Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (2)

 
Joop van Dam,  arts (nadere gegevens onbekend
.

Met vreugde in het nu aanwezig zijn
.

Wat zijn de momenten, waar je als individueel mens in de actualiteit staat, waar je in het nu present bent?

We kijken naar drie mogelijkheden.

Individueel

1.Dat gebeurt ten eerste in de zo genoemde “onbedoeld gelukte handelingen”. Een voorbeeld: een jonge leraar moet een koor gaan leiden. Maar hij is doodmoe, omdat zijn nog jonge baby de afgelopen nacht enkele malen heeft “gezongen”. Hij staat voor de kinderen en vraagt zich af hoe krijg ik met zo weinig energie dat koorzingen voor elkaar? En dan besluit hij: ik ga gewoon naar ze luisteren en daarvan genieten. Ze zingen en dan is het stil, wel een halve minuut. En dan zegt hij “wat mooi!” . Daarna zingen de kinderen de sterren van de hemel, want ze luisteren nu zelf ook naar elkaar. 

De spontane reactie op een levenssituatie (met name als je wil op de proef gesteld wordt en je niet uit routine kunt handelen) is een kort moment van “bij de tijd” geweest zijn. Je schiep even actualiteit. Wanneer je zo’n gebeurtenis middels de terugblik “oogst”, geeft dat je enerzijds een blije energie. Anderzijds geeft het een richtlijn voor de toekomst, want je kunt er meestal een algemeen inzicht uit winnen. Het in het bewustzijn brengen van deze Ik-activiteit werkt gezondmakend.

Het nu staat tussen verleden en toekomst in. Het verleden is klaar, het is aards geworden en heeft zijn vorm gekregen. De toekomst ligt nog open, staat bij wijze van spreken nog in de sterren. In de hemel liggen de mogelijkheden voor het handelen klaar en op een gegeven moment dient er een keus gemaakt te worden. Er is een mooi Engels gezegde:

Yesterday is history,
Tomorrow is a mystery,
Today is a gift,
That’ s why we call it present.

Dat wil zeggen, je moet datgene wat als mogelijkheid aangeboden wordt wel in ontvangst nemen. Je moet aanwezig zijn.

2. Er is een tweede mogelijkheid om dicht bij het moment te komen, waar mogelijkheden die in de geestelijke wereld klaar liggen, in de aardse situatie gerealiseerd worden. Dat ligt in de terugblik op het “wonder” , zoals het beschreven is in de voordracht “Was tut der Engel in unserem Astralleib?” [1]

Het gaat daar om het scheppen van het negatief: wat is er allemaal niet gebeurd. Het wonder, dat wat wél gebeurde, is het positief dat tevoorschijn komt tussen alle andere (niet werkelijk geworden) mogelijkheden. Uit de verschillende mogelijkheden werd er één gerealiseerd. Het blijkt, dat je elke dag wel een wonder kunt ontdekken. Als je dat eenmaal ervaren hebt, kijk je uit naar wat er de volgende dag zal gebeuren. Je raakt meer present.

3. Een derde mogelijkheid om actualiteit te ervaren is te vinden in het je terugherinneren van de top-ervaringen in je leven. De momenten waar je van top tot teen present was en beleefde: nu ben ik helemaal aanwezig en ben ik het meest mezelf.

Het lot brengt situaties, waar je (in de terugblik) kunt zien, wat het is waar je voor warm loopt, waar je eigenlijk voor gekomen bent op aarde.

In de zeventigerjaren lieten mensen, als protest tegen de kruisraketten die vanuit Amerika in Nederland geplaatst werden, zich aan de hekken rond de opslagplaatsen van die raketten vastketenen. Drie dagen en nachten lang brachten ze dan in barre omstandigheden door. En toch waren ze met vreugde present.

Vreugde is hier niet bedoeld als uitgelatenheid, maar als het beleven van een nieuwe energie en het overwinnen van de aardse zwaarte. Topervaringen zijn de momenten, waar iets nieuws in je begint.

Het gaat in alle bovengenoemde handelingen om de terugblik. De terugblik is bij uitstek een oefening van het Ik, van de individuele mens. De terugblik, die zoekt naar het wezenlijke dat in de afgelopen dag heeft plaatsgevonden, is voorbereiding voor de daarop volgende nacht.

In elke nacht vindt op een ander niveau opnieuw een terugblik op de dag plaats. En de vragen, die overdag je bezighielden, werken door. De mens is dan in een andere situatie, zijn hogere wezen wordt vergezeld door de individuele engel, die bij hem hoort. Door dat samenzijn schijnt licht op wat zich heeft afgespeeld en op de gestelde vragen. De engel verheldert de lotsgebeurtenissen en laat als het ware de mogelijkheden voor de toekomst zien. Wat op deze manier als gesprek tussen de mens en zijn engel in de nacht heeft plaatsgevonden kan bij het ontwaken niet in het gewone dagbewustzijn meegenomen worden, maar het kan zich wel bemerkbaar maken. Het werkt door in die laag van onze ziel, die eigenlijk altijd in de nacht gehuld is: in onze wil. In het denken zijn we wakker, het voelen heeft altijd de bewustzijnskwaliteit van het dromen. En als we willen, duiken we in het doen onder en verliezen het wakkere bewustzijn. Pas na afloop kunnen we waarnemen of het goed was wat we deden.
Maar de slapende wil kan als wilsintentie zich toch uiten, vooral wanneer er in de nacht iets heeft plaatsgevonden. Dan maakt de engel zich overdag bemerkbaar.

De onbedoeld gelukte handeling kun je beschouwen als een korte dialoog met de engel. Het wonder is een gelukte en wel bedoelde handeling van de engel zelf! En in de topervaringen ben je (door je engel begeleid) in levenssituaties terecht gekomen, waar je je realiseren kon: hiervoor ben ik eigenlijk op aarde gekomen. Hier wordt duidelijk wat ik belangrijk vind en wat ik eigenlijk wil.

Als je dag en nacht met elkaar kunt verbinden, dan ben je actueel. Je probeert in gesprek te komen en te blijven met je engel.

In het nu present zijn met een groep

Kun je als gemeenschap (een levens- of werkgemeenschap zoals een school, een therapeuticum, een boerderij, een heilpedagogisch instituut of een opleidingsinstituut) ook actueel en bij de tijd zijn? Kun je er waakzaam voor zijn, of je de dingen doet, die nu door deze gemeenschap mogelijk zijn? En kun je daarmee voorkomen, dat je bezigheden ontplooit, die twintig jaar geleden met recht gedaan werden, maar die nu niet meer passend of zelfs
ontwikkelingsremmend zijn? En kun je de valkuil vermijden, dat je activiteiten onderneemt die nog niet aan de orde zijn en waar de tijd misschien over twintig jaar rijp voor is?

Een gemeenschap kan de doorgangspoort zijn voor impulsen, die boven de individuele vermogens uitgaan en die door wezens gedragen worden, die het persoonlijke overstijgen. Het persoonlijke, individuele, is verbonden met de wereld van de engelen. Bij gemeenschappen kunnen hogere wezens werken. Aartsengelen kunnen zich met groepen verbinden. Als mensen zich samen voor iets inzetten, gezamenlijk als het ware een kring of een schaal voor een hoger doel vormen, dan kan een wezen uit de rangorde van de aartsengelen helpen, dat de mensen steeds nader tot elkaar komen. Hij zorgt voor de verbinding en de communicatie tussen de mensen

Hoe kan een gemeenschap actueel zijn?

Weer kun je zeggen: door als groep met vreugde in het nu aanwezig te zijn. Ik wil enkele voorwaarden beschrijven, die naar mijn ervaring belangrijk zijn.

Om te beginnen moet er leven in de brouwerij zijn, het moet zoemen op de werkvloer. En als er dan ook nog duidelijke ritmen zijn (een gezamenlijke dagopening, bepaalde dagen in de week, die een speciale telkens terugkomende kleur hebben, jaarfeesten enz.), tijdsvormen waarop je rekenen kunt, dan is er een levend organisme. In antroposofische terminologie: de gemeenschap heeft dan een gezond etherlichaam, waarin een hoger geestelijk wezen wonen kan.

Maar een gemeenschap heeft ook een ziel, een astraallichaam. Door het astraallichaam kun je de wereld waarnemen. De ontvankelijkheid van de ziel van een gemeenschap wordt bepaald door het vermogen van de leden van deze groep om met elkaar te communiceren. In een gemeenschap die open wil zijn voor impulsen van “boven” is het belangrijk dat het waamemingsorgaan voor deze impulsen niet door “ruis” gestoord wordt. Dat wil zeggen: je moet niet verhard geworden zijn ten opzichte van elkaar of allergisch, waardoor je ophoudt te communiceren. Als men zich doof opstelt ten opzichte van elkaar zal het gezamenlijke gehoororgaan voor dat wat de gemeenschap zou kunnen inspireren ook op bepaalde plekken verstopt zijn en niet in staat om waar te nemen wat van buiten naar binnen wil komen.
Vaak is het vruchtbaar om samen waar te nemen. Dat kan in de natuur zijn: de kleur van een edelsteen of de geur van planten of het geluid of de beweging van dieren. En dan elkaar vertellen, wat je opgevallen is. Bij een zo onbevangen mogelijke waarneming blijken de indrukken van de diverse deelnemers met elkaar samen te klinken of elkaar aan te vullen. Je merkt dat je samen tot een completere ervaring komt en dat je verrijkt wordt doordat de ander er is. Dit soort waarnemingsoefeningen verfrist en harmoniseert niet alleen de ziel van de enkeling, ook de ziel van de gemeenschap wordt er bewegelijker en ontvankelijker door.

Verwarmend en bezielend is het samen kijken naar kunst. Soms kan een vraagstelling een gezamenlijke zoekrichting geven. Bij Van Gogh bijv.: wat is bij portretten (de vroedvrouw, de postbode, de vrouw uit Arles) rondom de hoofden waar te nemen? Of bij Nolde: wat doen de kleuren? Na afloop van het kijken en het elkaar opmerkzaam maken is ieder afzonderlijk in een andere lichamelijke en innerlijke toestand gekomen. Men voelt zich in beide gebieden gevoed. Maar ook is er in de gemeenschap iets nieuws ontstaan. Als het gelukt is om objectief in het verwoorden van wat je ziet te zijn en je zo veel mogelijk je mening hebt teruggehouden, dan heb je een gezamenlijk werk gedaan. En zonder dat je er veel erg in had heb je ook de ander in zijn innerlijke bewegingen waargenomen.

Het waarnemen op zich is een ‘jonge’ bezigheid. Een klein kind is er goed in. Het zit nog niet met oordelen zich zelf in de weg. Als het met natuur- of kunstwaarneming lukt om uit de oordeelssfeer weg te blijven dan wordt iedereen weer jong. Dan is er geen verschil meer tussen de academicus en de praktisch werkende, tussen jong en oud, tussen man en vrouw. Dan begint iedereen weer opnieuw, wordt als het ware weer opnieuw geboren. Dat houdt in dat je open bent voor wat er op jou en de gemeenschap toe komt. Je oefent samen de onbevangenheid.

Nog een stap verder in het harmoniseren en verrijken van de ziel van een gemeenschap wordt gezet, wanneer een vorm van intervisie wordt gepraktiseerd, waar men zijn zorgen, problemen en mislukte handelingen met elkaar deelt. Het elkaar vertellen van de onbedoelde gelukkige (of gelukte) handelingen wekt vreugde en geeft vitaliteit. Het de ander deelgenoot maken van je spanningen, je verdriet, je mislukkingen heeft een heel andere werking. In de eerste plaats brengt iemand daarmee tot uitdrukking, dat hij beseft, dat je alleen in ontwikkeling komt door de ontmoeting met andere mensen. Dat het een illusie is te denken dat je alles alleen op kunt knappen. Wanneer je jezelf ter discussie durft te stellen in een groep geef je daarmee tevens te kennen, dat je het vertrouwen hebt, dat de mensen van die groep zorgvuldig en kuis met je probleem om zullen gaan. Dat ze niet je integriteit in twijfel trekken. De veiligheid in een groep wordt gewaarborgd wanneer er inclusiviteit heerst, dat wil zeggen: dat jouw probleem op het moment dat je het inbrengt het probleem van iedereen in de groep wordt. Dat is het samen oefenen van de positiviteit.

Alles wat tot nu toe beschreven is heeft betrekking op het onderlinge verkeer, het horizontale element. Een gemeenschap behoeft echter ook het verticale element, dat wat als doelstelling (als missie) alle mensen verenigt. Een gemeenschap kan nooit om der wille van de gemeenschap bestaan. Er moet zo te zeggen een ster boven de gemeenschap staan Deze missie is het Ik van de gemeenschap.

Net zoals het individuele Ik zich telkens moet vernieuwen, in ontwikkeling moet blijven, zo moet ook de gemeenschap zich regelmatig op haar missie bezinnen. De missie moet met de actualiteit te maken hebben.

Eén van de manieren waarop een werkgemeenschap het licht brandende kan houden, is het doen van een onderzoek samen. Dat kan een eenvoudig thema zijn, het gaat er om goede vraagstellingen te vinden. Lang geleden heb ik in mijn praktijk voor me zelf het thema gehad: kan ik aan de handdruk van de binnenkomende patiënt voelen, hoe het met hem of haar gaat? Later kwam in het lerarencollege van de school, waar ik schoolarts was iets soortgelijks aan de orde: wat kun je aan het handen geven van de kinderen merken? Elke week stelden we een nieuwe vraag, waar alle leraren dan een hele week waarnemend aan werkten. Na een week herkenden we verschillende kwaliteiten: slap/krachtig, droog/nat, warm/koud, voor in de hand/achter, kort of lang vasthouden. Volgende vraag: wat verandert er in de loop van de kleuterklas tot eind bovenbouw? Is er een verandering tussen de handdruk ’s ochtends en bij het weggaan? En heb je daar invloed op? Zes weken lang heeft het college telkens met een andere vraag geleefd en is iedereen benieuwd geweest wat de ander gevonden had en is de ontmoeting met de kinderen anders geweest. De gemeenschap is er door versterkt en iedereen is frisser, vitaler geworden. Tenslotte was er een nieuw inzicht gewonnen, dat aan anderen overdraagbaar was.

Een gemeenschap die zich niet aldoor vernieuwt door gezamenlijk nieuwe dingen te vinden, sterft. De mensen van het begin van de 21e eeuw zijn niet meer zo vitaal als de mensen het 50 jaar geleden waren. Toen konden velen nog 24 uur per dag en als het moest 7 dagen per week beschikbaar zijn. Thans is vrijwel iedereen door haast, door de vele shockerende gebeurtenissen, door een verstoord milieu, ongezonder geworden. Daarom is wat vroeger kon nu niet meer mogelijk. En het moet ook niet meer. Maar door het samen onderzoek doen kun je de individuele vitaliteit weer verhogen. Het is aan de tijd om als gemeenschap actief in ontwikkeling te zijn door initiatief te nemen in het verfrissen en vernieuwen van je gezichtspunten.

Heel vaak vormt dit soort activiteiten de sluitpost in de planning (en ook in de financiële begroting). Eerst moeten allerlei verplichtingen, administratieve taken, controles enz., voor de overheid verricht worden. Dodelijk vermoeiend! Maar je kunt dezelfde taken ook verbinden met een eigen vraag (in de observatie bijv. van het unieke van elk kind of in het je herinneren van wat je zelf hebt gedaan in de onbedoelde gelukte handelingen) en dan geeft hetzelfde werk (maar met een extra gezichtspunt gedaan) energie! Het extra vreet niet kracht, maar het geeft kracht.

Hoe kun je met vreugde als tijdgenoot present zijn?

Om deze laatste stap te doen vertel ik kort de inhoud van een artikel, dat ruim 15 jaar geleden in het weekblad van de Nederlandse artsen Medisch Contact verscheen. Prof. Marco de Vries, patholoog-anatoom schrijft over enkele wondergenezingen die hij in zijn archief heeft gevonden. [2]

Een vrouw, 64 jaar, ligt in een verpleegtehuis. Veertien jaar tevoren heeft ze een operatie aan de borst ondergaan wegens carcinoom, nu heeft ze een sterk vergrote lever vol metastasen, elke twee weken moet vocht uit de buik worden afgetapt, ze is volgens iedereen aan haar laatste levensweken bezig. Op een dag zit ze op de rand van haar bed als haar man op bezoek komt en zegt: ik wil naar huis terug, hier ga ik alleen maar dood. De zuster die de man op de gang was tegengekomen had gezegd: “Uw vrouw is niet meer zo aardig en meegaand als vroeger.” Ook de man merkte een houdingsverandering en zei: “Zo was ze niet opgevoed.” De man ging op de wens en het besluit van de vrouw in en zorgde dat er hulp thuis kwam, zodat ze het samen aankonden. De patiënt mocht voor de buikpuncties (elke twee weken) in het verpleegtehuis terugkomen. Ze kwam eerst na drie weken terug, toen na zes weken en daarna helemaal niet meer. Het verslag werd 10 jaar later geschreven, de lever was in grootte teruggegaan er was geen ascites meer en de vrouw was gezond.

Wat was er bij deze uitzonderlijke genezing gebeurd?

In de eerste plaats was de vrouw autonoom geworden. Ze had gezegd: hier zal ik doodgaan, maar ik doe het anders. Ik doe niet aan de gebruikelijke statistiek mee, ik ga mijn eigen weg. Ze maakte van een gesloten systeem, waar uitsluitend naar voorspelbaarheid op het biochemische vlak werd gekeken, een open systeem waar haar zingeving en wil naar de toekomst een rol speelden. Doordat ze met het Ik intensief present was, veranderde het ziekteverloop. Maar er gebeurde nog iets anders en daarom vooral vertel ik dit verhaal.

Haar man zei “ja” op haar besluit en maakte deze nieuwe instap voor haar mogelijk. Hij stond garant voor de ontwikkeling van de ander.

