VRIJESCHOOL – Kerstspelen uit Oberufer – Herdersspel – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over de kerstspelen:
GA 274: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum 
De toespraken zijn op deze blog vertaald.

.

Inleiding
Pieter HA Witvliet over: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen.

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-09-1979
over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink

Die over het Herdersspel gaan, zijn paars gekleurd; (Paradijsspel bruin, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-11-1979
Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.
Die over het Herdersspel gaan, zijn paars gekleurd; (Paradijsspel bruin, Driekoningenspel: rood)

[2] Regie-aanwijzingen hele spel
Veel regieaanwijzingen van Willem Veltman m.n. voor Maria en Jozef en de 3 herders. ‘hun’ driehoek, de geschenken. (Het is niet duidelijk uit welke kerstspelbijeenkomst deze aanstekingen stammen).

[3] Op welk ogenblik vindt de verkondiging plaats?
L.Gerretsen en E.Knottenbelt over: wanneer de verkondiging van de engel aan Maria in het herdersspel plaatsvindt; over afwijkende opvattingen.
Een opmerking over de zgn. ‘oude muziek’.

[4] Regie-aanwijzingen voor het Herdersspel

Regie-aanwijzingen uit ‘Weihnachtspiele aus altem Volkstum’
Vergeleken met regie-aanwijzingen van de vrijeschool Den Haag uit de jaren 1970.

[4-1] Deel 1
Vanaf het begin – lied 1: Seegnen wilt ons;  sterrenzanger; lied 2: Toen het woort;  engel: verkondiging, Maria; lied 3: Als Maria joncfrou; engel: begroeting; lied 4: Keyser Augustus.

[4-2] Deel 2
Vanaf Jozef: ‘Keyser Augustus heeft; op weg met Maria naar Behtlehem; de 3 waarden; in de stal: de geboorte; Jozef en Maria: lied 5, 6 en 7; lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.

[4-3] Deel 3:
Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ .

[4-4] Deel 4:
Herders vanaf lied nr. 14; aanbidding; komst Crispijn; lied 15; lied 16; engel afscheidsgroet; einde spel

[4-5] Deel 5:
Aanwijzingen voor de belichting uit genoemde boek.

Het Herdersspel in jip-en-janneketaal
Pieter HA Witvliet over: de tekst in ‘gewone’ taal voor wie de oorspronkelijke tekst niet begrijpt. 

ACHTERGRONDEN:

Achtergronden van de kerstspelen
Carel Eckhart 
over: wat zijn het voor spelen; wat vragen ze van je instelling; de oerbeelden; het epische karakter; 

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall 
over: raak je erop uitgekeken?; de vondst van Schroër; tradities; paradijsspel: episch, stukje is bruin; over Geboortespel en Driekoningenspel: zie aldaar.

Crispijn
Opvattingen over deze figuur.

Baas Titus – vrouw Titia; over de ‘waarden’.
Carel Eckhart over: waarom kan de ‘3e’ waard ook een vrouw zijn; de waarden;
Michiel ter Horst over hetzelfde

Achtergronden
Carel Eckhart over: de voorbereidende stemming; oorsprong van de spelen; korte karakteristiek van paradijsspel – Vadermotief, episch; kerstspel – Zoonmotief, lyrisch, driekoningenspel – Geestmotief, dramatisch; het getal 3 en 4.

Over de kerstspelen
P.C.Veltman over: hoe werd in Oberufer gespeeld; korte karakteristiek van de 3 spelen en veel rollen; wie of wat is de duivel; het kwaad;

Kerstspelen en kerstmis
Ontstaan van lekespelen en van het spel uit Oberufer

De kerstspelen (1)
Marijke van Hall over: raak je erop uitgekeken?; paradijsspel: episch, geboortespel: lyrisch, driekoningenspel: dramatisch;

De kerstspelen (2)
Korte achtergrondschets.

De kerstspelen (3)
P.C.Veltman over: geschiedenis van het kerstspel in ’t algemeen; over dat uit Oberufer.

De kerstspelen (4)
Korte achtergrondschets.

Onze kerstspelen
C.R. Klinkenberg over: Thornton Wilder en ‘het toeval’; de ‘toevallige’ ontdekking van de spelen door Schöer; de waarde en de kracht van het beeld.

Hoe ver is het wel: tot je er bent!
Peter v.d.Bijl over: opvoering in een gevangenis; in een psychiatrische afdeling; in een jeugdinrichting; op school; de soms onbegrijpelijke tekst; hoe verbonden ben je/moet je zijn met je rol.

