VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Madame Curie

.

DE TRIOMF VAN MADAME CURIE

In het najaar van 1891 liet een Pools meisje, Marya Sklodowska, zich vol gespannen verwachting inschrijven bij de faculteit van de wis- en natuurkunde van de Sorbonne-universiteit te Parijs. Als de mannelijke studenten in de gangen dat ver­legen meisje met haar vastberaden gezichtje en haar eenvoudige, haast schamele kleding tegenkwamen, vroegen ze vaak: “Wie is dat?” Maar het antwoord was vaag. “Een buitenlandse met een onuitspreekbare naam. Op natuurkundecolleges zit ze altijd vooraan.”
Dan oogden de jongelui haar sierlijke figuurtje na en besloten: “Mooi haar!” Heel lang waren het asblonde haar en het typisch Slavische gezichtje het enige waaraan de studenten van de Sorbonne hun bedeesde medestudente herkenden.

Maar dat meisje was allerminst geïnteresseerd in jongemannen. Ze werd geheel in beslag genomen door haar studie en werkte koortsachtig. Voor haar was elke minuut dat ze niet studeerde ver­loren tijd. Marie Sklodowska was te verlegen om vriendschap te sluiten met de Fransen en zocht haar toevlucht bij de kleine kolonie van haar landgenoten, die een eilandje van het vrije Polen vormden in het Quartier Latin, de studentenwijk van Parijs. Daar leefde ze uiterst sober en wijdde zich uitsluitend aan haar studie. Haar inkomen was maar veertig roebel per maand, en bestond uit het geld dat ze in Polen had overgespaard van haar salaris als gouvernante, en de kleine toelage die haar vader, een onbekende maar zeer ontwikkelde leraar wis- en natuurkunde, haar kon sturen. Van dat kleine bedrag — drie francs per dag — moest ze haar kamer, eten, kleren en alle studiekosten betalen. Marie wilde nooit erkennen dat ze honger of kou leed. Om geen kolen te hoeven kopen, stak ze vaak de kachel niet aan, en ze schreef getallen en vergelijkingen op zonder erop te letten dat ze met verstijfde vingers zat te rillen. Weken achtereen leefde ze op niets dan boterhammen en thee. Als ze eens echt lekker wilde eten kocht ze twee eieren, of een stukje chocola of wat vruchten. Door die onvoldoende voeding kreeg het stevige frisse meisje dat een paar maanden tevoren uit Warschau was vertrokken, last van bloedarmoede. Vaak voelde ze zich duizelig als ze opstond. Dan kon ze nog maar net haar bed bereiken voor ze het bewustzijn verloor. Als ze dan weer bijkwam, dacht ze dat ze ziek was. Het kwam nooit bij haar op dat ondervoeding de oorzaak was.

Marie had op het programma van haar leven geen plaats open­gelaten voor liefde en huwelijk. Toen ze zesentwintig was hield ze, geheel beheerst door haar hartstocht voor de wetenschap, nog verbeten vast aan haar onafhankelijkheid. Toen kwam Pierre Curie in haar leven. Hij was een geniaal Frans natuurkundige, die zich met hart en ziel aan het wetenschappelijk onderzoek wijdde en op vijfendertigjarige leeftijd nog ongehuwd was. Hij was een lange man met slanke, gevoelige handen, een ruige baard en een zeldzaam intelligent, gedistingeerd voorkomen. In 1894 maakten ze met elkaar kennis op een laboratorium, en voelden zich on­middellijk tot elkaar aangetrokken. Pierre Curie ontdekte dat mademoiselle Sklodowska een hoogst merkwaardig persoontje was. Wat was het vreemd om met een charmante jonge vrouw te kunnen spreken en daarbij technische termen en ingewikkelde formules te kunnen bezigen . . . Wat was dat een genot!

