VRIJESCHOOL – Beweging

.

Dr Heribert Kaufmann, arts, Weledaberichten nr. 148, september 1989
.

OVER BEWEGING VAN DE MENS

.

Elk gezond mens beweegt zich, hij aanvaardt dat als een gegeven. Dit is vooreerst een uiterst simpele constatering. Het ziet er anders uit, als een tekort aan bewegingsmogelijkheid, bijvoorbeeld bij een ziekte (reuma, ischias, enz.) op pijnlijke wijze de vraag oproept wat beweging eigenlijk is. Wat altijd als vanzelfsprekend ter beschikking staat voelt men in die situatie als afgenomen. Daardoor wordt de belangstelling op de menselijke beweging gericht en wie geduldig zoekt kan op den duur veel ontdekkingen doen.

Een groot gebied van bewegingsmogelijkheden wordt zichtbaar. Wij zien dansers, skiërs, sportbeoefenaren, zwemmers, alpinisten, ook musici en ten slotte heel eenvoudig: lopende mensen die ons allengs opvallen door het persoonlijke van hun beweging. Al die bewegingen kunnen worden herleid tot bepaalde grondelementen.

De ontwikkeling van de menselijke beweging

Een meer dynamische kijk op dit vraagstuk kan beginnen bij de wordende mens. Wat wij als volwassenen als beweging kennen, ontwikkelt zich bij het kleine kind uit de wisseling van lust en onlust, van sympathie en antipathie. In volledige overgave drinkt de zuigeling aan de moederborst, handjes en voetjes bewegen daarbij levendig. Als de lust van de honger komt, ontstaan er heel andere bewegingen. Hevig getrappel, samentrekken van het gezicht voor het schreeuwen, zelfs de beweging van het bloed wordt geactiveerd. Het gezicht wordt rood, bijna paars als uitdrukking van antipathie. In de antroposofische menskunde wordt grote aandacht besteed aan de eerste drie levensjaren van het kind. Daardoor kan men gewaar worden dat het zich oprichten, lopen, spreken en denken heel bijzondere processen zijn. Dat kan resulteren in de vraag: wat brengt het kleine kind ertoe, trapsgewijs de liggende houding te gaan vervangen door de opgerichte houding?
Anatomisch-fysiologisch gaat het om zeer gecompliceerde processen van de wervelkolom, het spierstelsel, de bloedvaten enz., die het kind op een geheimzinnige manier gaat beheersen. Ook hier zien wij het wisselspel van sympathie en antipathie, in- en ontspanning, lust en onlust. Het is bekend, dat daarbij de omgeving, vooral de rechtopgaande mensen, een belangrijke rol spelen. Men kan navoelen met wat voor (onbewuste) inspanning het kleine wezen vanuit het horizontale zich met het verticale probeert vertrouwd te maken. Met hoeveel verbazing, zelfs met plezier wordt het zich oprichten, het staan door het gezonde kind beleefd. Dit vindt dan zijn voortzetting in de eerste stappen die worden gedaan.

Te beginnen bij het embryo tot en met de eerste drie jaren zien wij een hele “symfonie” van bewegingen zoals cel-, vloeistof-, groeibewegingen, waarbij dan ten slotte de spraak- en denkbewegingen komen.

De verschillende fasen van dit proces zijn slechts de uitdrukking van een “compositie”, een schepping van hogere orde, die duidelijk de menswording tot doel heeft. Elk tekort, veroorzaakt door een gestoorde ontwikkeling, kan ons schokken, omdat wij al of niet bewust voelen: hier is het ontwerp van het mensbeeld niet of slechts onvolkomen verwerkelijkt.

In oude tijden werd door vele volken de beweging als een geschenk van de goden gezien en bij grote feesten speelde de cultische dans een belangrijke rol. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde dansen op Bali. De beelden van de tempels in India laten dikwijls zulke scènes zien. Voorts kent men bij alle volken de volksdansen, die een cultisch-feestelijke betekenis hadden en die steeds een onderdeel waren van het gemeenschappelijke leven. Kennelijk zag men eertijds de oorsprong van de beweging als een geschenk van de hemel in de meest omvattende zin.

Wat nu het kind betreft; is het niet zo – overdrachtelijk gesproken – dat iets gaandeweg in het kind neerdaalt wat zich met het kind verbindt en dat steeds meer erdoor wordt geïntegreerd? Wij moeten echter beseffen, dat al in de eerste fase van het kinderleven lust en onlust, sympathie en antipathie opduiken en onze aandacht richten op de fundamentele activiteiten van de ziel. Het probleem van de beweging is ten nauwste verwant aan de incorporatie van de zielenkrachten. Wat wij dus organisch-lichamelijk beschouwen, brengt ons altijd ook op psychische factoren die zich in de bewegingsfuncties willen uiten.

Hiervoor zijn de gestes en de loop van de mens kenmerkend.

Het proces van het binnendringen in het lichamelijke bereikt bij gezonde kinderen in de tweede zevenjarenfase een zeker hoogtepunt. Het wordt dan in de puberteit dikwijls ernstig verstoord. In extreme gevallen wordt het meisje te mager (met gevaar voor anorexia nervosa), de jongen daarentegen te zwaar. In één beeld samengevat: het “lichtvoetige” meisje en de logge onhandige jongen. Vanzelfsprekend worden hier slechts de principes bedoeld, waarvan alle mogelijke mengingen en afwijkingen bestaan. In geen geval mag men die verschijnselen moraliserend beoordelen. Uit het bovenstaande blijkt, dat zich het bewegen tussen licht en zwaar, tussen kosmos en aarde ontplooit – op verschillend niveau: kindsheid, jeugd, ouderdom – opdat het echt- menselijke, bij de verschillende leeftijdfasen behorende “midden” wordt gevonden.

De degeneratie van de beweging

Met de opkomst van de moderne natuurwetenschap – die als belangrijkste vrucht de techniek heeft voortgebracht- werden alle gebieden van het leven ook met de daarbij behorende methodes resp. denkwijze doortrokken. Daar horen drie functies bij: meten, tellen en wegen, die voor een zogenaamde wetenschappelijke exactheid maatgevend zijn. Uit het medische vlak zou men vele voorbeelden kunnen noemen die deze stelling staven.

Onze tijd laat tal van voorbeelden zien, hoe die denkwijze ook op al het bewegen van de mens en de daarbij betrokken organen wordt toegepast. De extreemste voorbeelden vinden wij in de sport. Toen men aan het eind van de vorige eeuw de gedachte van de Olympische Spelen weer tot nieuw leven wilde wekken, zag men over het hoofd, in welke tendenties zo’n onderneming werd ingebed. In het oude Griekenland waren die spelen een cultisch-religieus feest, gewijd aan Zeus; zij waren ontsproten uit een totaal andere levenshouding. Het ging toen niet om 1/100 seconde of om een centimeter, zelfs een millimeter, maar om een dienst ter ere van de godheid.
Daarvan is niets meer overgebleven. De zuiver fysieke en op de een of andere manier meet- of telbare sportieve prestatie is doorslaggevend. Deze ontwikkeling demonstreert de volledige mechanisering van de menselijke beweging, om maar te zwijgen van alle politieke en commerciële manipulaties die met het geheel zijn gemoeid.

Bij onze beschouwing gaat het er niet om sport, die nog steeds talloze mensen door gezonde beweging plezier en ontspanning kan verschaffen, vanuit een eenzijdige benadering te veroordelen. Wij bekijken hier extreme ontwikkelingen omdat daar de kern van het probleem van de beweging het duidelijkst kan blijken. De aan de gezondheid toegebrachte schade door topprestaties in de sport zijn elke vakman bekend. Wij behoeven maar aan het spierstelsel, de gewrichten, pezen, de wervelkolom te denken. Hierboven is er al op gewezen, dat beweging als zodanig eigenlijk uit een niet-fysiek gebied komt. De ontwikkeling van het kind verduidelijkt dit. Het verval van die krachten, waardoor zij steeds meer in het gebied van de aardse zwaarte en het technisch berekenbare afglijden, roept als reactie bewegingsexcessen (moderne dans, rock enz.) op. De mens tracht dan zijn te sterk aan het lichaam gebonden ziel explosief te bevrijden. Dit verval, de degeneratie van de beweging, is niet slechts een biologische kwestie. Maar wij worden daardoor gewaar, hoezeer onze ziel, zelfs ons ik wordt bedreigd. Een ontstellende situatie! Staan wij daar alleen maar hulpeloos tegenover?

Genezing door beweging

Wij vatten nog een keer de lichamelijk-organische kant van het hier behandelde vraagstuk samen. Reeds uit de embryologie wordt duidelijk, hoe uit iets wat vloeibaar-plastisch is, het lichaamseiwit, het menselijke lichaam, het spierstelsel en de organen en voorlopig heel voorzichtig het beenderstelsel ontstaan. Het skelet wordt weliswaar in de ontwikkeling aan de ene kant tot steun opdat wij op de aarde kunnen staan, aan de andere kant echter maakt dit het ons mogelijk, d.m.v. de gewrichten het gevormde in beweging te kunnen oplossen. Vanuit deze gedachte komen wij op het spierstelsel dat als een gestold vloeistoforganisme bij de gezonde mens zichtbaar wordt; zachter, meer vloeibaar bij het vrouwelijke, meer naar het vaste neigend bij het mannelijke lichaam.

De antroposofische menskunde spreekt dan van het “etherisch lichaam”, dat als niet-fysiek, bovenzinnelijk principe in alle vloeibare processen actief is. Dit “lichaam” reguleert ook alle voedings- en opbouwprocessen. In die levensprocessen grijpen de hogere psychisch – geestelijke wezensdelen van de mens in. Dit blijkt uit de hierboven genoemde uitingen van sympathie en antipathie, lust en onlust, ook van in- en ontspannen. Het ik van de mens dirigeert dan dit geheel in de doelgerichte beweging. Voor onze beschouwing omtrent het wezenlijke van de beweging kan het volgende beeld gelden: uit hogere geestelijke gebieden komt de ziel omlaag en doordringt van fase tot fase het lichaam, d.w.z. zij incarneert zich. Als zij zich van het instrument van het lichaam heeft meester gemaakt, wil zij het samenklinken van geest, ziel en lichaam op allerlei manieren tot uiting brengen, voortdurend zich ritmisch oriënterend tussen kosmos en aarde. Alles wat beweging is kunnen wij als de uitdrukking van een oermenselijk gebeuren opvatten. Daarbij kunnen wij in de mens een belangrijke metamorfose gewaar worden die verloopt van de lichamelijke beweging, die in het bijzonder de bloedsomloop, het spierstelsel en het skelet met zijn gewrichten omvat, naar de spraakbeweging en ten slotte naar de denkbeweging. Doordat de materialistische natuurwetenschap heeft getracht om de mens als een totaal berekenbaar object op te vatten, is ook het wezenlijke van de beweging daaraan ten prooi gevallen. Maar de mens zelf merkt dat het “instrument” van de ziel, het lichaam steeds minder als zodanig geschikt wordt. Er zijn tegenwoordig talrijke pogingen om die negatieve ontwikkeling een halt toe te roepen. Dans en gymnastiek bijvoorbeeld worden door verschillende stromingen vernieuwd. In yoga en oude cultische praktijken wordt geprobeerd door intensivering van de beweging de mens te helpen om zijn innerlijk te bevrijden en bewegend tot uiting te brengen. Ook het streven om het volksdansen weer nieuw leven in te blazen ligt in deze richting.

Dit voor de totale mens zo belangrijke vraagstuk stond ruim 70 jaar* geleden Rudolf Steiner, de inaugurator van de antroposofie, voor de geest. Naar aanleiding van vragen in zijn omgeving ontwikkelde hij een nieuwe bewegingskunst: de euritmie. Zij ontstond op grond van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek. De grondelementen van de beweging, zoals hij die in de mens en de kosmos zag en die door klank (spraak) en tonen (muziek) in de mens tot verschijning komen, werden stap voor stap op kunstzinnige wijze ontwikkeld tot hetgeen thans sinds meer dan 60 jaar* als euritmie in de wereld is geplaatst. Zij is kunst, hygiëne in de ruimste betekenis en tevens therapie in de vorm van heileuritmie, wat euritmie in wezen is. Euritmie moet men eigenlijk door haar te beoefenen ervaren.

In de euritmie komt het vormen en bezielen van de beweging niet slechts vanuit subjectieve gevoelens maar door de verbinding van de ziel met objectieve wetmatigheden tot stand, zoals die in de mens en in de wereld aanwezig zijn. Daardoor beleeft de mens een bevrijding en tevens een versterking van zijn ik, wat ook een organisch heilzame werking kan hebben. De hierna volgende woorden van Rudolf Steiner mogen dit artikel besluiten: ”De euritmie als bezield, doorgeestelijkt turnen is een belangrijke factor in de opvoeding. Het turnen ontleent zijn wetten aan de kennis van het menselijke lichaam. Slechts het bezielde turnen kan bereiken, wat het zuiver lichamelijk beoefende niet kan, het zal bijvoorbeeld wils-initiatieven in de mens opwekken. Het zal de totale mens naar lichaam, ziel en geest opvoeden, maar geenszins het lichaam veronachtzamen. Het element van de wil impulseert de euritmie. Door haar maakt men zichtbaar wat de musicus in de tonen, de echte dichter in de taal nastreeft.
De Olympische Spelen waren voor de Griekse aard wat de mens in dat tijdperk nodig had. In onze tijd hebben wij iets nodig, wat de mens ook met betrekking tot zijn ziel en geest in de totaliteit van de wereld plaatst.”

.

2773-2602

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pinksteren (34)

.

Miriam Haenen (Facebookgroep ‘vrijeschool’, juni 2022 (24 mei 2015)

.

In veel scholen wordt vandaag het Pinksterfeest gevierd.
Een stuk wat ik 7 jaar geleden schreef…
De sluier voor het bruidspaar was een vondst waar ik intens blij mee was, en dat echt klopte met het beeld dat ik zichtbaar wilde maken. Het kosmische huwelijk, het huwelijk IN ieder mens…
Ooit zei ik in een gesprek met een Indiase vriend….Als je van binnen niet ‘getrouwd’ bent, dat wil zeggen het vrouwelijke en mannelijke verenigd/in balans hebt, is een aards huwelijk ook niet ‘in balans’
Welkom op de Universele Pinksteren Festival tafel.
Vandaag is het Pinksterenfeest voor het christelijke deel van de wereld.
Maar wat is vieren, wat is een festival als slechts een deel van je vrienden meedoet…?
En als er één festival te vieren is met onze christelijke vrienden, dan is het Pinksteren.
Dat festival, waar gevierd wordt dat de hemel opengaat, en vuurvlammen op de mens komen, klaar om te ontvangen. Een vlam, die warmte en enthousiasme in deze mensen doet sprankelen en ALLE TALEN kunnen begrijpen….
Christelijk zijn, is niets meer, en niets minder dan de christelijke taal spreken over hoe je contact met God moet maken.Hindoe zijn, is niets meer en niets minder, dan de hindoetaal spreken over hoe je contact met God moet maken.

Moslim zijn, is niets meer en niets minder, dan om de islamitische taal te spreken over hoe je contact met God kunt maken.
Twee kanttekeningen…:
– Ik gebruik het woord God. Wanneer je handiger bent met een ander woord, vul alsjeblieft je eigen woord in, in je eigen ‘taal’. De ‘enige’ essentie is dat, wat een mens tot zijn volle ‘menselijke edelheid’ kan brengen.
-Spreken, in de bovenstaande tekst, is spreken en handelen tegelijk, woorden komen uit.
– We hebben diep respect voor mensen die veel talen spreken, en de meesten van ons verlangen daar naar, want dan hebben we zoveel meer plekken op aarde om echt te kunnen verbinden en te leren. Met deze verschillende religie-talen is het precies hetzelfde…
– De oorsprong van het woord ‘ religie’ is verbinden, opnieuw verbinden. Vrij vertaald wat de mens verbindt met God, of met de puurste essentie van de mens. Dat omdraaien betekent dat een religie die niet leidt naar de puurste edelheid in de mensheid, het recht verliest om religie genoemd te worden…
Mijn twee lieve vrienden in de hemel…:
“De mensheid moet boven alles universaliteit zoeken en de moed hebben om dingen van alle kanten te bekijken. ” — Rudolf Steiner
“Wanneer je tot de essentie van je eigen religie bent gekomen, ben je tot de essentie van alle religies gekomen.
Ik wil dat de culturen van alle landen, zo vrij mogelijk door mijn huis waaien, maar ik weiger om door één van hen geblazen te worden. Gandhi.” Een
.
Pinksterparel:
Was will aber Geisteswissenschaft in bezug auf die Religionen? Sie
will gerade dasjenige erkennen, was die wissenschaftlichen Religionsforscher nicht erkennen können, dasjenige, was in den einzelnen Religionen als tiefstes Wahrheitsgut enthalten ist.
Wovon geht die Geisteswissenschaft aus? Davon, daß die Menschheit ihren Ursprung genommen hat aus einem gemeinschaftlichen Gott und daß nur, wie in eine Anzahl von Strahlen gebrochen, verteilt ist eine Zeit hindurch auf die verschiedenen Völker und Menschengruppen jene Urweisheit der ganzen Menschheit, die aus dem gemeinsamen Gottesursprung stammt.
Diese Urwahrheit und Urweisheit, ungetrübt durch dieses oder jenes Bekenntnis, wiederum aufzufinden und der Menschheit zurückzugeben, das ist das Ideal der Geisteswissenschaft. Daher kann sie auf die einzelnen Religionen eingehen. Sie schaut aber nicht auf die äußeren Riten und Zeremonien, sondern darauf, wie in dieser Religion ebenso wie in jener dieser uralte Weisheitskern enthalten ist. Die Religionen sind ihr so und so viele Kanäle, durch die sich in einzelnen Strahlen dasjenige ergießt, was einst über die ganze Menschheit gleichmäßig sich ergossen hat.
.
“Maar wat is het doel van spirituele wetenschap met betrekking tot de verschillende religies? Het zoekt naar iets dat buiten het bereik van de wetenschappelijke onderzoekers ligt, namelijk naar de essentiële waarheden in de religies.
Waar begint spirituele wetenschap? Uit het feit dat de mensheid is ontstaan uit een gemeenschappelijk god en dat een oerwijsheid die de mensheid als geheel toebehoort en voortkomt uit één Goddelijke bron slechts een tijd is verdeeld, als het ware, in een aantal stralen over de verschillende mensen en groepen van mensen op de aarde.
Het doel en ideaal van spirituele wetenschap is om deze oerwaarheid, deze oerwijsheid, ongekleurd door dit of dat specifieke geloof, te herontdekken en het opnieuw aan de mensheid te geven. Spirituele wetenschap is in staat om door te dringen tot de essentie van de verschillende religies omdat de aandacht ervan is gericht, niet op externe riten en ceremonies, maar op de kern van oerwijsheid in elk van hen. Spirituele wetenschap beschouwt de religies als zoveel kanalen voor de stralen van wat ooit in gelijke mate over de hele mensheid uitgestroomd is.”
GA 130/279
Niet vertaald
.
(Met toestemming van de schrijfster.)
.
Pinksteren: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2772-2601

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof

In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor.
Een verklaring van die namen vind je hier.

Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’.
Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. 
In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.

WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA?
.

In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”

De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.

Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.

Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.

De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.

1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden 

.

Bedrijf

Weleda Wikipedia

Zie ook Veleda

Vertelstof 4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2771-2600

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.
Een mededeling van een kinderarts, Weledaberichten nr 143, dec. 1987
.

SLAAPSTOORNISSEN BIJ KINDEREN
.

Wij maken in ’t algemeen een onderscheid tussen moeilijkheden bij het inslapen of tijdens de hele slaap. Beide vormen zijn, vooral bij kinderen, meestal een uitdrukking van een totale stoornis. Dit geldt ook voor chronische vermoeidheid, d.w.z. het onvermogen om volledig wakker te zijn. Wij moeten in samenhang met stoornissen van de slaap altijd bedenken, dat de slaap geen “activiteit”, geen organisch-fysiologisch proces zoals bijv. de spijsvertering is, maar een toestand van de totale mens gedurende een zich ritmisch herhalend tijdsverloop. Wat de slaap van de waaktoestand onderscheidt, is het feit dat denken, psychische en zintuiglijke gewaarwordingen in hun activiteit in hoge mate zijn onderbroken, terwijl de organen – hart, longen, maag, darmen, nieren, klieren – onafgebroken werken. Het leven in het organisme verloopt dus tijdens de slaap op praktisch dezelfde manier als in de waaktoestand; het wordt echter niet met ons bewustzijn doordrongen.

Gedurende de ontwikkeling van het kind treden er verschillende vormen van stoornissen van de slaap op. De verschijningsvorm ervan is afhankelijk van de constitutie en het karakter van het kind, voorts van het geboorteproces en van invloeden van de omgeving waarin het leeft.

Het slapen van kinderen en volwassenen verschilt principieel van dat van de zuigelingen tijdens hun eerste levensweken en -maanden. Meestal stuit men op de voorstelling dat het leven van de zuigeling alleen maar bestaat uit een regelmatige afwisseling van het opnemen van voedsel en slapen. Recente onderzoekingen evenwel hebben aangetoond, dat de ontwikkeling na de geboorte wordt gekenmerkt door min of meer onregelmatig over een etmaal verdeelde, relatief korte periodes van slapen en waken. De langste samenhangende slaapperiode, die in de eerste levensweek werd waargenomen, bedroeg 3 uur en 40 minuten. Typisch voor het gedrag in de slaap van de zuigeling is een onregelmatige, dikwijls snelle afwisseling van waken en slapen, zonder een duidelijk ritme en zonder enige geleding in het dagverloop. Pas langzaam, dikwijls met gekreun, allerlei bewegingen en diepe ademhalingen past zich het opgroeiende wezen aan het aardse ritme aan.

Vormen van onrust zijn een uitdrukking van de activiteiten van onze levens-, zielen- en geestelijke krachten, die in vaak op en af golvende aanpassingsprocessen de menswording mogelijk maken. Als die activiteiten de “normale” maat overschrijden, dan noemen wij dat geen slaapstoornissen.

Wij beschouwen dan deze toestand als de uitdrukking van een bemoeilijkte incarnatie. Men stelle zich de zuigeling voor: alles aan hem is rond – het grote hoofd, de buik, de naar het lichaam toegetrokken beentjes – alles vertoont bijna uitsluitend een “hoofd”, met alles wordt er waargenomen. Het hele organisme blijkt een zintuig te zijn, alles, van het hoofd tot in de tenen, is leven (de zuigeling spartelt met handen en voeten, als hij gretig drinkt aan de moederborst). Dit zintuigorganisme is nog een grote eenheid en dus nog lang niet gedifferentieerd. Stap voor stap, door het toenemen van het zielenleven (de eerste glimlach) wordt de baby aldoor meer wakker. De zintuigen ontwaken, allengs beginnen zij de omgeving waar te nemen. Als die ontwikkeling zich niet harmonisch voltrekt, dan kan het hierboven beschreven zachte gekreun, de subtiele veranderingen in de ademhaling zich verhevigen tot duidelijke onrust, schreeuwen en krampen. Vanuit het gezichtspunt van die levende, vormende, de ontwikkeling bevorderende slaap van de zuigeling wordt het begrijpelijk, dat elk kind zijn eigen ritmen heeft, dat gemiddelden van de waak-slaap-fasen en van hun duur voor het afzonderlijke kind niet gelden. Normaal gesproken verovert de zuigeling zoveel slaap als hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Wanneer kunnen wij van een gestoord ontwikkelingsproces spreken dat zich manifesteert in de slaap van de zuigeling? Enerzijds, als de fasen van de slaap duidelijk te kort zijn, anderzijds als het ontwaken gepaard gaat met schrik en geschreeuw. In deze gevallen komen alle mogelijke oorzaken: gasvorming, tanden krijgen, verborgen infecties (bijv. van de oren) in aanmerking of – last not least – een te onrustig verloop van de dag wat de zuigeling stoort tot in de nacht. In de eerste tijd van het aardeleven zijn korte ogenblikken van onrust – vooral bij het eerste kind – vanzelfsprekend: dikwijls zijn de ouders al bij het eerste gerucht bezorgd. Hoe rustiger men – natuurlijk met de nodige zorgvuldigheid – de zuigeling zich laat ontwikkelen, des te meer beloont hij de ouders met een ongestoorde nachtrust.

Als de onrust gepaard gaat met zweten, vooral tijdens het inslapen ’s avonds, dan moet de arts eerst stoornissen van de minerale stofwisseling (bijv. door niet of onzorgvuldig toegediende rachitisprofylaxe) of constitutionele bijzonderheden uitsluiten.

Dikwijls klagen ouders, dat hun zuigeling van de nacht een dag en van de dag een nacht maakt. Maar al te vaak, niet altijd, leven in dit geval de volwassenen “chaotisch”, d.w.z. zonder ritme. Regelmaat, bijv. door gelijke afstanden tussen de maaltijden, kan harmonie brengen in het verloop van dag en nacht, ook voor de zuigeling.

Een verdere oorzaak voor slaapstoornissen is de gewoonte van zuigelingen om steeds als ze ’s nachts wakker worden te willen drinken, hetzij uit de fles of aan de borst. Volgens mijn ervaring treedt deze storing meestal op bij zuigelingen, bij wie overdag het ritme van het drinken aan hen zelf wordt overgelaten. Hier is het zaak tussen de maaltijden een pauze van 3½ – 4½ uur te bereiken, ’s Nachts zou men, als het dan toch al nodig is, alleen maar water moeten geven. 

Zuigelingen, die ouder zijn dan één jaar of kleuters kunnen vaak alleen maar in de armen van hun moeder of in haar bed inslapen. Aan deze gewoonte ging wel in de meeste gevallen een inbreuk vooraf in het harmonische verloop van de ontwikkeling, hetzij door een schok, hetzij door een ziekte. Hier is het van belang, door een gesprek met de arts de oorzaken te vinden en – dikwijls met behulp van een medicament – een weg te zoeken om het kind van zijn onzekerheid af te helpen. Van belang is, dat er bij deze nachtelijke onrust veel geduld en begrip wordt opgebracht door de ouders.

Met betrekking tot de gestoorde slaap van baby’s kan heel in ’t algemeen worden opgemerkt: niet zelden worden die kinderen in de nacht onrustig en schrikken zij op uit de slaap, als de dag was vervuld van onrust in de omgeving. Te veel en al te verschillende optische en akoestische indrukken, zenuwachtige ouders, onbeheerst optreden van de medemensen in hun omgeving bijv. beïnvloeden in hoge mate op ongunstige wijze de kwaliteit van de slaap van het kind.

Ook een al te overvloedige maaltijd, nog kort voor het naar bed gaan, is voor de slaap niet bevorderlijk, omdat de spijsverteringsorganen daardoor overbelast zijn. Steeds weer zien wij, dat dikke, plompe van beweging afkerige kinderen, die gauw gaan zweten, niet op de goede manier een toegang tot de slaap vinden.

Het meeste echter komt de angst voor, die als een grote, donkere wolk boven de hemel van het inslapen in de avond boven de kinderen hangt. Angst heeft, zoals wij dat uit andere situaties (bijv. astma) kennen, met de adem, de benauwdheid te maken. Bij het angstige kind, dat niet kan inslapen, ziet men de klassieke veranderingen van de ademhaling: de borstkas vernauwt zich, het middenrif wordt naar boven gedrukt, de spieren van de ademhaling komen in een kramptoestand, de ademhaling wordt flauw, het volume van de longen wordt minder. Het gevolg is: zuurstofvermindering, versnelling van de hartslag (”mijn hart klopt me in de keel”). Alle pogingen om het inslapen in deze situatie te bewerkstelligen zijn vergeefs. Natuurlijk vertonen niet alle angsttoestanden ’s avonds zulke krasse vormen, maar toch geven de meesten aanleiding tot een luidkeels geuite behoefte aan licht en de smeekbede, bij het inslapen niet alleen te worden gelaten. Het ene kind ligt, de hand van de moeder stevig omklemmend, onrustig in zijn bedje, het andere klimt er steeds weer uit, dikwijls met fantasievolle redenen; bij veel kinderen is de behoefte aan beschutting zo groot, dat ze bij de moeder in bed willen inslapen. Nu is het stellig gemakkelijker de oorzaken van een slaapstoornis aan te wijzen, dan raad te schaffen, hoe men een kind van deze, vaak alleen maar ’s avonds optredende angst kan afhelpen. Natuurlijk is het mogelijk en ook nodig, de oorzaken uit de weg te ruimen: dit echter heeft niet in alle gevallen onmiddellijk succes. Een warme drank met een beetje honing kan hier helpen.

Van oudsher is het, zowel voor gezonde als zieke kinderen, een beproefd middel om de dag altijd met een gesprek ’s avonds af te sluiten. De belangrijkste gebeurtenissen van overdag zouden nog een keer als beeld in de herinnering moeten terugkeren; wat mooi en goed is kan worden geprezen, misschien moet er een beetje worden berispt, in elk geval moet er altijd vergiffenis zijn. Een gebed of een lied besluit de kleine, intieme “plechtigheid”. Men kan zich als volwassene nauwelijks voorstellen hoe positief en genezend de krachten zijn, die van zo’n hulp van de ouders uitgaan voordat het kind de wereld van de slaap binnengaat. Ouders zouden er ook niet voor moeten terugschrikken over de beschermende werking van de engelen te vertellen: voor de meeste kinderen zijn engelen een realiteit en ze zijn dankbaar, als volwassenen aan hun wereld oprecht deelnemen. Bij kinderen die min of meer goed inslapen maar waarvan de slaap niet ongestoord verloopt, zien wij de meest verschillende varianten van onrust: schreeuwend wakker worden, gejammer dat in hevigheid kan toenemen als er geen aandacht aan wordt geschonken, verlangen naar eten, drinken of spelen, in het bed van de ouders slapen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Wij zien dan kinderen, die zich om allerlei redenen in de nacht niet volledig kunnen losmaken van hetgeen zij overdag hebben beleefd. Op de een of andere manier spoken er nog zintuigelijke indrukken, belevenissen, gevoelens in hun binnenste waarvan zij zich in de nacht niet volledig kunnen bevrijden.

Dan wordt het gesprek met de arts nodig, die samen met de ouders probeert de oorzaken te vinden en die kan aangeven hoe zij door hun gedrag ertoe kunnen bijdragen om uit de crisis te komen. De arts zal ook proberen een beeld van de disharmonie te verkrijgen een een therapie te vinden. Er staan vele geneesmiddelen ter beschikking (dit geldt voor alle hier besproken stoornissen). Het is evenwel voor de arts niet altijd eenvoudig, het voor ieder kind juiste medicament te vinden.

.

meer over ‘slaap’

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

Opvoedingsvragenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2770-2599

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-2-1)

.
In de ‘Algemene menskunde’ komt het wakker-zijn en het slapen als bewustzijnstoestanden in de 6e voordracht aan bod. 
Onderstaand artikel belicht deze aspecten vanuit een bepaalde invalshoek die hert begrijpen van de inhoud van voordracht 6 kan ondersteunen.
Tevens komen er weer begrippen aan bod die al eerder werden besproken.
.

Dr.med. Olaf Titze, Weledaberichten nr. 143, dec 1987

.

WAKEN EN SLAPEN

.

Wie wel eens nadenkt over waken en slapen, doet de verbazingwekkende ontdekking, dat hij, afgezien van de slechts seconden durende dromen, ongeveer een derde van zijn leven letterlijk heeft verslapen – dat anderzijds zijn herinnering hem de continuïteit van zijn levensloop laat zien die niet door de periodes van de slaap is onderbroken. Ondanks de onderbrekingen door de slaap die aan ons gewone bewustzijn worden onttrokken, beleven wij dus onze levensloop als een eenheid en wel in dubbele betekenis, nl. zowel met betrekking tot het beleven van de buitenwereld als ook wat het beleven van onszelf betreft. Het bewustzijn knoopt a.h.w. elke morgen weer aan waar het ’s avonds bij het inslapen is opgehouden. Daaraan zijn wij gewend en wij denken er niet verder over na dat het ook anders zou kunnen zijn; dat bijvoorbeeld bij bepaalde hersenbeschadigingen allerlei periodes van de herinnering zouden kunnen verdwijnen of, wat nog ernstiger is, de mens door een onderbreking van zijn bewustzijn niet meer in staat is om zijn identiteit te vinden. Ook blijft het een open vraag of er gedurende de slaap helemaal geen bewustzijnsbelevingen zijn. Voor de periodes van de droom zijn er wel belevingen in de vorm van beelden, die men zich echter heel vaak na het ontwaken niet meer kan herinneren.

Hoe echter is het met het bewustzijn gesteld in de periodes van de diepe slaap? Bestaat er daar geen bewustzijn of kunnen belevingen in die tijd alleen maar niet worden herinnerd? In welke wereld leeft de menselijke ziel tijdens de slaap? In de laatste tijd zijn immers de belevingen van schijndoden bekend geworden, die zelfs later kunnen worden herinnerd. (G. Ritchie – “Terugkeer uit de dood”) Het is mogelijk, dat de mens, als hij slaapt net op dezelfde manier een wereld binnengaat – maar een andere – als hij bij het ontwaken in een wereld binnenkomt die voor de fysieke zintuigen toegankelijk is. Stellig moet de vraag omtrent het bewustzijn geheel nieuw worden gesteld als men aan de realiteit recht wil doen wedervaren en zeker zijn er naast de ziekelijke bewustzijnsveranderingen ook nog de meest gevarieerde belevingsgebieden die zich onttrekken aan de fysieke zintuigen en aan het normale verstand. Van wetenschappelijk en dus van algemeen belang zou de vraag echter pas zijn, als men de voorwaarden zou kunnen doorzien die gelden voor verruimingen van het bewustzijn.
In de moderne geesteswetenschap van Rudolf Steiner, de antroposofie, werden die voorwaarden beschreven. (Vgl. Rudolf Steiner “Occulte fysiologie”, 2e voordracht en ”De weg tot inzicht in hogere werelden”)

Terwijl aan het gewone, dagbewustzijn volgens Rudolf Steiner afbraakprocessen ten grondslag liggen, die uiteindelijk ook tot de noodzaak van het uitblussen van het bewustzijn en het op gang brengen van regeneratieprocessen tijdens de slaap leiden, is het helderziende bewustzijn van zodanige aard, dat het door een geestelijke scholing tot een soortgelijke bevrijding van het psychisch-geestelijke deel uit het lichaam van de mens leidt zoals dat in het gewone leven tijdens de slaap gebeurt. Er moet evenwel de nadruk op worden gelegd, dat het bij deze scholing niet om allerlei ondoorzichtig mystiek gedoe maar om een exact controleerbare scholing van het bewustzijn gaat. Er bestaat dus volgens de gegevens van de geesteswetenschap inderdaad een weg om ook overdag bewust de wereld van de slaap te betreden. Een terugblik ’s avonds op de gebeurtenissen van de dag, een gebed of een meditatie zijn daarvoor werkzame voorbereidingen. De vraag omtrent het bewustzijn is de ene kwestie die ons bezighoudt als wij over waken en slapen nadenken. De andere is, dat het daarbij duidelijk om een ritmisch gebeuren gaat. Het behoort tot de meest fundamentele ontdekkingen van onze eeuw, die in 1917 in artikelen onder de titel ”Von Seelenrätseln” [GA 21, niet vertaald] door Rudolf Steiner werden gepubliceerd, dat als de fysiologische basis van denken, voelen en willen drie verschillende functiesystemen in het menselijke organisme kunnen worden gezien: het zenuw-zintuigsysteem voor het denken, een ritmisch systeem voor het voelen en een stofwisselings-ledematensysteem voor het willen. Vanuit dit gezichtspunt zouden waken en slapen als ritmisch gebeuren ook een grondslag zijn voor het voelen.