Herders en koningen
Tegenstellingen – overeenkomsten; hun geschenken; de koningen in het sprookje van Goethe

Leopold van der Pals
C.Rens-Portielje over Van der Pals die de muziek schreef bij de kerstspelen.
Van der Pals zelf aan het woord.

Op Tineke’s doehoek o.a. te beluisteren liederen van het Herdersspel, tekst, achtergronden, waaronder de belangrijke studie van Anand Blank

Kerstspelenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: de kerstspelen

posters herdersspel

.

2362-2214

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-1/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

Voordracht 1, Utrecht 24 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroroposophischer Geisteswissenschaft

Blz. 16  vert. 16

Man sagt sehr häufig, die Natur oder die Welt mache keine Sprünge. Nun, solche Dinge werden fortwährend nachgesprochen, ohne daß man eigentlich hinschaut auf das, was sie bedeuten sollen. Macht denn nicht die Natur fortwährend Sprünge, wenn sie das grüne Laubblatt entwickelt und nachher wie mit einem Sprunge das Kelchblatt und das farbige Blumenblatt und nachher wieder Staubgefäße und so weiter? – Und so ist es auch mit dem Menschenleben. Für den, der unbefangen aus all den Anregungen und Impulsen heraus, die ihm anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft geben kann, dieses werdende Menschenleben im Kind beobachtet, der findet vor allen Dingen – und zwar nicht aus mystischen Unter­gründen heraus, sondern eben aus treulicher Beobachtung – einen Sprung in der Entwicklung so um das siebente Jahr herum, wenn das Kind beginnt, die zweiten Zähne zu bekommen.

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

(Wanneer er in de tekst een gekleurd woord staat, is dit een woord waarnaar vanuit een ander artikel gelinkt werd.)

Heel vaak wordt er gezegd dat de natuur geen sprongen maakt. Wel, dit soort dingen worden voortdurend nagesproken zonder dat men eigenlijk kijkt naar wat het betekent. Maakt de natuur dan niet voortdurend sprongen, wanneer het groene blad tot ontwikkeling komt en daarna a.h.w. met een sprong het kelkblad en de kleurige bloem en daarna de meeldraden enz. En zo is het ook met een mensenleven. Voor wie onbevangen vanuit al de aanwijzingen en impulsen die de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap kan geven, dit wordende mensenleven in het kind waarneemt, die vindt vooral – en zeker niet op basis van iets mystieks, maar door een getrouwe waarneming – een sprong in de ontwikkeling rond het zevende jaar, wanneer het kind zijn blijvende tanden krijgt.

Blz. 17/18    vert. 17/18

Was wird denn an dem Menschen anders, wenn er die Lebensepoche des Zahn­wechselns überschreitet? Nun, wir können, wenn wir wirklich die nötige Unbefangenheit zur Beobachtung haben, sehen, wie das Kind, wenn es über das sie­bente Jahr hinauskommt, eigentlich erst anfängt, umrissene, kontu­rierte Vorstellungen zu bekommen, während es vorher keine sol­chen Vorstellungen hatte. Wir können sehen, wie eigentlich erst mit dieser Zeit die Möglichkeit beginnt, in eigentlichen Gedanken -wenn sie auch noch so kindlich sind – zu denken. Wir sehen, wie da aus der kindlichen Seele etwas heraustritt, was vorher in dem menschlichen Organismus verborgen war. Wer sich einen geistigen Blick für diese Sache angeeignet hat, der sieht, wie das Seelenleben des Kindes ganz anders wird, wenn der Zahnwechsel beginnt; wie da etwas aus dem tiefsten, verborgensten Innern an die Oberfläche des Seelenlebens tritt. Wo war denn das vorher, was da als das Den­ken in Konturen, als bestimmtes Vorstellungsleben auftritt? Das war als Wachstumsprinzip im Menschen; das durchdrang den Or­ganismus; das lebte als Geistig-Seelisches in dem Wachsen, das dann seinen Abschluß findet, wenn aus dem Innern die Zähne her­ausgetrieben werden, die die früheren Zähne abstoßen. Wenn ein Schlußpunkt gemacht wird mit diesem Wachstum, das in dem Zahnwechsel seinen Abschluß findet, dann bleibt gewissermaßen nur ein Wachstum übrig, zu dem nicht so intensive Kräfte notwen­dig sind. Wir sehen also, wie dasjenige, was später beim Kind das Denken ist, einmal innerlich organische Wachstumskraft war und wie sich diese organische Wachstumskraft metamorphisch umbildet und als Seelenkraft zutage tritt.