Deze publicatie deed 15 jaar geleden in de medische wereld nogal wat stof opwaaien. Thans is het idee, dat iemand door zijn innerlijke instelling het verloop van ziekte kan beïnvloeden. al veel meer vertrouwd geworden, (al is het bovengenoemde voorbeeld een uitzondering). Het is een nieuwe mogelijkheid, die pas in de twintigste eeuw bewust is geworden en nog maar sinds kort concreet in de praktijk gebracht wordt.

Het autonoom worden hoort bij het individualiseringsproces, dat een belangrijke rol speelt in het huidige maatschappelijke leven. Iedereen moet in de gelegenheid zijn om zichzelf te ontwikkelen.

Nóg nieuwer is het streven garant te willen staan voor de ontwikkeling van iemand anders. Dat berust op een nieuw besef: dat de mensen in hun ontwikkeling afhankelijk zijn van elkaar. Een ander mens helpt mee aan jouw ontwikkeling. Je kunt het niet alleen. Maar ook omgekeerd: je kunt meewerken aan de ontwikkeling van andere mensen. Je kunt je daarvoor ïnzetten (zoals de echtgenoot van de zieke vrouw uit het verpleegtehuis dat deed). Je kunt daarvoor ruimte maken. Uiterlijk, maar vooral ook innerlijk.

Het voorbeeld, dat me daarbij altijd weer in herinnering komt is Nelson Mandela, die bij het verlaten van de gevangenis (na 26 jaar) zei: ” Ik heb mijn bewakers vergeven”.
Vergeven is een vorm van geven. Mandela, die een nieuwe levensfase inging, maakte zo ruimte voor de mensen die hem aldoor bewaakt hadden, dat ze ook een nieuwe ontwikkeling konden beginnen. Door hen te vergeven.

Het vergeven is een nieuw principe, een jong vermogen in de mensheid. Vroeger – en ook thans nog heel vaak – was het “oog om oog tand om tand”. Dat was het voorchristelijke maatschappelijke principe. Sinds het begin van het Christendom is het principe van de vergeving mogelijk. Anders gezegd: het een ander lief te kunnen hebben als je zelf.

Nog anders gezegd: de ontwikkeling van een ander net zo belangrijk te vinden als je eigen ontwikkeling.

Daarmee hangt samen, dat in de twintigste eeuw ook een nieuw bewustzijn is ontstaan over de werkzaamheid van het lot. Over karma en reïncarnatie.

Vroeger bestond het bewustzijn van reïncarnatie vooral in het Oosten. Het hindoeïstische kastensysteem was alleen te verdragen als je de tijdelijkheid ervan in één incarnatie kon zien. In het boeddhisme kende men de reïncarnatie als het rad van de wedergeboorte en hoopte dat dit spoedig zou eindigen en men in het Nirwana zou komen. Weg van de aarde. Eindigen van het karma.

Maar sinds de negentiende eeuw al kwam er een ommekeer, met name in het Westen. Henri Ford was overtuigd van de werkelijkheid van de reïncarnatie. Hij verlangde naar ervaringen, waardoor hij zich kon ontwikkelen. Dat konden alleen aarde-ervaringen zijn, waar weerstanden overwonnen dienden te worden. Daarvoor was één leven niet genoeg. Wat zich ontwikkelt is het Ik, dat reïncarneert. Maar het heeft het karma op aarde als uitdaging nodig.

Deze nieuwe instelling tot het lot leidde tot nieuwe inzichten in de twintigste eeuw. Rudolf Steiner bracht een uitbreiding van de gezichtspunten over het karma, omdat hij waarnam, dat de mens in de twintigste eeuw tot nieuwe daden in staat was.

Het karma heeft niet alleen het aspect van het verleden – vorige aardelevens, die ons een bepaalde constitutie bezorgen, die ons vermogens maar ook onvermogens geven, gebeurtenissen die het lot arrangeert maar het heeft ook met de toekomst te maken. In de wijze waarop we met de lotsgegevens omgaan, scheppen we nieuw karma. Het karma uit het verleden noemt Steiner het maankarma, het overkomt ons. In het scheppen van het nieuwe karma, door Steiner het zonnekarma genoemd, is de zon opgegaan.

We zien de wereld om ons heen in vrijheid. Maankarma en zonnekarma zijn niet los van elkaar. Het verleden en de toekomst ontmoeten elkaar in het snijpunt van het nu. En daar speelt zich het lot in het bewustzijn af. We kunnen de situatie die we aantreffen als kans, als iets wat ons wordt aangeboden, waarnemen. Onze constitutie, onze al dan niet begaafdheden, maar ook de gebeurtenissen die op ons toekomen, kunnen we als mogelijkheden, als opstap beschouwen.

“Today is a gift, that’s why we call it present”.

Het gaat niet alleen om het aflossen van een schuld van vroeger of het aanvullen van een tekort (om het afrekenen met het verleden), maar de mogelijkheid bestaat om nieuwe kiemen te leggen, om iets nieuws, iets extra’s te scheppen.

Dat is mogelijk geworden door twee feiten. Rudolf Steiner heeft die twee gegevens waargenomen. Hij heeft het niet uitgevonden of bedacht, maar gezien, dat er nieuwe potenties waren in de mensheid.

Het eerste gegeven is, dat het bewustzijn van alle mensen is gegroeid. Het Ik is in functie getreden en kan creatief handelen. Niet alleen bij enkelingen, bij iedereen en mondiaal. De bewustzijnszon van de individuele mens is gaan schijnen. Dat is de vrucht van het individualiseringsproces.

Het tweede feit is dat er in de mensheidsgeschiedenis veranderingen zijn opgetreden. Het tijdperk van Mozes met de stenen tafelen met de tien geboden en het principe “oog om oog en tand om tand” is afgelopen. Het heeft plaats gemaakt voor de komst van Christus, die het principe van het vergeven bracht en die voor het mensen-Ik nieuwe mogelijkheden heeft geschapen. Het met Christuskracht vervulde Ik wordt wakker voor zijn medemens. Het individualisme moest bereikt worden. Het hoort bij deze tijd. Het krijgt zijn zinvolle vervolg in het “Heb uw naaste lief als u zelf”.

Door de Christuskracht kan de individuele mens er naar streven zich met steeds meer mensen te verbinden. Veel hangt ervan af, hoe men vanuit de eigen kern handelt. Of men voor zichzelf daden verricht of probeert deel te zijn van een groter geheel. Men kan zijn handelen in dienst stellen van een gemeenschap, en die kan steeds groter worden. Eerst de eigen groep, dan het instituut, dan de heilpedagogische beweging als zodanig.

Tenslotte kan men zijn werk in dienst stellen van een tijdperk. Dan is de groep voor wie men werkt zo groot geworden als de mensheid. Dan kan de inspiratie van een nog hoger wezen dan een aartsengel komen. De tijdgeest kan werkzaam worden.

Door te leven met de vragen van de tijd creëer je een nieuw netwerk. Je legt verbindingen met andere mensen in de wereld- Dat net is geweven uit nieuwe draden. En die nieuwe draden zijn geweven uit het besef, dat het sociale leven op karmawetten berust. Maar het is een karmarealiteit, die geen gesloten systeem meer is, maar een open systeem is geworden. De individuele mens kan er initiatieven in nemen en de andere mens kan daarop ingaan door er ruimte voor te maken of er aan mee te doen.

Je kunt met vreugde als tijdgenoot in het nu present zijn door vanuit het nieuwe bewustzijn voor het karma te werken. Dat is in het algemene leven van betekenis, maar het is ook mogelijk in de diverse sectoren van het leven, in de pedagogie, in de geneeskunde en zeker in de heilpedagogie.

Je kunt je altijd afvragen bij de kinderen waarmee je werkt en die problemen hebben: hoe kan ik dit leven vanuit het karma begrijpen? Wat is het kind van plan, wat is de bedoeling van zijn hogere wezen om zich met deze handicap te willen uiteenzetten? Dat is een vraag, die vooral naar de toekomst is gericht. Welke krachten worden in deze stuwing, die door de belemmering wordt veroorzaakt, gewekt? Eventueel zullen die krachten pas in een volgend leven gebruikt kunnen worden. En in die zin is het werken met de karmagedachte het werken met de krachten van de hoop op de toekomst.

Samenvattend: wanneer je in de individuele terugblik zoekt naar de onbedoeld gelukte handelingen, wanneer je als gemeenschap door onderzoek je telkens vernieuwt, en wanneer je als tijdgenoot door het nieuwe venster van het karmabewustzijn naar het leven probeert te kijken, dan kun je met vreugde in het heden present zijn. Daarmee ontstaat de mogelijkheid, dat een verbinding gelegd wordt met de individuele engel, met een wezen uit de aartsengelenwereld en tenslotte met de tijdgeest.
.
[1] GA 182/138  
Vertaald en hier te lezen
[2] Prof. Dr. MJ.de Vries, “Crisis en transformatie, lessen van wonderbaarlijke patiënten”, Medisch Contact. 13 juni 1986.   Hier als boek.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkrachtalle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5).
.

940-870

.

.

VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

VRIJESCHOOLONDERWIJS op Wikipedia

Wat zegt Wikipedia over zichzelf:

‘De artikelen in deze encyclopedie worden geacht een neutraal standpunt uit te dragen. Wikipedia is in principe door iedereen te bewerken. Dat is ook een van de redenen dat Wikipedia geen garantie voor de juistheid en evenwichtige kwaliteit van de informatie kan geven. Daarnaast is, door het open karakter van het project, de kans op vandalisme altijd aanwezig’.

Het artikel ‘vrijeschoolonderwijs’ is voor het grootste deel geschreven door dezelfde figuur die vanaf deze blog – zonder mijn toestemming – dus gestolen – vele artikelen op een eigen blog heeft geplaatst.

Over het betreffende artikel.

VRIJESCHOOL – Organische bouw (6-2/2)

.

B.C.J.Lievegoed, Jonas 23 11-07-1980
.

grondslagen voor een levende bouwkunst (2)

In Jonas 22 liet Prof. B.C.J. Lievegoed in het eerste deel van een door de redactie van Futura bewerkte voordracht zien hoe in onze westerse bouwkunst de kristallijne vormen overheersen en er nog weinig gebruik gemaakt wordt van organische vormen, dat zijn vormen die ontstaan wanneer we het element van de beweging in de ruimte laten binnentreden. Prof. Lievegoed ziet dit als een kwestie van ontwikkeling van de cultuur: vanuit een oorspronkelijke mythologisch bewustzijn ontstond de behoefte aan het ontwikkelen van het ‘kristallijne’ denken. Naar de toekomst toe zal echter de behoefte aan beweeglijkheid ontstaan, nu we in de kristallijne vormen aan een eindpunt gekomen zijn.

Prof. Lievegoed gaf voorts een beeld van de invloed die ruimtelijke vormen op het innerlijk beleven van de mens hebben. Dit gaat via de waarneming, dus via de zintuigen. Rudolf Steiner onderscheidde twaalf zintuigen, waarvan de zogenaamde haptische, dat zijn zintuigen die de waarnemingen voornamelijk via het onderbewustzijn op de mens laten in­werken, in dit geval het belangrijkst zijn. Het is dan natuurlijk interessant om na te gaan wat bepaalde vormen aan ons doen en waar­om.

Wat bepaalt nu de werking van een bouwwerk? Hoe komt het dat bepaalde vormen een bepaalde invloed hebben op de mens? Er zijn twee begrippen die hier een belangrijke rol in spelen en waar ik nog wat nader op in zou willen gaan. Dat zijn de begrippen ritme en metamorfose.

Ritme

Ritme ontstaat daar waar twee polariteiten elkaar ontmoeten. Bijvoorbeeld: wind, die beweegt en water, dat een grotere traagheid heeft ontmoeten elkaar; de wind strijkt over het water en er ontstaat een golf. Overal waar beweging en traagheid elkaar ontmoeten, ontstaat ritme. Ritme is de grote scheppende kracht in het universum; het is een van de belangrijkste verschijnselen van het leven. Alle processen van opbouw en afbraak immers, zijn ritmische processen.

Sinds een jaar of twintig bestaat er een ‘Internationale Gesellschaft für Rythmusforschung’, [ik kon geen concrete informatie vinden, wel een aantal publicaties waaronder deze] waarin juist die samenhang van levensverschijnselen van ziekte, gezondheid en ritme worden onderzocht. Daar is inmiddels al belangrijke literatuur over. Verschijnselen als ritme in de arbeid, ritmische processen in de mens gedurende het etmaal, zijn overigens voldoende bekend.

Ritme is ook een van de belangrijkste organisaties van de ruimte. Overal waar ruimte en tegenruimte elkaar ontmoeten, ontstaan ritmische vormen.

Ritme is iets anders dan maat. Maat is een herhaling van een element, is een repetitie. Maat in muzikale zin wordt bijvoorbeeld aangegeven door de metronoom, een puur mechanisch ding. Maat nemen we ook waar, wanneer we een lange gevel zien met daarin dertig ramen, allemaal precies op gelijke afstand van elkaar. Ook dan nemen we een mechanische gebeurtenis waar.

Ritme daarentegen is levend, heeft versnellingen en vertragingen; ritme vertoont telkens kleine afwijkingen. Dat zien we zelfs in de omloop van ons planetenstelsel: geen jaar is precies even lang als een ander.

De hele kosmos zit vol ritme en het hele leven bestaat uit ritme. Maat, de zuiver wiskundige maat, werkt negatief op het leven, omdat het ritme gedwongen wordt zich er aan aan te passen.

Een van de vermoeiende dingen van een lopende band is, dat men voortdurend gedwongen wordt z’n eigen ritme te doorbreken en aan de machinemaat aan te passen. Daarom is werken aan de lopende band oneindig veel vermoeiender dan werk wat op zichzelf misschien wel veel inspannender is, maar waarbij men z’n eigen tempo, z’n eigen  ritme kan volgen.

Dit geldt ook voor gebouwen: wanneer we een gebouw zien of een ruimte beleven, dan zouden we een ritmisch evenwicht moeten ervaren, dat in overeenstemming is met onze eigen levensprocessen. Hier kom ik op het begrip van de metamorfose.

Metamorfose

De metamorfoseleer, reeds ontwikkeld door Goethe, zou men kunnen karakteriseren als een beschrijving van de procesmatige ontwikkeling van het leven. De ene vorm komt uit de andere voort, er is als het ware een beweging van de ene vorm naar de andere.
We kennen dat proces ook uit de plantenwereld, een proces dat uitgaat van het kiemblad, zich terugtrekt, steeds kleiner wordt en dan weer in de bloem tevoorschijn komt. De bloem trekt zich dan tenslotte in de zaadkorrel weer samen. Goethe sprak hierbij over ‘Metamorfose und Steigerung’. Een opeenvolging van verschijningsvormen, waarbij elk volgend blad een verdere uitwerking is van het vormprincipe van de plant.

Metamorfose zelf is een muzikaal principe. Wanneer we in de muziek een interval horen, bijvoorbeeld de drieklank c-e-g, dan beleven we de spanning tussen die verschillende tonen, nemen als het ware de beweging waar van de ene toon naar de andere.

In de bouwkunst hebben we met datzelfde principe van intervallen te maken. Wanneer je met het oog langs een gebouw gaat, van beneden naar boven langs de ramen op de verschillende verdiepingen of langs een rij of een groep ramen, dan ben je met je tastzin bezig dat af te tasten. Dat heeft innerlijk een enorme invloed, zoals ik reeds heb uiteengezet.

Het kan zijn, dat je alleen maar een repetitie ziet van steeds dezelfde elementen; dan is er geen ritme en geen metamorfose. Maar het kan ook zijn dat de ramen naar boven toe steeds iets veranderen, zodat je een gebeuren krijgt van beneden naar boven toe. Een gebeuren dat kan werken alsof je een drieklank aanslaat. Dat is een metamorfose, waarin de vormen zich uit elkaar ontwikkelen, met net als in de drieklank, intervallen of spanningsvelden tussen de verschillende vormen.

Zodra je een bouwwerk ziet dat voor je gevoel een zekere kunstzinnigheid heeft, dan is vanuit het kunstzinnig aanvoelend vermogen van de architect een dergelijk muzikaal element in het geheel ingebouwd. Soortgelijke metamorfosen kennen we ook uit de natuur, denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde wervelstraat, die men vindt in stromend water waar een stok in staat, of wanneer men rook door een ruimte laat stromen. De eerste vormen daarin zijn nog vaag en elke vorm is een verandering ten opzichte van de vorige. Hier toont de natuur ons een metamorfose van vormen, die echter op zich nog mathematisch zijn. Ze zijn nog volkomen te berekenen, behalve dan dat ze in de natuur nooit zuiver in hun mathematische vorm voorkomen, maar altijd met kleine afwijkingen. Rationeel denkend zeggen wij: er zijn altijd storingen. Maar die storingen zijn essentieel voor het leven!

Wanneer men een bouwwerk wil maken voor mensen, dan moet men bedenken dat het om levende mensen gaat, die in beweging zijn. Wanneer we door een lange gang lopen, kunnen we verschillende dingen ondergaan.
Er zijn gangen die een verschrikking zijn om doorheen te gaan. De mens die daar doorheen loopt, wordt gestoord in zijn levensritme en dat beleeft hij, al dan niet bewust, als onaangenaam.
Diezelfde gang kan zonder veel meerkosten zo worden gebouwd, dat er kleine verschillen in ontstaan, dat er verschuivingen plaatsvinden. Die verschuiving moet natuurlijk niet willekeurig zijn, die moet zinvol zijn en voldoen aan muzikale eisen. Als je muzikaal bent en je loopt door een gang die werkelijk organisch gebouwd is, dan is het alsof je een stuk muziek hoort; dan maak je hetzelfde door als wanneer iemand muziek gemaakt zou hebben.

Ook een mens maakt in z’n leven een aantal metamorfosen door. Het is daarom voor hem van zeer groot belang, dat hij vormen om zich heen heeft die hem daarin, in dat proces van z’n leven, begeleiden.

