daß Sie die Mitlaute, die Konsonanten, als Zeichnung von äußeren Dingen erklären – nie aber die Selbstlaute, die Vokale. Bei den Selbstlauten gehen Sie immer davon aus, daß sie wiedergeben das menschliche Innere und seine Beziehung zur Außenwelt. Wenn Sie also zum Beispiel versuchen, dem Kinde das A beizubringen, werden Sie ihm sagen: Nun stelle dir einmal die Sonne vor, die du morgens siehst. Kann sich keines von euch erinnern, was es da getan hat, wenn die Sonne morgens aufgegangen ist? – Nun wird sich vielleicht das eineoder andere Kind an das erinnern, was es getan hat. Wenn es nicht dazu kommt, wenn sich keines erinnert, so muß man dem Kinde in der Er­innerung etwas nachhelfen, was es getan hat, wie es sich hingestellt haben wird, gesagt haben wird, wenn der Sonnenaufgang sehr schön war: Ah! – Man muß diese Wiedergabe eines Gefühles anschlagen las­sen, man muß versuchen, die Resonanz, die im Selbstlaut ertönt, aus dem Gefühl herauszuholen. Und dann muß man versuchen, zunächst zu sagen: Wenn du dich so hingestellt hast und Ah! gesagt hast, da ist das so, wie wenn von deinem Inneren hinausgegangen wäre wie in einem Winkel aus deinem Mund der Sonnenstrahl. Was in deinem Inneren lebt, wenn du den Sonnenaufgang siehst, das läßt du so (siehe Zeichnung links) ausströmen aus dir und bringst es hervor, indem du A sagst. Du läßt es aber nicht ganz ausströmen, du hältst etwas davon zurück, und da wird das dann zu diesem Zeichen (siehe Zeichnung rechts). Sie können einmal den Versuch machen, das, was beim Selbst­laut im Hauch liegt, in zeichnerische Formen zu kleiden. Dadurch be­kommen Sie Zeichnungen, die Ihnen im Bilde darstellen können, wie die Zeichen für die Selbstlaute entstanden sind.

U ziet waar het voor ons op aan komt als we levend en geen dood onderwijs willen: dat we steeds van het geheel uitgaan. Zoals we bij het rekenen uitgaan van de som en niet van de samenstellende delen, en de som in stukken delen, zo gaan we ook hier van het geheel naar de delen. Dat heeft het grote voordeel voor de opvoeding en het onderwijs dat we bereiken dat we het kind ook werkelijk een levende plaats geven in de wereld. Want de wereld is een geheel en het kind blijft voortdurend in verbinding met het levende geheel wanneer we zo te werk gaan als ik heb aangeduid. Wanneer u een kind de afzonderlijke letters laat leren vanuit het beeld, dan heeft het kind een verbinding met de levende werkelijkheid. Maar u mag nimmer verzuimen de vormen van de letters zo op te schrijven als ze uit het beeld voortkomen en u moet er steeds op letten dat u de medeklinkers, de consonanten verklaart als een tekening van dingen in de buitenwereld – nooit echter de klinkers, de vocalen. Bij de klinkers gaat u er altijd van uit dat ze het innerlijk van de mens weergeven en zijn relatie tot de buitenwereld. Wanneer u dus bijvoorbeeld probeert om de kinderen de A te leren, dan zult u zeggen: Stel je eens de zon voor, die je ’s ochtends ziet. Is er iemand van jullie die zich kan herinneren wat hij gedaan heeft toen ’s morgens de zon op ging? Nu zullen een paar kinderen zich waarschijnlijk wel herinneren wat ze gedaan hebben. Is dit niet het geval, herinnert zich niemand iets, dan moet men de kinderen een beetje helpen te bedenken wat ze gedaan hebben, hoe ze zouden zijn gaan staan, wat ze gezegd zouden hebben wanneer de zonsopgang heel mooi was: Ah! Men moet proberen deze weergave van een gevoel over te brengen, men moet proberen om de weerklank die in de klinker leeft uit het gevoel naar boven te halen. En dan moet men proberen om het volgende uit te leggen. Als je zo naar de zon hebt gekeken en ‘Ah!’ gezegd hebt, dan is het net alsof er een zonnestraal uit je binnenste naar buiten komt door je mond, zó, schuin. Wat er in je binnenste leeft wanneer je een zonsopgang ziet, dat laat je zo (zie tekening links) uit je naar buiten stromen en dat doe je als je A

GA 294 blz.73

zegt. Maar je laat niet alles naar buiten stromen, je houdt iets binnenin je en dat wordt dan tot dit teken (zie tekening rechts). U kunt eens proberen om dat wat door een klinker uitgedrukt wordt in een tekening weer te geven. Dan krijgt u tekeningen die u in een beeld kunnen vertellen hoe de tekens voor de klinkers zijn ontstaan.
GA 294 /72-73
vertaald/62-63 (1)

=

Ich weiß, eine Verwunderung wird ausgedrückt, indem man ausbricht in den Laut A. Es ist nun etwas ganz Naturgemäßes, wenn der Mensch mit seiner vollen Körperlich­keit nachzumachen sucht dieses A und es so auszudrücken sucht mit dieser Geste der beiden Arme. Nun machen Sie das einmal nach. (Die beiden Arme schräg nach oben gehoben.) Da wird schon ein A daraus! Und wenn Sie ausgehen beim Kinde von der Verwunderung und an­fangen den Unterricht zu geben in malendem Zeichnen, dann können Sie inneres Erlebnis und äußeres Erlebnis in malendes Zeichnen und zeichnendes Malen hineinbringen.

Ik weet dat verwondering wordt uitgedrukt door de klank A te uiten. Het is iets heel natuurlijks wanneer de mens met zijn hele lichamelijkheid deze A probeert na te vormen en deze probeert uit te drukken met een gebaar van de beide armen. Welnu, doe u dat eens na. (Beide armen schuin naar boven gehouden.) Daar komt al een A uit! En wanneer je bij het kind uitgaat van de verwondering en het onderwijs begint met schilderend tekenen, dan kun je wat innerlijk en uiterlijk beleefd wordt in schilderend tekenen en tekenend schilderen leggen.
GA 309/55
vertaald

=

voorbeeld 6

Für die Vokale ist es nicht so leicht. Aber für die Vokale ist vielleicht folgendes möglich. Denken Sie ein­mal, Sie sagen dem Kinde: Sieh einmal die schöne Sonne! Die mußt du doch bewundern. Stelle dich einmal so auf, daß du hinaufschaust, um die schöne Sonne zu bewundern. Nun steht es so da, schaut hin­auf und drückt die Verwunderung aus: Ah! Das malen Sie auch noch hinzu. Es ist sogar dann das hebräische A, der Laut der Verwunde­rung. Sie brauchen jetzt das nur klein werden zu lassen und können allmählich auf das A übergehen.Und so werden Sie – wenn Sie inneres Seelisches, namentlich eurythmische Begriffe vor das Kind hinstellen, es selber in diese Lage versetzen -, so werden Sie auch die Vokale herausbringen. Die Eu­rythmie wird Ihnen da eine ungeheuer starke Hilfe geben können, weil schon die Laute im Eurythmischen gebildet sind. Daraus kann man das Lautzeichen 0 bekommen. Man kann tatsäch­lich aus der Geste, aus der Gebärde, die Vokale bekommen.