Men beleeft immers juist het voelen net zo gepolariseerd als men de polen ervaart waartussen zich een ritme ontwikkelt. Elk gevoel is op de een of andere manier in de richting van sympathie of antipathie gekleurd. Treffend drukt Goethe dit uit in dichtvorm als hij spreekt over het ritmische proces van het ademhalen:

”lm Atemholen sind zweierlei Gnaden,
die Luft einziehen, sich ihrer entladen,
jenes bedrangt, dieses erfrischt,
so wunderbar is das Leben gemischt.
Du danke Gott, wenn er dich presst
und dank ihm, wenn er dich wieder entlasst.”

Goethe, J. W., Gedichte. West-östlicher Divan, 1814 – 1819. Buch des Sängers

De inademing wordt als antipathiek, de uitademing als sympathiek gevoeld. Als men dit gezichtspunt toepast op ontwaken en inslapen, dan beleeft de volwassene het wakker worden antipathiek, het inslapen sympathiek gekleurd. Het aangolven van de zintuigprikkels benauwt in de zin van Goethe. De ontspanning bij het inslapen verkwikt.
In voordrachten van Rudolf Steiner over heileuritmie wordt het proces van de zintuigactiviteit, bijvoorbeeld het luisteren, als een subtiel inslapen, het proces van het begrijpen van hetgeen werd gehoord, als een subtiel ontwaken beschreven. Ook binnen het zenuw-zingtuigstelsel treedt dus, wat de functie daarvan betreft, de polariteit weer aan de dag, waarbij de zintuigfunctie meer het aspect van de slaap, de zenuwfunctie het wakker-zijn vertegenwoordigt.

Ten slotte de activiteit van het stofwisselingssysteem en van de ledematen.
Dit systeem heeft te maken met het willen, d.w.z. door de activiteit van de stofwisseling en de ledematen kan de mens in de wereld daden verrichten. Normaliter slaapt de mens voortdurend met betrekking tot de functies van zijn stofwisselingsorganen of van zijn ledematen. Door een ziekte kan dit evenwel snel veranderen, bijvoorbeeld bij een koliek of spierkramp. Maar hierover willen wij het niet hebben. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het willekeurige en het onwillekeurige spierstelsel. Op het onwillekeurige spierstelsel heeft het bewustzijn van de mens geen directe invloed. Het willekeurige spierstelsel, nl. dat van zijn bewegingsorganen kan hij spannen of ontspannen, hij kan er handelingen mee volbrengen of nalaten, die hij in zijn bewustzijn controleert. Weer andere voltrekt hij, en dat zijn de meeste, zonder dat hij zich daarvan volledig bewust is. Maar zelfs bij de handelingen, die door het bewustzijn worden gecontroleerd, is het in de grond  niet het verloop van de bewegingen op zichzelf, die men zich bewust maakt, maar alleen de doelgerichtheid. Het bewustzijn geeft aan de beweging een richting, een doel. Dit is aan het motief van de handeling gekoppeld, waarin o.a. ook de moraliteit van de mens is betrokken. De wezenlijke kern van de mens, zijn ik is het dat wij met het oog op waken en slapen vanuit deze drie gezichtspunten bekijken:

1e vanuit het gezichtspunt van verschillende bewustzijnstoestanden,

2e vanuit het gezichtspunt van een ritmisch zich verenigen met en weer losmaken van het lichaam,

3e als een min of meer bewust handelend wezen.

Bij het optreden van slaapstoornissen is het van belang, deze drie gezichtspunten in het oog te vatten. Er is bijv. een groep van slaapstoornissen, waarvan de oorzaak ligt in een voortzetting van het dagbewustzijn: de mens kan niet “uitschakelen”. Dan is het ’t beste, om eerst de gebeurtenissen van de dag nog eens in omgekeerde volgorde van de avond tot de ochtend na te gaan, zonder daarbij aan bijzonderheden te blijven haken. Men kan daarna misschien iets opbouwends lezen of zich concentreren op een bepaalde gedachte of een gebed.

Als medicament kunnen hier preparaten met lood, vervaardigd op een speciale manier, hulp bieden.

Een andere groep van slaapstoornissen berust op stoornissen in het ritmische systeem. Het hart kan bijv. in vergelijking met de ademhaling veel te snel kloppen. Men spreekt dan van hartkloppingen. Dit kan psychische maar stellig ook lichamelijke oorzaken hebben, bijv. hoge bloeddruk. In elk geval bestaat er innerlijke onrust of angst. De lichaamsritmen komen weer in harmonie o.a. doordat men van kunst geniet of, beter nog, zelf kunstzinnig bezig is. Deze stoornissen kunnen medicamenteus worden verholpen door bepaalde speciaal bereide plantaardige- en goudpreparaten.

De derde groep van slaapstoornissen staat in verband met ons stofwisselings- en bewegingssysteem. Stellig zijn er op dit gebied ook een hele reeks van organische oorzaken waarvoor een speciale behandeling nodig is, maar er liggen ook dikwijls oorzaken diep in het emotionele gebied – alle mogelijke belastingen van het geweten, schokkende gebeurtenissen, verdriet, nalatigheden, kwalijke ondoordachte daden enz.

Hier kan de bewuste daad uitkomst bieden. Men probeert bijv. verschillende keren per dag zich van het bewegingsproces bij het lopen bewust te worden, d.w.z. heel bewust te lopen, de voet van de grond te tillen, hem naar voren te brengen en daarna weer bewust neer te zetten, enz.

Dikwijls vinden patiënten baat bij de toepassing van zilverpreparaten als medicament. Als zulke aanduidingen in de richting van medicamenteuze therapie worden gemaakt, is dit op geen enkele manier een pleidooi voor het zelf hanteren van medische voorschriften. Het gaat er hier veeleer om dat er begrip voor wordt gewekt als de arts i.p.v. een gangbaar slaapmiddel speciale preparaten toepast die aangepast zijn aan het wezen van de mens. De algemene hygiënische aanwijzingen kunnen evenwel, mits consequent toegepast, dikwijls een belangrijke hulp bieden.

In de volgende artikelen wordt beschreven, hoe het probleem van waken en slapen, dat hierboven principieel werd behandeld, met betrekking tot kinderen en bejaarden op een andere manier verschijnt. [nog niet oproepbaar]

.

Algemene menskunde voordracht 6alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2769-2598

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Pinksteren (33)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (april 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

Pinksteren

Verbinding tussen hemel en aarde met Pinksteren staat beschreven in het N.T. van de Bijbel, dat : “de Geest daalde ‘gelijk een duif‘ op Hem neer”, dan wordt
hier ook iets specifieks mee bedoeld en aangeduid.
De meeste vogels dalen in glijvlucht; de duif kan zich echter loodrecht naar beneden laten zakken. Zij maakt dus een héél directe verbinding tussen boven en beneden,
‘De Geest daalt neer gelijk een duif’ kunnen we dan begrijpen.
Duiven werden , in vroegere tijden, nog voor het Pinksteren
zoals in de bijbel wordt aangeduid, wel ‘gasten van de goden’ genoemd, niet verwonderlijk als we ons een voorstelling proberen te maken van de oude tempels, waar in de verweerde muren, verscholen in holen en gaten, honderden
duiven huisden die voortdurend af en aan vlogen, als boden
van de goden.
In het Oude Testament bracht een duif aan Noach het reddende bericht.
De duif met een takje mét blaadjes.
In Spanje was er in de Middeleeuwen een orde die zich ‘De Ridders van de Witte Duif’ noemde. De leden droegen een witte duif op schild, zadeldek en wapen. Zij volgden het gebod overal te helpen waar vervolgden en onschuldig lijdenden in
nood waren, Zij behoorden tot het Graalridderschap en streefden ernaar, door zelfoverwinning de lage driften te veranderen in geestelijke kennis over zichzelf.
Is de duif ook niet de belangrijkste bode van de geest in het Graalsverhaal?
Ooit verloor Lucifer een robijn uit zijn kroon. De Graalschaal werd uit deze kostbare steen geslepen. Jozef van Arimathea ving hierin tijdens de kruisiging het bloed van Christus op.
Later kreeg Titurel de schaal, en het verhaal vertelt hoe een duif ieder Goede Vrijdag opnieuw naar beneden daalt en een hostie legt in de Graalkelk, waardoor deze gaat stralen met een bovenaardse glans.
Rudolf Steiner zei: “De vogel houdt verband met de engelhiërarchieën. Wij mensen moeten weer leren op te nemen wat ons uit hogere sferen tegemoet komt. Zoals de priesters in de oudheid iets konden opmaken uit de
vogelorakels, zo kunnen wij weer leren luisteren naar de vogelstemmen van de geestelijke inspiratie.”
Veel sprookjes geven in beelden geestelijke werkelijkheden weer, en spreken zo een ‘Pinkster-taal ‘ die ieder vanuit zijn eigen taal verstaan kan. Hun christelijke boodschap vinden we in het beeld van het witte duifje vaak terug, bv. in het
sprookje ‘De Drie Talen’. Alles wat de beproefde hoofdpersoon als nieuwe Paus aan de mensen te zeggen heeft, wordt hem door twee witte duiven, links en rechts op zijn schouders gezeten, ingegeven.
In ‘Hans en Grietje ‘ zit het witte duifje op het dak om Hans vaarwel te zeggen. Hun weg, door broodkruimels gemarkeerd, voert dóór het heksenhuis en door een scheiding van elkaar heen, terug naar het vaderhuis, dat zij met hun vergaarde schatten: parels en edelstenen (doorzichtig geworden materie) verrijken. Waarom zou dat duifje op het dak wel genoemd worden?
Witte duifjes hielpen Assepoester in haar moeizame keukenmeidenbestaan. Als zij voor de eerste maal met de prins gedanst heeft, verbergt ze zich in de duiventil. En aan het slot van het sprookje zijn het weer de twee witte duifjes die de prins de waarheid toeroepen als hij met zijn nieuwe bruid langs het graf van Assepoesters moeder bij de hazelaar rijdt.
Ten slotte: toen Doornroosje achter de doornhaag ontwaakte voor een nieuw leven met haar prins, trokken de duiven op het dak hun kopjes onder hun vleugels vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, als boden om de wereld te vertellen dat de mens voor een hoger bewustzijn ontwaken kan.

De witte vogel

Niet altijd wordt specifiek de duif genoemd. Er is ook vaak sprake van de hulp van een wit vogeltje.
Een wit vogeltje in de hazelaar bij haar moeders graf werpt steeds dat voor Assepoester naar beneden wat zij zich wenst:
glanzende gewaden van goud en zilver, muiltjes van goud om op het feest met de prins te dansen.
Ook in ‘Hans en Grietje’ verschijnt als de nood het hoogst is en ze totaal verdwaald zijn, een klein wit vogeltje dat een heel schoon lied zingt en hen
verder leidt en daardoor het lot een wending ten goede geeft.
Later neemt een wit eendje deze taak over en zwemt hen over het water naar huis, hun hemelse thuis.
Het is alsof dit witte dier, dat zich zowel op het land als in het water en de lucht thuis voelt, hun iets te leren heeft.

En hoe is dat met de zwaan?

Zwanen tonen ons de gereinigde ziel van de
mens die, zich stil in het Geestesmeer
spiegelend, het bewustzijn steeds in hogere
werelden opheft. Zingt een zwaan zijn zwanenzang niet door tot in de dood? En
beteugelt Lohengrin zijn zwaan niet door te luisteren naar de zwaan in zichzelf?
Zangvogels: zij tonen ons het beeld van onze van vreugde zingende ziel die, zegevierend over alle zwaarmoedigheid, op kan stijgen tot de hoge wijde ruimte van de geest en de etherwereld. De etherwereld die als kwintessens de vier elementen aarde, water, lucht en vuur doordringt als vijfde element van
hogere aard.
“Zing mij o Muze…” sprak de Griekse dichter. De dichter was voor de Griek gelijk de zangvogel: uit beiden sprak God/de Muze. Mens en vogel zijn immers de enige wezens die stemtonen kunnen voortbrengen.
De vogels zijn door doorlaatbaarheid van hun schedeldak veel meer dan de mens met de zon verbonden, waardoor ze onmiddellijk reageren als de zon op of onder gaat met hun jubelzang.
In het Perzisch betekent het woord ‘murgh’ ziel én vogel tegelijk; en in de Egyptische hiërogliefen wordt de ziel ook als vogel uitgebeeld, vaak als ibis, waaruit de heilige zielenstemming spreekt. De ziel van een dode kan immers als een vogel het lichaam verlaten.
De vogel herinnert ons van alle dieren het meest aan onze afkomst en verwantschap met de geest, en daarom hoort het witte vogeltje bij Pinksteren, tot aan het Oudhollandse ganzenbord toe, waarin de witte gans ons door gevangenis en put, naar het middelpunt, het labyrint leidt, naar de overwinning op onszelf.

Voor het volledige artikel ga naar : ” Het Zonnejaar”.

Op veel vrijescholen wordt het Pinksterfeest gevierd.
De kinderen dansen om de meiboom, er is een pinksterbruid en een pinksterbruidegom en iedereen is in het wit gekleed.
Elke keer weer word ik ontroerd door de speciale sfeer die dit feest uitstraalt.
Maar wat vieren we nu eigenlijk met Pinksteren?
Pinksteren is een christelijk feest, maar ook voor de geboorte van Christus werden er al Meifeesten gevierd.
De Germanenvierden feest om de komst van de zomer te vieren. Ook toen al was er een pinksterbruid, als symbool voor vruchtbaarheid en groeikracht. Het christelijke feest Pinksteren is afgeleid van het Griekse Pentecostes, dat betekent 50ste dag. Het Pinksterfeest wordt 50 dagen na Pasen gevierd. Met Pasen stond Christus op uit de dood en bleef 40 dagen zichtbaar voor zijn volgelingen. Tien dagen later is het Pinksterfeest en wordt herdacht dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen.
Hoe kunnen we dit feest nu vieren? Hoe kunnen we dit vormgeven in de huidige tijd? Ook als de christelijke betekenis van Pinksteren je misschien niet zo veel zegt? Het vieren van Pinksteren vraagt veel meer van de mens, dan het vieren van Kerstmis en Pasen. Er zijn geen volle, versierde etalages, geen commercie, geen folders in de brievenbus die je op weg helpen. Pinksteren zullen wij zélf moeten invullen!
Er wordt dus een beroep gedaan op de scheppende geest van de mens. De bloemen, die tijdens het Pinksterfeest gedragen worden, zijn dan ook door de mens zelf gemaakt, van papier. Pas op het feest van Sint-Jan dragen we de
bloemen uit de natuur, ten teken dat de zomer er is.
Met Pinksteren is iedereen in het wit gekleed. Wit als symbool van reinheid en schoonheid. De witte duif is het symbool van de verbinding tussen hemel en aarde (de Heilige Geest).
In de kleuterklassen is er een Pinksterbruid en een
Pinksterbruidegom. Een bruiloft, symbool van vruchtbaarheid en
verbintenis. De natuur wint aan scheppingskracht, er heerst vreugde.
De meiboom is het symbool voor de boom, de plaats van ontmoeting. Deze wordt door de mens zélf opgericht tussen hemel en aarde. Hij is getooid met linten als takken, een mooi beeld voor de opgerichte houding van de mens. De linten zijn de verbinding tussen hemel en aarde. De linten, die verweven worden in de Pinksterdansen. Een mooi beeld vind ik dat je op aarde lopend met het lint, iets veroorzaakt, dat boven je hoofd, in hogere sferen, gevolgen heeft, ook voor anderen (een knoop in je vlechtwerk, bijvoorbeeld!). Pinksteren is een feest van verbondenheid met elkaar, van je realiseren dat datgene wat een individu doet, gevolgen heeft voor het geheel, voor de toekomst.
Met dat in je achterhoofd is het nog specialer om naar die dans om de meiboom te kijken!
Susan Sneijders-van Eijk

Liedje en Kringspel:
Hier is onze fiere Pinksterblom.
En ik wou hem zo graag eens wezen!
Met zijn groene kransen op het hoofd en met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom!
Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom?
Want de fiere Pinksterblom moet voortgaan!

De kinderen staan met de handen los in een kring, en zingen: Hier is onze
fiere Pinksterblom. In het midden loopt een kind, dat op het hoofd een
bloemenkrans draagt en in de hand een klein belletje. Het kind in het
midden laat de bloemenkrans zien bij met zijn groene kransen op het
hoofd en rinkelt met de bel bij en met zijn klinkende bellen. Bij recht is
recht klappen de kinderen in de kring in hun handen; bij krom is
krom buigen zij voorover. Bij de laatste regel van het lied staat het kind in
het midden van de kring stil voor een ander kind, dat nu de bloemenkrans
en de bel krijgt, waarna het spel opnieuw begint.
Pinksteren is een van de belangrijkste christelijke feesten van het jaar.
We vieren het vijftig dagen na Pasen en tien dagen na Hemelvaart, en
herdenken het als ‘uitstorting van De Ziel van Christus’.
Het Pinksterfeest werd ook al bij veel heidense volkeren gevierd, als een feest dat met de bloei en ontwikkeling van de natuur verbonden was.
In de loop der eeuwen zijn de elementen uit de niet-christelijke en christelijke Pinksterfeestvieringen samengevoegd.
Pinksteren is een feest van licht, lucht en kleur geworden, van vogels en van bloemen.
In streken waar Pinksteren nog als volksfeest gevierd wordt, kun je de Pinksterbruid vinden, getooid met bloemen.
In vele kleuterklassen wordt de Pinksterbruiloft gevierd.

Pinksteren in de kleuterklas

In de kleuterklassen vieren we Pinksterfeest, de vrijdag voor Pinksteren. Er is een pinksterbruidspaar [vaak oudste jongen en meisje [[de kinderen dus met wie de leidster al een lange verbinding heeft]]].
De kleuters en juffies zijn allen gekleed in het wit.
Er staat een speciaal plaatsje klaar voor het bruidspaar: witte troon met een dakje [schommelboot, bankje, hemeltje erboven, allemaal wit.] op dit speciale plaatsje zijn ook een sluier en strop-strik te vinden
[door leidster genaaid] en een bellenstok.
De bruid en bruidegom hebben van het duifje [hebben ouders in een envelop meegekregen van de leidster:] een zakdoekje voor het bruidje en een bellenketting [grote bel aan gouden lintje] voor de bruidegom.
De leidster geeft deze envelop mee in de loop van de pinksterweek.
Het tafeltje in het midden van de kring: ook wit kleedje, met een vaasje voor het boeketje van de bruid [zij krijgt die van de bruidegom] de bruid neemt een corsage mee voor de bruidegom, witte kaars in kandelaar.
Alle kleuters krijgen een hoofdtooi van crêpepapier.

Voorbereidingen:
Pakketjes maken van crêpepapier, belletjes, rimpelelastiek, stickertjes met naam, zakjes, vloeipapier voor bloemetjes, werkbeschrijving.
Leidsters leggen alle materialen bij elkaar en klassenmoeder verdeelt verder aan de ouders die thuis de band gaan maken.
Ouderbrief opstellen.
Brief opstellen bruidspaar.
Maandags ligt er op het middelste tafeltje een speciaal briefje klaar, waarin vermeld staat dat het gauw pinksterfeest is, wie het bruidspaar wordt en dat alle kinderen welkom zijn op het feest. [Briefje in de vorm van een hartje bijvoorbeeld betekend met bloemetjes.]
Seizoen tafel: lichte lentekleurtjes, papieren bloemen [ook in de klas in vaasjes op tafel], pinksterbruidspaartje [eventueel met bruiloftstoet erachteraan.], poortje waar bruidspaartje onderstaat [met papieren bloemetjes, klein wit duifje], vijvertje met zwanen.
Klas versierd met witte papieren duifjes, papieren bloemen,
Dag zelf:
Tafels zijn gedekt met witte lakens, lopertjes, papieren bloemen,
hoofdtooien liggen klaar op de tafels, bordje, bekers en servetten staan ook klaar op de tafel. Kleine waxinepotjes met bloemetjes of lichte lentekleurtjes.
Op het aanrecht is plaats voor de luilakbollen door ouders die ochtend in te leveren. Stroop , honing staat klaar.
Gordijnen zijn gesloten, kaars op het middelste tafeltje brandt, kleuters komen binnen, zoeken hun stoel op, op de seizoentafel staat het bruidspaartje onder het poortje.
Bruiloftsplaats is klaar met al het eerder genoemde.
[ alles wordt klaargezet op donderdags voorafgaande aan het Pinksterfeest. Veel aandacht gaat hier in zitten.
In de verschillende hoeken staan activiteiten klaar voor de kinderen voor na het dansen op het kleuterplein [ tekenen, bouwen, puzzelen, mandala kleuren of leggen enz.
Kleuters komen binnen, ouders van bruidspaar mag even blijven helpen met de hoofdtooien omdoen van alle kleuters.
9.00 uur gaat de stoet uit beide klassen op weg naar buiten, waar de ouders en leerlingen van school staan te wachten in een haag: zij zingen pinksterliedjes.

Kleuters gaan onder de rozenpoort door naar kleuterplein om daar kringspelen met beide kleuterklassen te doen [ hier is onze fiere pinksterblom, voor mijn venster vliegt een duifje, we maken een kringetje, ik heb een mooie bloemenmand, daar liep een aardig meisje enz.
leidsters hebben afspraken gemaakt welke liedjes] op Vrijeschooliederen staan nog meer liedjes.
Na het dansen op het plein gaan we naar binnen om te spelen, in de hoeken.
Daarna opruimen en eten: aan de gedekte tafels.
Na het eten gaan we naar het grote plein om daar te luisteren, te kijken en uiteindelijk mee te dansen met: Joepie, Joepie is gekomen…
Kinderen hoge klassen hebben banken neergezet voor kleuters.
Als kleuters onder de rozenpoort doorgaan, dan wordt er gezongen door alle aanwezigen.: “Hier is onze fiere pinksterblom.”
Alle kinderen en leerkrachten van school zijn gekleed in het wit en getooid met een gevlochten lichtgroene crêpepapieren band met bloemen of belletjes,
Echte duifjes worden opgelaten, door de jongste en oudste leerling van school.

Kinderen dansen rond de meiboom, de pinksterzon
brengt ons allen samen [als de blaadjes van een
madelief=meizoentje].

Pinksteren valt meestal tussen half mei en half juni. Waar dit feest eigenlijk over gaat, is voor veel mensen vervaagd, maar toch lijkt er rond de pinksterdagen wel altijd iets feestelijks in de lucht te hangen.
In sommige regio´s bestaat de traditie om een pinksterbruid te kiezen en op vrijescholen kiezen de kinderen een bruid én bruidegom.
Waar komt de bruidsstemming vandaan die laat in de lente over de natuur komt?
Tekst: Tineke Croese
Beeld: Fokke van Saane

In de prille lente, zo rond Pasen, wordt de natuur voorzichtig groen. Zeven weken later is het Pinksteren en staat alles volop in bloei. Als fijn kantwerk omzoomt het fluitekruid de zilverglinsterende sloten, de fruitbomen dragen prachtige sluiers van tere, zacht gekleurde bloesem. Wakker gekust door haar bruidegom de lentezon tooit de natuur zich als bruid.
En ja, vroeger kwamen na de bruiloft de kinderen. Als hemel en aarde bruiloft vieren, als de aarde zich in bloesems opent voor de stralen van de zon, dan leidt dat, heel prozaïsch, tot bevruchting en vruchtzetting. Elk jaar belooft de bruiloft tussen hemel en aarde een nieuwe oogst.

De fiere pinksterblom

Omdat een goede oogst vroeger heel belangrijk was, was de bruiloft tussen hemel en aarde een heilig ritueel. Elk dorp koos een pinksterbruid- of blom. Zij symboliseerde de ziel van de dorpsgemeenschap die zich opende voor hemelse
krachten: in milde regen en zachte zonneschijn daalde de bruidegom af naar de aardebruid. Het hele dorp was bij dit vruchtbaarheidsritueel betrokken. Daarom werd de pinksterbruid in de vroege ochtend van Pinksteren van huis tot huis
gedragen en stond elk gezin (tijdelijk) een sieraad aan haar af. Want hoe rijker de bruidstooi was, hoe rijker de oogst zou zijn.
Op het eerste gezicht lijkt het christelijk pinksterfeest ver af te staan van wat in de natuur gebeurt en van vruchtbaarheidsrituelen. Met Pinksteren herdenken we dat Christus na de opstanding niet van de aarde verdween, maar een andere gedaante aannam. De twaalf leerlingen laten plaatsvervangend zien dat alle mensen Christus kunnen gaan ervaren als een troostende of inspirerende innerlijke kracht. Die kracht, die als de Heilige Geest uit hemelse hoogten op de
leerlingen neerdaalt, wordt vaak verbeeld als een duif. Maar als de Heilige Geest wordt opgevat als inspiratie door hemelse wijsheid, dan wordt ze voorgesteld als de hemelse jonkvrouw Sophia die van bovenaf haar licht op de leerlingen laat
schijnen. Er is dus toch een parallel met het natuurgebeuren: als het Pinksteren is, stellen we ons open voor een uit de hemel neerdalende kracht die inspireert en op die manier ‘bevruchtend’ werkt.
In voorchristelijke culturen zagen de mensen de hele natuur als een openbaring van goddelijke wijsheid. Die goddelijke wijsheid openbaarde zich ook aan de mens, en wel in de vorm van recht en wet: die moesten de harmonie en vrede tussen mensen waarborgen. In de pinkstertijd kon iedereen, en vooral de sociaal zwakke, zich over geleden onrecht beklagen. Ten overstaan van het hele dorp werd dan recht gesproken onder de boom op het dorpsplein ‒ vaak een es of een linde ‒ die hemel en aarde met elkaar verbond. De ‘bruiloft’ tussen hemelse wijsheid en aardse rechtvaardigheid leidt tot harmonie in de mensengemeenschap.
Uit vele richtingen zijn wij gekomen…
In het pinksterverhaal uit de Bijbel speelt bij de vereniging, de bruiloft tussen aardse en hemelse krachten de wisselwerking een rol tussen de individuele mens en de gemeenschap die hij met andere mensen vormt. Het pinkstergebeuren leidt tot het ontstaan van nieuwe gemeenschappen. Geïnspireerd door de Heilige Geest waren de leerlingen in staat zo te spreken, dat iedereen hen verstond. Iedereen hoorde hun woorden in zijn eigen taal.
In het oudtestamentische verhaal over de Toren van Babel raakten de mensen van elkaar vervreemd doordat ze verschillende talen gingen spreken. In het pinksterverhaal is het andersom: daar komen mensen tot elkaar, omdat ze geen taalverschil meer ervaren. Later trekken de leerlingen in alle richtingen weg om overal gemeenschappen te stichten waar mensen vanuit de verbindende kracht van Christus konden leven.
Een ander aspect van Pinksteren is dus het vormen van nieuwe gemeenschappen.
Dat maakt Pinksteren een feest voor deze tijd en voor de samenleving in Europa. Alleen is de beweging omgekeerd: de leerlingen trokken vanuit een centrum ‒ Jeruzalem ‒ in alle richtingen de wereld in, terwijl nu mensen uit alle
richtingen naar een centrum ‒ naar Europa ‒ komen. Bovendien hebben veel mensen, van binnen of buiten Europa, zo hun eigen manier van leven.
Onze samenleving is een lapjesdeken van allerlei culturen en individuele levensopvattingen aan het worden. Al die lapjes hebben een eigen schoonheid. Het is een uitdaging om te zorgen voor een deken die warm genoeg is voor iedereen, terwijl de schoonheid van de afzonderlijke lapjes toch behouden blijft. Het is een uitdaging om ons te laten inspireren door een kracht die mensen met elkaar verbindt. Alleen die geeft zicht op een toekomst vol vrede en harmonie.
Dit artikel verscheen in Antroposofie Magazine.

LUILAKBOLLEN

Ingrediënten
750 gram bloem
3 mespunt zout
3,75 deciliter melk
75 gram gist
150 gram boter
150 gram krenten
150 gram rozijnen
3 theelepel kaneel
3 ei
stroop of bruine suiker om over de broodjes te doen.

Bereidingswijze:

Zeef de bloem met het zout boven een kom.
Verwarm de melk lauwwarm en los de gist op in wat lauwe melk.
Smelt de boter in een pannetje en laat het afkoelen.
Maak een kuiltje in de bloem en giet er de gistoplossing en de gesmolten boter in.
Kneed alles tot een soepel deeg en laat dit – afgedekt met een vochtige doek – 1 uur op een warme plaats rijzen.
Was de krenten en de rozijnen en laat ze goed uitlekken.
Kneed de krenten en de rozijnen vervolgens door het gerezen deeg en maak van het deeg 30 bolletjes.
Beboter een bakplaat, leg de bolletjes erop
en druk ze een beetje plat.
Knip het deeg met een schaar op gelijke afstand viermaal in.
Laat dan de bollen nog eens 30 minuten rijzen.
Klop het ei los en bestrijk daarmee de bovenkant van de bolletjes.
Bak de broodjes in een voorverwarmde oven (225 graden C) in 15 minuten gaar en bruin.

Draaiend pinksterpaar

Gerrie Delen

Zoek of maak een boomschijf (1) en knip een kartonnen schijf (2).
Buig van ijzerdraad een poortje en prik het ene uiteinde door het karton in het hout, het andere alleen in het hout. Versier het en beplak de kartonnen schijf met iets groens.
Maak nu een bruidspaartje en bevestig dat op de kartonnen schijf. Laat bruid en
bruidegom statig onder het rozenpoortje doorschrijden!

Kleine pinksterknutsels

Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuwklokjes, de krokusjes – ze bloeien vlak op de grond. De narcissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele
bloeiende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprichten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit.
Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid.
En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paaseitjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bomen, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesemblaadjes vallen als een tere regen omlaag.
Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlinders en bloesemboomkronen.

Vogeltje

=Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vogeltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavelstaartpunt 8 à 9 cm).
=Vouw een reep zijdevloepapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door.
Uitvouwen en naar achteren toe wat korter knippen.
=Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast.
Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoepeltje of als mobile aan takjes.

Vlinder

=plak twee velletjes zijdevloe met prittstift op elkaar
=vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open
=vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er
vanboven een kop en voelsprieten van
= schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe
= ophangen aan drie samenkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje)
verder als vogeltje.

Jonge vogeltjes op tak

=Frommel van zijdevloei een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt.
=Met velpon uitsteeksels vastplakken.
=Knip van dubbelgevouwen stevig geel of oranje papier een snaveltje en plak dat aan de kop.
=Teken de oogjes.
=Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in.
=Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af.
=Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken

Meiboomkroon

=Een krans maken van twee elkaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel,
versieren met papieren bloemen en slingers, goud- en zilverpapier

Bloemen maken

Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken. Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen.
Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.

Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan.
Een paar maal omwinden en afhechten.

1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm:

2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat:

3.vouw elke driehoek dubbel:

4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel:

5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp
mogelijk:

6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af:

7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje:

8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager
af:

9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met
de kleinste bovenop:

10. houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats
de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw
deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand
alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen:

11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid
de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat.
Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen.
Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is:

Hier volgt de werkbeschrijving voor de ouders, voor het maken van de hoofdtooien: de benodigdheden zaten , klaar om er mee aan de slag te gaan, in een papieren zakje.
Werkbeschrijving Hoofdtooi -Pinksteren
Benodigdheden van jezelf:
• Naald
• Wit naaidraad van max. 30 cm
• Stukje rimpelelastiek

Benodigdheden van school:
Voor de jongens:
• Een strook groen crêpepapier van 3 cm breed
• Een strook geel crêpepapier van 3 cm breed
• Een strook wit crêpepapier van 3 cm breed
• Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang
• Een belletje
• Stickertje met de naam erop
• Dit alles in een plastic zakje met de naam erop

Voor de meisjes:
• 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed
• Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is

Voor de meisjes:

• 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed
• Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is
• Stickertje met de naam erop
• Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang
• Dit alles in een plastic zakje met de naam erop

Werkwijze:

• Ontrol de 3 stroken
• Leg na 30 cm een knoop hierin en begin vanaf hier te vlechten. Dit gaat het handigst door de knoop onder en
zware pot te leggen
• Maak een vlecht van ongeveer 30 cm en eindig met een knoop met weer slierten van 30cm (zoals je ook begon)
• Voor de meisjes: Maak van de gekleurde vloeipapierrondjes bloemen, zoveel als je kind jaren telt.
Bevestig deze op de voorzijde van de vlecht met naald en naaidraad.
• Voor de jongens: bevestig het belletje aan een draadje en knoop dit aan de hoofdtooi[ voorkant].
• Verbind aan de achterkant de beide knopen met elkaar, met rimpelelastiek, op een afstand dat de hoofdtooi fijn om het hoofdje sluit.
Overleg even met je kind of de hoofdtooi lekker zit.
• Plak de naamstikker op een van de 6 uiteindes.

De brief voor de ouders van pinksterbruid en bruidegom: zat in een envelopje : het zakdoekje voor de bruid en de
bellenketting voor de bruidegom zaten goed ingepakt bij de enveloppe in.
Lieve ouders van de pinksterbruid en pinksterbruidegom.
Namen van de ouders

Op vrijdag 7 juni aanstaande vieren we op school het Pinksterfeest:
Namen van bruid en bruidegom mogen deze dag het bruidspaartje zijn…
Maandag 3 juni zal het duifje een brief brengen waarin dit vermeld staat.
Jullie mogen vrijdags aan het begin van de dag even aanwezig zijn in de klas om even te helpen met de hoofdbanden bij
de kleuters omdoen.
Ook mogen jullie even helpen bij de dansen rond de meiboom
[[aangeven van de meiboomlinten en na ons dansje weer inhalen daarvan [ zie de ouderbrief pinksteren]]
Verwacht wordt dat het bruidspaar in het wit gekleed is en
dat Teus zorgt voor een bruidsboeketje voor Eva en
dat Eva zorgt voor een corsage voor Teus.
In de Pinksterweek geef ik voor Teus een bellen-ketting mee
en voor Eva een zakdoekje in enveloppe…
Dit kettinkje en zakdoekje leggen jullie op de dag van het pinksterfeest neer naast het bedje van jullie kinderen, dan weten
ze dat het duifje “echt” langs geweest is.
Ik wens jullie veel plezier bij de voorbereidingen!!!!
Enne nog even voor je houden tot de week voor Pinksteren :die maandag vertel ik het namelijk [ brief duifje…]

Hartelijke groet Dieuwke

Sprookjes in de pinkstertijd:

Assepoester  ,
Jorinde en Joringel  ,
De drie talen,
 Doornroosje  
De roos zonder doornen ofwel De pinksterroos [ uit leven met het jaar van Kutik]
Bakersprookjes: Robin Roodborst,
Mooi Katrientje en Piefpafpoffel,
et kind dat wilde vliegen.