Pierre Curie probeerde met haar op vriendschappelijke voet te komen. Hij vroeg verlof haar te mogen bezoeken. Ze ontving hem vriendelijk, maar gereserveerd, op haar kamertje. Nooit had Marie hem mooier toegeschenen dan daar op dat kale zolder­kamertje, met haar versleten japonnetje en met die vastberaden uitdrukking op haar gezicht. Wat Pierre zo aantrok in Marie was niet alleen de volkomen toewijding aan haar werk, maar ook haar moed en hoogstaand karakter. Een paar maanden later vroeg Pierre Curie haar ten huwelijk. Maar het scheen Marie Sklodowska ondenkbaar toe dat ze een Fransman zou trouwen en haar familie en haar geliefde Polen voorgoed verlaten. Er moesten nog tien maanden verlopen voor ze eindelijk het denkbeeld van een huwelijk kon aanvaarden. De eerste dagen van hun gemeen­schappelijke leven zwierven Pierre en Marie al fietsend over het platteland; die fietsen hadden ze gekocht van het geld dat ze als huwelijksgeschenk hadden gekregen. Ze aten brood met kaas en fruit, stapten af bij onbekende herbergen, en genoten van de lange verrukkelijke dagen van hun samenzijn-in-eenzaamheid die hun niet meer dan de nodige trapbewegingen en een paar francs logieskosten in het een of andere dorp kostten.

Het jonge paar betrok een bescheiden appartement aan de rue de la Glacière 24. De wanden waren er uitsluitend bekleed met boeken; er stonden verder twee stoelen en een withouten tafel. Op die tafel lagen boeken en artikelen over natuurkunde, er stond een olielamp en een vaas met bloemen — dat was alles. Langzamerhand werd Marie een betere huisvrouw. Ze bedacht gerechten die weinig bewerkelijk waren of die “vanzelf gaar werden.” Voordat ze wegging regelde Marie de vlam met weten­schappelijke nauwkeurigheid. Een kwartier later stond ze dan over ander vaatwerk gebogen en regelde de vlam van een brander in het laboratorium met dezelfde zorgvuldigheid.

In het tweede jaar van hun huwelijk werd hun dochtertje Irene geboren — een mooi kindje, en een toekomstige winnares van de Nobelprijs. Het kwam geen ogenblik bij Marie op dat ze zou moeten kiezen tussen haar gezin en haar wetenschappelijke loop­baan. Ze deed het huishouden, baadde haar dochtertje en zette het eten op, maar ze bleef ook op een laboratorium werken aan de belangrijkste ontdekking die tot die tijd in de moderne natuur­wetenschappen was gedaan.

Eind 1897 toonde de balans van Maries werkzaamheden twee universitaire graden, een studie-opdracht en een monografie over de magnetische eigenschappen van gehard staal. Haar volgende doel was: de doctorstitel. Toen ze een onderwerp voor haar dissertatie zocht, trok een recente publicatie van de Franse natuur­kundige Antoine Henri Becquerel haar aandacht. Becquerel had ontdekt dat uraniumzouten spontaan, zonder aan het licht te zijn blootgesteld, een onbekend soort stralen uitzenden. Wanneer men een stuk uraniumerts, in zwart papier gewikkeld, op een foto­grafische plaat legde, liet het door het papier heen een afdruk achter op de gevoelige plaat. Dat was de eerste waarneming van dat vreemde, merkwaardige verschijnsel, dat Marie later als radioactiviteit zou aanduiden; maar de aard van die straling en de ontstaanswijze waren nog onbekend. Pierre en Marie Curie werden gefascineerd door Becquerels ontdekking. Wat kon de bron zijn van de energie, die uraniumverbindingen voortdurend in de vorm van straling uitzenden? Dat beloofde een boeiend onderzoek te worden — een sprong in het onbekende!

Dank zij de directeur van een technische school, de École de Physique et de Ghimie industrielles, waar Pierre leraar was, mocht Marie daar voor haar proeven een kleine, gelijkvloers gelegen opslagruimte gebruiken. Het viel niet mee in dat hok wetenschappelijk onderzoek te verrichten, waar de atmosfeer fataal was, niet alleen voor de uiterst gevoelige precisie-instrumenten, maar ook voor de gezondheid van Marie Curie.