Voor de vocalen is het niet zo makkelijk. Maar voor de vocalen is misschien het volgende mogelijk. Bedenk eens, je zegt tegen het kind: kijk eens naar de mooie zon! Die moet je toch bewonderen. Ga eens zo staan dat je omhoog kijkt om de mooie zon te bewonderen. Nu staat het daar dus, kijkt omhoog en drukt de verwondering uit: Ah! Dat teken je ook nog erbij. Dan is dat zelfs de Hebreeuwse A, de klank van de verwondering. Dat hoef je maar te verkleinen en kun je langzaam tot de A over te gaan.

GA 311 blz. 33 1
En zo kun je – wanneer je diepere gevoelens, namelijk euritmische begrippen aan het kind geeft, het zelf in die omstandigheid brengen -, dan kun je ook de vocalen ontwikkelen. De euritmie kan daarbij een heel sterk hulpmiddel zijn, omdat de klanken in de euritmie al gevormd zijn. Denk bv. alleen al aan de O – je omvat iets; liefdevol omvat je iets.

GA 311 blz. 33 2

Daaruit krijg je het klankteken O. Je kan inderdaad uit de gebaren, uit het gebaar, de vocalen halen.
GA 311/32-33
Vertaald

=

voorbeeld 7

Wir können also immer aus dem Zeichnerischen die Selbstlauter her­ausholen. Wenn Sie zum Beispiel das Kind dahin bringen, ihm klarzu­machen – indem Sie sich an sein Gefühl wenden -, daß es in einer sol­chen Situation ist wie zum Beispiel der folgenden: Sieh mal, es kommt dein Bruder oder deine Schwester zu dir. Sie sagen dir etwas, du ver­stehst sie nicht gleich. Dann kommt ein Augenblick, da fängst du an, sie zu verstehen. Wie drückst denn du das aus? – dann wird sich wieder ein Kind finden oder es werden sich die Kinder dahin bringen lassen, daß eines sagt iii. In dem Hinweis auf das, was verstanden worden ist, liegt die zeichnerische Gestalt des Lautes I, die ja selbst grob in dem Hinweisen zum Ausdruck kommt. In der Eurythmie haben Sie es in klarerer Weise ausgedrückt. Es wird also der einfache Strich zum i, der einfache Strich, der unten dicker, oben dünner sein müßte; statt dessen macht man nur den Strich und drückt dann das Dünnwerden durch das kleinere Zeichen darüber aus. So kann man alle Selbstlaute heraus­holen aus der Gestalt des Hauches, aus der Gestalt des Atems.
.


We kunnen de klinkers dus altijd vanuit tekeningen verklaren. Zo ook bij het volgende voorbeeld, waarbij u ook weer appelleert aan het gevoel van een kind. U zegt: Stel je voor dat je broertje of zusje naar je toekomt. Ze zeggen iets tegen je, maar je begrijpt niet meteen wat ze bedoelen. Maar dan komt het moment dat je ze al een beetje begint te begrijpen. Hoe druk je dat nu uit? Dan is er beslist wel weer een kind -of u brengt de kinderen zo ver-dat zegt iiii. De getekende vorm van de klank I wijst op iets wat begrepen is. Die vorm is ook grofweg aanwezig in het wijzen zelf. In de euritmie wordt het duidelijker uitgedrukt. De simpele streep wordt een I, de streep die van onder wat dikker en van boven wat dunner zou moeten zijn. Maar in plaats daarvan maakt men gewoon een streep en drukt het dunnere gedeelte uit door de punt op de i. Zo kan men alle klinkers afleiden uit de manier waarop er uitgeademd wordt, uit de vorm van de adem.

GA 294 blz.74

GA 294 /74
vertaald/63-64 (1)

voorbeeld 8

Auf diese Weise bekommen Sie es fertig, dem Kinde zunächst eine Art Zeichenschrift beizubringen. Dann brauchen Sie sich gar nicht ge­nieren, gewisse Vorstellungen zu Hilfe zu rufen, welche auch in der Empfindung etwas hervorrufen von dem, was ja in der Kulturentwik­kelung wirklich gelebt hat. So können Sie dem Kinde das Folgende bei­bringen. Sie sagen ihm: Sieh einmal das Obere des Hauses: Wie drückst du es aus? Dach! D! – Aber man müßte dann das D so machen: -, das ist unbequem, daher haben die Leute es umgestellt: D. Solche Vor­stellungen liegen in der Schrift, und Sie können sie durchaus benutzen.
Dann aber haben die Menschen nicht so kompliziert schreiben wollen, sondern sie haben es sich einfacher machen wollen. Daher ist aus diesem
Zeichen: D, das eigentlich so sein sollte   – indem Sie jetzt über­gehen zur kleinen Schrift, dieses Zeichen, das kleine d geworden. – Sie können durchaus die bestehenden Buchstabenformen in dieser Weise aus solchen Figuren heraus entwickeln, die Sie als zeichnerisch dem Kinde beigebracht haben. Auf diese Weise werden Sie, immer denÜber­gang von Form zu Form besprechend, niemals bloß abstrakt lehrend, das Kind vorwärtsbringen, so daß es den wirklichen Übergang findet von der zuerst aus dem Zeichnen herausgeholten Form zu jener Form, die nun der heutige Buchstabe, wenn er geschrieben wird, wirklich hat.

Op deze wijze speelt u het klaar om het kind eerst een soort tekenschrift aan te leren. U hoeft zich dan geenszins te generen om bepaalde voorstellingen in te schakelen die ook in het gevoel iets oproepen van datgene wat in de culturele ontwikkeling werkelijk geleefd heeft. Zo kunt u het kind het volgende bijbrengen. U zegt: Kijk eens naar de bovenkant van een huis. Hoe heet dat? Dak! D! Maar dan zou men de D een kwartslag moeten draaien: GA 294 blz.74 2Maar dat is onhandig en daarom hebben de mensen het gedraaid: D.Zulke voorstellingen behelst het schrift en u kunt ze zeer zeker gebruiken.

GA 294 blz.75

Maar toen wilden de mensen niet zo ingewikkeld schrijven. Ze wilden het zich gemakkelijker maken. Daarom is uit dit tekenGA 294 blz.74 2(dat eigenlijk D zou moeten zijn) de kleine d ontstaan. En daarmee maakt u de stap naar de kleine letters. U kunt de bestaande lettervormen beslist op deze wijze afleiden uit de figuren die u de kinderen via het tekenen hebt bijgebracht. Zo zult u steeds de overgang van vorm naar vorm bespreken en nooit louter abstract te werk gaan. Daardoor zult u de kinderen er toe brengen de werkelijke overgang te vinden van de getekende vormen naar de lettervormen zoals die nu in deze tijd geschreven worden.
GA 294 /74-75
vertaald/64 (1)

=

Bei den Vokalen wird man zu der Gebärde gehen müssen, denn die Vokale entstammen der Offenbarung des menschlichen Inneren. Im Grunde genommen ist das A zum Beispiel immer eine Art von, Verwunderung und Staunen. Da wird einem dann die Eurythmie besonders helfen. Denn in der 307/157 Eurythmie sind genau die dem Empfinden entsprechenden Gebärden gegeben. Und man wird das I, das A und so weiter aus den entsprechenden Eurythmiegebärden durchaus herausentwickeln können. Vokale müssen aus den Gebärden, die ja aus der menschlichen Lebendigkeit die Gefühle begleiten, herausentwickelt werden.

