Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Socrates

.

DE EVANGELIST VAN DE LOGICA

Socrates

Hij was een man die een vermakelijke aanblik opleverde: een schedel, hoog en kaal als de koepel van een openbaar gebouw, een gezicht dat verhoudingsgewijs heel klein was, een ronde wipneus en een lange, golvende baard die niet bij zo’n eigenwijs gezicht scheen thuis te horen. Zijn lelijkheid was voor zijn vrienden een spreekwoordelijk mopje en hij van zijn kant deed er nog een schepje bovenop. Hij was een arm man die graag lanterfantte; steenhouwer van beroep, een tweederangs beeldhouwer. Maar hij deed geen slag werk meer dan nodig was om zijn vrouw en drie jongens in leven te houden. Hij praatte liever. En omdat zijn vrouw een helleveeg was met een griezelig scherpe tong, was hij het liefste van huis weg.

Deze houding van schalkse en min of meer voorgewende nederigheid bezorgde hem een geweldige voorsprong in een discussie. Ze maakte hem in feite tot een soort plaag. Voorgevende dat hijzelf de antwoorden niet wist te geven, kwam hij de mensen altijd met vragen aan boord als een officier van justitie, en hij bracht hen tot de vreemdste bekentenissen.

Socrates was de evangelist van het zuivere denken. Hij ging rond door de straten van Athene en predikte de logica, precies zoals vierhonderd jaar later Jezus door de dorpen van Palestina zou trekken en de leer der naastenliefde zou verkondigen. En als Jezus oefende hij, zonder ooit een woord op schrift te zetten, een invloed op de geest van de mensen uit die door geen bibliotheek vol boeken kon worden overtroffen.

Hij stevende gemeenlijk af op de meest vooraanstaande burger, een groot redenaar of wie dan ook, om te vragen of deze werkelijk wist waarover hij praatte. Gesteld dat een vooraanstaand staats­man zijn vaderlandslievende redevoering besloot met een tirade over de moed, over de glorie om te sterven voor zijn vaderland. Dan stapte Socrates op hem af en zei: “Vergeef me dat ik me ermee bemoei, maar wat bedoelt u precies met moed?”

“Moed, dat is in gevaar op je post blijven,” was dan het korte antwoord.

“Maar veronderstel dat de goede krijgskunst eist dat je je terugtrekt?” vroeg Socrates dan.

“O ja, dan ligt de zaak; anders. In dat geval zou je daar natuur­lijk niet blijven.”

“Dan is moed dus niet afhankelijk van op je post blijven of je terugtrekken. Wat is moed dan volgens u wél?”

De redenaar fronste dan het voorhoofd. “U hebt me overbluft. Ik vrees dat ik het niet precies weet.”

“Ik evenmin,” zei Socrates dan weer. “Maar het zou mij ver­bazen als het iets anders is dan alleen maar je hersens te gebruiken. Dat wil zeggen: het redelijke doen, ongeacht gevaar.”

“Dat lijkt er al meer op,” zei iemand uit de menigte en Socrates keerde zich dan naar de nieuwe spreker.

“Zijn we het dan eens — voorlopig uiteraard, want het is een moeilijke kwestie — dat moed gelijk staat met een onwrikbaar juist oordeel? Moed is tegenwoordigheid van geest. En het tegen­overgestelde in dit geval zou de aanwezigheid van gemoedsbe­wegingen zijn, in zulk een mate dat de geest wordt overstemd?”

Socrates wist uit persoonlijke ervaringen mee te praten over moed en zijn toehoorders wisten dat, want zijn koelbloedigheid en heldhaftigheid tijdens de slag van Delium was alom bekend, evenals zijn lichamelijk uithoudingsvermogen. En hij bezat ook geestelijke moed. Iedereen wist nog hoe hij zich geheel alleen te weer had gesteld tegen de volkshysterie na de zeeslag van Arginusae, toen tien generaals ter dood waren veroordeeld omdat ze verdrinkende soldaten niet gered hadden. Schuldig of niet schul­dig, het was onrechtvaardig, had hij volgehouden, om mensen groepsgewijs te doen terechtstaan of te veroordelen.

Natuurlijk was het hierboven beschreven gesprek in zijn bij­zonderheden denkbeeldig. Maar het toont het hoofdkenmerk aan waardoor de leer van deze beminnelijk lelijke en overtuigende man Socrates een keerpunt in de beschavingsgeschiedenis is ge­worden. Hij leerde dat de juiste handelwijze altijd die handelwijze is die door de geest wordt bestuurd, dat alle deugden in de grond neerkomen op overwinning van de geest over de emoties.

Socrates legde niet alleen voortdurend de nadruk op de morele betekenis van zuiver denken, maar zette ook de eerste grote stap om de mensen te leren hoe ze dat moesten doen. Hij ontwikkelde de idee van definitie der begrippen. Hij placht te zeggen: “Laten we voordat we beginnen te praten, vaststellen waarover we pra­ten.” Dit was zonder twijfel al eerder gezegd in gesprekken van mens tot mens, maar Socrates maakte er een evangelie van.

Vóór Socrates hadden de Griekse filosofen drie geslachten lang de natuur en de sterren bestudeerd en in een schitterende intellec­tuele bloei het aanzien aan wat wij wetenschap noemen, gegeven. Socrates gebruikte de wetenschappelijke methode voor de studie van de levenskunst. In zijn dagen strekte de wonderbaarlijke wereld van Griekse stadstaten en van de Griekse cultuur zich uit rond het bekken van de Middellandse Zee en voorbij de Zwarte Zee tot de Russische kust. Griekse koopvaarders beheersten de handel in dat gebied. Onder het leiderschap van de grote handelsstad Athene hadden de Grieken juist de legers van Perzië ver­slagen. Van overal ter wereld begonnen nu kunstenaars, dichters, mannen der wetenschap en filosofen, studenten en leraren naar Athene te stromen. Rijke lieden van zo ver weg als Sicilië stuurden hun zonen uit om Socrates te volgen op zijn wandelingen, om te luisteren naar zijn merkwaardige betogen. De oude man weigerde daar iets voor te berekenen.

Alle grote filosofische stelsels die in de Griekse en later in de Romeinse wereld zijn ontstaan, beroepen er zich op van hem af te stammen. Plato was zijn leerling en Aristoteles was Plato’s leer­ling. We leven nog altijd in het Socratische erfdeel. De leer van Socrates zou wellicht niet zulk een diepe indruk op de wereld hebben gemaakt als hij er niet als een martelaar voor was ge­storven. Het schijnt vreemd om een man ter dood te brengen wegens het “invoeren van algemene definities”. En toch: wie denkt aan wat die nieuwe techniek, als ze halsstarrig tot in de uiterste consequenties wordt gevolgd, aan aloude, gevoelsmatige overtuigingen kan toebrengen, is er niet door verrast. Socrates was voor zijn jonge en vooruitstrevende vrienden de zachtaardig­ste van alle mensen, maar hij moet door duizenden traagdenkende, ouderwetse lieden en zelfs door vele bedachtzame conservatieven zijn beschouwd als een verderfelijk fanaticus. Er waren twee for­mele beschuldigingen tegen Socrates: hij geloofde niet in de door de stad erkende goden en hij “bedierf de jongeren”.

Het is heden ten dage niet precies duidelijk wat de aanklagers hebben bedoeld, maar het staat vast dat de jonge mensen aan deze oude man waren verknocht. De aanlokkelijkheid van nieuwe inzichten, de aansporing om zelfstandig te denken, trokken hen tot hem aan, maar hun ouders vreesden dat ze revolutionaire dogma’s leerden. Daarbij kwam nog dat een van zijn studenten, de heethoofdige, onevenwichtige Alcibiades, tijdens de oorlog met Sparta naar de vijand was overgelopen. Dat was niet de schuld van Socrates. Maar Athene, lijdend onder de nederlaag, was op zoek naar zondebokken.

Socrates stond terecht voor een jury van 501 burgers en werd ter dood veroordeeld met een meerderheid van slechts 60. Waar­schijnlijk hadden zeer weinigen verwacht dat hij zou sterven. Hij bezat bij voorbeeld officieel het recht om een lichtere straf voor te stellen en een stemming daarover aan te vragen. Als hij dat nederig, weeklagend en smekend had gedaan, zoals de gewoonte was, dan zouden meer dan 30 ongetwijfeld hun stem hebben ge­wijzigd. Maar hij hield eraan vast zich ook op dit punt verstan­delijk te gedragen.

“Een van de dingen waarin ik geloof,” zei hij tegen de volge­lingen die in de gevangenis bij hem kwamen en hem aanspoorden te ontvluchten, “is de heerschappij van de wet. Een goed burger, zoals ik jullie altijd heb verteld, is degene die gehoorzaamt aan de wetten van zijn stad. De wetten van Athene hebben me ter dood veroordeeld en de logische gevolgtrekking daaruit is dat ik moet sterven, als een goed burger.”

Dit moet zijn ongeruste vrienden als enigszins ziekelijk strijd­lustig hebben getroffen. “Wordt de logica op die manier niet wat al te ver doorgedreven?” protesteerden ze. Maar de oude man bleef op zijn stuk staan.

Plato heeft Socrates’ laatste nacht op aarde beschreven in de dialoog Phaedo. Socrates bracht die nacht door zoals hij de meeste andere had doorgebracht: debatterend over filosofie met zijn jonge vrienden. Het onderwerp was: Is er een leven na de dood? Socrates was geneigd te denken van wel, maar hij toonde een ontvankelijke geest en luisterde aandachtig naar de tegenwerpin­gen van zijn studenten die het tegengestelde standpunt innamen. Tot het einde toe hield Socrates het hoofd koel en hij liet zijn denken niet door zijn gevoelens beïnvloeden. Hoewel hij binnen enkele uren moest sterven, zat hij bezadigd over de kansen op een toekomstig leven te betogen.

Toen het uur naderde, verzamelden zijn vrienden zich rond hem en bereidden zich in hun hart voor op de aanblik van hun leraar die de gifbeker dronk. Socrates liet die zelf halen, kort voordat de zon boven de bergen in het westen onderging. Toen de bewaker het ding binnenbracht, zei hij op kalme, zakelijke toon tegen hem: “U weet alles van deze dingen en u moet me vertellen wat ik moet doen.”

“U drinkt de kervel en dan staat u op en loopt wat rond,” zei de bewaker, “tot uw benen u zwaar gaan wegen. Daarna gaat u liggen en de verdoving zal naar uw hart trekken.”

Zeer weloverdacht en beheerst deed Socrates wat hem was be­volen, alleen pauzerend om zijn vrienden de les te lezen; ze snikten en schreiden, alsof hij niet wijs en juist handelde. Zijn laatste ge­dachte gold een kleine verplichting die hij had vergeten. Hij ver­wijderde de doek die over zijn gezicht was gelegd en zei: “Krito, ik ben een haan schuldig aan Asclepius . . . Zorg er vooral voor dat die wordt betaald.”

Daarna sloot hij de ogen en legde de doek weer terug, en toen Krito hem vroeg of hij nog een andere laatste wens had, gaf hij geen antwoord.

“Dat was het einde,” zei Plato die deze sterfscène in onver­getelijke taal heeft beschreven, “van onze vriend die van allen die we hebben gekend de beste, de rechtvaardigste en de wijste is geweest.”

Hij placht voor het licht werd op te staan, een haastig ontbijt te nuttigen: in wijn gedoopt brood, een hemd aan te schieten, daarover een grofgeweven mantel te gooien en weg te gaan, op zoek naar een werkplaats, een tempel of het huis van een vriend, een badinrichting of zomaar een bekend punt in de stad waar hij in discussie kon geraken. In de ganse stad waar hij woonde, gonsde het van discussies. De stad heette Athene en die man was Socrates.

Hij zag er niet alleen vermakelijk uit, maar hij had ook grappige manieren en denkbeelden waar hij weliswaar goedsmoeds, maar met een koppige vasthoudendheid aan vast hield. Een van zijn vrienden had het orakel van Delphi gevraagd wie de wijste man van Athene was. Tot aller verbazing had de priesteres deze leeg­loper, Socrates, genoemd. “Het orakel,” zei deze, “heeft mij de wijste man van Athene genoemd omdat ik de enige ben die weet dat hij niets weet.”
.

alle biografieën

vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
.
514-475

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Shakespeare

.

HEEL DE WERELD IS ZIJN SCHOUWTONEEL

Shakespeare

 

Nimmer in de ruim 400 jaar die verstreken zijn sedert de ge­boorte van hun schepper hebben Shakespeares personages tot zovelen gesproken, of zoveel betekend als in onze dagen. Op de sombere kantelen van het twaalfde-eeuwse kasteel Lourije-nac in Joegoslavië zet de geest van Hamlets vader zijn zoon tot wraak aan; diep in Sowjet-Rusland, in Tasjkent, wurgt de jaloerse Moor de schuldeloze Desdemona. Aan de andere kant van de wereld reizen Australische acteurs met een bus de binnenlanden af, met niet meer rekwisieten dan een kroon en een stuk of wat zwaarden. Inheemsen in Zuid-Rhodesië [nu Zimbabwe] voeren Macbeth op, daar­bij uitgedost als Zoeloekrijgers met staarten en veren.

In de schouwburgen, tenten en schoollokalen van ieder land, waar ook maar de zon ondergaat en het doek rijst, spreken Shake­speares figuren een universele taal des harten, waarvoor elk mens openstaat — ongeacht in welke taal de tekst wordt gezegd, hetzij in voorbeeldig Engels, hetzij in een vloeiende of gebrekkige
ver­taling. En nergens lijken ze zo op hun plaats als in de drie Stratfords — in Engeland, Canada en de Verenigde Staten.
Engelands Stratford-upon-Avon, het oudste, in 1882 gestichte en nog steeds in gebruik zijnde Shakespeare-toneel, geeft jaarlijks zo n 391 000* plaatskaarten af. Stratford in Ontario, dat in 1953 is begonnen, heeft sindsdien meer dan twee miljoen toeschouwers gelokt, wat een bruto recette van zeven miljoen dollar heeft opgeleverd. Het Amerikaanse Stratford, in Connecticut, verwachtte voor het sei­zoen 1964 zo’n 258 000 liefhebbers. Te oordelen naar de verkeers­stromen in de richting van de drie Stratfords, stelt het hedendaagse publiek de criticus Maurice Morgann in het gelijk, die in 1 774 over Shakespeare schreef: “Het is juister om te zeggen dat wij van hem bezeten zijn dan dat wij hem bezitten.”

De grote hiaten in onze kennis omtrent Shakespeares leven heb­ben voedsel gegeven aan het bizarre streven van pseudogeleerdcn om aan te tonen dat Shakespeare zijn stukken niet zelf heeft ge­schreven, dat hij een stroman was voor Sir Francis Bacon of Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford; of Christopher Marlowe; of Sir Walter Raleigh; of koningin Elizabeth; of zelfs ’s dichters vrouw Anne Hathaway. Amateur-geheimschriftkun­digen hebben in Shakespeares geschriften verborgen codes menen te ontdekken die de ware auteurs zouden aanduiden. Aan dit alles ligt een eigenaardig soort snobisme ten grondslag — de opvatting dat iemand van eenvoudige afkomst en met een geringe opleiding niet een zo groot genie geweest kan zijn. Deze theorieën zijn op velerlei wijze weerlegd, maar de sterkste tegenargumenten vor­men, afgezien dan nog van historische gegevens, de toneelwerken zelf; die stijl, dat is Shakespeare, wiens leven en werk niet van elkaar zijn los te denken.

De jonge William was overigens van betere afkomst en had waarschijnlijk een heel wat grondiger schoolopleiding gehad dan de anti-Shakespeare-theoretici gewoonlijk willen toegeven. De Shakespeares waren boeren uit Warwickshire, maar Williams vader, de eerzuchtige John Shakespeare, verhuisde naar Stratford en werd daar handschoenmaker. Hij was een van de officiële bierproevers van de stad, en toen William vier jaar was trok John het scharlakenrode ambtsgewaad van opperschout of burge­meester aan. De jongen ging vermoedelijk naar Stratfords King’s School — zonder twijfel met tegenzin, want de scholen maakten in die tijd lange dagen (van 7 uur ’s morgens tot 5 uur ’s middags en in de zomer dikwijls nog later), hadden als hoofdvak Latijn en spaarden de roede niet.

Rondtrekkende toneelgezelschappen kwamen in Stratford voor­stellingen geven. Bekoord door hun wereld van schone schijn trok Shakespeare — hij was toen nog geen dertig — naar Londen en sloot zich bij een toneelgezelschap aan. Al spoedig had William succes als acteur en als toneelschrijver. Hij schreef vlot — het viel zijn uitgevers op dat zijn manuscripten bijna nooit doorhalingen vertoonden. De motieven waarop Shakespeare zijn stukken ba­seerde, waren voor hem, wat potten voor tovenaar Merlijn be­tekenden — elke geleende kom, of die nu uit de Kronieken van Holinshed of de Levens van Plutarchus afkomstig was, kon dienen om zijn toverdranken in te mengen. Londen verafgoodde hem.

In de stad, die inmiddels voor Shakespeare een open boek was geworden, begon een zekere onrust merkbaar te worden. Na de ondergang van de Spaanse Armada, in 1588, beheerste Engeland de zeeën en dat had tot gevolg dat de mensen zichzelf als het ware vol verbazing stonden aan te gapen: “Welk een meesterwerk is de mens! Hoe edel door de rede! Hoe oneindig rijk aan vermogens! Van vorm en in beweging, hoe bewonderenswaardig en expres­sief! In zijn optreden, hoe gelijk een engel! Van begrip, hoe gelijk een god!” Maar hoezeer de mens ook was gefascineerd door het leven, de dood was voor hem geen onbekende. Londen werd door epidemieën geteisterd. Het leven was een hachelijke zaak, maar men aanvaardde het met een overmoedig lachje. Shakespeare hield een vergrootglas voor de geest van zijn tijd en zette het Globe Theatre in gloed met zijn “Muze van Vuur”.

Nadien heeft ieder tijdperk getracht, Shakespeare in een eigen­tijds keurslijf te wringen. Aan de hand van een historisch overzicht van de steeds wisselende aankleding van Shakespeare-stukken kunnen wij, zoals de dichter T. S. Eliot heeft gezegd, tevens de geschiedenis van de westerse beschaving gevoegelijk nagaan. Orson Welles stak zijn Julius Caesar in een soort fascistisch uni­form. Moskou bracht Hamlet ten tonele als een militaire samen­zwering tegen de koning. In New York werd Koning Lear in een bezetting van uitsluitend vrouwen gegeven.

In sommige gevallen geven deze bizarre opvoeringen aanstoot, maar daarom behoeven ze nog niet in strijd te zijn met de geest van de schrijver. En dat ze zowaar mogelijk zijn, komt doordat Shakespeare tijdloos is. En hij zegt alles. Protestanten, katholieken, agnostici, zij allen wedijveren om hem als een der hunnen te be­schouwen. Hetzelfde geldt voor aristocraten, voorvechters van de democratie, optimisten en pessimisten.

Wat heeft Shakespeare in enig ontwricht tijdsbestek tot de wereld te zeggen? Hij keert die wereld niet de rug toe en heeft evenmin medelijden met zichzelf. Hij bezingt ’s levens wereldse genietingen; hij verheerlijkt de liefde, spijs en drank, muziek, vriendschap, een goed gesprek en de steeds wisselende, maar
on­veranderlijke schoonheid der natuur. In Shakespeare is de gerijpte mens aan het woord, wiens levenservaring is gekristalliseerd tot nuchter denken en een grote wijsheid.
Echter, de mens is ook “de edelste geur der stof” en “dulden moet de mens zijn heengaan uit de wereld als zijn aankomst”.
Shakespeares tragische held moet de onverdraaglijke gedachte onder ogen zien dat hij zonder hoop op vergelding moet sterven. Terwijl hij zijn noodlot tegemoet gaat, denkt de toeschouwer: “De Heer zij me genadig, daar gaat een beter mens dan ik ben.” Wat het publiek tot tranen toe aan de tragische held bindt, is de hoedanigheid die hen in wezen scheidt: adeldom.

Bij minder begaafde toneelschrijvers berust die adeldom vaak op de schoonheid van de taal, maar fraaie verzen zonder meer ko­men wellicht niet verder dan het oor. Shakespeare spreekt tot de ziel. Hij kon met de taal doen wat hij wilde; het beeldend vermo­gen van zijn woorden is onbegrensd. Hij omvatte werelden in enkele lettergrepen. “Te zijn of niet te zijn” is ’s mensen grootste zorg, gevat in ’s mensen kleinste en eenvoudigste woorden.

De adembenemende overgangen in Shakespeares stukken bren­gen een mens tot aan de rand van de eeuwigheid en zetten hem dan weer terug in het gewone leven. Neerziende op de dode Cordelia, roept de door smart overmande Lear uit: “Wat! Hond en paard en ratten hebben leven, en gij geen ademtocht?” In zijn diepste wanhoop (“Gij komt niet weder”) zegt hij dan vijf­maal achtereen het indrukwekkende “Nimmer!” Dan breekt zijn opgekropte, ondraaglijke zielesmart in het simpele verzoek: “Ach, maak dien knoop hier los.” Niemand behalve Shakespeare zou het hebben aangedurfd die twee regels op elkaar te laten volgen.