Meer knutsels kun je vinden in:

Leven met het jaar,
Pinterest,
Met het oog op de natuur,
All year round
HOW TO MAKE SUNCATCHERS | WALDORF WINDOW ART CRAFT – Pepper and Pine
Versjes en liedjes in boekjes van Hennie de Gans Wiggermans [ Natuurlijk, Ochtendspelen]
Handgebarenversjes: Waldorfdwarf op instagram
Youtube: handgebaren vrijeschool [ waldorf inspiration o.a.]
Antropoanne
Jacqueline Eversteijn

Dienend hüten wir im Lichte…
De canon gezongen, [dagelijks] op de Kindergarten Pfingsttagungen … zo verschrikkelijk mooi om mee te zingen en mee te maken… juffen over de hele wereld verzameld daar in Hamburg…het totaalprogramma [ euritmie, schilderen, lezingen, praatgroepen, handelingen] het slapen op de veldbedjes, de gezamenlijke maaltijden, de talen daar gesproken….de mooie, gewone inkijk in een andere school…. Zo goed te weten dat er zovele wereldwijd zijn die het jonge
kind, in het licht van de antroposofie, als hemels geschenk omhullen en begeleiden….

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

2768-2597

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/36)

.

tweelingen

.

Castor en Pollux waren tweelingbroers. Pollux heette eigenlijk Polydeukes; de Romeinen noemden hem voor het eerst Pollux. Deze naam draagt het sterrenbeeld nu nog en wij noemen hem ook zo.
De geboorte van de broers is door een wolk van geheimzinnigheid omgeven. Want Pollux ws een zoon van de vader der goden, Zeus. Daarom was hij onsterfelijk, Castor was de zoon van koning Tyndareos van Lakedemonië (Laconië). De vrouw van Tyndareos, Leda, schonk tegelijkertijd het leven aan beide zonen.
Castor en Pollux groeiden aan het hof van de koning als onafscheidelijke broers op. Beiden waren ze dapper en heldhaftig en bij alle lichaamsoefeningen waren ze zeer vaardig. Castor vooral bij het berijden en temmen van paarden, Pollux bij het worstelen. Beiden namen ze deel aan de tocht van de Argonauten, toen Jason met de vijftig beste helden van Griekenland met het schip Argo naar Kolchis voer om het Gulden Vlies naar Griekenland terug te halen. (Ram, schip Argo)
Omdat de helden wisten dat de tweelingbroers beschermd werden door Zeus, noemden men ze de dioscuren, dat betekent: de zonen van Zeus of van god.

De tweelingen verrichtten vele daden waardoor ze bekend en beroemd werden. Het ongeluk kwam naderbij toen ze verliefd werden op twee zusters, Phöbe en Ilaira. Hun vader, een priester van de god Apollo, gaf zijn dochters gaarne als vrouw aan de zonen van de koning. Maar bij de bruiloft in het paleis bleek tot ontzetting van iedereen, dat hij zijn dochters vroeger al eens beloofd had aan vrienden van de tweeling, aan Idas en Lynceus. Dus moesten de vrienden om hun bruid strijden en het onheil nam zo zijn loop.

Castor en Pollux verstopten zich in een holle boom. Lynceus, die met zijn scherpe ogen ook door boomstammen heen kon kijken, ontdekte ze echter. Zijn broer Idas wierp een speer door de stam en trof de nietsvermoedende Castor midden in zijn hart. Zonder een woord zakte hij in de armen van zijn broer in elkaar.
Toen kwam Pollux vol woede uit zijn verstopplaats te voorschijn en zocht de laffe speerwerper. Die werd door grote schrik overmand, net als zijn broer, toen ze Pollux in zijn razende woede aanschouwden en ze vluchtten weg. Maar Pollux haalde hen in en hij stak de wegvluchtende Lynceus van achter neer. Idas werd door een bliksemflits van Zeus terneergeslagen.

Vol treurnis stond Pollux bij de lichamen van de ontzielde vrienden, Zijn goddelijke toorn was over, nu zag hij slechts het gruwelijke noodlot. Met lood in zijn schoenen ging hij de weg terug. Toen hij naast zijn dode broer knielde, voelde het of hijzelf dood was. Er kwamen geen tranen en zijn gedachten waren nergens. De hemel, de aarde en zijn eigen hart, alles voelde leeg.

Pas ’s morgens, toen de duisternis van de nacht weer veranderde in licht, kwam hij weer tot zichzelf. Maar dat gaf weer opnieuw die pijn. Sterven wilde hij en het licht van de wereld verlaten om de ziel van zijn broer in de Hades te zoeken.
Toen dacht hij aan zijn vader en hij sprak: ‘Grote Zeus, machtige heerser, ze zeggen dat u mijn vader bent. Die ik moeder noemde, beloofde mij een eeuwig leven, net zo als de zalige goden in de hemel. Maar dat geldt voor mij nu niet meer. Hoe zou ik kunnen leven nu mijn broeder dood is. Wij zijn één. Wat moet ik zonder mijn broer tussen de schare goden. Ik zou wegkwijnen en ziek worden, bleek als mijn broer.
Daarom, wanneer u het kan, bevrijd Castor van de dood en schenk hem ook het eeuwig leven. Wanneer u er niet toe in staat bent, neem dan ook mijn goddelijk wezen, dat ik net als een mens, zoals hij, sterven kan en bij hem kan blijven.’
De hemelse Zeus die deze woorden van zijn geliefde zoon vernam, werd door medelijden gegrepen. Want nooit tevoren had een broer zo’n diep verdriet gevoeld voor de andere. Maar hij kon zijn zoon niet de onsterfelijkheid afnemen, maar ook niet laten sterven. En toen liet hij hem door Hermes in een droom een boodschap geven dat hij afwisselend met zijn broer een dag in de hemel en een dag in het rijk van de schaduw mocht zijn, voor eeuwig samen.
Vol geluk hoorde Pollux in zijn droom dit bericht aan en hij werd nooit meer wakker. Want nog in zijn slaap verhief zijn ziel zich op vleugels weg van zijn aardse lichaam naar de Hades toe om daar zijn broer te zoeken en hem te verkondigen wat de goden hun hadden toegestaan.
Sindsdien kunnen wij het sterrenbeeld van de Tweelingen zien, hoe het afwisselend aan de nachtelijke hemel oplicht en dan in de Hades, d.w.z. onder de horizon, in het rijk van de schaduw afdaalt. Op deze manier zijn de broers door de grote liefde van hem die de goddelijke kracht in zich droeg en afzag van zijn eigen zielenheil, voor eeuwig broederlijk verenigd.

No                                                                    o                                                                 Zo
dec.   1  24°°u                                        jan.  1  22°°u                                   febr. 1  20°°u
15 23°°u                                                15 21°°u                                            15 19°°u

De Tweelingenklimmen in de avonduren in december in het oosten omhoog. Ze staan in januari in het zuidoosten en in februari in het zuiden waar je ze dichtbij het zenit moet zoeken.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2767-2596

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

2766-2595

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/22)

.

de zwaan

.

Met deze hemelse zwaan die in heldere zomernachten een van de mooiste sterrenbeelden is, hebben de oude Grieken verschillende legenden verbonden.
In een ervan is het de vader van de goden, Zeus zelf, die de gedaante van de zwaan aannam en tot het einde van de wereld vloog om zich daar met Nemesis, dochter van de godin van de Nacht, te verbinden.
Want Zeus was boos geworden op het hoogmoedige geslacht van de Griekse Helden en hij had besloten ze door een grote strijd te vernietigen. Aanleiding tot deze strijd zou een beeldschone vrouw moeten zijn en Zeus wilde haar zelf in het leven roepen. Daarbij zou alleen Nemesis hem kunnen helpen, de godin van de wraak, die in de donkere diepte van Okeanos bij haar moeder, de godin van de Nacht, woonde.
Daarheen begaf de almachtige Zeus zich, aan wie de zee, de aarde en de hemel toebehoren. Alleen hij mocht het gebied van de Nacht en haar dochter betreden. Zo kwam hij aan bij Nix, de godin van de Nacht en eiste Nemesis, haar dochter, voor zich op. ‘Hoed je voor mij, Nacht en denk eraan hoe ik je broers, dat Titanengebroed, met mijn bliksems gegeseld heb en in de Tartaros geworpen. Daar zie je hen die voor eeuwig vastgeklonken zijn, jammeren. Ook jij stamt uit de Chaos die ik verfoei. Wanneer mijn brandende stralen tot in jouw duisternis doordringen, is dat om jou. Ik zou je aan de hemel vast willen klinken waar die het helderst is, zodat je door het licht verteerd wordt. Geef me je dochter, geef me Nemesis uit je duistere onderkomen! Anders moet ik je paleis in stukken breken. Wanneer je dochter echter aan mijn wil gehoorzaamt, dan beloof ik haar een gouden zetel in de kring van de goden. Want wie eens aan mijn zijde gerust heeft, wordt de hoogste eer deelachtig.’
Bevend zweeg de Nacht, hoewel ze heel boos was en haat voelde. Rillingen van afschuw trokken door haar heen, toen ze aan het lot van haar broeders dacht. De onschuldige Nemesis had de twist over haar gehoord en ze sprong van haar troon op en haastig vluchtte ze onder de dekmantel van de nacht. Om te maken dat niemand haar zou herkennen, had ze zich door zwarte toverkunst in een wilde gans met grauwe veren veranderd. Zo vloog ze gehaast door de luchten tot aan het einde van de aarde waar de stromen van de Hades ijzig in het dodenrijk stortten. Geen mens herkende haar, alleen Zeus met zijn alles doordringende ogen ontdekte de vluchtende vogel. Hij doorzag de listige misleiding, veranderde zijn sterke ledematen snel in een zwaan en spreidde zijn vleugels wijd uit. Met machtige vleugelslagen vloog hij achter de vluchtende Nemesis aan en doorkliefde in vliegende vaart de luchten, tot zij hem aan het einde van de aarde niet meer ontlopen kon. Toen liet Zeus zich op het bange wezen vallen en de verblindende zwaan werd één met haar. 

De zwaan verhief zich hoog in de lucht en riep: ‘Je gemaal, o Nemesis, was Zeus, de heerser van de hemel. Het ei dat je schoot zal verlaten, moet je bij Leda brengen, de gemalin van koning Tyndareos. Daar zullen Helena en Polydeukes als jouw kinderen uit het ei kruipen en Leda zal ze met Castor en Klytaimnestra die op hetzelfde uur als jouw kinderen geboren worden, samen opvoeden.’

Toen hij dit gezegd had, verhief de zwaan zich hoog in het nachtelijk duister en verdween., 
Alles gebeurde zoals Zeus het eerder had gezegd. Nemenis bracht het ei bij Leda, toen zij sliep. Toen verscheen ze aan de koningin in de gedaante van de oude min en ze herinnerde zich de zwaan die haar maanden eerder liefkozend had verblind. Toen Leda wakker werd, vond ze vol verbazing het grote ei naast zich. Het was juist de tijd van haar bevalling. Terwijl ze een zoon en een dochter, Castor en Klytaimnestra ter wereld bracht, brak de schaal van het zwanenei. Daarin lagen de goddelijke kinderen Polydeukes en Helena. Leda voedde alle vier de kinderen als waren die van haar, op. Castor en Polydeukes werden grote vrienden (sterrenbeeld Tweelingen) en om de knappe Helena ontbrandde de Trojaanse oorlog, zoals Zeus het gewild had.
De prachte Zwaan aan de hemel herinnert ons tot vandaag aan deze legende over Zeus.

No                                                                    o                                                          zo
juni   1    1°°u*                                       juli   1  23°°u*                            aug.   1  21°°u*
15  24°°u*                                             15  22°°u*                                    15  20°°u**zomertijd

Het sterrenbeeld Zwaan vinden we makkelijk, wanneer we de zgn. ‘zomerdriehoek’ zoeken dat in de zomermaanden door de sterren Vega (in de Lier), Altair (in de Adelaar) en Deneb (in de Zwaan) gevormd wordt. In juni vinden we de Zwaan meer in het noordoosten, in juli zoals hierboven en in aug. hoog in het oosten, bijna in het zenit, en dat aan de avondhemel om 22u, zomertijd.

De namen van de sterren betekenen:

Deneb (Arabisch) = staart, afgeleid van danab
Gienah (arabisch) = vleugel, afgeleid van ganah
Sadir (arabbisch) = borst, afgeleid van sadr

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2765-2594

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (32)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (april 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

In de wolken met Hemelvaart [ antroposofie
inspireert] 5 mei 2021
Hemelvaart is die vrije donderdag die lekker
uitloopt in een lang weekend. Een perfecte
dag om aan de slag te gaan in de tuin, met
heel veel anderen een bezoek te brengen aan
de geel met blauwe meubelwinkel en een
klusdag bij uitstek.

Tekst en beeld: Daan Rot
De bomen zijn weer lekker frisgroen, bloemen fleuren de wereld op, de vogeltjes zijn druk in de weer en zelfs de zwaluwen zijn weer in het land.
Het is langer licht en we genieten van de ‘met zonder jas’-dagen.
Maar waarom zijn we vrij en wat vieren we eigenlijk?
Ik schets even een tijdslijn om Hemelvaart goed te plaatsen in de Christelijke
feesten; tussen Aswoensdag (de eerste dag van de vastentijd) en Pasen zitten veertig dagen, tussen Pasen en Hemelvaart zitten ook veertig dagen. Omdat Pasen altijd op een zondag is, is Hemelvaart altijd op een donderdag. Aswoensdag, Pasen en Hemelvaart vormen samen een eenheid.
Hemelvaart is het afsluitende feest van de Paascyclus. Tien dagen na Hemelvaart is het Pinksteren.
Ik leerde de kinderen ‘AsPaHePi’ als ezelsbruggetje! As(woensdag)Pa(sen)He(melvaart)Pi(nksteren) Ze weten nu precies welke feesten wanneer zijn en de bijbehorende verhalen worden vanaf nu op volgorde verteld. AsPaHePi is ons nieuwe jaarfeestenwoord.
Met Pasen herdenken we dat Jezus is gestorven en uit de dood is opgestaan. Hij verschijnt in de periode tussen Pasen en Hemelvaart aan zijn leerlingen om hen te onderwijzen. Op Hemelvaart toont Jezus zich voor de laatste keer aan zijn discipelen. Hij zegent hen en geeft hen de opdracht om op zendingspad te gaan en stelt hen gerust door de Heilige Geest aan te kondigen die altijd bij hen zal zijn en hen zal bij staan. De discipelen zien hoe een wolk hem opneemt en Jezus zich bij zijn Hemelse Vader voegt. Met Pinksteren daalt de Heilige Geest uit de wolken neer.

Dauwtrappen

In de wolken zijn, een hemels gevoel, blij en gelukkig zijn … dan zie ik al snel een dansend kind op blote voeten in het gras. Een oud gebruik op Hemelvaart is dan ook het dauwtrappen.
Oorspronkelijk een onderdeel van het meifeest in de voorchristelijke tijd waarbij de Germanen de wederopbloei van de natuur vierden. Dat gebeurde niet bij het krieken van de dag. Al om drie uur ‘s nachts stond je op om op blote voeten in de Heilige Wouden te wandelen, te dansen en te zingen om de voorvaderen te
eren. Dit zou een magische en helende werking hebben.
Dit gebruik houdt weer verband met de latere processies van de Katholieke kerk.
In de negentiende eeuw trok men in Amsterdam de stad uit en de velden in met lekkers voor onderweg; rozijnen, vijgen, krakelingen en een straffe borrel. Het was een vroege wandeling, want men zat om negen uur weer keurig in de kerk voor de mis.
In Rotterdam moesten de langslapers trakteren op Hemelvaartbollen.
Wij doen niet ieder jaar aan een potje dauwtrappen, de kinderen zijn inmiddels langslapers. Er worden genoeg natuurexcursies en wandelingen georganiseerd, maar we gaan er liever gewoon met ons zessen en de hond op uit voor een tocht door het bos, over het strand of we trekken de polder in. We gaan op zoek naar paardenbloemen om de pluizenbollen weg te blazen en ik steek een bellenblaas in mijn zak. De bellen maken een symbolische hemelvaart en we worden vanzelf stil.
Het dauwtrapontbijt is dan meestal een dauwtrapbrunch geworden. En als heuse Rotterdamse langslapers, kunnen de Rotterdamse Hemelvaartbollen niet ontbreken. We maken een extra portie van het deeg om
traditioneel ook wat bollen uit te delen.

De Hemelvaart van Jezus Christus [Juul van der stok]

Met Pasen herdenken we dat Jezus Christus is gestorven en uit de dood is opgestaan. Volgens de Bijbelteksten van het Nieuwe Testament was Jezus daarna nog veertig dagen bij zijn leerlingen, en hij ging door met hen te onderwijzen. Op de dag van zijn Hemelvaart zegende hij hen en “nadat Hij dit
gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok hem aan hun ogen.” (Handelingen der Apostelen 1:9).

Je stelt je voor dat Jezus langzaam wegzweeft en dan achter een wolk verdwijnt, precies zoals je het op oude schilderijen kunt zien. Hij verlaat dan dus de aarde, gaat van ons weg.

Hemelvaart = Aardevaart

Volgens Rudolf Steiner heeft Jezus Christus de aarde helemaal niet verlaten- integendeel. Hij breidde zich juist uit, werd groter en groter en werd één met de hele aarde. Ik vind deze visie niet heel gemakkelijk te begrijpen, maar ik stel me hierbij voor dat de energie van Christus eerst nog geconcentreerd was in zijn opstandingslichaam, dat heel veel leek op zijn gewone lichaam van toen hij
nog leefde. Tijdens de Hemelvaart verspreidde zich zijn energie en stroomde langzaam uit over de hele aarde, werd één met alle energieën die er hier zijn. Een ultieme verbinding met de aarde en alles wat erop leeft, ook met alle mensen.

Hemelvaart vieren met kinderen

Hemelvaart valt altijd in de uitbundige bloesemtijd van de lente, en dat sluit mooi aan bij de betekenis.
De aarde krijgt nieuwe energie en ontwikkelt zich. Op de dag zelf gaan veel mensen dauwtrappen, en dat is een mooie manier om het feest te vieren. Dat kun je ook als gezin goed doen. Je staat op met zonsopgang en gaat met picknickmand en al naar buiten om de natuur op te zoeken. Overal vind je
jong groen, bloesems, dieren die zich weer laten zien in de lente. Je hoort de vogels zingen, je ruikt de frisheid van het seizoen. Ik ben zelf vaak verbaasd hoe heerlijk je je gaat voelen simpelweg door te zien, voelen en horen wat er allemaal gebeurt in de natuur op deze dag. Ik voel me dan meestal als herboren- en sluit dat niet prima aan bij Hemelvaart?

Dauwtrappen op Hemelvaartsdag 14 mei 2020

Met Hemelvaartsdag stappen velen van ons al héél vroeg in de ochtend op de fiets of maken voor de zon opkomt een lange wandeling. Dan gaan we ‘dauwtrappen’ in de natuur die bezig is te ontwaken …
Maar waar gaat Hemelvaart eigenlijk over? We zijn vandaag de dag minder goed bekend met religieuze tradities. Toch staan we misschien dichter bij de spirituele inhoud van dit feest dan we denken.

Tekst: Tineke Croese

Hemelvaart vieren we veertig dagen na Pasen. De datum is afhankelijk van de paasdatum, die elk jaar anders is. Omdat Pasen altijd op zondag valt – soms in maart, maar meestal in april – valt Hemelvaart altijd op donderdag, meestal in mei en soms in juni. Sommigen denken dat deze feesten ‘bedacht’ zijn door het christendom. Niets is minder waar. Ook de voorchristelijke natuurreligies vierden deze feesten, gekoppeld aan bepaalde vaste momenten in het jaar in de natuur. Die werden later omgevormd en in de christelijke feesten voortgezet.

Lente in aantocht

Om de achtergronden van Hemelvaart te begrijpen, moeten we eerst een rondje door het jaar maken.
Nu het maart is, is de winter nog maar net (of nog net niet) voorbij. Het is dus niet moeilijk om je de natuur in wintertijd voor te stellen: de nadruk ligt op het levenloze, het minerale. Bomen en struiken steken hun kale takken skeletachtig in de lucht, de aarde is onbedekt. Het traag stromende water verstart soms tot ijs. Maar in maart merk je ook dat de lente in aantocht is: de sappen in de bomen en planten gaan weer stromen, de zonnewarmte brengt het water in beweging. Dat water zorgt ervoor dat de kale winterse aarde in april een levende omhulling krijgt van frisse, groene planten.
Een tweede levende omhulling volgt later in de zomer, als de zon ook de lucht om de aarde heeft verwarmd en bijen, vlinders, en andere insecten zich thuis voelen in die warme lucht vol bloemengeur en stuifmeel. Tegen de herfst balt alle zonnewarmte zich samen in het zaad of laait op en stroomt uit in de vuurkleuren van de herfstbladeren. In de kringloop van de seizoenen komen de vier elementen om de beurt naar voren: de minerale aarde, het stromende water, de ijle lucht en de vurige warmte.

Water

In één periode in het jaar – in mei, wanneer de late lente overgaat in de vroege zomer – treedt een samenspel van de elementen op. De warmte van de zon laat het water in rivieren en meren verdampen. Onzichtbaar stijgt het water op om pas hoog in de koudere luchtlagen opnieuw zichtbaar te worden als wolken aan de hemel. Uit die wolken valt de meiregen die de aarde doordrenkt en
vruchtbaar maakt, en de rivieren vult… De kringloop van het leven wordt in stand gehouden door de kringloop van het water, dat in mei zijn eigen hemelvaart begint.
Hoe belangrijk dit natuurproces is, is voor ons nog maar moeilijk na te voelen. Wij vinden het normaal dat al ons voedsel in de supermarkt te koop is. Voedselschaarste kennen we al decennialang niet meer. Maar als je direct afhankelijk bent van de opbrengst van je akkers, dan is het samenspel van zonnewarmte en aarde, van wolken en water van levensbelang, want het bepaalt of er hongersnood zal zijn of overvloed. Wolken en water vormen het zichtbare deel van een wereldomspannend geheel van levenskrachten dat een grote rol
speelt bij de voortgang van het leven.
In de voorchristelijke natuurreligies beleefden de mensen dit geheel van beweeglijke en veranderlijke levenskrachten als vrouwelijk. Ze personifieerden dit levensgeheel als de leven schenkende ‘godin’, die vooral in mei werd vereerd.

Elementen

Hemelvaart valt niet toevallig in mei. Dit feest heeft te maken met het levensgeheel dat vroeger de ‘godin’ werd genoemd. Om dit te duiden, moeten we even terug naar het lentefeest Pasen. Bij de oude lentefeesten vierden we dat de natuur opnieuw tot leven kwam en de opstanding van Christus die een
overwinning is op de dood. Het christelijke lentefeest Pasen richtte zich op het vergaan en ontstaan in de vergankelijke natuur. Christus liet zien dat wij een kern in ons dragen die niet vergankelijk is, maar eeuwig en onsterfelijk.

Terug naar Hemelvaart.
Volgens de Bijbel bleef Christus na zijn opstanding nog veertig dagen in een
fijnstoffelijk lichaam bij zijn leerlingen, om hen dan opnieuw te verlaten. De leerlingen zagen dat Christus werd opgenomen ‘op de wolken van de hemel’, maar konden hem in dat element niet meer waarnemen. De Bijbel beschrijft ook dat Christus opnieuw zal verschijnen ‘op de wolken van de hemel’, dus in hetzelfde element waarin hij onzichtbaar werd.
Ik denk dat dit een metafoor is voor het geheel van uiterst fijne, beweeglijke en veranderlijke levenskrachten dat met de aarde verbonden is, hetzelfde geheel dat in de oude natuurreligies de ‘godin’ genoemd werd. De Keltische christenen uit
het vroege christendom bezaten een grote gevoeligheid voor de wereld van de elementen. Zij beleefden Christus als een levende kracht in wolken, water en wind. Daarom noemden zij hem de ‘Heer van de elementen’.
Met Hemelvaart ging Christus op in de fijnere elementen, begon hij verder te werken vanuit een onstoffelijke wereld vlak achter de stoffelijke. In onze tijd blijken steeds meer mensen ontvankelijk voor die onstoffelijke wereld. Daarom denk ik dat Hemelvaart niet meer gaat over het ‘verdwijnen’ van Christus in het onstoffelijke, maar juist over zijn ‘verschijnen’ daarin. Over de mogelijkheden die wij zelf hebben om door te dringen tot de wereld achter de stof waarin Christus aanwezig is.

Dauwtrappen

Traditie op Hemelvaartsdag is vandaag de dag het zogeheten ‘dauwtrappen’: heel vroeg opstaan, nog voor de zon opkomt, om een lange wandeling te maken in de natuur die bezig is te ontwaken. Wie dat weleens heeft gedaan – al dan niet met Hemelvaart – weet dat de dingen er zo vroeg in de ochtend heel anders, veel zuiverder uitzien dan later op de dag. Misschien zijn je zintuigen op dit ongewone tijdstip scherper dan anders. Maar misschien laat je door het ongewone tijdstip ook eerder je vaste voorstellingen los over hoe de dingen er volgens jou uit horen te zien. Dit is ook een voorwaarde om het stromende, beweeglijke geheel van de elementen en de levensenergie te kunnen beleven.
Bij dauwtrappen is het tijdstip ongewoon. Je kunt ook kiezen voor een ongewone locatie: zo ziet alles er vanaf het water ook weer heel anders uit. Ook het volgen van de beweeglijke vormen van water of de grillige vormen van de wolken zorgen ervoor dat je losser komt te staan tegenover de stoffelijke wereld. Door die gewone werkelijkheid met andere ogen te zien, stel je je open voor de onstoffelijke werkelijkheid erachter. Hemelvaart is: bewustwording voor die onstoffelijke, spirituele werkelijkheid.
Dat maakt Hemelvaart tot meer dan een feestdag in het jaar. Hemelvaart is een levensinstelling voor élke dag van het jaar.

Antroposofie en het kind

Hemelvaart vindt 40 dagen na Pasen
plaats. Christus wordt in het
Lucasevangelie op een wolk omhoog
gedragen naar de hemel. De wolk is
dan ook het symbool voor Hemelvaart.
Wolken hangen tussen de hemel en de
aarde in en zijn daardoor het symbool
van die verbinding.

In de middeleeuwse kunst vinden we mooie afbeeldingen van de Hemelvaart. Zo’n afbeelding kan tegen een achtergrond van goudkarton boven de seizoentafel hangen. Verder ligt er op de seizoenstafel een groene lap met in een vaasje een
veldboeketje en liggen er eventueel gouden sterretjes als symbool voor de hemelkracht gestrooid.

Spiritueel gezien is Christus boven het waarnemingsvermogen van de discipelen en volgelingen uitgegroeid.
Hij is echter niet weg van de aarde, maar werkt als “hemelkracht ”of lichtbrenger op aarde. Die kracht kunnen we in onszelf voelen; veel mensen kunnen Christus in hun hart als liefde ervaren of zich verbinden met zijn Goddelijke kracht.

Het is leuk om met kinderen naar de wolken te
kijken en te fantaseren wat ze voorstellen, vooral
omdat er in de periode rond Hemelvaart vaak
opvallende wolkenformaties te zien zijn. Het is ook
erg leuk om op Hemelvaartsdag naar buiten te gaan.
Helemaal bijzonder is het als je bij zonsopkomst op je blote voeten gaat dauwtrappen.
Kinderen vinden dit geweldig!

Ook paardenbloemen pluizen blazen,
zien waar de zaadjes zich naar toe begeven….
En daarmee een wens de wolken inblazen…
Of gevonden veertjes van je hand afblazen.
Wat een prachtig moment om daar, buiten, een veertje
te vinden [betekent voor velen dat de engelenwereld
nabij is.

Pasen, Hemelvaart, Pinksteren: ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We kennen Hemelvaart natuurlijk van het dauwtrappen, maar wat betekent het feest eigenlijk? Ik onderzocht het en ontdekte dat Rudolf Steiner een heel mooie visie had op Hemelvaart, die heel anders is dan ik vroeger heb geleerd.

Door: Fred

Met Hemelvaart herdenken we dat
Christus, veertig dagen na zijn
opstanding uit het graf, van de aarde
opsteeg naar de hemel. De apostelen
zagen hoe een wolk hem opnam en
hem aan hun ogen onttrok. Sindsdien
heet het dat Christus vanuit
‘ “wolkenhoogten“ met ons is tot aan
de voleinding der wereld’.
Een opmerkelijk beeld is dit. Christus is,niet tot in de hemel gegaan, niet tot
naar zijn oorsprong, maar in de ruimte tussen hemel en aarde gebleven: op wolkenhoogten.
Bij Johannes de Doper vinden we een soortgelijke beeldspraak. Toen hij Jezus in de Jordaan doopte zag hij “de hemel openscheuren”
Een tussenruimte werd gevormd, van waaruit een lichtende duif naar beneden daalde. Je kunt je afvragen wat we ons daarbij moeten voorstellen, bij wolkenhoogten en tussenruimte.
Wolken ontstaan, zoals bekend, in een samenspel tussen zon en aarde. Zonnewarmte doet water tot wolken verdampen. Hieruit valt op den duur regen, sneeuw of hagel naar beneden. Vervolgens vloeit het water dat op het vasteland is gevallen door rivieren weer terug de zeeën in. Deze kringloop van de inwerking van de zon op zeewater, wolken, regenwater boven vasteland, rivieren die het terug laten vloeien, kun je beschouwen als het levende organisme van de aarde. Zonder deze kringloop is leven op aarde niet mogelijk. Waar alleen de zon schijnt, verschroeit het leven. Waar de zon nooit schijnt, kan niets groeien.

Laten we nu eens bij onszelf kijken, in onze binnenwereld. Daar kunnen we ook een hemelse en een aardse kant ervaren. Om onze hemelse kant te zien, onze goede eigenschappen, kost ons meestal weinig moeite, maar het aardse in onszelf te erkennen valt niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze aardse schaduw, richting de zon. Voor het afdalen in onszelf is moed nodig.
Bijna iedereen spreekt schande van corruptie, criminaliteit en oorlogsmisdaden, maar in feite zijn wij tot dezelfde dingen in staat. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit in te zien vraagt het uiterste. We zijn gewend nogal positief over onze eigen innerlijke motieven te denken. Daaraan ontlenen we over het algemeen ons zelfbewustzijn. Wanneer het ons echter lukt “het slechte“ in onszelf te erkennen, en we het accepteren als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze verbinding van het
aardse met het hemelse. Het is een gebied op zichzelf waarin het wezenlijke zich openbaart. Dit uit zich in een mildheid jegens onszelf en jegens anderen. Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn.
Oscar Wilde heeft eens gezegd:

Een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich.

Met andere woorden, we kunnen als mens pas tot het hemelse, het goede komen door eerst in onze eigen hel af te dalen.
In verkleinde vorm ervaren we dit bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn of ons gelouterd voelen, ervaren we onszelf lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem, een stukje duisternis, zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is overgave aan de ziekte, aan het lijden. Ofwel, erkenning en acceptatie van de kleine hel in onszelf.
Met die veroverde mildheid zullen we een ander nu anders tegemoet treden. We creëren ruimte tussen ons en de ander, een vrije ruimte. Die ontstane ruimte kun je zien als een oordeelsvrij gebied tussen mij en de ander. Zeg maar een uitwisselingsgebied, zonder beperkingen. Dit nu zorgt voor het wezenlijke in de ontmoeting, en niet zozeer mijn eigen ik of dat van de ander. Daar, in die
tussenruimte, is plaats voor begrip. Wat deze tussenruimte kenmerkt is aandacht en vrijheid. Eerbied, zullen sommigen zeggen. Aandacht voor de ander, met tegelijkertijd een terughouden van onszelf.
Je merkt dan hoe een vonk kan overslaan, hoe licht en ruim alles wordt, op het zorgeloze af. Alles kan, alles is mogelijk, in dat ene moment. Er worden geen claims gelegd, geen verwachtingen gedacht of uitgesproken. Elk oordeel of vooroordeel ontbreekt. De inzichten stromen binnen. Hier gebeurt het, zo voelen we, hier ontstaat echte interesse voor de ander, voor onszelf, voor al wat leeft en wil groeien.

Er is een verhaal van Goethe, Het
sprookje van de groene slang en de
lelie. Hierin ontmoeten de koning
en de slang elkaar. De koning is het
beeld voor het hoogste, de slang
voor het laagste in de mens. Maar
de slang beschikt over een voor de
koning onbereikbare schat: het
goud. Het goud staat hier voor de
geestelijke inwijding. Er ontstaat het
volgende tweegesprek:
Waar kom je vandaan???
Uit de onderaardse gangen, waar
het goud zich bevindt, zei de slang. Wat is heerlijker dan goud? vroeg
de koning.
Het licht, antwoordde de slang.
Wat is verkwikkender dan licht? vroeg de eerste.
Het gesprek, zei de slang.
Heerlijker dan het goud is het licht, zegt de slang, de openbaring van
de waarheid, de werkelijkheid. Het licht in de duisternis. Maar de
koning vraagt verder en wil weten wat verkwikkender is dan licht.
Het gesprek, zegt de slang, hetgeen betekent: de wezenlijke ontmoeting
tussen mensen waarbij gevraagd, geluisterd en verteld wordt. Het
goud van de ervaringen komt daar samen met het licht van de
inzichten. Dit met een ander te delen tilt je op, verkwikt je alsof je
elk moment opnieuw geboren wordt.

Laten we even teruggaan naar Hemelvaart. Deze vindt plaats veertig dagen na Pasen; carnaval veertig dagen ervoor. Hemelvaart is zodoende in de tijd de spiegeling van carnaval om het paasfeest heen. Bij carnaval werden we ons bewust van het feit dat onze aardse persoonlijkheid slechts een masker is dat
het hemelse, het geestelijke, omsluiert. Met Pasen gingen we door de dood van dit masker heen en ontwaakten we tot het geestelijke leven. Met Hemelvaart nemen we het donkere aardse vol bewust mee op naar omhoog, naar het licht. Zoals de hele natuur in deze periode naar boven reikt, met uitbundig bloeiende planten en voor het eerst volop in het groen staande bomen.
Daarboven, in het licht, daar wordt de duisternis omgewerkt. Niet door het af te stoten, maar door het te erkennen, door het lief te hebben. Dit licht, dat duisternis in zich opneemt, is liefde.

Uit: Fred Tak ABC Kinderboeken – welkom (abc-antroposofie.nl), uitgeverij Christofoor, september 2017

Bellenblazen is leuk voor jong en oud… Het is mooi om die
prachtig gekleurde bellen zo langzaamaan op te zien stijgen,
maar soms gebeurt het dat ze erg snel uit elkaar spatten. Om dat
te voorkomen moet je een goed sopje hebben, bijvoorbeeld van
Driehoek vloeibare zeep.