Het oog dat langs de gevel van een gebouw gaat, zou eigenlijk, wanneer het gebouw werkelijk interessant, levensvriendelijk is, een zeker ritme, een zekere metamorfose moeten beleven, zou er ook een stuk intervallenreeks in moeten vinden, zodat het geheel wordt tot iets wat hem wat zegt. Wanneer een gebouw daar aan voldoet, kan het werken op de menselijke ontwikkeling. Als je vaak door een bepaalde ruimte moet, kun je iets ondergaan waardoor je beweeglijk wordt, creatief of, in het tegenovergestelde geval, je ondergaat een zekere verstarring die je creativiteit kapot maakt.

Wanneer men in het eerste Goetheanum kwam, dan kwam men in een ruimte met een aantal zuilen en een aantal vensters. De motieven van de sokkels werden begeleid door die van de architraven erboven. Elke zuilvorm ontwikkelde zich in een metamorfose uit de vorige zuil. Daarboven werd de spanning ertussen in een vorm gebracht die als het ware die metamorfose zichtbaar maakte. De ruimte was een muzikaal gebeuren, als men daarbinnen kwam, dan had men het gevoel in een machtige orgeltoon te komen, een orgeltoon die ontstond wanneer men van de ene zuil naar de andere ging. Langzamerhand werd de klankfiguur dan steeds rijker en geweldiger. De bedoeling van Steiner was, dat de mens door deze ruimte heen zou lopen, in de richting van een groot beeld dat aan het einde van de dubbelkoepel stond. Dit was de beeldengroep van de
‘Mensheidsrepresentant’, die worstelt om het evenwicht te bewerkstelligen tussen de machten van licht en duisternis. Op weg naar dat beeld, maakte men een bepaalde ontwikkeling, een metamorfose door, ook wanneer men zich dat niet bewust was.

Het organisch-functionele

Nog een laatste punt wil ik in dit kader bespreken en dat is het functionele, het organisch -functionele van een gebouw.

Kijken we eerst naar de elementen afzonderlijk, bijvoorbeeld een raam. Datgene wat men van de buitenwereld ziet wanneer men door dat raam kijkt, wordt bepaald door de vorm ervan. Moet dat nu altijd de vorm van een zoutkristal zijn, een rechthoek of een vierkant?
Lijsten om iets heen, en dat geldt ook voor schilderijen, zouden zo gemaakt moeten worden dat datgene wat ze omlijsten als een levend iets naar voren komt. Er zou altijd gezocht moeten worden naar een evenwicht tussen omlijsting en datgene wat er doorheen gezien wordt. Eigenlijk zou je voor ieder uitzicht een eigen venster moeten maken! Dat kan natuurlijk niet, want we hebben ook te maken met het gebouw als totaliteit, zoals we er van de buitenkant tegenaan kijken. Zo betekent elk venster een compromis. Een compromis tussen wat we van binnenuit zouden willen en wat van buitenaf mogelijk is. Natuurlijk moet het niet een maniertje worden, in de trant van: ‘als ik maar ergens een schuine lijn aanbreng, of een afgeronde hoek maak, dan bouw ik organisch’. Het is ook niet de bedoeling dat je organische vormen uit de natuur nabootst, zoals een eiken-of lindenblad of iets dergelijks, nee, zelf creatief zijn, zelf nieuwe organische vormen scheppen.

Wat bedoelt men te zeggen met een bepaald gebouw? Moet een gebouw – als conceptie – aan de buitenkant uitdrukken wat er binnen gebeurt? Over het algemeen wil de opdrachtgever een gebouw hebben dat een bepaalde kwaliteit uitdrukt. Tegenwoordig maakt men vaak gebouwen waarvan men dat aan de buitenkant niet meer kan zien. Die gebouwen zijn niet functioneel in de zin die ik daaraan geef, ze zijn niet organisch-functioneel. Het is bijzonder moeilijk om gebouwen zo te ontwerpen. Want niet alleen hebben we altijd te maken met een geheel van gebouwen, ofwel met een ‘architectonische ecologie’, maar ook is het zoeken naar de vorm zelf geen geringe zaak en kunnen we wederom vervallen tot het ‘maniertje’. Zoals ook de Jugendstil aan het maniertje ten gronde is gegaan, aan de overwoekering van zichzelf. Wat men meestal als tegenwerping naar voren brengt, is het argument: het is veel te duur. Dat wil ik bestrijden.

Maar dan moeten we niet ons wonen en bouwen als een apart aspect bezien met een aparte kostenfactor, dan moeten we kijken naar de totaliteit van ons bezig zijn in de samenleving. En daarin vormen bouwen, wonen, gezondheid, medische verzorging en levensgeluk – en de kosten daaraan verbonden – één geheel. Wat je aan het één toevoegt spaar je uit op het ander. Maar is het ook werkelijk zoveel duurder?

Ik wil hierbij een voorbeeld aanhalen van het antroposofische ziekenhuis in Herdecke, Duitsland; een ziekenhuis met eerst 250, thans* 500 bedden. Men heeft geprobeerd dit enorme complex te bouwen in een organische vorm, en toen bleek dat de ruimte van binnen veel meer leefmogelijkheden ging bieden, veel meer variatie, veel meer mogelijkheden om ruimtes die normaal ongebruikt bleven (en dit soort ‘loze’ ruimtes zijn er vele!) werkelijk te gebruiken.

Ziekenhuis Herdecke

En de bouwkosten van de eerste fase van dit ziekenhuis bleken 40 procent lager te zijn dan de kosten van een dergelijk ziekenhuis wanneer men het zou bouwen naar de gebruikelijke maatstaven van ziekenhuisbouw. De uitbreiding echter van het ziekenhuis werd aanvankelijk afgewezen, omdat men meende dat voor zo’n prijs niet behoorlijk gebouwd kon worden en dat meer moest worden geïnvesteerd. Het bouwplan moest opnieuw worden ingediend, met
opschroeving van de bouwkosten. Wat zat daarachter? Natuurlijk, de andere ziekenhuizen, die anders hun dure ‘utilitaire’ bouw niet meer konden rechtvaardigen.

Wanneer we bouwen, bieden we de vormen die we ontwerpen en maken aan aan onze medemensen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.

Een gebouw kan een levend wezen zijn, waar je bevriend mee raakt, zoals met een vriend die je helpt, die je troost, een vriend die je vreugde brengt. De bouw van de toekomst zie ik als de bouw die de mens begeleidt op zijn levensweg van geboorte naar ouderdom. Een bouw waarin kinderen kunnen opgroeien en zich ontwikkelen, die jonge mensen fris en gezond maakt, dat zie ik als opdracht van de architect van de toekomst, die wil proberen te bouwen in vormen die weer menselijke vormen zijn.

Geen ‘dode’ materie. Geen symbolisme. Geen nabootsen van voorbeelden uit de natuur. Maar wel een besef van hoe een natuurlijk organisme tot stand komt; een besef van de eigen levenssituatie en de levensprocessen in zichzelf.

Dan kan men zover komen dat uit een zuiver inzicht zelfstandig en oorspronkelijk deze bouwvormen ontstaan. De mate waarin men in deze vorm van ‘vermenselijking’ van het bouwen slaagt, bepaalt mijns inziens tevens de mate van kunstenaarschap van de architect.

Organische bouw: artikelen

Meer voorbeelden

Zintuigenalle artikelen

The Little Yarra Steiner School, Australië.

Het lijkt erop of de architect de vormen van het dak in een zekere relatie tot het achterliggende gebergte heeft willen brengen.

922-853

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (15)

opspattend grind

Zwarte Piet verbleekt

Gisteravond verscheen in het 20-uurjournaal de directeur van de Haagse vrijeschool. Of hij de woordvoerder van alle Haagse basisscholen is, weet ik niet – in ieder geval is hij wèl de woordvoerder van de vrijeschool Den Haag. De scholen willen/moeten ‘maatschappelijk betrokken zijn’ en kunnen er dus niet om heen, iets aan het uiterlijk van Zwarte Piet te doen.
Ook de oudste vrijeschool in Nederland niet, lijkt het.

We zagen hoe Piet van bruin!-  steeds iets van kleur veranderend – zelfs een beetje blank werd. In ieder geval: lichter

Als het voor een groep mensen frustrerend is of als beledigend wordt ervaren dat Piet kenmerken vertoont die aan slavernij doen denken, dan moet het geen probleem zijn die kenmerken te veranderen: geen oorbellen, geen dikke lippen en geen kroeshaar, bv.

Maar wie de kleur wil veranderen, zegt daarmee dat Piet een vertegenwoordiger is van een ras. En dus, mag hij niet (donker)bruin zijn. En dus, zie je hem steeds lichter (bruin) worden.

Op dit punt hebben (of is het al hadden?) de vrijescholen een eigen taak.

Als jaarfeesten – vol symboliek – gevierd worden om kinderen BEELDEN mee te geven, dan is het Sint-Nicolaasfeest bij uitstek een symboolrijk feest.
In deze symboliek is Zwarte Piet geen vertegenwoordiger van een ras; geen symbool van een maatschappelijk verwerpelijke toestand: de slaaf van een meester.

Wie daarvan overtuigd is, staat daar ook voor en dan is er maar één conclusie:

Zwarte Piet kan niet zwart genoeg zijn!

Over de symboliek: Sint-Nicolaas: alle artikelen

Wij willen niet dat er gekleurde Pieten komen

Opspattend grind: alle artikelen

verkeersbord uitholling overdwars

921-852

.

VRIJESCHOOL – Organische bouw (6-2/1)

.

Bernard Lievegoed, Jonas 22, 27-06-1980
.

grondslagen voor een levende bouwkunst (1)

Als je over levende bouwkunst praat, zou je eigenlijk eerst moeten vaststellen wat ‘leven’ in feite is.

Onze moderne wetenschap, vooral de biologie en de biochemie, hebben zich de laatste jaren intens met dit vraagstuk bezig gehouden. Maar er is een groot verschil tussen het nabootsen en synthetiseren van een aantal biochemische processen en het maken van een levende cel.

De bioloog Paul Weiss gaat in zijn boek ‘The Science of Life’ )* ook in op deze grote kloof die er nog steeds bestaat tussen de levende cel en de dode materie waar de biochemie mee werkt. Hoe komt het, vraagt hij zich dan af, dat zelfs biologiestudenten zich zo ontzettend moeilijk een voorstelling kunnen vormen van wat leven nu eigenlijk is! Volgens hem is dat te wijten aan de plaatjes in de biologieboeken: daarin wordt namelijk een statisch beeld gegeven van iets wat in wezen uiterst dynamisch is. Leven is beweging; leven treedt daar op waar tijdsprocessen binnen de ruimte werkzaam zijn.

*) Paul Weiss: The Science of life. New York, 1973.

Ons pogen, zegt Weiss dan, om het leven aan materie te binden, zal te allen tijde op een mislukking uitlopen. Want het leven is niet gebonden aan materiestructuur, het leven is juist gebonden aan het proces, een gebeuren in de tijd. Het wezenlijke van het leven is het proces, materie die in beweging wordt gebracht.
En de grote sprong tussen wat wij noemen de fysische natuur en de levende natuur is dat de levensprocessen in die levende natuur van binnenuit optreden en zichzelf onderhouden.

Deze sprong hebben we nog nooit kunnen verklaren.

Deze levensprocessen worden, hoewel ze in zekere zin autonoom zijn, van buitenaf beïnvloed, onder andere door de vormen die wij scheppen.
Churchill zei het al: ‘We shape our buildings, afterwards they shape us.
Een spreuk die iedere architect boven z’n bureau moest hangen.
Vormgeven is een morele daad!

Statische en organische vormen

Wanneer we nu om ons heen kijken, zien we vormen die uit de wereld van de fysieke materie ontstaan zijn. De materie openbaart zijn eigen vormkracht daar, waar hij kan uitkristalliseren en in zijn specifieke kristalrooster zijn eigen innerlijke wetmatigheden vertoont. Denk bijvoorbeeld aan het kwartskristal met z’n zeshoekige bouw en z’n zeshoekige punt.
De verschillende verbindingen kan men aan hun kristalvorm herkennen, zoals het zoutkristal aan z’n vierkante vorm.

Rondom ons kijkend zien we dat onze gebouwde vormen in hoge mate aan deze kristallijne vormen zijn ontleend, en wel speciaal aan die van het zoutkristal: de kubus. Andere kristalvormen komen slechts sporadisch voor, maar ook deze komen voort uit de wereld der mineralen, het blijven statische vormen.

Hiertegenover staan wat ik dan wil noemen de organische vormen, die voortkomen uit de wereld van de beweging. Deze vormen kunnen niet worden benaderd op de normale wijze via de Euclidische meetkunde, hiertoe moeten we de projectieve meetkunde gebruiken: wanneer we vlakken en lijnen in beweging brengen en die ten opzichte van elkaar laten draaien, dan ontstaan in de snijpunten bladvormen, of vormen waarin men een nier, een lever, een milt óf een hart kan herkennen.

We zien dus, dat wanneer we beweging laten binnentreden in de ruimte, er organische vormen ontstaan. Deze organische vormen zijn in de architectuur – en nu spreek ik van de westerse cultuur – weinig gebruikt. Zelfs bijvoorbeeld de tempelbouw in de oudheid, waarvan de verhoudingen toch aan het menselijk lichaam zijn ontleend (maar dat is een verhaal apart) geeft altijd vrij kristallijne vormen te zien.
Ik wil hier even verder op ingaan, omdat dan zal blijken, hoezeer bouwvormen van invloed zijn op de mens.
In een periode waarin de mens in een mythologisch bewustzijn leefde en zijn voorstellingen eigenlijk nooit stilstonden maar er steeds allerlei imaginatieve voorstellingen in hem opbloeiden zodra er maar een prikkel van buiten kwam, betekende voor hem het binnentreden in de tempel met zijn strenge vormen een bewustwording en als het ware een indempen van zijn woekerende fantasie. De mens werd als het ware met een zekere strengheid aangepakt en teruggebracht tot een beleving van het denken. We zien dan ook dat ongeveer in de Griekse tijd de verstandskrachten ontwikkeld beginnen te worden. Dit begint zo rond 500 voor Chr. met het begin van het filosofisch denken en eindigt rond 1500 na Chr. met de hoogscholastiek.

Hier hebben we te maken met een tweeduizendjarige ontwikkeling van onze cultuur, waarin de mens in klimmende mate de krachten van het intellect, van het logisch denken ontwikkelt; een vermogen dat totaal anders is dan het imaginatieve denken dat men vindt in de oude mythologieën, waarin de waarheden niet in logische vorm, maar in de vorm van bewegende beelden, van verhalen tot de mensen kwamen.

Zo zien we dat de kristallijne bouwvormen als het ware een begeleiding waren van de mens op z’n weg tot ontwikkeling. Men kan zich echter voorstellen dat op het moment dat dit kristalliserende denken, dat de bewegende voorstellingen tot stilstand brengt op een scherp omlijnd abstractieniveau, in z’n volheid ontwikkeld is, dat dan de behoefte om die uitkristallisering in de omgeving nog verder gestalte te geven, langzamerhand verdwijnt. Ik geloof dan ook dat nu de tijd is aangebroken dat de mens rondom zich heen vormen ontwikkelt die andere krachten in hem wakker roepen. Het gaat er namelijk niet meer om dat wij ons denken, dat verengd is tot het pure intellect, nog verder uitciseleren; in onze huidige tijd, die door Rudolf Steiner de bewustzijnszielcultuur wordt genoemd – waarin de ontwikkeling van het zelfbewustzijn op de voorgrond staat -, gaat het om heel andere problemen, problemen die liggen in het morele vlak. We staan voor de vraag of we datgene wat we na dat lange ontwikkelingsproces van het denken – techniek en wetenschap zijn daar onder andere exponenten van – allemaal kunnen, ook altijd móeten doen. En daarmee betreden we het veld van de morele verantwoordelijkheid.

In de huidige architectuur heeft men nog altijd de neiging om een uiterste briljantie te bereiken in het schuiven met minerale vormen. Ik wil dat vergelijken met de periode van de nabloei van de scholastiek. De scholastiek eindigt omstreeks 1250, met Thomas van Aquino, maar beleeft daarna nog een nabloei, waarin de dingen steeds nog verder en verder worden uitgewerkt. Zo kennen we allen het verhaal van het dispuut over de vraag hoeveel engelen er plaats kunnen nemen op de punt van een naald. Daar zien we dat de golf over zijn top geslagen is, daar begint de decadentie. Ook de moderne architectuur die we om ons heen zien, bevindt zich naar mijn mening in zo’n laatste over de kop geslagen periode, waarin met een eindeloos geduld, variatie en fantasie al die minerale vormen telkens anders gegroepeerd worden.

Invloed van vorm en ruimte

Wat gebeurt er als wij kijken naar een vorm? Dan bootsen wij in onszelf die vorm na; we beleven die vorm en deze werkt op een bepaalde wijze op ons in. Zoals gezegd werken minerale vormen verstarrend. En in een periode, zoals hierboven uiteengezet, van een mythologisch bewustzijn, was dat verstarrende een noodzakelijke cultuurfactor, opdat de mens logisch en verstandelijk zou kunnen gaan denken. Maar nu die verstarring al bijna te ver is voortgeschreden, zullen we moeten komen tot vormen die, als zij op ons werken, in onszelf een beweging tot stand brengen, een ritmische beweging die het leven aanzet.
Ruimtes werken op ons in; als we er in zijn, maar ook als we er van buitenaf tegenaan kijken. Onze levensprocessen reageren op alles wat er vanuit de buitenwereld tot ons komt. Deze processen zijn zowel van fysiologische, als van psychologische als van geestelijke aard. Fysiologisch kan het beleven van een ruimte ademhaling en hartslag van de mens veranderen, psychologisch kan een ruimte bijvoorbeeld opwekkend of deprimerend werken, en geestelijk kan men bijvoorbeeld in een bepaalde ruimte creatief worden, op nieuwe gedachten komen.
Sommige ruimtes helpen je om in beweging te komen, andere ruimtes werken verstarrend en als je daar een tijdlang gewerkt hebt, ben je zelf even star geworden als de ruimte om je heen.