Toen ze al een heel eind op weg was met haar onderzoek naar de straling van uranium, ontdekte Marie dat de verbindingen van een ander element, thorium, eveneens spontaan stralen uitzenden gelijk aan die van uranium. Bovendien leek bij beide elementen de radioactiviteit heel wat sterker dan te verwachten was van de hoe­veelheid uranium of thorium, die de onderzochte monsters be­vatten. Waar kwam die abnormale straling vandaan? Er was maar één verklaring mogelijk: die mineralen moesten, in kleine hoeveelheden, een nog veel sterker radioactieve stof bevatten dan ura­nium of thorium. Marie had alle destijds bekende chemische elementen in haar onderzoek betrokken. Dan moesten die ertsen dus een andere radioactieve stof bevatten, een nog onbekend element.

Een nieuw element! Pierre Curie, die met intense belangstelling de snelle ontwikkeling bij de proeven had gevolgd, gaf nu zijn eigen onderzoek op om haar te helpen. In dat vochtige werkkamertje zochten nu twee stel hersenen en vier handen naar het onbekende element. Ze slaagden erin alle elementen van pekblende, een uraniumerts, af te scheiden en de radioactiviteit ervan te meten. Toen ze het doel van hun onderzoek naderden, werd het uit hun gegevens duidelijk dat er in plaats van één nieuw element, twee moesten zijn. In juli 1898 konden ze de ontdekking van een van die stoffen aankondigen. Marie noemde het polonium, naar haar ge­liefde Polen.

In december 1898 kondigde het echtpaar Curie het tweede nieuwe element aan, dat ze in pekblende hadden aangetroffen, en dat ze radium noemden — een element dat waarschijnlijk geweldig radioactief was. Nu had niemand dat radium ook maar ooit gezien. Niemand kende het atoomgewicht ervan. De volgende vier jaar werkten de Curies om het bestaan van polonium en radium te bewijzen. Ze wisten al op welke manier ze de nieuwe metalen dachten af te scheiden, maar dat betekende dat ze zeer grote hoeveelheden erts moesten verwerken.

Pekblende, waarin polonium en radium voorkomen, werd bij de mijnen van Joachimsthal in Bohemen verwerkt om daaruit uraniumzouten te winnen, die bij de glasfabricage werden ge­bruikt. Het was een kostbare grondstof, maar Pierre en Marie Curie hadden berekend dat wanneer het uranium aan het erts was onttrokken, het polonium en radium nog aanwezig moesten zijn. Waarom zouden ze dus niet het afgewerkte erts gebruiken, dat heel weinig waarde had?

Van de Oostenrijkse regering kregen ze een ton van dat mate­riaal, en begonnen daarmee te werken in een leegstaande schuur, dicht bij het kamertje waar Marie haar eerste proeven had gedaan. Er lag geen vloer in; de inrichting bestond uit een paar wrakke keukentafels, een schoolbord en een oude gietijzeren kachel. “En toch,” schreef Marie later, “brachten wij in die gammele oude schuur onze beste en gelukkigste jaren door, die volkomen aan ons werk waren gewijd. Soms deed ik een hele dag niets anders dan een kokende massa omroeren met een ijzeren staaf, die bijna even groot was als ikzelf, ’s Avonds was ik dan volkomen op van ver­moeidheid.” In dergelijke omstandigheden werkte het echtpaar Curie van 1898 tot 1902. In haar oude stoffige kiel vol zuurvlekken, met verwaaide haren en in een wolk van scherpe rook, die in haar ogen en haar keel prikte, fungeerde Marie als een com­plete fabrieksinstallatie. Eindelijk behaalde ze in 1902, 45 maan­den na de dag waarop de Curies het vermoedelijke bestaan van radium hadden aangekondigd, haar overwinning: ze was erin ge­slaagd één tiende gram zuiver radium af te scheiden en het atoomgewicht ervan te bepalen. Radium bestond nu officieel.

Ongelukkigerwijs hadden de Curies nog met andere moeilijk­heden te kampen. Aan de École de Physique verdiende Pierre een salaris van ruim vierduizend gulden per jaar, en nadat Irene ge­boren was sloeg het loon van een kindermeisje een gat in hun be­groting. Er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. In 1898 kwam aan de Sorbonne een leerstoel voor fysische scheikunde vacant, en Pierre besloot daarnaar te solliciteren. Het zou zeven­duizend gulden per jaar opleveren, met minder lesuren; maar hij werd gepasseerd. Pas in 1904 werd Pierre benoemd tot hoog­leraar, nadat de hele wereld zijn verdiensten had erkend. Voor­lopig moest hij met een minder belangrijke functie aan de Sorbonne genoegen nemen. Ondertussen kreeg Marie een aanstelling als lerares aan een meisjesschool bij Versailles.