Blz. 19 vert. 19

Denn was im Groben als die Denkkraft vor dem Zahnwechsel im Wachstum des Kindes wirkt, das sehen wir weiterhin feiner als Geistig-Seelisches im Kind tätig. Das müssen wir als Leh­render, als Erziehender von Tag zu Tag mit künstlerischem Sinn verfolgen, dann werden wir dem Kind dasjenige sein können, was ein wirklicher Erzieher, ein wirklicher Lehrer dem Kinde sein soll.

Want wat grofweg als denkkracht voor de tandenwisseling in het kind werkzaam is, zien we verder als iets fijners, als iets van ziel en geest werkzaam in het kind. Dat moeten wij als leerkracht, als opvoeder van dag tot dag met een kunstzinnig gevoel volgen, dan kunnen we voor het kind zijn wat een echte opvoeder, een echte leraar voor het kind moet zijn.

Voordracht 5, Den Haag 4 november 1922

Die religiöse und sittliche Erziehung im Lichte der Anthropophie

Blz. 140  (nog) niet vertaald

Wir sehen eine solche Lebensepoche beim Kinde abgeschlossen so ungefähr um das siebte Lebensjahr herum, wenn das Kind die zweiten Zähne bekommt. Diese zweiten Zähne betrachtet derjeni­ge, der Menschenkenner ist, ja nur als das äußere Symbol für einen bedeutungsvollen Umschwung sowohl im Körperlichen wie im Seelischen und Geistigen des Kindes. Und wer sach- und fachge­mäß die Erziehungskunst auszuüben versteht, der sieht mit dem Zahnwechsel auch eine Umänderung der seelischen Eigentümlich­keiten und der geistigen Fähigkeiten des Kindes vor sich gehen.

De religieuze en morele opvoeding in het licht van de antroposofie

We zien zo’n leeftijdsfase (0 – 7) bij het kind zo rond het zevende jaar afgesloten worden wanneer het kind de blijvende tanden krijgt. Deze ziet degene die de mens kent alleen maar als het meest uiterlijke symbool voor een belangrijke verandering in zowel het lichaam als ook in de ziel en de geest van het kind. Wie zakelijk en vakkundig de opvoedkunst weet te voeren, ziet met de tandenwisseling ook een verandering in de zieleneigenschappen en de geestelijke vermogens van het kind, die ontwikkelen zich verder.

Blz. 141

Denken wir nur einmal daran, daß im menschlichen Organismus ja auch im späteren Lebensalter ein Umsatz, ein Stoffwechselumsatz stattfindet, daß wir jeweilig nach acht, neun Jahren nicht mehr die­selbe Stoffzusammensetzung, dieselben Stoffe in uns haben, die wir vorher hatten. Wenn wir das bedenken, so müssen wir aber uns dennoch sagen: Was mit dem siebten Jahre im Zahnwechsel vor sich geht, ist eine mächtige Kraftentwicklung, die der Organismus im späteren Lebensalter nicht wiederholt und die auch nicht ein einma­liges Geschehen oder ein Geschehen über einen kurzen Zeitraum ist.
Wer eine Anschauung von der Entwicklung des menschlichen Organismus hat, der weiß, wie sich in den ersten sieben Lebensjah­ren alles dasjenige aus den intimsten Vorgängen des Stoffwechsels heraus vorbereitet, was dann gewissermaßen seinen Abschluß, seinen Schlußpunkt in den zweiten Zähnen findet. Und wir sehen in bezug auf das Seelische, wie mit diesen zweiten Zähnen zum Beispiel das Gedächtnis, aber auch das Vorstellen an­ders wirkt – vor allen Dingen der Art nach -, als es früher gewirkt hat. Wir sehen, wie das Gedächtnis vorher im hohen Grade un­bewußt wie aus den Tiefen des körperlichen Wesens des Kindes heraus sich entwickelt hat und wie es später geistiger wird. Auf diese Dinge muß zart hingedeutet werden, denn einer groben An­schauung bieten sie sich kaum dar.

