Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Gandhi

.

EEN BEZOEK BIJ GANDHI

 

GandhiMohandas K. Gandhi gaf een schamel weekblaadje in het Engels uit, Harijan.
Toen de Engelse kabinetsmissie in 1946 het plan bekend maakte om India een nationale regering te geven, was het eigenlijke vraagpunt niet: Zullen de Indiërs dit Engelse plan accepteren? maar: Zal Gandhi het

ac­cepteren?
Want Gandhi was de machtigste man in India. Gandhi veroorloofde zich “vier dagen diepgaand onderzoek” en schreef toen een kort stuk in Harijan, waarin hij verklaarde dat “in de huidige omstandigheden de leden van het kabinet de gemakke­lijkste en snelste methode gevonden hebben om een einde te maken aan de Engelse heerschappij”.
Elke krant in India nam dit artikel over. Het werd naar Washington getelegrafeerd en in de Engelse pers en elders werd er uitvoerig melding van gemaakt.

Vlak onder Gandhi’s analyse van Engelands historische aan­bod India zijn vrijheid te geven verscheen in Harijan een tweede artikel, door de Mahatma ondertekend, onder de titel “De Zaadpit van de Mango”, waarin hij de voedingswaarde daarvan aan­prees als “een geschikt surrogaat voor granen en veevoeder”.

Dit nummer van Harijan was kenmerkend voor Gandhi. Hij was een veelzijdig man, doordat hij belangstelling had voor het leven van de individu. In het ene artikel omschreef Gandhi India’s onafhankelijkheid; in het andere drong hij aan op een vermindering van het suikerrantsoen voor het bereiden van snoeperij; in een derde behandelde hij het probleem van de mis­dadigheid; in een vierde schreef hij over het nut van aardnoten. Voor Gandhi, de Mahatma (“groot van ziel”) was politiek niet te groot en waren aardnoten niet te klein.

In de zomer van 1942 ben ik een week lang bij Gandhi op be­zoek geweest in een gloeiendheet Indisch dorp. Een paar jaar later bezocht ik hem opnieuw, een dag of zes. Het meest verbazing­wekkende aan deze bijzondere man was misschien wel dat hij vierentwintig uur per dag in het openbaar leefde en er zich uit­stekend bij scheen te voelen. Zijn bed was een matras op het stenen terras van dr. Dinshah Mehta’s Kliniek voor Natuurge­neeswijze in Poona. Het terras was open en op hetzelfde niveau als de grond eromheen. Verscheidene discipelen sliepen naast de meester. Ik kreeg een kamer binnen met een goed bed.

Om vier uur in de morgen kon ik de Mahatma en zijn volgelingen gebeden horen zeggen. Daarna dronk hij gewoonlijk wat sinaas­appel- of mangasap en beantwoordde vervolgens eigenhandig de brieven die hij had ontvangen. In die tijd was hij over de zeventig, maar hij had een duidelijke, vaste hand. Zijn ogen en gehoor waren goed en hij hoopte 125 jaar te worden. Éénmaal per dag kwam Rajkumari Amrit Kaur, een christin uit een Indische prinselijke familie, die alles had opgegeven om Gandhi’s eerste Engelse secretaresse te zijn, hem het nieuws voorlezen uit de gestencilde bulletins van het Britse telegraafagentschap. Kranten lezen en naar de radio luisteren deed hij nooit.

Maar India kwam naar hem in de vorm van duizenden brieven en honderden bezoekers. De duur van elk bezoek werd afgelezen op het nikkelen bazarhorloge van de Mahatma. Hij had het aan een koord hangen, waarmee zijn simpele lendendoek werd op­gehouden. Hij was zeer punctueel, altijd verzorgd in zijn uiterlijk en genoot van al wat hij deed, vooral van praten, wandelen, eten en slapen.

Ik was gewoon ’s ochtends om halfzes met hem te wandelen. Vaak motregende het. “U gaat toch zeker niet uit in die regen?” vroeg ik dan. “Toch wel,” antwoordde hij opgewekt. “Kom mee. Wees geen oude man.”

Gandhi leefde van rauwe en gekookte groenten, fruit, dadels, melkpudding en flentertjes van pannekoeken. Hij at nooit eieren, vlees of vis en gebruikte geen koffie, thee of alcohol. Ik stond ver­steld van zijn energie. Hij ging nooit voor tienen naar bed. Soms, als ik voorbijkwam terwijl hij gereed voor de nacht op het terras lag, vertelde hij mij, dat ik beter zou slapen als ik meer bad.

Ik reisde met hem per trein van Poona naar Bombay, een tocht van drie en een half uur. Ons gezelschap bestond uit tien secretarissen en volgelingen en Gandhi’s lijfarts. Wij reisden in een speciale derdeklas wagon met harde houten banken. De regen kwam in stromen neer en al spoedig begon er water door het dak te sijpelen. Gandhi was bezig aan een artikel voor Harijan. Daarna sprak hij met politieke leiders, die in de trein waren gestapt voor een onderhoud. Ondanks de stortregen stonden er op elk station onderweg massa’s mensen om hem te zien. Tijdens een van die haltes stonden verscheidene kleine jongetjes, nat tot op hun bruine huid, aan het raam te schreeuwen “Gandhiji! Gandhiji!” (de toevoeging “ji” is een blijk van eerbied).

Een van Gandhi’s programmapunten was: de Hindoekaste zover te krijgen, dat ze een einde maakte aan de wrede manier, waarop de Onaanraakbaren werden behandeld. Hij dwong Hindoetempels, die eeuwenlang gesloten waren geweest voor paria’s, hun deuren voor deze mensen te openen. Hij was zelf in een hoge kaste geboren, maar hij vereenzelvigde zich met de Onaanraakbaren, opdat andere Hindoes hetzelfde zouden doen.

De meeste Indiërs maakten een diepe buiging, wanneer zij voor hem verschenen. Vaak gaf hij hun dan een stomp in de rug en beduidde dat zij dat niet moesten doen. Dan hurkten ze neer op de vloer en het onderhoud begon. Wie er zich ook in het huis bevond kon binnenkomen en meeluisteren. Als ik bij Gandhi’s vertrek kwam (er was geen deur) vond ik daar dikwijls tien of meer paren sandalen en schoenen. Dan deed ik de mijne uit en ging op een strooien mat bij het gezelschap zitten. Maar het gesprek was gewoonlijk beperkt tot Gandhi en degene, wie hij een onderhoud had toegestaan. Eersteministers van Indische pro­vincies, die tot de Congrespartij behoorden, kwamen bij hem om advies en lering. Onderwijzers kwamen hun ideeën bij hem toet­sen. Al wie een nieuw plan had, kwam er hem zijn fiat op vragen. Toen ik eens bij hem was kwam er een echtpaar uit de pariaklasse om over hun huwelijksmoeilijkheden te praten. Hij gaf hun uren van zijn tijd. Ook boeren en handwerkslieden kwamen om hulp.

De kern van Gandhi’s religie was een geloof in God, in zichzelf als een werktuig van God en in geweldloosheid als de weg tot God in de hemel en tot vrede en geluk op aarde. Ik vroeg hem eens waarom hij zijn geweldloosheid niet in het Westen kwam pre­diken. “Hoe zou ik dat kunnen,” zuchtte hij, “ik, die zelfs India nog niet heb kunnen overtuigen? Ik ben maar een matte kogel.”

Hij wist dat er onder de jeugd van zijn land een geest van op­standigheid en ongeduld heerste. Indien de Engelsen de macht niet goedschiks hadden overgedragen, dan was heel India in vlammen opgegaan, waarbij elk spoor van buitenlandse over­heersing zou zijn verbrand. Azië had er genoeg van de last van de blanken te dragen. Overal vond ik een groeiend bewustzijn van de conflicten tussen het blanke en het gekleurde ras.

Gandhi wijdde zijn leven aan de onafhankelijkheid van zijn land. Toch wilde hij dat doel niet bereiken door middel van ge­weld. Tijdens de ongehoorzaamheidscampagne aan het burger­lijk gezag, die Gandhi in 1942 lanceerde, gingen de socialisten tot sabotage over, organiseerden een ondergrondse beweging en beletten met gewelddaden de normale gezagsuitoefening. Dit alles was verboden volgens Gandhi’s code van geweldloosheid.

Tijdens gesprekken met Gandhi zag men de hele wereld in de spiegel van India. Voor hem hadden een gesprek met een hoge Engelse ambtenaar en het verbouwen van aardnoten maar één doel: het welzijn van vierhonderd miljoen Indiërs. Ik geloof, dat hij de meest geliefde en invloedrijkste man in India was. De Hindoes vereren één God, maar daarnaast kennen zij vele goden en afgoden en in sommige Hindoetempels is Gandhi daar één van.

Het Oosten is zo hongerig, zo slecht gekleed en zo ongelukkig, dat het denkt met zijn maag, ziet met zijn naaktheid en voelt met zijn ellende. De honderden miljoenen, die daar leven, koes­teren eerbied voor de machtigen, maar zij schenken hun hart al­leen aan hen, die op persoonlijk voordeel geen acht slaan en zich wijden aan het algemeen welzijn. Gandhi was zulk een man. Misschien waren vele Indiërs het niet met hem eens, maar allen hadden respect voor zijn oprechtheid, wijsheid en hartstochtelijke waarheidsliefde.

Mohandas Karamchand (Mahatma) Gandhi werd op 2 oktober 1869 te Porbandar in West-India geboren. Hij bereikte de leef­tijd van 78 jaar, hetgeen bijzonder oud is in een land, waar de gemiddelde leeftijd volgens de officiële statistieken 27 is. En zelfs toen stierf Gandhi geen natuurlijke dood. Op weg naar een ge­bedssamenkomst in Nieuw Delhi werd hij door een jonge, ex­tremistische Hindoe op 30 januari 1948 doodgeschoten. Minder dan vijf maanden tevoren had de Mahatma een grote persoonlijke overwinning behaald, toen de Engelsen India tot onafhankelijke natie hadden verklaard.

“De poorten van de Hemel wachten om Gandhi te ontvangen,” zei een keiharde financier in Bombay eens tegen mij. Maar Gandhi liet ze wachten, tot hij had gemaakt dat de aarde iets meer op de hemel geleek.

ontmoeting met Tolstoi

 alle biografieën

.
613-563

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Verdi

 

DE TOVENAAR VAN  DE OPERA

 

VerdiHoe dichter de avond van de première naderde, des te zenuwachtiger werd de tenor. Er zou een nieuwe opera gaan, maar van de belangrijkste aria die hij in het laatste bedrijf te zingen had, stond nog geen noot in de partituur. “Hij is wel geschreven,” verzekerde de componist hem nuchter, “maar als de mensen hem één keer op een repetitie hebben gehoord, kent heel Venetië hem voordat het doek opgaat, en dan zeggen ze natuurlijk dat ik hem gestolen heb.”

De zanger kreeg zijn partij niet in handen vóór het allerlaatste ogenblik, maar het was zo’n meeslepend stuk muziek en lag zó in het gehoor, dat hij het dadelijk van buiten kende. De aria bleek het succes van de avond; de laatste noten van Rigoletto hadden nog niet geklonken, of de gondeliers galmden het lied al in de zachte meiavond: La donna è mobile (“De vrouw is wispelturig”). Nu, na honderd jaar, spreekt deze muziek nog even sterk aan als toen ze ontsproot aan het brein van die onsterfelijke melodieënschrijver — Giuseppe Verdi.

Wat heeft deze fantastische bron doen ontspringen aan het lage land van de Po-vlakte, hoe is die zo onverwacht voortgekomen uit dat oerdegelijke boerengeslacht?

Carlo Verdi bezat een herberg in Le Roncole, dat niet meer was dan een gehucht aan de straatweg. Daar werd hem op 10 oktober 1813 een zoon geboren. Zoals bij de meeste grote musici open­baarde zich ook bij hem het talent zeer vroeg; al op zijn vierde jaar liep hij de straatviolist Bagasset als een hondje achterna. “Je moest maar een muzikant van hem maken,” vond Bagasset en Carlo kocht hoopvol een aftands spinet voor zijn kleine Bep­pino. Zijn eerste muzieklessen kreeg Beppino van de dorpsorganist Baistrocchi en na diens overlijden in 1824 werd hij zijn opvolger in het kleine kerkje van Le Roncole tegen een jaargeld van 36 lire.

De dichtstbijzijnde plaats was Busseto, vijf kilometer verderop. Om daar op school te kunnen gaan kwam Giuseppe, een bleek, mager jongetje met grijze ogen, in Busseto bij een schoenlapper in huis. De plaatselijke grossier in kruidenierswaren Antonio Barezzi wie — gelijk bij alle Italianen het geval is — de liefde voor de muziek in het bloed zat, was getroffen door de gaven van de jonge Verdi. Hij gaf hem een baantje in zijn bedrijf en zorgde bovendien dat de jongen les kreeg in de klassieken bij de pastoor, en muziek­les bij Ferdinand Provesi, de organist van de kathedraal. Hij werd nu opgenomen in het gezin Barezzi waar hij vooral gezelschap vond bij de oudste dochter Margherita. Samen lazen zij gedichten en speelden quatre-mains op de prachtige concertvleugel uit Wenen.

Toen hij achttien was, gaf men de jonge musicus de raad zijn studies te voltooien aan het conservatorium in Milaan. Met het vooruitzicht op een studiebeurs uit het stedelijk fonds voor be­gaafde studenten meldde hij zich vol goede verwachtingen voor het toelatingsexamen. Maar de examinatoren zagen in hem slechts een onhandige jongeman aan wie eigenlijk niets deugde: hij was boven de leeftijdsgrens, zijn houding aan de piano was erg on­academisch, en zijn kleren vielen ook al niet in de smaak. Der­halve wees men de beste musicus die ooit had aangeklopt, van de deur (wat de directie later weer goed trachtte te maken, door de school te herdopen in “Verdi-Conservatorium”). Hoewel uit het veld geslagen, vond hij het minder erg voor zichzelf dan voor degenen die in hem geloofd hadden. Maar Provesi, zo merkte hij, verwachtte nog steeds grote dingen van hem, de studiebeurs bleef voor hem gereserveerd, en Barezzi wilde hem steunen: Busseto had hem nodig als stedelijk muziekdirecteur. Ook Margherita had hem nodig, zij wilde nog altijd met hem trouwen, en op de dag na haar 22ste verjaardag kreeg zij haar zin. Met een klinkende afscheidszoen van haar ouders op de wangen en de armen vol bloemen, vertrok zij met haar nog onbeproefde genie van een echtgenoot op huwelijksreis naar Milaan.

In die stad had Verdi al enige tijd les gehad bij Lavigna, de ”Maestro al cembalo” van het Scala-theater, die hem grondig vertrouwd had gemaakt met de werken van Mozart, tot die tijd stellig de grootste opera-componist. En de jonge Verdi koos zonder aarzelen het glinsterende maar glibberige pad van de dramatische muziek. Milaan was de opera-hoofdstad niet alleen van Italië maar van de hele wereld. Hier wedijverden de beste zangers, dirigenten en componisten in het “Teatro alla Scala”, de schouwburg waar de opera bloeit als nergens. In Italië be­hoort ze tot de inheemse flora want Italianen houden van zingen. Als de vissers hun netten inhalen, de meisjes de was doen aan de fontein, als de verliefde paartjes door de lanen zwerven — er moet altijd luidkeels bij gezongen worden. Geen wonder dat dit het land was waar de opera, aan het eind van de zestiende eeuw, geboren werd; in Verdi’s dagen was deze voorliefde bij de bevolking ge­groeid tot een ware hartstocht, en onder de gezelschappen, ster­ren en componisten had iedereen zijn speciale favorieten. Om aan dit onverzadigbare enthousiasme enigszins tegemoet te komen, zagen de impresario’s zich genoodzaakt elk jaar tientallen nieuwe opera’s uit te brengen.

En zo schreef Verdi in 1836 zijn eerste opera, Oberto. Maar daarna trof hem het noodlot. De kleine Virginia, Verdi’s eerste kind en haar vaders oogappel, stierf in augustus 1838, een maand nadat het echtpaar een zoontje had gekregen. Verdi probeerde Merelli, de impresario van de Scala, te interesseren voor zijn opera, maar Merelli was een drukbezet man, hij werd voortdurend door jonge componisten belegerd. Intussen leefde Verdi van de snabbels die hij krijgen kon; hij dirigeerde koren en muziek­korpsen, schreef marsen, kerkmuziek en arrangementen. Het jonge paar verhuisde naar een goedkopere woning. Margherita ver­pandde haar juwelen om de huur te kunnen betalen. En nog steeds geen antwoord van Merelli. In die akelige herfst van 1839 over­leed hun zoontje.

Toch was er te midden van al dit verdriet een pleitbezorgster voor Verdi aan het werk geweest. Het was Giuseppina Strepponi, de jeugdige eerste sopraan aan de Scala, die behalve een mooie stem ook een warm hart bezat; zij haalde Merelli over om de Oberto een kans te geven en het stuk oogstte inderdaad behoorlijk succes, zodat de directeur Verdi een contract aanbood voor nog drie opera’s op zeer gunstige condities. Margherita echter, die zich het verlies van haar kind te zeer had aangetrokken, stierf in 1840 na een kort ziekbed. Onder deze tragische omstandigheden moest Verdi zijn contract voor een komische opera nakomen. Hij kweet zich dapper van zijn taak, maar de inspiratie ontbrak en het publiek, dat niets grappigs in de voorstelling kon ontdekken, floot het werk uit onder een hagel van rotte tomaten, en met een hoongelach dat de versomberde jongeman achter de coulissen als wolvengehuil in de oren klonk. “Ik componeer geen noot meer,” zwoer hij verbitterd.

Maandenlang zag niemand hem. Toen, op een decemberavond, ontdekte Merelli een eenzame gestalte die zich tegen de sneeuw­storm in worstelde. Hij sleepte Verdi mee naar zijn kantoor en drong hem een libretto op, dat Verdi thuisgekomen wrevelig op tafel wierp. Plotseling viel zijn oog op een der regels van een open­gevallen bladzijde. Er stond Va pensiero sull’ ali dorate! (“Vlieg, gedachte, op gouden vleugels”). Verdi weifelde even en nam toen het tekstboek ter hand. Naar de vorm had het betrekking op de onderdrukking van de Joden door Nebukadnezar, de koning van Babylon, maar dit was, zoals Verdi merkte, een nauwelijks verhulde parallel met de tirannie van de Oostenrijkers op het Italiaanse grondgebied. Als een gevolg van het Wener Congres (1815) dat na de ineenstorting van het Napoleontische keizerrijk werd gehouden, had Oostenrijk een overheersende machtspositie in Italië gekregen (alleen in de uiterste noordwest-hoek hield de koning van Piémont de vaan der Italiaanse vrijheid hoog). Het duurde tot 1870 voordat Victor Emmanuel II de eenheid wist te herstellen en het land volledig van vreemde invloeden wist te zuiveren. Het dichtwerk riep bij de jonge componist emoties op, waarvoor zelfs zijn verdriet moest wijken. Hij greep een vel muziekpapier.

Nabuccodonosor beleefde 9 maart 1842 in de Scala zijn première. Van het bruisende openingskoor tot en met de laatste trompet­signalen werd het stuk stormachtig toegejuicht. Toen de profeet Zacharias zong: “Dood aan de vreemde tirannen!” wist iedereen dat hij de Oostenrijkers bedoelde. Het Zion in de Joodse klaag­zang “O mijn vaderland, bemind en verloren!” was voor dit publiek het geliefde Italië en niets anders. Nu begonnen de Italianen, wanneer ze Oostenrijkse officieren een café zagen binnen­komen, het befaamde koor uit Nabucco te neuriën: “Va pensiero! . .” Alle straatjongens floten het, en de draaiorgels jengelden het onder de ramen van de politiebureaus. Het lied werd tot vrijheidssym­bool en drong door in alle uithoeken van het verdrukte land. Een lied laat zich nu eenmaal niet gevangen zetten of met de bajonet opjagen, en zeker de melodieën van Verdi niet, die zo gemakkelijk in het gehoor liggen. Terwijl de patriottische muziekdrama’s het een na het ander uit Verdi’s bedrijvige pen vloeiden, werden de aria’s eruit tot strijdliederen van het verzet. Overal in Italië kalkten de patriotten de leus Viva V.E.R.D.I. op de muren, waarin “Verdi” betekende: V(ittorio) E(mmanuele) R(e) DI (talia) — dat is: Victor Emmanuel, koning van Italië. Intussen hield de brave componist zich ook bezig met het smokkelen van geweren, die hij uit zijn eigen zak betaalde. Niet ten onrechte verwierf Verdi zich de erenaam “Maestro van de revolutie”.

De tijd die hij “op de galeien” doorbracht, zo noemde Verdi zelf deze eerste twaalf jaren van zijn carrière. Het was een periode van afgrijselijk zwoegen — hij schreef, repeteerde en dirigeerde in die tijd niet minder dan 16 opera’s. Een privé-leven had hij niet meer, de flonkerende schijnwereld van de opera had hem volledig opgeslokt. Hij eiste een volmaakte uitvoering, met minder was hij niet tevreden, en om die perfectie te bereiken geneerde hij zich niet om een opgeblazen tenor op zijn nummer te zetten, of om een diva te laten repeteren totdat de tranen van woede over haar wangen liepen. Hij was de eenzaamste mens die ooit te midden van de massa heeft geleefd, en hij kende maar één intieme band — die met Strepponi, bij wie zijn versteende hart eindelijk ontdooide.

De Rigoletto, die hij in veertig dagen componeerde, betekende het einde van de periode van slavernij; het stuk bezorgde hem roem en rijkdom, en hij kon eindelijk ruimer ademhalen. II Trovatore schreef hij twee jaar daarna, in 29 dagen. Terwijl de repetities hiervoor nog aan de gang waren, was hij al bezig aan La Traviata. Met de titel wordt een gevallen vrouw bedoeld, van de lichtzinnige soort, en de heldin van het stuk was naar het leven getekend — er was kort tevoren in Parijs een beeldschone courti­sane aan tering gestorven, die onderwerp was van het nieuwste to­neelstuk La dame aux camélias van Alexandre Dumas jr. De première van La Traviata ging voor een deftig auditorium in Venetië en ontketende uitbarstingen van gelach en woedend boe-geroep; het was een fiasco. Het drama werd in eigentijdse aankleding gespeeld en was veel te realistisch voor een publiek dat verwend was met pompeuze kostuumstukken. Veertien maanden later kwam een nieuwe opvoering tot stand, ditmaal honderd jaar vroeger spelend en met een sterker accent op de dramatiek, en het wispelturige publiek applaudisseerde als bezeten.

Maar van de wereld van applaus en schijnwerpers keerde Verdi zich nu weer tot de aardse realiteit die hem uit zijn prille jeugd zo vertrouwd was. Hij kocht een stuk grond van 400 hectare even buiten Busseto, en trok zich hier terug met Strepponi die inmiddels zijn vrouw geworden was. Hier in zijn “woestenij”, zoals hij zijn bezitting graag schertsend betitelde, begon hij bomen te planten, hij legde wegen aan en irrigatie-kanalen. Hij was het die de eerste dorsmachine en de eerste stoomploeg in de Po-vlakte introduceer­de. Hij richtte op wetenschappelijke basis een zuivelboerderij in (wat in die dagen doorging voor nieuwerwetse onzin), en hij was trotser op zijn prachtige melkkoeien dan op de medailles en orde­tekenen die hij van koning, keizer en tsaar gekregen had. Toen een financiële paniek een golf van werkloosheid veroorzaakte, en de mensen in troepen naar Amerika emigreerden, stichtte Verdi nog meer melkerijen, waardoor hij aan 200 personen werk be­zorgde. “Uit mijn dorp emigreert niemand,” verklaarde hij trots. Intussen bekleedde hij verscheidene jaren een plaats als senator, in welke functie hij energiek de wetgeving op het gebied van het muziek-auteursrecht bevorderde — want Verdi was een slimme zakenman.

Wanneer er nu een beroep op zijn muzikale gaven werd gedaan, was hij in een positie om zelf zijn keus te bepalen. Zijn lederen hoededoos begon menige kale plek te vertonen als gevolg van zijn reizen naar Parijs, Madrid, Londen en St. Petersburg. Voor de feestelijkheden bij de opening van het Suezkanaal had de khedive van Egypte een nieuw theater laten bouwen en Verdi opgedragen om voor die gelegenheid een nieuwe opera te schrijven. De pre­mière van Aïda, op kerstavond 1871 in Caïro, ontketende een donderend applaus. Tegenwoordig is Aïda in de opera-wereld nog steeds een geheid kasstuk.

Verdi had nu 25 opera’s geschreven; men mocht veronderstel­len dat zijn levenswerk was volbracht. Toen kondigde de Scala een nieuw stuk van Verdi aan. De componist was 73 — was het mogelijk dat het oude vuur nog brandde? Op de première was het huis tot barstens toe gevuld en op het plein stonden de mensen in drommen te wachten. Beneden in de orkestbak stemde een eer­zuchtige jongeman van twintig jaar zijn cello — dat was Arturo Toscanini. Het voetlicht flitste aan, de dirigeerstok ging omhoog, en als een windvlaag bruiste de strijkersklank uit het orkest — het doek ging op voor Otello. Van de storm in de eerste akte tot de sombere slotakkoorden zat het publiek gevangen in echte ont­roering. Dit diep menselijke muziekdrama is wel Verdi’s sterkste werk, en volgens velen is het zelfs de mooiste opera die ooit ge­schreven is.

Nóg was het niet zijn zwanenzang. Op zijn 80ste jaar schonk hij de wereld Falstqff, opnieuw een stof die hij ontleende aan Shakespeare. Het is een clowneske, blijde muziek, als geschreven door iemand in de bloei van zijn jongelingsjaren.

Maar al was Verdi’s hart jong gebleven, het klopte warm voor wie onder de last van de ouderdom te zwaar gebukt ging. Hij be­stemde de auteursrechten van al zijn opera’s voor de stichting en instandhouding van de “Casa di Riposo”, het rusthuis voor bejaarde en verdienstelijke musici. Het staat in Milaan en lijkt meer op een Venetiaans paleis dan op een oudemannenhuis, maar het is een waardig monument zowel voor de kunst als voor de oprechte menselijke goedhartigheid.

Toen de tweede grote romance in Verdi’s leven door het over­lijden van Strepponi haar einde vond, was het met hem gedaan. Vermoeid en eenzaam sleet hij zijn laatste dagen in een hotel in Milaan, waar hij op de ochtend van 27 januari 1901 niet meer ontwaakte.

De Italiaanse senaat verdaagde de zitting als teken van rouw. In heel Italië sloten de banken en regeringsgebouwen hun deuren. De Scala bleef een maand lang donker. Zoals Verdi had gewenst, was de begrafenisplechtigheid eenvoudig en zonder muziek. Maar in zijn laatste wil stond over de teraardebestelling niets anders dan dat deze geschieden moest in de Casa di Riposo. Zo werd de maestro met grote luister naar zijn laatste rustplaats geleid, te midden van gekroonde hoofden, besterde diplomaten en een cavalerie-escorte in galatenue met pluimen. Toen de 900 zan­gers van het door Toscanini geleide koor het afscheidslied hadden ingezet, stonden er rondom nog duizenden bewonderaars uit volle borst mee te zingen: Va pensiero sull’ ali dorate!

alle biografieën

.

607-557

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Madame Curie

.

DE TRIOMF VAN MADAME CURIE

In het najaar van 1891 liet een Pools meisje, Marya Sklodowska, zich vol gespannen verwachting inschrijven bij de faculteit van de wis- en natuurkunde van de Sorbonne-universiteit te Parijs. Als de mannelijke studenten in de gangen dat ver­legen meisje met haar vastberaden gezichtje en haar eenvoudige, haast schamele kleding tegenkwamen, vroegen ze vaak: “Wie is dat?” Maar het antwoord was vaag. “Een buitenlandse met een onuitspreekbare naam. Op natuurkundecolleges zit ze altijd vooraan.”
Dan oogden de jongelui haar sierlijke figuurtje na en besloten: “Mooi haar!” Heel lang waren het asblonde haar en het typisch Slavische gezichtje het enige waaraan de studenten van de Sorbonne hun bedeesde medestudente herkenden.

Maar dat meisje was allerminst geïnteresseerd in jongemannen. Ze werd geheel in beslag genomen door haar studie en werkte koortsachtig. Voor haar was elke minuut dat ze niet studeerde ver­loren tijd. Marie Sklodowska was te verlegen om vriendschap te sluiten met de Fransen en zocht haar toevlucht bij de kleine kolonie van haar landgenoten, die een eilandje van het vrije Polen vormden in het Quartier Latin, de studentenwijk van Parijs. Daar leefde ze uiterst sober en wijdde zich uitsluitend aan haar studie. Haar inkomen was maar veertig roebel per maand, en bestond uit het geld dat ze in Polen had overgespaard van haar salaris als gouvernante, en de kleine toelage die haar vader, een onbekende maar zeer ontwikkelde leraar wis- en natuurkunde, haar kon sturen. Van dat kleine bedrag — drie francs per dag — moest ze haar kamer, eten, kleren en alle studiekosten betalen. Marie wilde nooit erkennen dat ze honger of kou leed. Om geen kolen te hoeven kopen, stak ze vaak de kachel niet aan, en ze schreef getallen en vergelijkingen op zonder erop te letten dat ze met verstijfde vingers zat te rillen. Weken achtereen leefde ze op niets dan boterhammen en thee. Als ze eens echt lekker wilde eten kocht ze twee eieren, of een stukje chocola of wat vruchten. Door die onvoldoende voeding kreeg het stevige frisse meisje dat een paar maanden tevoren uit Warschau was vertrokken, last van bloedarmoede. Vaak voelde ze zich duizelig als ze opstond. Dan kon ze nog maar net haar bed bereiken voor ze het bewustzijn verloor. Als ze dan weer bijkwam, dacht ze dat ze ziek was. Het kwam nooit bij haar op dat ondervoeding de oorzaak was.

Marie had op het programma van haar leven geen plaats open­gelaten voor liefde en huwelijk. Toen ze zesentwintig was hield ze, geheel beheerst door haar hartstocht voor de wetenschap, nog verbeten vast aan haar onafhankelijkheid. Toen kwam Pierre Curie in haar leven. Hij was een geniaal Frans natuurkundige, die zich met hart en ziel aan het wetenschappelijk onderzoek wijdde en op vijfendertigjarige leeftijd nog ongehuwd was. Hij was een lange man met slanke, gevoelige handen, een ruige baard en een zeldzaam intelligent, gedistingeerd voorkomen. In 1894 maakten ze met elkaar kennis op een laboratorium, en voelden zich on­middellijk tot elkaar aangetrokken. Pierre Curie ontdekte dat mademoiselle Sklodowska een hoogst merkwaardig persoontje was. Wat was het vreemd om met een charmante jonge vrouw te kunnen spreken en daarbij technische termen en ingewikkelde formules te kunnen bezigen . . . Wat was dat een genot!

Pierre Curie probeerde met haar op vriendschappelijke voet te komen. Hij vroeg verlof haar te mogen bezoeken. Ze ontving hem vriendelijk, maar gereserveerd, op haar kamertje. Nooit had Marie hem mooier toegeschenen dan daar op dat kale zolder­kamertje, met haar versleten japonnetje en met die vastberaden uitdrukking op haar gezicht. Wat Pierre zo aantrok in Marie was niet alleen de volkomen toewijding aan haar werk, maar ook haar moed en hoogstaand karakter. Een paar maanden later vroeg Pierre Curie haar ten huwelijk. Maar het scheen Marie Sklodowska ondenkbaar toe dat ze een Fransman zou trouwen en haar familie en haar geliefde Polen voorgoed verlaten. Er moesten nog tien maanden verlopen voor ze eindelijk het denkbeeld van een huwelijk kon aanvaarden. De eerste dagen van hun gemeen­schappelijke leven zwierven Pierre en Marie al fietsend over het platteland; die fietsen hadden ze gekocht van het geld dat ze als huwelijksgeschenk hadden gekregen. Ze aten brood met kaas en fruit, stapten af bij onbekende herbergen, en genoten van de lange verrukkelijke dagen van hun samenzijn-in-eenzaamheid die hun niet meer dan de nodige trapbewegingen en een paar francs logieskosten in het een of andere dorp kostten.

Het jonge paar betrok een bescheiden appartement aan de rue de la Glacière 24. De wanden waren er uitsluitend bekleed met boeken; er stonden verder twee stoelen en een withouten tafel. Op die tafel lagen boeken en artikelen over natuurkunde, er stond een olielamp en een vaas met bloemen — dat was alles. Langzamerhand werd Marie een betere huisvrouw. Ze bedacht gerechten die weinig bewerkelijk waren of die “vanzelf gaar werden.” Voordat ze wegging regelde Marie de vlam met weten­schappelijke nauwkeurigheid. Een kwartier later stond ze dan over ander vaatwerk gebogen en regelde de vlam van een brander in het laboratorium met dezelfde zorgvuldigheid.

In het tweede jaar van hun huwelijk werd hun dochtertje Irene geboren — een mooi kindje, en een toekomstige winnares van de Nobelprijs. Het kwam geen ogenblik bij Marie op dat ze zou moeten kiezen tussen haar gezin en haar wetenschappelijke loop­baan. Ze deed het huishouden, baadde haar dochtertje en zette het eten op, maar ze bleef ook op een laboratorium werken aan de belangrijkste ontdekking die tot die tijd in de moderne natuur­wetenschappen was gedaan.

Eind 1897 toonde de balans van Maries werkzaamheden twee universitaire graden, een studie-opdracht en een monografie over de magnetische eigenschappen van gehard staal. Haar volgende doel was: de doctorstitel. Toen ze een onderwerp voor haar dissertatie zocht, trok een recente publicatie van de Franse natuur­kundige Antoine Henri Becquerel haar aandacht. Becquerel had ontdekt dat uraniumzouten spontaan, zonder aan het licht te zijn blootgesteld, een onbekend soort stralen uitzenden. Wanneer men een stuk uraniumerts, in zwart papier gewikkeld, op een foto­grafische plaat legde, liet het door het papier heen een afdruk achter op de gevoelige plaat. Dat was de eerste waarneming van dat vreemde, merkwaardige verschijnsel, dat Marie later als radioactiviteit zou aanduiden; maar de aard van die straling en de ontstaanswijze waren nog onbekend. Pierre en Marie Curie werden gefascineerd door Becquerels ontdekking. Wat kon de bron zijn van de energie, die uraniumverbindingen voortdurend in de vorm van straling uitzenden? Dat beloofde een boeiend onderzoek te worden — een sprong in het onbekende!

Dank zij de directeur van een technische school, de École de Physique et de Ghimie industrielles, waar Pierre leraar was, mocht Marie daar voor haar proeven een kleine, gelijkvloers gelegen opslagruimte gebruiken. Het viel niet mee in dat hok wetenschappelijk onderzoek te verrichten, waar de atmosfeer fataal was, niet alleen voor de uiterst gevoelige precisie-instrumenten, maar ook voor de gezondheid van Marie Curie.

Toen ze al een heel eind op weg was met haar onderzoek naar de straling van uranium, ontdekte Marie dat de verbindingen van een ander element, thorium, eveneens spontaan stralen uitzenden gelijk aan die van uranium. Bovendien leek bij beide elementen de radioactiviteit heel wat sterker dan te verwachten was van de hoe­veelheid uranium of thorium, die de onderzochte monsters be­vatten. Waar kwam die abnormale straling vandaan? Er was maar één verklaring mogelijk: die mineralen moesten, in kleine hoeveelheden, een nog veel sterker radioactieve stof bevatten dan ura­nium of thorium. Marie had alle destijds bekende chemische elementen in haar onderzoek betrokken. Dan moesten die ertsen dus een andere radioactieve stof bevatten, een nog onbekend element.

