VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-2/1)

.

.

DE WIL

Andere auteurs over de wil

Uit: ‘De organen in relatie tot lichaam, ziel en geest’
Han Campagne

7.4 DE ZEVEN VERSCHIJNINGSVORMEN VAN DE WIL

Hier worden de zeven verschijningsvormen van de wil beschreven zodat men de verschillende innerlijke wilsimpulsen van de mens beter kan begrijpen en plaatsen.

Er zijn bij de mens zeven wilsstadia waar te nemen. Hierbij worden namen gehanteerd die in het dagelijkse leven een bepaalde betekenis hebben, maar die nu in een bredere context beschreven worden.

De eerste vier te bespreken stadia zijn:

instinct
begeerte
motief

7-4-2 DRIFT

De wil is nog steeds ingebouwd in het lichaam, maar heeft zich daar enigszins van los gemaakt. Onder drift verstaan we hongerdrift, dorstdrift, levensdrift, overlevingsdrift, etc. Het is echter nog een volledig onderbewust proces, waarbij de mens nog steeds voor het ergste behoed wordt, opdat hij in noodsituaties voor zijn behoud direct vanuit zijn drift zal reageren. Drift is er ook als levensritme, dat bijvoorbeeld de oorzaak van het slaap/waak ritme is. De drift is het tweede niveau van de wil, die nog steeds voornamelijk ingebed is in het fysiek-etherische systeem. Het etherlichaam heeft de werkzaamheid in de basisopbouw van het lichaam afgerond op de leeftijd van 7 jaar. Vervolgens maakt het zich ten dele los van die werkzaamheid om zijn krachten nu te wijden aan het denken.

.

Rudolf Steiner over driftAlgemene menskunde [4-3-2]

Rudolf Steiner over de wilAlgemene menskunde in voordracht 4

Algemene menskundealle artikelen

.

2377-2228

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-1/1)

.

DE WIL

Andere auteurs over de wil

Uit:De organen in relatie tot lichaam, ziel en geest’
Han Campagne

7.4 DE ZEVEN VERSCHIJNINGSVORMEN VAN DE WIL

Hier worden de zeven verschijningsvormen van de wil beschreven zodat men de verschillende innerlijke wilsimpulsen van de mens beter kan begrijpen en plaatsen.

Er zijn bij de mens zeven wilsstadia waar te nemen. Hierbij worden namen gehanteerd die in het dagelijkse leven een bepaalde betekenis hebben, maar die nu in een bredere context beschreven worden.

De eerste vier te bespreken stadia zijn:

drift
begeerte
motief

7.4.1 INSTINCT

In eerste instantie is de wil ingebouwd in de lichamelijke functies, waardoor we haar meestal niet herkennen als een wilsimpuls. Deze wilsimpuls is diep onderbewust en treedt op als instinct. Onder instinct verstaan we als eerste het zuiginstinct en tegelijkertijd het instinct van de aandrang tot uitscheiding, dat al waarneembaar is bij het jonge kind.

Het huilen, schreeuwen, klanken uiten zijn al uitdrukkingen van het spraakorgaan, die ook wilsimpulsen zijn. Na een paar maanden verschijnen gebaren van pakken, omdraaien, kruipen et cetera, tot aan het hoogtepunt van de ontwikkeling van het kind: het oprichten en staan in de wereld en het zetten van de eerste stap. Allemaal wilsprocessen die in het eerste jaar volledig instinctief te werk gaan. Je kunt het ook zo beschrijven: de wil is ingebouwd in je lichamelijke vermogens als een soort verzekering dat je de ontwikkeling doormaakt, die je moet doen. Er is nog geen sprake van  keuzes. Dit alles ontstaat uit een puur organisch gerichte astrale kwaliteit, die zich inbedt in het etherische en het fysieke lichaam. Deze astrale kwaliteit werkt samen met alle andere wezensdelen nog ‘van buitenaf’ op het pas geboren kind en begeleidt het in zijn ontwikkeling.

Deze fase geldt voornamelijk vanaf de geboorte tot 7 jaar.

Alhoewel je kunt spreken van een Mars-, gal-, ijzer- of wilsproces dat in het voedselproces begint en dat zich vervolgens uit in ziele-wilsprocessen, moeten we ook duidelijkheid verschaffen over hoe deze overgangen ontstaan tussen de onderbewuste wil, werkzaam in het fysiek lichaam en de meer bewuste, naar buiten gerichte wil in ons dagelijks leven. We kunnen dan kijken naar de ontwikkelingsprocessen van de Ik-organisatie die zich uitdrukken in het bewustzijnsproces van het wakkere Ik via de verschillende wilsstadia van de mens.

.

Rudolf Steiner over instinct: Algemene menskunde [4-3-1]

Rudolf Steiner over de wil: Algemene menskunde in voordracht 4

Algemene menskunde: alle artikelen

.

2376-2227

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/9)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Niet vertaald

Verschillende steden van 23 februari 1921 t/m 16 september 1922

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts-, und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposphischer Geisteswissenschaft

Blz. 39

Ich möchte zunächst darauf hinweisen, wie wir nach ganz naturwis­senschaftlicher Gesinnung hinschauen können in das Werden des Men­schen. Da muß allerdings Geisteswissenschaft aus ihren Voraussetzun­gen heraus ins Auge fassen die allmähliche Entwicklung des Menschen durch verschiedene Lebensepochen hindurch. Wir haben eine solche Lebensepoche, von der Geburt angefangen bis zum Zahnwechsel, so um das siebente Lebensjahr herum. Es könnte leicht scheinen, als ob irgend­ein Hang zur Mystik dazu zwange, gerade um das siebente Jahr herum eine Art Sprung in der menschlichen Entwicklung anzuerkennen. Das ist aber nicht der Fall Ebensowenig wie es irgendeinem mystischen Drang entspringt, sieben Farbennuancen im Regenbogen anzuerkennen, ebensowenig entspringen die Dinge, die ich nun ausführen werde, irgendeinem mystischen Hang, sondern sie entspringen einer objektiven, unbefangenen wissenschaftlichen Beobachtung des Menschenwesens.

Opvoedings- onderwijs- en praktische levensvragen belicht vanuit de antroposofische geesteswetenschap

Ik zou er allereerst op willen wijzen hoe wij helemaal volgens de natuurwetenschappelijke opvattingen naar de ontwikkeling van de mens kunnen kijken. De geesteswetenschap moet dan wel vanuit haar uitgangspunten in aanmerking nemen dat de mens zich tijdens de verschillende leeftijdsfasen stap voor stap ontwikkelt. We hebben de leeftijdsfase die met de geboorte begint en doorloopt tot aan de tandenwisseling, zo rond het zevende jaar. Nu zou het er makkelijk de schijn van kunnen hebben dat een of ander mystiek verlangen er de oorzaak van is dat we juist rond het zevende jaar een soort sprong in de menselijke ontwikkeling menen te moeten zien. Daarvan is echter geen sprake. Net zo min als het uit een of andere mystieke dwang voortkomt om in de regenboog zeven kleuren te willen zien, komen de dingen die ik hier naar voren wil brengen evenmin uit een mystiek verlangen; ze zijn gebaseerd op een objectieve, onbevangen wetenschappelijke manier van waarnemen van de mens.  

Zunächst physisch, kann sich der Mensch sagen, geht eine gewaltige Veränderung vor, indem der Mensch so um das siebente Jahr herum etwas aus sich heraustreibt was später nicht mehr aus ihm herausgetrie­ben wird: die zweiten Zähne eine Art von Abschluß ist damit erreicht. Aber ganz klar wird die Sache, wenn wir unsere Beobachtungen nicht beschränken auf den äußeren, physischen Organismus, sondern wenn wir dasjenige beobachten was parallel geht diesem Entwicklungssta­dium im physischen Organismus. Da sehen wir, wenn wir überhaupt beobachten können, wie das ganze Seelenleben des Kindes in dieser Zeit langsam anders wird. Wir sehen, wie das Kind, während es vorher

In de eerste plaats, wat het fysieke betreft, kan je opmerken dat er zich een enorme verandering voordoet, wanneer de mens zo rond zijn zevende jaar iets uit zijn lichaam naar buiten perst, wat later nooit meer gebeurt: de blijvende tanden waarmee een soort afsluiting wordt gemarkeerd. Helemaal duidelijk wordt dit feit wanneer we onze waarnemingen niet beperken tot het uiterlijk fysieke organisme, maar dat we kijken naar wat er in dit ontwikkelingsstadium tegelijkertijd gebeurt. 
Dan zien we, vooropgesteld dat we goed kunnen waarnemen, hoe het hele zielenleven van het kind in deze tijd langzaam anders wordt. We zien hoe het kind, terwijl het daarvoor 

Blz. 40

verschwommene, verschwimmende Begriffe bildete, nachher allmählich übergeht, Begriffe mit schärferen Konturen zu bilden; wie überhaupt das Begriffebilden in diesem Lebensalter erst eintritt. Wir sehen ferner, wie das Kind eine ganz andere Art von Gedächtnis entwickelt. Es hat zwar oftmals vorher schon ein ausgezeichnetes Gedächtnis, aber das ist rein natürlich ausgebildet, ohne daß das Kind irgendwie eine Kraft aufzu­bringen braucht, um sich etwas zu merken. Jetzt muß es eine Kraft aufbringen, um sich die Dinge, die an es herantreten, wirklich zu merken, um sich an sie zu erinnern. Kurz, es zeigt sich, daß vom Zahnwechsel ab, um das siebente Jahr, dieses Kind dazu kommt, im Vorstellungsgemäßen, im Gedanklichen, im bewußt Willensgemäßen zu arbeiten. Was liegt da eigentlich vor? Sehen Sie, da liegt dieses vor: Dieselbe Kraft, die dann als geistig-seelische Kraft beobachtbar ist im Kinde, indem es Vorstellungen in scharfen Konturen bildet, indem es sich Gedanken bildet, diese Kraft, wo war sie denn vorher? Wenn der Physiker bei irgendeinem Vorgang sieht, wie Wärme entsteht, ohne daß man irgendwie eine Erwärmung vorgenommen hat, dann sagt er:

nog vage begrippen vormde die in elkaar overgingen, nu stap voor stap begrippen begint te vormen die scherper omlijnd zijn; eigenlijk begint de begripsvorming in deze levensfase pas goed op gang te komen. Ook zien we hoe het kind een heel ander soort geheugen gaat ontwikkelen. Voor deze tijd heeft het vaak al een buitengewoon goed geheugen, maar dat werd van nature gevormd, zonder dat het kind moeite moest doen om iets te onthouden. Nu moet het wel moeite gaan doen om de dingen waarmee het te maken krijgt, echt te onthouden, om ze zich te kunnen herinneren.
Kortom, het blijkt dat vanaf de tandenwisseling, rond het zevende jaar, het kind in staat raakt met voorstellingen, gedachten, bewust gewild, iets te gaan doen. Wat gebeurt daar dan? Waar zat die mentaal-psychische kracht die bij het kind waarneembaar is als het scherp omlijnde voorstellingen vormt, gedachten ontwikkelt, dan eerst? Wanneer de fysicus bij een of ander proces ziet dat er warmte vrijkomt zonder dat er van tevoren iets verwarmd is, zegt hij:

In dem Körper war vorher latente Wärme, dann wird die Wärme frei. Er sucht dasjenige, was als Wärme frei wird, zuerst im Inneren des Körpers. Diese Denkweise muß auch angewendet werden auf das Leben des Menschen. Dasjenige, was seelisch-geistig nach dem siebenten Jahr beim Kinde auftritt, wo war es vorher? Es war im kindlichen Or­ganismus latent; es war in dem organischen Wachsen, in der organi­schen Gliederung tätig bis zu dem Moment, wo gewissermaßen der Schlußpunkt dieser besonders in den ersten kindlichen Jahren auftreten­den Wachstumsperiode mit dem Heraustreiben der zweiten Zähne erreicht ist. Wir haben heute eine Seelenkunde, eine Psychologie, die ganz abstrakt ist. Die Leute denken nach, wie sich Leib und Seele zueinander verhal­ten. Sie kommen da zu den merkwürdigsten, phrasenhaftesten Hypothe­sen. Aus diesen phrasenhaften Hypothesen heraus kann man zu keiner pädagogischen Kunst kommen. Geisteswissenschaft zeigt, wie dasjenige, was wir nach dem siebenten Jahr seelisch an dem Kinde hervortreten sehen, vor dem siebenten Jahr, vor dem Zahnwechsel in dem Organismus drinnen tätig ist; wie das Seelische erst eine organische Kraft ist, die dann frei wird.

in dit voorwerp was al latente warme aanwezig, nu komt die warmte vrij. Allereerst zoekt hij de warmte die vrijkomt in het voorwerp. Deze manier van denken moet ook toegepast worden op het leven van de mens. Waar zat het mentaal-psychische dat zich na het zevende jaar bij het kind manifesteert, daarvoor? Dat was latent aanwezig in het kinderlijke organisme; het zat in de lichamelijke groei, was actief bij de lichamelijke opbouw, tot het ogenblik waarop dit ten einde liep. De afronding van deze actieve periode van groei die met name plaatsvindt in de eerste jaren van een kind wordt bereikt met het naar buiten drukken van de blijvende tanden. 
Tegenwoordig hebben we een psychologie die heel abstract is. Er wordt nagedacht over de relatie tussen lichaam en ziel. Men komt tot de merkwaardigste hypothesen, maar het zijn frasen. Maar daarmee kom je niet tot een pedagogische kunst. De geesteswetenschap laat zien hoe, wat we na het zevende jaar bij het psychisch zien verschijnen, vóór het zevende jaar, vóór de tandenwisseling in het organisme actief is; hoe het psychische eerst een organische kracht is die dan vrij komt.
GA 304/39-40
Niet vertaald

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Die pädagogische Bedeutung der Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen

Blz. 76/77

Der Zahnwechsel bedeutet, daß etwas was in dem Menschen lebt, bis die zweiten Zähne herauskommen, was in ihm organisch lebt, was am Leibe organisierend ist, daß das so, wie die latente Wärme in die äußerlich fühlbare Wärme übergeht, daß das, was als Geistig-Seelisches im Menschen organisierend ist. auch geistig-seelisch wird. Nachdem die zweiten Zähne heraus sind, braucht der Mensch eine gewisse Wachstumskraft eine gewisse innere durchorganisierende Kraft nicht mehr. Die wird jetzt frei wird geistig-seelisch, lebt sich in alledem aus, was wir im Alter, wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, verwenden können.

De pedagogische betekenis van de kennis over de gezonde en zieke mens

Tanden wisselen betekent dat er in de mens iets organisch leeft wat lichamelijk opbouwend werkzaam is, tot de blijvende tanden verschijnen; dat net zoals de latente warmte overgaat naar de uiterlijk voelbare warmte, dat wat mentaal-psychisch bij de mens opbouwend is, nu mentaal-psychisch wordt. Als de blijvende tanden tevoorschijn zijn gekomen, heeft de mens een bepaalde groeikracht, een kracht die innerlijk organiserend werkzaam is, niet meer nodig. Die komt vrij en wordt tot geestkracht en gevoel, komt tot volle ontplooiing, waarmee wij dan op de leeftijd dat het kind bij ons op school komt, kunnen werken. 

Wenn ich schematisch zeichnen soll, möchte ich sagen: Wenn dies hier der physische Organismus ist so haben wir diesen physischen Organis­mus durchzogen von ein Kraft die ihn durchorganisiert, die in ihm ihren Abschluß findet im Zahnwechsel, und später ist dasjenige, was da in ihm noch gewirkt hat im früheren Leben, während des schulpflichti­gen Lebens freigeworden, tritt im Geistig-Seelischen auf als veränderte Vorstellungskraft, als veränderte Erinnerungskraft und so weiter. Das heißt, innerlich erkennen den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen mit dem physisch-Leiblichen wenn man zum Beispiel weiß, daß dasjenige gerade, womit man es zu tun hat im kindlichen Volksschulalter, daß das wie freigewordene Wärme so freigewordenes Seelenwesen ist;

Wanneer ik dit schematisch zou willen tekenen, [er is bij mijn weten geen afbeelding van] moet ik zeggen: wanneer dit hier het fysieke organisme is, dan hebben we hier dit fysieke organisme dat doortrokken is van een kracht die het doorvormt, die daarin tot een afsluiting komt bij het wisselen van de tanden en later werkt, wat er in zijn eerdere leven, tijdens de basisschoolleeftijd vrij gekomen is, nu verder in geest en ziel als een omgevormde voorstellingskracht, als omgevormde geheugenkracht enz. Dat betekent dat je innerlijk weet hebt van wat de samenhang is van geest en ziel met het levend-lichamelijke; wanneer je bijv. weet dat dit waarmee je te maken hebt op de basisschool, vrijgekomen gevoelskwaliteit is, zoals de vrijgekomen warmte; dit aspect van de ziel werkte eerder aan het lichaam, nu is het vrijgekomen en kunnen we het voeden met wat een kind nu eenmaal in een bepaalde culturele fase moet leren, want we moeten rekening houden met de culturele toestand. 

während dieses Seelenwesen früher am Leibe beschäftigt war, haben wir es jetzt freigeworden, können es erfüllen mit demjenigen, was eben das Kind nach dem betreffenden Kulturzustand irgendeiner Epoche lernen muß, denn der Kulturzustand kommt ja doch in Betracht.
Da stehen wir vor dem Kinde so, daß wir uns sagen: In diesem Momente, wo du das Kind bekomst, da zieht sich etwas geistig-seelisch gewissermaßen heraus aus dem Leiblich-Physischen. Ein Teil der organisierenden Kraft wird geistig-seelisch, hat gewissermaßen noch die Nachformen des physisch-Leiblichen; der ist noch eingewöhnt, in seinem ganzen Bilden das physisch-Leibliche nachzubilden. Du tust dem Kinde nichts Gutes wenn du ihm jetzt etwas ganz Fremdes beibringst, wenn du zum Beispiel ihm jetzt beibringst die Buchstabenformen, die dem Kinde ganz fremd sind, die schon viele Veränderungen durchgemacht haben von der alten gemalten Schrift.
Deshalb führen wir einen künstlerisch aufgefaßten Unterricht von der Waldorfschule ein, lehren das Kind nicht einfach schreiben, sondern

Nu staan we voor het kind en dan moeten we zeggen: op het ogenblik waarop je dit kind in de klas krijgt, komt er op een bepaalde manier iets van de geest en de ziel uit het etherisch-fysieke naar buiten. Een deel van de opbouwende kracht wordt geest, ziel; het neemt nog iets mee van dat vormen van het fysiek-etherische; die kracht draagt het nog met zich mee in alles wat het vormen wil, na wil vormen wat fysiek-etherisch is. Je bewijst het kind helemaal geen dienst wanneer bijv. het nu de lettervormen aan wil leren die voor het kind totaal vreemd zijn, die al aan vele veranderingen onderhevig zijn geweest vanaf het oude getekende schrift. Daarom beginnen wij op de vrijeschool met een kunstzinnige opvatting van onderwijs, we leren het kind niet simpelweg schrijven, maar 

Blz. 78

lehren es zuerst zeichnend Malen, so daß es aus den Formen, wo es den ganzen Menschen in Bewegung bringt, dasjenige herausgestalten muß, was aus dem Zahnwechsel herausgestaltet ist; gewissermaßen in den ganzen Menschen in Gemäßheit seiner Leibesform verlegt wird, wo versucht wird, die Hände, die Finger in solche Bewegung zu bringen, indem sie zeichnen, indem sie malen, daß dasjenige, was in dem Seeli­schen gewebt hat, während das Seelische noch organisierend war, daß das weiter weben kann.

we leren het eerst tekenend schilderen, zodat het uit de vormen die de hele mens in beweging brengen, datgene vorm moeten geven wat vanuit de tandenwisseling gestalte heeft gekregen; in zekere zin krijgt dat een plaats in de totale mens, overeenkomstig zijn lichaamsvorm wanneer daarbij geprobeerd wordt de handen, de vingers die bewegingen te laten uitvoeren wanneer die tekenen, schilderen wat het psychische deed toen dit nog lichamelijk vormend bezig was; dat dit verder kan gaan.
GA 304/76-78
Niet vertaald

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule

Blz. 101/102

Solche Ereignisse, wie der Zahnwechsel um das siebente Jahr herum, werden von der heutigen Wissenschaft nicht in einer Weise, die tief genug ist, gewürdigt. Denn derjenige, der solche Beobachtungsgabe hat, wie sie anthroposophische Geisteswissenschaft in den Menschen heranerzieht, 
sieht, wie sich die seelischen Kräfte des Menschen durchaus umändern, wandeln, wenn der Mensch, das Kind, diesen Zahnwechsel durchmacht. Das Gedächtnis, die kindliche Denkfähigkeit, auch das kindliche Empfindungsvermögen, sie werden in diesen Jahren ganz andere, als sie vorher gewesen sind. Und eigendlich sieht man eine gewisse Konfiguration des Seelenlebens erst mit diesem siebenten Jahre, es ist approximativ natürlich, aus dem Kinde heraussprießen. Wo war denn dasjenige, das da aus dem Kinde heraussprießt, das wir in der Schule eigentlich erst behandeln, wo war das vorher?
Sehen Sie, die Denkweise der heutigen Wissenschaft ist auf dem unorganischen Gebiet durchaus auf einem richtigen Wege. Wenn ich irgendwo einen Körper habe und durch irgendwelchen Vorgang geht Wärme aus diesem Körper hervor, so studiere ich als heutiger Physiker, wie diese Wärme vorher in dem Körper schon enthalten war als latente, als verborgene Wärme, und wie sie durch einen gewissen Vorgang als freie Wärme aus dem Körper herausgetreten ist. Ich werde nicht sagen:

De pedagogische basis van de vrijeschool

Aan de gebeurtenissen zoals de tandenwisseling rond het zevende jaar wordt door de huidige wetenschap niet op een manier waarde toegekend die diep genoeg gaat. Want iemand die zo’n opmerkingsgave heeft zoals de antroposofische geesteswetenschap die bij een mens kan ontwikkelen, ziet hoe de zielenkrachten van de mens zich daadwerkelijk veranderen wanneer de mens, het kind zijn tanden wisselt. Het geheugen, het denkvermogen van het kind, ook het gevoelsvermogen worden in de jaren heel anders dan ze daarvoor waren. En feitelijk zie je pas met dit zevende jaar, bij benadering natuurlijk, een bepaalde vorm van gevoelsleven, van ziel vanuit het kind opbloeien. Waar zat datgene wat nu vanuit het kind opbloeit en waarmee we op school eigenlijk pas gaan werken, waar zat dat voordien? De manier van denken van de huidige wetenschap zit op het gebied van het anorganische zeer zeker op de juiste weg. Wanneer ik ergens een voorwerp heb en door de een of andere handeling komt daar warmte uit, dan bestudeer ik als modern natuurkundige hoe deze warmte al als latente, verborgen warmte in dit voorwerp aanwezig was en hoe dit door een bepaald proces als vrijkomende warmte uit dit voorwerp naar buiten is gekomen. Ik zou dan niet zeggen:

Diese Wärme ist dem Körper irgendwie angeflogen, sondern ich suche die Bedingungen, unter denen sie schon vorher in dem Körper drinnen war. Die Denkrichtung, welche die Wissenschaft in dieser Beziehung schon inauguriert hat, die kann auch übertragen werden auf die kompli­zierteren Verhältnisse, vor allen Dingen auf die menschlichen Lebens­verhältnisse selber.
Derjenige, der im anthroposophischen Sinne studiert, wie Gedächtnis, Denkvermögen, Willensvermögen des Kindes die eigentümliche Konfi­guration im siebenten Jahre annehmen, der kommt nach und nach darauf, daß dieses alles ja auch nicht dem Kinde angeflogen ist, sondern daß es sich aus dem Kinde selbst heraus entwickelt hat. Wo war es denn vorher? Es war in dem kindlichen Organismus. Und dasjenige, was ich dann in der Schule zu behandeln habe, das war vorher als eine latente, als eine verborgene Kraft in dem Inneren des Menschen; es ist frei gewor­den. Es war in dem Inneren des Menschen, so lange der Mensch jene Kraft brauchte, die dann ihren Schlußpunkt findet in dem Hervorstoßen der zweiten Zähne. Sind die zweiten Zähne hervorgestoßen, dann wird dieser Vorgang im Leben des Menschen nicht wiederholt. Dasjenige, was zuerst im Inneren des Menschen organisierend gewirkt hat, was seinen

Deze warmte is op de een of andere manier aan komen waaien, maar ik zou naar de voorwaarden zoeken waaronder die al eerder in het voorwerp zat. De denkrichting die de wetenschap wat dit betreft al geïnaugureerd heeft, kan ook toegepast worden op gecompliceerdere toestanden, vooral op de menselijke levensomstandigheden zelf. Wie in antroposofische zin bestudeert hoe geheugen, denk- en wilsvermogen van het kind in zijn zevende jaar hun specifieke vorm aannemen, komt er stap voor stap op dat dit ook bij het kind niet is komen aanwaaien, maar dat dit vanuit het kind zelf tot ontwikkeling is gekomen. Waar zat dat dan daarvoor? Het zat in het kinderlijke organisme. En waarmee ik dan op school moet werken, zat daarvoor als een latente, als een verborgen kracht in de mens zelf; die is vrij gekomen. Het zat binnen in de mens zolang de mens die kracht nodig had, wat dan tot een einde komt bij het tevoorschijn komen van het vaste gebit. Als die blijvende tanden naar buiten zijn gedrukt, wordt dit proces in het leven van de mens niet herhaald. Wat eerst binnen in de mens vormend werkte, 

Blz. 103

Abschluß gefunden hat mit dem Hervorstoßen der ersten Zähne, das wird frei, so wie aus gewissen Körpern die Wärme frei wird. Das tritt dann als seelisch-geistiges Vermögen, als die Fähigkeiten einem entge­gen, welche man in der Schule erziehend und unterrichtend zu behan­deln hat. Man lernt das Zusammenwirken von Seele und Leib nur kennen, wenn man ins Konkrete eingeht. Philosophisch-spekulativ kann man lange herumdenken: wie verhalten sich Seele und Leib. Man muß im Konkreten anschauen von der Geburt an bis zum siebenten Lebens­jahre, da haben die Kräfte, die ich nachher kennenlerne, nachher als Erziehender und Unterrichtender selber zu gestalten habe, die frei geworden sind, die haben im Organismus drinnen gewirkt, die sind aus dem Organismus hervorgetreten.
Und so ist es durch das ganze menschliche Leben hindurch. Alle Spekulationen, die man heute in Philosophie- oder Psychologiebüchern findet über das Verhältnis von Seele und Leib, die sind nutzlos, wenn nicht ein konkretes Anschauen nach wirklicher wissenschaftlicher Methode zugrunde gelegt wird.

wat tot een afronding is gekomen met het tevoorschijn drukken van de eerste blijvende tanden, komt vrij, zoals bij bepaalde voorwerpen warmte vrijkomt. Dat zie je dan terug als vermogen van de ziel en de geest, als de vermogens waar je op school opvoedend en onderwijzend mee van doen hebt. Je leert de samenwerking van ziel en lichaam alleen maar kennen, wanneer je op de concrete zaken ingaat. Filosofisch-speculatief kan je lang aan het denken blijven: hoe is de verhouding van de ziel met het lichaam. Je moet vanaf de geboorte tot aan het zevende jaar concreet waarnemen; toen hebben de krachten die ik daarna leer kennen, daarna als opvoeder en leerkracht zelf vorm moet geven, die vrij gekomen zijn, binnen in het organisme gewerkt; die zijn vanuit het organisme naar voren gekomen. En zo gaat het het hele mensenleven verder. Alle speculaties die men tegenwoordig in filosofie- of psychologieboeken leest over de relatie tussen lichaam en ziel, zijn nutteloos, wanneer er niet een concreet waarnemen volgens een echte wetenschappelijke methode aan ten grondslag gelegd wordt.

Beobachtet man dann so etwas weiter und weiß: dasjenige, was dir als Lehrer in dem Kinde entgegentritt, das ist dieselbe Kraft, die vorher in dem Organismus gewirkt hat, dann sagt man sich: jetzt muß sie eine andere Form annehmen, diese  Kraft; ich muß sie, indem ich zu unter­richten und zu erziehen habe in dieser anderen Form kennenlernen. Ich muß sie aber auch in ihren Urständen kennenlernen, wie sie vorher im Organismus drinnen gewirkt hat. Nun, darüber ließe sich vieles sagen. Ich will nur darauf aufmerksam machen: diese Kraft, die also in den Tiefen des Organismus drinnen lebenbetätigend wirkt, die ist es, die zunächst das Kind zum Nachahmer macht bis zum siebenten Lebens­jahre, und man muß schon hinschauen auf dieses nachahmende Vermö­gen in dem Kinde, wenn man das Kind vor dem schulpflichtigen Alter richtig verstehen will.

Bekijk je zoiets dan verder en als je weet: wat er jou als leerkracht uit het kind tegemoet komt, is dezelfde kracht die eerder in het organisme actief was, dan zeg je tegen jezelf: nu moet die kracht een andere vorm gaan aannemen, ik moet die, als ik wil lesgeven en opvoeden in deze andere vorm leren kennen zoals die voordien in het organisme werkend was. Daar zou veel over te zeggen zijn. Ik wil er alleen op wijzen: deze kracht die dus in de diepere lagen van het organisme levenwekkend werkzaam is, is dezelfde kracht die het kind tot zijn zevende jaar tot nabootser maakt en je moet dus naar dit nabootsend vermogen in het kind kijken, wanneer je het voordat het naar de basisschool gaat, goed wil begrijpen. 
GA 304/101-103
Niet vertaald

Voordracht 5, Oslo 23 november 1921

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

Blz. 142

Wir sehen das Kind heranwachsen bis zum Zahnwechsel, können dann allerdings, wenn wir unbefangenen Sinn genug haben, sehen, wie gewisse Gaben und Denkfähigkeiten gerade mit dem Zahnwechsel erst sich entwickeln, wie da auch das Gedächtnis die Form annimmt, daß es erst wirkt durch deutlich konfigurierte Begriffe und so weiter. Wir können den inneren Seelenzusammenhang des Kindes in einer ganz anderen Weise sehen nach dem Zahnwechsel als vorher. Was ist denn da mit dem Kinde eigentlich geschehen? 
Wir bemerken, wenn wir das Kind wachsen sehen vom zartesten Alter an bis zum Zahnwechsel hin, wie ein Inneres immer mehr und mehr an die Oberfläche der körperlichen Organisation tritt. Wir können wissen, daß in diesen Jahren ganz besonders die Kopforganisation ihre Ausbildung erfährt.

Opvoedings- en onderwijsmethoden op basis van antroposofie

We zien het kind opgroeien tot aan de tandenwisseling en dan kunnen we als we onbevangen genoeg zijn, zien hoe bepaalde gaven en denkvermogens zich m.n. met de tandenwisseling pas gaan ontwikkelen; hoe het geheugen de vorm krijgt, dat dit dan actief is met duidelijk omlijnde begrippen enz. We kunnen wat de innerlijke samenhang van de ziel van het kind na de tandenwisseling is, op een heel andere manier bekijken dan ervoor. Wat is er toch met het kind gebeurd?
We merken wanneer we het kind zien groeien vanaf de prilste leeftijd tot aan de tandenwisseling, hoe het innerlijk steeds meer naar buiten komt, aan de buitenkant van de lichamelijke organisatie aan het licht treedt. We kunnen weten dat in deze jaren in het bijzonder de hoofdorganisatie zich aan het ontwikkelen is.  