Een pijpenkopje van een Bellen blazen (kleipijp.nl

In grootmoeders tijd gebruikte men stenen pijpjes
voor het bellenblazen. Goudse pijpen worden nog steeds gemaakt op
traditionele wijze in de pijpenmakerij ‘De Goudse Pijp’, in Schoonhoven (recentelijk verhuisd vanuit Gouda).
Je kunt in ‘De Goudse Pijp’, met je kinderen, zelf pijpjes maken,
en ook kant-en-klare pijpjes kopen.

Maar je kunt ook een gereedschapje maken door van ijzerdraad een ringetje met handvat te vormen, op dezelfde manier als aangegeven hieronder, onder ‘Blaasgereedschap maken voor grote bellen.’

Blaasgereedschap maken voor grote bellen

Nodig:
• IJzerdraad
• Kniptang
• Stevig tape of iets dergelijks voor het handvat
• 2 rietjes
• Dik katoendraad met een lengte van ongeveer 70 cm.

Met het ijzerdraad maken we ringen en eventueel andere vormen. We draaien de uiteinden van het ijzerdraad tot een handvat. Maak kleine en grote exemplaren zodat de kinderen meer experimenteermogelijkheden hebben. Als we tape om het handvat wikkelen voorkomen we dat het ijzerdraad in de handjes prikt.
Voor een ander bellenblaasgereedschap halen we katoendraad door 2 rietjes. De uiteinden van het draad knopen we aan elkaar vast.

Grote bellen blazen
Wil je wat experimenteren met grote bellen, dan is het belangrijk dat het zeepsop een optimale samenstelling heeft, zodat de bellen wat steviger worden.
Wat heb je nodig voor een extra goed sopje?
• 200 ml afwasmiddel. Gebruik de meest simpele: zonder citroengeur of ingrediënten voor zachte handen.
Of gebruik Driehoek vloeibare zeep.
• 700 ml water. Het beste is zacht water, bijvoorbeeld regenwater of
gedemineraliseerd water, deze is verkrijgbaar bij de drogist. (door de
aanwezigheid van kalk in het water spatten de bellen nl. wat sneller uit elkaar.)
• 100 ml glycerine (drogist)
• Eventueel een scheutje schenkstroop zoals maïsstroop om de bellen nog steviger te maken.
Mocht je meer sop nodig hebben, maak dan een veelvoud hiervan in dezelfde verhouding.
Roer de ingrediënten rustig door, tot een homogeen mengsel ontstaat, en laat het de hele nacht zonder deksel staan.

En dan. . .
• Giet het sop in een lage schaal, een pizza pan, of bijvoorbeeld een dienblad.
• Doop je bellenblaasring in het sop. En blazen maar…
• Als je de bel hebt geblazen gooi hem dan voorzichtig, zonder harde ruk, de lucht in.
• Kijk hoe prachtig je bel is, en hoe mooi hij zweeft.
• Als je een bel aanraakt met droge handen dan breekt hij, maar
doop je je hand eerst (helemaal) in het sopje, dan kun je hem
zelfs in de bel steken.
• Probeer eens met een rietje een bel in een bel te blazen…
• En je ontdekt vast andere leuke dingen…

Tips:
• Schep het schuim af en toe weg, want (grote) bellen breken hierdoor.
• Hoe langer een bel nat blijft des te langer blijft hij heel. Het bellen blazen gaat beter op wat vochtiger dagen dan op droge hete dagen. En in de schaduw (uit de wind) is beter dan in de zon.
• Het is af te raden om deze activiteit binnen te doen want het mengsel is moeilijk te verwijderen van bijvoorbeeld je gordijnen.
• Vermijd contact van de zeep met de ogen, om prikken te voorkomen.
• Gooi sop dat overblijft niet weg! Het wordt zelfs beter als je het langer laat staan!
Veel plezier met het bellen blazen…!
Tineke’s Doehoek

Bellenblazen bij de wastobbe

Een leuke en makkelijke manier om de lucht te verkennen is een parachute maken. Neem de parachutes mee naar de top van het klimrek en kijk wat er gebeurt als ze naar beneden vallen.

Materiaal
• vierkante stukken lichte stof van 20×20 cm (Geschikt zijn mousseline of kaasdoek dat niet te open geweven is. Je kunt ook kringlooppapier, tissues of papieren servetjes gebruiken.)
• garen (4 stukken van ca. 30 cm lang)
• kneedwas of boetseerklei

Werkwijze
• Bind aan elk van de vier hoeken van de stof een draad:
frommel de hoek een beetje in elkaar, draai het ene uiteinde van de
draad er een paar maal omheen en knoop het vast. Laat het andere
eind van de draad vrij.
• Knoop de uiteinden van de vier draden aan elkaar.
• Werk de knoop weg in een bolletje kneedwas of boetseerklei en maak desgewenst een klein figuurtje met het bolletje als hoofd.
• Maak een globale vorm, zonder al te veel details.
Oudere kinderen kunnen hun parachute zelf maken. Jongere kinderen
zullen wat hulp nodig hebben of er alleen mee willen spelen.

Met het oog op de natuur, Carol Petrash
Knutselen en spelen met materiaal uit de natuur

Hemelvaart met Juul van der Stok
Bron: ‘Schipper mag ik overvaren’

Uit het verslagje over het ’dauwtrappen’ op de ochtend van Hemelvaart:
’…En de jongste vraagt: ”Waar komen de wolken vandaan?”
”Uit engelland”, antwoordt plechtig de oudste.
”En waar gaan ze naar toe?”
”Helemaal rond de aarde”, wordt
geantwoord.
Tijdens dit gesprek voel ik hoe we even mee opgetild worden in de wolkenwereld met z’n eeuwige metamorfosen. We zingen in canon uitbundig ons wolkenlied’.
Wolken vol met sneeuw en regen
Vallen op de aarde neer en
Vormen de beken, vullen rivieren,
Stromen kabb’lend naar de zee,
Spieg’len zich in stille en zeer
Diepe koele waat’ren de
Zonneschijn geeft licht en warmte,
Dampen stijgen op ten hemel en vormen…
(Wolken vol met sneeuw…etc

Sprookjes en verhalen van Pasen tot Pinksteren

Overige auteurs
Sprookjes van Grimm
• De bijenkoningin
• Jorinde en Joringel
• Sneeuwwit en Rozerood
• De kristallen bol
• Hans en Grietje
• Assepoester
• De witte en de zwarte bruid
• Sneeuwwitje
• Bontepels
• De stukgedanste schoentje
• De drie veren
• De kikkerkoning
• Het levenswater
• Het ezeltje
• De drie talen
• Het zeehaasje
• Twee gebroeders
• Roodkapje
• De wolf en de zeven geitjes
• Koning Lijsterbaard
• De wachtelboom
• De dood als peet
Hans Christian Andersen
• Het lelijke jonge eendje

Zie op deze blog: sprookjes

Hemelvaartsdag: onderstaand lied
zong ik in mijn vroegste jaren als kleuterleidster
in een “christelijke” kleuterschool met de kleuters..
De melodie kun je vinden op YouTube.

Op een lichte wolkenwagen
wordt de Heer van d’aard gedragen.
Vaart Hij op naar ’s hemels troon,
vaart Hij op naar ’s hemels troon.

Dit onderstaand liedje heb ik zelf gemaakt en in mijn jaren
als kleuterjuffie in het vrijeschoolonderwijs gezongen.
We zongen het liedje binnen maar zeker ook buiten en
bekeken de wolken: hoe zien de wolkjes er vandaag uit?

Hemelvaartsdag: de mooiste tradities en tips op een rij

Van de site:
Een wagen vol verhalen.

Hemelvaartsdag, de dag die altijd 40 dagen na Pasen en 10 dagen voor Pinksteren valt. Op deze dag wordt herdacht dat Jezus Christus is teruggekeerd naar God, zijn vader in de hemel.
In Nederland is dit een erkende feestdag, en deze dag gaat gepaard met vele tradities en gebruiken.
Hieronder een overzicht van de bekendste tradities rond Hemelvaart.

Dauwtrappen
Wat dauwtrappen is weet iedereen wel, zou je denken. Toch komt deze traditie op Hemelvaartsdag maar in enkele plekken in Nederland voor. Bijvoorbeeld in de Achterhoek.
Tegenwoordig staan sommige mensen zeer vroeg op om op deze dag een wandeling te gaan maken of zelfs een fietstocht. Hoewel dit gebruik helemaal niets met het christelijke Hemelvaart te maken heeft wordt dit toch elk jaar op dezelfde dag gedaan. Waar en wanneer het dauwtrappen precies is ontstaan is niet zeker, maar vermoedelijk gaat deze traditie terug naar de eerste eeuw naar de tijd van de Germanen. Men dacht toen dat dauw, vooral op speciale dagen, een geneeskrachtig en magisch effect had als je er heel vroeg doorheen danste op blote voeten. Dit hele gebeuren was waarschijnlijk een meifeest van de Germanen, waarbij ze de opkomst van het nieuwe leven in de natuur vierden.
Ook op de website staan verhalen over dauwtrappen, zoals een ondeugend verhaal en nog een over de moderne versie van dauwtrappen.

Broodweging
Een eeuwenoude traditie die jaarlijks herleeft is het wegen van het roggebrood. Dit gebeurt bij de Muldersfluite tussen Hengelo en Zelhem. Vroeger mochten de bewoners ‘plaggen steken’ (het verwijderen van de bovenste grondlaag met begroeiing) op voorwaarde, dat ze jaarlijks rond Hemelvaartsdag roggebrood leverden van minstens 22 pond, dit is meer dan 10 kilo! Het brood was bestemd voor de armen in de gemeente. Degene die het zwaarste brood leverde, vaak meer dan 100 pond, kreeg 2 flessen wijn. Als het brood minder woog dan 22 pond, moest men 6 stuivers betalen. Vanaf 1772 werd het niet leveren van roggebrood zelfs bestraft met en dubbele levering in het volgend jaar. De activiteiten bij de Muldersfluite starten om 12.00 uur en de Historische
roggebroodweging begint om 14.00 uur.

Grensmarkt
In Dinxperlo wordt elke jaar de grote ‘Grensmarkt’ georganiseerd. Deze markt wordt zo genoemd omdat de kramen zowel op Nederlands als op Duits grondgebied staan. De markt trekt jaarlijks vele tienduizenden bezoekers uit beide landen. Langs de Heelweg en de Hogestraat presenteren de marktkooplieden uit alle delen van Nederland hun waren. Maar ook Duitse
marktkooplieden zijn uiteraard volop vertegenwoordigd, met een zeer gevarieerd assortiment. Naast de professionele marktkooplieden is er ook elk jaar plaats voor Dinxperlose verenigingen, die met diverse activiteiten hun kas proberen te spekken of aandacht vragen voor hun vereniging/activiteit.
Aan het begin van de straat is er een kleedjesmarkt, speciaal bedoeld voor kinderen. Er is nog veel meer…

Een Wagen vol Verhalen

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

2764-2593

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-3)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gezichtspunten bij bladzij 186/189 van de vertaling.

Ook in deze 13e voordracht komen we opvattingen tegen die in onze tijd nog steeds niet gangbaar zijn geworden. En dus zijn ze voor ons, die in onze opleiding(en) ook niet zo hebben leren denken, telkens weer nieuw en – zo verging het mij – ongebruikelijk, vreemd en moeilijk te bevatten.
Dat is op zich niet zo enthousiasmerend en als je een klas hebt waarvoor je intensief moet voorbereiden, is het veel om ook deze inhoud nog te proberen te doorgronden. Zo is het mij in ieder geval vergaan en…ik ben na zo’n 50 jaar, nog steeds bezig met deze doorgronding.
Soms is het verstandig om dat wat je niet begrijpt, maar ‘gewoon’ te lezen en verder te gaan tot waar het weer iets vertrouwder wordt.
In deze voordracht komt dit terrein er ook weer aan, wanneer het gaat om het ‘bewegen’.
Vanaf het ogenblik dat we kinderen op school krijgen – dat begint al met de peuters – speelt beweging een belangrijke rol in ons onderwijs.
En dan is het natuurlijk noodzakelijk dat we weten wat we doen als we de kinderen laten bewegen.

Maar zover is het in deze voordracht nog niet. Op blz. 188 zijn we aangekomen bij ‘MATERIE‘ en het hele verhaal omtrent de zenuwen.

Opnieuw: geest en materie

Het spreken over geest versus materie, of stof versus geest is al heel oud en er is nooit een door iedere filosoof of (natuur)wetenschapper onderschreven eensluidende definitie over opgesteld.

En Steiner – als ‘onderzoeker van de geest’ – levert een totaal eigen bijdrage.

Er wordt – wanneer het om een belangrijk aspect van het vrijeschoolonderwijs gaat, vaak gezegd: ‘worden wie je bent’. M.a.w. kun je je diepste wezenskern – wie je bent – in de wereld tot uitdrukking brengen.

D.w.z. kun je iets wat niet met de gewone zintuigen is waar te nemen – die wezenskern – dit geestelijke deel van je – belichamen, manifesteren in het zichtbare.

Je kan dit ‘credo’ – ‘worden wie je bent’ dus niet gebruiken, wanneer je niet achter de idee kan staan, dat ‘iets’ onzichtbaars, zichtbaar wordt. Of groots gezegd: de geest materie wordt.

Maar niet alleen de geest komt in het fysieke tot uitdrukking, ook de ziel.
In deze voordrachten werd daar al op gewezen:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/38-39
vertaald/38-39

En later:

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91
vertaald/93

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als Offenbarungen des Inneren ansehen. Sie verstehen  nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/149  
vertaald/151

Ook in de voordrachten die samen met deze Algemene menskunde werden gehouden, komt het aan de orde. We zien hier ook weer dat Steiner een onderwerp vaak van verschillende kanten belicht en daarbij zich weer bedient van andere woorden:

Was so äußer­liche Vorgänge sind, das ist immer eigentlich der äußere Ausdruck für Innerliches, so sonderbar es für die äußere Weltenbetrachtung aus­sieht.

Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.
GA 294/35    
Vertaald/32

Het is, alles bij elkaar, al moeilijk genoeg en dan stelt Steiner ons dit voor ogen:

Je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen.

Naarmate wij de toekomst in groeien, moeten wij leren al hetgeen in het zintuiglijke rondom ons is, geestelijk op te vatten.
GA 296/82
Vertaald/94

En als we willen werken ‘in de geest van vrijeschool’, dan kunnen we niet om de uitspraak hierboven, heen, want:

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56 
Op deze blog vertaald/56

In deze GA 301 zegt hij later nog:

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

En in GA 302 verwoordt hij het zo:

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-zielen-element.
GA 302/22
Vertaald/23

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.

Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Vertaald/23

Das Physisch-Leibliche ist der reine Ausdruck des Geistigen.

Het fysiek-lichamelijke is de zuivere openbaring van de geest.
GA 302/50
Vertaald/51

Toen ik hierboven ‘het worden wie je bent’ aanroerde, had ik ook deze woorden van Steiner kunnen gebruiken die ‘ontwikkeling’ nu in het perspectief plaatsen van het ‘onzichtbare’ dat ‘zichtbaar’ wordt:

Alle Entwicklung des Men­schen besteht darin, daß nach und nach das erst bloß geistig existie­rende Übersinnliche sich ins Sinnliche herunterbewegt.

Alle ontwikkeling van de mens bestaat erin dat het bovenzin­nelijke dat aanvankelijk zuiver geestelijk bestaat, zich geleide­lijk aan naar beneden toe in het zintuiglijke begeeft.
GA 302A/49
Gedeeltelijk vertaald/51

In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig.

Aan heel het fysiek-etherische ligt de geest ten grondslag
GA 304a/79
Niet vertaald

Nog meer uitspraken: Rudolf Steiner wegwijzers: 142536508898103104105; 111; 127132155170185254;
268276296

Uiteraard blijven Steiners opmerkingen hierover niet beperkt tot de pedagogische voordrachten.

In GA 66 onderneemt hij een poging de toehoorders iets duidelijk te maken over wat ‘stof, materie’ is.

Mit der Frage nach dem Stoff oder der Materie kann man nicht zurechtkommen, wenn man versucht, immer wie­der und wiederum sich Vorstellungen oder Begriffe zu bil­den, was denn Materie eigentlich sei; wenn man verstehen will – mit anderen Worten -, was denn Materie, was Stoff sei. Derjenige, der die Materie, den Stoff, so verstehen will, wie man das gewöhnlich auffaßt, der gleicht einem Men­schen, welcher sagt: Ich will jetzt den Eindruck bekommen von der Dunkelheit, von einem dunklen Zimmer. Was tut er? Er zündet ein Licht an und betrachtet das als die richtige Methode, den Eindruck vom dunklen Zimmer zu bekom­men. Nicht wahr, es wird das Verkehrteste sein, was man tun kann. Ebenso ist es das Verkehrteste, was man tun kann – nur muß man das durch das gekennzeichnete Ringen gewahr werden -, wenn man sich dem Glauben hingibt, daß man jemals Materie erkennen wird, wenn man den Geist in Bewegung setzt, um gewissermaßen mit dem Geist die Materie, den Stoff zu beleuchten.

Met de vraag naar wat stof of materie is, kom je er niet uit als je steeds weer probeert om er voorstellingen van te maken of begrippen ervan te geven wat nu materie eigenlijk is; m.a.w. wanneer je wil begrijpen wat stof of materie nu eigenlijk is.
Wie de stof, de materie wil begrijpen zoals men dat gewoonlijk doet, lijkt op iemand die zegt: ‘Ik wil nu een indruk krijgen van het duister, van een donkere kamer.
Wat doet hij? Hij doet het licht aan en beschouwt dat als de juiste methode om een indruk van een donkere kamer te krijgen. Maar dat is het slechtste wat je kan doen. Maar het is net zo verkeerd om te geloven dat je ooit de materie leert kennen, wanneer je de geest in beweging brengt om a.h.w. met de geest de materie, de stof te belichten. ( )

Nun ist auch das Umgekehrte der Fall. Nehmen wir an, es will jemand den Geist begreifen. Wenn er ihn sucht zum Beispiel in der rein äußeren materiellen Gestaltung des Menschenleibes, so gleicht er demjenigen, der, um das Licht zu begreifen, es auslöscht. Denn das ist das Geheimnis der Sache, daß die äußere sinnliche Natur selber die Widerlegung des Geistes, die Auslöscherin des Geistes ist. Sie bildet den Geist nach, ebenso wie die beleuchteten Gegen­stände das Licht zurückwerfen. Aber nirgends können wir, wenn wir den Geist nicht in lebendiger Tätigkeit erfassen, ihn jemals aus irgendwelchen materiellen Vorgängen fin­den. Denn das ist gerade das Wesen der materiellen Vor­gänge, daß sich der Geist in sie verwandelt hat, daß sich der Geist in sie umgesetzt hat. Und versuchen wir dann, den Geist aus ihnen zu erkennen, dann mißverstehen wir uns selber.

Nu komt het omgekeerde ook voor. Laten we aannemen dat iemand de geest wil begrijpen. Wanneer hij deze zoekt bijv. in de puur uiterlijke stoffelijke vorm van het lichaam van de mens, dan lijkt hij op iemand die, om het licht te begrijpen, het uitdoet. Het geheim zit erin dat de uiterlijke, zintuiglijke natuur zelf de geest ontkracht, de geest uitdooft. Ze reproduceert de geest, zoals de verlichte voorwerpen het licht terugkaatsen.
Nergens kunnen we, als we de geest niet als een levende werkzaamheid ervaren, deze ooit vanuit een of ander materieel proces vinden. Want dat is juist de essentie van de stoffelijke processen, dat de geest zich daarin heeft gemetamorfoseerd. En als we de geest daarin willen leren kennen, dan begrijpen we ons zelf niet.
GA 66/153-155
Niet vertaald

In GA 134 gebruikt hij woorden – altijd moeilijk om woorden te vinden voor iets wat met de gewone zintuigen niet is waar te nemen – die een beetje doen denken aan de woorden in deze 13e voordracht, over de ‘stroom’ van wat geest en ziel is.
Ook hier neemt hij het water.

Blz. 64

Dasjenige, was man gewöhnlich die Materie nennt, ist für den Men­schen eigentlich nur durch verhältnismäßig schwierige Vorstellungen zu erreichen. Und wenn man im okkulten Sinn aufklären will über das Wesen des Materiellen, des Stofflichen, dann muß man vor allen Dingen sich fragen: Was ist das hervorstechendste Eigentümliche an dem, was wir gewöhnlich die Materie nennen? Nun wird man, wenn man ohne Vorurteil zu Werke geht, denn doch finden müssen, daß das Hervorstechendste alles Materiellen die Raumerfüllung ist, die Ausgedehntheit im Raum. Es wird nämlich niemandem einfallen, bei irgend etwas, das ihm in der Seele selbst entgegentritt – sagen wir, bei einem Gefühl, bei einem Gedanken oder selbst bei einem Willens­impuls-, davon zu sprechen, daß der Wille oder der Gedanke oder das Gefühl einen Raum einnehmen. Jeder Mensch wird sogleich ein­sehen, daß er einen Unsinn sagen würde, wenn er behaupten wollte, daß irgendein Gedanke – sagen wir der Gedanke meinetwillen an einen Helden – um fünf Quadratmeter größer ist als der Gedanke an einen gewöhnlichen Menschen, nicht wahr? Wenn man sich das ausdenken will, so merkt man gleich, daß man auf das, was eigentlich unsere seelischen Zustände, unsere seelischen Vorgänge sind, die Raumerfüllung, das Ausgedehntsein, gar nicht anwenden kann. Nun wissen wir ja ferner, daß dieses Ausgedehntsein gewöhnlich nach den drei Dimensionen zu zählen ist, die wir für den Raum

Wat gewoonlijk materie wordt genoemd, is voor de mens eigenlijk slechts door nogal moeilijke voorstellingen te begrijpen. En als je langs de weg van het bovenzintuiglijke over het wezen van de materie, het stoffelijke, opheldering wil verschaffen, moet je je allereerst afvragen: wat springt het meest in het oog, wat is het meest karakteristieke aan wat we gewoon zijn materie te noemen?
En zal je, als je zonder vooroordeel te werk gaat, toch moeten concluderen, dat het meest in het oog lopende van alles wat materie is, dat het ruimte inneemt, dat het in de ruimte plaats inneemt is. Nu zou het bij niemand opkomen om bij iets wat hij psychisch ervaart – laten we zeggen bij een gevoel, bij een gedachte of zelfs bij een wilsimpuls, te zeggen dat de wil of de gedachte of het gevoel ruimte inneemt. Ieder mens zou meteen inzien dat hij onzin spreekt als hij zou beweren dat een of andere gedachte – voor mijn part de gedachte aan een held – vijf vierkante meter groter zou zijn dan de gedachte aan een gewoon mens, toch?
Wanneer je dat zou willen denken, merk je meteen dat je wat onze psychische toestanden, onze gevoelsprocessen eigenlijk zijn, een gevuld zijn in de ruimte, een plaats innemen in de ruimte, helemaal  niet kan gebruiken.
Nu weten we ook nog dat er bij dit aanwezig zijn in de ruimte gewoonlijk drie ruimterichtingen, dimensies horen, die wij voor de ruimte bestempelen

Blz. 65

an­führen, nach der Dimension der Höhe, der Breite und der Tiefe oder Länge, wie man das dann nennen will. Es ist ja, nicht wahr, eine allge­meine, man möchte sagen, triviale Wahrheit, daß die Dinge im Raum nach den drei Dimensionen ausgedehnt sind. Also die Ausdehnung nach den drei Dimensionen würden wir anerkennen müssen sozusagen als das hervorstechendste Charakteristikon des Materiellen. Nun wird jeder, wenn er das bedenkt, was vorher gesagt worden ist – daß wir nämlich gegenüber dem, was in der Seele liegt, nicht von Raumer­füllung sprechen können -, sich sagen müssen, daß es gegenüber der Raumerfüllung noch etwas anderes gibt als eben das, was den Raum erfüllt, als die Materie oder den Stoff. Denn es gehört durchaus auch zu den Beobachtungen, die man schon auf dem physischen Plan machen kann, daß es eben nicht ausgedehnte Vorgänge, Zustände, wie man es nennen will, als Seelenerlebnisse gibt.

als de dimensie van de hoogte, de breedte en de diepte of de lengte, hoe je dat dan wil noemen. Dat de dingen in de ruimte in drie richtingen plaats innemen, kan je toch een algemene, alledaagse waarheid noemen. Dus het uitgedijd zijn in drie dimensies moeten we wel accepteren als de meest in het oog springende karakteristiek van het materiële. Nu zal iedereen wanneer hij overdenkt wat net is gezegd – dat we dus t.o.v. wat in de ziel aanwezig is, niet van innemen van ruimte kunnen spreken – tot zichzelf moeten zeggen dat er, als het om het innemen van ruimte gaat, er nog iets anders moet zijn dan iets wat ruimte inneemt zoals de materie of de stof. Want bij de waarnemingen die je op het fysieke plan al kan doen, hoort nu juist dat er ook geen ruimte innemende processen, toestanden, hoe je het noemen wil, als gevoelsbelevingen zijn.
GA 134/64-65
Niet vertaald

In dezelfde voordracht probeert Steiner duidelijk te maken hoe deze ruimte innemende vormen zijn ontstaan.
We kunnen weer even teruggaan naar de 2e voordracht van de Algemene menskunde en ons nog even voor de geest! halen, dat wat we in de aardse stoffelijkheid bewerken – dus in het voorbeeld daar gegeven – onze keuken willen (laten) bouwen, we eerst een plan, een idee hebben van deze keuken – een onstoffelijke keuken, dus. De taal geeft weer mooi aan dat het ‘plannen’, het ontwerpen, een activiteit is die onstoffelijk aan iets stoffelijks doet denken: plannen smeden

Voor de ‘dingen’ op aarde geldt dat in wezen ook: heel veel is op de tekentafel als ontwerp, ontstaan.
Steiner komt nu bij het kristal, een puur stoffelijk verschijnsel. Bij wie lag het ontwerp op de tekentafel, zou je kunnen vragen.
Hij gaat daarvoor terug naar de wordingsgeschiedenis van aarde en mens en moet daarvoor iets vertellen over de scheppende, de hiërarchische, bovenzintuiglijke wereld.
Zoals ik aan het begin van de 1e voordracht al zei, is het voor de leerkrachten die net de vrijeschool zijn binnen gekomen, al weer een onderwerp waarmee je waarschijnlijk nooit bezig bent geweest, sterker nog, velen zijn a.h.w. ‘net klaar’ met alles wat naar geloof riekt. En nu dit:

Blz. 72

Wenn die Geister des Willens zunächst auf dem alten Saturn, die Geister der Weisheit auf der alten Sonne, die Geister der Bewegung auf dem alten Mond und die Geister der Form auf der Erde gewirkt haben, so würden wir, wenn wir nur die rein innere Art der Geister der Form ins Auge fassen, sagen: Die Geister der Form haben auf der Erde den Menschen so geschaffen, daß er noch eine unsichtbare Form hat. Das stimmt in schöner Weise mit dem überein, was sich uns auch gestern ergeben hat. Unsichtbare, nicht räumliche Formen haben zunächst die Geister der Form dem Menschen beim Beginne seines Erdenwerdens gegeben. Nun müssen wir zunächst ins Auge fassen, daß auch alle äußeren Gegenstände, die uns entgegentreten, alles, was wir in der äußeren Welt durch unsere Sinne gewahr werden, auch nichts anderes ist als eben ein äußerer Ausdruck eines inneren Geistigen. Und hinter einer jeden äußeren räumlich materiellen Ding­lichkeit haben wir etwas ganz Ähnliches zu suchen, wie es in unserer Seele selber lebt. Nur tritt uns das natürlich nicht für die äußeren Sinne entgegen, sondern es ist hinter dem, was die äußeren Sinne darbieten.

Wanneer de geesten van de wil in eerste instantie op de oude Saturnus, de geesten van de wijsheid op de oude Zon, de geesten van de beweging op de oude Maan en de geesten van de vorm op de Aarde werkzaam zijn geweest, dan zouden we, wanneer we naar de puur innerlijke aard van de geesten van de vorm kijken, zeggen: de geesten van de vorm hebben op de Aarde de mens zo geschapen, dat hij nog een onzichtbare vorm heeft. ( ) Onzichtbare, niet-ruimtelijke vormen hebben de geesten van de vorm de mens bij het begin van zijn wording op aarde gegeven. De geesten van de vorm hebben de mens aan het begin van zijn wording op aarde, allereerst onzichtbare, ruimtelijke vormen gegeven. Nu moeten we ook meteen op het oog hebben dat ook alle uiterlijke dingen die we tegenkomen, alles wat wij in de uiterlijke wereld door onze zintuigen gewaar worden, ook niets anders is dan juist een uiterlijke uitdrukking van wat innerlijk geest is. En achter ieder uiterlijk, ruimtelijk materieel ding moeten we iets zoeken wat lijkt op wat in onze ziel zelf leeft. Maar dat krijgen we met de uiterlijke zintuigen niet te zien, dat ligt achter hetgeen we met de uiterlijke zintuigen waarnemen.

Wie könnte nun ein Wirken über die Geister der Form hinaus, über das, was diese schaffen als noch nicht räumliche Form, vorgestellt werden? Also, wohlgemerkt, unsere Frage ist jetzt: Wenn nun dieses Wirken weitergeht von Wille, Weisheit, Bewegung, Form, noch weiter über die Form hinaus, was geschieht denn dann? So ist die Frage ge­stellt. Sehen Sie, wenn nämlich ein Prozeß im Weltenall fortgeschrit­ten ist bis zur Form, die noch ganz im Geistig-Seelischen ist, die noch keine Raumesform ist, wenn der Prozeß fortgeschritten ist bis zu dieser übersinnlichen Form, dann ist der nächste Schritt nur noch möglich dadurch, daß die Form als solche zerbricht. Und das ist nämlich das, was sich dem okkulten Anblick darbietet: wenn gewisse Formen, die unter dem Einfluß der Geister der Form geschaffen sind, sich bis zu einem gewissen Zustand entwickelt haben, dann zerbrechen die Formen. Und wenn Sie nun ins Auge fassen zerbrochene Formen, etwas, was also dadurch entsteht, daß Formen, die noch übersinnlich sind, zerbrechen, dann haben Sie den Übergang von dem Übersinn­lichen in das Sinnliche des Raumes. Und das, was zerbrochene Form ist, das ist Materie.

Hoe kunnen we ons nu voorstellen wat er boven het werk van de geesten van de vorm uitgaat, boven wat deze bewerken als nog niet ruimtelijke vorm? Dus, onze vraag is eigenlijk: als de activiteit verder gaat door wil, wijsheid en beweging, vorm, nog verder boven de vorm uit, wat gebeurt er dan?
Wanneer een proces in het wereldal voortgang heeft gevonden tot in de vorm die nog helemaal een geest-zielenvorm is, die nog geen ruimtelijke vorm is, als het proces verder gegaan is tot aan deze bovenzintuiglijke vorm, dan is de volgende stap alleen maar mogelijk doordat die vorm als zodanig kapot gaat, breekt. De bovenzintuiglijke blik ziet: wanneer bepaalde vormen die onder invloed van de geesten van de vorm geschapen zijn, zich tot een bepaalde toestand hebben ontwikkeld, dat die vormen dan stuk gaan.

Steiner gebruikt hier het woord ‘zerbrechen‘. Naast de betekenis van ‘kapot gaan’ is er ook de betekenis ‘beëindigen’. Op zich vind ik dat wel een zinvolle vertaling, want die vorm(en) houdt op als iets geestelijks te bestaan, dus gebruik ik maar even ‘beëindigen, misschien moet het nog anders vertaald worden.

En wanneer je nu naar de beëindigde, uiteengevallen vormen kijkt als iets wat ontstaat doordat vormen die nog bovenzintuiglijk zijn, uiteenvallen, dan heb je de overgang van het bovenzintuiglijke naar het zintuiglijke van de ruimte. En de uiteengevallen vorm, is de materie.

Blz. 73

 Materie, wo sie im Weltenall auftritt, ist für den Okkultisten nichts anderes als zerbrochene, zerschellte, zerborstene Form. Wenn Sie sich vorstellen könnten, diese Kreide wäre als solche unsichtbar und sie hätte diese eigentümliche parallelepipedische Form, und als solche wäre sie unsichtbar, und jetzt nehmen Sie einen Ham­mer und schlagen rasch das Stück Kreide an, daß es zerstiebt, daß es in lauter kleine Stücke zerbirst, dann haben Sie die Form zerbrochen. Nehmen Sie an, in diesem Augenblicke, in dem Sie die Form zer­brechen, würde das Unsichtbare sichtbar werden, dann haben Sie ein Bild für die Entstehung der Materie. Materie ist solcher Geist, der sich entwickelt hat bis zur Form und dann zerborsten, zerbrochen, in sich zusammengefallen ist.

 Materie, wanneer die aanwezig is in het wereldal, is voor de helderziende niets anders dan een uiteengevallen vorm.

Hier gebruikt Steiner de woorden ‘zerschellen’ (te pletter vallen) ‘zerbersten, (heftig barsten).

Wanneer je je zou kunnen voorstellen dat dit krijtje onzichtbaar zou zijn en deze bijzondere parallelepipedische vorm zou hebben, onzichtbaar dus, en je zou een hamer nemen en erop slaan zodat het wegstuift, dat het in louter kleine stukjes barst, dan heb je de vorm verbroken. Neem eens aan dat je op dit ogenblik als je de vorm versplintert, het onzichtbare zichtbaar zou  worden, dan heb je een beeld voor het ontstaan van de materie. Materie is die geest die zich heeft ontwikkeld tot aan de vorm en dan gebarsten, gebroken is, ‘zusammengefallen’ – dat wordt wel van deeg gezegd: ‘ingezakt’.