Laten we bedenken dat in het menselijk organisme, ook later in het leven, een omwerking van stoffen plaatsvindt, een stofwisseling, dat we na een jaar of acht, negen niet meer dezelfde samenstelling van diezelfde stoffen in ons hebben dan die we daarvoor hadden. Wanneer we ons dat realiseren, moeten we ook nog zeggen: wat met het zevende jaar gebeurt is een grootse krachtontwikkeling die het organisme in het latere leven niet meer herhaalt en die ook niet een eenmalige gebeurtenis is of een gebeurtenis in een korte tijd.  Wie een duidelijke opvatting heeft over de ontwikkeling van het menselijk organisme, weet hoe in de eerste zeven levensjaren in de meest fijnzinnige stofwisselingsprocessen wordt voorbereid, wat dan in zekere zin zijn afsluiting vindt in de vaste tanden. En wat de ziel betreft, zien we hoe met deze tweede tanden bijv. het geheugen, maar ook het voorstellen anders werkt – vooral wat betreft de manier waarop dat eerder ging. We zien dat het geheugen daarvoor in hoge mate onbewust, a.h.w. vanuit de diepten van het lichamelijke wezen van het kind zich ontwikkeld heeft en hoe het later meer geestelijk wordt. Op deze dingen moet fijntjes worden gewezen, want een grove manier van waarnemen laat dat nauwelijks zien.
GA 297A/140-141
Niet vertaald 

Voordracht/autoreferaat, Praag 4 april 1924

Erziehung und Unterricht auf Grundlage wirklicher Menschenerkenntnis

Blz. 167 

Mit dem Zahnwechsel geht eine vollständige Metamorphose bei dem Kinde vor sich. Was vorher in die körperliche Organisation 297a/168 versenkt war und in dieser wirkte, wird selbständiges Seelenwesen und das Körperliche wird mehr seinen eigenen Kräften überlassen.

Opvoeding en onderwijs gebaseerd op echte menskunde

Met de tandenwisseling voltrekt zich een volledige metamorfose bij het kind. Wat voordien in de lichamelijke organisatie verzonken lag en daar werkzaam was, wordt een zelfstandig deel van de ziel en het lichamelijke wordt meer aan zijn eigen krachten overgelaten.
GA 297A/167
Niet vertaald

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2361-2214

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/12)

 
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over mensen gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen en de symboliek die hier gebruikt wordt, is vooral ontleend aan het antroposofisch mensbeeld.

De mens als symbool

De mens als geest-zielenwezen doet zich voor als het dubbele wezen van het mannelijk-vrouwelijke: mannelijk de geest, op het denken gericht, onderzoekend en kennend op de wereld gericht; vrouwelijk de ziel, vol toewijding en innigheid, sterk in het voelen en meer in het innerlijk actief levend.
Knaap, jongeling, man en grijsaard zijn ontwikkelingsfasen van de geest.
Meisje, jonge vrouw, vrouw en oude vrouw zijn ontwikkelingsfasen van de ziel.

Geest, ziel en lichaam zijn een eenheid. Het doel van veel sprookjes is, deze eenheid om te werken naar bewuste persoonlijkheid waarbij zowel het geestelijk-mannelijke als ook het zielsmatig vrouwelijke tot op het hoogste niveau worden ontwikkeld.
Wordt  het Ik – de zoon – een onzelfzuchtig, liefhebbend, bezield Ik, dan wordt het geestelijk-denkend mannelijke tot het eeuwig-mannelijke. Wordt de ziel – de dochter – een onzelfzuchtige, liefhebbende, doorgeestelijkte ziel, dan wordt het zielsmatig-vrouwelijke tot eeuwig-vrouwelijke.

Bruiloft

Het één worden van geest en ziel komt in het beeld van de bruiloft naar voren. Wanneer de Ik-wording in de hoogste zin is bereikt, wordt deze voorgesteld als de koninklijke bruiloft (ook in het evangelie). We herkennen in onze sprookjes, in de taal van de middeleeuwen de mystieke en chymische bruiloft. 
Als het sprookje loutering en verandering van de ziel schetst door naar de bruidegom-geest te verwijzen (naar de zoon) herkennen we de beelden van de mystieke bruiloft. Laat het sprookje beelden van een scholing zien, die niet allen de ziel verandert, maar ook het lichaam tot in de aanleg, dan duiden die beelden op een chymische bruiloft. 

Dochter

Staat voor een fase van de ziel.

Het beeld van de persoonlijke, met ik-verwante ziel die vrij wordt. Als het sprookje over de ‘enige’ dochter spreekt, wordt de individuele ziel zelf bedoeld.
Naast het beeld van de drie zonen die het geestelijke proces van individu-wording schetst, staat het beeld van de drie dochters, de drie zusters. Het is de tegenhanger van het bovengenoemde proces van individu worden, maar nu voor de ziel; de ziel die tot Ik-kwaliteit in denken, voelen en willen komt.

Grijsaard

Een ontwikkelingsfase van de geest

Jongeling

De jongeling is de volwassen wordende mens in zijn ontwikkeling een persoonlijkheid te worden

Jonge vrouw, jonkvrouw

Het beeld voor de ziel die geestelijk rijper wordt.

Knaap

Staat voor de nog jonge, naïeve mens, ook voor de wordende wil.

Man

Staat voor de rijpe persoonlijkheid.

Meisje

Het kleine meisje staat voor de nog jonge, naïeve ziel, ook voor het nog kinderlijke gevoel.

Moeder

Staat voor een fase van de ziel.

De moeder is het zinnebeeld voor de ziel, die de mens als oeraanleg is gegeven. Ook deze was vroeger sterk afhankelijk van de bloedsbanden en het stamverband, was veel meer nog groepsziel dan individuele ziel.

Oude man

Heeft een bijzonder rijk intuïtief weten.

Oude vrouw = oude man

Stiefmoeder

De stiefmoeder, letterlijk de ‘stijve’ moeder staat voor het verhardende, materialistische en egoïstische van de ziel. Soms doet ze zich voor in de gedaante van een heks: onder invloed van demonische toverkunst wordt ze een verleidster die de mens betovert met atavistische pseudowijsheid.

Vader

Staat voor de oude, uit oertijden stammende mens, het Zelf. Voor zich de vrije persoonlijkheid vormde, leefde dit Zelf nog in de bloedsbanden, de stam. Daarom wordt de vader in veel sprookjes verlaten.

Vader

Staat voor een fase van de geest.

Voorvader = oude man

Voormoeder = oude man

Vrouw

De wetende, ervaren ziel.

Zoon 

Staat voor een fase van de geest.

Betekent ook de vrije persoonlijkheid, die weggroeit van het Zelf van de stam: het Ik. De zoon moet de wereld in – hij moet de wereld leren zien – hij moet opgaven uitvoeren en proeven doorstaan, ervaringen opdoen, het rijk van de ziel vinden, met de jonge-(jonk)vrouw trouwen. Modern gesproken: het Ik moet een hoger Ik worden en een sterkere ziel.
Vaak is in de sprookjes sprake van drie zonen, drie broers. Het tot ontwikkeling komen van de vrije persoonlijkheid nam in de mensheid een bepaalde tijd in beslag, zoals die ook in de mens een langere tijd nodig heeft. Allereerst begon het individueel worden in het gevoelsleven. De gewaarwordende, voelende mens is de eerste zoon en broer – het Ik in het voelen. Dan wordt het denken gevormd. De verstandig-denkende mens is de tweede zoon en broer – het Ik in het denken. De willende mens is de derde en jongste zoon en broer – het Ik in de wil.
Bij ieder mens spelen deze drie basiskrachten door elkaar heen, ze werken samen, soms tegen elkaar in, tot de jongste, de willende geest, de leiding neemt.

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2360-2213

..

.

 

VRIJSCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 148-161 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE MENS LICHAMELIJK BEKEKEN

Het hoofd

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner veel over het ‘het hoofd’ heeft gezegd, als deel van de lichamelijk bekeken drieledige mens. 
En dat weer vanuit vele gezichtspunten. En steeds vrijwel meteen in tegenstelling met enerzijds de borst, anderzijds de ledematen.
Het is eigenlijk onmogelijk iets – in dit geval – over het hoofd duidelijk te maken, zonder de andere twee daarbij te betrekken.

Steiner maakt met deze methode waar wat hij bijv. op blz. 116 (vert) beweerde:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/113
Vertaald/116

En bijv. hier: Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

Een goede oefening is om overal bij de opmerkingen over het hoofd jezelf steeds af te vragen waar een tegenstelling is te vinden en hoe die dan is bij de borst en/of de ledematen.

Vorm

Fysiek is het hoofd een ‘zijnde’, een orgaan, een object, je kan het beetpakken, dus kan je iets zeggen over de vorm.