Ik zei reeds in het begin: vormgeven is een morele daad.

Een bouwwerk kan zo zijn dat het je klein maakt, dat het verpletterend werkt, dat je overdonderd wordt. Het kan ook van ‘menselijke maat’ zijn.
Een voorbeeld: jaren geleden maakte ik een reis door wat destijds Syrië, Libanon en Palestina was. Een van de bezoeken die ik daar bracht, was aan de ruïnes van de laat-Hellenistische stad Heliopolis, een stad die men wel genoemd heeft het New York van de oudheid. Men heeft daar het merkwaardige idee gehad om de Akropolis van Athene vier maal vergroot neer te zetten. Wanneer men nu op de echte Akropolis rondloopt, dan voelt men dat de verhouding van mens tot gebouw zo is dat men er kan ademen, er mens kan zijn; men treedt iets groots binnen, maar niet iets onmenselijks. Maar als je die vier maal zo grote Akropolis binnenkomt, heb je het gevoel een mier te zijn die ergens in een groot kasteel rondloopt.

De dimensies zijn er van dien aard, dat men er niet leven, niet ademen kan. Zo beleef je hoe eenzelfde bouwwerk in een andere schaal een totaal andere werking op de mens kan uitoefenen. Een ruimte kan wegzuigend zijn, kan je losmaken van de aarde; een ruimte kan je ook in die aarde verankeren (zie bijvoorbeeld het verschil tussen de Romaanse en de Gothische kerken).

Een ruimte kan koud zijn of warm – zonder dat dit iets met de werkelijke temperatuur te maken heeft; een ruimte kan ook chaotisch zijn, je kunt er soms helemaal dizzy in worden. Denk bijvoorbeeld aan onze grote supermarkten, die warenhuizen die zo gebouwd zijn dat je na een kwartier volkomen duizelig bent, niet meer bij je positieven en dat je dan dingen koopt die je eigenlijk niet zou willen kopen. Ik denk soms dat dat ook de opzet is van het geheel, het zo chaotisch te maken dat men er zich in verliest, en z’n ik-bewustzijn niet meer volledig aanwezig heeft. Dat stimuleert enorm de verkoop!

Een gebouw kan ook rustgevend zijn. Kan deprimerend zijn of vrolijk maken. Ruimte kan troosteloos zijn of opwekkend, verstarrend of beweging oproepend.

Deze constateringen zijn natuurlijk overbekend. Toch stel ik ze hier met nadruk, omdat de invloed van ruimtes op de menselijke ziel, op de menselijke geestelijke creativiteit, maar ook op het menselijk lichaam, groter is dan men gewoonlijk aanneemt. vooral wanneer het gaat om indrukken die we ons niet, of niet helemaal, bewust zijn.

Zintuigen

Zo komen we op het gebied van de zintuigen. Alles immers, wat wij van de buitenwereld ervaren, komt tot ons via onze zintuigen. Maar hoe werkt dat precies?
Ik zou in dit verband graag professor Révesz willen aanhalen, die zich met name met de zintuigpsychologie heeft beziggehouden. Hij heeft drie groepen van zintuigen onderscheiden, die kwalitatief van elkaar verschillen; zij komen overeen met de leer van de twaalf zintuigen, door Rudolf Steiner al eerder uitgewerkt:

de haptische zintuigen:
tastzin
levenszin
bewegingszin
evenwichtszin

de optische zintuigen:
reuk
smaak
zien
warmtezin

de akoestische zintuigen:
gehoor
woordzin
denkzin
ik-zin

De haptische zintuigen zijn zintuigen die sterk in het lichamelijke werken en daarmee zeer sterk op het innerlijk van de mens zijn gericht. De werking ervan onttrekt zich aan ons bewustzijn. Als wij iets aftasten met onze handen, zeggen wij dat we daarmee de wereld om ons heen waarnemen. In feite is dat niet zo: we nemen alleen waar dat onze huid wordt ingedrukt, met andere woorden we nemen met onze tastzin onze eigen innerlijke wereld waar.

Ook de levenszin is een heel diep in het biologische werkende zin. Het is een zintuig waarmee men zich ziek of gezond voelt, waarmee men de toestand waarneemt waarin het hele levensorganisme zich bevindt. Als je bijvoorbeeld van iets zegt: ‘dat zit me niet lekker’, dan neem je dat waar met je levenszin.

Door de bewegingszin kunnen we bijvoorbeeld met gesloten ogen naar iets grijpen of in het donker een cirkel beschrijven. Met dit zintuig kunnen we dus van binnen waarnemen wat we doen, ofwel: de beweging in onszelf waarnemen.

Dat doen we ook met de evenwichtszin: Hiermee nemen we niet alleen het evenwicht waar in onszelf, maar ook het evenwicht buiten ons, bijvoorbeeld evenwicht van een gebouw of een ruimte. De evenwichtszin is een typisch ruimtelijke zin, we bepalen er onze eigen stand in de ruimte mee.

Een heel ander karakter hebben de optische zintuigen. Deze hebben een zeer sterk psychische werking en hangen direct met het gevoelsleven samen. Ze voeren ons eigenlijk binnen in de wereld van de kwaliteiten, zoals bij de reuk – en de smaakzin.
Zodra men bijvoorbeeld het oog gebruikt, wordt het waargenomene ook direct verbonden met een gevoel, een waardering die men ervoor heeft. En daarbij zijn dan weer de vier bovengenoemde haptische zintuigen actief. Wat het oog daaraan toevoegt, de eigenlijke oogwaarneming, is het waarnemen van de kleur. Wat we zien zijn oppervlaktes, of eigenlijk: licht dat door oppervlaktes wordt teruggekaatst. Zodra het oog vormen waarneemt, neemt het die waar met de
bewegingszin en eventueel met de evenwichtszin. Wanneer het oog esthetische oordelen uitspreekt, combineert het zich in hoge mate met de levenszin. En als het oog bepaalde vormen aftast, een vorm herkent, dan doet het dat met de innerlijke tastzin.

Behalve de reuk en de smaak behoort ook de warmtezin tot de optische zintuigen. Met dit zintuig ervaren we met name de sfeer van een ruimte; we zeggen dan ook letterlijk: dit is een koude of warme ruimte.
Het zal duidelijk zijn dat voor de architectuur, en vooral voor de binnenhuisarchitectuur, het oog en de warmtezin van zeer grote betekenis zijn.

Toch zijn deze zintuigen veel oppervlakkiger dan de derde groep, de akoestische zintuigen, die diep doordringen in het geestelijke van de mens.

Zo neemt het gehoor oneindig veel meer waar dan alleen de uiterlijke oortrillingen. Het gehoor openbaart diepe kwalitatieve eigenschappen van de materie. Met het gehoor nemen we bijvoorbeeld intervallen waar in de muziek, de spanningsvelden die liggen tussen de verschillende tonen.

Ook de woordzin behoort tot de akoestische zintuigen; als de woordzin gestoord is, hoort de mens wel geluid, maar hij kan er geen woorden uit opmaken. In de neurologie is dat een bekend verschijnsel.

Dan is er de denkzin, die de werkelijkheid van de gedachte waarneemt.

En ten slotte de ik-zin, die het ‘ik’ van de ander waarneemt; die een ander mens waarneemt en herkent als een bepaalde persoonlijkheid.

Het zou in dit bestek te ver voeren nog meer op deze laatste zintuigen in te gaan; daarom laat ik ze verder onbesproken. Waar de architect – en vormgevers in het algemeen – het meest mee te maken hebben, zijn de eerstgenoemde, de haptische zintuigen. Deze zijn het meest gevoelig voor de indrukken en invloeden die van gebouwen en ruimtes uitgaan. En hier, ik herhaal het met nadruk, is de allergrootste verantwoordelijkheid op z’n plaats.

Want juist deze zintuigen, die via het onderbewustzijn op de mens werken, zijn voortdurend in actie, en de invloed daarvan is het grootst. Als ik de sterreclame aanzet met de gedachte: ‘eens kijken wat ze nu weer voor onzin verkopen’, dan ben ik me bewust van hetgeen ik ga zien en dan ben ik er tegelijkertijd ook tegen gewapend. Maar als ik elke avond de tv aan heb staan zonder dat ik bewust kijk, dus zonder dat ik me wapen, dan werken die beelden wél op me in.

Dat zelfde geldt voor onze gebouwde omgeving. Ook als ik niet bewust kijk, waarneem, loop ik door een gang of een straat en dan kunnen daardoor mijn levensprocessen worden versterkt, maar ze kunnen ook worden verstoord of verzwakt.

Met de direct haptische zintuigen hebben we alleen daar te maken, waar we dingen aanraken, bijvoorbeeld deurknoppen of leuningen van trappen. Voorwerpen in de ruimte, waar we dagelijks een tastzin-indruk van krijgen. Die indruk kan prettig aandoen, maar kan ook elke keer een shock zijn. Er zijn trapleuningen die je niet dan wanneer het echt noodzakelijk is, vastpakt; elke aanraking geeft een soort ‘koude-shock’ en je krijgt het gevoel van ‘even terug’. Dit is van niet gering belang wanneer men zich realiseert dat ieder moment dat men zo’n ‘shock’ ondergaat, het hartritme verandert, de bloeddruk verandert, de ademhaling verandert. Elke keer treedt er een ontregeling op van het gehele bloedvat- en circulatiesysteem.

Zo zouden we bijvoorbeeld deurknoppen moeten maken, die zowel wat vorm als wat materiaal betreft, de hand als het ware ‘ontmoeten’, die een gevoel van vriendschap geven.

Ogenschijnlijk zijn dit misschien pietluttigheden, maar ze zijn van het allergrootste belang omdat ze medebepalend zijn voor een stuk gezondheid of ziekte, die we via indrukken van buitenaf in de loop der jaren in het lichaam van de mens inbouwen.

.

Organische bouwartikelen

Meer voorbeelden

Zintuigenalle artikelen

.

920-851

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Organische bouw (6-1)

RSteinerkliniek                                Rudolf Steinerkliniek   Den Haag

nieboerweg_214-1Winje Wanje Den Haag

Aan het uiterlijk van veel vrijeschoolgebouwen kun je een bijzondere vormgeving opmerken.
Maar niet alleen vrijeschoolgebouwen hebben een andere bouwstijl, talloze andere gebouwen zijn geconstrueerd volgens het principe van de zgn. ‘organische bouw’.

Ik vond nog een verslag van een voordracht die Prof. Lievegoed over dit onderwerp hield.
In grote lijnen wordt geschetst wat Rudolf Steiner met deze bouwimpuls voor ogen stond.
Tevens geeft Lievegoed nog een korte karakteristiek van de 12 zintuigen.

Voordracht gehouden te Delft op 12 febr.1977
.

HET ORGANISCHE IN DE ARCHITECTUUR

Dames en Heren,

Als ik hier tot u spreek over organische architectuur, dan spreekt tot u een niet-architect, een volslagen leek op dit gebied: een man die het woord architectuur maar aan u over moet laten, maar die wel wil praten over wat organisch is, omdat ik het gevoel heb dat dat de grondslag is van datgene wat u probeert in de architectuur uit te drukken.

Een organisme, zeggen we, is een levend systeem. De grote vraag is nu: waardoor is een systeem een levend systeem? Daar wil ik kort met u op in gaan, en ik zal dat niet in ontologische zin behandelen, want dan komen we te diep in de filosofie en misschien zelfs in de theologie terecht, maar ik zal proberen u zuiver fenomenologisch duidelijk te maken wat het verschijnsel van leven eigenlijk is.

Ik wilde hier graag aansluiten bij de grootste bioloog van onze tijd, (1977) Paul Weiss. Paul Weiss, een bioloog die nu al diep in de tachtig is, maar nog altijd actief als hoogleraar aan de Rockefeller University in New York en die zijn hele leven gewijd heeft aan de celbiologie.

Zijn laatste boek, dat niet zolang geleden verschenen is, heet ‘The Science of Life”*), de wetenschap van het leven. Daarin vraagt hij zich af: hoe komt het eigenlijk dat men, en daarbij denk ik dan speciaal aan mijn studenten biologie, die toch de biologie als studievak kiezen, dat zelfs dezen zich zo ongelooflijk moeilijk een begrip kunnen vormen van wat het leven nu eigenlijk is! Volgens hem ligt dat aan de plaatjes van de cel in onze leerboeken! Op zo’n plaatje van

*) Paul Weiss: The Science of life. New York, 1973.
.

de cel in een leerboek zie je zo’n mooie huid, daarbinnen ligt dan het protoplasma en daar zitten vacuolen in en alle mogelijke insluitsels, eiwitklompjes en eiwitfabriekjes enz., verder naar binnen toe ligt een tweede huid, binnenin zit de kern, in de kern zitten chromosomen, binnen de chromosomen zitten de genen, en de genen zijn weer zeer ingewikkelde eiwitmoleculen; en men weet wel, zegt Weiss, dat de zaak ”in functie” is, maar het beeld dat men in zijn ziel draagt is een statisch beeld. Om mijn studenten biologie het begrip te geven van wat de biologie nu eigenlijk omvat, vertoon ik ze als eerste een film van een levende cel. En wat je daarop ziet is je reinste Wild-West.
Wat daar gebeurt is namelijk dat door die schijnbaar starre huid dingen naar binnen komen; vacuolen ontstaan, vacuolen verdwijnen, eiwitklompen ontstaan, eiwitklompen verdwijnen, dingen worden opgenomen, dingen worden uitgestoten, zelfs de bekende genetische eiwitmoleculen, die we als die mooie gespiraalde cel denken, die denken we ons statisch, doch zij zijn voortdurend in opbouw en in afbraak. Geen ogenblik staan zij stil, elk ogenblik worden ze afgebroken en opnieuw opgebouwd. Dat is eenvoudig een stroom van leven. En wat ik dan doe, zegt hij, is plotseling de film stilzetten en ineens heb ik weer het plaatje uit het boek: dan laat ik de film weer lopen en dan zie je weer het leven; en daaraan laat ik zien, wat ”het” leven is.
Ons pogen, zegt Weiss, om het leven aan de materie te binden zal ten allen tijde op een mislukking uitlopen. Want het leven is niet gebonden aan materie, het leven is juist gebonden aan het proces namelijk aan een gebeuren in de tijd. Het wezenlijke van het leven is een proces, het wezenlijke van het leven is dat de materie in beweging gebracht wordt.

Tijd en ruimte

Als ik het misschien filosofisch mag uitdrukken, als wij het meer in antroposofische gedachtegangen uitdrukken, dan kan men zeggen: Het leven is het verschijnsel dat de tijd binnentreedt in de ruimte. U kunt de wereld van de ruimte denken als een brok steen, en de tand des tijds knaagt daaraan. Wat betekent dat? Dat de tijd wel aan de materie, aan de ruimtewereld voorbij gaat en dat in het voorbijgaan wel langzamerhand desintegratieverschijnselen optreden, maar dat in wezen de materie, als die een beetje standvastig is, eigenlijk buiten de tijd staat. Datgene wat er aan verbrokkelt, komt door dingen van buiten af, door inwerking van zon, regen, jaargetijden enz.

Fenomenologisch treedt een moment op, waarbij de tijd in de ruimtewereld binnentreedt en van binnenuit de ruimtewereld in beweging zet. Dat verschijnsel noemen we het leven. Er treedt dan namelijk een proces op, waardoor de ruimtewereld, de materie, in zichzelf in beweging komt en beweging blijft. En wanneer we de verschijnselen willen bekijken, die optreden wanneer de tijd in de ruimte binnentreedt, dan krijgen we te maken met de wereld van het leven, welke in de antroposofie de etherische wereld wordt genoemd. ”What’s in a name!” U kunt het natuurlijk ook de levenswereld noemen; wij hebben het een naam gegeven, omdat het woord levenswereld nu eenmaal zo vaag is en zoveel gebruikt is: de etherische wereld.
En nu kunt u al direct, als u om u heen kijkt, vormen onderscheiden die uit de wereld van de dode, de fysieke materie ontstaan zijn. De materie openbaart zijn eigen vormkracht daar, waar hij kan uitkristalliseren en in zijn specifieke kristalrooster, de eigen innerlijke wetmatigheden vertoont. Denk bijvoorbeeld aan het kwartskristal met z’n zeshoekige bouw en z’n zeshoekige punt. De verschillende verbindingen kunt u aan hun kristalvorm herkennen, zoals het zoutkristal aan z’n vierkante vorm.
Als we om ons heen kijken, dan kunnen we zien dat de gebouwde vormen in hoge mate aan deze kristallijne vormen zijn ontleend, en wel speciaal aan die van het zoutkristal: de kubus. Ik ben misschien oneerbiedig tegenover de hoge kunst van de architectuur, maar ik beschouw de bouwkunst tegenwoordig zo’n beetje als schuiven met blokjes. Je kunt daar soms wel bepaalde esthetische effecten mee bereiken, maar het is toch altijd de blokkendoos die de grondslag is voor de vormgeving. Andere kristalvormen dan alleen die van het zoutkristal zouden toch ook mogelijk moeten zijn, zoals bijvoorbeeld de pentagon-dodecaëder van het pyriet of het zeshoekige van kwarts. Toch komen ook deze vormen voort uit de wereld der mineralen, het zijn statische vormen.
Zodra u vormen neemt die komen uit de wereld van de beweging, dan komt u al direct in de wereld van de planten terecht, die levende vormen voortbrengt. Hoe kunt u die wiskundig benaderen? Daarvoor moet u dan niet de Euclidische meetkunde, maar de projectieve meetkunde gebruiken: wanneer u vlakken en lijnen in beweging brengt en ten opzichte van elkaar laat draaien, dan ontstaan in de snijpunten bladvormen, of vormen waarin u een nier, een lever, een milt of een hart kunt herkennen. U ziet dus dat wanneer u de beweging laat binnentreden in de ruimte, dat dan organische vormen ontstaan.