Materie ist ein Trümmerhaufen des Geistes. Es ist außerordentlich wichtig, daß man gerade diese Definition ins Auge faßt, daß Materie ein Trümmerhaufen des Geistes ist. Materie ist also in Wirklichkeit Geist, aber zerbrochener Geist.
Wenn Sie jetzt weiter nachdenken, so werden Sie sich sagen: Ja, aber es treten uns doch räumliche Formen entgegen wie die schönen Kristallformen; an den Kristallen treten uns doch räumlich sehr schöne Formen entgegen – und du sagst, alles das, was stofflich ist, sei ein Trümmerhaufen des Geistes, sei zerborstener Geist! – Denken Sie sich zunächst einmal, damit Sie eine gewisse Vorstellung haben, einen herabfallenden Wasserstrahl (a). Nehmen Sie aber an, er wäre 

Materie is een puinhoop, de brokstukken, van de geest. Het is buitengewoon belangrijk dat je juist deze definitie op het oog hebt – materie is brokstukken van de geest. Materie is dus in wezen geest, maar uit elkaar gevallen geest.
Wanneer je nu verder nadenkt, zeg je misschien wel: maar we zien toch de ruimtelijke vormen, zoals bijv. de prachtige kristalvormen; met de kristallen hebben we toch prachtige ruimtelijke vormen – en nu zeg je dat alles wat stoffelijk is, brokstukken van de geest, gebarsten geest zijn!
Maar denk nu eens zodat je een bepaalde voorstelling krijgt, dat je hier een waterstraal hebt:   a

unsichtbar, Sie würden ihn nicht sehen. Und Sie geben ihm hier (b) eine Widerlage. Dadurch, daß dieser Wasserstrahl hier (b) auffällt, wird er in dieser Weise in Tropfen zerbersten (c). Nun nehmen Sie an, der Wasserstrahl, der herunterfällt,

maar neem eens aan dat die onzichtbaar zou zijn, je ziet hem niet. En hier bij b, zou je een massief vlak leggen. En omdat die waterstraal op b terechtkomt, spat die in druppels uiteen: c. Nu nemen we aan dat de neervallende waterstraal onzichtbaar is

Blz. 74

wäre unsichtbar; das würde aber sichtbar, was zerborsten ist. Dann hätten Sie hier einen zertrüm­merten Wasserstrahl, hätten wiederum ein Bild der Materie. Aber jetzt müßten Sie sich wegdenken die Widerlage da unten, denn so etwas gibt es nicht, das würde schon voraussetzen, daß Materie da wäre. Sie müssen sich vorstellen: ohne daß eine solche Widerlage da ist, ist die Materie, indem sie sich geistig zur Form gliedert, übersinn­lich, ist die Materie in Bewegung, denn die Bewegung geht der Form voraus. Es gibt nirgends etwas anderes als das, was durchdrungen ist von den Taten der Geister der Bewegung. An einem bestimmten Punkt kommt die Bewegung bei der Form an, erlahmt in sich selber und zerbirst in sich selber. Die Hauptsache ist, daß wir es so auffassen, daß das, was zunächst geistig-seelisch ist, hinstrahlt, aber nur eine gewisse Schwungkraft hat, an das Ende der Schwungkraft kommt und nun in sich selber zurückprallt und dabei zerbirst. So daß, wenn wir irgendwo Materie auftreten sehen, wir sagen können: dieser Ma­terie liegt zugrunde ein Übersinnliches, das an die Grenze seines Wir­kens gekommen ist und an dieser Grenze zerbirst.

 en wat uiteen spat zichtbaar. Dan heb je hier een verbrokkelde waterstraal, hier heb je weer een beeld van de materie. Maar nu moet je dat massieve vlak daar beneden wegdenken, want dat is er niet, dat zou veronderstellen dat er al materie zou zijn. Je moet je voorstellen: zonder dat er zo’n massief vlak is, is de materie als die zich geestelijk tot vorm ontwikkelt, bovenzintuiglijk, in beweging, want beweging gaat aan de vorm vooraf. Er is niets anders dan wat doordrongen is door de activiteit van de geesten van de beweging. Op een bepaald punt komt de beweging bij de vorm, verlamt in zichzelf en barst in zichzelf. De hoofdzaak is dat we het zo opvatten dat wat eerst iets is van geest en ziel, wegstraalt, echter maar een bepaalde kracht heeft om te bewegen, tot een einde van de bewegingskracht komt en dan in zichzelf terugbotst en daarbij uit elkaar breekt. Zodat, wanneer we ergens materie zien, we kunnen zeggen: aan deze materie ligt iets bovenzintuiglijks ten grondslag, dat aan de grens van zijn activiteit gekomen is en aan deze grens uiteen barst.

Aber bevor es zer­birst, da hat es innerlich geistig noch die Formen. Nun wirkt in den einzelnen auseinanderfallenden Trümmern, wenn es zerborsten ist, nach das, was als geistige Form vorhanden war. Wo das stark nachwirkt, da setzen sich nach dem Zerbersten noch die Linien der gei­stigen Formen fort, und da drückt sich, nachdem das Stück zerborsten auseinanderprallt, in den Linien, die sie dann beschreiben, noch eine Nachwirkung der geistigen Linien aus. Dadurch entstehen Kristalle. Kristalle sind Nachbildungen geistiger Formen, die gleichsam noch durch die eigene Schwungkraft die ursprüngliche Richtung im ent­gegengesetzten Sinn beibehalten.

Maar voor dat gebeurt, bestaan innerlijk-geestelijk de vormen nog. Nu werkt dat in het losse, uiteenvallende ‘puin’, wanneer het gebarsten is, door, wat als geestelijke vorm aanwezig was. Waar dat sterk doorwerkt, gaan, na het uiteenspringen, de lijnen van de geestelijke vormen verder en dan komt, nadat het stuk uiteengevallen is, in de lijnen die zij dan beschrijven nog een nawerking van de geestelijke lijnen tot uitdrukking. Daardoor ontstaan kristallen. Kristallen zijn nawerkingen van geestelijke vormen die a.h.w. door hun eigen bewegingskracht de oorspronkelijke richting in tegenovergestelde zin nog behouden.

(  ) Kurz, überall ist Materie das, was man nennen kann: zerbrochene Geistigkeit. Materie ist schon eben nichts anderes als Geist, aber Geist im zerbrochenen Zustand.

( ) Kortom, overal is materie datgene wat kan noemen: verbroken geest. Materie is niets anders dan geest, maar de geest in een ge(ver)broken toestand.
GA 134/72-74
Niet vertaald

Blz. 84

( ) daß wir uns eigentlich unter der Materie, der Stofflichkeit, vorzustellen haben zerbrochene geistige Formen, gleichsam pulverisierte geistige Formen. Und wir mußten ja gerade in dem Zusammenhange dieser Vorträge von dieser Seite her auf das Wesentlichste des materiellen Daseins hinweisen, weil wir als Men­schen eingesponnen worden sind in dieses materielle Dasein, weil so­zusagen die zersprühende geistige Form in uns eingedrungen ist und uns ausfüllt als Erdenmenschen -, ( )

Onder materie, onder het stoffelijke moeten we ons eigenlijk voorstellen verbroken geestelijke vormen, a.h.w. – hier gebruikt Steiner ‘pulverisieren‘, zoiets als verpulveren, vernevelen, ‘eine Kreide verpulveren’ = een krijtje! in krijtstof veranderen – stof geworden geestelijke vormen.
GA 134/84
Niewt vertaald

In deze voordracht van GA 134 wijst Steiner erop dat we dit als mens moeten weten, omdat we a.h.w. ingesponnen zijn in de aardse materie. De geestelijke vormen die uiteenvallen dringen ook door tot in ons fysieke wezen en vullen dat met materie.

In dubbel opzicht dus geen gemakkelijke stof, dit. Toch hielpen mij de opmerkingen in GA 134 wel om ‘in een sfeer van begrip’ te komen voor wat hij in de Algemene menskunde over materie zegt.

Blz. 185  vert. 188

Denn, sehen Sie, in diesem Haupt des Menschen, da geschieht etwas höchst Merkwürdiges: indem da sich alles staut im Menschen von dem Geistig-Seelischen, spritzt es zurück wie das Wasser, wenn es an ein Wehr kommt.

Want, weet u, in het hoofd van de mens gebeurt iets heel merkwaardigs. Omdat geest en ziel daar gestuwd worden, spatten ze terug als water bij een dam.

Hier hebben we m.i. ook wat in GA 134 wordt gezegd: de geestelijke waterval – zie tek. hierboven – stoot op een massief stuk rots en spat uiteen.

Das heißt, es spritzt dasjenige, was das Geistig-Seelische von der Materie mitträgt, so wie der Mississippi den Sand, auch im Inneren des Gehirns zurück, so daß da sich überschlagende Strömungen im Gehirn sind, wo das Geistig-Seelische sich staut.

Dat wil zeggen, de materie die door het geestelijke meegevoerd wordt – zoals zand door de Mississippi – die spat binnen in de hersenen terug. Zo zijn er in de hersenen, waar geest en ziel gestuwd worden, allerlei stromingen die door elkaar heen wervelen.

Het proces van geest die stof wordt zoals beschreven in GA 134 hierboven, wordt nu nog concreter beschreven. En zoals we weten: ook de stof blijft niet eeuwig stof, maar is vergankelijk, valt uit elkaar. En in en met ons aardse lichaam gaat dat proces van uit elkaar vallen, een heel leven door, totdat met de dood dit proces van uiteenvallen en ‘verpulveren’, as, stof worden, definitief ten einde komt.. 

De zenuwen

Wat zei Steiner in de Algemene menskunde eerder over ‘de zenuw’, m.n. in de 2e voordracht:

Blz. 37    vert.  38

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam.

Das seelisch Vorgeburtliche wirkt durch Antipathie, Gedächtnis und Begriff herein in den menschlichen Leib und schafft die Nerven .Das ist der richtige Begriff der Nerven.

De zielenwereld van voor de geboorte werkt via antipathie, geheugen en begrip door tot in het menselijk lichaam en creëert de zenuwen. Op deze wijze begrijpt men de zenuwen werkelijk.

Blz.  39  vert.  blz. 38

Im Gegensatz zum Blut sind alle Nerven so veranlagt, daβ sie fortwährend im Absterben , im Materiellwerden begriffen sind. Was längs der Nervenbahnen liegt, das ist eigentlich ausgeschiedene Materie; der Nerv ist eigentlich abgesonderte Materie.

In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigenschap dat ze zich voortdurend in een sterfproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie. 

En in de 13e dus een vervolg:

Blz. 187   vert. 188

Und im zurückschlagen des Materiellen, da fällt im Gehirn fortwährend Materie in sich selbst zusammen. Und wenn Materie, die noch vom Leben durchdrungen ist, in sich selbst zusammenfällt, also so zurückschlägt, wie ich es Ihnen gezeigt habe, dann entsteht der Nerv.

En bij dat terugkaatsen van de materie valt in de hersenen voortdurend materie uit elkaar. En wanneer nog levende materie ‘uit elkaar valt’, dus zo teruggekaatst wordt als ik heb laten zien, dan ontstaat de zenuw.

Der Nerv entsteht immer, wenn vom Geiste durch das Leben getriebene Materie in sich selbst zusammenfällt und im lebendigen Organismus drinnen abstirbt. Deshalb ist der Nerv im lebendigen Organismus drinnen abgestorbene Materie, so daß sich also das Leben verschiebt, sich in sich selbst staut, Materie abbröckelt, zusammenfällt. So entstehen Kanäle im Menschen, die überall hingehen, die ausgefüllt sind von erstorbener Materie, die Nerven; da kann dann das Geistig- Seelische zurücksprudeln in den Menschen. Längs der Nerven sprudelt das Geistig-Seelische durch den Menschen durch, weil das Geistig-Seelische die zerfallende Materie braucht. Es läßt die Materie an der Oberfläche des Menschen zerfallen, bringt sie zum Abschuppen. Dieses Geistig-Seelische läßt sich nur darauf ein, den Menschen zu erfüllen, wenn in ihm die Materie zuerst erstirbt. Längs der materiell erstorbenen Nervenbahnen bewegt sich im Inneren das Geistig-Seelische des Menschen.

Een zenuw ontstaat altijd wanneer materie, die door de geest langs de weg van het leven wordt gevoerd, ineenstort en binnen het levende organisme afsterft. Daarom is binnen een levend organisme een zenuw toch iets afgestorvens, zodat het leven verschuift: het leven wordt gestuwd, materie brokkelt af en valt uit elkaar. Zo ontstaan kanalen in de mens die overal heen lopen en vol afgestorven materie zijn: de zenuwen. Langs die kanalen kan het geestelijke terugvloeien in de mens. Het geestelijke bruist via de zenuwbanen door de mens heen omdat het de uiteenvallende materie nodig heeft. De geest doet de materie aan de oppervlakte afsterven, afschilferen. Het geestelijke kan de mens alleen vervullen wanneer eerst in de mens de materie sterft. Geest en ziel bewegen zich binnen in de mens langs de, materieel gezien, dode zenuwbanen.

Blz. 189 in de vertaling is een nog verder uitgewerkte karakterisering van wat ik hierboven al aandroeg.
Wat in de 2e voordracht aan bod kwam als voorstelling en wil, dus fysiek als zenuw en bloed, vind je hier weer terug. Het bloed, de wil betekent voor de bewustzijnstoestand: slaap, zie voordracht 6.
Het voorstellen of het kennen heeft wakkerheid nodig en de zenuwen, culminerend in het brein, laten geest-ziel door, zodat het kennen, het denken tot stand kan komen. 
Aan het eind van blz. 189 komen we tegen (  )  (wat)…de geest ertoe brengt de vormen voort te brengen die het organisme gestalte geven.

Dit ‘voortbrengen van vormen’, van gestalte, zien we uiterlijk als materie, ons stoffelijk lichaam.
Daarmee zijn we terug bij het begin van dit artikel, bij GA 134.

Zoals al opgemerkt: geen gemakkelijk onderwerp. 
Maar hierna wordt het weer praktischer.

.
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2763-2592

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-4)

.

Dr. med. Werner Hassauer, Weledaberichten 140 dec. 1986
.

POORTEN VAN HET LEVEN: GEBOORTE EN DOOD

De bestemming van de mens

De mens als zielen- en geestwezen

Als men de tegenwoordig gangbare mening over geboorte en dood hoort, wordt de geboorte over ’t algemeen als een vreugdevolle, het gemoed positief beïnvloedende gebeurtenis gezien, terwijl de ontmoeting met de dood als iets treurigs, soms tragisch wordt beleefd.
De geboorte van een mens brengt de ouders en wie er verder deel aan heeft in een stemming van blijde verwachting; de dood daarentegen veroorzaakt bij de nabestaanden smart, verdriet en tranen.
Als wij echter de betrokkenen zelf zien, de mensen die het proces van de geboorte of van de dood aan den lijve ervaren, dan zijn de feiten omgekeerd: het kind, de pas geboren mens, huilt en schreeuwt omdat het zich hoogst onbehaaglijk voelt; de schrijver van dit artikel heeft als arts bij de enkele duizenden kinderen die hij hielp geboren te worden, nog nooit een pasgeborene van plezier en welbehagen horen juichen. De stervende daarentegen voelt na een eventueel lang lijden het stervensproces als de verlossing van pijn en leed en als men mensen, die eigenlijk al “gestorven” waren, die echter door reanimatie weer in dit leven werden teruggehaald daarover vraagt, dan vertellen zij bijna zonder uitzondering van een wonderbaarlijke toestand van bevrijding waarin zij zich bijzonder wel voelden, maar waaruit zij plotseling werden weggerukt. Zij voelden zich daarna weer gekluisterd in de smartelijke benauwing van het lichamelijk-aardse bestaan.
Beide toestanden, de geboorte zowel als de dood, zijn – hoe de betrokkenen dit dan ook beleven – ervaringen, die een belevende ziel vooropstellen, ook en in ’t bijzonder bij de mens die wordt geboren.
Als dat juist is, ontstaan hieruit enkele vragen, nl. wanneer begint eigenlijk het menselijke wezen dat gaat ontstaan, een ziel te zijn? Is die er onmiddellijk volledig ontwikkeld, of ontwikkelt zij zich uit een soort van psychische kiemcel net zo, als het lichaam ontstaat uit de fysieke kiemcel? Wat doet de ziel tijdens het geboorteproces? Welke relatie heeft zij met het fysieke lichaam? Is zij het product van het lichaam, een soort van functie daarvan? Of is zij volledig onafhankelijk van het lichaam, heeft zij daarmee niets te maken, bestaat zij om zo te zeggen parallel daaraan? Hoe ziet het zielenwezen eruit bij het kind, hoe bij de volwassene? Blijft het altijd eender of kan het zich ontwikkelen? Hoe verhoudt dit zielenwezen zich tot wat men geest noemt? Zijn ziel en geest slechts verschillende benamingen voor hetzelfde? Wat doet de ziel als de mens slaapt, als hij sterft? Sterft zij dan ook? Indien niet, waar gaat zij dan heen? Wat heeft het te betekenen, dat zij hier op aarde is? Heeft haar bestaan zin, of is zij slechts aan een toeval onderworpen? Wat voor toeval? Is zij een speelbal van zuiver natuur- en scheikundige wetten of is zij onderworpen aan eigen “toevallige” psychische wetmatigheden? Hoe kan men die doorgronden?
Het is duidelijk; de ene vraag volgt op de andere; deze reeks kan nog lang worden voortgezet. Wij willen proberen, hierin enige orde te scheppen en in het hierna volgende op grond van observaties enige antwoorden te vinden.

Laat ons uitgaan van de waarneming van het zielenwezen van de volwassene, omdat dit voor ons het gemakkelijkst toegankelijk is. Wij behoeven immers slechts onszelf te observeren. Het behoeft geen betoog dat in ons een psychische component aanwezig is, want wij hebben gewaarwordingen, zintuigelijke indrukken, reageren met onze binnenwereld op de buitenwereld. Wij kennen vrees, tevredenheid, vreugde, verdriet, sympathie, antipathie, waarmee wij reageren op de indrukken uit onze omgeving. Het gehele brede palet van de reacties van ons innerlijk op waarnemingen en indrukken van de buitenwereld kunnen wij ziel, psychisch spectrum noemen. Dergelijke psychische elementen vertonen natuurlijk ook de dieren en het zou onzinnig zijn als men zou willen ontkennen dat bijvoorbeeld een hond geen ziel heeft. Als men dit psychische van de mens tot aan de geboorte volgt, dan is het onbetwistbaar, dat ook het pasgeboren kind in bovenbedoelde zin een ziel heeft. Wij zullen nog moeten nagaan, hoe het met de ziel vóór de geboorte en na de dood gesteld is.

Voorlopig moet de vraag gesteld worden, wat na het hierboven gestelde de mens van het dier onderscheidt. Dan blijkt, dat in het zielenwezen op zichzelf het verschil zeker niet ligt, want beiden hebben zij immers een ziel. Als wij echter mens en dier in hun psychische gedrag nauwkeuriger gadeslaan, dan ontdekken wij al spoedig een fundamenteel verschil. Het dier reageert op indrukken uit de buitenwereld altijd op een bepaalde manier, afhankelijk van de soort. De reacties, zou men haast zeggen, zijn geprogrammeerd. Een dier geeft er zich geen rekenschap van of het al of niet juist heeft gehandeld; het handelt naar zijn aard steeds juist. De mens kan in zijn gedragingen net zo zijn als het dier, maar hij heeft ook de mogelijkheid, de programmering door sympathie of antipathie te doorbreken, hij kan op grond van sympathie of antipathie reageren, maar hij hoeft dat niet te doen. Een element van vrijheid duikt hier op, een specifiek, slechts aan de mens voorbehouden en mogelijk element. Goethe zegt hierover: ”Het dier wordt door zijn organen geïnstrueerd: de mens instrueert de zijne en beheerst ze.” (Spreuken in proza) 

De mogelijkheid van zo’n gedrag stelt voorop – nauwkeurige waarneming toont dit aan – dat er in de mens een gebied moet zijn, dat hem afstand laat nemen van zijn eigen zielsgewaarwordingen, van zijn sympathie- en antipathiereacties en het daaruit volgende noodzakelijke gedrag. Er moet een gebied bestaan, dat hem in staat stelt, vrij te zijn wat zijn reacties en beslissingen betreft, wat hem tenslotte ook vrij laat zijn in wat hij waarnemen wil, waar hij zijn aandacht op wil richten, in dit gebied is de mens geheel en al mens, individualiteit, totaal onafhankelijk van de psychische bewogenheid ten gevolge van sympathie en antipathie. Als hij zoekt naar een benaming voor dit aller oorspronkelijkste en intiemste gebied van zijn wezen, dan zal hij dit ”ik” noemen. Daarmee is iets omlijnd, dat absoluut slechts hemzelf als mens aangaat. Doordat hij zich totaal daarmee identificeert, verenigt hij zich met zijn eigen wezen, zijn ik. Hij verenigt zich met wat hem tot mens, tot individualiteit maakt. Als men deze gedachtegang tot dusver heeft gevolgd, dan heeft men tegelijkertijd zichzelf als individualiteit beleefd. Men merkt echter ook, dat wij over ’t algemeen nog ver ervan zijn verwijderd, ons “ik” in zijn volle werkelijkheid te hebben ervaren. In zoverre zijn wij ook nog niet vrij. Wij zijn pas op weg, mens te worden. Maar al te zeer vallen wij nog ten prooi aan de golvingen van antipathie en sympathie in ons zielenwezen. Maar desniettemin hebben wij de mogelijkheid tot menswording, een ontwikkeling naar de vrijheid en daardoor tot zelfstandig oordelen en handelen ten opzichte van goed en kwaad omlijnd. In het vrije inzicht en aanvaarden van die mogelijkheid ligt de ontwikkeling op weg naar de mens.

Het ik, de eigenlijke geestelijke kern van de mens, is – zoals de waarneming laat zien ~ in een voortdurende strijd betrokken met het lichaam en de omgeving. Het gebied, waar dit plaats vindt, zou men het zielengebied van de mens kunnen noemen. De ziel is dan het verbindende element tussen buiten- en binnenwereld, tussen materie en geest, tussen lichaam en ik.

Laat ons nu nagaan, hoe het ik, de menselijke individualiteit, zich gedraagt in het verloop van het leven tussen geboorte en dood. Wij hebben geconstateerd, dat wij van geboorte tot dood steeds ziel zijn, steeds reageren vanuit ons innerlijk op de buitenwereld. Zijn wij ook steeds een ik, respectievelijk is ook steeds ons ik volledig aanwezig in ons lichaam? Wat doen bijvoorbeeld ons ik en wat wij ziel hebben genoemd, in de slaap? Wij moeten constateren, dat deze beide er dan niet zijn, zich niet in ons lichaam bevinden. Maar wij hebben beperkte reacties van onze ziel op invloeden van de buitenwereld, want wij kunnen worden wakker gemaakt. Bewustheid omtrent ons ik ontstaat echter slechts, als dit ik verbonden is met het lichaam. In de slaap ontstaat a.h.w. elke keer een hiaat in de continuïteit van ons bewustzijn, waarin wij met ons ik niet aanwezig zijn. Als wij evenwel ons hele leven overzien, dan worden wij gewaar, dat er toch een continuïteit in onze levensloop is, een biografische draad, die door ons leven heenloopt ondanks de schijnbare hiaten door de slaap in ons bewustzijn. Wij knopen met hetgeen er als de som van onze ervaringen van ons ik uit ons voorafgaande leven aanwezig is, ’s ochtends steeds weer aan op het punt waar wij ’s avonds wat ons bewustzijn betreft zijn opgehouden. Ons ik als de vergaarder van onze ervaringen moet dus de nacht hebben doorstaan, hoewel wij dat niet bewust beleefden en het niet met ons lichamelijk bestaan was verbonden.

De som van onze ervaringen, onze goede en verkeerde beslissingen en daden blijft in ons ik bewaard. Dit moet dus iets van voortdurende, eeuwige aard zijn. Wij mogen daarom veronderstellen, dat het ook over de dood heen blijft bestaan, dus ook wanneer het ons lichaam niet alleen gedurende de slaap korte tijd verlaat, maar als zich een duurzame scheiding van onze geestelijke kern van het lichaam voltrekt. Nu willen wij ons afvragen, hoe de omstandigheden zijn bij die andere hoeksteen van ons aardse leven, bij de geboorte. Als wij nauwlettender toezien merken wij, dat de graad van bewustheid omtrent het bestaan van ons ik gedurende ons leven zeer variabel is en in hoge mate afhangt van de leeftijdsfasen. Als kind en jong mens beseffen wij nog maar heel vaag en
onvolkomen wat ons in de bovenbedoelde zin tot mens maakt. Wij zien, dat ons ik-bewustzijn niet onmiddellijk bij de geboorte maar pas later, ongeveer vanaf het 2e-3e jaar en daarna heel langzaam ontwaakt. In de eerste levensjaren hebben wij in ’t geheel geen bewustzijn van ons ik, wij herinneren ons van die tijd ook niets. Geen bewustzijn van het ik te hebben betekent echter – zoals wij zagen – niet dat het ik als geestelijk wezen niet bestaat. Anders zou elke avond, als wij inslapen, ons ik moeten uitblussen en ’s ochtends, als wij ontwaken, opnieuw moeten ontstaan. Dit is stellig niet het geval zoals wij op grond van het gegeven van de continuïteit van onze biografie hebben gezien. Wij mogen daarom het bestaan van ons geestelijke wezen ook in de kindertijd tot aan de bewuste ervaring ervan veronderstellen en concluderen dat onze individualiteit ook vóór de geboorte, zelfs vóór de conceptie bestaat. Ons ik als een geestelijk wezen met continuïteit, voortduring, zelfs het kenmerk van eeuwigheid, kwam hierboven reeds ter sprake.

Wij spraken over een som van levenservaringen die ons ik gedurende het leven op aarde opdoet, over een som van oordelen, beslissingen en daden. Deze som van ervaringen, die men de kwintessens van ons aardeleven zou kunnen noemen, blijft – zoals wij zagen – na de dood bestaan, zij bepaalt de grond van rijpheid van ons ik. Wat wordt er nu verder uit die toestand van rijpheid van het ik? Niemand zal immers willen beweren, dat ons ik al zover gerijpt en ervaren zou zijn, dat het niet verder zou kunnen rijpen, niet nog meer levenservaringen zou kunnen opdoen. Zou de biografie van ieder van ons min of meer onvoltooid afbreken en in een soort van “niets” oplossen? Dan zou ons bestaan zinloos zijn!.

Als wij de uitgangspunten van onze biografie nagaan, onze begaafdheden die wij meekrijgen, onze gezonde of zieke constitutie waarmee wij geboren worden, het milieu en nog vele andere factoren die ons bij de geboorte omringen, dan moeten wij vaststellen dat wij eigenlijk onze levensloop uit heel verschillende “startblokken” beginnen. En als wij het verdere verloop van ons leven overzien met onze ontmoetingen, lotgevallen, successen, ons falen enz. dan kunnen wij wederom slechts vaststellen, dat er veel oneffenheden, ongerijmdheden, ook onrechtvaardigheden bestaan.

Waarom is dit zo? Bestaat er iets als een rechtvaardige wereldorde? Indien dit zo is, hoe passen de geconstateerde ongelijkheden daarin? Hoe is dat, als een onvoltooide biografie, de onrijpheid van het ik in een leven na de dood verder gaat in een voortgezette verandering en rijping van de opgedane levenservaringen tot aan het stadium, dat die levenservaringen, de verkeerde en juiste oordelen, de rechtvaardige en onrechtvaardige beslissingen, de schuld veroorzakende, respectievelijk slechte en goede daden door een rechtvaardige, ook rechtende wereldorde worden beoordeeld; als dit dan gedurende een verder levens-rijpingsproces in een nieuw aardeleven uitmondt en als zodanig de uitgangspositie oplevert voor de verdere vorming van het lot van het individu? Vanzelfsprekend moeten dan die uitgangsposities van de individuen verschillend zijn, heel verschillend dikwijls, afhankelijk van de vrucht van een vorig aardeleven. Pas op die manier wordt ook het in ieder mens diep verborgen verlangen gestild naar een orde scheppende gerechtigheid in de wereld. Slechts zo is ook werkelijk de continuïteit van het ik, waarvan hierboven sprake was, gegarandeerd. Niets gaat er verloren van hetgeen eens is bereikt. De mens als geestelijk wezen, als individualiteit, krijgt het kenmerk van eeuwigheid, maar niet in de betekenis van een duur zonder meer, maar van een onsterfelijkheid met de kenmerken van ontwikkeling en rijping, met de mogelijkheid hogere treden van het bestaan te vinden. De mens kan, zo gezien, werkelijk mens worden, een “wezen, aan God gelijk”, zoals de Bijbel als doel van de schepping vermeldt. Het wereldgebeuren wordt zinrijk en de rechtvaardigheid van een wereldorde daagt, waarin wij als mensen in die zin vrij kunnen worden, zoals hierboven is betoogd als mogelijkheid van de menswording.

De mens als lichamelijk wezen

In tegenstelling tot het eeuwigheidskarakter van ons ik heeft ons lichaam geen duurzaamheid; het is aan de vergankelijkheid onderworpen zoals al het aardse. Zijn bestaan is begrensd door de beide hoekpijlers van het aardse leven, geboorte en dood. Binnen deze beperking heeft het ook met een ontwikkeling te maken. Die bestaat uit een opgaande fase, waarin het lichaam groeit en zich ontplooit en in een neerwaarts gaande fase, waarin ouderdomsprocessen steeds meer de overhand krijgen. Bij nauwkeuriger toezien merken wij, dat deze opbouwende en afbrekende processen er al vanaf de geboorte zijn en gedurende de duur van het aardse leven bepalen hoe wij ons voelen. Wel is echter de intensiteit van opbouw en afbraak gedurende de afzonderlijke levensfasen verschillend. In de kinder- en jeugdjaren zijn de opbouwende krachten van ons lichaam zo intens, dat zij in hoge mate de afbrekende krachten overheersen, zodat wij die bijna niet merken. Pas langzamerhand beginnen – na een fase van evenwicht tussen beide krachten in het midden van het leven – de afbrekende ouderdomskrachten de overhand te krijgen, tot zij ten slotte in de ouderdom zo sterk de opbouwende krachten domineren, dat zij de dood van het fysieke lichaam veroorzaken. Er zijn dus in ons lichamelijk bestaan twee tegengestelde ritmen: grote intensiteit van de opbouwende krachten in het begin, langzamerhand intredende vermindering gedurende het leven tot aan het ophouden van de opbouw bij de dood; daar staat tegenover: geringe intensiteit van de afbraak bij de geboorte, toename daarvan gedurende het leven, grootste intensiteit daarvan ten slotte, eindigend met het absolute overwinnen van de opbouw in het ogenblik van de dood.

Als wij onze levensprocessen nog nauwkeuriger gadeslaan, dan zien wij dat aan dit grote ritme van ons lichaam gedurende het hele leven een kleiner ritme ondergeschikt is, waarin hetzelfde gebeurt, alleen niet tot in de consequentie van de dood: dat is het ritme van waken en slapen, het dag-nacht ritme met zijn korte fasen. Gedurende zijn verloop beschikken wij over veel opbouwende kracht ’s morgens als wij ontwaken uit de slaap. Hieraan teren overdag in toenemende mate afbrekende krachten, tot wij ’s avonds vermoeid de slaap zoeken om onze uitgeputte opbouwende krachten in de nacht te regenereren. Niet zonder reden noemde men vroeger de slaap de kleine broeder van de dood; men zei ook wel: de dood is een lange slaap, de slaap is een korte dood.
Wij ontdekken verder ook, dat er altijd een verheviging van afbraak- en vermoeidheidsprocessen in ons lichaam plaatsvindt – of anders gezegd, de vitale opbouwprocessen worden teruggedrongen – als wij met ons ik van ons lichaam bezit nemen, d.w.z. dat onze bewustzijnsprocessen toenemen, als wij “present” zijn. Gedurende de slaap zijn wij met ons ik en onze bewustzijnsprocessen buiten ons lichaam; dientengevolge hebben nu de in het lichaam werkzame opbouwkrachten de overhand en wij regenereren ons lichaam.

In het begin van ons leven zijn wij ons nog heel weinig bewust van ons lichaam en van de omgeving. Daardoor prevaleren de lichamelijke opbouw- en groeiprocessen. Op latere leeftijd zijn wij met ons ik, wat ons bewustzijn betreft, steeds meer aanwezig en worden de opbouw-, de regeneratieprocessen steeds meer teruggedrongen, tot wij in de dood in een hoger bewustzijnsproces belanden, nl. als onze lichamelijke levensprocessen het begeven.

Wij zien nu, dat levensprocessen, d.w.z. opbouw-, groei- en regeneratieprocessen aan de ene kant en bewustzijnsprocessen, d.w.z. afbraak-, afstervings- en doodsprocessen aan de andere kant een polariteit zijn. Bewustwording is een afbraak, een doodsproces dat zich slechts kan ontwikkelen ten koste van de groei- en regeneratieprocessen en omgekeerd.

Dit feit is een fundamenteel gegeven dat in de tegenwoordige materialistische wetenschap nog niet volledig ingang heeft gevonden. Want wat resulteert daaruit? Het inzicht, dat in de mens twee krachtrichtingen zijn: de ene, die de mens in zijn lichamelijk bestaan weliswaar opbouwt, hem evenwel niet tot bewustzijnsprocessen en dus tot inzichten – ook niet omtrent zijn eigen wezen – laat komen en een andere stroming van krachten, die hem in staat stelt, bewustzijn en dus ook inzichten te ontwikkelen, die evenwel tegelijkertijd het lichaam moet afbreken en vernietigen. M.a.w. bewustzijnsprocessen ontwikkelen zich nooit uit vitale opbouwprocessen via wat dan ook voor gecompliceerde processen van de materie, zoals tot dusver de wetenschap veronderstelt. Wij hebben een vitaal proces in ons lichaam, waarin de materie zich inpast en waardoor voeding, groei, regeneratie en reproductie kan plaatsvinden. Daar staat polair tegenover een geestelijk proces, dat vitaliteit afbreekt, materie vernietigt en in de vernietiging bewustzijn, ook zelfbewustzijn ontwikkelt. Beide polaire processen behoren bij het wezen van de mens en zijn in hun samen- en tegenwerking het spanningsveld van ons menszijn hier op aarde.

De bestemming van de mens-de mens als vrij wezen

Nu kunnen wij ons afvragen: waar ligt de oorsprong van de beide beschreven polen van het menselijke wezen? D.w.z. waar vandaan komt de mens als geestelijk en als ‘lichamelijk wezen?

Wij zagen de mens als geestelijk wezen: duurzaam eeuwig – een wezen, dat zich door verschillende aardelevens in een ontwikkelings-, d.w.z. rijpingsproces ter vervolkoming bevindt. Bij zijn oorsprong ontspruit dit geestelijke wezen, het ik van de mens, uit de vereniging met de goddelijke wereld van de Schepper, uit de godheid zelf, zoals dit in de verschillende mythologische scheppingsverhalen wordt beschreven.