De Curies bleven bereidwillig en zonder verbittering lesgeven, en wijdden daaraan hun beste krachten. Nu ze hun energie moesten verdelen tussen hun eigen werk en hun betrekking, schoten eten en slapen er vaak bij in. Verschillende malen moest Pierre door aanvallen van hevige pijn in zijn benen het bed houden. Marie werd door haar tot het uiterste gespannen zenuwen overeind gehouden, maar hun vrienden schrokken van haar bleke, uitgeteerde gezicht. Zo werd de kennis van de radioactiviteit steeds verder ontwikkeld en uitgebouwd, terwijl de twee natuur­kundigen die deze in het leven hadden geroepen daardoor gaande­weg meer uitgeput raakten.

Gezuiverd in de vorm van een chloride, bleek radium een dof wit poeder te zijn, dat veel op gewoon keukenzout lijkt. Maar het bleek verbluffende eigenschappen te bezitten. De straling over­trof alle verwachtingen in intensiteit; ze bleek twee miljoen maal krachtiger te zijn dan die van uranium. De stralen drongen zelfs door de hardste en meest vaste stoffen heen. Alleen afscherming met zware loden platen kon die verraderlijk doordringende kracht tegenhouden.

Het laatste, meest ontroerende wonder was dat radium een bondgenoot van de mens kon worden bij zijn strijd tegen de kanker. Radium bleek nuttig te zijn — en nu was de winning ervan niet meer uitsluitend van belang voor de wetenschap. Al spoedig zou er een radiumindustrie ontstaan. In verscheidene landen had men plannen gemaakt voor het gebruik van radio­actieve ertsen, vooral in België en Amerika. Maar het “fabuleuze metaal” kon alleen worden gewonnen wanneer het geheim van de ingewikkelde techniek bekend was.

Op een zondagmorgen legde Pierre dat allemaal aan zijn vrouw uit. Hij had juist een brief doorgelezen van een paar technici in de Verenigde Staten, die in Amerika radium wilden gaan gebruiken en hem nu om inlichtingen vroegen. We kunnen één van tweeën doen,” zei Pierre tegen haar. “We kunnen zonder enige terug­houding de resultaten van ons onderzoek beschrijven, met inbegrip van het zuiveringsproces …” Marie maakte automatisch een gebaar van instemming en mompelde: “Ja, natuurlijk.” “Of anders,” ging Pierre voort, “kunnen wij onszelf beschouwen als de ‘uitvinders’ van het radium, octrooi aanvragen op de ver­werkingsmethode van pekblende, en ons verzekeren van de rechten op het bereiden van radium over de hele wereld.”

Marie dacht een paar seconden na. Toen zei ze: “Dat kan niet. Dat zou in strijd zijn met de wetenschappelijke ethiek.” Pierre’s ernstige gezicht klaarde op. “Goed, dan zal ik die Amerikanen vanavond nog schrijven en hun alle gevraagde inlichtingen geven.”

Een kwartier na die korte gedachtewisseling trokken Pierre en Marie op hun geliefde fietsen de zondagse bossen in. Ze hadden definitief gekozen tussen armoede en welgesteldheid.

In juni 1903 werd Pierre officieel uitgenodigd door de Royal Institution om in Londen een voordracht te komen houden over radium. Daarna volgde er een stortvloed van uitnodigingen voor officiële diners, want heel Londen wilde met de ontdekkers van het radium kennismaken. In november 1903 verleende de Royal Society te Londen aan Pierre en Marie een van haar hoogste onderscheidingen: de Davy-penning.