Helaas zijn deze organische vormen zeer weinig gebruikt in de architectuur en u kunt zeggen: waarom is dat ook nodig? De architectuur is toch een statische zaak. Een huis moet staan dat is toch een stuk statica dat zich daar afspeelt. Moet dat huis dan ook geen statische vorm hebben; waarom zou het een vorm moeten hebben die eventueel aan het leven ontleend is? Misschien mag ik u er hier op wijzen dat deze vraag al zeer oud is: dat weet u zelf allemaal veel beter dan ik, want ik ben op dit gebied maar een amateur die zich af en toe met deze problemen bezig houdt. Onder de oude bouwvormen vindt u in de eerste plaats de sacrale bouwvormen: tempelbouw; Egypte, de Salomonische tempel, Griekenland met z’n tempels. Van de maatvoering van deze tempels is het bekend dat deze ontleend is aan verhoudingen in het menselijk lichaam, waardoor zo’n tempel als het ware een symbool is van een mens. Het is direct zichtbaar dat de plattegrond aan de mensengestalte ontleend is, echter toch vaak in vrij kristallijne vormen.
En u kunt zich afvragen waarom men in die tijd, op enkele uitzonderingen na, nog weinig organische vormen vindt. U vindt ze wel als versiering, bladmotieven etc. Maar eigen bouwkundige vormen vanuit het organische zijn slechts aarzelend hier en daar te zien.

Het zou te ver voeren om daar lang op in te gaan, maar ik wil dit toch aanduiden. In een periode waarin de mens in een mythologisch bewustzijn leefde en zijn voorstellingen eigenlijk nooit stil stonden maar er steeds allerlei imaginatieve voorstellingen in hem opbloeiden zodra er maar een prikkel van buiten kwam, was het binnentreden in de tempel met zijn strenge vormen een bewustwording en als het ware een indempen van woekerende fantasie en het terugkeren tot een beleven van denken, dat de mens met een zekere strengheid aanpakte en het mogelijk maakte dat men daardoor een stap verder in de ontwikkeling kwam.
En die stap heeft er dan ook toe geleid dat op een bepaald moment, en dat begint met de Griekse tijd, de verstandskrachten ontwikkeld beginnen te worden in het filosofisch denken. Bij deze periode van de ontwikkeling van de denkkracht van de mens, die begint zo rond 500 v. Chr. met het begin van de Griekse filosofie en die eindigt rond 1500 na Chr. in de hoogscholastiek, hebben we meteen tweeduizendjarige ontwikkeling te maken van onze cultuur, waarin de mens in klimmende mate de krachten van het intellect, van het logische denken ontwikkelt; een vermogen dat totaal anders is dan het imaginatieve denken dat u vindt in de oude mythologieën, waarin de waarheden niet in logische vorm, maar in de vorm van bewegende beelden, van verhalen, tot de mensen kwamen.

U kunt zich voorstellen dat op het moment dat onze westerse cultuur deze kracht ontwikkeld heeft, dit kristalliserende denken, dat de bewegende voorstelling tot stilstand brengt en tot een voorstelling maakt die scherp omlijnd is, de behoefte om in de omgeving die uitkristallisering nog verder te bevorderen verdwijnt en dat het ogenblik gekomen is om te zeggen: Nu krijgen we teveel van het goede.

Het is dan nodig dat de mens om zich heen vormen ontwikkelt die andere krachten in hem wakker roepen dan die van het uitkristalliserende denken, dat langzamerhand verschrompeld is tot het intellect.
Als u namelijk probeert de geschriften uit de scholastiek, en zelfs uit de tijd iets daarvoor, uit de school van Chartres bijvoorbeeld, te lezen, dan moet u toegeven dat voor een modern mens deze gedachten niet meer na te denken zijn. Als u het zou willen denken dan krijgt u een onderscheiden in formuleringen, waarvan je hersenen beginnen te kraken en te knarsen: onze hele scholing in ons denken is niet meer in staat om een dergelijke verfijning van dit instrument nog mee te maken. Wij hebben daarvoor in de plaats een vrij simpel, een vrij abstract en een vrij zwart-wit denken ontwikkeld. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat wij in onze huidige cultuur niet meer verder gaan met het uitciseleren van de laatste denkvormen, maar het gaat erom dat wij in onze tegenwoordige tijd voor geheel nieuwe problemen staan, problemen die liggen in het morele.

Voor onze huidige tijd, die Rudolf Steiner de bewustzijnszielcultuur noemt, waarin de ontwikkeling van het zelf­bewustzijn op de voorgrond staat, gaat het er – en dat wordt in de 20e eeuw steeds duidelijker – niet meer om het juiste te denken, maar gaat het erom het goede te doen, om het moreel verantwoorde te doen. We staan namelijk voor een heel merkwaardig dilemma op het ogenblik. Een heel eenvoudige vraag: Natuurlijk kunnen er atoomcentrales gebouwd worden, zo knap zijn we, maar moet het ook gebeuren? Wij kunnen aan de erfelijkheidssubstantie zitten frunniken, we kunnen er nieuwe kunstmatige erfelijkheidsfactoren inbouwen, wij kunnen bacteriën inenten met nieuwe erfelijkheidsfactoren, dat kunnen wij; daarmee kunnen nieuwe bacteriesoorten ontstaan, maar u hebt zelf in de kranten kunnen lezen dat er een enorme discussie is in de wetenschappelijke wereld, dat dergelijke experimenten moreel niet geoorloofd zijn, want er mocht eens één zo’n bacterie ontsnappen, en we hebben een epidemie over de wereld waar miljoenen mensen aan ten gronde gaan, omdat nog niemand tegen deze nieuwe bacterie een weerstand heeft opgebouwd. U staat voor de vraag: mag dat? Natuurlijk kan er olie of gas geboord worden in de Waddenzee, maar moeten we het dan ook doen?

Wij staan voor heel andere vraagstukken. Ziet u, in 1200 nog liet men zich liever verbranden dan een logische conclusie die men getrokken had op te geven. Want die was existentieel. Deze conclusie had men gevonden, en daar was je ik-beleven mee verbonden, als men zijn conclusie opgaf, dan gaf men zichzelf op. Tegenwoordig is er altijd over een conclusie te praten, want wij kennen geen conclusie meer, wij kennen alleen nog maar hypothesen. En een hypothese geldt zolang, totdat er een betere gevonden is. Wij laten ons niet meer verbranden omdat wij het gevoel hebben: mijn hypothese is fout, dus mijn leven is ten einde. Nee, hoera een nieuwe hypothese, we kunnen weer opnieuw een stukje verder.

Maar waarvoor geven wij op het ogenblik desnoods ons leven nog wel op? Daar waar het gaat om een moreel besluit, om de vraag: is dit moreel verantwoord of niet? Wij staan voor totaal andere problemen en die beginnen zich al af te spelen in de wetenschappen, in de natuurkunde, in de biologie, in de psychologie, overal komen de vragen naar voren: Wij kunnen een heleboel, en als wij het kunnen betekent dat dan automatisch dat we dat ook moeten doen?
Zodra wij het namelijk gaan doen, betreden we een ander veld, het veld van de morele verantwoordelijkheid . En dit vraagstuk van de verantwoordelijkheid is één van de moderne vraagstukken, waar onder meer ook de studentenopstanden in 1968 eigenlijk in diepste zin om gingen; die gingen in wezen niet om democratisering, ik heb het gevoel dat dat een ongelukkige formulering van de zaak is, het ging veel en veel dieper en die strijd zal in de komende paar honderd jaar een steeds grotere vorm aannemen: wat is moreel verantwoord en wat niet! In de oude bouw, de tempelbouw, de sacrale bouw etc. bracht de materie ons tot onszelf. Maar we zijn tot onszelf gekomen! En we zijn zelfs zozeer tot onszelf gekomen, dat we de wereld niet meer zien en niet meer weten wat we wel en wat we niet mogen doen.

In de huidige architectuur heeft men nog altijd de neiging om een uiterste briljantie te bereiken in het schuiven met minerale vormen. Ik wil dat vergelijken met de periode van de nabloei van de scholastiek. De echte scholastiek eindigt omstreeks 1250 na Chr. met Thomas van Aquino, maar beleeft daarna nog een nabloei, waarin de dingen steeds nog verder en verder uitgewerkt werden. U kent allen het verhaal van het dispuut over de vraag hoeveel engelen plaats kunnen nemen op de punt van een naald, of dat logisch vast te stellen is. Daar ziet u dat de golf over zijn top geslagen is, daar is het er al overheen, dat is al de decadentie. Ook de moderne architectuur, die we om ons heen zien, bevindt zich naar mijn mening in een laatste over de kop geslagen periode, waar we later op terug zullen kijken en zeggen: kijk eens, wat merkwaardig dat men gedurende honderd jaar zo gebouwd heeft. Dat men toen blijkbaar met eindeloos geduld, variatie en fantasie al die blokjes telkens anders gegroepeerd heeft; ik zeg niet geritmiseerd, want ik zal u dadelijk vertellen dat in deze bouw eigenlijk geen ritme voorkomt, maar alleen maat. Maat (in muzikale zin gebruikt) is een herhaling van een element, is een repetitie. U vindt wel degelijk zeer knap aangebrachte repetities van elementen maar u vindt geen ritme. Want het verschil tussen maat en ritme is dat een ritme altijd net niet precies uitkomt. Ons hele zonnestelsel is een ritme. Menig mens weet niet dat geen twee jaren precies even lang zijn en dat de omloop van de aarde om de zon niet gelijkmatig versneld en vertraagd verloopt, maar dat daar schommelingen in voorkomen. Zodra beweging en weerstand op elkaar gaan inwerken, treedt ritme op en dat ritme is nooit een absolute machinale maat. Het is altijd iets dat net anders is dan de zuiver wiskundige maat. Nu komen we pas in de wereld van de etherische vormen, van de organische vormen zou men kunnen zeggen, en het is belangrijk in dit verband het eerste Goetheanum te noemen. In 1910/11 al maakte Rudolf Steiner een ontwerp voor een gebouw, dat zo totaal anders was dan wat in die tijd ooit te zien geweest was, dat men of er met verbazing naar keek, of de schouders ophaalde en zei: Die lui zijn gek geworden. Dat was de normale reactie in die tijd: Die lui zijn gek geworden, die maken dingen die onzin zijn.

Als u kijkt naar een minerale vorm, dan bootst u in uzelf deze vorm na. U beleeft deze en deze werkt op een zeer bepaalde wijze, namelijk verstarrend op u in. En in een periode, zoals ik al zei, van een mythologisch bewustzijn, was dat verstarrende een noodzakelijke cultuurfactor, opdat de mens ooit logisch en verstandig zou kunnen gaan denken. Maar nu is die verstarring al veel te ver voortgeschreden en zullen wij moeten komen tot vormen die, als zij op ons inwerken, in ons inwerken, in onszelf levensprocessen op gang brengen. In onszelf een beweging tot stand brengen die niet de beweging is van een machine, maar die een ritmische beweging is, die het leven aanzet. Want de beweging van de machine komt nog altijd uit een starre wereld voort.

Metamorfose

Dat is één punt. Daarnaast zou ik erop willen wijzen dat als de mens zich beweegt en een aantal vormen na elkaar door­maakt, iets optreedt dat Goethe al de wet van metamorfose genoemd heeft. Dat wil zeggen een beweging van de ene vorm naar de andere.
Dus naast het feit dat men vormen kan scheppen die op zichzelf uit de wereld van de beweging voortkomen, krijgen we te maken met een tweede vraagstuk en wel dat van de metamorfose: Het verschijnsel dat we terwijl we ergens langs gaan een bepaald proces doormaken.
We kennen dat proces ook uit de plantenwereld, een proces dat uitgaat van het kiemblad en zich uitbreidt in een blad, zich terugtrekt, steeds kleiner wordt en dan weer in de bloem tevoorschijn komt. De bloem trekt zich dan tenslotte in de zaadkorrel weer samen. Goethe sprak hierbij over “Metamorphose und Steigerung”. Een opeenvolging van verschijningsvormen waarbij elk volgende blad een verdere uitwerking is van het principe van de plant, met een laatste “Steigerung” in de bloem, waarbij in de kroon een samentrekking optreedt, in de bloembladen een uitbreiding, in de meeldraden een samentrekking, in de stamper met de vrucht een uitbreiding en in het zaad weer een samentrekking. Een beweging van uitbreiding en samentrekking in de plantenwereld.

Voor een mens is het van zeer groot belang dat hij vormen om zich heen heeft, die hem op zijn levensweg begeleiden. Want ook de mens maakt in zijn leven een aantal metamorfosen door.

Ik heb in mijn laatste boek over de levensweg van de mens*), deze levensweg juist vanuit dat gezichtspunt van de metamorfose geprobeerd te beschrijven. Geen abstracte theorie, maar een fenomenologische beschrijving hoe het leven van een mens verloopt, wat voor kritische fases daarin bestaan, waar de over­gangspunten zijn en wat telkens de nieuwe problemen zijn die in een nieuwe levensfase optreden. Wij kennen de kleuter, het schoolkind, de puber, de adolescent, de jonge volwassene, de mens in het midden van zijn leven, de mens langzamerhand op de weg van de involutie, de mens die dan tot grijsaard wordt

*) De levensloop van de mens. Rotterdam, 1977.
.

en ten slotte de mens die op de weg naar beneden weer het leven verlaat. Dat is de biologische ontwikkeling. Wanneer u kijkt naar de psychische ontwikkeling, dan ziet u daar ook een metamorfose. Een metamorfose waarbij de kracht die de kleuter in zich opneemt in het schoolkind op een andere wijze weer tevoorschijn komt. Net als met het blad van de plant; de kleuter is nog het eerste kiemblad, dan komt het eerste blad, dat zich steeds meer en meer ontplooit. De mens wordt steeds actiever en knapper, krijgt meer mogelijkheden en in het midden van zijn leven, omstreeks het 35e jaar, staat hij ”in z’n volle blad”, en dan begint langzamerhand die involutie. Maar daarnaast bereidt zich iets anders voor. Bij de plant bereidt zich dan namelijk de bloem voor. En bij de mens bereidt zich datgene voor dat tevens de bloem van het leven kan zijn, die na een geweldige crisis, meestal in de veertiger jaren, in de vijftiger jaren tevoorschijn kan komen, of ook niet. Want of de mens dan zijn eigenlijke levensdoel kan vinden hangt voor een groot deel daarvan af of hij die metamorfose zelf tot stand brengt. De Amerikanen spreken terecht over de vijftiger jaren als ”the age of the eminent leaders”. Het is de leeftijd van de eminente leiders, de vijftiger jaren, als het ware de bloem van het leven. Men is biologisch allang op z’n retour, maar geestelijk komt de zaak eindelijk tot bloei.

Maar het is tegelijkertijd ook – en dat moet ik er tegenover stellen – de leeftijd van de kleine tirannen. De leeftijd van de mensen die verbitterd zijn, verzuren en kleine tirannen worden, omdat ze juist deze bloem, deze bloei van hun leven niet bereikt hebben. En daardoor terugvallen in een poging om in het bladstadium, in de expansiviteit te blijven staan en dan blijkt dat de biologische grondslag daarvoor niet meer aanwezig is. Waarom spreek ik hierover? Omdat we alle vormen die we ontwerpen en maken, aan onze medemensen aanbieden, en daarmee dus ook direct met mensen te maken krijgen.

De zintuigen

Daarom is het van belang iets te vertellen over de zintuigenleer, zoals Rudolf Steiner die ontwikkeld heeft. Deze zintuigenleer omvat geen nieuwe zintuigen, maar het is eigenlijk meer een ordening van de zintuigen. Deze zintuigen heb ik op een bepaalde wijze voor u gerangschikt:

de tastzin                 de reuk                 het gehoor

de levenszin            de smaak              de woordzin

de bewegingszin    het zien                 de denkzin

de evenwichtszin   de warmtezin       de ik – zin

Gesproken wordt over 12 zintuigen; dat wij gewend zijn er 5 te noemen is maar een grove benadering, in werkelijkheid zijn er meer. De linkerkolom omvat de tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin. Dit zijn de zintuigen die zeer sterk in het lichamelijke werken. Wij zeggen dat wij met de tastzin de wereld waarnemen. Dat is echter niet waar, wij nemen niets van de wereld waar met onze tastzin. Wij nemen alleen waar dat onze huid ingedrukt wordt. We nemen onze eigen innerlijke wereld waar met onze tastzin. Als wij iets aftasten, dan voelen wij het veranderen van ons huidoppervlak. De levenszin is ook een zintuig dat helemaal naar binnen gericht is. De levenszin, dat is het waar­nemen van de toestand waarin je hele levensorganisme zich bevindt. Als je zegt: ik voel me belabberd, dan is dat een waarne­ming van de levenszin. Ik voel me heerlijk, lekker vandaag, dat is ook een waarneming van de levenszin; het zintuig waarmee men zich ziek of gezond voelt. Dan de volgende, de bewegingszin: het zintuig voor het waarnemen van de beweging in jezelf. Met de bewegingszin kan men bijv. met gesloten ogen iets grijpen. Met de bewegingszin kan men van binnenuit waarnemen wat men doet. Dan de evenwichtszin, die in staat is ons eveneens met gesloten ogen het evenwicht te laten bewaren. Dit zijn de vier zintuigen die zich zeer sterk op het innerlijk van de mens richten, en die op zijn hele gezondheidstoestand een geweldige invloed hebben. Welnu, dit zijn de zintuigen waar de architect het sterkst op werkt. Het zijn de zintuigen die het meest gevoelig zijn voor de invloed die van zijn gebouwen uitgaat.

