VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfase en ziekte

.
Dr.Med. H.K.Mittelstrass, kinderarts, Weledaberichten nr.137 december 1995

.

ONTWIKKELINGSFASEN EN AANLEG VOOR ZIEKTEN IN DE EERSTE DRIE LEVENSPERIODES VAN ZEVEN JAREN

.

Elk jaar gedenken wij met Kerstmis de geboorte van het Jezuskind dat de Christus wordt, die wij als de Verlosser vereren. Als wij zijn levensgeschiedenis overzien, zoals die aan ons is overgeleverd, dan gebeuren er rondom de geboorte van het kind wonderbaarlijke dingen: de drie Koningen kwamen van verre. Zij begrepen de gebeurtenis vanuit de sterren. De herders beleefden die in hun harten en zij ontwaarden de hemelse heerscharen boven het heilige kind. Na de doop in de Jordaan begint echter pas de werking van Jezus van Nazareth, die zijn discipelen als de Christus herkennen. Nu stelt hij zelf tekenen. Wat ligt daartussen? Wij vernemen over de vlucht naar Egypte, een terugtocht in het verborgene. Daarna de terugkomst naar Galilea, die zo begenadigde streek van Israël, die los staat van het politieke leven van Jeruzalem. Daarna zien wij een uniek oplichten van hetgeen later zichtbaar zal worden, als de twaalfjarige Jezus, op de drempel van de kindsheid naar het jongelingschap, de Schriftgeleerden in verbazing brengt voor zijn leer en uitlegging van de Schrift in de tempel. In de stilte voltrok zich het rijpen, daarna kwam het begin van zijn taak op aarde.

Op die manier voltrekt zich ook de rijping van ieder mens. Er zijn vele jaren voor nodig, ongeveer twee decennia, tot wij diegenen zijn, die in het leven vormgevend ingrijpen, om onze taken op aarde te volbrengen. Het zijn jaren van leren, rijpen, groei en verandering. Vanaf onze geboorte zijn wij wel fysiek aanwezig, toegerust met een ontembare levensdrang, na een geheimzinnige, in het verborgene van de moederschoot zich voltrekkende voorbereiding, maar… hoe hulpeloos zijn wij niet? Wij hebben deel aan de wereld, hebben echter de krachten, de substanties van die wereld nodig, bovenal de andere mensen om op te groeien, te rijpen en uiteindelijk zelfstandig te worden.

Deze ontwikkelingsfase vertoont naast continuïteit duidelijk markante punten waar nieuwe eigenschappen en impulsen tevoorschijn komen, misschien alleen maar terloops zichtbaar worden, om dan weer in de stroom van de voortschrijdende ontwikkeling onder te duiken.

Dergelijke in het oog lopende punten herkennen wij in de vroege kindsheid gemakkelijker als zij gepaard gaan met zichtbare lichamelijke veranderingen. Later worden zij minder duidelijk, als zulke veranderingen nog slechts psychisch-geestelijke ontwikkelingen weergeven, die wij dus ook met andere waarnemingsorganen moeten observeren. Wij zien een groot, ongeveer zeven jaren omvattend biologisch en biografisch ontwikkelingsritme, dat op zich zelf in fasen is geleed.

Er zijn twee kenmerkende gebeurtenissen na de geboorte waardoor wij fysiek tot verschijning komen.

De eerste is het tijdstip van de tandenwisseling, die de kleuterfase afsluit en altijd al als het juiste ogenblik van de schoolrijpheid werd beschouwd, omdat er nu kennelijk nieuwe mogelijkheden en vaardigheden ontstaan.

De tweede is het intreden van de puberteit omstreeks het 14e jaar. Met de lichamelijke verandering van de geslachtsrijpheid ontwaken nieuwe zielenkrachten, die vrij komen en die zich naar de medemens en de wereld keren.

Rondom het 21e jaar is de menselijke gestalte voltooid. Het is de tijd van de volwassenheid. Daarna kan de mens het ”wij” beleven en in de wereld actief worden.

Tussen deze overgangen om de zeven jaren ligt het doorbreken van de eerste tanden in het zuigelingenstadium omstreeks de 6e maand. Vanaf nu kan ook vaster voedsel dan alleen de zoete moedermelk worden verdragen; het kind wil zich gaan oprichten. Als het één jaar is kan het dat. Daarop volgt het leren lopen. De wereld wordt groter. Het kind wil die wereld gaan begrijpen en ervaren. Na een eerste begin van de mogelijkheid om te denken ontvonkt met ongeveer 2½ jaar het ik-bewustzijn, waarmee dan allengs het continue zelfbewustzijn, de mogelijkheid van het zich-herinneren gepaard gaat.

Lichaamsbeheersing (wie beheerst wie?) en leren gaan geweldig vooruit. Het lichaam groeit op in fasen van afwisselend strekken en vullen. De kindsheid is door iets betoverends omgeven. Het echt-slechte bestaat niet. In de omgang met het kind krijgen wij eerbied voor hetgeen daar zienderogen opgroeit en rijpt onder onze zorgzame handen. Met ongeveer 9 jaar wordt die harmonie dikwijls haast onmerkbaar plotseling verstoord, als ons vragen, twijfel omtrent de ouders en opvoeders uit de droeve, resignerende blik van het kind tegemoet komen. Deze vertroebeling van onze relatie met het kind en van het kind met ons wordt verhevigd als wij beleven, hoe rondom de puberteit driften loskomen, verdorvenheid de ziel gaat beproeven, krachten in tegenstelling tot hetgeen de opvoeder en de wereld beogen, de vrije loop trachten te krijgen om dan weer te worden gebruikt voor lichamelijke en geestelijke prestaties die van een verbazingwekkende zekerheid getuigen en die vooral blijken in de adolescentie – vooropgesteld dat de jonge mens de juiste gelegenheid krijgt om lichaam, ziel en geest te voeden en te trainen. Maar rondom het 18e, 19e jaar komt er een nieuwe breuk als opeens gedurende een zekere tijd een opeenvolging van blunders en pech ontstaat waaruit de adolescent dan ontwaakt, gerijpt door de ervaring, dat niet alles zomaar vanzelf gaat en teleurstelling – waardoor het begrip voor de omgeving wordt verdiept – wordt ervaren; wij zien de mens nu volwassen worden. Wij vermoeden iets van de worsteling tussen opbouwende groeikrachten en vormgevende afbrekende krachten in de jonge mens, tot ten slotte na vele metamorfosen de bij hem passende gedaante met de daaraan inherente vermogens voor ons staat.

Het kan na het hierboven beschrevene duidelijk zijn, dat dit verloop van de menswording in ritmische ontwikkelingsfasen verloopt. Aan die fasen, waarin plotseling nieuwe resp. oude vermogens in veranderde gedaante tevoorschijn komen, gaan tijden van voorbereiding vooraf, waar in het verborgene de aanleg ontstaat voor hetgeen later verschijnt.

Wij weten, dat de stappen in een ontwikkeling vaak pijnlijk zijn en het beeld van ziekten vertonen. Uit de waarneming daarvan en het weten daaromtrent dringt zich de gedachte op, dat ziekten – vooral gedurende de kinderjaren- de uiting van ontwikkelingsfasen of op zijn minst de heftige poging om een ontwikkeling door te maken zijn, die zonder de inspanning van een ziekte niet mogelijk zou zijn geworden.

In het hierna volgende worden enkele typische ziekten met betrekking tot de verschillende levensfasen beschreven die deze gedachte kunnen illustreren.

Ziekten in de eerste zeven jaar

In de eerste zeven jaren spelen infectieziekten de hoofdrol. Zij zijn zo kenmerkend voor deze leeftijd, dat ze kinderziekten worden genoemd. Met de krachten van de nabootsing, waarover het kind op deze leeftijd beschikt en die bij de infectieziekten aan het fysieke lichaam gebonden optreden, verwerft het zich als resultaat van de ziekte de immuniteit, d.w.z. het kan niet een tweede keer zo’n ziekte krijgen. Het kind krijgt dus iets wat helemaal van hemzelf is: het vermogen om zich zelf in stand te houden.

Het beleeft, gekluisterd aan zijn lichaam, een proces, dat al in de ziel in de fase van het nee-zeggen, van het eerste ik-bewustzijn, is begonnen. Zulke ziekten, die van binnenuit via het zweten met hoge koorts, door de huid worden afgeleid, treden op in een fase van lichaamsverandering en groei. Na mazelen, roodvonk, waterpokken wordt tegelijk met de roofjes en korsten de oude huid afgelegd. Het kind komt als herboren tevoorschijn met zijn nieuwe vaardigheden, vooreerst nog een beetje uitgeput door de worsteling, op den duur echter versterkt. Het beschikt over nieuwe vaardigheden, heeft belemmeringen uit het verleden zoals bijv. gebrek aan eetlust en bedwateren overwonnen.

Ziekten in de tweede zeven jaar

Terwijl in de eerste zeven jaren deze ziekten de totale mens met hoge koortsen doorgloeiden, waarvoor men eigenlijk niet bevreesd behoeft te zijn, hebben de typische en veel voorkomende ziekten van de tweede fase van zeven jaren eerder een vluchtig nauwelijks vatbaar functioneel element. Het totaal van de wisselende symptomen vatte Holzapfel als schoolziekten samen: buikpijn, braken, diarree, verstopping, hoofdpijn, pijn in de ledematen, steken in de hartstreek, ademnood, duizeligheid wisselen elkaar af. De arts zal, als hij organische manifestaties zoekt, nauwelijks iets vinden wat van belang is.

Terwijl het lichaam in de eerste zeven jaren steeds meer gevormd werd, moet het zich nu aan uiterlijke omstandigheden aanpassen. Dat lukt niet zonder dat ook het zielenleven, dat nu ontstaat hierbij betrokken is. Wij denken hierbij eraan, hoe schrik de adem doet stokken en het gelaat doet verbleken, toorn het gezicht rood laat worden en vreugde het hart sneller laat kloppen. Aldus kunnen wij meevoelen, wat in deze levensfase het voornaamste element is, dat wordt getraind en leiding geeft: de ziel, die gebruik maakt van de lichamelijke functies, wier kenmerk is heen en weer te pendelen tussen vreugde en smart, moed en angst, sympathie en antipathie, instemming en afkeuring en die in het gezonde heen-en-weer schommelen tussen de polen niet in de stilstand het evenwicht zoekt en vindt. In de eerste zeven jaren vinden wij uiterlijke oorzaken voor het optreden van de kinderziekten die worden “nagebootst”. Zij zijn een welkome aanleiding om de wil te activeren, die het kind van top tot teen doortrekt. Opdat dit goed gebeurt, behoeven wij als artsen en opvoeders hier niet veel aan toe te voegen.

In de gezondheidsstoornissen van de basisschoolleeftijd hebben wij eveneens uiterlijke aanleidingen die uitgaan van het ouderlijk huis, de civilisatie, de voeding, een tekort aan ritme in het dagverloop, intellectuele overbelasting, een overmaat van zintuigelijke indrukken. Een hulp, die wij ter overwinning van de stoornissen kunnen bieden ligt op het psychische vlak om het heen en weer gaan tussen twee uitersten weer op gang te brengen of tot de juiste maat te herleiden. Het pendelen heeft echter ook ten doel een evenwicht tot stand te brengen. Ondersteuning daarvan bestaat in een gezonde opvoeding, zoals die te vinden is in de vrijeschoolpedagogie. Wie zich daarmee bezig houdt scherpt ook zijn blik om de genoemde uiterlijke aanleidingen van de stoornissen te kunnen herkennen en verschaft aan ouders en opvoeders de mogelijkheid om de kinderen te helpen.

Ziekten in de derde zeven jaar

Als de puberteit zich aankondigt als een overgang van de 2e naar de 3e fase van zeven jaren, met een versnelling van de wasdom, in lichamelijke zwaarte vallen, rijping van geslachtsorganen, verandert ook het kenmerk van de typische door de leeftijd bepaalde ziekten: botnecrose, slechte lichaamshouding, vetzucht treden op en verkondigen, dat in de toekomst ziekten anders, meer aan de organen gebonden zullen zijn. Als wij bedenken, hoe verbonden met crises in het ziels- en wilsleven de fase van de puberteit bijna door iedereen wordt beleefd, dan wordt ook begrijpelijk, dat nu werkelijk de levensloop beïnvloedende storingen kunnen optreden, als deze overgang niet gelukt.

Nemen wij in dit verband de steeds meer in de puberteit optredende drift om te vermageren of een ander gedragspatroon (verslaving aan drugs, alcohol, nicotine etc.), wat in onze tijd een overgroot vraagstuk wordt, dan wijzen deze ziekten wat hun kiem betreft naar eerder liggende stadia. Niet in de eerste plaats in de directe omgeving, het heden, liggen de oorzaken van de ziekten, zoals dat bij de voorafgaande leeftijdsfasen voornamelijk het geval was; veeleer zijn die dan te vinden in factoren uit het verleden. Zij beïnvloeden de actuele situatie en werpen een drempel op voor de toekomst. Deze ziekten zijn misschien nog de uitdrukking van de wil tot zelfgenezing, van de poging om stadia van de ontwikkeling in te halen, maar door de ernst van de ziekte wordt toch duidelijk, dat zij uit zichzelf niet meer tot genezing in staat zijn. Veeleer kan men vermoeden, dat er beschadigingen zullen overblijven, als er niet energiek wordt ingegrepen en geholpen van buiten af door opvoeders en genezers.

Deze ziekten van de derde zevenjaarperiode blijken in tegenstelling te staan, tot de typische ziekten van de voorafgaande periodes. Van de eerstgenoemde ziekten krijgt men de indruk, dat zij gunstig zijn voor de ontwikkeling. De later optredende ziekten lijken die te remmen, af te snijden. Als wij nauwgezet andere ziekten nagaan, die behalve de genoemde in de eerste twee periodes van zeven jaren optreden, dan kunnen wij misschien in toenemende mate ook in eerdere levensperiodes dergelijke belemmerende ziekten ontdekken.

Daardoor rijst de vraag: wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan van zulke ingrijpende en uiteindelijk vernietigende ziekten? Als men nagaat, wat jonge mensen, die verslavingsgedrag vertonen, tevoren hebben meegemaakt op hun ontwikkelingsweg, dan ontdekt men dikwijls krenkende en storende gebeurtenissen, die hoogst persoonlijk zijn en niet over één kam geschoren en vereenvoudigd kunnen worden opgesomd – gebeurtenissen, die schreden op de ontwikkelingsweg bemoeilijkten of onmogelijk maakten. Men denkt aan het ontbreken van kinderziekten, van nestwarmte in de eerste kinderjaren, intellectuele overbelasting in de schooltijd, vervelende leraren i.p.v. ontmoetingen met een enthousiasmerende, kunstzinnige persoonlijkheid die voor het kind een dierbare autoriteit wordt.)

De vraag naar de voorwaarden van de ontwikkeling-belemmerende ziekte in de derde zevenjaarperiode roept de vraag op naar de voorwaarden voor de ontwikkeling van een levend wezen in ’t algemeen.

In de planten- en dierenwereld ziet men, dat in elke ontwikkeling levenswetten een rol spelen. Men kan ze als volgt formuleren:

1e: dat de ontwikkeling naast een continuïteit een ritmische geleding in de tijd vertoont.
2e: dat met dit ritme in de tijd ook ritmisch zich voltrekkende gedaanteverwisselingen gepaard gaan (metamorfosen).
3e: dat ontwikkelingsfasen en veranderingen in het verborgene worden voorbereid in een beschermende omhulling.

De eerste beide gezichtspunten vonden wij reeds in de voorafgaande beschouwing. Het noemen van ziektefasen diende ter verduidelijking daarvan. De derde wetmatigheid werd ook reeds vermeld.

Wij willen daar nog enkele gezichtspunten aan toevoegen met de bedoeling de oorzaak van die de ontwikkeling remmende ziekten van de derde zevenjaarperiode na te gaan en misschien een bijdrage te leveren, hoe dit soort ziekten aan te pakken.

Ziekte is geen levensuiting van planten en dieren als het milieu intact is. Ziekte wordt echter in toenemende mate mogelijk door de mens, die het milieu ook van deze levende wezens verandert en is voor ons een signaal om zorgvuldiger met het milieu om te gaan. De plant verbergt voor onze blik de voorbereiding voor de volgende ontwikkelingsfase onder de schutbladeren van de knop. Het dier verbergt in het ei de larf. Die verpopt zich tot de rups een vlinder wordt. Het dier bouwt nesten, maakt holen, trekt zich in het struikgewas terug of het wordt in de kudde door de volwassen dieren omringd. Elke keer worden omhullingen gevormd in de bescherming waarvan stappen in de ontwikkeling worden gedaan. Voor zover die lichamelijk zijn kunnen wij ze zien, meten, wegen. Psychische ontwikkeling blijkt uit het gedrag. Die volgt meestal op lichamelijke veranderingen, zoals men door subtiele waarneming ook na de duidelijke keerpunten van de tandenwisseling, de puberteit nog kan zien. Ook psychische ontwikkelingsetappes hebben ter voorbereiding omhullingen, afzondering nodig. Wij mogen dit afleiden uit het voorafgaande betoog. Deze omhullingen, in de bescherming waarvan psychische, geestelijke en lichamelijke ontwikkelingen worden voorbereid, behoeven niet zichtbaar, moeten echter werkzaam zijn.

Laten wij niet vergeten, dat wij in tegenstelling tot de dieren kunstmatige verwarming door kleren en woningen nodig hebben. Vergeten wij ook niet de psychische omhulling die het gezin aan het zich in wording bevindende zielenwezen van het kind geeft. Daarbij komt nog de omhulling van de moedertaal voor het denken, die een klas, een schoolgemeenschap, een functionerende buurtschap kunnen geven om geestelijke en sociale vaardigheden te trainen, opdat daarna een eigen zielspatroon, het eigenlijke wezen van de mens, zich met behulp van de culturele omhulling kan ontwikkelen.

Als wij het wezenlijke van omhullingen nader beschouwen, dan wordt duidelijk dat die beschermende organen niet alleen naar binnen en naar buiten afsluiten. Ze zijn ook doorlaatbaar.

Die doorlaatbaarheid is echter ook gefilterd: de pop van de vlinder laat heel bepaalde werkingen door van buitenaf, bijv. bepaalde frequenties van stralingen uit een breed spectrum, die voor de wordingsprocessen van belang zijn; andere worden afgewezen.

De omhullende lagen zijn gevoelig voor licht, warmte en vochtigheid, zij beschermen tegen koude en droogte.
Wij zien nu in de omhullingen eigenschappen die onze huid ook heeft, die ons van de buitenwereld afschermt, maar tevens signalen van buiten naar binnen overbrengt in een gefilterde vorm. Omhullingen beschermen. Zij zijn noodzakelijk in de ontwikkelingsweg van levende wezens. Wij gaan beseffen, omdat omhullingen noodzakelijk zijn, hoe kwetsbaar de ontwikkeling van levende wezens in ’t algemeen is, vooral in het stadium van de gedaanteverwisseling, als de oude omhulling is afgeworpen en de nieuwe toestand nog niet is gevestigd.

Langs deze weg kan duidelijk worden, hoe gevoelig voor stoornissen een ontwikkeling is, als omhullingen niet te juister tijd zijn ontstaan of de bescherming die zij kunnen bieden, ontijdig is aangetast of te laat werd opgelost. De ervaringen en waarnemingen in het dierenrijk vertellen ons echter ook: hoe eerder zich ontwikkeling in het onbeschermde milieu voltrekt, des te lager is de graad van de uiteindelijke organisatie. Dieren hebben bijv. geen culturele omhullingen ontwikkeld, zij blijven dus in de soort gevangen.

Een te vroeg geboren kind heeft de intensieve inzet van artsen en verpleegsters nodig om in leven te blijven. Het krijgt een kunstmatige omhulling in de gedaante van een couveuse. Dikwijls vertoont het zijn leven lang de sporen van een te vroege geboorte, bijv. cerebrale bewegingsstoornissen, waaruit blijkt, dat een rijping niet in rust werd volbracht, maar hals over kop moest worden ingehaald in een onnatuurlijk milieu buiten de beschermende en voedende moederlijke lichamelijke omhulling. De liefde van de moeder biedt weliswaar hulp in de eerste weken tegen het ’t leven bedreigend gevaar, maar is op zichzelf niet toereikend.

Evenzo kan het leven in de hoogste mate in gevaar komen of voortijdig uitblussen, als niet op tijd die tot dusver voedende en vormgevende omhulling wordt afgestoten, als de geboorte dus niet tot stand wil komen en een kunstmatige beëindiging van de zwangerschap voor het te lang gedragen kind noodzakelijk is.

Beide stoornissen aan het begin van een leven zijn oerbeelden van ziekten door een te vroeg of een te laat, zoals die op elke trede van de ontwikkeling mogelijk zijn, waarbij een te vroege geboorte laat zien, wat het betekent om op de toekomst vooruit te lopen: het heden en het verleden moeten worden ingehaald. Het te lang gedragen kind laat zien, hoe vernietigend en de toekomst onmogelijk makend het kan zijn, als het verleden te lang wordt vastgehouden.

Wij willen dus de mens beschouwen als een wezen, dat omhullingen heeft. Laten wij onze blik scherpen voor het feit, hoe dat is, waar hij littekens heeft, waar omhullingen ontbraken, als wij naar hem kijken zoals hij nu is. Maar wij willen tevens ook ontdekken wat er nu nodig is. Er wordt een appel op ons gedaan onze wil te activeren, tevens te zoeken naar wegen om hulp te bieden. Want wat doen wij als iemand gewond is? Wij maken een kunstmatige omhulling, wij verbinden de wond, opdat onder die bescherming de totaliteit weer kan ontstaan.

Met Kerstmis wordt elk jaar ter herinnering aan de geboorte van Jezus een beroep op die kant van ons wezen gedaan, dat liefderijk zich naar de medemens zou willen keren. Zou de kersttijd niet ook het juiste tijdstip zijn om met een innerlijke oefening te beginnen, n.l. dat men de medemens als een in omhullingen zich openbarend wezen ziet?

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2758-2587

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/35)

.

stier

De stier is het sterrenbeeld dat tegen de morgen aansluiting zoekt bij de ram. Hij is eveneens het tweede sterrenbeeld van de dierenriem. Zijn helderste ster, het oog van de stier, Aldebaran, licht aan de nachtelijke sterrenhemel rood op. Dit fonkelende, lichtende hemellichaam heeft bij de aardbewoners te allen tijde een gevoel van eerbied en ingetogenheid opgeroepen. 
De oude culturen van Babylon, Egypte en Kreta zagen in de stier een goddelijk wezen, dat moed, uithoudingsvermogen en kracht belichaamde. Dat komt ook in de volgende legende tot uitdrukking.

Europa was de knappe dochter van koning Agenor van Fenicië. Op een dag zag Zeus, die al lang verliefd op haar was, hoe ze met haar vriendinnen bij het strand van de zee bloemen plukte. Toen nam hij de gedaante van een witte stier aan en sloot zich aan bij een kudde van de koning die in de buurt weidde. 
Europa zag de prachtige stier meteen, want hij overtrof alle andere in pracht en kracht. Zijn kleur was zo wit als vers gevallen sneeuw. Zijn nekspieren verraadden een grote kracht, zijn horens zagen eruit als edelstenen en zijn ogen stonden open en vriendelijk. De dochter van Agenor verbaasde zich erover hoe trots hij daar rond liep en de meisjes vol vertrouwen naderde. Hoewel hij zich tam voordeed, aarzelde ze toch hem te aaien. Maar weldra was ze toch dicht bij hem en hield hem bloemen voor, waarvoor de verliefde haar teder de handen aanraakte. Speels maakte hij danssprongen op het groene gras en ging toen met zijn sneeuwwitte lijf op het goudgele zand liggen. Toen ebde bij de jonkvrouw de angst weg. Ze mocht hem rustig op de borst kloppen en in zijn horens verse kransen vlechten. Toen durfde ze zelfs op zijn rug te gaan zitten.
Rustig ging de stier nu staan en liep langzaam naar de zee. De jonkvrouw vond het leuk dat hij haar zo het kalme water in droeg.
Maar hij ging steeds dieper en verder weg van de oever. Europa zag het angstig aan en riep haar vriendinnen om hulp, maar de stier zwom al verder het diepe water in.
Voorzichtig droeg hij zijn kostbare buit op zijn gewelfde rug door het water, zonder dat haar voeten nat werden. Met haar rechterhand greep ze een horen vast, haar linker rustte op de rug van het dier. Haar jurk fladderde in de wind en stond bol als een zeil. Bevend van angst gleed het meisje zo door het water, ver van iedere kust vandaan. 
Pas op het einde van de tweede dag bereikten ze een verafgelegen oever. Op een ondiepe plaats ging de stier aan land, liet de jonkvrouw zacht van zijn rug glijden en verdween voor haar aanblik. 
In zijn plaats verscheen er een prachte jongeling, een god gelijk en hij sprak: ‘Ik ben de heer van dit eiland dat Kreta heet. Wanneer je mij gelukkig maakt, zal ik je voor elk gevaar behoeden.’ Wat moest Europa in deze toestand doen? In haar gevoel van troosteloze eenzaamheid reikte ze hem haar hand als teken van toestemming en Zeus had zijn doel bereikt.
Maar toen verliet hij Europa en verhief zich in de hemel als stralend sterrenbeeld, naast de enkels van de voerman. Daar zien we hem nu hoe hij half zichtbaar door het water van de zee zwemt, met zijn voorpoten de golven klievend.
Europa echter, schonk het leven aan een zoon die zij Minos noemde. Als koning van Kreta werd hij de stichter van de Minoïsche cultuur, de eerste in Europa, dat de naam van zijn moeder kreeg.