Bij de vokalen zul je naar het gebaar moeten gaan, want de vokalen zijn afkomstig uit de openbaring van het mense­lijk innerlijk. In de grond van de zaak is de A bijvoorbeeld altijd een soort verwondering en verbaasd zijn. Daar zal de euritmie je dan in ‘t bizonder behulpzaam zijn. Want in de euritmie zijn juist de met het gevoel erbij passende gebaren gegeven. En je zult de I, de A enzovoort helemaal uit de erbij passende euritmiegebaren kunnen ont­wikkelen. Vokalen moeten vanuit de gebaren die uit de men­selijke levendigheid de gevoelens begeleiden, ontwikkeld worden. (voorbeeld 4)
GA 307/156
Vertaald/200

niet alleen tekenen, ook vanuit de beweging

voorbeeld 9

Will man in einer menschlichen Art das Schreiben an das Kind heran­bringen, dann hat man durchaus von demjenigen auszugehen, was das Kind erleben kann als Zusammenhang des Gesehenen und dem durch den Willen hervorgebrachten Gesehenen – wir nennen das die Schrift. Das ist dasjenige, was das Kind nun triebhaft entgegenbringt als Be­dürfnis, aus dem Willen heraus zu erleben. Das Kind bringt einem nun einmal diese künstlerischen Tendenzen in die Schule herein, und es muß diesen künstlerischen Tendenzen zum Beispiel dadurch Rech­nung getragen werden, daß man ein Kind, sagen wir zunächst, herum­laufen läßt in dieser Kurve (siehe Zeichnung). Dann bringt man einGefühl davon hervor, was bei einem so gearteten Herumlaufen inner­lich erlebt wird. Man geht dann dazu über, das Kind aufmerksam zu machen, daß es da diese Linie am Fußboden beschrieben hat. Man kann es dann überleiten, diese Linie entsprechend mit der Hand nach­zumachen. Nun läßt man es dann so laufen, daß es so seinen Wegvollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen vollführt, läßt es auch das wiederum mit der Hand nachahmen. Was so der ganze Körper in der künstlerischen Erziehung aus dem ganzen  Organismus gebildet hat, läßt man nun einseitig mit der Hand nach­formen. Und dann leitetman es dazu hin, Worte auszusprechen, die mit L beginnen. Man leitet es dahin, daß dasjenige, was solch ein Wort, das mit L beginnt, als Laut zunächst hat, in dem, was man aus dem Zeichnen, nicht aus dem abstrakten Nachbilden unserer L-Form herausgeholt hat, daß es das in dem hat. Man kann auf diese Weise aus dem innerlich als Bewegung Erlebten zu dem Zeichnen der Buchstaben kommen.

Wil je op een menselijke manier het kind leren schrijven, dat moet je uitgaan van wat het kind kan beleven als samenhang tussen wat het ziet en wat het door de wil tevoorschijn brengt – we noemen dat het schrift. Dat is wat het kind vanuit een aandrang als een behoefte uit, vanuit de wil te beleven. Het kind brengt nu eenmaal deze kunstzinnige tendensen mee de school in en er moet met deze kunstzinnige tendensen rekening worden gehouden, bv. door, laten we zeggen, het kind deze bocht te laten lopen:

GA 303 blz. 164 1

Dan breng je een gevoel teweeg dat bij zo’n vorm van lopen innerlijk beleefd wordt. Dan ga je er toe over er het kind op te wijzen dat het die lijn op de grond heeft beschreven. Dan kun je het deze lijn precies zo met de hand laten maken. En nu laat je zo lopen dat het deze weg aflegt:

GA 303 blz. 164 2

En dat laat je ook weer door de hand nadoen. Wat op deze manier het hele lijf in de kunstzinnige opvoeding vanuit het geheel uitvoert, laat dit ook weer met de hand nadoen. Wat zo het hele lijf in de kunstzinnige opvoeding vanuit het gehle organisme gevormd heeft, laat je nu eenzijdig met de hand navormen. En dan leid je het er naartoe woorden uit te spreken die met L beginnen. Je brengt het ertoe wat zo’n woord dat met L begint, allereerst als klank heeft, wanneer je uit het tekenen, niet uit het abstracte nadoen van onze L-vorm naar boven hebt gehaald, dat dat daarin zit. Je kan op deze manier wat als beweging beleefd wordt, uit het innerlijk tot het symbool van de letter komen.
GA 303/164-165
Vertaald

=

voorbeeld 10

Das Kind ist ja nicht nur durch den Zahnwechsel ein inner­licher Musiker, es ist auch von früher her ein Plastiker. Nun kann man das Folgende machen: Man versucht, dem Kind ein Bild des Fisches zu geben; man geht dann allmählich künstlerisch über zu einem sol­chen Verlauf dieser Form: und man leitet das Kind von dem Worte Fisch zu dem F, nach dem Gehör, und bringt ihm diesen Zusammen­hang lebendig vor Augen zwischen dem F und dem Bilde, das man vom Fisch herausgebildet hat. Man hat da sogar in einer gewissen Weise den Gang nachgebildet, wie in der Menschheitsentwicklung das F aus dem Worte Fisch heraus entstanden ist.

Het kind is door de tandenwisseling niet alleen een innerlijke musicus, het is ook daarvoor al een beeldhouwer. Nu kun je het volgende doen: Je probeert het kind een beeld van een vis te geven; je gaat dan langzamerhand kunstzinnig over tot het ontwikkelen van deze vorm: en je brengt het kind van het woord vis naar de V, op het gehoor, en voert hem deze samenhang levendig voor ogen tussen de V en het beeld, dat je van de vis gevormd hebt. Je hebt dan in zekere zin de weg bewandeld die in de mensheidsontwikkeling  de V uit het woord vis deed ontstaan.
(Het Duits heeft Fisch=vis, vandaar onderstaande tekening)

GA 303 blz.165

voorbeeld 11

Man macht das Kind aufmerksam, wie Wasser Wellen aufwirft. Man bringt es zu die­sem Bilde, verwandelt dann langsam, allmählich dieses Bild in das, leitet über in das Wort Welle, Woge, zu W und bringt Welle, Woge, es woget, es wellet, mit dem Zeichnen in Zusammenhang. So holt man aus dem unmittelbaren Leben heraus dasjenige, was zunächst zeich­nerisch vorhanden sein kann, und leitet es über zu den Buchstabenformen.

Je maakt het kind er attent op, hoe het water golven opstuwt. Je maakt dit beeld:

GA 303 blz.166 1

verandert dit beeld dan beetje voor beetje in dit:

GA 303 blz.166 2

en brengt dit met het woord ‘water’, ‘wind’, het ‘waait’ in samenhang. Zo haal je uit wat je meteen beleven kan, wat je tekenen kan en dat brengt het kind bij de lettervormen.
GA 303/166
Vertaald

=

voorbeeld 12

Ein Beispiel. Sie haben ja auch das englische Wort «fish»: Fisch. Nehmen wir an, wir lassen das Kind dazu kommen, daß es den Fisch im malenden Zeichnen, im zeichnenden Malen, aus der Farbe heraus schafft (es wird gezeichnet): Fisch. Jetzt lasse ich das Kind das Wort «Fisch» ruhig aussprechen; «fange bloß an», sage ich dem Kinde: F. Es entsteht aus dem Bilde, das ich hingemalt habe für den Fisch, das F.

Een voorbeeld. U hebt ook het Engelse woord ‘fish’: Fisch. Laten we aannemen, dat we het kind ertoe laten komen dat het de vis schilderend tekenend, tekenend schilderend vanuit de kleur schept:
GA 304A blz 175

Vis. Nu laat ik het kind het woord ‘vis’ rustig uitspreken; ‘alleen het begin’, zeg ik tegen het kind: V. Uit het beeld dat ik getekend heb voor de vis ontstaat de V.

So kann ich es machen für alles, was konsonantisch ist. Für die Selbstlaute finde ich, wenn ich das innere Seelenleben zu Hilfe nehme, wie ich das Bild überführen kann in den Buchstaben.