Wanneer we de volgende kolom nemen, dan hebben we daar te maken met de zielenzintuigen, de psychologische zintuigen, de reuk, de smaak, het zien en de warmtezin. Deze zintuigen voeren ons eigenlijk direct binnen in de wereld van de kwaliteiten. En daarbij is het zo dat elk hoger zintuig telkens alle voorafgaande in zich opgenomen heeft. Het nieuwe van het oog, de eigenlijke oogwaarneming is de waarneming van de kleur. Zodra het oog vormen waarneemt, neemt het die waar met zijn bewegingszin en eventueel met zijn evenwichtszin. Wanneer het oog esthetische oordelen uitspreekt, combineert het zich in hoge mate met de levenszin. En als het oog bepaalde vormen aftast, een vorm herkent, dan doet het dat met de innerlijke tastzin. Als ik in deze ruimte rondkijk, dan neem ik met mijn bewegingszin een vorm waar. Dat wat ik waarneem als ik zo rondkijk, doe ik met mijn bewegingszin. Zodra ik op een bepaald moment mijn oog stilhoud, en een bepaalde vorm bekijk, dan tast ik die vorm innerlijk af, via mijn oog. Mijn levenszin bepaalt of deze vorm op mij als levenwekkend, verstarrend of zelfs ziekmakend werkt. Er zijn bepaalde vormen die een­voudig ziekmakend op de mensen werken, andere vormen die het leven juist bevorderen. De evenwichtszin is een zintuig dat de architecten ongelooflijk veel gebruiken, omdat juist in die evenwichtszin het evenwicht tussen bouwelemen­ten, ook voor hen zelf, visueel zichtbaar en beleefbaar wordt. De warmtezin is een zintuig dat daar weer boven uitgaat, het is niet het zintuig waarmee men lichamelijk waarneemt of bijv. een tafel warm of koud is, het is die zin waarmee men, als men een kamer binnenkomt, kan zeggen: hier is een warme sfeer, of het is ijskoud in deze kamer. Het gaat niet om temperatuur maar het is meer een psychisch verschijnsel. U hebt bepaalde kamers die zijn zo keurig gemeubileerd dat ze meer op een toonkamer van een meubelzaak lijken dan op een ruimte waarin mensen leven. Elk schilderijtje hangt op de enig juiste plaats, elke stoel staat op de enig juiste plaats, maar er leven geen mensen, het is er ijskoud. De zin waarmee men dat waarneemt, dat is de warmtezin. Voor de architectuur, en vooral voor de binnenhuisarchitectuur is het oog en de warmtezin van zeer grote betekenis; men neemt waar wat voor atmosfeer men schept binnen een bepaalde ruimte.

Dan hebben we te maken met de geestelijke zintuigen, die genoemd staan in de derde kolom. Deze gaan nog veel dieper op de dingen in. Het gehoor neemt oneindig veel meer waar dan alleen de uiterlijke oortrilling. Het trillen van het trommelvlies wordt meer door de tastzin waargenomen. Met het gehoor nemen we waar als we bijv. een interval horen. Het gehoor is een diep kwalitatieve eigenschap. Als ik spreek over een kwart, c-f bijv., dan heb ik het niet over die c of die f, die zijn niet belangrijk, belangrijk is de spanning tussen de c en de f. Dat is belangrijk, het spanningsveld van de kwart, die door de f een totaal andere kwaliteit heeft dan de kwint, en de g ligt maar één toon hoger. Dat zijn muzikale wetmatigheden, een andere vorm van wiskunde. In de muziek hebt u niet te maken met getallen als 1, 2, 3, 4, etc. maar met verhoudingen als 1/2, 1/3, 1/4, 1/5 enz. Als u met die getallenreeks werkt, dan werkt u met muzikale verhoudingen, want het is precies de getallenreeks van de intervallen. Er zijn architecten die volgens de methode van Kaiser werken. Volgens Kaiser moeten ruimtes volgens muzikale verhoudingen – ”Harmonik” heeft hij dat genoemd – gebouwd zijn. Dan hebben ze op de menselijke psyche en op de menselijke geest een activerende werking. Zo goed als je een klank hebt en een wanklank, zo heb je ook ruimtes, die, als je er binnen komt, muzikaal een dissonant zijn. Ik heb daar zelf altijd sterk mee geleefd. En toen ik in 1948 in Berlijn in de Technische Hogeschool aldaar een voordracht moest houden, kwam er na afloop een architect naar me toe en die zei: ”Wat u daar verteld heeft, heeft mijnheer Kaiser uitgewerkt”. Hij gaf me een boek van Kaiser op toen ik zei dat ik mijnheer Kaiser niet kende en sindsdien ben ik met deze wereld van Kaiser in verbinding gekomen*).

Ik heb ook altijd geprobeerd, daar waar ik dat kon, op bouw invloed uit te oefenen, bijvoorbeeld wanneer er een zaal voor onze kinderen in het Zonnehuis* *) gebouwd werd, om er voor te zorgen dat de verhoudingen in zekere zin aan deze muzikale verhoudingen zouden voldoen, opdat het een harmonische ruimte zou zijn. Het merkwaardige is, dat in deze ruimte, de akoestiek altijd behoorlijk is, ook als de materialen niet altijd eerste klas zijn. Goed, terug naar de zintuigen. We zijn nu gekomen bij de woordzin, het kunnen waarnemen van het woord.

*) Hans Kaiser: Akroasis; die Lehre von der Harmonik der Welt, Basel 1976
**) Heilpedagogisch instituut te Zeist (Red.).
.

Als de woordzin gestoord is, dan hoort de mens wel geluid, maar hij kan er geen woorden uit opmaken. U weet, dat dat neurologisch kan voorkomen.

Dan krijgt u de denkzin, die de werkelijkheid van een gedachte waarneemt. De denkzin is dus niet het denken, maar het waarnemen ervan. Als ik sta te praten met iemand en hij legt mij wat uit, dan neem ik waar wat die ander denkt. De ik – zin is het waarnemen van het ik van de ander. Het kunnen waar­nemen van een mens als persoonlijkheid. Dat ik iemand herken als een bepaalde persoonlijkheid is een zeer bepaalde waarneming in het geestelijke.

Deze laatste vier zintuigen laat ik verder maar onbesproken, want de architect houdt zich bezig met de onderste vier. U kunt zeggen: Dat valt ons nu tegen, want we dachten dat we zo hoog spiritueel bezig waren. Net als bijv. musici, en de dichter uit zich toch in de eerste plaats ook in de woordzin. Dat valt ons toch tegen, jammer dat we met die laagste zintuigen bezig zijn

Dames en heren, hier is juist de allergrootste verantwoording op zijn plaats. Want de invloed van deze onbewuste zintuigen, die direct via het onderbewustzijn van de mens werken, is het allergrootst, want zij werken voortdurend. Ook als ik niet bewust kijk, loop ik door een gang heen en kom langs een aantal vormen, waartegen ik weliswaar gewapend ben als ik ze bewust bekijk, maar juist als ik ze onbewust waarneem, dan kunnen ze zo werken dat ze mijn levensprocessen versterken, maar zij kunnen ook verstarrend werken op mijn levens­krachten, zodat de activiteit van de wereld van de tijd die in de wereld van de ruimte inwerkt, gestremd, tegengehouden wordt en daardoor een zekere verzwakking van de levenspro­cessen optreedt. Veel dingen uit onze omgeving werken via onze ogen op de onbewuste zintuigen in, veel indrukken doen we ook op in het proces van het ergens langslopen.

Vormgeving, metamorfose en totale conceptie

Hoe kunnen we vormen scheppen die uit de wereld van het leven tevoorschijn komen? Hoe moet bijv. een raamkozijn eruitzien, waarmee voor een mens die vanuit de kamer naar buiten kijkt, het stuk wereld dat hij door dat raam ziet niet omsloten is, met een vorm die aan het zoutkristal ontleend is, maar uit de wereld van de levende organische werkelijkheid voortkomt. Ik zeg niet dat je zou moeten na-apen, zeg een beukenblad zou moeten namaken, of een waterlelieblad. Dat is bijzonder onkunstzinnig en ook bijzonder inefficiënt. Maar hoe kan ik dan een bepaalde vorm zo in beweging brengen dat daardoor vormen ontstaan die uit de wereld van de bewegende lijnen en vlakken voortkomen? Dat is een enorm vraagstuk, en u begrijpt dat daar een grote vrijheid in zit. Daarin ligt een grote vraag voor de kunstenaar in dit vak. Met grondslagen al­leen kun je nog niet construeren, kun je nog geen ontwerpen maken, daarvoor moet je een zeker kunstenaarschap hebben. En daarbij is het zo, dat velen geroepen zijn, en slechts weini­gen uitverkoren. Elke eeuw brengt maar 2 of 3 werkelijk grote schilders voort en elke eeuw brengt maar 2 of 3 werkelijk grote architecten voort. De rest zijn mensen met een loffelijk pogen, maar juist elk pogen is belangrijk. De toekomst zal uitwijzen of u tot ”de” architecten van de 20e eeuw behoort of niet.

Maar goed, dit is dus een kwestie van de vrijheid in de vorm­geving. U krijgt echter direct te maken met nog een tweede vraagstuk. Het eerste was dat van de vormgeving, de vormge­ving van de enkele elementen. Maar een element staat niet al­leen, het is een onderdeel van een geheel. En nu kom ik tot iets wat tot het begrip van de metamorfose behoort. Als u met uw oog langs een gebouw gaat, van beneden naar boven langs de ramen op de verschillende verdiepingen of langs een rij of een groep ramen, dan bent u met de tastzin bezig dat af te tasten. Dat heeft innerlijk een enorme invloed, veel groter dan wij denken. Het kan zijn dat je alleen maar een repetitie ziet van steeds dezelfde elementen, dan is er geen metamorfose. Maar het kan ook zijn dat de ramen naar boven toe steeds veranderen, zodat je iets krijgt van een gebeuren van beneden naar boven toe. Een gebeuren dat kan werken alsof je een drieklank aanslaat. Dat is een metamorfose, waarin de vormen zich naar boven toe ont­wikkelen, met net als in de drieklank, intervallen of spannings­velden tussen de verschillende vormen.

Wij kennen soortgelijke metamorfosen ook uit de natuur, denk bijv. aan een zgn. wervelstraat, die u vindt in stromend water waar een stok in staat, of wanneer u rook door een ruimte laat stromen. De eerste vormen daarin zijn nog vaag en elke volgende vorm is een verandering ten opzichte van de vorige. Hier toont de natuur ons een metamorfose van vormen, die echter op zich nog mathematisch zijn. Zij zijn nog volkomen te berekenen, behalve dat ze in de natuur nooit zuiver in hun mathematische vorm voorkomen, maar altijd met kleine afwij­kingen. Wij zouden, als abstract denkende mensen, zeggen: er zijn altijd storingen.

Maar die storingen zijn essentieel voor het leven. Het leven is nooit een mathematisch proces, het is altijd een proces van storingen, want het leven heeft oneindig veel vertakkingen met invloeden die van buitenaf erop inwerken. Het is geen laboratoriumsituatie, waarin wij alleen twee factoren tegenover elkaar plaatsen en met allerlei kunstgrepen alle andere buitens­huis houden. De werkelijkheid is dat we in een veel groter geheel staan.

Als u een bouwwerk wilt maken voor mensen, dan moet u bedenken dat het daarbij gaat om levende mensen, die in beweging zijn. Dat wil zeggen dat ze, als ze kijken, geen gefixeerde ogen hebben die alleen één blikveld star bekijken. Een oog zwerft voortdurend rond, is voortdurend in beweging, steeds tasten wij een groot veld af met onze ogen. En terwijl wij dat doen werkt dat innerlijk op ons in. Immers via die tastzin, de levenszin en de bewegingszin. In ons diepste innerlijke organisme, daar waar levensprocessen en psychische processen elkaar benaderen, het gebied van de psychosomatische genees­kunde zou je kunnen zeggen, daar zijn juist deze invloeden het sterkst.

Wanneer men in het eerste Goetheanum kwam, dan kwam men in een ruimte met een aantal zuilen en een aantal vensters. De motieven van de sokkels werden begeleid door die van de architraven daarboven. Elke zuilvorm ontwikkelde zich in een metamorfose uit de vorige zuil. Daarboven werd de spanning ertussen in een vorm gebracht die als het ware die metamorfose zichtbaar maakte.
De ruimte was een muzikaal gebeuren, als men daarbinnen kwam, dan had men het gevoel in een machtige orgeltoon te komen, maar een orgeltoon die ontstaat terwijl men van de ene naar de andere zuil gaat. Langzamerhand werd de klankfiguur dan steeds rijker en geweldiger. De bedoeling van Rudolf Steiner was dat de mensen door het Goetheanum heen zouden lopen in de richting van een groot beeld dat aan het einde van de dubbelkoepel stond. Een beeld van de mensheidsrepresentant tussen de twee grote tegenkrachten, de kracht van de illusie en de kracht van het koude machtsstreven van de mens, die in bepaalde figuren daar zichtbaar waren, met de mens die daar soeverein tussendoor schrijdt. Men liep dus op dat beeld van de mensheidsrepresentant af en op weg daar naartoe maakte men een metamorfose door. Die maakte men door, ook als men daar niets van afwist. Vaak is het zelfs zo dat als je ervan afweet, de werking dan minder wordt. Het sterkste werkt het daar waar men eenvoudig de dingen op zich in laat werken en niet achteraf direct de dingen wil doodredeneren. Beter is het je na afloop in je kamer terug te trekken om te bestuderen: wat heb ik nou eigenlijk beleefd?

Ik vind het belangrijk erop te wijzen, dat de architect eigen­lijk te maken heeft met de etherische wereld, aangezien hij ten eerste voor de enkele elementen vormen uit de wereld van het organische moet trachten te vinden – ik zeg moet, neemt u me niet kwalijk dat ik moet zeg, maar dat is mijn overtuiging – waarbij je de zaak ook zo kunt overdrijven dat je gek wordt als je binnenkomt.

De antroposofische bouwkunst is niet een maniertje, is niet een nieuw soort Jugendstil of iets dergelijks het is een diepe in­nerlijke verantwoording om vormen te scheppen die juist op die diepere zintuigenlaag van de mens werken, niet omdat men daarop wil werken maar omdat alle architectuur daarop werkt. Eerste punt was dus: de enkele elementen, het tweede was de metamorfose van de elementen onderling en het derde is de totale conceptie, waarmee we in de zielenwereld, in de wereld van de kwaliteiten komen.

De opdrachtgever wil een gebouw hebben dat een bepaalde kwaliteit uitdrukt. En heden ten dage bouwt men gebouwen waarvan men dat van buiten af überhaupt niet meer kan zien. Ik heb vaak een grapje uitgehaald als ik buitenlandse gasten heb, dat ik ze in Hilversum bij het beroemde stadhuis van Dudok breng. Dan zeg ik: je mag drie keer raden wat dit voor een gebouw is. Alle mogelijke dingen zijn voorgesteld: een politiebureau, een chemische wasserij, een overdekt zwembad enz. enz. Ik weet wel dat ik bepaalde mensen heel erg op hun hart trap, als ik zulke dingen zeg, maar het is een feit, dat nog geen enkele keer iemand gezegd heeft: dit is nou het stadhuis van de gemeente; daar is niemand op gekomen, die het van tevo­ren nog niet wist. Moet een gebouw – als conceptie – uit­drukken wat er binnen gebeurt? Dat is enerzijds een ecologisch vraagstuk, omdat zo’n gebouw een onderdeel is van een grotere gemeenschap van gebouwen er omheen. Daarbij komt dan natuurlijk het hele stedenbouwkundige aspect. Dat wil dus zeggen, een nieuwe vorm van ecologie: architectonische ecologie. In de tweede plaats is dat het vraagstuk van: wat wil dege­ne die in het gebouw woont met dat bouwwerk uitdrukken? De totale kwaliteit dus, die vaak het duidelijkst in de karikatuur tot uitdrukking komt, wanneer de kwaliteit zich uitdrukt in de totale gestalte. Die karikaturisten zijn daar meesters in, om met een enkele lijn een bepaald karakter neer te zetten. Denk aan de slimme vos, de goedige domme beer, burgemeester Dickerdack uit de Bommelserie, die als nijlpaard door de we­reld gaat enz. Het gekke is dat je, als je ze bekijkt, na een paar minuten niet meer ziet dat het diervormen zijn, omdat de vorm een karakteristiek geworden is van een bepaalde zielenhouding.

In de architectuur moet je dus niet door overdrijving, zoals bij de eenzijdige duidelijkheid van de karikaturen, maar toch door uiterlijke vormen aangeven wat eigenlijk in een gebouw gebeurt. Dat is het derde punt, de vormgeving van het totaal. Dan was er de metamorfose van de elementen onderling, waar­door degene die in een gebouw woont en er doorheen loopt een ontwikkeling doormaakt, en ten slotte de enkele elementen zelf, die een vorm aannemen uit de wereld van de beweging, organische vormen, vormen uit de wereld van de tijd en niet uit de wereld van de ruimte. Dan wordt het gebouw een levend wezen. Een gebouw kan een levend wezen zijn, waar je bevriend mee raakt zoals je met een goede vriend bevriend raakt. Een vriend die je helpt, een vriend die je troost, een vriend die je vreugde brengt. De bouw van de toekomst zie ik als de bouw die de mens begeleidt op zijn levensweg van geboorte tot ouderdom. Jonge mensen fris en gezond maakt, oudere mensen levend houdt. Een gebouw dat vreugde schenkt aan degenen die erin wonen; dat zie ik als opdracht van de architect van de toekomst die wil proberen te bouwen in vormen die weer men­selijke vormen zijn. Want we praten vaak over menselijke maat van gebouwen en over vermenselijking van onze hele samenle­ving. Vermenselijking van het bouwen houdt mijns inziens in dat men deze drie elementen tot een gelukkige eenheid heeft weten te verenigen. En de mate waarin men in zijn poging tot vereniging is geslaagd, bepaalt tevens de mate van kunstenaar­schap van de architect. Ik hoop dat er onder u, vooral onder de jongeren, velen zijn die in de toekomst tot kunstenaar zullen worden.