Het sterrenbeeld omvat nog twee kleinere: de Plejaden en de Hyaden. De Plejaden vinden we op de rug van de stier en de Hyaden vormen zijn voorhoofd, een liggende grote Latijnse V. Deze twee sterrenbeelden kenden naar het schijnt, de mensen al in heel vroege tijden en er zijn veel legenden mee verbonden.

De Pleiaden waren zeven nimfen, dochters van de titaan Atlas en de dochter van Okeanos, Pleione, van wie ze hun naam hebben. Met hen verbonden zich goden en zo werden zij de stammoeders van het Griekse heldengeslacht. 
De mooiste van hen was Maia met wie de godenvader Zeus trouwde en Hermes, de bode van de goden verwekte. Alleen een van de zusters, Merope, vond geen godenliefde en moest met een sterveling trouwen, Sisyphos, de stichter van Korinthe. Uit schaamde verborg zij zich voor haar zusters en daarom zien we met het blote oog slechts zes sterren, hoewel men de Pleiaden van oudsher een zevengesternte noemt.

De Hyaden waren riviernimfen. Aan hen bracht Hermes de jonge Dionysos die later de dionysische mysteriën stichtte, kort na zijn geboorte. Omdat de Hyaden zijn zoon melk gaven en hem verzorgden, kregen ze van Zeus een plaats aan de sterrenhemel.

Zo                                                                    z                                                               zw      dec.    1    24°°u                                      jan    1  22°°u                            febr  1   20°°u
15   23°°u                                              15  21°°u                                    15  19°°u

In december staat de Stier aan de avondhemel hoog in het zuidoosten, in januari in het zuiden en daalt dan in februari naar het zuidwesten.

De namen van de sterren betekenen:

Aldebaran (Arabisch) = die na de Pleiaden volgt
Nath (Arabisch) = de stoot

.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2757-2586

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2756-2585

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Pasen (45)

.
Tineke Croese, Antroposofisch Magazine nr.5 2017
.

Over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen
.

PASEN
.

Bij ‘lente’ denk je aan een teer groen waas over de bomen, zwellende knoppen, de eerste eendenkuikentjes in de sloot en huppelende lammetjes in de wei. Als de natuur weer tot leven komt, is dat een feest op zich. Ook Pasen is een lentefeest, ook daar gaat het om de vernieuwing van het leven. Maar het is een andere vorm van leven, die met Pasen de dood overwint.

Naar geen seizoen kunnen we zo verlangend uitzien als naar de lente. Dat heeft vermoedelijk te maken met het seizoen dat eraan voorafgaat. Ook de winter heeft zijn aantrekkelijke kanten, van behaaglijk binnen zitten tot buiten plezier hebben in de sneeuw of op het ijs. Maar als er één seizoen is dat een einde moet hebben, dan is het de winter wel. We zijn dan voor voedsel aangewezen op voorraden. Die raken nu eenmaal een keer uitgeput. Tegenwoordig vliegen we groenten in uit andere delen van de wereld, maar die mogelijkheid bestaat nog niet zo lang. Dat maakt het begrijpelijk dat de lente vroeger werd begroet met een vreugde en opluchting die ook voor ons nog herkenbaar zijn. Want stel je voor dat het hele jaar net zo donker zou zijn als de winter! Daar moet je toch niet aan denken. De lente brengt behalve het leven ook het licht terug op aarde.

Al in de voorchristelijke tijd waren het ei en de haas lentesymbolen. Dat het ei naar nieuw leven verwijst, spreekt vanzelf. Bovendien geeft de ronde vorm aan dat het leven geen begin of einde kent, maar altijd doorgaat. De haas is een heel kwetsbaar dier, een echt prooidier dat door andere dieren gegeten wordt. Hij verdedigt zich voornamelijk met zijn grote vruchtbaarheid. De haas staat voor de levenskracht van de plantenwereld, die zichzelf onbaatzuchtig wegschenkt als voedsel voor dier en mens. Als paasei en paashaas zijn het ei en de haas ook bij de symboliek rond het paasfeest gaan horen. Ze laten namelijk ook iets zien van de essentie van Pasen. Het kuikentje moet, om verder te kunnen leven, eerst door een schaal van dode kalksteen breken. Van de haas wordt gezegd dat hij de plaats inneemt van een door jagers achtervolgde soortgenoot. De achtervolgde haas kan op adem komen doordat een ander zich voor hem offert: dat maakt de haas tot Christussymbool.

Nieuw begin

In de Oudheid waren de lentefeesten ook nieuwjaarsfeesten. De aarde begint in de lente immers aan een nieuwe levenscyclus, en zorgt daarmee voor het voortbestaan van de mens. Maar al die levensvormen die in de natuur ontstaan, zijn vergankelijk. Wat in de winter dood was, ontkiemt en groeit in de lente, komt in de zomer tot bloei en rijping, en wordt in de herfst geoogst – maar moet in de winter onherroepelijk weer sterven.

Ook Pasen gaat over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen. Maar het leven dat dan de dood overwint, is een onvergankelijke kracht in de mens. De opstanding van Christus is geen tijdelijk tot leven komen in de eeuwige cyclus van de natuur, maar rekent definitief af met de dood. Dat maakt Pasen moeilijk te begrijpen: hoe kun je de dood definitief overwinnen? De opstanding gaat in tegen alle natuurwetten. Het maakt Pasen tot een nieuw begin. Niet het nieuwe begin van een jaarcyclus, maar hét grote keerpunt in de geschiedenis van de mensheid.

Schimmenrijk

Die geschiedenis begint bij de schepping. De frisheid van een pas geschapen wereld stel je je onwillekeurig voor als het prille, net ontluikende leven in de lente. En bijna vanaf dat eerste begin was ook de dood aanwezig in de schepping. Na de verdrijving uit het paradijs raken mens en natuur steeds meer in de greep van de dood. Voor de mens hield de dood op de eerste plaats in wat hij nu ook nog inhoudt: het leven op aarde en het leven na de dood spelen zich af in twee gescheiden werelden. Maar op de tweede plaats werd het voor de ziel steeds moeilijker om in het leven na de dood haar weg te vinden. Volgens de mythologieën uit de tijd rond het begin van de jaartelling verbleef de ziel na de dood in een afgesloten schimmenrijk waar ze nauwelijks bewustzijn had van zichzelf. De hemelse wezens die de ziel wilden helpen, konden haar niet bereiken. Want in het schimmenrijk kwam je alleen door te sterven, en hemelse wezens sterven niet. Daarom nam Christus, een van die hemelse wezens, de taak op zich om mens te worden en als mens te sterven. Zo kon hij het schimmenrijk binnengaan en de macht van de dood breken. Lijden en dood van Christus getuigen van zijn volledige menswording, de opstanding getuigt van zijn overwinning op de dood. Tussen dood en opstanding voltrok zich een gebeuren dat in legenden en in sommige apocriefe evangeliën verteld wordt: toen Christus direct na zijn sterven in de duisternis van het schimmenrijk verscheen, was het of daar het licht van de zon opging. Het heldere licht van de Christuszon gaf de zielen – en geeft ze nog steeds – de kracht om hun eigen weg te zoeken in het leven na de dood.

Pasen

Christus bevrijdde door zijn dood en opstanding de oude schepping uit de macht van de dood. Die schepping kwam tot stand in zeven ‘dagen’. Met die ‘dagen’ worden de kosmische krachten aangeduid die bij de schepping betrokken waren. Zij waren in de week voor Pasen ook betrokken bij de vernieuwing van de schepping. Ze werkten namelijk in de gebeurtenissen van de Stille Week. Pasen valt na de Stille Week, en altijd op een zondag. Maar Pasen is ook een lentefeest. In de Oudheid werd het lentefeest gevierd op de dag van de eerste volle maan in de lente (dat is: als de zon in de kosmos door het lentepunt is gegaan]. Pasen valt echter op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Dit samenspel van kosmische krachten maakt dat Pasen elk jaar op een andere datum valt: het wordt immers elk jaar op een ander tijdstip lente, en dat geldt ook voor het vol worden van de maan.

Het is niet moeilijk om het herleven van de natuur in de lente te vieren. Maar het is wel moeilijk om Pasen te ‘vieren’ – de lichamelijke dood en opstanding kun je bij leven niet ervaren. De katholieke en oosters-orthodoxe kerken lieten de gelovigen het paasfeest beleven door hen veertig dagen streng te laten vasten. Door te vasten beperk je de levenskracht van je organen tot een minimum, en na enige tijd wordt je bewustzijn ongewoon helder. Zo kun je in je eigen organisme bij leven toch een vorm van dood en opstanding ervaren.

Een meer innerlijke vorm reikt het leven ons vaak zelf aan. Als je geconfronteerd wordt met verdriet, verlies en rouw, met depressies, traumatische ervaringen, of gewoon tegenslag – dan kan dat een doodsbeleven zijn. Midden in het leven beleef je je eigen Golgotha. Vaak ga je uit innerlijke noodzaak op zoek naar de zin van zulke ‘doodservaringen’, of minstens naar een manier om ermee te leven. Lukt dat, dan kan dat voelen als een opstandingsmoment, een sterke levenskracht. Ook dat is Pasen, en dat kan voor iedereen op een ander moment zijn.

.

Jaarfeesten: Pasen alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2755-2584

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas voedingsleer (2-6)

.

We zijn zo gewend dat wij over water kunnen beschikken, dat we er niet bij stilstaan wat voor bijzonder element dit is. Helaas leven we in een tijd waarin het water sterk vervuild is, hoewel er sinds tientallen jaren heel veel energie gestoken is, het weer gezonder te krijgen dan het was, vooral in o.a. rivieren, meren en beken. Het slechtst is het gesteld met de zeeën.
In de voedingsleerperiode in klas 7 kan ook ‘water’ als voeding worden benaderd.
De leerkracht die op zoek is naar achtergronden over wat water nu eigenlijk is, vindt hier enige gezichtspunten.

.

Wolfram Schwenk, Weledaberichten nr. 130, september 1983

.

HET LEVENSELEMENT WATER

.

Water is niet de een of andere willekeurige grondstof, maar in tegendeel, het belangrijkste en onontbeerlijkste levensmiddel voor mens, dier en plant. Met geen substantie echter gaan wij zo gedachteloos om als juist hiermee: de media informeren ons dagelijks daarover. Want de grondslag voor een verantwoorde omgang met deze schenker van het leven, namelijk dat men zich op grond van de feiten en wetenschappelijk gefundeerd ervan bewust is dat het water als bemiddelaar van het leven fungeert, ontbreekt heden ten dage.

De huidige, slechts analytisch gerichte wetenschap houdt zich weliswaar met ongewone scherpzinnigheid en research bezig met de watervervuiling. Daardoor weten wij tot in allerlei bijzonderheden wat, materieel gezien, vervuild water kan bevatten. Deze wetenschap echter geeft geen antwoord op de vraag wat “goed” water is, hoe het begerenswaardige, levenschenkende water kan worden omschreven dat de mens als verkwikkend beleeft. Zij wijst deze vraag als wetenschappelijk niet objectiveerbaar, als subjectief af. Zij verklaart elk water goed, dat van een kleine reeks van giftige stoffen niet meer dan een bepaalde hoeveelheid bevat en waarin zich ook geen infectieverwekkende ziektekiemen of hun onschuldige metgezellen bevinden, zodat daardoor geen acute vergiftigingsverschijnselen of infecties kunnen worden opgewekt.

Hoe strikt noodzakelijk deze eisen van negatieve aard wat het drinkwater betreft ook zijn, toch zijn zij ontoereikend om goed, levenschenkend water te kenschetsen.

Zowel voor het water als voor het milieu in het algemeen geldt, wat ook voor de mens geldt: slechts vanuit een inzicht en een beeld dat aan zijn aard en zijn betekenis recht doet wedervaren, kan een echte genezing en het gezond houden worden bewerkstelligd. Zonder een duidelijke voorstelling van de gezonde toestand van het water kunnen er geen maatstaven worden gevonden om de voortdurende en steeds bedenkelijker wordende aantasting ervan door de mens af te wenden.

Een dergelijk beeld van de aard van het water kan voor ons oprijzen, als wij boven de constatering uit of er schadelijke componenten afwezig zijn, in ’t bijzonder letten op wat onbedorven fris water doet.

Ons organisme is geen statisch geheel. Er vinden daarin door voeding, stofwisseling en uitscheiding, door ademhaling en bloedsomloop enz. voortdurend processen van vernieuwing plaats. Waar dergelijke processen ook optreden, zij gebeuren steeds door de bemiddelende activiteit van het water. Het water is de grote bemiddelaar van alle levensprocessen. Als universeel medium heeft het aan het transport van substanties en de stofwisseling in het organisme net zo deel als aan alle ritmische processen en aan de functies van onze zintuigen en zenuwen. Heel in het bijzonder heeft ons organisme het water nodig bij de meest verschillende regulerende processen.

Wat zich in het menselijk organisme functioneel door de bemiddeling van het water afspeelt, dat vinden wij in de rol van het water via het wateromhulsel van de aarde uitgebreid als een voorbeeld terug: het transport van substanties en chemische veranderingen van de stof spelen zich in de natuur hoofdzakelijk af in het waterachtige milieu, door de bemiddeling van in beweging gebracht water. Overal waar water in beweging komt, ontstaan ritmische processen. Golfbewegingen en kolken, ook meer gecompliceerde stromingen voltrekken zich zowel ruimtelijk als tijdelijk ritmisch. Niet echter in starre eigen ritmen, maar in het aanpakken en verbinden van uiterlijke polariteiten ontwikkelt het water zijn eigen ritme, steeds onzelfzuchtig bemiddelend en evenwicht scheppend. En niet alleen bij min of meer vanzelfsprekende uiterlijke aanleidingen uit de rechtstreeks aangrenzende omgeving, maar tot in de grote ritmen van de aarde, zon en maan kan dit bijv. in de bewegingen van de getijden der zeeën en oceanen worden afgelezen. Zelfs de kosmische ritmen van het samenspel der planeten van ons totale zonnesysteem worden, zoals wij thans weten, door de bewegingen van het water gespiegeld.

Aldus beschouwd, functioneert het water globaal als een groot zintuigorgaan, dat op zeer subtiele processen in de kosmos wat zijn bewegingen betreft kan reageren en deze aan de aarde en de daarop levende wezens kan doorgeven.

Al deze functioneel driegelede activiteiten oefent het water uit in ritmische bewegingen. Via deze werkt het vernieuwend. Men ziet die vernieuwende impuls tot in de gedaantevorming waaraan het in het organisme actief meewerkt. Het water heeft zeker niet alleen maar een gedaante-oplossende functie. Veeleer werkt het mee aan de opbouw en de voortdurende vernieuwing van de organen. De vormen die het in stromende beweging schept, tonen dat het daarvoor geschikt is. Men kan tegenwoordig van “organiserende” stromingen spreken. Daarin komt de leven-vernieuwende rol van het water rechtstreeks tot uitdrukking. Hier wordt zichtbaar dat het water levenwekkende vormkrachten doorgeeft.
In deze organiserende stromingen komt een beeld van de kwaliteit van het water te voorschijn en blijkt de affiniteit ervan ten opzichte van levensprocessen.

Oorspronkelijk, vers water, dat als onbeschadigd grondwater het ideaal van goed en verkwikkend drinkwater is, stroomt in rijk gedifferentieerd., ritmisch gelede vormen, die zich voortdurend vernieuwen en in hun beweeglijkheid meegaan met de kosmische ritmen. In deze natuurlijke toestand is het water met al zijn fysisch-materiële eigenschappen geheel en al op zijn het leven dienende functies afgestemd: het kan via deze tot in de gedaantevorming vernieuwend werken. Het is in elk opzicht naar het leven gericht, een onzelfzuchtige bemiddelaar. Van zulk water beleven wij dat het levend en verkwikkend is.

Vervuild, door de mens beschadigd water, dat qua zijn fysische eigenschappen vervreemd is van zijn gerichtheid naar het leven, stroomt onritmisch, is arm aan structuur, minder gedifferentieerd, gesloten tegenover de kosmische ritmen. Ook als het dan technisch tot drinkwater wordt gemaakt, waar in hygiënisch opzicht volgens de voorstellingen van de huidige wetenschap niets op aan te merken is, dan tonen zijn bijna onveranderd verarmde, belemmerde stromingen toch, dat het nog een dode minerale stof, nog niet weer levend is geworden.

Wij moeten daaruit afleiden, dat water niet reeds in elke schone toestand levenselement is. Het komt niet alleen op materieel constateerbare factoren aan. De voorwaarden, die het water voor de vervulling van zijn levensvernieuwende functies nodig heeft, zijn pas na het doorlopen van de natuurlijke kringloop vervuld, als het in natuurlijke zuiverheid uit de aarde tevoorschijn is gekomen.

Wij kunnen zo door onze blik te scholen voor de levenvernieuwende, gedaantevernieuwende activiteit van het water een natuurwetenschappelijk, experimenteel opgezette maatstaf vinden voor goed water en voor de kwaliteit van drinkwater waardoor blijkt, of het water behalve wat zijn hygiënische toestand betreft bevorderlijk is voor levensprocessen.

Het „Institut für Strömungswissenschaften im Verein für Bewegungsforschung e.V.” in D-7881 Herrischried houdt zich bezig met het uitwerken van dergelijke maatstaven voor de kwaliteit van het water.

Zie ook:  Levenskrachten – water

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

Menskunde en pedagogie: over het etherlijf

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2754-2583

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-3)

.
Wanneer in de 7e klas – de 1e klas van de middelbare vrijeschool – de ‘bovenbouw’ – een periode ‘voedingsleer‘ wordt gegeven, kunnen we in deze tijd bijna niet meer om de ‘landbouwproblematiek’ heen en dat geldt zeker in de daarop volgende jaren, vanuit verschillende vakgezichtspunten.
Onderstaand artikel uit 1993 wijst al op de grote problemen die eraan komen, als de landbouw en de veeteelt op zo’n intensieve manier bedreven worden als nu gebeurt. Nu, 30 jaar later, zien we die problemen levensgroot voor ons.

Tegelijkertijd is de ‘biologische’ landbouw in opmars. (Ik laat even buiten beschouwing hoe ver we van een gezonde landbouw afstaan, als de landbouw die gezond is, ‘biologisch’ moet worden genoemd.
Zonder allerlei ingewikkelde proeven, volstaat het gewone proeven om vast te stellen dat biologische groente lekkerder smaakt dan niet-biologische en dat geldt vooral voor de producten die op biologisch-dynamische manier zijn geteeld.
Om ook daarover in en periode te kunnen vertellen, geeft dit artikel wat meer algemene achtergrondinformatie voor de leerkracht.

Julius F. Obermaier, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993
.

HOE GAAN WIJ OM MET DE AARDE, DE BASIS VAN HET LEVEN?

.

Als men nagaat, hoe de landbouw zich door duizenden jaren heen heeft ontwikkeld, dan ziet men hoe daarin als het ware in golven steeds weer nieuwe inzichten verwerkt werden. In de laatste tijd worden die golven korter, daardoor konden ook bedenkelijke dwalingen ten gevolge van denkfouten ingeburgerd raken. Thans zien wij de ons allen bekende gevolgen van de beschadigingen op vele gebieden van het leven en het milieu.

In de landbouw zien de boeren en tuinders, dat de cultuurplanten de aangekweekte eigenschappen verliezen en dat daardoor voortdurend het zaaigoed moet worden vernieuwd. Planten en dieren die sinds tijden bij een bepaald milieu hoorden, vinden de leefruimte niet meer waarin zij kunnen gedijen. De mensen worden niet op de juiste manier gevoed omdat het aspect van voor de mens bevorderlijke kwaliteit ontbreekt. 

Nog andere verschijnselen, zoals bijv. de toenemende erosie van de bodem, de aangetaste gezondheid van de dieren of de toename van schadelijke insecten en schimmels zijn aanleiding dat wij moeten erkennen dat de verzorging en gezondmaking van de aarde een van de belangrijkste taken is van onze tijd.

Er bestaan verschillende opvattingen omtrent de wegen waarlangs dit doel te bereiken valt. “Terug naar de natuur”, roepen sommigen en bedoelen daarmee de ongeschonden wereld van vroeger. Sinds de chemisch-synthetische gifstoffen over de hele aarde zijn en worden verspreid, is het duidelijk, dat hier geen wegen kunnen worden gewezen die naar de toekomst leiden. “Vooruit in harmonie met de natuur en op zoek naar een nieuwe landbouw”, zeggen anderen die hopen op die manier een verdere ontwikkeling in te luiden.

Vanuit dit gezichtspunt is de biologisch-dynamische landbouwmethode te begrijpen. De bodem, de planten, de dieren vragen erom dat zij worden behandeld en verzorgd in overeenstemming met hun aard. Om dit te bereiken wordt in de biologisch-dynamische land- en tuinbouw met de samenhangen in de natuur op een nieuwe manier rekening gehouden. Het beeld van een agrarisch geheel, een organisme, is hierbij stellig treffend. Het vat de daarin werkende mensen, de hofstede, de dieren, alles wat er op de akker geteeld wordt en ook de bodem in één geheel samen: al deze factoren zijn als het ware de organen uit wier samenwerking het juiste voedsel kan ontstaan.

Een dergelijk agrarisch organisme kan men overal ter wereld doen ontstaan wanneer men uitgaat van de plaatselijke omstandigheden. In de biologisch-dynamische werkgemeenschappen in vele streken van de wereld wordt hieraan voortdurend gewerkt.

Ervaringen uit vroeger tijden en geheel nieuwe resultaten van geesteswetenschappelijk onderzoek gaan hand in hand wanneer het op de praktijk aankomt. De oorsprong van onze huidige tuinbouw is te vinden in de middeleeuwse kloostertuinen. Daar werd met het verbouwen van groenten en kruiden begonnen; ook de fruitteelt is zo ontstaan. Door de traditie ontstond er in de loop der eeuwen een land- en tuinbouw en een veefokkerij die aangepast was aan de aard van planten en dieren. Op vele plaatsen kon men tot in het begin van onze eeuw nog zien, hoe zorgvuldig dit werd gehanteerd. Daardoor bestond er een agrarische cultuur, die in de eerste plaats op de verzorging van de natuurrijken was gericht. De technische mogelijkheden waardoor men in de natuurlijke processen kan ingrijpen, kwamen pas in de laatste decennia op.

Als men de vroegere kennis samenvat dan blijkt, dat men het bewerken van de bodem en het verzorgen van zijn vruchtbaarheid in de loop van het jaar als de grondslag van alle verdere handelingen zag. Het verbouwen en de daarbij behorende maatregelen tot aan de oogst volgden hierop. Gedurende het hele jaar voltrok zich het voederen van het vee en het winnen van de mest. Hierin mondt de veehouderij uit in de vruchtbaarheid van de grond; deze sluit de kring en bepaalt tevens de nodige hoeveelheid veevoer in het teeltplan. In de tuinbouw is er een andere kringloop.

De kundigheid van de landbouwer blijkt uit de juiste afstemming ten opzichte van elkaar van bovengenoemde factoren. Tevens wordt duidelijk, dat men geen afstand kan doen van de veehouderij. Vooral de koemest is belangrijk omdat die de krachten bevat die het meest waardevol voor de bodem zijn. De biologisch-dynamische compostpreparaten doen deze mest op de composthoop dan nog rijpen, zodat er een optimale kwaliteit ontstaat. De stoffen en krachten ervan bewerkstelligen dat de bodem levend blijft. Alle andere dierlijke mest en composten van plantaardig afval worden eveneens zo geprepareerd. Steeds ontstaat er na een aantal maanden een humusrijke mest die ertoe bijdraagt dat de cultuurplanten zich al naar gelang van hun aard kunnen ontwikkelen.