Een nieuw element! Pierre Curie, die met intense belangstelling de snelle ontwikkeling bij de proeven had gevolgd, gaf nu zijn eigen onderzoek op om haar te helpen. In dat vochtige werkkamertje zochten nu twee stel hersenen en vier handen naar het onbekende element. Ze slaagden erin alle elementen van pekblende, een uraniumerts, af te scheiden en de radioactiviteit ervan te meten. Toen ze het doel van hun onderzoek naderden, werd het uit hun gegevens duidelijk dat er in plaats van één nieuw element, twee moesten zijn. In juli 1898 konden ze de ontdekking van een van die stoffen aankondigen. Marie noemde het polonium, naar haar ge­liefde Polen.

In december 1898 kondigde het echtpaar Curie het tweede nieuwe element aan, dat ze in pekblende hadden aangetroffen, en dat ze radium noemden — een element dat waarschijnlijk geweldig radioactief was. Nu had niemand dat radium ook maar ooit gezien. Niemand kende het atoomgewicht ervan. De volgende vier jaar werkten de Curies om het bestaan van polonium en radium te bewijzen. Ze wisten al op welke manier ze de nieuwe metalen dachten af te scheiden, maar dat betekende dat ze zeer grote hoeveelheden erts moesten verwerken.

Pekblende, waarin polonium en radium voorkomen, werd bij de mijnen van Joachimsthal in Bohemen verwerkt om daaruit uraniumzouten te winnen, die bij de glasfabricage werden ge­bruikt. Het was een kostbare grondstof, maar Pierre en Marie Curie hadden berekend dat wanneer het uranium aan het erts was onttrokken, het polonium en radium nog aanwezig moesten zijn. Waarom zouden ze dus niet het afgewerkte erts gebruiken, dat heel weinig waarde had?

Van de Oostenrijkse regering kregen ze een ton van dat mate­riaal, en begonnen daarmee te werken in een leegstaande schuur, dicht bij het kamertje waar Marie haar eerste proeven had gedaan. Er lag geen vloer in; de inrichting bestond uit een paar wrakke keukentafels, een schoolbord en een oude gietijzeren kachel. “En toch,” schreef Marie later, “brachten wij in die gammele oude schuur onze beste en gelukkigste jaren door, die volkomen aan ons werk waren gewijd. Soms deed ik een hele dag niets anders dan een kokende massa omroeren met een ijzeren staaf, die bijna even groot was als ikzelf, ’s Avonds was ik dan volkomen op van ver­moeidheid.” In dergelijke omstandigheden werkte het echtpaar Curie van 1898 tot 1902. In haar oude stoffige kiel vol zuurvlekken, met verwaaide haren en in een wolk van scherpe rook, die in haar ogen en haar keel prikte, fungeerde Marie als een com­plete fabrieksinstallatie. Eindelijk behaalde ze in 1902, 45 maan­den na de dag waarop de Curies het vermoedelijke bestaan van radium hadden aangekondigd, haar overwinning: ze was erin ge­slaagd één tiende gram zuiver radium af te scheiden en het atoomgewicht ervan te bepalen. Radium bestond nu officieel.

Ongelukkigerwijs hadden de Curies nog met andere moeilijk­heden te kampen. Aan de École de Physique verdiende Pierre een salaris van ruim vierduizend gulden per jaar, en nadat Irene ge­boren was sloeg het loon van een kindermeisje een gat in hun be­groting. Er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. In 1898 kwam aan de Sorbonne een leerstoel voor fysische scheikunde vacant, en Pierre besloot daarnaar te solliciteren. Het zou zeven­duizend gulden per jaar opleveren, met minder lesuren; maar hij werd gepasseerd. Pas in 1904 werd Pierre benoemd tot hoog­leraar, nadat de hele wereld zijn verdiensten had erkend. Voor­lopig moest hij met een minder belangrijke functie aan de Sorbonne genoegen nemen. Ondertussen kreeg Marie een aanstelling als lerares aan een meisjesschool bij Versailles.

De Curies bleven bereidwillig en zonder verbittering lesgeven, en wijdden daaraan hun beste krachten. Nu ze hun energie moesten verdelen tussen hun eigen werk en hun betrekking, schoten eten en slapen er vaak bij in. Verschillende malen moest Pierre door aanvallen van hevige pijn in zijn benen het bed houden. Marie werd door haar tot het uiterste gespannen zenuwen overeind gehouden, maar hun vrienden schrokken van haar bleke, uitgeteerde gezicht. Zo werd de kennis van de radioactiviteit steeds verder ontwikkeld en uitgebouwd, terwijl de twee natuur­kundigen die deze in het leven hadden geroepen daardoor gaande­weg meer uitgeput raakten.

Gezuiverd in de vorm van een chloride, bleek radium een dof wit poeder te zijn, dat veel op gewoon keukenzout lijkt. Maar het bleek verbluffende eigenschappen te bezitten. De straling over­trof alle verwachtingen in intensiteit; ze bleek twee miljoen maal krachtiger te zijn dan die van uranium. De stralen drongen zelfs door de hardste en meest vaste stoffen heen. Alleen afscherming met zware loden platen kon die verraderlijk doordringende kracht tegenhouden.

Het laatste, meest ontroerende wonder was dat radium een bondgenoot van de mens kon worden bij zijn strijd tegen de kanker. Radium bleek nuttig te zijn — en nu was de winning ervan niet meer uitsluitend van belang voor de wetenschap. Al spoedig zou er een radiumindustrie ontstaan. In verscheidene landen had men plannen gemaakt voor het gebruik van radio­actieve ertsen, vooral in België en Amerika. Maar het “fabuleuze metaal” kon alleen worden gewonnen wanneer het geheim van de ingewikkelde techniek bekend was.

Op een zondagmorgen legde Pierre dat allemaal aan zijn vrouw uit. Hij had juist een brief doorgelezen van een paar technici in de Verenigde Staten, die in Amerika radium wilden gaan gebruiken en hem nu om inlichtingen vroegen. “We kunnen één van tweeën doen,” zei Pierre tegen haar. “We kunnen zonder enige terug­houding de resultaten van ons onderzoek beschrijven, met inbegrip van het zuiveringsproces …” Marie maakte automatisch een gebaar van instemming en mompelde: “Ja, natuurlijk.” “Of anders,” ging Pierre voort, “kunnen wij onszelf beschouwen als de ‘uitvinders’ van het radium, octrooi aanvragen op de ver­werkingsmethode van pekblende, en ons verzekeren van de rechten op het bereiden van radium over de hele wereld.”

Marie dacht een paar seconden na. Toen zei ze: “Dat kan niet. Dat zou in strijd zijn met de wetenschappelijke ethiek.” Pierre’s ernstige gezicht klaarde op. “Goed, dan zal ik die Amerikanen vanavond nog schrijven en hun alle gevraagde inlichtingen geven.”

Een kwartier na die korte gedachtewisseling trokken Pierre en Marie op hun geliefde fietsen de zondagse bossen in. Ze hadden definitief gekozen tussen armoede en welgesteldheid.

In juni 1903 werd Pierre officieel uitgenodigd door de Royal Institution om in Londen een voordracht te komen houden over radium. Daarna volgde er een stortvloed van uitnodigingen voor officiële diners, want heel Londen wilde met de ontdekkers van het radium kennismaken. In november 1903 verleende de Royal Society te Londen aan Pierre en Marie een van haar hoogste onderscheidingen: de Davy-penning.

Vervolgens werden zij gehuldigd door de Zweden. Op 10 decem­ber 1903 kondigde de Academie van Wetenschappen te Stockholm aan dat de Nobelprijs voor Natuurkunde dat jaar voor de helft werd toegekend aan Antoine Henri Becquerel, en voor de andere helft aan het echtpaar Curie voor hun ontdekkingen op het gebied van de radioactiviteit. Die Nobelprijs betekende een bedrag van ongeveer vijftigduizend gulden, en het was niet “in strijd met de wetenschappelijke ethiek” die te aanvaarden. Een unieke kans om Pierre te ontslaan van de noodzaak les te geven, om zijn
gezond­heid te sparen! Toen de cheque was uitbetaald, gingen er giften en leningen naar Pierres broer en Maries zusters, contributies naar wetenschappelijke genootschappen, bijdragen naar Poolse studen­ten en naar een jeugdvriendin van Marie. Marie liet ook een “moderne” badkamer in hun huis installeren en een uitgewoonde kamer opnieuw behangen. Maar het kwam geen ogenblik bij haar op ter ere van het heuglijke feit een nieuwe hoed te kopen. En zij bleef lesgeven, ofschoon ze erop stond dat Pierre de Ecole de Physique zou verlaten.

Nu die roem hun ten deel was gevallen, regende het tele­grammen op hun grote werktafel. Duizenden artikelen ver­schenen in de kranten; honderden verzoeken om handtekeningen en foto’s, brieven van uitvinders, gedichten over radium stroomden binnen. Maar de Curies beschouwden hun opdracht niet als vol­tooid ; ze wilden alleen maar verder werken.

In het voorjaar van 1904 schreef Marie: “… We hebben geen moment rust. De mensen houden ons voortdurend van ons werk af. Nu heb ik besloten flink te zijn en geen bezoekers meer te ont­vangen — maar ze blijven me lastig vallen. Ons leven samen is helemaal bedorven door al die eer en roem . . . Ons rustige leven van hard werken is helemaal in de war gestuurd.”

Toen de geboorte van haar tweede kind naderde, was Marie bijna volkomen uitgeput. Op 6 december 1904 werd er weer een dochtertje geboren, met een hoofdje vol dik zwart haar: Eve, de schrijfster van deze biografie. Al spoedig werkte Marie weer als tevoren op school en op het laboratorium. Men zag het echtpaar nooit in de uitgaande wereld, maar aan officiële diners ter ere van buitenlandse wetenschapsmensen konden ze niet altijd ontkomen. Bij dergelijke gelegenheden trok Pierre avondkleding aan en Marie haar enige avondjurk.

Op 3 juli 1905 werd Pierre Curie tot lid van de Franse Academie van Wetenschappen verkozen. Ondertussen had de Sorbonne speciaal voor hem een leerstoel in de natuurkunde ingesteld — de positie die hij zich al zo lang had gewenst — maar nog steeds had hij geen behoorlijk laboratorium. Marie moest nog acht jaar lang geduld oefenen voor ze de radioactiviteit een passende woning kon geven — in een gebouw dat Pierre zelf nooit zou
aan­schouwen. Op donderdag 19 april 1906 — een zwoele, regen­achtige dag — nam Pierre om half drie ’s middags afscheid van de hoogleraren van de faculteit van de wis- en natuurkunde, met wie hij had geluncht, en liep naar buiten, de regen in. Toen hij de rue Dauphine wilde oversteken, liep Pierre verstrooid achter een huurkoetsje om de rijweg op, en kwam voor een sleperswagen terecht. Verschrikt probeerde hij zich vast te klemmen aan de borst van het paard, dat plotseling begon te steigeren. Pierre gleed uit op de natte rijweg. De voerman trok wel de leidsels strak, maar de wagen rolde door zijn eigen gewicht van zes ton nog ver­scheidene meters verder door. Het linkerachterwiel ging over Pierre’s lichaam heen.

Zes uur. Levendig en opgewekt kwam Marie Curie haar woning binnen. Ze vond er bezoekers, in wier houding ze iets van medelijden voelde. Terwijl ze verslag uitbrachten over het ge­beurde, hoorde Marie hen roerloos aan. Na een lange pijnlijke stilte bewogen eindelijk haar lippen: ‘Is Pierre dood? Dood? Is hij werkelijk dood?” Vanaf het ogenblik dat die drie woorden “Pierre is dood” tot haar bewustzijn doordrongen werd ze een ongeneeslijk eenzame vrouw.

Na de begrafenis stelde de regering officieel voor, de weduwe en kinderen van Pierre Curie een staatspensioen toe te kennen. Marie wees dat onverbiddelijk af : ‘Ik wil geen pensioen hebben,” verklaarde ze. ‘Ik ben jong genoeg om voor mijzelf en mijn kinderen mijn brood te verdienen.”

Op 13 mei 1906 besloot het bestuur van de faculteit van de wis- en natuurkunde eenstemmig om Pierre’s professoraat aan de Sorbonne op te dragen aan Marie Curie. Het was de eerste maal dat in Frankrijk een vrouw bij het hoger onderwijs werd benoemd. Op de dag dat ze haar eerste college aan de Sorbonne zou geven, was de collegezaal propvol; de mensen stonden zelfs in de gangen en buiten op het plein. Men rekte de hals om toch vooral Madame Curies binnenkomst niet te missen. Wat zou de nieuwe hoog­leraar het eerst zeggen? Zou ze de minister en de universiteit haar dank betuigen? Zou ze over Pierre Curie spreken? Ja, onge­twijfeld ; het was immers de gewoonte te beginnen met een lofrede op de voorganger . . .

Half twee . . . De deur achter in de zaal ging open, en onder een storm van applaus liep Madame Curie naar haar plaats. Ze boog even het hoofd, een kort, sober gebaar dat als begroeting was bedoeld. Staande wachtte ze, tot de ovatie zou ophouden. En in­eens werd het stil. Marie Curie keek strak voor zich uit en zei: ”Wanneer men bedenkt welke vorderingen er de laatste tien jaren in de natuurkunde zijn gemaakt, verbaast men zich over de
voor­uitgang in onze denkbeelden betreffende elektriciteit en materie …” Madame Curie hervatte het college precies bij de zin waar Pierre Curie opgehouden was. Nadat ze onbewogen haar nuchtere uit­eenzetting had voltooid, verdween Marie even snel door de achter­deur als ze was binnengekomen.

Nu steeg de persoonlijke faam van Madame Curie als een raket, en verbreidde zich overal. Ze ontving tientallen diploma’s en eer­bewijzen van buitenlandse universiteiten. En ofschoon ze geen lid werd van de Academie van Wetenschappen — ze kwam één stem te kort — kende Zweden haar de Nobelprijs voor scheikunde toe voor het jaar 1911. Het zou nog meer dan vijftig jaar duren vóór een ander waardig werd gekeurd zo’n eerbewijs tweemaal te ontvangen.

De Sorbonne en het Instituut Pasteur stichtten gezamenlijk het Curie Radium-Instituut, dat uit twee delen bestond: een labora­torium voor radioactiviteit onder leiding van Marie Curie; en een laboratorium voor biologisch onderzoek en bestudering van de kankertherapie, onder leiding van een vooraanstaand arts. Tegen de raad van haar familie in schonk Marie aan het laboratorium van het Instituut al het radium dat zij en Pierre eigenhandig hadden gewonnen, en dat meer dan een miljoen goudfranken waard was. Tot aan het eind van haar leven bleef dat labora­torium het middelpunt van haar bestaan.

In 1921 brachten Amerikaanse vrouwen honderdduizend dollar bijeen om één gram radium te kopen als geschenk voor Marie Curie. In ruil daarvoor vroegen ze haar, een bezoek aan de Verenigde Staten te komen brengen. Marie aarzelde. Maar ze was zozeer getroffen door het edelmoedige gebaar, dat ze haar vrees overwon en op 54-jarige leeftijd voor het eerst de verplichtingen van een grote officiële reis op zich nam. Te New York bleef een enorme mensenmenigte haar vijf uur lang aan de kade opwachten. Vanaf het ogenblik dat ze voet aan wal zette werd het duidelijk, hoeveel de bedeesde Madame Curie voor Amerika betekende. Zelfs voordat men haar persoonlijk kende, hadden de Amerikanen haar met een bijna religieuze verering omgeven; nu ze in hun midden vertoefde, kende hun hulde geen grenzen.

Madame Curie had van de meeste Amerikaanse universiteiten uitnodigingen ontvangen. Tientallen erepenningen en ere­doctoraten wachtten haar. Maar de luidruchtige toejuichingen waren haar te machtig. De starende blikken van talloze mensen beangstigden haar, evenals het gedrang. Ze was altijd bang dat ze in die verschrikkelijke deining zou worden doodgedrukt. Ten slotte was ze te zeer verzwakt om haar reis te kunnen voortzetten, en ze keerde op raad van haar artsen naar Frankrijk terug.

Die reis naar Amerika heeft, geloof ik, mijn moeder ertoe gebracht haar hardnekkige afzondering op te geven. Als weten­schappelijk onderzoekster kon ze zich afsluiten voor de buiten­wereld en zich geheel op haar eigen werk concentreren. Maar toen, op vijfenvijftigjarige leeftijd, was Madame Curie niet alleen maar een geleerde. Haar naam had nu zoveel gezag dat ze, alleen al door haar aanwezigheid, een plan dat haar na aan het hart lag kon doen slagen. Van nu af aan zou ze voor dit soort opdrachten een plaats in haar leven inruimen. Al haar reizen leken voortaan veel op elkaar. Wetenschappelijke congressen, lezingen, uni­versitaire plechtigheden en bezoeken aan laboratoria brachten Madame Curie in een groot aantal hoofdsteden, waar ze werd gevierd en toegejuicht.

Ook Warschau bouwde een radiuminstituut — het Marya Sklodowska Curie-Instituut — en  de Amerikaanse vrouwen brachten opnieuw een wonder tot stand door genoeg geld bijeen te brengen om één gram radium voor het Warschause instituut te kopen — het tweede gram dat Amerika aan Madame Curie schonk. De gebeurtenissen van 1921 herhaalden zich: in oktober 1929 vertrok Marie opnieuw naar New York, om Amerika namens Polen dank te brengen. Ze was de gast van president Hoover en logeerde verscheidene dagen op het Witte Huis. Maar ze was in niets veranderd: noch in haar fysieke vrees voor mensenmassa’s, noch in haar ongeneeslijke bescheidenheid. Het was nog altijd het laboratorium — en de jonge onderzoekers die daar werkten — die in Marie Curies hart de grootste plaats innamen. ‘Ik weet niet hoe ik zonder het laboratorium zou kunnen leven,” schreef ze eens.

Marie had nooit de voorzorgsmaatregelen die ze haar leer­lingen oplegde, in acht genomen: buisjes met radioactieve stoffen alleen met een tang aanpakken, nooit onbeveiligde buisjes aan­raken, zware loden ”schilden” als afscherming gebruiken om zich voor gevaarlijke straling te vrijwaren. Ze wilde zich maar nauwe­lijks onderwerpen aan de bloedproeven, die regel waren aan het Radium-Instituut. De samenstelling van haar bloed was
ab­normaal. En wat dan nog? Vijfendertig jaar lang was Madame Curie met radium omgegaan en had ze de stoffen die door radium worden afgegeven, ingeademd. Tijdens de oorlog was ze vier jaar lang blootgesteld geweest aan de nog veel gevaarlijker straling van de röntgenapparatuur. Enige afbraak van het bloed, hinderlijke en pijnlijke brandwonden aan haar handen, waren ten slotte niet zo erg in verhouding tot de risico’s die ze had gelopen!

Marie Curie schonk weinig aandacht aan de lichte verhoging waar ze last van kreeg. Maar in mei 1934 moest ze na een griep­aanval naar bed, en stond daarna niet meer op. Toen eindelijk haar sterke hart had opgehouden te kloppen, sprak de wetenschap zich uit. De klachten en de vreemde, nog niet eerder waargenomen afwijkingen in haar bloed hadden de ware dader aangewezen: radium.

Op vrijdag 6 juli 1934 nam Madame Curie om twaalf uur ’s middags haar plaats te midden van de doden in — zonder plechtige lijkstoet en redevoeringen, en zonder aanwezigheid van politici of autoriteiten. Op de begraafplaats te Sceaux werd ze bij­gezet naast Pierre, in tegenwoordigheid van haar familie, haar vrienden, en de medewerkers die haar liefhadden.

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

598-549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (3-1)

.

Een sprookje kun je vertellen zonder dat je iets van de symboliek van de beelden weet. Dat geldt voor andere vertelstof net zo: Oude Testament, de Edda, de Griekse mythen.

Zelf vond ik het op den duur wel een verrijking er ‘iets’ van af te weten: ik voelde iets van de diepere waarheden en dat gaf ook aan de manier van vertellen een diepere dimensie. Het waren niet zomaar verhalen meer. De mogelijke duidingen van de beelden zijn vaak verrassend.

Uiteraard krijgen de kinderen hiervan niets te horen: voor hen zijn de overgeleverde verhalen.

Een uitstekend naverteld – ik bedoel dan beeldend en met mooi taalgebruik – zijn de verhalen door Roger Lancelyn Green ‘Scandinavische mythen en sagen’ (Prismapocket 1177).

Ook veel gebruikt wordt het boek van Dan Lindholm ‘Godenverhalen uit de Edda’, uitgegeven bij Chrisotofoor, maar momenteel (06-2014) uitverkocht.

Hieruit de volgende hoofdstukken – met een alfabetische lijst van namen die voorkomen en hun betekenis.

Ten geleide

De inhoud van deze verhalen berust op de poëtische Edda, ook wel oude Edda genoemd, en de proza- of jonge Edda, op de liederen en de sagen. Slechts een enkele maal werden andere bronnen, die overigens schaars zijn, gebruikt. Ook zal men hier en daar zinnen aantreffen die niet direct teruggaan op de hier ge­noemde bronnen. Hun functie is uitsluitend ervoor te zorgen dat betekenis en samenhang niet teloorgaan op die plaatsen, waar deze anders voor het huidige oegrip duister zouden blijven. Want de Edda is immers niet volledig bewaard gebleven. Zij plaatst zowel de onderzoeker als wie haar wil navertellen voor de grootst denkbare problemen.
De gezichtspunten van de hier volgende bewerking kwamen voort uit een jaren­lang zich verdiepen in deze materie evenals in de geesteswetenschap van Rudolf Steiner. Hiermee is ook aangegeven in welk opzicht deze weergave van de Edda zich onderscheidt van de meeste reeds bestaande. Want de antroposofische geesteswetenschap wees de weg om veel dieper in de geest en het wezen van deze mythe, door te dringen dan anders mogelijk zou zijn geweest. Vooral moeten hier de voordrachten worden genoemd die Rudolf Steiner in 1910 te Oslo (het toenmalige Christiana) hield en die werden uitgegeven onder de titel ‘De volkszielen. De opdracht van de verschillende volkeren in relatie tot de Germaanse mythologie’.
Ook aan het mooie boek van Ernst Uehli ‘Nordisch-germanische Mythologie als Mysteriegeschichte’ heb ik vele belangrijke inzichten te danken.
Dan Lindholm

Over de oorsprong van de Edda

In voorhistorische tijden maakten de mensen niet altijd een onderscheid tussen het leven op deze aarde en in het hiernamaals: hier de wereld van de zichtbare dingen, daar een wereld van bovenzinnelijke machten. Wel was deze splitsing bezig te ontstaan. Nog waren echter goden en mensen niet geheel uit elkaar gegaan. De scheiding kwam later.

Tegenwoordig wordt de mens zich zelf gewaar als staande op de hoogste trede van de schepping: onder zich heeft hij het rijk van de dieren, dat van de planten en van de gesteenten. Toen had hij het gevoel zich direct op de onderste trede van de scheppende wezens te bevinden. Boven zich zag hij de rijken der goden. Deze goden behoorden echter bij hem, zoals hij bij hen behoorde. En wanneer hij naar de natuur om zich heen keek trof hij overal een wereld aan die hem aan Ymir herinnerde, de onmetelijk grote reus, uit wie alles is ontstaan. Hij herinnerde zich dit echter half als in een droom. Niet altijd onderscheidde hij scherp tussen de helderheid van het tegenwoordige en de droom van de herinnering.

Zo was het in den beginne. Steeds sporadischer echter deed zich de gave van het schouwen en zich herinneren voor. Ten slotte waren het nog slechts zeer bijzondere mensen die op bepaalde momenten als het ware in vervoering geraakten. Dan hadden zij hun visioenen en door hun mond openbaarde zich een oeroude, heilige mare, ‘Het lied van de stammoeder’. Het zijn juist meest vrouwen geweest die deze gave hebben bezeten. Liederen van deze oorsprong zijn slechts in de oude, poëtische Edda bewaard gebleven. Reeds het woord Edda geeft deze oorsprong aan, want het betekent zoveel als stammoeder of overgrootmoeder.

Woorden en betekenis van de liederen van de Edda zijn niet altijd gemakkelijk te verklaren. De beelden flitsen plotseling als uit een donkere oergrond op, vaak met grote afstanden ertussenin.

Vrouwen die de gave van dit schouwen bezaten, stonden bij de mensen in het Noorden in hoog aanzien. Een dergelijke vrouw werd ook Wala of in het oudnoors Wolwa (zieneres) genoemd.

Bij de liederen van de oude Edda voegen zich de sagen van de jonge. Deze vullen tal van leemten op en maken het mogelijk een verband te zien. Ook de jonge Edda gaat terug op een schouwen, beter gezegd wellicht: op een inwijding. Want als eerste wordt daarin de sage van koning Gylfe verhaald. Deze luidt als volgt:

In Switjod — zo noemde men het oude Zweden — leefde een man. Zijn naam was Gylfe en hij was een machtige koning. Tot hem kwam eens een zieneres. Zij heette Gefjon. Koning Gylfe schepte een zodanig behagen in zijn gesprek­ken met haar, dat hij haar als beloning zoveel land beloofde, als zij in één dag zou kunnen omploegen. Gefjon spande haar vier zonen, die zij in de gedaante van stieren met een reus had verwekt, voor de ploeg. Op hun voorhoofd droegen de stieren sterren, dat waren hun ogen. Zij trokken zo hard dat de damp van hen afsloeg. Op deze wijze ploegde Gefjon een groot stuk land uit Switjod los en wentelde het in zee. Daar werd het een eiland dat tegenwoordig bij Denemarken hoort en Seeland heet. Waar Seeland had gelegen ontstond een meer van dezelfde grootte, het Vanermeer. Dit verklaart waarom inhammen in het Vanermeer en schiereilanden op Seeland altijd ineenpassen. Gylfe moest erkennen dat Gefjon hem te slim af was geweest. Daarom besloot hij die goden op te gaan zoeken, die van oudsher de Asen worden genoemd, om van hen te weten te komen wat hem nog aan wijsheid ontbrak. Want hij verwonderde zich er zeer over dat de Asen altijd in staat zijn alles te leiden zoals zij dit wensen en willen.

De koning verkleedde zich als een arme bedelaar en aanvaardde zijn lange tocht. De goden lieten zich echter niet door zijn vermomming op een
dwaal­spoor brengen. Zij zagen de voetreiziger van verre aankomen en troffen toe­bereidselen om hem met wonderlijke visioenen te ontvangen. Voordat Gylfe het zich recht bewust was geloofde hij voor een burcht te staan, groter en prachtiger dan hij ooit in zijn leven gezien had. Het dak was geheel met gouden schilden bedekt en de muren waren zo hoog dat ze tot in de hemel reikten. Voor de poort kwam een man Gylfe tegemoet, die zonder ophouden met zeven zwaarden speelde; beurtelings wierp hij ze in de lucht en nooit verloor hij er een. De man vroeg Gylfe hoe hij heette, en Gylfe noemde zich Gangleri, — ook Odin wordt altijd zo genoemd wanneer hij een tocht onder­neemt. Gangleri — dat wil zeggen: hij, die op weg gegaan is, de ‘Wandelaar’ — vroeg toen, wie de koning van deze burcht was. De man met de zwaarden antwoordde: ‘Ik zal u bij onze koning brengen.’ Gangleri overschreed de drempel, de poort ging als vanzelf open en viel ook als vanzelf achter zijn hielen dicht.

Toen Gangleri de hal betrad zag hij veel mensen op vele verdiepingen, want het ging er zeer levendig toe. Sommigen speelden, anderen zaten te drinken en weer anderen bestookten elkaar met wapenen. Toen sprak Gangleri:

Alle deuren,
éér men ingaat,
moet men beschouwen,
moet men bespieden,
want nooit weet gij,
of soms niet wacht
uw vijand daar op de vloer.

Deze woorden komen voor in een lied in de oude Edda, de ‘Spreuken van de Hoge’ (‘Hávamál’) genaamd. Hier, nu een mens de hal van de Hoge betrad, scheen het een wachtwoord en richtsnoer te zijn. Want opeens zag Gangleri zich geplaatst voor een drievoudige hoge zetel, waarvan de zitplaatsen zich boven elkaar verhieven. Op ieder ervan was een grote man gezeten. Gangleri vroeg aan zijn begeleider de namen van deze drie mannen. Deze gaf ten antwoord dat hij, die onderaan zat, hun koning was. Zijn naam echter verzweeg hij. ‘Wij noemen hem de Hoge’, zei hij, ‘de tweede noemen wij de Evenhoge, en hij, die bovenaan zit, de Derde.’
Nu begon de Hoge te spreken. Hij vroeg wat Gangleri wenste en tot de poort­wachter sprak hij: ‘Bied hem spijs en drank aan, zoals aan iedereen die onze hal betreedt.’ Gangleri wilde echter niets gebruiken. Want hij was niet gekomen terwille van spijs en drank maar om uit te vorsen of hij op deze plaats iemand zou ontmoeten die kennis bezat, een ingewijde. Toen ant­woordde de Hoge: ‘Niemand komt hier levend vandaan, die niet zelf één ding weet, dat aan ons verborgen bleef. Blijft gij nu staan, daar gij de vragen stelt. Wie antwoordt, mag blijven zitten.’ Gangleri vroeg: ‘Wie is de oudste van alle goden?’
De Hoge antwoordde: ‘Hij heeft vele namen. Hier noemen wij hem de Alvader. Hij leeft door de tijdenronden heen en heerst over zijn rijk. Ook kent hij alle dingen, de grote zowel als de kleine.’
De Evenhoge antwoordde: ‘Hij schiep hemel en aarde, de lucht en het water.’ De Derde sprak: ‘Zijn grootste daad is dat hij de mens schiep en hem een geest gaf, die niet te gronde gaat, ook al vergaat het lichaam.’
Gangleri vroeg: ‘Wat deed hij, voordat hemel en aarde er waren?’ De Hoge antwoordde: ‘Toen was hij bij de Thursen.’
Gangleri bleef doorvragen naar alle bijzonderheden en de drie gaven beurte­lings antwoord, eerst de Hoge, dan de Evenhoge en ten slotte de Derde. Vaak sprak alleen de Hoge.
Het gesprek duurde zeer lang en liep van de eerste tot de laatste dingen. Toen het ten einde liep weerklonk in Gangleri’s oren een geweldige donderslag. Snel wierp hij een blik opzij. Maar toen hij zijn oog weer op de drie mannen wilde richten was de burcht verdwenen en stond hij midden op een wijde vlakte. Zover als hij om zich heen kon zien werd hij slechts verlatenheid gewaar. Blijkbaar had Gylfe toch één ding geweten, dat aan deze goden onbekend was, want hij heeft het er levend afgebracht.
Toen begaf hij zich op weg naar huis en kwam in zijn eigen rijk terug. De sagen, die Gylfe in de hal van de Hoge had gehoord, vertelde hij aan zijn kinderen en dienaren. Latere geslachten verhaalden elkaar, het ene geslacht aan het andere, steeds weer opnieuw, wat Gylfe in de burcht had vernomen. En op deze wijze is de mare ervan tot in onze dagen bewaard gebleven.

Verklarende lijst van namen

De namen van de goden en figuren, die in de Edda optreden, wijzen vaak op de diepere betekenis die in deze namen schuilt. Het is echter niet altijd zo, dat zij slechts voor één uitleg vatbaar zijn, evenmin als de wezens, die zij aanduiden. Sommige kunnen zonder veel moeite worden verklaard, andere werpen daarentegen moeilijk te doorgronden problemen op. Want men moet deze namen niet uitsluitend etymologisch willen verklaren en begrijpen, niet alleen op grond van hun oorsprong en geschiedenis, maar zij moeten ook onomatopoëtisch worden beleefd, dat wil zeggen als klanknabootsingen.

In deze lijst zijn de namen en verklaringen die in de oorspronkelijke Duitse uitgave voorkomen volledig opgenomen. Bovendien werd voor de samenstelling ervan de volgende literatuur geraadpleegd:

Edda. Die Lieder des Codex Regius… herausgegeben von Gustav Neckel. II Kommentierendes Glossar. Heidelberg, 1927

The prose Edda of Snorri Sturluson… selected and translated by Jean I. Young. Berkeley / Los Angeles, 1964

Die Edda. Die wesentlichen Gesange übertragen von Felix Genzmer. Düsseldorf / Köln, 1977

Edda. Goden- en heldenliederen… vertaald en van inleidingen voorzien door dr. Jan de Vries. Deventer, 1978^

Die Edda. II Götterdichtung. Uebertragen von Felix Genzmer. Düssel­dorf / Köln, 19806

Bartelink, G.J.M. Mythologisch woordenboek. Utrecht/Antwerpen, 19783

Branston, Brian. Gods of the North. London, 1980^

Vollmer’s Wörterbuch der Mythologie aller Völker. Stuttgart, 18743

Vries, Jan de. Altgermanische Religionsgeschichte I — II. Berlin / Leipzig,

1935-1937

Afi
‘Grootvader’. Voorvader van de vrije boeren. Zie ook Amma.

Aï
‘Overgrootvader’ of stamvader; de stamvader van de stand der onvrijen

Alven
‘Elfen’. Natuurgeesten. Van de beide grote geslachten van de alven of elfen waren de zwarte alven de boze, de licht-elfen de goede gees­ten.

Amma
‘Grootmoeder’. Van haar en Afi stammen de vrije boeren af.

Amsvartnir 
de duistere zee in de onderwereld.

Angerboda
(‘angr’ = verdriet; ‘bodi’ = brenger): ‘Ongelukbrengster’. Zie de hoofdstukken ‘Het einde van het gouden tijdperk’ en ‘De kinderen van Loki’.

Annar
of Anar, Onar, de tweede man van Nott, de Nacht, en de vader van de Aarde. Deze naam hangt mo­gelijk samen met de wortel ‘oan’ of ‘wan’, die nog voortleeft in ons woord ‘wanen’, ‘waan’ (het Oudnoorse ‘van’ betekent ‘vooruitzicht’, ‘ver­wachting’): dromen, zich verbeelden, vermoeden, verwachten. Het zou zin hebben ‘Annar’ eenvoudig op te vatten als ‘Droom’, ‘Droomwezen’. De Aarde (Jord) zou dan zijn voort­gekomen uit de Nacht, ‘zwanger van dromen’. (Men denke ook aan de be­kende woorden van Shakespeare — The Tempest, 4, 1, 156/7 – ‘We are such stuff As dreams are made on’, ‘wij zijn zo iets als datgene, waarvan dromen zijn gemaakt’.

Asen
Aesir of Asas; in het Gothisch ‘Anses’. De wortel ‘ans’ of ‘ant’ bete­kent ‘krachtig ademen’. Odin, de vader van het geslacht der Asen, is werkzaam in de wind en als schepper van de spraak in het stromen van de adem. Met ‘ans’ verwant is ook  ‘ansa’ = gadeslaan, waarnemen. Asen betekent dus ‘Zij die ons waarnemen’, ‘Zij die krachtig ademen’. Zie ook onder Gullveig.

Asgaard
‘Hof der Asen’ (‘gardr’ = (om)tuin(ing), hof).

Ask
‘Es’. Het eerste mensenpaar werd gevormd uit twee bomen, Ask, ‘Es’, de man, en Embla, ‘Olm’, de vrouw

Audhumla
‘Humla’ betekent een koe zonder hoorns. Audhumla is een wezen, waarin niets verhard is: ‘de rijkelijk schenkende ongehoornde’.

Balder
of Baldur. Deze naam wordt meestal verklaard als ‘heer’ of ‘vorst’. De wortel ‘bhel’, ‘bhol’, betekent ‘zwellen’, ‘groter worden’, en leeft nog voort in ‘bal’, ‘balg’, ‘buil’ en tal­rijke andere woorden. Zo opgevat kan de naam Balder in verband worden ge­bracht met het in kracht toenemende, hoger stijgende licht van de dag of van de lente.