Prof.Lievegoed werd in 1905 op Sumatra geboren. Nadat hij zijn studie medicijnen had voltooid, die hij in Groningen en Amsterdam had gevolgd, ging hij zich toeleggen op de kinderpsychiatrie en de heilpedagogie. In de vijftiger jaren richtte hij zijn aandacht meer op de sociaal-pedagogische problematiek. Hij was studentenpsychiater en hij richtte het Nederlands Pedagogisch Instituut op. In 1954 werd hij benoemd tot buitengewoon leraar in de sociale pedagogie te Rotterdam en tot gewoon hoogleraar aan de sociale faculteit aan de Technische Hogeschool Twente. Prof. Lievegoed nam in 1970 het initiatief tot het oprichten van de Vrije Hogeschool te Driebergen. Tot voor kort was hij voorzitter van de Antroposofische Vereniging in Nederland en in 1977 verwierf hij grote bekendheid met zijn boek ”De levensloop van de mens”
.

Voor de (vrijeschool)pedagogie is zijn boek ‘De ontwikkelingsfasen van het kind’ een belangrijk werk.

Als bijlage bij de voordracht werd een aantal gebouwen genoemd die volgens het organische principe gebouwd zijn:

AMSTERDAM
Kapel van de Christengemeenschap, A. J. Ernststraat
Architect: H. W. M. Hupkes Bouwjaar: 1971

Ingang Geert Grote School Hygiëaplein
Architect: W. Ogilvie Bouwjaar: 1971/1972

APELDOORN
Villa Seringenlaan
Architecten: F. H. Gerretsen en Chr. Wegerif

BRUMMEN P
paviljoens van het Heilpedagogisch Instituut “De Michaëlshoeve” Zutphensestraat A
Architect: J. I. Risseeuw Bouwjaar: 1978

CAPELLE A/D IJSSEL
Woonwijk De Drie Eilanden
Architect: A. Alberts Bouwjaar: 1979

CLEVE BIJ NIJMEGEN
Pluis op de Wylerberg
Architect: O. Bartning Bouwjaar: 1921

DEN HAAG
Woonhuis Winje Wanje
Nieboerweg
Architecten: F. H. Gerretsen en Chr. Wegerif Bouwjaar: 1924

DEN HAAG Rudolf Steiner Kliniek
Nieuwe Parklaan
Architecten: J. W. E. Buys en J. B. Lürsen Bouwjaar: 1928

DEN HAAG
De Vrije School Waalsdorperweg
Architecten: J. W. E. Buys en J. B. Lürsen Bouwjaar: 1928

Zaaltje van de Haagse Groep van de Anthroposofïsche Vereniging in Nederland Scheveningseweg
Architect: A. von Baravalle Bouwjaar: 1960

DRIEBERGEN
Iona-Gebouw Hoofdstraat
Architect: J. I. Risseeuw Bouwjaar: 1978

LAREN N.H.
Villa Gradalis Raboes
Architecten: F. H. Gerretsen en Chr. Wegerif Bouwjaar: 1928

MIDDELBURG
De Vrije School Zeeland Willem Arondeusstraat
Architect: J. I. Risseeuw Bouwjaar: 1980

MONNICKENDAM
Apotheek Pierebaan
Architect: A. Alberts Bouwjaar: 1979

De lijst is niet bijgewerkt en vanaf 1980 zijn er weer gebouwen bijgekomen, zoals dat van de Gasunie in Groningen;  ziekenhuis Zwolle

Organische bouw [2-1]     [2-2]

Meer voorbeelden

Zintuigen: alle artikelen

919-850

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind – (14)

opspattend grindHUILBABY

In de weekendbijlage van Trouw – Tijd – van 25-05-2013 – vertelt een moeder over haar huilbaby. Ze tobt wat af en weet niet goed raad. Ze probeert van alles.

Een stukje van haar bevindingen staat hieronder.

Het komt sommigen van ons bekend voor: ‘het kiezen van je ouders, je voorgeboortelijke leven’. Maar, zo vergaat mij dat, je weet het niet zeker, wanneer je niet zelf de helderziende vermogens hebt om deze dingen waar te nemen. Ze ontkennen mag: er is geen bewijs in de gewone zin; er voor open staan mag ook: ‘zeg geen nee, maar zeg he’, een vertaling van het door Leen Mees vaak gebezigde ‘don’t say no, just say oh’, om zijn toehoorders op te roepen open te staan, juist voor het ‘ongewone’.

Voor de moeder in kwestie speelde dit ‘ongewone’ zich af:

(….)haal ik een speciaal soort melkpoeder. Verder merkt de kinesioloog een verstoorde moeder- zoonband op die ze en passant even herstelt. Ook geeft ze aanwijzingen over hoe we Rafs kamertje zouden moeten inrichten en wat er aan de muur moet (meer kleur). De grote platen schuimrub­ber die we hebben opgehangen om het gehuil te dempen, schilderen we wit. Het helpt niet.

Dan komt er hulp uit onverwachte hoek.

Mijn uiterst nuchtere fysiotherapeut, bij wie ik inmiddels wekelijks kom met een totaal ver­krampte nek en schouder, beveelt een vrouw aan die gespecialiseerd is in natuurlijke genees­wijzen. Haar werkruimte ziet er prettig uit en ik merk aan Raf dat hij zich meteen bij haar op zijn gemak voelt. Ze heeft grappige fleecesokken aan en Raf aait ongegeneerd haar voeten.

Hij spreekt nog geen woord, maar deze vrouw kan toch met hem communiceren, zegt ze. Ook zij ziet een gevoelig jongetje, dat inmiddels pri­ma geaard blijkt te zijn. Hij is talig, zegt ze, en ze vergelijkt Raf met Balkenende: iemand die niet veel slaap nodig heeft. Dat was me al opgevallen, ja.

Ik vertel dat we met Joni ook al het nodige te stellen hadden qua huilen, en mompel iets in de trant van: “Wat dat betreft lijkt het wel of wij als ouders een bijzondere taak hebben met deze kinderen.” Ze gaat er serieus op in en zegt: “Ja, zij is eerst gestuurd om te kijken of jullie het wel aankonden. Hij is het cadeautje.”

Alsof dat niet genoeg is, gebeurt e wonderlijks. Raf – hij is nu anderhalf – gaat bij een houten balk in de ruimte staan, kijkt de vrouw strak aan, wrijft over de balk en sluit zijn ogen. Niet even knipperen, nee, hij houdt ze vrij lang dicht. “O, dat is grappig”, zegt de genezeres, “hij vertelt me net dat hij in zijn vorig leven blind is geweest. Hij is bang dat ‘s ochtends niet meer licht wordt.” Ik heb even tijd no dig om dit op me in te laten werken. Vorig leven? Blind geweest? Eh… geloof ik daarin?

Het zou wel een hoop verklaren: de angst voor het donker, zijn paniek ’s nachts, het vastklampen. Ze stelt voor een lichtje aan te laten en hem voor het slapen gaan een ‘visualisatie mee te geven’. Ik vertel elke avond trouw een verhaaltje over een boom die hem beschermt. De wortels zijn een zacht matrasje en de takken hangen over hem heen, zodat niemand bij hem kan. Mijn tante maakt er een prachtig schilderij van en… het werkt! Hij slaapt door!

Of zou hij er inmiddels gewoon overheen zijn gegroeid? ■

opspattend grind: alle artikelen

.

913-844

VRIJESCHOOL – Valse weblog

.

Een fanatiek tegenstander van alles wat met antroposofie te maken heeft, probeert middels vele blogs ook de vrijeschool in diskrediet te brengen.

Op zijn leugenachtige artikelen laat ik er telkens volgen die waarachtiger zijn. Uiteraard neemt hij mij dit niet in dank af.

Ik krijg regelmatig privé-mail op een niveau dat voor nog puberende adolescenten niet zou misstaan. Op de werkvloer zouden ze in ieder geval onder ‘pest-mail’ vallen.

De criticaster heeft een weblog gemaakt met een titel die bedrieglijk veel lijkt op mijn blogtitel.

Aanvankelijk kopieerde hij vele artikelen integraal van mijn blog naar het zijne, wat een overtreding van de auteurswet betekent. Nadat hij daar op gewezen werd, heeft hij de artikelen die persoonlijk van mij zijn, achter een wachtwoord verstopt.

Artikelen van andere auteurs liet hij staan.

Hij heeft die blog ‘Vrije Schoolpedagogie’ genoemd.

 

Bovenstaande blog is niet van mij.

Over de criticus en zijn misleidende artikelen:

Kritiek op de vrijeschool

‘steinerscholen’. com gefocust

De bedoeling van deze smerige actie is, via de inhoud van mijn artikelen, middels een daarin geplaatste link die er oorspronkelijk niet in staat, de lezer te leiden naar blogs van deze manipulerende figuur.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

892-823

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (2)

.

Johannes Tauz, opgetekend in Erziehungskunst, 23e jrg. 1969

.

over de boodschap van de kerstspelen
.

Toespraak bij een opvoering
.
Vele van de aanwezigen zijn de ‘oude volkse spelen’, de kerstspelen uit Oberufer, diepgaand vertrouwd. Ze worden in alle Duitse en ook buitenlandse vrijescholen ieder jaar als een geschenk van de leerkrachten aan de leerlingen opgevoerd. Maar niet alleen op onze scholen, ook in woon- en werkgemeenschappen voor mensen met een verstandelijke beperking, meervoudige handicaps en/of gedragsproblematiek. In afdelingen van de antroposofische vereniging, in de christengemeenschapskerken nemen de spelen een vertrouwde plaats in. Ze worden opgevoerd in bedrijven en ziekenhuizen en menig ‘kompany’ stelt zich ten doel in gevangenissen te spelen. We kunnen dus tegenwoordig wel spreken van een zich uitbreidende beweging van de kerstspelen uit Oberufer. Voor wie erdoor geraakt wordt, wordt Kerstmis weer een Christusfeest. De uitgeefster van het tekstboek, Marie Steiner, vele jaren medewerkster van Rudolf Steiner, wijst in het voorwoord op de vredesboodschap van deze eenvoudige volksspelen. Onze tijd [art. uit 1969] die als nieuwe takken van wetenschap ‘vredesvraagstukken’ en ‘toekomstvraagstukken’ heeft, kan veel ‘vredesboodschappen’ opmerken. Wat de boodschap van vrede in onze spelen betreft, die heeft niet als resultaat dat ergens de oorlogshandelingen ophouden. Ware vrede is gebonden aan voorwaarden; die vraagt de bereidheid tot de ‘goede wil’, zich te doordringen met het licht dat sinds de eerste wereldkerstnacht in de duisternis schijnt. Wanneer die wil de harten vervult, wordt Kerstmis een feest dat vrede in de ziel brengt en eenheid sticht. Bijna 60 jaar geleden [art. uit 1969] werden de spelen uit Oberufer op een nieuwe manier opgevoerd. Kerstmis 1910 heeft Rudolf Steiner ze opnieuw vorm gegeven en vanuit een nieuwe geest de traditie geschapen waarin we nu staan. Het jaar 1910 neemt in het leven van Rudolf Steiner een belangrijke plaats in. In relatie tot Goethes ‘Sprookje van de groene slang en de schone lelie’ ontstond het eerste van de vier ‘mysteriedrama’s’, waarin de profetes Theodora het begin van de nieuwe Christustijd aankondigt. In hetzelfde jaar klonk er soort begeleidingsmotief: de activiteit rond de kerstspelen begon in Berlijn, midden in de drukte van de miljoenenstad. Het jaar daarop volgden opvoeringen in Wenen, in 1921 op de vrijeschool in Stuttgart. Onder de spelers bevond zich – al sinds het begin in Wenen – de onvergetelijke Karl Schubert, wiens 80e verjaardag op 25 november 1969 zijn vrienden over de hele wereld in gedachten samenbracht. Met de hem eigen uitdrukkingskracht in spraak en gebaar, vertolkte hij de rol van boompjesdrager, sterrenzanger, de herder Witok en de lakei. Wat in 1910 weer ontstond, was een honderd jaar daarvoor verloren gegaan. In het midden van de 19e eeuw vonden de laatste opvoeringen plaats op het eilandje Oberufer in de Donau, niet ver van Pressburg, het huidige Bratislava. Toentertijd tekende een jonge gymnasiumleraar uit Pressburg de spelen op en behoedde ze daarmee dat ze verloren zouden gaan. Hij kon het vertrouwen van de boer winnen in wiens familie het recht van opvoering erfelijk was en die af en toe nog, met tussenfasen van vijf tot tien jaar jongens uit het dorp samenbracht en ze instudeerde. Die jonge leraar, de Goethe-enthousiast Karl Julius Schröer, voelde zich in het diepst van zijn wezen verbonden met een stroming die in de vroege middeleeuwen zijn oorsprong had en in Oberufer ophield: met de geestelijke spelen uit de middeleeuwen waarvan aan het begin de eerste Duitse dichteres staat, de non Hrotsvitha uit het klooster Gandersheim in de Harz. Duizend jaar hield de stroming het uit, toen verzandde ze. Wat Schröer gevonden had, liet hij in boekvorm verschijnen. Maar het werkje zou in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer Schröer, inmiddels beroepen aan de Technische Hogeschool in Wenen, niet een paar studenten had gehad aan wie hij zijn vondst kon toevertrouwen. Het was Rudolf Steiner die weer tot leven wekte wat de volkskundige Schröer had opgetekend. Door hem hebben wij de spelen gekregen en al die leerlingengeneraties die ze sinds die tijd hebben leren kennen. Wanneer de leraren jaar na jaar het Paradijsspel, het Herdersspel en het Driekoningenspel opvoeren en wanneer de leerlingen door de opeenvolging van deze diepzinnige beelden in deze ‘trilogie’ geboeid worden, raken we vervuld met hoop. De eenvoudige spelen uit Oberufer zouden erbij kunnen helpen dat de kersttijd werkelijk weer een vernieuwing voor de wereld wordt: een vernieuwde Christustijd – een tijd van ingetogenheid waarbij in de ziel het vredebrengende kerstlicht in toenemende mate helderder wordt.
.
Kerstspelenalle artikelen

Vrijeschool in beeldde kerstpelen

716-653

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (20)

.

HULPSINT

Fout: sint met scheve baard en kegel

Talloze hulpsinterklazen trekken deze dagen hun mantel aan. Maar waar moet een goede hulpsint aan voldoen? Theo Cremers was tien jaar Sint in Eindhoven en geeft tips.

•  “Hou rekening met een vermoeiende dag. Sint moet alle kinderen een hand geven en alle tekeningen aannemen. Ik beveel aan om voor de tekeningen een papier-Piet mee te nemen.”
• “Niet hard lopen! Als Sinterklaas moet je schrijden, ook al kom je in tijdnood.”
•  “Kleed je warm aan. Ik trok als het koud was een vuilniszak aan onder mijn toog, tegen de wind.”
•  “je moet niet bang zijn voor paarden. Sint hoort op een paard aan te komen, niet met de trein.”
•  “Baldadige kinderen? Die geef je ook een aai over de bol. De Pieten zijn je lijfwacht, ze moe­ten zorgen dat kinderen niet aan je baard zitten. Maar dat komt zelden voor.”
•  “Het belangrijkste is je uitstraling. Je moet een vriendelijke, oude man zijn. Ais kinderen huilen zeg je: wat ben jij al groot geworden.”

Schminken
Crème rond ogen en neus zorgen voorde gelaatskleur.
Met zwarte en witte schmink worden de ogen voorzien van wallen en kraaienpootjes.
Wenkbrauwen witten met schmink.
Neus accentueren met witte crème en potlood.
Lippen grauwer maken om het ge­zicht ouder te laten lijken.
Sint hoort geen rode lippen te hebben.

Kostuum huren kost ongeveer 50 euro*.

St.Nicolaas 7

(Brabants Dagblad, *28-11-2003)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

358-337

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-1)

.

Wanneer  op gezette tijden de mazelen weer eens uitbreken, ontstaat ook steevast de discussie over vaccineren.

Ik ben geen arts en voel mij niet geroepen hierover een oordeel te geven.

In mijn bewaarde artikelen vond ik er een over ‘mazelen’ uit 1988 van de hand van huisarts Arie Bos, bekend van o.a. zijn :Hoe de stof de geest kreeg‘ en ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Ik vroeg hem of hij nog achter zijn artikel stond en of ik het mocht publiceren.

Hij had daartegen geen bezwaar, maar voegde deze  opmerkingen toe waarvan ik de strekking als volgt weer geef:

Ouders van nu geven aan hun kinderen geen antistoffen meer mee. Daarmee is de situatie een andere geworden. Dokter Bos vindt vaccineren daardoor heel begrijpelijk en raadt het zeker niet af.

De reden dat ik hier zijn artikel en zijn opmerkingen plaats, ligt vooral in de opdracht die dokter Bos nu aan de pedagogie stelt:
‘de ontwikkeling van het kind moet nu van de pedagogie komen’.

Dit vraagt m.i. niet meer of minder om een nieuwe bezinning op de ontwikkeling van kinderen, in samenhang met mazelen of kinderziekten in het algemeen.
.

Arie Bos, Jonas 13, 19 februari 1988
.

ANGST VOOR MAZELEN
.