Blz. 144

Und eine letzte Etappe ist dasjenige, was nun am wenigsten nach außen auftritt, was aber dadurch auftritt, daß der Mensch die zweiten Zähne an die Stelle der ersten setzt. Gewisse Kräfte, die bisher in seinem Organismus gespielt haben, die in seiner Organisation gelegen haben, finden ihren Abschluß, denn er bekommt keine weiteren Zähne mehr. Aber dajenige, was sich im Bekommen der zweiten Zähne ausdrückt, das sind die Kräfte, die im ganzen Organismus wirken, die nur in der Zahnbildung eine Art Abschluß haben. Und so wie wir mit dem Gehenlernen den Willen innerlich konstituiert sehen, wie wir innerlich konstituiert sehen das Gefühl mit dem Sprechenlernen, so sehen wir mit dem Zahnwechsel ungefähr um das siebente Lebensjahr hervortreten beim Kinde die nun mehr oder weniger individualisierte, nicht mehr so wie früher an den Gesamtleib gebundene Vorstellungskraft.

Een laatste fase is dat wat nu het minste naar buiten toe zich doet gelden, wat je echter kan zien aan het feit dat de mens zijn blijvende tanden op de plaats van de melktanden krijgt. Bepaalde krachten die tot dan toe aan zijn organisme hebben gewerkt, die in zijn organisme zaten, komen tot een afronding, want je krijgt niet nog een keer nieuwe tanden. Wat tot uitdrukking komt met het verschijnen van de blijvende tanden zijn de krachten die in het hele organisme werkzaam zijn, die alleen met de vorming van tanden een soort afsluiting hebben. En zoals we bij het leren lopen de wil zien die zich innerlijk vormt en hoe bij het leren spreken het gevoel zich vormt, zo zien we bij de tandenwisseling ongeveer rond het zevende jaar dat in het kind nu de min of meer geïndividualiseerde voorstellingen tot ontwikkeling komen die nu niet meer zo als eerder gebonden zijn aan het lichaam als geheel.

Blz. 150

Das erste Herausreißen aus dem Leben findet eben mit dem Zahnwechsel statt, wenn diejenigen Kräfte, die erst unten im Organismus gewirkt haben und die nach dem Erscheinen der zweiten Zähne nicht mehr zu gebrauchen sind, nun als geistig-seelische Kräfte im Kinde auftreten, wenn wir es mit diesen Kräften zu tun haben. Da tritt das Kind in seine zweite Lebensepoche, die mit dem Zahnwechsel beginnt und mit der Geschlechtsreife endet. In dieser Lebensepoche wird sozu­sagen das geistig-seelische Leben frei, wie unter Umständen Wärme, die vorher latent war, frei werden kann. Wir haben vorher das Geistig-Seelische in dem Inneren des Organismus, in dem organischen Gestalten des Organismus zu suchen.

De eerste keer in het leven dat krachten zich op een intense manier losmaken, vindt plaats bij de tandenwisseling, wanneer die krachten die eerst diep in het organisme werkzaam waren, na het verschijnen van de blijvende tanden daar niet meer te gebruiken zijn. Die manifesteren zich nu als krachten van geest en ziel en daarmee krijgen wíj te maken. 
Nu gaat het kind zijn tweede leeftijdsfase in die van de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid loopt. 
In deze leeftijdsfase komt wat geest-zielenleven is, vrij, zoals onder omstandigheden warmte vrij kan komen die daarvoor latent aanwezig was. Eerst huist wat geest en ziel is in het innerlijk van het organisme, we moeten het zoeken in het vormgeven van dit organisme.

Dasjenige, was du vom siebenten bis zum vierzehntenJahre als seelisch-geistiges Leben im Kinde vor dir hast, das warenvorher Kräfte, welche im Organismus unten gewissermaßen latentwaren, verborgen waren, verborgen wirkten. Du mußt dasjenige, was im
Organismus von der Geburt bis zum Zahnwechsel wirkt, später, vomZahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, im Seelisch-Geistigen suchen,dann hast du etwas von dem Verhältnis zwischen Seele und Geist auf der

Wat je in het kind vanaf het zevende tot het veertiende jaar als geest-zielsleven voor je hebt, waren daarvoor krachten die diep latent verborgen waren, verborgen werkzaam waren in het organisme. Wat daar in het organisme vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit werkzaam is, moet je later bij de geest en de ziel zoeken, dan heb je iets in handen van de relatie die er bestaat tussen de ziel en de geest enerzijds 

Blz. 151

einen Seite und dem Körperlich-Leiblichen auf der anderen Seite. Beobachtest du die körperlichen Vorgänge bis zum Zahnwechsel, dann hastdu die Wirkung eines Seelisch-Geistigen; willst du dieses SeelischGeistige an sich beobachten, dann beobachte es vom Zahnwechsel biszur Geschlechtsreife. Also suche nicht so, daß du sagst: Hier ist derKörper, und da drinnen ist die Seele, nun will ich die Wirkung suchen.
Nein, gehe aus dem Räumlichen heraus, gehe in das Zeitliche über, dannwirst du ein reales, ein konkretes Verhältnis zwischen dem GeistSeelischen und dem Physisch-Leiblichen finden können; dann wirst duaber auch fruchtbarere Ideen für das Leben finden können.
Dann wirst du viel lernen – ich kann das jetzt nur prinzipiell andeuten zunächst -, dann wirst du lernen, wie du in einer gewissen Beziehung für diekindliche, physische Gesundheit vor dem Zahnwechsel zu sorgen hast,damit die seelisch-geistige Gesundheit im zweiten Lebensalter, vomZahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, in entsprechender Weise sichoffenbaren kann, so wie die Gesundheit des Magens in der Gesundheitdes Kopfes sich offenbart im zeitlichen Organismus, das heißt imätherischen Leib, im Bildekräfteleib des Menschen. Das ist es, worauf esankommt.

en het lichamelijk-levende anderzijds. Wanneer je naar de lichamelijke processen kijkt tot aan de tandenwisseling, dan zie je de werking van ziel en geest; wil je dit als iets op zichzelf staands bekijken, kijk dan in de tijd vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid. Zoek niet op een manier dat je zegt: hier is het lichaam en daarin zit de ziel en nu wil ik de werking zoeken. Nee, blijf niet in het ruimtelijke, maar richt je op het tijdsverloop, dan kan je een concrete relatie vinden tussen geest-ziel en lichaam-leven; dan zal je ook vruchtbare ideeën voor het leven kunnen vinden.
Dan kan je veel leren – ik kan het nu alleen maar als principe aangeven – en dan zal je leren hoe je op een bepaalde manier voor de lichamelijke gezondheid van het kind vóór de tandenwisseling moet zorgen zodat de gezondheid van geest en ziel in de tweede zevenjaarsfase vanaf de tandenwisseling tot aan de geslachtsrijpheid zich op een adequate manier kan manifesteren, zoals de gezondheid van de maag zich uitdrukt in de gezondheid van het hoofd in het ‘organisme van de tijd’, d.w.z. in het etherlijf, in het vormkrachtenlichaam van de mens. Daar komt het op aan.

Und wenn wir nun studieren wollen, wie das zu behandeln ist – wirkommen ja damit in eine wichtigste Lebensepoche des Kindes, in dasschulpflichtige Alter hinein -, was nun zwischen dem Zahnwechsel undder Geschlechtsreife gewissermaßen aus dem Organismus frei wird, sich
in freier Weise geistig-seelisch zeigt, dann müssen wir sagen, daß das zunächst die Bildekräfte sind, freigewordene Bildekräfte, Bildekräfte, dieplastisch und auch musikalisch gewirkt haben in dem Aufbau desmenschlichen Organismus. Wir müssen sie ebenso behandeln. Wir dürfen sie daher zunächst nicht intellektualistisch behandeln. Das ist dasjenige, was nun als eine Grundforderung anthroposophischer Pädagogikauftritt, daß man zunächst dasjenige, was die ersten Bildekräfte waren alsGeistig-Seelisches, auch wiederum nun nicht intellektualistisch, sondernkünstlerisch behandelt.
Darauf beruht es, daß die Waldorfschul-Pädagogik im weitestenUmfange – wenn ich mich des Ausdrucks bedienen darf – pädagogischeKunst ist, daß sie als Kunst ausgebildet wird, als Kunst der wirklichen

En wanneer we nu willen bestuderen wat we dan moeten doen – we zijn in de belangrijkste levensfase van het kind aangekomen, in de basisschoolleeftijd – met wat nu tussen de tandenwisseling en de puberteit vrij wordt van het organisme, zich op een vrije manier iets van geest en ziel vertoont, dan moeten we zeggen dat het in de eerste plaats vormkrachten zijn, vrij geworden vormkrachten, vormkrachten die plastisch en ook muzikaal meegewerkt hebben aan de opbouw van het menselijk organisme. Daar moeten we ook zo mee werken. Vandaar dat we daar niet zomaar intellectualistisch mee mogen werken. Het is simpelweg een basiseis van de antroposofische pedagogiek dat je in de eerste plaats de vormkrachten die eerst werkzaam waren, nu als geest-zielskrachten niet intellectualistisch, maar kunstzinnig behandelt.
Daarop berust dat de vrijeschoolpedagogie in de ruimste zin van het woord – als ik het zo zeggen mag – pedagogische kunst is, dat die als kunst vorm krijgt, als een kunstzinnig omgaan met 

Blz. 152

Kindesbehandlung. Der Lehrer, der Erzieher muß Künstler sein, denn er
muß ja diejenigen Kräfte, die vorher plastisch in der Ausgestaltung des
Organismus gewirkt haben, die muß er jetzt behandeln; sie stellen die
Anforderung, plastisch behandelt zu werden

het kind. De leraar, de opvoeder moet een kunstenaar zijn, want hij moet nu werken met de krachten die eerst plastisch aan de vorming van het organisme werkten; die vragen erom plastisch te worden behandeld. 
GA304/141-152
Niet vertaald

Voordracht 9, Dornach 16 september 1922

Op deze blog vertaald

Ein Vortrag über Pädagogik

Blz. 219

Man sehe auf das Kind hin. Es entwickelt um das siebente Lebensjahr herum seine zweiten Zähne. Diese Entwicklung ist nicht das Werk bloß des Zeitabschnittes um das siebente Jahr herum. Sie ist ein Geschehen, das mit der Embryonalentwicklung beginnt und im zweiten Zahnen nur den Abschluß findet. Es waren immer schon Kräfte in dem kindli­chen Organismus tätig, welche auf einer gewissen Stufe der Entwick­lung die zweiten Zähne zur Entwicklung bringen. Diese Kräfte offen­baren sich in dieser Art in den folgenden Lebensabschnitten nicht mehr. Weitere Zahnbildungen finden nicht statt. Aber die entsprechenden Kräfte haben sich nicht verloren; sie wirken weiter; sie haben sich bloß umgewandelt. Sie haben eine Metamorphose durchgemacht. Es finden sich noch andere Kräfte im kindlichen Organismus, die in ähnlicher Art eine Metamorphose durchmachen.
Betrachtet man in dieser Art den kindlichen Organismus in seiner Entfaltung, so kommt man darauf, daß die Kräfte, um die es sich da

Een voordracht over pedagogie

Kijk eens naar het kind. Rond zijn zevende komen de blijvende tanden tot ontwikkeling. Dat komt niet enkel door de tijd rondom het zevende jaar. Het is een proces dat in de embryonale ontwikkeling begint en dat bij het krijgen van de blijvende tanden alleen maar tot een afsluiting komt. Er waren steeds al krachten werkzaam in het organisme van het kind die in een bepaalde fase in de ontwikkeling de blijvende tanden tevoorschijn brengen. Deze krachten treden in de volgende levensfasen niet meer op deze manier naar buiten. Nieuwe tandenvorming vindt niet meer plaats. Maar de krachten die erbij horen, zijn niet verloren gegaan; die werken verder; ze zijn alleen anders geworden. Ze hebben een metamorfose doorgemaakt. Er bevinden zich in het organisme van het kind nog andere krachten die ook een metamorfose ondergaan.
Wanneer je op deze manier naar de ontplooiing van het kinderlijk wezen kijkt, kom je op de gedachte dat de krachten waarom het gaat

Blz. 220

handelt, vor dem Zahnwechsel in dem physischen Organismus tätig sind. Sie sind untergetaucht in die Ernährungs- und Wachstumsprozesse. Sie leben in ungetrennter Einheit mit dem Körperlichen. Um das sie­bente Lebensjahr herum machen sie sich von dem Körper unabhängig. Sie leben als seelische Kräfte weiter. Wir finden sie in dem älteren Kinde tätig im Fühlen, im Denken.
Die Anthroposophie zeigt, wie dem physischen Organismus des Menschen ein ätherischer eingegliedert ist. Dieser ätherische Organis­mus ist bis zum siebenten Lebensjahre in seiner ganzen Ausdehnung im physischen Organismus tätig. In diesem Lebensabschnitte wird ein Teil des ätherischen Organismus frei von der unmittelbaren Betätigung am physischen Organismus. Er erlangt eine gewisse Selbständigkeit. Mit dieser wird er auch ein selbständiger, von dem physischen Organismus relativ unabhängiger Träger des seelischen Lebens.
Da sich aber das seelische Erleben nur mit Hilfe dieses ätherischen Organismus im Erdendasein entfalten kann, so steckt das Seelische vor dem siebenten Lebensjahre ganz in dem Körperlichen darinnen. Soll in diesem Lebensalter Seelisches wirksam werden, so muß die Wirksamkeit körperlich sich offenbaren.

vóór de tandenwisseling aan het fysieke organisme werkzaam zijn geweest. Ze zijn ondergedoken in de processen van groei- en instandhouding. Die zijn niet zelfstandig, maar vormen een eenheid met het lichaam. Rondom het 7e jaar worden ze onafhankelijk van het lichaam. Ze leven als zielenkrachten verder. We vinden ze in het oudere kind terug in voelen en denken. De antroposofie toont aan hoe het fysieke organisme van de mens in zich een etherische component heeft. Dit etherorganisme is tot rond het 7e jaar als totaliteit in het fysieke actief. In deze leeftijdsfase wordt een deel van het etherische leven vrij van het directe werken aan het fysieke organisme. Het krijgt een zekere zelfstandigheid. Hiermee wordt het een meer op zichzelf staande, van het fysieke lichaam in een bepaald opzicht onafhankelijke drager van het gevoelsleven.
Echter, omdat het zielenleven alleen maar met behulp van het etherwezen zich in het leven kan ontplooien, bevindt zich het gevoelsleven vóór het 7e jaar helemaal in het lichamelijke.
Als het gevoelsleven zich op deze leeftijd wil manifesteren komt dit in het lichamelijke tot uitdrukking.

Das Kind kann nur mit der Außenwelt in ein Verhältnis kommen, wenn dieses Verhältnis einen Reiz darstellt, der körperlich sich ausleben kann. Das ist nur dann der Fall, wenn das Kind nachahmt. Vor dem Zahnwechsel ist das Kind ein rein nachahmendes Wesen im umfassendsten Sinne. Seine Erziehung kann nur darinnen bestehen, daß die Menschen seiner Umgebung ihm das vormachen, was es nachahmen soll.
Der Erzieher soll in sich selbst erleben, wie der menschliche physische Organismus ist, wenn dieser noch seinen ganzen ätherischen Organis­mus in sich hat. Das gibt die Menschenkenntnis des Kindes. Mit dem abstrakten Prinzip allein ist nichts anzufangen. Für die Erziehungspraxis ist notwendig, daß eine anthroposophische Erziehungskunst im einzel­nen entwickelt, wie sich der Mensch als Kind offenbart.
Zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife steckt nun im physischen und im ätherischen Organismus ein seelischer Organismus darinnen – der von der Anthroposophie astralisch genannte – wie bis zum Zähnwechsel der ätherische im physischen.

Het kind kan alleen met de buitenwereld in relatie treden, wanneer deze relatie uit een prikkel bestaat die lichamelijk tot uitdrukking kan komen. Dat is alleen dan het geval, wanneer het kan nabootsen. Vóór de tandenwisseling is het kind louter een nabootsend wezen, in de meest omvattende zin. Zijn opvoeding kan er alleen maar uit bestaan dat zijn omgeving hem voordoet, wat hij moet nadoen.
De opvoeder moet bij zichzelf beleven hoe het menselijk fysieke organisme is, wanneer dat nog een vol etherisch leven in zich draagt. Dat levert de menskunde van het kind op.
Met het abstracte principe valt niets te beginnen. Voor de praktijk van het opvoeden is het nodig, dat een antroposofische opvoedkunst gedetailleerd ontwikkelt, hoe de mens zich als kind uit.
Tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid zit er in het fysieke en het etherische organisme een gevoelsorganisme – dat door de antroposofie astraallijf wordt genoemd – zoals tot de tandenwisseling het etherische in het lichamelijke.
GA 304/219-221
Op deze blog vertaald/219-221

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2375-2226

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/2)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van de sprookjes.
De beeldentaal.
Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boekDie Bildsprache der Märchen‘.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJE

SNEEUWWITJE

Grimm nr. 53

Het was hartje winter; de sneeuwvlokken dwarrelden als veertjes uit de hemel naar beneden en een koningin zat te naaien bij een venster dat door zwart ebbenhout omlijst was. En toen zij zo zat te naaien en opkeek naar de sneeuw, prikte zij zich met de naald in haar vinger en er vielen drie druppels bloed in de sneeuw. En omdat het rood zo mooi kleurde in de witte sneeuw, dacht zij bij zichzelf: Had ik maar een kindje zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als het hout van het raamkozijn. Spoedig daarop kreeg zij een dochtertje, dat zo wit was als sneeuw, zo rood als bloed en haar haren waren zo zwart als ebbenhout en daarom werd zij Sneeuwwitje genoemd. En toen het kind geboren was, stierf de koningin.

Het sprookje van Sneeuwwitte begint op de plaats waar het sprookje van Doornroosje ophoudt als deze zich prikt.
Opnieuw verlangt de mensenziel (de koningin) ernaar dat er een verandering van het bewustzijn plaatsvindt. Het kindje dat ze graag wil, moet deze keer een kind zijn ‘zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout’. Dit motief duikt op de drie belangrijke plaatsen in het sprookje op.
Waar zit het in de mens als het beeld gegeven wordt: ‘zo wit als sneeuw’.?
Sneeuw dat sterretjes en kristallen vormt, valt uit de hemel naar beneden. Het beeld wijst op het ‘kristalheldere’ denken. En wordt er met ‘zo rood als bloed’ niet gewezen op de omgeving van het hart? Een derde gebied in de mens waarmee deze zich a.h.w. wegcijfert in overgave en offerkracht, in onzelfzuchtige arbeid op aarde, dat vorm moet krijgen zoals het sterke houten kozijn van het raam is; dat moet sterk zijn. De haren van het kindje zijn zwart als ebbenhout. Bij zwartharig moeten we denken aan het feit dat zwartharige mensen meer ijzer in hun bloed hebben, zodat we hier de ‘ijzeren’ wil als het derde element hebben.

Een jaar later nam de koning een andere gemalin. Het was een mooie vrouw, maar zij was trots en verwaand en kon het niet verdragen dat zij door iemand in schoonheid overtroffen zou worden. Zij had een wonderbaarlijke spiegel; als zij daarvoor ging staan en zich erin bekeek, sprak zij:

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

dan antwoordde de spiegel:

‘O koningin, gij zijt de schoonste in het land.’

Dan was zij tevreden, want zij wist dat de spiegel de waarheid sprak.

Sneeuwwitje echter groeide op en werd steeds mooier en toen zij zeven jaar oud was, was zij zo mooi als een heldere dag en mooier dan de koningin zelve. Toen deze op een keer haar spiegel vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

antwoordde deze:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje is duizendmaal schoner dan gij.’

Toen schrok de koningin en werd groen en geel van afgunst. Vanaf dat ogenblik haatte zij het meisje zo, dat haar hart zich in haar lijf omdraaide als zij Sneeuwwitje zag. En de afgunst en hoogmoed woekerden als onkruid in haar hart, waardoor zij geen dag en geen nacht meer rust had. Toen riep zij een jager bij zich en sprak: ‘Breng het kind naar het bos, ik wil het niet meer onder mijn ogen hebben. Je moet het doden en als bewijs de longen en de lever voor mij meebrengen.’ De jager gehoorzaamde en bracht Sneeuwwitje naar buiten en toen hij zijn jachtmes getrokken had en het onschuldige hart van Sneeuwwitje wilde doorsteken, begon zij te schreien en sprak: ‘Ach, beste jager, laat mij toch leven, ik zal het wilde woud inlopen en nooit meer thuis komen.’ En omdat zij zo mooi was, had de jager medelijden en sprak: ‘Loop dan maar vlug weg, arm kind.’ – De wilde dieren zullen je wel gauw verslonden hebben, dacht hij en toch was het een pak van zijn hart dat hij haar niet hoefde te doden. En toen er juist op dat ogenblik een jong wild zwijn langs hem heensprong, stak hij het neer, haalde de longen en de lever eruit en bracht deze als bewijs voor de koningin mee. De kok moest ze met zout koken en de boosaardige vrouw at ze op en dacht dat zij de longen en de lever van Sneeuwwitje gegeten had.

De 13e fee in het sprookje van Doornroosje was dan wel de boze fee, maar zíj bracht de mensenziel verder. Iets dergelijks gebeurt met de boze stiefmoeder die Sneeuwwitje uit het koninkrijk waar de geest thuis is, verdrijft naar het leven op aarde, in het eigen lijf (het dwergenhuis).
Ieder mens weet van zijn eigen boze kant die egoïstisch en jaloers kan zijn.
De stiefmoeder kent de grote spiegel, het wereldoog, dat alles waarneemt. Het weerspiegelt alles voor ons en spreekt er de waarheid over. ‘Iemand een spiegel voorhouden’,  luidt het gezegde. Natuurlijk kun je ook aan ‘zelfbespiegeling’ doen. Vóór de geboorte, na de dood en iedere nacht staat de mens voor zo’n spiegel.
In het sprookje van Sneeuwwitje gaat het steeds om de schoonheid: ‘Wie is de schoonste in het hele land?’ Deze vraag wordt zeven keer herhaald. Wanneer de dwergen Sneeuwwitje slapend in bed aantreffen, roepen ze: O, mijn God, wat is dat een mooi kind!’

Sneeuwwitje is zeven jaar. In deze zeven jaar wordt het geërfde lichaam  door de levenskrachten veranderd in het eigen lichaam. (Na dit proces komen de vormkrachten vrij en kunnen voor het schoolse leren worden gebruikt – zie op deze blog ‘Rudolf Steiner over ontwikkelingsfase 7 – 14 jaar)
Een dergelijke ontwikkeling heeft zich ook voorgedaan in de geschiedenis van de mensheid, zij het in andere tijdsverhoudingen. De vrij gekomen vormkrachten – nog puur en onschuldig – zijn ‘het schoonste in heel het land’. De mens heeft deze groei- en vormkrachten gemeen met het plantenrijk. Daar komt de onbewuste schoonheid het mooist te voorschijn. Het sprookje van Sneeuwwitje schetst hoe deze kracht door het lot van de aarde op een drievoudige manier ‘vergiftigd’ wordt. 
Wie kinderen in hun ontwikkeling begeleidt van hun zevende tot hun veertiende jaar, kan zonder omwegen zien hoe na elkaar het voelen egoïstischer wordt, het denken rationeler. het willen doffer wordt door de aardse drijfveren – zoals bij de ontwikkeling van de mens op aarde.

Doornroosje, Sneeuwwitje en Roodkapje vormen als fundamentele sprookjes een trilogie die alle drie over het lot, het incarneren van het mensenwezen vanuit een geestelijke wereld in het aardse bestaan, berichten.
Doornroosje blijft binnen de werking van de spintol, in het torenkamertje van het slot; Sneeuwwitje woont op aarde in een huis, maar ‘zusterlijk’ verbonden met de wezens van de innerlijke ruimte van de natuur, hier dwergen genoemd. Pas Roodkapje komt vanuit het schemerdonker van het bos naar de lichte weide in het zonlicht van het waakbewustzijn en leeft, door de ‘wolf’ verleid, helemaal in de wereld van de kleurige zintuigindrukken. Bij het sprookje van Sneeuwwitje – de middelste van de drie – gaat het om de omgeving die tussen ‘zo wit als sneeuw’ en ‘zo zwart als ebbenhout’ ligt. 
Het lot van de mensenziel was de weg te gaan van het schouwende bewustzijn van de wereldmachten die twaalfvoudig in de dierenriem verblijven, langs de weg van de zeven planeten tot aan Roodkapje dat sterk op de aarde gericht leeft. 
Alle drie de sprookjes verhalen over het duisterder worden van de kennis, ons sprookje zou anders geen ‘Sneeuwwitje’ heten.
De slaap in het torenkamertje, de glazen kist op de berg, de donkere buik van de wolf laten ons in beelden zien dat deze weg een voortgaande verduistering inhoudt.

Nu was het arme kind moederziel alleen in het grote bos. En zij werd zo bang dat ze naar alle blaadjes van de bomen keek en zich geen raad wist. Toen begon ze te hollen en rende over scherpe stenen en door de doornen en de wilde dieren sprongen langs haar heen, maar deden haar geen kwaad.

Het is moeilijk het aardse lichaam, het dwergenhuis, te vinden en ernaar binnen te gaan. Scherpe stenen en doornen doen de pijn vermoeden. De mensenziel is bang en in ieder kind leeft nog deze angst. Het bos, het rijk van de groeiende levenskracht, is op deze leeftijd nog onschuldig. Daar wonen wel de wilde dieren, maar die doen het zevenjarige kind niets.

Zij holde zolang haar voeten haar maar konden dragen en toen de avond al begon te vallen, zag zij een klein huisje en ging naar binnen om uit te rusten. In het huisje was alles klein, maar zo sierlijk en proper, dat het niet is na te vertellen! Er stond een tafeltje, gedekt met een wit tafellaken en zeven kleine bordjes; bij ieder bordje een lepeltje en verder zeven mesjes en vorkjes en zeven bekertjes. Tegen de muur stonden naast elkaar zeven bedjes met sneeuwwitte lakentjes. Omdat Sneeuwwitje zo’n honger en zo’n dorst had, at zij van ieder bordje een beetje groente en een stukje brood en dronk uit ieder bekertje een druppel wijn, want zij wilde niet van één alles wegnemen. En daarna ging zij, omdat zij zo moe was, in een bedje liggen, maar geen enkel bedje paste, het ene was te lang, het andere te kort, totdat eindelijk het zevende net goed was en daarin bleef zij liggen, zei haar avondgebedje en sliep in.

Toen het helemaal donker was geworden, kwamen de bewoners van het huisje; dat waren de zeven dwergen, die in de bergen hakten en groeven om erts te vinden. Zij staken hun zeven lichtjes aan en toen het nu licht werd in het huisje, zagen zij dat er iemand binnen was geweest, want alles stond niet meer zo netjes op zijn plaats als toen zij van huis waren gegaan. De eerste sprak: ‘Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten?’ De tweede: ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ De derde: ‘Wie heeft er een stukje van mijn broodje genomen?’ De vierde: ‘Wie heeft er van mijn groente gegeten?’ De vijfde: ‘Wie heeft er met mijn vorkje geprikt?’ De zesde: ‘Wie heeft er met mijn mesje gesneden?’ De zevende: ‘Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?’ Toen keek de eerste om zich heen en zag dat er een kuiltje in zijn bed was en sprak: ‘Wie is er in mijn bedje gekropen?’ De anderen kwamen aanlopen en riepen: ‘In mijn bedje heeft ook iemand gelegen.’ Maar toen de zevende in zijn bedje keek, zag hij daar het slapende Sneeuwwitje liggen. Nu riep hij de anderen, die aan kwamen hollen en een kreet van verbazing slaakten. Zij haalden hun zeven lichtjes en lieten die op Sneeuwwitje schijnen. ‘O, mijn God! O, mijn God!’ riepen zij, ‘wat is dat een mooi kind!’ en zij waren zo verheugd, dat zij haar niet wakker maakten, maar haar in het bedje lieten doorslapen. De zevende dwerg echter sliep bij zijn makkers, bij ieder van hen één uur en toen was de nacht om.

Bij Doornroosje ging het om twaalf feeën en twaalf borden. Sneeuwwitje is het sprookje van het getal zeven. (Bij Roodkapje echter, het aardekind, is er geen getal meer).
Het zijn niet alleen zeven dwergen, maar ook zeven voorwerpen, messen, lepels, enz. – en tel maar na – zeven vragen die de dwergen stellen als ze thuiskomen, zeven opdrachten die ze dan aan Sneeuwwitje voor het huishouden geven en zeven keer wordt de vraag gesteld naar de mooiste. Twaalf is het getal van de ruimte (denk aan de dierenriem); zeven echter is het getal van de tijd.
Er wordt meegedeeld en het loont de moeite daarover na te denken, dat de dwergen ’s nachts thuis zijn, maar overdag in de bergen werken. ’s Nachts is de ziel van de mens juist ‘buiten zijn huisje’ (in de slaap is de ziel buiten het lichaam), overdag ermee verbonden. Bij de dwergen is dat andersom. Dat zijn geen mensen. Eén ding is zeker: in het vervolg van het sprookje komt naar voren dat de dwergen leven van wat Sneeuwwitje als voedsel voor hen maakt. Daarmee wordt op vele verborgen dingen gewezen tussen wat zichtbaar en onzichtbaar in het mensenlichaam werkt. De elementairwezens leven van wat de mens overdag in zijn ‘huisje’ doet. 

Sneeuwwitje past in het zevende bedje. Wat is dat voor bijzonder bed? 
Het zevende geitje, het jongste, glipt in de klok die zo regelmatig tikt als een mensenhart klopt. Wie over het zevende bedje wil nadenken, vindt misschien een antwoord in de richting van wat de zevende dwerg vraagt: ‘Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken?’

Rudolf Steiner beschrijft hoe de elementairwezens in staat zijn de mens waar te nemen aan zijn individuele fysionomie en gebaren. Hij schetst dat fysionomie en gebaren van de mens naar het meer innerlijke van de natuur overgaan en in het bijzonder door gnomen en undinen worden waargenomen. Omdat het kind met zijn aanvankelijk nog geërfde lichaam tot aan het zevende jaar nog geen individuele gebaren en fysionomie heeft, kunnen de dwergen dat ook niet waarnemen. Dan echter verschijnt het kind wel in een bepaalde volmaakte vorm: ‘O, wat is dat een mooi kind’, roepen ze. Het mensenkind is voor hen een raadsel en ze zijn de mens die hun over de kleine kinderen vertellen kan, zo dankbaar. Op hun beurt vertellen ze sprookjes als tegengeschenk.

In het huis van de dwergen is ‘alles klein, maar zo sierlijk en proper, dat het niet is na te vertellen!’ Zo werd er over het aardse lichaam van de mens gesproken, omdat nog gevoeld werd dat het een kleine afspiegeling is van de grote hemelwereld.

Sneeuwwitje is zeven jaar als ze in het dwergenhuis komt. Ook hier is de vergelijking interessant: Doornroosje heeft zich op haar vijftiende aan de spoel geprikt, Roodkapje is simpelweg een klein, zoet ‘wichtje’.  