Shakespeare leeft voort, doordat het laatste woord nog niet over hem is gezegd en ook wel niet gezegd zal worden. Zijn scheppingen zijn even ondoorgrondelijk als het leven zelf; zijn figuren blijven een onuitputtelijke bron van raadselen. Na Christus, Napoleon en Shakespeare zelf is er over Hamlet meer geschreven dan over wie ook. Toch is het enige wat met zekerheid valt te zeggen, dit: dat Hamlets leven tegelijk zijn eigen tragedie was, zoals het leven van ieder mens ieders eigen tragedie is. Elk tijdperk en elk mens in zijn “zeven levenstrappen” wordt weerkaatst in Shakespeares uni­versele spiegel. De hartstocht en de poëzie klinken na in de ruimten van de geest en zullen, waarachtiger dan “der trouwe kindsheid”, ten eeuwigen dage blijven voortklinken.
.

alle biografieën

 

W.F.Veltman: Shakespeare

.

503-465

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

.

Heil Caesar!

De piraten hadden er geen vermoeden van hoe gevaarlijk  hun gevangene was. Deze jonge Romein met zijn blanke huid, donkere ogen en volle lippen was duidelijk een edel­man en zij stelden de losprijs dus op twintig talenten (ongeveer 40 000 gulden).
Julius Caesar lachte hen openlijk uit. Hij was er vijftig waard, zei hij, en beloofde terug te zullen komen om hen stuk voor stuk aan de galg te brengen! De losprijs werd betaald en de jonge Caesar hield zich aan zijn woord. Op een vlootexpeditie nam hij zijn ontvoerders gevangen, stak de vijftig talenten weer in zijn zak en keek toe hoe de piraten werden opgehangen.

Dit gebeurde in 76 v. Chr., toen Caius Julius Caesar in de twintig was, maar toen al een rijp man. Opgeleid aan de beroem­de school van Rhodos, waar men de kunst van  het spreken en schrijven onderwees, was hij een der meest gecultiveerde mannen van zijn tijd, briljant causeur en uitmuntend redenaar. Deze eigenschappen en een nimmer aflatende ambitie zetten Julius Caesar ertoe aan zich in het openbare leven te storten. Hij schiep zich een reputatie door namens een aantal Griekse steden de Romeinse gouverneur te vervolgen wegens corruptie. In Rome wreef men zich de ogen uit toen men zag, hoe de meesters nu ter verantwoording werden geroepen wegens knevelarij van de overwonnenen en senator Cato, een van degenen die iedereen voortdurend van ondermijnende activiteiten verdachten, nam zich voor een onderzoek naar hem in te stellen.
Maar deze elegante aristocraat was tevens een slim politicus en het ene ambt na het andere viel hem toe. Om de schitterende partijen te kunnen geven, die daarbij hoorden, ging de roekeloze Caesar monsterachtige schulden aan, die hij slechts kon terug­betalen met leningen van zijn vriend Crassus, een miljonair. Bij het jagen naar macht bewoog hij zich onder de laagsten en de hoogst geplaatsten. Hij werd een fat en een genotzoeker. Hij liet zich van zijn tweede echtgenote, Pompeja, scheiden, omdat “Caesars vrouw boven elke verdenking verheven moet zijn” en zij dat niet was. Zo kwam de corruptie van het heidense Rome zijn briljante toekomst als een langzaam vergif ondermijnen.

Toen, na vele jaren verdaan te hebben, ontdeed Caesar zich van zijn ondeugden als van een stel vuile kleren. Hij aanvaardde een benoeming als gouverneur in West-Spanje en daar hardde hij zich door dagen en nachten in het zadel te blijven. Met zijn legioenen deelde hij honger en vermoeidheid. Van lichaam en wil smeedde hij stalen werktuigen. Zonder aflaten, in hitte en stof, storm en sneeuw, achtervolgde Caesar de bandieten die het land, dat onder zijn bestuur was gekomen, vergiftigden. Bij die expedi­ties bereikte hij de kusten van de Atlantische Oceaan en bracht dit gebied (het huidige Portugal) binnen het Romeinse rijk.

Na zijn terugkeer in Rome werd Caesar met algemene stemmen tot Romeins Consul gekozen. Als bestuurder van de staat stelde Caesar een wetsontwerp op, waarbij veteranen uit buitenlandse oorlogen land toegewezen zouden krijgen. Tot dusver had een ontslagen soldaat zich al gelukkig geprezen wanneer hij zijn ach­terstallige soldij uitbetaald kreeg, en land dat aan het rijk was toegevoegd, werd door de senatoren onmiddellijk in de wacht gesleept als speculatie-object.

De Senaat verzette zich als één man. Caesar ging toen met zijn wetsvoorstel naar het Forum, het grote marktplein in het hartje van Rome, en legde het daar ter stemming voor aan het plebs, het gewone volk. Deze handelwijze was in overeenstemming met de grondwet, maar Rome was verbaasd een Consul zo voor het volk te zien buigen. Caesar kreeg het zover, dat de afgod van de dag, Pompejus de Grote, hem op het rostrum (de stenen verhoging, die men in de ruïnes van het oude Rome nog altijd kan zien) bijstond. Het volk betuigde juichend zijn instemming en Caesar keerde terug naar de Senaat om bekend te maken dat het voor­stel nu kracht van wet had gekregen.

Daarna gaf Caesar bevel, dat de handelingen van de Senaat elke dag overal in de stad op muren moesten worden bekendge­maakt om de bevolking op de hoogte te houden. Hij liet een wet aannemen, waarbij de gouverneurs van veroverde provincies ertoe verplicht werden verantwoording van hun inkomsten af te leggen. Toen zijn ambtstermijn in 59 v. Chr. eindigde, stelde de Senaat hem prompt aan tot gouverneur van het Romeinse Gallië (nu Zuid-Frankrijk), een afgelegen provincie, voortdurend door wilde stammen bedreigd.

Julius Caesar schreef zelf het beroemde hoofdstuk van zijn leven dat nu zou volgen. Zijn “Oorlog in Gallië” (De Bello Gallico) is het meest gelezen van alle klassieke militaire werken, want in vele landen is het in het leerprogramma van de scholen opgenomen. Maar achter de stoffige Latijnse grammatica vinden de leerlingen het opwindende verhaal zelf— de suizende pijlen, de hete pek die vanaf belegerde muren op de aanvallers wordt gegoten, de
bagagetrein, die door ruiters in het water wordt verrast, het gillen van de wilde Gallische vrouwen.

Caesar was het type commandant dat door de soldaten veraf­good wordt, altijd bezorgd om rantsoenen en soldij voor de troe­pen, altijd erop uit de regimentstrots te versterken. Hij stelde zich aan gevaren bloot vóór ieder ander, zijn blinkende zwaard hoog geheven en zijn rode mantel achter zich aan fladderend in het heetst van de slag. Zo ging hij zijn legioenen voor in de botsing met de Helvetiërs, die uit hun Zwitserse valleien kwamen opzetten. Toen hij hen verslagen had, voorzag hij hen genadig van brood en graan, genoeg voor een jaar, en gaf hun zaaikoren mee naar huis.

Erger was de dreiging van de kant van de Germanen, die vanuit hun wouden de Elzas, in Oost-Frankrijk, waren komen binnenvallen. Daar vernietigde Caesar hen en naderhand, toen hij de eerste brug had laten aanleggen, die ooit over de Rijn was gebouwd (niet ver van het huidige Remagen) bestreed hij hen op hun eigen gebied. De Belgen versloeg hij aan de Marne, de Maas, de Sambre en de Somme. Op twee strafexpedities tegen de vijan­dige Britten stak hij het Kanaal over en behaalde een overwinning op de Britse vorst. Acht jaar lang trok hij op en neer, pacificeerde de woelige volken van Gallië en maakte er trouwe Romeinse onderdanen van, waarmee hij het gebied, dat thans geheel Frank­rijk en België omvat, vrede en eenheid bezorgde. Op die wijze werd Gallië een machtig bolwerk, dat het Romeinse Rijk nog gedurende 400 grootse jaren in tact zou laten. In Frankrijk zijn de wetgeving, de taal, de literatuur en de bouwkunst nog altijd evenzovele bewijzen van hetgeen Caesar daar tot stand heeft gebracht.

Caesars grote succes wekte ontsteltenis in de partij, die de Optimaten genoemd werd en de bevoorrechte adelstand vertegen­woordigde. Haar leider Pompejus was bitter jaloers op de nieuwe lauweren die Caesar vergaard had. Vandaar dat toen de terug­kerende Caesar met zijn overwinningslegioenen in de Povlakte ten noorden van Rome bleef liggen, de Senaat een onderzoek naar hem instelde, oude schandalen ophaalde en hem ten slotte bevel gaf zijn leger te ontbinden en zich naar Rome te begeven waar hij zou moeten terechtstaan. Caesar wist dat zijn legioenen hem overal zouden volgen. En niemand begreep beter dan hij, dat de eens zo glorierijke republiek in staat van verval verkeerde. De Senaat had de uitvoerende macht aan zich getrokken en Pompe­jus was daarvan het werktuig. Caesar trok onversaagd over de Rubicon, het riviertje dat de noordelijke grens vormde van het eigenlijke Rome. Hij was nu in oorlog met de Senaat.

Legioenen, die uitgezonden werden om Caesar tot staan te brengen, liepen naar hem over. Terwijl deze groeiende legermacht naar Rome optrok, vluchtte Pompejus naar Noord-Griekenland waar zijn hoofdleger zich bevond. Daar, op 9 augustus van het jaar 48 v. Chr., maten de twee militaire genieën van die tijd zich met elkaar op de vlakte van Pharsalus. Tegen de avond was Cae­sar meester van zijn wereld en Pompejus op de vlucht. Hij vluchtte naar Egypte om het tegen Rome op te zetten en Caesar achter­volgde hem. Maar de jonge koning daar, Ptolemaeus XII, liet Pompejus vermoorden en bood de van afgrijzen vervulde Caesar diens hoofd aan, verbaasd dat hij daarmee Caesars gunst niet had gewonnen. Ptolemaeus had zijn zuster Cleopatra van de troon verdreven, hoewel hun vader had bepaald dat zij samen zouden regeren. De koningin, nog maar een meisje, haalde Caesar binnen als haar beschermer. Weldra werd hij haar minnaar.

Voor haar en voor Rome dwong Caesar koning Ptolemaeus op de knieën. Cleopatra kreeg haar troon terug, onder Romeins protectoraat, en Caesar had daarmee het rijkste land ter wereld aan het Romeinse gebied toegevoegd.

Intussen hadden de volgelingen van Pompejus hun strijd­krachten opnieuw in Spanje en Noord-Afrika verzameld. Caesar trok dwars door Noord-Afrika naar Tunesië voor een treffen en kwam daar te staan tegenover tien legioenen onder Cato, versterkt door de snelle cavalerie en 120 oorlogsolifanten van de koning van Numidië. Aan de vooravond van de slag bij Thapsus werd Caesar belaagd door een oude vijand — vallende ziekte. Hij voelde de aanval aankomen, maar in alle kalmte sprak hij zijn vermoeide troepen moed in en deelde bevelen uit voor hij bewusteloos neer­viel. Toen hij weer bij zinnen was, bestonden Cato’s legioenen niet meer en had de koning van Numidië zijn troon verloren.

In triomf keerde Caesar, vergezeld van Cleopatra en hun zoon­tje Caesarion, naar Rome terug. Vier dagen lang was de overvolle stad het toneel van feesten, spelen en optochten. Standaarden en bloemenkransen dansten in de hete, heldere lucht. De bodem trilde onder de zware stap van soldaten, die de schitterende oor­logsbuit aan het volk toonden, de slepende tred van de gevangenen en de wielen van de strijdwagen, waarop de overwinnaar zelf stond, met opgeheven hoofd en een lauwerkrans om de slapen. Achter hem kwamen de legioenen, getekend in de strijd en ver­brand door de zon.

De Senaat kon nu niet onderdanig genoeg zijn jegens Caesar. Voor de duur van zijn leven gaf men hem een titel, die de soldaten hem lang tevoren uit aanhankelijkheid gegeven hadden — Imperator. Caesar nam dit op als een uitdaging om hervormingen aan te brengen in een bestel, dat eeuwen tevoren was ontworpen voor de behoeften van een kleine stadstaat, maar nu volkomen achterhaald was door een zich enorm uitbreidend rijk.

Caesar begon de beslotenheid van de aristocratische club, die de Senaat was, te doorbreken door er driehonderd leden aan toe te voegen, grotendeels voortkomend uit de tot dusver verachte koopmans- en werkmansstand, met vertegenwoordigers uit de veroverde landen. Hij gaf het Romeinse staatsburgerschap aan de zonen van slaven, die vrije mannen geworden waren en aan de Galliërs, met het voornemen het burgerschap uit te breiden tot alle vrije mannen in het gehele Rijk. Ook gaf hij de Joden, die vervolgd waren geweest, de vrijheid om hun eredienst uit te oefenen.

Hij trachtte een oplossing te vinden voor de vele afgedankte soldaten en werklozen in het propvolle Rome door tachtigduizend kolonisten naar Sevilla, Arles, Corinthe en Carthago te laten overbrengen. Hij stelde duizenden te werk bij de landontginning en het verfraaien van de hoofdstad. Hij maakte een eind aan de misbruiken van belastinggaarders, die zich verrijkten ten koste van handel en landbouw in de provincies. Het geld werd weer waardevast doordat het opnieuw aan de gouden standaard ge­bonden werd. Hij zorgde er ook voor dat gouverneursposten niet meer vergeven konden worden door de Senaat.

Zelfs de kalender behoefde hervorming. De oude Romeinse maand was gebaseerd op de kringloop van de maan en duurde 28 dagen, maar op wens van de Romeinse consul werden er telkens extra dagen en zelfs maanden aan toegevoegd. De Ro­meinse kalender was zozeer uit de koers geraakt, dat de herfst nu in juli viel (een maand die herdoopt was ter ere van de grote Julius). Caesar liet een Grieks sterrenkundige uit Alexandrië komen en op zijn advies baseerde hij de kalender op een zonne­jaar van 365 dagen, met om de vier jaar een schrikkeljaar.

Maar hoezeer hij ook zijn stempel drukte op de tijd waarin hij leefde, Julius Caesars dagen waren nu geteld, want de Iden van maart (de 15de) van het jaar 44 v. Chr. naderden. Shakespeare’s beroemde stuk, gebaseerd op de biografie van Caesar door Plutarchus, is juist voor zover het de essentiële feiten betreft, maar de betekenis van de handeling is erin veranderd. De waarheid is, dat de samenzweerders, van wie de meesten niet alleen hun fortuin maar zelfs hun leven aan Caesar dankten, niet optraden om de vrijheden van het volk te verdedigen, maar om de af­brokkelende privileges van hun eigen klasse te beschermen.

De aanslag werd gepleegd in tegenwoordigheid van de gehele Senaat. Casca, die van achter op Caesar was toegeslopen, bracht de eerste slag toe, maar zijn wapen schampte af op diens sleutel­been. Caesar draaide zich bliksemsnel om en vocht terug met zijn enige wapen — een schrijfstift. De samenzweerders sloegen nu allen tegelijk toe en raakten hun slachtoffer drieëntwintig keer. Cassius stak zijn dolk in Caesars gelaat en door een mist van bloed, dat hem in de ogen vloeide, zag Caesar dat Brutus, die zijn zoon had kunnen zijn, zich op hem wierp en hem zijn zwaard in de lendenen stak.

De woorden, die hij toen sprak, waren zijn laatste en hij zei ze in het Grieks: Kai su teknon? (“Ook gij, mijn kind?”). Toen viel hij dood neer, voor het standbeeld van zijn oude vijand Pompejus.

Alle omstanders vluchtten nu. En hoewel de samenzweerders, zwaaiend met hun bebloede wapens “vrijheid” riepen, oogstten zij geen bijval, maar brachten slechts paniek teweeg. Terwijl het volk, opgezweept door de lijkrede van Marcus Antonius, uiting gaf aan zijn smart werd het bloedige lijk op het Forum plechtig verbrand. Maar al het goede dat hij verricht had ging niet met hem teloor. Hij had miljoenen ongelukkigen in het bekken van de Middellandse Zee het rechtvaardigste, mildste en verstandigste bestuur bezorgd, dat zij ooit gekend hadden. Hij had zich voor­gesteld een wereld van vrije mensen te scheppen, allen burgers van één grote gemeenschap, en hij was daar halverwege in ge­slaagd. Hij had het Romeinse Rijk geschapen, op welks stevig fundament onze westerse beschaving kon groeien.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

493-456

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Jeanne d’Arc

.

De maagd van Orléans

 

 

Voor de meesten onzer is Jeanne d’Arc een legende, de idylle van een heldhaftige schaapherderin, die bovennatuurlijke stemmen hoorde en op hun aansporing een volk van de ondergang redde. Maar die idylle is slechts een flauwe afscha­duwing van de werkelijkheid. Jeanne had niets bovennatuurlijks. Ze was een meisje van vlees en bloed, een boerendeern, zo aards als de zoete bodem van Frankrijk. En toen zij ten strijde trok met haar banier, waarop de onsterfelijke Franse fleurs de lis waren ge­borduurd, was het Franse volk nog niet een tot eenheid gegroei­de natie.

Er is een half millennium verstreken sinds Jeanne d’Arc te Rouaan in de vlammen omkwam. Hoe komt het, dat wij haar thans nog gedenken? Omdat haar levensgeschiedenis een deel vormt van het oeroude verhaal van de worsteling van goed en kwaad, een strijd, die van eeuw tot eeuw wordt voortgezet. En ieder van ons die in die kamp meestrijdt, zal beter vechten met het voorbeeld van de Maagd van Orléans voor ogen. Gevonnist wegens ketterij en zonde, is Jeanne ter dood gebracht. Zij zal echter altijd blijven voortleven als een heilige, overwinnares van de krachten van het kwaad, die haar om het leven brachten, een symbool van trouw en moed.

In 1412, het jaar waarin Jeanne in het Lotharingse dorp Domrémy ter wereld kwam, verkeerde Frankrijk in bloedige ver­warring. De Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland had toen al bijna 75 jaar geduurd. Engeland maakte aanspraak op de Franse troon. Een groot deel van Frankrijk werd geregeerd door de hertog van Bourgondië, een bondgenoot van de Engelsen; de rest was trouw aan de dauphin Karel, nog ongekroonde erfgenaam van de Franse troon.

Reeds als kind bemerkte Jeanne het nodige van deze woelingen, want langs de primitieve woning van haar ouders liep de oude Romeinse weg, die de Maas kruiste; troepen gewapende mannen kwamen geregeld voorbij marcheren of rondzwervende bedel­monniken bleven bij het huis rusten, deden trieste verhalen over moord en plundering en bejammerden de houding van de slappe dauphin, die zich niet als een waar vorst wilde gedragen, zodat het land zonder aanvoerder bleef en geen eensgezinde natie kon worden.

Op haar twaalfde jaar was Jeanne een flink gebouwd, donker, godvruchtig meisje, over wie niets bijzonders te vermelden viel. Maar toen zag ze op een dag in haar vaders tuin een helder licht om zich heen en een stem sprak haar toe. Verbijsterd van angst viel ze op de knieën. Toen ze de stem hoorde, zag ze ook twee glanzende vleugels en een gelaat, stralend van heerlijkheid. Ze begreep dat het de aartsengel Michaël moest zijn, de bescherm­heilige van de dauphin en vereerd door heel Frankrijk. Hij was niet alleen, vertelde ze later, maar “werd vergezeld door andere engelen des hemels. Hij zei me, dat de Heilige Catharina en de Heilige Margaretha me ook zouden verschijnen en dat ik moest doen, wat zij me zouden raden, want dat dit alles op last van Onze Lieve Heer gebeurde.”

In de loop van de volgende vier of vijf jaar spraken de heiligen haar dikwijls toe. Jeanne zei daar niemand iets van en deed kalm haar dagelijks werk, maar al die tijd was ze er zeker van, dat ze in contact stond mei God. In 1428 sloegen de Engelsen het beleg voor Orléans. Nu deelde de aartsengel de 16-jarige Jeanne als Gods wil mede, dat zij de dauphin te hulp moest snellen en de stad ontzetten. De stem “beval me naar Vaucouleurs te gaan, naar Robert de Baudricourt, de commandant van de stad; hij zou me manschappen geven om me te vergezellen.” Zonder iets aan haar ouders te zeggen, ging Jeanne naar Vaucouleurs, dat ongeveer 16 kilometer van Domrémy was gelegen. Tweemaal verscheen ze voor Baudricourt en zei hem, dat ze door God was aangewezen om de dauphin naar Reims te voeren, waar hij tot koning gekroond zou worden. Tweemaal stuurde hij haar kortaf weg. Zonder zich te laten afschrikken, kwam Jeanne terug. Dit­maal liet Robert zich overtuigen door haar bovenaards vertrou­wen. Ze kreeg het paard en de lijfwacht waarom ze verzocht had, ze kreeg de mannenkleding die ze had gevraagd, en ze liet haar haar kort knippen. “Ga moedig voorwaarts!” hoorde ze haar stemmen zeggen.

Met iedere hoefslag van haar paard reed ze verder weg van alle vertrouwde dingen in haar leven; ze reed nu haar bestemming tegemoet, bij nacht, door een land dat wemelde van vijanden. Ze hield halt voor Chinon, waar de dauphin vertoefde, en stuurde een bode naar het kasteel om haar komst aan te kondigen. Karel, de dauphin, was een jongeman zonder wilskracht of zelfvertrouwen. Hij liet Jeanne bij zich komen, maar om haar om de tuin te leiden, verborg hij zich in een bescheiden gewaad tussen de menigte. Jeanne schreed de grootse, door flambouwen verlichte zaal binnen waar de hovelingen zich verdrongen. Ze liep recht op de dauphin toe en knielde voor zijn voeten. Karel wees op een van de hove­lingen. “Dat is de koning,” zei hij.
Jeanne liet zich niet van haar stuk brengen. “In de naam van God, edele prins, gij zijt het en niemand anders!” zei ze. En ze deelde hem mede, dat zij door God gezonden was om hem en zijn koninkrijk te hulp te komen en ervoor te zorgen, dat hij in de kathedraal te Reims zou worden gezalfd.

De dauphin had een lang persoonlijk gesprek met haar, terwijl het hele hof zijn ogen uitkeek, en haar antwoorden deden zijn gelaat stralen. Toch weifelde hij nog, bang, dat ze misschien een werktuig van boze machten was. Hij liet haar te Poitiers onder­vragen door geleerde geestelijken en liet haar door hofdames on­derzoeken om er zeker van te zijn, dat ze maagd was, want volgens de toen gangbare mening gaf een vrouw die heks werd, zich eerst als minnares aan de duivel. Allen kwamen tot de plechtige ge­volgtrekking dat er niets dan goeds te zeggen was van dit boeren­meisje. Al dat uitstel maakte Jeanne ongeduldig. Toen Karel maar bleef treuzelen, klonk van haar lippen de opmerkelijk juiste voor­spelling: “Ik zal niet veel langer dan een jaar meer leven. In dat jaar moeten we veel goed werk verrichten.”

Karel verzamelde dus een leger. Hij gaf Jeanne een wapenrus­ting van gepolijst staal. Ze stuurde enige lieden naar een kapel, die aan de Heilige Catharina was gewijd met de opdracht achter het altaar naar een zwaard te zoeken, dat daar begraven moest liggen. Men bracht haar dat zwaard; het was met roest overdekt, maar weldra schitterde het in haar hand. Ze liet een witte, met zijden franje omzoomde banier maken, geborduurd met lelies: op die banier was een afbeelding van de Heer aangebracht met aan weerszijden een engel en de woorden Jezus Maria. Zo, met haar banier in de hand, verscheen ze voor de soldaten als “Dochter Gods”, zoals de aartsengel Michaël haar genoemd had.

Orléans, een tactisch steunpunt in de Engelse veldtocht voor het ontsluiten van het Loiredal, was nu al een halfjaar belegerd. De Engelsen hadden een stuk of tien bastions om de stad gebouwd. Elk van die bastions werd beschermd door een negen meter hoge, natuurstenen muur met sterke wachttorens. Toen ze voor zo’n bastion verscheen, dicteerde Jeanne een brief, liet die bevestigen aan een pijl en over de muur naar binnen schieten. De brief luidde: “De Koning des Hemels waarschuwt u door mij, Jeanne de Maagd, om uw vestingwerken te verlaten en terug te keren naar uw eigen land. Anders zal ik een krijgsgeschreeuw tegen u doen opgaan, dat nooit vergeten zal worden.”

Een middeleeuwse oorlog bestond nog uit gevechten van man tegen man met lans en zwaard, knots en strijdbijl, en Jeanne stortte zich in zo’n handgemeen om de belegerde stad te ontzetten. Zij en haar volgelingen deden een geslaagde stormaanval op een redoute en vielen twee dagen later het voornaamste fort aan. Toen ze op het punt stond een stormladder die tegen de muur stond, te beklimmen kwam er een pijl van een kruisboog aansnorren en trof haar boven haar borst. Ze werd uit het veld weggedragen en trok de pijl eigenhandig uit de wond. Trompetgeschal gaf het sein tot terugtrekken, maar zij verzamelde al haar krachten. Even later zagen de soldaten haar banier weer wapperen en hoorden zij haar roepen: “De overwinning is aan u — dringt binnen!” Ze zagen haar op de vestingwal toesnellen en er tegenop klimmen. Het bastion werd veroverd. Orléans was gered.

Jeanne reed door de straten onder het gelui der klokken. Ze liet haar wond verbinden en gebruikte wat voedsel — vijf sneden brood, gedoopt in wijn met water. Dat was het einde van die paar dagen waarin een meisje van 17 jaar het moreel van het Franse leger deed herleven en de Honderdjarige Oorlog een andere wending gaf.

Hoewel Karei aan niets anders kon denken dan aan Jeannes droom van zijn kroning, bleef hij talmen. “Edele dauphin,” smeekte ze, “beraadslaag toch niet zo dikwijls en zo lang, maar ga zo spoedig als ge kunt mee naar Reims en ontvang de kroon.” Want zij zag wel in, dat alleen op deze wijze een eendrachtig Frankrijk gegrondvest en de Engelse aanspraak op de kroon ver­ijdeld kon worden. De weg naar Reims voerde door steden, die de vijand bezet hield, maar Jeanne kende geen vrees. Waar het hevigst werd gevochten, daar kon men haar banier zien wapperen. Gedurende de hele veldtocht riep ze de troepen toe: “Zet dapper door; alles zal slagen!” Maar in een zwak ogenblik vertrouwde ze iemand uit haar geboortedorp toe: “Ik ben alleen maar bang voor verraad.”

Maar op dat ogenblik stond alles in het teken van de zege. Reims maakte haastig toebereidselen om de dauphin te ontvangen, En op een stralende zomermorgen, de 17de juli 1429, reed Karel met een schitterende stoet naar zijn kroning. Jeanne stond in de kathedraal naast zijn troon. Het was nog geen vijf maanden geleden, dat ze haar ouderlijk huis in Domrémy had verlaten, ten einde aan haar stemmen te gehoorzamen.

Toen Karel VII eindelijk gekroond was, vond hij dat hij het nu wel zonder Jeanne kon stellen. Hij sloeg geen acht op haar smeekbeden om onmiddellijk door te marcheren naar Parijs, maar luisterde naar raadslieden die afgunstig waren op de Maagd. Toch werd zijn veldtocht ten langen leste traag voortgezet. Jeanne voerde de Franse troepen aan en veroverde de ene stad na de andere. Maar een aanval op een Parijs fort mislukte en Jeanne liep een pijlwond in haar dij op.
In de Paasweek van 1430 gaven Jeannes stemmen haar de sombere waarschuwing dat ze in handen van de vijand zou vallen. Toch reed ze onversaagd naar voren tot in het drukste strijdgewoel, totdat ze bij een gevecht om de ophaalbrug van Compiègne klem raakte tussen de Engelsen en de Bourgondiërs, die haar grepen. Jeanne de Maagd was een gevangene. De man, die zij koning van Frankrijk had gemaakt, durfde blijkbaar geen hand uit te steken om haar te redden. In plaats daarvan werd ze opgesloten in het kasteel van een Bourgondische edelman. Daar hoorde ze, dat er onderhandelingen gaande waren om haar aan de Engelsen te verkopen en in een wanhopige poging te ontsnappen wierp ze zich van de hoge kasteeltoren omlaag. Ze viel niet dood. Vol berouw bad ze om vergeving. Er werd een valstrik voor haar gespannen in brieven van geleerden der Bourgondisch gezinde Parijse universiteit aan de hertog van Bourgondië. Die strik sloeg dicht toen een grote som gelds ter hand gesteld werd aan haar bewaker, die haar daarop overleverde aan de bisschop van Beauvais.

Deze hoge dignitaris, Pierre Cauchon, was omgekocht door de Engelsen. Hij was een listig en eerzuchtig man en als Jeanne moest terechtstaan wegens ketterij, zou dat voordelig zijn voor hemzelf en voor de Engelsen, die officieel hun handen in onschuld wilden wasscn. Het zou dus een godsdienstige en geen politieke terecht­zitting worden in Rouaan en Cauchon koos zijn rechters met grote deskundigheid. Niemand werd aangewezen om Jeanne te ver­dedigen; geen enkele getuige à decharge werd opgeroepen. (Cauchon was zo machtig, dat niemand zijn leven
durfde wagen om een gunstige verklaring voor haar af te leggen.
En zo staat dat onontwikkelde, 19-jarige boerenmeisje daar alleen, door allen verlaten, voor de grote schare van haar geleerde, priesterlijke rechters en voert haar eigen verdediging. Iedere vraag en ieder antwoord zijn opgetekend; we kunnen haar stem na zo­veel eeuwen nog horen klinken. “Ge zegt, dat ge mijn rechter zijt. Bedenk wel, wat ge doet, want ik ben waarlijk van God gezonden en ge brengt uzelf in groot gevaar.”
In antwoord op dringende vragen vertelde ze vrijuit de geschiedenis van haar korte, vreemde loopbaan. Ze erkende geen schuld aan enige ketterij. Ze hield steeds vol, dat ze gehandeld had volgens Gods wil. De aanblik van de martelwerktuigen, die men haar dreigend toonde, bracht haar niet aan het wankelen. “Waarlijk, al zoudt ge mijn lichaam vaneenrijten, dan zou ik niet anders verklaren.” Men bedreigde haar met de brandstapel en ze ant­woordde:  “Al zag ik het vuur branden, dan nog zou ik volhouden wat ik heb gezegd.” (“Een voortreffelijk antwoord!” heeft de griffier, die het verslag van de zitting schreef, in de marge aan­getekend.)
Ze kwelden haar met strikvragen en dreigementen en geen enkele maal liet ze zich de zekerheid ontnemen, die haar leven be­heerste. “Ik heb een goede meester — de Heer zelf. Op Hem houd ik mijn blik gericht en op niemand anders.”
Maar de intrigerende Cauchon wilde haar lot niet laten bepalen door haar standvastige antwoorden op de vragen van haar rechters. In plaats daarvan liet hij haar verklaringen, waaruit de waarheid ieder tegenstraalde, verminken tot twaalf onpersoonlijke en verdraaide artikelen en legde die aan de rechters voor als basis voor hun beraadslagingen. En deze eminente mannen Gods, die allen de bisschop onderdanig waren, gaven hem het vonnis, dat hij verlangde.
En zo werd op een mooie dag in het laatst van mei haar vermagerde, jeugdige, jongensachtige, in het zwart gehulde gestalte voor de rechters geleid. Ze knipperde tegen het felle zonlicht, in afwachting van het vonnis dat over haar zou worden uitgesproken. En zo zien we haar staan op de begraafplaats van het lieflijke kerkje van Sint Ouen, te midden van een grote schare burgers van Rouaan en honende Engelse soldaten. Gelaten hoorde ze de lange boetpredikatie aan. Maar toen men haar nadrukkelijk te kennen gaf dat zij haar woorden diende te herroepen, weigerde ze heel beslist. Ooggetuigen hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over wat er daarna gebeurd is. Het is zeker, dat men een document voor de dag heeft gehaald en het heeft voorgelezen aan dat meisje, “dat geen A van een B kon onderscheiden.” Daarna zeiden ze tegen haar: “Onderteken dat, anders word je verbrand.” Met een vreemd glimlachje tekende ze met een kruisje. Jeanne dacht, dat ze nu in veiligheid verkeerde. Vol vertrouwen in de Kerk, die zij liefhad, zei ze: “Priesters, brengt me nu naar uw gevangenis en laat me niet langer in de handen van de Engelsen.”
Het moet een bittere teleurstelling voor haar geweest zijn, dat ze naar dezelfde donkere cel werd teruggevoerd. Toen men haar beloofde, dat ze de mis zou mogen bijwonen, stemde ze erin toe vrouwenkleren te dragen, want een der ernstigste tegen haar in gebrachte beschuldigingen was, dat ze zich kleedde als een man. Maar terwijl ze sliep, haalden de bewakers het vrouwengewaad weg, zodat ze genoodzaakt was uit haar cel te komen in haar haveloze jongensplunje.
Vanwege die “zonde” werd ze in het vonnis aangeduid als een “in ketterij teruggevallene”, het gruwelijkste dat iemand verweten kon worden. Om haar lot met dubbele zekerheid te bezegelen, vroeg Cauchon haar, of ze haar stemmen soms nog had gehoord Jeanne zei hem, dat ze haar hadden berispt voor het ondertekenen van dat document, wat dat dan ook zijn mocht. “Alles wat ik heb verklaard en herroepen, heb ik gezegd uit angst voor de brandstapel.” (“Een noodlottig antwoord!” tekende de griffier in de marge van zijn verslag aan.)
Toch bezweek haar moed niet. “Door Gods genade zal ik van avond in het Paradijs zijn,” zei ze en ze verzocht om ter communie te mogen gaan. Merkwaardig genoeg, heeft Cauchon dat laatste verzoek ingewilligd. Besefte de bisschop dat zijn slachtoffer onschuldig was? Zij was in ieder geval overtuigd van zijn schuld. “Monseigneur, ik sterf door uw toedoen!” was het verwijt, dat ze hem toeslingerde.
Gehuld in een wijde mantel, met kaalgeknipt hoofd, werd ze in de ochtend van de 30ste mei 1431 naar het marktplein van Rouaan gevoerd. Een dichte menigte verdrong zich op de hobbelige keien en op alle daken. Nadat Cauchon het vonnis had voorgelezen, werd haar een papieren mijter op het hoofd geplaatst, waarop met grote letters geschreven stond: “Ketterse, in haar zonden teruggevallene, afvallige, afgodiste.” Ze vroeg om een kruis. Een Engelse boogschutter maakte er haastig een van een paar takjes en dat borg ze in haar boezem, terwijl een andere man naar de aan het plein gelegen kerk rende om een crucifix te halen.
Dat kuste ze. Toen beklom ze de hoge brandstapel met haar blik gericht op het crucifix, dat voor haar omhoog werd gehouden. De vlammen laaiden op en onttrokken haar aan het gezicht. De zwijgend toeziende mensenmassa hoorde nog slechts haar stem: ze bad, ze kreunde en liet ten slotte een doordringende gil horen, vol pijn en vol liefde: “Jezus!”
Naar men zegt, holde een Engelsman als een bezetene heen en weer door de menigte, en schreeuw­de: “We zijn verloren! We hebben een heilige verbrand!”

Ongeveer een kwarteeuw na haar martelaarsdood nam Karel 7  maatregelen om haar goede naam, die door de Kerk was besmeurd, door de Kerk te laten zuiveren. Met de daarbij passende plechtigheden verklaarde de Kerk, waaraan Jeanne altijd trouw was gebleven en die haar veroordeeld had, dat zij onschuldig was.
Ten slotte werd ze in 1920 in de Sint-Pieter te Rome heilig verklaard. Maar 500 jaar eerder waren er al mensen geweest die beseften dat er een heilige in levenden lijve onder hen rond­wandelde. En dat maakt de geschiedenis pas tot een werkelijk, volledig mirakel..
.

alle biografieën

.

7e klas geschiedenis: alle artikelen

.

Rudolf Steiner heeft Jeanne d’Arc verschillende keren genoemd:
GA 73; GA 126; GA 149; GA 154; GA 161; GA 168; GA 174B

.

490-453

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Columbus

.

HIJ WIST DAT DE AARDE ROND WAS

 

 

 

Christoffel Columbus was een lange, knappe man met een haakneus, die achtereenvolgens het bedrijf van wolkaarder, cartograaf, boekverkoper, suikerinkoper en zeeman uit­oefende.
Hij had hoge jukbeenderen, een lang gelaat, blauwe ogen, rossig haar, sproeten en een aangename glimlach — maar hij had geen gevoel voor humor. Hij was rad van tong en een snoever; een fatsoenlijk man die echter ook wel streken had. Zijn ontdekking van Amerika is een van de grootste staaltjes van moed in de geschiedenis.

Niet alles wat over Columbus wordt beweerd, is waar; bijvoor­beeld de mythe dat hij als enige meende dat de aarde rond was. Elkeen met een grein verstand geloofde dat! Men onderwees het op de scholen en universiteiten, en er waren zelfs, tegen een flinke prijs, globes te koop die weinig afweken van de globes van tegen­woordig. Bovendien bepaalde Columbus, in tegenstelling tot de schilderijen waarop hij in die dagen werd afgebeeld, nimmer de hoogte van de zon met behulp van een astrolabium. Hij voer op een gegist bestek en koerste daarmee recht op zijn haven van bestemming aan.
De tocht van Columbus naar het westen was een grote gok, doch geen volslagen sprong in het duister. In de havensteden van Euro­pa wemelde het van verhalen over mannen die zulk een reis geheel of gedeeltelijk hadden volbracht.
Naar verluidde was de koningin van Scheba voorbij Spanje en tot aan Japan over de oceaan naar het westen gevaren. Zeven Portugese bisschoppen, zo heette het, waren om aan vervolging te ontkomen, naar een eiland niet ver van Cuba gevlucht, dat ze “Antilla” noemden. En dan had na­tuurlijk Leif Ericson zijn Noormannen veilig aan land gebracht in het tegenwoordige New England.

Ook bestond er een kaart die geacht werd degelijk en betrouw­baar te zijn, getekend door een Italiaanse dokter en sterrenkundige genaamd Toscanelli, waarop Japan stond aangegeven waar in werkelijkheid ongeveer Amerika ligt. En men had eigenaardige boomstammen en planten die niet uit Afrika afkomstig konden zijn, uit zee gevist. Het was daarom wel duidelijk, dat ginds land was dat wachtte op de koene zeeman die het zou ontdekken en in bezit nemen. Uit geschreven documenten is van zulke pogingen echter niet gebleken — totdat Columbus zijn denkbeeld opvatte.

Christoffel Columbus werd in 1451 als de oudste zoon van een gemoedelijke wolwever en herbergier te Genua geboren. Van hetgeen hij uitvoerde tussen zijn geboorte en zijn 23ste jaar is weinig meer bekend dan dat hij wol kaardde, aan een weefgetouw zat, en vaak naar zee ging. De stadstaat Genua, met haar van schepen overvolle haven, bood een jongeman met een goed stel hersenen gelegenheid te over om zeevaartkunde en cartografie te leren.

Er bestaan aantekeningen van een aantal reizen die Columbus maakte, waaronder één naar IJsland, maar zijn gelukkigste reis was wel die, welke hem in Portugal aan deed spoelen. Hij voer op een schip dat door een Frans smaldeel werd aangevallen en tot zinken gebracht. Hoewel hij gewond was, sprong Columbus over­boord en zwom naar het strand bij Lagos. Later kwam hij in Lissabon terecht. Het jaar was 1476. Lissabon was een goede stad voor een man die van grote zeereizen droomde, want hier vonden de meest wilde voorstellen tot verkenning financiële steun. Het was eveneens een stad waar men wiskunde, sterrenkunde, en het bouwen en tuigen van schepen kon leren — allemaal kennis die een gezagvoerder nodig had. Columbus en zijn broer Bartolomeüs begonnen een winkel in zeekaarten en deden goede zaken.
Christoffel huwde een dochter van rijke familie, en zij deed haar best een degelijk, aan huis en haard verknocht lid der gemeen­schap van hem te maken.
Maar Columbus hield vast aan zijn denkbeeld — de tergende, knagende idee dat hij het Oosten kon bereiken door naar het westen te zeilen. Het obsedeerde hem en liet hem geen rust. Dat was het verschil tussen Columbus en de meesten zijner tijdgeno­ten. Hij was overtuigd. Hij wist. Hij popelde om te gaan. Hij moest echter lang geduld hebben eer men hem schepen gaf. Intussen vertelde hij aan een ieder die maar horen wilde van zijn denkbeeld.

Juan II, de koning van Portugal, had er belangstelling voor en liet het denkbeeld van Columbus door zijn commissie van deskun­digen onderzoeken; deze wees het af. De koning hield Columbus echter aan het lijntje totdat Bartolomeüs Dias, een Portugees, om kaap de Goede Hoop was gezeild, en daarmee de oostelijke zeeweg naar de rijkdommen van Azië had geopend. Daarna had Juan II geen belang meer bij de westelijke zeeweg.

Toen de vrouw van Columbus stierf, besteedde hij het meren­deel van zijn spaargeld aan een statige begrafenis, en vertrok daar­op naar Spanje. Koning Ferdinand en koningin Isabella waren verwikkeld in een kostbare oorlog tegen de Moren. Ze luisterden derhalve slechts met een half oor naar hem. Columbus viel even­wel terstond bij de koningin in de smaak, zodat ze hem een soort toelage toekende, in afwachting van het oordeel van haar eigen commissie van onderzoek.

De toelage was niet groot, maar behoedde Columbus voor ar­moede, totdat ze na een jaar of twee werd ingetrokken. In af­wachting van het einde van de oorlog tegen de Moren, moest hij drie en een halfjaar lang in zijn eigen onderhoud voorzien en vond een karig bestaan met het verkopen van boeken en het teke­nen van zeekaarten. Zijn rosse haar werd wit en hij kreeg jicht; zijn mantel en zijn schoenen geraakten zo vol gaten dat hij op regenachtige dagen niet naar buiten kon. Hij bleef echter wachten en praten — altijd maar praten over zijn droom.

In 1491 gaf hij de hoop in Spanje steun te vinden op en besloot zijn geluk te beproeven in Frankrijk. Hij onderbrak zijn reis in een klooster bij de zeehaven Palos de la Frontera, en kwam in gesprek met zijn oude vriend, de prior. Deze kwam onder de indruk van het verhaal van Columbus en zorgde voor een nieuwe audiëntie bij de koningin.
Hoewel Isabella’s geleerden het voorstel van Columbus eerder hadden afgekeurd, liet de koningin hem uit­spreken en zei toen, dat zijn denkbeeld haar wel aanstond. Ze vond echter de beloning die hij voor de ontdekking eiste, wel erg hoog: zij moest hem maken tot Admiraal van de Oceaan-Zee, en tot onderkoning over alle landen die hij zou ontdekken; en hem één tiende schenken van alle handel onder zijn admiraalsschap. Toen Isabella op die voorwaarden niet wilde ingaan, dankte hij haar voor haar aandacht, besteeg zijn muilezel en begaf zich we­derom op weg naar Frankrijk. Hij was niet van zins te sjacheren.

Intussen deed Luis Santangel, beheerder van het persoonlijk vermogen des konings, aan Isabella ongeveer dit voorstel: “Ik zal uit eigen middelen het bedrag lenen dat u tekort komt. Wat kunt u verliezen? En denkt u eens in wat u daarentegen zou kunnen winnen: duizenden bekeerlingen, glorie voor Spanje — en goud.” Terstond zond de koningin koeriers uit om Columbus terug te halen.

De eerste reis van Columbus kostte Isabella en Santangel ongeveer dertigduizend gulden, en Columbus, die zijn deel moest lenen, bracht vijfduizend gulden in. Bij de totale kosten van deze grote reis, die Spanje twee continenten opleverde, lijkt de prijs van 84 gulden die de Hollanders voor het eiland Manhattan betaalden, exorbitant. De drie schepen van Columbus — de Pinta, de Nina en de Santa Maria — waren stevige kleine karvelen die bij goed weer gemiddeld zeven knopen haalden, en die bij windstilte met lange riemen konden worden geroeid. Op elk schip was een kajuit voor de gezagvoerder, maar het scheepsvolk sliep aan dek. Eenmaal per dag werd er in een open vuurbak mid­scheeps een vuur aangelegd, waarop bij de aflossing van de wacht een sterk met knoflook gekruide warme maaltijd werd toebereid. De tijd werd gemeten met zandlopers die om het halve uur door de scheepsjongens werden omgekeerd.

De drie karvelen telden ongeveer 87 koppen, waaronder drie heelmeesters, een hofmeester, een tolk en een man die de koningin had meegestuurd om aantekening te houden van het goud en de edelstenen die aan boord zouden worden genomen. In tegenstel­ling tot de meeste verhalen bestond de bemanning niet uit ge­vangenisboeven, al waren er drie schepelingen die met de wet overhoop lagen omdat ze een moordenaar geholpen hadden uit de kerker te ontvluchten. De meeste opvarenden waren gewone, frisse jongens, die hadden leren zeilen door naar zee te gaan wanneer ze maar de kans kregen.
De nautische kennis van Columbus heeft bij allen die na hem kwamen bewondering gewekt. De Portugezen, die bij hun pogin­gen om Amerika te vinden ver in het noorden begonnen en daar­door in de razende westerstormen terechtkwamen, hadden ge­faald. Columbus evenwel begon ver in het zuiden, waardoor hij de goede oostenwinden kon benutten die hem rechtstreeks over de Atlantische Oceaan bliezen. Na precies 33 dagen kreeg hij land in zicht. Toen hij in de van wier wemelende Sargasso Zee verzeild raakte, smeekten zijn kapiteins hem, af te buigen om naar eilanden te zoeken. Columbus weigerde hieraan te voldoen en bleef naar het westen zeilen. Éénmaal boog hij inderdaad af naar het zuid­westen, maar dat was om een vlucht vogels te volgen die, naar hij terecht oordeelde, op weg was naar land. Als hij die beslissing niet had genomen, dan was hij tussen de eilanden voor de kust van Florida terechtgekomen.

Toen de bemanning, die nooit tevoren zó lang buiten het gezicht van land gevaren had, oproerig werd, riep Columbus hen op 10 oktober tezamen en sprak: “Als wij niet binnen twee dagen land in zicht krijgen, keer ik om.” Zijn zekerheid ontleende hij aan die vlucht vogels en aan het zien van een bessenstruik in het water.

Op 12 oktober landden ze op het eiland San Salvador (thans Watlingseiland in de Bahama’s) dat door Columbus zo werd ge­noemd. Daar knielde hij neer, dankte God en nam met veel for­maliteiten in naam van Hunne Katholieke Majesteiten Ferdinand en Isabella bezit van het eiland. De ceremonie werd oplettend door de inboorlingen gadegeslagen, die naakt, argeloos en vriendelijk bleken.

“Zo gul en vrijgevig zijn zij met hetgeen zij bezitten,” schreef Columbus, “dat iemand die het niet zelf gezien heeft het niet zou geloven; nimmer zullen zij weigeren te geven van hetgeen zij bezitten; zelfs nodigen ze uit het met hen te delen in vriendschap, en zij zijn tevreden met elke kleinigheid die men hun geeft.” Men heeft vastgesteld dat dit het volk der Taino’s was, een thans reeds lang uitgestorven ras.

Over die eerste dagen op de vreemde kust schrijft dr. Morison in zijn levensbeschrijving van Columbus:

“En zo eindigden 48 uur van de heerlijkste belevenis die enig zeeman ooit ten deel viel. Dit vlakke, zandige eiland was waarlijk geen opzienbarende ontdekking. Maar het was hier dat de oceaan de “ketenen der natuur verbrak”, zoals Seneca voorspeld had, en onthulde wat het geheim was dat de Europeanen geplaagd had sedert zij begonnen waren zich af te vragen wat er achter de wes­telijke horizon lag. Het eiland San Salvador, dat na 33 dagen westwaarts zeilen uit zee oprees, brak radicaal met alle ervaringen van het verleden. Elke boom, elke plant was de Spanjaarden vreemd, en de inboorlingen waren niet slechts een onbekend ras — ze hadden zelfs zulke mensen niet verwacht; ze spraken een on­bekende taal en leken op geen enkel ras waarvan zelfs de meest be­lezen reizigers in de verhalen van ontdekkers, van Herodotus tot aan Marco Polo, ooit hadden gelezen. Geen sterveling zal ooit opnieuw de verbazing kennen van die oktoberdagen van 1492.”

Vanuit San Salvador voer Columbus naar het zuiden en ont­dekte nog meer eilanden, waaronder Cuba, waar de mannen sigaren rookten door een eind in hun neusgat te steken en diep te inhaleren. Ten slotte kwam hij aan bij Hispaniola — het eiland waarop thans Haïti en de Dominicaanse Republiek liggen. Hier liep de Santa Maria zo vast aan de grond dat ze niet meer vlot kon komen, weshalve hij besloot, een kolonie van 40 man achter te laten in een nederzetting die hij La Navidad noemde, op de noord­kust van het eiland. Nooit zag hij de kolonisten weer, en, naar wordt aangenomen, werden ze alle 40 door de inboorlingen ver­moord. Columbus zette koers naar het noorden, wist in de weste­lijke winden te geraken, en kwam ten langen leste in Spanje terug.

Met het verslag van zijn reis verwekte de ontdekkingsreiziger een sensatie. De parade door de straten der Spaanse steden, met zijn gouden souvenirs, de papegaaien en de Indianen die hij uit de Nieuwe Wereld ontvoerd had, was het hoogtepunt van zijn loop­baan. Maar toen hij neerknielde voor koning Ferdinand en ko­ningin Isabella en zij hem verzochten, naast hen plaats te nemen, kende zijn geluk geen grenzen meer. Al hetgeen ze hem beloofd hadden te zullen geven, gaven ze hem, en ze drongen er bij hem op aan, dat hij zich opmaakte voor de volgende reis, ditmaal vergezeld van monniken, soldaten en ambachtslieden om de door hem ontdekte gebieden te consolideren en uit te breiden. De tweede reis van Columbus, in 1493, droeg in zekere zin bij tot zijn ondergang, omdat daarbij de ernstige vergissing, die hij had ge­maakt door de veertig kolonisten achter te laten, aan het licht kwam. Ook werd duidelijk, dat hij tegen insubordinatie niet was opgewassen, nu eens te lankmoedig, dan weer te hardvochtig.

Op zijn derde reis, vijf jaar later, kreeg hij voor het eerst Zuid-Amerika in zicht. Na zijn terugkeer in Hispaniola, in 1500, werd hij door een rechter van onderzoek die door de Spaanse mo­narchen naar Haïti was gezonden, schuldig bevonden aan ver­scheidene misdaden, wreedheden en onrechtvaardigheid, en in ketenen naar Spanje teruggezonden. Toen de koningin dit vernam, ontstak ze in woede en liet hem in aller ijl in vrijheid stellen. Zodra Columbus echter het hem beloofde tiende deel opeiste, bleken Hunne Katholieke Majesteiten hardnekkig in hun weigering. Het overzeese westelijke deel van het Spaanse Rijk leverde steeds meer rijkdommen op, en als ze hem de overeengekomen som had­den gegeven, zou hij onvoorstelbaar rijk zijn geweest.

Eindelijk kreeg hij in 1502 vier schepen, waarmee hij zijn vierde en laatste reis begon. Hij navigeerde ditmaal langs de kust van Midden-Amerika, maar omdat hij alleen maar gebrand was op het vinden van een doorvaart naar de Grote Oceaan, ontgingen hem twee dingen — de parelvisserij aan de kust van Honduras, en een der rijkste goudmijnen ter wereld. Bovendien sloegen zijn schepelingen aan het muiten, en het scheelde weinig of ze hadden hem gedood. Jicht kluisterde hem aan zijn sponde, zijn schepen waren verrot — in Jamaica moest hij wachten op schepen die hem terug naar Spanje konden brengen.

Intussen was de hem toegenegen Isabella gestorven, en Ferdinand, die hem niet zeer welgezind was, negeerde zijn verzoeken om geld om zijn schepelingen uit te betalen. Hij begaf zich, krom van de jicht, op een muilezel naar de koning. Deze bood hem, in ruil voor zijn titel van, en privileges als Admiraal van de Oceaan-Zee, een lucratieve hertogstitel. Columbus weigerde. Hij meende dat hij de Oost-Indiën had ontdekt, en tot het einde toe was hij er­van overtuigd dat het paleis van de Grote Khan van Cathay (China) ergens in Costa Rica lag. Hij joeg niet slechts op rijkdom, maar wilde de doorvaart vinden die hem zou voeren naar de plaatsen die Marco Polo beschreven had: daar waar alle zalig­heden, alle rijkdom en weelde van de beschaving zich bevonden.

Dit is in het kort de geschiedenis van de man die Spanje de heerschappij gaf over meer land dan zijn monarchen zich ooit hadden voorgesteld, en wiens ontdekking de blik van Europa naar het westen richtte. Columbus stierf op 55-jarige leeftijd, arm en onbeweend. Met het verstrijken der eeuwen rijst zijn heroïsche gestalte echter steeds hoger op.

 

Dr. Samuel Eliot Morison, hoogleraar in de geschiedenis aan de Harvard-universiteit, leidde een expeditie “in het kielzog van Columbus” met twee zeilschepen van ongeveer dezelfde afmetingen als die in welke de ontdekker zijn reizen ondernam. Zijn boek Admiral of the Ocean Sea, (dat werd uit­gegeven in 1942, is een levensbeschrijving van de gecompliceerde, fascine­rende man die tot dit wetenschappelijk avontuur inspireerde. Het boek werd bekroond met de Pulitzer-prijs.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 .

Rudolf Steiner over Columbus in GA 350

.
489-452

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (8)

.
MEESTER, MEESTER, KOM’S! DEZE HEEFT HET ÓÓÓÓK!

Het is mij een keer overkomen dat ik met deze kreet naar een plaats werd geroepen waar een aantal kinderen over ‘iets’ gebogen stond. Gezien hun opwinding was ik er niet helemaal gerust op wat daar te zien zou zijn.
‘Kijk, kijk’, wezen een aantal vingers en toen ik goed keek – het duurde  even – zag ik een kruisspin in zijn web zitten. ‘Deze heeft het óók’, bevestigden ze nogmaals.

Het was al weer enige weken na een heemkundeperiode in een tweede klas. Ik had daarin een aantal zgn. Marialegenden verteld. Prachtige, korte verhaaltjes over hoe planten en dieren aan datgene gekomen waren, wat hen zo typeert.

Steiner gebruikte een aantal keren de uitdrukking ‘sinnige Geschichte’. Vertellingen met een bijzonder karakter:  ze hebben iets ‘sinnigs’ – er zit een bepaalde zingeving in – op een bepaalde zinnige manier maken ze iets duidelijk. Er gaat ook een morele werking vanuit: ze roepen vertedering op, een begrijpen op een ‘dromerige’ manier. Ze roepen iets op van ‘verbonden-zijn’, van sympathie, van eerbied.

Ze hoeven voor deze leeftijd, 7 à 8 jaar, niet historisch of biologisch ‘waar’ te zijn. Op de een of andere manier zijn ze toch ‘waar’. (Of hadden het kunnen zijn).

Laatst sprak ik een oud-leerling van me. Ze vroeg naar ‘het’ boek met deze verhaaltjes. Die moest haar kind per se horen…….

==Wanneer de heilige familie een goed heenkomen zoekt in een grot, weeft een spin voor de ingang een web. Wanneer een soldaat van Herodes de grot binnen wil gaan om te zoeken, ziet hij het web en trekt de conclusie dat daar dus niemand kan zitten, ‘anders was dat web niet heel geweest’.

Als het gevaar is geweken, bedankt de kleine Jezus de spin en raakt hem even aan, met een kruisbeweging die zich aftekent op de rug van de spin en daar sindsdien zit.==

De kinderen herkenden het: ‘Meester, meester, kom’s! Deze heeft het óóóók!’

Een gouden ogenblik in je loopbaan als vrijeschoolleerkracht.
Een ogenblik ook om heel even dankbaar te zijn voor de ‘ontmoeting’ met Steiners diepere inzichten in het wezen van het kind.

.

Pieter HA Witvliet

.

Vertelstof: alle artikelen

Jakob Streit: Immanuel

.

487-450

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Mozart

.

MOZART, HET WONDERKIND DER MUZIEK

 

Mozart

Onherroepelijk laatste concert ! . . . De jongen, die nog geen zeven jaar oud is, zal het cembalo bespelen, hij zal een vioolconcert voordragen, en bij de uitvoering der symfonieën de continuo-partij vertolken op het klavier, waarvan de toetsen met een doek zijn bedekt; hij kan dan even goed spelen als wanneer hij de toetsen kon zien. Hij zal alle noten opnoemen die hem worden voorgespeeld, afzonderlijk of in akkoorden, en hij is genegen op het cembalo en op het orgel te improviseren zo lang men wenst. Toegangsbe­wijzen een halve thaler.

Met dit bericht, als gold het een buitenissige kermisat­tractie, kondigde in 1763 een Duitse krant het optreden aan van het meest universele muzikale genie dat de we­reld ooit heeft leren kennen, Wolfgang Amadeus Mozart.
Onder het publiek bevond zich die avond nog een andere jongen, de 14-jarige Goethe, wiens naam eveneens bestemd was om onsterfe­lijk te worden. Vele jaren later herinnerde deze zich nog de frisse verschijning van het vrolijk kijkende muzikantje, dat naar de bank voor het cembalo huppelde, gekleed in zijn bespottelijke maar dure pakje van lila satijn, met zijn gepoederde pruik en zijn miniatuurdegentje, en dat zich vervolgens met hart en ziel aan de muziek overgaf.
De gaven die Mozart bij zijn geboorte had meegekregen waren van een onbegrijpelijke volledigheid. Hij had niet alleen een absoluut gehoor en een feilloos gevoel voor ritme, maar ook een sterk instinct voor harmonie. Zo komt het dat hij als kind van vier jaar al op het spinet kon leren spelen*, op zijn vijfde met viool beginnen kon, en er toen al in slaagde om van het blad lezend, zich samen met zijn vader en diens vriend door een reeks trio’s heen te worstelen. Dit kind kon al noten lezen en opschrijven voordat het aan de letters toe was. En zelfs in de stukjes die hij op zijn zesde jaar schreef, merkt men al bij de eerste maten dat Mozart ze moet hebben gemaakt en niemand anders. In de be­zielde, zelfverzekerde componeertrant en de gracieuze stijl ver­raadt zich onmiskenbaar het jeugdige genie.

Zijn handen waren even merkwaardig ontwikkeld als zijn hersenen. Op zijn tiende jaar verbaasde hij de Nederlanders met een voortreffelijke demonstratie op het grootste en meest gecom­pliceerde kerkorgel ter wereld. Hij was veertien jaar toen hij in Rome gelegenheid kreeg het koor van de Sixtijnse kapel te horen in een miserere. Dit was een lang, vrij ingewikkeld, negenstemmig motet en de partituur werd zorgvuldig geheim gehouden — het was de zangers zelfs op straffe van excommunicatie verboden de muziek te kopiëren. De jongen nam de klank zo intens in zich op, dat hij thuisgekomen het hele stuk uit het geheugen opschreef. Toen hij het voor de tweede keer hoorde zingen merkte hij tot zijn verdriet dat hij bij het noteren drie foutjes gemaakt had. De paus excommuniceerde hem niet maar benoemde hem tot Ridder van de Gulden Spoor, een onderscheiding die vóór hem ook Orlando di Lasso en Gluck ten deel was gevallen.

De vader van dit fenomeen was Leopold Mozart, een middel­matige violist maar een voortreffelijk pedagoog, in Salzburg. Hij had ontzag voor het genie van zijn zoon, maar dat nam niet weg dat hij het exploiteerde. Samen met Wolfgangs zusje Nannerl, een begaafde kleine pianiste, sleepte hij de jongen heel Europa door. De kinderen speelden zelfs voor de gekroonde hoofden van Engeland en Frankrijk en voor de Oostenrijkse keizerlijke familie. Bij die laatste gelegenheid gleed Wolfgang uit op de paleisvloer waarbij hij lelijk kwam te vallen. Een klein meisje hielp hem overeind en troostte hem, waarop Wolfgang uit erkentelijkheid aanbood om met haar te trouwen als hij groot was. Maar de toekomst had voor Marie Antoinette een ander lot in petto.

Hotsende reiswagens en slechte wegen, vunze herbergen en urenlang hard werken hadden geen uitwerking op het vrolijke humeur en de energie van de jongen. Dikwijls wisten de verrukte toehoorders van geen weggaan, en om hen te plezieren bleef het kind steeds maar doorspelen als onder de ban ener betovering; de melodieën rolden uit zijn vingers, de noten van het ene wijsje speelden krijgertje met het andere en dansten als meidruppels op een bloemperk. Totdat papa Mozart dan een eind aan de zaak maakte en de deftige dames en heren het ventje met toejuichingen en liefkozingen begonnen te overladen, wat gelukkig de natuur­lijke frisheid van zijn karakter nooit heeft bedorven.

Een andere leermeester dan zijn vader heeft Wolfgang nooit gehad. Hij is ook nooit op school geweest, maar wierp zich graag op allerlei problemen en vakken, als er iets te leren viel. Speciaal rekenkunde boeide hem en hij kalkte muren en tafels vol met reken­sommen; hij was verrukt over de wetenschap die als geen andere in staat was op een vraagstuk het enig juiste antwoord te geven. Hier ligt misschien een sleutel tot de vraag waarom Mozarts muziek zo exact en evenwichtig van vorm is. Maar Mozart is ook poëtisch, innig en vrolijk. Hij is even hartveroverend als ge­makkelijk om naar te luisteren.

In Mozarts tijd vond men sommige van zijn composities te “modern”, te “geavanceerd.” Terwijl in onze oren een stuk van Mozart dat wij voor het eerst beluisteren, overbekend en ver­trouwd aandoet. De reden is dat Mozart een sterke invloed heeft gehad op de muziek die na hem kwam. Beethoven bestudeerde zijn werken voortdurend, en zo Haydn zijn 24 jaar jongere vriend soms imiteerde, dan was dat een blijk van oprechte hulde. Chopin was diep doordrongen van de geniale geest van Mozart, en zelfs de trotse Wagner boog voor hem het hoofd. Veel van de schoonheid in de vrolijke Strausswalsen of in de prachtige liederen van Schubert kan men terugbrengen tot Wolfgang Amadeus Mozart.

Hij was muzikaal tot in de toppen van zijn vingers. Hij kon een hele poos met een verrukt gezicht in de schokkende reiskoets zitten, met zijn vingers op zijn knie trommelend, tot hij eindelijk een thema in gedachten had uitgewerkt en hij het later zó op een stukje papier kon krabbelen. Op zijn veertiende jaar dirigeerde hij te Milaan zelf zijn nieuwste opera (Mitridate) met het destijds grootste orkest van Europa. Toen hij 15 was had hij veertien symfonieën en zes korte opera’s op zijn naam.
In de jaren tussen zijn vijftiende en eenentwintigste begaf hij zich op alle denkbare gebieden van de ingewikkeldste compositie­techniek, en uiteraard ligt een vergelijking voor de hand met de prestaties van vroegere componisten, die ieder voor zich meester waren op hun speciale terrein. Maar Mozart doorstaat die verge­lijking met glans, hij toont zich de meester van hen allen, en het is duidelijk dat zijn gaven zich met elk jaar stralender ontplooien, zoals een komeet ons verblindt naarmate hij de aarde nadert. Naar recht en billijkheid had hij in de muziekwereld de aller­hoogste post moeten bekleden die zijn vorst, keizer Joseph II, hem had kunnen verlenen. In plaats daarvan werd hij door de keizer op een tamelijk onheuse manier genegeerd; er waren er in de hofkliek genoeg die angstig jaloers waren op Mozarts wonder­baarlijke begaafdheid. Zijn concurrenten verhinderden de uit­voering van zijn werken, of als dat niet lukte werden de spelers omgekocht om de muziek zo handig mogelijk te verknoeien. Auteursrecht om de componisten te beschermen bestond er in die dagen niet; was een muziekstuk eenmaal bekend dan was iedereen vrij om het uit te voeren — zelfs mocht een ander het omwerken en in zijn eigen composities gebruiken. Voor een componist be­stond alleen veiligheid wanneer hij in dienst werd genomen door een kunstbeschermer, hetzij door een vermogend particulier, of aan een hof. De beschermer bij wie Mozart emplooi vond — tegen een jaargeld van ruim 250 gulden! — was de aartsbisschop van Salzburg. Daar moest Mozart zijn maaltijden samen met het personeel gebruiken, en de bisschop meende dat zijn hoforganist zich des te onderdaniger zou betonen naarmate hij meer werd af­gesnauwd. Nadat Mozart in juni 1781 ontslag had genomen, vestigde hij zich als onafhankelijk kunstenaar in Wenen.

Toen de beroemde Christoph von Gluck overleed, kreeg hij diens post als kamercomponist aan het keizerlijk hof, tegen nauwe­lijks meer dan de helft van wat Gluck had ontvangen, een salarisje van 800 gulden. Toch was Mozart ook hiermee al in zijn schik, hij was jong en ietwat impulsief getrouwd en de kleintjes lieten niet op zich wachten. Zijn vrouw Constanze was een van de vier knappe dochters van het gezin Weber, waar ze allemaal muzikaal waren. Constanze was nog een dertienjarige giechel toen hij haar voor het eerst zag, of liever hij zag haar helemaal niet, hij had alleen oog voor haar oudere zusje Aloysia, vijftien jaar, met een prachtige stem en dito figuurtje. Aloysia beloofde op hem te zullen wachten in de tijd dat hij naar Parijs ging om zijn fortuin te maken. Toen hij met lege handen terugkeerde, was zij al een ge­vierde operaster. Jaren later vroeg men haar eens waarom zij Mozart de bons had gegeven. “Ik vond hem zo’n kleine man.”

Constanze lijmde de stukken van zijn gebroken hart aan elkaar en in augustus 1784 trouwden zij, wat een onherstelbare breuk met papa Mozart ten gevolge had. “Stanzi” was een snaaks blondje, een ideale gezellin voor picknicks in het Wiener Wald, maar voor huisvrouw miste zij alle capaciteiten. Mozart vond het pijnlijk te moeten aanzien hoe die opgewekte, naar plezier snakken­de natuur te kampen had met alle nasleep van armoede en kraam­bed. Zodat “Wolfi” dikwijls te veel geld spendeerde aan luxedingen om op haar gezicht die kinderlijk verrukte glimlach terug te toveren, waarom hij haar getrouwd had. Erger was, dat haar ge­zondheid veel te wensen overliet, het baren was een marteling ge­weest en vijf van haar zeven kinderen vonden een voortijdig graf.

De moeilijkheden waarmee Mozart te kampen had waren voor iedere andere componist ruimschoots voldoende geweest er één lange klaagzang over te schrijven, maar Mozart spuide zijn ver­driet over vernederingen en smerigheden nooit in zijn muziek. Hoe moeilijker hij het had, des te meer getuigde Mozarts kunst van zijn levensmoed die echter geen grimmige vastberadenheid is, maar blijgeestig als de zang van de leeuwerik.

Om de slager te betalen, en zelfs om de deurwaarder af te kun­nen poeieren (die maar al te vaak verscheen om een stuk van het meubilair mee te nemen), speelde Mozart het ene concert na het andere. Voor elk hiervan schreef hij een nieuw werk, dat meestal pas op het laatste nippertje gereed kwam; sommige van zijn mees­terwerken zijn in enkele dagen tot stand gekomen. Tijdens de vochtige winters waarom Wenen zo berucht is, was het voor Mozart vaak een probleem hoe hij voldoende kon stoken om er­bij te kunnen werken. Er kwam eens een bezoeker die Wolfi en Stanzi al ronddansende in de kamer aantrof, en men heeft deze anekdote wel eens zo voorgesteld alsof het echtpaar louter een grapje maakte. In werkelijkheid waren ze die dag stijf van de kou, en deden ze wanhopig hun best om in beweging te blijven. De bezoeker rende naar buiten om hun brandstof te laten sturen.

Maar de vriend aan wie de wereld het meest te danken heeft was een zekere Puchberg, een zakenman, die Mozart herhaalde­lijk wat geld bezorgde als de nood hoog was gestegen. Wanneer wij de brieven lezen waarin Mozart bij zijn vriend op hulp aan­drong, zieden wij van verontwaardiging dat dit stralende genie eens heeft moeten bedelen.

Maar daar was in ieder geval de stad Praag, die hem al tijdens zijn leven heeft begrepen, en waar hij op de handen werd gedragen. Toen hij was uitgenodigd om daar zijn komische opera De Bruiloft van Figaro te dirigeren, die in Wenen koel ontvangen was, merkte hij dat er in de straten van Praag niets anders dan Figaro werd geneuried. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef hij de prachtige “Praagse” symfonie en dadelijk daarna vertrok hij om een opera voor te bereiden die hij speciaal voor deze dankbare muziekstad wilde schrijven. Het waren heerlijke dagen in het leven van Wolf­gang en Constanze toen zij de bergen overtrokken op weg naar de joviale Boheemse hoofdstad, waar Mozart ging werken aan zijn Don Giovanni, die vaak de “volmaakte” opera genoemd wordt. Da Ponte, de dichter van het libretto, was een vrolijke Frans; hij woonde tegenover de Mozarts in dezelfde nauwe steeg en van tijd tot tijd kon men hen elkaar over straat horen roepen om te komen luisteren, als er weer een paar bladzijden af waren. Of een ander maal sjouwden zij samen de stad in voor een feestelijke fles wijn.

Er kwamen zoveel uitnodigingen van bewonderaars dat Mozart tijd te kort kwam. Eén dag voor de première moest de ouverture nog worden geschreven. Het licht in de zaal was al aan, toen de muziek inderhaast op de lessenaars werd uitgedeeld en de or­kestleden moesten het adembenemende muziekstuk van het blad spelen.

Nooit eerder was een komisch onderwerp zó elegant en treffend in muzieknoten weergegeven. Maar de Don Giovanni is ook een treurspel, en bewijst onmiskenbaar Mozarts dramatische, ja demonische talent. De toejuichingen en het bisseren meegerekend duurde de première zes uur in plaats van drie. Er was aan de kas­sa genoeg ontvangen om de schouwburgdirecteur van een faillis­sement te redden, maar de componist kwam er bekaaid af.

Naarmate het kortstondig lichtschijnsel van Mozarts aards be­staan zijn einde naderde, scheen het aan snelheid te winnen en steeds feller te stralen. Zijn laatste negen symfonieën, waarvan er verscheidene nooit tijdens zijn leven zijn uitgevoerd, zijn die van een Beethoven waardig. Maar al te dikwijls meent men Mozart af te kunnen doen met de kwalificatie “sierlijk”, en men kent dan hoogstens de eenvoudige sonatines en menuetten die kinderen op pianoles krijgen. Maar wie zijn gehele oeuvre heeft gehoord kan niet anders dan aangegrepen zijn door de diepe schoonheid van zijn werk.

In het 35ste jaar van zijn leven, toen hij al ernstig ziek was, schreef hij in Wenen zijn beroemde sprookjesopera De Toverfluit die vol is van de wonderlijkste melodieën. De opera, die Mozart had gemaakt om zijn vriend de toneeldirecteur Schikaneder voor een bankroet te bewaren, ging in een oud, vervallen theater. Het nieuwtje verspreidde zich snel en heel Wenen kwam in de zaal. Schikaneder kreeg genoeg geld binnen voor een nieuwe schouwburg, maar Mozart was te ziek om de uitvoeringen bij te wonen, hij lag in bed op de klok te kijken, en zei dan: “Nu gaat het doek op,” of: “Nu lopen ze ongedeerd door de vlammen,” en: “Nu horen ze de toverfluit.”

Een paar maanden daarvoor had Mozart bezoek gekregen van een vreemdeling die, naar hij zei, namens zijn meester aan Mozart de opdracht kwam geven om een Requiem te schrijven voor ge­mengd koor, ter nagedachtenis van de overleden echtgenote van zijn meester. Diens naam wilde de boodschapper niet noemen. Wij weten nu dat de opdracht kwam van een adellijk dilettant, graaf Walsegg, die in het geheim muziekwerken placht te be­stellen om ze dan onder eigen naam te laten uitvoeren. Er waren tal van moeilijkheden die de aflevering van het werk vertraagden en herhaaldelijk kwam de boodschapper tot spoed manen. In zijn delirium meende Mozart dat het een afgezant uit een andere wereld was, en dat de duivel hem had opgedragen zijn eigen doodsmis te schrijven; hij werkte er koortsachtig aan. Indruk­wekkend en angstaanjagend zijn de klanken die het Requiem op­roept uit de grondeloze diepten van smart en berouw; maar ook serene en troostende akkoorden zijn er, sprekend van ’s mensen hoop op het Leven hierna. Op zijn sterfbed, omringd door de weinige trouwe vrienden, trachtten Mozarts lippen nog het trom­petthema van de Oordeelsdag te vormen, dat het Requiem be­heerst.

Enkele vrienden waren in het vale licht van een naderend on­weer bijeen om bij Mozarts kist de korte mis te horen lezen. Toen zij op weg gingen naar het kerkhof weerlichtte het, en wind­stoten striemden hun de regen in het gezicht. Ze keerden terug en lieten de lijkwagen alleen verder rijden. In een massagraf, tussen de stoffelijke resten van zwervers en prostituees, verdween het tere hulsel dat de ongeëvenaarde Genius der Muziek had gehuisvest.

Mozart zegevierde over onrecht, ziekte, schuld, zelfs over de Dood. Op alles wat onedel en onwaardig was heeft hij een ant­woord gegeven, dat natrilt met de harteklop van het Leven zelf.

*Het spinet en de meestal grotere klavecimbels (cembalo, virginaal, harpsichord, Kielflügel) waren uitgerust met pennetjes in plaats van hamers. Het waren de voorlopers van onze moderne piano’s.

.

Biografieën: alle artikelen

.

482-445

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Schweizer

.

De wijsgeer van het oerwoud

Het dorp Lambarene ligt aan de rivier de Ogowe, vieren­zestig kilometer ten zuiden van de evenaar in Gabon, het voormalige Frans Equatoriaal Afrika. De streek weerspiegelt ’s werelds begin — wolken, rivier en woud voegen zich er samen tot een oerlandschap, dat er onwaarschijnlijk antiek uitziet. Het grootste deel van het jaar gelijkt de lucht op stoom, oprijzend uit een waas van groen. Dat is het decor voor een van de beroemdste zendingsinitiatieven ter wereld — het veelbesproken oerwoudziekenhuis van dr. Albert Schweitzer.

Schweitzer was onbetwistbaar een groot man — een van de grootste van deze en van alle tijden. Hij had vier verschillende loopbanen: in de wijsbegeerte, medicijnen, theologie en muziek. Hij schreef doorwrochte boeken over Bach, over Jezus en over de geschiedenis der beschaving, en hij was de grootste autoriteit ter wereld op het gebied van de orgelbouw en eveneens een vermaard organist.
Ook wist dr. Schweitzer bijzonder veel — meer dan velen die hun leven aan deze speciale vakken gewijd hebben — van schoonheidsleer, tropische dierkunde, antropologie en landbouw; verder was hij een bekwaam timmerman, metselaar, dierenarts, botenbouwer, tandarts, tekenaar, monteur, apotheker en tuinman.

Schweizer

Albert Schweitzer, geboren in 1875 te Kaysersberg in de Elzas, was een ziekelijk kind, wat men de sterke, gezonde man van later niet zou aanzien. Hij was ook — en dat is nog vreemder — laat met lezen schrijven, en hij kon slecht leren. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen, die hem moeilijk afgingen, zoals Hebreeuws. In de muziek was hij een wonderkind. Hij componeerde een psalm toen hij zeven was, begon orgel te spelen op zijn achtste, toen zijn benen nog maar net tot aan de pedalen reikten, en als jongen van negen viel hij in voor de organist tijdens een kerkdienst.

Hij studeerde wijsbegeerte aan de universiteit van Straatsburg en een proefschrift over Kant bezorgde hem zijn eerste doctors­graad. Hij studeerde theologie en werd in 1900, dus op zijn vijf­entwintigste, hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk in Straats­burg. Hij studeerde muziekleer en begon zijn loopbaan als con­certorganist. Toen hij zesentwintig jaar was, bezat hij doctorstitels in de wijsbegeerte, de theologie en de muziek. Intussen begon een stroom van boeken van zijn hand het licht te zien, die nooit op­gehouden is. Toen, op zijn dertigste, liet hij plotseling zijn drie loopbanen varen om geneesheer te worden en voorgoed naar Lambarene te trekken als zendingsarts.

Waarom geneeskunde? Omdat hij genoeg had van woorden en iets wilde gaan doen. Waarom Lambarene? Omdat het een van de ontoegankelijkste en primitiefste plekken van heel Afrika is, een van de gevaarlijkste ook, en omdat daar geen arts was. Familie en vrienden trachtten hem ervan af te brengen, maar hij zei dat hij voelde “iets te moeten terugdoen” voor het geluk, dat hem ten deel was gevallen. Hij gehoorzaamde letterlijk aan het gebod van Jezus: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven zal verliezen om mijnentwil . . . die zal het behouden.”

Schweitzer werkte van 1905 tot 1912 aan zijn medische studie en op achtendertigjarige leeftijd werd hij arts. Deze jaren waren de moeilijkste en ook de vermoeiendste van zijn leven. Een me­dische opleiding is op zichzelf al afmattend genoeg; toch speelde hij het klaar om wijsbegeerte te blijven doceren, om zijn werk­zaamheden als hulppredikant van de Sint-Nicolaaskerk voort te zetten, om een begin te maken met de definitieve uitgave van Bachs orgelmuziek, en om al die jaren geregeld orgelconcerten te geven!

Hij trouwde in 1912. Zijn vrouw, dochter van een bekende historicus te Straatsburg, volgde een verpleegstersopleiding om hem in Afrika te kunnen helpen. Toen zij in 1913 in Lambarene aankwamen, bleken de omstandigheden geducht moeilijk — wat ze trouwens nog zijn. Elke meter bouwgrond in dat gebied moet uitgekrabd worden in het onmetelijke oerwoud, dat dicht bevolkt is met allerlei onvriendelijke dieren als pythons en gorilla’s, terwijl de rivieren vol krokodillen zitten.
Albert Schweitzer bouwde zijn hospitaal uit het niets op, vrijwel met zijn blote handen. Eenmaal moest hij de hele nederzetting afbreken en verhuizen, omdat de oude hutten te klein waren geworden om zijn groeiende praktijk te herbergen. Afrikaanse patiënten, lijdende aan alle soorten ziekten, van lepra tot elefantiasis, waren niet altijd gemakkelijk te behandelen.
Een van de levensbeschrijvingen van Schweitzer vermeldt, dat ze soms de zalf opaten die hij voorgeschreven had voor een huidaandoening, in één teug een fles medicijn opdronken, waarmee ze enige weken hadden moeten toekomen, of dat ze probeerden andere patiënten te vergiftigen. Na de dood van een van zijn patiënten, die te laat bij hem was gekomen om nog gered te kunnen worden, verdachten ze een tijd lang Schweitzer ervan een vermomde luipaard te zijn die met opzet mensen doodde.

In 1954 brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan dr. Schweitzer. Op het vliegveld werden we afgehaald door juffrouw Emma Hausknecht, een verpleegster uit de Elzas, die Schweitzer sedert 1925 had bijgestaan. Ze was een soort algemeen bedrijfsleidster van de hele nederzetting en trad op als Frans-Engelse of Duits-Engelse tolk voor de dokter. Toen wij ons onderdak bezichtigd hadden, ging juffrouw Haussknecht ons voor langs een modderpad tussen de struiken en vruchtbomen naar het nieuwe leprozendorp, dat Schweitzer aan het bouwen was. Ten slotte kwam, dichtbij een open plek, de dokter zelf te voorschijn. Hij had een grote arendsneus, een grijze hangsnor en ogen, die werkelijk door je heen keken. Hij was krachtig gebouwd en hij droeg die dag een zonnehelm, een open wit overhemd, een versleten broek en zware, zwarte schoenen.
Schweitzer bracht ons naar het leprozendorp, waar de ernstigste leprapatiënten woonden. Hier begon de oude dokter onmiddellijk een ploeg werklui achter de vodden te zitten. Zelf nam hij een schop en zong een soort deun op de maat van het graafwerk: “Allez-vous OPP! Allez-vous OPP-upp-OPP ! ! Hupp, upp, OPP!” Bezoekers verbaasden zich soms over het hospitaal omdat het eruit zag als wat het is — een inboorlingendorp. De patiënten kwamen van heinde en ver en brachten soms hun hele gezin mee.
Er waren geen geplaveide paden of wegen. Er was geen stromend water, geen elektriciteit, behalve voor de operatiekamer.

Er leken meer dieren dan mensen rond te lopen. Het ziekenhuis had ongeveer honderdvijftig geiten en er waren allerlei andere beesten, zoals parkieten en een jonge mandril. Dicht bij de eet­zaal zat een wild zwijn achter gaas en een aap met een touw aan een boom. Vier gracieuze antilopen stonden in een ruwe, met ijzerdraad omgeven hertenkamp en werden elke avond na het eten door de dokter gevoerd.

De hoofdafdeling van het ziekenhuis was ondergebracht in een lang gebouw zonder verdieping, verdeeld in smalle, donkere kamertjes die alle op een binnenplaats uitkwamen. De patiënten lagen op houten, met vlechtwerk overtrokken britsen. Buiten elke deur brandde een rokerig vuurtje: daar kookte het gezin van de patiënt. Als een man geen familie had en te ziek was om zelf te koken, vormde hij een ernstig probleem. De meeste patiënten wilden namelijk geen voedsel aannemen van iemand buiten hun stam uit angst voor vergiftiging.

Er was, voor zover ik kon zien, geen apparaat om verband onder hoge druk te steriliseren; water moest gekookt worden in ketels boven open houtvuren. Jarenlang waren de medicijnen en verbandmiddelen schaars. Iedere veiligheidsspeld was kost­baar. Dingen die in de meeste ziekenhuizen heel gewoon zijn, wer­den hier met eerbied behandeld — als ze er tenminste waren. Iemand vertelde me dat Schweitzer niet van ingewikkelde, moderne hulpmiddelen hield. Ten eerste is het onderhoud lastig in een tropisch klimaat. Wat heb je aan rubberkruiken, als ze binnen een week wegrotten? Ten tweede wilde hij dat de Afrikanen zich prettig voelden, in omstandigheden die hen aan thuis deden denken.

Op een ochtend keken we de operatiekamer binnen; we schrok­ken eigenlijk wel even, dat dit zomaar vanaf de binnenplaats mogelijk was. Op de tafel lag een ontklede patiënt, zijn buik droop van de mercurochroom. De arts die de operatie had ver­richt — een normale breuk — kwam een uur later aan de koffie­tafel. Hij had nog geen tijd gehad zich grondig te wassen en ging in zijn hemdsmouwen aan tafel, terwijl zijn armen nog vuurrood van de mercurochroom waren.

Een druk gebruikte open ruimte dicht bij de eetzaal vormde het middelpunt van het ziekenhuisleven. Afrikanen kwamen en gingen met producten uit de tuin in hun onbeholpen kruiwagens. Vrouwen zaten gehurkt op de grond en bonden palmbladeren bij­een voor de dakbedekking; anderen waren druk in de weer met naaimachines op een veranda boven, en weer anderen streken de was met primitieve strijkijzers, gevuld met houtskool. Tussen deze ordelijke bedrijvigheid door liep de dokter en zag toe dat iedereen werkte. De drukte en het geraas deden denken aan een pionierskamp.
Ten tijde van ons bezoek was de eerste geneesheer in Lambarene (Schweizer was toen 79 en in het medische werk niet meer zo actief ) een Hongaar; een der andere artsen was een neef van de oude baas. De verpleegsters, allen Europese vrouwen, leken ons zo teruggetrokken, zo vroom en zo onwerelds als nonnen.
Bij de maaltijden zat Schweitzer aan het midden van een lange tafel, en eventuele eregasten er tegenover. Vlak voor elke maaltijd zei hij een kort gebed in het Frans; direct na het avondeten (geen enkele maaltijd duurde langer dan een half uur) kondigde hij met stentorstem een psalm af en er werden gezangboeken doorgegeven. Hij stapte naar een blikkige piano aan het eind van de zaal en speelde zonder franje maar krachtig en precies de begeleiding, terwijl het gezelschap zong. Dan liep hij naar zijn plaats terug, keek in de lijst van bijbelteksten, klapte een bijbel open en las een paar regels.

Wij vonden Schweitzer een bijzonder gezaghebbende, waakzame en scherpzinnige prater, maar aan tafel sprak hij zelden. De verklaring, die heel aannemelijk lijkt, is dat hij te moe was. Toen hij de eetzaal uitging, vulde hij zijn zakken met etensrestjes om aan de antilopen te geven.
Wanneer de avondrust over de rest van het kamp was gekomen, zat Schweitzer nog tot middernacht of later te werken, brieven te schrijven of post te beantwoorden.
Het is een keer voorgekomen, dat hij tot verbazing van de douane-ambtenaren in Bordeaux aan boord ging met zijn onbeantwoorde post – vier aardappelzakken vol.

Toen hij naar Afrika vertrok, dacht Schweitzer dat hij voorgoed opgaf wat hem het naast aan het hart lag — de kunst en het leraarschap. Maar hij heeft altijd een piano bij zich gehad in Afrika en heeft zo zijn muziek kunnen bijhouden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben zijn orgelvertolkingen van Bach, op grammofoonplaten vastgelegd toen hij met vakantie in Europa was, grote artistieke waardering gevonden. Hij hield overal lezingen als hij in de beschaving terugkeerde en is door talloze universiteiten geëerd. Bovendien is hij er, door ’s nachts te werken, in geslaagd geregeld nieuwe boeken te doen verschijnen.
In 1952 werd hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Hij heeft altijd een scherp gevoel gehad voor wat belangrijk is en wat niet, en hij bezat een fijn, ironisch gevoel voor humor. In 1949, toen hij voor de eerste (en enige) keer in de Verenigde Staten was om het Goethe-Festival in Aspen, in Colorado, bij te wonen, toonde hij zich bijzonder gestreeld door de aandacht, die de pers­fotografen aan hem besteedden. “Lieve help,” riep hij uit, “ik geloof waarachtig, dat jullie me net zo belangrijk vinden als een bokskampioen!”

Op onze laatste avond in het ziekenhuis werden we na het eten uitgenodigd om met Schweitzer mee te gaan naar zijn kamers. Hij had een kleine slaapkamer en een kantoortje ernaast. Het was daar een warwinkel van boeken, papieren, voorraden, gereed­schappen — er lag een zaag dwars over een stapel manuscripten — lege blikjes, stapels muziek en timmermanswerkstukken. Als hij een hoofdstuk voor een boek klaar had, haalde hij een touwtje door de bladzijden en hing ze achter zijn schrijftafel — “Net een trofee van de fazantenjacht.” (Metalen klemmen zijn onbruikbaar in Lambarene: ze roesten dadelijk.)

Schweitzer bracht ons naar zijn beroemde piano met de orgel­pedalen, een geschenk van de Parijse Bachvereniging. Het in­strument was met zink bekleed tegen het vocht en tegen de witte mieren, en woog drie ton. Het was geweldig ontstemd. Schweitzer, mijn vrouw en ik zaten met ons drieën op de kleine houten bank — er was trouwens geen andere zitplaats — en hij speelde wat Bach. De volgende dag deed hij ons uitgeleide, maar dit korte, nachte­lijke concert was de laatste aanraking, een afscheidsplechtigheid, die Schweitzer typeerde. Het is dit beeld van hem, zittend aan dat gehavende oude wrak van een piano in het hart van het stille, sluipende oerwoud, dat ik mij het liefst voor de geest zal halen.
.

Albert Schweizer
.

alle biografieën

.

470-436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cleopatra

.

DE LEGENDARISCHE KONINGIN

Cleopatra wordt veelal gezien als een Egyptische sirene, die zelfmoord pleegde uit liefde voor de Romeinse veldheer Marcus Antonius. Ten onrechte. Hoewel Cleopatra als vorstin heerste over dat oude koninkrijk, had zij geen druppel Egyptisch bloed.
Zij was van Macedonisch-Griekse afkomst; haar hoofdstad, Alexandrië, was een Griekse stad en de taal die aan haar hof werd gesproken was Grieks. Haar dynastie was gevestigd door Ptolemaeus, een Macedonische veldheer van Alexander de Grote, die zich na diens dood van Egypte meester maakte en zichzelf tot koning uitriep.
Er is geen spoor van bewijs dat in het leven van Cleopatra enige man een rol zou hebben gespeeld behalve dan Julius Caesar en, drie jaar na zijn dood, Marcus Antonius. En dit waren geen frivole liaisons, maar verbintenissen, goedgekeurd door haar priesters en in Egypte als huwelijken erkend. De veronderstelling dat zij een wellustige vrouw was, die al haar kunstgrepen in het vuur bracht om deze mannen te veroveren is absurd. Toch heeft die legende 2000 jaar hardnekkig standgehouden, voornamelijk omdat dichters en toneelschrijvers, Shakespeare incluis, meer de nadruk hebben gelegd op haar fysieke bekoorlijkheden en hartstochten dan op haar verstand en moed. Haar daden bewijzen echter dat zij een briljante, schrandere vrouw was, die haar leven lang heeft gevochten om haar land ervoor te behoeden dat het door de Romeinen werd opgeslokt.
Cleopatra

Cleopatra werd in 68 of 69 v. Chr. geboren, en zij groeide op te midden van hofintriges en geweld. Haar vader, Ptolemaeus XI, stierf toen Cleopatra 18 was, en zij werd toen koningin, waarbij zij de troon moest delen met haar tienjarige broer Ptolemaeus XII. Twee jaar later verbande de jeugdige Ptolemaeus, die geheel werd overheerst door een drietal hofintriganten, zijn zuster naar Syrië. Cleopatra echter, die al dadelijk de moed toonde die haar hele leven zou kenmerken, bracht onmiddellijk een leger op de been en rukte weldra dwars door de woestijn op naar Alexandrië om de strijd om haar troon aan te binden. Het was deze Cleopatra, die Caesar in de herfst van het jaar 48 v. Chr. ontmoette. Hij was naar Egypte gekomen om de Romeinse veldheer Pompeius, zijn tegenstander in een strijd om politieke macht — het soort strijd die Rome bijna een eeuw lang in beroering zou houden, te achtervolgen.

Hoe zag Cleopatra eruit? De enige aanwijzingen die wij bezit­ten, zijn een paar munten waarop haar profiel staat afgebeeld, en een buste die zo’n 1800 jaar na haar dood bij opgravingen in een Romeinse ruïne werd gevonden. Zij vertonen een adelaarsneus en een mooi gevormde mond met fijn besneden lippen. Een aantal historici uit de oudheid hebben haar “verrukkelijke schoonheid” vermeld, maar deze mannen hadden haar niet zelf gezien. De betrouwbaarste beschrijving is misschien die van Plutarchus, wiens grootvader verhalen over Cleopatra had gehoord van een dokter die een van de koks uit de koninklijke hofhouding kende. Plutar­chus wist te vertellen dat haar feitelijke schoonheid “op zichzelf niet zo opmerkelijk was dat zij elke andere vrouw in de schaduw stelde”.

Alle vroege geschiedschrijvers waren het echter eens over haar “boeiende” conversatie, haar welluidende stem, haar “behendig en geraffineerd taalgebruik”. Zij sprak zes talen, was goed thuis in de Griekse geschiedenis, literatuur en filosofie, toonde zich een sluw onderhandelaarster en was klaarblijkelijk een bekwaam stratege. Zij had ook veel gevoel voor dramatische effecten. Toen Caesar haar sommeerde om haar troepen te verlaten en naar het koninklijk paleis in Alexandrië te komen, waar hij na het te be­zetten zijn intrek had genomen, glipte Cleopatra onder dekking van de avondschemering de stad binnen, liet zichzelf in een tapijt rollen en werd zo, voor ieders oog verborgen, op de rug van een vertrouwde dienaar door de poort tot in Caesars vertrekken ge­dragen.

Of deze list nu bedoeld was om te ontsnappen aan door haar broer gehuurde sluipmoordenaars of om indruk op Caesar te ma­ken, het was stellig een indrukwekkende entree, die in de wereldgeschiedenis nauwelijks haar weerga heeft. Haar moed en haar bekoorlijkheid deden de rest om Caesar te overtuigen dat hij er goed aan zou doen haar weer op de troon te zetten.

Het daaropvolgende voorjaar organiseerde Cleopatra een groots opgezette expeditie, waarbij zij een eindweegs de Nijl opvoeren. Wekenlang dreven zij en Caesar voort op een statieschip met kolossale afmetingen, begeleid door 400 andere vaartuigen, die troepen en voorraden meevoerden. Kort daarna, in juni, bracht Cleopatra een zoon ter wereld, Caesarion – wat in het Grieks Kleine Caesar betekent. Het kind, de enige zoon van zijn vader, schijnt de basis geweest te zijn voor een ambitieus plan van Caesar en Cleopatra om Rome en Egypte samen te smelten tot één ge­weldig rijk, dat door hen en hun nakomelingen zou worden gere­geerd. Meteen na de geboorte van de jongen vertrok Caesar uit Alexandrië ten einde krijgstochten te ondernemen in Klein-Azië en Noord-Afrika, waarbij hij alle tegenstand die hij ondervond snel de kop indrukte. Binnen een jaar keerde hij als overwinnaar naar Rome terug — de onbetwiste dictator. En daar waren ook Cleopatra en Caesarion, die door Caesar in een schitterende villa werden geïnstalleerd.

Als koningin met een koninklijke hofhouding begon Cleopatra op het leven der Romeinen invloed uit te oefenen. Zij liet munters uit Alexandrië overkomen om de Romeinse munt te verbeteren, en financiers om Caesars belastingprogramma op te stellen. Haar sterrenkundigen ontwierpen een kalenderhervorming, en zo kwam de Juliaanse kalender tot stand, waarop onze huidige tijdrekening nog steeds is gebaseerd. Caesar liet haar beeld plaatsen in een nieuwe tempel die hij had laten bouwen voor de eredienst van Venus en hij liet een munt slaan, waarop Venus en Amor herken­baar waren als Cleopatra met Caesarion in haar armen. Zijn macht scheen absoluut. Toen plotseling, 20 maanden nadat Cleo­patra naar Rome was gekomen, was Julius Caesar dood — ver­moord op de Idus van maart, 44 v. Chr. Was Cleopatra door smart overmand? Niemand weet het. Een maand nadien scheepte zij zich in en voer naar Egypte terug.

De geschiedschrijvers vermel­den geen feiten over de drie volgende jaren van haar regering, be­halve dat de mededingers in de strijd om de macht die Rome nu in een burgeroorlog stortte, haar steun zochten. Klaarblijkelijk volgde zij een politiek van waakzaam afwachten wie de opvolger van Caesar zou worden.

Toen Marcus Antonius uit de strijd te voorschijn kwam als de sterke man van het Oosten, ontbood hij Cleopatra naar Tarsus in Klein-Azië voor een ontmoeting met hem. Een tijdlang negeerde zij zijn oproep; toen zeilde zij uit met een schitterende vloot, waar­op zij goud, slaven, paarden en juwelen meevoerde. Ter rede van Tarsus aangekomen liet Cleopatra zich niet als smekelinge aan land brengen; ze bleef rustig aan boord van een der voor anker liggende schepen. Nadat ze de situatie listig had omgedraaid, waardoor niet Cleopatra, maar Antonius als gast ten tonele ver­scheen, vergastte ze hem op een verblindend schouwspel: de met zilver beslagen roeiriemen van haar galei bewogen op de maat van de muziek van fluiten en harpen, bespeeld door mooie, als nereïden en gratiën geklede slavinnen; wierookbranders verspreidden een exotische geur. Achterovergeleund op een rustbed onder een gou­den troonhemel lag daar Cleopatra, uitgedost als Venus, terwijl knaapjes als cupidootjes haar koelte toewuifden.

Na afloop van het daaropvolgend banket bood Cleopatra Antonius de gouden schotels, de prachtig bewerkte drinkbekers, de weelderige ligbanken en de geborduurde tapijten ten geschenke aan. De volgende avond onthaalde zij Antonius en zijn gevolg op soortgelijke wijze, terwijl ze hen bij hun vertrek wederom met geschenken overlaadde. Het was er haar niet om te doen, An­tonius’ genegenheid te winnen — ze wilde hem doordringen van de grenzeloze rijkdom van Egypte dat bijgevolg een machtig bondgenoot beloofde te zijn.

Drie maanden later kwam Antonius naar Alexandrië, waar hij de winter doorbracht. Hij vertrok weer in de lente, zes maanden voordat Cleopatra hun tweeling ter wereld bracht, en er gingen bijna vier jaar voorbij voor hij haar terugzag. In die tussentijd versterkte Cleopatra de verdediging van haar land, breidde haar vloot uit en vergaarde zoveel mogelijk goud en voorraden. Toen Antonius, in de hoop zijn macht in het Oosten uit te breiden, haar vroeg hem in Syrië te ontmoeten, ging ze met de vaste bedoeling bij de onderhandelingen het maximum te bedingen. Ze wist te bereiken dat Egypte alle uitgestrekte gebieden zou krijgen die de farao’s 1400 jaar tevoren hadden bezeten, maar die nu Romeinse provincies waren. Antonius stemde ook toe in een wettig huwelijk, en ter gelegenheid van die gebeurtenis werden er munten met hun beider beeltenis geslagen. Daarmee werd een nieuwe fase van Cleopatra’s regering ingeluid. Ze was nu drieëndertig en trok met Antonius ten oorlog tegen de Perzen, maar bij de Eufraat moest zij de veldtocht staken. Ze was weer in verwachting. Het kind werd in de herfst geboren, en die winter deed Antonius een wan­hopig beroep op haar: zijn leger was gedecimeerd en het uitge­putte, gehavende overschot had maar amper de Syrische kust kunnen bereiken. Cleopatra ging scheep met geld, voorraden en wapens, en zeilde naar hem toe om hem hulp te gaan bieden.

Het jaar daarop, 35 v. Chr., moest zij al haar listigheid aan­wenden om Antonius — een drankmisbruik van jaren had zijn geestvermogens zeer verzwakt — ervan te weerhouden voor de tweede maal een inval in Perzië te gaan doen. In het besef dat Octavianus, Caesars neef en erfgenaam, die van Rome uit het Westen beheerste, hun werkelijke vijand was, drong zij er bij Antonius op aan dat hij alles in het werk zou stellen om die ten val te brengen. In 32 v. Chr. verhaastte zij het uitbreken van de oor­log met Octavianus doordien zij Antonius tot twee dingen wist te overreden: een formele brief aan zijn andere vrouw, Octavia (de mooie zuster van Octavianus) te zenden, waarin hij haar te ken­nen gaf dat hij haar niet langer als zijn echtgenote beschouwde, en het zenden van troepen over de Aegeïsche Zee naar Griekenland. Cleopatra stond nu op het hoogtepunt van haar macht: vazallen uit het Nabije Oosten kwamen haar hulde brengen en de Atheners overlaadden haar met eerbewijzen, verafgoodden haar als Afrodite en plaatsten haar beeld in de Akropolis.

Maar zie, laat in de middag van de 2de september in het jaar 31 v. Chr. stortte alles bij het plaatsje Actium aan de westkust van Griekenland ineen. Over deze beslissende slag lopen de me­ningen van de geschiedschrijvers sterk uiteen: zoals bijvoorbeeld over de vraag waarom Antonius, die toch een voortreffelijk leger had, het tot een zeeslag liet komen; of waarom Cleopatra, toen het zeegevecht op zijn hevigst was en de afloop nog onbeslist, de zeilen liet hijsen en met haar 60 oorlogsschepen voor de wind naar Egypte vluchtte; of waarom Antonius zijn enorme leger in de steek liet, zich aan boord van haar schip begaf en met haar wegzeilde.

Na haar terugkeer in Egypte, waar het nieuws van de ramp zich als een lopend vuurtje verspreidde, begon Cleopatra meteen al het ontevreden gemor de kop in te drukken. Ze trachtte de banden met de buurlanden nauwer aan te halen. Ook begon ze oorlogsschepen van de Middellandse Zee over te brengen naar de Rode Zee — hetgeen betekende dat die vele kilometers door de woestijn moesten worden gesleept — op zichzelf al een gigantische onderneming.

Ook nadat Egypte’s grensversterkingen Octavianus’ troepen in handen waren gevallen, bleef Cleopatra in Alexandrië, gereed om met Octavianus te onderhandelen of hem te bestrijden. Maar toen het binnenvallende leger naderbij kwam, gingen haar vloot en ruiterij aan de haal. Daarop benam Antonius zich het leven. Cleopatra, die de Romeinen levend in handen viel, werd onder bewaking gesteld en gewaarschuwd dat als zij de hand aan zich­zelf sloeg, haar kinderen zouden worden gedood.

Hoewel Octavianus beloofde genadig te zullen zijn, vreesde Cleopatra dat haar hetzelfde lot te wachten stond als honderden andere gevangenen van koninklijken bloede hadden ondergaan: in ketenen door de straten van Rome gevoerd en daarna ter dood gebracht. Vindingrijk en moedig als ze tot het einde was, deed ze het voorkomen of ze elke gedachte aan zelfmoord had opgegeven. Daarop kreeg ze toestemming om Antonius’ graf te bezoeken, en tijdens die tocht door de straten, gezeten in haar draagstoel, heeft ze klaarblijkelijk kans gezien enkele trouwe aanhangers in de arm te nemen. Ze keerde terug naar haar vertrekken in het paleis, nam een bad, gebruikte de maaltijd en liet zich door haar diena­ressen als Venus kleden. Van wat er daarna is voorgevallen, weten we alleen dit: Romeinse officieren, die zich met geweld toegang tot haar vertrekken verschaften, troffen Cleopatra dood aan. De legende wil dat de koningin zich had laten bijten door een aspis-adder, die in een mandje vijgen was binnengesmokkeld.

Bij de viering in Rome van Octavianus’ verovering van Egypte werd een beeld van Cleopatra, met om haar ene arm een aspis-adder gewonden, door de straten meegevoerd. Haar drie kinderen van Antonius — Caesarion was reeds eerder ter dood gebracht — werden gedwongen in de beschamende stoet mee te lopen. En bij die gelegenheid hebben Romeinse dichters, ten einde bij de over­winnaar in het gevlij te komen, de legende in de wereld gebracht als zou Cleopatra een verdorven en losbandige Egyptische konin­gin zijn geweest — een legende die tot op de huidige dag voort­leeft.
.

alle biografieën

 

460-426

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas vertelstof (1-3)

.

na de Edda

Wanneer de verhalen uit de Edda zijn verteld, is het ook mogelijk (een deel)  uit de Nibelungen te vertellen.

De uitgave van Kurt Eigl ‘Deutsche Götter- und Heldensagen’ leent zich daar goed voor. Bij mijn weten is deze niet vertaald.

Een goed alternatief is zeer zeker  ‘De Nibelungen en andere sagen’ van Edmund Mudrak, Prismapocket 1137.

.

vertelstof: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

459-425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Helen Keller

.

HET INSPIRERENDE LICHT VAN HELEN KELLER
.

Helen Keller  heeft iets tijdeloos — zelfs in haar uiterlijk — dat goed past bij haar hoogst merkwaardige levensloop. Ze werd al heel jong blind en doof en bijgevolg ook stom, maar ze overwon die drievoudige handicap en werd een van de meest bekende persoonlijkheden van onze tijd, en een inspiratie voor blinden zowel als zienden overal ter wereld.
Toen ze na de Tweede Wereldoorlog een bezoek aan Japan bracht, kwamen ook in afgelegen dorpen jongens en meisjes haar tegemoet met de kreet: “Helen Keller!” Zelfs nog vóór de tijd van radio en bio­scoop was haar naam tot in de rimboe doorgedrongen.
Ofschoon die hartelijkheid haar goed doet, wenst ze toch geen afzonderlijke behandeling voor zichzelf. Ze vindt dat blinden als volwaardige mensen met volledige verantwoordelijkheid moeten leven en werken.

Op tienjarige leeftijd las Helen al gretig braille en kon ze zich uitdrukken door middel van het handalfabet, waarbij men met de hand of vingers op een bepaalde manier de hand van de ander aanraakt om de letters aan te geven. Toen, in het voorjaar van 1890, hoorde ze van een doofstom en blind Noors meisje, dat had leren praten. Bliksemsnel spelde ze in de hand van haar onder­wijzeres, Anne Sullivan: “Ik moet spreken.”

Anne Sullivan ging met haar naar Sarah Fuller, hoofd van de Horace Mann-school voor Doven te Boston. Juffrouw Fuller be­gon onmiddellijk. Ze nam Helens hand en liet haar over het onderste deel van haar gezicht strijken. Ze bracht de vingers van het kind in haar mond, zodat ze de positie van tong en tanden kon aftasten en voelen hoe de onderkaak van haar lerares bewoog. Daarna bracht juffrouw Fuller haar tong vlak achter haar onderste snijtanden om de i-klank te vormen. Ze zette toen Helens wijsvinger tegen haar tanden, legde een andere vinger tegen haar keel en herhaalde de i-klank meermalen. Zodra ze daarmee ophield “vlogen Helens vingers naar haar eigen mond en keel, ze bracht haar tong in de juiste positie ten opzichte van haar tanden, en bracht toen een geluid uit dat zozeer op mijn i leek dat het er wel een echo van kon zijn”.

helen keller

Vervolgens oefenden ze de klinkers a en o, die Helen duidelijk kon nazeggen. Daarna probeerden ze het met de woorden mamma en pappa. Juffrouw Fuller sprak zorgvuldig het woordje mamma uit, terwijl ze tegelijk met haar vinger langs de rug van Helens hand streek om de lengte van de twee lettergrepen aan te geven. Nadat ze dit enige malen herhaald had, kwamen de woorden mamma en daarna pappa er goed uit, “met een bijna muzikale intonatie”.

Na haar zevende les keerde Helen zich in de tram op weg naar huis naar juffrouw Sullivan toe en zei op “holle hijgerige toon”: Nu ben ik niet stom. Daarmee gebruikte ze voor het eerst welbewust woorden om een gedachte uit te drukken, en wel binnen een maand na haar eerste spraakles! Dit was echt spreken als een mens, en dat van iemand die behalve het gebrabbel uit haar prilste jeugd, tot haar tiende jaar niets anders had uitgebracht dan de rauwe klanken van een doofstomme.

Helen kreeg elf lessen van juffrouw Fuller, maar dat was nog maar het begin van haar lange worsteling om te leren spreken. Week in week uit, maand in maand uit en jaar in jaar uit werkte ze aan de verbetering van haar uitspraak. Urenlang herhaalde ze woorden en zinnen, waarbij ze haar vingers gebruikte om bij Anne Sullivan de trillingen van haar keel, de bewegingen van haar tong en lippen en de uitdrukking van haar gezicht bij het spreken waar te nemen. Ze is nooit opgehouden haar stem te oefenen; ze sprak vaak in het openbaar en voerde haar gesprekken grotendeels mondeling. In haar onmiddellijke omgeving merkte men op dat haar uitspraak na haar zestigste jaar nog aanmerke­lijk beter werd. Haar beheersing van de taal is wel “de grootste individuele prestatie in de geschiedenis van het onderwijs” ge­noemd.

Na jarenlang oefenen leerde ze voortreffelijk “liplezen” via trillingen. Ze kon “horen wat anderen zeggen” door haar middel­vinger tegen iemands neus te leggen, haar wijsvinger op zijn lippen en haar duim tegen zijn strottehoofd — vooral bij mensen met een duidelijke, goed klinkende stem. In dat opzicht vond ze Franklin D. Roosevelt ideaal. Ze ving Mark Twains beste moppen op via trillingen. Enrico Caruso deed zijn gouden stem in haar hand klinken — via haar vingers, die tegen zijn lippen rustten. Feodor Chaliapin zong luidkeels het lied van de Wolgabootsman met zijn arm vast om haar heen geslagen, zodat ze elke trilling van zijn machtige stemgeluid kon voelen. Toen Jascha Heifetz haar voor­speelde, rustten haar vingers luchtig op zijn viool. Ze las Carl Sandburgs gedichten van zijn lippen af en beluisterde zijn neger­liedjes van de plantages aan de rand van zijn gitaar. Wanneer ze haar hand op een piano legde, kon ze door een licht vibreren het weergeven van een melodie waarnemen. Ook bij een radio kon ze bepaalde trillingen opvangen.

In 1886, toen Helen Keller zes jaar oud was, begonnen de eerste lichtstralen door de mist die haar omfloerste heen te dringen. Ze was op 27 juni 1880 geboren in Tuscumbia, een stadje in Alabama. Tot ze negentien maanden was leek ze een normale baby, die schijnbaar genoot van de bloemen, voorbijflitsende vogels en het spel van licht en schaduw. Toen kreeg ze “hersen- en ingewandskoortsen”. Ze was hard ziek, maar de koorts verdween bijna even plotseling als ze was opgetreden.

Al spoedig merkte haar moeder dat Helen haar ogen nooit dicht kneep, wanneer ze in haar badje gestopt werd. Ze ging met het kind naar een oogarts en vernam dat Helen blind was. Daarna viel het op dat het kind niet reageerde op hard klokgelui: Helen was ook doof. En onvermijdelijk was ze op driejarige leef­tijd ook stom geworden, en had ze alle woorden die ze anderhalf jaar geleden had gebrabbeld vergeten.

Helen groeide snel. Lichamelijk was ze sterk en goed gevormd, maar haar goede humeur maakte plaats voor felle driftbuien. Wanneer ze niet begrepen werd, kreeg ze hevige woedeaanvallen. Ze gooide zich op het gras en begon onbeheerst te gillen. Haar tafelmanieren waren abominabel. Ze weigerde haar gezicht te wassen of haar laarsjes dicht te knopen. Jaren later schreef ze: “Ik had het gevoel dat ik door onzichtbare handen werd vastge­houden. Ik probeerde wanhopig me te bevrijden.”

Haar lieve moeder was doodsbang voor haar heftigheid en gaf haar in alles toe. Helen had een grote wilskracht, in tegenstelling met de apathie waaronder de meeste meervoudig gehandicapte kinderen gebukt gaan. Mevrouw Keller was de wanhoop nabij, toen ze toevallig Charles Dickens’ boek American Notes in handen kreeg en daarin las over Laura Bridgman, het doof-blinde meisje in New England, dat door Samuel Gridley Howe, hoofd van het Perkins-Instituut, uit haar geestelijk isolement was verlost.

Tenslotte ging men met Helen naar Michael Anagnos, de op­volger van dr. Howe. Die kon als huisonderwijzeres een Iers meisje aanbevelen, dat juist haar opleiding had voltooid. Ze heette Anne Sullivan, en ze zou een halve eeuw lang Helen Kellers onaf­scheidelijke gezellin zijn. Haar ouders waren Ierse immigranten, en haar eigen jeugd leek wel een verhaal van Dickens. Haar dronken vader ranselde haar geregeld af. Ze leed honger, werd verwaarloosd en bont en blauw geslagen, en werd ten slotte op staatskosten in een armhuis grootgebracht. In 1880 werd ze in het Perkins-Instituut opgenomen, toen ze als gevolg van trachoom blind was geworden. Na twee operaties was haar gezichtsvermo­gen nagenoeg hersteld, ofschoon ze haar hele verdere leven last van haar ogen had, en op latere leeftijd opnieuw blind werd.

Bij haar aankomst in Alabama werd Anne Sullivan onmid­dellijk getroffen door Helen Kellers fiere houding en intelli­gente gezicht. Toen ze uit het rijtuig stapte, snelde Helen haar tegemoet, betastte haar kleren en gezicht, probeerde haar tas open te maken, en maakte meteen al bij de voordeur een ge­weldige scène toen haar moeder trachtte dat te beletten. Anne Sullivan gaf haar namens de kinderen van het Perkins-Instituut een pop. Toen Helen daar een poosje mee had gespeeld, spelde juffrouw Sullivan in Helens hand de letters van het woord: p-o-p. Dat was iets ongewoons, dat onmiddellijk Helens aandacht in beslag nam, en ze probeerde de vingerbewegingen na te doen. Dat was de eerste bewuste poging die ooit was gedaan om Helen Keiler iets bij te brengen.

Toen juffrouw Sullivan probeerde de pop weg te bergen, ver­zette Helen zich daar heftig tegen. Dat was het eerste van vele conflicten. De nieuwe onderwijzeres haalde Helen bij haar hevig ongeruste ouders weg en ging ergens dichtbij met haar in een huisje wonen. Dagenlang woedde er een zware strijd — lichame­lijk zowel als geestelijk — toen Helens wil in botsing kwam met die van haar onderwijzeres. Maar Anne Sullivan won, ook al moest ze het kind soms twee uur achtereen vasthouden om haar hevige verzet te breken. “Haar rusteloze geest tast in het duister,” lichtte ze toe. “Haar handen vernielen alles wat ze aanraakt, doordat ze niet heeft geleerd wat ze er anders mee moet doen en onbevredigd is.”

Ze merkte op dat het kind er al verschillende manieren op na hield om aan te geven wat ze wilde. Had ze trek in ijs, dan maakte ze een beweging of ze aan de zwengel van een ijsmachine draaide. Als ze een boterham wilde, deed ze alsof ze brood sneed en smeer­de. Om haar vader aan te duiden zette ze zogenaamd een bril op. Ze begon haar nieuwe pop te wiegen, waarbij ze haar vingers tegen haar lippen legde en een eentonig zangerig geluid maakte. Maar ze leerde ook nieuwe woorden spellen in het handalfabet: speld, hoed, beker, en werkwoorden als zitten, staan en lopen.

Binnen veertien dagen begon er iets bij haar te dagen. Anne Sullivan nam haar mee naar de pomp en begon water te pompen. Terwijl dat in de kroes gulpte en over Helens rechterhand heen liep, spelde ze in haar andere hand het woord w-a-t-e-r. “Het leek wel of ze schrok van dat woord, dat zo onmiddellijk in ver­band scheen te staan met het koude water, dat ze over haar hand voelde stromen,” schreef juffrouw Sullivan. “Ze liet de kroes vallen en stond als aan de grond genageld. Er lichtte iets op in haar gezicht.”

In Helens herinnering was er dit gebeurd: “Het geheim van de taal werd mij geopenbaard. Plotseling wist ik dat ‘water’ dat wonderlijke koele iets was, dat over mijn hand stroomde. Dat levende woord deed mijn ziel ontwaken; het schonk mij licht, hoop, vreugde; het bevrijdde mijn geest!” Helen keerde koorts­achtig opgewonden naar het huis terug en raakte onderweg alles aan — het was duidelijk dat ze probeerde te ontdekken hoe dat alles heette. De grond, het latwerk voor de klimplanten, de strui­ken, de pomp — ze besefte nu dat die allemaal een naam hadden, en die wilde ze kennen. Binnen een paar uur had ze dertig nieuwe woorden aan haar vocabulaire toegevoegd. Van dat ogenblik af leerde ze met een onwaarschijnlijke snelheid.

Juffrouw Sullivan leerde haar lezen door zinnetjes te vormen op een soort leesplankje, nadat ze elk woord daarvan — op karton — naast het betreffende voorwerp had gelegd, bijvoor­beeld: pop ligt op bed. “Als ze met haar vingers bekende woorden aantreft,” schreef Anne Sullivan, “dan schreeuwt ze het eenvou­dig uit van plezier en valt mij van vreugde om de hals. Toen ik haar mijn ‘braille-lei’ gaf om haar bezig te houden, schreef die kleine heks er al gauw letters op. Ik had geen idee dat ze wist wat een letter was!”

Na drie maanden kende Helen vierhonderd woorden en een heleboel uitdrukkingen. Die zomer ging het spelletje steeds door, binnenshuis of buiten, uren achtereen. Helen leerde laurier onder­scheiden van kamperfoelie, en een varken van een kip. Juffrouw Sullivan maakte van klei voor haar leerlinge reliëfkaarten met touwtjes en takjes ten einde de evenaar, meridianen en polen aan te geven. Ze leerde Helen tellen door kralen groepsgewijs op garen te rijgen, en gebruikte stokjes van de fröbelschool om haar te leren optellen en aftrekken. Dat was het enige vak waar het kind niet van hield. Al gauw kon ze keurig met potlood schrijven. Nog geen maand na haar eerste poging schreef ze haar nichtje een leesbaar, goed gespeld briefje.

Toen Helen bijna acht was ging juffrouw Sullivan met haar terug naar het Perkins-Instituut, waar een volkomen nieuwe wereld voor haar openging. Ze kreeg brailleboeken te lezen en kon omgaan met andere kinderen, die het handalfabet kenden. Al gauw bleek ze over verbluffende talenten te beschikken. Ze leerde daar lezen, rekenen, aardrijkskunde, plant- en dierkunde. Het was een tijd van grote geestelijke groei voor Helen. Wanneer ze met juffrouw Sullivan op reis was, spelde deze in haar hand vlotte beschrijvingen van wat ze onderweg voorbijkwamen — bergen en rivieren, dorpen en steden, hoe de mensen eruitzagen en hoe ze gekleed waren. Ze brachten de zomer door op Cape Cod, waar Helen leerde zwemmen; maar de eerste maal dat ze in zee plonsde was wel een grote verrassing voor haar, want niemand had eraan gedacht haar te vertellen dat zeewater zout is! Ze leerde roeien en zeilen, paardrijden en fietsen op een tandem. Ze groeide op tot een slanke, bevallige jonge vrouw, die blijk gaf van charme en gevoel voor humor.

De volgende stap was een middelbare schoolopleiding, waar Helen zich met haar gewone grondigheid op voorbereidde. Ze ging naar de kostschool voor jonge dames te Cambridge in Massachusetts, waar ze intensief les kreeg, steeds met juffrouw Sullivan naast zich om alle lessen aan haar door te geven. In 1900 liet ze zich inschrijven op de Radcliffe-Academie voor Vrouwen, als eerste dubbel gehandicapte student die ooit aan een instelling van hoger onderwijs was gaan studeren. Maar de universiteit werd een teleursteling voor Helen. Haar vorderingen waren goed, maar ze kreeg niet genoeg tijd om na te denken. Tijdens de colleges kon ze geen dictaat bijhouden, doordat ze haar handen nodig had om te “luisteren”. Wat ze zich kon herinneren, schreef ze op zodra ze thuiskwam. Voor algebra, meetkunde en natuurkunde gebruikte ze een braille-schrijfmachine, maar ze had weinig aanleg voor wiskunde. De examens waren een nachtmerrie. Sommige colleges vond ze heerlijk, en zij en haar “Juffie” Anne Sullivan werkten als gewoonlijk met volledige concentratie. Ze kregen leerboeken in braille uit Duitsland en Engeland, en Helen las tot haar vingers ervan bloedden.

In 1904 behaalde Helen haar universitaire graad, met uitsteken­de cijfers voor Engels. Ze was toen vierentwintig. Ze kreeg al heel wat verzoeken om op bijeenkomsten te spreken of artikelen te schrijven. In 1904 werd ze ook uitgenodigd om op de tentoonstel­ling in St. Louis te komen om daar belangstelling te wekken voor het onderwijs aan doof-blinden. Maar op de Helen Kellerdag was de menigte niet in toom te houden. Haar japon werd gescheurd en de rozen werden haar van de hoed gerukt.

Ze bereidde zich op haar lezing voor door speciale lessen te nemen bij een zangpedagoog. Soms kon ze haar stem niet beheer­sen, dan daalde deze plotseling of schoot naar boven uit. Regen, wind, stof en emotie hadden invloed op de toonhoogte. “Mijn geest verstarde plotseling,” verklaarde Helen toentertijd. Ze bad. Er kwamen wel woorden bij haar op, maar ze kon geen letter­greep uitbrengen. Eindelijk stootte ze een klank uit die voor haar gevoel als een kanonschot klonk. Later hoorde ze dat het niet meer dan een fluistertoon was geweest.
Maar daarna traden juffrouw Keller en “Juffie” heel vaak in het openbaar op. Dan demonstreerde “Juffie” hoe ze Helen als kind had onderwezen. Daarna sprak haar leerlinge, die eindigde met de woorden: Ik ben nu niet stom. In 1914 gingen ze voor het eerst op tournee om overal in Amerika spreekbeurten te vervullen. Ze hadden toen ook al een energieke bekwame jonge Schotse vrouw, Polly Thompson, aangetrokken als secretaresse en “impresario”. Ze gingen naar Hollywood om daar de film Bevrijding te maken.

Toen begonnen ze met een beter soort vaudeville-optreden, dat in New York een sensatie veroorzaakte. Helen vond het heerlijk. Dit vaudeville-leven was opwekkend, kleurrijk en afwisselend. “Ze voelde de adem van het publiek op haar gezicht.”

Helen Keller was nu overal ter wereld beroemd. Haar boeken werden in vele talen overgezet en ook gebrailleerd. In de jaren dertig begon ze reizen buiten Amerika te ondernemen. Herhaal­delijk reisde ze naar Europa, toen naar het Verre Oosten — steeds met belangstelling voor de blinden, voor wie ze geld inzamelde met haar lezingen. Wie over haar had gelezen, wilde haar nu zelf zien. Ze was een ontwikkelde, zelfbewuste jonge vrouw geworden, die uitstekend tegen allerlei moeilijkheden opgewassen bleek. In vele landen ontving ze eredoctoraten en onderscheidingen.

Maar de gezondheid van “Juffie” ging achteruit. Ze was bijna blind. Ze kon het tempo van de gezonde energieke Helen niet meer bijhouden. In 1936 stierf ze, kort na de laatste van een lange reeks oogoperaties. In datzelfde jaar werd aan dit opmerkelijke tweetal de Roosevelt-medaille voor “Gezamenlijke prestaties van uit­zonderlijke aard en vérstrekkende betekenis” toegekend.

Helen Keller woont in een fraai ruim huis in de bossen van Connecticut, dicht bij Westport. In een hoek van het gazon staat als een symbool een stenen Japanse lantaarn van twee en een halve meter hoog, waarin onafgebroken een licht blijft branden — zo lang als Helen Keller leeft.
Langs de wanden van haar studeerkamer staan haar brailleboeken, waarin ze leest tot haar vingertoppen, die over zoveel kilometers uitstekende puntjes zijn gegaan, met zijde verbonden moeten worden. Haar brailïe-bijbel is nog steeds haar kostbaarste bezit. Hele stukken ervan kent ze uit het hoofd. Ze leest in het donker of bij daglicht, zoals alle blinden, die altijd slecht slapen en geen dag van de nacht kunnen onderscheiden.

Helen Keller is diep religieus. Haar geloof is haar tot steun in de uren dat ze zich terugtrekt in een diepe stilte, die slechts men­sen die blind en doofstom zijn ooit leren kennen. “Ik kijk verlan­gend uit naar het hiernamaals,” zegt ze, “waar alle lichamelijke beperkingen als kluisters van mij af zullen vallen, en waar ik mijn geliefde “Juffie” weer zal vinden, en mij met vreugde kan wijden aan groter dienstbetoon dan ik ooit heb gekend.”
.

Helen Keller

alle biografieën

.

458-425

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen

.

BIOGRAFIEËN

Er doen zich in het vrijeschoolonderwijs nogal wat gelegenheden voor waarbij verteld zou kunnen worden over of uit het leven van bekende persoonlijkheden.

Of dit nu bij (kunst)geschiedenis is, bij aardrijkskunde, natuur- of scheikunde, overal ontmoeten we de ‘groten der aarde’.

Steiner noemde het vertellen van biografieën als een middel om het melancholische kind in aanraking te brengen met het levenslot van een ander: opdat het leert meebeleven wat de ander heeft meegemaakt. Dat plaatst de eigen levenslotgevallen in een ander perspectief: maakt ze minder zwaar, leidt af van de op het eigen zelf betrokken aandacht.

In veel gevallen kunnen de levenslotgevallen van de beroemde persoonlijkheden ook een beeld bevatten dat voor het getuigschrift van alle leerlingen vanaf klas 6 – mits de persoon in de lessen een rol heeft gespeeld – zeer geschikt is.