Basissubstanties van de biologisch-dynamische compostpreparaten zijn bekende geneeskrachtige planten zoals kamille, duizendblad, brandnetel en ook eikenschors. Na een rijpingsproces in een dierlijk omhulsel, dat zich ’s winters in de grond afspeelt, heeft men er slechts geringe hoeveelheden van nodig om de composthopen daarmee een of meer keren te prepareren.
Als de compost op die manier is toebereid is er voor het leven van de bodem al veel gedaan. Het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner heeft twee veldpreparaten opgeleverd om de opgroeiende planten daarna de kans te geven dat zij op de juiste manier tussen aarde en hemel komen te staan. Deze preparaten worden, eveneens in heel geringe hoeveelheden, een uur lang geroerd en daarna gesproeid: het preparaat hoornmest op de grond, het preparaat hoornkiezel op de groene plant. Ook hier geldt voor de toebereiding een speciaal procedé.
Door de hoornmest kan de plant beter wortelen. De hoornkiezel helpt de plant om de lichtkrachten beter te verwerken. Het resultaat is onder andere dat in de grond een dichter wortelstelsel en boven de grond meer gerijpte substantie ontstaat.

Als de bodem door middel van de preparaten is ontsloten, kunnen daarin de kosmische ritmen in het wasdom werken; in de grondbewerking, de verzorging van het gewas en de oogst kan dit principe volgens plan worden betrokken. Dit is natuurlijk bevorderlijk voor de kwaliteit en de kwantiteit van het gewas. Als men de compost- en sproeipreparaten gebruikt zoals de ervaring dat heeft geleerd, dan heeft dat twee grondleggende vernieuwingen in de landbouw tot gevolg. Vooreerst ontstaat er een optimale kwaliteit van de planten. Voorts wordt door de handelwijze van de mens als hij de biologisch-dynamische preparaten toebereidt, laat rijpen en toepast, het plantaardige en het dierlijke principe als het ware een trede hoger geheven. Het natuurlijke wordt in zeker opzicht dichter bij de mens gebracht. Dit veredelt de natuur en is tegelijkertijd van waarde voor de mens.

Op de hierboven beschreven manier is het mogelijk, de nieuwe agrarische cultuur in haar praktische toepassing overal in te voeren waar mensen uit inzicht daartoe besluiten. Alleen op die manier kan de aarde als grondslag voor het leven in stand worden gehouden, worden genezen en ontwikkeld.
.

Ritmen in de landbouw

De mens in het midden van de natuurrijken

Plantkunde: alle artikelen

B.d.-vereniging in Nederland

Het is mogelijk gezamenlijk grond aan te kopen om de b.d.-landbouw verder te ontwikkelen.

.

2753-2582

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De mens in het midden van de natuurrijken

.

Voor de dierkunde en de plantkunde bijv. probeerde Steiner een methode te ontwerpen waarbij de kinderen een bepaalde samenhang kunnen beleven die er bestaat tussen mens en dier en mens en plant. Dat alles ook met een bij de samenhang horende eerbied.
In onderstaand artikel wordt uiteengezet dat de mens die verbondenheid en de eerbied die daar bij hoort in hoge mate is kwijtgeraakt met als gevolg een verkeerd omgaan met de natuur dat zich uit in allerlei ernstige gevolgen.

Nu is het enerzijds de kunst om de kinderen de wereld te laten beleven, nog zonder al te veel intellectualistische verklaringen (kleuters – klas 5/6), anderzijds komt er steeds meer een tijd waarin er met de kinderen meer bewust over de problematiek gesproken moet worden (v.a. klas 5/6)

Dit artikel geeft de leerkracht achtergronden en gezichtspunten die een hulp kunnen zijn bij het formuleren van gedachten.
.

Andreas Suchantke, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993

.

DE MENS ALS HET MIDDEN VAN DE NATUUR
.

Ook al heeft de wetenschap van het leven, de biologie, in deze eeuw in veel opzichten een stormachtige en adembenemende ontwikkeling doorgemaakt, toch is zij op veel gebieden niet boven de methodes van haar beginstadium uitgekomen – boven de analyse; in de Renaissance werd sectie op lijken gedaan, thans zijn het macromoleculen; in steeds kleinere dimensies zoekt men de “oorsprongen van het leven”, in gebieden, waarin men niet eens meer de bouwstenen, maar alleen nog de grondelementen van de bouwstenen en uitsluitend chemisch-fysische processen vindt. En men komt dan tot de overtuiging, dat hetgeen wij “leven” noemen, in werkelijkheid niets anders is dan een overweldigend veelzijdig, volgens het principe van toevalligheden ontstaan netwerk van heel minieme chemisch-fysische processen. Dat is begrijpelijk, want men kan de levensprocessen ook niet langs deze weg vinden; men heeft ze immers juist, door de uiteenleggende, analyserende methodes van onderzoek geëlimineerd en vernietigd. Men is, om het in een vergelijking uit te drukken, te werk gegaan alsof men de inhoud, de betekenis van een kunstwerk, van bijv. een schilderij zou willen vinden door de chemische analyse van de kleurstoffen die het bevat. Beslissend zijn echter in beide gevallen niet de materie en de kwantitatieve eigenschapen van de substantie, maar de regie waaraan zij is onderworpen, dus datgene, wat hun onderlinge relatie, hun compositie bepaalt. De analyse leidt echter nooit ertoe, de regie te zien, ze maakt de afzonderlijke acteurs zichtbaar. Hun spel blijft onverklaarbaar als het niet in de context van het geheel, van de totale conceptie wordt gezien, die aan de delen – de spelers, de kleurelementen, de moleculen – hun rollen toebedeelt en ze daarmee pas een zin toebedeelt.

De vergelijking met de kunst is niet zo buitenissig, ze dringt zich eigenlijk vanzelf op: biologie, de wetenschap van het leven, heeft met de kunst minstens zoveel te maken als met scheikunde en natuurkunde! Misschien lijdt onze huidige biologie er eenvoudig onder, dat haar beoefenaren noch in het waarnemen van kunst noch in het beoefenen ervan worden geschoold. Zij zouden dan namelijk in het waarnemen en – innerlijk – in het nascheppen van gedaanten meer bedreven, niet zo blind zijn voor vormen als dat tegenwoordig het geval is.

Wat kan kunst ons schenken? Het vinden van de wetmatigheden, die boven de delen als zingevend principe werkzaam zijn: muziek bijv. bestaat niet uit een aaneenschakeling van tonen. Als wij de tonen afzonderlijk zouden horen, om zo te zeggen atomistisch, dan zouden wij geen muzikaal beleven hebben. Wat wij horen is een samenklank – tevens een samenklank van samenklanken – het zijn klankgedaanten van gecompliceerde aard, waarbij het beslissende datgene is, wat niet in de afzonderlijke, zintuigelijk waarneembare tonen ligt, maar boven de afzonderlijke tonen uit als harmonische (en zelfs wiskundig exacte) totaliteit wordt ervaren.

Natuurlijk is het geen toeval, dat de eerste onderzoeker, die de tot op heden meest beslissende stappen in de richting van een gestaltebiologie zette, zowel kunstenaar als man van de wetenschap was: Goethe. Aan hem hebben wij het eerste begin van een leer omtrent de wetmatigheden van compositie van de organismen te danken; in de muziek zou men van harmonieleer spreken; op het organische gebied noemt men dit morfologie. Haar methode gaat uit van de vergelijking  van de organen, van de aard van hun samenklank en vandaar gaat men verder naar de ontwikkeling, de opeenvolging der organen. In hun gedaanteveranderingen en de daaruit voortkomende variaties van het thema – bijv. van het blad – ontdekt zij de bepalende en dirigerende totale ductus.

Maar, zal wellicht een serieuze huidige bioloog vragen: waar leidt dat heen, wat heeft zo’n kunstzinnige manier van beschouwen voor nut, waartoe dient uiteindelijk een klassieke morfologie van de dieren en planten: zij is nooit boven het stadium van een hulpwetenschap uitgekomen en tegenwoordig, nu er heel andere vragen op de voorgrond staan – bijv. de biochemische sturing en beïnvloeding van de erfelijke aanleg -is zij van totaal ondergeschikte betekenis.

Misschien, zou men kunnen tegenwerpen, ligt juist daarin een betreurenswaardig verzuim: men heeft nog helemaal niet beseft, welke concrete mogelijkheden Goethes methode behelst. Namelijk waar – ogenschijnlijk volledig onafhankelijk van Goethe, maar geheel in diens zin – naar zo’n van de totaliteit uitgaande fenomenologie in de biologie werd gezocht, is zonder meer gebleken hoe vruchtbaar deze methode is. Er ontstond een nieuwe wetenschap waarin het morfologisch denken niet – zoals nog bij Goethe – beperkt blijft tot het gebied van het afzonderlijke organisme. Ook het samenspel van verschillende organismen en groepen daarvan wordt beschouwd in samenhang met de bodemgesteldheid, het klimaat en de invloed van de kosmos.

Deze wetenschap is de Ecologie die, hoe jong zij ook is, resultaten heeft opgeleverd die ons begrip omtrent de natuur danig hebben doen veranderen en, wat méér zegt, ook tot een volledig nieuw besef hebben geleid omtrent de plaats van de mens in de natuur. 

Als men het totaal van de levensprocessen in de natuur en de plaats overziet, die door verschillende organismen binnen dit bestel wordt ingenomen, dan blijkt dat er drie groepen van levende wezens zijn, die totaal verschillende taken binnen dit geheel hebben.

In de eerste plaats zijn er de groene planten, wier heel bijzondere vermogen het is, anorganische substanties – minerale van de bodem en gasvormige van de lucht – op te nemen in de kringloop van het leven, deze te assimileren. Bij mens en dier ontbreken vergelijkbare vermogens: zij zijn daarom op organisch, door de planten toebereid voedsel aangewezen. De plant staat zo sterk in het teken van de opbouw, dat zij tot aan haar dood de meest oorspronkelijke jeugdigheid bewaart: ook de vijfduizend jaar oude baarddennen van de Californische Siërra Nevada hebben in hun eindknoppen nog embryonaal weefsel, waaruit zij nieuwe naalden, bloemen en zaden kunnen vormen.

In hoe grote mate de groene planten ook de voortdurende vernieuwers en dragers van het leven zijn, toch zou leven onmogelijk zijn, als zij slechts alléén bestonden. Zij zouden spoedig alle voor het leven belangrijke minerale stoffen door middel van hun wortels uit de bodem hebben gehaald en het leven zou verkommeren en te gronde gaan. Voor de continuïteit zorgen echter zulke organismen, die afgestorven organische substantie weer in eenvoudige anorganische componenten splitsen: de bacteriën en de schimmels. Zij staan zo primair aan de kant van de afbraak en het verval, dat zij zelf daarvan tot in hun eigen verschijning de stempel dragen; vooral de bacteriën beschikken over totaal geen eigen gedaante-opbouwende potentie. Het enige wat zij kunnen is onophoudelijk splitsen: een beeld voor het uiteenvallen.

Beide, de “producenten” zowel als de “destructoren” zijn nauw op elkaar aangewezen; nog meer: zij staan ten opzichte van elkaar als de polaire uitlopers van één enkel organisme. Elk organisme kent immers de pool van de dood en van het leven, waarvan het ruimtelijk en het tijdelijk principe op elkaar inspelen in een ritmisch verloop. In het gevormd op elkaar inwerken van opbouw- en afbraakprocessen ontplooit zich het leven.

De mens en de dieren nemen in dit bestel een middenpositie in – als
“consumenten” leven zij rechtstreeks of indirect van hetgeen de “producenten” opbouwen; zij geven dit naar de andere kant door. Vooral in de talloze voedingsketens van de zee (maar natuurlijk ook op het vasteland) weerspiegelt zich een onophoudelijke afwisseling tussen opbouw en afbraak: de keten begint steeds aan de kant van de opbouw, bij de groene planten, in dit geval bij de eencellige algen van de oppervlakte van de zee; de substantie daarvan wordt door de zeeslakken en kreeftjes eerst afgebroken en dan als eigen lichaamssubstantie weer opgebouwd. De vissen, die zich met deze diertjes voeden, breken de organische substantie daarvan eerst af en vervolgens bouwen ze die als eigen lichamelijke stoffelijkheid weer op. En zo gaat de kringloop verder, voortdurend wisselend, om uiteindelijk, via afscheiding en dood, volledig aan de kant van de afbraak te eindigen.

Als men deze geordende samenhang in het oog vat, dan lijkt het bijna, alsof men hier te maken heeft met een driegeleed organisme. Deze “gedifferentieerde eenheid” van de totale levende wereld vertoont immers alle kenmerken, die Rudolf Steiner als principieel ten grondslag liggend aan de geleding van fysiologische processen van het menselijke organisme heeft beschreven: het bestaan, aan de ene kant, van een opbouwende “stofwisselingspool”, die in een voortdurende vorming van nieuwe substantie leeft, en aan de andere kant een afbrekende, verterende, naar de dood drijvende tegenpool, de “zenuwzintuigpool” (in de hersenen vinden bij de volwassen mens in ’t geheel geen regeneratieprocessen meer plaats!). Het evenwicht en de bemiddeling tussen beide antagonisten wordt door het systeem van de bloedsomloop gevormd, dat aan het zenuwstelsel vanuit de tegenpool voortdurend voedingsstoffen moet aanreiken en omgekeerd de afbraakproducten, ontstaan door de activiteit van het zenuwstelsel, moet helpen verwijderen. De bloedsomloop heeft dientengevolge een beslissende functie – zonder diens verbindend-bemiddelende, tot harmonie leidende activiteit zouden de beide polen door hun tegengesteldheid elkaar bestrijden en blokkeren: de bloedsomloop werkt zodanig, dat ze tot elkaar aanvullende delen van een hogere kwaliteit, namelijk van het organisme worden.

Dit nu is bij de drieheid van producent, consument en “destruent” kennelijk heel anders. Uit hun samenwerking ontstaat de verbluffende indruk, dat dit “organisme” blijkbaar slechts uit twee elementen bestaat – uit de producent en de destruent. Deze beide tegengestelde levensvormen dragen en bepalen elkaar immers wederkerig zoals wij zagen. Zij zijn in hun samenspel volkomen. Mens en dier zouden daarin zelfs overbodig kunnen lijken.

Maar dat is wel een verkeerde kijk op de zaak, die slechts dan optreedt, als men de wetmatigheden van het menselijke organisme eenvoudigweg naar de natuur overhevelt. In werkelijkheid zijn de omstandigheden anders: de beide polen scheppen de ruimte en verschaffen de mogelijkheid dat in hun midden mens en dier kunnen leven! Het is alsof het de bestemming van de samenwerking van de polen is, dat in het midden tussen beide een hoger stadium van het bestaan mogelijk wordt gemaakt: polariteit en verhoging.

Een ongewoon beeld en een geheel nieuwe voorstelling: de mens, niet als losstaande top hoog boven de natuur, haar beheersend of op haar neerziend, of, in zijn kunstmatig opgebouwde geciviliseerde wereld ver en vervreemd van haar, maar staande in het centrum van de natuur. Een beeld, dat misschien op allerlei manieren tegemoet komt aan hetgeen velen tegenwoordig als een nieuwe broederlijke verhouding in franciscaanse zin tegenover de natuur voelen. Tevens een beeld, dat onze rol niet tegenover maar binnen de natuur kan verklaren: de sleutelpositie, waarvan wij ons tegenwoordig met schrik bewust worden. Door onze centrale plaats nemen wij nu juist de positie in van de evenwichtsbalk en van de centrale as, waarop de evenwichtsbalk rust.

Pas door de mens is de natuur een driegeleed organisme, beter gezegd: pas door hem kan zij dat worden. Fouten en dwalingen, die oermenselijke mogelijkheden, zouden ergens aan de periferie niet zo’n grote uitwerking hebben, maar vanuit het centrum werken zij naar alle kanten in de breedte en, wat het belangrijkste is: wat in het centrum van weinig betekenis en onbelangrijk kan lijken, heeft daarbuiten, in de schalen van de weegschaal een geweldige uitwerking. Wij beleven thans op een tragische manier, dat de mens de middenpositie nog niet heeft gevonden, maar het gewicht naar de kant van de afbraak en vernietiging heeft verschoven.

Het is echter ook een kenmerk van de mens om van fouten te leren, daardoor wakker te worden, besef en verantwoording te ontwikkelen.
Prachtig geeft het middeleeuwse Paradijsspel uit Oberufer – dat in de kersttijd op alle vrijescholen wordt gespeeld – deze situatie weer: God geeft aan Adam de heerschappij over de gehele paradijselijke oernatuur, met één strikte uitzondering: van de boom van goed en kwaad.

”So gunder inder midden staet,
den alderbesten moet ghi weten,
daervan en suldi nimmer eten.”

Deze centrale boom is de goddelijke spil van het bestaan, die de evenwichtsbalk droeg eer de mens het evenwicht verstoorde; waarmee de mens een zo nauwe relatie heeft, dat God hem op de gevolgen wijst die zullen komen, als hij de boom overmoedig en lichtvaardig benadert en tracht hem aan zich te onderwerpen. Wat dan gebeurt en moet gebeuren, is de verdrijving uit het paradijs – een gebeurtenis, die nog steeds plaatsvindt en die ten doel heeft, dat de mens allengs de draag- en evenwichtskrachten verwerft, om zelf de plaats van die boom als centrale as van de evolutie in te nemen.’

Wat in de mythen en sprookjes leeft – wij beginnen het tegenwoordig opnieuw te beseffen – zijn in de taal van beelden vertelde grondleggende waarheden van de innerlijke ontwikkeling van de mens. Sprookjes, mythen zijn “wijs”, dat wil zeggen zij weerspiegelen algemeen geldende waarheden. Maar kan ons het beeld van de mythe van het paradijs nu nog werkelijk helpen? Zien wij niet juist in onze tijd, dat wij totaal verdwaald zijn, dat een terugkeer onmogelijk wordt, alleen al doordat wij het paradijs allang hebben vernietigd?

Een “terug” bestaat niet. De wereld is geen toestand; alles in haar is ontwikkeling. In die ontwikkeling staan wij volledig geïntegreerd. Het zijn intensieve, hoewel tegenwoordig merendeels negatieve ontwikkelingsprocessen, die wij in de natuur losmaken. Aan de andere kant voltrekt zich ook in de mensheid een innerlijke, psychische ontwikkeling. Ook deze kan een verandering van het bewustzijn bewerkstelligen, die steeds meer mensen ervaren en die ze tot een volledig andere, tot een broederlijk-coöperatieve omgang met de natuur leidt. Er groeit een nieuw verantwoordelijkheidsgevoel dat voordien niet bestond en dat in vervlogen tijden hoogstens door enkele bijzondere persoonlijkheden zoals Franciscus van Assisi werd ervaren en in praktijk gebracht.

Door zijn centrale plaats, zijn positie van het midden, is de mens tot heerser geworden over de ontwikkeling van de natuur. Het feit, dat hij tegen die taak niet is opgewassen verandert hieraan niets: geen ander wezen kan veranderend en omvormend ingrijpen in de natuur, geen dier verandert de natuur waarin hij leeft; het blijft harmonisch daarin opgenomen en daaraan “aangepast”.

Ver verbreid is tegenwoordig de opvatting, dat de mens principieel niets anders kan dan verstoren en vernietigen. Die pessimistische zienswijze vergeet, dat de mens vroeger op een heel andere manier met de natuur kon omgaan. Onze Midden-Europese, tegenwoordig onder beton verdwijnende intens gelede culturele omgeving was onuitsprekelijk rijker geschakeerd (en is het op veel plaatsen nog) dan het daaraan voorafgaande bos, het Midden-Europa, dat de mens alleen maar nederzettingen langs oevers en meren toestond. Het rijk gevarieerde mozaïeklandschap van weiden, akkers, moestuinen en grote of kleine bossen met hun rijkdom van cultuurplanten bood levensruimte aan een groot aantal in het wild levende dieren en planten die destijds naar onze gebieden trokken; het waren er veel meer dan er tevoren in de monotonie van de wouden leefden.

Die scheppende fase van de door de mens op gang gebrachte ontwikkeling lijkt onherroepelijk voorbij te zijn. Wij kunnen de vermogens die de mensen vroeger hadden niet meer in ons opwekken. Alle getuigenissen uit die cultuurscheppende tijden vertonen ons de mens als minder uit zichzelf handelend maar geïnspireerd door kosmische krachten en in een vertrouwde omgang met de elementaire wezens van de natuur: nog in de Middeleeuwen vereerden de boeren die wezens. De “heidense dwaling” om offers te brengen aan bronnen, bomen en bergen werd door de kerk met de zwaarste straffen bestreden en met succes uitgeroeid.

Deze fase, waarin de mensen in innerlijke, religieuze beelden leefden, die zij creatief in de hun omringende wereld konden omzetten, lijkt in menig opzicht op de ontwikkelingsfase van de kindheid – als sprookjes, mythen en legenden de omgeving bezield en van geest vervuld weergeven – de uitdrukking van een zielenhouding die de verbinding met het paradijs nog niet geheel en al heeft verloren.

Klaarblijkelijk is de moderne mensheid in een ontwikkelingsfase beland die op elke kindheid volgt: de pubertijd, waar in crises en revoluties eerst alles, wat eertijds een geschenk van de goden was, verloren gaat en moet gaan, opdat het daarna uit eigen vrijheid, uit inzicht weer kan worden heroverd. De wegen die in het bijzonder in een nieuwe landbouw worden gezocht, wijzen in die richting. Zij leiden niet terug naar de tijden van een instinctief zich één weten met wat als geest in de natuur leeft. Dat is onherroepelijk voorbij. Maar zij trachten aan te knopen aan fasen van creatief-juiste omgang met de natuur, die met de moderne methodes van een bewust, wetenschappelijk gefundeerd inzicht in de samenhangen van het leven uitmonden en dit pogen verder te ontwikkelen.

.

4e klas dierkunde: alle artikelen

5e klas plantkunde: alle artikelen

Over de drieledige mens

Goethe

.

2752-2581

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (12)

.
Pieter HA Witvliet, bron: Mellie Uyldert ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘*

OMMEGANG MET PALMPASEN

.
In het artikel ‘Ommegangvolgde ik een paar gedachten van Mellie Uyldert die in haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen ‘ over de ommegangen schrijft.
Aansluitend behandelt ze de ommegang met Palmpasen.

Zij ziet in de voorjaarsommegangen een verering voor het feit dat de levensgeest weer boven de grond gaat komen. 
Een oeroud gebruik dat in bepaalde streken in ons land in ere wordt gehouden.* 

En in de vrijescholen is het ook tot traditie geworden dat de kinderen een palmpaasoptocht lopen. 

Van oudsher zat er boven op de stok een haantje van brooddeeg met een krent als oog. ‘Haantje-pik’. 
Er zou ook wel een haasje op de stok geprijkt hebben, beide de gedaanten van de levensgeest, waarbij de haan meer met de zon als de manlijke pool, en de haas meer met de maan als de vrouwelijke pool te maken heeft. ‘Een feest van zon en maan, die hun heilig huwelijk vieren!’

Ook met halfvasten zijn er hier en daar nog ommegangen. Tegenwoordig zie je slechts carnavalwagens, maar Uyldert maakt nog melding van optochten waarbij geestelijken op een schimmel zaten, ‘zoals Wodan op Sleipnir; en mannen met stokpaarden. Ik heb daarvan geen afbeeldingen gevonden, maar er wordt wel over de symboliek van bepaalde gebruiken gesproken.

Uyldert schrijft dat de gestalte van haan en haas, wanneer we naar hun ‘vertakking’ kijken, een overeenkomst zou vertonen met het gaffelkruis, de rune voor lente en geboorte.
Echter, de rune voor lente en geboorte is niet het gaffelkruis:

Kruisvormen | Antonius       maar dit teken                  de berk

of moeten we deze misschien draaien? 

De hoepel om de palmpaasstok zou ook van brooddeeg gemaakt zijn en als krans een symbool van het vrouwelijke; we zien terug aan de mei- of pinksterboom.

*Bert van Zandwijk schrijft o.a. over de Pinksterboom op Schiermonnikoog: ‘Doorgaans hebben oude gebruiken in het voorjaar en de zomer te maken met leven, terwijl gebruiken in het najaar en de winter te maken hebben met de dood. Lentefeesten gaan altijd over de terugkeer van de zon. De tijd van schaarste is voorbij, met daaraan gekoppeld de vruchtbaarheid van het land, het vee en de mensen. De gewassen beginnen te groeien, er wordt jongvee geboren en er wordt duidelijk welke vrouwen tijdens de koude en donkere wintermaanden zwanger zijn geraakt. Het was ook de tijd waarop de nieuwe volwassenen op zoek gingen naar een partner.

Aan de stokken kun je zien  hangen: eieren en groen, lekkers en nagemaakte bloemen, om de ontluikende planten- en dierenwereld aan te duiden. Appels, linten, rode bessen aan takjes, sinaasappels en vlaggetjes.

Wanneer je op zoek gaat, vind je nog van alles, zoals het Aermstokje uit Zeeland.

Uyldert besluit:

De liedjes die bij het rondlopen in optocht met de Palmpasen in de hand worden gezongen, hebben weinig om het lijf, bv.:

Palm palm pasen, hei koerei,
over enen zondag, dan krijgen wij een ei!
Eén ei is geen ei,
twee ei is een hallef ei,
drie ei is een paas-ei!

Henk Sweers duidt in dit artikel op iets wat wel wat meer om het lijf heeft.
Maar helemaal zeker is een en ander niet.