Toen de morgen aanbrak, werd Sneeuwwitje wakker en zij schrok toen zij de zeven dwergen zag. Maar zij waren vriendelijk en vroegen: ‘Hoe heet je?’ – ‘Ik heet Sneeuwwitje,’ antwoordde zij. ‘Hoe ben je in ons huis gekomen?’ vroegen de dwergen verder. Toen vertelde zij hun dat haar stiefmoeder haar had willen laten doden, maar de jager had haar leven gespaard en toen had zij de hele dag gelopen totdat zij eindelijk hun huisje had gevonden. De dwergen zeiden: ‘Als je ons huishouden wilt doen, koken, bedden opmaken, wassen, naaien en breien en als je alles netjes en schoon wilt houden, dan kan je bij ons blijven en zal het je aan niets ontbreken.’ – ‘Ja,’ zei Sneeuwwitje, ‘van ganser harte,’ en zij bleef bij hen.

Het had natuurlijk ook een ander antwoord kunnen zijn, maar het luidde: ‘van ganser harte’.

Zij hield voor hen hun huisje in orde: ’s morgens trokken zij de bergen in en zochten naar erts en goud, ’s avonds keerden zij terug en dan moest hun eten klaar staan. Overdag was het meisje alleen en daarom waarschuwden de goede dwergjes haar en spraken: ‘Pas op voor je stiefmoeder, die zal spoedig weten dat je hier bent; laat vooral niemand binnen.’

De koningin echter dacht niet anders dan dat zij weer de eerste en allermooiste was, omdat zij geloofde dat zij de longen en lever van Sneeuwwitje had gegeten. Zij ging voor haar spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde de spiegel:

‘O, koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje over de bergen,
bij de zeven dwergen,
is duizendmaal schoner dan gij.’

Toen schrok zij, want zij wist dat de spiegel nooit onwaarheid sprak, en zij begreep dat de jager haar bedrogen had en dat Sneeuwwitje nog in leven was. En toen peinsde en peinsde zij opnieuw hoe zij haar zou doden, want zolang zij niet de schoonste van het hele land was, liet haar afgunst haar niet met rust. En toen zij eindelijk iets bedacht had, verfde zij haar gezicht, kleedde zich als een oude koopvrouw en was onherkenbaar. In deze gedaante trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: ‘Mooie waar te koop! mooie waar te koop!’ Sneeuwwitje keek uit het raam en riep: ‘Dag beste vrouw, wat hebt u te koop?’ -‘Goede waar, mooie waar,’ antwoordde zij, ‘rijgkoorden in alle kleuren’ en zij haalde er eentje te voorschijn, dat van bonte zijde gedraaid was. Deze eerlijke vrouw kan ik wel binnen laten, dacht Sneeuwwitje, schoof de grendel van de deur en kocht het mooie koord. ‘Maar kind,’ zei de oude vrouw, ‘wat zie je eruit! kom, ik zal je eens behoorlijk dichtrijgen.’ Sneeuwwitje vermoedde geen kwaad, ging voor haar staan en liet haar keurslijfje met het nieuwe koord dichtrijgen. Maar de oude vrouw reeg snel en trok toen zo stevig aan, dat Sneeuwwitje geen adem meer kon krijgen en als dood neerviel. ‘Nu ben jij de mooiste geweest,’ sprak de oude en liep snel naar buiten.

Niet lang daarna, tegen het vallen van de avond, kwamen de zeven dwergen thuis, maar wat schrokken zij, toen zij hun lieve Sneeuwwitje op de grond zagen liggen; zij bewoog zich niet, net alsof zij dood was. Zij tilden haar op en omdat zij zagen dat zij te strak geregen was, sneden zij het koord door en daar begon Sneeuwwitje zachtjes te ademen en zij kwam geleidelijk weer tot leven. Toen de dwergen hoorden wat er gebeurd was, spraken zij: ‘Die oude koopvrouw was niemand anders dan de goddeloze koningin: pas goed op en laat geen mens binnen, als wij niet bij je zijn.’

Door zeven hoge bergen gescheiden, in verschillende werelden, leven Sneeuwwitje en de stiefmoeder. Deze verkleedt zich en de mensenziel herkent haar niet, ‘omdat ze ‘onherkenbaar is’.
De dertiende fee in Doornroosje, later de oude spinster in het torenkamertje, wachtte tot de mensenziel naar de hoge toren kwam en zich daar aan de spintol prikte, waardoor een deel van haar krachten in slaap verzonk. 
In de geschiedenis van de mensheid duurde het duizenden jaren, tot het lichaam zo ver tot verharding was gekomen, dat de mensenziel die zich daarvoor nog veel sterker in de kosmos kon beleven, ‘naar het ‘torenkamertje klom’ en daarin opgesloten kon worden. En dan begint m.n. bij deze laatste fase waarbij de mensenziel in het lichaam binnentrok, het inslapen voor het weten van het grootse van het koninklijke thuis. In het sprookje van Sneeuwwitje moeten de machten die willen tegenwerken al naar sterkere middelen grijpen.
Nu gaat de boze stiefmoeder, als een koopvrouw verkleed, over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Drie keer verkleedt de koningin zich, eerst als koopvrouw, dan als ‘een andere oude vrouw’ en ten slotte als boerin. De koopvrouw laat aan Sneeuwwitje de schone schijn, het bontgekleurde, rijgsnoer zien dat glanst als zijde. Muziek en kleur, vooral eigenlijk het mooie waarvan dit sprookje steeds uitgaat, worden weliswaar door oog en oor, maar vooral door het fijnste golven van de ademhaling opgenomen. Daar leeft ook de illusie, het in de war zijn, de verleiding waaraan de mens zo makkelijk ten prooi valt. Door te ademen is de mens met de hele wereld verbonden. De eerste boze daad van de koningin moest het afsnoeren van de mensenziel zijn, het afzonderen van het gevoel van de ruime wereld, verengend tot een eigen-zijn. Juist in het sprookje van Sneeuwwitje dat bijzonder leeft in de sfeer van ‘zo rood als bloed’, kan het niet anders dan dat de boze stiefmoeder haar daden begint in dit midden. Ze beneemt het kind de adem. 

Nu kunnen de dwergen nog helpen, want de stiefmoeder heeft meer een deel van de mensenziel aangevallen.

De boze vrouw echter ging, toen zij thuis gekomen was, voor de spiegel staan en vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde die net als altijd:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar Sneeuwwitje over de bergen,
bij de zeven dwergen, is nog duizendmaal schoner dan gij.’

Toen zij dat hoorde schrok zij zó, dat al het bloed naar haar hart stroomde, want zij begreep wel dat Sneeuwwitje weer tot leven gekomen was. ‘Maar nu,’ sprak zij, ‘zal ik iets verzinnen watje zeker in het verderf zal storten’ en zij maakte met heksenkunsten, die zij kende, een vergiftigde kam. Daarna verkleedde zij zich en nam de gedaante aan van een andere oude vrouw. Zo trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen, klopte aan de deur en riep: ‘Goede waar te koop! goede /waar te koop!’ Sneeuwwitje keek naar buiten en sprak: ‘Loop maar door, ik mag niemand binnen laten’ – ‘Maar je mag toch wel kijken.’, zei de oude vrouw, haalde de vergiftigde kam te voorschijn en hield hem omhoog. Het kind vond deze toen zo mooi, dat zij zich liet verleiden en de deur open deed. Toen zij het eens waren over de koop, zei de oude vrouw: ‘Nu zal ik je eens behoorlijk kammen.!’ Het arme Sneeuwwitje dacht aan geen kwaad en liet de vrouw haar gang gaan, maar nauwelijks had zij de kam in haar haren gestoken of het gif begon te werken en het meisje viel bewusteloos neer. ‘Jij toonbeeld van schoonheid,’ sprak de boosaardige vrouw, ‘nu is het met je gedaan,’ en zij ging weg. Gelukkig echter werd het spoedig avond en kwamen de zeven dwergjes thuis. Toen zij Sneeuwwitje op de grond zagen liggen, verdachten zij onmiddellijk de stiefmoeder hiervan, begonnen te zoeken en vonden de vergiftigde kam. Nauwelijks hadden ze deze eruit getrokken of Sneeuwwitje kwam weer bij bewustzijn en vertelde wat er gebeurd was. Toen waarschuwden zij haar nog eens om op haar hoede te zijn en voor niemand de deur te openen. 

De giftige kam doet denken aan de spintol, zoals die van Doornroosje. Wie met de giftige kam gekamd is, kan niet meer het denken hebben dat ‘zo wit is als sneeuw’ en is niet meer in staat de onzichtbare natuurwezens waar te nemen. Bij de zeven antwoorden van de spiegel zitten er twee die wonderlijk zijn: ‘Koningin, gij zijt de schoonste hier.’ Hoe kan het, zou je kunnen vragen, dat een tegenmacht door de spiegel van de waarheid de schoonste van het land genoemd wordt, terwijl dat in waarheid toch de mensenziel Sneeuwwitje is. Klinkt hier niet doorheen dat de mensenziel op haar onvermijdelijke afdalende en voortgaande weg, op weg is naar de vrijheid en zelfstandigheid? Weliswaar staat er steeds: Gij zijt de schoonste hier ‘, namelijk in het zintuiglijke leven, terwijl Sneeuwwitje in een ander rijk schoon is. In het sprookje van Doornroosje werd verteld dat de boze macht met de stralend mooie, verleidelijke Lucifer te maken heeft. En alleen op deze twee plaatsen, vóór de mensenziel de weg van het levenslot begint en nadat de hele afdaling voltooid is, zegt de spiegel tot haar: ‘Koningin, gij zijt de schoonste hier.’
Maar ook na de vergiftiging door de giftige kam kunnen de dwergen nog een keer helpen. De vraag van de koningin aan de spiegel wordt na deze gebeurtenis met de kam voor de derde keer herhaald. 

De koningin ging thuis voor de spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

Toen antwoordde deze net als voorheen:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij, maar Sneeuwwitje over de bergen, bij de zeven dwergen, is nog duizendmaal schoner dan gij.’

Toen zij de spiegel dit hoorde zeggen, trilde en beefde zij van woede. ‘Sneeuwwitje moet sterven,’ riep zij uit, ‘al kost het mij mijn eigen leven.’ Daarop trok zij zich terug in een heel verborgen, eenzaam kamertje, waar niemand ooit kwam en maakte daar een zwaar vergiftigde appel. Van buiten zag hij er mooi uit, wit met rode wangen, zodat ieder die hem zag er trek in kreeg; maar wie er één stukje van at moest sterven. Toen de appel klaar was, verfde zij haar gezicht en verkleedde zich als een boerenvrouw! en zo trok zij over de zeven bergen naar de zeven dwergen. Zij klopte aan en Sneeuwwitje stak haar hoofd uit het raam en sprak: ‘Ik mag geen mens binnenlaten, de zeven dwergen hebben het mij verboden.’ – ‘Mij best,’ antwoordde de boerin, ‘mijn appels raak ik toch wel kwijt; Hier, eentje zal ik je schenken.’ – ‘Nee,’ sprak Sneeuwwitje, ‘ik mag niets aannemen.’ – ‘Ben je bang voor vergif?’ vroeg de oude vrouw, ‘kijk, ik snijd de appel in twee helften, het rode wangetje eet jij en ik zal het witte eten.’ Maar de appel was zo kunstig gemaakt, dat alleen de rode wang vergiftigd was. Sneeuwwitje kreeg erge trek in die mooie appel en toen zij zag dat de boerin ervan at, kon zij de verleiding niet langer weerstaan, stak haar hand naar buiten en nam de vergiftigde helft aan. Maar nauwelijks had zij er een stukje van in haar mond, of zij viel dood ter aarde. De koningin bekeek haar met huiveringwekkende blikken, begon luid te lachen en sprak: ‘Wit als sneeuw, rood als bloed, zwart als ebbenhout! Ditmaal kunnen de dwergen je niet meer tot leven wekken.’ En toen zij thuis aan de spiegel vroeg:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

antwoordde deze eindelijk:

‘O koningin, gij zijt de schoonste in het hele land.’

Nu had haar jaloerse hart rust, voor zover een jaloers hart rust kan hebben.

Op deze plaats klinken voor de tweede keer, nu uit de mond van de stiefmoeder, de woorden over het oerbeeld van het mensenwezen: ‘Zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout.’
Het sprookje verhaalt van drie grote afsnoeringen van het mensenwezen van het kosmische bewustzijn, tot het geheel aards is en daarmee dood voor alle wezens van geestelijke aard en dat laat de weg zien die de mensheid door duizenden jaren gegaan is en die in het individuele leven van de mens nu plaatsvindt in de tijd tussen het zevende jaar van Sneeuwwitje tot aan de vijftiende verjaardag van Doornroosje. Het wereldomvattende voelen, heeft de mens vroegtijdig verloren; later werden ook de denk- en hoofdkrachten ‘vergiftigd’. En is het niet zo alsof het eten van de giftige appel tegenwoordig, nu de helft van het voedsel met gif zit, helemaal in vervulling laat gaan  wat het profetische beeld van dit sprookje aangeeft? In de voedingsmiddelen zijn krachten werkzaam die de mensenziel van de eigen zielenkracht vervreemdt, die zo zouden kunnen doorwerken dat het menszijn  voor altijd van het geestelijke thuisland vervreemdt. Er vindt nog een intensivering plaats: bij Doornroosje wordt over ‘inslapen’ gesproken, bij Sneeuwwitje over ‘vergiftigen’, over ‘verslinden’ door de wolf in het sprookje van Roodkapje.
De ‘sprookjesdichter’ heeft geen beeld zomaar gekozen. En hier bij de vergiftiging door het gif van de vrucht kan alleen maar de appel die gebeurtenis voorstellen. Het is een sappige vrucht. Bijna alle planten naast de roosachtigen waartoe de appel behoort, hebben droge vruchten waarbij het vruchtbeginsel door licht en warmte groter wordt, rijp en tegelijkertijd droger. Bij de planten met sappige vruchten gebeurt iets wonderbaarlijks, unieks. Het vruchtbeginsel, door licht en warmte ontstaan, zakt in de bloembodem in de stengel, d.w.z. in de sfeer waar van onder naar boven in de plant water en wat de aarde biedt werkzaam zijn. (Dit wordt in de plantkunde het ‘onderstandig’ vruchtbeginsel genoemd en de vrucht een schijnvrucht.) 
De appel heeft als representant van de sappige vruchten, naast een aandeel in licht en warmte dat alle vruchten hebben, ook een aards aandeel. 
Aangezien het bij de verleiding in het Paradijs om een weg gaat naar het aardse, kon als beeld alleen deze vrucht genomen worden. 
Wie een appel beetpakt, voelt dat hij iets hemels en iets aards tegelijk in zijn hand heeft.
Deze samenhang werd in oudere tijden, toen die voor de meeste mensen nog nauwelijks bewust was, altijd gevoeld.
Nu kunnen de dwergen niet meer helpen. Want aan Sneeuwwitje is niets meer heel gebleven van wat zich drievoudig openbaarde: zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, zo zwart als ebbenhout.’

Toen de dwergjes ’s avonds thuis kwamen, vonden zij Sneeuwwitje op de grond liggen en er kwam geen adem meer uit haar mond, en zij was dood. Zij tilden haar op, zochten of zij iets vergiftigs konden vinden, maakten haar keurslijfje los, kamden haar haren, wasten haar met water en wijn, maar het hielp allemaal niets, het lieve kind was dood en bleef dood. Zij legden haar op een baar en gingen er alle zeven omheen zitten en
beweenden haar en zij weenden drie dagen lang. Toen wilden zij haar begraven, maar zij zag er nog zo fris uit als een levend wezen en zij had nog haar mooie rode wangen. Zij spraken: ‘Zo kunnen we haar niet in de zwarte aarde neerlaten,’ en zij lieten een doorzichtige doodkist van glas maken, zodat men haar van alle kanten kon zien, legden haar daarin en schreven met gouden letters haar naam erop en dat zij een koningsdochter was. Toen zetten zij de kist buiten op de berg en steeds bleef er een van hen de wacht bij houden. En ook de dieren kwamen en beweenden Sneeuwwitje, eerst een uil, daarna een raaf en als laatste een duifje.
Nu lag Sneeuwwitje een lange, lange tijd in de kist en verging niet, maar zag eruit alsof zij sliep, want zij was nog zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en haar haren waren zo zwart als ebbenhout.

Voor de derde keer wordt dit nu in het sprookje gezegd.

Dit beeld: Sneeuwwitje in de glazen kist op de berg is het meest schokkende van dit sprookje. Is het niet het juiste beeld van hoe het er nu voor de mensenziel uitziet: Voor de elementairwezens is die dood. Zij kunnen de mensenziel echter wél waarnemen en bewenen het verlies, drie dagen lang. Ze schrijven met gouden letters op de doodskist de wijsheid die de mensen zijn vergeten, dat Sneeuwwitje een koningsdochter is.
De mensenziel blijft echter in leven, want die lag lang in de kist, maar verging niet. Voor de onzichtbare wezens is ze dood. 
Van glas, kwarts, zoals de doodskist worden de instrumenten gebouwd de brillen en microscopen en verrekijkers waarmee de mens steeds dieper van buitenaf door zijn zintuigen in de aardewereld wil doordringen -terwijl hij toch feitelijk slapend in deze doodskist ligt. En de dwergen zijn steeds bij de mensenziel, bewaken de berg en wachten. De hele natuur, hier als uil, raaf en duifje voorgesteld – de zuchtende schepping van Paulus (Rom.8:22) – wacht bij de kist en wacht op het ontwaken van de mensenziel.

Alle sprookjes blikken én terug én verkondigen de toekomst. Zo zijn ze in staat de mens moed in te spreken voor de weg die hij moet gaan. Want op het punt waarop alles ten einde schijn te zijn, komt de redder van de mensenziel die zichzelf alleen niet zou kunnen redden, het dichtst nabij. 
‘Toen de tijd vervuld was’ staat in de bijbel – de tijd is iets heel wezenlijks, die kan ook door de mens niet veranderd worden – verscheen de grote helper van de mensenziel waarmee de oorspronkelijke koninklijke mensenziel was verbonden, in de stroom van het tijdsgebeuren. Zo staat er in Doornroosje: ‘De honderd jaren waren net voorbij.’ Pas dan kan de koningszoon komen.

Toen geschiedde het eens dat er een koningszoon in het bos terecht kwam en bij het dwergenhuis kwam om daar te overnachten. Hij zag op de berg de kist staan, waarin het schone Sneeuwwitje lag en las wat er met gouden letters op geschreven stond. Toen sprak hij tot de dwergen: ‘Sta die kist aan mij af, ik zal ervoor geven wat ge wilt hebben.’ Maar de dwergen antwoordden: ‘Wij geven hem niet voor al het goud van de wereld.’ Toen sprak hij: ‘Schenk hem mij dan, want ik kan niet leven zonder Sneeuwwitje te zien, ik zal haar eren en hoogachten als mijn liefste bezit.’ Toen hij dit zei, kregen de goede dwergjes medelijden met hem en gaven hem de kist. De koningszoon liet deze nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen.

Toen de honderd jaar voorbij was, veranderden de doornen in rozen. Met de kracht van de liefde, de kus, word Doornroosje gewekt. Sneeuwwitje echter wordt door de dienaren van de koning nog dood in haar kist weggedragen van de berg van het heldere denkbewustzijn. En wat is haar hulp?

En toen gebeurde het dat zij struikelden en door de schok schoot het vergiftigde stuk appel dat Sneeuwwitje afgebeten had, uit haar keel. En niet lang daarna opende zij haar ogen, lichtte het deksel van de kist omhoog, en richtte zich op en was weer levend. ‘O God, waar ben ik?’ riep zij uit. De koningszoon zei vol vreugde: ‘Je bent bij mij,’ en hij vertelde wat er was gebeurd en hij sprak: ‘Ik heb je boven alles ter wereld lief, kom met mij mee naar het slot van mijn vader, jij moet mijn gemalin worden.’ Toen kreeg Sneeuwwitje hem lief en ging met hem mee en hun bruiloft werd met grote pracht en praal voorbereid.

De koningszoon komt naar het huisje van de dwergen ‘om er te overnachten’. In de nacht komt de koningszoon pas dichter bij de mensenziel. In de sfeer van het sprookje ‘Sneeuwwitje’ dat ‘zo rood is als bloed’, gaat het alleen om het schenken. Aan deze koningszoon kunnen de dwergen de geliefde doodskist met hun Sneeuwwitje daarin die ze zolang behoed hebben, alleen schenken. 
In ieder sprookje wordt met steeds nieuwe beelden geschetst dat de mensenziel en de mensengeest elkaar zoeken en benaderen. Met de koningszoon is tegelijkertijd de leidsman van alle mensengeesten bedoeld en hij zegt tot de ziel: ‘Ik heb je boven alles ter wereld lief, kom met mij mee naar het slot van mijn vader’.
De dienaren ‘struikelen’. Wat betekent dat? Sneeuwwitje moet in de kist ‘iets schokkends’ doormaken en de schok door het lot en de dienaren van de koning alleen, hebben de kracht de mensenziel die in de doodskist van het verstand ligt, nu te wekken. En nu moet Sneeuwwitje het hare doen. Het stuk appel dat alle wilskrachten verlamde, is weg. Sneeuwwitje moet ‘de ogen openen’, ‘het deksel van de kist omhoog lichten’ en ‘zich oprichten’. Pas als de mensenziel deze daden volbracht heeft, kan de bruiloft gevierd worden.
Hier ontbreekt misschien, zoals dat wel vaker in de sprookjes van Grimm is, een nuance. Het was in zekere zin de laatste kans waarbij de brokstukken van deze waarheidsbeelden zoals die nog in een paar mensen levend in de vorm van sprookjes voortleefden, verzameld en opgeschreven werden, die tot dan toe alleen mondeling doorverteld waren. Daar kan wat aan ontbreken. Zouden de dwergen die de kist en Sneeuwwitje die ze zolang behoedden nu op de berg alleen achterblijven of onderaan de berg, ver van Sneeuwwitje? Nee, de dwergen kunnen meegaan naar de bruiloft van de mensenziel met de koningszoon. Ze gaan mee naar het rijk. Wanneer de mensenziel ‘wakker geworden is’, kunnen de elementairwezens weer deel uit maken van het geestelijke leven van de mensenziel. – Bij roodkapje komt geen koningszoon, maar daar moet de jager komen die zich door ‘trefzekerheid’ en kracht onderscheidt. Hij pakt hier moedig de schaar, een beeld voor de scherp geworden oordeelskracht van een nieuw denken, om Roodkapje uit de duisternis te bevrijden. Roodkapje is helemaal ondergegaan in de zintuiglijke wereld, en verlaat de weg en geeft door haar gedrag de wolf de mogelijkheid die oude, helderziende krachten, grootmoeder, te overmeesteren, als ook Roodkapje zelf.
Door het vergelijken van drie sprookjes zoals dat hier op een paar plaatsen is gedaan, kan pas duidelijk worden wat er in het sprookje op zich, gebeurt. 
Wat je zo uit de beelden kan opmaken, komt overeen met een aanwijzing van Rudolf Steiner dat in Doornroosje, Sneeuwwitje en Roodkapje, sprookjes die je, zoals hij aanraadt, bij elkaar moet houden, over de ontwikkelingen van de ‘gewaarwordingsziel’, de ‘verstands-gemoedsziel’ en de ‘bewustzijnsziel’ in beeld gesproken wordt. Vandaar de drie verschillende beelden, de drie beelden die zich toespitsen. In Doornroosje worden de oude koning en het hele slot ook verlost, in Sneeuwwitje de elementairwezens, in Roodkapje wordt er voor het eerst op gewezen dat de schouwende mensenziel op een hoger niveau weer kan ontstaan. 

Voor het feest werd echter ook de goddeloze stiefmoeder van Sneeuwwitje uitgenodigd. Toen zij mooie kleren had aangetrokken, ging zij voor de spiegel staan en sprak:

‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
wie is de schoonste in ’t hele land?’

De spiegel antwoordde:

‘O koningin, de schoonste hier zijt gij,
maar de jonge koningin is duizendmaal schoner dan gij.’

De spiegel weet van het voortgaan in de bewustzijnsgeschiedenis en van de schoonheid van de jonge nieuwe koningin, de gemetamorfoseerde mensenziel.

Toen stiet de boze vrouw een verwensing uit en zij werd zó bang, zó vreselijk bang, dat zij zich geen raad wist. Zij wilde eerst helemaal niet op de bruiloft komen, maar het liet haar niet met rust, zij moest erheen om de jonge koningin te zien. En toen zij binnentrad, herkende zij Sneeuwwitje en van angst en schrik stond zij als aan de grond genageld en kon zich niet verroeren. Maar er waren reeds ijzeren pantoffels op het kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen en voor haar neergezet. Toen moest zij in de rood-gloeiende schoenen stappen en net zolang dansen tot zij dood ter aarde viel.

Ieder sprookje is een deel van het drama van alle menselijke zielenkrachten, In de mens leeft ook de boze koningin met ijdelheid en jaloezie en leugen. Deze zielenkrachten echter moeten worden overwonnen zijn, wanneer de intensivering van de ontwikkeling en de bruiloft van de gelouterde ziel met de koningszoon plaats zal hebben. De ‘brandende eerzucht’, de ‘gloeiende haat’ moeten door de ziel zelf worden vernietigd in het vuur van de loutering.
Wanneer een volwassene de sprookjes aan het kind zo vertelt dat hij de beeldentaal kent, zullen dit soort beelden in het kind geen angst oproepen, maar – het kan het dan wel honderd keer meebeleven – eerder de diepe bevrediging dat het goede overwint en dat het boze aan banden wordt gelegd. 
Aan de jeugd kunnen we zeggen, wanneer we ons in deze beelden hebben verdiept: we leven midden in de belangrijkste verandering in de wereldgeschiedenis. Namelijk op het punt, waarop beeldend gesproken, Doornroosje wordt gewekt, Sneeuwwitje het deksel van de kist oplicht en de jager de buik van de wolf opensnijdt. De neergang is vanzelf gegaan. Voor de terugweg echter moet iedere mensenziel zelf iets doen. De sprookjes spreken van heel nieuwe toekomstwegen.
Het bijzondere van het sprookje van Sneeuwwitje is de zekerheid dat de elementairwezens die duizenden jaren begeleidend en wachtend de mensen hebben gediend, weer aan het geestelijk leven van de mens kunnen deelnemen.

.

Sprookjes: alle artikelen
                                               Van Friedel Lenz: bij 1-3/3;  1-5; 1-6;  3-o e.v.

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sprookjes

.

2374-2225

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (25)

.

SINT-MAARTEN

Is Hertha’s dag gevierd, is Maria ten hemel gevaren, als de levensgeest die de akkers verlaat – dan wordt er geoogst, op sommige plaatsen nog in het wit, als sacrale dracht, zoals de witte hooischorten op Marken en de witte hooiers-pofbroek en de sint-jakobsdracht in de Usseloër es. Een oogst-mei wordt met de laatste voer hooi of koren meegedragen: een lijsterbestak in Friesland, een paarse distel op de drijvende hooi-oppers op Marken, waar de zgn. hooi-meiden de schuitjes naar de weegschaal varen. Elders wordt ook een oogst-haan meegevoerd, bv. bij de boekweit-oogst, waarbij men zingt:

Koekeloeren haan!
De laatste boekweitkar komt hier al aan!

In Zuid-Limburg wordt de laatste korenschoof versierd met berkentakken die vaantjes en papieren bloemen dragen en de ’martelgaus’ heten. Op Walcheren en Zuid-Beveland wordt een groene wilgentwijg op de hoevepoort gespijkerd ten teken dat de oogst binnen is.

En zo wordt het kale veld achtergelaten in de eerste herfstnevels en het feest van Sint-Joris en de Draak wordt gevierd, met veel geschiet, want de stoffelijke vorm (voorgesteld door de draak der materie) is vernietigd om de geest vrij te laten. De jacht wordt geopend, de slacht begin en de doden worden herdacht op Allerzielen. De dagen korten, en het licht, dat eerst buiten was, laaiend over de gedijende velden, wordt nu binnen ontstoken, in de huizen en in de harten.

In de schemering van de elfde november gaan de kinderen om met hun uitgeholde rapen en bieten, waarin openingen gesneden zijn en waar binnen een vetpotje of kaarsje brandt. De biet bengelt aan een ijzerdraad, aan een draagstok bevestigd, en de kinderen gaan langs de deuren, onder het zingen van het lied:

Sinte Maarten bisschop, komt uit verre landen!
Dat wij hier met lichtjes gaan, is voor ons geen schande!
Hier woont een rijke man, die ons wel wat geven kan!
Geef een appel of een peer!
’k Kom het hele jaar niet weer!

Sint-Maarten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten     jaartafel

.

2373-2224

.

.

 

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking – leeftijden

.

.

Bij vrijwel alle kinderboekrecensies staat een leeftijdsaanduiding: voor die leeftijd is het een geschikt boek.
Maar wie bepaalt hier wat ‘geschikt’ is.
Natuurlijk, een prentenboek voor een 4-jarige valt niet onder de categorie ’12 jaar, maar waarom zou je er niet naar kunnen kijken met een 3-jarige.

Dan is er het ene kind dat veel meer van een boek oppakt dan het andere; het ene kind is verder in zijn ontwikkeling; de ene recensent heeft bij ‘een 3-jarige’ een andere voorstelling dan de andere. Dat zie je ook aan het feit dat bij dezelfde boeken, andere leeftijden worden genoemd.
Kortom: een leeftijdsaanduiding is niet meer dan een bepaalde indicatie.

En toch is zo’n aanwijzing bij het zoeken wel handig. Alles wat ver van de leeftijd afligt waarvoor je iets zoekt, kun je overslaan. Maar zoals gezegd: zoek je iets voor een 3-jarige, kijk dan ook gerust bij 4 jaar; enz. Lees ook a.h.w.: vanaf…..

De boeken die op deze blog zijn besproken worden hier nog eens per leeftijd gegeven. Klik op het cijfer vóór de titel.