Blz. 142  vert. 148

Wir haben darauf aufmerksam gemacht, wie im wesentlichen die Kopfform die Form des Kugeligen ist, wie in dieser kugeligen Kopfform das eigentliche leibliche Wesen des menschlichen Hauptes liegt.

We hebben erop gewezen* dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het menselijk hoofd uitdrukt.

*In de 7e voordracht van GA 294

In essentie’ een bolle vorm. ‘als we het schematisch tekenen’: het hoofd ‘een bolle vorm’.

De tegenstelling: de borst:
Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus — wanneer we het schematisch tekenen — het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. [zie over de borst: nog niet oproepbaar]

In het Nederlands gebruiken we het woord ‘bol’ of ‘bolletje’ wanneer we het hoofd bedoelen.
In diverse woordenboeken: bol =
bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond
hoofd, hersens: hersenpan

Uitdrukkingen:
het is hem in de bol geslagen: [hij is gek geworden]
uit zijn bol gaan: [uitzinnig worden]
iemand een aai over zijn bol geven [een compliment geven]

het hoog in de bol hebben [veel willen bereiken]
een knappe bol [een intelligente, geleerde persoon]…

( )  wenn wir schematisch zeichnen, wir dem Kopfe eine Kugelform geben ( )

( ) als we het schematisch tekenen: geven we het hoofd ‘een bolle vorm’. ( )

Blz. 144  vert. 149

Sie sehen daraus vielleicht, daß in denjenigen älteren Zeiten, in denen man mehr die Fähigkeit gehabt hat als später, Formen zu sehen, man nicht unrecht hatte, von Sonne dem Kopf entsprechend zu sprechen.

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon.

‘en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens.’
.

Steiner noemt hier ‘de zon’ als een vorm die overeenkomt met het hoofd.
In GA 296 gaat hij net iets verder:

Und so werden sich die Menschen auch bequemen müssen, zum Beispiel das menschliche Haupt als ein Bild eines Himmelskörpers anzusehen.Das menschliche Haupt ist nicht bloß rund, so wie es ist, damit es etwa einem Kohlkopf ähnlich sehen soll, sondern das menschliche Haupt ist so, wie es ausgestaltet ist, eine Nachbildung eines Himmelskörpers.

Zo zullen de mensen er ook toe over moeten gaan om het menselijk hoofd als een beeld van een hemellichaam te zien.
Het menselijk hoofd is niet rond, zoals het is, opdat het op een kool* lijkt maar is gevormd zoals het is als nabootsing van een hemellichaam.
GA 296/58-59
Vertaald/68-69

In GA 304:

Der Kopf ist eine Art Abbild des Kosmos, aber er ist am meisten materiell.

Het hoofd is een soort beeld van de kosmos, maar het is wel het meest materiële. 
GA 304 /147
Niet vertaald

*Steiner duidt hier waarschijnlijk op het Duitse woord voor hoofd: (naast Haupt) Kohlkopf

In de 2e voordracht GA 294 had Steiner het al over de vorm van het hoofd, nu meer vanuit taalperspectief:

Sie können daher sehen, daß mit einer Art unbewußter Nuance sich im Sprechen richtig ausdrückt die Art, nicht nur wie einzelne Men­schen sind, sondern namentlich auch, wie Menschengemeinschaften sind. Wir sagen im Deutschen Kopf. Kopf drückt in seinem ganzen Zusammenhange das Runde, die Form aus. Daher sagen wir nicht nur zum menschlichen Kopf «Kopf», sondern wir sagen auch Kohlkopf. Wir drücken im Deutschen die Form aus in dem Worte Kopf. Der Romane drückt nicht die Form des Kopfes aus; er sagt testa und drückt damit ein Seelisches aus. Er bringt zum Ausdruck, daß der Kopf der Bezeugende, der Testierende, der Feststellende ist. Er nimmt aus einem ganz andern Untergrunde die Bezeichnung für den Kopf her. Er weist auf die Gemütssympathie auf der einen Seite und auf das Verwachsen der Antipathie mit dem Äußeren auf der andern Seite hin. – Versuchen Sie zunächst, am Hauptvokal sich klarzumachen, worin der Unter­schied besteht: Kopf, o = Staunen, Erstaunen! Es liegt etwas von Stau­nen, Erstaunen in der Seele gegenüber jedem Runden, weil das Runde an sich zusammenhängt mit allem, was Staunen, Erstaunen hervorruft. Nehmen Sie testa: das e = Widerstand setzen. Man muß sich behaup­ten, Widerstandsetzen, wenn der andere etwas behauptet; sonst würde man mit ihm verschwimmen. Diese Gefühlsnuance drückt sich sehr gut aus, wenn der Volkscharakter dem Testieren gegenübersteht, beim Kopfe.