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2751-2580

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Ommegang

.
Pieter HA Witvliet, bron: Mellie Uyldert ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘*

.

DE OMMEGANG
.

Onwillekeurig zullen vele lezers bij het woord ‘ommegang’ aan de Kerstspelen denken die jaarlijks o.a. in de vrijescholen worden gespeeld.

Maar je kan ook denken aan processies, carnavalsoptochten, corso’s.
Opvallend is ook dat ze op min of meer vaste tijden worden en vooral werden gehouden, want veel van wat folklore heet, zie je toch langzaamaan verdwijnen.

Interessant is dat bepaalde ommegangen – als vier hoekpunten – het jaar markeren: rond 21 maart: dag en nacht even lang; op 21 juni: de langste dag; op 21 september: dag en nacht even lang en op 21 december: de kortste dag.

In de rituele en godsdienstige ommegang is te zien hoe het volk zich verzamelde en iets meedroeg, zoals brood of ontluikende takken of een licht. Je zou daarin iets kunnen zien van een bepaalde levenskracht. In het voorjaar, op weg naar de zomer, is deze levenskracht vooral in de natuur waar te nemen. In de winter is de levenskracht daar zichtbaar afgenomen, bijna verdwenen, samengebald in het zaad onder de grond. Het licht – uiterlijk veel minder aanwezig – wordt dan bijv. meegedragen in de sintmaartenslantarens of door de zangers op Driekoningen. Wij maken het nu binnen (en buiten) weer licht met Kerstmis. Sint-Lucia wordt herdacht waarbij een kroon met brandende kaarsjes wordt gedragen.
De joelfeesten werden vooral gevierd om de terugkeer van de zon te vieren en de zon is toch bij uitstek de brenger van nieuwe levenskracht. Er wordt wel gezegd dat de scheppende en levensgevende godheid zich in de zon manifesteert – de transcendente god – en dus in het hart van de mens, dat als het zonneorgaan in ons wordt gezien: de immanente god in ons. De macrokosmos en de microkosmos als één: zo boven, zo beneden!

We kunnen er ook een adembeweging in zien: het in- en uit: ’s zomers de god in zijn uiterlijke verschijnen in de natuur; ’s winters in ons innerlijk. Dat heeft zeker verband met het in-uit door het jaar heen.

Wanneer je de oude tradities bestudeert, springen een paar dingen in het oog:
= dat we ze bestuderen: wij weten zelf niet meer hoe het is om zo te voelen als de mens voelt – voelde – voor wie het vanzelfsprekend is de feesten te vieren.
Voor de ‘bestudeerders’ hoeft dat niet meer: het gevoel daarvoor is verdwenen.
= dat betekent eigenlijk dat de mens wat zijn bewustzijnsontwikkeling betreft, anders is geworden; we moeten zeggen: telkens verandert en door de eeuwen veranderd is.

En niet alle mensen zijn daarin hetzelfde.
Ik ontmoet van tijd tot tijd mensen die zich helemaal geborgen weten bij God, die de zekerheid kennen/beleven, van de verlossende kracht van Jezus. Die geborgenheid voel ik helemaal niet.

We leven gelijktijdig, maar toch is er een grote ‘ongelijktijdigheid’ wat het gevoels- en bewustzijns(be)leven betreft. 
Er zijn nog stammen waarin d.m.v. rituele dans gepoogd wordt een zieke te genezen; wij maken van apparatuur gebruik waarvan je je bijna niet kan voorstellen dat zoiets is bedacht en gemaakt. 
En dat het gelijktijdig aanwezig is!

‘Ergens’ is in de geschiedenis van de mens wel iets zichtbaars van een bewustzijnsverandering:

Mellie Uyldert:

*’Naderhand, toen de Europese mens onder invloed der Romeinse civilisatie het directe beléven verleerde en de verstandelijke beredenering in de plaats daarvan stelde, verloor hij de blik op de analogieën waarnaar de schepping gebouwd is, en zag van de oude zinnebeelden alleen nog maar de vorm, niet meer het wezen. Men zag niet meer, hoe de goddelijke kracht in het graan en ook nog in het brood, werkt, waardoor het brood heilig is op zichzelf, maar zag zich genoodzaakt, teneinde de oude gebruiken tóch bevredigend te kunnen verklaren, er iets bij te maken, daarom werd het brood voortaan door de priester gewijd en met die heilige ouwel van tarwebloem, omgeven door nagemaakte zonnestralen van goud, waarvan men ook niet meer beseft, dat die werkelijk de zonnekracht aantrekken, omdat het goud het metaal van de zon is, maakt men nu de ommegang, ofwel met gewijde iconen of beelden of met een botje van een heilige; in India bijv. met een stronk van een heilige boom.

Zo waren ook de vuren, die in het voorjaar en op midzomer werden gestookt, heilige vuren, aangemaakt door de wijzen, die het volk leidden, door twee stukjes eikenhout over elkaar te schuren tot zij vlam vatten. De eik was Donars (Jupiters) boom, en het hout daarvan bevatte zijn kracht, dat in het daarmee gemaakte vuur aan het volk werd meegedeeld. Want op midzomer en op midwinter moesten alle huiselijke haardvuren worden gedoofd en stak elk gezin aan het heilige vuur zijn spaander aan om daarmee thuis een nieuw vuur in de eigen haard te ontsteken! – In een enkele esoterische kerk wordt nog het altaarlicht met behulp van een brandglas aan de zon zelf ontstoken!

Op het platteland leidde de ommegang vaak naar een oude heilige eik, midden tussen de akkers, zoals bijv. nog in de Ageler es. Aan het eind van de plechtigheid heeft dan de brood-uitdeling plaats aan de armen: de mens helpt het heil uitdragen!

In Europa zijn de meeste ommegangen, die men sinds onheuglijke tijden hield, door de kerk verchristelijkt, maar hun ware wezen is nog te herkennen door de aankleding heen.’

Meer over ommegang
Foto’s van recente ommegangen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2750-2579

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pasen (46)

.
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (maart 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.
.

Pasen

.
Wat vieren we met dit feest?
Pasen valt ieder jaar op een andere datum: het wordt gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Pasen valt daarom op zijn vroegst op 22 maart en op zijn laatst op 25 april.
Pasen is voor christenen het belangrijkste feest van het jaar. Ze vieren dan de kruisdood en de verrijzenis (opstanding) van Jezus. Voor christenen betekent Pasen: de dood heeft niet het laatste woord en ook na de dood is er ‘leven’ en uitzicht.
Pasen is van oorsprong geen christelijk feest. De joden vierden al lang daarvoor hun Pesach-feest; het feest ter herdenking van hun uittocht uit Egypte, dat symbool stond voor bevrijding en perspectief naar de toekomst.
De traditie van het paasfeest gaat echter nog veel verder terug en is van oorsprong een lentefeest. Dat is ook te zien aan de wijze waarop de datum waarop Pasen wordt gevierd, wordt bepaald. Mensen vierden van oudsher dit
keerpunt in de natuur; was de winter een periode van rust in de aarde, van ingehouden kracht, van voorbereiding op het volgende, het voorjaar is
een tijd van leven, van verborgen, ingehouden krachten die tot uiting komen.
Met Pasen vieren we het nieuwe leven dat zich laat zien in alle kleur en fleur, in de vruchtbaarheid van het land en de overwinning van het licht.
Ook binnen de antroposofie heeft Pasen een grote betekenis, vanwege de plaats
die Rudolf Steiner Jezus Christus toekende in de ontwikkeling van de mensheid. Volgens Rudolf Steiner was de fysieke incarnatie van Jezus aan het begin van onze tijdrekening een eenmalige en centrale gebeurtenis.
Rudolf Steiner noemt dit de „Christus impuls“ en het „mysterie van
Golgotha“.
Naast een groot aantal voordrachten over dit thema, werkte Rudolf Steiner, samen met een aantal theologen, ook een vernieuwing van de cultus uit. Deze beweging voor een liturgische vernieuwing is wereldwijd actief onder
de naam Christengemeenschap.
Dat het paasfeest een gekerstend lentefeest is, blijkt duidelijk uit de gebruiken die er door de eeuwen heen mee samengegaan zijn.
Het Paas/lentefeest moest het prille nieuwe leven versterken en beschermen en het ei is al vanaf de prehistorie het symbool bij uitstek van deze onzichtbare levenskracht, de oneindigheid, het begin van alles. Er ontstaat nieuw leven uit iets wat ogenschijnlijk dood is.
Eierrituelen vindt men in alle culturen terug, zo ook het gebruik om paaseieren te verstoppen. In vele volksgebruiken vormt het zoeken van iets waarvan men heil verwacht, een essentieel onderdeel van de heilzame werking. Het schilderen van eieren is in wezen eveneens een magische handeling. Door een voorwerp te decoreren geloofden onze voorouders dat de kracht die erin stak geactiveerd werd: de heldere kleuren waarmee eieren werden beschilderd werden gezien als een weerspiegeling van het zonlicht in de lente.
Dat de paashaas de eieren brengt, wordt pas sinds het einde van de 19e eeuw aanvaard. Daarvoor waren het de kerkklokken die de eieren verstopten.
Hoewel de haas binnen het christendom pas redelijk kort als symbool wordt gebruikt, werd de haas al duizenden jaren vereerd door de Egyptenaren, Grieken en Romeinen. De haas is een zachtmoedig dier dat veel waakzamer en vruchtbaarder is dan een konijn. Een haas werpt als eerste zijn jongen en maakt in tegenstelling tot het konijn geen hol maar een leger. Een leger is een soort nest; een simpel ondiep kuiltje in het open veld of onder begroeiing. Deze
legers worden door vogels wel eens gebruikt om hun eieren te leggen. Wanneer men vroeger zulke eieren vond, beschouwde men ze als hazeneieren, vandaar ook het gebruik dat de paashaas de eieren verstopt. Niet alleen is de haas onzichtbaar, maar ook zou hij een gouden vacht hebben. Niet zo vreemd dat over zijn ontstaan verschillende verhalen de ronde doen. Net als het ei, is de haas – vanwege zijn voortplantingsdrang – te zien als vruchtbaarheidssymbool. Het was niet voor niets een van de symbolen van de vruchtbaarheidsgodin Isjtar. Het
konijn had voor ons wellicht meer voor de hand gelegen. Dit diertje werd echter pas in de Middeleeuwen in ons land gesignaleerd.
Een ander verhaal vertelt dat de paashaas eigenlijk een vogel is die zich zo had misdragen, dat hij voor straf in een haas werd veranderd. Nu mag hij nog maar één keer per jaar eieren leggen, die hij goed moet verstoppen.
De meest logische verklaring lijkt wel te zijn dat eieren die door vogels in verlaten hazenlegers werden gelegd, per ongeluk werden aangezien voor ‘hazeneieren’.
Het eerste eetbare paashaasje werd begin 1800 in Duitsland gemaakt van deeg en suiker.
De paashaas werd door Duitse immigranten in de achttiende eeuw meegenomen naar Amerika. In die tijd bouwden kinderen een nest waarin de paashaas zijn eitjes kon achterlaten.

Pasen

Veertig dagen na Carnaval vieren we het paasfeest, op de eerste zondag na de lente-volle maan.
Het paasfeest is een feest waarmee we het nieuwe leven vieren, maar waarmee we ook stilstaan bij de dood. In de christelijke traditie herdenken we namelijk de
opstanding van Christus uit de dood, in de voorchristelijke traditie werd rond deze tijd met uitbundige vruchtbaarheidsfeesten gevierd dat de natuur de winter overwonnen heeft. Met Pasen staan we stil bij het nieuwe leven, door bijvoorbeeld bonen of sterrenkers te zaaien en door eieren te versieren.
Voor de jongere kinderen komt de paashaas langs met een mandje vol met eieren. De paashaas is niet voor niets een haas. Hazen zijn dieren zonder vaste verblijfplaats die zich opofferen voor hun soortgenoten (net als Christus): als
een haas die achtervolgd wordt moe is, neemt een andere haas zijn vlucht over.
Het Christelijke paasfeest valt samen met het Joodse Pesach (ook wel bekend als het lentefeest). Met Pesach vieren de Joden de bevrijding van de Joodse slaven uit Egypte onder leiding van Mozes. Omdat de vluchtelingen snel weg
moesten, konden ze alleen ongerezen brood meenemen op hun vlucht. Dat waren de Matses, die wij nu ook met onze paasmaaltijd eten.
Op de seizoentafel verschijnt de haas al met Palmpasen, nauwelijks te zien, om met het Paasfeest volop in de zonneschijn te stralen op een tafel met gele doeken en lichtgroene tinten , en paastakken, haan, kip, kuikentjes, lammetjes….
Alleen op school was dat op de dinsdag na Pasen. Thuis werd het Paasfeest eerst gevierd, op school werd er naar toe geleefd in de stille week.
“Paasfeest viering of eigenlijk beleven van de Stille Week voor Pasen, voor de hele school.
Maandags: gezamenlijke weekopening met verhaal, eventueel euritmie of combinatie van beide. Gezamenlijk zoeken naar een actieve luisterhouding is het plan erachter. [ zonder kleuters]
Dinsdags: schoonmaakactiviteiten allen [ klas, tuin, plein] na de ochtendpauze, bedoeling erachter is dat de leerlingen zien dat alle kinderen bezig zijn school schoon te maken, op te ruimen.
Woensdags: sterrenkers zaaien. Leerkrachten verzorgen zelf “bakjes” sterrenkers krijg je van de Paascommissie.
Donderdags; sobere maaltijd met matzes, boter en een “gewoon ”brood [geen paasbrood] dat ter plekke gesneden wordt.
Verhaal in je klas vertellen met Paasmotief. [bijv. kleuters sprookje van Doornroosje of Het ezeltje]
Dinsdags na Pasen: liggen er in ieder sterrenkers bakje 2 chocolade-eitjes en wordt er bij het eten een gekookt eitje genuttigd.
Kookplaatje begint zijn reis deze morgen in de 1e klas en als daar de eitjes gekookt zijn gaat het kookplaatje naar de 2e klas enzovoort. Tot alle klassen hun eieren gekookt hebben. Gedachte erachter; gezamenlijkheid voor elkaar zorgen.
Bij mooi weer langer buiten, wandelen, park.
Kleuters: chocolade-eitjes zoeken op eigen speelplein, in gewone speeltijd.
In jouw stukje gang: bloesemtakken plaatsen, die na Pasen open gaan. [leerkracht gaat dat zelf [[laten]] verzorgen]
Eieren, matzes, boter, chocolade-eitjes wordt voor gezorgd.
Brood leveren ouders uit iedere klas aan, [dit staat op de takenlijsten van de verschillende klassen].”
Dit vond ik nog als notitie op de computer..
Voor een groot deel is de viering zo gebleven, de sterrenkers echter werd later in de tijd gezaaid op de Palmpaasdag [maandags op school gekomen rook je bij binnenkomst de kenmerkende geur al], zodat we op witte donderdag de
sterrenkers konden eten op ons brood of matzes. Eitjes [als teken van levensbegin,] aten we op de dinsdag na Pasen op school. De kleuters zochten hun choco-eitjes én het gouden ei op een afgesproken plaats in het stadspark.
De week voor Pasen noemen we de “stille week” (of goede week) die begint met de palmpasenoptocht op de laatste zondag van de vastentijd. Op de dagen in de “stille week” herdenken we de gebeurtenissen vóór de opstanding van Christus op paaszondag: de tempelreiniging, de twistgesprekken met de Schriftgeleerden, het laatste avondmaal op witte donderdag, op goede vrijdag de kruisiging en op stille zaterdag de helletocht van Christus.
Op school vierden we de Stille week en probeerden dat te benaderen in de stemming van die dagen.
Dat betekent: niet in deze week uitbundig Paasfeest vieren, maar andere activiteiten inzetten [opruimen, poppenkinderen extra verzorgen, poetsen,
kast uitruimen en inruimen…] om met de kinderen de voorbereiding op Pasen te ervaren.
Donderdag zullen de kinderen in de klas een sobere maaltijd nuttigen met een gewoon gebakken brood (geen paasbrood) wat in het bijzijn van de kinderen gesneden en verdeeld wordt.
Op de dinsdag na Pasen gingen de kleuters eieren zoeken op een afgesproken plaats in het park: ’s ochtends lag er een “briefje van de Paashaas”: hij had kleine eitjes verstopt, samen met het Gouden ei…

Paasgedicht

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
dat straalt uit onze ogen zo dat wij elkaar kunnen zien
zoals wij zijn geschapen: naakt en onbedorven.

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
dat straalt uit onze harten en waar dan plaats zal zijn voor velen
die nu nog geen plaats hebben in onze wereld.

Ik hoop dat er eens een licht
zal stralen over onze gedachten die ons tot nadenken zal aanzetten
waardoor de besluiten weer rechtvaardig zullen zijn.

Ik hoop dat er eens licht zal zijn
die door onze huizen zal schijnen waardoor er weer vriendschap en gastvrijheid
een vanzelfsprekendheid zal worden.

Ik hoop dat het licht
eens op onze weg zal schijnen zodat wij weer te zien zijn
voor wie wij altijd verborgen zijn geweest.

Ik hoop dat het licht
onze paden zal blijven verlichten zodat wij van ons leven
geen doolhof blijven maken.

Ik hoop dat het licht
dat op Paasmorgen straalt ons de weg blijft wijzen
tot in de verste uithoek toe…….

                                                                                      Gedicht van Klaas van Eijbergen

Genoemde liedjes en nog vele andere zijn te vinden op TinekesDoehoek of Vrijeschoolliederen.nl

Handgebarenspelletjes:

Een tere, warme zonnestraal
Kwam hierbeneden aan.
En zag een kleine bloemenknop
Nog dichtgevouwen staan.
De tere, warme zonnestraal
Scheen nu nog eens zo fel.
En dacht: als ik maar schijn en schijn,
Dan opent het knopje zich wel.
En toen nu de warme zonnestraal
Het knopje maar aldoor bescheen,
Toen gingen de blaadjes als vanzelf,
Heel langzaam, heel langzaam vaneen.
Daarbinnen zag de zonnestraal
Een hartje van stralend goud.
“Dat komt”, sprak ’t kleine bloemetje,
Omdat ik zoveel van je houd!”

Ach, kleine kip, wat kijk je sip,
ben jij je ei verloren. .
Lag het in ’t bos, lag het in ’t mos,
of viel het tussen ’t koren?
Helaas, helaas, mijn lieve haas,
wij zoeken met z’n beidjes,
de haan en ik, maar o, wat schrik:
De wei ligt vol met eitjes.

Opa is blij en Oma is blij
ze hebben een kipje dat legde een ei
Daar kwam een muisje aangetript
dat had toch zo met zijn staartje gewipt
hij zwiepte het ei opzij
“Krak” zei het ei!”
Huil maar niet hoor Oma
huil maar niet hoor Opa”
zei het kipje”
Ik leg in een wipje een nieuw ei!
Het is niet van hout het is niet van steen
het is van stralend goud!”

Het kleine kippetje Ukkepuk
heeft het altijd vreselijk druk
Op maandag moet ze dweilen
op dinsdag nageltjes vijlen
op woensdag houtjes hakken
op donderdag wormpjes bakken
op vrijdag kippepap roeren
op zaterdag kuikentjes voeren
alleen op zondag heeft zij vrij
dan legt ze een gespikkeld ei!

Kippetje, kippetje, tok tok tok
Kipje al in het kippenhok
Kukelt, kakelt en hakkelt blij
kijk daar ligt mijn laatste ei!

Twee haasjes Flip en Flap
Die gingen samen eens op stap
Zij speelden haasje over
Zij knabbelden aan het lover
Zij buitelden over stenen
Zij liepen naar het koolland henen
Maar daar kwam de jager aan!
Toen zijn ze er vlug vandoor gegaan
Flip ga eens kijken of de jager al weg is
Flap ga eens kijken of de jager al weg is
Zullen we samen gaan kijken of de jager al weg is
Ja hoor!!!

Lied: 21 lange dagen zat ik in een kippenei,
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Nog een stukje, nog een rukje,
wat is dat een zwaar karwei.
Even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootjes uitproberen
en dan ren ik en dan kruip ik
lekker onder moeders veren.

Kringspelen:

Groen is t gras
Zakdoekje leggen
Haasje in de groeve

Sowieso zijn zoekspelletjes in deze tijd leuk om te doen, buiten of binnen. [Een speurtocht bijv.]

Grimm Sprookjes om te vertellen:

Het ezeltje
De kikkerkoning
Doornroosje

Bakersprookjes  [Lois Eijgenraam]
Het wordt lente
Haantje Goudenkam
Het Hazenhuisje

Nog een verhaal:

De paashaas en het gouden ei

Samenvatting
Als de paashaas zich – zoals ieder jaar – voorbereidt om de lente te beginnen, blijkt het belangrijkste ingrediënt gestolen: het gouden ei dat het zonlicht in zich heeft.

Toelichting:
Dit verhaal werd opgestuurd door een kleuterlerares van een vrije school. Zij schreef dat ze het verhaal meerdere keren heeft verteld aan de klas, waarbij ieder keer een ander personage (dier) uitgelicht wordt.
De laatste keer staat
het kind centraal.
Komt van de site: Sprookjes top 100

HET GOUDEN EI

Dat schittert als de zon
is in feite waar het begon
uit de wateren der liefde ontstaan
ook al is het je even ontgaan
voortkomend uit de zuivere betovering
is een kracht geschonken waarom het ging
het diepste,
het binnenste,
het heerlijkste, zo puur
de passie van het vuur
door universele warmte verzegeld,
in de eeuwige geest.
waar de universele onbegrensde,
zijnssfeer leeft.
dit gouden ei
dat ben JIJ

En nóg een verhaal:

De zon komt op deze paasochtend stralend op en de wakker geworden haan kukelt vrolijk al het andere op de wereld ook wakker!
“ Kukeleku, kukeleku, wakker worden nu!
Ik heb me naar alle kanten gedraaid, ik heb al naar alle kanten gekraaid:
Wordt wakker , wordt wakker…
Kukeleku, kukeleku “
Dan strijkt hij zijn regenboogveren glad, zodat de zon ze nog beter kan laten glanzen op deze bijzondere dag, die maar één keer komt.
Verderop staat de paashaas: hij verstopte vannacht de door hem gekleurde eitjes: die eitjes waren hem maar wat graag gegeven door de kippetjes. Mooie eieren voor Pasen: het gouden ei moest hij nu nog verstoppen: hij maakte een nestje van hooi en legde voorzichtig daar het stralende gouden ei in..
Zonnestralen streelden het ei en de paashaas …
De mand waar alle eitjes in hadden gelegen was leeg: haas was blij dat alle eitjes waren verstopt en tegelijk was hij een best moe geworden van al het harde werken, hij wilde wel even rusten gaan in zijn holletje en gaapte een lange
gaap…
Maar….vandaag bleef hij wakker, bleef hij wachten: hij wou zo graag kinderen zien en horen en zien hoe goed ze de paaseitjes konden vinden, en… bovendien… kon hij kijken hoe mooi deze dag , die maar één keer komt, zou worden.
Hoor!
Haas spitst zijn oren: vrolijke kinderstemmen: lachen, giechelen, zingen, hij poetst zijn ogen : kijk daar! Zie ze wijzen, rennen, huppelen en hand-in-hand-lopen…
“Wij willen zoeken, in alle hoeken, onder de linde, zullen wij het vinden, een nestje van hooi, een mooi gouden ei, oh paashaas kwam jij soms hier voorbij?…”

Als de kinderen steeds dichter bij het gouden ei
en de paashaas komen,
verstopt hij zich achter
de lindeboom.
De kinderen komen
tenslotte aan bij het
gouden ei.
Blij roepen ze: “ ohhhh, kijk
het gouden ei!”
De jongste ,die nog geen eitje gevonden had, mocht hem vasthouden en meenemen naar huis, overlegden de kinderen met elkaar.
“Dankjewel Paashaas!” zeggen de kinderen. Al zingend zijn ze daarna naar huis gegaan, en de paashaas zuchtte van geluk en zocht zijn holletje op, de zon straalde als nooit tevoren op deze éne dag, die maar één keer komt. De wereld
ziet er prachtig uit.
“Zon, zon, lieve zon, ik wou dat ik je pakken kon, want dan zou ik vriendelijk vragen:
“Wil je stralen alle dagen?” Zon, zon lieve zon ik wou dat ik je pakken kon…”

Het ei

Symbool voor het leven
Mirjam Chamuleau

Al zolang de mensheid op aarde leeft, vormt zij haar eigen beelden en symbolen. Soms zijn deze beelden streek- of cultuurgebonden. Het ei is echter een symbool dat universeel, over de hele wereld, door vele eeuwen heen, voor de mensheid symbool voor leven is!
In het scheppingsverhaal (schepping = wordend leven) van de oude Indiërs (7227-5007 v.C.) kwam een gouden ei voor. Het was een ei, goudglanzend als de zon, en het deelde zich in twee helften: de hemel en de aarde.
Ook de oude Perzen (5067-2907 v.C.) stelden zich de nog niet door het kwaad aangetaste wereld voor als een reusachtig licht-ei.
De Egyptenaren (2907-747 v.C.) hadden een mythe waarin de eerste god uit een ei kwam. Ook hun doden begroeven zij in een eivorm (hoop op nieuw leven?) Het binnenste van een sarcofaag waar de mummie in lag had een eivorm.
Bij de Grieken (747 v C -1413 n.C.) was het de godin en oermoeder Nyx die een ei legde. Uit dit ei werd de god met de gouden vleugels: Eros, de god van de liefde, geboren.
Uit Finland zijn scheppingsverhalen bekend, waarin, net als bij de oude Grieken, hemel en aarde zijn ontstaan uit een ei. De dooier is in dit geval de zon (zon – kiem van levenskracht?).
Eieren werden in voorchristelijke culturen in het voorjaar in de aarde begraven, in de hoop dat dit de aarde vruchtbaar zou maken.
Dat het ei als kiem – hoop op nieuw leven – werd gezien in de christelijke cultuur blijkt o.a. uit het feit dat in veel christelijke graven eieren als grafgift gevonden zijn.
Het ei – een ogenschijnlijk dood, hard ding, is toch voor ons hét symbool voor de opstanding (= nieuw leven). In het onzichtbare binnenste van het ei ligt de kiem verborgen waar uiteindelijk het nieuwe leven door de harde schil heen
kan breken.
Als wij met onze kinderen op paasmorgen de eieren gaan zoeken die de paashaas voor ons heeft verstopt, spreken we eigenlijk dan ook de wens uit dat ook wij aansluiting zoeken bij de opstandingskracht – levenskracht – kiemkracht
– in ons eigen leven.