2 jaar

{41] De verhalen van Kleine Beer                              Waddell
[80] Dieren om ons heen                                             Zeyl van
[24] Een bos vol dierenkinderen                                Cleemput van
[28] Het bos aan de overkant                                      Weigelt
[4]  Het verhaal van het kleine, kleine vrouwtje      Beskow
[60] Het vogeltje dat te ver vloog                               Ainsworth
[1]  Ik geef je niet voor een kaperschip                      Baal/Stigter
[22] Is er iemand thuis                                                 Maris
[92] Klein babydierenboek                                          Botman
[93] Klein bosdierenboek                                            Botman
[94] Klein insectenboek                                               Botman
[95] Klein slaapdierenboek                                         Botman
[97] Klein vogelboek                                                   Botman
[14] Lammetje waar ben je?                                        Elzässer
[25] Op de boerderij                                                     Cleemput van
[3]  Pelle’s nieuwe kleren                                             Beskow
[17] Spelen met de vingers                                          IJzerman
[10]  Tomte Tummetot                                                Lindgren
[27] Wat nu Olivier?                                                    Root
[59] 4 jaargetijden                                                       Cramer

3 jaar

[11] Bakersprookjes                                                    Keller
[43] Bij uil thuis                                                          Lobel
[31] Chelm is overal                                                    van Eck
[15] Een dikke vette pannenkoek                            Koopmans
[37] Het appeltulbandje                                            Hichtum van                                   
[60] Het vogeltje dat te ver vloog                           Ainsworth
[6]  Kan ik er ook nog bij?                                         Koopmans
[32] Kinderrijmpjes                                                   Potter
[52] Kriebelpoten                                                        Post
[20] Liselotje gaat logeren                                         Busser
[12] Nikkie en Sanne en de jaarklok                        Ichikawa
[13] Nikkie en Sanne gaan naar de markt              Ichikawa
[3]  Pelle’s nieuwe kleren                                           Beskow
[42] Rooie                                                                    Voake
17] Spelen met de vingers                                          IJzerman
[9]  Tatatoek                                                                 Streit
[35] Toen ik zo klein was als jij                                Walsh
[10]  Tomte Tummetot                                               Lindgren
[59] 4 jaargetijden                                                      Cramer
[21] Welterusten, Beer Baboen                                Westera[
[72] Zomer                                                                   Muller

4 jaar

[8] Annika                                                                    Beskow
[40] Berenweer                                                           Topsch
[43] Bij uil thuis                                                          Lobel
[2]  De muis en de aardappel                                    Berger
[30] De olifant van de keizer                                    Reynolds Roome
[60] Het vogeltje dat te ver vloog                            Ainsworth
[36] Jip en Janneke                                                    Schmidt Annie M.G.
[7]  Kindergeheimen                                                   Stöcklin-Meier
[12] Nikkie en Sanne en de jaarklok                       Ichikawa
[13] Nikkie en Sanne gaan naar de markt             Ichikawa
[5]  Okke, Nootje en Doppejan                                 Beskow
[44] Olle’s skitocht                                                      Beskow
[3]  Pelle’s nieuwe kleren                                           Beskow
[42] Rooie                                                                     Voake
17] Spelen met de vingers                                          IJzerman
[9]  Tatatoek                                                                 Streit
[35] Toen ik zo klein was als jij                                 Walsh
[59] 4 jaargetijden                                                      Cramer
[38] Vrouwtje Appelwang                                         Ainsworth

5 jaar

[53] De gouden bal                                                       Cock de
[55] De liefste vraag                                                     Jonge de
[62] Er waren eens twee beren                                  Muschg
[70] Flok de kuifmees                                                  Demetz                       
[33] Maria’s kleine ezel                                                Sehlin
[12] Nikkie en Sanne en de jaarklok                         Ichikawa
[13] Nikkie en Sanne gaan naar de markt               Ichikawa
17] Spelen met de vingers                                           IJzerman
[9]  Tatatoek                                                                  Streit
[35] Toen ik zo klein was als jij                                 Walsh
[38] Vrouwtje Appelwang                                         Ainswor

6 jaar

[50] Adam en Eva en de Hof van Eden                    Ray
[55] De liefste vraag                                                     Jonge de
[46] ’t Is zomer                                                              Dijkmeier
[29] Lotta kan al fietsen                                              Lindgren
[16] Mijn broertje en ik                                              van Dort
[12] Nikkie en Sanne en de jaarklok                        Ichikawa
[13] Nikkie en Sanne gaan naar de markt              Ichikawa
[9]  Tatatoek                                                                  Streit
[47] Wij uit Bolderburen                                            Lindgren

7 jaar

[26] De dagen daarna                                                 Lieshout van
[16] Mijn broertje en ik                                              van Dort
[47] Wij uit Bolderburen                                            Lindgren

8 jaar

[18] Abeltje                                                               Schmidt Annie M.G.         
[19] De A van Abeltje                                              Schmidt Annie M.G 
[96] De leeuw en de muis                                        Wildsmith          
[47] Wij uit Bolderburen                                        Lindgren

9 jaar

10 jaar

[63] Candy, kom terug                                                 de Jong
[89] Lampje                                                                  Schaap
[56]  Lasse Länta                                                           Bruijn
[79] Pjotr                                                                        Terlouw
[66] Uit het leven van Dik Trom                                    Kieviet

11 jaar

[57] Corso, het ezeltje                                                 Pothast-Grimberg 
[91] De kinderkaravaan                                              Rutgers van der Loeff      
34] De Zevensprong                                                   Dragt
[83] Het grote huis                                                      Franke
[81] Het hoofdpijnmysterie                                          Barnard
[64] Het scheepmaatje                                                 Malot
[61] Mattijs Mooimuziek                                              Werner
[84] Robin Hood                                                          Sutcliff

12 jaar

[86] Alice in wonderland                                          Carroll
[45] De brief voor de koning                                    Dragt
[51] De gouden pucarina                                           Vos-Dahmen
[65] De komeet van Samos                                        Vos-Dahmen 
[78] Een bende in de bovenbouw                             Vriens
[73] Engelandvaarders                                              Norel
[88] Geheimen van het wilde woud                         Dragt
[90] Gekaapt!                                                            Beckman
[23] Help, ze ontvoeren de koningin                      Ross
[82] Het behouden huis                                              Hildebrand
[68] Het geheim van de blauwe steen                     Vermeer 
[87] Het geheim van Mories Besjoer                       Vries de Anke
[83] Het grote huis                                                      Franke
[75] Het monster van de vuursteenmijn                  Vos-Dahmen                [48] Het teken van Wichart                                      Schouten 
[76] Het wolfsvel en andere verhalen                       Reen van 
[67Het zwaard van Brittannië                                 Herzen
[74] Joël en de veenheks                                          Dubbelboer

[33] Maria’s kleine ezel                                             Sehlin
[39] Minoes                                                               Schmidt A
[58] Niku de zigeunerjongen                                    Visser
[71] Tussen drie vuren                                              King

[49] Zwerftocht met Korilu                                     Beckman

OUDER

V.a. 13

[85] Boris                                                              Haar ter

[69] De man in het vuur                                        Fährmann

[77] Het wereldje van Beer Ligthart                      Haar  ter

.

Kinderboekbesprekingalle auteurs

Kinderboekbesprekingalle titels

.

2372-2223

.

 

.



                                 

 

 

 

.

.

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (51)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Tony Vos heeft een aantal historische jeugdromans geschreven. Deze geven een historisch verantwoord beeld van de tijd of de cultuur waarin het verspeelt. Vos bestuurde de Inka-geschiedenis en trok rond in het gebied dat ze beschrijft.
Door de (hoofd)figuren krijgt de lezer een gevoel voor hoe men daar destijds leefde.
Het verhaal op zich is een fantasieverhaal, maar met aspecten van wat ook in het leven van nu kan plaatsvinden.
In dit boek gaat het bijv. om het leven van jongen die later met het, zijn, noodlot krijgt e maken. Hoe geeft hij vanuit een grote teleurstelling zijn leven weer een nieuwe vorm.
Zo spelen er door het verhaal heen motieven als: wilskrachtig je doel bereiken; voor je eigen mening durven uitkomen, ook als je daardoor je meerdere moet tegenspreken.
Tegelijkertijd is het verhaal spannend: kan Kontor, de hoofdpersoon, een aanslag op zijn Inka (heer) verijdelen, En passend leert de schrijfster je ook allerlei uit deze Inkacultuur stammende woorden. De pucarina is een levensgroot beeld van een overleden Inka; de lama en alpaca, coca en quinoa worden verklaard.

DE GOUDEN PUCARINA

Tony Vos Dahmen von Buchholz
Geen illustraties

BOEK
Oorspronkelijk verschenen bij Fontein

12 jr

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2371-2223

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/8)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 303

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens

Vertaald: Gezondmakend onderwijs

Dornach van 23 december 1921 t/m 7 januar1 1922

Voordracht 7, Dornach 29 december 1921

Das Kind vor dem siebenten Jahre

Blz. 123 vert. 134

Der Zahnwechsel macht einen tiefen Einschnitt in das ganze menschliche Leben. Und derjenige, der voll zu beobachten vermag, wird sehen, daß eine gewisse Konfiguration von Denken, von Fühlen und Wollen nach dem siebenten Jahre beim Kinde so auftritt, wie sie eben vorher nicht vorhanden war. Wenn wir gewisse materielle Vorgänge sehen, die an einem bestimmten Punkte äußerlich wahrnehm­bare Wärme entwickeln, die vorher nicht wahrnehmbar war, die auch nicht von außen zugeführt ist, dann sagen wir; diese Wärme war vorher latent in dem Materiellen und ist dann freie Wärme geworden. Wir sind ja ganz gewohnt worden, von solchen Dingen in der Betrachtung von äußeren materiellen Vorgängen zu sprechen. – Nun, gerade wie durch einen materiellen Vorgang Wärme frei werden kann, die vorher latent war, so werden um das siebente Jahr herum im Denken, Fühlen und Wollen des Kindes Kräfte frei, die vorher in dem kindlichen Orga­nismus drinnengesteckt haben, die vorher nicht abgesondert seelisch tätig waren. Sie sind jetzt nach dem siebenten Jahre abgesondert see­lisch tätig. Vorher waren sie organisch tätig, sie waren verbunden mit den Wachstums-, mit den Ernährungsvorgängen. Aus denen heraus sind sie frei geworden; sie sind Seelisches geworden.

Het kind voor het zevende levensjaar

De tandenwisseling is een diepe cesuur in het hele menselijk leven. En wie dat volledig kan waarnemen, zal zien dat na het zevende jaar een bepaalde configuratie van denken, voelen en willen bij het kind optreedt die er voor die tijd niet was. Wij zijn eraan gewend geraakt in de uiterlijke beschouwing van het materiële bepaalde voorstellingen die we nog in de geest ontwikkeld hebben, ook in de praktijk van het leven op het menselijk leven toe te passen. Als we bepaalde materiële gebeurtenissen zien die op een zeker punt uiterlijk waarneembare warmte ontwikkelen die tevoren niet waarneembaar was, die ook niet van buitenaf is aangevoerd, dan zeggen we: deze warmte was voorheen latent in het materiële aanwezig en is vervolgens vrije warmte geworden. We hebben er een gewoonte van gemaakt zo over zulke dingen te spreken bij de beschouwing van uiterlijke materiële gebeurtenissen. — Welnu, net zoals door een materieel proces warmte vrij kan komen die tevoren latent aanwezig was, zo komen rond het zevende levensjaar in denken, voelen en willen van het kind krachten vrij die van te voren binnenin het kinderlijke organisme aanwezig waren, die voorheen niet geïsoleerd psychisch actief waren. Deze krachten zijn nu na het zevende jaar afzonderlijk psychisch actief. Voorheen waren zij organisch werkzaam, ze waren verbonden met de groeiprocessen, met de spijsverteringsprocessen. Vanuit die processen zijn ze vrij geworden, gaan ze psychisch optreden.

Blz. 124 vert. 134

( ) wenn man in das Gebiet des Menschenwesens eindringen will, muß man gerade so beobachten, wie man in der äuße­ren Natur beobachten will. Und für das Leben von der Geburt bis un­gefähr um das siebente Jahr herum erweist sich für ein Zusammenschauen des Geistig-Seelischen und des Physisch-Leiblichen die Sache so, daß die Kräfte unbemerkbar im Organismus drinnen sind, die spä­ter als seelische Kräfte, vom siebenten Jahre an im Verhältnis, im Ver­kehr mit der Außenwelt zutage treten. Wie schaut die Seele in dem kindlichen Alter bis zum siebenten Jahre aus? – so schaue man die see­lische Entwicklung vom siebenten Jahre bis später an. Da ist das als Seelisches zu beobachten, was vorher im Organismus drinnengesteckt hat und organisch tätig war. Wenn man dies aber ins Auge faßt, wird man einsehen, daß diese besondere innere organische Tätigkeit des Kindes in der plastischen Ausgestaltung des Gehirnes, in der Heranbildung der übrigen Organisation etwas ganz Besonderes bedeutet.

Want als je in het gebied van het menselijk wezen wilt binnendringen, moet je juist op dezelfde manier waarnemen als je dat in de natuur buiten je doet. En wat betreft het leven vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar blijkt, als we het geestelijk-psychische en het fysiek-lichamelijk in samenhang beschouwen, dat er onmerkbaar in het organisme krachten zitten die later, vanaf het zevende jaar, als psychische krachten in relatie, in uitwisseling met de wereld te voorschijn komen.
Wil je dus de vraag beantwoorden: ‘Hoe ziet de ziel op de kinderleeftijd tot het zevende jaar eruit?’, bekijk dan de ontwikkeling van de ziel vanaf het zevende jaar tot later. Daar is als psychische activiteit waarneembaar wat tevoren in het organisme zat en organisch actief was. Als je dit nu ziet, zul je begrijpen dat deze bijzondere, innerlijke organische activiteit van het kind in de plastische vormgeving van de hersenen, in de ontwikkeling van de overige organisatie iets speciaal betekent.

Das Kind trägt dasjenige, was es durch die Geburt oder Konzeption von geistig-seelischen Welten heruntergetragen hat, in die körperlich-phy­sische Organisation hinein. Es ist in dieser Organisation beschäftigt. Es tut, was es will aus diesem Organisieren heraus, schließt noch die Tore vor der Außenwelt. Und wir dürfen nicht unpraktisch hineintapsen in das, was da das Kind so vollzieht, daß es eben tut, was es will, daß es namentlich dem Willen der Außenwelt nicht zugänglich ist.
Und wenn wir wiederum bedenken, daß alles, was wir in der Nähe des Kindes tun, auf das Kind einen Eindruck macht, trotzdem einen Eindruck macht, wir werden das noch genauer schildern, und uns über­legen, daß ja dasjenige, was später seelisch ist, beim Kinde noch orga­nisch wirkt, daß also, wenn das Kind irgendeine Vorstellung aufnimmt, diese Vorstellung in ihrer besonderen Eigenart auf Lunge, Magen, Le­ber, auf alles mögliche wirkt, dann werden wir sehen, daß nach den

Het kind brengt dat wat het door de geboorte of conceptie uit de werelden van ziel en geest naar beneden heeft gebracht, in de fysiek-lichamelijke organisatie binnen. Het is in deze organisatie werkzaam. Het doet wat het wil vanuit het gezichtspunt van dit organiseren, en houdt de poorten voor de buitenwereld nog gesloten. En wij mogen niet onpraktisch rommelen in wat het kind zo voltrekt dat het nu eenmaal doet wat het wil; het is vooral niet toegankelijk voor de wil van de buitenwereld. En laten we weer bedenken: alles wat we in de buurt van het kind doen, maakt op het kind een indruk, maakt toch een indruk; we zullen dat nog nauwkeuriger beschrijven en bedenken dat wat later psychisch is, bij het kind nog organisch werkt, dat dus, wanneer het kind een of andere voorstelling opneemt, deze voorstelling in haar bijzondere aard op long, maag, lever, op al het mogelijke in het organisme inwerkt. Als we dit bedenken, dan zullen we inzien dat door de

Blz. 125 vert. 135/136

Eindrücken, die das Kind von uns bekommt, weil sein Seelisches noch nicht frei geworden ist vom Organismus, sondern an dessen Organi­sation mitarbeitet, daß wir daher die ganze Gesundheits- oder Krank­heitsanlage eines Kindes durch unser eigenes Verhalten in diesem Le­bensalter bestimmen.

indrukken die het kind van ons krijgt, omdat zijn ziel nog niet bevrijd is van het organisme, maar aan de organisatie ervan meewerkt, dat wij daarom in deze leeftijdsfase door ons eigen gedrag de hele aanleg voor gezondheid en ziekte van een kind bepalen.

Blz. 126 vert. 136/137

Ich habe an den vorangehenden Tagen darauf aufmerksam gemacht, daß uns eine übersinnliche Menschenbetrachtung darauf führt, außer 303/126 dem physischen Leib einen feineren Leib anzuerkennen, den wir Atherleib, Bildekräfteleib genannt haben. Dieser Bildekräfteleib, der ja auf der einen Seite die Kräfte enthält für Wachstum, für Ernährung, aber auch für Gedächtnis, für Erinnerung, für Vorstellungsbildung, dieser Bildekräfteleib wird eigentlich erst mit dem Zahnwechsel in einer ähn­lichen Weise aus der ganzen menschlichen Wesenheit heraus geboren, wie der menschliche physische Leib aus der Mutter geboren wird, wenn der Mensch eben ins physische Dasein eintritt. Das heißt, die besonderen, nach außen wirkenden Kräfte dieses Bildekräfteleibes, dieses Ather­leibes, werden bis zum Zahnwechsel in ihrem hauptsächlichsten In­halt in den organischen Wirkungen drinnen zu suchen sein, nachher nur zum großen Teile noch; aber ein Gebiet wird ihnen entnommen sein und wird im Vorstellen, in Erinnerungen und in den sonstigen Seelennuancen wirken, welche das Kind mit dem Zahnwechsel ent­wickelt.
Daß das Kind die zweiten Zähne bekommt, geschieht ja nur ein­mal; dritte bekommt es nicht mehr. Diejenigen Kräfte im Organismus, die die zweiten Zähne heraustreiben, können da sein, bevor diese zwei­ten Zähne da sind; nachher werden sie nicht mehr gebraucht im Or­ganismus.

Ik heb de afgelopen dagen de aandacht gevestigd op het feit dat een bovenzinnelijke beschouwing van de mens ertoe leidt, buiten het fysieke lichaam een fijner lichaam te erkennen dat wij etherlichaam of vormkrachtenlichaam genoemd hebben. Dit vormkrachtenlichaam, dat enerzijds krachten bevat voor groei, voor voeding, maar ook voor geheugen, voor herinnering, voor vorming van voorstellingen, dit vormkrachtenlichaam wordt eigenlijk pas bij de tandenwisseling op een soortgelijke wijze uit het totale menselijke wezen geboren als het fysieke lichaam van de mens uit de moeder geboren wordt wanneer de mens het fysieke bestaan betreedt. Dat wil zeggen, tot aan de tandenwisseling zullen de bijzondere, naar buiten toe werkende krachten van dit vormkrachtenlichaam, dit etherlichaam, hoofdzakelijk binnen de organische werkingen gezocht moeten worden; daarna ook nog wel voor een groot deel, maar dan zal een gebied aan dat etherlichaam ontnomen worden dat in het voorstellen, in herinneringen en in de overige nuances van de ziel gaat werken die het kind met de tandenwisseling ontwikkelt. Dat het kind zijn tweede, blijvend gebit krijgt gebeurt in ieder geval maar één keer, een derde keer gebeurt dat niet. Die krachten in het organisme die het tweede, blijvend gebit naar buiten drijven, kunnen er al zijn voordat het blijvend gebit er is; daarna worden ze niet meer gebruikt in het organisme.

Sind die zweiten Zähne einmal herausgetrieben, dann wird diejenige Tätigkeit des Atherleibes, die gerade so etwas bewirkt wie das Heraustreiben der zweiten Zähne, nicht mehr im Organismus not­wendig sein. Dann tritt sie frei heraus. Aber dieser Schlußpunkt des zwei­ten Zähnebekommens drückt ja nur das ganz deutlich aus, was auch sonst unten an Kräften im Organismus wirkt. Eine ganze Summe von solchen Kräften wird eben am Ende dieses ersten Lebensabschnittes seelisch-geistig frei. Man kann den gesamten menschlichen Lebenslauf in solche Abschnitte gliedern, und der erste, approximativ, ist eben bis zum siebenten Jahre hin. Aber jeder solche Lebensabschnitt gliedert sich wiederum in drei deutlich voneinander unterscheidbare Teile. Und wir können, wenn wir dieses allmähliche Freiwerden gewisser Kräfte des Atherleibes von der Geburt bis ungefähr zum siebenten Jahr be­trachten, sehen, wie durch zweieinhalb Jahre ungefähr von der Geburt an dieser Atherleib für den Kopf frei wird, wie er dann vom zweiein­halbten Jahre bis gegen das fünfte Jahr zu für die Brust frei wird, und

Is dat blijvend gebit eenmaal naar buiten uitgedreven, dan zal die activiteit van het etherlichaam die dit naar buiten drijven net gedaan heeft, niet meer in het organisme noodzakelijk zijn. Dan treedt die vrij naar buiten. Maar dit eindpunt van het krijgen van het blijvend gebit is de uitdrukking van wat ook overigens beneden aan krachten in het organisme werkt. Een aardige hoeveelheid van dergelijke krachten komt precies aan het eind van deze eerste levensfase voor het psychisch-geestelijke vrij.Je kunt de hele menselijke levensloop in zulke fasen onderverdelen, en de eerste duurt bij benadering tot het zevende jaar. Maar elk van deze levensfasen is weer in drie duidelijk van elkaar te onderscheiden delen verdeeld. En we kunnen, wanneer we dit geleidelijke vrijkomen van bepaalde krachten van het etherlichaam vanaf de geboorte tot ongeveer het zevende jaar beschouwen, zien hoe gedurende ongeveer tweeëneenhalf jaar vanaf de geboorte dit etherlichaam voor het hoofd vrij wordt, hoe het dan vanaf tweeëneenhalf tot tegen het vijfde jaar voor de borst vrij wordt en

Blz. 127 vert. 137/138

dann für den Stoffwechsel-Gliedmaßenmenschen bis zum Zahnwechsel. So daß wir drei Etappen in diesem Freiwerden gewisser Kräfte des Bilde­kräfteleibes zu unterscheiden haben. Es ist deshalb schon so, daß man deutlich bemerken kann: der auch für den Kopfteil des Menschen noch ganz innerhalb erscheinende Bildekräfteleib weist den äußeren Willen der Erziehenden zurück. Nun ist das gerade der Lebensabschnitt, wo wir Allerwichtigstes lernen, was wir also ganz durch innere Arbeit lernen aus dem heraus, was wir uns aus dem präexistenten Leben mitgebracht haben. Beden­ken Sie, daß man in den ersten zweieinhalb Jahren sprechen lernt, ge­hen lernt, dasjenige also, was am intimsten mit der Selbstbehauptung des Menschen für sich und im sozialen Leben zusammenhängt. Dieses Wichtigste eignet man sich an, während die Kräfte des ätherischen Leibes noch am Gehirn arbeiten, hineinstrahlen in den ganzen übrigen Organismus. Wenn sie zu stark in den übrigen Organismus hinein-strahlen, so daß sie dort die noch zarten Stoffwechselverrichtungen oder die noch zarten Atmungsv errichtungen, Blutumlaufsverrichtungen zu stark stören, wenn sie also zu stark hinunterrumoren in den kind­lichen Organismus, dann gibt es schon im kindlichen Alter gern Schar­lach und ähnliche Kinderkrankheiten. Das, was da arbeitet, ist im Grunde genommen für ein von außen kommendes, bewußtes, willkür­liches Einwirken unzugänglich, schließt die Tore. Das Kind will im Inneren an sich arbeiten.

dan tot aan de tandenwisseling voor de stofwisselingsledematen-mens. Zodat we drie etappes in dit vrij worden van bepaalde krachten van het vormkrachtenlichaam moeten onderscheiden. Daarom kun je al duidelijk merken: het ook voor het hoofdgedeelte van de mens nog helemaal innerlijk verschijnende vormkrachtenlichaam wijst de uiterlijke wil van de opvoeder af. Nu is dat juist de levensperiode waarin we het allerbelangrijkste leren, wat we dus helemaal door innerlijke arbeid leren vanuit wat we uit het pre-existente leven hebben meegebracht. Bedenkt u eens dat we in de eerste tweeëneenhalf jaar leren spreken, leren lopen, dus dat wat het meest intiem samenhangt met de handhaving van de eigen persoonlijkheid van de mens voor zichzelf en in het sociale leven. Dit allerbelangrijkste maak je je eigen terwijl de krachten van het etherische lichaam nog aan de hersenen werken, nog binnenstralen in het hele overige organisme. Als ze te sterk in het overige organisme binnenstralen, zodat ze daar de nog zwakke stofwisselingsactiviteiten of de activiteiten van de nog zwakke ademhaling en bloedsomloop te sterk storen, als ze dus te sterk daar beneden rommelen in het organisme van het kind, dan treedt er gemakkelijk al op heel jeugdige leeftijd roodvonk op, of soortgelijke kinderziektes. Wat daar werkt is in wezen voor een van buiten komende, bewuste, willekeurige inwerking ontoegankelijk, sluit daar de poorten voor. Het kind wil innerlijk aan zichzelf werken.
GA 303/123-127
Vertaald/134-138

Voordracht 9, Dornach 31 december 1922

Das Kind vom siebenten bis zehnten Jahre: Pädagogik und Didaktik

Blz. 157 vert. 171/172

Es ist ein bedeutsamer Wechsel, welcher mit dem Menschen vor sich geht, wenn er in den Zahnwechsel eintritt. Nicht nur ist dieser Zahnwechsel ein physisches Ereignis im menschlichen Leben, sondern der Gesamtmensch erfährt eine Metamorphose. Derjenige, welcher Erzie­hungs- und Unterrichtskünstler sein will, muß durchaus auf diese Me­tamorphose sachkundig eingehen können. Dasjenige, was ich in den vorangehenden Betrachtungen den ätherischen, den feineren Bilde­kräfteleib genannt habe, das wird mit Bezug auf gewisse seiner Ver­richtungen frei in der Zeit zwischen dem Zahnwechsel und der Ge­schlechtsreife des Menschen. Das funktioniert vorher organisch-phy­sisch und beginnt von diesem Zeitpunkte an seelisch zu funktionieren. Dadurch aber wird auch das Leibliche des Menschen in einer ganz an­deren Weise von innen heraus ergriffen als früher.

Het kind van het zevende tot het tiende jaar: pedagogie en didactiek

Wanneer de mens zijn tanden begint te wisselen vindt er een belangrijke verandering in hem plaats. Deze tandenwisseling is niet alleen een fysieke gebeurtenis in het leven van de mens, maar de mens als geheel ervaart een metamorfose. Wie opvoed- en onderwijskunstenaar wil zijn, moet volledig ter zake kundig op deze metamorfose in kunnen gaan. Wat ik in de voorgaande beschouwingen het etherische, het fijnere vormkrachtenlichaam heb genoemd, komt vrij in de tijd tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid van de mens wat betreft een aantal van zijn verrichtingen. Dit etherische lichaam functioneert van te voren organisch-fysiek en begint vanaf dit tijdstip psychisch te functioneren. Daardoor wordt ook het lichamelijke van de mens op een heel andere manier aangegrepen dan vroeger.

Vorher war eigent­lich für den Menschen die Sache so, daß gewissermaßen die materiali­stische Betrachtung im Rechte ist. Diese materialistische Betrachtung sieht in dem Menschen eine Summe von materiellen Vorgängen und in dem Geistig-Seelischen etwas, was aus diesem Physisch-Leiblichen hervorgeht, mit ihm zusammenhängt, wie die Flamme aus der Kerze. Das ist auch ungefähr richtig für das ganz kleine Kind bis zum Zahn-wechsel hin. Da wirkt alles Seelisch-Geistige so, daß es eigentlich in physisch-leiblichen Prozessen besteht, und alle physisch-leiblichen Pro­zesse sind zugleich seelisch-geistige; das Ganze wird beim Kinde in be­zug auf die plastische Ausgestaltung des eigenen Leibes vom Kopfe aus dirigiert. Seinen Abschluß findet es, wenn im Kopfe das Hervorstoßen der zweiten Zähne beginnt. Da müssen die Kräfte im Kopfe, die vor­her tätig waren, aufhören in einem ausgesprochenen Maße tätig zu sein; da zieht sich die seelisch-geistige Tätigkeit mehr in untere Re­gionen des Leiblichen hinunter und geht über in den Atmungs- und in den Herzrhythmus. Vorher strömen gewissermaßen die Kräfte von ihrer ausgiebigsten Tätigkeit in der plastischen Gestaltung des Gehirnes immer hinunter in den übrigen Organismus, und sie wirken plastisch

Voordien was de zaak voor de mens eigenlijk zo dat de materialistische beschouwing in zekere zin gelijk heeft. Deze materialistische beschouwing ziet in de mens een veelheid van materiële activiteiten, en in het geestelijk-psychische iets wat uit dit fysiek-lichamelijke voortkomt, ermee samenhangt, zoals de vlam uit de kaars. Dat is voor het heel kleine kind tot aan de tandenwisseling ook ongeveer juist. Dan werkt al het psychisch-geestelijke zo dat het eigenlijk uit fysiek-lichamelijke processen bestaat, en alle fysiek-lichamelijke processen zijn gelijktijdig psychisch-geestelijk. Het geheel wordt bij het kind met betrekking tot de plastische ontwikkeling van zijn eigen leven vanuit het hoofd gedirigeerd. Het vindt zijn afsluiting wanneer in het hoofd het krachtig te voorschijn laten komen van het tweede gebit begint. Daar moeten de krachten in het hoofd die van te voren actief waren, ophouden bijzonder actief te zijn. Daar trekt de psychisch-geestelijke activiteit zich meer in de onderste regionen van het lichamelijke terug en gaat in het ademhalings- en in het hartritme over. Voordien stromen de krachten in zekere zin altijd van hun overvloedigste activiteit naar de plastische vorming van de hersenen naar beneden het overige organisme in, en ze werken plastisch

Blz. 158 vert. 172/173

gestaltend, sie greifen direkt ein in das Substantielle, in das Stoffliche des Menschen. Sie bewirken dort Stoffprozesse.
Das wird anders mit dem Zahnwechsel. Da werden gewisse Kräfte mehr geistig-seelisch, und sie greifen jetzt nur ein in die Bewegungen, die sich im Herz-, im Atmungsrhythmus äußern. Sie wirken nicht mehr in demselben Maße in den stofflichen Vorgängen wie früher, dagegen abgetrennt von dem Körperlichen in das Atmungs- und Zirkulations­system. Man kann das auch leiblich bemerken, indem der Atmungs­rhythmus, der Zirkulationsschlag stärker wird in diesem Lebensalter. Das Kind hat in diesem Lebensalter einen inneren Drang, einen inneren Trieb, dasjenige, was es allmählich als selbständiges Geistig-Seelisches hat, zu erleben, allerdings unbewußt, instinktartig, als Rhythmus, als Takt, aber als Rhythmus und Takt, die sich zunächst im eignen Leib abspielen. Und es hat eine Sehnsucht nach diesem Abspielen von Rhyth­mus und Taktmäßigem in der eigenen Organisation. Es ist notwendig, zu berücksichtigen, daß man alles, was man an das Kind nach dem Zahnwechsel heranbringt, in einer solchen taktmäßigen, rhythmischen Weise gestaltet, damit es sich in dasjenige eingliedert, was das Kind eigentlich haben will. Man muß gewissermaßen als Lehrer und Er­ziehungskünstler in einem taktmäßigen, rhythmischen Elemente leben können, damit das an das Kind heranschlägt und das Kind sich in sei­nem Elemente fühlt.

vormend, ze grijpen rechtstreeks in in het substantiële, in het stoffelijke van de mens. Ze zorgen daar voor stoffelijke processen.

Dat wordt anders bij de tandenwisseling. Daar worden bepaalde krachten meer geestelijk-psychisch, en ze grijpen nu alleen in in de bewegingen die zich in het hartritme, in het ademhalingsritme uiten. Ze werken niet meer in dezelfde mate in de stoffelijke processen als vroeger, maar ze werken afgescheiden van het lichamelijke in het ademhalings- en circulatiesysteem. Dat kun je ook lichamelijk merken, doordat op deze leeftijd het ademhalingsritme hoger wordt en de polsslag langzamer en sterker wordt. Het kind heeft op deze leeftijd een innerlijke drang, een innerlijke drijfveer om dat wat het geleidelijk als zelfstandig geestelijk-psychisch wezen ontwikkeld heeft, te beleven. Weliswaar onbewust, instinctmatig, als ritme, als maat, maar als ritme en maat die zich allereerst in het eigen lichaam afspelen. En het verlangt naar dit afspelen van ritme en maat in zijn eigen organisatie. Het is nodig er rekening mee te houden dat je alles wat je het kind na de tandenwisseling leert, op een dergelijke manier in maat en ritme vormgeeft, zodat het kind zich kan verenigen met iets wat het eigenlijk wil hebben. Je moet in zekere zin als leraar en opvoedkunstenaar in een ritmisch en maatachtig element kunnen leven, zodat het bij het kind aanslaat en het kind zich in zijn element voelt.

