Tagarchief: Djengis Kahn

VRIJESCHOOL – Vertelstof -biografieën – Djengis Kahn

.

HET SCHRIKBEWIND DER  MONGOLEN

 

Indien alle beschrijvingen van veldslagen, behalve die van Djengis Khan, uit de annalen der geschiedenis verwijderd werden . . . dan zou er voor de militair nog een goudmijn overblijven met een schat van kennis, nuttig voor het opbouwen van een leger.” Deze woorden zijn van generaal Douglas
MacArthur.

De militair, aldus generaal MacArthur, kan zijn beroep niet uitsluitend in de praktijk leren. Hoewel wapens veranderen, moet hij toch bij het verleden te rade gaan om de grondregels van de kunst van het oorlogvoeren te leren. En die vindt hij nergens zo goed geïllustreerd als in de loopbaan van de keizer der Mongolen, ongeveer 750 jaar geleden.

Djengis Khan won met zijn veroveringen het grootste rijk, dat de wereld ooit gekend heeft. Het strekte zich uit van de Grote Oceaan tot Midden-Europa en omvatte het grootste deel van de toen bekende wereld en meer dan de helft van de wereldbevolking. Zijn hoofdstad Karakorum, in Midden-Mongolië, werd de voor­naamste hoofdstad van de Oosterse wereld welke de machten der christenheid dreigde te overspoelen.

Napoleons loopbaan eindigde in een nederlaag; Djengis Khan heeft nooit een beslissende slag verloren. Hij stierf op hoge leeftijd op het toppunt van zijn glorie, terwijl zijn rijk zich nog steeds krachtig uitbreidde. Caesar en Alexander de Grote waren veel verschuldigd aan hun voorgangers, die het Romeinse legioen en de Macedonische falanx tot volmaakte instrumenten hadden
ge­maakt. De Mongoolse keizer schiep zijn eigen militaire machine. Numeriek waren zijn legers bijna altijd sterk in de minderheid.
Hij heeft waarschijnlijk nooit meer dan 200 000 man in het veld kunnen brengen, maar met die kleine legermacht verpletterde hij miljoenenrijken. Hij is misschien de meest succesvolle legeraan­voerder geweest van alle tijden. Djengis Khan betekent “Machtig­ste Heerser”. Hij koos die naam zelf, nadat hij in zijn jonge jaren Temujin had geheten.

Djengis Kahn

Toen Temujin dertien jaar oud was, werd zijn vader door vijanden vergiftigd. Naar kracht en gestalte was Temujin toen al een man. Hij kon een hele dag in het zadel blijven en was een vervaarlijk boogschutter. Bovendien was hij geestelijk sterk. Hij was vastbesloten zijn vader op te volgen als hoofd van het taaie nomadenvolk dat de steppen bewoonde, de onherbergzame, boomloze streek van Opper-Azië. Maar de leden van de stam wilden hem niet en de andere hoofden besloten zich van hun jonge rivaal te ontdoen. Zij jaagden Temujin over de steppen op als een dier, namen hem gevangen en plaatsten een zwaar houten juk op zijn nek, waaraan zijn polsen werden vastgebonden. Op een nacht sloeg hij met dat juk zijn bewaker neer en ontsnapte. Hij verborg zich in een stroom terwijl ruiters op de oever af en aan reden om hem te zoeken. Later kroop hij weer uit het water en wist een zwervende jager te overreden hem van het juk te be­vrijden.

De geschiedenis van die vroege jaren vertelt, hoe hij telkens op het nippertje ontkwam aan achtervolging en verraad. Maar hij liet zich niet afbrengen van zijn vaste doel het leiderschap te veroveren. Hij kreeg enige trouwe volgelingen en de vroegere onderdanen van zijn vader begonnen zijn zijde te kiezen, zodat hij vóór zijn twintigste jaar hun stamhoofd was. Vervolgens begon hij door intriges en vechten andere stammen aan de zijne te ver­binden. Steeds was hij de leider. Ieder, die de macht met hem probeerde te delen, doodde hij zonder pardon. Jamuga was zijn neef. In de magere jaren hadden zij onder dezelfde deken ge­slapen en hun laatste kruimels met elkaar gedeeld. Maar Jamuga, niet tevreden met zijn ondergeschikte positie, verzamelde zijn eigen volgelingen om zich heen. Het kwam tot een gewapende botsing tussen de twee. Ten slotte stond Jamuga als gevangene voor zijn neef. In alle kalmte gaf Temujin het bevel hem te wurgen.