Voor een kind ligt het Pasen zoals wij dat kennen ver van zijn leefwereld af. Het Laatste Avondmaal, het lijden aan het kruis, de opstanding zelf, het kind zou het aan kunnen horen, maar er weinig mee kunnen beginnen.
Een jong kind leeft in beelden. In die beelden ligt de wereld niet vast. Alles kan, er zijn geen beperkingen. Een kind neemt de wereld ook niet waar zoals wij dat doen, namelijk met zijn vijf zintuigen. Een kind is één groot ontvangend oog. Het neemt de hele wereld in één keer tot zich, in volle overgave. De wereld is voor het kind een uitdijende eenheid van fantasie en beeldenrijkdom, als in een sprookje. In feite is een kind een en al sprookje.
De werkelijkheid is sterk afgebakend. We weten wat wel en wat niet mogelijk is. Voor ons volwassenen is dat niet erg, het biedt ons zekerheid. Maar voor een kind dat zich ontwikkelt kan dit beperkend zijn. Het kan een realistische
vertelling aanhoren, ja of nee knikken, maar innerlijk heeft het er weinig aan. Het kan er niet in groeien. En groeien wil het, moet het. Vergelijk het met een paar schoenen waarmee een kind het voor de rest van zijn leven moet doen.
Die gaan op den duur behoorlijk knellen.
Met name de kruisweg is zo van leed, schuld en boetedoening doortrokken dat dit een kind eerder beklemt dan dat er iets in zijn wezen wordt aangeboord. Het zou hem verlammen.
Toch kun je een kind de essentie van Pasen aanbieden, door het beeld van de paashaas. Deze brengt het kind in een belevingswereld die aansluit bij de achtergronden van het paasfeest. Uit volle borst zingen de kinderen dan ook:

De paashaas, de paashaas
Die is weer in ’t land

Een kind is nog dromend. Voor het kind is de paashaas geen verzinsel om het zoet te houden, maar een reële beleving, mits aangereikt natuurlijk door de omgeving van school en gezin. De paashaas kan ook overal opduiken, op
de meest onverwachte momenten, een kind staat er niet van te kijken. Soms zelfs denkt het de paashaas daadwerkelijk gezien te hebben, althans het puntje van zijn staart toen hij net de hoek om wipte… De paashaas is dan bijna tastbaar.
Je kunt je afvragen waarom de haas als beeld, als symbool voor Pasen is gekozen en niet een ander dier. Een haas heeft van nature geen vast nest of hol. Wel maakt hij op verschillende plekken een ondiep kuiltje, een leger genaamd, waar hij zijn korte hazenslaapjes houdt of waarin de jongen de eerste weken van hun leven verblijven.
Er wordt veel jacht gemaakt op de haas, door roofdieren maar bovenal door de mens. Onze verre voorvaderen joegen al op hazen. Een haas is altijd op de loop voor zijn vijanden. Hij heeft nooit rust, vandaar zijn waakzaamheid.
Een haas leeft voornamelijk solitair. In tegenstelling tot veel andere dieren leeft hij niet op een voor zichzelf afgebakend terrein, heeft hij geen territorium, maar duldt hij ook soortgenoten naast zich. Soms leven hazen in tijdelijke groepjes met elkaar, tijdens het foerageren bijvoorbeeld. Dan treedt een voor het dierenrijk opvallend gedrag op, het vermogen zich voor een ander op te offeren. Het is een bekend verschijnsel dat, wanneer de ene haas achterna wordt gezeten, een andere haas zijn slachtofferrol soms overneemt. Een uniek gebeuren.
Zo heeft ook Christus zich, in de visie van veel mensen, opgeofferd door voor ons aan het kruis te sterven.
En de kinderen zingen:

En aan zijn ene pootje
draagt hij een grote mand.
Die mand zit vol met eieren,
bim bam beieren.
En volgend jaar komt hij weerom,
bim bam bom.

Het lijkt vreemd dat een haas met een mand vol eieren loopt. Een haas is een zoogdier en heeft in het echt niets met eieren van doen. Als je echter bedenkt dat een haas het symbool van vruchtbaarheid is, is het verband al gemakkelijker te zien. Het dragen van die eieren, dat maakt hem ook tot ‘paashaas’. Hij verstopt de eieren in de tuinen van de kinderen. Deze mogen ze zoeken en ze daarna al of niet kleuren.
Een treffend beeld is dat, dat van het ei. Er is de harde buitenkant, de schaal, met binnenin de kiem van het nieuwe leven. Let wel, deze kiem, deze levenskracht, is nog niet te zien, maar zal op termijn wel de buitenkant doorboren en daarmee zichtbaar worden. Het leven (de kiem) overwint zo de dood (de schaal).
De paashaas verstopt deze eieren in de tuinen van de kinderen. Een tuin draagt het in zich iets te laten groeien. Zo kan het beeld van het ei, van het nieuwe leven, van de eigen vonk, mede in het kind groeien. Maar het moet de
eieren wel zelf zoeken en vinden, dat spreekt voor zich. Een ei, gevonden en aangereikt door een ander, daar is niets aan, dat is niet echt.
Zodra het kind alle gevonden eieren verzameld heeft, worden ze gekleurd. Hoe symbolisch wederom. Het kind mag zelf richting geven, bepalen hoe het zijn ‘kiem van leven’ later in de wereld naar buiten zal uitdragen.
Er komt een moment, zo rond het zesde jaar, dat een kind opeens zegt: ‘Maar de paashaas bestaat helemaal niet.’
Terecht, op zo’n moment. Het kind is inmiddels gewend geraakt zijn uiterlijke zintuigen steeds meer te gebruiken en daar meer en meer op te vertrouwen. Het is schoolrijp geworden. Het heeft voor het eerst geleerd een beetje als een volwassene te denken. Op die weg wil hij verder. Maar het beeld van de paashaas leeft voort, in zijn binnenste, als onbewuste kiem. En ooit zal dit zaadje doorbreken…

Uit: Fred Tak – Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, september 2017

Hup, hup, daar gaat Langoor het konijn.
Huppelen vindt hij o zo fijn.
“Ik snuffel met mijn neusje in de wind.
Eens kijken of ik een lekker worteltje
vind. Knabbel hier wat aan een
grassprietje…”
Pas op, want de vos ziet je!
Roetsj, weg is ‘ie, zo snel als de wind.
Niemand die je in je holletje vindt…

Manouk Locher

Palmpasen en Pasenalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten     jaartafels

.

2749-2578

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 ( 1-3-1-3)

.
Dr.med. Werner Hassauer, Weledaberichten 128, december 1982
.

OVER HET MYSTERIE VAN DE GEBOORTE VAN DE MENS

.

Sinds duizenden jaren worden er kinderen geboren, plant de mensheid zich steeds weer voort ondanks verschrikkelijke oorlogen, ziekten en epidemieën met een aldoor nieuwe, naar het lijkt onuitputtelijke levenskracht. Het oeroude spel van de ontmoeting der geslachten, het tot elkaar gebracht worden van man en vrouw en van de ontvlammende vonk van datgene, wat uit de vereniging van beiden ontstaat, heeft ook in ons materialistisch-economisch-nuchter georiënteerde tijdperk zijn bekoring nog niet verloren. Menswording vindt plaats in de meest omvattende zin.

In vroegere tijden beschouwde men kinderen als een geschenk van de hemel, van de goden, als een zegen, die iemand ten deel viel wie de goddelijke machten gunstig gezind waren. De zegen van God was des te groter naarmate meer kinderen het levenslicht aanschouwden. Geen kinderen te krijgen gold als een vloek van de bovenaardse machten, die vooral zwaar drukte op de kinderloos gebleven vrouw. Over de fysiologische processen van de bevruchting wist men niets, evenmin als over de processen van de embryonale ontwikkeling. Het hele gebeuren van de menswording was een goddelijk iets dat, verborgen voor de zintuigelijke blik en het weten en doorgronden van de mensen, diep in de moederschoot geheimzinnig verliep.

In onze tijd heeft de in alle aardse gebeurtenissen diep naar binnen dringende wetenschap de processen van de menswording met het zintuig van het oog doorvorst. Alles is zichtbaar geworden. Het geheim achter de omhullende, goddelijk lijkende sluier is verloren gegaan: wij weten weliswaar niet alles, maar ‘bijna’ alles. Wij hebben verleerd ons te verbazen over het geheimzinnige wonder van de menswording, want waarom zou men zich verbazen over iets wat men al weet en doorziet? Is zo’n opvatting eigenlijk gerechtvaardigd? Moet en kan men niet juist over processen, die men tot in de wonderbaarlijke details heeft leren kennen, zich verbazen en ze als grandioos beleven, juist omdat men alles of veel erover weet? Het goddelijke en de grootsheid van een gebeuren wordt toch niet minder omdat men zo diep mogelijk in het grootse wonder binnendringt? Voor het wonder van de menswording geldt dit in elk geval in de meest omvattende betekenis.

Iedereen weet tegenwoordig, dat de embryonale ontwikkeling op gang wordt gebracht door de versmelting van ei- en zaadcel, van het vrouwelijke en het manlijke element. Er zou zeer veel over dit feit te zeggen zijn wat verbazingwekkend is. In het kader van dit artikel moeten wij helaas daarvan afzien. Uit het bevruchte ei ontwikkelt zich dan een cel door de aan al het levende inherente principes van de voeding, de groei en de deling. Celgroei en celdeling vinden in een oneindige reeks plaats. Daardoor wordt de grondslag, de bouwsubstantie gevormd niet alleen voor de mens maar voor alle levende organismen. Iedereen weet dit tegenwoordig vanaf zijn lagereschooltijd. Hij leert echter ook dat het de processen in de cel zijn, die een organisme vormen; dat de kracht die het organisme vormt vanuit de cel werkt, dat de cel – zoals men in de moderne computertaal gewend is te zeggen – over de ‘informatie’ beschikt om zo te worden zoals ze dan is op haar plaats in het organisme. Dat het organisme een geheel is en de cel slechts een ondergeschikt deel is van dit geheel, wordt tegenwoordig niet geleerd. Hoe het gebeurt, dat het ondergeschikte deel het omvattende geheel tevoorschijn moet brengen, d.w.z. hoe en van wie de cel de informatie ontvangt die haar bestaan bepaalt, daarover wordt eveneens niets gezegd. Dit feit wordt als gegeven voorop gesteld, daarover behoeft men verder niet na te denken. Maar een merkwaardig feit blijft het dat het leven (dat zich in de cel als wasdom en deling manifesteert) wanneer zich dat slechts als zodanig uit, in het beste geval een ongeordend en destruerend kankergezwel, niet een goed geordend en als totaliteit functionerend organisme te voorschijn brengt. Men gaat zich afvragen wat dit hierboven uitrijzende principe als een totaliteit van krachten is, dat de bouwstenen van de ‘cellen’ hun plaats wijst, zich ervan bedient en daaraan ten behoeve van de totaliteit gedaante en functie toebedeelt. Het begrip voor de totaliteit is bij de huidige zienswijze verloren gegaan. Het moet echter weer opgewekt worden als men het geheim van de menswording wil begrijpen. Er is een boven alles uitgaand, hoogste principe dat als totaliteit het geheel van de cellen van ons organisme vormgevend omvat – ons individuele krachtveld dat ons tot een individueel, slechts één keer voorkomend mens maakt: ons ik. Dit ik als individueel geestelijk wezen geeft aan ons lichaam vorm en aanzien; het houdt ons lichaam gedurende ons hele bestaan op aarde in stand. Dat ik vormt ons ook tijdens de embryonale ontwikkeling, d.w.z. het doordringt als hoogste, scheppende krachtveld het samenstelsel van de cellen dat wij door de bevruchting en de daaruit voortkomende alleen maar levende celprocessen van vader en moeder ontvingen. Het bewerkstelligt dat wij een individuele lichaamsvorm krijgen. De cellen met hun verscheidenheid staan als bouwstenen in dienst van het daarboven uitgaande bouwplan ‘mens’ en worden daarin geïntegreerd. Dit gebeurt bij de processen van onze embryonale ontwikkeling; het is eigenlijk het mysterie van onze wording in de moederschoot. Dat in die wording ook de van de ouders en voorouders stammende krachten van de erfelijkheid meewerken is duidelijk. Niemand zal dit ontkennen. Maar het is net zo evident, dat de mens niet slechts een product van erfelijkheid en milieu is, gelijk de tegenwoordig materialistisch georiënteerde wetenschap meent. In dit product van erfelijkheid en krachten uit het milieu vormt het eigenlijke, individuele wezen van de mens, zijn ik, de specifieke individuele lichaamsvorm die dan de onze is.

Het menselijk wezen en zijn belichaming

Hoe gedraagt zich nu het hierboven geschetste menselijke wezen gedurende de ontwikkeling van het lichaam in de moederschoot, in het geboorteproces en het daarop volgende aardse bestaan? Tijdens de embryonale ontwikkeling – dit werd ons duidelijk – werkt het mee aan de vorming van ons fysieke lichaam. Men zou kunnen zeggen dat het daar als een beeldend kunstenaar een beeldhouwwerk schept op grond van zijn voorstelling, zijn artistieke intentie. De kunstenaar, die ons menselijke wezen is, kan echter veel meer dan welke beeldhouwer ook. Terwijl deze zijn kunstwerk tot een uiterlijk gevormde figuur maakt, werkt de scheppende kunstenaar ‘mens’ ook binnen in zijn kunstwerk; hij vormt daarin organen en alle verschillen in het lichaam tot in de verscheidenheid van de celvormen en zelfs van hun functies toe. Inderdaad wordt hier een verbazingwekkend kunstwerk geschapen in een tijdsbestek van weinig weken. En dan komt de grote, ingrijpende gebeurtenis van de geboorte, waarbij geweldige veranderingen zich voltrekken: men verliest bijv. het wonderbaarlijke omhuld-zijn en de beschutting door de moeder en men moet plotseling een eigen bestaan leiden, waarbij de navelstreng is doorgesneden; men belandt in een – naar het vooreerst lijkt – oneindig grote ruimte, die koel, met lucht en geluid gevuld is. Men is naakt en zwaar, men heeft niet meer het aangename van het vruchtwater om zich heen waarin men tijdens de zwangerschap bijna zonder gewicht zweefde, beveiligd tegen het ruwe geweld van de buitenwereld. Bewegende koele lucht omringt ons nu en laat ons rillen en vol schrik ineenkrimpen, onwillekeurig diep ademhalen als onder een onverwachte koude douche en dan voelen wij ons genoodzaakt om luidkeels ons van binnenuit komende diep doorleefde protest tot uitdrukking te brengen. De beroemde eerste kreet van een pasgeborene is – nota bene! – altijd een uiting van misnoegen, het verkondigen van smart, die een mensenziel lijdt, nooit een vreugdekreet. Het betreden van onze aardse wereld gaat voor de nieuw aangekomene altijd met het ervaren van leed gepaard, nooit met aangename en vreugdevolle gevoelens. Dat smartelijke beleven van de ziel weerklinkt nu van binnen uit het pasgeboren mensje door middel van de menselijke stem. Dit feit verdient alle aandacht, want daarin ligt eigenlijk de sleutel om te begrijpen wat bij het geboorteproces wezenlijk gebeurt. Gedurende de embryonale ontwikkeling gaan wij met de lucht slechts indirect een relatie aan via het bloed van de moeder. Daardoor ontvangen wij de voor het leven noodzakelijke zuurstof. Koolzuur, die wordt afgescheiden, geven wij daaraan af. Op het moment van de geboorte moeten wij lucht nu in onszelf opnemen; wij moeten de lucht integreren en de gasuitwisseling vanaf nu rechtstreeks voltrekken. Ons hele verdere aardse leven moeten zonder onderbreking inademing en uitademing, voortdurend afwisselend, op elkaar volgen, willen wij niet gevaar lopen, het verband van ons zielenwezen met ons lichaam te verliezen, d.w.z. te sterven of, wat dit verband aangaat, ernstige schade op te lopen. Dat betekent echter dat het het luchtelement is, dat ons tijdens ons aardse bestaan door de ademhaling het verband van lichaam en ziel mogelijk maakt, in stand houdt en bepaalt. De rechtstreekse integratie van het luchtelement is uitermate wezenlijk in het geboorteproces. Tegelijkertijd vindt ook de belichaming van ons zielenwezen plaats, dat van nu af aan van binnenuit weerklinkt en voortaan in staat is zich via ons lichaam te uiten. Het meest gedifferentieerd gebeurt dit in de menselijke taal. Deze immers bestaat uit het gedaante-geven aan het luchtelement op grond van de intenties van onze ziel. Op de vleugels van de lucht komt om zo te zeggen in het ogenblik van de geboorte ons zielenwezen het lichaam binnen. Het uit zich voortaan gedurende ons aardse bestaan van binnenuit via ons lichaam, tot wij in het ogenblik van de dood met de laatste ademtocht onze ziel weer uitademen. In de Bijbelse scheppingsgeschiedenis wordt dit gebeuren, hier voor de wording en de geboorte van het hele mensengeslacht, met weinig woorden treffend aldus beschreven:

‘En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens: alzo werd de mens tot een levende ziel’.

Aards-goddelijk gebeuren

Hier is duidelijk sprake van aan de ene kant ‘het stof der aarde’, dus een aards element – men zou ook kunnen zeggen van een celelement – waaruit wordt gevormd en aan de andere kant van een luchtelement, de adem des levens, die in de neus van het geschapen wezen wordt geblazen. Het is deze goddelijke, niet uit het aardse stammende adem, het pneuma van de oude Grieken, die de mens tot een levende ziel maakt. Het stof der aarde, d.w.z. de celsubstantie die uit de aardse reeks van generaties stamt, aan het einde waarvan de vader en moeder staan, moet tot menselijke gedaante worden door het uit het goddelijke stammende ‘individuele’ vormgevende principe tijdens de embryonale ontwikkeling. Levende, goddelijke adem, d.w.z. een van buitenaf gedurende de zwangerschap vormgevend principe, verenigt zich in het geboorteproces door middel van het luchtelement met het gevormde lichaam en vervult dit als levende ziel van binnenuit gedurende het nu volgende aardeleven. Dit is het mysterie van de geboorte, het wonder van de menswording – een wonder dat werkelijk ook nog in de 20e eeuw verbazing kan wekken.

.

Algemene menskundevoordracht 1   onder 1 -3

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2748-2577

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen door het leven heen

.
Dr. med. Rudolf Treichler.-psychiater en neuroloog, Weledaberichten, nr 126 juni 1982
.

PSYCHISCHE METAMORFOSES IN DE LEVENSLOOP
.

Voor de levensloop van de mens is er tegenwoordig veel belangstelling; daarover werd al veel gezegd en geschreven. Men heeft ontdekt, dat men de crises in het leven beter kan begrijpen en kan leren ermee om te gaan, als het ontstaan daarvan gedurende de levensloop wordt nagegaan.

Als men daarop terugkijkt, ontdekt men een in de loop van de tijd gegroeide vorm, die gaandeweg een bepaalde gestalte heeft gekregen. Men stelt verschillende stadia in die door de tijd gevormde gestalte vast, het ene stadium gaat in het andere over. En toch heeft men het stellige gevoel: dat is mijn levensloop, dat ben ik, die door de verschillende stadia van het leven gaat!

Ook bij de metamorfose van de planten, zoals Goethe die beschrijft, gaat er iets door de verschillende stadia van het plantenleven heen. Het wezen van de plant, door Goethe als oerplant geschouwd, komt in de loop van de wasdom trapsgewijs tot verschijning tot in de bloesem en de vrucht toe. Een organisme van vormgevende krachten verwerkelijkt dit wezen in het zintuigelijk zichtbare plantenorganisme. Daarbij is de afzonderlijke plant zelf slechts een klein blad aan de reusachtige boom van het plantenrijk, van de plantenfamilie, net zoals het afzonderlijke dier slechts als een enkele haar aan het geweldige lichaam van het dierenrijk en van de soort verschijnt. Plant en dier worden geheel en al door die samenhangen bepaald. Pas de mens komt als een zelfstandig wezen uit de omlijsting van de mensheid en zijn familie tevoorschijn, slechts hij heeft een individuele levensloop. Bij hem is niet zoals bij de plant alleen een vormgevend leven door alle vormen heen werkzaam, waar bij het dier nog het voelende leven van een psyche komt.

De mens evenwel kan zich ervan bewust worden, dat bij hem een individualiteit, een IK in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling actief is, een ik, dat zowel aan het levende lichaam als ook het zielsleven vorm wil geven en daarbij zelf in de verschijning wil treden. En vanuit dat bewustzijn kan de mens ook de in de tijd verschijnende gestalte van zijn levensloop en de ontwikkeling daarvan gewaar worden.

Ritmen in de levensloop

Geen gestalte is zonder geleding, geen ontwikkeling verloopt in rechte lijn. De geleding van de in de tijd verschijnende gestalte van de levensloop wordt zichtbaar via het ritme. Het bepalende ritme blijkt er een van zeven jaren te zijn; dit is sinds de oudheid bekend.

Aan het begin van de 20e eeuw heeft Rudolf Steiner dit herontdekt en dit inzicht opnieuw ontwikkeld op het gebied van de menskunde, de pedagogie en de geneeskunst. Het huidige onderzoek omtrent de levensloop van de mens is hier en daar tot dit inzicht gekomen. Men heeft tijdstippen van stuwingen, knooppunten in de levensloop geconstateerd, waaruit iets nieuws kan ontstaan. Die knooppunten zijn evenwel niet gefixeerd, maar bepalende factoren, waar het levende ritme zich omheen beweegt. In het verlengde van dat biologische aspect naar de mens toe beschrijft Rudolf Steiner ‘geboorten’, die zich volgend op de geboorte van het fysieke lichaam, ongeveer elke zeven jaar voltrekken. Evenals bij de fysieke geboorte wordt ook bij deze geboorten niet alleen de vrucht van een schoot zichtbaar. Met het kind verschijnt immers een nieuw wezen, dat men niet alleen vanuit de ouders, de erfelijkheid kan verklaren. Dit wezen heeft — hier en daar begint daarvoor begrip te ontstaan —- tevoren in een geestelijke wereld, in zijn geestelijke vaderland vertoefd, van waaruit het zich in de lichaamsvrucht van de ouders belichaamt. De eerste openbaring van dat wezen is het fysieke lichaam. Hierna volgen verdere openbaringen ervan. In het ritme van zeven jaren wordt er daarvan steeds één geboren en vervolgens ontwikkeld.

Psychische metamorfoses in de kinderjaren en de jeugd

Vanaf het begin van zijn leven vertoont de mens psychische reacties, spelen zich psychische metamorfoses af. Van de geboorte tot het 7e jaar ervaren wij echter het zielenleven nog als omhuld. De dichtste omhulling is het fysieke lichaam, waarin de ziel van het kind onder de leiding van zijn eveneens in hoge mate verborgen ik werkt. Veel meer dan het dier wordt immers de mens fysiek onvolkomen geboren. De hersenen bijv. worden pas omstreeks het 8e levensjaar volledig ‘klaar’; zij kunnen dan, zoals het totale fysieke lichaam, voor de ziel en het ik van de mens een instrument zijn. De vervaardiging van een goed instrument vraagt nu eenmaal veel tijd, in ’t bijzonder hier, waar het tot in de details met de individuele mens in overeenstemming moet zijn.