Barri
(‘barr’ = iets dat spits omhoog rijst, vandaar de naalden van een naaldboom, ook de naaldboom zelf en in ’t algemeen: boom): ‘verbor­gen, stil woud’.

Bergelmir
een reus uit het eerste geslacht der reuzen (zie het hoofd­stuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’.) De betekenis van deze naam is nog niet overtuigend ver­klaard: ‘Berenhelm’ (?), ‘Berggebruis’ (?). De oudste reuzen hebben namen die op ‘-gelmir’ eindigen, een woord met ons ‘galm’ verwant.

Bestia
‘de Beste’; dochter van Bolthorn en zuster van Mimir; uit haar huwelijk met Bor werden Odin, Wili en Wé geboren.

Bilskirnir
‘Opklarend weer’ (‘skirr’ = helder, licht), het paleis van Thor. Met deze naam is de weldadige wer­king bedoeld van het onweer met wegtrekkende wolken.

Bodn
‘Aanbod’, ‘Aanbieding’ (‘bioda’, ‘baud’ = aanbieden, aanrei­ken): een van de drie vaten waarin Fjalar en Galar ‘Kvasirs bloed’ lieten vloeien. De beide andere waren Odroerir en Son.

Bolthorn
de vader van Mimir. De naam is afgeleid van ‘bolr’, ‘romp’, en ‘thorn’, ‘doorn’. De betekenis ervan is dus ‘Degene die, of hetgene dat in het lichaam binnendringt’ (de ‘doorn in het vlees’). — Volgens de geesteswetenschap van Rudolf Steiner kan de naam worden ver­klaard uit het door Steiner beschre­ven proces van het ontstaan van het herinneringsvermogen, dat tot stand is gekomen door een dieper
binnen­dringen in het fysieke lichaam van de mens van de hogere bestanddelen van zijn wezen. Tegen deze achter­grond moet Bolthorn worden be­schouwd als degeen, die dit proces bestuurt; Mimir wordt zijn zoon ge­noemd.

Bor
zoon van Buri (‘burr’ = zoon), en vader van Odin, Wili en Wé.

Bragi
hangt samen met ‘bragr’, ‘de eerste’, ‘die uitblinkt’; ook heeft ‘bragr’ de betekenis van ‘dichtkunst’. Bragi is de god van de welsprekend­heid en de wijsheid, gehuwd met Idun.

Breidablik
de ‘wijdglanzende’ burcht, ‘waar men wijd en zijd kan uitzien over de wereld’, het paleis van Balder.

Brisingamén
de door een dwerg Brising gesmede halsketting van Freya (‘men’ = halsketting).

Buri
de ‘Verwekker’, de vader van Bor en de grootvader van Odin, Wili en Wé.

Byleist(r)
‘Hij die door de hofste­den sluipt’, broeder van Loki (Ut-gaard-Loki?).

Deiling
of Dellinger, ‘Dageraad’, de derde echtgenoot van Nott, de Nacht, en de vader van Dagur, de Dag.

Ding
oudgermaanse volksvergade­ring, waar ook rechtszaken werden behandeld. In oorsprong een sacrale bijeenkomst.

Draupnir
verwant met het Duitse ‘Traufe’, ‘drup’,’ ’t druppelen’: ‘Druppelaar’, de wonderring van Odin, vervaardigd door de dwergen Sindri en Brok.

Durin en Dvalin
‘Tijdsduur en Slui­mer’, dwergen.

Edda
Over de betekenis van dit woord lopen de meningen nog uiteen; het zou kunnen samenhangen met het oudnoorse ‘odr’, dichtkunde, poëtica, en zoveel kunnen betekenen als stammoeder of overgrootmoeder.

Einheri’s
of Einheriar: de zielen van de gevallen krijgers die in Walhalla verblijven. De naam kan worden ver­klaard als ‘strijdlustige individuali­teiten’, waarbij ‘strijdlustig’ de ener­gie van de ziel aanduidt.

Elivagar
‘Door stormvlagen ver­wekte golven’, ‘ijs- of hagelstromen’ ‘stormgolven’. De zin van deze bena­ming is die van ‘ritmisch zich her­halende golven’. Zie het hoofdstuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’. — Deze, evenals menige andere naam wordt begrijpelijker wanneer men de opmerking van Rudolf Steiner ter harte neemt, dat de mythen een fysiologisch aspect be­zitten, dat zij, met andere woorden, ook verwijzen naar de natuurlijke levensverschijnselen. Wereld en mens, macrokosmos en microkos­mos beantwoorden aan elkaar. (Zie ook Hvergelmir.)

Eliwog
zie Elivagar

Elli
(vergelijk het Oudhoogduitse ‘elti’): ‘Ouderdom’. Zie het hoofd­stuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Embla
‘Olm(zie Ask).

Erda
zie Jord.

Erna
‘de Flinke’, de vrouw van Jarl.

Fadir
‘Vader’.

Fenrir
‘fen’ = moeras, grond die niet draagt, onbetrouwbaar is. De wolf Fenrir wil dus zeggen ‘de onbe­trouwbare wolf’, ‘het leugenbeest’.

Fimbulvetr
(‘fimbul’ = reuzen-; ‘vetr’ = winter): ‘de reuzen-, de reus­achtige winter’, de lange winter aan het einde der tijden.

Fjalar
‘De veel wetende’; dwerg, die samen met de dwerg Galar uit het met honing vermengde bloed van de wijze Kvasir de dichtermede maakte.

Fjörgynn
de vader van Frigg. Naast deze mannelijke god, een reus, komt een vrouwelijke godin Fjörgyn voor. ‘Fjörgyn’ betekent ‘aarde’; godinnen hebben vaak namen, die te kennen willen geven dat zij van de aarde
af­stammen.

Folkwang
‘Landouw van het volk’, ‘Volksveld’, ‘Vlakte van het krijgs­volk’ (‘folk’ = krijgsschaar, gevolg, stoet): het verblijf waar Freya de ge­vallen krijgers ontvangt.

Forseti
‘de Voorzitter’, ‘Rechter’, zoon van Balder en Nanna.

Freki
zie Geri en Freki

Freyr en Freya ‘Heer’ en ‘Vrouwe’, ‘Heerser’ en ‘Heerseres’, kinderen van Njord en Skadi.

Frigg
of Frigga (‘fridr’ = vrouw): Vrouw, echtgenote. Frigg was de echtgenote van Odin en de moeder van Balder en Bragi. Gangleri de ‘Gaande’, ‘Hij die op weg is gegaan’, de ‘Wandelaar’. Een van de bijnamen van Odin.

Gangrad(r)
(‘rad’ = raad; ‘god-radr’ = goede raad gevend): ‘Hij die goede raad geeft’, bijnaam van Odin.

Garm(r)
‘de Blaffende’, ‘de Bijterige’, ‘Hond’, die de weg naar Helheim bewaakt; komt overeen met de Cerberus in de Griekse mythologie, en is met deze naam waarschijnlijk ook taalkundig verwant.

Gefjon
de ‘Gevende’. Dit is ook de naam van een godin, die in het gevolg van Odin voorkomt. Door deze naam wordt derhalve aangeduid dat Gefjon een boodschapster van Odin is.

Gerd
‘Ge-Erd’, dat wil zeggen ‘Uit de aarde’. Gerd, de dochter van de reus Gymir, trouwde met Freyr, die door zijn wapendrager Skirnir naar haar hand liet dingen. Zie het hoofd­stuk ‘Freyr dingt naar de hand van de dochter van een reus’. Geri en Freki  ‘Gulzigheid’, ‘de Gul­zige’ en ‘Vraatzucht’, ‘de
Vraatzuch­tige’, de twee wolven die Odin volgen.

Gimle
de eeuwig gouden zaal, het vernieuwde Walhalla na Ragnarok.

Ginnungagap
Oorsprong: ‘Gap Ginnunga’. Gap is taalkundig ver­want met gapen: strot, diepte, af­grond enz. ‘Ginnung’ is afgeleid van het Oudnoorse werkwoord ‘ginna’: bedriegen, toveren, drogbeelden voor­voorspiegelen. Ginnungagap is dus ‘de van toverbeelden of droombeel­den, dat wil zeggen van imaginaties, vervulde ruimte of gapende afgrond’. Zie het hoofdstuk ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’.

Gnipaheller
‘gnipa’ is taalkundig verwant met ‘knijpen’. ‘Hellekloof’, ravijn waardoor de weg naar Helheim voerde.

Gullveig
(‘gull’ = goud; ‘veig’ = drank): ‘Gouddrank’. Achter deze naam gaat een groot raadsel schuil. Uit de samenhang schijnt opgemaakt te mogen worden dat Gullveig tot het geslacht der Wanen behoort. Deze zijn vooral in de opbouwende levenskrachten werkzaam. Wat groeit en leeft vormt het terrein van hun werkzaamheid. Zoals het geslacht van de Asen kan worden gekenschetst als dat van de ‘Zonen van de Dag’, zo dat van de Wanen als de ‘Dochters van de Nacht’. Want iedere nacht, wanneer het bewust­zijn zich tijdens de slaap terug­trekt, vullen de vorm- en levenskrach­ten datgene weer genezend aan, wat door het actieve, wakende leven tijdens de dag werd verbruikt. Zo bestaat er een strijd tussen die goden, die meer het bewustzijn van de mens stimuleren, en diegenen, die het ,scheppende, actieve leven dienen. Dit proces wordt weerspiegeld in de mythe van het verbranden van Gullveig in het ‘paleis van de Hoge’. Het onverbrande hart duidt op een onver­bruikte rest, op een soort voortwoe­kerend bezinksel, waarvan Loki zich meester kan maken.

Gungnir
afgeleid van ‘ganga’, ‘gaan’: ‘Datgene wat golvend voorwaarts gaat’, Odins speer, zinnebeeld van zijn spraakvermogen.

Gylfe
of Gylfi: Vorst, koning. Zie het hoofdstuk ‘Over de oorsprong van de Edda’.

Gymir
‘Ge-Ymir’, dat wil zeggen ‘Van Ymir afstammend’, ‘de Aardse’. Reus, vader van Gerd.

Hati
zie Skol en Hati

Heervader
naam voor Odin: ‘Aan­voerder van het leger der gevallen krijgers’; ‘het wilde heir’ of ‘de wilde jacht’ is de omschrijving voor Odin, in de storm voortjagend door de lucht, aan het hoofd van de zielen der gevallen krijgers (zie Einheri’s).

Heid
(‘heidr’ – heide, woud): ‘Die uit het woud’, ‘Die van de heide’ -een naam voor tovenaressen. Er schijnt een geheime samenhang te bestaan tussen de ‘Oude in het erts­woud’, Heid, Angerboda en het onverbrande hart van Gullveig.

Heimdall
‘de Helle, Heldere uit het heelal’, ‘Wereldglans’, lichtgod; door hem worden de verschillende standen in het leven geroepen.

Hei
de heerseres over de onder­wereld, het rijk van de doden. Taal­kundig verwant met ‘hol’, ‘de hel’ enz.

Helheim
het rijk van Hel, de heer­seres over de onderwereld, het
doden­rijk.

Hermod
(‘hermogr’ = krijger, krijgsman), verwant met ons woord ‘heir’ (‘krijgsmacht’): ‘Hij die moedig is als een heir’. Hermod is de zend­bode, de afgevaardigde van de goden. Himinbjorg  (‘himinn’ = hemel, fir­mament; ‘biarg’ = berg): ‘Hemelberg’ of ‘Hemelburcht’, het paleis van Heimdall.

Hlidskjalf
(‘hlid’ = poort, deur) ‘bank bij de deur’, de troon van Odin, de hoogste zetel van Asgaard, van waaruit hij de hele wereld kon overzien.

Hlorridi
‘Bliksemslingeraar’, bij­naam van Thor.

Hodmimir
‘Hodd’ = het Duitse ‘Hort’, een vorstelijke schat; Hodmimir is ‘de schat bewarende Mimir’ (de rijkdom van de herinne­ring). ‘Hodmimirs hout’ is een ge­heime benaming voor de levens­boom Ygdrasil.

Hödur
of Hod, ‘de Schatbewaar­der’ (?) (‘hodd’ = vorstelijke schat). De betekenis van deze naam is pro­blematisch. De blindheid van Hödur, de blinde broeder van Balder, heeft betrekking op de we­reld van de goden. Deze blindheid heeft zich meester gemaakt van de gehele mensheid. Op grond hiervan vertegenwoordigt Hödur als bewust­zijnsvorm de aardsgezindheid, het blind zijn voor het goddelijke, het levensgevoel dat aan het louter
fysie­ke organisme gebonden is.

Hönir
‘De lokkende, roepende’. De Indogermaanse wortel is ‘chan’, met de betekenis van ‘zingen’, ‘lokken’, ‘roepen’. Deze naam zinspeelt dus op het verband tussen Hönir en het verbeeldingsleven van de mens. Hönir roept de verlokkende voor­stellingswereld op. Zie het hoofd­stuk ‘De goden en hun werken’.

Hraesvelg
‘Lijkenverslinder, -verzwelger’ (‘hrae’ = lijk). Hraesvelg is een reus die in de gedaante van een adelaar aan het einde van de wereld zit. Van zijn vleugels gaat de wind uit. De drukkende zwoelheid die aan storm en onweer voorafgaat, werd als ontzielde, levenloze lucht ervaren. De storm verzwolg deze dode lucht. Als imaginatie, als een door de voorstellingskracht opgeroepen beeld, ontstond de reusachtige ade­laar, die de wind door zijn vleugel­slagen teweegbrengt.

Hrungnir
‘de Knarsende’, ‘Herrie­schopper’, ‘Bruiser’. Zie het hoofd­stuk ‘Thors strijd met Hrungnir’.

Hugin en Munin
‘Gedachte’ en ‘Her­innering’ of ‘Geheugen’: de twee raven die op Odins schouders zitten.

Hugi
‘Zin’, ‘Gedachte’. Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Hvergelmir
‘Helm’ (het gewelfde deksel van een distilleerkolf) ‘waarin het wervelt of kolkt’, ‘bruisketel’. Microkosmisch (zie Elivagar) wordt met Hvergelmir de ontwikkeling van de hersenen bedoeld. De helm is de hersenpan, de werveling, de zich ont­wikkelende, zich vormende herse­nen. De twaalf rivieren zijn de in de droom beleefde evenbeelden van de zenuwstrengen. Elivagar wijst op het proces van het overgaan in vaste toe­stand. In overeenstemming hiermee is Muspelheim de wereld van de ver­branding, die uit de stofwisseling in het onderlichaam van de mens de warmte produceert. — Deze werelden, in beeldende vormen beleefd, stonden de zieneres voor de geest als terzelfder tijd kosmische en menselij­ke, de ontwikkeling stuwende krach­ten. Zie de hoofdstukken ‘Over de reus Ymir en de koe Audhumla’ en ‘Over de es Ygdrasil’.

Hymir
een reus; de betekenis van deze naam is onzeker. Waarschijnlijk bestaat er een samenhang met Ymir. Ook kan gedacht worden aan een ver­band met ‘hrim’, ‘rijp’, ‘rijm’; ‘hrim-kaldr’, ‘rijp-koud’, is een ken­schetsing van reuzen. Hymir zou dan kunnen betekenen ‘Rijpveroorzaker’.

Hyrrokin
(‘hyrr’ = vuur): ‘De in het vuur gerookte’, tovenares door de goden geroepen om het schip voor Balders vuurdood los te wrikken.

Idavlakte
‘id’= daad, handeling: ‘de vlakte, de velden van de hande­lenden, van de arbeid’.

Idun
verwant met ‘id’, ‘daad’, ‘han­deling’: ‘Zij die handelt’, in dit ge­val ‘Zij die verjongt’. Idun is de doch­ter van een koning der elfen of dwergen, Iwald. Het eten van haar appels schonk aan de goden steeds weer nieuwe jeugd. (Men vergelijke de Griekse mythe van de appels der Hesperiden, die eveneens eeuwige jeugd verschaffen.)   [ook Iduna]

Iwald
of Ivaldi ‘Hij die vermag’, ‘Hij die kan’, ‘die het in zijn macht heeft’. Vader van Idun.

Jarl
(het Engelse ‘Earl’): ‘Edelman’, adellijke titel die aan de hogere ambtenaren van de koning toekwam. In het lied van Rig stammen van Jarl de edelen af.

Jarnsaxa
(‘jarn’ = ijzer, kling; ‘sax’, in het Latijn ‘saxum’ (steen) = een kort zwaard; de uitdrukking ‘sax’ stamt uit de steentijd): ‘IJzerzwaard’, een reuzin bij wie Thor twee zonen verwekte: Modi en Magni.

Jord
of Erda, de godin van de Aarde, dochter van Annar en Nott, de Nacht. Zij werd de moeder van Thor.

Joten
zie Jotunheim Jotunheim  ‘Heim of heem, woon­plaats, der Joten’. (‘jotun’, oorspron­kelijk ‘Eoten’ = eter, veelvraat). Jotunheim was ‘oostelijk’ gelegen, aan gene zijde van de Elivagar. Dit moet echter niet alleen maar in ruimtelijke zin worden opgevat. Want wat aan de andere zijde van de Elivagar lag, ging in tijd vooraf aan de wereld, geschapen door Odin, Wili en Wé. De Joten zijn vanuit voorbijetijden met vernietigende krachten werkzaam, en wel ‘vretend’. De wijsheid van de Joten heeft altijd betrekking op het verleden. Toen Odin iets over het oerbegin wilde vernemen zocht hij een Jotun, Wafthrudnir, op (‘Hij die sterk is in het weven, dat wil zeggen in het op­geven van moeilijk te ontwarren raadsels’, ‘de ingewikkeld spreken­de’). Wanneer hij iets over de toe­komst wilde te weten komen, be­diende hij zich van de ziel van een mens, en wel van de Wala.

Karl
‘Kerel’, de naam voor de vrije boer. In het lied van Rig de stam­vader van de stand der vrije boeren.

Kvasir
‘de Fluisteraar’ (‘kveda’, ‘kvad’ = geluid geven). Het ontstaan van Kvasir, de wijste van alle schep­sels, uit de samenwerking van de beide godengeslachten van de Asen en de Wanen, wijst op het ontstaan van de spraak, respectievelijk op de spraakorganen. Daarom werd gezegd dat uit Kvasirs bloed de dronk der skalden, de dichtermede, was ont­staan (‘Kvaedi’ = gedicht). Het Noorse ‘kwase’ en het Russische ‘kvas’ voor een uit bessen gegiste drank wijzen nog op de samenhang met de mede.

Laufey
(‘lauf’ = loof, blad; ‘ey’ = eiland): ‘Loofeiland’ (‘Loofhout’?), de moeder van Loki. Wanneer Loki de zoon van Laufey wordt genoemd, heeft het er, volgens de geestesweten­schap van Rudolf Steiner, alle schijn van, dat hiermee zijn herkomst wordt aangeduid uit een toestand van de aarde, die is zoals die van het loof, dat wil zeggen nog niet geminerali­seerd. (Zie Rudolf Steiner, De we­tenschap van de geheimen der ziel).

Lidskjalf zie Hlidskjalf

Lif en Lifthrasir
‘Zij die leeft’, ‘het Leven’; en ‘Hij die op het leven wacht’, ‘de Levenbegerende’, ‘Levensdrang’. Zie de hoofdstukken ‘Over de es Ygdrasil’ en ‘Na Ragnarok’.

Lodur
verwant met het Duitse woord ‘lodern’, ‘(op)vlammen’, ‘branden’, ‘gloeien’. Lodur is in de bloedwarmte en in de stofwisseling werkzaam. Hij wakkert ‘het vuur’ aan, datgene wat de mens van binnen uit zijn kleur verleent, kortom wat zijn verschijning bepaalt. Zie het hoofdstuk ‘De goden en hun werken’.

Logi
‘Vlam’, ‘Gloed’. Zie het hoofd­stuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Loki
deze naam is voor meer dan een uitleg vatbaar.Waarschijnlijk hangt hij samen met het werkwoord ‘luka’, (‘lauk’), dat ‘afsluiten’, ‘be­ëindigen’, ‘een einde maken’ bete­kent; ‘luka upp’ is ‘ontsluiten’, ‘af­leiden’; ‘lok’ betekent ‘slot’, ‘eind’. Ook wordt wel een samenhang gezien met logi’, ‘vlam’, ‘laaie gloed’. Deze ontvankelijkheid voor velerlei uit­leg komt geheel voort uit het wezen van Loki. Hij is de Lucifer van de oudnoorse mythe. Tijdelijk is hij met de goden verbonden en helpt hij hen bij tal van moeilijkhe­den. Door toedoen van Loki echter maakt de wijsheid zich los van de dingen, die door de schepping waren ontstaan. Door niets meer ge­bonden ontaardt de wijsheid tot die sluwheid, die Loki zijn macht geeft. Van deze sluwheid gaat een sterke verlokking uit. Zij brengt de mensen zelfzucht (de wereldslang Midgardsormr), de leugen (de wolf Fenris) en ten slotte de dood (Hei): alle drie kinderen van Loki.

Lorridi zie Hlorridi

Magni
‘de Sterke’ (‘magn’, oor­spronkelijk identiek met ‘megin’ = kracht, sterkte). Magni is de sterke zoon van Thor.

Maretak
(Viscum album) ‘mistel-teinn’ (‘teinn’ = twijg), ook vogellijm en met de Engelse naam mistletoe genoemd. Deze plant, die niet in de aarde wortelt maar parasiteert op allerlei bomen, stond de ‘Zoon van Laufey’, Loki, ter beschikking. Juist omdat hij geen wortel kan schieten in de aarde stamt hij uit hetzelfde verleden van de wereld, waaruit ook Loki is voortgekomen. (Meer bijzon­derheden bij Rudolf Steiner, Welt, Erde und Mensen, 1908, G.A. 105.)  [ zie ook plantkunde]

Menglad
(‘men’ = halsketting; ‘gladr’ = blij, verheugd): ‘Zij, die zich over de halsketting verheugt’, bijnaam van Freya.

Midgaard
‘De middelste wereld’, die aan de mensen was toegewezen. Aan de ene kant, boven, was zij omgeven door Asgaard, de hof der Asen, de godenburcht; aan de andere kant, beneden, door Jotunheim. Dit in de macrokosmos, in de wereld in het groot. In de microkosmos, in de mens zelf, komt Midgaard overeen met de ritmische mens, dat wil zeggen met hart en ademhaling. — Door de mens uit vroeger tijd werd de borst beleefd als de eigenlijke zetel van de ziel. Van beneden af, vanuit de stofwisseling, bruiste Muspelheim op. Vanuit het gebied van het hoofd voelde hij de wereld van het koude komen.

Mimir
taalkundig verwant met ‘memoria’, ‘memory’, enz. Mimir draagt in zich de herinnering van de wereld. Door de wijze waarop hij in de Edda is uitgebeeld behoort hij tot de wezens van een hogere orde dan de dichter bij de mensen staande Asen.

Mistletoe zie Maretak.

Mjöllnir
‘de Verpletteraar’, de hamer van Thor (‘mölva’ = verbrijze­len, vermorzelen).

Modi
‘de Moedige’, zoon van Thor en de reuzin Jarnsaxa.

Modir
‘Moeder’.

Modsognir
(‘sogn’ hangt samen met ‘suga’, ‘zuigen’): ‘Zuiger van mede’. Schijnt een bijnaam van Mi­mir te zijn; Modsognir is echter ook de naam van een van de aanvoerders der dwergen.

Mundilfari
de vader van Mani (de Maan) en Sol (de Zon). De naam hangt samen met ‘maan’ en duidt een bepaald tijdstip aan.

Munin
zie Hugin en Munin.

Muspelheim
‘Oord van vernietigend vuur’, vuurwereld. De warme pool bij het ontstaan van de wereld. (Zie ook Niflheim en Hvergelmir.)

Naglfar
het uit menselijke nagels gebouwde dodenschip, ‘Nagelschip’.

Nanna
‘De werkzame’, de echtge­note van Balder en moeder van Forseti.

Narwe zie Nor.

Nidhog
(het Oudhoogduitse ‘nid’ betekent ‘haat’, ‘nijd’; ‘högg’ = houw, hakken): ‘Nijd-hakker’, ‘N(e)idhart’, ‘Nijdas’, de draak die aan de wortel van Ygdrasil knaagt. De naam duidt op de het leven ver­terende kracht, die werkzaam is in het zenuwstelsel. (Vergelijk de Griekse mythe van het hoofd van Medusa met zijn verstenende kracht.)

Niflheim
letterlijk ‘Nevelheim’, nevelgebied. De oude Germanen be­leefden de wereld en de mens als ont­staan uit een polariteit. Niflheim duidde de ijzig koude pool aan. (Zie ook Muspelheim.)

Njord
een van de goden uit het ge­slacht der Wanen die onder de Asen werd opgenomen. Vader van Freyr en Freya. God van de rijkdom en de vruchtbaarheid. Zie de hoofd­stukken ‘De Asen en de Wanen’ en ‘Suttungs mede’.

Noatun
‘Hof der schepen’, ‘Schepentuin’, het paleis van Njord. Nor of Norvi, Norve, ‘De in ’t nauw gebrachte’, ‘de Benarde’; ‘narwa’ is in het Oudgermaans ‘nauw’, ‘smal’. Nör is de vader van Nott, de Nacht.

Nornen
afgeleid van ‘nyrna’, ‘hei­melijk mededelen’: de drie Schikgo­dinnen, die over het menselijke lot beschikken. Hun namen zijn Urd, Werdandi en Skuld — Verleden, Heden en Toekomst.

Nott
of Natt, de Nacht, de dochter van de reus Nör. Zij was driemaal ge­trouwd, eerst met Naglfari (Lucht of Aether), aan wie zij een zoon Audur (Stof, Voorraad) schonk; daarna met Annar, die de vader werd van Jord, de Aarde; en ten slotte met Delling, de Dageraad. Uit dit laatste huwelijk werd Dagur, de Dag, geboren.

Odin
in het Oudhoogduits Wuodan, later Wotan (Wodan). Taal­kundig verwant met ‘waden’ en ‘woeden’, dat wil zeggen ‘krachtig in voorwaartse richting gaan, naar voren dringen’. Odin is de godheid die bij voorkeur werkzaam is in de storm — in de ademhaling die de longen vult, en in de wind die door het woud bruist. Buiten, in de we­reld in het groot, laat hij struiken en bomen spreken, kruinen ruisen, takken kraken. — In de mens bun­delt hij dit alles in het woord, in woorden die aan klanken van de na­tuur zelf zijn ontleend. De taal die Odin aan de mensen schonk was een onomatopoëtische, op klanknaboot­sing gebaseerd, en hierop berustte haar magische werking. Odin-Wotan is verreweg de meest gecompliceerde en complexe godheid onder de noordgermaanse goden.

Odr
ook Od of Odur (Oudhoog­duits ‘wuot’): ‘Gemoedsbeweging’, ‘Hartstocht’, ‘Zieleleven’. Odr is de bruidegom van Freya.

Odroerir
‘Geestverwekker’, ‘Die de geest in beweging brengt’: zowel de ketel, waarin de mede, de skalden­drank, bewaard werd, als deze dichtermede zelf.

Onar zie Annar

Raesvelg zie Hraesvelg 

Ragnarok
(hangt samen met ‘regin’, Gotisch ‘ragin’, ‘de heersenden’, ‘de goden’): ‘het raadsbesluit, aan de goden voltrokken’, ‘de ondergang der goden’, ‘wereldondergang’, ‘godenschemering’. Hiermee is voor­al een verandering van het bewust­zijn bedoeld, die zich na de dood van Balder moest voltrekken. De oude helderziendheid, die de dingen als in een droom zag, verdwijnt; voortaan is voor de mens slechts dat­gene ‘werkelijk’, wat hij met zijn zin­tuigen duidelijk waar kan nemen. Regin  (Gotisch ‘ragin’): ‘de Heer­senden’, dat wil zeggen de goden.

Rig
‘Heerser’, ‘Wezen van een hoge­re orde’ (het Keltische ‘ri’, tweede naamval ‘rig’ betekent ‘koning’).

Rungnir zie Hrungnir

Sessrymnir
(‘sess’ = zetel, zit­plaats): ‘de Zetelrijke’, zaal in het paleis van Freya.

Sif
is hetzelfde woord als ‘sibbe’, ‘familie’, ‘de gezamenlijke ver­wanten’, Sif was de echtgenote van Thor.

Sindri 
‘De vonkenspattende’. Naam van de dwerg die de hamer Mjöllnir smeedde.

Skadi
‘Schade’, ‘Stammend van de tegenkrachten’, dochter van de reus
Thjazi, die door de goden gedood wordt. Als genoegdoening hiervoor trouwt Skadi met Njord.

Skidbladnir
(‘skid’ is het Noorse ‘ski’; ‘blad’ = blad): ‘Uit planken, zo dun als bladeren gevormd’, ‘Gevleu­geld hout’, het opvouwbare schip van Freyr.

Skirnir
(‘skina’ = glanzen, lichten, stralen; ‘skirr’ = helder, klaar, licht): ‘de Schitterende’, ‘de Glanzende’. Dienaar en wapendrager van Freyr.

Skol en Hati
(‘skollr’ = slinkse stre­ken; ‘hatr’ = haat): ‘de Slinkse, Valse’ en ‘de Hatende’, de beide wolven die zon en maan willen ver­slinden.

Skrymir
afgeleid van ‘skrama’, ‘doen schrikken’. Hiermee verwant is ‘skrymt’, ‘spook’, ‘verschijning’. Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Skuld
hangt samen met ‘skolo’ (‘skylda’), ‘moeten’ en met ‘skyldr’, ‘schuldig’. Deze naam heeft betrek­king op de toekomst, op datgene, wat de mens overeenkomstig zijn lot moet betalen. Daarom heet een van de drie Nornen, die van de toe­komst, Skuld.

Sleipnir
taalkundig verwant met ‘sluipen’: ‘De snel sluipende’, het achtvoetige paard van Odin.

Snaar
‘Schoondochter’, de vrouw van Karl, de stammoeder van de stand van de vrije boeren.

Son
‘Offer'(taalkundig verwant met ‘zoenen’ in de betekenis van ‘boeten’, ‘goedmaken’). Een van de drie vaten, waarin de dichtermede, Kvasirs bloed, werd opgevangen.

Surt
‘de Zwarte’ (‘sortna’ = zwart worden). De demon van het vuur die Muspelheim met een vlammend zwaard bewaakte. Suttung ‘de Geweldadige’ (?) volgens een andere verklaring ‘de Zui­per’): zoon van de reus Gilling. Na diens dood kreeg hij van de dwergen Fjalar en Galar als vergoeding de dichtermede, die hij door zijn doch­ter Gunlod liet bewaken.

Svadilfari 
‘Die over gladde rotsen heenrijdt’, de hengst van de bouw­meester van de muur om Asgaard.

Tanngnjostr en Tanngrisnir
‘Tan­den knetteraar’ en ‘Tandenknarser’, de twee bokken die Thors wagen trokken.

Thjalfi
de betekenis van deze naam is onzeker; mogelijk ‘dienaar’ (?) Zie het hoofdstuk ‘Thor bij Utgaard-Loki’.

Thjazi
of Thjassi, ‘Stormer’ (?); de betekenis van deze naam is onzeker. Vader van Skadi.

Thökk
deze naam wordt zowel ver­klaard in de betekenis van ‘Duister’ als van ‘Dank’ (‘thakka’ = danken). In deze laatste betekenis moet de naam ironisch zijn bedoeld voor de reuzin, wier gestalte Loki aanneemt na de dood van Balder, en die als enige van alle schepsels niet om de dood van Balder treurt. Thor of Donar, ‘Donder’. Door de figuur van Thor werd in de oudnoorse mens zijn eigen ik-bewustzijn wakker geroepen.

Thrall
‘Horige’, ‘Knecht’. Stamvader van de stand der onvrijen.

Thrudwang
Landouw van de kracht’ (‘thrud’ = kracht), het gebied waar zich de burcht van Thor, Bilskirnir, bevindt. Thrym afgeleid van ‘thruma’, ‘don­deren’, ‘geraas maken’: ‘Donder’, reus die tijdens Thors slaap diens hamer steelt.

Thrymheim
‘Dreunend heem’, ‘Donderverblijf’ (‘thruma’ = donde­ren), de woning van Thjazi.

Thursen
‘Duistere wezens’ (het woord ‘Thurs’ legt de nadruk op de weerzinwekkende lelijkheid). Zij worden vaak op één lijn gesteld met de Joten en eenvoudig als reuzen be­schouwd. Oorspronkelijk was dit niet zo. Toen noemde men de oer­wezens, die verbonden waren met een wereld die aan de huidige vooraf­ging, Thursen. Dit blijkt duidelijk uit een passage in de jonge, de proza Edda (‘Gylfaginning’, ‘De begooche­ling van Gylfe’). Daar wordt door Gylfe/Gangleri gevraagd, waar de schepper van de wereld was, toen hij nog niet de huidige wereld had ge­schapen. Het antwoord luidt: ‘Toen was hij bij de Thursen’.

Thyra
‘Slavin’, ‘(Dienst)meid’.

Ull
 ‘uil’, het Angelsaksische ‘wull’, Gotisch ‘wulla’, betekent ‘wol’. ‘De Wollige’ (?), zoon van Sif, stiefzoon van Thor, bekend als skiloper, jager en boogschutter.

Urd
‘uit de oertijd’, de Norne van het verleden en de belangrijkste van de drie Nornen.

Utgaard
(‘ut’ = buiten, eruit; ‘gardr’ = (om)tuin(ing), hof): ‘Buitenhof’, het rijk van Utgaard-Loki, gelegen aan het einde der wereld, het rijk van de ijzige koude.

Utgaard-Loki
‘de Loki van de we­reld buiten ons’. De Noors-germaanse mythologie onderscheidt tussen twee werkzame beginselen van het kwaad. Het eerste, dat door Loki, de zoon van Laufey, wordt vertegen­woordigd, oefent zijn verleidende werking uit op het gebied van de geest en de ziel. Dat wil zeggen dat Loki uit de rijen van de goden naar de mens toegaat. Het tweede, Ut­gaard-Loki, bewerkstelligt de be­goochelingen die van buiten af de ziel omvangen, om de mens te be­letten de diepere werkelijkheid te doorgronden die zich achter de we­reld van de zintuiglijke waarneming verbergt. — Bij Saxo Grammaticus, de schrijver (overleden ca 1220) van een geschiedenis van Denemarken vanaf de oudste tijden tot 1184, vin­den we een zeer drastische schilde­ring van de onderaardse grotten van Utgaard-Loki. Alles is daar hoornachtig en hard geworden. In het uiterste noorden, waar nooit de zon schijnt, bevindt zich de ingang tot deze met gif gevulde holen.

Valr zie Walvader

Wala
oudnoors Wolwa of Volva: Waarzegster, zieneres. Letterlijk: ‘Zij die vertrouwd is met de offerstaaf­jes’. Om het lot of de wil van de goden te doorgronden werden op een bepaalde wijze staafjes of met bloed ingewreven spaanders, zoge­naamde ‘volr’, op een hoop gegooid. De runen die hierdoor ontstonden wist de Wala te duiden. — Misschien mag in ‘Volva’ ook de overeenkomst in klank met ‘wolf’ worden beleefd, hoewel dit zuiver etymologisch moeilijk kan worden gestaafd. Onder de dieren werd de wolf als een in bij­zondere mate bezeten, demonisch, wezen ervaren. Daarom werd met ‘wolf’ heel vaak die merkwaardige relatie aangeduid, die ontstaat wan­neer een hogere macht bezit neemt van een mens — in goede zowel als in kwade zin. De vele sagen over weerwolven hangen hiermee samen, vermoedelijk ook het veelvuldig voorkomen van ‘wolf’ als eind- of be­ginlettergreep in oudgermaanse namen.

Walhalla
‘Hal der gevallenen’, het verblijf van Odin.