                                                                                                                                                                                                                      137

Abraham
Alexander de Grote
Andersen                      Hans Christian
Aristoteles
Arkwright                     Richard
Assurbanipal
Attila de Hun
Augustus
Bach                               Johann Sebastian
Banting                         Frederic
Beaverbrook
Beecher-Stowe           Harriet
Beethoven von            Ludwig
Boeddha
Bolivar                           Simon
Bolk                               Louis
Braille
Caesar                            Julius
idem
idem
Caruso                           Enrico
Cartwright                   Edmund
Cavell                            Edith
Churchill                     Winston
Cervantes de              Miguel
Cleopatra
Columbus
                    Christoffel
Confucius
Constantijn 1 de Grote
Cook                              James
Cortez                           Hernàn
Coster                           Laurens
Cugnot                         Nicholas
Curie                             Marie
Daimler                       Gottlieb
Darius 1
Darwin                        Charles
Diocletianus
Djengis Kahn
Douglas                       Donald
Dürer                           Albrecht
Edison                         Thomas Alva
Eiffel                           Gustave
Einstein                     Albert
Elisabeth v Thüringen
Elizabeth 1
Filips de Goede
Filips l l
Fitch                           John
Ford                           Henry    [2]
Franciscus [2]
Fulton                       Robert
Galileï                       Galileo
Gandhi                     Mahatma
Garibaldi                 Guiseppe
Goddard                  Robert
Goodyear                Charles
Groote                     Geert
Gutenberg              Johann
Hannibal
Hargreaves            James
Hauser                    Kaspar  [2]
Hendrik de Zeevaarder
Hildegard von Bingen
Hudson                   Henry
Jacquard                  Joseph
Jeanne d’Arc
Justinianus 1 de Grote
Karel de Grote
Karel V
Kay                           John/Robert
Keller                      Helen
Kübler Ross           Elisabeth
Leeuwenhoek       Antoni van
Lincoln                   Abraham
idem
Lindberg                Charles
Linnaeus                Carolus
Livingstone           David
Lodewijk XVI
Luther                    Maarten
Magalhaen           Fernao de
Manutius              Aldo            

Marconi                Guglielmo
Marx                     Karl
Mergenthaler      Ottmar
Michelangelo
Mohammed
Molt Emil t.t.v. oprichting Waldorfschool
Montgolfier        Joseph/Jacques
Morse                   Samuel
Mozart                   Wolfgang Amadeus
Nansen                  Fridtjof
Nebukadnezar
Newton                 Isaac
Nightingale         Florence
Nobel                    Alfred
Odilia
Paracelsus
Pascal                   Blaise
Pasteur                 Louis
Peary                    Robert E.
Pericles
Peter de Grote
Philips                 Gerard en Anton
Pico della Mirandola
Plato
Polo                      Marco
idem
Ptolemeus 1
Pullman              George
Salomo
Santos-Dumont Alberto
Schweizer           Albert
Senefelder          Alois
Shakespeare      William
Siemons             Werner von   zie over zijn jeugd in*
Sikorsky             Igor
Socrates
Solon
Steiner               Rudolf (gedeeltelijke biografie; ook over diens werkterreinen)
Stephenson       Georg
Straus                 Johann jr. en sr.
Suttner von
       Bertha
Tolstoi                Leo
Toscanini           Arthuro
Trevithick          Richard
Verdi                   Guiseppe
Verne                  Jules
Victoria
Voltaire
Washington 
     George
Watt                   James
Wells                  H.G.
Westinghouse  George
Wilde                  Oscar
Willem de Veroveraar
Willem van Oranje
Willem van Oranje [2]
Wright              Orville en Wilbur
Zeppelin von    Ferdinand

 

*over de vormende werking van de biografie

meer (over) biografieën in Vrije Opvoedkunst

vertelstof: alle artikelen

.

Opmerkelijk is wel, dat van de vele biografieën die ik hier kon plaatsen, er relatief weinig over ‘grote vrouwen’ gaan. Die zijn er veel meer dan o.a. hier genoemd.

Hadewych, Eva Curie, Hannie Schaft, Etty Hillesum, Fatima bint Muhammad Al-Fihriya Al-Qurashiya, Theodora van Byzantium
Hier zitten ook interessante persoonlijkheden bij. https://www.biographyonline.net/…/women-who-changed..

Vrouwen op ontdekkingsreis

.

452-420

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Edison

.

DE ELEKTRISERENDE EDISON

Als hij zo in zijn laboratorium in Menlo Park, New Jersey, rondscharrelde, met een slordige haarlok die boven zijn felle, schitterende blauwe ogen opzij over zijn voorhoofd viel, met zijn gekreukelde kleren vol vlekken en brandgaatjes van chemische stoffen, zag Thomas Alva Edison er allerminst uit als een man wiens uitvindingen reeds tijdens zijn leven een ommekeer in de wereld hadden teweeggebracht. In ieder geval gedroeg hij zich daar nooit naar. Toen een hooggeplaatste bezoeker hem eens vroeg of hij veel medailles en onderscheidingen had gekregen, zei hij: ‘O ja, ma heeft thuis een paar emmers vol.’ “Ma” was zijn vrouw, mijn moeder.

En toch was het voor ons die hem na stonden elke dag opnieuw duidelijk dat hij een reus was onder de mensen. Hoeveel diensten hij de mensheid ook heeft bewezen — hij nam patent op een recordaantal uitvindingen: 1093 — toch is dat niet de kant van hem die ik mij vooral herinner; veeleer denk ik aan zijn weergaloze moed, zijn verbeeldingskracht en doorzettingsvermogen, zijn bescheidenheid en humor. Soms was hij een echte kwajongen.

Doordat hij zo onvoorstelbaar hard werkte, was zijn huiselijk leven tamelijk beperkt, maar hij nam er toch tijd af om met zijn gezin autotochtjes te maken of te gaan vissen en om, toen wij nog klein waren, triktrak te spelen of op de grond met ons te stoeien.
Iets dat ik me heel goed herinner, is de viering van Onafhankelijkheidsdag in Glenmont, ons huis in West Orange met zijn drie verdiepingen en zijn puntdak, dat nu een nationaal monument is. Dit was voor vader de feestdag van het jaar, omdat de traditie wil dat de viering gepaard gaat met het afsteken van vuurwerk. Hij begon bijvoorbeeld in alle vroegte een voetzoeker in een ton te gooien, waardoor hij ons allemaal wekte, de buren incluis. Daarna staken wij de hele dag vuurwerk af, in allerlei combinaties. “Ma zal het wel niet zo leuk vinden,” zei hij dan olijk, “maar laten we er eens 20 tegelijk afschieten en kijken wat er dan gebeurt.”

Edison

Vader moedigde ons altijd aan om te onderzoeken en te experimenteren. Hij gaf ons klokken en andere mechaniekjes om mee te prutsen, plaagde ons en werkte op onze eerzucht, net zo lang tot we iets gingen uitvoeren. Toen ik zes jaar was, liet hij me in zijn chemische laboratorium bekerglazen wassen en toen ik tien was, hielp hij me een “levensgrote” auto in elkaar te zetten. Een carrosserie is er nooit op gekomen, maar er zat wel een kleine tweetakt-scheepsmotor in met riemaandrijving. Je kon er echt mee rijden en wij hadden er als kinderen geweldig veel plezier mee. Menigmaal speelden mijn broer Theo en ik “polo” op het gras, met croquethamers en auto’s — en alleen moeder en de tuinman waren daar op tegen.

Vader kon bevelen geven en deed dat ook vaak, maar bij voorkeur bezielde hij de mensen door zijn eigen voorbeeld. Daarin school een van de geheimen van zijn succes. Hij was namelijk niet, zoals velen menen, een fysicus die eenzaam in een laboratorium werkte. Toen hij goed en wel zijn eerste geslaagde uitvinding – een druktelegraaf voor beurskoersen — voor 40.000 dollar had verkocht, begon hij scheikundigen en monteurs in dienst te nemen, allemaal mensen bij wie hij gaven vermoedde die hem konden helpen bij het oplossen van een lastig probleem. Zo sloeg hij een brug tussen wetenschap en industrie door het instellen van “research in teamverband”, zoals dat tegenwoordig te doen gebruikelijk is.

Vader zelf werkte gewoonlijk 18 uur per dag of nog langer. “Iets tot stand brengen geeft in het leven de enige ware voldoening,” zei hij legen ons. Er werd alom over hem verteld dat hij genoeg had aan slechts vier uur slaap, met af en toe een dutje; dit was overdrijving. “Slaap is als een verdovend middel,” beweerde hij. “Als je een te grote dosis neemt, word je er suf van. Dat kost je tijd en fut en je mist er kansen door.”
Zijn successen zijn wereldbekend. Met de fonograaf, die hij uitvond toen hij 30 was, legde hij geluid op wasrollen vast; zijn gloeilamp verlichtte de wereld. Hij was de uitvinder van de microfoon, de mimeograaf, (kopieermachine) de fluorescoop, de accu(mulator) met ijzer- en nikkelelektroden en kaliloog, en de kinematograaf.(filmtoestel). Hij maakte de uitvindingen van anderen — de telefoon, de telegraaf en de schrijfmachine — in de praktijk bruikbaar. Hij ontwierp ons gehele systeem voor elektriciteitsvoorziening.

Mij wordt wel eens gevraagd: “Is hem nooit iets mislukt?” Het antwoord is: ja. Thomas Edison heeft herhaaldelijk mislukkingen gekend. Zijn eerste patent — toen hij vrijwel geen sou bezat — betrof een elektrisch apparaat om in de Senaat de stemmen te tellen, maar de politici voelden er niet voor het te kopen.
Hij had eens zijn gehele kapitaal belegd in een apparatuur om langs elektromagnetische weg laagwaardig ijzererts van steen te scheiden — waarna hij echter merkte dat zijn vinding verouderd en oneconomisch was geworden door het openleggen van rijke mijnen met hoogwaardig ijzererts. “Kletskoek,” zei hij gedurende een reeks teleurstellende proeven tegen een ontmoedigde medewerker, “het is ons niet mislukt. Wij kennen nu al 1000 dingen waar het niet mee lukt, dus zijn we al een heel stuk verder om te ontdekken wat wél zal lukken.”

Hij nam een soortgelijk standpunt in ten opzichte van geld (ongeacht of hij het bezat of niet). Hij beschouwde het als een grondstof, zoals metaal, veeleer om te gebruiken dan om te vergaren, en dus stak hij zijn kapitaal steeds weer in nieuwe ondermingen. Meermalen ging hij bijna failliet, maar hij vertikte het om zich de wet te laten voorschrijven door het dollarteken.

In zijn fabriek voor het verpulveren van ijzererts was vader op een dag niet te spreken over de manier waarop de steenbreker werkte. “Zet hem eens wat sneller,” gelastte hij de man die de machine bediende.
“Durf ik niet,” was het antwoord. “Dan gaat-ie kapot.” Vader wendde zich tot de opzichter. “Hoeveel heeft die machine gekost, Ed?”
Vijfentwintigduizend dollar.”
“Hebben we zoveel op de bank staan? Goed, doe er dan nog maar een schepje op.”
De arbeider voerde de snelheid op. En toen nog wat. “Hij bonkt crimineel,” waarschuwde hij. “We gaan d’r straks nog aan!”
“Dan maar d’r aan,” schreeuwde vader. “Nog harder!” Toen het bonken luider werd, gingen ze wat achteruit. Plotseling klonk er een oorverdovende slag en de brokstukken vlogen in het rond. De steenbreker was uit elkaar gesprongen.
“En wat bent u nou wijzer geworden?” vroeg de opzichter.
“Nou,” zei vader met een glimlach, “dat ik hem 40 percent meer kan belasten dan hij volgens de aannemer kan verdragen, behalve – net dat laatste streepje. Nu kan ik er eentje bouwen die precies zo goed is en waarvan het nuttig effect groter is.”
Ik herinner me in het bijzonder een zeer koude decemberavond in 1914, toen de nog niet geslaagde proeven met de accumulator, waaraan vader bijna tien jaar had besteed, er schuld aan waren dat hij financieel nauwelijks het hoofd boven water kon houden. Het laboratorium werd alleen bekostigd uit de winst van de kinematograaf en de productie van grammofoonplaten. Op die decemberavond weerklonk de kreet “brand!” door de fabriek. In de filmkamer was zelfontbranding ontstaan. Binnen enkele ogenblikken was al het verpakkingsmateriaal, het celluloid voor grammofoonplaten, films en andere brandbare goederen in een zee van vlammen opgegaan. De brandweer van acht dorpen verscheen ten tonele, maar de hitte was zo hevig en de waterdruk zo laag dat de brandslangen niets konden uitrichten.

Toen ik vader niet kon vinden, begon ik ongerust te worden Er was hem toch niets overkomen? Zou hij de moed laten zakken nu al zijn bezittingen in rook opgingen? Hij was 67, te oud om opnieuw te beginnen. Opeens zag ik hem op het fabrieksterrein vlug naar me toe komen. “Waar is ma?” riep hij. “Ga haar halen! Zeg dat ze haar kennissen moet waarschuwen! Zo’n brand zien ze van hun leven niet meer!”

De volgende ochtend om halfzes, toen de brand amper was bedwongen, riep hij zijn personeel bijeen en kondigde aan: “We gaan de zaak weer opbouwen.” Eén man kreeg opdracht alle machinewerkplaatsen in de omgeving af te huren. Een ander liet hij bij de Erie-Spoorwegen een takelwagen halen. En alsof het toen pas bij hem opkwam, vroeg hij: “Dat is waar ook. Weet iemand misschien hoe we aan wat geld kunnen komen?”

Naderhand gaf hij een toelichting. “Je kunt altijd munt slaan uit een ramp,” zei hij. “We hebben alleen maar een hoop oude rommel opgeruimd. Nu gaan we op de puinhopen iets groters en beters bouwen.”Vervolgens maakte hij een hoofdkussen van zijn jas, installeerde zich op een tafel en viel onmiddellijk in slaap.
Zijn opmerkelijke reeks uitvindingen vestigde de indruk dat hij min of meer een magische kracht bezat, zodat hij “De Tovenaar van Menlo Park” werd genoemd. Hij vond die bijnaam beurtelings grappig en ergerlijk. “Tovenaar?” vroeg hij dan. “Kletskoek. Gewoon hard werken — daar zit het hem in.”
Of zijn uitlating die zo dikwijls geciteerd wordt: “Genie is één percent inspiratie en 99 percent transpiratie.”

Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met Mina Miller, die mijn moeder zou worden. Zij vulde hem op volmaakte wijze aan. Ze was evenwichtig, vriendelijk en zelfstandig en gaarne bereid zich aan te passen bij vaders drukke leven. Ieder die hen kende werd aangenaam getroffen door de warmte die van het paar uitstraalde. Vaders dagboek, het enige dat hij heeft bijgehouden (gedurende negen dagen vóór hun huwelijk in 1885), bewees hoe dol hij op haar was. “Liep aan Mina te denken en kwam bijna onder een tram,” bekende hij. Toen hij haar ten huwelijk vroeg, deed hij dat in morsetekens, die zij had geleerd in de tijd dat hij haar het hof maakte.
Men heeft van Thomas Edison wel eens gezegd dat hij nauwelijks onderwijs heeft genoten. Inderdaad is hij maar een halfjaar werkelijk op school geweest, maar toen hij als jongen in Michigan les kreeg van zijn moeder, las hij, op acht- of negenjarige leeftijd, klassieke werken als The Decline and Fall of the Roman Empire (“Verval en ondergang van het Romeinse Rijk”) van Edward Gibbon.
Nadat hij als krantenjongen en verkoper van allerlei artikelen bij de Grand Trunk Railroad was gekomen, bracht hij hele dagen door in de Openbare Leeszaal van Detroit — die hij “van A tot Z” uitlas.
Bij ons thuis had hij altijd boeken en tijdschriften, evenals een heel stel dagbladen.

De man die zoveel tot stand zou brengen, is vanaf zijn jongensjaren bijna geheel doof geweest. Hij kon alleen de hardste geluiden en schreeuwende stemmen horen, maar dat deerde hem niet. Als mensen hem wel eens vroegen waarom hij geen gehoorapparaat uitvond, antwoordde vader altijd: “Hoeveel heb je in het afgelopen etmaal gehoord wat je niet had kunnen missen?” Hij liet hierop volgen: “Een man die moet schreeuwen, kan nooit liegen.”
Hij hield van muziek en als de compositie de nadruk op de melodie legde, kon hij “luisteren” door een potlood tussen zijn tanden te houden en het andere einde tegen de kast van een fonograaf te drukken. De trillingen en het ritme kwamen perfect over. De fonograaf lag hem trouwens na aan het hart, het meest van al zijn uitvindingen.

Vader ontving vele huldeblijken, waarvan twee hem vooral genoegen deden. Het ene kreeg hij op 21 oktober 1929, de dag van het jubileum van de gloeilamp. Dit heuglijke feit was voor Henry Ford aanleiding om in Dearborn, Michigan, vaders laboratorium van Menlo Park na te bouwen, bedoeld als een blijvend gedenkteken te zijner ere, te midden van al datgene wat Amerika dank zij Ford had gepresteerd.

Het jaar 1928 bracht de andere bijzondere onderscheiding: een speciale gouden “medaille van het Congres der Verenigde Staten” uit erkentelijkheid voor alles wat hij tot stand had gebracht.

Hij is altijd blijven doorwerken en heeft nooit opgezien tegen het oud worden. Op 80-jarige leeftijd begon hij een wetenschap te bestuderen die geheel nieuw voor hem was: de plantkunde. Hij beoogde een plant van eigen bodem te vinden die de grondstof voor rubber bevatte. Nadat hij proeven had genomen met 17000 verschillende planten en ze had geclassificeerd, slaagden zijn medewerkers en hij erin een methode te ontwikkelen om uit guldenroede aanzienlijke hoeveelheden latex te tappen.

Toen hij op zijn 83ste hoorde dat Newark Airport de drukste luchthaven van de oostkust was, troonde hij moeder mee om “te zien hoe het op een echt vliegveld toegaat”. Bij het zien van de eerste helikopter zei hij stralend: “Ik heb altijd wel gedacht dat het zó moest.” En hij begon tekeningen te maken voor verbeterin­gen aan het weinig bekende “wentelwiekje”.

Op 84-jarige leeftijd, toen hij niervergiftiging kreeg, begonnen zijn krachten hem ten slotte te begeven. Tientallen verslaggevers brachten de hele nacht bij ons huis door. Van uur tot uur werd het nieuws aan hen doorgegeven: “Het licht brandt nog.” Maar om 3 uur 24 in de vroege ochtend van 18 oktober 1931 kwam het bericht: “Het licht is uit.”

Het plan werd geopperd om op de dag van zijn begrafenis als laatste hulde de elektrische stroom in Amerika gedurende één minuut geheel uit te schakelen, maar dit werd te gevaarlijk ge­acht. In plaats daarvan werd slechts hier en daar het licht ge­deeltelijk gedoofd. Het radarwerk van de vooruitgang werd niet stilgezet. Zó zou Thomas Edison het hebben gewenst.
.

meer over Edison

alle biografieën

vertelstof: alle artikelen

451-420

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
–
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleuters; klas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – 3e klas

.

laat je niet onaangenaam verrassen

Het thema van vertellen is in klas 3 (groep 5) het Oude Testament.

Ik heb veel kinderbijbels bekeken, maar wat vertellen betreft, gaat er m.i. niets boven de beeldende verteltrant van JAKOB STREIT.

Het zijn heel wat verhalen en in mijn eerste ‘rondje’ kwam ik – voor de laatste verhalen – in tijdnood.

Dat wilde ik in mijn daaropvolgende 3e klas niet nog eens laten gebeuren en ik maakte aan het begin van het schooljaar een schema.

Heel simpel: je hebt ongeveer 40 schoolweken van 5 dagen: dit is 200 keer,  wanneer je iedere dag vertelt. Dat behoort tot het dagelijks terugkerende lesonderdeel, maar het leven brengt mee, dat dit niet altijd lukt – m.a.w. je hebt iets minder dan 200 keer.

Ik vertelde uit de 3 Duitse delen, die nu in een vertaling in 1 boek zijn uitgegeven.

De Nederlandse uitgave heeft ca. 240 blz.  voor 200 dagen, dat is iets meer dan een bladzijde per dag. Voor mijn uitgaven zou dat betekenen dat je nu* ten minste al bij Henoch zou moeten zijn (ervan uitgaand dat het schooljaar half augustus is begonnen; e.e.a. hangt natuurlijk nog af van de vakantiespreiding), maar gezien het feit dat er in de kersttijd veel verteld wordt – ik las bijv. ’s morgens bij het (iedere dag) even branden van de adventskaars(en), meteen aan het begin van de dag, wanneer het buiten nog zo donker is, Maria’s kleine ezel  [1] voor – ook nog in klas 3 – (tot 3-Koningen) – en dan moet je niet nog eens veel meer willen vertellen – dat is toch wat onevenwichtig – en daardoor komt de vertelstof dan even wat minder aan bod. Wanneer je in december nog een deel van Abraham zou kunnen doen, lig je aardig op een ontspannen schema.

Dit, om onaangename verrassingen te voorkomen.

*begin november

.

[1] zie kinderboekbespreking

3e klas: Oude Testament

3e klas: alle artikelen

vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas

.

354-333

.

.