Blz. 160 vert. 174

Wenn Sie das menschliche Auge betrachten und davon absehen, was durch das menschliche Auge in das Vorstel­lungsleben hereingenommen wird, so äußert sich ja im eigentlichen Sinne die Augenorganisation auch darinnen, daß die Umwelt inner­lich nachgebildet wird. Dieser Nachbilder bemächtigt sich dann erst das Vorstellungsleben. Da schließt sich das Vorstellungsleben an das Sinnesleben. Das ganz kleine Kind ist ganz unbewußt Sinnesorgan. Es bildet innerlich dasjenige nach, was es namentlich an Menschen seiner Umgebung wahrnimmt. Aber diese innerlichen Bilder sind nicht bloße Bilder, sie sind zugleich Kräfte, die es innerlich stofflich, plastisch or­ganisieren.
Jetzt, wenn der Zahnwechsel kommt, gehen diese Nachbilder eben nur in das Bewegungssystem, in das rhythmische System hinein, wollen nur da hineingehen. Es bleibt allerdings als plastische Bildung noch etwas zurück, aber es tritt eben zu ihr das andere hinzu, was vorher nicht in demselben Maße da war. Es ist ein Unterschied zwischen der Art und Weise, wie sich das Kind gerade zu Rhythmus und Takt vor dem Zahnwechsel und nach dem Zahnwechsel verhält. Vorher wurde auch Rhythmus und Takt zu etwas, was das Kind allerdings nachahmt, was aber in Plastik umgesetzt wird. Nachher wird es in ein innerlich musikalisches Element umgesetzt.

Wanneer u het menselijk oog bekijkt en afziet van wat via dat oog in het voorstellingsleven wordt opgenomen, dan uit zich de organisatie van het oog eigenlijk ook door het feit dat de buitenwereld innerlijk in beelden nagebootst wordt. Het voorstellingsleven maakt zich dan als eerste meester van deze beelden. Dan sluit het voorstellingsleven bij het zintuiglijk leven aan. Het heel kleine kind is helemaal onbewust zintuigorgaan. Het bootst innerlijk na wat het vooral aan de mensen in zijn omgeving waarneemt. Maar deze innerlijke beelden zijn niet louter beelden, het zijn tevens krachten die het kind innerlijk stoffelijk plastisch organiseren.
Wanneer nu de tandenwisseling komt, dan gaan deze beelden uitsluitend in het bewegingssysteem, in het ritmische systeem naar binnen. Ze willen alleen daar naar binnen. Er blijft nog wel iets als plastische opbouw over, maar daar komt nog het andere bij wat voordien niet in dezelfde mate aanwezig was. Er bestaat een verschil tussen de wijze waarop het kind zich gedraagt tegenover ritme en maat vóór en na de tandenwisseling. Vóór de tandenwisseling werden ritme en maat ook tot iets wat het kind weliswaar nabootst, maar wat in plastische kracht wordt omgezet. Daarna wordt het in een innerlijk muzikaal element omgezet.
GA 303/158-160 h
Vertaald/171-174

Blz. 172 vert. 187

Das Atmungs-, das Zirkulationssystem, also das ganze rhyth­mische System des Menschen, der mittlere Mensch, der ist ebenso der leiblich-physische Repräsentant für das Fühlen, wie der Kopf der Re­präsentant ist für das Vorstellen, für das Denken. Dieses Fühlen, das gefühlsmäßige Element, wird insbesondere mit dem Zahnwechsel in dem Kinde frei. Daher nimmt auch das seelische Wesen etwas an, dem man nur durch das Gefühlsmäßige beikommt. Es ist durchaus auf dem Umwege durch das kunstgemäß gestaltete Fühlen in diesem Lebensalter dem Kinde beizukommen. Die anderen Menschen, die das Kind vor dem Zahnwechsel in ihren Bewegungen, in der Sprache, selbst in den Empfindungen auf imponderable Weise nachahmt, die sind vom Kind noch nicht so empfunden, daß es auf deren eigenes Wesen, auf deren inneres Wesen hinschauen kann. Das Kind bis zum siebenten Jahre empfindet eigentlich den anderen Menschen in Wahrheit noch gar nicht ordentlich als anderen Menschen, sondern als etwas, mit dem es wie mit seinen Armen oder mit seinen Beinen verbunden ist. Es son­dert sich noch nicht heraus aus der Welt.

Het ademhalings- en bloedsomloopsysteem, dus het hele ritmische systeem van de mens, van de middenmens, is evenzeer de lichamelijke representant van het voelen als het hoofd de representant is van het voorstellen, van het denken. Dit voelen, het gevoelsmatige element komt in het bijzonder bij de tandenwisseling vrij in het kind. Daardoor neemt ook het zielswezen iets aan waar je alleen via het gevoelsmatige vat op kunt krijgen. Je moet het kind op deze leeftijd absoluut via de omweg van het kunstzinnig ontwikkelde voelen benaderen. Je kunt dat zelfs heel radicaal op de volgende manier uitdrukken: de andere mensen die het kind voor de tandenwisseling in hun bewegingen, in het spreken, zelfs in de gevoelens op imponderabele, onweegbare wijze nabootst, die worden door het kind nog niet zo ervaren dat het hun eigen wezen, hun innerlijk wezen kan waarnemen. Het kind ervaart eigenlijk tot aan het zevende levensjaar de andere mensen in werkelijkheid nog niet echt als andere mensen, maar als iets waarmee het net zo verbonden is als met zijn eigen armen en zijn benen. Het zondert zich nog niet af van de wereld.

Blz. 173 vert. 188

Mit dem Zahnwechsel, mit dem selbständig durch Atmung, Zirkulation 303/
wirkenden Gefühlssystem, sondert sich das Kind ab von dem anderen, und daher wird ihm der andere Mensch ein Wesen mit einer Innerlichkeit. Und das verlangt beim Kinde, daß es in scheuer Ehr­furcht zu dem Erwachsenen, der groß ist, hinaufschaut, daß es sich gefühlsmäßig nach ihm richten lernt. Das bloße Nachahmungsprinzip, das sich auf die Äußerungen bezog, wird nach dem Zahnwechsel zu einem anderen; rein aus den Bedürfnissen der menschlichen Natur heraus muß sich das Autoritätsprinzip entwickeln.
Wir kommen nur zum richtigen Gebrauche unserer Freiheit im spä­teren Leben, wenn wir scheue Ehrfurcht und Autoritätsgefühl ken­nengelernt haben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Da liegt wieder ein Gebiet, an dem man so recht sehen kann, wie man das Erziehungswesen als etwas im sozialen Leben im allgemeinen Drin­nenstehendes anschauen und betrachten muß.

Met de tandenwisseling, met het zelfstandig door ademhaling en bloedsomloop werkend gevoelssysteem, zondert het kind zich af van de anderen, en daardoor wordt voor hem de andere mens een wezen met een innerlijk. En dat vraagt van het kind dat het in diepe eerbied naar de grote volwassene opkijkt, dat het zich gevoelsmatig naar hem leert richten. Het principe van louter nabootsing, dat op de uiterlijke tekenen betrekking had, wordt na de tandenwisseling tot iets anders; puur vanuit de behoeften van de menselijke natuur moet zich het autoriteitsprincipe ontwikkelen. We komen op latere leeftijd alleen tot het juiste gebruik van onze vrijheid als we diepe eerbied en autoriteitsgevoel hebben leren kennen tussen tandenwisseling en geslachtsrijpheid. Daar ligt weer een gebied waaraan je zo goed kunt zien hoe je de opvoeding moet opvatten en beschouwen als iets wat in het algemene sociale leven staat.
GA 301/ 172-173
Vertaald/187-188

Voordracht 13, Dornach 4 januari 1922

Jünglinge und Jungfrauen nach dem vierzehnten Jahre:
Pädagogik und Didaktik

Blz. 236 vert. 266/267

Wenn das Kind nun durch den Zahnwechsel hindurchgeht, so wer­den gewisse geistig-seelische Kräfte so frei, daß sie nicht mehr bloß ihre organische Gestalt annehmen. Sie nehmen schon einen geistig-seelischen Charakter an. Das Kind entwickelt ein freieres Denken, Fühlen und Wollen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife als vorher. Es ist nicht bloß ein nachahmendes Wesen, es ent­wickelt den Grad des Bewußtseins, durch den es aus dem Autoritäts­gefühl heraus sich an Äußeres anschließen kann. Aber es braucht eben doch dieses Autoritätsgefühl, um sich an Äußeres anzuschließen. Die gewöhnlichen Verhältnisse des Lebens genügen nicht. Der Erwach­sene steht dem Erwachsenen anders gegenüber als das Kind mit seinem Autoritätsgefühl Das Kind muß dieses Positive, das im Autoritätsver­hältnisse liegt, zu dem Verhältnisse hinzufügen, das der Erwachsene dem Erwachsenen gegenüber betätigt, auch wenn irgend etwas mit­geteilt wird, oder in anderer Weise, ohne die Mitteilung, irgend etwas als eine Suggestion im guten Sinne vom Erwachsenen zum Erwachse­nen ausgeübt wird. Das hat dann zur Folge, daß auch während des Schlafzustandes nach und nach schon mehr von dem Wachleben in das seelisch-geistige Leben hineinkommt. Und gerade so viel, als im Schlaf-zustande von irdischer Welt hineinkommt und nicht mehr drinnen ist von Überwelt, gerade in demselben Maße eröffnet sich uns die Mög­lichkeit, in dem Lebensalter zwischen dem Zahnwechsel und der Ge­schlechtsreife unterrichtend und erziehend an das Kind heranzukom­men.

Jongens en meisjes na het veertiende jaar: pedagogie en didactiek


Wanneer het kind nu de tanden wisselt, komen bepaald geestelijk-psychische krachten zo vrij dat ze niet meer uitsluitend hun organische gedaante aannemen. Ze nemen al een geestelijk-psychisch karakter aan. Het kind ontwikkelt een vrijer denken, voelen en willen tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid dan tevoren. Het is niet meer uitsluitend een nabootsend wezen, het ontwikkelt de graad van bewustzijn waardoor het zich vanuit het autoriteitsgevoel bij het uiterlijke kan aansluiten. Maar het heeft dit autoriteitsgevoel nog wel nodig om bij het uiterlijke aan te sluiten. De gewone levensomstandigheden zijn niet voldoende. De volwassene staat anders tegenover de volwassene dan het kind met zijn autoriteitsgevoel tegenover de volwassene staat. Het kind moet dit positieve dat in de autoriteitsverhouding ligt, toevoegen aan de verhouding die de volwassene tegenover de volwassene in werking stelt, ook wanneer er iets wordt meegedeeld, of op een andere manier, zonder de mededeling, iets als een suggestie in de goede zin van volwassene tot volwassene wordt uitgeoefend. Dat heeft dan tot gevolg dat ook tijdens de slaaptoestand geleidelijk aan al meer van het waakleven in het psychisch-geestelijke leven binnenkomt. En net zo veel als in de slaaptoestand van de aardse wereld binnenkomt en niet meer van de bovenwereld aanwezig is, precies in dezelfde mate opent zich voor ons de mogelijkheid om in de leeftijd tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid het kind onderwijzend en opvoedend te benaderen.

Blz. 237

Wenn das Kind durch den Zahnwechsel geht, dann werden gewisse geistig-seelische Kräfte frei für die organische Tätigkeit und fließen in das aus, was ich den Bildekräfte- oder Äther- oder feinen Leib genannt habe. Der gehört der ganzen Außenwelt an, und das Kind soll in dieser Zeit gerechterweise eben in diesem ätherischen Leibe leben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Wenn es vor dem Zahnwechsel zuviel davon schon gehabt hat, wenn es in seinem Ätherleibe zu stark auf die und jene Art vor dem Zahnwechsel gelebt hat, dann kommt dieses besonders nuancierte phlegmatische Temperament her­aus. Aber in einem gewissen Sinne gibt es ein normales Zusammenleben des Menschen mit seinem Ätherleib. Dieses normale Zusammenleben des Menschen muß gerade da sein zwischen dem siebenten und vier­zehnten Lebensjahr, also zwischen dem Zahnwechsel und der Ge­schlechtsreife. Wird das dann mit hineingenommen ins spätere Leben, dann entsteht eben beim Erwachsenen das abnorm phlegmatische Tem­perament.

Wanneer het kind de tanden wisselt, dan worden bepaalde geestelijk-psychische krachten bevrijd van de organische activiteit en stromen uit in wat ik het vormkrachtenlichaam of etherlichaam genoemd heb. Dat hoort bij de hele buitenwereld en het kind moet in deze periode tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid redelijkerwijs in dit etherische lichaam leven. Als dat voor de tandenwisseling al te veel is gebeurd, als het voor de tandenwisseling op een of andere manier te sterk in zijn etherlichaam geleefd heeft, dan treedt dit bijzonder genuanceerde flegmatische temperament naar buiten. Maar in zekere zin bestaat er een normaal samenleven van de mens met zijn etherlichaam. Dit normale samenleven van de mens moet juist aanwezig zijn tussen het zevende en veertiende jaar, dus tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Wordt dat dan in het latere leven meegenomen, dan ontstaat juist bij de volwassene het abnormale flegmatische temperament.

Blz. 238 vert. 269

Beim Zahnwechsel sind diejenigen Kräfte freigeworden, die nach dem Denken, Fühlen, Wollen gehen, was sich mehr nach der Erinnerungsseite hin entwickelt. Die Erinne­rungskraft wird gewissermaßen frei.

Bij de tandenwisseling zijn die krachten vrijgekomen die naar het denken, voelen en willen gaan, wat zich meer naar de herinneringskant toe ontwikkelt. De herinneringskracht wordt dan in zekere zin vrij.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2370-2222

.

.

.

.



VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Halloween

Halloween komt in de reeks jaarfeesten op de vrijeschool – bij de kleuters  en de basisschool – niet voor. Zoals het feest zich uiterlijk voordoet – met veel ‘dood’ bijv., leent het zich niet zo goed voor kinderen in wie het leven, de groei, de overhand heeft.

Vanuit een andere hygiënische reden is het ook niet aan te bevelen er nóg een feest bij te nemen: eind september vindt het michaëlsfeest plaats en op 11 november komt Sint-Maarten.

Het kan simpelweg te veel zijn.

Wanneer je naar de uiterlijke – vaak de commerciële – kant van Halloween kijkt, blijf je aan de oppervlakte, want ook dit feest heeft veel diepere kenmerken dan we op het eerste gezicht zouden vermoeden.

Tim van Tongeren onderzocht ‘Halloween’ en schreef er een gedegen artikel over dat ik hier met zijn toestemming weergeef.

T. van Tongeren – oktober 2020.

HALLOWEEN

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-1.jpg

“Dat kennen we al!” Hoor ik velen verzuchten. Toch is er veel onbekend, of liever gezegd, onbegrepen wanneer het gaat om dit
voorchristelijke nieuwjaarsfeest dat vandaag de dag vooral in de Angelsaksische landen (Verenigd Koninkrijk, Ierland, USA, Canada,
Nieuw-Zeeland, Australië etc.) gevierd wordt. Het feest vindt plaats op 31 oktober, de vooravond van Allerheiligen.

Herkomst van het feest

Samhain (spreek uit: Soween), de eigenlijke naam van Halloween, was een feest dat gevierd werd in de prehistorie en dat wordt toegeschreven aan de Kelten. De Kelten vormden een volk, met wortels in de huidige Balkan, dat via de Alpenlanden en Frankrijk naar de Kanaalkust en het noorden van Spanje trok. Vanaf de Franse en Spaanse kust maakten zij in de ijzertijd
vermoedelijk de oversteek naar Groot-Brittannië en Ierland. In de Romeinse tijd mixten de Kelten met de Romeinen in Engeland. In Schotland, Ierland en Wales was geen sprake van een Romeinse tijd en duurde de ijzertijd of Keltische periode voort tot de komst van het christendom, na AD 400.

Het is bekend dat het feest in de oudheid uitbundig in Ierland werd gevierd en werd aangeduid met de naam Samhainn. Ook in Schotland was het feest een hoogtijdag en werd het Samhuinn genoemd. Een derde plaats waar het feest prominent aanwezig was op de kalender was op het eiland Man. Hier
stond het feest bekend als Sauin. Voor Engeland is er minder bekend over eventuele vieringen van Samhain, behalve voor de provincie Cornwall in het uiterste zuidwesten. Ook in Wales werd de dag gevierd, zij het in mindere mate dan in Ierland en Schotland. Uit dit geografische beeld blijkt een mogelijk verband tussen een toenemende aanwezigheid en invloed van de Romeinen en een afname van de intensiteit van de Samhain vieringen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-2-1.jpgHet is onduidelijk of het feest van Samhain door de Kelten naar Groot Brittannië en Ierland is gebracht of dat het daar al gevierd werd voor de Kelten voet aan land zetten. Voor beide mogelijkheden is iets te zeggen.
Dat de Kelten het feest meebrachten zou kunnen blijken uit het feit dat soortgelijke feesten bekend zijn uit Bretagne in Frankrijk en regio’s zoals Baskenland en Galicië in Spanje. Deze gebieden worden gezien als de springplank van waar de Kelten naar de eilanden migreerden. Ook zijn er aanwijzingen dat de Gallische (Frans-Keltische) kalender het woord Samonios, vermoedelijk gerelateerd aan Samhain, gebruikte ter aanduiding van de zomermaanden. Het idee dat Samhain al gevierd werd in Groot-Brittannië en Ierland voor aankomst van de Kelten zou kunnen blijken uit het feit dat verschillende prehistorische

(graf)monumenten uit het neolithicum gebouwd zijn in lijn met de zonsopkomst of zonsondergang rond Samhain.

Een bekend voorbeeld hiervan is de Mound of the Hostages (of Dumha na nGiall) op de Hill of Tara aan de Ierse oostkust. Uit deze afstemming blijkt niet direct dat er feest gevierd werd, maar het geeft aan dat er een zekere significantie aan de tijd rond 1 november wordt toegeschreven. Hoewel het tot dusver onmogelijk is gebleken om na te gaan of het feest al dan niet door de Kelten naar Groot-Brittannië en Ierland is gebracht moeten we er rekening mee houden dat in oktober en november op veel plaatsen in de wereld aandacht wordt besteed aan de terugkeer van het donker, het einde van de oogst en de voorouders. Het is dus geen fenomeen wat specifiek is voor de Kelten en het kan maar zo het geval zijn dat zowel in het neolithicum als in de ijzertijd een soortgelijke traditie van vieren of herdenken bestond rondom gelijksoortige thema’s. 

Wat wordt er gevierd?

Zoals alle volkeren uit de prehistorie leefden de Kelten in diepe verbondenheid met de natuur en het jaarwiel. Het Keltisch jaar startte met de aanvang van de donkere periode, waarvan zij het moment plaatsten
rond 1 november, aan het einde van de oogsttijd. Rond deze dag werd dus een soort oud en nieuw gevierd. Het was het moment om de balans op te maken van het jaar dat voorbij was. Figuurlijk, door innerlijk te kijken
wat behouden moest blijven in het leven en wat losgelaten kon worden (dit doen wij nu vaak in de Michaëlstijd) en letterlijk door de staat van de kudde, de oogst en de voorraadkast te beoordelen. Een goede voorraad betekende immers een comfortabele winter terwijl tekorten voor problemen konden zorgen. Het feest van Samhain was een dankzegging voor het land, de oogst en de overvloed en een moment voor het maken van goede voornemens voor het volgende jaar.

Naast de letterlijke en figuurlijke oogst van het voorbije jaar waren ook de voorouders belangrijk. De Keltische samenleving was er eentje van stammen waarbij voorouders, hoewel overleden, nog altijd een belangrijke rol speelden in de maatschappij en het familieleven. De Kelten geloofden dat de barrière tussen de aardse wereld en die van de geesten en natuurwezens dunner was in de periode tussen ongeveer half september en november. Dit zou betekenen dat het gedurende deze periode makkelijker was om contact te maken met overleden dierbaren.
Uiteraard is er geen wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van een dergelijke barrière, laat staan voor het dunner worden ervan. Het feit dat vele mensen hier niet of niet meer in geloven zou te maken kunnen hebben met de beperkingen van onze vijf zintuigen en de mogelijkheid dat een zesde zintuig ooit beter ontwikkeld was. Dat blijft natuurlijk gissen.

Vanuit een 21ste-eeuws perspectief echter kun je je misschien voorstellen dat de herfst de nodige melancholie met zich meebrengt. Het wordt weer donker en koud, de zomer is voorbij, de pracht van de natuur
vergaat en de pessimist denkt terug aan alle gemiste kansen van het afgelopen jaar. Het is juist in dit soort periodes dat wij overleden dierbaren extra missen. Dat we nog eens denken ‘hoe zou papa of oma hiermee omgegaan zijn?’. Dit valt samen met het lage licht, langer wordende schaduwen, storm, regen en vooral veel mistflarden. Alsof de geesten met ons spelen! Het beeld van ‘toenemende spirituele activiteit’ is
op die manier dus zelfs verklaarbaar voor hen die absoluut niet in geesten geloven.
Opvallend is dat ook hier weer geldt dat een feest gerelateerd aan voorouders op veel plaatsen ter wereld rond dezelfde tijd gevierd wordt. Hoewel een spirituele significantie natuurlijk niet uit te sluiten is kan het ook zijn dat de melancholie van het naderende donker en het gevecht met de elementen van de herfst op verschillende plaatsen tot dezelfde soort feesten leiden. Het afsterven van de natuur is een goed moment om ook de doden onder de mensen te gedenken.
Naast viering van de oogst en het opmaken van de balans van het voorbije jaar is dus het herdenken van de voorouders belangrijk. Deze zaken zijn niet los van elkaar te zien. Een voorspoedig nieuw jaar met een goede oogst was immer mede afhankelijk van de goedgestemdheid van de voorouders. Na een goed jaar was het niet meer dan logisch om hen te bedanken voor de goede zorgen.

Hoe wordt het feest gevierd?

Omdat Samhain zo’n veelzijdig feest is bestaan vieringen en rituelen uit vele elementen die regionaal verschillen. Vaak is het niet duidelijk wanneer aspecten hun intrede deden en kan niet worden achterhaald of zij prehistorisch van aard zijn of latere toevoegingen. De viering van feesten is aan evolutie onderhevig. Denk hierbij aan de komst van de kerstboom naar West-Europese huizen in de negentiende eeuw. Hoewel dit toen een ‘nieuwe’ traditie was bestaat het idee dat de kerstboom te herleiden is tot de Germaanse tijd. Schriftelijk bewijs voor een kerstboom stamt in ieder geval al uit het Frankrijk van de dertiende eeuw. Dit voorbeeld geeft aan dat hoewel er zaken veranderen en er nieuwe toevoegingen opduiken, dit niet per se betekent dat deze geen weerspiegeling zijn van originele elementen.
In de gebieden waarover we hier spreken, onder andere Schotland en Ierland, was en is het volksgeloof sterk. Tot ver na de komst van het christendom waren bijgeloof, magie, elfen, kabouters en (bos) geesten evengoed een realiteit als het verkleuren van de bladeren in de herfst. Zeker tot in de negentiende eeuw werd Samhain in rurale gebieden gevierd met rituelen zoals hieronder beschreven en varianten daarop. 

Vreugdevuren en het verdrijven van het duister

Vuur is te vinden als onderdeel van vieringen over de gehele wereld,
ongeacht cultuurgebied of religie. Bij de viering van Samhain speelde
vuur een belangrijke rol. Naast een gezelligheidselement van
samenkomen als gemeenschap rond een vuur kan het ontsteken van
vreugdevuren worden gezien als een ode aan de zonnegod of een
weerspiegeling van de zonnekracht zelf. Het is mogelijk dat het idee
hierachter verband hield met het stimuleren van de zonnekracht of
levenskracht op aarde en het vertragen van de komst van afbraak en
duister, welke gepaard gaan met de winter.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-6.jpg
Het idee bestaat dat gemeenschappen zich verbonden via het licht
van vreugdevuren. Dit gebeurde door middel van het aansteken van
grote vuren op hoge punten in het landschap en het ‘doorgeven’
ervan aan nabijgelegen gemeenschappen. Dit werkt als volgt: Vanaf
de top van heuvels B en C is heuvel A te zien. Een gemeenschap
steekt een vuur aan op de top van heuvel A. Voor gemeenschappen
op de toppen van heuvels B en C is het zien van het vuur op heuvel
A een sein dat ook zij hun brandstapel kunnen ontsteken.
Gemeenschappen op heuvels D en E zien een licht verschijnen op
heuvel C, waarna ook zij hun vuur ontsteken enzovoorts. Op die
manier verspreid het licht zich gaandeweg gedurende de avond over
grote afstanden.

Vreugdevuren als bescherming tegen het kwaad

Een ander aspect van het vreugdevuur houdt verband met de goede voornemens voor het nieuwe jaar. Het vuur werkt reinigend en vernietigt ongewenste invloeden. Vanuit de Schotse Hooglanden is bekend dat met name jongeren vuren ontstaken waar om de beurt iemand naast ging liggen aan de zijde waar de wind heen blies. Op die manier waaide de rook van het vuur, waaraan reinigende krachten werden toegeschreven over deze persoon heen. Andere aanwezigen renden door de rook en sprongen over de liggende persoon heen waarna van beurt gewisseld werd. Een variant hierop is het ontsteken van twee vuren waar mens en vee tussendoor konden lopen. Ook aan een dergelijk ritueel werden reinigende en beschermende krachten toegeschreven evenals aan het verbranden van
botten van geslacht vee. Onderdelen van dergelijke rituelen klinken ons bekend in de oren, ook al zullen wij ze met name verbinden met vruchtbaarheidsrituelen of de viering van Sint-Jan.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-7.jpgVanuit Schotland en Ierland zijn verder rituelenbekend waarbij mensen brandende stukken turf of fakkels meenamen van het
gemeenschappelijk vuur en hiermee rond hun huis of akker liepen, in dezelfde richting als de
boog van de zon. Er wordt beweerd dat deze traditie ten grondslag ligt aan het lopen van verlichte optochten gedurende deze tijd van het jaar, bijvoorbeeld de lampionoptocht rond Sint-Maarten. Ook aan dit ritueel werd het afsmeken van voorspoed en het afwijzen van kwade invloeden verbonden, evenals aan het mee naar huis nemen en thuis uitstrooien van as afkomstig van het gemeenschappelijke vuur.
Vuur maken zonder moderne middelen was lastig. Zeker in vochtige omstandigheden was dit het geval. Haarden in huizen werden daarom zo veel mogelijk gaande gehouden gedurende het jaar voor verwarming en voedselbereiding. Op de avond van Samhain echter was het tijd om het vuur te reinigen. De huisvuren in het dorp werden aan het begin van de avond gedoofd en later opnieuw ontstoken met een fakkel van het gemeenschappelijke vuur. Nieuw vuur betekende frisse krachten om het kwaad op afstand te houden en het feit dat alle huisvuren aangestoken werden van één moedervuur speelde een verbindende rol in de gemeenschap.
Hoewel brandstapels later werden gebouwd van wat er maar voor handen was wordt gedacht dat in vroeger tijden alleen bepaalde houtsoorten werden gebruikt. Waarschijnlijk was het toekennen van bepaalde krachten aan deze soorten hiervoor de reden. De manier waarop het vuur ontstoken werd was ook van belang. Vanuit Schotland is de traditie bekend van het ‘force fire’, waarbij het vuur door frictie ontstoken moest worden.
Hierbij kan worden gedacht aan het draaien van een
stokje tussen de handen. Vuur dat op deze manier was aangestoken werd
gezien als een krachtige bescherming tegen zwarte magie en, in latere
eeuwen, tegen de pest en infectieziekten onder het vee.

Waarzeggerij

Zoals in antroposofische kringen soms lood wordt gegoten op oudejaarsavond ten einde een blik in de toekomst te werpen zo is waarzeggerij als volksvermaak ook verbonden aan Samhain. Om de
toekomst te voorspellen en het lot voor het komende jaar te duiden werden verschillende activiteiten gebruikt. Een bekend ritueel is het maken van een persoonlijke cirkel van steentjes rondom jezelf.
Vaak werd dit gedaan met verschillende mensen rondom een vreugdevuur. De volgende morgen werd gekeken of de steentjes nog op exact dezelfde plaats lagen. Was er iets veranderd aan jouw cirkel dan betekende dat foute boel. Je zou het einde van het nieuwe jaar niet halen!
Rituelen zoals dit zijn bekend uit Schotland, Noord-Wales en de Franse
regio Bretagne. Soms werden de stenen ook in het vuur gelegd. Waren ze de
volgende dag gebroken door de hitte? Dan zag het nieuwe jaar er slecht voor je uit.
In de Keltische mythologie worden appels en hazelnoten verbonden aan
waarzeggerij. Appels staan hierbij symbool voor de geestwereld en
onsterfelijkheid terwijl hazelnoten in verband worden gebracht met goddelijke wijsheid. Het gebruik van zowel appels als hazelnoten is
terug te zien in Samhain gerelateerde spelletjes en waarzeggerij. Het zogenaamde apple bobbing of apple ducking is tot op de dag van vandaag een vast element van de wereldwijde Halloween viering.
Tijdens Samhain bestond dit gebruik ook al. Appels werden in een teil water gelegd en bleven drijven doordat ze lichter zijn dan water. Met de handen op de rug gebonden probeerden zowel volwassenen als kinderen een appel te pakken te krijgen met de mond. Lukte het om een appel uit het water te halen dan was geluk verzekerd voor het nieuwe jaar. Een variant op de bak met water is een appel aan stokje of touwtje, hangende van het plafond. Het touwtje werd rondgeslingerd en wie de appel
het eerste te pakken had was de gelukkige.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-10.jpg

Iedereen is benieuwd naar hoe het hem/haar in de liefde zal vergaan. Ten
einde dat te weten te komen werd een appel in één keer geschild, zonder de schil te verbreken. De schil werd vervolgens over de schouder gegooid waarna werd gekeken of de schil op de grond een letter
vormde. Zo ja, dan was dit de eerste letter van de naam van je toekomstige partner. Had je een geliefde op het oog maar wilde je weten of een relatie levensvatbaar zou zijn? Dan legde je twee hazelnoten, eentje voor jezelf en eentje voor de beoogde partner nabij de haard. Roosterden de hazelnoten rustig gaar dan zat het met die relatie wel goed. Sprong een van de noten
weg door de hitte dan kon je het wel vergeten met de beoogde partner.
Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven van dergelijke spelletjes en rituelen. Het verstoppen van spullen in brood of cake (voor ons bekend van Driekoningen) werd bijvoorbeeld gebruikt om een voorspelling te doen. Vond je de munt? Dan wachtte je welvaart. Vond je een ring? Dan zou het
huwelijk weleens kunnen volgen in het komende jaar. Ook werd er droge zoute cake gebakken die in drie happen opgegeten diende te worden. Ging je daarna slapen, dan zou een dorstige droom volgen. Degene die jou in de droom water aanbood zou je toekomstige levenspartner worden. Hetzelfde idee van het aflezen van de toekomst aan de vorm van het gestolde lood, zoals bekend in de antroposofie, werd toegepast met eiwit in water tijdens Samhain. De vorm van het gestolde eiwit gaf hierbij aan hoeveel kinderen je zou krijgen.
Tot slotzijn er overleveringen bekend van vooral kinderen die kraaien opjoegen. De richting waarin zij wegvlogen en de aantallen kraaien konden voor verschillende zaken voorspellend zijn, zoals voor het aantal toekomstige kinderen. Er wordt gedacht dat hier het Engelse rijmpje rondom het zien van verschillende aantallen eksters vandaan komt:


One for sorrow,
Two for joy,
Three for a girl,
Four for a boy,
Five for silver,
Six for gold,
Seven for a secret,
Never to be told.