Vervolgens werden zij gehuldigd door de Zweden. Op 10 decem­ber 1903 kondigde de Academie van Wetenschappen te Stockholm aan dat de Nobelprijs voor Natuurkunde dat jaar voor de helft werd toegekend aan Antoine Henri Becquerel, en voor de andere helft aan het echtpaar Curie voor hun ontdekkingen op het gebied van de radioactiviteit. Die Nobelprijs betekende een bedrag van ongeveer vijftigduizend gulden, en het was niet “in strijd met de wetenschappelijke ethiek” die te aanvaarden. Een unieke kans om Pierre te ontslaan van de noodzaak les te geven, om zijn
gezond­heid te sparen! Toen de cheque was uitbetaald, gingen er giften en leningen naar Pierres broer en Maries zusters, contributies naar wetenschappelijke genootschappen, bijdragen naar Poolse studen­ten en naar een jeugdvriendin van Marie. Marie liet ook een “moderne” badkamer in hun huis installeren en een uitgewoonde kamer opnieuw behangen. Maar het kwam geen ogenblik bij haar op ter ere van het heuglijke feit een nieuwe hoed te kopen. En zij bleef lesgeven, ofschoon ze erop stond dat Pierre de Ecole de Physique zou verlaten.

Nu die roem hun ten deel was gevallen, regende het tele­grammen op hun grote werktafel. Duizenden artikelen ver­schenen in de kranten; honderden verzoeken om handtekeningen en foto’s, brieven van uitvinders, gedichten over radium stroomden binnen. Maar de Curies beschouwden hun opdracht niet als vol­tooid ; ze wilden alleen maar verder werken.

In het voorjaar van 1904 schreef Marie: “… We hebben geen moment rust. De mensen houden ons voortdurend van ons werk af. Nu heb ik besloten flink te zijn en geen bezoekers meer te ont­vangen — maar ze blijven me lastig vallen. Ons leven samen is helemaal bedorven door al die eer en roem . . . Ons rustige leven van hard werken is helemaal in de war gestuurd.”

Toen de geboorte van haar tweede kind naderde, was Marie bijna volkomen uitgeput. Op 6 december 1904 werd er weer een dochtertje geboren, met een hoofdje vol dik zwart haar: Eve, de schrijfster van deze biografie. Al spoedig werkte Marie weer als tevoren op school en op het laboratorium. Men zag het echtpaar nooit in de uitgaande wereld, maar aan officiële diners ter ere van buitenlandse wetenschapsmensen konden ze niet altijd ontkomen. Bij dergelijke gelegenheden trok Pierre avondkleding aan en Marie haar enige avondjurk.

Op 3 juli 1905 werd Pierre Curie tot lid van de Franse Academie van Wetenschappen verkozen. Ondertussen had de Sorbonne speciaal voor hem een leerstoel in de natuurkunde ingesteld — de positie die hij zich al zo lang had gewenst — maar nog steeds had hij geen behoorlijk laboratorium. Marie moest nog acht jaar lang geduld oefenen voor ze de radioactiviteit een passende woning kon geven — in een gebouw dat Pierre zelf nooit zou
aan­schouwen. Op donderdag 19 april 1906 — een zwoele, regen­achtige dag — nam Pierre om half drie ’s middags afscheid van de hoogleraren van de faculteit van de wis- en natuurkunde, met wie hij had geluncht, en liep naar buiten, de regen in. Toen hij de rue Dauphine wilde oversteken, liep Pierre verstrooid achter een huurkoetsje om de rijweg op, en kwam voor een sleperswagen terecht. Verschrikt probeerde hij zich vast te klemmen aan de borst van het paard, dat plotseling begon te steigeren. Pierre gleed uit op de natte rijweg. De voerman trok wel de leidsels strak, maar de wagen rolde door zijn eigen gewicht van zes ton nog ver­scheidene meters verder door. Het linkerachterwiel ging over Pierre’s lichaam heen.

Zes uur. Levendig en opgewekt kwam Marie Curie haar woning binnen. Ze vond er bezoekers, in wier houding ze iets van medelijden voelde. Terwijl ze verslag uitbrachten over het ge­beurde, hoorde Marie hen roerloos aan. Na een lange pijnlijke stilte bewogen eindelijk haar lippen: ‘Is Pierre dood? Dood? Is hij werkelijk dood?” Vanaf het ogenblik dat die drie woorden “Pierre is dood” tot haar bewustzijn doordrongen werd ze een ongeneeslijk eenzame vrouw.