In de tijdspanne van het 7e tot het 14e jaar — aan het begin daarvan zijn ook de grondslagen voor het blijvende gebit gereed gekomen — staan de scheppende, vormende krachten ter beschikking voor een nieuwe activiteit. De krachten van de lichamelijke groei, die vanaf nu geen nieuw orgaan meer behoeven te scheppen, worden gemetamorfoseerd in de psychische krachten die nodig zijn om te kunnen leren. Zoals er tevoren cellen groeiden die zich aaneensloten en tot organen werden, zo groeien er nu in de ziel voorstellingen, die zich groeperen tot organen voor het leren. Zo ontstaat er bijv. uit vele afzonderlijke voorstellingen van de plant een orgaan, waarmee men leert de plant te begrijpen.

Het leren vormt een grondslag voor de later zich zelfstandig ontwikkelende ziel, waarin het met kenvermogen begiftigde ik van de volwassene met de voorstellingen zal omgaan. Een verdere grondslag voor het psychische leven is het temperament dat door andere, vrijgekomen vormende krachten van het lichaam en in nauwe samenhang met dit lichaam, zijn uiteindelijke gestalte tegemoet gaat. (Een flegmaticus heeft een andere lichaamsvorm dan een sanguinicus).

Aan het begin van de tweede cyclus van zeven jaren, als het kind schoolrijp wordt — wat hierboven als ‘vrij-worden’ werd beschreven — vindt de ‘geboorte’ van de krachten plaats die het organisme hebben gevormd. (Men kan dit bovenzinlijk deel van het menswezen ‘organisme’ of ‘lichaam’ noemen, omdat het in zichzelf even gedifferentieerd is als het zintuigelijk zichtbare fysieke lichaam.) Het meest vrij wordt het complet van vormgevende krachten uit het hoofd, van waaruit het kind dan begint te leren. Tegenover deze richting, die uit het fysieke lichaam wegvoert, komt een andere, die hieraan tegengesteld is. De ziel en het ik, die in de eerste zeven jaren vanuit het hoofd, vanuit de hersenen waarnemend en nabootsend het lichaam hebben gevormd, nemen in de 2e fase van zeven jaren zelf bezit van het lichaam. Gezien binnen het kader van de driegeleding van het menselijke organisme ontstaat daardoor een nieuw, verinnerlijkt gevoelsleven, dat in het rythmische systeem, in het leven van de longen en het hart, zijn lichamelijke grondslag heeft. Dit gevoelsleven schept een eerste tegenwicht voor de steeds meer toenemende functie van het hoofd. Aan het hoofd, dat tenslotte het abstracte denken moet leren, worden door het voelen, door de vreugde aan het leren nieuwe krachten toegevoerd, of zouden althans toegevoerd moeten worden. De liefdevolle autoriteit van de opvoeder, die het kind wil gaan navolgen, zou deze krachten moeten bemiddelen.
Aan het begin van de fase tussen het 14e en het 21e jaar, meestal reeds iets eerder, zijn de ziel en het ik ‘beneden aangekomen’ Het rijp worden van de voortplantingsorganen met de puberteit wijst erop, dat de grondleggende doorzieling van het lichaam is afgesloten. En nu gaat de ziel geboren worden.

Er verschijnt een nieuw, persoonlijk gevormd zielenleven, dat een geheel ander karakter heeft dan het nog min of meer verborgen, minder persoonlijke zielenleven in de tweede periode van 7 jaren. Dat ontleende kenmerkende eigenschappen door de geboorte van het complex van vormgevende krachten uit het gebied van het hoofd. Daarin heerst het principe van de rust; zonder beweging liggen de hersenwindingen binnen in de schedel; vanuit het voorstellende hoofd moet het lerende kind allengs het stil zitten leren. Het stofwisselingsgebied daarentegen, waarin zich de voortplantingsorganen bevinden, leeft door voortdurende beweging. Men ziet het bijv. aan de nooit helemaal rustig liggende darmen, aan de trek van de zaadcellen, die bij de man zelfs het lichaam verlaten. Deze dynamiek gaat over op het zielenleven dat uit het onderlichaam oprijst. Vanuit dit gezichtspunt gaan wij de drang om in beweging te zijn, zoals de jeugd die in en na de puberteit vertoont, ook het sterk bewogen, emotionele zielenleven dat wij nu zien optreden, begrijpen.

Als oerkracht van dit zielenleven ontstaat de begeerte, die echter niet alleen seksuele begeerte is, maar — in de meer omvattende zin — een begeren is dat op de wereld is gericht. Dat merkt de adolescent, als bij hem weer het gevoelsleven van het midden evenwicht scheppend optreedt tegenover het nu ingetreden eenzijdig worden van impulsen uit het stofwisselingsgebied. Hij kan op den duur ontdekken, dat de seksuele begeerte slechts een gedeelte is van het liefderijke voelen, van de liefde. Daartoe moet echter de doffe, uit het lichaam opkomende begeerte veranderen in wakkere belangstelling voor de medemens en voor de wereld. En dat is slechts mogelijk, als de adolescent een eigen oordeel ontwikkelt, dat door zijn medevoelend hart wordt geleid, tegelijk evenwel zich verheft in het licht van het tot inzicht leidende denken. Dit echter gebeurt niet vanzelf. Alles hangt ervan af, dat nu door de opvoeding, door de helpende medemens mét het oordeelsvermogen belangstelling voor de wereld wordt opgewekt. Rudolf Steiner, in wiens pedagogie dit principe bepalend is voor de derde fase van 7 jaren, wijst er met nadruk op, dat daardoor ook een fixatie van de vrijgeworden ziel aan het lichaam, aan de seksualiteit wordt tegengegaan.

Psychische metamorfoses bij de volwassene

Het begin van de volwassenheid ontstaat met de geboorte van het Ik omstreeks het 21e jaar. Het ik heeft nu zijn laatste taak in het lichaam volbracht. Men kan dit bijv. hieraan aflezen, dat nu de groei van het gelaat — de meest zichtbare uitdrukking van ons ik —tot een eind komt.

Psychisch uit zich de geboorte van het ik in het feit, dat de mens nu pas geheel volwassen is geworden, dat de opvoeding nu volledig wordt afgelost door de zelfopvoeding. Door het zelf, het ik van de mens onderscheidt hij zich van het dier. Terwijl bij het dier met het verkrijgen van de mogelijkheid tot voortplanting zijn ontwikkeling in grote trekken beëindigd is, is bij de mens vanaf zijn 14e jaar de voorbereiding begonnen voor een zelfstandige psychische ontwikkeling. Die voorbereiding, die tot omstreeks het 21e jaar duurt, voltrekt zich nog in de schaduw van de lichamelijke processen, waarmee de vrijgeworden ziel eerst te maken krijgt. Uiteindelijk wordt in die tijd de geboorte van het ik voorbereid dat alle psychische ontwikkeling bepaalt. De ziel zou, aan zichzelf overgeleverd, geen aanleiding, geen impuls hebben om zich te ontwikkelen, maar pogen om voortdurend alleen zichzelf uit te leven. Door het ik echter voelt de ziel: er is iets in mij, dat wil verder, boven het beleven van het ogenblik uit naar iets wat duurzaam, wetmatig, zinrijk is in het leven.

De ziel richt zich op die manier naar de geest, die door het ik in individuele gedaante zich wil belichamen in het zielenleven. In ieder mens leeft een vonk van het goddelijke vuur, die in de fase van het 14e tot 21e jaar nog verborgen gloeit.

Aan het begin van de fase van het 21e tot het 28e jaar glanst die vonk ons uit de ziel van de jonge mens tegemoet. Na de morgenschemering in de voorafgaande zevenjaarfase is de zon van het ik opgegaan boven de ontwikkeling van de ziel. Ook deze ontwikkeling zal drie fasen van zeven jaren omvatten. De eerste fase, van het 21e tot het 28e jaar, neemt hierbij een bijzondere plaats in. Op de drempel hiervan wordt niet alleen het ik geboren; tegelijk hiermee verschijnt het eerste wezensdeel van de zielsontwikkeling, het eerste ‘zielendeel’. Het getuigt van het scheppende wezen van het ik, voor zover dit zielendeel is ontstaan als eerste vrucht van de activiteit, die het ik heeft gericht op de in de puberteit geboren ziel.

Uit de worsteling van het ik in de fase van het 14e tot het 21e jaar ontstaat door een gedeeltelijke omwerking van de psychische krachten het nieuwe zielenleven van de volgende zeven jaren.

Dr. Steiner noemt het eerste zielendeel ‘gewaarwordingsziel‘. Evenals reeds het zieleneven van de 3e fase van zeven jaren is ook het leven van dit zielendeel door ‘gewaarwording’ gekenmerkt.
Zij ontstaat doordat de op de wereld gerichte begeerte van de ziel zich verenigt met de waarnemingen uit de wereld. Door de aldus ontstane gewaarwordingen leeft de wereld verder in de ziel. Men kan de gewaarwordingsziel vergelijken met een zee, die, op en neer golvend in de ziel, het schip van het eigen oordeel draagt en doet bewegen. Terecht worden in die levensfase de oordelen bepaald door de gewaarwordingen van sympathie en antipathie. In tegenstelling tot de fase van 14-21 jaar, die ook reeds vervuld was van gewaarwordingen, staat echter nu het ik aan het roer. Tegenover het chaotische ziet men nu — bij de gezonde mens — een geleide ‘Sturm und Drang’. Naar steeds weer nieuwe kusten, nieuwe voorstellingen en inzichten stuurt het ik; hoe rijker en meer gedifferentieerd zijn gewaarwordingsleven is, hoe gefundeerder zijn oordeel wordt en hoe meer eigen inzichten het ik zich kan veroveren.

Op zijn tocht naar de wereld ontmoet het ik andere mensen. Doordat het zich meet met andere individualiteiten, zich met hen in een groep aaneensluit, groeit zijn eigen kracht.

Die kracht echter wordt ook weer op de wereld gericht. Door de gewaarwording, die de andere mens ontvangt, groeit de mens uit boven het alleen maar begeren van de ander. Hij merkt iets van het andere ik. Door een verdere psychische metamorfose kan uit de gewaarwording van de sympathie liefde worden die de ander iets wil geven. Uiteindelijk wil de liefde het ik van de ander helpen om zich te ontwikkelen en daarmede iets voortzetten wat omstreeks het 21e jaar is begonnen.

In de fase tussen het 28e en het 35e jaar trekken zich veel mensen terug uit de groep, die voor hen tot dan toe de wereld betekende. 
Zij distantiëren zich dikwijls ook van hun partner en het tot dusver uitgeoefende beroep! Er wordt een nieuwe partner, een nieuw beroep gekozen of het bestaande partnerschap, het bestaande beroep krijgt een nieuwe basis. Het leven wordt meer geordend, krijgt meer planning.

Na het belevende voelen (gewaarworden) van de voorafgaande fase, dat naar de wereld was gekeerd, grijpt rondom het 28e jaar het denken sterker in bij de vormgeving aan het leven. Daardoor verandert ook het zielenleven. De mens die zich bezint, ook over het eigen bestaan nadenkt, wordt minder door gevoelens bewogen. Veeleer activeert hij nu zelf in zijn innerlijk gedachten en gevoelens. Op die manier schept hij, wat men ‘het gemoed’ noemt, of hij verdiept een reeds aanwezige, natuurlijke rijkdom van het gemoed.

Verstands- of gemoedsziel noemt derhalve Dr. Steiner het zielendeel, dat tegen het einde van de jaren twintig in het menselijke leven wordt geboren en ontwikkeld. Door dit zielendeel ontstaat een begin van verinnerlijking van het zielenleven. Het ik leeft niet meer zo sterk in het rechtstreekse contact met de wereld. Daarvoor in de plaats houdt het zich meer met het verwerken van de belevenissen in de wereld bezig. Minder dan tevoren laat het zich daarbij door gevoelens van sympathie of antipathie maar meer door het streven naar waarheid leiden dat in het denken leeft. Door dit streven, dat boven de persoonlijke voorkeur of afkeuring uitgaat, wordt het nieuwe zielendeel opgevoed. Die nieuwe vorm van zelfopvoeding wordt slechts mogelijk, doordat het ik in het zielenleven een nieuwe weg naar binnen inslaat.

Het doel op deze weg kan met het begin of in het verloop van de periode tussen het 35e en het 42e jaar door het ik worden bereikt. Dat doel is het midden van de ziel, van waar uit het ik nu aan de ziel en haar verhouding tot de wereld een vorm wil geven. Omdat de verschijning in de tijd van het mensenleven een streeftijd van 70 jaren heeft, bevindt de mens zich als hij 35 jaar is in het midden van zijn leven. Het behoort tot de wetmatigheden van de levensloop, dat ongeveer op de helft daarvan het ik op zijn tocht naar binnen het midden van de ziel zou moeten hebben bereikt.

Na het volbrengen van deze ontwikkelingstaak kan het ik zich nu ook, althans tijdelijk, uit zijn leven in de ziel verheffen; vrijer dan tevoren kan de mens naar het verleden en naar de toekomst gericht naar zijn leven kijken. Hij kan zich afvragen: wat heb ik tot dusver gepresteerd, wat moet ik nog presteren? Voor mijzelf, maar ook voor de wereld? Er kan een nieuw bewustzijn voor de taak, die men in de wereld heeft, voor het wezenlijke in het persoonlijke leven worden veroverd.

Naast acceleraties en retardaties in de levensloop blijkt, dat veel grote persoonlijkheden in het midden van het leven wat hun scheppingen betreft een doorbraak tot stand brachten naar wat eigenlijk en wezenlijk is.

Dit geldt in principe voor alle actieve mensen. Al kunnen ook de meesten van hen geen grote kunstenaars worden, toch kan ieder een levenskunstenaar worden, die het ‘motief’ de zin in de ‘stof’ van zijn leven ontdekt.

Daarbij merkt men ook, dat — in tegenstelling tot de gangbare mening — eigenlijk niemand vervangbaar is. In het gezin, in het werk kan weliswaar het ‘wat’ (de vader, de moeder, de arbeider enz) worden vervangen, niet echter het ‘hoe’. De bijzondere nuance, die slechts die ene individuele mens creëert, kan geen ander in het sociale leven laten binnenstromen.

Hiervan en van nog veel meer kan de mens zich in ’t bijzonder in het midden van het leven bewust worden. Door het verhoogde bewustzijn van zijn ik begint tenslotte het eeuwige in de bewustzijnsziel te stralen, zoals Dr. Steiner het derde nu geboren zielendeel benoemde. Het is een met de wil vervuld bewustzijn, van waaruit de mens iets hogers in zijn wezen wil kennen en verwezenlijken. Door dit hogere kan hij nu volledig zijn ik als een vonk van het goddelijke vuur beleven. Op grond hiervan schrijft 35 jaar oud, de grote toneelspeler Josef Kainz: ‘Ik heb iets in mijzelf gevonden, dat niet van mij een deel is, neen, waarvan ik een deel ben’. Meer dan vroeger hangt evenwel die verbinding met de geestelijk-goddelijke wereld af van de wil van de mens.

Samenvattend beeld

Aan de verschijning van de plant, waarvan wij uitgingen, kunnen wij ook het samenvattende beeld ontlenen voor de drie stadia van de ontwikkeling van de ziel. Zoals de plant haar bladeren uitspreidt, strekt de mens zijn gewaarwordingsziel naar de wereld uit. Zoals de plant doet bij de vorming van knop en kelk, trekt de mens zich door zijn verstands-gemoedsziel terug in zijn binnenste. Zoals de bloem zich opent voor de zon en haar licht terugstraalt, opent de mens zijn bewustzijnsziel voor het licht van de geest dat zij dan ook aan de wereld kan teruggeven. Vanaf het midden van het leven schijnt die uitstraling van het ik, waarvoor het zich door de liefde gaat openen, in de tweede helft van het leven naar binnen. In dit levensstadium kan de mens van het nemen tot het geven komen.

Dit beeld laat ons nog iets anders zien. Dikwijls krijgt men te horen: als men de bewustzijnsziel heeft, heeft men de andere zielendelen, vooral de gewaarwordingsziel niet meer nodig. Dat is hetzelfde alsof men zou zeggen: de plant heeft nu haar bloemen, de bladeren kan ze nu wel missen. Zij zou echter verdorren als zij zich niet meer door de bladeren kon voeden. Net zo dreigt het leven van de ziel door het licht van de geest te verdorren, als het niet verder uit de gewaarwordingsziel (en de verstands-gemoedsziel) zijn krachten zou kunnen putten. Juist tegenover de geest is het van belang, dat de mens een levend, onbevangen voelen bewaart, dat hij verder zijn wakkere denken inschakelt en de verinnerlijking van het gemoed oefent. Dan kan hij op zijn verdere pad naar de geest en voor de verwerkelijking daarvan in het aardse leven een steeds nieuwe verjonging door de geest beleven. Hij blijft niet jong, hij wordt aldoor weer jong door steeds nieuwe metamorfoses en geboorten heen tot aan zijn laatste metamorfose die zich voltrekt bij zijn dood, tot aan zijn laatste ‘geboorte’ uit het lichaam terug naar de geestelijke wereld.

.

Treichler: Die Entwicklung der Seele im Lebenslauf

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen.

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2747-2576

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/34)

RAM en driehoek
.

Deze ram redde eens het leven van een koningszoon en dat ging zo:
Phrixos was de zoon van koning Athamas van Boeotië in Griekenland. Hij en zijn zuster Helle hadden zeer te lijden onder hun stiefmoeder, want hun echte moeder, Nephele (de wolk), had zich in de hemel teruggetrokken, toen koning Athamas haar ontrouw werd en Ino, de dochter van koning Kadmos, tot vrouw nam. Toen zij met Athamas een eigen kind kregen, begon haar haat tegen de stiefkinderen die zij niet wenste en die haar doel in de weg stonden, steeds verder te groeien. Zo erg werd het dat ze ze wilde laten ombrengen.
Om zelf buiten schot te blijven, bedacht ze een duivels plan. Ze praatte alle vrouwen om, het koren, voordat het ingezaaid werd, te laten verdrogen. Toen het koren niet opkwam en er een hongersnood dreigde, raadde ze de koning aan om het orakel van Delphi om raad te vragen. De boden waren echter door Ino omgekocht en kwamen met een vreselijke uitspraak terug: om de aarde te verzoenen moesten Phrixos en Helle geofferd worden.
Koning Athamas die veel van zijn eerst geboren kinderen hield, weigerde de verschrikkelijke orakelspreuk ten uitvoer te brengen. Toen begon het volk, door Ino opgehitst, zo bij hem aan te dringen, en de hongersnood scheen onafwendbaar, dat hij met diepe pijn in het hart, moest toestemmen.
Geblinddoekt werden Phrixos en Helle naar het altaar geleid waarop ze zouden moeten sterven. In hun nood dachten ze aan hun moeder Nephele. Op dat ogenblik zag Nephele, terwijl ze door het luchtruim zweefde, het grote gevaar waarin haar kinderen zich bevonden. Verbitterd door de hartenpijn stortte ze zich uit de hemel naar beneden, vergezeld door regenbuien. Gehuld in nevelsluiers kon zij de kinderen voor het altaar wegslepen en zette ze op een ram die een puur gouden vel had, die kon vliegen en met een menselijke stem spreken. Dit wonderbaarlijke dier was een geschenk van Hermes, de boodschapper van de goden en de god van de kudden. 
Nauwelijks zaten de kinderen op de ram of deze steeg op, en verhief zich vliegend boven stad en land. Helle die voorop zat, hield zich met beide handen aan de horens van de ram vast. Toen ze echter over zee vlogen, werd Helle bang. ‘Kijk eens hoe diep het grote water is!’, riep ze naar haar broer en wees met haar rechterhand naar beneden. Daarbij verloor ze haar evenwicht, kon zich met haar zwakke linkerhand niet meer vasthouden en stortte in zee.
Phrixos die helpend zijn handen naar haar uitstrekte, viel bijna met haar naar beneden. Toen begon de ram echter met zijn mensenstem te spreken en sprak hem moed in. Huilend betreurde Phrixos het treurige lot van zijn zuster, maar hij wist toen nog niet dat zij voor het huwelijk aan de zeegod was beloofd. De Grieken vermoedden daar wel iets van, want ze noemden een deel van de zee waarin Helle terecht was gekomen, als een herinnering aan haar, de ‘Hellespont’. Zo heet het daar nog altijd.
De ram vloog met Phrixos verder, de morgen tegemoet, over de hele Zwarte Zee tot aan Kolchis bij de Kaukasus, bij de monding van de rivier de Phasis. Daar heerste koning Aietes, een zoon van de zonnegod Helios. Van hem werd verteld dat hij in een gouden kamer de stralen van de zon bewaarde. De ram met het gouden vel vloog naar deze koning. Phrixos werd door koning Aietes gastvrij opgenomen.
Als dank voor de wonderbaarlijke redding offerde Phrixos de ram aan Zeus. Maar van tevoren verliet deze zijn gouden vel en hij werd door Zeus, voor alles wat hij had gedaan, aan de hemel geplaatst. Daar zien we hem vandaag ook nog. Sommigen zeggen dat zijn sterren zo zwak oplichten, omdat hij zijn gouden vel in Kolchis achterliet. 
Dit gouden vel schonk Phrixos aan koning Aietes die het in een hoge eik hing op de heilige helling Ares, een heiligdom dat bewaakt werd door een reusachtige draak die nooit sliep. Hoe dit gouden vel dat overal in de wereld bekend was als het gulden vlies, door de Argonauten naar Griekenland teruggebracht werd, staat in het verhaal over het sterrenbeeld van het Schip Argos.

DRIEHOEK


De driehoek staat boven de ram en laat zien waar met de ram als eerste sterrenbeeld de bekende reeks van de dierenriem begint. Daarom heeft, aldus de oude Grieken, Zeus ook de beginletter van zijn naam ‘Dios’ – god – de grote Griekse delta Δ juist hier aan de hemel geplaatst om het begin van de kosmische orde aan te geven.

Het beste is om de volgorde van de reeks zo weer te geven:

Ram                                        Stier                      Tweelingen
Kreeft                                     Leeuw                   Maagd
Weegschaal                          Schorpioen           Boogschutter
Steenbok                               Waterman            Vissen

Zw                                                                   w                                                                 nw 
Jan.    1.  24°°u                                         febr.   1  22°°u                          mrt.  1  20°°u 
          15  23°°u                                                   15  21°°u                                  15  19°°u

De namen van de sterren betekenen: 

Hamal (Arabisch) = de ram
Mesarthien (Hebreeuws) = de knecht van de ram

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2746-2575

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (11)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (maart 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

PALMPASEN….

Een bonte stoet kinderen loopt met versierde palmpaasstokken de palmpaasoptocht. De kleintjes wat onwennig en onhandig met zo’n grote stok, de grote kinderen trots met hun stok in de lucht. Vrolijke gezichtjes tussen de wapperende linten en de rozijnenslingers…
Sommigen lukt het om uit volle borst mee te zingen, maar voor de meesten is het rechtop houden van de stok en het vol verwondering om zich heen kijken vaak al meer dan genoeg. En dan maar proberen om niet van je broodhaantje te snoepen voor je weer terug bent op school?
Het is altijd weer een prachtig gezicht, die tocht. Maar wat vieren we nu eigenlijk? Wat is de betekenis van onze palmpaasstok? Veel elementen van de palmpaasstok hebben een symbolische betekenis.
Het palmpaasfeest heeft christelijke elementen, maar ook oude
natuursymboliek.

Intocht en lente

Palmzondag is de laatste zondag voor Pasen. Het is de eerste dag van de Stille Week, de dag waarop de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem wordt gevierd. De mensen in Jeruzalem waren dolgelukkig met zijn komst, ze juichten en bedekten de weg met palmtakken. In de katholieke kerken worden nu nog steeds? Palmtakken? Gezegend in de vorm van buxustakjes.
Een andere betekenis van Palmpasen is het vieren van de lente. Heel vroeger al werden er palmpaasstokken gemaakt om het begin van de lente te begroeten. Zo is de palmpaasstok dus een herinnering aan Jezus : de intocht in Jeruzalem en een symbool voor de ontluikende natuur. De versieringen en de vorm van de stok tonen wat er gebeurde in die Stille Week, maar zijn ook symbolen voor het begin van de lente.
Een palmpaasstok is gemaakt van dood hout: een tak die je gevonden hebt in het bos bijvoorbeeld. Dat dorre hout staat symbool voor de dode, winterse natuur en voor het kruis dat Jezus droeg. Maar het dode hout versierd met groene takken en linten staat ook symbool voor nieuw leven, dat ontstaat uit iets doods – zoals de groene lente na de winter komt.