Togrul was een vriend van Temujins vader geweest en in de kritieke periode had hij de jongen geholpen. Maar toen de oudere leider zich niet aan de jongeman wilde onderwerpen, liet Temujin hem ombrengen. Anderzijds gaf hij rijke beloningen aan de leiders, die bereid waren onder hem te dienen. Zo gingen de jaren voorbij. Hij had zijn hoofdkwartier gevestigd in Karakorum, de Stad van het Zwarte Zand — een tentenstad aan de grote karavaanroute van oost naar west. Temujin liet de karavanen met rust. Die hadden bij zijn toekomstplannen een eigen rol te spelen.

Hij was een stoere man, gehuld in schapenvellen en verhard leer, met de lompe gang van iemand, die zijn leven in het zadel heeft doorgebracht. Zijn diep gerimpelde, verweerde gezicht was be­dekt met een laag vet als bescherming tegen de koude en de bijtende wind. Waarschijnlijk waste hij zich éénmaal per jaar. Onder een terugwijkend voorhoofd waren zijn ogen ver uiteen geplaatst, rood omrand door het opgejaagde stof en van een in­tense gloed. Hij sprak weinig en alleen na lang nadenken.

Toen hij de vijftigjarige leeftijd had bereikt, had Temujin de stammen van Midden-Azië tot één macht samengesmeed onder zijn eenhoofdige leiding. Zijn naam weerklonk wijd en zijd over de steppe. En toch, als de pijl van een van zijn vijanden toen de juiste plek in zijn harnas gevonden had, zou de geschiedenis hem ternauwernood gekend hebben. Immers, zijn grote daden ver­richtte hij alle in de laatste zestien jaren van zijn leven. Hij had een militair apparaat opgebouwd om de wereld te veroveren. Nu ging hij het gebruiken.

In het oosten lag China, de oudste beschaving ter wereld. Toentertijd was het verdeeld in twee rijken, Kin en Sung. In het westen lag de islamitische wereld, de afzonderlijke naties die voort­gekomen waren uit de veroveringen van Mohammed. Verder naar het westen lag Rusland, toen nog een verzameling kleine staatjes, en Midden-Europa, een wirwar van grote en kleine mogendheden. Eerst viel de Khan China aan. Hij brak zich een doortocht door de Grote Muur en joeg zijn colonnes de wijde ruimte in van Kin, het noordelijke rijk. De hoofdstad Jenking (het huidige Peking) werd ingenomen en de keizer op de vlucht gejaagd. Alle tegenstand werd gebroken.

Drie jaar later trok Djengis Khan op tegen het westen. Binnen een paar maanden waren de Mongoolse troepen bezig de mooie hoofdstad Samarkand te plunderen en was de sultan op de vlucht om het vege lijf te redden. In de daaropvolgende jaren overspoel­den de legers van de Khan het Midden-Oosten en drongen daarna via Rusland Midden-Europa binnen. Overal behaalden zij de overwinning. Waarom? Djengis Khan had een onverzettelijke wil, bezat een geweldige energie, zowel lichamelijk als geestelijk, en deinsde voor niets terug. Maar zijn ware grootheid ging daar toch bovenuit.

Djengis Khan kon alle tradities terzijde schuiven en met een volkomen nieuwe aanpak rechtstreeks tot de kern van een pro­bleem doordringen. Hij wist gebruik te maken van alle beschikbare methoden, technieken en wapens en die tot en met de laatste bij­zonderheid dienstig te maken aan zijn doel. Hij was de eerste, die een hele natie samenbundelde uitsluitend met het doel oorlog te voeren; zo’n 750 jaar geleden ging hij reeds uit van de zoge­naamde “totale oorlog”. In het Mongoolse paard en de Mongoolse ruiter vond hij schitterend materiaal. Het paard was onvermoei­baar. Het behoefde slechts eens in de drie dagen gedrenkt te worden en het kon onder alle omstandigheden voer vinden, door met zijn hoeven sneeuw en ijs weg te krabben van restjes droog gras. De ruiter kon een etmaal aan één stuk in het zadel blijven, in de sneeuw slapen en met weinig en sober voedsel toe. Hij was getraind in gevechten van man tegen man en had leren schieten zodra hij aan spreken toe was.