Na de begrafenis stelde de regering officieel voor, de weduwe en kinderen van Pierre Curie een staatspensioen toe te kennen. Marie wees dat onverbiddelijk af : ‘Ik wil geen pensioen hebben,” verklaarde ze. ‘Ik ben jong genoeg om voor mijzelf en mijn kinderen mijn brood te verdienen.”

Op 13 mei 1906 besloot het bestuur van de faculteit van de wis- en natuurkunde eenstemmig om Pierre’s professoraat aan de Sorbonne op te dragen aan Marie Curie. Het was de eerste maal dat in Frankrijk een vrouw bij het hoger onderwijs werd benoemd. Op de dag dat ze haar eerste college aan de Sorbonne zou geven, was de collegezaal propvol; de mensen stonden zelfs in de gangen en buiten op het plein. Men rekte de hals om toch vooral Madame Curies binnenkomst niet te missen. Wat zou de nieuwe hoog­leraar het eerst zeggen? Zou ze de minister en de universiteit haar dank betuigen? Zou ze over Pierre Curie spreken? Ja, onge­twijfeld ; het was immers de gewoonte te beginnen met een lofrede op de voorganger . . .

Half twee . . . De deur achter in de zaal ging open, en onder een storm van applaus liep Madame Curie naar haar plaats. Ze boog even het hoofd, een kort, sober gebaar dat als begroeting was bedoeld. Staande wachtte ze, tot de ovatie zou ophouden. En in­eens werd het stil. Marie Curie keek strak voor zich uit en zei: ”Wanneer men bedenkt welke vorderingen er de laatste tien jaren in de natuurkunde zijn gemaakt, verbaast men zich over de
voor­uitgang in onze denkbeelden betreffende elektriciteit en materie …” Madame Curie hervatte het college precies bij de zin waar Pierre Curie opgehouden was. Nadat ze onbewogen haar nuchtere uit­eenzetting had voltooid, verdween Marie even snel door de achter­deur als ze was binnengekomen.

Nu steeg de persoonlijke faam van Madame Curie als een raket, en verbreidde zich overal. Ze ontving tientallen diploma’s en eer­bewijzen van buitenlandse universiteiten. En ofschoon ze geen lid werd van de Academie van Wetenschappen — ze kwam één stem te kort — kende Zweden haar de Nobelprijs voor scheikunde toe voor het jaar 1911. Het zou nog meer dan vijftig jaar duren vóór een ander waardig werd gekeurd zo’n eerbewijs tweemaal te ontvangen.

De Sorbonne en het Instituut Pasteur stichtten gezamenlijk het Curie Radium-Instituut, dat uit twee delen bestond: een labora­torium voor radioactiviteit onder leiding van Marie Curie; en een laboratorium voor biologisch onderzoek en bestudering van de kankertherapie, onder leiding van een vooraanstaand arts. Tegen de raad van haar familie in schonk Marie aan het laboratorium van het Instituut al het radium dat zij en Pierre eigenhandig hadden gewonnen, en dat meer dan een miljoen goudfranken waard was. Tot aan het eind van haar leven bleef dat labora­torium het middelpunt van haar bestaan.

In 1921 brachten Amerikaanse vrouwen honderdduizend dollar bijeen om één gram radium te kopen als geschenk voor Marie Curie. In ruil daarvoor vroegen ze haar, een bezoek aan de Verenigde Staten te komen brengen. Marie aarzelde. Maar ze was zozeer getroffen door het edelmoedige gebaar, dat ze haar vrees overwon en op 54-jarige leeftijd voor het eerst de verplichtingen van een grote officiële reis op zich nam. Te New York bleef een enorme mensenmenigte haar vijf uur lang aan de kade opwachten. Vanaf het ogenblik dat ze voet aan wal zette werd het duidelijk, hoeveel de bedeesde Madame Curie voor Amerika betekende. Zelfs voordat men haar persoonlijk kende, hadden de Amerikanen haar met een bijna religieuze verering omgeven; nu ze in hun midden vertoefde, kende hun hulde geen grenzen.