Zo kan ik dat doen voor alle consonanten. Voor de klinkers zal ik, wanneer ik het innerlijke gevoelsleven te hulp neem, vinden hoe ik het beeld over kan brengen naar de letters. (Zie voorbeeld 5, 6, 7)
GA 304a/173
Niet vertaald

=

voorbeeld 13

Belebende Erziehung zwischen Zahnwechsel und Geschlechtsreife ist das, um was es sich handelt. Denn da wird der Ätherleib frei. Da müssen wir auch so recht lebendig alles gestalten. Zum Beispiel, nehmen Sie das Wort «Mund», das ja auch im Englischen «mouth» ist: ich spreche nur den Anfangsbuchstaben: M aus – ich komme auf das: Mund, mouth. Und so werden Sie überall aus dem Lebendigen heraus die Möglichkeit finden, zu schaffen dasjenige, was dann im Schreiben auftreten soll.

Het gaat om Inspirerende opvoeding tussen tandenwisseling en puberteit. Dan komt het etherlijf vrij. Dan moeten wij ook zo echt levendig alles vorm geven. Neem bv. het woord ‘mond’, dat in het Engels ‘mouth’ is: ik spreek alleen maar de beginletter uit – dan kom ik op:

GA 304A blz 176

mond, mouth. En dan zul je overal de mogelijkheid vinden om vanuit het leven te pakken wat je voor het schrijven nodig hebt.
GA 304a/175
Niet vertaald

=

voorbeeld 14

Ich möchte es Ihnen anschaulich machen an einem Beispiel. Denken Sie sich, wir veranlassen das Kind dazu, das Wort «Fisch» zu sagen, und indem wir es dazu veranlassen, das Wort zu sagen, versuchen wir, mit ganz einfachen Linien die Form des Fisches ihm vor Augen zu führen, etwa so (es wird gezeichnet), daß wir in einfacher Weise so etwas dem Kinde vormalen, was die Form des Fisches imitiert, und dann auch versuchen, das von dem Kinde nachmalen zu lassen. Und dann bringen wir das Kind dazu, zu empfinden vom Wort «Fisch», das F. Vom «Fisch» gehen wir über zu F, und wir haben aus der Form des Fisches die Möglichkeit, nach und nach das F zu gestalten. Wir lassen also künstlerisch aus demjenigen, was aus der Anschauung in den Willen hineingeht, die Buchstabenform entstehen. Auf diese Weise bringen wir nicht ein fremdes F; das ist ein Dämon für das Kind, das ist etwas, was als ganz Fremdes in seinen Leib hin­eingestopft wird; wir bringen dasjenige, was das Kind auf dem Markte gesehen hat, aus dem Kinde heraus. Wir verwandeln das nach und nach in das F.

Ik zou het u duidelijk willen maken met behulp van een voorbeeld. Stelt u zich voor dat wij het kind het woord ‘vis’ laten zeggen, en terwijl wij dat doen proberen we met heel eenvoudige lijnen het kind de vorm van een vis voor ogen te stellen, ongeveer zo:

blz. 98

zodat wij op eenvoudige wijze iets voor het kind tekenen dat de vorm van een vis nabootst. Wij proberen dan ook dat door het kind na te laten schilderen. Daarna laten wij het kind het woord ‘vis’ (in de oorspronkelijke, Duitse tekst natuurlijk ‘Fisch’ vert.) vooral de V (F) ervaren. Van ‘Vis’ (Fisch) gaan we over naar V (F), en we hebben de mogelijkheid uitgaande van de vorm van de vis, langzamerhand de V (F) te vormen. We kunnen dus op een kunstzinnige wijze uit hetgeen via de aanschouwing de wil doordringt, de lettervorm ontstaan. Op deze wijze geven wij het kind niet een vreemde V(F); dat is voor hem een demon, dat is een zaak die als iets volkomen vreemds hem in zijn lichaam wordt gebracht; wij komen integendeel met iets dat het kind op de markt gezien heeft, wat van het kind zelf uitgaat. Dat veranderen wij langzamerhand in de V (F).
GA 305/98
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/103 (2)

voorbeeld 15

Wir kommen dadurch nahe der Entstehung der Schrift, denn so, in ähnlicher Weise, ist auch die Schrift entstanden. Aber es ist nicht nötig, daß der Lehrer antiquarische Studien macht und gleichsam wie­derholt dasjenige, wie die Bilderschrift entstanden ist, um nun wieder­um das dem Kinde beizubringen. Das, um was es sich handelt, ist, eine lebendige Phantasie walten zu lassen, und das heute noch entstehen zu lassen, was vom Gegenstand, vom unmittelbaren Leben in die Buchstabenformen hineinführt. Sie werden da jede mögliche Gelegenheit haben, dem Kinde Buchstabenformen aus dem Leben heraus abzuleiten. Lassen Sie es M sprechen, lassen Sie es fühlen, wie das M auf den Lippen vibriert, und versuchen Sie ihm dann die Form der Lippe als Form beizubringen, dann werden Sie von dem M, das auf der Lippe vibriert, übergehen können nach und nach zu dem Zeichen M. Und so werden Sie, wenn Sie nicht intellektualistisch, sondern spiri­tuell, imaginativ vorzugehen versuchen, alles aus dem Kinde heraus­holen können.
‘ 

Daarmee benaderen wij de wijze waarop het schrift is ontstaan, want zo, althans op een dergelijke manier is het schrift ook ontstaan. Het is echter niet nodig dat de leraar zich in de oudheid gaat verdiepen en als het ware het ontstaan van het beeldschrift overdoet, om dat nu het kind weer bij te brengen. Waar het om gaat is een levendige fantasie te gebruiken en nu opnieuw te laten ontstaan hetgeen vanuit het voorwerp, vanuit het direkte leven leidt in de richting van, en uiteindelijk wordt tot de vormen van de letters. U zult alle gelegenheid hebben voor het kind lettervormen af te leiden uit wat het leven biedt. Laat u het kind de M (mmmmm) zeggen, laat u het kind voelen hoe de M op de lippen trilt en probeert u het dan de vorm van de lippen als vorm te laten zien, dan zult u van de M zoals die op de lippen vibreert, langzamerhand kunnen overgaan tot het ‘teken M.

blz 99

En zo zult u, wanneer u niet intellectualistisch, maar spiritueel, imaginatief tracht te handelen, alles vanuit het kind kunnen laten komen, wat er langzamerhand toe leidt dat het kind leert schrijven.
GA 305/99
vertaald : Nu: opvoeding en kunst. Eerder: Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst/104 (2)

voorbeeld 16

Wenn Sie einem Kinde zunächst nicht Buchstaben oder selbst Worte hinschreiben, sondern ihm aus den auch in seiner Seele existierenden Bildekräften heraus dasjenige hinzeichnen, was hier so aussieht, dann werden Sie sehen, daß das Kind sich noch erinnert an etwas, was wirklich da ist, was es mit seinen Bildekräften schon erfaßt hat. Das Kind wird Ihnen sagen: Das ist ein Mund! Und jetzt können Sie das Kind nach und nach dazu führen, daß Sie ihm sagen: Nun sprich ein­mal Mmmund ; laß das letzte weg. Sie führen das Kind dazu, nach und nach zu sagen mmm… Und jetzt sagen Sie ihm: Nun wollen wir einmal dasjenige aufmalen, was du da gemacht hast. Wir haben was weggelassen:haben wir gemalt. Und nun machen wir es einfacher: Es ist ein M draus geworden.

Wanneer je voor een kind niet meteen letters of zelfs woorden opschrijft, maar voor hem tekent wat ook in de vormkrachten in zijn ziel aanwezig is, wat er zo uitziet:

GA 306 blz.80 1
dan zul je zien dat een kind zich iets  herinnert van wat er werkelijk is, wat het met zijn vormkrachten al ervaren heeft. Het kind zal tegen je zeggen: ‘Dat is een mond!’ En nu kun je het kind stap voor stap zo leiden dat je zegt: ‘Spreek mmmmond eens uit en laat het laatste weg’. Je brengt het kind ertoe om zo mmm te zeggen. En dan zeg je: ‘Nu zullen we wat je gedaan hebt, eens tekenen. We hebben wat weggelaten:

GA 306 blz.80 2

hebben we getekend. En nu maken we het eenvoudiger:

GA 306 blz.80 3

De M is ontstaan.
GA 306/80
Niet vertaald

=

voorbeeld 17

Oder wir zeichnen dem Kinde so etwas auf (es wird gezeichnet). Das Kind wird sagen: Fisch… Man wird dazu übergehen, F zu sagen. Machen wir das nun einfacher, diesen Fisch! Dann wird ein F daraus. Wir kriegen die abstrakten sogenannten Buchstaben überall aus den Bildern heraus.

Of we tekenen het kind zoiets voor:

GA 306 blz.81

Het kind zal zeggen: ‘Vis….’. Dan ga je ertoe over F te zeggen. Laten we hem simpeler maken, deze vis! Dan komt er een F uit. Overal krijgen we de abstracte zogenaamde letters uit de beelden.
GA 306/81
Niet vertaald

=

voorbeeld 18

Man nehme also an, man habe die Kinder dahin gebracht, eine Anschauung zu gewinnen von fließendem Wasser. Fließendes Wasser hat das Kind nun gelernt ins Bild zu bringen. Wir nehmen an, wir seien so weit gekommen, daß wir dem Kinde etwas beigebracht haben von der Verbildlichung des fließenden Wassers, das Wellen wirft (es wird farbig gezeichnet). Wir wollen darauf hinarbeiten, daß das Kind nun achten lernt auf den Anfangslaut, den Anfangsbuchstaben des Wortes «Welle». Wir versuchen gerade das Anlauten, das Aussprechen des Anfangsbuchstabens charakteristischer Worte ins Auge zu fassen. Wir bringen dem Kinde bei, wie gewissermaßen an der Oberfläche des wellen werfenden Wassers sich diese Linie ergibt. Und wir bringen das Kind herüber vom Ziehen dieser Linie, den Wellen des fließenden Wassers entlang, zum zeichnerischen Formen dessen, was sich daraus ergibt: W.
Und man hat das Kind auf diese Weise dazu gebracht, daß es beginnt, aus dem Bilde heraus das W dem Spiel, der Linie der Welle nach schriftlich zu fixieren. – So holt man aus der Anschauung desjenigen, was das Kind ins Bild bringt, den zu schreibenden Buchstaben heraus.

Neem dus aan dat we de kinderen zover hebben gebracht een voorstelling te krij­gen van stromend water. Stromend water heeft het kind nu geleerd om in beeld te brengen. We nemen aan dat we zo ver gekomen zijn dat we het kind iets bijgebracht hebben van het aanschouwelijk voorstellen van het stromende wa­ter, dat golven maakt [het wordt met kleuren getekend]. We willen ernaar toe werken dat het kind nu leert letten op de beginklank, de beginletters van het woord ‘water’. We pro­beren juist het aanzetten van de klank, het uitspreken van de beginletters van karakteristieke woorden te bekijken. We brengen het kind bij hoe in zekere zin aan de oppervlakte van van het golvende water deze lijn ontstaat:

blz. 155a

En we leiden het kind van het tekenen van deze lijn, langs de golven van het golvende water, naar de tekenvormen van wat daaruit ontstaat: de W.

blz. 155b

En op deze wijze heb je het kind ertoe gebracht dat het begint om vanuit het beeld de W volgens het spel, de golf­lijn op schrift te fixeren. – Zo haal je uit het waarnemen van dat wat het kind in beeld brengt, de te schrijven letters.
GA 307/155
Vertaald/198

=

voorbeeld 19

Oder sagen wir, man bringt das Kind dahin, daß es etwa folgende Zeichnung macht, daß es den menschlichen Mund in dieser Weise zur Aufzeichnung bringt. Man hält es an, diesen Zug des Mundes festzuhalten und herauszuheben, und läßt es von da an herüberkommen zu dem Verspüren des Anfangsbuchstabens des Wortes «Mund».

Of laten we zeggen, je brengt het kind ertoe dat het bij­voorbeeld de volgende tekening zo maakt dat het de mense­lijke mond op deze wijze tekent. Je blijft eraan vasthouden dat deze trek van de mond vast wordt gehouden en eruit wordt gehaald, en je laat het van daaruit overbrengen naar het voelen van de beginletter van het woord ‘Mond’. –

blz. 155c

GA 307/155
Vertaald/199

=

voorbeeld 20

Ich habe bereits in einer Abendstunde angedeutet, wie man nun das Kind dazu bringen kann, einen Fisch aufzuzeichnen. Man bringt das Kind nun dahin, die Grundform festzuhalten und läßt es von da aus zum Erfühlen des Anfangslautes des Wortes kommen: «Fisch». Man wird auf diese Weise eine Anzahl von Buchstaben gewinnen können; andere wird man auf eine andere Weise aus dem Zeichnerischen hervorholen müssen.

Ik heb al bij een avondbijeenkomst erop gewezen hoe je het kind ertoe kunt brengen om een vogel te tekenen. Je brengt het kind nu ertoe de grondvorm vast te houden en laat het van daaruit komen tot het voelen van de beginklank van het woord: ‘Vogel’. Je zult op die manier een aantal letters kun­nen verkrijgen; andere zul je op een andere manier uit het tekenen te voor­schijn moeten halen.

blz. 156a

GA 307/155
Vertaald/198

=

voorbeeld 21

Sagen wir zum Beispiel, man bringt dem Kinde auf irgendeine anschauliche Weise bei, wie der dahinbrausende Wind sich bewegt. Bei kleinen Kindern wird dies besser sein als eine andere Art; die Dinge können natürlich in der verschiedensten Weise gemacht werden. Man bringt dem Kinde das Hinstürmen des Windes bei. Nun läßt man das Kind das Sausen des Windes nachmachen und bekommt auf diese Weise diese Form. Kurz, es ist möglich dadurch, daß man in dem Malerischen entweder scharf konturierte Gegenstände oder Bewegungen oder auch Tätigkeiten festzuhalten versucht, auf diese Weise fast alle Konsonanten zu entwickeln.

Laten we bijvoorbeeld zeggen, je brengt het kind op een aanschouwelijk wijze bij hoe de suizende wind zich beweegt. Bij kleine kinderen zal dit beter gaan dan een andere manier; de dingen kunnen natuurlijk op de meest uiteenlopende manier gedaan worden. Je brengt het kind het voortstormen van de wind bij. Nu laat je het kind het suizen van de wind nabootsen en je krijgt op die manier-deze vorm:

blz. 156b

Kortom, het is mogelijk doordat je in het schilderachtige hetzij scherp omlijnde voorwerpen, hetzij bewe­gingen of ook activiteiten probeert vast te houden, om op deze wijze bijna alle consonanten te ontwikkelen.

Bei den Vokalen wird man zu der Gebärde gehen müssen, denn die Vokale entstammen der Offenbarung des menschlichen Inneren. Im Grunde genommen ist das A zum Beispiel immer eine Art von, Verwunderung und Staunen. Da wird einem dann die Eurythmie besonders helfen. Denn in der 307/157 Eurythmie sind genau die dem Empfinden entsprechenden Gebärden gegeben. Und man wird das I, das A und so weiter aus den entsprechenden Eurythmiegebärden durchaus herausentwickeln können. Vokale müssen aus den Gebärden, die ja aus der menschlichen Lebendigkeit die Gefühle begleiten, herausentwickelt werden.

Bij de vokalen zul je naar het gebaar moeten gaan, want de vokalen zijn afkomstig uit de openbaring van het mense­lijk innerlijk. In de grond van de zaak is de A bijvoorbeeld altijd een soort verwondering en verbaasd zijn. Daar zal de euritmie je dan in ‘t bizonder behulpzaam zijn. Want in de euritmie zijn juist de met het gevoel erbij passende gebaren gegeven. En je zult de I, de A enzovoort helemaal uit de erbij passende euritmiegebaren kunnen ont­wikkelen. Vokalen moeten vanuit de gebaren die uit de men­selijke levendigheid de gevoelens begeleiden, ontwikkeld worden. (voorbeeld 5)
GA 307/156
Vertaald/200

=

voorbeeld 22

Denken Sie zum Beispiel, ich versuche das Kind einen Fisch malen zu lassen, da mache ich solch eine Form (es wird gezeichnet), zuletzt eine Flosse so, eine Flosse hier, das Kind stilisiert malerisch den Fisch. Jetzt gehe ich über zu dem Worte Fisch, und das Kind hat den Einklang dessen, was es im Beginne des Wortes Fisch hat, mit dem, was es aufgemalt hat. Nun kann ich entstehen lassen den Buchstaben, der das Wort Fisch beginnt, aus der gemalten Form. So ungefähr ist ja auch die Bilderschrift in die Buchstabenform übergegangen. Ich habe aber nicht Geschichte getrieben, um auf eine einzelne Form zu kommen, ich habe einfach die Phantasie des Kindes walten lassen. Es kommt nicht darauf an, daß man das historisch richtig macht, sondern daß man das richtig macht, was sich im kindlichen Organismus geltend machen soll.

Denkt u bijvoorbeeld eens in dat ik probeer het kind een vis te laten schilderen, dan maak ik zo’n vorm (zie tekening van de F hierboven) op het laatst een vin zo, een vin hier, het kind stileert schilderend de vis. Nu ga ik over naar het woord vis en het kind heeft de overeenstemming van dat wat het in het begin van het woord vis [Duits Fisch; de vis wordt tot de letter F ] voor zich heeft, met wat het geschilderd heeft. Nu kan ik vanuit de geschilderde vorm de letter laten ontstaan waarmee het woord vis begint. Zo ongeveer is immers ook het beeldschrift in de vorm van de letters overgegaan. Maar ik heb dus geen geschiedenis gegeven om bij een afzonder­lijke vorm uit te komen, ik heb gewoon de fantasie van het kind werkzaam laten zijn. Het komt er niet op aan dat je het historisch juist doet, maar dat je dat juist doet wat zich in het kinderlijke organisme merkbaar moet laten gelden.
GA 307/264
Vertaald/334

=

voorbeeld 23

Streift das Kind von oben nach unten über einen Stab, und ich lasse es dann einen Strich machen, der von oben nach unten geht, dann weiß das Kind wieder, worum es sich handelt. Ich zeige ihm einen Fisch. Ich lasse das Kind die Hauptrichtung des Fisches verfolgen. Dann lasse ich die Hinter- und Vorderflosse verfolgen; das durchquert das Vorige. Ich lasse die Hauptrichtung und dann dieses Durchqueren aufzeichnen und sage: Was du da auf dem Papier hast, das kommt vom Fisch. Du hast ihn ja angegriffen. – Und jetzt führe ich hinüber in das innere Erleben des Wortes Fisch. Da ist darinnen das F. Das lasse ich jetzt auch so machen: einen Strich und durchqueren. Ich hole mir den Laut, mit dem das Wort Fisch beginnt, aus dem heraus, was erfühlt wird von dem Kinde. So kann ich das Ganze der Schrift hervorgehen lassen nicht aus abstraktem Nachahmen der Zeichen, wie sie heute sind, sondern aus dem Erfassen der Dinge selber, die im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen der Kinder entstehen. So kann ich die Schrift hervorholen aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen. Dann stehe ich in der lebendigen Bildhaftigkeit darinnen.

Betast een kind van boven naar beneden een stok en ik laat het dan een streep trekken die van boven naar beneden gaat, dan weet het kind weer waarom het gaat. Ik laat het kind een vis zien. Ik laat het kind de richting kop-staart volgen. Dan laat ik de voor- en achtervinnen volgen, die staan haaks op de vorige. Ik laat de richting en het kruisen tekenen en zeg: ‘Wat je daar op je papier hebt staan, komt van de vis. Die heb je beetgepakt.’En dan ga ik over tot de innerlijke beleving van het woordje vis. Daar zit de V in. Die laat ik ook zo maken: een streep en kruisen. (de Duitse F uiteraard) Ik haal de klank waarmee het woord vis begint eruit en dat voelt het kind mee. Zo kan ik het geheel van het schrift te voorschijn laten komen, niet door het abstracte nabootsen van de tekens zoals die nu zijn, maar uit het meebeleven van de dingen zelf die in het tekenende schilderen en het schilderende tekenen in het kind ontstaan. Zo kan ik het schrift tevoorschijn halen uit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen. Dan bevind ik mij midden in de levende verbeelding.
GA 308/40
Niet vertaald

=

voorbeeld 24

Denken Sie das Folgende: Ich erinnere das Kind an einen Fisch und veranlasse es, wenn das auch unbequem ist, den Fisch zu malen. Man muß da mehr Sorgfalt anwenden, als man sonst in bequemer Weise gern getan hätte. Man veranlaßt es, den Fisch so zu malen, daß es da den Kopf vor sich hat und da den übrigen Teil. Das Kind malt den Fisch; jetzt hat es ein Zeichen durch malendes Zeichnen, durch  zeichnendes Malen herausgebracht. Nun lassen Sie es aussprechen das Wort «Fisch». Sie sprechen F-isch. Jetzt lassen Sie weg das isch. Sie haben von «Fisch» übergeleitet zu seinem ersten Laute «F». Jetzt ver­steht das Kind, wie zustande kommt so eine Bilderschrift, wie sie zu­stande gekommen ist und übergegangen ist in späterer Zeit in die Schrift.Das ist nachgeahmt worden, das andere ist weggelassen worden. Da­durch entsteht das Zeichen des Lautes.

Denk eens het volgende: ik laat een kind aan een vis denken en ik spoor het aan, ook wanneer dat lastig is, de vis te schilderen. Dat kost meer moeite dan wanneer je het op een makkelijkere manier had willen doen. Je spoort het aan de vis zo te schilderen, dat het zo de kop heeft en daar de rest. Het kind schildert de vis; nu heeft het een teken door het schilderend tekenen, door tekenend schilderen gemaakt. Nu laat je het woord ‘vis’ uitspreken. Je zegt V-is. Nu laat je -is- weg. Je bent van ‘vis’ overgegaan naar de eerste klank ervan ‘V’. Nu begrijpt het kind  hoe zo’n beeldschrift tot stand komt, hoe dit tot stand gekomen is en in latere tijd overgegaan is in het schrift.

GA 309 blz. 57 1

Dat is nagedaan, het andere is weggelaten. Daardoor ontstaat het teken van de klank.
GA 309/57
vertaald

voorbeeld 25

Er sieht zum Beispiel den Mund; versucht, daß die Kinder die Ober­lippe malen, daß es zum Malen der Oberlippe kommt. Jetzt bringt man es dahin, das Wort «Mund» auszusprechen. Wenn man jetzt das «und» wegläßt, hat man das «M». So kann man aus der Wirklichkeit heraus die ganzen Schriftzeichen erhalten. Und das Kind bleibt in fortwährender Lebendigkeit. Da lehrt man das Kind zuerst schreiben, indem sich die abstrakten Zeichen der heutigen Zivilisation aus dem Konkreten heraus entwickeln.

De leerkracht ziet bv. de mond; probeert dat de kinderen de bovenlip schilderen, dat het tot het schilderen van de bovenlip komt.

GA 309 blz. 57 2

Dan zorg je ervoor dat het kind het woord ‘mond’ uitspreekt. Wanneer je nu ‘ond’ weglaat, heb je de ‘M’. Zo kun je uit de realiteit alle schrijftekens halen.
GA 309/57
vertaald

=

voorbeeld 26

Es handelt sich also durchaus darum, daß man als Lehrer auch seine Phan­tasie in Schwung bringen kann. Was heißt das? Ich appelliere zunächst beim Kinde an etwas, was es auf dem Markt oder sonst irgendwo ge­sehen hat, zum Beispiel einen Fisch. Ich bringe es dazu, daß es zu­nächst, indem ich es sogar Farben benutzen lasse, einen Fisch malend zeichnet, zeichnend malt. Habe ich es dazu gebracht, so lasse ich es dann das Wort «Fisch» sagen, dieses Wort nicht schnell herausspre­chend, sondern «F-i-sch». Ich leite es dann an, nur den Anfang des Wortes Fisch, «F. . .», zu sagen und ich bilde allmählich die Fischgestalt in dieses fisch-ähnliche Zeichen um, indem ich das Kind gleich­zeitig dazu bringe, «F» zu sagen: das F ist da!

Allereerst appelleer ik bij het kind aan iets wat hij op de markt of ergens anders heeft gezien, bijvoorbeeld een vogel. Ik breng hem ertoe dat hij eerst – en ik laat hem zelfs kleuren gebruiken ­een vogel schilderend tekent, of tekenend schildert. Heb ik hem zo ver gebracht, dan laat ik hem vervolgens het woord ‘VOGEL’ zeggen; ik laat hem dat woord niet snel uitspreken, maar ‘V-O-G-E-L’. Daarna leer ik hem om alleen het begin van het woord vogel, ‘V . ..’ te zeggen en langzamerhand vorm ik de vogelgestalte om in dit op een vogel-lijkend teken, terwijl ik het kind er tegelijkertijd toe breng om ‘V’ te zeggen: de V is er!

GA 310 blz. 58 2

voorbeeld 27

Oder ich lasse das Kind sagen: «Welle», bringe ihm bei, was eine Welle ist (siehe Zeichnung). Ich lasse das Kind dies wiederum malen, bringe es dazu, den Anfang des Wortes Welle zu sagen: …. .», und ich verwandle dann die Wellenzeichnung in das W.

Of ik laat het kind zeggen: ‘WATER’, ik vertel hem hoe water beweegt (zie tekening). Ik Jaat hem dat weer schilderen en breng hem ertoe het begin van het woord ‘WATER’ te zeggen: ‘W . . .’; vervolgens vorm ik de tekening van het water om in de W.

GA 310 blz. 58 1

Indem ich dies immer weiter ausbilde, hole ich aus dem malenden Zeichnen und dem zeichnenden Malen die Schriftzeichen heraus, wie sie auch entstanden sind.

Doordat ik dit steeds verder ontwikkel, haal ik uit het schilderend tekenen en het tekenend schilderen de schrifttekens op de manier zoals ze ook zijn ontstaan.
GA 310/58-59
vertaald/61

voorbeeld 28

Man denke nur einmal an folgendes. Nehmen wir das Wort «Mund», im Englischen «mouth». Wenn Sie das Kind veranlassen, einen Mund zu zeichnen, aber malend zu zeichnen, Farbenkleckse hinmachen zu lassen mit roter Farbe, und dann das Kind das Wort aussprechen lassen und sagen: Nun sprich aber nicht das ganze Wort aus, sondern fange es nur an – M, und machen wir aus der Oberlippe  (siehe Zeichnung) allmählich dieses M, so bekommen wir aus dem Mund, den wir zuerst gemalt haben, das M heraus. So ist nämlich in Wirklichkeit die Schrift entstanden, nur sieht man es heute den Worten schwer noch an, daß die Buchstaben Bilder waren, weil die Worte alle im Verlaufe der Sprachentwicklung ver­schoben worden sind. Ursprünglich hatte jeder Laut eben sein Bild, und seine Bildmöglichkeit war eindeutig.

Denk eens aan het volgende: we nemen het woord  ‘mond’, in het Engels ‘mouth’. Wanneer we het kind stimuleren een mond te tekenen, maar schilderend te tekenen, met een klein beetje rode verf en dan het kind het woord laten uitspreken en zeggen: maar spreek nu eens niet het hele woord uit, maar alleen maar het begin – M, en  maken we dan van de bovenlip stilaan deze M; dan krijgen we uit de mond die we eerst geschilderd hebben de M.

GA 311 blz. 32

Zo is namelijk in werkelijkheid het schrift ontstaan, alleen zie je nu moeilijk meer aan de letters dat het beelden waren, omdat de woorden allemaal in verloop van de taalontwikkeling veranderd zijn. Oorspronkelijk had iedere klank zijn eigen beeld en wat er mogelijk was met het beeld was duidelijk.
Je hoeft niet terug te gaan op deze oorspronkelijke karakters, je kunt ze zelf bedenken. De leerkracht moet vindingrijk zijn; hij moet uit de aard van de zaak creatief zijn.

=

voorbeeld 29

Nehmen wir das Wort «Fisch», das ja auch im Englischen «fish» ist. Lassen Sie das Kind zeichnend, malend eine Art Fisch darstellen, lassen Sie den Anfang des Wortes sprechen: F, Sie kriegen nach und nach das F heraus aus dem Bilde.
 Und so finden Sie in der Tat für alle Konsonanten, für alle Mit­laute, wenn Sie erfinderisch sind, die Bilder, können sie aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen herausholen.

Laten we het woord  ‘vis’ nemen [Duits: Fisch] dat in het Engels dus ‘fish’ is. Laat het kind tekenend, schilderend een soort vis maken, laat het begin van het woord uitspreken: F. Je krijgt stap voor stap de F uit het beeld.

GA 311 blz. 32 2

Und so finden Sie in der Tat für alle Konsonanten, für alle Mit­laute, wenn Sie erfinderisch sind, die Bilder, können sie aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen herausholen.