Bij het ontwerpen van de uitrusting voor deze geboren soldaten toonde Djengis Khan zijn talent voor gedetailleerde organisatie. Het Mongoolse harnas bestond uit ongelooide huiden, verhard en met lak bestreken. Iedere soldaat had twee bogen, één voor ge­bruik in het zadel en één waarmee men met grotere nauwkeurig­heid van de grond af kon schieten. Daarbij hoorden drie soorten pijlen, voor de lange, middel- en korte afstand. De zware, van een metalen punt voorziene pijlen voor de korte afstand waren ont­worpen voor het doorboren van harnassen. Elke soldaat had een noodrantsoen gedroogde wrongel bij zich, waarvan een hoeveel­heid van een half pond voldoende was voor een dag vechten. Hij had reserveboogpezen en een naald om reparaties te verrichten. Dit alles werd in een leren zak meegedragen, die opgeblazen kon worden bij het oversteken van rivieren. Het leger was verdeeld in eenheden van 10, 100, 1000 en 10 000 man. Behalve de vechtsoldaten waren er ondersteuningstroepen: pioniers en specialisten, die katapulten voor het afschieten van stenen en andere belege­ringswerktuigen bedienden, de intendance, een remontedienst, wagendepots en een afdeling, die de verloren uitrustingsstukken weer verzamelde. En achter dat leger stond de natie, die leeftocht en wapens voor de soldaten produceerde en intussen zo weinig mogelijk voor zichzelf gebruikte.

De tactiek, die Djengis Khan had ontworpen, was een wonder van precisie, gebaseerd op intensieve oefening. De slagorde bestond uit vijf rijen, met grote tussenruimten tussen de eskadrons. Voor­op gingen de stoottroepen. Zij waren zwaar geharnast en vochten met sabels, lansen en knotsen. In de achterhoede kwamen de bereden boogschutters. In de tussenruimten tussen de eskadrons stoottroepen stormden die boogschutters dan vooruit, onderwijl hun pijlen afschietend. Dicht bij de vijand gekomen, stegen zij af en met hun zwaardere bogen openden zij een spervuur en zware pijlen. Het ging er bij een aanval om, een zo intens en geconcen­treerd vuur af te geven als men nog nooit tevoren gezien had.

Zodra de vijand dan in verwarring was gebracht, gingen de stoottroepen weer tot de aanval over om de genadeslag toe te brengen. Het was een perfecte combinatie, volmaakt georgani­seerd. Men schreeuwde geen orders, maar gaf ze door met behulp van zwarte en witte vlaggen. De Mongolen waren onweerstaan­baar in de aanval door de kwaliteit van hun wapens, de snelheid waarmee die in contact met de vijand werden gebracht en de snelheid en nauwkeurigheid waarmee er geschoten werd. De legers in China, de kranige strijders van de Islam, de ridders en het voetvolk van de christenheid, allen gingen door de knieën voor de Mongoolse pijlenregen.

Al waren de legers van de Grote Khan numeriek in de minder­heid, hij had bij het eigenlijke treffen gewoonlijk de meeste troepen tot zijn beschikking. In krijgslisten was hij een meester en wanneer de vijand hem op een bepaalde plaats verwachtte, daagde hij ergens anders op. Hij won vaker door omtrekkende bewegingen dan door kostbare frontaanvallen. Zijn veldtochten waren ge­baseerd op snelheid en beweeglijkheid, op zijn vermogen zijn troepen tweemaal zo snel te verplaatsen als de vijand. Zijn snelle colonnes drongen een vijandelijk leger binnen, hakten dat in stukken en vernietigden die elk afzonderlijk. Daarbij liet hij sterk verdedigde forten links liggen, omdat die aan het eind toch wel zouden vallen.

