VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (3)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ en deel 2.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

.

OPSTELLEN VAN KINDEREN (vervolg)

In de twee vorige nummers  van „Ostara” schreef ik over het taalonderwijs in de zevende en achtste klasse van de „Vrije School”. Ditmaal laat ik hierbij aansluiten eenige opstellen van kinderen uit een achtste klasse over twee dezelfde onderwerpen, namelijk een bezoek aan het Museum Mesdag te ‘s-Gravenhage, dat kort daarop gevolgd werd door een bezoek aan het Museum Kröller, waar meer moderne schilderijen tentoongesteld worden. Het kan misschien voor velen interessant zijn naast elkaar te lezen, wat op vrije wijze, hierover, door de leerlingen werd geschreven. De bezoeken hadden plaats naar aanleiding van het behandelen der schilderkunst in de 19e en 20e eeuw in de geschiedenisperiode. Hierover en over de elkaar opvolgende kunstrichtingen werd in het algemeen gesproken, over de bijzonderheden minder, zcodat de in de opstellen besproken details geheel uit de kinderen zelf ontstaan zijn.

Zestiende voorbeeld

Gedachten bij het schilderij van Jozef Israëls: „Alleen op de Wereld”.

Een nevelig waas hangt over de kamer. Een waas van den dood; van het onbegrijpelijke. Jarenlang had hij, Jelle, met zijn vrouw samengewoond en zij had gezorgd en gezwoegd van den morgen tot laat in den avond. Nu was ze dood. En als ik naar het schilderij kijk, zie ik den man zich omdraaien en angstig kijken naar het bleeke gelaat, met de rimpels van arbeid en de zorg. En hij grijpt naar de medicijnflesch, die op tafel staat. Maar zijn vrouw is dood… In stomme droefheid, de handen gevouwen, bevend, zit hij op een stoel. Hij kan het zich niet indenken. De klok in de eenvoudige kamer tikt langzaam. Jelle staat op en zacht, op zijn kousevoeten loopt hij naar de doode. Hij kust het rimpelige gezicht en fluistert zacht: „Je was toch goed voor me, hoor.” De man herinnerde zich de tijd, waarin ze elkaar soms niet begrepen hadden. Tranen biggelen langs zijn wangen, terwijl de nevel langzaam wijkt. Nu staat hij alleen in de wereld.

Zeventiende voorbeeld

Bij het schilderij van Jozef Israëls „De zieke vrouw”.

Schamel is het anders zoo overvloedige maal bij den heer Hennings. Zijn zaken, die tot nog toe zoo reusachtig goed gingen, zijn langzamerhand achteruitgegaan. Een week geleden had hij de zaak moeten opheffen. Dit was een te groote slag geweest voor zijn nog jong vrouwtje. In die week was ze zoo erg ziek geworden, dat de dokters voor haar leven vreesden. Dure levensmiddelen kon men haar niet geven. Dus haar genezing werd niet geholpen. Arme Hennings, om daar zijn jong, blozend en gezond vrouwtje zoo uitgeteerd op het schamele leger te zien liggen. De lijdenstrekken, die al dien tijd om zijn lippen speelden, waren tot een diepe groef geworden. De dokter was er vandaag nog geweest en had gezegd, dat de crisis nabij was. Zoo ligt zij dan met den dood te strijden. Hennings staart droevig voor zich uit. Daar ontsnapt de laatste zucht bij de stervende. Arme vrouw. De dood heeft overwonnen. Zij moest haar diepbedroefden man alleen achterlaten. Het was Gods wil.

Achttiende voorbeeld

Museum Mesdag.

Vanmiddag gingen wij naar het Museum Mesdag. Toen wij binnenkwamen trof ons dadelijk het borstbeeld van dezen grooten meester. Zijn breede, groote kop keek vriendelijk rond in het huis waar hij gewoond en gewerkt had. Boven hingen groote zeegezichten van hem; de zee woest-bewegelijk, groen en bruin, met dikke witte koppen; kleine visscherspinken op den achtergrond, en geweldige wolkenmassa’s, waar het licht zoo straalsgewijs, als na een onweer, even doorbreekt. Een van de werken van Millet heeft een geweldigen indruk op mij gemaakt. De uitdrukking op het gezicht van de vrouw op den voorgrond was van zoo’n doffe dierlijkheid en van zoo’n groot menschelijk verlangen tegelijk, dat het was of deze mensch levend van ’t doek zou komen.

Negentiende voorbeeld

Museum Kröller.

De schilderijen in ’t Museum Kröller waren wel in staat iemand te overweldigen; ik kan niet zeggen wat van alles mij het meest heeft getroffen. Het „Trappenhuis” van den Hollandschen schilder Mondriaan, de „Piëta” van Degouve de Nunques of de „Blinden” en de „Pratende Vrouwen” van den Kubist van der Leck. — Ik geloof wel de laatsten. De stemming, die over de werken lag deed iemand rillen. Dat moeten dragen van „de Blinden”, waar geen opstandigheid of gelatenheid op hun gezichten te lezen was, maar alleen blindheid, in de omgeving, de buizen, ja zelfs tot in de kleeren toe, was zóó grootsch, zóó geniaal gedaan, dat het tegelijk heerlijk en afschuwelijk was, om naar dit werk te zien. Toen kwamen we bij van Gogh. In tegenstelling met het Kubisme geen vaste vormen, geen begrensde lijnen, alleen kleur en schwung, kracht en moed.