Elementwezens, bosgeesten en de voorouders

Keltisch volksgeloof zit vol met referenties naar elementwezens, elfen, bosgeesten en dergelijken.
Deze wezens worden in de Keltische talen vaak aangeduid als één groep met (een variant op) de term ‘Aos sí’. Vaak wordt hierbij gedacht dat deze wezens rechtstreeks afstammen van de natuurgoden uit de prehistorische voorchristelijke periode. De extra dunne barrière tussen onze wereld en ‘de andere wereld’ tijdens Samhain betekende dat Aos sí onze wereld veel makkelijker konden bezoeken. Omdat aan deze wezens en bosgeesten grote krachten werden toegeschreven was het belangrijk om hen te eren en tevreden te houden. Alleen op die manier kon voorkomen worden dat mens of vee tijdens de koude wintermaanden zouden sterven of dat ander ongeluk over de familie of gemeenschap zou worden afgeroepen. Ten einde Aos sí gunstig te stemmen werd drinken en voedsel bij de voordeur geplaatst of werd een klein deel van de oogst als een offer op de velden achtergelaten. Op de Schotse eilanden, waar de verbinding met het water extra groot is werd ook aan de zeewezens gedacht. Zo werd er in de Hebriden bijvoorbeeld bier in het water uitgegoten na een
ritueel van dankzegging.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-11.jpg

Hoewel men waardering had voor de Aos sí speelde er ook een angst. Niet alle elfen en geesten van het land waren immers goedaardig. Sommige Aos sí werden verantwoordelijk gehouden voor het aankondigen van de dood en het veroorzaken van ziekte en ander leed. Veel kleiner dagelijks leed, zoals zuur geworden melk werd ook vaak aan hen toegeschreven. Tijdens de tijd van de extra dunne barrière was voorzichtigheid geboden. Men zorgde ervoor niet te ver bij het eigen huis of land vandaan te gaan en moerasgebieden werden gemeden. Ook bleef je gedurende de Samhaintijd
verre van portalen naar de andere wereld zoals hunebedden, steencirkels,
grafheuvels en heksenkringen. Wanneer men toch het donker in moest werd de kleding binnenstebuiten gedragen als een primitieve vermomming en werd ijzer en zout op het lichaam gedragen als afweer van kwade krachten.

Zoals eerder beschreven was de periode rond Samhain het moment om de overleden voorouders te gedenken en te eren. Velen gingen ervan uit dat de geesten eens per jaar voor een nacht ‘naar huis’ kwamen om daar in de watten gelegd te worden. Om de overleden voorouders te verwelkomen werd voor hen gedekt aan de dinertafel en werden de beste stoelen rond het haardvuur vrijgehouden. De dunnere barrière tussen de verschillende werelden wordt vaak aangemerkt als de reden waarom geesten juist in de tijd rond Samhain ‘naar huis’ terugkeren. Andere overleveringen spreken juist niet van die andere wereld maar van geesten die leven in de bossen en op de velden. Wanneer de bomen kaal zijn en er een gure wind over de velden waait is het logisch dat de voorouders de warmte van de haarden in de huizen opzoeken. Net zoals in het geval van de Aos sí lag ook hier weer gevaar op de loer. Dankbare voorouders bezochten jouw huis en brachten voorspoed voor het nieuwe jaar. Overgegane familieleden die nog een rekening te vereffenen hadden echter, konden het huishouden veel leed en narigheid bezorgen.

Bedelen, verkleden en grappenmakerij

De periode rondom het nieuwjaarsfeest was er een van solidariteit en vrijgevigheid. Dit zagen we eerder al in het aanbieden van voedsel aan voorouders en het maken van offers aan de Aos sí. Uit de vroegste
overleveringen van het Samhain-feest wordt duidelijk dat de armen en zij voor wie de jaarlijkse oogst tegenviel dankbaar gebruik maakten van dit moment. Zij gingen van deur tot deur en bedelden om voedsel. Op deze manier kon de voorraadkast voor hen ook aangevuld worden ter voorbereiding op de winter. De beter bedeelden gaven gul opdat zij geloofden dat dezenbarmhartige daad voorspoed zou brengen voor het
nieuwe jaar. Wanneer wij dit lezen is de stap naar het feest van Sint- Maarten slechts een hele kleine.

Hoewel de traditie van het langs de deuren gaan sterk was, was hij onderhevig aan verandering. In latere eeuwen ging men nog altijd van deur tot deur, maar nu verkleed als een van de Aos sí. Het idee hierachter was er mogelijk een van schaamte. Met de verkleedkleren was het immers makkelijker voor de bedelaar om zijn of haar identiteit niet prijs te
hoeven geven. Ook werd gedacht dat het verkleden als Aos sí je kon behoeden voor hun nare kanten. Immers, de Aos sí leverde soms streken aan mensen, maar niet aan wezens binnen hun eigen kringen. Voor het bedelen zelf had het verkleden nog een ander nut. Hoewel de gever wist dat de bedelaar niet echt tot de Aos sí behoorde was het lastiger om het geven van een gift te weigeren. Je wist immers maar nooit… zeker niet wanneer de bedelaar beweerde offers op te halen in naam van de Aos sí zelf.
De stap van het verkleden als Aos sí naar het uithalen van grappen en grollen die met hen in verband werden gebracht was een kleine. Dit gebeurde dan ook veelvuldig en heeft vermoedelijk geleid tot de
latere traditie van ‘trick or treat’ die hoort bij Halloween.

De traditie van het verkleden hield stand, maar werd uitgebreid met het zingen van liederen of het reciteren van poëzie en gebeden in ruil voor een gift. Hiermee kwam er een eind aan het tijdperk dat enkel minderbedeelden uit noodzaak langs de deuren moesten maar werd het meer een algemeen volksgebruik waar (vooral jonge) mensen van alle rangen en standen aan mee deden.
In het zuiden van Ierland werd een stokpaard meegedragen tijdens deze ommegangen langs huizen en boerderijen. In veel gevallen ging het
om een echte paardenschedel welke was versierd. De schedel werd op een stok gedragen door een persoon die verder geheel schuilging onder een laken. De groep mannen die werden aangevoerd door deze Láir Bhán (witte merrie) bliezen op koehoorns tijdens de ommegang. Aangezien het witte paard werd gezien als een voorteken van de dood moest dit een
angstaanjagend geheel zijn geweest. Het blazen van de horens is overigens een vrij bekend gebruik in Groot-Brittannië en op het Europese
vasteland. De traditie echter vindt vaak plaats inmrelatie tot de Midwinterviering.

Het gebruik van de ommegangen in vermomming nam op iedere plaats verschillende vormen aan. Er is bekend dat in sommige gebieden jongens zichzelf verkleden als meisje en omgekeerd. Elders werden maskers gedragen of werden gezichten geschminkt of ingesmeerd met roet en as van het vreugdevuur.

Van een knol met een lichtje naar de Jack-o’-Lantern

De knol, biet of winterpeen met een lichtje wordt door
antroposofen in verband gebracht met de viering van Sint-
Maarten, terwijl bij Halloween voornamelijk gedacht wordt aan
pompoenen. De pompoen is echter een veel latere toevoeging
die tijdens de viering van Samhain nog niet in beeld was. Waarom
knollen en dergelijke groenten werden gebruikt is niet precies
bekend. Het voor de hand liggende antwoord echter is dat
deze veelvuldig voor handen waren en goed bruikbaar. Het
kleine lichtje in de duisternis, gevormd door een kaarsje in een
knol, zou volgens sommige verhalen te herleiden zijn naar de dwaallichten die soms werden waargenomen in de veen- en moerasgebieden van Schotland en Ierland. Het volgen van deze dwaallichten, veroorzaakt door de Aos sí, was gevaarlijk. Het was immers onduidelijk waar je heen geleid zou worden en of er nog wel een weg terug zou zijn… Een andere verklaring voor de dwaallichten wordt verderop beschreven in het
verhaal van Jack o’Lantern.

Knollen werden uitgehold en voorzien van een ingekerfde versiering. Vaak ging het hierbij om gezichten die meestal een angstaanjagend karakter hadden. Overleveringen leren dat de lantarens op deze manier werden versierd om de Aos sí uit te beelden. Voor de lantarens zijn twee manieren van.gebruik bekend en het is onduidelijk of het hier gaat om regionale verschillen of dat beide manieren naast elkaar werden toegepast. Enerzijds werden de lantarens meegenomen op de rondgangen van huis naar huis om de bedelaars van verlichting te voorzien. De lantarens droegen
zo ook bij aan de act van het nabootsen van de Aos sí.
Anderzijds is bekend dat de lantarens bij de voordeuren van huizen werden geplaatst of in vensterbanken ten einde het kwade af te schrikken.

De traditie van de gekerfde lantaren is bekend uit zowel Ierland als Schotland. In Engeland echter doet deze traditie pas zeer laat, in de negentiende eeuw, zijn intreden. In Engeland staat de lantaren
gemaakt van een knol bekend als een Jack-o’-Lantern. Deze naamgeving is afkomstig van een Iers volksverhaal wat vele varianten kent. Hierbij een veel voorkomende interpretatie van het verhaal:

Een dief genaamd Jack had zojuist een buit gemaakt in een klein dorpje. Helaas was hij betrapt tijdens zijn misdaad en was nu op de vlucht voor een groepje dorpelingen door wie hij achternagezeten werd. Tijdens zijn vlucht kwam Jack de Duivel tegen die hem zei dat zijn tijd gekomen was, het was tijd om te sterven. Jack, die nog niet dood wilde, stelde aan Satan voor om hem te helpen een kwaadaardige streek met de dorpelingen uit te halen in ruil voor zijn leven. De Duivel was geïnteresseerd en vroeg Jack om zijn plan uit de
doeken te doen. De Duivel zou in een zilveren munt veranderen waarmee Jack de boze dorpelingen zou betalen voor de gestolen goederen. Over een aantal dagen zou de Duivel terug veranderen en zou de munt dus ineens verdwenen zijn! Dit zou leiden tot een gevecht onder de christelijke dorpelingen over wie de munt gestolen had. De Duivel ging akkoord met Jacks plan, veranderde in een zilveren munt en sprong in Jacks portemonnee. Tot zijn grote schrik
vond de Duivel een zilveren kruisje in hetzelfde vakje van de portemonnee. Jack, ondertussen ritste vliegensvlug de beurs stevig dicht. De Duivel schreeuwde om hulp maar was gevangen, samen met het
kruis wat ervoor zorgde dat hij zijn machten en krachten kwijt was. Vervolgens deed Jack de
paniekerige Duivel opnieuw een voorstel. Jack zou de Duivel vrijlaten als hij beloofde zijn ziel nooit te komen halen.

Vele jaren later overleed Jack, zoals dat gebeurt bij alles wat leeft. Hij had in zonden geleefd en kon dus niet in de hemel terecht. De Duivel echter had beloofd zijn ziel nooit te komen halen en daarvoor was er ook in de hel voor Jack geen plaats. Dit resulteerde in het feit dat Jack nergens had om heen te gaan. Hij zou tot in het einde der tijden door de donkere nacht moeten dwalen.
Hij vroeg aan de duivel hoe hij kon weten waarheen te gaan.
Hij had immers geen licht om zijn weg te wijzen. Plagend gooide de Duivel hem een gloeiend kooltje toe om zijn pad te verlichten. Jack holde een knolletje uit en stopte het kooltje er in. Met zijn lantaren in de hand begon hij aan zijn eeuwig durende wandeling, op zoek naar een laatste rustplaats voor zijn ziel. Hij kwam bekend te staan als Jack met de lantaren (Jack of the Lantern), of Jack o’Lantern. Als je op een gure donkere herfstnacht door de Ierse veengebieden rijdt kun jehem nog altijd zien, als een dwaallichtje in de duisternis
.

Een voorchristelijk feest gekerstend


Na een flink aantal pagina’s is het woord Halloween nog maar zeer mondjesmaat gevallen, en dat terwijl dit stuk daarover zou gaan. Het is tijd om daar verandering in te brengen.
Met de komst van het christendom naar het vasteland van Europa, Groot-Brittannië en Ierland brak er een periode van verandering aan die op vele vlakken zijn weerslag had en niet in het minste op volksgebruiken en feesten. In het jaar AD 609 werd in Ierland Allerheiligen ingevoerd. Deze dag, die ook gevierd werd op andere plekken in Europa stond op de kalender voor 13 mei. Pas zo’n tweehonderd jaar later, in AD 835 werd de datum van Allerheiligen op voorspraak van Lodewijk de Vrome en Paus Gregorius IV verplaatst van 13 mei naar 1 november in het Karolingische rijk (hieronder vielen Frankrijk, België, Luxemburg, de zuidelijke helft van Nederland en delen van Duitsland). Historische bronnen uit zowel Engeland als Duitsland echter maken al melding van een viering van Allerheiligen op 1 november aan het begin van de zevende eeuw. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat Engeland de datum van de
voorchristelijke Samhainviering overneemt van Ierland, Wales en Schotland als de datum voor het christelijke Allerheiligen.
Deze gewoonte wordt vervolgens door Engelse missionarissen naar Duitsland geëxporteerd. Een andere verklaring is dat de viering van Allerzielen op 1 november in Duitsland startte, geïnspireerd op een
voorchristelijk feest van de Germanen. Met de migratie van de Angelen en de Saksen naar Engeland zou de significante datum daar beland en
vervolgens gekerstend kunnen zijn, onafhankelijk van Samhain.
Hoe het ook zij, het lijkt er op dat de officiële aanpassing van de datum door Paus Gregorius IV slechts een formaliteit was om de regels aan te passen aan de geldende gewoontes.
Pas na het jaar AD 1000 werd 2 november door de Katholieke kerk gemaakt tot Allerzielen. De toevoeging van dit feest maakte van de Allerheiligenperiode een drie daags fenomeen wat begon op 31 oktober met Allerheiligenavond, gevolgd door Allerheiligen op 1 november en Allerzielen op 2 november. Allerheiligen wordt in het Engels nu vaak ‘All Saints Day’ genoemd. Een wat oudere benaming is echter ‘All Hallows Day’. De Allerheiligenavond wordt dan ‘All Hallows Eve’. Dit laatste,
mogelijk onder de invloed van de uitspraak van Samhain als Soween, is in de loop der tijd verbasterd tot Halloween
.

Na de Middeleeuwen

Na de kerstening van Samhain in de vroege Middeleeuwen beleven vele tradities die verbonden waren aan het voorchristelijke feest bewaard. Zoals we eerder hebben kunnen lezen bestonden deze tradities door de eeuwen heen naast vreugdevuren en waarzeggerij uit ommegangen, bedelen, het maken van lantarens en het uithalen van grappen en grollen. Het bedelen van deur tot deur, wat vaak gerekend wordt tot een van de oudste tradities van het Samhainfeest bleef belangrijk. Nog altijd was er veel armoede en was het bedelen echt noodzakelijk. Daarnaast werden het langs de deuren gaan met een lantaarn, zingen, bangmakerij en grappen steeds vaker een leuk tijdverdrijf voor kinderen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-21.jpg

Zielenkoekjes werden een lekkernij die geassocieerd werd met Halloween. Deze ronde platte koekjes die vaak nootmuskaat, kaneel, gember, rozijnen en krenten bevatten werden versierd met een kruis. De koekjes dienden in het begin als een aalmoes voor de armen en representeerden de zielen van de overledenen. Met het verstrijken van de eeuwen werden de koekjes steeds vaker een lekkernij voor kinderen. Een traditioneel lied dat hoort bij de traditie van het bedelen om soul cakes gaat als volgt:

(REFREIN)
A soul! a soul! a soul-cake!
Please good Missis, a soul-cake!
An apple, a pear, a plum, or a cherry,
Any good thing to make us all merry.
One for Peter, two for Paul
Three for Him who made us all.

(COUPLET 1)
God bless the master of this house,
The mistress also,
And all the little children
That round your table grow.
Likewise young men and maidens,
Your cattle and your store
And all that dwells within your gates,
We wish you ten times more.

(REFREIN)

(COUPLET 2)
Down into the cellar,
And see what you can find,
If the barrels are not empty,
We hope you will prove kind.
We hope you will prove kind,
With your apples and strong beer,
And we’ll come no more a-souling
Till this time next year.


(REFREIN)

(COUPLET 3)
The lanes are very dirty,
My shoes are very thin,
I’ve got a little pocket
To put a penny in.
If you haven’t got a penny,
A ha’penny will do;
If you haven’t got a ha’penny,
It’s God bless you.

Toen tussen 1845 en 1849 de grote hongersnood en het beleid van de Engelse overheerser meer dan een miljoen dodelijke slachtoffers in Ierland maakten besloten nog eens een miljoen Ieren een beter leven te gaan
zoeken in Australië of Noord-Amerika. Naar de nieuwe wereld namen zij bepaalde gewoontes mee waaronder de viering van Halloween.
Gedurende de twintigste eeuw en daarna werd Halloween met name in de Verenigde Staten een steeds commerciëlere aangelegenheid. De komst van horrorfilms en steeds schokkender digitaal beeldgebruik maakten het feest steeds extremer. Dood en verderf, skeletten, kettingzagen en afgehakte ledenmaten zijn niet ongewoon. Veel hiervan is terug te zien in de merchandise die in de Verenigde Staten, vele andere landen en ook steeds vaker in Nederland te koop is. Het langs de deuren gaan en het uithalen van
grappen is gebleven, maar de plagerijen zijn met de tijd vervelender van aard geworden. Weiger je de deur open te doen op de avond van Halloween dan zijn een paar eieren tegen de ramen niet
ongewoon meer.

Hier in Engeland waar wij wonen hebben heel veel kinderen ieder jaar
veel plezier van het feest van Halloween. Er is hier weinig te merken van bovenstaande excessen die toch vooral met de viering in de Verenigde
Staten geassocieerd worden. Kinderen gaan langs de deuren en maken je soms op een ludieke manier aan het schrikken. Ze zingen ook en zijn vaak
juist op een originele manier verkleed.
De pompoen met lichtje is een gegeven en dient voornamelijk als een
uitnodiging. We zetten hem op het tuinmuurtje of in de vensterbank om aan te geven dat ‘bedelaars’ bij ons welkom zijn. Van het vruchtvlees maken we een heerlijke pompoensoep. De kinderen krijgen snoepjes, maar ook
mandarijntjes. Heb je geen pompoen buiten of in het raam? Dan wordt er bij jou niet aangebeld en worden er ook geen nare grappen uitgehaald. Het is dan duidelijk dat je niet meedoet.
Het organiseren van de Halloweenoptochten begint in ons dorp al aan het begin van september. Zodra het eerste blaadje valt begint het te kriebelen! De organisatie brengt straten en buurten samen en er wordt overlegd over de vormgeving van het feest. Daarmee is het voor velen een zeer sociale
aangelegenheid die mensen uit hun isolement haalt tijdens deze melancholische periode van de naderende winter

Voor velen in het Verenigd Koninkrijk is Halloween het begin van de
feestdagen. Het wordt op de voet gevolgd door Vreugdevurennacht op 5
november (Bonfire night of Fireworks night) en de start van het kerstseizoen.
Het beeld dat geschetst wordt door de toename van commercialisering en
excessen is dat van een vervelend en gewelddadig horrorfeest wat er
voornamelijk is om de inkomsten van winkels te dienen. Helaas is dit beeld
erg hardnekkig, vooral ook onder antroposofen en hen die houden van
het op de vrijeschool traditionele feest van Sint-Maarten. Met deze beschrijving van het authentieke karakter van het Halloween feest hoop ik daar een ander licht op te laten schijnen.


Zoals te lezen viel blijkt uit de historische gegevens niets van de commercie en de horror. Het ‘enge’ element van het feest ging niet over afgehakte ledenmaten, kettingzagen en dolende geesten, maar over het nabootsen van de natuurwezens waarvoor men bewondering had maar ook een beetje bang was. Dit element van het feest is niet los te zien van de volkscultuur in Ierland en Schotland die doordrongen is van kleine volkjes, bijgeloof en tradities die voortkomen uit het voorchristelijke en het katholicisme. De natuurwezens spelen ook in het antroposofisch wereldbeeld een rol en zouden daarom niet zo moeilijk voor te stellen moeten zijn.
Wanneer jij het niet voedt is er dus geen horrorelement te bespeuren in de viering en het gedachtegoed van Halloween. Er blijft onschuldig volksvermaak en bijgeloof met intrigerende tradities over.
Het horroraspect is er alleen als we blindelings de commercie, pretparken en films volgen. Hierin heb je als ouder, leerkracht en antroposoof een keuze. Het is belangrijk om kinderen kennis te laten maken met (de historie van) verschillende culturen en daar is Halloween uitermate geschikt voor. Net zoals bij het Sinterklaasfeest gekozen kan worden om elementen als Zwarte Piet weg te laten kan er ook bij Halloween gekozen worden de verzonnen horrorkant niet in het voetlicht te stellen.

Buiten het ‘enge’ element is Halloween een feest van dankzegging voor de gaven van Moeder Aarde en van voorbereiding op het nieuwe jaar. Ook dit is voor antroposofen een kleine stap aangezien wij exact hetzelfde doen tijdens de Michaëlstijd. Tevens markeert Halloween de viering van de laatste oogst, het terugtrekken van de levenskracht en het afnemen van het
licht. Allemaal elementen die voor antroposofen en vrijescholers heel goed te begrijpen zijn door de thema’s van vieringen als Sint-Maarten en de
andere lichtfeesten.
Vrijgevigheid, zorgen voor elkaar en naar elkaar omkijken staan centraal bij Halloween omdat het van oudsher het moment was om elkaar de winter door te helpen. Deze thema’s van barmhartigheid en belangeloos
schenken staan centraal tijdens onze vieringen van Sint-Maarten en Sint- Nikolaas. Daarnaast zijn deze deugden in de huidige maatschappij belangrijker dan ooit.
Tot slot nog het element van het gedenken van de doden. Wat is er mooier dan het beeld van gastvrijheid dat het feest van Halloween oproept? Het even weer verwelkomen van dierbare voorouders in ons huis. Even nog die kans elkaar weer te ontmoeten en te verwennen met een goede maaltijd en een warm haardvuur. Wie zou dat niet wensen? Het beeld geeft de sterke boodschap dat angst voor geesten niet nodig is en dat de horrorfilms het niet hebben begrepen. Liefhebbende familieleden zijn er altijd om je te beschermen en te dragen waar nodig. Nodig ze uit, omarm ze en
maak er samen een mooi feest van!

Halloween is een breed volksfeest dat in zijn originele vorm de vrijescholer
aan zou moeten spreken. Het is een smeltkroes van voorchristelijke en
christelijke elementen die binnen antroposofische kringen ook bestaan
maar uitgesmeerd worden over meerdere feesten. Het feest is er niet
een die ter vervanging van Sint-Maarten zou moeten dienen.
Daarvoor is Halloween te breed. Het feest is echter een goede inleiding tot
de sentimenten van het herfstseizoen en is dus bruikbaar ongeacht de achtergrond van de vierder.
Het is goed om te beseffen dat het feest van Sint-Maarten, maar ook zovele andere vrijeschoolse vieringen zulke oude en diepe wortels hebben. Zonder Samhain of Halloween is het immers zeer onwaarschijnlijk dat wij ooit zoiets als Sint-Maarten zouden hebben gevierd.


Oíche Shamhna Shona duit!
Happy Halloween!

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten jaartafels

.

2369-2221

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – vrede (5-6)

 
Lex Bos, Jonas 8/9 14-12-1979

.

Vrede en onvrede rust, eerbied en dankbaarheid

Wanneer we naar de overal losbarstende oorlogshaarden kijken, lijkt vrede op aarde verder weg dan ooit. Heeft het nog zin er over te schrijven? Als ik daar niet van overtuigd was, zou dit artikel niet zijn ontstaan. Interessant detail: het ontstond door een vraag van iemand uit Groningen, die over het thema ‘vrede’ moest spreken en benieuwd was, hoe de auteur van het boekje ‘Individuele en sociale bewustwording’ over dit thema dacht. Ik realiseerde me toen dat Groningen wel een polemologisch instituut heeft (po-emos is het Griekse woord voor oorlog) maar nog geen ‘eirenologisch’ instituut (eirènè is Grieks voor vrede). Misschien is er wel zo veel onvrede omdat we nog zo weinig weten wat vrede eigenlijk is…

Vrede en onvrede zijn merkwaardig in ons innerlijk leven vermengd. Eigenlijk zitten ze op de verkeerde plek, met een verkeerde gerichtheid. Het moderne economische leven prikkelt de begeertes en roept steeds opnieuw onvrede in de ziel op. Een tweede huis, betere stereo-apparatuur, een snellere auto, nog verder weg in de vakantie en zo voort. Dat vraagt om meer inkomen, een andere baan, betere arbeidsvoorwaarden. Er is een voortdurende onrust in de westerse ziel naar anders, meer, beter, sneller, gemakkelijker. En wat de commercie aanbiedt geeft slechts tijdelijk bevredeging. Na de consumptie ontstaat weer een nieuwe leegte, een nieuwe onvrede.

Deze naar buiten gerichte begeerte is agressief van aard. De mens wil zijn begeerten bevredigen, desnoods ten koste van de ander, van het milieu, van andermans grondgebied, van de levensstandaard in ontwikkelingslanden en zo voort. Hoewel oorlogen zeker nog wel hun ideologische kanten hebben (Israël, Arabische landen, communisme) geloof ik dat in onze tijd praktisch alle politiek, economische politiek is geworden, en praktisch alle agressie tussen groepen en volkeren van uit het onvrede-begeerte gebied in de mensen gevoed wordt.
De agressiviteit van deze onvrede is ook duidelijk herkenbaar in de wetenschap. Moderne natuurwetenschappelijke laboratoria zijn pijnbanken, waarop de natuur gefolterd wordt, tot ze haar geheimen prijs geeft. Dat doet ze natuurlijk niet, zodat we nog heel weinig van de natuur afweten. Door analytische methodes hakken we de natuur in stukjes. Om allerlei invloedsfactoren onder controle te krijgen isoleren we deze op kunstmatige wijze. We creëren experimenteersituaties waarin bijvoorbeeld met elektronisch geweld substanties getransformeerd worden. In al dat gedrag herkennen we onvrede met de natuur zoals ze zich openbaart. We willen de schepping eigenlijk overdoen en de natuur in onze logisch-abstracte modellen persen.

Wanneer we nu op zoek gaan naar vredesfenomenen, dan is veel daarvan samen te vatten als een vrede-karikatuur. In de Amerikaanse sociale psychologie verschijnt het beeld van een mens, die voortdurend streeft naar ‘tension reduction, no frustration, no pain, no stress, no suffering enzovoorts’. De medische wetenschap en de psychotherapie raken niet uitgeput in het bedenken van tranquillizers (‘vredestichters’), anti-stressmiddelen, spanning-opruimers, uitlaatklep-openers en dergelijke. Deze vrede-karikaturen verschijnen in de mens drievoudig, in zijn denken, voelen en willen.

In het denkleven verschijnt het vrede-karikatuur als de afwezigheid van vragen naar het waarom, naar het waardoor en naar de samenhang van de talloze verschijnselen, die ons omgeven. Wat de materialistische natuurwetenschap aan verklaringen geeft over leven, dood, evolutie, lot enzovoorts is mechanistisch van aard en moeten de ziel onbevredigd laten. Wat de ‘openbare mening’ ons in de massamedia toeroept als achtergrond van sociaal-economische verschijnselen, is eigenlijk grotendeels onwaar. En toch zijn er veel zielen die daar tevreden mee zijn, geen vragen meer stellen!

In het gevoelsleven verschijnt het vrede-karikatuur als burgerlijke gezapigheid: 1 vrouw, 2 kinderen, 3-kamerwoning, auto met 4 wielen, om 5 uur de buis aan enzovoort. Het niveau van die gezapigheid moet wel steeds omhoog, maar ook dat proces is in wezen gezapig gedacht.

In het wilsleven verschijnt het vrede-karikatuur via de oosterse-scholings-wegen. Ik bedoel niet de onschuldige export-yoga die de mensen helpt zich te ontspannen. Ik bedoel de oosterse scholingswegen, die de mens er toe brengt niets meer te willen, op te gaan in dé al-vrede van het nirwana – en daarmee in wezen zijn persoonlijkheid prijs geeft.

Wanneer ik in het voorgaande heb gesproken over een vrede – en onvrede karikatuur in de mens, dan duidt dat op de aanwezigheid van een écht beeld, van een oerbeeld van de vrede. Waar kunnen we dat vinden? Elk jaar met Kerstmis wordt het in de ziel wakker geroepen.

Als Jezus van Nazareth in Bethlehem geboren wordt, zijn de herders op het veld. In de droom verschijnt hun de christusgeest en zij horen klinken:

geopenbaard zij God in den Hoge
en vrede op aarde
in de mensen die van goeden wille zijn.

Wat hebben deze woorden ons te vertellen?

Er is blijkbaar sprake van twee nieuwe perspectieven, die de mens onder bepaalde voorwaarden worden geboden.

De mens wordt opgeroepen op zoek te gaan naar de bron van het goede, hij wordt gewezen op de mogelijkheid zijn wil vanuit morele krachten te laten richten. Voor de mensen die in die zin op weg gaan, worden twee perspectieven geboden: enerzijds een verruiming van het bewustzijn, een doorbreken van het aan de zintuigen gebonden weten, een kennend binnentreden in de bovenzinnelijke wereld, waarbij hogere wezens dan de mens (‘God in den Hoge’) zich weer aan de mens willen openbaren; anderzijds een perspectief naar een sociaal handelen en een ordening van menselijke relaties die vrede op aarde mogelijk maken.

De vraag die natuurlijk nog levensgroot openstaat, is die naar de bron van moraliteit in onszelf. Dat er geen instanties, normen of wetten buiten ons zijn die ons kunnen vertellen wat goed en kwaad is, wordt steeds duidelijker. Maar kunnen we in onszelf zo’n instantie vinden?

Het was de lichtende Christusgeest die de woorden tot de herders sprak. Hij heeft zich bij de Doop in de Jordaan met Jezus verbonden en is door dood en opstanding heen gegaan. Vanaf dat moment kan ieder mens Hem als kracht in zichzelf opzoeken.

Het opzoeken van die bron heeft alles te maken met het thema vrede, en met het vinden van het vredes-oerbeeld, waarmee de beschreven karikaturen kunnen worden genezen.

De weg die ik wil beschrijven loopt door de gebieden van innerlijke rust, eerbied en dankbaarheid naar de kwaliteit vrede, dit is eigenlijk een hogere vorm innerlijke rust.

Die weg begint met het bij jezelf oproepen van innerlijke rust in de ziel. Op het moment dat je daarvoor gaat zitten, merk je wat een innerlijke onrust je in je hebt. Onrust in je lichaam, allerlei opkomende impulsen, rondflitsende associaties en dergelijke. Een hulp bij het streven naar innerlijke rust kan het oproepen van een beeld zijn. Het langzaam uitspreken van bijvoorbeeld het bekende gedicht van Goethe, kan dit beeld een zekere kracht en duur geven:

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.