Madame Curie had van de meeste Amerikaanse universiteiten uitnodigingen ontvangen. Tientallen erepenningen en ere­doctoraten wachtten haar. Maar de luidruchtige toejuichingen waren haar te machtig. De starende blikken van talloze mensen beangstigden haar, evenals het gedrang. Ze was altijd bang dat ze in die verschrikkelijke deining zou worden doodgedrukt. Ten slotte was ze te zeer verzwakt om haar reis te kunnen voortzetten, en ze keerde op raad van haar artsen naar Frankrijk terug.

Die reis naar Amerika heeft, geloof ik, mijn moeder ertoe gebracht haar hardnekkige afzondering op te geven. Als weten­schappelijk onderzoekster kon ze zich afsluiten voor de buiten­wereld en zich geheel op haar eigen werk concentreren. Maar toen, op vijfenvijftigjarige leeftijd, was Madame Curie niet alleen maar een geleerde. Haar naam had nu zoveel gezag dat ze, alleen al door haar aanwezigheid, een plan dat haar na aan het hart lag kon doen slagen. Van nu af aan zou ze voor dit soort opdrachten een plaats in haar leven inruimen. Al haar reizen leken voortaan veel op elkaar. Wetenschappelijke congressen, lezingen, uni­versitaire plechtigheden en bezoeken aan laboratoria brachten Madame Curie in een groot aantal hoofdsteden, waar ze werd gevierd en toegejuicht.

Ook Warschau bouwde een radiuminstituut — het Marya Sklodowska Curie-Instituut — en  de Amerikaanse vrouwen brachten opnieuw een wonder tot stand door genoeg geld bijeen te brengen om één gram radium voor het Warschause instituut te kopen — het tweede gram dat Amerika aan Madame Curie schonk. De gebeurtenissen van 1921 herhaalden zich: in oktober 1929 vertrok Marie opnieuw naar New York, om Amerika namens Polen dank te brengen. Ze was de gast van president Hoover en logeerde verscheidene dagen op het Witte Huis. Maar ze was in niets veranderd: noch in haar fysieke vrees voor mensenmassa’s, noch in haar ongeneeslijke bescheidenheid. Het was nog altijd het laboratorium — en de jonge onderzoekers die daar werkten — die in Marie Curies hart de grootste plaats innamen. ‘Ik weet niet hoe ik zonder het laboratorium zou kunnen leven,” schreef ze eens.

Marie had nooit de voorzorgsmaatregelen die ze haar leer­lingen oplegde, in acht genomen: buisjes met radioactieve stoffen alleen met een tang aanpakken, nooit onbeveiligde buisjes aan­raken, zware loden ”schilden” als afscherming gebruiken om zich voor gevaarlijke straling te vrijwaren. Ze wilde zich maar nauwe­lijks onderwerpen aan de bloedproeven, die regel waren aan het Radium-Instituut. De samenstelling van haar bloed was
ab­normaal. En wat dan nog? Vijfendertig jaar lang was Madame Curie met radium omgegaan en had ze de stoffen die door radium worden afgegeven, ingeademd. Tijdens de oorlog was ze vier jaar lang blootgesteld geweest aan de nog veel gevaarlijker straling van de röntgenapparatuur. Enige afbraak van het bloed, hinderlijke en pijnlijke brandwonden aan haar handen, waren ten slotte niet zo erg in verhouding tot de risico’s die ze had gelopen!

Marie Curie schonk weinig aandacht aan de lichte verhoging waar ze last van kreeg. Maar in mei 1934 moest ze na een griep­aanval naar bed, en stond daarna niet meer op. Toen eindelijk haar sterke hart had opgehouden te kloppen, sprak de wetenschap zich uit. De klachten en de vreemde, nog niet eerder waargenomen afwijkingen in haar bloed hadden de ware dader aangewezen: radium.

Op vrijdag 6 juli 1934 nam Madame Curie om twaalf uur ’s middags haar plaats te midden van de doden in — zonder plechtige lijkstoet en redevoeringen, en zonder aanwezigheid van politici of autoriteiten. Op de begraafplaats te Sceaux werd ze bij­gezet naast Pierre, in tegenwoordigheid van haar familie, haar vrienden, en de medewerkers die haar liefhadden.

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

598-549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.