Walkuren
‘Zij die de Wal (‘valr’) kiezen’, ‘Dodenkiezers’: dienaressen van Odin die door de lucht rijden en op Odins bevel hen aanwijzen, die in de strijd zullen sneuvelen.

Walvader
afgeleid van ‘vair’, de lijken van de gevallenen op het slag­veld na de slag: ‘Vader van de geval­len krijgers’, een van de namen van Odin.

Wanen
taalkundig verwant met het werkwoord ‘wanen’: ‘Zij die wanen’. Het Oudnoorse ‘van’ betekent ‘vooruitzicht’, ‘verwachting’: ‘Zij die verwachten’. Zie ook onder Gullveig.

War
ook Wara, Woer of Wor. Hangt samen met ‘var’, het Oudhoogduitse ‘wara’, ‘gelofte van trouw’. War is de godin van de huwelijkstrouw.

Wegtam
‘De aan wegen gewende’, ‘de veel reizende’, een van de namen van Odin (‘vegr’ = weg; ‘tamr’ = tam, getemd).

Werdandi
de Norne van het tegen­woordige, het heden.

Widar
(‘vida’ = wijd, ver): ‘De Om­vattende’, ‘De wijd en zijd heer­sende’, zoon van Odin en de reuzin Grid.

Wili en Wé
taalkundig verwant met ‘Wil’ en ‘Wijding’, ‘Heiligdom’. De drievuldigheid Odin, Wili en Wé moet worden opgevat als een uit de geeste­lijke kosmos stammende werkzaam­heid van de ziel. Deze in den beginne werkzame drievuldigheid stemt niet geheel overeen met de latere drievuldigheid Odin, Hönir en Lodur, die werkzaam is bij de schepping van de mens. De laatstgenoemde drievul­digheid vindt haarvoortzetting in de krachten van de menselijke ziel van het voelen, denken en willen. Hierbij heeft een verschuiving plaats gevon­den. In de eerste drievuldigheid ver­tegenwoordigt Odin meer het denken, in zekere zin als de uit de wereldgeest scheppende goddelijke kracht, Wili en Wé het willen en voelen. In de tweede, op de mens ge­richte drievuldigheid werkt Odin door de adem taalscheppend, terwijl Hönir het gevoel en de zinsbekoring doet ontbranden en Lodur in de warmte van het bloed de wil laat op­vlammen. De verschuiving schijnt op te treden doordat de oorspronkelijke, bij de schepping van de wereld werk­zame drievuldigheid zich in de mens wijzigt in een viervuldigheid. Bij het denken, voelen en willen voegt zich een vermenging, die opgeroepen wordt met de zintuiglijke waarne­ming. (Men denke aan de vier ko­ningen in Goethe’s ‘Sprookje van de groene slang en de schone lelie’.)

Wor zie War

Ygdrasll
‘Yggr’ is de naam van een (krijgs)god en betekent ‘de Vrees­wekkende’. Odin neemt soms deze naam aan; taalkundig is hij verwant met ‘ek’ en ‘ik’. Het Ik van de god­heid riep bij de mensen altijd vrees op. ‘Drasil’ = ‘Drager’, ‘dragend dier’. Hieruit kan ‘Yg(g)-drasil’ worden ver­klaard als ‘Ik-drager’. Ygdrasil is de levensboom of wereldboom, die het met een ik begaafde schepsel draagt.

Ymir
het alles omvattende oer­wezen, waarin alles samen- en ineen-vloeit. Meer bijzonderheden hier­over deelt Rudolf Steiner mee in de vierde voordracht van zijn cyclus over de ‘Egyptische mythen en mysteriën’ uit 1908 (G.A. 106). Hij zegt daar: ‘De inwijdeling schouwde in de geest als het ware de oervorm van de godheid. De dieren zag hij als lagere, als ‘bij’vormen, ook de plan­ten zag hij als ondergeschikte gestal­ten. Alles, wat hier als lagere natuur­rijken leeft, dat alles zag de Atlan­tische inwijdeling als voortkomend uit degestalte van de mens.’ Waar­schijnlijk is Ymir taalkundig verwant met het Oudiraanse ‘Yama’, Indisch ‘Jama’. Yama was voor de Iraniërs de oermens, Jama was de god van de doden van de Indiërs (Ymir is het eerste wezen, dat ooit is gestorven).

vertelstof: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas Edda

.

595-546

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – G. en A. Philips

.

Op een van de donkerste dagen van de Tweede Wereld­oorlog, 13 mei 1940, toen Fransen en Engelsen terug­weken voor de Duitse stoomwals en de Nederlandse mili­taire weerstand zich op de rand van de ineenstorting bevond, baande een Britse torpedobootjager op een uitzonderlijke red­dingsmissie ondanks het gevaar van Duitse mijnen en duikbom­menwerpers zich een weg naar de Nederlandse kust. Het schip meerde af in Hoek van Holland en nam daar een groep van om­trent 25 mannen aan boord. Dat waren geen gestrande Britse onderdanen of een ingesloten militaire eenheid; het waren voor­aanstaande functionarissen en onderzoekers van het wereldver­maarde Philips-concern, Nederlands “elektronische reus”.

De Britten achtten een poging om de “brain-trust” van dit con­cern aan de greep van de Duitsers te onttrekken het risico van het verlies van een waardevol oorlogsschip meer dan waard — en zij bleken gelijk te hebben, want de Philips-mensen brachten bijzon­derheden mee over nieuwe elektronische vindingen die voorbe­stemd waren om in de grote worsteling een uiterst belangrijke rol te spelen. Een daarvan betrof een nieuwe vacuümbuis die een vitale component van radar werd. Een andere buis, die on­zichtbare infrarode straling omzette in een zichtbaar beeld, werd de kern van een apparaat voor het lokaliseren van geschutsstellingen. De Philipsgroep, die enkele weken na de evacuatie naar Engeland verder trok naar de Verenigde Staten, gaf daar leiding aan het werk ten dienste van de oorlogsproductie van de Ameri­kaanse tak van het concern, de North American Philips Corp., benevens van een nieuw laboratorium te Irvington. Na de oorlog ontving de North American Philips Corp. het slechts aan een klein gedeelte van de industrie toegekende Army-Navy Production Award Emblem ‘Voor bekwaamheid, ijver en toewijding op het productiefront van de grootste oorlog in de geschiedenis”.

Het Philips-concern is een van de opmerkelijkste en wijdst ver­breide ondernemingen ter wereld. Het bezit fabrieken in alle werelddelen, telt
252 000 werknemers en leverde in 1965 [1]voor een waarde van zeven-en-een-half miljard gulden aan goederen en diensten aan derden. De onderneming is er een welsprekend bewijs van dat “big business” niet het specifieke domein van grote naties is. Toen de Nederlandse markt te klein bleek om de productie van Philips-gloeilampen te absorberen, sloeg de toen nog piep­jonge onderneming haar vleugels uit, eerst over Europa, later over heel de wereld, en zij is dat blijven doen.

Zo men van iets mag zeggen dat het “wereldbekend” is, dan van de naam Philips. Hij verlicht om zo te zeggen de hele aard­bol. Zijn gloeilampenfabrieken vindt men in tientallen landen, de jongste in Turkije en in Maleisië. Het zijn strijklichten van Philips die de beroemde kathedraal van Barcelona en de Place de la Concorde in Parijs illumineren, en halogeengloeilampen van Philips die de Shalamar Gardens in Lahore en de Rots van Gibral­tar in “floodlight” zetten en de renbanen van Vichy en Majorca verlichten. De belichting van het toneel van Europa’s beroemdste operatheater, La Scala in Milaan, is van Philips — maar die naam vindt men ook op de projectieapparatuur in Amerika’s grootste bioscopen, op elektronische onderdelen voor Engelse com­puters, op de natriumlampen die de nieuwe, prachtige autoweg bij Lyon en een net van verkeerswegen bij Caracas verlichten en veiliger maken, op de “travelling wave maser” die gebruikt wordt in het Britse grondstation voor de transatlantische communicatie via satellieten, op de apparatuur voor de lanceerbasis Woomera in Australië, en op de röntgenapparatuur in ziekenhuizen in Birma. Philips-radiotoestellen worden per muilezel naar hoogge­legen eenzame plaatsen in het Andesgebergte gebracht, onder­zoekers in Zweedse natuurkundige laboratoria gebruiken spectroscopen en elektronische microscopen van Philips, de geluids­versterking bij de massabijeenkomst in New York bij het bezoek van paus Paulus VI was van Philips, het is Philips die de moderni­sering en automatisering van het telefoonnet van de Soedan ver­zorgt, de eerste televisiezender van Australië bouwde, omroep- en televisiezenders construeert in Venezuela, Indonesië en Zambia.

De producten van de onderneming variëren van eenvoudige kerstboomverlichting tot gecompliceerde cyclotrons ter waarde van vele miljoenen guldens. Zij voert verlichtingsprojecten uit voor banken in Parijs en Karachi en fabrieken in België, Tanzania en Pakistan, zij richt complete ziekenhuizen in, telefooncentrales en telegraafnetten, radio- en televisiestudio’s, verzorgt de gehele elektronische uitrusting van een modern vliegveld — en dat alles “waar ook ter wereld”.

Deze gigantische onderneming werd uit het niets geschapen door twee uitzonderlijk begaafde broers: ir. Gerard Philips en zijn 16 jaar jongere broer Anton. Beiden werden geboren in het kleine stadje Zaltbommel aan de Waal, waar hun vader, Frederik Philips, een kassiersbedrijf, de gasfabriek, een tabakskerverij, een koffie­branderij en een wattenfabriek exploiteerde en een handel in tabak en thee dreef. De oudste zoon, Gerard, geboren op 9 oktober 1858, studeerde met succes aan de Polytechnische School te Delft, waar hij de ingenieurstitel behaalde. De wat verlegen, leergierige Gerard, met zijn weerbarstige snor en zijn stalen bril, werd in het gezin “de professor” genoemd; hij werd gefascineerd door de toen nog jonge elektrotechniek en las alles wat hem in handen kwam over Edisons nieuwe, in 1879 gelanceerde gloeilamp, en ex­perimenteerde in een primitief, in het washok achter het ouderlijk huis ingericht “laboratorium”. Hij was al jong in contact ge­komen met de later zo befaamde Lorentz, die zijn belangstelling voor experimentele natuurkunde stimuleerde, en tijdens een ver­blijf in Glasgow waar hij toezicht hield op het aanleggen van een lichtinstallatie aan boord van de Willem, Prins van Oranje van de Maatschappij Zeeland kwam hij in aanraking met de beroemde fysicus Thomson, de latere Lord Kelvin, die hem toestemming gaf in zijn elektrisch verlichte laboratorium zijn studies voort te zet­ten. Terug in Zaltbommel zette Gerard Philips zich ertoe zich de kunst van het maken van gloeilampen eigen te maken, ervan overtuigd dat hij een kooldraadlamp kon vervaardigen die beter en goedkoper was dan die van buitenlands fabrikaat. Eind 1890 was hij zo ver (hij was toen 32 jaar); hij slaagde erin zijn vader te infecteren met zijn enthousiasme voor het nieuwe licht dat de wereld zou gaan veroveren. Frederik Philips bleek bereid 75 000 gulden te investeren en te riskeren in een gloeilampenfabriekje. Zaltbommel kwam als vestigingsplaats niet in aanmerking en Gerard vond ten slotte wat hij zocht in het toen nog landelijke, Brabantse plaatsje Eindhoven: een klein bakstenen gebouw van een stilgelegde bukskinfabriek. Hij nam tien goedkope arbeids­krachten in dienst, landarbeiders wier vereelte handen beter geschikt waren om koeien te melken dan om de fijne kooldraden voor elektrische lampen te vervaardigen. Geduldig leerde Gerard hun de kunst en in 1892 kwam de productie op gang: 30 kooldraadlampen per dag.

Vier jaar lang rekte het fabriekje zijn moeizaam bestaan: de productie rees traag, het geld verzwond snel. Om nog iets van het bedrijfskapitaal te redden besloten vader en zoon in 1895 de zaak te verkopen, maar de onderhandelingen sprongen af op een onoverbrugbare kloof van duizend gulden tussen de vraag­prijs (25 000 gulden) en de biedprijs (thans, driekwart eeuw na de oprichting, bedraagt het eigen vermogen van de onderneming bijna 4 1/2 miljard gulden!). Op dat precaire ogenblik besloot vader Frederik dat de zaak nieuw bloed nodig had: dat van Gerards broer Anton.

De vrolijke, onstuimige Anton, toen 20 jaar, in Amsterdam en Londen opgeleid voor de effectenhandel, voelde er niet veel voor zijn ambities op te geven en de kosmopolitische centra waar hij zijn werkterrein hoopte te vinden te verwisselen voor het saaie, kleinsteedse Eindhoven. Maar hij liet zich overhalen en stemde toe in een proeftijd van een half jaar. Het standbeeld dat de stad Eindhoven voor hem oprichtte is er een blijvend ge­tuigenis van dat die proeftijd werd omgezet in levenslange arbeid ten dienste van de onderneming die door zijn vader en zijn broer zo bescheiden was opgezet. Met wervelende energie zette hij zich aan de taak de firma Philips & Co uit het slop te halen. Hij dreef de afzet omhoog, ging de boer op met zijn koffer­tje met kooldraadlampen, en in 1896 sloot de firma voor het eerst een boekjaar met winst af : ƒ 14 460 (zeventig jaar later beliep de concernwinst 400 miljoen gulden!). Een jaar later overtrof de productie ruim de behoefte van de nog maar be­scheiden Nederlandse markt, waar het “nieuwe licht” slechts langzaam terrein won (Eindhoven zelf kreeg pas in 1912 elek­trisch licht!). Anton trok met zijn koffertje de grenzen over, 3de klas reizend en levend van een paar rijksdaalders per dag — naar Duitsland eerst, Frankrijk, Spanje, Portugal daarna, en ook Rusland. Daar boekte hij, in 1898, zijn grootste order: 50 000 “kaarslampen” voor de kristallen luchters van het winterpaleis van de tsaar in Sint Petersburg, een bestelling die hij vol trots aan Gerard doorseinde. Die informeerde telegrafisch of Anton niet per ongeluk een nul te veel had geschreven; waarop Anton prompt terugseinde: “fïfty thousand — fünfzig tausend — cinquante mille”.

Anton had reden voor die trots. Rusland, dat het gaslicht leek over te slaan en van kaars en petroleum op gloeilamp overscha­kelde, werd door reizigers van de veel machtiger en kapitaalkrach­tiger Duitse gloeilampenindustrie intensief bewerkt. Er leek daar een markt met een ongekend absorptievermogen braak te liggen en daarom had de oudere en rijpere Gerard besloten zelf die markt te gaan verkennen. Maar moeilijkheden bij de montage van een nieuwe stoommachine weerhielden hem en zo moest de 24-jarige Anton, nauwelijks twee maanden na zijn huwelijk met Annetje de Jongh, de reis naar het toen zo verre, vreemde land aanvaarden, zonder introducties en zonder enige kennis van de taal. Doch zijn talenten als verkoper kregen nu de kans zich ten volle te
ont­plooien: met zijn onstuimige energie wist de vertegenwoordiger van het kleine, beginnende Eindhovense fabriekje bijna overal zijn Duitse concurrenten de loef af te steken. Binnen één maand bracht hij 21 nachten in een slaapwagen door, aan zijn jonge vrouw schreef hij dat hij zo door vlooien en luizen was gebeten dat hij met gezwollen armen rondliep. Maar hij verkocht gloei­lampen bij tienduizenden: binnen enkele weken de helft
van de toenmalige jaarproductie. Zijn emotionaliteit en zijn impulsivi­teit spraken de Russen aan. Hij won hun vertrouwen, ook door zijn wijze van zakendoen. Toen een beginnende Russische instal­lateur geestdriftig een onverwacht grote order gaf voor een nieuw soort lampen, adviseerde Anton hem, na inzage van ’s mans verkoopstaten, de bestelling flink te verlagen: hij bespaarde zijn nieuwe klant liever het risico van een onverkoopbare voorraad.

Later, toen hij aan het hoofd stond van een al machtige, wijd vertakte onderneming, heeft hij eens tijdens een reis door de Verenigde Staten gezegd: “Een goede handelsreiziger wil zaken doen voor altijd en niet voor eenmaal.” Hij ergerde zich aan men­sen die zich boven het acquisitiewerk verheven voelden: hij door­drong er zijn medewerkers immer van dat het verkopen de front­linie van het zakendoen was, dat alle zakelijke relaties in een sfeer van correctheid ook een persoonlijk karakter moesten dra­gen, dat met de wensen van afnemers en met de lokale omstan­digheden rekening moest worden gehouden, maar ook met iedere klacht. In 1909, in de tijd van de overschakeling van kooldraadlampen op metaaldraadlampen (waarvan er vele na een gering aantal branduren zwart werden), spotte men in België na de dood van koning Leopold II dat Philips “rouwlampen” leverde. Anton had dagwerk met het opvangen van klachten van ontevreden af­nemers: alle teruggezonden, zwartgebrande lampen werden koste­loos vervangen door nieuwe, net zo lang tot Gerard een middel had gevonden om de donkere aanslag in de glasballons te voor­komen en de sombere “tijd van de zwarte lampen” voorbij was.

Het was de combinatie van de zo sterk uiteenlopende talenten van Gerard en Anton die de grondslag legde voor de opbloei van een noodlijdend kooldraadlampenfabriekje tot een gigantisch wereldconcern op het gebied der elektronica.

Gerard, de technicus, experimenteerde en ploeterde onvermoeid om nieuwe en betere fabricagemethoden te vinden, de kwaliteit van zijn producten op te voeren en de technologische ontwikke­ling voor te blijven. Hij bleef studeren in zijn “laboratorium”, een hoek in een der werkruimten waar een kast met flessen en reageer­buizen en een tafel met instrumenten voor eenvoudige proeven stonden, tezamen vormend wat men in het bedrijf de “keuken” of de “apotheek” noemde. Met minder medewerkers en minder hulpmiddelen dan zijn buitenlandse concurrenten wist hij
niette­min in de voorhoede der technische evolutie te blijven, dank zij vooral de grote vindingrijkheid waarmee hij zijn uitgebreide theoretische kennis aan de praktijk wist dienstbaar te maken. Toen een technische vernieuwing van grote betekenis zich aan­kondigde, de vervaardiging van een metaaldraadlamp met ge­spoten wolfraamdraad, ging Gerard
experimenteren met wol­fraam. Het resultaat was een metaaldraadlamp die bij eenzelfde stroomverbruik een driemaal grotere lichtsterkte had dan de oude kooldraadlamp.

Anton, de koopman, ontpopte zich meer en meer als de ge­boren grote ondernemer met een de wijde wereld omvattende ruime blik, die snel zag waar zijn kansen lagen en daardoor de moordende concurrentie vaak een slag voor was. Toen in het begin van deze eeuw een ware prijzenoorlog uitbrak tussen de A.E.G. en Philips om het bezit van de Duitse markt, kreeg Anton in Berlijn van Emil Mainroth, een der directeuren van de A.E.G., de raad zijn brutale concurrentiestrijd maar te staken: “Ik hoef slechts op deze knop te drukken en de prijs van de lampen gaat omlaag tot 20 Pfennig.” Waarop Anton riposteerde: “U kunt op die knop drukken zoveel u wilt, maar u komt te laat. Sedert een maand staat in al onze verkoopcontracten de clausule dat de prijzen van Philipslampen steeds een halve Pfennig beneden de offertes van de A.E.G. zullen liggen.”

Hoe slagvaardig Anton was bewees hij na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, toen de Duitsers de aanvoer van voor het be­drijf onontbeerlijke glasballons uit Duitsland en Oostenrijk be­lemmerden en de spoorwegverbinding met Rusland, een van de grootste afnemers van de onderneming geworden, afsneden. Anton handelde met de hem kenmerkende durf en verbeeldings­kracht. Hij bouwde een eigen glasfabriek, smokkelde vakkundige glasblazers uit het door de Duitsers bezette België (hij liet ze langs sluikwegen naar de grens komen waar ze door een tussen het prikkeldraad geschoven ton naar Nederlands gebied kropen) en kocht zeventig rendieren en sleden om de leveranties aan Rusland via Finland voortgang te doen vinden. Toen de blokkademaat­regelen ter zee en de door de Duitsers afgekondigde onbeperkte duikbootoorlog de aanvoer van grondstoffen en de export van eindproducten in gevaar brachten, werd Anton zelfs reder: hij kocht een aantal loggers en trawlers die onder de blauwwitte Philipsvlag zijn lampen naar hun bestemming brachten en grond­stoffen, maar ook andere schaarse goederen, als hoeden uit Italië, groentezaden, parfums en zelfs champagne uit Frankrijk, aanvoerden. Röntgenbuizen voor medici konden niet meer wor­den ingevoerd: Philips ging ze repareren en daarna zelf maken. Lampen voor filmprojectors volgden. De militaire autoriteiten hadden radiobuizen nodig: Philips ging ze maken en zette daar­mee de eerste schreden op een weg die naar een verbluffend snelle expansie van het bedrijf zou leiden — de popularisering van de radio als massa-communicatie- en ontspanningsmedium.

Gerard Philips vergezelde zijn broer niet op die weg: in 1922 trok hij zich uit de leiding van het bedrijf terug en droeg de ver­antwoordelijkheid aan Anton over. Hij zag in dat de sectoren der techniek die hij zo lang superieur had beheerst, steeds meer vormen van teamwerk vergden, waarin de genialiteit van de indi­viduele uitvinder op de achtergrond werd gedrongen. Het weten­schappelijk onderzoek nam een vlucht die voor een ingenieur zonder gespecialiseerde fysische en mathematische kennis moeilijk te volgen was: de gedachte “Einstein niet te kunnen begrijpen” drukte hem zwaar. Maar toch had Gerard de richting bepaald van de weg die de onderneming voor haar verdere ontplooiing moest inslaan. Toen koningin Wilhelmina in de prille ochtend­uren van de 1ste juni 1927, nadat zij en prinses Juliana zich voor het eerst via de Philips-kortegolfzender tot de bewoners van Oost­- en West-Indië hadden gericht, aan Anton de aan de Huisorde van Oranje-Nassau verbonden eremedaille in goud “voor voort­varendheid en vernuft” overhandigde, merkte deze op: ‘Ik kan wel voor de voortvarendheid zorgen, maar het vernuft bevindt zich hier in het laboratorium.”

Daarmee doelde hij op het natuurkundig laboratorium dat Gerard, zich realiserend dat in wetenschappelijk onderzoek de sleutel lag voor succes in de zich snel uitbreidende wereld der elektronica, reeds in 1914 had ingericht en dat een der eerste industriële researchinstituten ter wereld was. Hij stelde het onder leiding van een geniale jonge natuurkundige, dr. G. Holst, die spoedig erkend werd als een der grote pioniers op het gebied van de industriële research in Nederland. Een indrukwekkende reeks nieuwe producten werd in dit laboratorium ontwikkeld. Het leidde door zijn experimenten en ontdekkingen het bedrijf naar terreinen waar Gerard en Anton in hun schamele, spaarzaam ver­lichte en verwarmde kantoortje in hun eerste primitieve kooldraadlampenfabriekje nauwelijks van gedroomd zullen hebben: natriumlampen voor wegverlichting, hogedruk-kwiklampen, reus­achtige vuurtorenlichten, maar ook subminiatuurlampjes met een diameter van 3 millimeter, radio- en televisietoestellen,
kunst­stoffen, grammofoonplaten, kwartslampen met infrarode straling voor industriële ovens, huishoudelijke apparaten, vitaminepre­paraten, koelkasten en stofzuigers, insecticiden, fungiciden en herbiciden.

Toen hem gevraagd werd hoe Philips het had klaargespeeld van een nietig fabriekje dat 30 gloeilampen per dag maakte uit te dijen tot zijn huidige omvang en betekenis, verklaarde Frits Philips, de zoon van Anton, dat aldus: “Vele ondernemingen wensen niet te groeien, zij geven de voorkeur aan zekerheid boven het avontuur. Bij ons is dat altijd anders geweest. Anton Philips had haast om groot te worden. Mensen van zijn type hebben de neiging daarbij anderen onder de voet te lopen. Anton deed dat niet. Hij droeg bevoegdheden over en moedigde anderen aan ver­antwoordelijkheid te dragen. Hij hield ervan mensen vooruit te helpen. Nog tijdens zijn leven — hij stierf in oktober 1951 — was het kleine Eindhovense bedrijf uit de jaren ’90 uitgedijd tot ‘een wereldfederatie van ondernemingen’ welke ervan getuigt dat free enterprise’, als ze de kans krijgt, overal kan groeien en bloeien, tot verrijking van iedereen.”

alle biografieën

.

594-545

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lindbergh

.

EEN VLUCHT DIE  DE WERELD IN  OPWINDING BRACHT

 

LindberghElke dag opnieuw reizen duizenden mensen in verwarmde, comfortabele vliegtuigen door de lucht over de Atlantische Oceaan — werkend, etend, slapend, lezend of kaartend, terwijl hun route met argusogen wordt bewaakt door een be­schermend netwerk van weerstations, en bemanningen van vlie­gers, boordwerktuigkundigen, navigators en marconisten hen in nog geen zeven uren veilig naar Europa vervoeren.

Toch is het amper veertig jaar geleden dat de hemel boven de sombere Atlantische Oceaan slechts één klein toestel telde, dat in 33 uur door het ledige luchtruim van New York naar Parijs kroop. Het is op zichzelf al verbazingwekkend dat zich daar een machine bevond — een eenmotorige eendekker van 220 pk met slechts één inzittende. Het had geen ijsbestrijders, geen lichten, geen verwarming, geen radio, geen automatische piloot. De vleugels waren van hout en zeildoek en het totale gewicht was kleiner dan dat van de elektrische installatie van een modern lijnvliegtuig. Toch vloog het zich een lichtend spoor door de ge­schiedenis, en bracht het zijn bestuurder ongekende roem.

In 1919 loofde een Newyorkse hotelmagnaat, Raymond Orteig, een prijs van 25.000 dollar uit voor de eerste nonstop-vlucht van New York naar Parijs — een afstand van 5800 kilometer. Acht jaren gingen voorbij eer de vooruitgang in de vliegtuigbouw en de verbetering van de motoren een waagstuk als dit binnen het be­reik van het mogelijke brachten. Begin 1927 maakte zich aan beide zijden van de Atlantische Oceaan een aantal beroemde piloten op voor de reis. Vrijwel op het laatste ogenblik arriveerde een onbekende als laatste deelnemer per vliegtuig in New York.

Het was geen opwelling “op de valreep” die Charles A. Lindbergh aan de start bracht. Hij was 25 jaar, een ervaren postvlieger en kapitein van de Luchtmachtreserve. Reeds in 1926 had hij zorgvuldig de eisen uitgewerkt die voor het maken van een vlieg­reis over de Atlantische Oceaan aan vliegtuig, motor, navigatie en geldmiddelen moesten worden gesteld. Maar hij bezat niet meer dan 2000 dollar en toen een groep zakenmensen uit St. Louis dit bedrag tot 15 000 dollar had verhoogd was het nieuwe jaar reeds aangebroken. (De totale uitgaven van tekentafel tot Parijs bleken 13 500 dollar te bedragen).

Op 28 februari begon men met de bouw van het toestel — een Ryan met speciale brandstoftanks en een Wright Whirlwind motor. Daar ook andere deelnemers zich opmaakten om in de lente te vertrekken, werd voor de voltooiing van het toestel een tijdslimiet van zestig dagen gesteld. De bovenmenselijke inspan­ning van alle betrokkenen stelde Lindbergh in staat zich op 12 mei 1927 op het Curtiss Field, Long Island, te laten inschrijven. Dat was de week dat Charles Nungesser en François Coli, de twee Franse vliegers die zonder tussenlanding op weg waren van Parijs, op zee verdwenen en dat Richard Byrd met zijn driekoppige bemanning evenals Clarence Chamberlin en Charles Levine ge­reed stonden om van New York op te stijgen. Dood en ongeluk hadden de andere deelnemers uitgeschakeld.

De gehele week was het slecht weer. Maar op die regenachtige avond van de 19de mei, toen Lindbergh en zijn helpers op het punt stonden te gaan dineren, voorspelde het weerbericht een radicale verandering: het optrekken van de stormzones en mistgordels boven de grote cirkelroute naar Frankrijk. Er volgden dertien uren van rusteloze activiteit, variërend van het oppikken van vijf sandwiches, een liter water en enkele aanbevelingsbrieven (een beleefdheidsgebaar) tot het transport van de Spirit of St. Louis naar het Rooseveltvliegveld dat over een langere startbaan be­schikte. Toen hij de volgende ochtend vroeg in de cockpit stapte, had Lindbergh in 24 uur geen slaap gehad.

De gelaatsuitdrukking van de vlieger terwijl deze naar de motor luisterde wees er niet op dat het gevaarlijkste deel van de hele vlucht hem aangrijnsde: de start. Doordat zij bij de start neer­stortten waren de deelnemers René Fonck en Noel Davis en Stanton Wooster uitgeschakeld. Weinig motoren met zo weinig paardenkrachten als die van Lindbergh hadden ooit zo’n zwaar gewicht getild. Bovendien zou Lindbergh met een zwakke wind in de rug moeten opstijgen van een langzame, modderige startbaan. Aan het eind van die baan doemden telefoondraden, bomen en een heuvel op.

Terwijl een expert toeluisterde, gaf hij de motor vol gas. Het toerental lag nog 30 omwentelingen te laag, maar — aldus de deskundige — de motor liep zo goed als men op een vochtige dag kon verwachten. Lindbergh bedankte hem, gespte zijn veilig­heidsriem vast, en gaf het teken dat de blokken voor de wielen konden worden weggetrokken.

Intussen had men brandblusapparaten naar het eind van de startbaan gebracht. De toeschouwers verstrakten en dachten aan de vlammen die een maand daarvoor Davis en Wooster hadden verteerd. Even voelden zij de neiging in zich opkomen deze jongen tegen te houden. Te laat — de wielen draaiden al. Vijf seconden, tien, vijftien — nog steeds sleepte de staartsteun door de modder. Toekijkende piloten moedigden het voortworstelende toestel met hun geschreeuw aan: “Trek je staart op! Duw de gashendel door!” Vijfentwintig seconden, dertig — daar was het veilig­heidsbaken, te laat om het af te laten weten en het nog eens te proberen. NU! Een harder stuk startbaan, een plotselinge snel­heidstoeneming, een schok, nog een schok, een lange sprong, ge­juich van de menigte. Hij is los!

Hoger en hoger, voetje voor voetje, in een flits langs de brand­weerauto. Met drie meter tussenruimte over een tractor. Met twintig meter speling over de telefoondraden. Genoeg vaart om los van de bomen te komen en rakelings langs de heuvel af te draaien. Lindbergh beschreef het aldus: “Omstreeks 7 uur 40 sloeg ik de motor aan en om 7 uur 52 steeg ik op voor de vlucht naar Parijs.”

De dag sleepte zich voort door het middaguur, en reeds was hij in de avondschemer overgegaan toen de eerste verheugende tijding de miljoenen bereikte die naar een levensteken van de jonge vlieger snakten. Om 19 uur 15 flitste er een bericht uit New Foundland door de wereld dat de Spirit of St. Louis de stad St. John’s was gepasseerd. In het Yankee-stadion in New York waar juist de bokswedstrijd Maloney — Sharkey aan de gang was, rezen 40 000 toeschouwers als één man overeind toen de medede­ling uit de luidsprekers kwam. Zij ontblootten het hoofd en baden voor Lindbergh.

Ver van de kust boven de duistere zee zette de eenzame vlieger zich schrap voor het gevecht van zijn leven. Een klamme lijkwade van mist reikte voortdurend omhoog naar zijn vleugeltoppen. Steeds hoger trok hij zijn zwaarbeladen vliegtuig op, maar de mist rees spookachtig mee omhoog. Net toen hij over de top van de mistbank scheerde zag hij voor zich uit een enorme massa stormwolken waarvan de hoog optorenende pieken hem als schild­wachten het recht op doorgang schenen te betwisten.

Juist toen het stormfront hem besprong was Lindbergh tot een besluit gekomen. Zijn blik gleed over de instrumenten. Hij haalde diep adem en stoof voorwaarts — recht op de storm af. Als een speelbal van monsterachtige krachten smakte het toestel op en neer. Maar het ergste moest nog komen: ijs — in die dagen de grote pilotenmoordenaar. Er voer een plotselinge rilling door het vliegtuig. Lindbergh realiseerde zich dat hij misschien urenlang in dit weer zou zitten. “Ik was gedwongen terug te keren en mij onmiddellijk weer naar een heldere hemel te begeven, om ver­volgens om alle wolken heen te vliegen waar ik niet overheen kon.” Het feit dat hij in weerwil van al die omweggetjes toch de juiste koers had weten aan te houden, werd later geprezen als een knap staaltje van navigatie.

De dageraad die hem van de Oude Wereld tegemoet trad, was de eerste die hem de vriendenhand reikte. Achttien uren van New York, ongeveer halverwege de reis, ging de zon op en begon de temperatuur te stijgen. Geen noodzaak meer om uit te wijken en omwegen te maken. Maar het gebrek aan slaap werkte verlam­mend. Om zich er tegen te verweren controleerde Lindbergh zijn instrumenten en zijn koers. Hij nam zijn gevoelloze voeten van het richtingsroer en stampte ermee op de vloer; met de palm van zijn hand gaf hij pijnlijke meppen op zijn gezicht en hij verzon van alles om zichzelf af te leiden. De zon stond al tamelijk hoog toen zich in de wolkendeken beneden hem de eerste openingen begon­nen te vertonen. Nog een paar minuten — en daar, op de bodem van een groot gat, rimpelde zich de oceaan. De Spirit of St. Louis schoot omlaag om haar te begroeten en daalde tot op dertig meter van de grote, woelige wildernis. Schuimkoppen! Het instinct van de navigator voelde zich plotseling beloond, want het schuim werd uit het noordwesten voortgeblazen. Wind in de rug! Maar alsof hem zelfs deze kleine adempauze niet gegund was, sloot het wolkengordijn zich opnieuw en dwong hem tot nogmaals twee uren van onafgebroken blind vliegen.

Lindbergh kon niet weten dat hij met zijn Spirit of St. Louis reeds het onderwerp vormde van alle krantenkoppen en het ge­sprek van de dag was. En dat telkens weer de vrees de harten besloop wanneer gedurende die eindeloze zaterdag de stemmen van radio-omroepers de programma’s onderbraken: “Nog steeds geen nieuws. . .” De ten einde spoedende namiddag bezorgde Lindbergh een nieuwe zorgenlast. Hij bevond zich 27 uur vliegen van New York. Had hij de juiste koers gevolgd, dan moest er nu spoedig land in zicht komen. Nu brak voor hem de klassieke be­proeving aan, die in de mythologie de stervelingen treft die hun wagen aan een te heldere ster vasthaken: luchtspiegelingen. “Er verschenen talrijke kustlijnen met bergen, baaien en bomen die duidelijk afstaken tegen de horizon.” Land wenkte de vlieger van alle kanten — behalve van de goede kant.

Lindbergh had het nu meer dan twee dagen en twee nachten zonder slaap gedaan. Hij gelooft achteraf dat de afwezigheid van vensterruiten — die hij met het oog op het betere uitzicht had laten verwijderen — mogelijk zijn leven heeft gered. Door af en toe het richtingsroer uit te trappen liet hij telkens een vlaag koude zeelucht door de raamopeningen naar binnen stromen. Intussen staarde hij misnoegd naar de modderkluiten aan de onderzijde van zijn vleugels — brokken van het Roosevelt-vliegveld die hij bij de start had opgeschept. Daar zij zich juist buiten het bereik van zijn armen bevonden, begonnen deze weinige onsjes extra gewicht hem steeds meer te irriteren.