Het „Ravijn”, wilde bergstroom tusschen rotsen; cypressen, donker, dreigend en met een geweldige kracht.En daarnaast het heel teere roze kerseboompje.

Van Gogh was een hartstochtelijk zoekend mensch. Moet men hem daarom beklagen? Hij zocht, heeft hij gevonden? Ja!

Twintigste voorbeeld

Schilderijen. (Uit het Museum Kröller.)

Een waterval ruischt naar beneden. De blanke droppels vallen in het heldere meertje. Zij zijn zoo schoon en fijn en zóó kleurrijk. De duizend blanke drupjes zijn zoo blank en rein.

Een donkere mist, grauw opeengepakt. Ondoordringbaar. — Een blij lichtje en vogelgezang. Het is alles zoo grauw en donker. Hu, hu, hu.

Een oplaaiende vlam. En een vonk. Een bliksemstraal. En een lichtende zon. Alles dwarrelt omhoog met een groote kracht. Dan weer wild, woest, grootsch. Dan weer zacht en kalm. En de lentezon kijkt vriendelijk om een hoekje.

Eenentwintigste voorbeeld

Een Schildersmeening.

De eene mensch zegt: „Schilderen is de kunst”. Maar een ieder heeft een anderen smaak. „Tooneelspelen, dat is ’t wat men hebben moet.” Zoo zegt de een dit en de ander dat. Ik vind alles wat mooi is en goed kunst. Als een mensch een schilderstuk maakt, waarin hij zijn gevoelens probeert uit te drukken en om de menschen daarmee te helpen, dan is dat goed en mooi. Als iemand een rol speelt bijv. van een arme vrouw en ze leeft daarin en laat zien hoe vreeselijk zoo iets kan zijn, dat de menschen toch medelijden moeten hebben, dan is dat ook zeer goed en kunstig. Maar men moet meenen, wat men in die rol tracht uit te beelden, anders denken de menschen iets goeds over die uitbeelding, terwijl het eigenlijk valsch en niet gemeend is. Vincent van Gogh tracht ook zichzelf in zijn werk uit te beelden; ’t broeit en woelt in hem om in zijn schilderstuk ’t leven te brengen. Zijn boomen staan daar vlammend als wilden zij omhoog. Hij schildert een cypres, heel hoog, naar boven getrokken; de maan en de sterren leven. Hij maakt den hemel zoo, als zag je daar de baan, die de sterren beschrijven. Hij smeert de kleuren op het doek, het duurt hem te lang, voordat er een beeld verschijnt. Maar dan is ’t ook zoo forsch en met zoo’n leven bezield, dat ’t als ’t ware te zien is hoe alles leeft en werkt.Zijn werk is met leven bezield; zijn koppen zijn gedurfd en geestig.

Een schilderstuk (van Degouve de Nunques) was er van een stad, blauw en geheimzinnig. Degene, die buiten op het veld staat voelt zich eenzaam en alleen, als hij daar die stad ziet liggen met haar gezellige flikkerende lichtjes, die tusschen de huizen dóórschemeren. Zoo zal de schilder zich ook hebben gevoeld. „Ik sta hier alleen en daar in een warm huis, wat zal ’t daar heerlijk en gezellig zijn!”

De „Pias” van Renoir vond ik erg geestig.

’t Schilderwerk, dat ik gezien heb, was allemaal erg mooi en vol gevoel, dit laatste ’t meest bij Vincent van Gogh; de felle kleurschakeeringen van van Rysselberghe en trouwens ook van van Gogh waren prachtig. Ik heb er weer veel van geleerd. Schilderen is moeilijk, maar prachtig.

Tweeentwintigste voorbeeld

Vincent van Gogh.

Vincent van Gogh, de voorganger van het expressionisme. Vincent van Gogh, de woelende, zoekende mensch, uitbeeldend van wat er in zijn ziel omging in zijn schilderstukken. De laaiende, krachtige boomen en luchten op het doek, die den toeschouwer in vuur en vlam zetten. De cypressenweg met de maan en de sterren, die schijnen te leven, te bewegen, te deinen, is onvergetelijk. Maar ook de tragische zijde vindt haar plaats in zijn schilderstukken. In het oude mannetje op den kapotten stoel bij het stervende vuurtje is zoo iets droevigs, dat het alles levend schijnt. Ik vind dezen vertwijfelenden grijsaard veel mooier dan de kubistische schilderstukken van van der Leck. De ellende van het blindzijn is wel uitgebeeld op de gezichten van de beide mannen, geleid door het kleine meisje, maar het leeft niet. De houding van de menschen bij den „Brand”, een werk van denzelfden schilder, is ver van menschelijk. Het lijkt wel wat op de Egyptische muurschilderingen. Het schilderstuk van van Gogh is veel aangrijpender, omdat de houding menschelijker is.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.5, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1083

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.