En zo vind je inderdaad voor alle consonanten, voor alle medeklinkers, wanneer je vindingrijk bent, de beelden, je kunt ze tevoorschijn laten komen uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen.
GA 311/32-33
Vertaald/32

Rudolf Steiner zegt in deze laatste opmerking: ‘Als je vindingrijk bent’.
Zonder die vindingrijkheid is het een stuk lastiger om vrijeschoolleerkracht te zijn.
Hier vind je allerlei vindingrijkheid van collega’s over de hele wereld.
Bij het zien hiervan ligt ‘het gevaar’ op de loer, de letterbeelden maar over te nemen.
In een enkel geval is daar niets op tegen, maar bedenkt toch zelf de meeste; het verhaal waaruit je ze haalt is iets van jou met de klas.

voorbeeld 30

Man sagt zum Beispiel dem Kind: Sieh einmal, was ist das? (Es wird gezeichnet). Was wird denn das Kind sagen? Das Kind wird sagen: Das ist ein Fisch! Da wird es nicht sagen: Da erkenne ich nichts darin. Da drin (in dem Worte Fisch) kann es nicht sagen:
Da erkenne ich den Fisch wieder. Aber den Fisch erkennt es in dem Bild drin.
Nun sage ich: Sprich mir einmal aus «Fisch»; jetzt lasse weg das i und das spätere, sprich nur aus das F, womit der Fisch anfängt. Sieh einmal, jetzt werde ich dir das einfach aufzeichnen: F. – Ich habe also vom Fisch das F herausgegriffen. Das Kind malt zu­nächst den Fisch auf, bekommt dann das F heraus. Man muß es nur vernünftig machen, daß es nicht abstrakt ist, daß es aus dem Bilde herauskommt; dann lernt das Kind selbstverständlich gern. Das kann man bei jedem Buchstaben machen. Man muß sich das nur nach und nach aneignen.
.

Je zegt bijv. tegen het kind: ‘Kijk eens, wat is dit? (het wordt getekend) Wat zou het kind zeggen? Het zal zeggen: ‘Dat is een vis!'(Fisch)  Het zal niet zeggen: ‘Ik zie daar niets in. Daaruit (uit het woord vis) kan het niet zeggen: ‘Daar zie ik ook weer een vis in.’ De vis herkent het echter in het beeld. Nu zeg ik: ‘Spreek eens uit ‘vis’; laat nu de i en wat er volgt eens weg, spreek alleen maar de F, waarmee vis begint. Kijk die zal ik nu eens simpel voor je tekenen: F. – Uit de vis heb ik de F gehaald. Je moet het begrijpelijk maken, dat het niet te abstract is; het moet uit het beeld komen; dan leert een kind dat vanzelfsprekend graag. Dat kun je bij iedere letter doen. Je moet het je langzamerhand eigen maken.
GA 349/188
niet vertaald

GA 349 blz. 188  1

(1) uitg. 1989
(2) uitg. 1977

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

945-874

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Mergenthaler

 .

Ottmar Mergenthaler
.

Uitvinder van de zetmachine
.
Voor Coster, Gutenberg, Manutius en anderen was het een heel werk het zetsel te maken, daar zij iedere letter afzonderlijk op moesten nemen en de letters daarna op een rij zetten. Nog eeuwen lang na hun tijd kwam daar geen verandering in en zelfs nu* wordt dat soms nog gedaan; dan moet men ieder letterteken, iedere komma, iedere punt uit de letterkast halen, het zetsel naast elkaar zetten op de zogenaamde zethaak, die men in de andere hand houdt, tot de regel vol is, en zo voort; een omslachtig, tijdrovend proces.
In 1794, driehonderdvijftig jaar nadat het eerste boek in Europa was gedrukt, ontwierp een Engelsman, Harhan, een zetmachine, in 1806 deed Joseph Bramah een dergelijke poging, die echter mislukte en in 1822 nam een andere Engelsman, William Church, patent op een methode, om de letters sneller te zetten met behulp van een stel kastjes met groeven of sleuven. Telkens probeerden de drukkers weer andere methoden om de lettertypen vlugger te zetten en het zetsel vlugger te drukken, maar het wilde niet lukken.
Otto Mergenthaler slaagde er ten slotte in een zetmachine te construeren, toen hij anderen behulpzaam was geweest, die daartoe pogingen deden.
Mergenthaler werd geboren in Wurttemberg in 1854. Zijn vader was onderwijzer en zijn moeder stamde uit een onderwijzersgeslacht. Op zijn veertiende jaar kwam Otto op de normaalschool voor onderwijzers. Het duurde niet lang, of de jongen merkte, dat dit vak hem niet erg aanstond; hij was naar de normaalschool gegaan, omdat zijn ouders erop aandrongen. Toen hij er met hen over sprak en hun vertelde, dat hij er meer voor voelde met zijn handen te werken, vonden zij het best en deden hem onmiddellijk in de leer bij een horlogemaker in een dorp, dat een eind verder lag. Otto werkte met plezier bij zijn baas, tot hij achttien jaar werd, liet zich toen aanmonsteren op een schip, dat naar Amerika vertrok en ging naar een neef in Washington D.C., die instrumentmaker was. Bij zijn neef aangekomen, had hij slechts dertig dollar op zak. Hij bofte, want deze nam hem direct in dienst. Onder diens leiding leerde hij instrumenten maken, bestemd voor het Amerikaanse leger en de Amerikaanse vloot.
Toen Mergenthaler tweeëntwintig jaar was, kwamen er twee mannen in de instrumentmakerswerkplaats, die hulp vroegen bij het maken van een zeer accurate en ingewikkelde machine, waarmee men een gehele bladzijde kon zetten. Degeen, die de gedachten ontworpen had, was J. Clephane, een Schotse stenograaf en journalist, de ander een mecanicien, Charles Moore uit West-Virginia. De jonge Mergenthaler kreeg opdracht hun behulpzaam te zijn en in korte tijd slaagde hij erin een machine te construeren voor steendruk. De machine voldeed weliswaar in principe aan hun opdracht, maar de druk was nu eens duidelijk en dan weer een misdruk. Clephane was ervoor, de poging om een steendruk te maken te staken en het met stereotiep druk te proberen. Gevolg gevende aan de nieuwe opdracht maakte Mergenthaler nog in hetzelfde jaar een matrijsmachine, waarbij hij gebruik maakte van papier-maché. Toen begon de ellende opnieuw, want het zetsel bleef aan het papier-maché vastzitten en gaf een slecht afgietsel of in het geheel geen afgietsel. Mergenthaler kreeg voor zijn moeite drie aandelen in de maatschappij, die werd opgericht tot exploitatie van de machine en voelde zich bekocht. In het volgende jaar verkocht hij zijn aandelen voor zestig dollar. Later riepen de oprichters de hulp in van een bekend advocaat in Washington, G. Hine, die over voldoende geldmiddelen beschikte en zetten zij hun plannen voort. Mergenthaler werd er weer bijgehaald en stelde voor matrijzen te maken van de lettertypes op metalen staven. In 1884 construeerde hij een zetmachine, die in de praktijk zo uitstekend voldeed, dat een syndicaat hem daarvoor driehonderdduizend dollar bood. Terstond daarop werden er nieuwe en betere machines gemaakt en de New York Tribune was de eerste krant, die de regelzetmachine in gebruik nam. Mergenthaler werd aangetast door longtuberculose en ging eerst naar Saranac Lake en daarna naar New Mexico, in de hoop daar genezing te vinden in het droge klimaat; hij werd echter niet beter en stierf in 1899 op vijfenveertigjarige leeftijd. Zijn erfgenamen ontvingen ruim een miljoen dollar aan tantièmes.
De vernuftige zetmachine, die Mergenthaler uitvond, wordt heden ten dage* overal in de wereld door de dagbladen gebruikt. De
machinezetter slaat op een toetsenbord, dat veel heeft van een typewriter, de verlangde lettertypes aan, waardoor kleine koperen matrijzen of gietvormen vrijkomen, die naast elkaar op een regel komen te liggen. Hij sluit het zetsel of maakt spatie door middel van duplex wiggen, die tegen elkander aan drukken, zodat alle ruimte wordt aangevuld. Het gesmolten metaal, dat op de matrijzen vloeit, koelt snel af en vormt in gestolde toestand een regel zetsel. Daarna slippen de matrijsjes door middel van de inkepingen ter zijde automatisch weer in hun eigen vakjes.
941-871