Plotseling kwam er een handvol stippen in zicht, een tikje zuidelijk van zijn koers. Hij kon zijn vermoeide ogen nauwelijks geloven. Nieuwe luchtspiegelingen? Hij bracht de Spirit of St. Louis met de neus omlaag. Vissersboten! Dat betekende land in aan­tocht! Lindbergh cirkelde om een van de boten en minderde gas. Op de boot stak een man zijn hoofd uit een patrijspoort en keek omhoog. “Welke richting is Ierland?” schreeuwde Lindbergh. Maar de visser gaf geen teken dat hij hem had gehoord of begre­pen. En dus porde Lindbergh zijn motor opnieuw op.

Land! Zelfs vanuit een modern lijnvliegtuig is de aanblik van dat eerste strookje aarde — zo oerveilig na de enorme uitgestrekt­heid van de oceaan — een wonderlijke belevenis. Toen de kust­lijn zich verbreedde en het late zonlicht Dingle Bay overspoelde, moet de levensbeker van de eenzame vlieger bijna zijn overgelopen van geluk. Valentia! De zuidwestelijke punt van Ierland! Hij lag precies op de juiste koers!

En toen die laatste vijf uren, op vermoeide, maar triomferende vleugelen. In de opwinding van het welslagen leek slaap nu onbe­langrijk. Over Ierland, over het keurige, liefelijke Engeland, over het Kanaal in de vredige avondschemering. Het was of hij de avondklokken volgde die hem naar huis moesten geleiden. Toen de schemering in het duister van de nacht overging, wezen de lange vingers van de luchtbakens op de route Londen-Parijs hem het eindpunt van de reis.

Parijs! Daar cirkelde dan plotseling Charles Augustus Lindbergh, uit St. Louis in Missouri, rond de Eiffeltoren, op 5812 kilometer en 33 uur vliegen van New York. Terwijl hij omlaag spiraalde naar het vliegveld Le Bourget verbaasde hij zich over de intensiteit van het Franse zaterdagavondverkeer en over de
on­gelofelijke mensenmassa die met opgeheven gelaat het veld om­zoomde. Toen de Spirit of St. Louis over het gras rolde, stormde de menigte erop af en klonk uit duizenden kelen een oorverdovend gejuich. Om te voorkomen dat iemand een dodelijke klap van de propeller zou krijgen, zette Lindbergh het contact af. Nauwelijks was het toestel tot stilstand gekomen of het begon te kraken onder de druk van de menigte. Hij wrong de deur open en schreeuwde wanhopig om mecaniciens, maar zijn stem ging verloren in het tumult. Hij werd uit de cockpit gesleurd en over de hoofden heen van hand tot hand doorgegeven. Het duurde een half uur eer zijn voeten de grond raakten. Toen brachten Franse piloten hem snel in veiligheid.

Telegrammen vlogen naar alle uithoeken van de aarde. In heel Amerika werden de radio- en bioscoopprogramma’s onderbroken. De mannen in de Ryan-vliegtuigfabriek schreeuwden zich hees. De statige New York Times bekroonde zes pagina’s tekst met de uitbundigste kop in haar geschiedenis: “LINDBERGH DOES IT!”

In de dolle maanden die volgden verkeerde hij met koningen en vertoonde zich aan de talrijke menigten, maar hij hield het hoofd koel en zijn oprechte bescheidenheid bleef onaangetast. Hij had een instinct om goede gedachten in simpele, ongemaakte bewoor­dingen uit te drukken — zoals in de eerste speech van zijn leven, waarin hij het Franse volk zijn deelneming betuigde met het ver­lies van zijn helden Nungesser en Coli, die, zoals hij uitlegde, een veel gevaarlijker poging hadden ondernomen dan hijzelf.

Toen hij naar huis voer, op een door de president van de Ver­enigde Staten uitgezonden kruiser, hadden de hem gedane film­- en reclame-aanbiedingen reeds het bedrag van 2,5 miljoen dollar overschreden. Hij sloeg alles af, behalve de Orteig-prijs en een paar welverdiende technische en litteraire onderscheidingen. Hij had zijn vlucht gemaakt om de luchtvaart te bevorderen, en dat deed zij ook. Geleidelijk brokkelde het vooroordeel tegen vliegen af; de passagiersdiensten breidden zich uit en het vervoer van luchtpost nam dat jaar met 300 percent toe.

In een tijdperk van de Amerikaanse geschiedenis dat daaraan grote behoefte bestond — de tijd van dranksmokkel, misdaad en schandalen — bracht Lindbergh nog iets meer dan roem mee naar huis. In de woorden van Charles Evans Hughes vertegenwoordig­de hij “alles wat wij maar kunnen wensen — een jonge Amerikaan op zijn best”. In de daaropvolgende jaren leerde Lindbergh zowel het geluk als het verdriet om een tragedie kennen, goede en slechte raad te krijgen, gelijk en ongelijk te hebben. Maar niets heeft ooit de volmaaktheid van zijn grootste uur ontsierd, toen hij naar voren trad met een integriteit en een waardigheid waarmede hij zich de diepgevoelde dank van zijn land verwierf.

Charles Lindbergh sprak zelden of nooit over de oceaanvlucht die hem beroemd maakte. Mevrouw Lindbergh nam eens hun toen elfjarig dochtertje mee naar een bioscoop waar de film The Spirit of St. Louis, die Lindberghs vlucht tot onderwerp had, draaide. Halverwege de voorstelling fluisterde het ademloos toe­kijkende meisje haar moeder in het oor: “Mammie, haalt-ie het?”

Over de luchtvaart: Montgolfier en Zeppelin;  de gebroeders Wright

alle biografieën

.

583-535

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Verstelstof – biografieën – Harriet Beecher Stowe

.

HAAR BOEK ONTKETENDE EEN OORLOG

 

Eind november 1862, zo gaat het verhaal, ontving Abraham Lincoln op het Witte Huis een kleine vrouw van middelbare  leeftijd. Hij pakte haar smalle hand in zijn knokige vuist en riep uit: “U bent dus het vrouwtje dat deze grote oorlog heeft ontketend!”

Dat vrouwtje was Harriet Beecher Stowe, schrijfster van De Negerhut van Oom Tom. Tien jaar tevoren had de verschijning van deze roman in hoge mate tot Lincolns verkiezing als president bijgedragen. Staatslieden en geschiedkundigen uit die tijd be­groetten het als de grootste bijdrage die één mens had geleverd tot de afschaffing van de slavernij.

 

Beecher-Stowe

Harriet was geboren en getogen in Connecticut en woonde 18 jaar lang in Cincinnati. Hier had zij relletjes tegen de slavernij gezien, weggelopen slaven geholpen en geluisterd naar hun ver­halen. In 1850 verhuisden de Stowes naar Brunswick in Maine, waar Harriets man, Calvin Stowe, was benoemd tot hoogleraar aan het Bowdoin College. Maar het probleem van de slavernij deed zich overal voor, zelfs in Maine. De kranten stonden er vol van. De vergaderzaal van de Amerikaanse Senaat weergalmde van de hartstochtelijke pleidooien van Charles Sumner uit Massachusetts voor de afschaffing van de slavernij. Harriets broer, de reeds beroemde predikant Henry Ward-Beecher, hield van de kansel af zijn opzwepende “slavenveilingen”.

Harriet had al wat korte verhalen geschreven om het altijd te lage inkomen van de Stowes aan te vullen. Zij had het vaste geloof van de kruisvaarders en snakte ernaar de wereld een beeld te geven van de onmenselijkheid der slavernij zoals zij die kende. Als je de lezers de slavernij beschreef in menselijke beelden — meis­jes die werden verkracht, moeders die hun kinderen moesten af­staan, gezinnen die uiteengerukt werden, meesters die zich aan machtswillekeur te buiten gingen — als zij die beelden voor zich zagen, zouden zij de slavernij niet langer dulden. Maar schrijven over een politieke kwestie was in strijd met haar hele opvoeding. Een brief van haar schoonzuster gaf de eerste stoot. “Als ik de pen kon voeren zoals jij,” schreef de vrouw van Edward Beecher, “zou ik iets schrijven dat de hele natie deed voelen welk een ver­vloekte instelling die slavernij is.”

Harriets kinderen herinnerden zich altijd hoe zij hun die brief voorlas. Ze ging dan staan alsof het een inwijdingsplechtigheid betrof, de brief verkreukelend in haar kleine gebalde vuist. “Ik wil iets schrijven,” zei ze.

En zo ging ze op een dag achter haar schrijftafel zitten en begon: “Laat in de middag op een kille dag in februari zaten twee heren alleen achter een glas wijn in een goed gemeubileerde eetkamer in de stad P—, Kentucky.”

Die woorden waren het begin van een lange reis. Harriet wist niet waar ze zou eindigen, maar ze eindigde in Gettysburg en Appomattox. Harriet had er geen idee van welk een verschrikke­lijke kracht De Negerhut van Oom Tom zou ontketenen. Zij be­schouwde haar verhaal als een vredesboodschap. “De Heer zelf heeft hem geschreven,” zei ze dikwijls.

De scène waarin Oom Tom wordt afgeranseld — geschreven weken vóórdat ze een definitief plan voor haar verhaal had uit­gewerkt — zag ze als in een visioen tijdens een avondmaalsviering. Zo duidelijk alsof ze erbij tegenwoordig was geweest, zag ze een blanke woesteling een oude slaaf doodranselen. Na de zegen liep Harriet naar huis terwijl zij met moeite haar tranen bedwong. Als in trance ging ze naar haar slaapkamer en schreef het visioen neer zoals ze het had gezien. Toen ze het haar gezin voorlas, be­gonnen de kinderen luid te snikken. En haar man zei: “Hattie, je moet een verhaal schrijven waarin dit het hoogtepunt vormt. De Heer wil het zo.”

Harriet zette het verhaal op als “drie of vier” schetsen en bood het Bailey, de hoofdredacteur van de National Era aan, een klein Washingtons blad. Hij accepteerde het ongezien voor 300 dollar. Arme Harriet! Haar “drie of vier” schetsen werden er 40 en bijna een jaar verstreek voordat zij eindelijk alle draden van haar weef­sel bijeen had. Het verhaal werd langer en langer, maar Bailey betaalde niet meer. In de National Era van 5 juni 1851 verscheen op pagina 1 de eerste aflevering van de roman die een hele gene­ratie kinderen — onder wie Harriets zoon Fred — zodanig zou beïnvloeden dat zij tien jaar later met dezelfde bezieling als in vroeger tijden de kruisvaarders, op de kanonnen afmarcheerden.

Het hele verhaal berustte op haar eigen ervaringen. Het Zuiden van de Verenigde Staten kende zij alleen van een bezoek van enkele dagen aan de plantage van een schoolvriendin, in Ken­tucky, dus moest oom Tom een slaaf op die plantage zijn. Maar omdat de enigen die zij in Kentucky had ontmoet, aardige mensen waren geweest, moest zij Oom Tom laten verkopen door zijn goedaardige meester.

Als voorbeeld voor Oom Tom had zij de neger Josiah Henson genomen, predikant en maatschappelijk werker, die zich had vrijgekocht en die Harriet in Boston had ontmoet. In zijn jeugd was “Vader” Henson levenslang invalide geworden door een af­ranseling die zijn wrede meester in Maryland hem had toegediend. Verder beschreef ze de opzichter die haar broer Charles had ont­moet op een boot uit New Orleans. Deze toonde een vuist zo hard als een eikenhouten knuppel en pochte dat hij “die had verworven door het neerslaan van nikkers”. Zo kwam Harriet aan haar Simon Legree. De sinistere naam van de harige, aapachtige meester berustte uitsluitend op fantasie. Celeste was een klein ondeugend negermeisje dat Harriet destijds tevergeefs had trach­ten te kerstenen in haar zondagsschoolklas. Celeste werd Topsy.

Er wordt dikwijls beweerd, dat de mensen uit het Zuiden de negers beter begrijpen dan die uit het Noorden, en beter met hen weten om te springen. Alsof dat iets nieuws zou zijn! Harriet schreef dit al in 1851 en 1852. Zij zag de goede, patriarchale kant van de slavernij niet over het hoofd, en dat is een van de redenen waarom haar boek zo moeilijk te weerleggen is. Enkele van de vriendelijkste en rechtschapenste figuren in haar roman waren mannen uit het Zuiden en slavenhouders. En zij maakte van Simon Legree, de aartsschurk van de Amerikaanse literatuur, een man uit Vermont. Tante Ophelia, St. Clare’s nicht uit New England, rilde al bij de gedachte dat ze Topsy zou moeten aan­raken, maar de kleine Eva kroop dolgraag op Oom Toms knie. En dat deze dingen meer dan een eeuw geleden werden opge­merkt, getuigt van een scherpe geest.

Een merkwaardige reactie van het verhaal was de woede die het overal ontketende, terwijl het als feuilleton in een onbekend blaadje werd gepubliceerd. In bijna iedere gemeenschap was wel minstens één voorstander van de afschaffing van de slavernij die een abonnement had op de Era en zijn exemplaar ging van hand tot hand, totdat het letterlijk stukgelezen was. Op het kantoor van de Era begonnen de brieven binnen te stromen. Elke nieuwe figuur, elk nieuw voorval werd geestdriftig begroet. En toen in het najaar Harriets volgende hoofdstuk niet op tijd voor het nieuwe nummer in Washington aankwam, daalde er een storm van protesten neer op het hoofd van de ongelukkige uitgever.

En terwijl Harriet steeds verder schreef en maar geen eind kon vinden, begon het verhaal haar steeds erger te tiranniseren. Wat ze ook deed, waar ze ook kwam, de volgende aflevering van haar verhaal achtervolgde haar. Ze moest koken en de huishouding doen en haar drukke gezin maakte haar wanhopig.

Er was nog iemand die de steeds groeiende lengte van de roman ontzet gadesloeg. John P. Jewett, directeur van een kleine uit­geverij in Boston, had beloofd, het feuilleton in boekvorm te zullen uitgeven. Hij had gerekend op een dun bandje dat voor een lage prijs verkocht kon worden. Tegen eind oktober begon het erop te lijken dat Oom Tom in twee delen zou moeten verschijnen; Jewett vond dat bedenkelijk. Hij smeekte Harriet, een eind te maken aan haar roman. Zij schreef over een onderwerp dat niet populair was, zei hij — in twee delen zou deze roman waarschijn­lijk geen enkel succes hebben.

Jewett sprak bepaald niet tegen dovemansoren. Harriet was doodmoe en bereid, het hoofd in de schoot te leggen. De Era pu­bliceerde het voorstel dat — aangezien het herhaal nu al zo lang was geworden — mevrouw Stowe er vlug een slot aan zou maken door in enkele nuchtere alinea’s te vertellen hoe alles afliep. De lezers antwoordden met een denderend NEE. Hoofdredacteur Bai­ley stelde zijn abonnees haastig gerust en Harriet schreef verder.

De aflevering die in het kerstnummer van de Era verscheen, beschreef de dood van kleine Eva. Nadat ze deze had geschreven, moest Harriet twee dagen in bed blijven — ze was volkomen uit­geput. Het was haast alsof ze zelf een zwaar verlies had geleden. En de lezers maar brieven sturen, helemaal overstuur door de moord op het engelachtigste kind van Amerika; ze was een harte­loze schrijfster, alleen maar uit op effect! Maar zij zag nu haar weg duidelijk voor zich; ze hoefde alleen nog de dood van Oom Tom te beschrijven, een paar kleine details af te werken en dan was het af.

In februari deed Jewett een laatste poging om iets van zijn geslonken kapitaaltje te redden: hij stelde de Stowes voor dat zij de helft van de kosten zouden dragen en voor de helft delen in de winst, als er tenminste winst zou zijn. Maar de Stowes hadden geen cent en dus sloot Calvin een overeenkomst volgens welke zij een royalty van 10 percent van de totale verkoop zouden krijgen. Als Harriet de helft van de winst op De Negerhut van Oom Tom had ontvangen, zou alleen al de verkoop in Amerika van het eerste jaar haar rijk en onafhankelijk hebben gemaakt. Maar Harriet was heel blij met het contract. “Ik hoop,” zei ze, “dat het genoeg zal opbrengen voor een zijden japon.”

Het boek werd niet voorafgegaan door een reclamecampagne en de critici schreven evenmin over de op handen zijnde verschij­ning. Maar op de dag dat het van de pers kwam, 20 maart 1852, heerste er grote opwinding in het kantoor van de uitgever. De eerste druk van 6000 exemplaren was onmiddellijk uitverkocht. Binnen een week liet Jewett drie snelpersen 24 uur per etmaal werken, de hele week behalve ’s zondags; 100 boekbinders werkten voor hem en drie papierfabrieken voorzagen hem van papier. Harriets eerste cheque over de royalties van vier maanden be­droeg 10 300 dollar. Eén jaar na de datum van verschijning maak­te Jewett bekend dat hij 305 000 exemplaren had verkocht “en er is nog evenveel vraag naar”.

Al gauw publiceerden uitgevers in een stuk of tien landen na­drukken en vertalingen van De Negerhut van Oom Tom. De onder­drukte klassen van Europa sloten het boek in hun hart en lazen er hun eigen ellende in. In Londen, New York en Boston werden toneelbewerkingen opgevoerd en de toeschouwers raakten buiten zichzelf van geestdrift. De Amerikanen zongen liedjes van Oom Tom en Kleine Eva. Een fabrikant in Rhode Island maakte reclame voor een kaartspel dat “Oom Tom en Kleine Eva” heette.

De eerste aanval op de geloofwaardigheid van de roman kwam merkwaardig genoeg uit het Noorden. Harriet had ingezien dat zij het kwaad van de slavernij niet uitsluitend de mensen in het Zuiden in de schoenen kon schuiven, want heel wat geld uit het Noorden was belegd in de katoenindustrie, die leefde van de slavernij. De verdediger van die belangen was de Newyorkse Journal of Commerce, die eind mei het eerste salvo afvuurde tegen De Negerhut van Oom Tom. Overal in het land begon de pers zich met de zaak te bemoeien, voor en tegen Harriet, en er volgde een felle polemiek tussen de kranten onderling.

Tot dusver was De Negerhut van Oom Tom slechts een roman ge­weest waarover men kon debatteren; het boek werd in het Noor­den en het Zuiden vrij verkocht en won voorstanders aan beide kanten. Plotseling werd het in het Zuiden verboden en was het gevaarlijk het boek in huis te hebben. Moeders in het Zuiden stelden Harriet tegenover hun kinderen voor als een monsterachtig vrouwspersoon. Bij de vele post van bewonderaars kwamen nu ook anonieme brieven binnen, dreigend en gemeen, waarin haar op­hitsing tot een slavenopstand werd verweten.

Beide zijden beseften nu wel dat dit niet zomaar een roman was, maar een mijn, die met een brandende lont onder de grondvesten van de republiek was aangebracht. Harriets roman deed de onder­linge verdeeldheid uitgroeien tot een haat die niet zou sterven voordat de harten die zij zo vurig deed kloppen tot stof waren vergaan.

Veertig jaar later kenschetste de bekende Newyorkse criticus Kirk Monroe de plaats van het boek in de geschiedenis als volgt: “De afschaffing van de slavernij is niet en kon niet worden be­werkstelligd door één mens. Ze is het resultaat geweest van ver­eende krachten . . . Maar de belangrijkste en vérstrekkendste van al deze invloeden was De Negerhut van Oom Tom.”

Alle biografieën

.

580-533

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Eiffel

.

ZIJN “MONSTERLIJK WANGEDROCHT” WERD DE TROTS VAN PARIJS

Anderhalf miljoen toeristen* maken elke zomer een luchtreis in de eerbiedwaardige liften van de Eiffeltoren om op 300 meter hoogte te genieten van een adembenemend panorama: de drukke, kleurrijke boulevards, de prachtige ge­bouwen, heel de voorname charme van het met parken en
plant­soenen versierde Parijs. De meesten zullen dat uitzicht hun leven lang niet meer vergeten, en dat is precies wat Gustave Eiffel in 1889 bedoeld heeft toen hij het wonder van technisch vernuft deed verrijzen — op twee na het hoogste bouwwerk ter wereld.**

Het is wel merkwaardig dat, terwijl de roem van de Eiffeltoren tot in alle uithoeken van de aarde is doorgedrongen, Gustave Eiffel zelf betrekkelijk onbekend is gebleven. “Ik zou eigenlijk jaloers op die toren moeten zijn,” heeft hij eens gezegd. “De men­sen schijnen te denken dat ik nooit iets anders heb gedaan. Maar er is heus nog wel meer uit mijn handen gekomen!”

Inderdaad: de energieke oude heer met zijn kaarsrechte rug en tintelende ogen had veel meer gepresteerd. Monsieur Eiffel, grond­legger van de moderne staalconstructie, heeft enkele van de groot­ste bruggen ter wereld gebouwd volgens een geheel nieuw systeem, dat een omwenteling teweegbracht in de tot die tijd gevolgde techniek.

Zijn gedurfde, fantastisch schijnende experimenten met bouw­werken van allerlei aard hebben de stoot gegeven tot de over­gang naar een nieuw tijdperk van staal en beton, dat een einde zou maken aan de alleenheerschappij van steen en hout als bouw­materialen. De New Yorkse wolkenkrabbers zijn grotendeels ge­bouwd volgens beginselen die tientallen jaren tevoren al door Eiffel in praktijk waren gebracht. Hij heeft de eerste bruikbare wind­tunnel ontworpen en de grondslagen gelegd voor de constructie van vliegtuigvleugels en luchtschroeven. Louter voor zijn eigen plezier knutselde hij aan allerlei “kleine uitvindingen”, zoals een bruikbaar systeem voor geluidsfilms.

“Het merkwaardigste van grand-père” vertelde een van zijn kleinzoons mij, “was dat hij altijd plezier had in alles wat hij deed. Ik heb nooit iemand zo hard zien werken, en er was geen gelukki­ger mens dan hij.”

Gustave Eiffel werd in 1832 als zoon van welgestelde ouders in Dijon geboren. Hij zakte voor het toelatingsexamen van de Poly­technische School, maar doorliep met succes de Middelbaar Tech­nische School in Parijs, waarna hij in dienst trad bij een maat­schappij voor de aanleg van spoorwegen. Twee jaar lang zat hij braaf aan zijn tekentafel gewone ontwerpen te maken. Zijn moeder — een schrandere, vastberaden vrouw die met veel succes een eigen kolen-en-houthandel dreef — was tot de verdrietige slotsom gekomen dat Gustave het nooit ver zou brengen. Glim­lachend stelde Gustave haar gerust. “Geduld, maman” zei hij. “Ik heb plannen genoeg. U zult nog eens wat zien.”

In de jaren na 1850 breidde het Europese spoorwegnet zich snel uit. Het grootste struikelblok was de bouw van bruggen, die nog steeds in hoofdzaak uit metselwerk bestonden, wat enorme som­men aan lonen van geschoolde arbeidskrachten verslond. Volgens Eiffel zou dit probleem zijn op te lossen door de toepassing van pasklaar gemaakte stalen onderdelen die ter plaatse gemonteerd konden worden door betrekkelijk ongeschoolde werklieden. IJverig zette hij zich aan het verzamelen van alle beschikbare gegevens over de eigenschappen van staal, zoals de maximaal toelaatbare druk, de trekvastheid, enzovoort.

Toen zijn maatschappij van de Zuidfranse Spoorwegen op­dracht kreeg voor de bouw van een 480 meter lange brug over de Garonne in Bordeaux, bracht Eiffel zijn plannen in tekening en stapte ermee naar zijn directie. Het ontwerp gooide alle bestaande theorieën omver, maar zijn berekeningen klopten tot in de kleinste bijzonderheden. Eiffels toelichtend betoog voor de verzamelde le­den der directie was een mengeling van zakelijkheid en geestdrift, waartegen zelfs de twijfelmoedigste toehoorder niet was opgewassen.

Het ontwerp werd aangenomen. En terwijl ervaren Franse ingenieurs vol leedvermaak zaten te wachten op de instorting van de brug, en de smadelijke nederlaag van “die jonge branie”, werden aan de Garonne-oevers Eiffels pijlers, steunbalken en spanten met bekwame spoed gemonteerd tot een spoorbrug die aan de hoogste eisen voldeed en gereedkwam in de helft van de tijd en tegen de helft van de kosten van een “gewone” brug. Met dit eerste werkstuk had de 29-jarige Gustave Eiffel het systeem van de Europese verbindingswegen nieuw leven ingeblazen.

Het succes van de Garonne-brug gaf Eiffel het zelfvertrouwen dat hij nodig had. “Van mijn vader,” zei hij eens, “heb ik leren dromen. Van mijn moeder heb ik de harde werkelijkheid van het zakenleven geleerd. Het was een nuttige combinatie.” Eiffels vader, een oud-cavalerist die nog onder Napoleon had gediend, had altijd grootscheepse plannen die hij nooit uitvoerde. Zijn zakelijke, praktische echtgenote was eigenlijk de stuwende kracht van het gezin. Met vader Eiffels enthousiasme en het geld van maman werd in 1866 de Eiffel-Bouwmaatschappij opgericht. Op de bescheiden koperen plaat aan de deur van het Parijse kantoor stond te lezen: “G. Eiffel, aannemer. Uitvoering van alle soorten staalconstructies.” In de daaropvolgende twintig jaren werd Gustave Eiffel de beroemdste bouwmeester van Europa.

Nog in het begin van zijn loopbaan kreeg Eiffel bezoek van een cliënt die onder zorgen gebukt ging: de beeldhouwer Bartholdi. Enkele jaren tevoren had de kunstenaar een ontwerp gemaakt voor het monumentale Vrijheidsbeeld als een onvergankelijk sym­bool van de vriendschap tussen Frankrijk en Amerika. Voor de uitvoering van het plan waren miljoenen francs bijeengebracht en de kunstenaar was al aan het werk getogen toen van deskundige zijde het ontstellende bericht kwam dat er geen technische midde­len bestonden om de 45 meter hoge bronzen reuzin in de storm­achtige baai van New York op de been te houden.

Monsieur Eiffel stond onmiddellijk in vuur en vlam. “Dat prachtige beeld moet er komen!” riep hij uit. Spoorslags ging hij aan het werk, en het duurde niet lang of hij had de plannen klaar voor een geniaal geconstrueerd stalen geraamte, licht genoeg om op een betrekkelijk klein voetstuk te worden geplaatst en toch voldoende sterk om de zwaarste stormen te weerstaan. Alle sombe­re voorspellingen van de deskundigen ten spijt verrees voor New York Bartholdi’s kolossale beeld — een wonder van stabiliteit dank zij de uit Eiffels werkplaats afkomstige en ter plaatse tot een een­voudig geraamte samengevoegde stalen balken en spanten. Het gevolg was dat men overal ter wereld ging experimenteren met stalen geraamten voor allerlei bouwwerken.

De door Eiffel ontworpen Maria-Piabrug veroorzaakte een nieuwe omwenteling in de bruggenbouw. Naar aanleiding van een door de Portugese regering geopende inschrijving voor een brug over de woeste Douro — de brug moest 60 meter hoog worden en een spanwijdte hebben van 150 meter — besloot Eiffel ter plaatse poolshoogte te nemen. “Onmogelijk,” was het oordeel van een van zijn assistenten toen zij het terrein bekeken. “Misschien,” ant­woordde Eiffel, “maar toch aardig om eens te proberen.”

Terug in Parijs, verdween hij in zijn werkkamer. Een week later ontbood hij zijn chef-tekenaars. “Voila!” verklaarde hij triomfantelijk. “Ik heb het gevonden. We gaan een hangbrug maken!” De concurrentie stond paf toen de Eiffel-Bouwmaatschappij voor een belachelijk laag bedrag inschreef en de verba­zing steeg naarmate de brug vorderde. In plaats van de gewone, kostbare, massieve houten schoringen maakte Eiffel gebruik van stalen kabels, bevestigd aan op beide rivieroevers geplaatste mas­ten, om op deze wijze elk onderdeel van de geweldige boog op zijn plaats te houden tot het volgende stuk aan de beurt was. Nu is deze techniek algemeen gebruikelijk, maar destijds was het een ware sensatie. De Maria-Piabrug, met haar indrukwekkende, de gehele rivierbreedte overspannende en niettemin opvallend lichte boog, heeft de toepassing van constructiestaal vele jaren verhaast.

Sindsdien kwam het ene ontwerp na het andere uit Eiffels han­den — klassieke voorbeelden van eenvoud en kostenbesparing: bruggen in Rusland, Egypte, Peru; dammen, fabrieken, stations, gebouwen van ongekende afmetingen. Ingenieurs in heel Europa namen zijn techniek over. Toen een van zijn medewerkers eens mopperde dat hij veel te openhartig omsprong met gegevens die “zakengeheimen” dienden te blijven, was Eiffels antwoord: “Maar beste man, als ik nu mijn plezier van een uitvinding heb gehad, waarom zou ik dat dan niet ook aan een ander gunnen? Het is eigenlijk heel vleiend voor mij — en ik kan trouwens altijd weer iets nieuws bedenken.”

Geld en roem hadden niet de minste invloed op hem. Tot zijn tachtigste jaar werkte hij dagelijks tot 11 uur ’s avonds aan zijn plannen en ontwerpen. De zondag was voor zijn gezin. Al zijn kinderen en kleinkinderen beschouwden bon-papa als de held hun­ner dromen. Hij gaf zijn “kleintjes” schermlessen en maakte aller­lei uitstapjes met hen in de vrije natuur. Het zondagse diner in bon-papa’s sprookjesachtig mooie huis was steeds weer een opwin­dende gebeurtenis. Altijd waren er gasten: staatslieden, kunste­naars, geleerden, en Eiffel verzuimde nooit ook zijn jongste klein­kinderen aan zijn bezoekers voor te stellen.

Op aandringen van een groep Franse industriëlen besloot de regering omstreeks 1880 tot het organiseren van een wereld­tentoonstelling in Parijs. Eiffel stelde voor om als symbool van deze expositie een 300 meter hoge ijzeren toren te bouwen. Toen het voorbereidend comité bezwaar maakte tegen dit fantastische voorstel, stapte Eiffel met zijn gedetailleerde ontwerp naar de minister van Handel. Het plan werd goedgekeurd, met dien ver­stande dat de Franse regering in de geraamde kosten van acht miljoen goudfrancs slechts een vijfde zou bijdragen. Ter dekking van het restant nam Eiffel een hypotheek op zijn maatschappij.

In januari 1887 werd met de bouw begonnen, nadat twee jaar lang veertig ingenieurs en tekenaars onder Eiffels leiding alle details hadden uitgewerkt van de 15 000 stalen onderdelen die met 2 500 000 klinknagels samengevoegd moesten worden. Het plaatsen van de vier kolossale, een hectare grond omvattende bogen, gekroond door het onderste platform, werd door 250 arbeiders in een jaar tijds verricht.

In stomme verbazing keek heel Parijs zijn ogen uit. Wat men ook verwacht had — een dergelijke gigantische toren zeker niet. En toen brak de storm los. Een door 300 schrijvers en kunstenaars ondertekend manifest eiste de onmiddellijke afbraak van het ”monsterlijke wangedrocht”; ontelbare verzoekschriften stroom­den het ministerie van Handel binnen. De enige die onder al deze opwinding kalm bleef, was monsieur Eiffel. Glimlachend verscheen hij dagelijks op zijn steeds groeiende toren. “Wacht maar tot hij klaar is. Dan zullen ze er trots op zijn,” voorspelde hij rustig.

In maart 1889 was het werk voltooid. Onder het gedreun van 21 kanonschoten hees Gustave Eiffel de driekleur op het hoogste ooit door mensenhanden gemaakte bouwwerk. “De Franse vlag is de enige die zich kan beroemen op een vlaggestok van 300 meter,” zei hij met gepaste trots.

Eiffels schepping moge zijn tijdgenoten nog zo verbaasd hebben, alleen een modern geschoolde ingenieur is in staat deze uitzonder­lijke prestatie op haar juiste waarde te schatten. Nog nooit was een dergelijk bouwwerk tot stand gekomen, nooit had men ook maar gepoogd een oplossing te vinden voor de daaraan verbonden problemen in verband met evenwicht, winddruk, het hijsen van zware lasten tot dergelijke hoogten — en niettemin had Gustave Eiffel geen enkele fout gemaakt en niets aan het toeval overgela­ten. Er was rekening gehouden met de risico’s van het werken op grote hoogte, zoals hoogtevrees en plotselinge windvlagen — gevaren die voor de arbeiders een dodelijke val konden betekenen. Eiffel maakte gebruik van technieken die pas jaren later algemene toepassing zouden vinden. De voetstukken van cement en staal waarop de vier reusachtige bogen rusten, hebben tot voorbeeld gediend voor de hedendaagse funderingen van gewapend beton.

Acht maanden na de openstelling in mei 1889 hadden bijna twee miljoen mensen de Eiffeltoren bezocht. Inderdaad: het “monsterlijke wangedrocht” werd de trots van de lichtstad. Eiffel kon zijn schulden afbetalen en volgens contract bleef hij twintig jaar lang enig eigenaar van de goudmijn in de lucht. Tot de huidi­ge dag worden jaarlijks gemiddeld 1 miljoen* toegangsbewijzen verkocht. Zolang de Eiffeltoren staat, heeft men geen klinknageltje ooit hoeven te vernieuwen.

In 1894 trok Eiffel zich uit de zaken terug en ging zijn toren gebruiken als natuurkundig laboratorium, onder andere voor proefnemingen op het gebied van de aerodynamica, die leidden tot de constructie van een windtunnel waarin hij modellen van zijn bouwwerken kon plaatsen om hun stabiliteit te bepalen. Op 75-jarige leeftijd publiceerde hij zijn bevindingen, die ingenieurs in staat stelden het weerstandsvermogen van een gebouw tegen wind­druk te berekenen en de meest economische oplossing te vinden voor de bouw van het stalen geraamte. Een en ander heeft zijn nut bewezen bij het bouwen van de eerste wolkenkrabbers.

Eiffel was nu gelukkiger dan ooit. Hij kocht een van de eerste in Frankrijk vervaardigde automobielen, waarmee hij door Parijs raasde op weg van zijn toren naar zijn windtunnel, of omgekeerd. Zijn familieleden protesteerden tevergeefs. “Je bent maar eens jong,” verklaarde bon-papa, die er acht kruisjes op had zitten.

Toen hij op 15 december 1923 als gastheer aanzat aan een diner ter ere van zijn 91ste verjaardag, voelde hij zich nogal ver­moeid en besloot zich wat vroeger terug te trekken. Nadat hij zijn huisgenoten goedenacht had gewenst, ging hij naar bed. Hij is niet meer opgestaan. Twaalf dagen later was de grote bouwmeester dood. Zijn nalatenschap aan de wereld omvat meer dan de toren die zijn naam draagt — want over de gehele aarde verspreid vindt men duizenden bouwwerken die hun bestaan danken aan het genie van Gustave Eiffel.

*In 2019 zes miljoen!
**In 2019 al lang niet meer

.

alle biografieën

.

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

578-531

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Djengis Kahn

.

HET SCHRIKBEWIND DER  MONGOLEN

 

Indien alle beschrijvingen van veldslagen, behalve die van Djengis Khan, uit de annalen der geschiedenis verwijderd werden . . . dan zou er voor de militair nog een goudmijn overblijven met een schat van kennis, nuttig voor het opbouwen van een leger.” Deze woorden zijn van generaal Douglas
MacArthur.

De militair, aldus generaal MacArthur, kan zijn beroep niet uitsluitend in de praktijk leren. Hoewel wapens veranderen, moet hij toch bij het verleden te rade gaan om de grondregels van de kunst van het oorlogvoeren te leren. En die vindt hij nergens zo goed geïllustreerd als in de loopbaan van de keizer der Mongolen, ongeveer 750 jaar geleden.

Djengis Khan won met zijn veroveringen het grootste rijk, dat de wereld ooit gekend heeft. Het strekte zich uit van de Grote Oceaan tot Midden-Europa en omvatte het grootste deel van de toen bekende wereld en meer dan de helft van de wereldbevolking. Zijn hoofdstad Karakorum, in Midden-Mongolië, werd de voor­naamste hoofdstad van de Oosterse wereld welke de machten der christenheid dreigde te overspoelen.