In de Bijbel vinden wij de ons bekende scheppingsmythe. Daar wordt in grootse beeldentaal het oorspronkelijke één zijn van de mens met de hele schepping en de Schepper zelf in het beeld van het Paradijs verteld. Door de invloed van de Verzoeker maakt de mens zich dan los van die eenheid, wat tot gevolg heeft dat hij dan met de zintuiglijke wereld wordt geconfronteerd. De reeds beschreven tweeheid van goddelijk-geestelijke wereld enerzijds en de materiële zintuiglijke wereld anderzijds gaat zich manifesteren. De laatstgenoemde verschijnt daarbij als schepping uit de eerste. Het resultaat van deze scheiding is de dualiteit geest-materie, geest-natuur, geestelijke individualiteit- lichamelijk bestaan of hoe wij dit alles willen benoemen
Mythologisch in beelden, wordt dit proces van scheiding in de Bijbel als verstoting uit het Paradijs beschreven. Individualisering betekent hier: losmaking van een goddelijke vonk uit het algemeen-goddelijke, verzelfstandiging van een geestelijk deel, een ik. De vrucht daarvan is de mogelijkheid van individuele zelfstandigheid en vrijheid. Of dit ontwikkelingsmoment nu zo wordt uitgewerkt, dat het zich volledig naar de materiële wereld, d.w.z. de natuur, de fysieke dingen, het lichamelijke bestaan keert of dat het naar geestelijke gebieden streeft, is een bestanddeel en het eigenlijk kenmerk van de vrijheid. In onze tijd lijkt de mens, resp. de mensheid de voorkeur te geven aan de materiële wereld. Het is vanzelfsprekend dat dit problematische situaties veroorzaakt. Het zou wel eens een weg kunnen blijken, die niet is gebaseerd op een inzicht in wezenlijke realiteiten en die naar eenzijdigheden leidt. Dit beleven wij elke dag als wij niet blind zijn voor de werkelijkheid. Maar ook het streven naar een uitsluitend geestelijk bestaan zonder de materiële zintuiglijk wereld te willen leren kennen, zien wij in het streven naar het uitsluitend transcendente en ook in alles wat naar toestanden van de roes neigt. Dit nu, wat de fysieke gegevens negeert, moet echter in illusies uitmonden. Wij vinden maar al teveel voorbeelden hiervan in onze huidige omgeving.

Op grond van deze gezichtspunten ontdekken wij een nieuwe weg voor ons menselijke streven, die de beide genoemde mogelijkheden in hun polariteit tot een evenwicht, maar ook in de zin van Goethes zienswijze tot een intensivering leidt. Hier gaat het erom, dat vooreerst de mogelijkheid om vrijheid te vinden, die door de individualisering van het geestelijke principe in het ik werd veroverd, volledig wordt gerealiseerd: hier sta ”ik”, uniek in de wereld, met alle mogelijkheden vrij te zijn. Ik kan nu – potentieel- die vrijheid egoïstisch gebruiken, d.w.z. tegen mijn medemensen, tegen de natuur. M.a.w.: ik kan macht uit de vrijheid ontwikkelen, bijvoorbeeld dictator, tiran of iets dergelijks worden.

Ik kan de schepping uitbuiten, alles in dienst stellen van mijn machtswellust, mijn egoïsme. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik mijzelf, de mensheid, de aarde vernietig.

Ik kan echter ook vanuit het besef, hoe groots de idee van de vrijheid is, zeggen: ik beleef mijzelf in mijn waardigheid als geïndividualiseerd geestelijk wezen, als een ”ik” en handel uit het volle bewustzijn van die vrijheid. Ik besef, dat ik een goddelijke vonk bezit: mijn ik dat mij tot mens maakt. Die goddelijke vonk is geboren uit het geestelijke, is daaruit geïndividualiseerd. Ik heb door dat proces de verbinding (de religio) met de godheid verloren, ben eenzaam en geïsoleerd geworden. Met mij zijn op dezelfde wijze de andere mensen, “door God verlaten geworden”, zij hebben de verbinding met de geest verloren. Met ons is de gehele materiële wereld zelfstandig, materie geworden. Ik wil nu bewust, uit vrijheid een weg zoeken die mij weer naar een verbinding met het geestelijke leidt, mij weer in een goddelijk-geestelijke wereld laat binnengaan, nu echter in het volle bezit van mijn geïndividualiseerde geestelijke wezen, van mijn ik, van mijn vrijheid. Maar ik wil niet de aarde, de mij omringende natuur de rug toekeren om dwepend in iets geestelijks te verdwijnen, maar ik wil de aarde volledig accepteren doordat ik haar beleef als goddelijke schepping. Ik wil van haar aanvaarden, wat ik voor de instandhouding van mijn lichaam, voor de bevrediging van mijn lichamelijke behoeften nodig heb, zonder evenwel in egoïstische uitbuiting te vervallen. Ik wil de aarde verzorgen en haar als milieu beschermen en als waardig goddelijk schepsel cultiveren. Dit is ons mensen toevertrouwd als grondslag voor ons fysieke bestaan, niet in de zin van door macht afgedwongen uitbuiting, maar als een plaats waar een krachtige uit de geest en het wezen van de mens ontsproten cultuur kan gedijen.

In de vervulling van zo’n taak word ik waarlijk vrij, vind ik mijn bestemming als vrij mens. Niet macht is dan mijn doel, maar besef en liefde en vanuit die beide: ontwikkeling van vernieuwende impulsen. Ik besef: uit de geest ontwikkelde de mens, de mensheid zich om zelfstandigheid en vrijheid van het eigen geestelijke wezen te veroveren. Vanuit die vrijheid zoekt de mens bewust het geestelijke wederom waarbij zijn geïndividualiseerde geestwezen ten volle behouden blijft. In liefde neemt hij op die tocht de hem omringende schepping van de materiële wereld mee, die hem de basis schenkt voor zijn lichamelijke bestaan.

De beantwoording van de vraag naar de oorsprong van de mens als lichamelijk wezen is allicht gemakkelijker dan de vraag naar zijn oorsprong als geestelijk wezen.

Wij hebben gezien, dat ons lichaam vergankelijk is, niet duurzaam bestaat. Het is niet moeilijk in te zien, dat een levend wezen steeds een ander op aarde levend wezen nodig heeft, dat hem in de tijd voorgaat en waaruit hij ontstaat of waarvan hij afstamt. Al het levende ontstaat slechts uit het levende, d.w.z. het ene lichaam uit het andere. Dit is een feit, dat zich dagelijks op duizendvoudige wijze om ons heen sinds onheuglijke tijden voltrekt, ieder kan het waarnemen. En juist dit een ieder bekende feit staat in de meest krasse tegenstelling tot de verklaring van de materialistische wetenschap omtrent het ontstaan van het leven, van de levende lichamen. Vanzelfsprekend neemt ook een materialistisch georiënteerde wetenschapper het door ons genoemde feit waar, dat al het leven slechts van iets levends afstamt. Als het echter erop aankomt, het ontstaan van het allereerste leven te verklaren, vindt hij plotseling een hypothetische “generatio spontanea” uit, een soort van theoretische oer-verwekking, volgens welke uit de oorspronkelijk aanwezige, levenloze materie – iets anders kan de materialist zich niet voorstellen – door een hoogst gecompliceerde, maar totaal onduidelijke en onverklaarbare samenbundeling, of wat voor complicatie dan ook, het leven zou zijn ontstaan. Wat een merkwaardige, wonderlijke, maar totaal onlogische en bovenal elke wetenschappelijke denktrant tegensprekende zienswijze! Een zienswijze, die juist die wetenschappelijke denktrant weerspreekt, die slechts wil laten gelden, wat uiterlijk zintuigelijk kan worden waargenomen. Waargenomen echter kan worden, dat materie, dode materie, altijd ontstaat als het leven zich daaruit terugtrekt, dus wanneer zich een doodsproces voltrekt. Nooit en te nimmer heeft men gezien, dat iets doods, iets wat levenloos is, plotseling uit zichzelf ging leven!

Waarneembaar is ook, dat een levend organisme dode stof, bijvoorbeeld mineralen, opneemt en deze – doordat het leeft – integreert, met leven doordringt, tot levende organische substantie maakt. Dit proces volbrengen wij voortdurend, bijvoorbeeld in onze stofwisseling.
Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde, dat er eerst een levend organisme moet zijn dat de dode materie met leven doordringt. Als het leven zich terugtrekt ontstaat dode, levenloze substantie.

Wanneer het leven zich uit een gevormd organisme losmaakt, dan blijft er voorlopig iets over wat wij een lijk noemen, dat zich na verloop van tijd in de levenloze natuur oplost. Door deze observaties zijn wij in onze gedachtegang bij twee polariteiten aangekomen: wij hebben aan de ene kant de polariteit dode materie-levende, door het leven gegrepen materie ontdekt, aan de andere kant hebben wij de polariteit levende materie-gevormde materie gevonden. Omtrent beide polariteiten hebben wij ons hierboven reeds een inzicht verschaft. Wij hebben ons bezig gehouden met het proces dat dode materie in het gebied van het leven wordt opgenomen. Met betrekking tot de polariteit levende materie-gevormde materie hebben wij gezien, dat vormgevende processen altijd afbraakprocessen zijn, d.w.z. processen die het levende, de opbouw afremmen tot een zeker eindpunt. In dit verband is dat een vorm, een gestalte. Leven en gestaltevorming, levend-opbouwende en gestalte gevende, afbrekende processen staan polair tegenover elkaar. Zij bepalen als zodanig onze lichamelijke constitutie. Als zij in evenwicht zijn voelen wij ons gezond; als in de krachtsverhouding de ene of de andere kant domineert, dan voelen wij ons in een onevenwichtigheid betrokken, wij worden ziek. Voortdurend moeten wij in ons aardeleven naar het evenwicht van beide krachten, die van het leven en die van de vormgeving, van de opbouw en van de afbraak zoeken. In het bereiken, respectievelijk het steeds weer opnieuw uitbalanceren van dit evenwicht ligt ook een van de bedoelingen van ons bestaan op aarde.

Wij kunnen op grond van het voorafgaande nu zeggen: in het aardse gebied geboren worden betekent voor het geestelijke wezen van de mens, dat hij zijn geestelijke vaderland, de wereld van de goddelijke oorsprong, verlaat. Zo gezien sterft de mens voor de geestelijke wereld als hij fysiek wordt geboren. De fysieke dood daarentegen leidt het geestelijke wezen “mens” weer terug naar zijn eigenlijke vaderland. De mens wordt voor de geestelijke wereld opnieuw geboren als hij fysiek sterft. De scheiding van het geestelijke vaderland is evenwel noodzakelijk als het menselijke wezen zelfstandigheid en vrijheid wil verkrijgen. Een dergelijke ontwikkeling kan echter alleen in deze aardse wereld plaatsvinden. Geboorte en dood, zo gezien, zijn dus in de ene en in de andere richting gebeurtenissen die door goede machten in de wereld werden geplaatst om de mens de mogelijkheid te schenken dat hij zijn wezen ontwikkelt en vervolmaakt. Zonder geboorte en dood zou er ook geen opstanding zijn. Als wij dit inzien en aanvaarden kunnen wij met Goethe met betrekking tot de zin van ons bestaan op aarde en onze ontwikkeling als aardeburgers zeggen:

”Und so lang du das nicht hast,
dieses Stirb und Werde,
bist du nur ein trüber Gast
auf der dunklen Erde”

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.
(bron)

Wij verwijzen ook naar het boek van de auteur ”Die Geburt der Individualitat”, waaraan het bovenstaande – door de schrijver voor de Weleda Berichten bewerkt en aangevuld – is ontleend.

De publicatie is verschenen bij Verlag Urachhaus, Stuttgart.

.

Algemene menskunde: voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2762-2591

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-3)

.

Dr. Siegfried Gussmann, Weledaberichten 140  dec. 1986
.

GEDACHTEN OVER REÏNCARNATIE
.

Hoe komt het, dat zoveel mensen de reïncarnatiegedachte tot de hunne maken? Heeft men hier te maken met invloeden van oosterse opvattingen? Maar zelfs als dat zo zou zijn, dan moet men wederom vragen: hoe komt het dat deze idee in onze tijd [art. in 1986 geschreven] door zovelen wordt overgenomen? Kennelijk raakt zij een probleem, dat in het onderbewustzijn (of het bovenbewustzijn?) van veel tijdgenoten leeft: de vraag naar het vanwaar en waarheen van de persoonlijkheid. Men heeft lange tijd gemeend dat de idee van de reïncarnatie een wereldbeschouwelijk of theologisch probleem was. Pas sinds ongeveer dertig jaar [art. in 1986 geschreven] begint die mening allengs te veranderen en men gaat inzien, dat de reïncarnatie-idee een vraagstuk van de menskunde is. Hierop hebben vooral Rudolf Steiner en Rudolf Bubner gewezen. Elke tulp stamt af van andere tulpen; zij ontplooit zich dan zoals het milieu, het klimaat en de tuinman dat mogelijk maken. Elke merel stamt af van andere merels; hij leeft dan op de manier zoals de merelsoort dat doet. De erfelijkheidswetten van planten en dieren zijn nauwkeurig onderzocht en worden ook praktisch toegepast. Zij gelden ook voor de mens voor zover in hem de wetmatigheden van de planten- en dierenwereld gelden. Maar bij de mens komt er iets wezenlijk nieuws bij: zijn wezen. In al de gegevens van erfelijkheid en milieu wil onze wezenlijke kern tot uitdrukking komen. Wij leven niet alleen het leven dat voor de menselijke soort typisch is. leder probeert ook, zijn absoluut eigen privéleven te leiden; ieder heeft zijn eigen biografie, zijn eigen lot. Wat ons lichaam betreft stammen wij af van onze ouders. Ook het natuurlijke en sociale milieu drukken hun stempel op ons. Waar vandaan echter stamt de kern van onze persoonlijkheid? Hier kan de vraag rijzen: hebben wij in een vorig leven de oorzaken geschapen waarvan de gevolgen in ons huidige leven gunstig of belemmerend als ons lot op ons afkomen? Hiermee wordt bedoeld, dat de mens in zijn vorig bestaan zélf het lot heeft gevormd dat hij in een volgend leven op aarde aantreft. Is hierdoor niet ook de verantwoording, die wij door ons tegenwoordige handelen op ons nemen, in een veel groter, wijder verband te zien dan wanneer wij die verantwoording alleen maar tot ons huidige bestaan beperken? Men kan zich denkend met de idee van de reïncarnatie bezighouden en dan nagaan of door die idee vragen worden beantwoord die anders raadselen zouden moeten blijven; hoe het bijvoorbeeld gesteld is met een chronische ziekte, waaraan iemand zijn leven lang lijdt, die de arts misschien kan verzachten, maar toch niet geheel kan genezen. Wie aan een chronische ziekte of een gebrek lijdt, waarvoor in dit leven geen genezing mogelijk is, kan zich afvragen: welke vermogens verkrijg ik, doordat ik met deze belemmering een leven lang mijn ervaringen opdoe? [1] De idee van de reïncarnatie, objectief en nuchter doordacht, kan op die manier in menige levenssituatie hulp bieden. In het Duitse geestesleven heeft Gotthold Efraim Lessing onmiskenbaar voor deze idee gekozen. Aan het slot van zijn “Opvoeding van het mensengeslacht” zegt hij: “Waarom zou ik niet zó dikwijls terugkeren als ik in staat ben, mij nieuwe inzichten en vaardigheden te verwerven? Verover ik mij in één keer zoveel dat het niet de moeite waard zou zijn terug te komen?”

.

[1] Regelmatig kun je in allerlei artikelen lezen hoe mensen met een ziekte, een handicap omgaan en welke gedachten ze daarbij ontwikkeld hebben.
Zo schrijft Willem Philipsen n.a.v. een herseninfarct het boek: ‘Met de stroom mee‘’.

In ‘Mezza’ van 6 juni 2021 wordt hij geïnterviewd.
In zijn boek schrijft hij dat hij zichzelf op een andere manier heeft leren kennen, dat hij andere kanten en talenten van zichzelf heeft ontdekt. ‘Ik heb geleerd mijn ogenschijnlijke zwakte om te zetten in kracht.

Mijn herseninfarct heeft me meer gebracht dan het me heeft afgenomen. Als ik terugkijk op mijn leven als muzikant, dan was dat een eenzijdig leven, met oogkleppen op. Ik heb een nieuwe carrière opgebouwd. Door het delen van mijn verhaal hoop ik mensen te motiveren en inspiratie te geven om hun eigen leven opnieuw vorm te geven.’«

In ‘Mezza’ van 19 april 2025 gaat het over een relatie. De vriend krijgt een ongeluk, de vriendin blijft voor hem zorgen: Het herstel ging langzaam. Door het hersen­letsel, dat blijvend is, voelt Thomas minder remmingen. Ging het een tijdje beter met hem, dan werd hij onvoorzichtig en viel hij, waardoor hij weer terug bij af was. In 2019 had hij voor het laatst een ernstig ongeluk en sindsdien zit hij in een rolstoel.

Ik werd er radeloos van. Na het laatste ongeluk knapte er iets in mij. Ik realiseerde me dat ik te veel leunde op de verzorgende rol. Het gaf me houvast, maar het maakte me niet gelukkig. Toen ik me dit realiseerde, ben ik meer gaan nadenken over waar ik zelf behoefte aan heb. Wat maakt mij gelukkig? Door veel te praten, elkaar opnieuw te leren kennen en stil te staan bij alles wat we samen hebben meegemaakt, zijn we er krachtiger uitgekomen. Ik ben beter voor mezelf gaan zorgen. En we hebben gezorgd voor meer hulp, zodat wij gelijkwaardige partners kunnen zijn. Ik realiseerde me dat ik altijd bij hem ben gebleven, omdat de liefde tussen ons heel diep zit en dwars door alles heen gaat. 2019 voelt als een nieuw begin voor ons. Iets wat we hebben bezegeld door te trouwen.

We hebben, ondanks alle fysieke uitdagingen, een heel fijn leven samen. Kinderen en een carrière, dat zijn dingen die er allemaal niet in hebben gezeten voor ons. Het leven zoals het nu is, is al uitdagend genoeg. Toch had ik deze man en alle levenslessen die we hebben geleerd, voor geen goud willen missen. Het heeft het beste in ons naar boven gehaald.’

Literatuur:

R. Frieling: Christendom en reïncarnatie, Uitg. Christofoor
Lessing: De opvoeding van de mensheid
Steiner o.a.: Theosofie

G. Adler: Seelenwanderung und Wiedergeburt, Herderbücherei
E. Bock: Wiederholte Erdenleben, Verlag Urachhaus
R. Bubner: Evolution, Reinkarnation, Christentum, Verlag Urachhaus
H. Torwesten: Sind wir nur einmal auf Erden?, Herder Verlag

Boeken bij ABC Boeken

Algemene menskunde voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2761-2590

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/2)

.

Dr.Med. Olav Titze, Weledaberichten

.

HUID EN ORGANISME
.

De huid met haar uitlopers, de haren en de nagels, is in menig opzicht een spiegel van de functies van de inwendige organen. Men denke bijv. aan geelzucht bij leverinfecties, het bruin worden van de huid bij ziekten van de bijnieren, het nachtelijk transpireren bij ernstige hartkwalen, acnepuistjes in de puberteit en furunculose bij suikerpatiënten.

De huid weerspiegelt echter ook psychische toestanden: het verbleken als men schrikt, blozen als men zich schaamt. Hier blijkt de relatie met de bloedcirculatie.

Maar de huid is ook een orgaan met een speciale anatomische bouw en als zodanig behoort zij bij het zenuw-zintuigstelsel van de mens. Zij is immers van ontelbare zintuigcellen voorzien en kan ons daardoor via de tast- en warmtezin de buitenwereld laten gewaar worden.

Op die manier heeft de huid met alle drie systemen van functies bij de mens te maken; zij oefent tevens een eigen beschermende rol uit doordat zij de schadelijke invloeden van de buitenwereld afweert. Daarbij ondersteunt zij als zintuig deze taak, wanneer bijv. de tast- en warmtewaarnemingen door de overgang naar pijn gevaar signaleren.

Er zijn slechts weinig substanties die de gezonde huid kunnen doordringen. De huid van de zuigeling vormt in dit opzicht een uitzondering. Deze is nog bijna slijmvlies. Daarom is het vooral bij de verzorging van de zuigeling van belang, de middelen daarvoor uiterst zorgvuldig te kiezen. Dit geldt ook in het bijzonder bij acute huidontstekingen, als dientengevolge de huid haar beschermende functie verliest en zij doorlaatbaar wordt voor medicamenten.

De werkingen via de huid op het organisme zijn over het algemeen reactief. Als men bijv. een warme kruik op de buik legt om maag- of darmkrampen te verhelpen, dan werkt in zo’n geval de uitwendige warmte niet rechtstreeks, maar de uitwendige warmteprikkel heeft een reactie in het organisme tot gevolg, d.w.z. de onder de verwarmde plek liggende organen worden van meer bloed voorzien. Het tegengestelde gebeurt bij de toepassing van koude, bijv. als een blindedarmontsteking met een ijszak wordt behandeld.

De uitwendige toepassing van warmte kan versterkt worden door substanties die zelf een bijzondere relatie met de warmte hebben. Dat zijn de oliën en vetten. Zij kunnen ertoe bijdragen om de afkoeling van het organisme tegen te gaan. De Inuit bijv. wrijven zich bij zeer lage temperaturen in met olie. Vetrijk voedsel met zijn hoge waarde aan energie zorgt ervoor dat wij het ’s winters niet zo snel koud hebben. Aan het ontstaan van plantaardige oliën en vetten liggen intensieve warmteprocessen ten grondslag. Door de zonnewarmte kunnen immers in zaden en vruchten deze substanties als een uiting van rijpingsprocessen ontstaan.

De meestal sterk geurende etherische oliën doen hun invloed niet alleen via de huid maar ook via de ademhalingswegen gelden. De etherische lavendelolie [1] bijv. voelt men enerzijds als verwarmend, anderzijds – doordat men de kalmerende geur inademt – als rustgevend en ontspannend. De etherische rosmarijnolie daarentegen is stimulerend en opwekkend. De zeer vluchtige eucalyptusolie veroorzaakt nog in een tienvoudige verdunning een verkoelende prikkeling op de huid. Deze olie werkt via de ademhalingsorganen veel sterker dan via de huid.

De werking van koude kompressen, zoals die bijv. bij schedelkwetsuren en hersenschudding worden toegepast, kan worden versterkt door arnica [2]. Deze gedijt in het hooggebergte, in de kiezelrijke, schrale bodem van de formaties van het oergesteente. Er is nauwelijks een plant, die op zoveel manieren kan worden toegepast bij beschadigingen van de huid, o.a. als verdunde essence in een verkoelend kompres (1 eetlepel op ¼ l. water) of ook als zalf bij builen. In olie verwerkt vindt arnica bij vele reumatische klachten toepassing als toevoeging aan het bad.

Men kan echter niet alleen door middel van prikkels van warmte of koude, al of niet met behulp van bepaalde toevoegingen van medicamenten, invloed uitoefenen op het organisme, maar ook door gedoseerde en op de juiste plaats toegebrachte pijnlijke prikkels: op die manier kan men bijv. pijnlijke ontstekingen van de bijholten van de neus verzachten door de brandende pijn, die men met behulp van een mosterdkompres beneden aan de kuit opwekt, d.w.z. aan de tegenpool van het ziekteproces.

Via de huid beïnvloeden baden het gehele organisme; een warm bad kan de uitscheiding stimuleren en krampen oplossen. Etherische oliën, toegevoegd aan het badwater, hebben bovendien een werking via de ademhalingsorganen en de reukzin. Warme baden moeten echter worden ontraden, bij bijv. hart- en vaatziekten en aderontstekingen. Koude baden zijn verkwikkend en gaan de neiging tot verkoudheid tegen, bijv. bij kinderen die een lymfatische constitutie hebben. Natuurlijk moeten zij na het bad weer flink warm worden. De werking van een koud bad wordt verhoogd door er zout aan toe te voegen.

Zalven of oliën worden ingewreven door massage. Lichte massage verschaft ontspanning en rust. Krachtige massage is opwekkend en bevordert de bloedcirculatie. Pijnlijke benen met stuwingen in de aderen moeten heel zachtjes worden gemasseerd; door eenzijdige beweging stijf geworden spieren daarentegen moeten met massageolie stevig worden behandeld om het doorstromen van het bloed te bevorderen.

Samenvattend kan worden gezegd, dat de werkingen via de huid – op enkele uitzonderingen na – op het totale organisme hierin bestaan, dat de zintuigfunctie van de huid op vele manieren kan worden gestimuleerd. Het organisme geeft dan een soort antwoord: op een prikkel door middel van warmte volgt een sterker stromen van het bloed; prikkels door middel van koude bewerken het tegendeel daarvan, terwijl pijn op de ene plaats door een andere prikkel naar elders kan worden verplaatst. Geneesmiddelen kunnen deze zintuigprikkels op allerlei manieren versterken.

[1] Voor allerlei oliën: zie Weleda
[2] Arnica bij Weleda

.

Zintuigen: alle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

2760-2589

.

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304A

 Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

Antroposofische menskunde en pedagogiek

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923 is uitgegeven bij uitgeverij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [4]  [5] [6] [7] [8] [9]

(Eigen) inhoudsopgave voordracht 3

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)
Je kan direct doorlinken naar de pagina. Woord met bredere s p a t i e

Blz. 60: kan een wereldbeschouwing vruchtbaar zijn voor de pedagogie? Antroposofie wil geen wereldbeschouwing zijn, maar de mens beschrijven zoals hij is, wat daaruit volgt voor de opvoeding, is een vanzelfsprekendheid.
Blz. 61 e.v.: antroposofie wil vruchten kunnen afwerpen voor de opvoeding en het onderwijs: niet een of andere hobby zijn.
Blz. 63 e.v.: grote kloof tussen materialisme en geesteswetenschap, zichtbaar in theorie en praktijk van het leven;
Blz. 65 e.v.: het zich ontwikkelende kind waarnemen; de geest aan het werk zien, respect voor die scheppende wereld;
Blz. 67 e.v.: ontstaan experimentele psychologie; van buitenaf kijken, of innerlijk waarnemen;
Blz. 68 e.v.: over Ernst Mach, hoe deze de wereld zag en waarom; over ether- en astraallijf;
Blz. 71 e.v: de scholingsweg geeft je andere inzichten en doet je anders in het leven staan;
Blz. 75 : voorstellen, geheugen en groei; onderwijsvernieuwing kan niet zonder nieuwe menskunde;
Blz. 76: er is geen antroposofische pedagogie om wille van de antroposofie, maar om wille van vernieuwde opvoeding en onderwijs.

Blz. 60

Voordracht 3, Dornach 30 juni 1923   (deel 1 van 2)

Warum eine anthroposophische Pädagogik?

Meine sehr verehrten Anwesenden, es gereicht mir zur großen Befriedi­gung, wiederum zu Lehrern über ein pädagogisches Thema heute und morgen sprechen zu können, und ich möchte insbesondere neben allen übrigen heute anwesenden Mitgliedern die anwesenden Lehrer aufs herzlichste begrüßen.
Sie werden begreifen, daß angesichts des Umstandes, daß die aus der Anthroposophie hervorgegangene Pädagogik im Wesen nichts Theoreti­sches, nichts irgendwie Utopistisches, sondern eine wirkliche Praxis ist, man gerade aus diesem Grunde in zwei kurzen Vorträgen nur einige Gesichtspunkte angeben kann. Ich habe mir ja erlaubt, als eine Ver­sammlung schweizerischer Lehrer vor kurzem einmal längere Zeit hier anwesend war, in einer ausführlicheren Weise, aber noch immer in einer zu kurzen Art, über anthroposophische Pädagogik zu sprechen. Da war es schon möglich, weil es in der Praxis so vielfach auf Einzelheiten ankommt, die Dinge besser zu behandeln, als das in zwei kurzen Vorträgen möglich ist. Aber ich werde mich bemühen, in diesen kurzen Vorträgen wenigstens einige Gesichtspunkte zu entwickeln gerade mit Bezug auf die Frage, in die ich das Thema hinein formuliert habe:

WAAROM EEN ANTROPOSOFISCHE PEDAGOGIEK?

Zeer geëerde aanwezigen, ik voel me er heel gelukkig mee dat ik vandaag en morgen weer tot leraren kan spreken over een pedagogisch thema en ik zou graag in het bijzonder, naast alle andere aanwezige leden, de leerkrachten die nu hier zijn, hartelijk welkom willen heten.
U zal begrijpen dat met het oog op de omstandigheid dat de pedagogie die voortkomt uit de antroposofie in wezen niets theoretisch, niet iets utopisch of iets dergelijks is, maar een daadwerkelijk praktische en dat je daarom in twee korte voordrachten maar een paar gezichtspunten kan belichten. Toen hier een een poosje geleden voor langere tijd een groep Zwitserse leerkrachten aanwezig was, heb ik me veroorloofd om uitvoerig, maar toch altijd nog te kort, over antroposofische pedagogie te spreken. Het was toen wel mogelijk, omdat het in de praktijk zo vaak op de details aankomt, de dingen beter te behandelen dan in twee korte voordrachten mogelijk is. Maar ik zal mijn best doen in deze korte voordrachten op z’n minst een paar gezichtspunten uit te werken vooral met het oog op de vraag die ik in het thema verwerkt heb:

«Wozu eine anthroposophische Pädagogik?»
Diese Frage muß ja aus den verschiedensten Gründen auftauchen. Schon darum muß sie auftauchen, weil ja Anthroposophie sehr häufig heute noch als irgend etwas Sektiererisches genommen wird, als irgendeine aus der menschlichen Willkür hervorgegangene Weltanschauung. Da frägt man sich dann: Darf denn Pädagogik durch eine bestimmte Weltanschauung beeinflußt werden? Kann man sich etwas Fruchtbares davon versprechen, daß ein Weltanschauungs-Standpunkt irgendwie pädagogische Konsequenzen aus sich heraus zieht? Wenn diese Frage berechtigt wäre, so gäbe es wahrscheinlich das nicht, was man anthropo­sophische Pädagogik nennen kann.
Es ist ja allerdings so, daß die verschiedenen Weltanschauungen, die

‘Waarom een antroposofische pedagogie?
Deze vraag moet wel ontstaan om velerlei redenen. Alleen al, omdat de antroposofie tegenwoordig nog heel vaak als iets sektarisch wordt gezien, als een of andere wereldbeschouwing die door menselijke willekeur is ontstaan. M a g pedagogie door een bepaalde wereldbeschouwing beïnvloed worden? Kan er uit een wereldbeschouwelijk standpunt iets vruchtbaars ontstaan als daar pedagogische consequenties aan verbonden worden? Als deze vraag te rechtvaardigen zou zijn, zou er waarschijnlijk niet zoiets zijn dat je antroposofische pedagogie kan noemen.
Het is zeker zo, dat de verschillende wereldbeschouwingen die

Blz. 61

vorhanden sind, auch über das Erziehungswesen diese oder jene Ansich­ten entwickeln, diese oder jene Forderungen aufstellen. Und man merkt überall diesen oder jenen Weltanschauungs-Standpunkt hindurch.
Das gerade soll bei der anthroposophischen Pädagogik eben ganz unmöglich sein, und ich darf gleich einleitend vielleicht vorausschicken, daß wir ja seit nun schon einer Reihe von Jahren in Stuttgart versucht haben, eine Volks- und auch höhere Schule im Sinne dieser anthroposo­phischen Pädagogik einzurichten, und daß es gewissermaßen dort unser Ideal ist, daß die Dinge so natürlich und selbstverständlich im Einklang mit der ganzen Menschenwesenheit und ihrer Entwickelung vor sich gehen, daß gar niemand auf den Gedanken kommen kann, da sei irgendeine anthroposophische Idee verwirklicht, daß gar niemand eigentlich etwas merken kann davon, daß irgendein Weltanschauungs­Standpunkt da zur Offenbarung kommt. Das was ich in dieser Richtung zu sagen habe, hängt ja allerdings damit zusammen, daß man mit Bezug auf Dinge, die man in der Welt vertritt, nun einmal genötigt ist, einen Namen zu gebrauchen.

er bestaan, ook over de opvoedkunde bepaalde opvattingen ontwikkelen, bepaalde eisen formuleren. En in alles vind je wel het s t a n d p u n t van die wereldbeschouwing terug.
Maar juist dat moet bij de antroposofische pedagogie dus niet mogelijk zijn en ik mag meteen wel als inleiding naar voren brengen dat wij al een aantal jaren op vrijeschool in Stuttgart geprobeerd hebben, een basis- en een middelbare school in te richten vanuit deze antroposofische pedagogie. En in zekere zin is het ons ideaal dat deze dingen zo natuurlijk en vanzelfsprekend overeenstemmen met het hele wezen mens en zijn ontwikkeling en dat niemand op de gedachte kan komen dat er een of ander antroposofisch idee verwezenlijkt wordt, dat er dus niemand iets van kan merken dat daar een of andere wereldbeschouwing aan het licht treedt. Wat ik, wat dit betreft, daarover wil zeggen, hangt er duidelijk mee samen dat je met het oog op de dingen waar je in de wereld voor staat, nu eenmaal een naam moet gebruiken.

Aber ich kann Ihnen die Versicherung geben, mir wäre es das Allerliebste, wenn das, was hier am Goetheanum vertreten wird, keinen Namen brauchte, wenn man es einmal so und einmal so nennen könnte, weil es sich hier nicht um eine Summe von Ideen handelt, wie sie gewöhnlich eine Weltanschauung bilden, sondern weil es sich hier um eine gewisse Forschungsart und Lebensbetrachtung handelt, die von den verschiedensten Seiten her in der verschiedensten Weise benannt werden kann. Und eigentlich führt bei der Art, wie man Namen gewöhnlich nimmt, jeder Name irre. Ich möchte mich darüber ganz trivial ausdrücken, aber Sie werden mich verstehen.
In bezug auf solche Dinge, wie Namen für geistige Strömungen, ist ja die Menschheit heute noch nicht viel weiter, als sie vor vielen Jahrhun­derten in Europa war mit Bezug auf Namengebung überhaupt. Heute hat man allerdings für die Namengebung bei Menschen das Nötige, was zu vergessen ist, vergessen. Wie gesagt, ich will mich ganz trivial ausdrücken.
Es hat einen Sprachforscher gegeben, einen berühmten Sprachfor­scher, er hieß Max Müller. Nehmen wir einmal an, jemand hätte gesagt, da und dort wohnt der Müller, und hätte damit die Wohnung des

Maar ik kan u wel verzekeren dat het mij het liefst is, dat waar we hier in het Goetheanum voor staan, helemaal geen naam nodig zou hebben; dat je het dan eens zus en dan eens zo zou kunnen noemen, omdat het hier niet om een optelsom van ideeën gaat die gewoonlijk een wereldbeschouwing vormen, maar  om een bepaalde manier van onderzoek en levensbeschouwing die van de meest verschillende kanten op de meest verschillende manieren benoemd kan worden. En eigenlijk leidt op de manier zoals men namen meestal neemt, iedere naam in een verkeerde richting. Dat wil ik heel alledaags onder woorden brengen, maar u begrijpt mij wel.
Met die dingen, zoals namen voor geestelijke stromingen, is de mensheid in Europa tegenwoordig nog niet veel verder dan eeuwen geleden en dat betreft ook het geven van namen in het algemeen. Tegenwoordig is in ieder geval wat de naamgeving bij mensen betreft, het nodige wat vergeten kan worden, ook vergeten. Zoals gezegd, ik druk me alledaags uit.
Er is een taalonderzoeker geweest, een beroemde, nl. Max Müller. Laten we eens aannemen dat iemand zou hebben gezegd dat daar of daar deze Müller woont en 

Sprachforschers Max Müller gemeint, und jemand hätte dann im Hin­blick auf das Wort Müller dem betreffenden Sprachforscher Getreide gebracht, daß er es mahlen solle – weil man ihm gesagt hatte, da wohne der Müller. Nicht wahr, bei Menschen sind wir bereits gewöhnt worden, nicht allzuviel auf die Wortbedeutung der Namen zu geben. Bei solchen Dingen, wie geistige Strömungen, tut man das heute noch. Man küm­mert sich oftmals nicht viel um die Dinge und analysiert, wie man sagt, den Namen «Anthroposophie». Man deutet den Namen und macht sich daraus eine Vorstellung.
Aber gerade so viel, wie das Wort Müller für den Sprachforscher Max Müller bedeutet, bedeutet das Wort Anthroposophie für das, was hier eigentlich als eine geistige Forschung und geistige Lebensbetrachtung gemeint ist. Daher wäre es mir am liebsten, wenn man, wie gesagt, jeden Tag die hier getriebene geistige Forschung und geistige Lebensbetrach­tung anders benennen könnte. Denn darin würde sich gerade ihre Lebendigkeit zum Ausdruck bringen. Man kann nur einigermaßen charakterisieren, was Anthroposophie will heute in der Weltzivilisation; man kann aber eigentlich nicht von ihr eine von vornherein verständliche Definition geben.

dat hij daarmee de woning van de taalonderzoeker Max Müller zou hebben bedoeld en dat er dan iemand met het oog op het woord Müller (molenaar) de betreffende taalonderzoeker koren zou hebben gebracht om dat te malen – omdat men hem had gezegd dat daar de molenaar woont. En niet waar, bij mensen zijn we er wel aan gewend geraakt, niet al te veel rekening te houden met de betekenis van namen. Maar als het om geestelijke zaken gaat, doet men dat nu nog wel. Dikwijls is men daar niet al te veel mee bezig en dan analyseert men de naam ‘antroposofie’. Men duidt die naam en maakt daarvan dan een voorstelling.
Maar net zoveel als de naam molenaar iets betekent voor de taalonderzoeker Max Müller, betekent het woord antroposofie iets voor wat hier eigenlijk als  geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt bedoeld.
Vandaar dat ik het liefst zou hebben, dat men, zoals gezegd, wat hier aan geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt gedaan, iedere dag anders zou kunnen noemen.
Want daarmee zou nu juist het levendige ervan tot uitdrukking gebracht worden. Je kan wel enigszins karakteriseren wat antroposofie vandaag in de wereldbeschaving wil; maar je kan er eigenlijk van te voren geen verstandige definitie van geven.