Kruis of hoepel

Er zijn twee soorten palmpaasstokken. Een stok als kruisvorm en een stok met een hoepel. De kruisvormige palmpaasstok symboliseert de kruisiging van Jezus. Voor kleine kinderen kan dit symbool heel zwaar zijn. Thema’s als schuld, boete, belijdenis zeggen hen nog niets. Voor kleuters is Pasen immers het feest van de naderende lente. Voor hen is daarom een palmpaasstok met een hoepel geschikter. De ronde hoepel symboliseert het zonnerad.
Beide stokken dragen een broodhaantje in de top. Dit haantje is het symbool van de overwinning van de zon op de duisternis. En bij de dageraad, als het licht wordt, kraait de haan. Een haan kondigt een nieuwe dag aan, een nieuw begin. Hij staat voor het wekken van het voorjaar. Maar het haantje heeft ook een meer christelijke betekenis. Toen Jezus gevangengenomen was, vluchtten zijn vrienden. Petrus, een van zijn volgelingen, volgde Hem op afstand. Enkele mensen vroegen hem: jij hoorde toch ook bij die Jezus?? Tot driemaal toe ontkende Petrus dat hij Jezus kende. En toen kraaide de haan. De haan staat dus ook symbool voor innerlijk bewustzijn. En voor Jezus omdat hij je wakker
schudt om te vertellen dat het licht eraan komt.
Het haantje is van brood. Brood is een oude rituele substantie, die voedsel voor de ziel symboliseert. Net als het brood bij het laatste avondmaal dat Jezus met zijn leerlingen viert. Het hout van de stok wordt met groen versierd.

Je kunt de hele stok met groene takken van de buxus bekleden, maar er wordt ook vaak groen crêpepapier gebruikt.
Dit groen staat symbool voor de palmtakken waarmee de mensen de Verlosser toejuichen bij zijn intocht in Jeruzalem. Een teken van hoop dat ons met Pasen, de opstanding uit de dood, wordt gegeven. De buxustakken die altijd groen blijven zijn ook een symbool voor het eeuwige leven en de lente, die altijd terugkeert.
De stok wordt versierd met hangende kettingen van gedroogde rozijnen en noten: vruchten en zaden, gerijpt door licht en warmte van de zon. De zon zelf is ook een oud symbool voor Christus, die de innerlijke Zon of de Zonnegeest wordt
genoemd. Vruchten en zaden zijn een symbool voor nieuw leven en de hoop op een vruchtbaar seizoen voor de boeren. Eindelijk weer een nieuw begin! De voorraden raakten op en het land moest bewerkt worden – men had
genoeg van de lange, sombere en soms saaie wintertijd. Er werd geboend tot alles blonk – denk aan de uitdrukking: ‘Op je paasbest’.
De palmpaasstok is dus het symbool voor nieuw leven – een eenvoudig voorwerp dat vele betekenissen draagt. Ieder is natuurlijk vrij om te kiezen welke betekenis hem of haar aanspreekt. De een haalt inspiratie uit het christendom, de ander uit de natuur.
Susan Snijders-van Eijk http://www.antroposofiekind.nl

Er is een tijd geweest, waarin de mensen de veranderingen in de natuur meebeleefden: het verwelken van het leven in de herfst, het ontwaken van de natuur in de lente. Men nam echter niet alleen de uiterlijke feiten als buitenstaander waar, maar men liep de kringloop van het jaar zelf met zijn hele wezen mee. —
Wat gaat er om in de mens als hij zijn lichaamskracht voelt afnemen?
Wat gaat er om in de kinderziel, als zij de levenskrachten in zich voelt
ontwaken?
Toen de eerste christenen de kruisdood en de herrijzenis van Christus gingen herdenken, toen konden zij nog meemaken, hoe in de lente hun eigen leven opging in dat van de uiterlijke wereld. Hun religieuze belevenis, hun gevoel van verbonden te zijn met een hogere, bovenzinnelijke wereld inspireerde hen echter tot de gedachte: ‘De goddelijke wereld is in ons in het graf gelegd, maar hij
is opgestaan. – Hem kan men begraven, zonder dat hij te gronde
gaat.’
Doch hoe beleven wij in deze tijd nog de kringloop der seizoenen?
Ons leven wordt steeds meer airconditioned. De heb- en gemakzucht verblinden ons, en als wij door de zichtbare wereld proberen heen te kijken naar een toekomst, dan zien we slechts ziekte, dood en…niets. Dan wordt iedere religie een fopspeen, iedere bewering over een bovenzinnelijke wereld, over een wereld achter de dingen een zoethouwertje.
En toch: alles wat wij verwachten van een sociale vernieuwing, van een verbetering van onze maatschappij, het zal alleen dan mogelijk zijn, als de mensheid opnieuw en nu zeer bewust geïnspireerd wordt door de gedachte, dat al het natuurlijke, het zintuigelijk waarneembare in directe samenhang staat met het morele, met het geestelijke. Het kan voor iemand die even dieper kijkt toch geen stom toeval zijn, dat hij hier in deze wereld is, dat
zijn omstandigheden zijn zoals ze zijn. Hij zal zich afvragen: ‘Welke rol speel ik zelf in dit alles?’ – En dan heeft hij zichzelf en daarmee de wereld achter de dingen reeds ontdekt. Want als iets beweegt, als er iets gebeurt, dan moet
er iets zijn, dat het in beweging brengt, dat het tot een feit maakt. In het zegen brengende licht van de lentezon kan de bewust denkende mens, als hij het wil, opnieuw de realiteit ervaren van een wereld, die goddelijk, geestelijk, occult, bovenzinnelijk, achter de dingen is. Hoe men die wereld ook wil noemen: voor de christen is dat de wereld die Christus voor de mens heropend heeft.
Christus heeft de mens de mogelijkheid gegeven om zélf de hel van het niets, de ziekte en de dood te overwinnen.
Door Zijn daad zette Hij in de plaats van de leugengestalte van de dood-als vernietiger de ware, werkelijke gestalte van de dood-als-schenker-van-leven.
Toen de mens deze wereld achter de dood nog, zij het meer onbewust, kon beleven, ontstonden de oeroude, voorchristelijke gebruiken. Wat is de zin ervan? Het zijn allemaal symbolen, beelden voor datgene wat eigenlijk niet in woorden kan worden weergegeven. Deze beeldentaal gebruikt ook de mythologie, gebruiken ook de sprookjes.

Paasei

Probeert u eens even te vergeten wat een ei is. Het is op het eerste gezicht – een witte gepolijste steen. En dan, nadat de hen het 21 dagen heeft bebroed, komt er een levend wezen, een kuiken uit tevoorschijn. Een beter beeld voor het wonder der opstanding uit de dood is nauwelijks denkbaar. Dit schijnbaar dode ding heeft dus leven in zich!
Hebben zo alle dingen niet een onzichtbare kracht in zich? De graankorrel, de boon, de plant, de boom, het water, de lucht, de aarde en het zonlicht? En de mens, die wij zien groeien en bewegen, zal die niet op zekere dag voor ons
een nieuwe, niet vermoede kracht kunnen openbaren?
Veel mensen beginnen zich bewust te worden, dat de gebeurtenissen waarmee zij worden geconfronteerd, evenzeer als hun eigen beslissingen geen toevalligheden zijn. De mens draagt nog altijd in zich een bovenzinnelijke levenskracht. Wie goed om zich heen kijkt, kan in vele van zijn medemensen de opstanding zien. Zou het kind, dat nog heel anders kijkt dan de volwassene, niet onbewust iets van die ontwaking mee beleven?
Wat een vreugde als het een in de tuin of in het huis verstopt paasei vindt! Laten wij toch zoeken naar de eieren die overal in de wereld verstopt zijn!
Na de lichtfeesten in de wintertijd, begonnen in de lente de feesten der vruchtbaarheid. Maar de mens is niet alleen lichamelijk vruchtbaar. Zijn geest kan vruchtbaar zijn voor de hele wereld. De levensboom, waarom wij ons
schaarden met Kerstmis, is het symbool van de groei- en levenskrachten in de mens, maar ook van de ik-drager, de drager van de geest. Wij zien in de lente dan ook deze levensboom als meiboom terugkeren. Met de palmpaasoptocht draagt ieder kind zijn eigen mei, zijn eigen levensboom. Bovenop prijkt meestal de haan, het mythologische dier, dat in de prilste morgenschemer de heraut is van de nieuwe dag die komt. Soms was het een zwaan, het symbool van de kracht in de ziel, die omhoog kan vliegen tot grote, geestelijke hoogten.
Vaak is een broodkrans, horizontaal of verticaal, aan de paasstok gebonden. Deze duidt aan: het rad van de zon, de  geestelijke zon, die eeuwig is. Aan de stok is altijd groen bevestigd van een boom die nooit verdort. In onze streken
meestal van de buksboom (Buxus sempervirens), die dan ook dikwijls Bukspalm heet. Weer een symbool voor het eeuwige leven. Er hangen gedroogde of andere vruchten aan, of de stok is gestoken door één of meerdere sinaasappels. Vruchten dragen immers het nieuwe levenszaad! De ‘palmpaas’ heeft de vorm van een meiboom in het klein, doordat een ring (men noemt het ‘rad’ of ‘wiel’) horizontaal rondom de stok is opgehangen. Stam, krans en haan vormen de hoofdbestanddelen van de meiboom (Saksisch type). Ofwel het is een lange stok, waaraan appels, sinaasappels, krentenbroodjes enzovoort, zijn geregen, met boven op de zwaan of de haan (Fries type).
Ofwel het is een kruishout (een Christussymbool), met gekleurd papier omwoeld, dat de bovengenoemde ingrediënten draagt (Zuid-Nederlands type) Maar overal hangen er de eieren aan, de paaseieren.

Palmprocessies

Met deze ‘Palmpasen’ houden de kinderen een ommegang. Dit is een overblijfsel van de heidense lente-optochten en van de palmprocessie. Deze processie werd het eerst in Jeruzalem gehouden. Een non uit de Provence, die in de 4de eeuw een pelgrimstocht maakte naar het Heilige Land, vertelt erover in haar dagboek. De gelovigen kwamen op de Olijfberg tezamen en geleidden vandaar de bisschop, die Christus verbeeldde, naar de stad. Allen droegen palm- of olijftakken. Van Jeruzalem uit verbreidde het gebruik zich over het westen.
In de middeleeuwen hield iedere stad één gezamenlijke processie. Er werd altijd een ‘palm-ezel’ meegevoerd. De ezel is het beeld van ’s mensen stoffelijke lichaam. Eerst was het een levende ezel, maar later werd het, omdat zo’n
ezel erg koppig en weerbarstig kan zijn, een ezel van hout. Ook de berijder, Christus, aanvankelijk door een hoge geestelijke voorgesteld, werd later in hout uitgebeeld. Eerst gedragen op de schouders, later op wielen voortgetrokken. U kunt de ‘palmezel nog in enkele musea zien. Het werd steeds meer een uiterlijk kijkspel. De hervorming maakte er een eind aan.
De oude gebruiken gaan van de volwassenen over naar de kinderen. Eerst bootsten zij ’s middags na wat zij ’s morgens hadden gezien. Al bezitten wij nog een keur van het dorp Uitgeest uit 1635, waarbij het lopen met Sint Maartenslichten of met Palm- ofte diergelijke groenten’ of met ‘Pinksterbloemen’ wordt verboden, toch vinden wij dit gebruik nog zowel in protestantse als in katholieke streken terug.
Een van de meest interessante bijzonderheden is het lied, dat in vele varianten bij deze optocht gezongen wordt:

Pallem-pallem-pasen,
Ei – koer – ei,
Over enen zondag dan krijgen wij een ei.
Een ei is geen ei,
Twee ei is een hallef ei,
Drie ei is een Paasei.

Het oorspronkelijk lied, waar deze kinderdreun een kapot gezongen overblijfsel van is, kennen wij niet. Maar dit overblijfsel is al interessant genoeg. ‘Ei—koer–ei komt waarschijnlijk van een Griekse smeekbede (op z’n Latijn uitgesproken), die ook nog te vinden is in de roomse mis: ‘Eleison, Kurië, eleison.’ Ontferm u. Heer, ontferm u.’ —
En dan die merkwaardige drie eieren! De oude Chinese wijzen leerden, dat alles ontstaat uit drie dingen: Twee krachten en het spanningsveld tussen beide. Twee levende, steeds veranderende krachten en hun onderlinge relatie.
Iets is lang en iets anders kort door het verschil tussen beide. Vader, moeder en kind. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een aardse mens, zijn bovenzinnelijk hogere wezen, en dat waar de mens ik tegen zegt. De aarde, de
hemel en… het ‘feest’.
Ons redenerend verstand heeft om dit te begrijpen een norm nodig. Het moet een moment in de tijd, een vorm in de ruimte fixeren. Het levende, altijd groeiende krachtenveld tussen ruimte en oneindigheid, tussen tijd en eeuwigheid, kan slechts betreden worden door ons geestelijk wezen, door ons creatief vermogen, door onze inspiratie, door ons Ik. —
Eén ei, één kiem van een mensen-ik is niets, want iedere mens heeft de andere mens nodig. Twee-ei, twee mensen kunnen gemeenschap hebben en zich voortplanten, maar dat is nog maar de helft van het mensenwezen: het
zintuigelijk-lichamelijke. Wat is een half ei? Het is ten dode gedoemd.!
Drie ei (niet drie eieren) de drie-eenheid van het lichaam, en de ziel, en de geest, die hen tot werkelijkheid brengt, dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood! – Christus is de waarheid en het leven én de weg.

Paashaas

Uit het oosten kwam de haas naar onze landen gesprongen, om hier de paashaas te worden, die ons de eieren der opstanding brengt. Een zachtmoedig dier, dat zich snel voortplant en dus een symbool voor de vruchtbaarheid. Hij heeft geen eigen huis, het hele land is zijn woning. Daarom is de haas ook het beeld voor ons hogere Ik-wezen.
Wordt een haas achtervolgd, dan gaat een andere haas voor hem aan het lopen, om zijn vermoeide soortgenoot te redden. Zo is hij tenslotte een symbool voor het Christus-wezen, dat onzelfzuchtig is en toch altijd achtervolgd wordt
door de zelfzuchtigs en dat zijn leven geeft voor zijn broeders.
Het kind kent nog niet het werkelijke kwaad, het kent de dood nog niet en is daarom nog niet aan de eigen opstanding, aan het werkelijke, het christelijke paasfeest toe. Voor hem duurt het paasfeest meer dan één volle week. Want het paasfeest begint reeds met palmzondag, de zondag vóór Pasen. Dit feest heet dan ook ‘Palmpasen’.
Het is het begin van de paasweek, het overwinningsfeest van de zichtbare, uiterlijke zon. Die schenkt ons ieder jaar een nieuwe lente en iedere morgen een nieuwe aarde dag. Aan haar dankt de aarde het natuurlijke leven. Maar deze natuurlijke zon gaat iedere avond onder. Zo bloeit het leven op, om weer te sterven in de dood.
Het was het stoffelijk lichaam van Jezus, dat men eenmaal feestelijk binnenhaalde in Jeruzalem. Vijf dagen later liet men het kruisigen. Want het wezen, dat in dat lichaam woonde, het eeuwige licht van de geestelijke zon, dat had men niet gezien. Daarom vertelt het Lucasevangelie ook, dat Jezus, tijdens zijn intocht dichter bij de stad gekomen,
Jeruzalem vóór zich zag en zei: ‘Och mocht gij op deze dag toch verstaan, wat tot uw vrede dient, maar thans is het verborgen voor uw ogen.’
Pasen, een week later, is het hoogfeest van het leven, dat geen ondergang kent en dat Christus aan de mens schonk door zélf mens te worden. Hij overwon de dood van de materie en opende de poort naar de geest. Hij onthulde voor
onze ogen de toegang tot het wezenlijke vredefeest.
Henk Sweers, ‘Jonas’ 09-04-1976
.

.
Palmpaasherinneringen van auteur

“Pallempallempasen, eikoerei,
Over enen zondag krijgen wij een ei,
1 ei is geen ei, 2 ei is een hallef ei, 3 ei is een paasei,
4 ei is een gouden ei….”

Binnenkort is het palmzondag de zondag als begin van de “stille week” voor Pasen.
De viering op school ondervond in de loop der tijd, en vooral door de veranderende tijd van leven, wat veranderingen, maar in grote lijnen…..
In de kleuterafdeling wordt een zonneradstok gemaakt, nu doen ouders dat thuis, in mijn beginjaren maakten we die stokken op een avond op school met alle ouders, later een tijdje: ouders in de klas [álle ouders] die de palmpaasstok
samen met hun kleuter gingen maken en ook nog een paar jaar dat de ouders in de grote zaal van school een palmpaasstok versierden voor hun kind[eren].
In de week voor de palmpaasviering gingen we gedroogde vruchtjes [appeltje, rozijntjes, abrikoosjes] aan een draad rijgen [tenminste, als ze niet opgegeten werden]
Op de vrijdag voor de palmzondag maakten we een wandeling, met ouders, naar een aanleunflat in het park; per klas spraken we af welke etage: 1, 2 of 3…
Al zingend de trappen op, de gangen daar door, bellen aan alle deuren…en dan liepen we weer naar beneden om daar in de centrale hal een klein paaspresentje te geven voor de bewoners en daar beneden in dat propvolle halletje ontvingen de kleuters dan een paaseitje….
Nu maken we een fijne lentewandeling door het park met enkele begeleidende ouders.
Het zelfgemaakte broodhaantje aten we op school op [als dat al lukte….]
Slechts één keer regende het en werden alle palmpaasstokken achter in een busje vervoerd naar die flat en daar bij de ingang uitgedeeld aan de kleuters…[ slingers en elfjes in elkaar gedraaid, haantjes die eraf vielen…]

En elk jaar:
haantjes die al half op waren als we weer bij school waren, ouders die de stok [eigenlijk staande voor het dragen van “je Ik”,] van hun kind droegen [kind is zoóó moe van het dragen….], de sliertjes crêpepapier die in elkaars sliertjes gingen of de lente-elfjes…., het haantje dat dreigde te breken [geen goede punt op de palmpaasstok].
Ach ja en eerder toen we nog eitjes kregen van de mensen in de flat in het park, helemaal zacht en gesmolten chocolade-eitjes in die warme handjes….
Dierbare herinneringen.

De Stille Week

Lijdensweek, heilige week, de week van Palmpasen tot Pasen

Fusien van den Ent:

Buiten toont de uitbottende natuur zich in haar stralendste feestkleed.
Wij proberen die week een reeks beelden te beleven.
Beelden die de mens oproepen tot werkelijk bewustzijn – beelden van strijd: uiterlijk met woorden, en innerlijke strijd – Beelden van hoogste broederschap, dienen, van het liefde-offer.
Beelden die je laten vermoeden wat werkelijk vrij, soeverein, waar Mens-zijn is, ook in lijden, in grootste eenzaamheid, in sterven, dood, om door de dood tot opstanding te komen.
Buiten zien we het aardse, vaste in beweging gebracht en op een hoger niveau getild worden: dode, anorganische stof wordt tot leven, organische stof, wordt plant met bladeren en bloemen door licht- en warmtekrachten uit de kosmos: de zon, de maan, de planeten en de sterren werken in de wonderen van het leven hier op aarde: de wereld is één groot organisme.
Dat zien we niet alleen in de natuur om ons heen: we merken het ook aan de paasdatum, want het is Pasen op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart (nadat de zon door het lentepunt ging). Daarom zal in de Stille Week de maan vol zijn; de aarde staat dan tussen zon en maan. We zien dat veel afgebeeld op oude iconen: zon en maan aan weerszijde van het kruis.

De dagen van de week, die elk hun eigen kleur, klank, zielenstemming hebben, stemmen overeen met de zeven planetensferen. De oude Chaldeeën gaven de dagen van de week al dezelfde namen als de zeven ‘bewegende hemellichamen’, de Romeinen deden het en wij ook: zondag – de zon, maandag – de maan, dinsdag – mars (Frans: mardi), woensdag -mercurius (=Wodan), donderdag – jupiter (=Donar), vrijdag – venus (Venus – Freia), zaterdag –
saturnus.
In de dagen van de Stille Week kunnen we de aard van de bijbehorende planetensfeer ook herkennen en ontdekken aan wat de Christus eraan toevoegt (‘zie, ik maak alle dingen nieuw’).
Emil Bock vertelt daarover in ‘Jaarfeesten als kringloop door het jaar‘ en heel uitgebreid in ‘van Jordaan tot Golgotha‘. Hij noemt de week van palmzondag tot Pasen ‘het mooiste compendium van het Christuswezen dat denkbaar is’.
Wanneer wij niet, zoals gebruikelijk, alleen de Goede Vrijdag vieren, maar de hele week in ons bewustzijn brengen, zien wij Christus weer als oneindig veel meer dan ‘duldende man van smarten’: als strijder en overwinnaar.

Genoemde liedjes zijn te vinden op

Tinekes Doehoek of Vrijeschoolliederen.nl

Handgebarenspelletjes:


Een tere, warme zonnestraal
Kwam hierbeneden aan.
En zag een kleine bloemenknop
Nog dichtgevouwen staan.
De tere, warme zonnestraal
Scheen nu nog eens zo fel.
En dacht: als ik maar schijn en schijn,
Dan opent het knopje zich wel.
En toen nu de warme zonnestraal
Het knopje maar aldoor bescheen,
Toen gingen de blaadjes als vanzelf,
Heel langzaam, heel langzaam vaneen.
Daarbinnen zag de zonnestraal
Een hartje van stralend goud.
“Dat komt”, sprak ’t kleine bloemetje,
Omdat ik zoveel van je houd!”

Ach, kleine kip, wat kijk je sip,
ben jij je ei verloren. .
Lag het in ’t bos, lag het in ’t mos,
of viel het tussen ’t koren?
Helaas, helaas, mijn lieve haas,
wij zoeken met z’n beidjes,
de haan en ik, maar o, wat schrik:
De wei ligt vol met eitjes.

Opa is blij en Oma is blij
ze hebben een kipje dat legde een ei
Daar kwam een muisje aangetript
dat had toch zo met zijn staartje gewipt
hij zwiepte het ei opzij
“Krak” zei het ei!”
Huil maar niet hoor Oma
huil maar niet hoor Opa”
zei het kipje”
Ik leg in een wipje een nieuw ei!
Het is niet van hout het is niet van steen
het is van stralend goud!”

Het kleine kippetje Ukkepuk
heeft het altijd vreselijk druk
Op maandag moet ze dweilen
op dinsdag nageltjes vijlen
op woensdag houtjes hakken
op donderdag wormpjes bakken
op vrijdag kippepap roeren
op zaterdag kuikentjes voeren
alleen op zondag heeft zij vrij
dan legt ze een gespikkeld ei!

Kippetje, kippetje, tok tok tok
Kipje al in het kippenhok
Kukelt, kakelt en hakkelt blij
kijk daar ligt mijn laatste ei!

Twee haasjes Flip en Flap
Die gingen samen eens op stap
Zij speelden haasje over
Zij knabbelden aan het lover
Zij buitelden over stenen
Zij liepen naar het koolland henen
Maar daar kwam de jager aan!
Toen zijn ze er vlug vandoor gegaan
Flip ga eens kijken of de jager al weg is
Flap ga eens kijken of de jager al weg is
Zullen we samen gaan kijken of de jager al weg is
Ja hoor!!!
Lied: 21 lange dagen zat ik in een kippenei,
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Ik wil eruit, ik wil vrij,
ik prik een gaatje in het ei.
Nog een stukje, nog een rukje,
wat is dat een zwaar karwei.
Even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootjes uitproberen
en dan ren ik en dan kruip ik
lekker onder moeders veren.

Kringspelen:

Groen is t gras
Zakdoekje leggen
Haasje in de groeve

Sowieso zijn zoekspelletjes in deze tijd leuk om te doen, buiten of
binnen.
Schoonmaken of oppoetsen ook.

Grimm Sprookjes om te vertellen:
Het ezeltje      
De kikkerkoning

Bakersprookjes [Lois Eijgenraam]
Het wordt lente
Haantje Goudenkam
Het Hazenhuisje

Voor de ouders

Beschrijving zonneradstok

Benodigdheden die je zelf vergaart:
· Een rechte ronde stok of tak van 40 tot 50 cm.
· Een ring van ijzer. Of pitriet of wilgentenen om een ring van te maken.
· Event. wat touw of dun ijzerdraad om van de wilgenteen /pitriet een cirkel te maken.
· Dun draad om de lente-elfjes vast te maken en te bevestigen.
· Draad om de ring op te hangen aan de tak.