Boven elke bergtop
heerst rust,
in elke boomkruin
bespeur
je amper nog een zucht;
de vogels zwijgen in het loof.
Wacht maar, spoedig
rust jij ook.

Het is de grootheid van Goethe dat hij niet alleen in het beeld en in de klinkers (oe en au) een grote serene rust oproept, maar dat hij je ook een weg laat gaan door de natuurrijken heen: de ‘Gipfeln’ – toppen van bergen – zijn het minerale rijk, de ‘Wipfeln’ – kruinen van bomen – zijn het plantenrijk, de ‘Vögelein’ het dierenrijk en ‘du’ is de mens. Voorts voert het gedicht je van oneindige verten, tot dicht bij jezelf.

Voor het beeld van de bergtoppen met de eeuwige sneeuw, moet je werkelijk een hoog omvattend punt beklimmen. Om daarna over de kruinen van de bomen te kijken, moet je op z’n minst tot de boomgrens afdalen. Daarna begeef je je in de bossen, om te horen dat de vogels zwijgen en tenslotte eindig je bij jezelf, mét de drievoudige rust van de natuurrijken, die je innerlijk als beeld hebt opgeroepen.

Dat beeld roept na enige tijd, mét de rust een andere kwaliteit in de ziel op. Die van de eerbied voor de ons omringende natuur. Het is ook goed deze stemming, dit gevoel rustig een tijdje in de ziel te laten staan. Het biedt een brug naar een nog dieper gevoel: dat van dankbaarheid. Het besef kan ontstaan, dat al die natuurrijken leven op aarde mogelijk maken. Wanneer je beseft wat steen, plant en dier voor de mens betekenen, kan er een intens gevoel van dankbaarheid in de ziel groeien. Dat moet Christiaan Morgenstern beleefd hebben toen hij dichtte:

Die Fusswaschung

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein –
und aller Gottheit vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein.

De voetwassing

Ik dank u, gij stille steen,
en buig mij tot u neder:
door u ben ik verbonden met het plantenzijn.

Ik dank u, gij aarde en plantenwereld,
en buig mij tot u neder:
gij hielp mij tot het creatuurlijk zijn.

Ik dank u, steen, plant en dier,
en buig mij tot u neder:
aan u gedrieën heb ik mijn bestaan te danken.

Wij danken u, oh mensenkind,
en knielen nederig voor u:
slechts door uw aanwezigheid kunnen
wij bestaan.

Dank stroomt uit goddelijke eenheid
en veelvoudigheid.
In dank is alle bestaan verenigd.

De gevoelens van dank voor de natuurrijken kunnen zich verwijden tot gevoelens van dank, voor alle medemensen die je het leven mogelijk hebben gemaakt. Een terugblik in de biografie kan zichtbaar maken, hoe veel mensen hun goede zorgen aan je besteed hebben: ouders, leraren, vrienden. Zonder hen zou je niets zijn geweest. In dat beeld kunnen ook geleidelijk al diegenen verschijnen, die niet weten dat ze je gediend hebben, maar dat wel gedaan hebben. Ze hebben het brood voor je gebakken, anderen zorgden voor vervoer naar vakantieplaatsen en weer anderen drukten boeken die je hebt kunnen lezen.

Mét het groeien van deze dankbaarheid kan het gebeuren, dat je met een zekere vanzelfsprekendheid ook dankbaar bent naar mensen, naar wie dat niet zo vanzelfsprekend is. Je kunt zelfs gaan ontdekken, dat je aan de mensen die je het leven moeilijk hebben gemaakt, – je leed hebben veroorzaakt, je dingen hebben onthouden, – positieve krachten kunt ontwikkelen. Door zulke inzichten kunnen de dankbaarheidsgevoelens zich verhogen tot dankbaarheid tegenover de geestelijke leiding, die blijkbaar in het kunstwerk van de eigen biografie werkzaam is. Die gevoelens monden tenslotte uit in de kwaliteit VREDE; vrede met het eigen lot, vrede met de ontwikkelingsstroom waarin je geplaatst bént. Zelfs kan je je er langzamerhand van bewust worden, dat je jezélf in een ontwikkelingsstroom geplaatst hebt.

Het is deze vrede waar christenen altijd om gebeden hebben, met hun ‘Dona nobis pacem’ – geef ons vrede -en die zij met de communie ontvingen als de priester de zegen uitsprak: ‘Pax vobiscum’ – de vrede zij met u -. Dat deze vrede een vrede in Christus is, kon een onmiddellijk beleven zijn. Je realiseert je, in de sfeer van de vrede met het lot aangeland zijnde, dat Christus de stuurder van het lot is en dat alleen Hij deze vredeskracht in de ziel kan oproepen. Het is inderdaad een vredeskracht, een actieve vrede, een bron van moraliteit, van goede wil.

Wanneer wij deze vredeskracht in onszelf gevonden hebben en de weg erheen blijven verzorgen, dan kunnen we de karikaturen van vrede en onvrede in de eigen ziel genezen. Ik heb deze karikaturen naar twee kanten beschreven:

– naar de kant van het sociale handelen: agressieve begeerte, onvrede, gezapige vrede.

– naar de kant van het onderzoekend kennen: tevredenheid die geen vragen meer stelt, agressief analytisch onderzoek.

We kunnen naar de kant van het sociale handelen alles samenvatten onder het woord kunst. Daarmee bedoel ik het vorm-veranderend, substantie-om-vormend ingrijpen van de mens in de wereld om hem heen. We kunnen naar de kant van het onderzoekend kennen alles samenvatten onder het woord wetenschap. Laten we ons eens voorstellen dat alles wat we zowel naar de ene kant (het onderzoekend kennen) als naar de andere kant (het sociale handelen) doen, gedragen wordt door de morele kwaliteiten, die we op onze weg naar de innerlijke vrede verworven hebben. Wanneer de Christus-vrede-geest werkzaam wordt in kunst en wetenschap, wat voor perspectief doemt dan op? Ik denk dat wetenschap dan leiden zal naar een ‘openbaring van god in den hoge’ en dat kunst voeren zal naar een ‘vrede op aarde’.

Bij de geboorte van het Christuskindf werd de mens opgeroepen, om de krachten die zich hier op aarde met een mens verbonden, in de eigen ziel op te zoeken. Ze zijn de bron van alles wat op aarde als goede wil werkzaam is. De mens kan van uit deze bron de weg naar binnen gaan en waarheid zoeken. De mens kan van uit deze bron ook de weg naar buiten gaan en het goede sociale handelen verwerkelijken.

De geboorte van zijn hoger wezen, zijn menswordingsweg gaat tussen twee zuilen door: op de ene staat wetenschap, met daarachter ‘Geopenbaard zij God in den Hoge’ en op de andere staat kunst, met daarachter ‘vrede op aarde’.

Als hij ze beide in zijn bewustzijn heeft, zal zijn weg de juiste zijn, in de richting van de mensheidsgeest, die zich in de oer-kerstnacht openbaarde.

Vertaling ‘Die Fusswaschung’ Erna Landweer.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

2368-2220

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/7)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 302A

Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis

 

Stuttgart, 9 voordrachten

Deze titel is onderverdeeld in 3 andere:

Meditativ erarbeitete Menschenkunde
Vier voordrachten van 15. tot 22. september 1920\
Vertaald als: Menskunde innerlijk vernieuwd

Erziehungsfragen im Reifealter
Zur künstlerischen Gestaltung des Unterrichts
Twee voordrachten op 21. en 22. juni 1922

Anregungen zur innerlichen Durchdringung des Lehr- und Erzieherberufes
Drie voordrachten op 15. und 16. Oktober 1922*
Vertaald als: Menskundige aanwijzingen voor het leraarschap

*De data veronderstellen twee voordrachten. In de boekuitgave is er een derde voordracht, eveneens op 16 oktober. In de inhoudsopgave van het PDF-bestand wordt aangegeven dat deze op 22 oktober 1922 werd gehouden. Het jaartal 1922 staat wél bij de inhoudsopgave, maar wanneer je de voordracht opzoekt, geeft deze als datum: oktober 1923; de voordracht van 22 okt. blijkt bij de leesinhoud ook gedateerd op 16 oktober 1923.

Meditativ erarbeitete Menschenkunde

Vertaald als: Menskunde innerlijk vernieuwd

Voordracht 2, Stuttgart 16 september 1920

Blz. 25/26  vert. 26/27

Vergegenwärtigen wir uns, was der Zahnwechsel bedeutet. Der Zahnwechsel ist der äußere Ausdruck dafür, daß vorher, also zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, in dem kindlichen Organis­mus der physische Leib und der Ätherleib stark von dem Nerven­-Sinnessystem, also von oben nach unten, beeinflußt sind. Der physische Leib und der Ätherleib sind bis ungefähr zum 7. Jahre vom Kopfe aus am wirksamsten beeinflußt. Im Kopfe sind gewissermaßen die Kräfte konzentriert, die in diesen Jahren, in denen die Nachahmung eine so große Rolle spielt, besonders wirksam sind. Und was an Gestaltung im übrigen Organismus vor sich geht, in Rumpf und Gliedmaßen, das geht dadurch vor sich, daß vom Kopfe aus Strahlungen nach dem übrigen Organismus, nach dem Rumpforganismus und dem Gliedmaßenorga­nismus, dem physischen Leibe und dem Ätherleibe ausgehen. Dasjenige, was da vom Kopfe aus in den physischen Leib und Ätherleib des gan­zen Kindes hineinstrahlt bis in die Finger- und Zehenspitzen, was da hineinstrahlt vom Kopf ins ganze Kind, das ist Seelentätigkeit, trotz­dem sie vom physischen Leibe ausgeht; ist dieselbe Seelentätigkeit, die später als Verstand und Gedächtnis in der Seele wirkt. Es ist nur so, daß später nach dem Zahnwechsel das Kind anfängt so zu denken, daß seine Erinnerungen bewußter werden.

Laten we ons eens realiseren wat het wisselen van de tanden betekent. De tandenwisseling is de uiterlijke uitdrukking van het feit dat daarvoor, dus tussen geboorte en tandenwisseling, het fysieke en etherlichaam lichaam in het organisme van het kind sterk worden beïnvloed door het zenuw-zintuigstelsel, dus een van boven naar beneden gaande beweging. Ongeveer tot aan het 7e jaar worden het fysieke lichaam en het etherlichaam het actiefst door het hoofd beïnvloed. In het hoofd zijn de krachten geconcentreerd die tijdens deze jaren waarin de nabootsing zo’n grote rol speelt, bijzonder werkzaam zijn. En wat er aan vormgeving in de rest van het organisme – in romp en ledematen – plaatsvindt, dat gebeurt doordat er vanuit het hoofd stralingen uitgaan naar het overige deel van het organisme, naar het romporganisme en het ledematenorganisme, het fysieke lichaam en het etherlichaam. Wat daar vanuit het hoofd in het fysieke en etherlichaam van het totale kind naar binnen straalt tot in de toppen van vingers en tenen, wat daar vanuit het hoofd in het totale kind binnenstraalt, dat is zielenactiviteit, hoewel die van het fysieke lichaam uitgaat. Het is dezelfde zielenactiviteit die later als verstand en geheugen in de ziel werkt. Alleen is het zo dat later na de tandenwisseling het kind zó begint te denken dat zijn herinneringen bewuster worden.

Die ganze Veränderung, die mit dem Seelenleben des Kindes vor sich geht, zeigt, daß gewisse seelische Kräfte in dem Kinde vom 7. Jahre ab tätig sind als Seelenkräfte, die vorher im Organismus wirksam sind. Die wirken im Organismus. Die ganze Zeit bis zum Zahnwechsel, während der das Kind wächst, ist ein Ergebnis derselben Kräfte, die nach dem 7. Jahre als Verstandeskräfte, als intellektuelle Kräfte auftreten. Da haben Sie ein ganz reales Zusammenwirken zwischen Seele und Leib, indem sich die Seele mit dem 7. Jahre vom Leibe emanzipiert, nicht mehr im Leibe, sondern für sich wirkt. Da fangen mit dem 7. Jahre diejenigen Kräfte, die nun als Seelenkräfte im Leibe selbst neu entstehen, an wirksam zu werden – und sie wirken ja dann bis in die nächste Inkarnation hinein. Und dann wird zurückgestoßen dasjenige, was vom Leibe aus aufstrahlt, und aufgehalten werden andererseits die Kräfte, die vom Kopfe nach abwärts schießen. So daß in dieser Zeit, wenn die Zähne wechseln, der stärkste Kampf sich abspielt zwischen den Kräften, die von oben nach unten streben, und denjenigen, die von unten nach oben schießende Kräfte sind. Es ist der Zahnwechsel der

Heel de verandering die er in het zieleleven van het kind plaatsvindt, laat zien dat bepaalde zielekrachten in het kind vanaf zijn 7e jaar als zielekrachten actief zijn, die voordien in het organisme werkzaam zijn. Die zijn in het organisme actief; het opgroeien van het kind al die tijd tot aan de tandenwisseling is het resultaat van dezelfde krachten die na het 7e jaar optreden als verstandskrachten, als intellectuele krachten. Daar zie je een heel reële samenwerking tussen ziel en lichaam, waarbij de ziel zich rond het 7e jaar van het lichaam emancipeert, niet meer in het lichaam werkt maar op zichzelf. Rond het 7e jaar beginnen de krachten werkzaam te worden die nu als zielekrachten in het lichaam zelf opnieuw ontstaan. En dan werken ze door tot in de volgende incarnatie. Dan wordt teruggekaatst wat er vanuit het lichaam omhoog straalt, en anderzijds worden de krachten die vanuit het hoofd naar beneden stralen tegengehouden. Zodoende speelt in de periode van de tandenwisseling het hevigste gevecht zich af tussen die krachten die van boven naar beneden dringen én die welke van beneden naar boven schieten. De tandenwisseling is de

Blz. 27  vert. 27

physische Ausdruck dieses Kampfes jener beiden Kräftearten; jener Kräfte, die später beim Kinde zum Vorschein kommen als die Ver­standes- und die intellektuellen Kräfte, und jener Kräfte, die besonders verwendet werden müssen im Zeichnen, Malen und Schreiben. Alle die Kräfte, die da heraufschießen, verwenden wir dann, wenn wir aus dem Zeichnen das Schreiben herausentwickeln; denn diese Kräfte wol­len eigentlich übergehen in plastisches Gestalten, in Zeichnen und so weiter. Das sind die Kräfte, die im Zahnwechsel ihren Abschluß finden, die vorher den Körper des Kindes ausplastizierten, die Skulpturkräfte, und die wir verwenden später, wenn der Zahnwechsel vor sich gegan­gen ist, um das Kind zum Zeichnen, zum Malen und so weiter zu brin­gen. Es sind dies hauptsächlich diejenigen Kräfte, die in das Kind ge­legt sind von der geistigen Welt aus, in denen die kindliche Seele gelebt hat vor der Empfängnis, in der geistigen Welt. Sie wirken zuerst kopf­bildend als Körperkräfte und dann vom 7. Jahre ab als Seelenkräfte. So daß wir für die Zeit vom 7. Jahre ab für unsere autoritären Einflüsse einfach das beim Kinde herauskriegen, was das Kind vorher als Nach­ahmung unbewußt übte, indem diese Kräfte unbewußt in den Körper einschlugen.

fysieke uitdrukking van dat gevecht van beide soorten krachten; de krachten die later bij het kind te voorschijn komen als de verstandskrachten en de intellectuele krachten, én de krachten die je speciaal moet gebruiken bij het tekenen, schilderen en schrijven. Alle krachten die daar naar boven schieten, gebruiken we wanneer we vanuit het tekenen het schrijven ontwikkelen. Want die krachten willen eigenlijk overgaan in plastisch vorm geven, in tekenen en dergelijke. Dat zijn de krachten die hun afsluiting vinden in de tandenwisseling, die voordien het lichaam van het kind hebben geboetseerd, de beeldhouwkrachten, en die wij later, wanneer de tandenwisseling voorbij is, gebruiken om het kind tot tekenen, tot schilderen enzovoort te brengen. Dat zijn hoofdzakelijk de krachten die vanuit de geestelijke wereld in het kind zijn gelegd, vanuit de wereld waarin de kinderziel vóór de conceptie leefde. Eerst werken ze hoofdvormend als lichaamskrachten en vervolgens vanaf het 7e jaar als zielekrachten. Zo krijgen we tijdens de periode vanaf het 7e jaar eenvoudig dat uit het kind, onder invloed van onze autoriteit, wat het voordien onbewust al oefende in de nabootsing, doordat die krachten onbewust in het lichaam doordrongen. 

Wenn später aus dem Kinde ein Bildhauer, ein Zeichner oder ein Architekt wird, aber ein richtiger Architekt, der aus den For­men heraus arbeitet, so geschieht das aus dem Grunde, weil ein solcher Mensch die Anlage hat, in seinem Organismus etwas mehr zurückzube­halten von den Kräften, die in den Organismus hinunterstrahlen, etwas mehr zurückzubehalten im Kopfe, so daß auch später noch diese kind­lichen Kräfte hinunterstrahlen. Wenn sie aber nicht aufgehalten werden, wenn mit dem Zahnwechsel alles ins Seelische übergeht, so bekommen wir Kinder, die dann keine Anlagen haben für Zeichnen, für Bildhaue­risches oder für Architektur, die niemals Bildhauer werden können. Das ist das Geheimnis: diese Kräfte hängen zusammen mit dem, was wir durchgemacht haben zwischen dem Tode und unserer neuen Geburt. Man bekommt das, was man braucht innerhalb der Erzie­hungswirksamkeit als die Ehrfurcht, die einen religiösen Charakter ha­ben kann, wenn man sich bewußt wird: Die Kräfte, die du aus dem Kinde herausholst um das 7. Jahr, die du zum Zeichnen- oder Schrei­benlernen verwendest, sie schickt dir im Grunde genommen der Himmel;

Als het kind later beeldhouwer, tekenaar of architect wordt, maar dan wel een echte architect, een die vanuit de vormen werkt, dan gebeurt dat op grond van het feit dat zo’n mens de aanleg heeft om van de krachten die in het organisme naar beneden stralen iets meer in zijn organisme achter te houden, in zijn hoofd achter te houden, zodat die krachten van de kindertijd ook later nog naar beneden stralen. Maar als die niet worden tegengehouden, als bij de tandenwisseling alles in de ziel overgaat, dan krijgen we kinderen die geen aanleg hebben voor tekenen, beeldhouwen of architectuur, die nooit beeldhouwer kunnen worden.

Dat is het geheim: die krachten hangen samen met wat we hebben doorgemaakt tussen de dood en onze nieuwe geboorte. Wat je binnen de pedagogische werkzaamheid nodig hebt aan eerbied – die een religieus karakter kan hebben -, dat verwerf je als je je ervan bewust wordt dat de krachten die je rond het 7e jaar uit het kind haalt, die je voor het leren tekenen of schrijven gebruikt, jou in feite worden gestuurd door de hemel.

Blz. 28  vert.  28

also die geistige Welt schickt herunter diese Kräfte, das Kind ist der Vermittler, und du arbeitest eigentlich mit den aus der geistigen Welt heruntergesendeten Kräften. Diese Ehrfurcht vor dem Geistig-Göttlichen ist, wenn sie den Unterricht durchströmt, tatsächlich etwas, was Wunder wirkt im Unterricht. Und wenn Sie das Gefühl haben: Sie stehen in Verbindung mit den aus der Zeit vor der Geburt aus der geistigen Welt herunter sich entwickelnden Kräften -, wenn Sie dieses Gefühl haben, das eine tiefe Ehrfurcht erzeugt, dann werden Sie sehen, daß Sie durch das Vorhandensein dieses Gefühls mehr be­wirken können als durch alles intellektuelle Ausspintisieren dessen, was man tun soll. Die Gefühle, die der Lehrer hat, sind die allerwichtigsten Erziehungsmittel. Und diese Ehrfurcht ist etwas, was ungeheuer bil­dend auf das Kind wirkt. So haben wir in dem, was mit dem Kinde beim Zahnwechsel vor­geht, etwas, was unmittelbar eine Umsetzung von geistigen Kräften durch das Kind aus der geistigen Welt in die physische Welt hinein ist.

Dus de geestelijke wereld stuurt die krachten naar beneden; het kind is de bemiddelaar, en jij werkt eigenlijk met die uit de geestelijke wereld omlaag gezonden krachten. Als het onderwijs doordrenkt is van die eerbied voor het geestelijk-goddelijke, dan heeft die eerbied in het onderwijs werkelijk een wonderbaarlijke uitwerking. En als u het gevoel heeft dat u in verbinding staat met de krachten die zich vanaf de tijd vóór de geboorte vanuit de geestelijke wereld naar beneden toe ontwikkelen – dit gevoel dat een diepe eerbied oproept -, dan zult u zien dat u door het hebben van dit gevoel meer kunt bereiken dan door al het intellectuele gepieker over wat je nu weer moet gaan doen. De gevoelens die de leraar heeft zijn de allerbelangrijkste pedagogische middelen. En die eerbied werkt enorm vormend op het kind.
Zo hebben we in wat er bij het kind tijdens de tandenwisseling gebeurt, iets wat in directe zin een omzetting is door het kind van geestelijke krachten vanuit de geestelijke wereld in de fysieke wereld.
GA 302A/25-28
Vertaald

Blz. 34  vert.  35

Nun möchte ich Sie noch aufmerksam machen, weil es besonders bei der pädagogischen Kunst sehr stark in Betracht kommt und wir es pädagogisch verarbeiten können, daß in diesem Kampfe, den ich zuerst geschildert habe so, daß Sie sehen, sein äußerer Ausdruck ist der Zahnwechsel, und in jenem späteren Kampfe, dessen Äquivalent der Stimmwechsel ist, daß bei diesem Kampfe das Eigentümliche vor­liegt, daß er noch einen besonderen Charakter hat: Alles, was in der Zeit bis zum 7. Jahre vom Kopfe aus nach unten geht, das nimmt sich aus gegenüber dem, was ihm von innen entgegenkommt und was aufbaut,

Nu wil ik u nog op het volgende wijzen – omdat het speciaal bij de pedagogische kunst heel sterk in aanmerking komt en we dat in onze pedagogie kunnen verwerken. Bij het gevecht dat ik in eerste instantie zó heb beschreven dat u ziet dat de uiterlijke uitdrukking daarvan de tandenwisseling is, en bij het latere gevecht waarvan de stemwisseling het equivalent is, is het eigenaardige dat het gevecht nog een bijzonder karakter heeft: alles wat in de periode tot het 7e jaar vanuit het hoofd naar beneden gaat gedraagt zich

Blz. 35  vert. 35

wie ein Angriff. Und alles, was von innen heraus wirkt gegen den Kopf hin, was da aufsteigt und dem vom Kopf ausgehenden Strömung entgegenwirkt, ist gegenüber dem, was absteigt, wie eine Abwehr. Das andere nimmt sich aus wie ein Angriff; das von innen heraus nimmt sich aus wie eine Abwehr.
Und wieder ähnlich ist es beim Musikalischen.

als een aanval ten opzichte van wat daaraan van binnen tegemoet komt en wat opbouwend werkt. En alles wat van binnenuit naar het hoofd toe werkt, wat opstijgt en tegen de van het hoofd uitgaande stroom in werkt, is als een afweer ten opzichte van wat neerdaalt. Het andere gedraagt zich als een aanval: dat van binnen uit gedraagt zich als een afweer. Bij het muzikale is het ook iets dergelijks.
GA 302A/34-35
Vertaald /35

Voordracht 4, Stuttgart 22 september 1920  

Blz. 54   vert.  57/58

In den letzten Zeiten ist von mir mehr davon gesprochen worden, wie mit dem Zahnwechsel dasjenige, was organisierend im physischen Leibe ist, sich emanzipiert, während des Zahnwechsels herauskommt und im wesentlichen die Intelligenz bildet. So kann man den Vorgang von einer gewissen Seite her schildern. Man kann ihn auch so schil­dern, wie es in früheren Zeiten geschehen ist, wo von einem anderen Gesichtspunkte aus das Material zum Verständnis des Menschen herbeigetragen worden ist und wo gesagt wurde: Mit dem Zahnwechsel wird der Ätherleib des Menschen geboren; der physische Leib des Men­schen wird mit der Geburt geboren, der Atherleib mit dem 7. Jahre un­gefähr. Was so auf der einen Seite Geburt des Atherleibes genannt wer­den kann, ist dasselbe, was auf der anderen Seite genannt werden kann das Emanzipieren der Intelligenz vom physischen Leibe. Es ist nur die zweiseitige Schilderung derselben Tatsache.

De laatste tijd heb ik meer gesproken over hoe datgene wat bij de tandenwisseling organiserend in het fysieke lichaam zit, zich emancipeert, tijdens de tandenwisseling eruit komt en in wezen de intelligentie vormt. Zo kun je het proces vanuit een bepaald gezichtspunt beschrijven. Je kunt dat ook beschrijven, zoals we in vroeger tijden hebben gedaan, toen het materiaal tot begrip van de mens vanuit een ander gezichtspunt aangedragen werd en we zeiden: tijdens de tandenwisseling wordt het etherlichaam van de mens geboren; het fysieke lichaam van de mens wordt bij de geboorte geboren, het etherlichaam rond het 7e jaar. Wat je enerzijds de geboorte van het etherlichaam kunt noemen is hetzelfde als wat je anderzijds het zich emanciperen van de intelligentie van het fysieke lichaam kunt noemen. Dat is dezelfde zaak, alleen van twee kanten bezien.

Blz. 55  vert. 58

Nun, was geschieht weiter? In das, was da eigentlich frei wird -ob wir es nun Ätherleib oder ob wir es Intelligenz nennen -, in das strömt gewissermaßen das schon mit der Geburt heruntergestiegene Ich ein und durchorganisiert es nach und nach; so daß also in dieser Zeit stattfindet ein Durcheinanderströmen des ewigen Ich mit dem, was sich da bildet: die freiwerdende Intelligenz, der geborenwerdende Ätherleib.

Welnu, wat gebeurt er verder? In wat daar eigenlijk vrijkomt – of we dat nou etherlichaam noemen of intelligentie -, daarin stroomt in zekere zin het al bij de geboorte afgedaalde Ik naar binnen en het organiseert dat langzamerhand; zodat dus in die periode een door elkaar stromen plaatsvindt van het eeuwige Ik en wat zich daar vormt: de vrijkomende intelligentie, het etherlichaam dat geboren wordt.
GA 302A/54-55
Vertaald /57-58

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2367-2219

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (50)

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Patricia F. Wessels, Weleda Puur Kind, lente 2005 nr. 15
.

Antwoorden geven én het mysterie bewaren

Waarmee voed je je kind? Dat is een goede vraag bij de keuze van kinderboeken. In 2005 was het thema van de kinderboekenweek ‘magie’. Vaak wordt dat thema ingevuld met toverkunst en hekserij, maar je kunt daarbij natuurlijk ook denken aan het mysterie achter veel dingen. Kinderen zitten vol kleine en grote vragen, waarop niet altijd een eenduidig antwoord is te geven. Soms merk je dat een technisch antwoord veel te plat is en je kind niet geeft waar hij eigenlijk om vraagt, maar je wilt ook weer niet zelf nodeloos mysterieus gaan doen. Het mysterie bewaren is een kunst. Goede kinderboeken laten ruimte voor verschillende dimensies van de werkelijkheid en reiken materiaal aan waarin een kind zelf antwoorden kan vinden.

Een vraag die ieder mens vroeg of laat stelt is: ‘Waar komen wij vandaan?’ In antwoord daarop ontstonden in talloze culturen evenzovele beeldende scheppingsverhalen. Jane Ray bracht elementen uit die scheppingsverhalen bijeen en schreef en schilderde zo het verhaal van Adam en Eva en de Hof van Eden. Een zeer rijk en levendig geïllustreerd prentenboek waarin veel te beleven en te ontdekken valt.

ADAM EN EVA EN DE HOF VAN EDEN

Jane Ray
Ill. van de schrijfster

BOEK
Oorspronkelijk verschenen bij Christofoor

6 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

2366-2218

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

GA 302

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

Vertaald:                          Menskunde en opvoeding

Voordracht 5, Stuttgart 16 juni 1921

Voordracht 5, Stuttgart 16 juni 1920

Blz. 72/73      vert. 72/73

Mit dem Zahnwechsel, mit dem Erlangen des volksschulmäßigen Lebensalters hat man es mit einem Verhältnis zu tun, das sich gewissermaßen ganz objektiv in dem leiblich-physisch Äußeren des Menschen abspielt, in demjenigen, was sich jeden Tag ohnedies als ein Objektives absondert, wenn der Mensch in den Schlafzustand kommt.

Bij de tandenwisseling, bij het bereiken van de schoolrijpe leeftijd, hebben we te maken met een verhouding die zich heel objectiefs afspeelt in het lichamelijk-fysieke uiterlijk van de mens, in datgene wat zich iedere dag toch al als iets objectiefs isoleert wanneer de mens in de slaaptoestand geraakt.

Der Übergang beim Zahnwechsel ist so, daß eine physisch-ätherische Verbindung vor sich geht. Die wirkt dann auf das Subjektive.

De overgang bij de tandenwisseling is zodanig dat er een fysiek-etherische verbinding tot stand komt. Die werkt vervolgens op het subjectieve deel.
GA 302/72-73
Vertaald/72-73  

Voordracht 8. Stuttgart 19 juni 1921

Blz.123   vert. 122

In der Zeit des Zahnwechsels wächst dann das Kind hinein in das Bedürfnis, nach Autorität zu handeln, von seiner Umgebung zu hören, was es tun soll. Während es also früher selbstverständlich dasjenige hinnimmt, was in seiner Umgebung geschieht, das Gute und das Böse, das Wahre und das Irrige, und es nachmacht, hat es vom Zahnwechsel ab die Empfindung, es braucht nicht mehr bloß nachzuahmen, sondern es kann hören von seiner Umgebung, was es tun und was es nicht tun soll. 

Tijdens de tandenwisseling groeit in het kind de behoefte om op autoriteit te handelen, om van zijn omgeving te horen wat het moet doen. Terwijl het vroeger dus als vanzelfsprekend opnam wat er in zijn omgeving gebeurde – goed en kwaad, het ware en onware – en dat dan nabootste, heeft het vanaf de tandenwisseling het gevoel dat het niet louter meer hoeft na te bootsen, maar dat het van zijn omgeving kan horen wat het moet doen en wat niet.
GA 302/123
Vertaald/122

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2365-2217

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/5)

 

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

Die Erneuerungder pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

Op deze blog vertaald als:

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunt door geesteswetenschap

GA 301

Voordracht 1, Basel 20 april 1920.