Napoleons loopbaan eindigde in een nederlaag; Djengis Khan heeft nooit een beslissende slag verloren. Hij stierf op hoge leeftijd op het toppunt van zijn glorie, terwijl zijn rijk zich nog steeds krachtig uitbreidde. Caesar en Alexander de Grote waren veel verschuldigd aan hun voorgangers, die het Romeinse legioen en de Macedonische falanx tot volmaakte instrumenten hadden
ge­maakt. De Mongoolse keizer schiep zijn eigen militaire machine. Numeriek waren zijn legers bijna altijd sterk in de minderheid.
Hij heeft waarschijnlijk nooit meer dan 200 000 man in het veld kunnen brengen, maar met die kleine legermacht verpletterde hij miljoenenrijken. Hij is misschien de meest succesvolle legeraan­voerder geweest van alle tijden. Djengis Khan betekent “Machtig­ste Heerser”. Hij koos die naam zelf, nadat hij in zijn jonge jaren Temujin had geheten.

Djengis Kahn

Toen Temujin dertien jaar oud was, werd zijn vader door vijanden vergiftigd. Naar kracht en gestalte was Temujin toen al een man. Hij kon een hele dag in het zadel blijven en was een vervaarlijk boogschutter. Bovendien was hij geestelijk sterk. Hij was vastbesloten zijn vader op te volgen als hoofd van het taaie nomadenvolk dat de steppen bewoonde, de onherbergzame, boomloze streek van Opper-Azië. Maar de leden van de stam wilden hem niet en de andere hoofden besloten zich van hun jonge rivaal te ontdoen. Zij jaagden Temujin over de steppen op als een dier, namen hem gevangen en plaatsten een zwaar houten juk op zijn nek, waaraan zijn polsen werden vastgebonden. Op een nacht sloeg hij met dat juk zijn bewaker neer en ontsnapte. Hij verborg zich in een stroom terwijl ruiters op de oever af en aan reden om hem te zoeken. Later kroop hij weer uit het water en wist een zwervende jager te overreden hem van het juk te be­vrijden.

De geschiedenis van die vroege jaren vertelt, hoe hij telkens op het nippertje ontkwam aan achtervolging en verraad. Maar hij liet zich niet afbrengen van zijn vaste doel het leiderschap te veroveren. Hij kreeg enige trouwe volgelingen en de vroegere onderdanen van zijn vader begonnen zijn zijde te kiezen, zodat hij vóór zijn twintigste jaar hun stamhoofd was. Vervolgens begon hij door intriges en vechten andere stammen aan de zijne te ver­binden. Steeds was hij de leider. Ieder, die de macht met hem probeerde te delen, doodde hij zonder pardon. Jamuga was zijn neef. In de magere jaren hadden zij onder dezelfde deken ge­slapen en hun laatste kruimels met elkaar gedeeld. Maar Jamuga, niet tevreden met zijn ondergeschikte positie, verzamelde zijn eigen volgelingen om zich heen. Het kwam tot een gewapende botsing tussen de twee. Ten slotte stond Jamuga als gevangene voor zijn neef. In alle kalmte gaf Temujin het bevel hem te wurgen.

Togrul was een vriend van Temujins vader geweest en in de kritieke periode had hij de jongen geholpen. Maar toen de oudere leider zich niet aan de jongeman wilde onderwerpen, liet Temujin hem ombrengen. Anderzijds gaf hij rijke beloningen aan de leiders, die bereid waren onder hem te dienen. Zo gingen de jaren voorbij. Hij had zijn hoofdkwartier gevestigd in Karakorum, de Stad van het Zwarte Zand — een tentenstad aan de grote karavaanroute van oost naar west. Temujin liet de karavanen met rust. Die hadden bij zijn toekomstplannen een eigen rol te spelen.

Hij was een stoere man, gehuld in schapenvellen en verhard leer, met de lompe gang van iemand, die zijn leven in het zadel heeft doorgebracht. Zijn diep gerimpelde, verweerde gezicht was be­dekt met een laag vet als bescherming tegen de koude en de bijtende wind. Waarschijnlijk waste hij zich éénmaal per jaar. Onder een terugwijkend voorhoofd waren zijn ogen ver uiteen geplaatst, rood omrand door het opgejaagde stof en van een in­tense gloed. Hij sprak weinig en alleen na lang nadenken.

Toen hij de vijftigjarige leeftijd had bereikt, had Temujin de stammen van Midden-Azië tot één macht samengesmeed onder zijn eenhoofdige leiding. Zijn naam weerklonk wijd en zijd over de steppe. En toch, als de pijl van een van zijn vijanden toen de juiste plek in zijn harnas gevonden had, zou de geschiedenis hem ternauwernood gekend hebben. Immers, zijn grote daden ver­richtte hij alle in de laatste zestien jaren van zijn leven. Hij had een militair apparaat opgebouwd om de wereld te veroveren. Nu ging hij het gebruiken.

In het oosten lag China, de oudste beschaving ter wereld. Toentertijd was het verdeeld in twee rijken, Kin en Sung. In het westen lag de islamitische wereld, de afzonderlijke naties die voort­gekomen waren uit de veroveringen van Mohammed. Verder naar het westen lag Rusland, toen nog een verzameling kleine staatjes, en Midden-Europa, een wirwar van grote en kleine mogendheden. Eerst viel de Khan China aan. Hij brak zich een doortocht door de Grote Muur en joeg zijn colonnes de wijde ruimte in van Kin, het noordelijke rijk. De hoofdstad Jenking (het huidige Peking) werd ingenomen en de keizer op de vlucht gejaagd. Alle tegenstand werd gebroken.

Drie jaar later trok Djengis Khan op tegen het westen. Binnen een paar maanden waren de Mongoolse troepen bezig de mooie hoofdstad Samarkand te plunderen en was de sultan op de vlucht om het vege lijf te redden. In de daaropvolgende jaren overspoel­den de legers van de Khan het Midden-Oosten en drongen daarna via Rusland Midden-Europa binnen. Overal behaalden zij de overwinning. Waarom? Djengis Khan had een onverzettelijke wil, bezat een geweldige energie, zowel lichamelijk als geestelijk, en deinsde voor niets terug. Maar zijn ware grootheid ging daar toch bovenuit.

Djengis Khan kon alle tradities terzijde schuiven en met een volkomen nieuwe aanpak rechtstreeks tot de kern van een pro­bleem doordringen. Hij wist gebruik te maken van alle beschikbare methoden, technieken en wapens en die tot en met de laatste bij­zonderheid dienstig te maken aan zijn doel. Hij was de eerste, die een hele natie samenbundelde uitsluitend met het doel oorlog te voeren; zo’n 750 jaar geleden ging hij reeds uit van de zoge­naamde “totale oorlog”. In het Mongoolse paard en de Mongoolse ruiter vond hij schitterend materiaal. Het paard was onvermoei­baar. Het behoefde slechts eens in de drie dagen gedrenkt te worden en het kon onder alle omstandigheden voer vinden, door met zijn hoeven sneeuw en ijs weg te krabben van restjes droog gras. De ruiter kon een etmaal aan één stuk in het zadel blijven, in de sneeuw slapen en met weinig en sober voedsel toe. Hij was getraind in gevechten van man tegen man en had leren schieten zodra hij aan spreken toe was.

Bij het ontwerpen van de uitrusting voor deze geboren soldaten toonde Djengis Khan zijn talent voor gedetailleerde organisatie. Het Mongoolse harnas bestond uit ongelooide huiden, verhard en met lak bestreken. Iedere soldaat had twee bogen, één voor ge­bruik in het zadel en één waarmee men met grotere nauwkeurig­heid van de grond af kon schieten. Daarbij hoorden drie soorten pijlen, voor de lange, middel- en korte afstand. De zware, van een metalen punt voorziene pijlen voor de korte afstand waren ont­worpen voor het doorboren van harnassen. Elke soldaat had een noodrantsoen gedroogde wrongel bij zich, waarvan een hoeveel­heid van een half pond voldoende was voor een dag vechten. Hij had reserveboogpezen en een naald om reparaties te verrichten. Dit alles werd in een leren zak meegedragen, die opgeblazen kon worden bij het oversteken van rivieren. Het leger was verdeeld in eenheden van 10, 100, 1000 en 10 000 man. Behalve de vechtsoldaten waren er ondersteuningstroepen: pioniers en specialisten, die katapulten voor het afschieten van stenen en andere belege­ringswerktuigen bedienden, de intendance, een remontedienst, wagendepots en een afdeling, die de verloren uitrustingsstukken weer verzamelde. En achter dat leger stond de natie, die leeftocht en wapens voor de soldaten produceerde en intussen zo weinig mogelijk voor zichzelf gebruikte.

De tactiek, die Djengis Khan had ontworpen, was een wonder van precisie, gebaseerd op intensieve oefening. De slagorde bestond uit vijf rijen, met grote tussenruimten tussen de eskadrons. Voor­op gingen de stoottroepen. Zij waren zwaar geharnast en vochten met sabels, lansen en knotsen. In de achterhoede kwamen de bereden boogschutters. In de tussenruimten tussen de eskadrons stoottroepen stormden die boogschutters dan vooruit, onderwijl hun pijlen afschietend. Dicht bij de vijand gekomen, stegen zij af en met hun zwaardere bogen openden zij een spervuur en zware pijlen. Het ging er bij een aanval om, een zo intens en geconcen­treerd vuur af te geven als men nog nooit tevoren gezien had.

Zodra de vijand dan in verwarring was gebracht, gingen de stoottroepen weer tot de aanval over om de genadeslag toe te brengen. Het was een perfecte combinatie, volmaakt georgani­seerd. Men schreeuwde geen orders, maar gaf ze door met behulp van zwarte en witte vlaggen. De Mongolen waren onweerstaan­baar in de aanval door de kwaliteit van hun wapens, de snelheid waarmee die in contact met de vijand werden gebracht en de snelheid en nauwkeurigheid waarmee er geschoten werd. De legers in China, de kranige strijders van de Islam, de ridders en het voetvolk van de christenheid, allen gingen door de knieën voor de Mongoolse pijlenregen.

Al waren de legers van de Grote Khan numeriek in de minder­heid, hij had bij het eigenlijke treffen gewoonlijk de meeste troepen tot zijn beschikking. In krijgslisten was hij een meester en wanneer de vijand hem op een bepaalde plaats verwachtte, daagde hij ergens anders op. Hij won vaker door omtrekkende bewegingen dan door kostbare frontaanvallen. Zijn veldtochten waren ge­baseerd op snelheid en beweeglijkheid, op zijn vermogen zijn troepen tweemaal zo snel te verplaatsen als de vijand. Zijn snelle colonnes drongen een vijandelijk leger binnen, hakten dat in stukken en vernietigden die elk afzonderlijk. Daarbij liet hij sterk verdedigde forten links liggen, omdat die aan het eind toch wel zouden vallen.

Sommige oorlogen had Djengis Khan al voor de helft gewonnen nog voor hij een leger in het veld had gebracht, dank zij propa­gandamethodes. Evenmin als in het gebruik van wapens heeft enig bevelhebber deze barbaar, die lezen noch schrijven kon, ooit overtroffen in het gebruik van woorden. Karavaanhandelaars waren zijn heimelijke helpers. Via hen huurde hij geheime agenten in elk land, dat hij dacht aan te vallen. Hij maakte een studie van het land zelf, van de mensen en van de politieke omstandigheden. Hij zocht naar de ontevreden elementen en zette die tegen elkaar op. Zijn spionnen in de islamitische wereld rapporteerden, dat de moeder van de sultan afgunstig was op de macht van haar zoon. Djengis Khan dicteerde een aan haar gerichte brief, zoge­naamd een antwoord op een schrijven van haar, waarin hij haar dankte voor haar aanbod hem te helpen. Vervolgens zorgde hij ervoor dat de boodschapper door de sultan werd gevangengeno­men. Toen Djengis Khan zich in beweging zette, vonden zijn legers een land, dat op de rand van de burgeroorlog verkeerde. Ook kocht hij oneerlijke politici om. Zijn agenten ontdekten, dat de Chinese minister van Oorlog uit de staatskas had gestolen. Toen dat nieuws bekend werd, ontstond er een politieke crisis in China juist op het moment dat de Mongolen tot de aanval overgingen.

Hij maakte ook gebruik van propaganda als terreurwapen. Doorgaans herinnerde hij het land dat hij wilde binnenvallen aan de vreselijke dingen die elders waren gebeurd, waar men de Grote Khan weerstand had geboden. Onderwerping of dood, zo luidde zijn waarschuwing. Indien zijn vijanden zich dan onder­wierpen, viel hij hun land binnen en vernietigde hij hen toch. Ook aan het thuisfront maakte hij handig gebruik van propaganda om het moreel te versterken. Hij zette het soldatenhandwerk op een voetstuk en maakte dat alle anderen het als normaal be­schouwden te zwoegen voor de strijders te velde. Hij leerde zijn volk, dat de Mongolen een uitzonderlijk ras vormden, verheven boven alle andere.

Voor hem was terreur een stuk koude, hartstochteloze politiek. Indien een stad zich verzette, stak hij er de brand in en liet mannen, vrouwen en kinderen afslachten. Dat werd grondig gedaan. Wanneer zijn leger wegmarcheerde, liet hij een paar manschappen en een handvol gevangenen achter, verborgen tussen de puinhopen. Daarna werden de gevangenen gedwongen de stad rond te gaan en te roepen, dat de Mongolen vertrokken waren. Zodra de enkelen, die ontsnapt waren, dan uit hun schuil­hoeken te voorschijn kwamen, werden ook zij afgemaakt. Daarbij werden hoofden afgehakt om te voorkomen dat men zich dood hield. In één enkele stad werden zo 500 000 burgers afgeslacht.

Dat was de militaire machine waarmee Djengis Khan de wereld veroverde. Hij stierf, 66 jaar oud, en op het toppunt van zijn macht, tijdens een veldtocht in 1227. Na zijn dood rolde de ma­chine verder. Zijn opvolgers werden heer en meester van geheel Azië. Zij drongen al dieper Europa binnen en versloegen Hon­garen, Polen en Duitsers. Niemand kon tegen hen standhouden. Ook onder zijn kleinzoon Koebleikhan bleven de Mongolen opper­machtig. Maar aan die macht kwam ten slotte een einde toen zij in de handen van minder bekwame nakomelingen was terecht­gekomen. Thans zijn de Mongolen niet meer dan een zwakke groep nomadenstammen. Karakorum is onder het stuifzand van de Gobi-woestijn verdwenen en de naam is vrijwel vergeten.

Maar de naam Djengis Khan niet en evenmin de opvattingen van deze grote Mongool over de “onveranderlijke noodwendig­heden van de oorlog”, zoals generaal MacArthur betoogt. Afge­zien van “de afgrijselijke moordpraktijken, zijn barbaarsheid en zijn meedogenloosheid, staan die voor ons als kernen van eeuwige waarheid”, en het is thans even gevaarlijk daaraan voorbij te gaan als dat meer dan zeven eeuwen geleden het geval was.
.

alle biografieën

.

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

573-526

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Churchill

.

DE STRIJDENDE BULDOG

 

Als laatste der grote staatslieden zal Winston Churchill, een veelzijdig genie, een dierbare herinnering nalaten als een der meest irriterende figuren in de geschiedenis.
Wanneer het Britse rijk aan de vooravond van een crisis stond, kreeg hij zo dikwijls gelijk, dat zijn vermogen om toekomstige gebeurtenissen te voorzien zijn landgenoten tot een last werd. Hij is de stem van Engelands geweten geweest, de hoogste beroepsinstantie in tijden van gevaar. Toch is hij daarbij tot op de dag dat hij zich terugtrok schelms gebleven, ondeugend en opvallend jongensachtig. Zelfs uiterlijk scheen hij in al die jaren weinig te veranderen.

Churchill dient beschouwd te worden als de meest onafhankelijke geest van onze moderne tijd. Hij heeft zich onsterfelijkheid verworven als staatsman, redenaar, geschiedschrijver, biograaf, humorist, oorlogscorrespondent en cognacdrinker. Bovendien heeft hij zich onderscheiden als schilder, metselaar, romanschrijver, piloot, polospeler, soldaat en renstaleigenaar. Waardoor rijst een genie uit boven gewone en louter talentvolle stervelingen? Zij die Churchill het best gekend hebben, geloven, dat dit in zijn geval een combinatie was van tomeloze energie, intelligentie, een goed geheugen en de felste eerzucht die men te zien heeft gekregen sedert Alexander de Grote erover klaagde dat er nog maar zo weinig werelden te veroveren waren.

Winston Leonard Spencer Churchill werd op 30 november 1874 geboren te midden van de vorstelijke grootsheid van het paleis van Blenheim, dat toen eigendom was van zijn grootvader, de zevende hertog van Marlborough. Churchills moeder, een Amerikaanse, was een opvallende schoonheid met een speelse geest en een verregaand gevoel voor humor. “Ik heb veel van haar gehouden,” schreef hij later, “maar altijd op een afstand. Voor mij was zij altijd een sprookjesprinses.” Zijn vader, Lord Randolph, was een uitermate begaafd man, die een levendige, zij het korte, loopbaan als lid van het Parlement had.

Als jongen was aan Winston Churchill al duidelijk te zien welk vuur er in hem brandde. Hij was klein van stuk, had rood haar en was overdekt met sproeten. Hij had een vrij stompe neus en een strijdlustige mond. Zijn blauwe ogen bekeken iedereen, kinderen en volwassenen, met onverstoorbare kalmte en een tikje ongeduld.

Churchills eerste schooltijd heeft maar weinig tegenhangers in de levens van andere grote mannen. Tegen leren verzette hij zich al vroeg en daar kwam maar weinig verandering in toen men hem naar een dure kostschool in Ascot stuurde. Van het begin af be­landde hij geregeld in de strafkamer, waar het schoolhoofd zijn rietje hanteerde. Hij had een hekel aan Latijn en heeft zijn hele schooltijd hardnekkig geweigerd dat te leren. (Later, toen hij de waarde van mooiklinkende Latijnse frases in zijn politieke rede­voeringen inzag, zette hij er zich toe om in echte Churchillstijl een heel boek met Latijnse citaten uit het hoofd te leren).

In 1888, toen de toekomstige Eerste Minister op Harrow kwam, werd hij in de laagste afdeling van de laagste klas geplaatst. “Hij was geen gemakkelijke jongen,” zegt een vroegere leraar van hem. “Hij had natuurlijk een briljant stel hersens, maar hij werkte alleen als hij er zin in had en dan nog maar uitsluitend voor de leraren die hij mocht.” Met een overmaat aan energie en een afkeer van onderwijs haalde hij een eindeloze reeks kwajongens­streken uit en sommige leerlingen ergerden zich aan Churchill. Maar zij behielden allen een levendige herinnering aan “Peenhaar” zoals men hem op Harrow noemde.

Churchill zelf beweert: “Doordat ik zo lang in de laagste klas heb gezeten, behaalde ik een enorme voorsprong op de knappere jongens. Die leerden allemaal Latijn en Grieks en dat soort prachtige dingen. Maar ik leerde Engels. Meneer Somervell — een hoogst sympathieke man, aan wie ik veel verschuldigd ben — had tot taak de domste jongen het meest verwaarloosde vak bij te brengen — namelijk gewoon Engels schrijven. En hij wist hoe hij dat doen moest. Hij onderwees het zoals niemand het ooit had onderwezen. Omdat ik driemaal zo lang als ieder ander in de derde klas bleef zitten, kreeg ik er dus driemaal zoveel les in. Op die manier kreeg ik de essentiële structuur van de gewone Engelse volzin  in mijn vingertoppen — en dat is al een heel ding.”

Churchill zakte tweemaal voor het toelatingsexamen voor de Militaire Academie in Sandhurst en een zekere kapitein James, die hem voor zijn derde, en uiteindelijk succesvolle, poging opleidde, zou hebben gezegd: “Die jongen kan nooit Harrow doorlopen hebben. Hij moet er onderdoor gekropen zijn.” Maar toen hij eenmaal op de Academie was, vond er in Churchill een ver­andering plaats. De oude koppigheid, de kloeke, onversaagde geest bleef, maar hij begon meegaander te worden. In de klaslokalen gedroeg hij zich behoorlijk en rustig en de avonden bracht hij meestal met studeren door. In een klas van 150 leerlingen was hij nummer acht.

Na Sandhurst kwam Churchill bij het Vierde Huzaren, een regiment cavalerie, dat qua pracht en praal en goede connecties voor geen enkel onderdeel onderdeed. Toen het regiment naar India werd uitgezonden, begon men zich intensief op polo toe te leggen. Churchill speelde dat met verbeten enthousiasme en bleek een natuurtalent te zijn. Maar de eentonigheid van het legerbestaan begon al spoedig op zijn zenuwen te werken. In het begin van 1897 wist hij zijn vriend Sir Bindon Blood, die kort tevoren naar het noordelijke grensgebied was gestuurd om een opstand van de Pathanenstam te onderdrukken, te overreden hem aan de expeditie te laten deelnemen als correspondent. De Daily Telegraph zou zijn verslagen opnemen voor honderd gulden per kolom. Zijn artikelen hadden in Londen onmiddellijk succes, evenals zijn boek The Story of the Malakand Field Force, waarin zij later gebundeld werden. Het boek bracht Churchill evenveel op als twee jaar soldij.

In Engeland teruggekeerd besloot Churchill de dienst uit te gaan. De journalistiek had gouden perspectieven geopend. Nauwelijks was in de herfst van 1899 de Boerenoorlog uitgebroken, of hij kreeg een aanbod om die strijd te gaan verslaan voor de Morning Post. Als ervaren oorlogscorrespondent zag hij kans zijn honorarium verhoogd te krijgen tot 4 500 gulden per maand plus al zijn onkosten, en zeer in zijn nopjes vertrok hij naar Afrika.

Toen hij de Britse buitenpost Estcourt bereikte, vond Churchill daar een vriend uit de Indische oorlogen, een zekere kapitein Haldane, die naderhand werd uitgekozen om per pantsertrein een verkenningstocht uit te voeren in Boerengebied. Deze op­dracht woog hem zwaar en hij praatte er somber over met Churchill. “Trek het je niet aan,” zei deze, “ik ga wel met je mee. Het is mijn plicht tegenover de Morning Post.”

Churchill

Een paar mijl buiten Estcourt viel de trein in een hinderlaag, waarbij twee wagons kwamen te kantelen. Wat men ook deed, alleen de locomotief en de kolentender konden uit de chaos wor­den vrijgemaakt en de ongeveer veertig gewonden werden daarop geladen. Zo werd de terugreis aanvaard. De rest van de groep volgde te voet, maar de uitgeputte manschappen raakten spoedig achter; Churchill had zich juist naar hen toegehaast om hen te verzamelen, toen Boerenruiters de heuvels afkwamen. Hij had zijn revolver op de locomotief laten liggen en een van de ruiters dwong hem vrijwel onmiddellijk de handen op te steken. Churchill werd als krijgsgevangene naar de hoofdstad Pretoria gebracht, maar slaagde erin na een paar weken te ontsnappen. Hij had het geluk een spoorweg te vinden, klauterde op een goe­derentrein en wist tenslotte Portugees Oost-Afrika te bereiken, het dichtstbijzijnde neutrale gebied, op een afstand van 300 mijl. Voor de Britten was de oorlog slecht gegaan en Churchills stoute stukje had hun tenminste een held opgeleverd. Toen hij scheepging naar Durban kreeg hij van de Britse kolonie ter plaatse een ovatie ten afscheid. Churchill voegde zich daarna weer bij het leger en zette zijn goedbetaalde werk voor de Morning Post tot aan het einde van de oorlog voort.

Na zijn terugkeer in Engeland besloot hij zich bij de volgende verkiezingen kandidaat te stellen voor een parlementszetel, die hij met een kleine meerderheid won. Zo begon hij in 1900 — hij was inmiddels 26 geworden — zijn loopbaan in dienst van de openbare zaak. Parlementsleden werden in die tijd nog niet be­taald, en daarom begon Churchill nu naar een bron van inkom­sten uit te kijken. Hij begon een serie lezingen in Engeland en Amerika. Churchills Amerikaanse reis was zwaar. Meer dan vijf maanden lang sprak hij elke dag behalve zondags. Maar het bracht hem bijna 180 000 gulden op als financiële basis voor zijn duik in de politiek.

In de regel hielden de jonge leden van het Lagerhuis zich achteraf en lieten zich door de ouderen wegwijs maken. Churchill niet. Toen hij voor het eerst binnenkwam, stapte hij onmiddellijk op de plaats toe, die zijn vader had ingenomen, en maakte het zich gemakkelijk. En op de vierde dag hield hij zijn eerste rede.

Psychiaters hebben geconstateerd dat bepaalde mensen voor­bestemd blijken om in moeilijkheden terecht te komen. Zij zijn de rustverstoorders en de bouwers van deze wereld. Churchill was zo’n figuur. Hij  was nog geen maand in het Huis of hij begon al tegen leiders van zijn partij in te gaan. Hij deed een scherpe aanval op het voorstel een hoge militaire begroting aan te nemen, pleitte voor milde vredesvoorwaarden voor de Boeren en nam zijn mede conservatieven nog op andere manieren zo tegen zich in dat die, toen hij op een dag opstond om te gaan spreken, met veel lawaai als één man de zaal verlieten en in de deur bleven staan om hem als schooljongens uit te jouwen. Dit voorval, dat in het Lagerhuis geen precedent had, gaf hem evenveel bekendheid als zijn ontsnapping in de Boerenoorlog.

Tenslotte veranderde Churchill volkomen van politieke kleur; hij ging over naar de liberale zijde van het Huis en aanvaardde bij de algemene verkiezingen van 1906 een uitnodiging om zich kandidaat te stellen in een kieskring te Manchester. Hij werd verkozen en omdat die verkiezing meteen de Tories ten val bracht, kreeg de liberaal Winston Churchill recht op een plaats in de regering. Zijn post — die van Onderstaatssecretaris van Koloniën – was betrekkelijk onbelangrijk, maar omdat hij die op 31-jarige leeftijd wist te verwerven, zette hij daarmee de legende van het wonderkind voort.

In die jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog werd Churchill wat een zijn biografen noemde “de meest gehate politicus van het land.” Als Onderstaatssecretaris van Koloniën daarna Minister van handel en later als Minister van Binnenlandse Zaken was hij de voorvechter van veel liberale maatregelen. Ook wist hij een anti-militaire begroting erdoor te krijgen. Ongetwijfeld was hij een der ijverigste ministers die het Kabinet ooit gekend had en in historisch opzicht is het buiten kijf dat Churchill in de Eerste wereldoorlog Engeland bijna alleen gered heeft.

Het aanvankelijke verloop van de oorlog voorzag hij met verbluffend nauwkeurigheid. In 1911 nam de Britse militaire leiding aan dat het Franse leger bij een Duitse aanval sterk genoeg zou zijn om na negen tot dertien dagen tot een tegenaanval over te gaan en de Duitsers vervolgens terug te dringen. Churchills analyse, een historisch document dat nog altijd beschouwd wordt als een van de klassieke voorspellingen uit de wereldgeschiedenis. voorzag dat de Fransen op de twintigste dag nog altijd in volle terugtocht zouden zijn en tot op zijn minst de veertigste dag niet zouden kunnen aanvallen. Drie jaar later waren de Fransen op de 21ste dag nog in volledige aftocht en de Slag aan de Marne, algemeen beschouwd als het keerpunt in de oorlog, begon op de 41ste dag.

De Engelse generaals verwierpen Churchills document als “dwaas” en “volkomen amateuristisch”. Maar de Eerste Minister Asquith, doordrongen van het gevaar waarin Engeland zich be­vond, bracht hen al spoedig in verlegenheid door Churchill te vragen of hij Minister van Marine wilde worden. “Wij hebben alleen onze marine,” zei Asquith. “Daarin ligt onze enige hoop.”

Churchill accepteerde het aanbod gretig. Zonder zich om senioriteit te bekommeren zette hij onmiddellijk het mes in de Admiraliteit, zodanig dat de hoge officieren mokkend in een hoekje kropen. Teneinde een eersteklas marine op te bouwen bracht hij zeer vele veranderingen aan, waaronder de veelbe­sproken beslissing om kolen door olie te vervangen als brandstof op de vloot. Bovendien bestelde hij kanons van 37 cm, in plaats van de gebruikelijke van 33 cm, voor alle nieuwe slagschepen. De marine-officieren hieven een hartverscheurend protest aan, maar Churchill ging onverstoorbaar verder en toen de oorlog uitbrak hadden zijn schepen meer vuurkracht dan om het even welk Duits schip.

Toen, in de vroege zomer van 1914, liet hij de gebruikelijke vlootmanoeuvres afgelasten en kondigde in plaats daarvan — ondanks een veto van het kabinet en zonder de handtekening van de Koning — een ”oefenmobilisatie” af voor de hele marinere­serve. Met dit koene besluit bewees hij opnieuw zijn bijna mys­tieke, vooruitziende blik. De impopulaire mobilisatie, die al goed op gang was gekomen toen de moord op de Oostenrijkse aarts­hertog Ferdinand heel Europa in beroering had gebracht, was voltooid precies drie dagen vóór Engeland formeel de oorlog verklaarde. Het was een van de weinige keren in de geschiedenis dat een verdedigingsvloot maar half voorbereid de oorlog inging.

Misschien was een zodanige wervelwind van menselijke energie nog nooit op een oorlogsregering losgelaten. Churchill maakte een begin met de opbouw van een luchtwapen en zorgde ervoor dat er een reeks luchtaanvallen werd uitgevoerd op Duitse zeppelinloodsen en onderzeebootbases. Hij trok zo maar een bedrag uit voor het produceren van achttien “landschepen” en mag als zodanig gezien worden als de vader van de tank. Toen achten­veertig van die machines in september 1916 in actie kwamen, wierpen de Duitsers hun geweren weg en vluchtten. Opnieuw was in de oorlogvoering een blijvende verandering gekomen.
In 1915 had Churchill een plan opgesteld om een spoedig einde aan de oorlog te maken, waarbij de vloot door de Dardanellen zou worden gezonden en Turkije van de Centrale Mogendheden zou worden losgemaakt. Daarna zou men de Balkanstaten aan Geallieerde zijde krijgen en zo de weg vrij maken voor een snelle Russische overwinning in het oosten. Dit was zijn schema voor een snel blussen van de oorlogsbrand door middel van een aanval op de vijand “via de achterdeur” en hij legde alle protesten ertegen naast zich neer. Het duurde niet lang of de onderneming, die op 18 maart 1915 op gang kwam, liep uit op een catastrofe. Bij het binnenvaren van de Dardanellen kwam de aanvalsspits in een  mijnenveld terecht, waardoor drie slagschepen verloren gingen, op grond waarvan de bevelvoerende admiraal de actie af­brak. In Londen belegde Churchill een vergadering van zijn “Oorlogsgroep” op de Admiraliteit en toonde het telegram waarin hij de admiraal beval de actie te hernieuwen. Maar de verdere aanval leed een rampzalige vertraging, de vijand kreeg tijd om zijn verdediging te versterken en wat volgde werd een der bloedigste hoofdstukken in de vreselijke, eindeloze geschiedenis van de oorlog. Aan Britse zijde bedroegen de verliezen 205 000 man en terwijl de trieste overblijfselen van leger en vloot werden geëvacueerd, groeide de volkswoede tot een storm. Bijgevolg werd Churchill snel ontslagen.

In het begin van 1917 kwam de Commissie van Onderzoek betreffende de Dardanellencampagne tot de slotsom, dat Churchills oorspronkelijke plan goed was geweest; hij werd opnieuw in het kabinet opgenomen. Generaal Pershing onderscheidde hem met de Amerikaanse “Distinguished Service Medal” (Orde van Verdienste) voor zijn aandeel in het uitrusten van de Amerikaanse strijdkrachten. Hij was de enige Engelsman die op deze wijze gedecoreerd werd. Kort na de Wapenstilstand kreeg hij de post van Staatssecretaris van Oorlog en Luchtmacht. De naoorlogse reactie maakte echter dat hij niet alleen uit de regering werd verwijderd, maar ook zijn parlementszetel verloor, voor het eerst sedert 1900.

Zelfs Churchills volgzaamste aanhangers lopen niet over van enthousiasme over zijn loopbaan als Minister van Financiën, een post die hij in 1924 verwierf onder de Conservatieve regering van Stanley Baldwin. (Hij had intussen met de Liberalen gebroken en was in het Parlement teruggekeerd als “Constitutionalist”, een nieuwe partij met één lid). Het was een periode van economische neergang, met roerige, ontevreden arbeiders en veelvuldige sta­kingen. Churchill nam snel maatregelen om de stakingen de kop in te drukken en was in het algemeen meer rechts dan de meesten van zijn Tory collega’s. Men hief de oude leuze weer aan, dat hij te ver gegaan was. Zelfs de Tories wantrouwden deze impulsieve weerhaan. Kortom, hij nam iedereen tegen zich in. In de drukke tijd sinds Sandhurst had hij in vijf oorlogen gevochten, negen kabinetsposten bekleed (een record in de Britse geschiedenis), 8000 openbare redevoeringen gehouden en was daarbij in snelle opeenvolging de populairste en impopulairste figuur in Engeland geweest.

In de jaren tussen 1929 en 1939, soms de “uit-het-gareel” periode genoemd, hield Churchill zich voornamelijk met schrijven bezig. Hij had De Wereldcrisis in vier dikke delen al gepubliceerd, waarmee hij meer dan 350 000 gulden had verdiend. Nu zette hij zich aan een ander, zo mogelijk nog groter project, de monumen­tale biografie Marlborough, His Life and Times (Het leven van Marlborough). De honoraria, die hij voor tijdschriftartikelen kreeg, waren de hoogste die men ooit betaald had en zijn productie was kolossaal. Een zodanig inkomen, gevoegd bij een erfenis van een half miljoen gulden van zijn moeder bij haar dood in 1921, maakte het voor de Churchills aanzienlijk gemakkelijker om zich in de hoogste kringen te blijven bewegen.

Met zijn literaire inkomsten kocht Churchill in 1924 het land­goed Chartwell. Niet lang nadat hij het gekocht had, keek hij een tijdje hoe een paar metselaars het huis opknapten, nam toen een troffel en wat bakstenen en ging zelf aan het werk aan een ver­vallen bijgebouw. Toen de voorman hem vertelde, dat hij als hij wilde metselen ook lid van de vakbond moest worden, oefende Churchill tot hij twee stenen per minuut kon leggen en diende een aanvraag voor het lidmaatschap in. Tijdens een rustpauze in zijn carrière was Churchill ook met schilderen begonnen. Type­rend voor hem, had hij zich ook voorzien van alle mogelijke uit­rustingsstukken, die bij het gilde behoren, een lichtblauwe kiel en baret incluis. Hij maakte snel vorderingen en Parijs kreeg een ten­toonstelling te zien van een onbekende schilder, Charles Morin genaamd, het pseudoniem, dat Churchill zich gekozen had. Men kan van Churchill als schilder zeggen, dat zijn werk op beroepsniveau staat. “Als die man schilder van beroep was,” heeft Picasso gezegd, “zou hij ruim zijn brood kunnen verdienen.” Politiek gesproken bevond Churchill zich in deze jaren in een merkwaardige situatie. Hij was nog altijd Lagerhuislid, maar zonder enige invloed. Zowel Duitsland als Italië waren in opkomst en nu hij zag hoe Hitler steeds dreigender werd, waarschuwde hij Engeland zich moest bewapenen. Churchills eenzame strijd tegen de fascisten was misschien zijn mooiste periode. In het Lagerhuis en in de pers stelde hij de nazidreiging aan de kaak bij een volk dat met massale blindheid geslagen was.

Het was al bijna te laat toen de Britten zich bewust werden van het feit, dat Churchill opnieuw van meet af aan gelijk had gehad.