Benodigdheden die je van school krijgt:
· Een strook van lichtgroen crêpepapier van 2 cm breed (om de stok te omwinden).
· Een strook van licht groen of geel of groen crêpepapier van 2 cm breed (om de ring te omwinden).
· 8 stroken crêpepapier van 1cm breed (om de ring te versieren) in diverse lentekleuren (bijv. licht blauw, licht roze, licht groen en licht geel).
· 8 velletjes vloeipapier van 14 x 14 cm van 4 verschillende lentekleuren (voor de 4 lente-elfjes).
· Plukje wol (voor in de lente elfjes).
· Dit alles zit in een plasticzakje met de naam van je kind erop.
(Dit zakje voorkomt dat de zonneradstok vies wordt onderaan als juf hem op school in een bak aarde zet)

Werkwijze
· Snijdt een punt aan de tak (zo blijft het broodhaantje beter zitten).
· Snijdt hierin van boven naar beneden een inkeping van ongeveer 1 cm
· Omwindt de stok met het crêpepapier. Laat de eerste 5 cm vrij voor het broodje
· Mocht je geen ijzeren hoepel hebben van ongeveer 30 cm doorsnede, dan kan je er een maken door de uiteinden van een dunne wilgenteen (of dik pitriet) een paar keer om elkaar heen te draaien en vast te maken met een dun ijzerdraadje of touwtje.
· Omwind de cirkel met het crêpepapier.
· Maak 4 lente-elfjes door de vierkante vloeipapiertjes dubbel en dubbel te vouwen tot 1 vierkantje bestaat uit 4 kleine.
· Leg twee van die gevouwen vloeipapiertjes op elkaar. Twee verschillende kleuren geeft meer kleur!
· In het midden van dat vierkant leg je een heel klein plukje wol dat je buitenlangs afbindt met een stukje draad.
Hiermee bevestig je tegelijkertijd ook de lente-elfjes aan de ring.
Bevestig de ring met 2 draden (een van links naar rechts en een van voor naar achter aan de tak door de draden door de inkeping boven in
de tak te trekken.
· Ten slotte versier je de ring verder met de dunne stroken crêpepapier.

Verwonderland: Broodhaantje maken (typepad.com)

volg de stappen 1 t/m 11 op ‘Verwonderland’

Vertellen: Het Ezeltje.

Rustmoment: Palmpasen liedjes

Handgebarenspelletjes:

Een tere warme zonnestraal, kwam hier op aarde aan en zag een bloempje nog dichtgevouwen staan
Het dacht als ik maar schijn en schijn,
Dan opent zich het bloempje wel.
Toen nu die zonnestraal het bloempje aldoor maar bescheen,
Toen gingen de blaadjes vanzelf uiteen
Daarbinnen was een hart van goud
“Dat komt” zei het bloempje “omdat ik zoveel van je houdt”
Ik ben een vogel klein
En bouw mijn nestje fijn.
Ik breng een takje, ‘k breng een blaadje.
Met een grasje, met een draadje,
Of ook wel een pluisje wol,
Zo bouw ik mijn nestje vol.
Is dan dra het nestje klaar,
Leg ik al mijn eitjes daar.
En zit daarop dan stil te dromen
Tot de kleintjes één voor één
Uit hun schaaltjes komen.

O wat gepiep! En wat gezwoeg,
Die kleintjes hebben nooit genoeg
– – – Maar zijn ze groot geworden,
Is ’t nestje hun te klein – – –
Hola! Dan de lucht in, ’t vliegen is toch fijn! 
lange dagen zat ik in een kippenei, ik wil eruit ik wil vrij,
Ik pik een gaatje in het ei, [herhalen vanaf ik wil eruit].
Nog een rukje nog een stukje wat is dit een zwaar karwei,
even rusten, even hijgen,
even droge veertjes krijgen,
even pootje uitproberen,
en dan ren ik en dan loop ik
lekker onder moeders veren.”
Het ís een heerlijk lied, alleen ik heb de muziek niet….
Tekst van H. IJzerman

Spring is coming, spring is coming,
birdies build their nest,
weave together straw and feather
doing each their best

Lente komt al, lente komt al,
vogels maken hun nest,
weven stro en veren samen
doen zo goed hun best.

Het kippetje Ukkepuk,
Heeft het altijd druk.

Maandag moet ze dweilen
Dinsdag nageltjes veilen,

Woensdag wormpjes bakken
Donderdag houtjes hakken

Vrijdag kippenpap roeren,
Zaterdag kuikentjes voeren

Maar zondag is ze vrij,
Dan legt ze een gespikkeld ei!

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten     jaartafels

.

2745-2574

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Plant en mens

.

Steiner besteedde in zijn pedagogische voordrachten veel aandacht aan de plantkunde.
Het ligt voor de hand dat auteurs die zijn gezichtspunten als uitganspunt namen voor eigen studie, daarover interessante gedachten ontwikkelden.
Een daarvan is de apotheker Daems die zich uitvoerig bezighield met geneesplanten.
Van hem is onderstaand artikel, speciaal over de relatie mens-geneesplant.
.

Dr. W.F. Daems, Weledaberichten, nr.118 sept. 1979
.

PLANT EN MENS
.

Het is gebruikelijk een plant te leren kennen door haar afzonderlijke organen te bestuderen: kelk, kroon, stuifmeeldraden, vruchtbladeren, vrucht, zaad, loofbla-deren, wortels enz. Men moet deze organen heel zorgvuldig van elkaar scheiden, ze naar maat en getal en microscopisch voorkomen bepalen. In de geest van het natuurwetenschappelijke axioma: het geheel = de som van alle delen, zou men nu uit deze afzonderlijke organen de plant weer als een geheel moeten kunnen reconstrueren. Iedereen weet, dat dit niet gelukt. Want voor een levend wezen geldt: organisme = som van de organen + ‘plan van de architect’ (= bouwplan van de plant, geestelijk wezen of hoe men deze in de natuurwetenschappelijke formule ontbrekende dimensie wil noemen). Goethe zei het zo:

‘Wer will was Lebendigs erkennen und beschreiben,
sucht erst den Geist herauszutreiben,
dann hat er die Teile in seiner Hand,
fehlt, leider, nur das geistige Band.

Wie iets levends wil leeren kennen en beschrijven,
Zoekt eerst den geest er uit te drijven,
Dan heeft hij de deelen in zijne hand,
Men mist helaas slechts ’t geestlijk verband!*

Wij vernietigen als wij zuiver analytisch handelen de plant, lichamelijk zowel als ideëel. Laat ons de plant bekijken zonder lancet en zonder microscoop. Laat ons daarbij zonder vooroordelen uitgaan van eenvoudig waarneembare verschijnselen en laat ons natuurwetenschappelijke kennis alleen dan te hulp roepen als deze de gevonden inzichten ondersteunt.

Wie een plant benadert ontvangt als eerste beeld de kleurrijkheid van de bloemenwereld: door de bloemen ontstaat het contact tot de eerste belevingen van de menselijke ziel. Als de geur van de plant niet rechtstreeks kan worden waargenomen, gaat men dichter naar de plant toe en men snuift de geur van de bloem op. Vaak bereikt de geur ons al van verre. Men weet, dat het aantal geurstoffen die de menselijke neus kan waarnemen, niet te tellen zijn. Deze geurstoffen worden etherische oliën genoemd; volgens de scheikunde zijn het vluchtige, organische verbindingen. Als men nu nagaat onder welke voorwaarden zulke subtiele stoffelijkheden als de etherische geurstoffen (maar ook de kleurstoffen van de bloemen) tot stand komen, dan blijkt de oorsprong daarvan de warmte en het licht te zijn. Zonder warmte en licht geen etherische oliën, geen bloesem-kleurstoffen! Hoe warmer het klimaat is, hoe meer de gevormde geurstoffen aan de warmte verwant zijn. De rosmarijn, die in de heetste en zonrijkste streken van Zuid-Frankrijk groeit, vormt een etherische olie die de hoogste verbrandingswarmte (warmte-energie) onder de etherische oliën heeft. Natuurwetenschappelijk onderzoek bevestigt deze zuiver fenomenologische observaties. Men weet tegenwoordig dat geen enkele etherische olie kan ontstaan zonder de medewerking van fosfor in de vorm van pyrofosforzuur. Wat wil dat zeggen?
Pyr is het Griekse woord voor ‘vuur’, fosfor is een Griekse woordverbinding, die ‘lichtdrager’ betekent. Slechts door de ‘vurige lichtdrager’ komt derhalve etherische olie tot stand.

De brandbaarheid behoort evenals de uitbreiding, de verfijning van de stof, bij de bloem. Warmteprocessen vinden in verhoogde mate in de bloem plaats; de temperatuur binnen in de bloem is — hoewel soms slechts door micrometingen aantoonbaar — hoger dan daarbuiten. Er zijn tropische Aronskelkgewassen (Amorphophallus), die in hun bloemen een temperatuur hebben, die 10-15‘C hoger is dan in andere delen van die plant. Daardoor zijn de bloemen in staat, afbraakprocessen van de stof zover door te voeren, dat vluchtige, uiterst specifieke geurstoffen ontstaan waarmee zij de bij de plant behorende insecten naar zich toe lokken. Ook dat is een fenomeen dat bij de plant behoort: de bloem leeft in samenwerking met heel bepaalde vertegenwoordigers van de dierenwereld: met vlinders, nachtuiltjes, vliegen, muggen, kevers, bijen, wespen en vogels. Zonder de dierenwereld geen planten, zonder de planten geen dierenwereld. In de Mexicaanse bossen leeft een bepaalde bijensoort, die voor de bestuiving van de vanille-orchis zorgt. Zonder die bijen geen vanille, zonder de vanille niet deze bijen. De vanillecultures buiten Mexico, bijv. op het Franse eiland Réunion, zijn slechts door arbeidsintensieve kunstmatige bestuiving mogelijk. Bij het centrifugale (middelpuntvliedende) ‘oplossingsproces’ in de bloem behoort ook het verschijnsel van de bestuiving. De miljarden microscopisch kleine stuifmeelkorrels stijgen op tot in de stratosfeer van de aarde! Ten slotte willen wij hier nog een fenomeen noemen dat bij de bloem hoort: de gebrekkelijkheid, de neiging om op te lossen. Zij leeft kort, enkele dagen, één dag, soms slechts een paar uur.

Laten wij nu de blik richten op de tegenpool, het wortelgebied. Het is daar niet helder en warm, maar donker en koud. Kleur? Wel, over ’t algemeen slechts ondefinieerbare schakeringen van grijs, bruin en zwart. Toch zijn er sterk gekleurde onderaardse plantenorganen: de gele peen, de rode biet, het rode Hypokotyl van de radijs. Maar in deze gevallen is de vorming van kleurstof, die volledig op zijn plaats zou zijn in de bloem, verschoven tot in de wortel. Dit abnormale gedrag heeft — zoals wij nog zullen zien — een bijzondere betekenis die in genezende richting wijst.

Maar hoe staat het met de geur onder de aarde? Niet bepaald aangenaam, eerder muf, grondig-schimmelachtig. Toch zijn er ook hier ‘abnormaliteiten’, als wij aan de vorming van de etherische oliën in de valeriaan-, lavas- en pimpernelwortel denken — om er slechts enkele te noemen. Ook hier ontdekken wij iets als
‘bloesemprocessen’ op een ongewone plaats, die deze planten tot geneesplanten maken.

Brandbaarheid is bij de wortel niet op haar plaats, ook niet een verfijning van de stof. Integendeel: de wortel neemt uit de haar omringende minerale wereld stoffen op in centripetaal (middelpuntzoekend) gerichte verdichtings- en verhardingsprocessen. Opeenhoping van stof met gelijktijdige verheffing van de dode, minerale stoffelijkheid tot de trede van het leven. Hier gaat alles in de zwaarte en krijgt het letterlijk gewicht. Voorts is de wortel — in tegenstelling tot de bloem — zeer vitaal; zij kan dikwijls jarenlang blijven leven.

Het midden van de plant, de stengel met de bladeren, is het gebied van ‘zowel alsook’, van het ritme. Niet alleen bij de ritmische geleding van de knopen (nodi) en stengelgedeelten (internodia), maar ook bij de dag-nacht-relatie van de bladeren tot het licht, de processen van de opbouw overdag en de afbraak in de nacht, de opstijgende en neerdalende sapstroom die door de loten heengaat: overal hebben wij met ritmische verschijnselen te maken.

Nu zien wij de plant als een drieledig wezen — wortel-blad-bloem/vrucht. In beide gevallen zijn wij van het oerfenomeen van de polariteit uitgegaan, d.w.z. wij hebben hier inderdaad met twee polair tegenover elkaar gestelde krachtcentra te maken die tot een en hetzelfde krachtveld behoren. Zo’n polariteit vereist een midden, een be-middelend principe. Slechts op die manier wordt het mogelijk, dat de polaire werkingen van krachten — vanuit hun zwaartepunten — ook tot in hun tegenpolen kunnen doorwerken. Daaruit blijkt, dat wij hier met een echt ritme te maken hebben, waar de pendelprocessen zich herhalen, in iets anders overgaan of zich verstevigen.

Eer wij nu uit dit algemene drieledige beeld van de plant de geneesplant afleiden, willen wij aandacht schenken aan de mens, tot wie de plant — als geneesplant — een relatie zou moeten krijgen. De mensen hebben hun wezen van de wezens der natuurobjecten, dus ook van de planten, tijdens de gemeenschappelijke ontwikkelingsweg gescheiden. Door middel van kenprocessen is de huidige beoefenaar van de geesteswetenschap in staat het verband van de wezens weer te hervinden.

De arts moet door geesteswetenschappelijke scholing de plant trachten te vinden, die van een bepaald ziektebeeld het tegenbeeld in de natuur uitdrukt: de geneesplant.

Het geesteswetenschappelijke mensbeeld kan hier slechts aforistisch worden geschetst. Ook de mens is een drieledig wezen (niet alleen naar lichaam, ziel en geest): in het hoofd — in de bovenste pool — hebben wij met sterk vastmakende, verhardende krachten te maken, die door de vorming van de schedelbeenderen de hersenen omsluiten en aan de zintuigorganen een beschermende omgeving bieden. De hardste substantie bevindt zich in het hoofd: het tandglazuur. In het hoofd is overwegend het zenuw-zintuigstelsel gelokaliseerd; dit heeft zijn uitlopers tot in de vingertoppen en de punten van de tenen. De zenuwsubstantie ‘leeft in de schaduw van de dood’. De mens wordt met vele miljoenen zenuwcellen / geboren. In de loop van zijn leven komt er geen enkele zenuwcel bij**; er sterven er wel vele af, maar geen ervan regenereert. In het hoofd is het koel (als ’t daar warm was dan zou men ziek zijn, koorts hebben), er heerst daar rust (bij hersenschuddingen bestaat onrust, wordt denken onmogelijk). Het denken is levend, heeft wel ‘regeneratie’ (herinnering, voorstelling); de ene gedachte voegt zich bij de andere. De bewustzijnsprocessen worden door doodsprocessen begeleid. Denken wil zeggen afbreken!

De tegenpool vinden wij in het onderlichaam, in de buik, in het zogenaamde stof-wisseling-ledematensysteem. Daar is de mens veel warmer dan in het hoofd (het midden, het bloed in de bloedsomloop, zorgt voor het evenwicht van 37 graden).

In de buikorganen gaat het levendig toe — te levendig, als de ingewanden voelbaar, soms hoorbaar rumoeren. In dit gebied wordt opgebouwd, hier verandert de substantie (stofwisseling), sterven dagelijks miljoenen cellen in het darmvlies of in het bloed (rode bloedlichaampjes), die echter onmiddellijk vervangen, geregenereerd worden. In het onderlichaam reproduceert de mens zich (geslachtsorganen). Dit alles speelt zich in het onderbewuste af. Alleen wanneer wij de een of andere ziekte hebben, treedt bewustzijn op in de gedaante van pijn. In dit gebied ligt de basis voor onze wil en voor de onbewuste bewegingen van onze ledematen.

Deze twee tegengestelde polaire gebieden in het menselijke lichaam worden door een middengebied met elkaar verbonden: het ritmische systeem. Dit heeft een dubbel aspect: de ademhaling is naar het zenuw-zintuigsysteem, de bloedsomloop naar het stofwisseling-ledematensysteem gericht. Als een van de beide polen uit zijn evenwicht raakt, dus te sterk domineert of in zijn functie verlamt, hebben wij met ziekte te maken. De harmonische, ideale verhouding 1:4 (adem-pols) is dan ook veranderd. Eigenlijk streeft het ritmische systeem voortdurend ernaar — vanaf de geboorte tot aan de dood — om het evenwicht tussen de beide op zichzelf ziekmakende polen te bewaren.

Als zenuw-zintuigprocessen geruime tijd te sterk in het lichaam ingrijpen, over het ‘midden’ heenschieten, dan kunnen ‘verhardingen’, sklerotiseringen van allerlei soort ontstaan. Als stofwisselingsprocessen te sterk ingrijpen waar zij niet thuis horen, dan ontstaan ‘oplossingen’, ontstekingen. Dit zijn vanzelfsprekend slechts zeer principiële, maar algemene aanduidingen, prototypische kenschetsingen van hetgeen tot een verruiming van de geneeskunst kan behoren. — Als wij de principiële beschouwing omtrent gezondheid en ziekte samenvatten, kunnen wij zeggen: het harmonische evenwicht van de polair tegengestelde werkingen van het zenuw-zintuigsysteem en het stofwisseling-ledematensysteem betekent gezondheid. Elke verstoring van dit evenwicht betekent ziekte.

Het is een geniale ontdekking van Rudolf Steiner, als hij zegt, dat een plant dan een geneesplant is, als zij op de een of andere manier, hetzij fysiologisch en/of morfologisch, een afwijking, vertekening, abnormaliteit vertoont, wanneer dus de harmonische driegeleding van wortel — blad — bloem/vrucht verstoord is. De harmonisch driegelede plant is geen geneesplant! Daar kunnen wij — om een maatstaf te hebben — slechts de verhouding wortel : blad : bloem met 1:1:1 aangeven.

Wij willen nu door middel van typische voorbeelden laten zien, hoe een eenzijdig benadrukken van een der drie principes op het genezende principe wijst.

Er bestaat een plant, die onder de grond een reusachtige wortel maakt, echt een ‘waterhoofd’ (men kan wortels ervan oogsten, die wel 10 kg wegen!), die echter bovengronds slank rankende, fijn geciseleerde bladeren van vele meters ontplooit met heel kleine, onaanzienlijke, bleek-gele bloempjes die in de herfst — al naar gelang van de soort — tot rode of zwarte bessen worden.

Dit is de heggenrank (Bryonia dioica of Bryoina alba. De heggerank is een kale-basplant (Cucurbitaceae). Welke gedaante heeft dit type? Wie kent niet die kolossale vruchten zoals meloenen, pompoenen, kalebassen, komkommers? De planten hebben grote, soms zeer grote bladeren en grote, gele bloemen. Deze normale kalebasplanten zijn geen geneesplanten; er worden verkwikkende vruchtensappen uit bereid of ze dienen als groenten. De heggerank echter maakt het ‘bloem-vrucht-proces’ reeds onder de grond door, zodat er voor de echte bloemen en vruchten nauwelijks nog iets overblijft! De verhouding van de drie functie-gebieden wortel : blad : bloem/vrucht zou men hier met 5:1:1 kunnen weergeven. Deze abnormaliteit van de wortel wijst in de richting geneeskracht: de wortel van de Bryonia wordt tot geneesmiddel verwerkt.

In het tweede voorbeeld verschijnt de plant als uitsluitend ‘bladwezen’. Vanaf het begin van de lente tot laat in de herfst ziet men van haar — hoewel de wortels niet gering zijn — alleen de geweldige hoeveelheid blad. Als men na ongeveer zes weken de stengel afsnijdt groeit hij spoedig even weelderig als tevoren na. Men kan dit nog enkele keren herhalen. De vaalgrijze bloempjes zijn zo onaanzienlijk dat de meeste mensen ze niet eens zien. Wij bedoelen de brandnetel (Urtica dioica). De brandnetel is een blad-geneesplant: de verhouding van de drie functiegebieden zou men ongeveer met 2:5:1 kunnen weergeven.

In het derde voorbeeld bloeit de plant en draagt zij vrucht nadat zij een kleine, onbetekenende bladrozet op de grond heeft gemaakt, met een geweldige overvloed. Hier zijn de witte bloempjes en de tasjesvormige vruchtjes (scheutjes) altijd vlak naast elkaar. Het herderstasje (Capsella bursa-pastoris) leeft zich klaarblijkelijk uit in het bloeien en vruchtdragen en is een bloem /vrucht-geneesplant met een verhouding van de drie geledingen van ongeveer 2:1:5. Met nadruk zij er nog op gewezen, dat deze verhoudingen alleen als richtingbepalend bedoeld zijn.

Nu komt het tweede inzicht van de geesteswetenschappelijke beschouwing. De relatie plant – mens ziet er zo uit, dat wortelprocessen met processen van het hoofd, bloemprocessen met processen van de stofwisseling en bladprocessen met de ritmische processen in de mens overeenkomen. De mens is een omgekeerde plant, of anders gezegd: in de mens is — vanuit de processen gezien — een omgekeerde plant! Men trachte dit aan de hand van de beschreven verschijnselen voor zichzelf duidelijk te maken. Om dit te vergemakkelijken willen wij aan de relatie van de beide middengebieden aandacht besteden: de mens ademt met behulp van het ijzer in de rode bloedkleurstof (hemoglobine); de plant ‘ademt’ met behulp van haar groene bladkleurstof (chlorofyl). Deze substanties zijn niet alleen scheikundig nauw verwant, maar het feit dat zij polair bij elkaar horen blijkt ook hieruit, dat de rode hemoglobine onder bepaalde experimentele voorwaarden in ultraviolet licht groen en het groene chlorofyl onder dezelfde omstandigheden rood is.

Nu wordt begrijpelijk, dat men met geneesmiddelen uit wortels op het zenuw-zintuigsysteem, op het hoofd, met geneesmiddelen uit bladeren op het midden, het ritmische systeem en met geneesmiddelen uit bloemen op het stofwisseling-ledematensysteem kan inwerken. De heggerank, dat waterhoofd, is inderdaad een voortreffelijk middel als men zo verkouden is dat het water iemand uit neus en ogen loopt en zijn hoofd dreigt te barsten. Dan is Bryonia radix in toepasselijke farmaceutische toebereiding het werkzame middel.

Van de brandnetel is bekend, dat daarmee bloedarmoede in gunstige zin kan worden beïnvloed. De brandnetel is als blad-geneesplant een medicament voor het ‘midden’, voor het ritmische systeem, hier in ’t bijzonder voor de naar het bloed gerichte kant ervan. Zij is bovendien een plant die op een bijzondere manier met het ijzer weet om te gaan. Van haar kan de mens, die niets meer met het hem aangeboden ijzer van de voeding kan beginnen (van gebrek daaraan is eigenlijk niet eens sprake) leren, hoe hij dat moet aanpakken: de brandnetel is een schoolvoorbeeld van de natuur voor een verloren vaardigheid van de mens.

En het herderstasje? Het is een van oudsher beproefd middel voor de bloedsomloop in het onderlichaam, in het bijzonder bij vrouwen. Als bloem/vrucht-geneesplant heeft het een relatie tot het stofwisseling-ledematensysteem van de mens, tot de processen in het onderlichaam. Het werkt speciaal bij regulering van bloedingen in het gebied van de baarmoeder (ook bij andere bloedingen).

Wie de ‘koningin van de nacht’ kent, de cactus, die botanisch Selenicerens gran-diflorus heet, weet, dat deze plant zich heel merkwaardig gedraagt: zij bloeit als anderen slapen! Vanaf ongeveer mei tot juli gaat er elke avond in het donker een bloem open. Hier kunnen wij dus een uitermate grote abnormaliteit in de ritmiek van de bloei waarnemen. Bovendien: ‘het normale’ cactustype doet afstand van de bladvorming en heeft daarvoor in de plaats een assimilerende opgezwollen as van de loot. De ‘Koningin van de nacht’ wijkt echter daarvan af doordat zij — als zogenaamde bladcactus — de bekende lange, platgedrukte loten ontwikkelt. Hierin komt een krachtig proces tot uiting, dat de verstarde cactusvorm overmeestert. Dientengevolge moeten wij hier wel te maken hebben met een plant die geneeskrachten voor het ritmische systeem van de mens bezit. En zo is het ook: deze cactus is een geneesplant voor het hart. Wij herinneren ons nu de planten, waarbij de vorming van de etherische oliën, die normaal in het gebied van de bloem plaats vindt, tot in het gebied van de wortels is omlaaggedaald: valeriaan, lavas, enz. Het ontstaan van etherische oliën op een ongewone plaats betekent geneeskracht; daardoor zijn deze planten geneesplanten.

Hier liggen de grondslagen voor een nieuwe, naar de toekomst gerichte kennis van de geneesplanten, die niet van stoffen — om maar te zwijgen van werkstoffen — uitgaat, die evenwel als verruiming en aanvulling van de eenzijdige
natuurwetenschappelijk-materialistische artsenijstoffenkunde is bedoeld. Dit kan een wezenlijke bijdrage betekenen voor de vermenselijking van de moderne geneeskunde.

Uit W.F.Daems ‘Heilpflanzen und ihre Kräfte’

*Faust 1 vers 1936
Vertaling blz. 102

**hoewel de zenuwen wat dit betreft niet in vergelijking staan tot de aanmaak van bloedcellen, moet de uitspraak enigszins genuanceerd worden.

2744-2573

.

.

Plantkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over plantkunde

Vrijeschool in beeld: plantkunde

.

2631

.