Und heute und morgen möchte ich mich eben bemü­hen, ein wenig gerade mit Bezug auf das Pädagogische zu zeigen, wie Anthroposophie fruchtbar werden kann für die Erziehung des werden­den Menschen, für das Unterrichten des werdenden Menschen.
Das werden einseitige Charakteristiken sein, denn die ganze Fülle desjenigen, was gemeint ist, kann eben durchaus nicht in zwei Vorträgen erschöpft werden.
Wenn wir uns heute mit Interesse für die Geistesentwicklung der Welt umsehen, dann merken wir ja unter den verschiedensten Forderun­gen, die uns umschwirren, die sogenannte pädagogische Frage. Reform­pläne über Reformpläne treten von mehr oder weniger geschulten, zumeist aber von dilettantischen Menschen auf. Das alles weist aber darauf hin, daß immerhin ein tiefes Bedürfnis vorhanden ist, über die Fragen des Erziehungs- und Unterrichtswesens ins klare zu kommen.
Das aber hängt auf der anderen Seite zusammen damit, daß es heute außerordentlich schwierig ist, gerade mit Bezug auf die Behandlung des werdenden Menschen zu fruchtbaren, ja nur zu genügenden Anschauungen

En vandaag en morgen wil ik proberen iets op pedagogisch gebied te laten zien van hoe de antroposofie vruchtbaar kan worden voor de opvoeding van de wordende mens, voor het lesgeven aan de wordende mens.
Dat zullen eenzijdige karakteristieken zijn, want wat volledig wordt bedoeld, kan echt niet in twee voordrachten uitputtend worden behandeld.
Wanneer we tegenwoordig met belangstelling voor de geestelijke ontwikkeling in de wereld om ons heen kijken, zien we dat onder de meest uiteenlopende vragen die ons niet loslaten, de z.g. pedagogische vraag is. Het ene vernieuwingsplan na het andere wordt door meer of minder geschoolde, maar meestal toch door leken in de openbaarheid gebracht. Maar dat wijst er wél op, dat er op z’n minst een diepe behoefte bestaat om over de opvoedings- en onderwijsvragen helderheid te krijgen.
Dat hangt aan de andere kant samen met dat het tegenwoordig buitengewoon moeilijk is, juist met betrekking tot de omgang met de wordende mens, tot vruchtbare, zelfs tot genoegzame gezichtspunten

Blz. 63

zu kommen. Und wir werden schon ein wenig hineinschauen müssen in einen Teil unserer Zivilisationsentwicklung, wenn wir die Gründe einsehen wollen, warum heute so viel von Erziehungs- und Unterrichtsforderungen und Idealen gesprochen wird.
Wenn wir heute das äußere Leben auf der einen Seite betrachten und auf der anderen Seite das geistige Leben, so finden wir eigentlich trotz der so großen Fruchtbarkeit, welche die Wissenschaft für das praktische Leben, für die Technik und so weiter gewonnen hat, eine tiefe Kluft, einen tiefen Abgrund zwischen dem, was man Wissenschaft, Theorie nennt, was man überhaupt zu lernen hat, wenn man in einem gewissen Sinne eine Bildung anstrebt, und demjenigen, was dann im äußeren Leben, in der Lebenspraxis verwirklicht wird. Es hat sich ja immer mehr und mehr ein eigentümliches Bedürfnis in der heutigen Zivilisation herausgestellt mit Bezug auf das, was man sich durch das Lernen, insofern es auf unseren Unterrichtsanstalten getrieben wird, aneignet.
Bedenken Sie nur einmal ein gewisses Gebiet, sagen wir die Medizin. Der junge Mediziner macht sein Studium durch. Er lernt dasjenige, was der Inhalt der heutigen medizinischen Wissenschaft ist, er lernt es auch an der Hand von allerlei Laboratoriums- und Klinikpraktiken.

te komen. En we zullen een beetje inzicht moeten kunnen krijgen in een deel van hoe onze beschaving zich ontwikkelt, willen we de redenen zien waarom er tegenwoordig zoveel over opvoedings- en onderwijsvraagstukken en idealen wordt gesproken.
W a n n e e r we nu aan de ene kant het uiterlijke leven in ogenschouw nemen en aan de andere kant het geestesleven, dan vinden we eigenlijk, ondanks dat de wetenschap voor het praktische leven, voor de techniek enz. zoveel potentieels heeft gebracht, een diepe kloof, een grote afstand tussen wat de wetenschap theorie noemt, die je wel degelijk moet leren, wil je in zeker opzicht gevormd worden en wat dan in het uiterlijke leven, in de praktijk van het leven verwezenlijkt wordt. In de huidige cultuur is er steeds duidelijker een merkwaardig verlangen ontstaan naar wat men zich door het leren, in zoverre dat plaatsvindt in onze onderwijsinstellingen, eigen maakt.
Kijkt u eens naar een bepaald terrein, laten we zeggen dat van de geneeskunst. De jonge arts volgt een studie. Hij leert de inhoud van de huidige medische wetenschap, hij leert die ook aan de hand van allerlei praktijkgevallen in het laboratorium en het ziekenhuis.

Wenn er aber dann sein letztes Examen gemacht hat, dann ist man sich klar dar­über, daß er nun erst eigentlich eine Art Praktikum, ein klinisches Prak­tikum durchzumachen hat, daß er also eigentlich mit dem letzten Ex­amen noch nicht praktisch ist. Und gar häufig, ja fast immer stellt sich dann heraus, daß eigentlich ungemein wenig von dem, was man zuerst theore­tisch getrieben hat, in der wirklichen Praxis eine Anwendung findet. Ich habe nur das Gebiet des medizinischen Studiums herausgehoben, ich könnte es fast mit jedem Studium so machen. Überall würden wir sehen, daß wir heute, indem wir eine gewisse Bildung uns aneignen auf diesem oder jenem Lebensgebiet, im Grunde genommen die Kluft, den Abgrund zur Praxis hin erst extra noch zu überwinden haben. Das hat nicht nur der Mediziner, das hat nicht nur der Techniker, das hat nicht nur derjenige, der eine Handelshochschule absolviert, das hat vor allen Dingen heute auch der Lehrer zu überwinden, der, weil wir nun einmal im wissenschaftlichen Zeitalter leben, in einer Art Wissenschaftlichkeit in die Pädagogik hineingeführt wird, aber dann, nachdem er eben einen

Maar wanneer hij dan eindexamen heeft gedaan, is het duidelijk dat hij nu eigenlijk pas een soort practicum, een ziekenhuispracticum moet doen, dat hij dus eigenlijk met zijn eindexamen nog niet praktisch is. En heel vaak, ja bijna altijd, blijkt dan, dat er eigenlijk heel erg weinig van wat men eerst theoretisch gedaan heeft, praktisch kan worden toegepast.
Ik heb alleen maar de nadruk gelegd op de medicijnenstudie, maar ik zou het bij elke studie kunnen doen. Telkens zouden we zien dat wij tegenwoordig, als we een bepaalde opleiding voor dit of dat levensgebied hebben gevolgd, we dan in de grond van de zaak de kloof naar de praktijd dan pas nog extra moeten overbruggen. Dat is niet alleen bij de arts zo, niet alleen bij de technicus, niet alleen bij degene die de handelshogeschool afsluit, maar dat moet vooral tegenwoordig de leraar overbruggen die, omdat wij nu eenmaal in een wetenschappelijke tijdsfase leven, in een vorm van wetenschappelijkheid in de pedagogie ingeleid wordt, maar dan, nadat hij dus een

Blz. 64

gewissen theoretischen Bildungsstoff aufgenommen hat, nun sich erst in die Praxis hineinfinden muß.
Das, was ich bis jetzt gesagt habe, wird man mehr oder weniger zugeben. Aber ein anderes wird man kaum zugeben wollen, und das ist dieses, daß eigentlich heute eine so starke Kluft besteht zwischen dem, was man theoretisch sich aneignet, was den eigentlichen Inhalt unseres Geisteslebens bildet, und dem, was die Lebenspraxis ausmacht; daß diese Kluft heute eigentlich nur überbrückt wird von den technischen Berufszweigen, weil diese technischen Berufszweige, ich möchte sagen, grau­sam unerbittlich sind. Baut man eine Brücke theoretisch richtig, aber praktisch unmöglich, so stürzt sie bei dem ersten Eisenbahnzug, der darüberfährt, ein. Die Natur reagiert sogleich auf das Falsche. Da muß man sich schon wirkliche Lebenspraxis aneignen.
Geht man herauf in diejenigen Dinge, die mehr mit dem Menschen zu tun haben, dann wird die Geschichte schon anders. Die Frage ist ja gar nicht zu beantworten, wie viele Menschen von einem Arzt richtig und wie viele falsch behandelt werden, denn da hört ja jede Möglichkeit auf, daß das Leben selber einen Beweis führt.

een bepaalde theoretische leerstof zich eigen heeft gemaakt, nu pas zijn weg moet vinden in de praktijk.
Wat ik nu gezegd heb, zal men wel min of meer kunnen toegeven. Maar iets anders zal men volstrekt niet willen toegeven en wel dit, dat er vandaag eigenlijk zo’n grote kloof bestaat tussen wat men zich theoretisch eigen heeft gemaakt, wat de eigenlijke inhoud van ons geestesleven vormt en wat de praktijk van het leven bepaalt; dat deze kloof tegenwoordig eigenlijk alleen maar overbrugd wordt door de technische beroepen, omdat deze buitengewoon stringent zijn. Als je een theoretisch juiste brug bouwt, maar een onmogelijke voor de praktijk, dan stort die in als de eerste trein erover heen rijdt. De natuur reageert meteen op het verkeerde. Hier moet je je echt wel levenspraktijk hebben eigen gemaakt.
Ga je dan in op de dingen die meer met de mens te maken hebben, wordt het hele verhaal anders. De vraag hoeveel mensen er door een arts juist of verkeerd behandeld worden, is helemaal niet te beantwoorden, want daar houdt iedere mogelijkheid op dat het leven zelf daar een bewijs voor aanvoert.

Und gehen wir gar in das Feld der Pädagogik herauf, gewiß, man kann da durchaus der Anschauung sein, daß in dieser Richtung viel kritisiert wird, und daß die Pädagogen schon einiges auszuhalten haben. Aber daß das Leben irgendwie eine Entscheidung darüber trifft, ob nun falsch oder richtig erzogen worden ist, das wird man nicht mit einem unbedingten Ja beantworten können. Man wird allerdings sagen können: Das Leben gibt nicht so bestimmte Antworten wie die tote Natur, aber es ist dennoch eine gewisse Empfin­dung berechtigt, die dahin geht, daß wir mit der besonderen Art, wie wir uns heute das Theoretische, also das eigentlich Geistige, in seiner heuti­gen Form aneignen, in die Lebenspraxis eigentlich gar nicht hinein­kommen.
Nun gibt es eines in der Welt, bei dem man, ich möchte sagen, recht anschaulich zeigen kann, wie unmöglich es ist, weiterzukommen mit einem geistigen Leben, das eine solche Kluft hat zwischen dem Theore­tisch-Wissenschaftlichen auf der einen Seite, und dem Leben und seiner Praxis auf der anderen Seite. Und dieses eine in der Welt ist eben der Mensch.

En begeven we ons op het terrein van de pedagogie, dan kan je zeker van mening zijn, dat er in deze richting veel kritiek is, en dat de pedagogen wel wat moeten verdragen. Maar dat het leven een of andere beslissing neemt over of we verkeerd, dan wel goed opgevoed zijn, dat zul je niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden. Zeker kun je zeggen: het leven geeft niet van die zekere antwoorden als de levenloze natuur, maar toch is een bepaald gevoel wel gerechtvaardigd aangaande dat wij met de bijzondere manier van hoe wij tegenwoordig de theorie, dus het eigenlijk geestelijke, in zijn huidige vorm ons eigen maken, niet kunnen doordringen tot de eigenlijke praktijk van het leven. Nu is er iets in de wereld waarbij je heel goed kan laten zien, hoe onmogelijk het is, met het geestesleven verder te komen waarbij zo’n grote kloof bestaat met enerzijds het theoretisch-wetenschappelijke en anderzijds met het leven en de levenspraktijk. En dit ene in de wereld is nu net de mens.

Blz. 65

Wir haben im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, einmal einen bestimmten wissenschaftlichen Geist ent­wickelt. Jeder einzelne Mensch, heute sogar schon der sogenannte völlig Ungebildete, steht eigentlich in diesem wissenschaftlichen Geist drinnen. Alles denkt im Sinne dieses wissenschaftlichen Geistes.
Und sehen Sie sich einmal die Weltfremdheit dieses wissenschaftlichen Geistes an, wenn es sich darum handelt, ihn in die Lebenspraxis überzu­führen. Kläglich war es ja zum Beispiel in den letzten Jahren, als wirklich in großen Zügen die Weltgeschichte an uns vorüberrollte und Tatsachen brachte von ungeheurer Tragweite, daß die Menschen mit ihren Theo­rien recht gescheit sein konnten, aber eben durchaus nichts über den Verlauf der Lebenspraxis auszumachen imstande waren. Haben wir ja doch gesehen, daß gescheite Nationalökonomen im Beginn des Welt­krieges gesagt haben: Unsere Wissenschaft lehrt uns heute, daß die kommerziellen und anderen wirtschaftlichen Zusammenhänge in der Welt so verstrickt sind, daß heute ein Krieg höchstens mehrere Monate dauern kann. Die Realität hat das Lügen gestraft. Der Krieg hat jahrelang gedauert. Was die Menschen dachten aus ihrer Wissenschaft heraus, was sie ergrübelt hatten über den Gang der Weltereignisse, war ganz und gar unmaßgebend für diesen Gang der Weltereignisse selber.

We hebben in de loop van de eeuwen, vooral in de 19e eeuw, nu eenmaal een bepaalde wetenschappelijke geest ontwikkeld. Ieder mens, tegenwoordig zelfs ook de mens zonder opleiding, maakt deel uit van deze wetenschappelijke gezindheid. Alles wordt hiermee gedacht.
En kijk nu eens naar de wereldvreemdheid van deze wetenschappelijke gezindheid als het erom gaat deze in het leven in praktijk te brengen. De laatste jaren bijv., toen de wereldgeschiedenis zich in grote trekken voor ons afspeelde en gebeurtenissen met zich meebracht van ongekende reikwijdte, was het betreurenswaardig dat de mensen met hun theorieën heel slim konden zijn, maar toch niet in staat waren iets voor het verloop van de levensomstandigheden te doen. We hebben toch kunnen zien dat knappe staatseconomen aan het begin van de Wereldoorlog gezegd hebben: onze wetenschap houdt ons nu voor dat de commerciële en andere economische samenhangen in de wereld zo verstrikt zijn geraakt dat een oorlog vandaag de dag hooguit een paar maanden kan duren. De werkelijkheid heeft die leugen afgestraft. De oorlog heeft jaren geduurd. Wat de mensen vanuit hun wetenschap dachten, wat ze hebben zitten uitdenken over het verloop van de gebeurtenissen in de wereld, speelde voor dit verloop zelf geen enkele rol.

Der Mensch, indem er heranwächst, indem er vor uns hintritt, man möchte sagen, in seiner wunderbarsten Gestalt, als Kind, der Mensch ist nicht irgendwie zu erfassen mit einer geistigen Art, die eine solche Kluft hat zwischen Praxis und Theorie. Denn man müßte schon ein starrer Materialist sein, wenn man glauben wollte, daß dasjenige, was in dem Kinde heranwächst, nur eine Folge, ein Ergebnis seiner leiblich-physi­schen Entwickelung sei.
Wir sehen mit ungeheurer Hingebung, Bewunderung, mit Ehrerbie­tung auf jene Offenbarung der Schöpfung hin, die uns das Kind in seinen ersten Lebenswochen darstellt, wo in ihm noch alles unbestimmt ist, wo in ihm aber schon dasjenige liegt, was dieser Mensch im späteren Leben leisten wird.
Und wir schauen hin auf das werdende Kind, wie es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr aus seinem Inneren heraus die Kräfte an die Oberfläche treibt, die seine Physiognomie

De mens, wanneer deze opgroeit, wanneer deze zich aan ons voordoet in zijn meest wonderbaarlijke vorm, als kind, is op geen enkele manier geestelijk te begrijpen, als er zo’n kloof gaapt tussen praktijk en theorie. Je moet wel een starre materialist zijn om te kunnen geloven dat wat er uit een kind wordt, alleen maar het gevolg zou zijn van een lichamelijk-fysieke ontwikkeling.
We k ij k e n met een buitengewone toewijding, bewondering, eerbied naar die uiting van de schepping die het kind ons in zijn eerste weken van zijn leven vertoont, waarin bij hem alles nog maar vaag zichtbaar is, maar waarin al wel ligt wat deze mens in het latere leven zal gaan doen. En wij kijken naar het zich ontwikkelende kind hoe dat van week tot week, maand na maand, jaar na jaar vanuit zijn innerlijk de krachten naar de buitenkant brengt die zijn fysionomie

Blz. 66

immer ausdrucksvoller machen, die seine Bewegungen immer geordne­ter, orientierter machen. Wir sehen in diesem werdenden Menschen das ganze Rätsel der Schöpfung in wunderbarer Weise vor unseren Augen sich abspielen. Und wenn wir sehen, wie der eigentümlich unbestimmte Blick des kindlichen Auges im Laufe der ersten Lebenszeit Aktivität gewinnt, innere Wärme, inneres Feuer gewinnt, wenn wir sehen, wie aus den unbestimmten Bewegungen der Arme und Finger Bewegungen werden, die in schönerer Weise etwas bedeuten als die Buchstaben des Alphabetes – wenn wir das alles mit voller menschlicher Hingabe betrachten, müssen wir uns sagen: Da arbeitet gewiß nicht bloß Physi­sches, da arbeitet im Physischen das Geistig-Seelische; da ist jedes Stückchen Mensch im Physischen zu gleicher Zeit eine Offenbarung des Geistig-Seelischen. Da gibt es keine Färbung der Wange, die nicht Ausdruck eines Geistig-Seelischen wäre; da gibt es keine Möglichkeit, die Färbung der Wange aus bloßen materiellen Grundlagen zu verstehen, wenn wir nicht wissen, wie die Seele sich hineinergießt in das Wangen-rot. Da ist Geist und Natur in einem vorhanden.
Und wenn wir dann mit unserer altgewordenen Geistesanschauung kommen, die eine Kluft läßt zwischen dem, was sich theoretisch auf den Geist richtet, und dem, was sich äußerlich praktisch an das Leben richtet, dann gehen wir an dem Kinde vorbei

steeds meer tot uitdrukking brengen, die zijn bewegingen steeds meer gecoördineerd, georiënteerd laten verlopen. Wij zien in deze wordende mens het hele raadsel van de schepping op een wonderbaarlijke manier zich voor onze ogen afspelen. En als we zien hoe de karakteristieke vage blik van het kinderlijke oog in de loop van de eerste tijd in het leven aan activiteit wint, meer warmte krijgt, innerlijk vuur; als we zien hoe uit de ongecoördineerde bewegingen van de armen en de vingers bewegingen komen die op een mooiere manier iets betekenen dan de letters van het alfabet – als we dat allemaal met een diepe menselijke eerbied aanschouwen, moeten we zeggen: daar is niet alleen iets lichamelijks aan het werk, daar is iets van de geest en de ziel in het lichamelijke aan het werk; daar is elk stukje mens lichamelijk gezien, tegelijkertijd een uiting van geest en ziel. Er bestaat geen kleur op de wangen die niet een uitdrukking zou zijn van geest en ziel; er is geen mogelijkheid de kleur op de wangen vanuit een pure materiële basis te begrijpen, als we niet weten hoe de ziel uitvloeit in het rood van de wangen. Daar is geest en natuur als één geheel aanwezig.
En als we dan aankomen met onze oud geworden geestelijke opvattingen die een kloof laten bestaan tussen wat zich theoretisch naar de geest richt en wat zich richt naar het uiterlijk praktische in het leven, dan gaan we aan het kind voorbij.

Dann wissen wir weder mit unserer Theorie, noch mit unserem Instinkt, der keinen Geist erfassen kann in unserer heutigen Zivilisation, etwas mit dem Kinde anzufangen. Wir haben im Leben das geistige Treiben von dem materiel­len getrennt. Damit ist uns das geistige Treiben zu einer abstrakten Theorie geworden. Und dann sind solche abstrakte theoretische Anschauungen auch über die Erziehung erwachsen, wie sie zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik enthalten waren, die geistvoll in ihrer Art, theoretisch großar­tig sind, die aber ohnmächtig sind, in das eigentliche Leben einzugreifen. Oder aber wir werden irre an allem Hineinleben in das Geistige, wir wollen absehen von aller wissenschaftlichen Pädagogik und uns rein dem Erziehungsinstinkt überlassen. Das ist etwas, was heute auch schon viele Menschen fordern.
Wir können auch noch an einer anderen Erscheinung sehen, wie wir

Dan weten we noch met onze theorie, noch met ons instinct die in deze cultuur geen geest als inhoud kan hebben, iets met het kind te beginnen. We hebben in het leven een scheiding aangebracht tussen de werking van de geest en de materie. Daardoor is voor ons deze werking een abstracte theorie geworden.
En dan zijn dergelijke abstract theoretische opvattingen ook bij de pedagogie terecht gekomen, zoals bijv. in de pedagogie van Herbart; op hun manier geestrijk, theoretisch geweldig, maar niet bij machte om invloed uit te oefenen op het eigenlijke leven. Of we worden dol van al dit inleven in het geestelijke, we willen afzien van al die wetenschappelijke pedagogie en het alleen maar laten bij ons opvoedingsinstinct.
Dat is iets waar tegenwoordig veel mensen naar verlangen.
Ook aan een ander verschijnsel kunnen we nog zien, hoe voor ons

Blz. 67

im Grunde genommen dem Menschen fremd geworden sind dadurch, daß wir die Kluft geschaffen haben zwischen dem theoretischen Ergrei­fen des geistigen und dem vollen Erfassen des praktischen Lebens.
Unsere Wissenschaft hat sich großartig entwickelt. Natürlich war auch die Pädagogik aus der Wissenschaft heraus zu gestalten. Aber die Wissenschaft hatte nichts, um an den Menschen heranzukommen. Die Wissenschaft wußte vieles zu sagen über die äußere Natur; aber je mehr sie über die äußere Natur in der neueren Zeit zu sagen wußte, über den Menschen wußte sie eigentlich immer weniger zu sagen. Und so mußte man sich anschicken, nach dem Muster der Naturwissenschaft an dem Menschen zu experimentieren, und eine experimentelle Pädagogik stellte sich ein.
Was bedeutet denn dieser Drang zur experimentellen Pädagogik? Mißverstehen Sie mich nicht, ich habe weder etwas gegen Experimen­talpsychologie noch gegen experimentelle Pädagogik; sie können wis­senschaftlich viel leisten, sie geben theoretisch großartige Aufschlüsse. Hier handelt es sich nicht darum, in kritischer Weise über diese Dinge abzusprechen. Hier handelt es sich aber darum zu sehen: was für ein Drang der Zeit drückt sich in solchen Dingen aus? Man ist genötigt, außen herumzuexperimentieren, wie das Gedächtnis bei diesem, bei jenem Kinde ist, wie der Wille wirkt, wie die Aufmerksamkeit wirkt; außen an dem Menschen herumzuexperimentieren ist man genötigt.

in de aard van de zaak de mens een vreemde geworden is door de kloof die wij tussen het theoretisch begrijpen van het geestelijke en het volle begrijpen van het leven hebben doen ontstaan.
Onze wetenschap heeft zich reusachtig ontwikkeld. En natuurlijk kun je ook de pedagogie vanuit de wetenschap vorm geven. Maar de wetenschap had niets om dichter bij de mens te komen. De wetenschap wist veel aan te dragen over de zichtbare natuur; en naarmate ze meer in de modernere tijd over de zichtbare natuur te berde kon brengen, wist ze over de mens eigenlijk steeds minder te zeggen. En dus moest men zich opmaken om naar het voorbeeld van de natuurwetenschap nu met de mens te gaan

e x p e r i m e n teren en er ontstond een experimentele pedagogie.
Wat betekent die hang naar deze experimentele pedagogie? Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen experimentele psychologie of  pedagogie; die kunnen wetenschappelijk veel voor elkaar krijgen, die geven theoretisch belangrijke uitkomsten. Het gaat er niet om deze dingen op een kritische manier af te wijzen.
Het gaat er hier echter om te zien welke tijdsdrang zich uitdrukt in dit soort zaken.
Men voelt zich genoodzaakt van buitenaf te experimenteren hoe het geheugen bij het ene of het andere kind is, hoe de wil functioneert, hoe de aandacht werkt; men voelt zich genoodzaakt van buitenaf met de mens te experimenteren.

Weil man das innere Verhältnis zum Menschen, das eigentlich geistige Verhältnis zum Menschen verloren hat, weil man nicht mehr als Mensch mit der Seele zur Seele des anderen Menschen dringt, will man aus seinen körperlichen Äußerungen experimentell ablesen, welches diese seeli­schen Äußerungen sind. Gerade diese experimentelle Pädagogik und Psychologie sind ein Beweis dafür, daß unsere Wissenschaft ohnmächtig ist, an den vollen Menschen, der Geist, Seele und Leib zugleich ist, wirklich heranzukommen.
Diese Dinge müssen, wenn man im Ernste heute auf Erziehungs- und Unterrichtsfragen eingehen will, in vollem Maße gewürdigt werden, denn sie führen allmählich zu der Anschauung hin, daß das Notwendig­ste für einen Fortschritt auf dem Gebiet des Erziehungs- und Unter­richtswesens eine wirkliche Menschenerkenntnis ist.

Omdat men de innerlijke relatie tot de mens, de eigenlijk geestelijke relatie verloren is, omdat men niet meer als mens met de ziel doordringt tot de ziel van de andere mens, daarom wil men vanuit de lichamelijke uitingen experimenteel aflezen wat die uitingen van het gevoelsleven zijn. Juist deze experimentele pedagogie en psychologie zijn het bewijs dat onze wetenschap machteloos geworden is daadwerkelijk de volledige mens die tegelijkertijd geest, ziel en lichaam is, te bereiken.
Deze dingen moeten, wil je in alle ernst tegenwoordig in wil gaan op de opvoedings- en onderwijsvragen, volledig serieus genoemen worden, want zij voeren stap voor stap tot de opvatting dat het meest noodzakelijke voor een vooruitgang op dit gebied van opvoeding en onderwijs, echte menskunde is.

Blz. 68

Aber eine wirkliche Menschenerkenntnis wird man nicht gewinnen, wenn nicht der Abgrund zwischen Theorie und Praxis, der sich heute so furchtbar aufgetan hat, wirklich überbrückt wird. Solche Theorie, wie wir sie heute haben, kommt nämlich nur an den menschlichen Körper heran. Und wenn solche Theorie auch an die Seele und an den Geist herankommen will, so macht sie krampfhafte Versuche, kommt aber doch in Wirklichkeit nicht an sie heran, denn Seele und Geist müssen auf eine andere Weise erforscht werden, als diejenige ist, die im Sinne der heute anerkannten sogenannten wissenschaftlichen Methode liegt.
Um den Menschen zu erkennen, muß in ganz anderer Weise an den Menschen herangegangen werden, als es heute vielfach für exakt und richtig gilt. Dieses Herangehen aber an die wahre, wirkliche Menschen natur, dieses Aufsuchen einer wirklichen Menschenkenntnis, einer Men­schenkenntnis, die Geist, Seele und Leib im Menschen in einem schaut, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Anthroposophie will wiederum nicht bloß den physischen Menschen, sondern den ganzen Menschen erkennen. Aber wo da die großen Aufgaben gegenüber dem vollen Leben liegen, das bemerkt man heute vielfach gar nicht.

Maar er komt geen werkelijke menskunde wanneer de kloof tussen theorie en praktijk die tegenwoordig zo vreselijk gemeengoed is geworden, niet overbrugd wordt. Die theorieën die we nu hebben, benaderen alleen maar het menselijk lichaam. En als je daarmee ook de ziel en de geest wil benaderen, zie je de krampachtige pogingen waarmee je ziel en geest niet bereikt, want die moeten op een andere manier onderzocht worden, anders dan op de manier van de huidige officiële wetenschappelijke methode.
Om de mens te kennen, moet je deze op een heel andere manier benaderen dan die tegenwoordig als exact en juist gezien wordt. Maar het benaderen van de echte, reële natuur van de mens, dit zoeken naar een echte menskunde, een die geest, ziel en lichaam in en aan de mens waarneemt, is de opdracht van de antroposofie. Die wil op haar beurt niet alleen de fysieke mens leren kennen, maar de hele mens. Heel vaak wordt niet gezien waar de grote opgaven liggen als het om het leven gaat.

Ich möchte mich durch ein Beispiel aussprechen, um Sie hinzuweisen darauf, wie die Aufmerksamkeit ganz anderen Dingen einmal zugelenkt werden muß, als man es heute gewöhnt ist, wenn wirkliche Menschener­kenntnis wiederum erworben werden soll.
Sehen Sie, als ich jung war, es ist lange her, da kam unter anderen Weltanschauungs-Standpunkten auch der auf, den der Physiker Mach begründet hat. Es war ein ganz berühmter Weltanschauungs-Stand punkt. Ich führe das, was ich jetzt sage, nur als Beispiel an, und ich bitte, es auch nur als Beispiel hinzunehmen. Das Wesentliche dieses Mach­schen Standpunktes bestand darin, daß Mach sagte: Es ist ein Unsinn, von einem Ding an sich zu sprechen, ein Unsinn, von einem Ding an sich als Atom in der Welt zu sprechen. Es ist auch ein Unsinn, von einem Ich zu sprechen, das wie ein Ding in uns selber ist, sondern wir können nur sprechen von Empfindungen. Wer hat schon einmal ein Atom wahrge­nommen? Rote, blaue, gelbe Dinge, cis, g, a in den Tönen nehmen die Leute wahr; süße und saure und bittere Geschmäcke nehmen die Leute wahr; harte und weiche Dinge für den Tastsinn nehmen die Leute wahr,

Ik wil een voorbeeld geven om u erop te wijzen hoe de aandacht op heel andere dingen gevestigd moet worden dan tegenwoordig gebruikelijk is, willen we echte menskunde verkrijgen.
Kijk, toen ik jong was – dat is lang geleden – deed naast andere wereldbeschouwelijke opvatting ook die van de natuurkundige M a c h opgeld. Ik zeg dit alleen als voorbeeld en ik zou het fijn vinden als u het ook alleen als voorbeeld ziet. Het wezenlijke van het standpunt van Mach bestaat erin dat hij zegt: het is onzin om over een ‘ding-op-zich’ te spreken, een ‘ding-op-zich’ als atoom in de wereld. Het is ook onzin om over een Ik te spreken dat als een ding in ons zelf zit, we kunnen alleen maar over gevoelens spreken. Wie heeft er ooit een atoom waargenomen? Rode, blauwe, gele dingen, cis, g, a in de tonen, nemen de mensen waar, harde en zachte dingen nemen ze met hun tastzin waar.

Blz. 69

Empfindungen nehmen die Leute wahr. Und wenn wir uns ein Weltbild machen, so besteht es nur aus solchen Empfindungen. Und wenn wir in uns selbst hineinschauen, so haben wir auch nur Empfindungen. Nichts ist da, als nur überall Empfindungen; Empfindungen, die zusammengehalten werden. Eine gewisse Härte, ein gewisses, ich will sagen, sanftartiges Anfühlen mit der Röte in der Rose, die Empfindung, daß man gebrannt wird, mit einem rötlichen Aussehen beim glühenden Eisen – überall miteinander verbundene Empfindungen, so sagte Ernst Mach. Man muß sagen, gegenüber der Anschauung einer Atomwelt, die kein Mensch natürlich sehen kann, war das in der damaligen Zeit ein Fortschritt. Das ist wieder vergessen worden. Ich will nicht über diese Anschauung sprechen, sondern über ein Beispiel menschlicher Entwik­kelung.
Sehen Sie, Ernst Mach hat einmal erzählt, wie er zu dieser Anschauung gekommen ist. Da sagte er, er sei als siebzehnjähriger Jüngling zu den Hauptsachen dieser Anschauung gekommen. Einmal, als er spazieren ging an einem besonders heißen Sommertag, da wurde ihm klar, die ganze Welt der Dinge an sich ist eigentlich müßig, das fünfte Rad am Wagen in aller Weltanschauung.

De mensen ervaren hun gevoelens. En wanneer wij een wereldbeeld creëren bestaat deze alleen uit deze gevoelens. En als we in ons zelf naar binnen kijken , hebben we daar ook alleen maar gevoelens. Niets is er dan alleen maar gevoelens; gevoelens die bij elkaar gehouden worden. Een bepaalde hardheid, een bepaald teer aanvoelen van het rood van de roos, het gevoel dat je je brandt aan een gloeiend ijzer dat er rood uitziet – overal gevoelens die met elkaar verbonden zijn, aldus Ernst Mach. Je moet wel zeggen dat t.o.v. de opvatting van een atomaire wereld die natuurlijk niemand kan zien, dit  in die tijd een vooruitgang betekende. Dat is weer vergeten. Ik wil het niet over deze opvatting hebben, maar over het voorbeeld van een menselijke ontwikkeling.

Kijk, Ernst Mach heeft eens verteld hoe hij tot deze opvatting is gekomen. Toen zei hij dat hij als zeventienjarige tot de hoofdzaken van die opvatting is gekomen. Toen hij eens op een bijzonder warme zomerdag ging wandelen, werd het hem duidelijk dat de hele wereld van de dingen op zich, er eigenlijk niet toe doet, het vijfde wiel aan de wagen van alle wereldbeschouwingen.

Da draußen sind nur Empfindungen. Die schmelzen mit den Empfindungen der eigenen Leiblichkeit, des eigenen menschlichen Wesens zusammen. Draußen sind die Empfindun­gen etwas loser, innen etwas fester verbunden, und zaubern dem Men­schen ein Ich vor. Alles Empfindung. Das kam dem siebzehnjährigen Jüngling an einem heißen Sommertag in einem Moment gerade zu. Spater, sagte er, hat er eigentlich das nur noch theoretisch weiter ausgeführt, aber die ganze Weltanschauung kam ihm auf diese Art an einem heißen Sommertag, wie er plotzlich sich zusammenfließen fühlte mit dem Rosenduft, der Rosenröte und so weiter. Ja, wäre es noch ein bißchen heißer geworden, dann würde wahr­scheinlich nicht diese Weltanschauung entstanden sein vom Zusammenfließen des eigenen Ichs mit den Empfindungen, sondern der gute Mach wäre als siebzehnjähn.ger Jüngling vielleicht von einer Ohnmacht befal­len worden, und wenn es noch heißer geworden wäre, hätte er einen Sonnenstich gekriegt.

Daar buiten bestaan er alleen maar gevoelens. Die smelten met de gevoelens van het eigen lichaam, met het eigen mensenwezen samen. Daar buiten zijn de gevoelens wat losser, van binnen steviger met elkaar verbonden en toveren de mens een Ik voor. Alles gevoelens.
Dat kwam bij de zeventienjarige jongen op een warme zomerdag in een ogenblik bij hem op. Later, zei hij, had hij dat alleen nog maar theoretisch verder uitgewerkt, maar zijn hele wereldbeschouwing kwam op deze manier op een warme zomerdag bij hem op, toen hij zich plotseling samen voelde smelten met de rozengeur, met het rood van de roos, enz. Maar ja, als het nog een beetje warmer zou zijn geworden, zou deze wereldbeschouwing van het samensmelten van het eigen Ik met de gevoelens waarschijnlijk niet ontstaan zijn, maar dan zou de goede Mach als zeventienjarige misschien flauw zijn gevallen en als het nog warmer zou zijn geworden, had hij misschien een zonnesteek opgelopen.

Blz. 70

Da haben wir drei Stufen von dem, was ein Mensch durchmachen kann. Die erste Stufe besteht darinnen, daß er, etwas gelockert, eine Weltanschauung ausgestaltet, die zweite, daß er ohnmächtig wird, die dritte, daß er einen Sonnenstich kriegt. Ich glaube, wenn heute einer äußerlich nachdenkt darüber, wie so jemand, wie der sehr gelehrte Ernst Mach, zu seiner Weltanschauung gekommen ist, da wird er nachdenken, was der alles gelernt hat, was in seinen Anlagen gelegen hat und so weiter; daß aber das die Hauptsache ist, wie er nun selbst erzählt, daß er die erste von den drei charakterisier­ten Stufen durchgemacht hat, das wird man nicht in den Vordergrund stellen. Und dennoch ist es so.
Worauf beruht denn das? Sehen Sie, man kennt einfach den Menschen nicht, wenn man nicht eine solche Erscheinung versteht. Was ist denn da eigentlich geschehen, als der siebzehnjährige Jüngling Mach spazieren ging? Es ist ihm offenbar sehr, sehr heiß geworden, und er stand zwischen dem, wo man sich ohne Hitze wohl fühlt und dem Ohnmäch­tigwerden mitten drinnen. Über einen solchen Zustand weiß man nichts Richtiges, wenn man nicht durch die anthroposophische Forschung darauf kommt, daß der Mensch eben nicht nur seinen physischen Leib hat, sondern über diesen physischen Leib hinaus noch das, was ich in meinen Schriften den ätherischen oder Bildekräfteleib genannt habe, einen übersinnlichen, unsichtbaren Leib.

We hebben hier drie niveaus van iets wat een mens kan doormaken. Het eerste bestaat eruit dat hij, een beetje losjes, een wereldbeschouwing vormt, het tweede dat hij gaat flauwvallen en het derde dat hij een zonnesteek oploopt.
Ik geloof dat wanneer tegenwoordig iemand er uiterlijk over nadenkt, hoe zo iemand als de zeer geleerde Ernst Mach, tot zijn wereldbeschouwing is gekomen, hij er dan over zal nadenken wat Mach allemaal heeft geleerd, wat hij in aanleg had enz.; maar wat de hoofdzaak is hoe hij nu zelf vertelt dat hij de eerste van de drie genoemde niveaus door heeft gemaakt, dat zal men niet voorop stellen. En toch is het zo.
Waar berust dat dan op? Kijk, je kent de mens simpelweg niet, wanneer je zo’n verschijnsel niet begrijpt. Wat is er eigenlijk gebeurd, toen de zeventienjarige Mach ging wandelen? Hij heeft het klaarblijkelijk erg warm gekregen en hij bevond zich precies in het midden van de toestand waarbij men zich zonder warmte goed voelt en het flauwvallen.
Over zo’n toestand weet men niet iets te zeggen wat juist is, wanneer men niet door het antroposofisch onderzoeken erop komt, dat de mens dus niet alleen maar zijn fysieke lichaam heeft, maar daarboven nog iets wat ik in mijn schriftelijk werk het etherische of het vormkrachtenlichaam genoemd heb, een bovenzintuiglijk, onzichtbaar lichaam.

Ich kann Ihnen heute natürlich nicht alle die Forschungen vorerzäh­len, auf denen die Erkenntnis eines solchen übersinnlichen Bildekräfte­leibes beruht; aber Sie können das ja in der anthroposophischen Litera­tur nachlesen. Es ist ein gesichertes Forschungsresultat, wie andere gesicherte Forschungsresultate.
Aber wie verhält es sich mit diesem Bildekräfteleib? Mit diesem Bildekräfteleib verhält es sich so, daß wir sonst immer im wachen Zustand voll angewiesen sind auf unseren physischen Leib. Die materialistische Anschauung hat ganz recht, wenn sie das Denken, das der Mensch in der physischen Welt entwickelt, an das Gehirn oder das Nervensystem überhaupt gebunden erklärt, denn wir brauchen den physischen Leib zu dem gewöhnlichen Denken. Wenn wir aber dieses gewöhnliche Denken etwas überleiten in ein gewisses freies innerliches

Ik kan u natuurlijk niet alle onderzoeken gaan vertellen waarop de kennis van zo’n bovenzintuiglijk vormkrachtenlichaam berust; maar dat kan u in de antroposofische literatuur nalezen. Het resultaat van dat onderzoek staat vast, zoals andere vaststaande onderzoeksresultaten. Maar hoe is de samenhang met dit vormkrachtenlichaam? Zodanig, dat we anders in wakkere toestand volledig aangewezen zijn op ons fysieke lichaam. De materialistische opvatting heeft helemaal gelijk dat wanneer die het denken dat de mens in de fysieke wereld ontwikkelt, aan de hersenen of het zenuwsysteem gebonden verklaart, want we hebben het fysieke lichaam nodig voor het gewone denken. Wanneer we echter dit gewone denken iets verder brengen tot een zeker vrij innerlijk

Blz. 71

Erleben, wie das zum Beispiel in der künstlerischen Phantasie der Fall ist, dann geht die fast gar nicht bemerkbare Tätigkeit des Bildekräfte-oder ätherischen Leibes zu einer größeren Intensität über.
Denkt also einer, wie man im gewöhnlichen Leben denken muß – mit dem, was ich da charakterisiere, ist wirklich nichts Abfälliges gemeint -, denkt einer in der gewöhnlichen nüchternen Weise, wie man es nun einmal muß im äußeren physischen Leben, so denkt er mit seinem physischen Leibe, und nur ganz wenig wird der Ätherleib benützt.
Geht einer zum Phantasieschaffen über, sagen wir zum dichterischen Schaffen, so tritt der physische Leib etwas zurück und der Ätherleib wird mehr tätig. Dadurch werden die Vorstellungen beweglicher; die eine fügt sich lebendiger in die andere ein und so weiter. Der ganze innere Mensch geht in eine größere innere Beweglichkeit über, als wenn die gewöhnliche nüchterne Alltagstätigkeit als Denken ausgeführt wird. Das alles liegt in der Willkür des Menschen. Aber zu all dem, was in der menschlichen Willkür liegt, kommt noch etwas anderes dazu, etwas, wozu der Mensch veranlaßt werden kann durch die äußere Natur. Wenn es uns recht warm wird, dann tritt die Tätigkeit des physischen Leibes, also auch die Denktätigkeit des physischen Leibes zurück, und der Ätherleib wird tätiger und tätiger.
Und indem der siebzehnjährige Mach spazieren gegangen ist und unter dem Eindruck der drückenden Sonnenhitze war, wurde einfach sein Ätherleib tätiger.

beleven, zoals dat bijv. het geval is in de kunstzinnige fantasie, dan gaat de nauwelijks merkbare activiteit van het vormkrachten- of etherlijf tot een grotere intensiteit over.
W a n n e e r iemand denkt zoals je in het gewone leven moet denken – met wat ik hier karakteriseer is niets afkeurends bedoeld – wanneer iemand op een gewone, nuchtere manier denkt, zoals dat nu eenmaal in het uiterlijk fysieke leven moet, dan denkt hij met zijn fysieke lichaam en het etherlijf wordt maar weinig gebruikt.
Wanneer iemand fantasievol schept, bijv. bij het dichten, dan houdt het fysieke lichaam zich iets terug en het etherlijf wordt actiever. Daardoor worden de voorstellingen beweeglijker; de ene voegt zich levendiger bij de andere enz. De hele mens komt in een grotere beweeglijkheid dan wanneer het gewone, nuchtere alledaagse denken actief is. Dat heeft de mens in zijn willekeur. Maar bij alles wat de mens willekeurig kan doen, komt nog iets anders, iets waartoe de mens aangezet kan worden door de uiterlijke natuur. Wanneer we het goed warm krijgen, neemt de activiteit van het fysieke lichaam af, dus ook de denkactiviteit van het fysieke lichaam en dan wordt het etherlijf steeds actiever.
En wanneer de zeventienjarige Mach is gaan wandelen en met de invloed van de drukkende zonnewarmte te maken krijgt, wordt simpelweg zijn etherlijf actiever.

Alle übrigen Physiker haben mit ihrem massiven physischen Leib die Physik ausgebildet. Den jungen Mach hat die Sonnenhitze dazu gebracht, nicht so denken zu können wie die anderen Physiker, sondern mit flüssigeren Begriffen zu denken: die ganze Welt besteht nur aus Empfindungen. Wäre die Hitze noch größer geworden, so wäre der Zusammenhang zwischen seinem physischen Leib und seinem Ätherleib so gelockert worden, daß der gute Mach nicht mehr mit seinem Ätherleib hätte denken können, gar keine Tätigkeit mehr hätte ausüben können. Der physische Leib denkt nicht mehr, wenn es zu heiß ist; und wenn es noch weiter geht, wird der Mensch krank, bekommt den Sonnenstich.
Ich führe Ihnen dies als Beispiel an, weil wir hier an der Entwicklung eines Menschen sehen, wie man verstehen muß, wie da in die menschliche

Alle andere natuurkundigen hebben met hun vaste fysieke lichaam de natuurkunde ontwikkeld. De jonge Mach werd er door de zonnewarmte toe gebracht dat hij niet zo kon denken als de andere natuurkundigen, hij dacht juist met meer stromende begrippen: de hele wereld bestaat alleen maar uit gevoelens.
Als de hitte nog was toegenomen, dan was het samengaan van zijn fysieke lichaam en zijn etherlijf nog losser geraakt en dan had de goede Mach niet meer met zijn etherlijf kunnen denken, dan had hij helemaal niets meer kunnen uitvoeren. Het fysieke lichaam denkt niet meer als het te warm is, en als dat nog verder gaat, wordt de mens ziek, hij krijgt een zonnesteek.
Ik kom hiermee als voorbeeld, omdat we hier aan de ontwikkeling van een mens zien, hoe je moet begrijpen, hoe hier in de menselijke

Blz. 72

Tätigkeit eingreift ein Übersinnliches im Menschen, der ätherische oder Bildekräfteleib, der uns die Form gibt, der uns die Gestalt gibt, der in uns die Wachstumskräfte hat und so weiter.
Außer diesem aber zeigt uns Anthroposophie, wie im Menschen noch weitere übersinnliche Wesensglieder stecken. – Stoßen Sie sich nicht an Ausdrücken. – Über den Bildekräfte- oder ätherischen Leib hinaus haben wir dann dasjenige, was der eigentliche Träger der Empfindung ist, den astralischen Leib, und dann erst die Wesenheit des Ich. Wir müssen den Menschen nicht nur seinem physischen Leibe nach kennen­lernen, sondern wir müssen ihn praktisch kennenlernen als ein Zusam­menwirken verschiedener Glieder seiner Wesenheit.
Diesen Gang vom Sinnlichen, dem die ganze gegenwärtige Wissen­schaft huldigt, zum Übersinnlichen hin, diesen Gang geht Anthroposo­phie. Sie geht ihn nicht aus Mystik und Phantastik heraus, sie geht ihn in derselben strengen Wissenschaftlichkeit wie heute die Wissenschaft in bezug auf die Sinnenwelt und die gewöhnliche nüchterne Verstandestä­tigkeit, die aber an den physischen Leib gebunden ist, verfährt. So entwickelt Anthroposophie eine Erkenntnis, eine Anschauung, und damit eine Empfindung für das Übersinnliche.

activiteit iets bovenzintuiglijks in de mens ingrijpt, het ether- of vormkrachtenlichaam dat ons de vorm geeft, de gestalte, die in ons de groeikracht heeft enz.
Buiten dit echter laat de antroposofie ons ook zien, hoe er in mens nog andere wezensdelen aanwezig zijn. Neem geen aanstoot aan uitdrukkingen!
Boven het vormkrachten- of etherlijf hebben we dan iets wat de eigenlijke drager van de gevoelens is, het astraallijf en dan ook het Ik-wezen. We moeten de mens niet alleen leren kennen wat zijn fysieke lichaam betreft, maar we moeten hem praktisch leren kennen als een samenwerking van verschillende wezensdelen.
De weg vanuit het zintuiglijke die door de hele tegenwoordige wetenschap eer wordt aangedaan, naar het bovenzintuiglijke, bewandelt de antroposofie. Dat is geen weg van mystiek of fantasterij, maar een van dezelfde strenge wetenschappelijkheid als de wetenschap bewandelt wat betreft de zintuigwereld en de gewone, nuchtere activiteit van het verstand, dat echter aan het fysieke lichaam is gebonden. En op deze wijze ontwikkelt de antroposofie kennis, opvattingen en daarmee een gevoel voor het bovenzintuiglijke.

Damit aber wird nicht etwa bloß das geliefert, daß man über die gewöhnliche Wissenschaft hinaus noch eine andere Wissenschaft hat. Es ist ja nicht so in der Anthroposophie, daß man zu dem, was wir heute als Naturwissenschaft, als Geschichtswissenschaft haben, noch eine andere besondere Geisteswissenschaft hinzufügt, die nun auch wiederum nur eine Theorie ist. Nein, wenn man so zum Übersinnlichen hinaufsteigt, so bleibt die Wissenschaft nicht Theorie, sondern die Wissenschaft wird da von selbst Praxis. Die Wissenschaft wird dasjenige, was da aus dem ganzen Menschen hervorströmt.
Von der Theorie wird nur der Kopf ergriffen. Von dem, was Anthro­posophie als eine Erkenntnis, die aber mehr ist als Erkenntnis, über den ganzen Menschen gibt, wird auch der ganze Mensch ergriffen. Und wie ist es dann?
Ja, lernt man in der Anthroposophie kennen, was im ätherischen oder Bildekräfteleib enthalten ist, dann kann man nicht stehenbleiben bei den scharf konturierten Begriffen, die wir heute haben für die physische

Daarmee wordt niet alleen maar aangedragen dat er naast de gewone wetenschap nog een andere wetenschap is. Het is niet zo bij de antroposofie dat we naast wat we tegenwoordig als natuurwetenschap, als geschiedeniswetenschap hebben, nog een andere bijzondere geesteswetenschap zetten, die dan ook weer alleen maar een theorie is.
Nee, wanneer je tot het bovenzintuiglijke komt, blijft de wetenschap geen theorie, maar wordt de wetenschap vanzelf praktijk. Wetenschap wordt iets wat uit de hele mens tevoorschijn stroomt.
Door de theorie wordt alleen het hoofd aangesproken. Door wat antroposofie als weten, dat echter meer is dan weten, over de hele mens aanreikt, wordt de hele mens aangesproken. En hoe is dat dan?
Wel, als je in de antroposofie leert kennen wat in het etherische of vormkrachtenlichaam aanwezig is, kun je niet blijven staan bij de scherp gekaderde begrippen die we tegenwoordig hebben voor de fysieke

Blz. 73

Welt, dann werden alle Begriffe beweglich, dann wird der Mensch, indem er zum Beispiel die Pflanzenwelt ansieht, nicht bloß Formen, bestimmte aufzuzeichnende Formen des Pflanzlichen haben, sondern bewegliche Formen. Sein ganzes Vorstellungsleben kommt in eine innere Beweglichkeit. Der Mensch ist genötigt, seelisch sich eine Frische zuzulegen, weil er jetzt nicht mehr die Pflanze zum Beispiel äußerlich bloß anschaut, sondern weil er, indem er über die Pflanze denkt, das Wach­sen, das Sprießen, das Sprossen der Pflanze selber mitmacht. Der Mensch wird im Frühling selber Frühling mit seinen Vorstellungen, im Herbste selber Herbst mit seinen Vorstellungen. Der Mensch sieht nicht nur die Pflanze aus dem Boden sprießen, Blüten bekommen, oder wiederum die Blätter sich verfärben ins Bräunliche, abfallen, nein, der Mensch macht diesen ganzen Prozeß mit. Indem er über die sprießende, sprossende Pflanze im Frühling, auf die er hinschaut, denkt, vorstellt, wird seine Seele mitgerissen. Seine Seele macht innerlich den Wachs­tums-, den Blüteprozeß mit. Seine Seele wird innerlich ein Erlebnis haben, wie wenn alle seine Vorstellungen zum Sonnenhaften hingingen.

wereld, dan worden alle begrippen beweeglijk, dan zal de mens, wanneer hij bijv. naar de plantenwereld kijkt, niet alleen maar vormen, bepaalde plantenvormen moeten optekenen, maar beweeglijke vormen. Heel zijn

v o o r s t e llingsleven komt innerlijk in beweging. De mens wordt genoodzaakt wat zijn gevoel betreft, een bepaalde frisheid te verwerven, omdat hij nu de plant bijv. niet meer van buiten waarneemt, maar omdat hij, als hij over de plant denkt, de groei, het uitbotten, het uitlopen van de plant zelf meebeleeft. De mens wordt in de lente met zijn voorstellingen zelf lente, in de herfst met zijn voorstellingen zelf herfst. De mens ziet niet alleen maar de plant opkomen uit de grond, in bloei raken of  de bladeren verkleuren tot bruinachtig, afvallen, nee de mens maakt dit hele proces mee. Wanneer hij over de uitlopende, uitbottende plant die hij waarneemt in de lente, denkt, zich voorstelt, wordt zijn ziel meegenomen. Zijn ziel beleeft innerlijk het groei- en bloeiproces mee. Innerlijk beleeft hij mee hoe al zijn voorstellingen zich op het zonachtige richten.

Er hat gewissermaßen die Vorstellung, indem er immer mehr und mehr sich vertieft in das Pflanzliche, es ist das Sonnenlicht, zu dem er innerlich in der Seele emporstrebt. Alles wird innerlich lebendig.
Da werden wir nicht vertrocknete Begriffsmenschen, da werden wir innerlich seelisch lebendige Menschen. Da machen wir etwas von einer gewissen Trauer mit, wenn die Blätter sich verfärben und abfallen, da werden wir, wie gesagt, selber Frühling, Sommer, Herbst und Winter. Da frieren wir innerlich seelisch mit dem Schnee, der als äußerlich weißes Kleid die Erde bedeckt. Da wird alles in uns lebendig, was sonst trockenes Vorstellungsleben ist.
Und kommt man gar herauf zu Begriffen des sogenannten astralischen Leibes, ja, sehen Sie, da kommen die Leute und sagen: Ach, dieser astralische Leib, den haben so ein paar phantastische Kerle ausgesonnen.
Nein, er ist beobachtet, beobachtet wie etwas anderes. Aber derjenige, der ihn wirklich versteht, beginnt etwas anderes zu verstehen. Er beginnt zu verstehen dasjenige zum Beispiel, was erlebte Liebe ist. Er beginnt zu verstehen, wie die Liebe webt und wellt im Dasein. So wie er durch seinen Körper eine innere Erfahrung bekommt, ob es warm oder kalt ist,

Op een bepaalde manier krijgt hij de voorstelling, wanneer hij steeds meer zich verdiept in de plantenwereld, dat hij zich innerlijk in zijn ziel richt op het zonnelicht. Alles wordt innerlijk levend.
Dan worden we geen mensen met droge begrippen, maar mensen die innerlijk in hun gevoel léven. Dan beleven we iets van een bepaalde droefenis als de bladeren kleuren en afvallen, we worden, zoals gezegd, innerlijk in ons gevoel zelf lente, zomer, herfst en winter. Dan bevriezen we innerlijk als het sneeuwt, als de sneeuw als een uiterlijk wit kleed de aarde bedekt. Alles wat anders droge voorstellingen zijn, gaat dan in ons leven.
En wanneer je dan de begrippen van het zogenaamde astraallijf aanroert, komen er mensen die zeggen: ‘Ach, dit astraallijf is maar verzonnen door een paar fantasierijke figuren.
Nee, dit is waargenomen, waargenomen zoals andere dingen. Wie het werkelijk begrijpt, begint ook iets anders te begrijpen. Bij. wat doorleefde liefde is. Hij begint te begrijpen wat de liefde is die in het bestaan als een golfbeweging verbindt. Alsof hij door zijn lichaam een innerlijke ervaring krijgt, alsof het warm of koud is,

Blz. 74

so bekommt er durch die Erkenntnis des astralischen Leibes eine innerli­che Wahrnehmung, ob Liebe webt und wellt, oder ob Antipathie webt und wellt. Es ist eine volle Bereicherung des Lebens.
Sie werden nicht behaupten können, wenn Sie auch noch so viel Theorien, wie sie heute üblich sind, studieren, daß dann dasjenige, was Sie studieren, in Ihren ganzen Menschen übergeht. Es bleibt Kopfbesitz. Wollen Sie es anwenden, so müssen Sie es nach einem äußerlichen Prinzip anwenden. Studieren Sie Anthroposophie, so geht das über in Ihren ganzen Menschen, wie das Blut in Ihrem Körper rinnt. Das ist Lebensstoff, geistiger Lebensstoff – wenn ich das widerspruchsvolle Wort bilden darf -, geistiger Lebensstoff, der uns durchdringt. Wir werden andere Menschen, wenn wir Anthroposophie aufnehmen.
Und es ist so: wenn Sie ein Stück eines Menschenleibes nehmen, vom Finger hier, so kann dieses Stück höchstens tasten. Es muß ganz anders sich durchorganisieren, wenn es das Auge werden soll. Das Auge besteht auch aus solchen Geweben wie der Finger, aber das Auge ist innerlich selbstlos, ist innerlich durchsichtig geworden. Daher vermittelt einem das Auge dasjenige, was außerhalb des Auges ist.

zo krijgt hij door de kennis van het astraallijf een innerlijke waarneming alsof liefde verbindt en golft of dat antipathie heerst en golft. Het is een totale verrijking van het leven.
Je zal niet kunnen beweren, ook al zou je nog zoveel theorieën. zoals die nu gebruikelijk zijn, bestuderen, dat dan wat je bestudeert een deel wordt van je hele wezen. Het blijft iets van het hoofd. Als je het wil toepassen, moet dat volgens een uiterlijk principe. Als je antroposofie bestudeert, gaat dat in je hele wezen zitten, zoals het bloed door het fysieke lichaam stroomt. Het is stof voor het leven, geestelijke stof voor het leven – als ik deze tegenstrijdige woorden mag gebruiken: geestelijke stof voor het leven die ons doordringt. We worden andere mensen, wanneer we antroposofie in ons opnemen. En het is zo, wanneer je een deel van een mensenlichaam neemt, neem dit stukje vinger, dat kan alleen maar aftasten. Dat moet heel anders in elkaar steken om een oog te worden. Het oog heeft net zulk weefsel als een vinger, maar innerlijk is het oog onzelfzuchtig, innerlijk is het doorlaatbaar geworden. Vandaar dat het oog je doorgeeft, wat zich erbuiten bevindt.

Hat der Mensch innerlich ergriffen den astralischen Leib, so vermittelt der ihm dasjenige, was außerhalb ist. Der astralische Leib wird ein seelisches Auge. Der Mensch schaut in die Seele des anderen Menschen hinein, nicht in einer abergläubischen, zauberischen Weise, sondern in einer ganz natürlichen Weise. Aber es tritt so ein, was sonst nur unbewußt im Leben die Liebe macht. Sie schauen dasjenige, was in der Seele des anderen Menschen ist. Unsere heutige Wissenschaft sondert Theorie von Praxis ab. Anthroposophie bringt dasjenige, was Erkenntnis ist, in das unmittelbare Leben hinein, macht den Menschen zu einem anderen Menschen.
Es ist unmöglich, wenn man Anthroposophie studiert, daß man hinterher erst eine Praxis in der Anthroposophie durchmachen muß. Es ware ein Widerspruch in sich. So wie das Blut, wenn der Mensch als Embryo organisiert wird, in seinen Körper dringt, so dringt in Seele und Geist als eine Realität dasjenige, was Anthroposophie ist.
Dadurch aber kommen wir nicht etwa dazu, nun äußerlich am Men­schen herumzuexperimentieren, sondern wir kommen dahin, in das

Wanneer de mens innerlijk het astraallijf heeft begrepen, dan geeft dit aan hem wat erbuiten is. Het astraallijf wordt een oog voor de ziel. De mens kijkt in de ziel van de andere mens, niet op een bijgelovige, magische manier, maar heel natuurlijk. Maar het gebeurt zo, zoals anders alleen maar onbewust in het leven de liefde doet. Je kijkt in wat de ziel van de andere mens is. Onze huidige wetenschap scheidt theorie van praktijk. Antroposofie brengt hetgeen wat weten is, direct over op het praktische leven, maakt de mens tot een ander mens.
Het is onmogelijk wanneer je de antroposofie bestudeert, om pas achteraf een praktijk door te moeten maken. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. Zoals het bloed in het lichaam doordringt wanneer de mens als embryo ontstaat, zo dringt de antroposofie door in ziel en geest als een realiteit.
Daarom komen wij er niet toe om uiterlijk met de mens te gaan experimenteren, maar wij komen ertoe

Blz. 75

innere Seelengefüge des Menschen hineinzuschauen, an den Menschen wirklich heranzukommen. Dann aber lernen wir auch noch etwas ande­tes. Dann lernen wir erkennen, wie innig verwandt zum Beispiel das menschliche Vorstellen mit dem menschlichen Wachstum ist.
Was weiß denn die heutige Psychologie von der Verwandtschaft des menschlichen Vorstellens mit dem menschlichen Wachstum? Man redet auf der einen Seite von der Art und Weise, wie Vorstellungen zustande­kommen. Man redet auf der anderen Seite in der Physiologie, wie der Mensch wächst. Aber daß diese beiden Dinge, Wachstum und Vorstel­lung, etwas miteinander zu tun haben, innig verwandt sind, davon weiß man ja gar nichts. Daher weiß man auch nicht, was es bedeutet, wenn in dem Lebensalter, das ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr liegt, an den Menschen, an das Kind, unrichtige Vorstellungen herangebracht werden, wie das seinen Wachstumsprozeß beeinflußt, wie das den richtigen körperlichen Wachstumsprozeß beeinflußt. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuviel Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das hemmend wirkt auf seinen Wachstumsprozeß. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuwenig Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das sein Wachstum, ich möchte sagen, übermächtig macht, so daß es zu allerlei Krankheiten neigt.

dat we kunnen waarnemen in de ziel van de mens, we komen werkelijk bij de mens. Dan leren we ook nog iets anders. Dan leren we bijv. kennen dat het menselijke voorstellen diep verbonden is met de groei van de mens.
Wat weet de huidige psychologie van het verband van het voorstellen door de mens met zijn groeien? Aan de ene kant heeft men het over de wijze waarop voorstellingen tot stand komen. Aan de andere kant heeft men het in de psychologie erover hoe de mens groeit. Maar dat deze twee, groeien en voorstellen, iets met elkaar te maken hebben, diep verbonden zijn, daar weet men echter niets vanaf. Daarom weet men ook niet wat het betekent, als je in de levensfase die ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar ligt, de mens, het kind, onjuiste voorstellingen meegeeft en hoe dat zijn groeiproces beïnvloedt, hoe dat een gezond lichamelijk groeiproces beïnvloedt. Men weet niet dat wanneer je een kind te veel voorstellingen voor zijn geheugen bijbrengt, dit remmend werkt op zijn groeiproces. Men weet niet dat wanneer je een kind te weinig gedachtevoorstellingen bijbrengt, dat zijn groeien oppermachtig wordt, zodat dit tot allerlei ziekten neigt.

Man kennt nicht diesen innigen Zusammen­hang zwischen allem Seelischen und allem Leiblichen.
Ohne das aber ist jede Erziehung und jeder Unterricht ein finsteres Herumtappen am Menschen. Anthroposophie hat ganz gewiß im Anfang nicht darnach gestrebt, eine Pädagogik zu begründen. Sie wollte Menschenerkenntnis, ganze, volle Menschenerkenntnis liefern. Aber indem sie ganze, volle Menschenerkenntnis lieferte, entstand ganz von selbst das Pädagogische. Und wenn wir uns nun umschauen, was da und dort heute als Reformgedanken auftritt, so ist das alles außerordentlich gut gemeint, und man kann vor mancherlei allen Respekt haben, was in dieser Weise auftritt, denn die Menschen können ja nichts dafür, daß zunächst keine Menschenerkenntnis, keine wahre, wirkliche Menschenerkenntnis da ist. Wäre Menschenerkenntnis in diesen pädagogischen Reformplänen, Anthroposophie brauchte nichts zu sagen. Aber wenn Menschener-kenntnis vorhanden wäre, dann wäre es ja eben Anthroposophie. Weil

Men kent de diepe samenhang niet tussen alles wat ziel is en alles wat lichaam is.
Zonder dat is iedere opvoeding en elk onderwijs echter een vaag wat doen met de mens. Antroposofie had aanvankelijk niet de bedoeling een pedagogie te ontwikkelen. Ze wilde menskunde, volledige menskunde leveren. Maar toen ze deze bracht, ontstond als vanzelf het pedagogische.
En als we nu eens kijken wat hier en daar als vernieuwingsgedachten naar voren komt, is dat allemaal goed bedoeld en je kan voor van alles wat op deze manier gebracht wordt, veel respect hebben, niettegenstaande dat er voor de mensen nu geen menskunde, geen echte reële menskunde bestaat. Als er in deze pedagogische vernieuwingsplannen echte menskunde zou zitten, dan hoefde de antroposofie niets te zeggen. Maar als daar echte menskunde bij zou zijn, dan zou het antroposofie zijn. Omdat

Blz. 76

eine wirkliche Menschenerkenntnis heute in unserem ganzen Zivilisa­tionsleben fehlt, kam Anthroposophie und wollte diese Menschenerkenntnis geben. Und weil Pädagogik nur auf Menschenerkenntnis fußen kann, weil Pädagogik nur dann gedeihen kann, wenn nicht Theorie auf der einen Seite, Praxis auf der anderen Seite da ist, sondern wenn, ie beim wirklichen Künstler, alles, was man weiß, auch in das Tun, in die Tätigkeit hineingehen kann; weil Pädagogik nur gedeihen kann, Wenn alles Wissen Kunst ist, wenn die Erziehungswissenschaft nicht Wissen schaft, sondern Erziehungskunst ist, muß eine solche in sich tätige Menschenerkenntnis die Grundlage des pädagogischen Wirkens und Arbeitens sein.
Sehen Sie, darum existiert eine anthroposophische Pädagogik. Nicht weil man nun einmal fanatisiert ist für Anthroposophie, und deshalb der Anthroposophie zuschreibt, daß sie ein solcher Allerweltskerl ist, daß sie alles kann, also auch Kinder erziehen, nicht deshalb gibt es eine anthro­posophische Pädagogik, sondern weil mit Notwendigkeit nur aus einer wirklichen Menschenerkenntnis heraus, die eben Anthroposophie geben will, Pädagogik erwachsen kann. Deshalb, meine sehr verehrten Anwe­senden, gibt es eine anthroposophische Pädagogik.

Nun möchte ich morgen, nachdem ich heute nur einige einleitende Striche gegeben habe, über das Thema weitersprechen.

er nu in onze hele beschaving een echte menskunde ontbreekt, kan de antroposofie die geven en dat wil ze ook doen. En omdat pedagogie alleen maar gefundeerd kan worden op menskunde, omdat de pedagogie alleen maar gedijen kan als er niet aan de ene kant theorie bestaat en aan de andere kant praktijk, maar wanneer er, net als bij de echte kunstenaar, alles wat je weet ook in het doen, in de activiteit over kan gaan; omdat pedagogiek slechts gedijen kan, wanneer alle kennis kunst is, wanneer de opvoedingswetenschap geen kennis creëert, maar opvoedkunst is, dan moet de in zichzelf actieve menskunde de basis zijn van het pedagogisch bezig zijn.
U ziet het: d a a r o m bestaat er een antroposofische pedagogie. Niet omdat we nu eenmaal fanatiek antroposofie willen en men daarom van de antroposofie zegt dat het een manusje-van-alles is, dat ze alles kan, dus ook kinderen opvoeden. Maar daarom is er geen antroposofische pedagogie. Maar wel door de noodzaak dat een pedagogie alleen groeien kan door een echte menskunde, die de antroposofie dus wil geven.
Daarom, zeer geachte aanwezigen, is er antroposofische pedagogie.

Nu wil ik, nadat ik vandaag maar een paar inleidende aanzetten heb gegeven, morgen over het thema verder spreken.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2759-2588

.

.

.