Geisteswissenschaft und moderne Pädagogik

Blz. 18   vert. blz. 18

Der menschliche Organismus kommt ein Jahr oder nach einer etwas längeren Zeit nach seiner Geburt dazu, aus sich herauszugestalten, aus seinem Ganzen herauszugestalten, wahr­haftig nicht bloß aus dem Ober- und aus dem Unterkiefer, sondern aus seinem Ganzen herauszugestalten die ersten Zähne. Das ist etwas, was sich vollzieht in dieser rätselvollen Wesenheit des Menschen. Aber das ist etwas, was sich noch einmal wiederholt durchschnittlich gegen das siebente Jahr hin. Da sehen wir aber, wie der Organismus eine viel längere Zeit braucht, um dies härteste Gebilde, den Zahn, aus sich herauszudrücken, als er gebraucht hat, um in der frühsten Kindheit die Milchzähne herauszudrücken.
Sehen Sie, man muß nun, indem man so etwas körperlich betrachtet, dies nicht bloß mit den Mitteln der heutigen Naturwissenschaft tun. Man muß zugleich sehen, wie während dieser Zeit mit jeder Woche vom Bekommen der Milchzähne bis zum Bekommen der bleibenden Zähne das ganze Wesen des Menschen auch im Seelischen ein anderes wird.

Het menselijke organisme komt er een jaar na de geboorte of wat langer toe uit zijn hele organisme, niet alleen maar uit de boven- of onderkaak, de eerste tanden zichtbaar te laten worden. Dat is iets wat zich voltrekt in dit raadselachtige wezen mens. Maar dit wordt nog eens herhaald, gemiddeld tegen het zevende jaar. Nu zien we dat het organisme veel meer tijd nodig heeft om dit hardste bouwwerkje, de tand, van zich uit naar buiten te drukken, dan het nodig had om in de prilste kindertijd de melktandjes naar buiten te werken.
Ziet u, je moet nu, wanneer je zoiets lichamelijks bekijkt, dit niet alleen maar doen met de middelen van de huidige wetenschap. Je moet tegelijkertijd zien, hoe gedurende deze tijd met iedere week van het krijgen van melktanden tot het krijgen van de blijvende tanden het hele wezen van de mens ook psychisch, anders wordt.

Wie in dieser Zeit aus der menschlichen Wesenheit heraus andere Kräfte auch seelisch wirken als etwas später zwischen dem Zahnwech­sel und der Geschlechtsreife. Man muß den Menschen ganz in seiner Totalität betrachten, und dann findet man, daß das ganze seelische Leben in einer anderen Weise sich vollzieht vor dem Zahnwechsel als nach dem Zahnwechsel. Und wenn man einen Sinn dafür hat, was eigentlich da herauskommt nach dem Zahnwechsel, so wird man sich sagen: Vernehmen wir das denkerische, das intellektuelle Wesen im Menschen, und versuchen wir dasjenige zu ergründen, was da bis zum Zahnwechsel hin und während des Zahnwechsels herauskommt an menschlichem, intellektuellem Wesen, an Vorstellungswesen! Wenn man unbefangen betrachtet, muß man eigentlich sagen: Da kommt viel heraus.

Hoe in deze tijd vanuit het wezen mens andere krachten ook psychisch werken dan iets later tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid. Je moet de mens geheel in zijn totaliteit bekijken en dan vind je dat heel het zielenleven zich op een andere manier voltrekt vóór de tandenwisseling dan erna. En wanneer je open staat voor wat er eigenlijk na de tandenwisseling gebeurt, zul je zeggen: wanneer we naar het denken kijken, naar het intellectuele aspect in de mens en proberen te doorgronden wat er tot de tandenwisseling en tijdens de tandenwisseling zich manifesteert: wat we daar tevoorschijn zien komen aan wezenlijks op het gebied van menselijke intellectualiteit, aan voorstellingen! Wanneer je onbevangen kijkt, moet je eigenlijk zeggen: er verschijnt heel veel. 

Blz. 19  vert. 19

Es ist schon so, daß, wenn wir auf die Konfiguration des Intellektuellen hinschauen, die wichtigsten Jahre für die Gestaltung der Intellektualität des Menschen, für die Gestal­tung der Urteilskraft, die ersten Lebensjahre bis zum Zahnwechsel sind. Man versuche nur einmal, sich einen wirklichen Beobachtungssinn anzuerziehen für dasjenige, was da seelisch anders wird. Man versuche auch zurückzudenken, bis wie weit das deutliche Gedächtnis reicht und versuche zu denken, wie wenig weit es hinter die Zahnwechselepoche zurückreicht, wie wenig also vor der Zahnwechselepoche der Mensch fähig ist, in sich anzusammeln festgestaltete Begriffe, die dann der Er­innerung einverleibt werden. Dann kann man geradezu sagen: je weniger der Organismus jene starken Kräfte, die er später nicht mehr braucht, um die harten Zähne zum zweiten Male aus sich herauszu­gestalten, anzuwenden braucht, desto mehr kommt er gerade in die Lage, dasjenige, was er intellektuell aufnimmt, zu festen Vorstellun­gen zu gestalten, die ihm in der Erinnerung bleiben. Sie sehen aus dem eben Gesagten, daß zunächst dieses Kräften im Körper, das ge­wissermaßen wie in einer Kulmination in dem Hervorgehen der zwei­ten Zähne gipfelt, 

Het is inderdaad zo, wanneer we naar het complex van het intellectuele kijken, dat de belangrijkste jaren voor de vorming van de menselijke intellectualiteit, voor de vorming van het oordeelsvermogen, de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling zijn. Probeer echt een daadwerkelijk zintuig te ontwikkelen om waar te kunnen nemen wat er psychisch anders wordt. Probeer er ook eens aan te denken tot hoe ver terug jouw duidelijke herinneringen gaan en probeer er eens aan te denken hoe ver dat vóór je tandenwisseling is, hoe slecht de mens dus in staat is vóór de periode van tandenwisseling vastomlijnde begrippen te bewaren die dan deel worden van de herinneringen. Dan kun je wel zeggen: hoe minder het organisme die sterke krachten die het later niet meer nodig heeft om de harde tanden voor een tweede keer naar buiten te brengen, hoeft te gebruiken, des te meer komt het in de toestand om wat het intellectueel opneemt, tot vaste voorstellingen te vormen, die dan als herinnering blijven. Uit wat net werd gezegd ziet u dat aanvankelijk dit krachtenspel in het lichaam in zekere zin uitmondt als een culminatie in het tevoorschijn komen van de blijvende tanden en dat

parallel geht mit dem Festsetzen derjenigen Kräfte in der Seele, welche die Vorstellungen, die sonst vergessen werden, um­formen in festgestaltete Begriffe, die dann bleiben, die ein Schatz in der menschlichen Seele werden.
Hat denn nicht vielleicht das Vorstellen gerade mit diesen Kräften, die im Zahnentstehen sich geltend machen, etwas zu tun? Ist es denn nicht gerade so, als wenn das Kind in den ersten sieben Jahren bis zum Zahnwech­sel gewisse Kräfte körperlich verwenden müßte, die Seele in den Kör­per hinein ergießen müßte, damit die Zähne herauskommen? – Ist es fertig damit, dann geschieht eine Metamorphose, dann wandelt das Kind diese Kräfte um, und sie werden eigentlich seelische Vorstellungs­kräfte. Sehen wir denn nicht, wie die Seele, die vorstellende Seele in dem Zahnbilden arbeitet? – Und wenn das Zahnbilden, das heißt die Verwendung gewisser seelischer Kräfte in der vorstellenden Seele er­schöpft ist, nachdem die Zähne herausgekommen sind, da machen sich diese selben Kräfte seelisch geltend.

dit parallel loopt met het zelfstandig worden van die zielenkrachten die de voorstellingen die anders vergeten worden, omvormen tot vastomlijnde begrippen die daarna blijvend zijn, die een schat worden in de menselijke ziel. Ik zou wat ik nu wil zeggen, eerst als vraag op willen werpen; in de komende dagen zal het blijken. Maar we vragen toch: heeft het voorstellen wellicht te maken met deze krachten die in de tandenwisseling manifest zijn? Is het dan niet juist zo dat wanneer het kind in de eerste zeven jaar tot de tandenwisseling bepaalde lichamelijke krachten gebruiken moet, zijn zielenkracht in zijn lichaam moet uitstromen, zodat het tanden kan krijgen? – Is het daarmee klaar, dan vindt er een metamorfose plaats, dan werkt het kind deze krachten om en die worden dan de krachten om zich met de ziel te kunnen voorstellen. Zien we dan niet, hoe de ziel, de zich voorstellende ziel werkzaam is bij het vormen van de tanden? – En wanneer het vormen van de tanden, d.w.z. het gebruik van bepaalde zielenkrachten, afgerond is als de tanden naar buiten komen, manifesteren diezelfde krachten zich psychisch.

Blz. 20  vert. 20

Wie hängen Leib und Seele zusammen? Aber man muß doch erst hinschauen auf diejeni­gen Gebiete, wo das Seelische im Leibe tätig ist. Denkt man daran zu fragen: Ist es vielleicht das vorstellende Seelische, das ganz augen­scheinlich in dem Bau der Zähne sich zum Ausdruck bringt? Sehen wir nicht da das Seelische im Leibe drinnen wirksam, und erkennen wir nicht, wie es sich dann erspart diese Wirksamkeit und in anderer Weise, nämlich rein seelisch herauskommt?
Da handelt es sich wirklich darum, zu gesünderen Vorstellungen – die man schon früher gehabt hat, bevor der Materialismus in der heutigen Gestalt sich verbreitete – wiederum zurückzukehren, nämlich tatsächlich zu sehen, wie das Geistig-Seelische im Physisch-Körperlichen wirkt.
Es ist nämlich etwas höchst Merkwürdiges richtig: Der Materialis­mus hat die Eigentümlichkeit, daß er allmählich die Fähigkeit verliert, Materie und ihre Erscheinungen zu verstehen. Es ist nicht so, daß der Materialismus etwa bloß den Zusammenhang mit dem Geist verliert; nein, sein tragisches Schicksal besteht darinnen, daß er zuletzt gerade dazu verurteilt ist, das Materielle nicht zu verstehen.

Wat is de samenhang tussen lichaam en ziel? Maar eerst zul je toch moeten kijken naar de gebieden waar de ziel in het lijf actief is. Denk je eraan te vragen: is het wellicht de voorstellingskracht van de ziel die zich heel duidelijk in de vorming van de tanden laat zien? Zien we daar niet de activiteit van de ziel in het lichaam en zien we niet in, hoe zij dan deze activiteit laat gaan om op een andere manier, namelijk puur psychisch, manifest te worden? Nu gaat het er werkelijk om weer terug te gaan naar gezondere voorstellingen, die men eerder al had, vóór het materialisme in de huidige vorm zich verspreidde, om daadwerkelijk te zien, hoe geest en ziel werkzaam zijn in het levend-fysieke.
Iets hoogst merkwaardigs is namelijk juist: het materialisme heeft de eigenaardigheid dat het langzaam de mogelijkheid verliest de materie met haar verschijnselen te begrijpen. Het is niet zo dat het materialisme zoiets als de samenhang met de geest verliest; nee, haar tragisch lot is, dat ze er uiteindelijk juist toe veroordeeld is, de materie niet te begrijpen.

Blz. 21  vert. 21

Nun ist es nicht so, daß man etwa an diesem abstrakten Grundsatz Genüge haben kann: Dieselben Kräfte, die im Vorstellen sind, arbeiten an der Zahnentstehung. Sondern, wenn man das weiß, dann beobach­tet man das Kind in einer ganz anderen Weise, und vor allen Dingen, man beobachtet es nicht nur im Intellekt in einer anderen Weise, son­dern man steht mit dem Gefühl, mit der Empfindung, mit allen Wil­lensimpulsen in einer ganz anderen Weise zum Kinde.
Aber wer einmal geschärft hat seinen Blick dafür, daß ein gewisser Zusammenhang besteht zwischen dem Seelisch-Geistigen und dem Leiblichen bis zur Periode des Zahnwechsels, der merkt dann für die folgende Periode etwas außerordentlich Wichtiges. Sehen Sie, wir brau­chen eine gewisse Zeit, um als Menschen die ersten Milchzähne zu be­kommen. Das ist eine kurze Zeit. Dann brauchen wir eine längere Zeit, bis wir sie auswechseln können gegen die zweiten Zähne. Wir werden hören im Verlaufe dieser Vorträge, wie die zweiten Zähne in einer viel innigeren Verbindung mit der Individualität stehen als die ersten Zähne, die mehr auf Vererbung von den Vorfahren beruhen.

Nu is het niet zo, dat je aan die abstracte basisregel wel zo ongeveer genoeg hebt: dezelfde krachten die bij het voorstellen een rol spelen, werken aan het ontstaan van de tanden. Echter, wanneer je dat weet, dan kijk je toch heel anders naar het kind en vooral, je neemt het niet alleen anders waar met je intellect, maar met je gevoel, gevoelsmatig, met al je wilsimpulsen sta je op een andere manier t.o.v. het kind. Wie eenmaal zijn blik verscherpt heeft voor het bestaan van een samenhang tussen geest-ziel en lichaam tot aan de tijd van de tandenwisseling, merkt dan voor de volgende periode iets buitengewoon belangrijks op. Kijk, we hebben een bepaalde tijd nodig om de eerste melktanden te krijgen. Dat is een korte tijd. Dan hebben we een langere tijd nodig om ze te kunnen wisselen voor de blijvende tanden. Tijdens deze voordrachten zullen we horen, hoe de blijvende tanden een veel intiemere verhouding met de individualiteit hebben dan de eerste tandjes die meer te maken hebben met de erfelijkheid van de voorouders.

Blz. 23  vert. 23

In den ersten Lebensjahren bis zum Zahnwechsel sieht man, wie das Vorstellen sich gleichsam ausspart in dem Zahnwechsel, so daß, wenn der Zahnwechsel sich vollzogen hat, die Vor­stellung dann sich gestalten kann!

In de eerste levensjaren tot de tandenwisseling zie je, hoe het voorstellen a.h.w. een plaats krijgt binnen de tandenwisseling, zodat, als de tandenwisseling zich voltrokken heeft, dan het voorstellen gevormd kan worden! 

Blz. 24  vert. 24

( ) sondern du sollst beobachten lernen, wie es ein Seelisch-Geistiges ist, und dieses Seelisch-Geistige, ob man es nun Ätherleib nennt oder wie man es nennen will, im Leiblichen arbeitet. Beim Zahnwechsel wird eigentlich der Ätherleib erst geboren; bis zum Zahnwechsel wirkt er noch im physischen Leib drinnen; da gestaltet er das­jenige, was im Zahnwechsel kulminiert. Dann wird er frei und arbeitet in der Bildung von Vorstellungen, die erinnerungsmäßig bleiben kön­nen.

Maar je moet leren waarnemen hoe het iets van geest en ziel is en of je dat nu etherlijf noemt of hoe je het ook noemen wil, dat op het lichamelijke inwerkt. Want daardoor leer je kennen hoe dit eerst aan de vorming van het lichaam werkt in de vorming van de tanden wat uit het hele lijf komt en dan basaal werkt aan de voorstellingen zodat die blijvend kunnen worden. En dan kunnen we zeggen: bij de tandenwisseling wordt eigenlijk het etherlijf pas geboren; tot aan de tandenwisseling werkt dit nog in het fysieke lijf; daarin vormt het, wat uitmondt in de tandenwisseling. Dan wordt het vrij en werkt aan het vormen van voorstellingen die in de herinneringen blijvend kunnen worden.
GA 301/19-24
Op deze blog vertaald/ 19-24

Voordracht 3, Basel 22 april 1920

Menschenerkenntnis als Grundlage der Pädagogik

Blz. 57  vert. 57

Wir haben unterscheiden müssen das menschliche Leben bis zum Zahnwechsel und dann wiederum bis zur Geschlechtsreife, und ich habe versucht, Ihnen zu charakterisieren, wie anders die Kräfte sind in dem ersten mensch­lichen Lebensabschnitt als in dem zweiten. Das aber bedingt für beide Lebensabschnitte eine ganz verschiedene Art des seelischen Erlebens

Menskunde als basis voor de pedagogie

We hebben moeten onderscheiden het menselijk leven tot de tandenwisseling en dan ook tot de puberteit en ik heb geprobeerd u te karakteriseren hoe anders de krachten zijn in de eerste levensfase van de mens dan in de tweede.
GA 301/57
Op deze blog vertaald/57

Voordracht 9, Basel 4 mei 1920

Dialekt und Schriftsprache

Blz. 145    vert. 145

Was tritt gerade in diesem Lebensalter, was tritt in jenem Lebensalter zutage? Wenn wir nicht das Gefühl haben: mit dem Zahnwechsel wird der Mensch gewissermaßen ein zweites Mal geboren, dann werden wir nicht den richtigen Elan zum Erziehen und Unterrichten mitbringen. Es ist ja natürlich die Geburt des physischen Leibes auffälliger als dasjenige, was um das 7. Lebensjahr geboren wird. In der Geisteswissenschaft charakterisiere ich das so, daß ich sage: mit der Geburt wird der phy­sische Leib des Menschen losgelöst von dem Leibe, mit dem er bisher verbunden war, vom mütterlichen Leibe. Mit dem Zahnwechsel wird das, was ich den ätherischen Leib des Menschen nenne, losgelöst vom physischen Leib, mit dem er, dieser ätherische Leib, bis zum 7. Jahre ungefähr, also bis zum Zahnwechsel, innig verbunden war. Da drinnen hat er gearbeitet, um die zweiten Zähne herauszuholen aus diesem physischen Leib. Jetzt wird er frei geboren. Und dasjenige, was das Kind dann an Fähigkeiten für die Schule mitbringt, sind eigentlich die entbundenen, die geborenen Fähigkeiten des ätherischen Leibes. Das ist sozusagen das erste Geistige, das uns das Kind entgegenbringt als Geistiges selbst. Indem wir das Kind vor uns haben bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechsel hin, haben wir es als physischen Leib vor uns. Alles übrige Geistig-Seelische wirkt in diesem physischen Leib, und wir gelangen an das Kind nur heran, indem das Kind selber den Trieb hat, nachzuahmen. In dem 7. Jahre wird der ätherische Leib, werden diejenigen Glieder der Menschennatur, welche Ätherisches zu ihrer Substanz haben, frei, können nun für sich leben.

We vragen: wat zien we nu juist in deze leeftijdsfase, wat in die? Wanneer we niet het gevoel hebben: met de tandenwisseling wordt de mens in zekere zin voor de tweede keer geboren, brengen we niet het juiste elan mee om op te voeden en les te geven. Natuurlijk valt de geboorte van het fysieke lichaam meer op dan wat er rond het 7e jaar wordt geboren. In de geesteswetenschap karakteriseer ik het zo, dat ik zeg: met de geboorte wordt het fysieke lichaam van de mens losgemaakt van het lichaam waarmee het tot dan toe was verbonden, van het moederlichaam.
Met de tandenwisseling wordt, wat ik het etherisch lichaam van de mens noem, losgemaakt van het fysieke lichaam waarmee het, dit etherlijf, tot het 7e jaar ongeveer, dus tot de tandenwisseling, diep verbonden was. Daarin was het actief om de blijvende tanden te ontwikkelen uit dit fysieke lichaam. Nu wordt het vrij geboren. En wat het kind dan aan vaardigheden voor de school meebrengt, zijn eigenlijk de vrijgeworden, de geboren vaardigheden van het etherlijf. Dat is in feite het eerste wat geest is, dat het kind ons vertoont, als iets geestelijks op zich. Wanneer we het kind tot het 7e jaar voor ons hebben, tot aan de tandenwisseling, staat het voor ons als fysiek lichaam. Al het overige dat geest en ziel is werkt in dit fysieke lichaam en we bereiken het kind alleen maar wanneer het zelf de drang heeft, na te bootsen. Tijdens het 7e jaar wordt het etherische lichaam, worden die delen van de mensennatuur die als hun substantie het etherische hebben, vrij, kunnen nu zelfstandig leven.

Blz. 146  vert. 146

Und dasjenige, was das Kind an geistig-seelischen Fähigkeiten vom Zahnwechsel an entwickelt, geht weder im Festen noch im Flüssi­gen noch im Luftförmigen vor sich, sondern geht in dem vor sich, was wir als Ätherisches im Leibe tragen, was wir als Wärmeartiges, als Lichtäther, als chemischen Äther und als Lebensäther in uns tragen.

En wat het kind aan geest-zielenvaardigheden vanaf de tandenwisseling ontwikkelt, speelt zich niet af in het vaste, noch in het vloeibare, noch in het luchtvormige, maar speelt zich af in wat wij als het etherische in ons lichaam meedragen, wat wij aan warmte-ether, aan lichtether, aan chemische ether en als levensether in ons meedragen. 

Blz. 147  vert. 147

Und dann, wenn wir diese besondere Artung des Denkens ins Auge fassen, das sich eigentlich vollzieht in dem flüchtigen Element des Äthers, wenn wir feststellen, daß geeignet sein müssen die physischen Organe, fortzuschwingen in demselben Sinne, wie der Äther schwingt, dann werden wir den ganzen Umschwung, den das menschliche Leben erfährt unter dem Zahnwechsel, so richtig begreifen. Bis zum Zahnwechsel

En dan, wanneer wij deze bijzondere vorm van denken onder ogen zien die zich eigenlijk afspeelt in het vluchtige element van de ether, wanneer we concluderen dat de fysieke organen geschikt moeten zijn net zo te bewegen als de ether beweegt, zal je de hele verandering die het mensenleven ervaart met de tandenwisseling, goed begrijpen. Tot de tandenwisseling

Blz. 148  vert. 148

wirkt ja der ganze Ätherleib. Wärmeäther, chemischer Äther, Lichtäther, Lebensäther wirken in den Organen drinnen, bauen die Organe auf, machen sie erst so, daß sie materiell mitschwingen können. Da ist der Ätherleib der Architekt, der Plastiker des physischen Leibes. Ist der physische Leib so weit entwickelt, daß er unter dem Einfluß des Ätherleibes, der dann denkt, der dann den Intellekt emanzipiert vom physischen Leib, mitschwingen kann wie eine Saite, wenn eine andere auf sie abgestimmte Saite angeschlagen wird, ist der physische Leib so weit, wie er eben ist, wenn der Zahnwechsel bereits eingetreten ist, dann können wir auch rechnen mit der Ausbildung des Ätherleibes als solchem, denn dann gestalten wir zugleich den physischen Leib, indem wir den Ätherleib gestalten. Aber man muß eine Empfindung haben für dieses Geborenwerden des Ätherleibes mit dem Zahnwechsel.

is het hele etherlijf actief. Warmte-ether, chemische ether, lichtether, levensether zijn actief in de organen, bouwen de organen op, maken ze zo dat ze mee kunnen bewegen. Daar is het etherlijf een architect, de beeldhouwer van het fysieke lichaam. Is het fysieke lichaam zover ontwikkeld dat het onder invloed van het etherlijf dat dan denkt, dat dan het intellect losmaakt van het fysieke lichaam, mee kan bewegen als een snaar, wanneer een andere op haar afgestemde snaar aangeslagen wordt, is het fysieke lichaam zover als het is als de tandenwisseling al begonnen is, dan kunnen we ook rekenen op de ontwikkeling van het etherlijf als zodanig, want dan vormen we tegelijkertijd het fysieke lichaam wanneer we het etherlijf vormen. Maar je moet een gevoel hebben voor dit geboren worden van het etherlijf met de tandenwisseling.
GA 301/145-148
Op deze blog vertaald/145-148

Voordracht 11. Basel 6 mei 1920

Das rhythmische Element in der Erziehung

Blz. 168  vert. 168

Denn jedesmal, wenn ein solcher Lebensabschnitt im menschlichen Gesamtleben auf­tritt, wird eigentlich aus der menschlichen Natur heraus richtig etwas geboren. Ich mußte ja darauf aufmerksam machen, wie dieselben Kräfte, die mit dem 7. Jahre, also mit der Volksschulzeit auftreten als Erinnerungskräfte, Gedankenkräfte und so weiter, gearbeitet haben am menschlichen Organismus bis zum 7. Jahre, so daß der stärkste

Het ritmische element in de opvoeding

Want iedere keer als zo’n levensfase in het totale leven van de mens verschijnt, wordt er eigenlijk uit de menselijke natuur iets geboren. Ik moest er op wijzen hoe dezelfde krachten die met het 7e jaar, dus in de basisschoolleeftijd zich voordoen als herinneringskrachten, gedachtekrachten enz. aan het menselijk organisme hebben gewerkt tot het 7e jaar, zodat de krachtigste uitdrukking

Blz. 169  vert. 169

Ausdruck dieses Arbeitens das Erscheinen der zweiten Zähne ist. Ge­wissermaßen im Organismus arbeiten die Kräfte, um die es sich später handelt in der Volksschulzeit, als Vorstellungskräfte; im Organismus wirken sie in der menschlichen Natur verborgen; dann werden sie be­freit, werden selbständig, und diese Kräfte, die da selbständig werden, die nennen wir die Kräfte des Ätherleibes.

van deze activiteit het verschijnen van de vaste tanden is. In het organisme werken in zekere zin deze krachten waarom het later in de basisschool gaat, als voorstellingskrachten; in het organisme zijn ze in het verborgene actief; dan komen ze vrij, worden zelfstandig en deze zelfstandig geworden krachten noemen we de krachten van het etherlijf.
GA 301/168-169
Op deze blog vertaald/168-169

Voordracht 14, Basel 11 mei 1920

Weitere Gesichtspunkte und Fragenbeantwortungen

Blz. 222  vert. 222

Wie ist das manchmal sehr späte Hervorbrechen der sogenannten Weisheitszähne geisteswissenschaftlich zu erklären? Hat das Auftreten dieser Weisheitszähne ebenso mit dem Freiwerden gewisser Erkenntniskräfte zu tun, wie dies beim Zahnwechsel der Fall ist?
Nicht wahr, wir müssen uns über Folgendes klar werden: Der Zahnwechsel bezeugt, daß gewisse Kräfte, die vorher den Organismus durch­drungen haben, durchkraftet haben, nun frei werden, sie werden dann, wie ich Ihnen dargelegt habe, Vorstellungskräfte, freie Vorstellungskräfte. Aber alles, was so im Organismus vorgeht, darf nicht streng abgegrenzt und abgezirkelt sein, das wäre gerade gegen den Sinn der Entwicklung. Dasjenige, was bis zu einer Epoche der Menschheitsent­wicklung das Hauptsächlichste ist, von dem muß ein Rest zurückbleiben

hoe is het dikwijls zeer late doorbreken van de verstandskiezen geesteswetenschappelijk te verklaren? Heeft het verschijnen van deze verstandskiezen net zo te maken met het vrijkomen van bepaalde kenniskrachten, zoals bij de tandenwisseling?
We moeten, het volgende begrijpen: de tandenwisseling betekent dat bepaalde krachten die eerst het organisme doordrongen hebben, kracht hebben gegeven, nu vrij worden en worden dan, zoals ik gezegd heb, krachten om voor te kunnen stellen, vrije voorstellingskrachten. Maar alles wat op deze manier in het organisme gebeurt, moet niet streng afgebakend, begrensd worden, dat zou juist tegen de zin van de ontwikkeling ingaan. Van wat tot een bepaalde fase van de mensheidsontwikkeling het voornaamste is, moet een bepaalde rest achterblijven.

Blz. 223  vert. 223

Den Weisheitszahn bekommen wir eben später, weil noch immer ein Rest von dem im Organismus weiter wirken muß, was bis zum 7. Lebensjahre besonders radikal wirkt. Es muß ein Rest zurückbleiben. Wenn plötzlich alles abgeschlossen würde, würden wir Menschen einen sehr starken Ruck bekommen jedesmal, wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen. Wenn wir zum Nachdenken übergehen wollen, dann kommen diese Kräfte, die vorher im Organismus bis zum 7. Jahre tätig waren, unter Willkür zur Anspannung. Das, was da als eine notwendige Brücke sein muß zwischen dem abgesonderten Geistig-See­lischen und dem Organischen, das muß bis zu einem gewissen Grade bleiben. Wir müssen frei werden für das Vorstellen, aber wir müssen doch züsammenhängen mit unserem Organismus. Das drückt sich dar­innen aus, daß das Hervorbrechen des Weisheitszahnes so spät ge­schieht. Es bleibt eben etwas von der Kraft, die für das Vorstellen frei wird, doch noch in der organischen Entwickelung zurück.

De verstandskiezen krijgen we dus later, omdat er nog steeds een rest in het organisme verder moet werken van wat bijzonder sterk werkt tot het 7e levensjaar. Er moet een rest achterblijven. Wanneer plotseling alles afgesloten zou worden, zouden wij mensen iedere keer als we zouden gaan nadenken, een zeer sterke schok krijgen. Wanneer we willen nadenken, komen deze krachten die voordien in het organisme actief waren tot het 7e jaar, door willekeur tot activiteit. Wat er als een noodzakelijke brug moet zijn tussen de afgezonderde geest-ziel en het organisme, moet in een bepaalde mate blijven. Voor het voorstellen moeten we vrij worden, maar we moeten toch blijven samenhangen met ons organisme. Dat komt te voorschijn in het zo laat doorkomen van de verstandskiezen. Er blijft toch nog iets van de kracht die voor het voorstellen vrij komt in het organisme achter.
GA 301/222-223
Op deze blog vertaald/222-223

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2364-2216

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/4)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE

Een deel van deze toespraken- en voordrachtenreeks is vertaald:

Beste ouders, lieve kinderen

GA 298

Voordracht Stuttgart, 1 juni 1924

Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik

Wenn das Kind in die Volksschule hereintritt, steht es im Zahnwechsel. Etwas zu früh werden die Kinder heute in die Schule hereingebracht; das wirkliche Volksschulalter beginnt eigentlich erst mit dem Zahnwechsel, aber darauf kommt es ja weniger an. Wenn das Kind nun in die Schule hereingeschickt wird, dem Lehrer übergeben wird, so muß er einen Teil der Erziehung übernehmen, der aber dadurch seinen besonderen Cha­rakter erhält, daß das ganze Seelenleben des Kindes, die ganze seelische und geistige Verfassung des Kindes auch mit dem Zahnwechsel sich wandelt. Das Kind ist fortan kein nachahmendes Wesen mehr, obwohl sich das Nachahmungsprinzip noch einige Jahre in die Volksschulzeit fortsetzt. Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesen mehr, sondern es ist ein Wesen, das nun gereizt wird, sozusagen angeregt wird durch dasjenige, was ihm im Bilde, ich möchte sagen, in entspre­chender künstlerischer Gestaltung desjenigen, was wir an das Kind heranbringen wollen, entgegenkommt.

Het contact van de leerkracht met de ouders, zoals de vrijeschool dat ziet

(Wanneer er in de tekst een gekleurd woord staat, is dit een woord waarnaar vanuit een ander artikel gelinkt werd.)

Wanneer het kind naar de basisschool gaat [dat is in deze tijd in Duitsland rond het 7e jaar] is het bezig zijn tanden te wisselen. De kinderen worden nu iets te vroeg naar school gebracht [er bestaan kleuterscholen]; de reële basisschoolleeftijd begint eigenlijk pas met de tandenwisseling, maar daarop komt het nu minder aan. Wanneer het kind nu naar school gebracht wordt, wordt het aan de leerkracht overgedragen en die moet dus een deel van de opvoeding op zich nemen, maar dat is een tijd met een bijzonder karakter, want heel het gevoelsleven van het kind, alles wat met de ziel en de geest van het kind heeft te maken, verandert met de tandenwisseling. Voortaan is het kind niet meer het nabootsende wezen, hoewel het principe van de nabootsing nog een paar jaar op de basisschool doorgaat. Maar in principe is het kind geen nabootser meer, maar een wezen dat nu gestimuleerd wordt, aangezet a.h.w. door hem beeldend, in een kunstzinnige vorm die innerlijk bij hem past, les te geven.
GA 298/211
Niet vertaald
.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2363-2215

.

.

.

.