Zo kunt u zien dat met een soort onbewuste nuance in het spreken werkelijk tot uiting komt niet alleen hoe individuele mensen zijn maar vooral ook hoe mensengemeenschappen zijn. Wij zeggen in het Duits Kopf [hoofd]. Kopf drukt in iedere samenstelling het ronde, de vorm uit. Daarom zeggen we niet alleen Kopf tegen het menselijk hoofd, maar zeggen we ook Kohlkopf [sluitkool, kool die een krop vormt]. In het Duits drukken we met het woord Kopf de vorm uit. Een spreker uit het Romaanse taalgebied drukt niet de vorm van het hoofd uit. Hij zegt ‘testa’ en drukt daarmee uit wat in de ziel leeft. Hij brengt tot uitdrukking dat het hoofd getuigt, testeert, dat het hoofd vaststelt. Hij ontleent de benaming voor het hoofd aan een heel andere achtergrond. Hij verwijst enerzijds naar de gemoedssympathie, anderzijds naar de antipathie die verweven is met de uiterlijke verschijning. Probeert u maar eens te zien waar het verschil in ligt, eerst aan de hoofdvocaal. Kopf: o = verbazing, verwondering. In de ziel is altijd iets van verwondering, verbazing ten opzichte van al het ronde, omdat het ronde op zichzelf samenhangt met dat wat verbazing, verwondering oproept. Neemt u testa: e = weerstand bieden. Ik moet me staande houden, weerstand bieden, wanneer de ander een standpunt inneemt; anders zou ik met de ander vervloeien. Deze gevoelsnuance wordt heel goed uitgedrukt in het woord voor hoofd, wanneer het volkskarakter zich tegenover het element van het testeren, getuigen, geplaatst ziet.
GA 294/29
Vertaald/39-40

Daraus können Sie ersehen, daß die Kopfform des Menschen hier in der physischen Welt etwas verhältnismäßig Abgeschlossenes ist. Die Kopfform zeigt sich physisch als etwas Abgeschlossenes. Sie ist gewissermaßen ganz dasjenige, als was sie sich gibt. Sie verbirgt am allerwenigsten von sich.

U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

Der Kopf ist ganz Leib.

Het hoofd is geheel en al lichaam.

Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel.
.

Wir tragen also einen wirklichen Leib nur an uns, indem wir unser Haupt auf den Schultern ruhen haben.

Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust.

Opnieuw waarschuwt Steiner dan voor het ‘schematiseren’:

Man kommt eben nicht zurecht, wie ich Ihnen schon oftmals gesagt habe, wenn man nur schematisch eins ins andere gliedert. Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Het werkt echter niet — zoals ik u al zo vaak heb gezegd — wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.

Er volgt dan zo’n verwevenheid:

Blz. 147-148   vert. 150

Wir haben den Gliedmaßenmenschen, der besteht aus den Gliedmaßen. Aber sehen Sie, auch der Kopf hat seine Gliedmaßen.

We hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn ledematen heeft.

Vaker heeft Steiner al gewezen op een te eenzijdig doorvoeren van de idee van de drieledigheid in hoofd, romp en ledematen. Hij zal bijna altijd als hij deze indeling gebruikt, opmerken dat ‘het hoofd ‘voornamelijk’ hoofd is – wat ook geldt voor borst en wil in hun ‘voornamelijkheid’, maar dat het hoofd ook ‘een beetje borst is en een beetje wil; net zoals de borst een beetje hoofd is en een beetje wil en de wil een beetje hoofd en borst’.
Dit, om nog maar eens te benadrukken dat schema’s eigenlijk niet tot een werkelijkheid leiden.
Hij beschouwt de kaken en dan vooral de onderkaak, als ledematen.
Als we de karakteristiek van de ledematen: daarmee brengen we onze wil tot uitdrukking door te bewegen, ook toepassen op de onderkaak, zien we daar die beweging – kleiner natuurlijk – niet ‘voornamelijk’, maar we drukken in onze kaken toch ook iets van wil uit: de kin naar voren en ‘doorzetten, eropaf; doorbijten’ – dat is niet alleen letterlijk. 