Sommige oorlogen had Djengis Khan al voor de helft gewonnen nog voor hij een leger in het veld had gebracht, dank zij propa­gandamethodes. Evenmin als in het gebruik van wapens heeft enig bevelhebber deze barbaar, die lezen noch schrijven kon, ooit overtroffen in het gebruik van woorden. Karavaanhandelaars waren zijn heimelijke helpers. Via hen huurde hij geheime agenten in elk land, dat hij dacht aan te vallen. Hij maakte een studie van het land zelf, van de mensen en van de politieke omstandigheden. Hij zocht naar de ontevreden elementen en zette die tegen elkaar op. Zijn spionnen in de islamitische wereld rapporteerden, dat de moeder van de sultan afgunstig was op de macht van haar zoon. Djengis Khan dicteerde een aan haar gerichte brief, zoge­naamd een antwoord op een schrijven van haar, waarin hij haar dankte voor haar aanbod hem te helpen. Vervolgens zorgde hij ervoor dat de boodschapper door de sultan werd gevangengeno­men. Toen Djengis Khan zich in beweging zette, vonden zijn legers een land, dat op de rand van de burgeroorlog verkeerde. Ook kocht hij oneerlijke politici om. Zijn agenten ontdekten, dat de Chinese minister van Oorlog uit de staatskas had gestolen. Toen dat nieuws bekend werd, ontstond er een politieke crisis in China juist op het moment dat de Mongolen tot de aanval overgingen.

Hij maakte ook gebruik van propaganda als terreurwapen. Doorgaans herinnerde hij het land dat hij wilde binnenvallen aan de vreselijke dingen die elders waren gebeurd, waar men de Grote Khan weerstand had geboden. Onderwerping of dood, zo luidde zijn waarschuwing. Indien zijn vijanden zich dan onder­wierpen, viel hij hun land binnen en vernietigde hij hen toch. Ook aan het thuisfront maakte hij handig gebruik van propaganda om het moreel te versterken. Hij zette het soldatenhandwerk op een voetstuk en maakte dat alle anderen het als normaal be­schouwden te zwoegen voor de strijders te velde. Hij leerde zijn volk, dat de Mongolen een uitzonderlijk ras vormden, verheven boven alle andere.

Voor hem was terreur een stuk koude, hartstochteloze politiek. Indien een stad zich verzette, stak hij er de brand in en liet mannen, vrouwen en kinderen afslachten. Dat werd grondig gedaan. Wanneer zijn leger wegmarcheerde, liet hij een paar manschappen en een handvol gevangenen achter, verborgen tussen de puinhopen. Daarna werden de gevangenen gedwongen de stad rond te gaan en te roepen, dat de Mongolen vertrokken waren. Zodra de enkelen, die ontsnapt waren, dan uit hun schuil­hoeken te voorschijn kwamen, werden ook zij afgemaakt. Daarbij werden hoofden afgehakt om te voorkomen dat men zich dood hield. In één enkele stad werden zo 500 000 burgers afgeslacht.

Dat was de militaire machine waarmee Djengis Khan de wereld veroverde. Hij stierf, 66 jaar oud, en op het toppunt van zijn macht, tijdens een veldtocht in 1227. Na zijn dood rolde de ma­chine verder. Zijn opvolgers werden heer en meester van geheel Azië. Zij drongen al dieper Europa binnen en versloegen Hon­garen, Polen en Duitsers. Niemand kon tegen hen standhouden. Ook onder zijn kleinzoon Koebleikhan bleven de Mongolen opper­machtig. Maar aan die macht kwam ten slotte een einde toen zij in de handen van minder bekwame nakomelingen was terecht­gekomen. Thans zijn de Mongolen niet meer dan een zwakke groep nomadenstammen. Karakorum is onder het stuifzand van de Gobi-woestijn verdwenen en de naam is vrijwel vergeten.

Maar de naam Djengis Khan niet en evenmin de opvattingen van deze grote Mongool over de “onveranderlijke noodwendig­heden van de oorlog”, zoals generaal MacArthur betoogt. Afge­zien van “de afgrijselijke moordpraktijken, zijn barbaarsheid en zijn meedogenloosheid, staan die voor ons als kernen van eeuwige waarheid”, en het is thans even gevaarlijk daaraan voorbij te gaan als dat meer dan zeven eeuwen geleden het geval was.
.

alle biografieën

.

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

.

573-526

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties