VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Gandhi

EEN BEZOEK BIJ GANDHI

GandhiMohandas K. Gandhi gaf een schamel weekblaadje in het Engels uit, Harijan.
Toen de Engelse kabinetsmissie in 1946 het plan bekend maakte om India een nationale regering te geven, was het eigenlijke vraagpunt niet: Zullen de Indiërs dit Engelse plan accepteren? maar: Zal Gandhi het
ac­cepteren?
Want Gandhi was de machtigste man in India. Gandhi veroorloofde zich “vier dagen diepgaand onderzoek” en schreef toen een kort stuk in Harijan, waarin hij verklaarde dat “in de huidige omstandigheden de leden van het kabinet de gemakke­lijkste en snelste methode gevonden hebben om een einde te maken aan de Engelse heerschappij”.
Elke krant in India nam dit artikel over. Het werd naar Washington getelegrafeerd en in de Engelse pers en elders werd er uitvoerig melding van gemaakt.

Vlak onder Gandhi’s analyse van Engelands historische aan­bod India zijn vrijheid te geven verscheen in Harijan een tweede artikel, door de Mahatma ondertekend, onder de titel “De Zaadpit van de Mango”, waarin hij de voedingswaarde daarvan aan­prees als “een geschikt surrogaat voor granen en veevoeder”.

Dit nummer van Harijan was kenmerkend voor Gandhi. Hij was een veelzijdig man, doordat hij belangstelling had voor het leven van de individu. In het ene artikel omschreef Gandhi India’s onafhankelijkheid; in het andere drong hij aan op een vermindering van het suikerrantsoen voor het bereiden van snoeperij; in een derde behandelde hij het probleem van de mis­dadigheid ; in een vierde schreef hij over het nut van aardnoten. Voor Gandhi, de Mahatma (“groot van ziel”) was politiek niet te groot en waren aardnoten niet te klein.

In de zomer van 1942 ben ik een week lang bij Gandhi op be­zoek geweest in een gloeiendheet Indisch dorp. Een paar jaar later bezocht ik hem opnieuw, een dag of zes. Het meest verbazing­wekkende aan deze bijzondere man was misschien wel dat hij vierentwintig uur per dag in het openbaar leefde en er zich uit­stekend bij scheen te voelen. Zijn bed was een matras op het stenen terras van dr. Dinshah Mehta’s Kliniek voor Natuurge­neeswijze in Poona. Het terras was open en op hetzelfde niveau als de grond eromheen. Verscheidene discipelen sliepen naast de meester. Ik kreeg een kamer binnen met een goed bed.

Om vier uur in de morgen kon ik de Mahatma en zijn volgelingen gebeden horen zeggen. Daarna dronk hij gewoonlijk wat sinaas­appel- of mangasap en beantwoordde vervolgens eigenhandig de brieven die hij had ontvangen. In die tijd was hij over de zeventig, maar hij had een duidelijke, vaste hand. Zijn ogen en gehoor waren goed en hij hoopte 125 jaar te worden. Éénmaal per dag kwam Rajkumari Amrit Kaur, een christin uit een Indische prinselijke familie, die alles had opgegeven om Gandhi’s eerste Engelse secretaresse te zijn, hem het nieuws voorlezen uit de gestencilde bulletins van het Britse telegraafagentschap. Kranten lezen en naar de radio luisteren deed hij nooit.

Maar India kwam naar hem in de vorm van duizenden brieven en honderden bezoekers. De duur van elk bezoek werd afgelezen op het nikkelen bazarhorloge van de Mahatma. Hij had het aan een koord hangen, waarmee zijn simpele lendendoek werd op­gehouden. Hij was zeer punctueel, altijd verzorgd in zijn uiterlijk en genoot van al wat hij deed, vooral van praten, wandelen, eten en slapen.

Ik was gewoon ’s ochtends om halfzes met hem te wandelen. Vaak motregende het. “U gaat toch zeker niet uit in die regen?” vroeg ik dan. “Toch wel,” antwoordde hij opgewekt. “Kom mee. Wees geen oude man.”

Gandhi leefde van rauwe en gekookte groenten, fruit, dadels, melkpudding en flentertjes van pannekoeken. Hij at nooit eieren, vlees of vis en gebruikte geen koffie, thee of alcohol. Ik stond ver­steld van zijn energie. Hij ging nooit voor tienen naar bed. Soms, als ik voorbijkwam terwijl hij gereed voor de nacht op het terras lag, vertelde hij mij, dat ik beter zou slapen als ik meer bad.

Ik reisde met hem per trein van Poona naar Bombay, een tocht van drie en een half uur. Ons gezelschap bestond uit tien secretarissen en volgelingen en Gandhi’s lijfarts. Wij reisden in een speciale derdeklas wagon met harde houten banken. De regen kwam in stromen neer en al spoedig begon er water door het dak te sijpelen. Gandhi was bezig aan een artikel voor Harijan. Daarna sprak hij met politieke leiders, die in de trein waren gestapt voor een onderhoud. Ondanks de stortregen stonden er op elk station onderweg massa’s mensen om hem te zien. Tijdens een van die haltes stonden verscheidene kleine jongetjes, nat tot op hun bruine huid, aan het raam te schreeuwen “Gandhiji! Gandhiji!” (de toevoeging “ji” is een blijk van eerbied).

Een van Gandhi’s programmapunten was: de Hindoekaste zover te krijgen, dat ze een einde maakte aan de wrede manier, waarop de Onaanraakbaren werden behandeld. Hij dwong Hindoetempels, die eeuwenlang gesloten waren geweest voor paria’s, hun deuren voor deze mensen te openen. Hij was zelf in een hoge kaste geboren, maar hij vereenzelvigde zich met de Onaanraakbaren, opdat andere Hindoes hetzelfde zouden doen.

De meeste Indiërs maakten een diepe buiging, wanneer zij voor hem verschenen. Vaak gaf hij hun dan een stomp in de rug en beduidde dat zij dat niet moesten doen. Dan hurkten ze neer op de vloer en het onderhoud begon. Wie er zich ook in het huis bevond kon binnenkomen en meeluisteren. Als ik bij Gandhi’s vertrek kwam (er was geen deur) vond ik daar dikwijls tien of meer paren sandalen en schoenen. Dan deed ik de mijne uit en ging op een strooien mat bij het gezelschap zitten. Maar het gesprek was gewoonlijk beperkt tot Gandhi en degene, wie hij een onderhoud had toegestaan. Eersteministers van Indische pro­vincies, die tot de Congrespartij behoorden, kwamen bij hem om advies en lering. Onderwijzers kwamen hun ideeën bij hem toet­sen. Al wie een nieuw plan had, kwam er hem zijn fiat op vragen. Toen ik eens bij hem was kwam er een echtpaar uit de pariaklasse om over hun huwelijksmoeilijkheden te praten. Hij gaf hun uren van zijn tijd. Ook boeren en handwerkslieden kwamen om hulp.

De kern van Gandhi’s religie was een geloof in God, in zichzelf als een werktuig van God en in geweldloosheid als de weg tot God in de hemel en tot vrede en geluk op aarde. Ik vroeg hem eens waarom hij zijn geweldloosheid niet in het Westen kwam pre­diken. “Hoe zou ik dat kunnen,” zuchtte hij, “ik, die zelfs India nog niet heb kunnen overtuigen? Ik ben maar een matte kogel.”

Hij wist dat er onder de jeugd van zijn land een geest van op­standigheid en ongeduld heerste. Indien de Engelsen de macht niet goedschiks hadden overgedragen, dan was heel India in vlammen opgegaan, waarbij elk spoor van buitenlandse over­heersing zou zijn verbrand. Azië had er genoeg van de last van de blanken te dragen. Overal vond ik een groeiend bewustzijn van de conflicten tussen het blanke en het gekleurde ras.

Gandhi wijdde zijn leven aan de onafhankelijkheid van zijn land. Toch wilde hij dat doel niet bereiken door middel van ge­weld. Tijdens de ongehoorzaamheidscampagne aan het burger­lijk gezag, die Gandhi in 1942 lanceerde, gingen de socialisten tot sabotage over, organiseerden een ondergrondse beweging en beletten met gewelddaden de normale gezagsuitoefening. Dit alles was verboden volgens Gandhi’s code van geweldloosheid.

Tijdens gesprekken met Gandhi zag men de hele wereld in de spiegel van India. Voor hem hadden een gesprek met een hoge Engelse ambtenaar en het verbouwen van aardnoten maar één doel: het welzijn van vierhonderd miljoen Indiërs. Ik geloof, dat hij de meest geliefde en invloedrijkste man in India was. De Hindoes vereren één God, maar daarnaast kennen zij vele goden en afgoden en in sommige Hindoetempels is Gandhi daar één van.

Het Oosten is zo hongerig, zo slecht gekleed en zo ongelukkig, dat het denkt met zijn maag, ziet met zijn naaktheid en voelt met zijn ellende. De honderden miljoenen, die daar leven, koes­teren eerbied voor de machtigen, maar zij schenken hun hart al­leen aan hen, die op persoonlijk voordeel geen acht slaan en zich wijden aan het algemeen welzijn. Gandhi was zulk een man. Misschien waren vele Indiërs het niet met hem eens, maar allen hadden respect voor zijn oprechtheid, wijsheid en hartstochtelijke waarheidsliefde.

Mohandas Karamchand (Mahatma) Gandhi werd op 2 oktober 1869 te Porbandar in West-India geboren. Hij bereikte de leef­tijd van 78 jaar, hetgeen bijzonder oud is in een land, waar de gemiddelde leeftijd volgens de officiële statistieken 27 is. En zelfs toen stierf Gandhi geen natuurlijke dood. Op weg naar een ge­bedssamenkomst in Nieuw Delhi werd hij door een jonge, ex­tremistische Hindoe op 30 januari 1948 doodgeschoten. Minder dan vijf maanden tevoren had de Mahatma een grote persoonlijke overwinning behaald, toen de Engelsen India tot onafhankelijke natie hadden verklaard.

“De poorten van de Hemel wachten om Gandhi te ontvangen,” zei een keiharde financier in Bombay eens tegen mij. Maar Gandhi liet ze wachten, tot hij had gemaakt dat de aarde iets meer op de hemel geleek.

ontmoeting met Tolstoi

 alle biografieën

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Gandhi

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – Biografieën – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-1) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.