Volgens de deskundigen had men Hitler wel een keer of tien de weg kunnen versperren zonder bloedvergieten. En bij elke gelegenheid had Churchill op handelen aangedrongen. Nu was de teerling geworpen en kwam het oorlogsmonster aanrollen. Op 1 september 1939 rolde de nazi-oorlogsmachine met geoliede precisie Polen binnen. Op 3 september verklaarden Frankrijk en Engeland de oorlog en diezelfde avond werd Churchill uitge­nodigd zijn oude post op de Admiraliteit te betrekken. De boodschap ging uit naar elk onderdeel van de vloot, over de radio, met de seinlamp of per vlaggensein: “Winston is terug.”

De openbare mening haalde hem binnen met een stortvloed van adhesiebetuigingen en tijdens de formele oorlogsverklaring wandelde hij het Huis binnen langs een haag van leden die hem staande een ovatie brachten. Nauwelijks een week tevoren hadden ze hem hartgrondig bestreden. Maar het waren donkere uren in de geschiedenis van Engeland. De natie was slecht voorbereid op de oorlog. Terwijl Churchill aan het hoofd van de Admiraliteit stond – minder dan een jaar — was het nieuws weinig bemoedigend en de U-boten, die vele schepen tot zinken brachten, stelden het moreel van het Britse volk zwaar op de proef.

Jaren tevoren, tijdens een periode van politieke tegenslag, had Churchill aan een vriend toevertrouwd: “Ik zou mij helemaal uit de politiek terugtrekken als er geen mogelijkheid bestond, dat ik nog eens Eerste Minister word.”
Op 10 mei 1940, tijdens het zwaarste uur in Engelands geschiedenis, werd zijn volhardingsvermogen beloond. Noorwegen was gevallen, Chamberlain was eindelijk afgetreden en Koning George ontbood Churchill. De volgende maandag hield Churchill de inspirerende toespraak over ubloed en zwoegen, zweet en tranen”, die vijf jaar lang het grondthema van de democratie zou zijn.

Iedereen, die tijdens de oorlogsjaren met Churchill in aanraking kwam, voelde de moed waartoe hij wist te inspireren in zich natrillen. Dit had een bijna hypnotisch effect. In de dagen van Duinkerken, kort nadat hij de leiding van de regering had aan­vaard, was het voornamelijk aan hem te danken, dat het expeditieleger gered werd. Toen uit Duinkerken gemeld werd, dat een snelle evacuatie noodzakelijk was, kwam hij onmiddellijk in het geweer. Op de avond van de 26ste mei werden de eerste eenheden van het strand van Duinkerken gehaald. De volgende dag werd in aller ijl via radio en kranten bekendgemaakt: “Winnie heeft boten nodig” en kort nadien verliet de beroemde bijeengegaarde vloot van vaartuigen de Engelse havens om een der glorierijkste hoofdstukken in de Britse militaire annalen te schrijven. Maar Churchill deed geen moeite om de redding als een overwinning voor te stellen. Integendeel, hij schilderde Engelands positie af in donkere kleuren, waarbij hij de enorme offers — materieel en voorraden — duidelijk in het licht stelde. Europa was vrijwel verloren, een jaar tevoren had Rusland een non-agressiepact met Duitsland gesloten en Amerika proclameerde een besliste neutra­liteit. Churchill belegde een kabinetsvergadering en de ministers kwamen plechtig bijeen om zijn verschrikkelijke voorspellingen aan te horen. Zij hadden hem nog nooit zo opgewekt gezien. “Wel heren, wij staan alleen,” zei hij. “En wat mij betreft, dat geeft mij een bijzonder opwekkend gevoel.”

De last van het leiderschap van mei 1940 tot juli 1945 eiste een zware tol en Churchill kon er niet van afgebracht worden zich zonder noodzaak aan gevaar bloot te stellen. Wanneer de lucht­alarmsirenes loeiden, wachtte hij tegen beter weten in tot er werkelijk bommen vielen voor hij zijn ambtswoning aan Downing Street no. 10 verliet. Dan wandelde hij kalm tussen het afweer­geschut door naar het sterkere bijgebouw bijna duizend meter verder. Inspecteur Walter Thompson, zijn lijfwacht, kwam een keer heimelijk achter hem staan, nam Churchills hoed af en zette hem snel de voorgeschreven blikken helm op. Zonder commentaar nam Churchill het ding af en gooide het in de struiken. Hoe zwaar er ook gebombardeerd werd, hij verliet de schuilkelder voor het over was en bijna al zijn vrienden gaven tenslotte hun pogingen maar op om hem onder de grond te houden. Zoals een employé in Whitehall zei: “Wanneer de Premier in een schuilkeler zat opgesloten, was zijn kwade humeur veel erger dan de bommen.” Hij werkte zestien tot achttien uur per dag en scheen nooit moe te worden. Maar tegen de lente van 1945 meenden sommigen dat hij tekenen van vermoeidheid begon te vertonen.
Het nieuws van President Roosevelts dood was voor hem ongetwijfeld het ergste moment van de oorlog. Thompson vond de Eerste Minister in tranen. “Verschrikkelijk, verschrikkelijk,” zei en voegde daar aan toe: “Hij was een groot vriend van ons. Hij heeft ons onschatbare hulp gegeven op een moment dat wij die het meest nodig hadden. Ik heb een goede, goede vriend verloren.”

Op V.E.dag (toen de Duitsers capituleerden), de grootste dag van de oorlog voor Churchill en voor Engeland, reed Churchill in triomf van Downing Street 10 naar het Lagerhuis. Toen de optocht Parliament Square bereikt had, was hij op de voorbank van de open wagen gaan staan, vanwaar hij blootshoofds en grinnikend de menigte groette met zijn V-teken. Op een gegeven ogenblik bemerkte hij dat hij zijn sigaren thuis had gelaten. “Ga er een halen,” schreeuwde hij Thompson toe. “Dat willen ze zien.”
Toen de Eerste Minister ten slotte naar binnen ging om de vergadering toe te spreken, kreeg hij een ovatie zoals het parlement nog nooit iemand had gebracht. De leden lieten elk ceremonieel varen en sprongen schreeuwend en met papieren zwaaiend op hunhanken. Churchill stond op zijn gebruikelijke plaats naast de documentenkist. Tranen rolden over zijn gezicht en hij bleef staan snikken, wachtend tot hij gebruik kon maken van het kostelijke voorrecht, zelf de overwinning plechtig bekend te maken.
Toen de Britten Churchill twee maanden later wegstemden, bleef hij schijnbaar onbewogen onder deze plotselinge afwijzing.

Hij schikte zich al spoedig in een levenspatroon dat zou duren tot hij bij de verkiezingen van oktober 1951 op zo dramatische wijze weer naar Downing Street no. 10 terugkeerde.
In 1953 tot Ridder in de Orde van de Kouseband benoemd door Koningin Elizabeth II, bleef Sir Winston Leonard Spencer Churchill aan het hoofd van de regering tot 1955. Toen, onder het gewicht van zijn jaren, droeg hij zijn post over aan Anthony Eden en trok zich rustig terug van het politieke toneel.

Maar ook daarna was hij verre van vergeten. Want Engeland bleef deze man van heroïsch formaat eren, de laatste der grote staatslieden, een reus onder pygmeeën. En om met Shakespeare spreken: “Wanneer komt er weer zo een?”
.

alle biografieën

.

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

571-524

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Sprookjes – 1e klas – toneelstukje ‘De zeven raven’

Pieter HA Witviet
.

Van tijd tot tijd probeerde ik zelf ook een toneelspelletje voor een klas te maken.

Ik had ooit een 1e klas die dol was op het sprookje van de zeven raven uit de bundel van Grimm. (nr.25)

Ik probeerde het volgende:

Vader:
God gaf ons zeven zonen
die hier nu bij ons wonen.
Kregen wij toch een meisje klein:
Wat heerlijk zou dat zijn!

Moeder:
Mijn lieve man, wees blij!
Wij krijgen er nog een kindje bij.
Misschien wil God ons bedenken
En ons een dochtertje schenken.

(de melodie was simpel pentatonisch)

Alle kinderen zingen:

’t Kindje werd op aard’gebracht
In een stille, donkere nacht.
Vader en moeder vreesden zeer,
want het was zo klein en teer.

V:
Wij moeten ’t kindje vlug dopen.

(Hij roept zijn zonen):
Jongens; jullie kunnen heel snel lopen.

(Hij geeft een kruik aan één van hen)

Vul deze kruik bij gindse bron
En kom dan gauw weerom.

(Als bron zette ik vier stoeltjes met de rugleuning naar buiten, kleed erover).

(Ze proberen elkaar de kruik afhandig te maken):

1e Jongen:
IK schep!

2e:
Neen, IK!

3e:
Geef hier!

4e:
Blijf af!

5e:
O, neeee
daar valt de kruik diep naar benee

6e:
Wat nu gedaan?

7e:
Zo kunnen we niet naar huis toegaan!

De jongens verdwijnen uit het zicht.

Vader:
Waar blijven ze toch, wat duurt het lang!
O, kom nu snel, ik word zo bang.

Goddeloze jongens zijn het, geen brave.
Werden ze maar veranderd in zwarte raven!

(Achter een scherm staan 7 in het zwart geklede raven klaar, die nu al vliegend tevoorschijn komen en weer verdwijnen)

Allen zingen:
Nauwelijks was die wens gedaan,
Vlogen er zeven raven aan.
Betoverd gingen zij door de lucht
In een donkere, droeve vlucht.

Vader:
Ach, had ik dit maar nooit gezegd
Wat komt er nu van hen terecht.

Moeder:
Mijn lieve man, heb goede moed.
Het gaat ons zwakke dochtertje goed.
Laat haar nooit horen
Wat er gebeurde, toen zij werd geboren.

Allen zingen:
Jaren gingen er voorbij,
’t Meisje was heel mooi en blij.
Zong en speelde met plezier
Was heel lief voor plant en dier.

(Het meisje zit ergens te spelen. 2 Vrouwen komen voorbij en blijven op afstand staan):

1e vrouw:
Zie je dat mooie meisje daar
met die bloempjes in het haar.
Toen zij werd geboren,
waren haar 7 broers verloren.

(Meisje heeft het gehoord, staat op en rent naar haar ouders)

Meisje:
Vader, moeder, is het waar
wat ik zoëven hoorde daar.
Vertel mij snel en kort
Heb ik mijn broers in het ongeluk gestort?

Allen zingen:
’t Meisje was niet vrolijk meer
Dacht aan haar broertjes, iedere keer.

Meisje:
‘k Ga hen zoeken, ik hoop dat ik ze vind.

Allen zingend:
Sprak het moedige, dappere kind.

Meisje:
Een ring om vader en moeder niet te vergeten,
Een kruikje water en brood om te eten.
En dit stoeltje over mijn schouders.
Vaarwel mijn lieve ouders.

Ik loop hier ver vandaan.
Naar het eind van de wereld zal ik gaan.
Ik zal het wagen
Aan de zon om raad te vragen.

Zon:
Ga weg, mijn kind, eer
Ik je met mijn vlammend vuur verteer.

(Meisje haast zich weg)

Hier kan ik niet lang vertoeven.
Bij de maan wil ik mijn geluk beproeven

Maan:
Wat komt daar zonder vrees?
Ik ruik mensenvlees.

(Tot het meisje):
Mijn koude zal je doen verstijven
Dan moet je altijd bij mij blijven,

Meisje:
Vlug hier vandaan
Voordat het verkeerd zal gaan.

Nu naar de sterren
Ik zie hen al van verre.

Morgenster:
Ik weet dat je je broeders vindt
Met dit beentje, mijn lieve kind
Open je de berg van glas
Met dit hinkelbeentje lukt dat ras.

Meisje:
Dank je, lieve morgenster.
Ik ga, want het is nog ver.

Allen zingen:
Vele dagen trok zij voort
In het onbekende oord.
Wat blonk ginds in de zonneschijn?
Ja, dat moet de berg wel zijn.

Meisje:

(zoekt beentje):
Het beentje zat in deze doek,
O, ongeluk, nu is het zoek.

Dan zal ik mijn pink afsnijden,
Want ik ZAL mijn broers bevrijden.

Dwerg:
Wat zoek je hier in deze berg?

Meisje:
Mijn zeven broers, o help mij dwerg!

Dwerg:
De heren raven zijn niet thuis.
Wacht hier op ze in hun huis.

(Dwerg af. Het meisje eet intussen iets van ieder bordje en drinkt uit ieder bekertje dat op tafel staat. In één bekertje doet ze het ringetje)

Dwerg:
Hoor je het vleugelgeruis
De heren raven komen thuis.

1e t/m 7e broer na elkaar:
Wie heeft er van mijn bordje gegeten?
(Wie heeft er van MIJN bordje gegeten enz)

Idem:
Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken.

De 7e niet, hij zegt:
Een mensenmond heeft het gedaan
En zie toch moeders ringetje eens aan!!
God geve dat ons zusje hier is.
Dan zijn wij verlost uit onze duisternis.

Meisje komt tevoorschijn:
O, broertjes, jullie leven!

De broers:
En onze mensengestalte  wordt ons teruggeven.

(Ze trekken nu hun vogelkapjes en snavel af en doen hun zwarte cape af. Ze gaan mooier rechtop staan)

Allen zingen:
O, wat was een ieder blij.
De betovering was voorgoed voorbij.
Vrolijk gingen zij naar huis
Leefden heel gelukkig thuis.

Met een beetje fantasie en improvisatie kun je van een paar tafeltjes en wat lappen een ‘berg’ maken, die je bv. links op het toneel zet. Daarin of daarachter verbergen zich dan de weggevlogen raven. De bron kan midden op het toneel en het huisje van de ouders rechts.

Verdere regie-aanwijzingen lijken mij overbodig. Al oefenend en spelend merk je vanzelf wat er nodig is en hoe je iets wilt vormgeven.
.

Er bestaat nog een ander spel:

 

De zeven raven

.
Alle kinderen in een halve kring. Aan de ene kant staan: Moeder, sterren, de zon en het zusje. Aan de andere kant: De vader, de 7 raven, de maan en de wachterdwerg.

allen:
Luistert allen naar dit spel
misschien verwondert gij u wel.
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt ?
Luister hoe dat eendje babbelt.
Bonte tortelduifjes vliegen
Vader kom, Help moeder wiegen
’t Lieve kleine kindje daar.
Zorgzaam knielt het ouderpaar.
Vader kom, Help moeder wiegen
Bonte tortelduifjes vliegen
Luister hoe dat eendje babbelt
Hoort gij hoe dat beekje kabbelt?
Misschien verwondert gij u wel
Luistert allen naar dit spel.

Moeder:
De nacht verdwijnt, de ochtend naakt
Zie ons dochtertje ontwaakt
Het sliep zo lang, het sliep zo zwaar
Zo diep, als of ’t gestorven waar.

Vader:
Moge God het kindje geven
Sterke krachten tot het leven.

Koor:
De zeven broertjes blj elkaar
Zien verwonderd, nu naar haar.

1e:
Wat een lief gezicht

2e:
Oogjes klaar en licht.

3e:
Hoofdje als een appel rond.

4e:
En een lachje om de mond.

5e:
En Ik wieg je heen en weer.

6e:
Ik leg hier wat bloempjes neer

7e:
Voor ons zusje zorgt de Heer
Ziet vol liefde op haar neer.

Vader:
Jongens, door de laatste regenval
Ontstond een beekje In het dal.
Ga daar water halen nu terstond
Dopen maakt de mens gezond.
Doe het snel en keer dan weer
Zet het water hier dan neer.

Ie:
lk draag de kan.

2e:
Ik zal lopen wat ik kan

3e:
Ik loop als de wind

4e:
Ik weet dat ik de weg wel vind

5e:
Zie hoe Ik door de struiken dringen kan

6e:
Geef mij de kan ik loop vooran.

7e: (bij de bron)
lk zal scheppen voor ons allen.

Allen:
O weel De kan is gevallen I
Stil, houd toch je mond
De kan viel op de grond
En vader wacht en wacht
Wie had dat nu gedacht
Wie zal nu water geven
Wie vertelt het vader zonder beven
Wie zal nu water geven
Wie had dat nu gedacht
En vader wacht en wacht
De kan viel op de grond
Stil, houd toch je mond
O wee! De kan is gevallen!
Dat ongeluk treft ons allen!

Moeder:
De avondwind speelt om het huls
En nog zijn de jongens niet thuis
Misschien bij vrolijkheid en spel
Vergaten zij hun opdracht wel!

Vader:
Weet je wat ik vind
Straffen moet men ieder kind
Dat zo zijn plicht vergeet
Voor zover ik weet
Zou het het beste zijn
In plaats van een groot festijn
De duivel met zijn kracht
Hen beet neemt in zijn macht.
Raven zullen ze voortaan zijn .
Allemaal, groot en klein .

De 7 Raven:
Klein zusje wees jij lief en braaf
Wij vliegen nu als raaf
Met veel en luid geruis
Over ons eigen oud tehuis
Zie toch hoe vreselijk erg
Zo vliegen we over dal en berg
Wij vliegen nu als raaf
Klein zusje wees jij lief en braaf.

Koor:
Zo als er uit het knopje
De roos opbloelt in zonneschijn
Zo heft het meisje op haar kopje
En wil nu flink en dapper zijn.
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
Of zij ze daar wel vinden zal?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Hoe zal het verder met haar gaan ?
Zij zoekt bij sterren en bij maan
Of zij ze daar wel vinden zal ?
Haar broertjes zoekt zij over berg en dal
En wil nu flink dapper zijn
Ze loopt in regen en in zonneschijn.

(Bnnenkring gevormd door drie sterren, Zon en Maan.
Sterren hurken neer en het Zusje komt en spreekt: )

Zusje:
Zo wandel ik de hele dag
Waarheen de weg mij voeren mag
Maar tegen bittere hongersnood
Gaf moeder mij een flink stuk brood
Een gouden ring gaf vader mij
Dat maakte dapper mij en blij.
In het oosten uit de wolkenpoort
komt moeder Zon, zij moet steeds voort.
Flikkerend rood in het morgenlicht
Schijnt verblindend zij mij in ’t gezicht.
Lieve Zon, waar zijn mijn broertjes nu
Wijs mij de weg, dit smeek ik U.

Zon:
Mijn vlammenadem heet en rood
Verbrandt het mensenhart, brengt hen de dood.

Zusje:
Ik red mij door Uw hete gloed.
Vader Maan, weest gij zo goed
Geeft gij mij milde manenschijn
Vertel mij toch waarof mijn broertjes zijn.

Maan:
Met koude sneeuw en het harde ijs
Breng ik het mensenhart snel van de wijs.

Zusje:
Ik red mij voor Uw vorst en kou
Door dat ik van mijn broertjes hou
Gij sterren aan de blauwe hemelboog
Tot U richt ik me nu omhoog.
Verlicht mijn schreden, wijst gij mij toch de baan
Hoe moet ik tot mijn broertjes gaan?

Sterren:
WIJ wachten voor de hemelpoort
En wandelen mee zoals het behoort
En wie zo trouw vervult zijn plicht
Die schenken wij ons kleine licht.

Morgenster:
Aan ’t eind van de wereld staat een berg
Daar houdt de wacht een dappere dwerg.
Daar boven op staat fier een groot paleis
Daarheen vervolg je nu je reis,
Daar vlogen 7 raven uit en in.
Hier is de sleutel – dat is het begin.

Sterren:
Wij volgen steeds het gouden spoor|
De morgenster die gaat ons voor
Wij zingen saam een sterrenlied
Maar vele mensen horen ’t niet.
Doch hoort er iemand ons gezang
Begeleiden wij zijn stoere gang.

Zusje:
Daar sta ik nu voor de poort,
Maar och heden
Het sleuteltje is uit mijn zakje gegleden.
U lieve sterren geef me sterkte en moed
Dat ik durf, wat helaas nu geschieden moet.
Ik snijd nu tot mijn straf
Vlug mijn eigen pinkje af
Tot sleutel wordt het vingertje snel
En laat mij binnen In de glasberg wel.

Wachterdwerg:
lk behoed de poort en houd de wacht
Wie zijt gij meisje lief en zacht?
De heren raven zijn niet thuis vandaag
Ze vlogen over muur en haag
En ’t is eerst ’s avonds laat
Dat de groep naar huis toe gaat.

Zusje:
Ik smeek U wachterdwerg
Laat mij binnen in Uw berg
Ik kwam van o zo ver
Geholpen door de morgenster
Laat mij rusten nu en slapen gaan
Ik kan van moeheid niet meer staan.

Wachterdwerg:
Kom binnen, kom binnen kind
Ik ben je zeker goed gezind
Een maaltijd staat hier voor je klaar
Flink eten en ook drinken maar
En rusten doe je onderwijl maar goed
Dan heb je straks weer lust en moed.

Zusje:
Van leder bordje nam ik veel
Uit ieder bekertje mijn deel
In het zevende doe ik stil en snel
Mijn vaders ring, die vindt broer wel.

Wachterdwerg:
Ik hoor de raven vleugelslag
Wat of deez’ dag ons geven mag ?
In open huis en zaal zo wijd
Heer Raven ’t is Uw etenstijd!

(Raven vliegen binnen, zusje verbergt zich, wachterdwerg op de achtergrond.
Raven zingen hun lied)

Raaf 1:
Wie at er van mijn bordje klein?

2:
Wie dronk er van mijn wijn ?

3:
Wie nam een hapje van mljieten ?

4:
Wie heeft dit lege bord op zijn geweten ?

5:
Wie at er van mijn appel zeg ?

6:
Wie nam heel mijn pannenkoekje weg?

7:
En mij is het naar de zin
Mijn Vaders ring lag onderin
Toen Ik flink dronk hier van mijn wijn.

Alle raven:
Oh! Zal ons zusje gekomen zijn ?

zusje:
Goddank mijn broers heb Ik gevonden
De sterren hebben mij gezonden
De sterren kunnen raven weer genezen
Om mensen weer te kunnen wezen,

1: 
Ik werp mijn vleugels weg goddank!

2:
Ik leg mijn kleed op deze bank,

3:
Ik sta weer op mijn voeten

4:
Met deze hand kan ik mijn zus begroeten,

5:
Ik richt mij op en hef mijn hoofd,

6:
Ik kan weer spreken, Gode zij geloofd,

7: 
En nu terug naar vaders huls
Ik breng je allemaal weer thuis.

Broers zusje en wachterdwerg:
WIJ trekken van de berg vandaan
’t Is huiswaarts dat we nu weer gaan.
Wij varen over het wilde meer
De tocht verheugt ons allen zeer.
Dan gaat de tocht weer verder voort
Geen moeilijkheid je ons meer stoort.
Dank God wij zijn bevrijd van tovenarlj.
We gaan door ’t leven zij aan zij
We helpen en we steunen op elkander
En altijd helpt de een de ander.
Maar zonder Godes licht en kracht
Heeft niemand het ooit ver gebracht
De zeven broertjes zijn gevonden
En met hun zusje weer verbonden.
Nu is alles hier weer goed
Besluiten met een heuse groet

-0-0-0

Sprookjes: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

toneelstukken

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas w.o. sprookjesbeelden

.

561-515

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL- Vertelstof – biografieën – Hudson

.

DE KAPITEIN VAN DE ‘HALVE MAEN’
.

Van het verleden van Henry Hudson, de ontdekker van de Hudsonbaai, de Hudsonstraat en de eveneens naar hem genoemde rivier, is niets bekend. Het is echter niet waar dat hij een Nederlander was, al noemden de Nederlanders hem “Hendrick”. Hij schreef zijn naam gewoon Henry en hij kon de taal van zijn Amsterdamse broodheren lezen noch schrijven.

Hij komt voor de eerste maal in de geschiedenis voor wanneer hij en zijn bemanning — 10 man en een jongen — te Bishopsgate in Engeland de heilige communie doen, alvorens zich in te schepen op de Hopewell om recht over de Noordpool heen naar het verre, fabelachtige land Cathay (China) te varen. Deze reis, die werd georganiseerd door een handelmaatschappij, de Muscovy Company, werd een mislukking. Hudson ervoer dat het onmogelijk was om door de ijsbarrière tussen Groenland en Spitsbergen heen te breken en hij keerde naar Londen terug. Hij werd het volgende jaar wederom door de Muscovy Company uitgezonden om het nogmaals te proberen. Nu poogde hij door het ten noorden van Rusland gelegen Nova Zembla een vaargeul te vinden naar de tot de Poolzee behorende Kara-Zee, om vandaar, na de legen­darische Kaap Tabin omzeild te hebben, het rijke Oosten te bereiken via een warme zee die naar “wierook-dragende bomen” moest geuren.

Ook deze reis mislukte, maar al kreeg hij de legendarische kaap nimmer in zicht, ten minste twee leden van zijn bemanning vingen een glimp op van iets nog veel merkwaardigers. Terwijl ze vlak na een poolstorm aan dek stonden, zagen ze een meermin. Ze waren niet de eerste menselijke wezens die dit voorrecht hadden.

De Nederlanders zagen bij Borneo ook zo’n wezen dat ze bijna een week lang in een groot vat in leven hielden. “Nu en dan slaakte ze kreetjes als een muis. Ze wilde niet eten, al bood men haar vis, kreeft en zo voort aan.”

Omstandig beschrijft Henry Hudson de gedaante van het vismeisje. “Ze kwam dicht bij het schip en zag de mannen ernstig aan” — toen werd ze door een golf omgeworpen en verdween. “Tot de navel was haar rug, en waren hare borsten, als die van een vrouw; haar huid was zeer blank, en heur lange haar viel op haar rug; toen ze onderdook zagen ze haar staart, gelijk die van een bruinvis en gespikkeld als van een makreel.”

Hoezeer de Londense kooplieden ook door zijn relaas geboeid mogen zijn geweest, ze waren diep ontmoedigd door Hudsons tweede mislukking, en hij was alras zonder werk. De Nederlanders hadden evenwel van zijn daden vernomen, namen hem in dienst, en hij vertrok opnieuw, stak in de Halve Maen de Atlantische Oceaan over, en kreeg op 2 september 1609 de blinkende zand­banken van Sandy Hook in zicht. Toen de zeelui de tegenwoordige haven van New York opvoeren, “drong hun een zoete geur in de neus”. Indianen in kano’s kwamen hun oesters en bessen brengen. Aan alle kanten groeiden prachtige wouden tot aan de waterkant.

Hudson voer in de Halve Maen de rivier op tot aan het tegen­woordige Albany en verliet het schip om de Indianen in hun eigen huis op te zoeken. “Met een oude man die aan het hoofd stond van een stam van 40 mannen en 17 vrouwen ging ik de oever op; deze mensen woonden in een goedgebouwde hut van eikenschors, rond van vorm, met een gewelfd dak. Bij onze komst kregen we onbekende spijzen aangeboden in grote houten kommen. Ook werd er een gemeste hond geslacht, en in grote haast met schelpen gevild. Ze dachten dat ik bij hen zou overnachten, maar ik keerde terug naar het schip. De inboorlingen zijn een vriendelijk volkje, want toen zij zagen dat ik niet wilde blijven, meenden zij dat ik bevreesd was voor hun bogen; ze namen hun pijlen, braken ze in stukken en wierpen die op het vuur.”

Bij Albany stootte Hudson op ondiepten en keerde terug. Er deed zich toen een ongelukkig incident voor. Op een middag, toen de Halve Maen, omgeven door kano’s, voor anker lag, klom er een Indiaan op het roer en stal uit een patrijspoort een hemd en een hartsvanger. Het hemd behoorde toe aan een boosaardige Engelse zeeman uit de sloppen van Londen, Robert Juet geheten.

Het ware beter geweest indien de inboorling van een mensenetend dier had gestolen dan van deze middeleeuwse vechtersbaas. Er werd alarm geslagen, en de Nederlandse stuurman schoot op de dief en doodde hem. Er ontstond grote verwarring, en de Indianen vluchtten in paniek overboord. Die avond voer de Halve Maen zo ver mogelijk de rivier af. De volgende dag zag men meer dan honderd Indianen zich verzamelen op een landtong, en ze probeerden de Halve Maen te praaien. Juet “vuurde een falkonet op hen af en doodde er twee”. Twee dagen later voeren ze de riviermonding uit en de open zee op, zulks tot hun grote op­luchting. Wellicht had de gezagvoerder deze barbaarse geweld­daden niet kunnen voorkomen; het is bekend dat hij toen reeds te lijden had van ongehoorzaamheid onder de bemanning.

De laatste reis van Hudson werd geldelijk gesteund door de prins van Wales, samen met de Londense kooplieden, en in 1610 voer hij uit in de bark Discovery op zoek naar Cathay. Er heerste vanaf het begin van de reis een slechte, ontevreden stemming onder het scheepsvolk. Robert Juet sloeg oproerige taal uit en gaf twee schepelingen de raad, hun musketten geladen en wel in hun verblijf gereed te houden omdat hij “doodslag, en voor sommigen bloedvergieten” verwachtte.

Eindelijk voeren ze de Hudsonstraat binnen. Vanwege de grote ijsmassa’s duurde het vijf weken voor ze erdoorheen waren. Eens weigerde de bemanning om verder te varen, maar Hudson toonde hun zijn zeekaarten en haalde hen over, door te zetten. Ze voeren maar door, en onderweg verzamelden ze uit poelen op voorbij­drijvende ijsbergen vers water. Toen ze de ingang van de grote baai bereikten, moet Hudson wel gedacht hebben, dat het zwaar­ste gedeelte van de reis achter de rug was en dat hij de lang gezochte noordwestelijke doorvaart had gevonden. Met heen en weer varen werd echter veel tijd verloren, en tegen 1 november was de Discovery ingevroren aan de zuidpunt van de Jamesbaai. De kanonnier stierf, de bemanning kreeg scheurbuik, en het voedsel werd schaars.

Aanvankelijk leefden ze van sneeuwhoenders, en in de vroege lente aten ze trekvogels die op doortocht waren haar hun broed­plaatsen in het hoge noorden. Nog later raakten de mannen zo uitgehongerd dat ze de bossen introkken, de heuvels op en de dalen in, om gelijk vossen te zoeken naar “Alles wat maar enigs­zins eetbaar was, walgelijk of niet”. Ze aten mos en kikkers, “de dood door de kogel ware beter”. Eindelijk was het ijs zo ver gesmolten dat ze het schip los konden krijgen. Hun enige hoop was, vanaf de Jamesbaai koers te zetten naar het noorden, naar Kaap Digges, waar ze het jaar tevoren wild gevogelte hadden zien broeden. Met zijn eigen handen verdeelde Hudson de laatste korsten brood onder het scheepsvolk, “en hij weende toen hij het hun gaf”

Na een poos raakten ze door het ijs van de open zee afgesneden, en op een zaterdagnacht begonnen de mannen onder aanvoering van Juet te muiten. Drie man overmeesterden Hudson en dwon­gen hem, zijn zoon en de zieke schepelingen in de kleine boot te gaan. De muiters waren niet van zins, de scheepstimmerman te laten gaan, maar toen de eerlijke zeebonk zag wat er gebeurde, wilde hij van blijven niet horen. Tierend dat het een aard had verdween hij om zijn timmerkist en zijn ijzeren pot te gaan halen — “wat hem betrof, hij wilde op het schip niet blijven, en, eerder dan er waarschijnlijk bij die schurken het leven af te brengen, be­gaf hij zich in Gods hoede omwille van de schipper in de sloep”.

Toen stootten de muiters het huikje af en zeilden weg: ze zagen de sloep kleiner en kleiner worden, totdat Henry Hudson niet meer dan een stip was op de golven van de grote middellandse Poolzee die hijzelf had ontdekt. Dat is het laatste wat we van hem weten. Zijn einde is in raadselen gehuld.

.

alle biografieën

vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
.
557-511

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Confucius

.

De wijsheid van Confucius

 

Als hij in eigen persoon vóór ons kwam staan, zou hij er, in onze ogen, nogal vreemd uitzien, met zijn grote, naar buiten staande neusgaten, zijn spleetogen en grote bult boven op zijn hoofd. Zijn baard en snor hingen in drie strengen omlaag, en zijn gewaad leek op een Japanse kimono. Maar hij was groot en sterk, een hartstochtelijk jager, een begaafd musicus en een intellectueel genie. Zijn grote en subtiele wijsheid wordt in het Westen niet erg gewaardeerd, en toch neemt hij in de hele wereld een unieke plaats in. Hij staat in de geschiedenis geheel op zichzelf als de man die de geest en de gewoonten van een heel volk heeft gevormd.

Confucius

Confucius leefde in China meer dan 500 jaar voor Christus’ geboorte. Hij was een van de grootste leermeesters der levenskunst en meer dan een van de anderen alleen maar leermeester. Hij was geen heilige en geen profeet. Hij had geen sleutel die paste op alle geheimen van het heelal. Hoewel men over zijn leer dikwijls spreekt als over de godsdienst van China, had hij weinig belang­stelling voor godsdienst of voor de idee van een eeuwig leven. Maar hij bekommerde zich zeer om het goed-zijn. Hij was de uit­vinder van die toverformule, de gulden regel, een van de heiligste schatten van ons eigen evangelie, namelijk de samenvatting van zijn leer: “Doet een ander niet aan wat gij niet wilt dat anderen u aandoen.”

Confucius is soms zo dicht bij het Evangelie van Christus, dat er een heel boek geschreven is over de overeenkomsten en verschillen van deze twee. Overeenkomstig de christelijke leer “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt” is bijvoorbeeld zijn waarschuwing dat wij bij het beoordelen van anderen, “ons innerlijkste zelf”‘ als maatstaf moeten nemen. Is het niet denkbaar dat wij dezelfde zonde zouden hebben begaan? Maar in tegenstelling tot het christelijk geloof was zijn antwoord, toen iemand hem vroeg wat hij vond van de gedachte dat wij onrecht met vriendelijkheid moesten vergelden: “Waarmee wil je dan vriendelijkheid ver­gelden? Vergeld onrecht met recht, vriendelijkheid met vriende­lijkheid.”

Als jongen had Confucius een levendige belangstelling voor alle soorten ritueel en ceremoniën. Van muziek hield hij ook, en hij leerde zingen en luit en citer spelen. Op middelbare leeftijd reisde hij van zijn geboorteplaats in de kleine provincie Lu naar de hoofdstad, om “de regels van de muziek en het decorum” te bestu­deren en een deskundige te worden in alle vormen van ceremo­nieel gedrag.

Toen Confucius volwassen werd, voorzag hij in zijn levens­onderhoud door leerlingen in huis te nemen. Er was geen vast­gesteld lesgeld, en als de leerling zowel behoeftig als begaafd was, hoefde hij helemaal niets te betalen. De leer van Confucius is tot ons gekomen in de vorm van een uitgebreide verzameling losse opmerkingen en fragmenten van gesprekken die door zijn leer­lingen zijn vastgelegd. Helaas zijn ze niet verbonden met zijn levensgeschiedenis, zoals het geval is met die van Jezus, en dat maakt ze minder leesbaar. Ze zijn ook niet zo welsprekend als de evangeliën. Confucius wantrouwde welsprekendheid. “Het enige dat de taal moet doen,” zei hij, “is een betekenis overdragen.” Hijzelf deed dat met eenvoudige proza-gezegden, zoals:

“Waarheen u ook gaat, ga met uw ganse hart.”
“De ernstige fout is: fouten hebben en niet proberen die te ver­beteren.”
“Acht uzelf niet zo groot, dat andere mensen klein lijken.”

Zijn geest neigde naar het wetenschappelijke. Doordien hij de nadruk legde op de geestelijke lenigheid, de vervanging van het dogma door het feitenonderzoek en het opschorten van een oor­deel was hij zijn tijd 2000 jaar vooruit. Hij heeft als eerste onder woorden gebracht wat men de gulden regel der wetenschap zou kunnen noemen: “Als men iets niet kent, is de erkenning dat men het niet kent, kennis.”
Zo rekende hij af met de verleidingen van bijgeloof en een manier van “denken” waarbij de wens de vader is van de gedachte. Tot hetzelfde doel legde hij grote nadruk op oprechtheid — niet alleen in woorden, maar ook in de persoon­lijke meditatie. Er mag geen innerlijk zelfbedrog bestaan als men op reis gaat langs wat hij noemde “het pad der waarheid”.