In de zomer van 1956 waarschuwde de akela van ons groepje welpen dat we niet te wild mochten spelen. We moesten vooral niet be­zweet raken, meende ze, want voor je het wist kon de kinderverlamming toeslaan. In mijn herinnering was het een prachtige zomer, zoals alle zomers in de jeugd, die in een on­kinderlijke rust moest worden doorge­bracht. Zwemmen was er zeker niet bij: het water borg het grootste gevaar in zich. Er werden dat jaar meer dan tweeduizend kin­deren ziek. In het jaar daarop gingen we op een dag met de hele klas naar het gebouwtje van de ggd waar we in een onafzienbare rij klaar stonden om in de arm te worden ge­prikt. Er was niemand op deze gereformeer­de school die zich niet liet vaccineren. Nooit eerder was er een polio-epidemie (kinderver­lamming) van een dergelijke omvang ge­weest. Een aantal kinderen had blijvende verlammingen overgehouden. We weten nu dat het poliovirus de paradoxa­le neiging heeft pas ziekte en verlammingen te veroorzaken wanneer de hygiëne in een land groter wordt. In landen waar een min­der hoge hygiënische standaard is, vormt verontreinigd water een alom tegenwoordig reservoir van poliovirussen. Ieder kind wordt al vroeg in zijn leven besmet, in een tijd dat het nog door van de moeder afkomstige afweerstoffen wordt beschermd. De antistof­fen die het daardoor ontwikkelt, bescher­men het weer tegen een eventuele latere be­smetting die dan in een milde vorm of vol strekt ongemerkt voorbij gaat. Epidemieën krijgen zo geen kans om te ontstaan omdat iedereen over afweerstoffen beschikt. Een heel andere situatie ontstaat wanneer door een grotere hygiëne het virus niet meer circuleert. Oudere kinderen die vrijwel geen afweerstoffen meer van hun moeder over hebben, zijn dan onbeschermd en kunnen erg ziek worden wanneer incidenteel de ziekte in de vorm van een epidemie toeslaat. Deze situatie bestond in onze streken voor het jaar 1957, toen een systematische inen­ting tegen polio myelitis op gang kwam. Al vrij snel was een percentage van 98 procent gevaccineerden bereikt, wat tot de dag van vandaag nog steeds het geval is. De hoop bestond dat de hoge vaccinatie­graad van de bevolking de verspreiding van het virus effectief zou voorkomen zodat ook de niet gevaccineerden onder de ‘vaccinatie­paraplu’ van de anderen zouden kunnen meeschuilen. Dat bleek niet het geval te zijn. In 1971 en in 1978 ontstond er in enkele streng gereformeerde gemeenschappen, waar om principiële reden niet wordt in­geënt, een polio-epidemie die relatief veel verlammingsslachtoffers eiste. Het lijkt er al­dus op dat naarmate een bevolking door vac­cinatie beter is beschermd tegen een ziekte, de ongevaccineerden door het ontbreken van antistoffen een groter risico lopen om de ziekte op volle sterkte te moeten doormaken.

Zes sterfgevallen

Het is indertijd een geniale gedachte geweest van Edward Jenner, de dokter uit Berkely in Engeland die omstreeks 1798 de vaccinatie uitvond, en een goed voorbeeld van een vruchtbare samenwerking die het waarne­men met het denken kan aangaan, wanneer niet uitsluitend bij een esthetische ontroe­ring wordt stilgestaan. Jenner vroeg zich na­melijk af waarom hij boerenmeisjes aantrek­kelijker vond dan burger- of adellijke meis­jes. Dat kwam omdat de eersten in tegenstel­ling tot de laatsten meestal over gave gezichtjes beschikten. De pokken, destijds een alge­mene (kinder)ziekte, hadden bij de anderen dikwijls een extra reliëf in het gezicht achter­gelaten. Een boerin wees Jenner er op dat de boerenmeisjes wel pokkenlittekens op hun handen hadden die ze hadden overgenomen van de uiers van de door hen gemolken koeien. Dat waren de zogenaamde koepok­ken. Jenner begreep dat de relatief onschul­dige koepokken (vaccinia, van vacca is koe) beschermden tegen kinderpokken. Daar­mee is de term vaccinatie ontstaan. Het kwam echter voor dat na inenting ie­mand toch over het gehele lijf koepokken kreeg. Al waren het dan in dit geval koepok­ken, de gevolgen waren niet minder ernstig. Een vergelijkbaar probleem kan zich nog steeds voordoen wanneer met een levend maar verzwakt virus wordt gevaccineerd, zo­als bij voorbeeld via het ‘suikerklontje’ tegen polio. Zo’n verzwakt virus kan zich toch, wel­iswaar langzaam, vermenigvuldigen, weer uitgescheiden worden en sterker besmette­lijk zijn dan in zijn oorspronkelijke, afge­zwakte vorm. In Nederland gebruikt men daarom tegen polio liever het met formaline gedode virus.

Ook nu nog leveren sommige inentingen problemen op, zoals de dktp-prik, vooral door de kinkhoesttoxinen, en de mazelenprik met het afgezwakt maar levend virus. (dktp is: difterie, kinkhoest, tetanus en po­lio). In 1986 werden zes sterfgevallen van kin­deren na vaccinatie gemeld aan het Rijksin­stituut voor Volksgezondheid en Milieuhy­giëne (rivm). Vijf gevallen betroffen van te voren niet-zieke kinderen, van wie vier na een dktp-enting overleden en het vijfde na een mazelenvaccinatie. Het zesde kind leed aan een ernstig hartgebrek. Een verband tussen vaccinatie en overlijden kon niet wor­den bewezen omdat geen sectie werd ver­richt; zij werden als ‘wiegedood’ geduid. In hetzelfde jaar werd twee maal een hersen­vliesontsteking gemeld — één maal na een mazelenprik en één maal na een dktp-inenting — en verder nog tweeënveertig andere ernstige bijwerkingen van een van beide vac­cinaties. De melding is vrijwillig, zodat vol gens het rivm moet worden aangenomen dat lang niet alle gevallen bekend worden. Dat dit soort bijwerkingen voorkomen, is al­gemeen bekend in de medische wereld en heeft, hoezeer het ook ernstig moet worden genomen, nooit geleid tot een door kranten en televisie aangewakkerde angstgolf. Wat kan er dan de reden van zijn dat bij de laatste mazelenepidemie breeduit de publiciteit is gezocht? De aanleiding werd gevormd door het overlijden van een zesjarig jongetje en een week later een vijfjarig meisje aan, zo werd bericht, een complicatie van mazelen. Het is opmerkelijk dat nooit is bekend ge­maakt aan welke complicaties de kinderen zijn overleden en of er nog andere omstan­digheden hierbij een rol hebben gespeeld. Het is namelijk al jaren bekend dat bij de zeldzame gevallen van overlijden na maze­len vrijwel altijd sprake is van een vooraf­gaand lijden, zoals bij voorbeeld een hartge­brek of mongolisme. De longontsteking als complicatie is in het algemeen goed te be­handelen.

Indringer

Nederland beroemt zich er op met 95 pro­cent tot de landen met het hoogste percenta­ge ingeënten te behoren. De volkswoede naar aanleiding van de sterfgevallen richtte zich dan ook gemakkelijk op de overblijven­de vijf procent. Opvallend is dat deze volks­woede werd aangewakkerd en verwoord door enkele hoogleraren. De hoogleraar ge­zondheidsrecht Roscam Abbing uit Maas­tricht meent dat ouders die hun kinderen niet tegen mazelen laten inenten uit de ou­derlijke macht moeten worden ontzet. Professor Dupuis, hoogleraar ethiek te Leiden, die vaker blijk geeft van een zekere hang naar dwangmaatregelen, vindt dat inenten ver­plicht moet worden. En Professor Huisman, sociaal geneeskundige te Rotterdam, be­weert zelfs dat een derde van de kinderen die de mazelen hebben gehad daar psychische schade van overhoudt of spasticiteit! Het lijkt een duidelijke zaak: de twee sterfgeval­len die het gevolg zouden zijn van een tot voor kort onschuldige kinderziekte, zijn de schuld van de ouders die hun kind geen ma­zelenvaccinatie hebben gegund. De zaken liggen echter iets genuanceerder. Vroeger kwamen complicaties bij mazelen in de westerse wereld maar zelden voor. De enige ernstige complicatie die moet worden gevreesd, is de encefalitis, immers de long­ontsteking is goed te behandelen. In het be­gin van de jaren zestig gold bij voorbeeld in Duitsland een getal van 1:14500 gevallen van mazelen waarbij encefalitis als complicatie van mazelen optrad. Er wordt aangenomen dat vijftien procent van de kinderen met en­cefalitis overlijdt. Inmiddels, sinds de vacci­naties, geldt een getal van 1:1000 a 1:2000. Het is overigens de vraag of dit ernstiger ver­loop alleen te wijten is aan het gebrek aan an­tistoffen bij de niet gevaccineerden, of dat ook de behandeling van de ziekte er een rol in speelt.

Een onderzoek van de Haarlemse arts B. Witsenburg in Afrika, waar mazelen een ernstiger verloop heeft dan in Europa, liet zien dat overlijden aan complicaties bij ma­zelen statistisch beduidend vaker voorkomt bij kinderen die koortswerende middelen krijgen. Dat is ook te verwachten, want koorts is een van de manieren waarop het li­chaam zich tegen een dergelijke indringer verweert.

Mazelen vormde eigenlijk nooit een pro­bleem. Het was een ziekte die je gehad moest hebben en die ook vrijwel iedereen van bo­ven de vijftien jaar heeft doorgemaakt. Het betekende een paar dagen ziek thuis blijven met koorts, hoesten en rode vlekken op ge­zicht en lijf, vertroeteld worden door je moe­der en weer beter worden. En beter worden kon je heel letterlijk nemen. Je moeder vond dat je veranderd was en dat vond je zelf ook. Je armen staken verder uit je mouwen en broekspijpen, je keek anders uit je ogen, je was minder kind en meer mens geworden. Hoge koorts betekent een inspanning voor het lichaam; er moet tenslotte een ziekte worden overwonnen. Iedereen weet dat je door inspanning sterker wordt. Dat geldt ook voor het afweersysteem. Nu de kinderziekten al bijna volledig zijn uitgeroeid, overspoelt een grote golf van ver­kouden, hoestende en benauwde kindertjes het spreekuur van de huisarts. Vooral huid­- en luchtwegproblemen — de gebieden waar de klassieke kinderziekten de strijd laten af­spelen — nemen bij kleine kinderen enorm toe. Een ‘kinkhoest’ die vaak serologisch (wat betreft antistoffen) niet tot de echte kinkhoest is te herleiden en ook ‘vlekjesziekten’, die lijken op de klassieke kinderziekten maar het niet zijn, vormen een vrijwel dage­lijks beeld. Het lijkt wel of een kind niet zon­der kinderziekten kan. Het belang van het doormaken van kinder­ziekten wordt vanuit de antroposofische ge­neeskunde als volgt verduidelijkt. In het kort gezegd komt het er op neer dat een mens als geestelijk wezen zijn ouders heeft uitgezocht om een lichaam voor hem te vormen. Dat ge­boren lichaam heeft echter aanvankelijk meer de kwaliteiten en eigenschappen van de ouders dan van het kind dat er in woont. Het lichaam moet worden omgebouwd om eigen te kunnen worden. Daarvoor moet grote kracht worden gemobiliseerd. Koorts bij voorbeeld. Alle kinderziekten hebben een eigen terrein waar ze ‘verbouwingswerk­zaamheden’ mogelijk maken: de huid, de luchtwegen, de slijmvliezen en het zenuw­weefsel. Na roodvonk, dat met langdurige hoge koorts gepaard gaat, vervelt een kind zelfs en komt als nieuw weer te voorschijn. In het medisch tijdschrift The Lancet van 5 januari 1985 is een artikel verschenen waarin de resultaten van een veertig jaar durend on­derzoek naar de gevolgen van mazelen wer­den gepubliceerd. Er bleek een statistisch significant verband te bestaan tussen het niet doorgemaakt hebben van mazelen en het op latere leeftijd ontstaan van immuniteitsziek-ten, bot- en kraakbeenziekten en tumoren. Het rivm heeft het op zich genomen om be­halve de ernstige ziekten difterie, tetanus en polio en de niet zo ernstige kinkhoest, ook de voor kinderen onschuldige bof, rode hond en mazelen weg te vaccineren. Dit is voor veel, vooral antroposofische ouders, die om nog weer andere overwegingen dan streng gereformeerde ouders kinderziekten positief waarderen, geen reden om zich te laten wijs­maken dat deze ziekten uiterst gevaarlijk zijn. Ze zijn hoogstens erg lastig. Wanneer door het hoge vaccinatiepercenta­ge en de daardoor ontstane afwezigheid van afweerstoffen, mazelen in de toekomst een gevaarlijke ziekte zou worden, zal dat voor veel antroposofische ouders een nieuw ele­ment betekenen in de overweging wel of niet te vaccineren. Ze zijn dan wel gedwongen te­gelijkertijd tegen de bof en de rode hond te laten enten. Of deze ‘vooruitgang’ ook een verbetering van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking zal betekenen, is echter de vraag.

Het lijkt meer zo te zijn dat de vaccinatiepa­raplu waaronder ook de niet gevaccineerden kunnen schuilen, het karakter van een sterie­le broeikas gaat aannemen waarin kwetsba­re plantjes opgroeien. Zo schept de techno­logische gezondheidszorg zijn eigen proble­men.

.

JAAP V/D WEG  IN TROUW, 08-08-2013

Het geloof in reïncarnatie* speelt ook een rol in de beslissing om kinderen niet in te enten, schrijft Jaap van de Weg.

Ieder mens leeft vanuit een be­paald mens- en wereldbeeld. De uitbraak van mazelen, doordat er mensen zijn die hun kind niet inenten, heeft duidelijk gemaakt hoe moei­lijk het is voor de ene groep om de andere te begrijpen. De reac­ties op de uitbraak zijn divers, vaak emotioneel en veroordelend. Die
di­versiteit wordt gevormd door drie verschillende mens- en wereldbeel­den waarnaar mensen leven.

Het eerste is het mens- en wereld­beeld in de sfeer van de orthodox protestant christelijke georiënteerde bevolking. Overwegingen om niet te vaccineren: God heeft de mens ge­schapen en beschikt over wat er met het leven gebeurt. Zij aanvaarden Gods wilsbeschikking. Zijn wijsheid is van een hogere orde dan de mens kan overzien. Uit eerbied wordt deze sturing aanvaard.

Het tweede mens- en wereldbeeld is dat van antroposofen. Antroposo­fie is een geesteswetenschap, waarin wetenschappelijke methoden ge­bruikt worden om het onzichtbare te onderzoeken. Dat is ruimer dan ‘an­troposofie is de leer van Rudolf Steiner’. Overwegingen om niet te vacci­neren: het leven op aarde is een ervaringsweg die op ontwikkeling is gericht. In die ontwikkeling is alles van belang, ook ziekte. Na het leven op aarde volgt een evaluatie van dat leven in de geestelijke wereld, om la­ter met een nieuw levensplan een nieuw aardeleven aan te gaan.

Vanuit een dergelijke visie wordt ge­nuanceerd gekeken naar wat voor ri­sico aanvaard wordt voor het leven, en wat niet.

Het derde mens- en wereldbeeld voert nu de boventoon, al wordt dat zelden expliciet genoemd en be­schreven. Het is het geloof in de vrije markteconomie. Ik noem het een ‘geloof omdat er nergens bewezen is dat dit de beste manier van samen­leven is. We hebben er vertrouwen in en leven ermee. We nemen de voor- en de nadelen. Ook dit geloof heeft consequenties voor ziekte en gezondheid. De markt is open, alles mag aangeboden worden. Het is nor­maal dat in de supermarkt veel uitgestald ligt waarvan bekend is dat het ongezond is. Niet omdat er een primaire vraag was, maar omdat de markt moet groeien. De consequen­ties: kinderen die te dik worden, dia­betes, hart- en vaatziekten.

Ouders die hun kinderen de maze­len laten ondergaan, krijgen kritiek dat dit kindermishandeling is. Is het dan ook geen kindermishandeling om kinderen te dik te laten worden? Als inenten verplicht wordt, verbied dan ook ongezonde voedingsmidde­len. Maar dat is geen optie, vanwege het geloof in de vrije markt.

In het spanningsveld tussen de ver­schillende mensbeelden zie je dat bij antroposofisch geïnspireerde men­sen de nadruk op gezonde voeding groot is en er minder problemen met zaken als obesitas zijn.

Strijdpunt

Een tweede aspect van het algemene hedendaagse geloof is dat je maar één keer leeft, en dus: geniet daar­van. Ook dit is een strijdpunt tussen mensbeelden. Het maakt nogal ver­schil of je leeft vanuit het beeld dat er meerdere levens zijn en dat je met de consequenties van je leven, zowel positief en negatief, verbonden blijft. De vraag of er meerdere levens zijn, is gedelegeerd naar de religie, of wordt gezien als een persoonlijke en subjectieve zaak. Wetenschappelijk gezien kun je echter ook stellen dat het hier ook om feiten gaat. Maar hoe onderzoek je die feiten?

Op de achtergrond van de mazelen­epidemie zie ik een tipje van de
te­genstrijdigheid die er tussen verschil­lende mens- en wereldbeelden bestaat. Als ieder mens vanuit een bepaald mensbeeld leeft, kunnen we daar ruimte voor maken en daarin de ontmoeting met elkaar aangaan?

(Jaap van de Weg, arts en antroposoof)

*dat zegt v.d. Weg in dit artikel NIET

Over mazelen en andere uitdagingen

antroposofie en wetenschap

ik en reïncarnatie

.

256-241

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (1)

.

Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
.

 Aart van der Stel, huisarts,  in “Jonas’, nr. onbekend
.

Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven
.

Het burnt out-syndroom bij leerkrachten
.

Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel sim­pel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.

Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraars­vergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen – kan men niet nakomen.

Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te wor­den, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?

Binnen en buiten

Een mens functioneert tussen twee uiter­sten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnen­wereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtin­gen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- ­en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee.
In dit verband heeft ‘bui­ten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’
‘Binnen’ uit zich in de plotse­linge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interes­ses, liefdes of je toekomstverwachting.

Gezondheid

Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij ver­leden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen?
Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belang­rijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en bui­ten met elkaar te verzoenen en gezond­heid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voor­waarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waar­nemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waar­neming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft ener­gie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze som­men met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.

Energie

Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moe­ten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan.
Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezond­heidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegeverga­dering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeen­schappelijks in. Dat uit zich ook in het­geen er in de collegevergadering bespro­ken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel).
Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communi­ceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenverga­dering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.

Vertrouwen

Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien.
Een essentiële voorwaarde voor vertrou­wen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.

Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijk­heid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen inner­lijke ontwikke­ling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toela­ten noemen we interesse. Zonder inte­resse is het niet mogelijk om een helpen­de rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroor­delen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die schei­den, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leer­krachten zichzelf en elkaar gezond hou­den. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegen­krachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkrachtalle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

144-138

.

.

.

.

.