Toch was het geen recht en nauw, of onmogelijk moeilijk pad, dat hij wees. “De weg der waarheid,” zei hij, “is als een grote weg. Hij is niet moeilijk te vinden. De kwestie is alleen, dat de mensen er niet naar willen zoeken.” Dit betekent niet dat hij laksheid of toegeeflijkheid jegens onszelf aanried. Confucius was een strenge, veeleisende leermeester. Vergeleken met de lijst met hoedanighe­den waarnaar zijn leerlingen moesten streven, lijken onze zeven hoofddeugden meer op een cursus voor beginners. Onder andere dienden zijn leerlingen te zijn “vlug van begrip, helder van oor­deel, van verreikende intelligentie en alomvattende kennis, ge­schikt om gezag uit te oefenen, grootmoedig en verdraagzaam.” Ze moesten ook “plechtigheid”, “ernst”, “trouw”, “vriendelijk­heid” en “eerbiedige aandacht voor zaken” leren. Zijn gezegden geven mij de indruk dat daaraan de gedachte ten grondslag ligt dat alle mensen zich in een groeiproces bevinden. Hij geloofde dat er in ons allen een stuwkracht werkzaam is, een verlangen om zo al niet anderen, dan toch onszelf te overtreffen.

Evenals Plato 200 jaar later, ontwierp ook Confucius het bouw­plan van een ideale republiek, maar de zijne was zeer verschillend van de streng geordende die Plato bedacht heeft. Confucius’ plan kwam namelijk voort uit zijn verlangen dat de maatschappij zou functioneren als een liefhebbend gezin. Die idee was met name in China nogal utopisch, omdat de familiebanden daar hechter en sterker zijn dan waar ook ter wereld; Chinezen te vragen, alle mensen als hun familieleden te beschouwen, ging wel wat ver. Confucius wist dit, maar hij wilde de wereld althans in de richting van het ideaal zien gaan. En de enige manier om een begin te maken, zo meende hij, was goede en wijze mannen in
machtsposities te krijgen. En ook evenals Plato heeft hij zich zijn hele leven naarstig beijverd om door een van de feodale vorsten in een hoge ambtelijke positie benoemd te worden. Dat viel wel verscheidene van zijn beste leerlingen ten deel, maar hijzelf schijnt nooit veel verder gekomen te zijn dan de positie van hooggeschat leermeester voor dergelijke ambtenaren.

Hoewel hij jarenlang door China rondgetrokken is met een kleine groep leerlingen, op zoek naar een machthebber die hem een kans wilde geven om de wereld te hervormen, stonden bepaal­de karaktertrekken de verwezenlijking van zijn ambities in de weg. Hij schijnt te openhartig geweest te zijn om als politicus te slagen. Tot een onstuimig heerser die hem onderricht vroeg in de kunst van het regeren, zei hij: “Leer eerst uzelf regeren.” Bovendien geloofde Confucius niet werkelijk in erfelijke aristocratie. “Van nature zijn de mensen bijna gelijk,” zei hij. En hoewel de demo­cratie toen nog niet was uitgevonden, verklaarde Confucius — wellicht voor het eerst in de geschiedenis — dat het ware doel van het regeren niet slechts de welvaart, maar het geluk van het volk is.

Ten slotte keerde hij terug naar zijn vaderstad, als een oude ver­moeide man — niet geestelijk gebroken, maar wel overtuigd dat hij mislukt was. Na een paar jaar van rustig onderwijzen stierf hij in die overtuiging. Zijn leerlingen rouwden om hem alsof hij hun vader was geweest. En aangezien het toentertijd in China ge­bruikelijk was dat kinderen drie jaar lang rouwden om een ge­storven vader, hadden ze ruim de tijd. Die brachten ze door met elkaar aan alle belangrijke dingen te herinneren die hij onderwe­zen had, en die op te schrijven. Het boek van hun herinneringen werd de bijbel van het Chinese volk. Meer dan dat: het werd hun boek der etiquette, de geest van hun wetten, de politieke begin­selen die hun goede heersers voorstonden.

Toen in de derde eeuw vóór Christus zekere wrede despoten het confucianisme verboden, zijn geschriften verbrandden en zijn aanhangers doodden, verbreidde deze filosofie zich als een geheim lopend vuurtje — evenals het christendom zich later onder de vervolging zou verbreiden. En eveneens als met het christendom gebeurde, kwam er daarna een bedachtzamer keizer, die het confucianisme aannam en het van staatswege sanctioneerde.

Boek na boek is sindsdien over het confucianisme geschreven, zodat iemand die er in zijn jeugd aan zou beginnen en dan een heel mensenleven zou doorlezen, er niet doorheen zou kunnen komen. Maar door al die boeken straalt de zuivere, hoge, gema­tigde en eenvoudige levenskunst die Confucius zelf onderwezen heeft, en die zal blijven stralen, ongeacht hoevele communistische volksopvoeders hun best doen om haar te vervangen door hun religie van staatstirannie en hun leer dat het doel de middelen heiligt, hoe bloedig en slecht die middelen ook zijn.
.

alle biografieën

vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen

.

556-510

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

./

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Linnaeus

.

VIVAT LINNAEUS

 

Linnaeus

 

De historische figuur waar mijn voorkeur naar uitgaat — een man die ik mijn vriend durf noemen, ondanks de tijdruimte die ons scheidt — is Carolus Linnaeus. Aan het begin van de eeuw waarin hij leefde — de 18de — was de natuur­lijke historie nog niet veel meer dan een allegaartje van schijnge­leerdheid. Deze rommelkamer van obscure vaagheden is de kor­date jonge reus overmoedig binnengedrongen om er de vensters van de geest wijd open te gooien. In de natuur zelf had hij orde en planmatigheid gevonden, en uit chaos schiep hij een organisch opgebouwd systeem. Zijn wetenschappelijke arbeid was een lofzang op de harmonie van Gods schepping.

Toen Linnaeus in 1707 in het eenkamerhuisje van een dorps­predikant het levenslicht aanschouwde, was Zweden nog groten­deels woest land, met dun gezaaide boerderijen, kleine ontginnin­gen en glinsterende eenzame meren. Zodra de jongen er oud genoeg voor was zwierf hij door bossen en velden met zijn vader, die een hartstochtelijk natuurvriend was, hem de bloemen aan­wees, hun wortels en zaden liet zien, en het kind de Latijnse naam van elke plant inprentte. Met deze methode om zijn zoon in de geheimen der flora in te wijden toonde dominee Linnaeus zich een oorspronkelijk man. Want in die dagen plachten nog slechts weinig geleerden de natuur zelf te observeren om hun kennis van plant of dier te verrijken; zij diepten die liever op uit een boek, bij voorkeur een dat 2000 jaar eerder was geschreven door een Griek. Zodat de oude professor Celsius, van de theologische faculteit der universiteit van Uppsala — zelf een verdienstelijk amateur botanicus — enigszins verrast opkeek toen hij op een dag in 1729 een student enige bloemen in de halfvergeten botanische tuin met aandacht zag bekijken. Kennelijk een arme jongen, te oordelen naar zijn kale plunje en magerte. Maar zijn bruine ogen schitter­den toen de professor een gesprek met hem aanknoopte, waarin de jonge man blijk gaf van een verbazingwekkende botanische kennis. Daardoor geïmponeerd, nodigde de vriendelijke oude theoloog hem bij zich aan huis, bezorgde hem een behoorlijk stel kleren, liet hem flink eten en stelde zijn bibliotheek voor hem open.

De dank voor de betoonde gastvrijheid was de aanbieding van een geschrift van de hand van de 21-jarige jongeman, het resul­taat van een langdurige en nauwgezette studie van bloemen. Hij had het een ietwat zonderlinge titel gegeven: Bloemenbruiloft. De oude professor las het manuscript met stijgende belangstelling door. Want hier werd klaar en duidelijk gesteld dat planten een geslachtsleven hebben — een simpel, maar nauwelijks onderkend feit. Er was tot die tijd heel wat nonsens over uitgekraamd, bij­voorbeeld dat planten “zich van hun stuifmeel ontdoen om hun sappen te zuiveren”. Linnaeus leerde dat de stamper het vrouwe­lijke orgaan van de bloem is, dat het vruchtbeginsel bevat met een buikvormige holte om het zaad vast te houden na bevruchting door het stuifmeel dat door de meeldraden, de mannelijke or­ganen, wordt uitgestrooid. En hij legde, de bloem bekijkend met de ogen van een bij, in poëtische maar veel waarheid bevattende bewoordingen uit dat “de mooie bloembladen zelf niets tot de voortplanting bijdragen, doch slechts dienst doen als het bruids­bed, door de Schepper zo schitterend opgemaakt, gedrapeerd met prachtige gordijnen en doordrenkt van zoete geuren.” Met het vaststellen van dit feit, de geslachtelijkheid der planten, is een nieuw tijdperk in de wetenschap ingeluid. De “Eeuw van Lin­naeus” noemen wij het — een gouden tijd van ontdekkingen en het opdoen van nieuwe kennis, waarvan wij nog heden de vruch­ten plukken.

Verheugd met het verrassende eerbetoon, door zijn bescherme­ling aan Gods wijsheid gebracht, haastte de oude Celsius zich naar zijn vriend professor Rudbeck, Uppsala’s grootste geleerde. En Rudbeck, onmiddellijk beseffend dat hier het genie zich aan­meldde, stond erop dat Linnaeus bij hem kwam inwonen. Aan de jongere gaf de oudere al de in een lang leven vergaarde kennis door, verruimde Carls blik en stimuleerde zijn verbeeldings­kracht. Samen ontwierpen zij het plan voor wat later een van de belangrijkste wetenschappelijke expedities zou blijken die ooit zijn ondernomen.

Ze bestond weliswaar slechts uit die ene jongeman, die op een dag in mei van het jaar 1732 te paard uittrok naar de maagdelijke wildernissen van Zwedens noordelijkste provincie, Lapland. Maar het was de eerste omvangrijke onderzoekingstocht in de vrije natuur in de geschiedenis der wetenschap. Linnaeus’ uitrusting bestond uit een meetstok, verrekijker, vergrootglas, mes, jacht­geweer, papier om er planten in te drogen — maar bovenal uit een geest, even wijd open en even sprankelend als die meimorgen, die de jeugdige avonturier als volgt heeft beschreven: “De natuur was op haar bekoorlijkst. Het winterkoren stond een halve voet hoog. Berken, elzen en espen hadden zich met het eerste jonge groen getooid. De leeuwerik begeleidde mij, hoog in de lucht, met zijn getureluur.”

Een half jaar later stapte een pezige jonge kerel, gebruind en verweerd door poolwind en middernachtszon, de vertrekken van Uppsala’s Wetenschappelijk Genootschap binnen. Linnaeus had honger en kou getrotseerd op ijzige kale vlakten, had halfbedorven vis gegeten, verraderlijke rotshellingen beklommen, was schuimende bergstromen afgezakt en beschoten door argwanende Lappen. Maar hij had de wijdgeopende kelken van de wilde noordpoolbloemen gezien die laag bij de grond van de toendra moeten blijven om niet door de snijdende poolwind te worden afgemaaid. Hij had de vogels van het hoge noorden kunnen gade­slaan bij het nestelen, gezien hoe hun gevederte de bruidstooi aannam, en had hun eieren en jongen gevonden. Hij had zich verdiept in het leven van het rendier, waarvan de Lappen af­hankelijk waren voor hun eten en drinken, kleding en onderdak. Hij had zijn dagboek moeten bijhouden bij het licht van flakkerende kampvuren, in de stinkende hutten van wilde nomaden, onder de beschutting van zijn op de oever getrokken boot. En hij had van de levende natuur meer kennis uit de eerste hand op­gedaan dan enige andere geleerde vóór hem.

De monsters van mineralen die hij meebracht openden Zweden de ogen voor de rijkdommen, die zijn bodem in het noorden des lands bevatte. Hij vestigde de aandacht op de verwaarloosde toestand van de kroondomeinen, waar branden, plantenziekten en insecten de bossen met ondergang bedreigden. (Tegenwoordig kent Zweden een modelbosbeheer, echter pas sinds Linnaeus zijn land had wakkergeschud voor de dreigende gevaren.) Hij was ook achter de oorzaak gekomen van de ziekte, die toentertijd in het noorden een grote slachting onder het vee aanrichtte: een giftige plant, en hij raadde aan zich daarvan te bevrijden door “meisjes aan het werk te zetten om hem met wortel en tak uit te roeien”. Er waren drie jaren van hard werken nodig om uit zijn aantekeningen en geheugen deze rijke oogst aan gegevens binnen te halen. Middelerwijl was zijn naam op veler lippen gekomen en was Zweden gaan beseffen welk een grote zoon het in Linnaeus bezat. Hij werd uitgenodigd een dergelijke onderzoekingstocht te ondernemen in de provincie Dalecarlië; ditmaal echter werden er medewerkers te zijner beschikking gesteld en werden de kosten betaald.

De nieuwjaarsklokken luidden 1735 in toen de 28-jarige Lin­naeus, na beëindiging van zijn exploratie in Dalecarlië, als gast het huis betrad van dr. Moraeus, een van de plaatselijke notabe­len. Hij danste er met de dochter des huizes, Sara Lisa, en het werd hem daarbij prompt duidelijk dat hij in haar de vrouw van zijn hart had gevonden. Maar hij was arm, en de rijke dr. Moraeus stelde zijn voorwaarden: Carl moest in Nederland medicijnen gaan studeren en na het behalen van het artsendiploma trachten in eigen land een goede praktijk op te bouwen. Van zijn kant gaf de dokter de belofte voor eventuele aanzoeken van andere mannen om de hand van Sara Lisa doof te blijven; en intussen zette hij een groot bedrag als bruidsschat vast dat de nodige rente zou op­brengen.

Drie en een half jaar heeft Sara Lisa op de terugkomst van haar aanbidder moeten wachten, en het moeten saaie jaren voor haar zijn geweest. Intussen werkte Linnaeus als een paard. Hij was naar Nederland gekomen met de manuscripten van acht ver­handelingen in portefeuille. Het werk, waarover de Nederlanders het meest in verbazing geraakten, was het door Linnaeus ont­worpen “geslachtelijke systeem” om elke plant te kunnen deter­mineren naar het aantal en de plaats van zijn mannelijke meel­draden en vrouwelijke stampers. Tot die tijd had men planten gerubriceerd in doornige en vlezige, of alfabetisch gerangschikt, of geclassificeerd naar hun vermeende uitwerking op het mense­lijk lichaam. Al deze “systemen” zijn natuurlijk van nul en gener waarde gebleken. Maar het door Linnaeus ontworpen systeem, dat in de bloem zelf ligt opgesloten, wordt ook thans nog, zij het aangepast aan nieuwe inzichten, door botanici toegepast.

Dit systeem was zo opgezet, dat het voor de flora op ieder plek­je van de aardbodem te gebruiken moest zijn. Voor Goethe was het werken ermee een van de plezierigste oefeningen voor zijn geweldig intellect. Toen Linnaeus Oxford bezocht bleek professor Dillenius zo opgetogen over het Linnaeus-systeem, dat hij de Zweed de helft van zijn eigen salaris aanbood als hij in Oxford wilde blijven om aan de universiteit te doceren. Het aanbod werd afgeslagen, evenals nog vele andere aanbiedingen. Linnaeus had als gast van de Hollanders naar Kaap de Goede Hoop of naar Suriname kunnen gaan, met de unieke gelegenheid om als eerste een schat van onbekende plant- en diersoorten te verzamelen en te beschrijven. Maar Sara Lisa was nooit uit zijn gedachten, en hij spande al zijn krachten in om zijn manuscripten uitgegeven te krijgen en zijn medische studie te voltooien.

Eindelijk kon Linnaeus dan, met zijn diploma op zak en zijn gepubliceerde boeken onder de arm, naar Zweden terugkeren om in Stockholm een praktijk op te zetten — een man, als medicus onbekend en weinig gezocht. Hij trok de sloppen in en bond de strijd aan tegen die wrede kwalen die zo vaak samengaan met armoede — tuberculose en geslachtsziekten —, behandelde “hopeloze” gevallen en wist dikwijls genezing te brengen. Hij zag er niet tegenop achttien uur per dag in touw te zijn. Al spoedig kreeg hij een aanstelling als chef-arts bij de Zweedse Marine, later werd hij lijfarts van de koningin. Hij werd gekozen tot voorzitter van de Academie van Wetenschappen. Zijn Sara Lisa had hij zich met ere verworven, en in juni 1739 leidde hij haar naar het altaar. Spoedig daarna kon hij terugkeren naar de andere grote liefde van zijn leven, toen hem de leerstoel in de botanie en de medicijnen in Uppsala werd aangeboden.

Zo maakte Linnaeus zijn rentree in wat eens het huis van pro­fessor Rudbeck was geweest. Maar nu was hij er de heer en mees­ter van, evenals van de botanische tuin eromheen — tot op de huidige dag door Zweden als een heiligdom in ere gehouden. Met de volgens zijn eigen systeem geclassificeerde bloemen, levend studiemateriaal voor zijn leerlingen, werd de tuin de rijkste bota­nische schatkamer van Europa. Bewonderaars uit de verste uit­hoeken der aarde stuurden hem planten; sommige bloeien nog steeds, zoals de gouden weelde van een Siberische plant, gekweekt uit zaad dat de tsarina van Rusland hem had gezonden. Want het behaagde de groten der aarde Linnaeus te eren. De Zweedse koning schonk hem een prachtige collectie uit tropisch Azië. Reizigers stuurden hem van overal exotische plantensoorten. Lord Baltimore liet zich bij Linnaeus voorrijden in een pompeuze karos, zo breed dat men de poortposten uit de grond moest trek­ken om hem door te laten.

Dat was in Hammerby, het lieflijk gelegen landgoed waar Lin­naeus ’s zomers met zijn gezin placht heen te trekken. Hier, in dit landelijke buiten, dat ook thans nog de geest van zijn rustig, ge­lukkig leven ademt, gaf Linnaeus privéles aan leerlingen uit vele landen. Wie geen geld had mocht er gratis vertoeven. Velen hunner hebben zich in latere jaren een eigen faam verworven. De planten, die zij hun vroegere leermeester toezonden, verrijkten gestadig de collecties in het herbarium, waar Linnaeus probeerde achter de geheimen te komen van de bloemen die in verre streken in­heems waren. Want hij werkte aan een boek, dat alle te dien tijde bekende dieren en planten van de gehele wereld zou beschrijven. Zoals eens Adam in de Hof van Eden, zo was nu Linnaeus uit­verkoren om namen — de wetenschappelijke — te geven aan elk levend wezen, de bloemen des velds, het gevogelte des hemels, het gedierte des wouds.

Het dubbelnamige systeem dat hij heeft uitgedacht is zeer een­voudig. Alle rozen, bijvoorbeeld, heten Rosa de gezusters wer­den onderscheidenlijk Rosa gallica (Franse roos) of Rosa odorata (de zoetgeurende theeroos) genoemd, en zo voort. Linnaeus gaf alles een naam, tot Homo sapiens toe, alles keurig rangschikkend in klassen en onderklassen. Hij onthulde, beseffend hoe voor elk levend wezen de lijn consequent werd doorgetrokken naar het volgende op de ranglijst, de verheven en schone orde die in de natuur heerst. Het boek, waarin hij als zeer jonge man voor het eerst had getracht dit grootse en heldere systeem vast te leggen, be­sloeg 14 bladzijden; de 12de druk, die in 1768 uitkwam, telde er 2500.

Maar het was aan de natuur zelf, niet aan een dor schema, dat Linnaeus zijn hart had verpand. Weliswaar heeft hij, eenmaal in Uppsala gevestigd, Zweden nooit meer verlaten, maar hij zwierf nog veel met een open oog voor al het schone in de natuur door de bossen en velden van het nabije Hammerby. De jaren hadden zijn gretige nieuwsgierigheid en geniale opmerkingsgave niet aan­getast. Menige dierbare herinnering aan hem leeft nog voort — Linnaeus docerend met zijn dochtertje op de knie, zijn hond met zich meenemend in de kerkbank, krekels vangend omdat hun gesjirp hem, de aan slapeloosheid lijdende, deed inslapen. Of met vlugge, ferme stap de botaniseertochten leidend die zo’n toeloop vonden, dat ouderejaars een beetje orde in de troep moesten hou­den. Het kon vrolijk toegaan bij deze gelegenheden, en de met hem door de straten van het grauwe Uppsala terugmarcherende studenten plachten de muren te laten daveren van jachthoorngetoeter en ketelmuziek, om bij het ontbinden van de stoet voor zijn deur afscheid te nemen met een schallend “Vivat scientia!” (Leve de wetenschap!) en “Vivat Linnaeus!”

Geleefd heeft Linnaeus, zeventig gelukkige jaren, waarna hij ten laatste onder klokgelui en bij vlammend toortslicht ter ruste werd gelegd in de sombere kathedraal van Uppsala. Maar hij leefde voort, zoals de melkeppe voortleeft in haar drijvende zaden, in zijn studenten, die zich over de aarde verspreidden om zijn kennis verder te dragen en zijn levensblijheid aan anderen door te geven. Hij leeft nog voort, voor u en voor mij, in die grootse reliëfkaart die hij voor ons van de natuur heeft getekend, opdat wij, wanneer wij ’s ochtends de deur achter ons dichttrekken, in haar met nieuwe ogen aanschouwde wonderen ons eigen stralende Lapland mogen ontdekken.
.

Linnaeus

alle biografieën

.

549-503

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Plato

.

PLEITBEZORGER VOOR DE REDE

Als men de Griekse wijsgeer Plato noemt, hebben toehoorders de neiging een vroom gezicht te zetten, alsof men van plan was over een heilige te gaan praten. Maar Plato was geen heilige. Hij was een atleet van topklasse, een dapper soldaat, dichter, kenner van renpaarden en liefhebber van gooi-en smijttoneelstukken. Hij bereikte de leeftijd van 81 jaar en stierf op een bruiloftsfeest — tot aan zijn laatste hartenklop vol animo voor gesprekken en voor het leven.
Dit alles is van belang, als men zijn leerstellingen wil schatten naar de waarde die zij in onze dagen hebben. Zijn wereld leek veel op de onze. Hij beleefde zijn grote tijd in het Athene van de eerste helft van de vierde eeuw voor Christus, toen de mensen het oorlogvoeren moe waren, zich geen illusies meer maakten over revoluties, sceptisch stonden tegenover de oude vormen van geloof en op zoek waren naar de werkelijke waarden van het leven, ten einde een houvast te hebben. Plato stelde zich tot taak. dat houvast voor hen te vinden. Hij heeft dat even serieus gedaan als de Hebreeuwse profeten, ook al kon hij zijn conclusies niet staven door zich te beroepen op de goddelijke macht. De Griekse goden waren schoon en bekoorlijk, maar tamelijk zelfzuchtig. Het waren onrustzaaiers, en ze hadden er in de verste niet aan gedacht om zoiets als de Tien Geboden vast te leggen. Plato had zijn geloof in hen verloren en begon zelfs te praten over God als één wezen, al beschouwde hij dat wezen niet als gezaghebbend voor  het menselijk gedrag. Hij moest zowel gedragsnormen uitdenken als een reden om zich er in deze mensenwereld aan te houden.

Hierin zou hij nooit geslaagd zijn, als hij Socrates niet gekend had, de profeet van de logica, de baanbreker van de exacte be­toogtrant. Plato was 20 jaar oud en had al een reputatie als dichter toen hij Socrates ontmoette, maar die kruisvaarder voor het zuivere denken, die ondanks zijn kikkergezicht en zijn hinderlijke manieren zo sympathiek was, sleepte hem volkomen mee. Na een paar gesprekken met Socrates over het immense belang van doordenken en woorden gebruiken die voor geen andere uitleg vatbaar zijn, ging Plato naar huis en vernietigde zijn gedichten. Misschien was dat niet onverstandig, want de dichterlijke melodie van zijn proza is, zoals de Engelse dichter Shelley zei, “zo intens dat men het nauwelijks bevatten kan.”

Plato bleef Socrates als leerling en vriend toegedaan tot diens dood. Een gewone leerling was hij niet, want Socrates dacht er net zomin aan om geld te vragen voor het onderwijzen van de zuivere logica als Jezus dat gedaan zou hebben voor zijn leer van de liefde. Maar Plato was een van de jongemannen die vrijwel altijd verschenen op die college-achtige  bijeenkomsten met Socrates in een sportschool, in het voorportaal van een tempel of het huis van een vriend, om de betekenis van een of ander belangrijk denkbeeld te bespreken. Voor Plato betekende hun vriendschap zoveel, dat hij Socrates in gedachten met zich meegedragen heeft tijdens zijn hele verdere letterkundige leven, en vrijwel al zijn gedachten heeft neergeschreven in de vorm van gesprekken en dialogen, waarin de figuur van Socrates de hoofdrol speelde.

Socrates zelf had het probleem gesteld, wat “deugd” betekent.
Hij had zich afgevraagd waarom men goed behoort te zijn en was tot de slotsom gekomen dat goedheid niets anders is dan goed gefundeerd en zorgvuldig beredeneerd gedrag. Als men iemand voor een keuze stelt en hij is op de hoogte van alles wat dat inhoudt, dan zal hij de juiste gedragslijn kiezen. Het is niet nodig dat men dit gelooft om het belang ervan in te zien. Voor het eerst werd hier door de leer van Socrates het hoogste gezag over morele kwesties aan de individuele menselijke geest toegekend. Dat was een omwenteling die nergens in de geschiedenis haar gelijke heeft.

Plato ging hierop door. Niet alleen is de redelijke handeling de juiste, zei hij, maar de goede mens is de mens in wie de rede regeert. In zijn tijd bestond er nog geen psychologische wetenschap, dus ontwierp Plato er een. Het was nog een goede ook, die een paar duizend jaar heeft standgehouden. Ons bewuste leven, zei hij, wordt verdeeld in drieën: een zintuiglijk deel bestaande uit begeerten en hartstochten; een rusteloos deel, dat de wil of de “geest” genoemd kan worden; en een denkend deel, door hem de rede genoemd.

Aangezien het de rede is, die de mens van de hond of de baviaan onderscheidt, is deze kennelijk de belangrijkste van de drie en heeft een regerende functie. De “geest” heeft de plicht, de voorschriften van de rede te doen uitvoeren. De driften en hartstochten moeten gehoorzamen. Waar elk deel zijn natuurlijke functie vervult, daar is de deugd. Op deze eenvoudige manier herstelde Plato in een tijd van cynische teleurstelling het gezag van het juiste leven. Waar Plato het woord “rede” gebruikte, zeggen wij “intelligentie”, want wij beseffen dat kennis niet verworven wordt door abstract redeneren — men moet ook de feiten onderzoeken. Maar Plato’s grondidee, dat integratie naar richtlijnen van de geest het wezen van het morele karakter uitmaakt, zal nooit verouderen.

Plato is zelfs zo weinig verouderd, dat men soms het gevoel heeft dat hij zo de kamer binnen kan stappen. Hij spreekt over wiskundige sterrenkunde en natuurkunde alsof die in zijn tijd al bestonden. Hij verklaart dromen en beschrijft bijna in de taal van Freud hoe, als de macht van de rede in de slaap verzwakt is, “het wilde dier in ons binnenste overeind komt en naakt rondloopt.”
Hij doceert over arbeidsverdeling en haar oorzaken als een leraar in de moderne economie. Hij is de uitvinder of propagandist van het onderscheid tussen hoger en middelbaar onderwijs, van de noodzaak van specialisatie in de wetenschap en van de toepassing van wetenschappelijke methoden op maatschappelijke vraagstukken.

Voor zover bekend was hij de eerste die gesproken heeft over psychologie van de lach, akoestiek, inkomstenbeperking (geen gezin behoort meer dan viermaal zoveel te hebben als een ander. Hij bedacht het kleuterdagverblijf, de kleuterschoolmethode – de progressieve opvoeding: “Gedwongen lichamelijke oefening kan geen kwaad, maar kennis onder dwang verworven,  blijft niet hangen. Gebruik daarom geen dwang, maar laat de opleiding van het jonge kind een vorm van ontspanning zijn.”

Naast al deze indringende nuchterheid had Plato ook een mystieke drang in zich. Hij wilde ontkomen aan de steeds veranderende wereld, en niet steeds geconfronteerd worden met die voortdurend wisselende vraagstukken waarop hij zo vroeg reeds zulke wijze antwoorden had weten te geven. Hij wilde een godsdienst. Hij vond er geen die paste bij zijn tijd en volk, en daarom ontwierp hij er een. Het ligt voor de hand dat deze was gebaseerd op de logische samenhang der dingen, waarvoor Socrates destijds reeds zijn geestdrift had gewekt. Die denkbeelden, die wij zo boeiend vinden, zo verklaarde hij, zijn de ware werkelijkheid; de dingen die wij zien en aanraken, zijn slechts schaduwen.
Hij zei zelfs dat het begrip schoonheid meer bemind moet worden dan iemand met een bekoorlijk uiterlijk — en dat is de eigenlijke betekenis van “platonische liefde”. Wij moeten eraan toevoegen dat Plato zelf heel goed de uitersten waartoe zijn geloof in de hogere werkelijkheid hem soms leidde, kon afkeuren. “Zelfs zij die ideeën beminnen,” heeft hij met een glimlach opgemerkt, “lijden aan een soort waanzin.”
Dit dienen we voor ogen te houden wanneer we zijn beroemde, gewaagde bespiegeling, neergelegd in zijn grootste dialoog, De Republiek, benaderen, waarin hij de juiste wijze om een rijk te besturen aan de orde stelt. Zijn voorliefde voor de logica bracht hem op het denkbeeld dat, waar de goede mens strikt geleid wordt door intelligentie, de goede staat even strikt geleid moet worden door een intelligente minderheid.
Hij wilde de burgers naar aanleg en geaardheid in klassen verdelen, en zijn uitgelezen groepje rechtschapen mensen het gezag verlenen om ze, zo nodig met de sterke arm, daar te houden. Deze deugdzame en wijsgerige supermensen, die hij “opzieners” noemde, mochten geen persoonlijk eigendom en geen persoonlijke genegenheden hebben. Hun vrouwen en kinderen zowel als hun bezittingen zouden gemeenschappelijk eigendom worden. Ge­slachtelijke gemeenschap mochten ze alleen op vastgestelde tijdstippen hebben en alleen met het oog op rasverbetering, zoals bij het fokken van dieren. Alle kinderen uit een bepaalde paartijd zouden alle ouders van dat seizoen vader en moeder noemen, en alle andere kinderen broer en zuster, en aangezien ze naar een staatsschool zouden gaan zodra ze van de borst af waren, zou niemand weten wie van wie was. Intussen zou de hele aristocratie, de regerende klasse, zich lichamelijk in de allerbeste conditie houden door een streng dieet en lichaamsoefening, en geestelijk op het toppunt van scherpzinnigheid door voortdurend lessen in logica, wiskunde en metafysica te volgen.
Plato was geen voorstander van dit systeem voor de hele staat.

Het was een levenswijze voor de hoogste kaste om deze werkelijk op een hoger niveau te brengen. Wij zouden opmerken: “Als dat allemaal nodig is om een ware aristocratie voort te brengen, geef ons dan maar de democratie, hoeveel bezwaren die ook heeft.” Maar wij leven niet in de dageraad der logica. Ons ontbreekt de glimlach van het geloof, waarmee Plato de weg volgde die zijn betoog hem wees. Of zijn wij misschien blind voor de glimlach van de ironie waarmee hij zo ver kwam?

Zijn redenering bracht hem tot een van de beroemdste dwaze ondernemingen uit de geschiedenis. Hij was 60 jaar toen hij uit Athene wegging om op uitnodiging van de jonge Dionysius, de pas aan de macht gekomen tiran van Syracuse, hem te leren hoe hij de ideale republiek moest stichten. Plato begon zijn werk vol idealen, maar helaas ook met een prozaïsche grondigheid. Hij stelde vast dat de opleiding van de wijsgeer-koning moest beginnen met meetkunde. Meetkunde zou hem de kunst van streng logisch redeneren bijbrengen, zonder welke het geen zin had de ingewikkelde vraagstukken van de staatkundige hervorming aan te vatten. Zo begon het dan ook: niet alleen Dionysius, maar zijn hele hofhouding wierp zich op deze ongekende afleiding, totdat het hele paleis onder het stof zat van het tekenen van figuren in het zand op de marmeren vloeren.
Dionysius mocht Plato graag, en hij hield wel van een verzetje. Er was maar één moeilijkheid: hij hield niet van meetkunde. De anti-Platonisten scharrelden een andere wijsgeer op, die kon bewijzen dat de tirannie de beste regeringsvorm is, en dat zonder meetkunde. Ten slotte moest Plato ’s nachts in allerijl het paleis ontvluchten om per schip langs een omweg naar Athene terug te keren.

Plato hoefde niet stil te zitten na zijn thuiskomst, want hij had alweer een andere onderneming op touw gezet — hij had een school opgericht. Het was de beroemdste school uit de oudheid, eigenlijk uit de hele geschiedenis. De bijeenkomsten werden gegeven in een “gymnasium” ongeveer anderhalve kilometer ten noordwesten van Athene. De stad had drie van deze gymnasia – uitgestrekte complexen, half park, half gebouw. Ieder gymnasium omvatte overdekte zalen voor balspelen en worstelen, een massagezaal, stoombadkamer, hete en koude baden, kleedkamers en een sportveld voor atletiek. Bovendien was er een klein bos met paden voor opvoedende gesprekken en overwelfde galerijen met nissen waar banken stonden voor hen die hun opleiding liever zittend ontvingen.

Het gymnasium dat Plato had uitgekozen voor zijn school, heette de “Academia” — naar het Woud van Academus waar het zich bevond. De zittingen daar waren waarschijnlijk niet veel plechtiger dan de gesprekken met Socrates die het begin van Plato’s eigen hogere opleiding hadden gevormd. Men hoefde geen lesgeld te betalen, men had geen enkel verplicht vak en waarschijnlijk veel plezier; het valt zelfs te betwijfelen of er ooit iets minder “academisch” in de naam van de opvoeding bedreven is. Maar Plato’s school heeft bijna 1000 jaar bestaan, en alle Europese talen danken daaraan het woord academie.

Er ontbreekt echter één essentieel ding aan de leer van Plato: gevoel van de ene mens voor de ander, gevoel van ieder mens voor het gehele volk. Daaraan heeft Plato nooit gedacht; dat kwam pas onze westerse wereld binnen met Christus en de evangelisten, die leerden dat de goede mens niet wordt geleid door de rede, maar door een hartstochtelijk gevoel — de liefde tot de medemens.

Onnodig te zeggen hoe diep deze nieuwe leer de wereld heeft geraakt. Plato zou er wellicht evenzeer door getroffen zijn. Ik denk dat hij, na enige jaren van meditatie, gezegd zou hebben: “Ge hebt gelijk. Ik heb niet beseft dat het medegevoel, of wat gij liefde noemt, zo’n grote plaats inneemt in de levenswijze en in de persoonlijkheid van de goede mens. Maar ge hebt slechts aangetoond dat het intelligent is, gevoel aan te kweken. Ge kunt niet aantonen dat zelfopoffering geen ondeugd kan worden, dat medelijden niet, als elke andere hartstocht, binnen redelijke grenzen gehouden moet worden. Het is nog steeds de rede, de intelligentie, die regeert.”

Op deze wijze zou Plato zijn grote, blijvende plaats in onze westerse levensfilosofie misschien weer eens hebben bewezen.
>

alle biografieën
.

5e klas – geschiedenis

.
525-485

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.