Wenn Sie sich den Schädel ordentlich ansehen, dann finden Sie, daß zum Beispiel angesetzt sind an den Schädel die Knochen der hinteren und der vorderen Kinnlade. Sie sind richtig eingesetzt wie Gliedmaßen. Der Schädel hat auch seine Gliedmaßen, und obere und untere Kinnlade sind als Gliedmaßen am Schädel angebracht. Sie sind nur am Schädel verkümmert. Sie sind richtig groß ausgebildet beim übrigen Menschen, am Schädel sind sie verkümmert, sind eigentlich nur Knochengebilde.

Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak [zie tekening ll].

Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als ledematen aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot.

Een vergelijken van hoofd en ledematen – juist waar ze verschillen – levert ook wezenlijke gezichtspunten op: hoe tegenovergesteld zijn ze niet aan elkaar: rond t.o. recht.
(Twee oervormen in de schepping: Steiner laat de kinderen van de 1e klas ermee kennis maken in hun eerste schooluur)
Maar ook anders nog kan je naar de tegenstelling kijken: bij het hoofd ligt het schedelbot a.h.w. buiten: bij de ledematen ligt het bot binnen; in de schedel bevinden zich de weke delen; die zitten bij de ledematen buiten.

Steiner:

Und noch einen Unterschied gibt es: wenn Sie die Gliedmaßen des Schadels betrachten, also obere und untere Kinnlade, so werden Sie sehen, daß es bei ihnen ankommt im wesentlichen darauf, daß der Knochen seine Wirksamkeit ausführt. Wenn Sie die Gliedmaßen, die an unserem gesamten Leib angesetzt sind, also die eigentliche Wesenheit des Gliedmaßenmenschen ins Auge fassen, dann werden Sie in der Umkleidung mit Muskeln und mit Blutgefäßen das Wesentliche suchen müssen. Gewissermaßen sind unserem Muskel- und Blutsystem für Arme und Beine, Hände und Füße nur eingesetzt die Knochen. Und gewissermaßen sind an der oberen und unteren Kinnlade als Gliedmaßen des Kopfes ganz verkümmert die Muskeln und die Blutgefäße.

En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voornamelijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak — als ledematen van het hoofd — de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld.

In de 2e voordracht kwam deze tegenstelling ook al ter sprake: de rust van het hoofd, het weinige bewegen daarmee in vergelijking met de ledematen.
De rust – het doodse – is voor het intellect, voor het denken – het terughouden, erover reflecteren -; met de wil – je bewegingen, je daden, ga je de wereld in en aan. Verleden en toekomst

Was bedeutet das? – Sehen Sie, in Blut und Muskeln liegt die Organik des Willens, wie wir schon gehört haben. Daher sind ausgebildet für den Willen hauptsächlich Arme und Beine, Hände und Füße. Das, was dem Willen vorzugsweise dient, Blut und Muskeln, das ist ja bis zu einem gewissen Grade genommen den Gliedmaßen des Hauptes, weil in ihnen ausgebildet sein soll dasjenige, was zum Intellekt, zum denkerischen Erkennen hinneigt. Wollen Sie daher studieren, wie sieh in den äußeren Leibesformen der Wille der Welt offenbart, so studieren Sie Arme und Beine, Hände und Füße. Wollen Sie studieren, wie sich das Intelligente der Welt offenbart, dann studieren Sie das Haupt als Schädel, als Knochengerüst, und wie sich dem Haupt angliedert obere Kinnlade, untere Kinnlade und auch anderes, was gliedmaßenähnlich aussieht am Haupte. 

Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdzakelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op zekere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voeten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien.

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als 0ffenbarungen des Inneren ansehen. Und Sie verstehen nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

We zullen dit soort opmerkingen nog vaak tegenkomen. Niet alleen in de pedagogische voordrachten, ook in de andere. In al zijn varianten is het een kernpunt van de antroposofie: het niet-materiële drukt zich uit in het stoffelijke of ook: het stoffelijke is een uitdrukking van het niet-stoffelijke.

In de ‘Algemene menskunde’ werd het al gezegd:

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/89
vertaald/93

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als 0ffenbarungen des Inneren ansehen. Und Sie verstehen nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/149
vertaald/151

In GA 301 is deze zienswijze gekoppeld aan het leraarschap!

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56
Op deze blog vertaald/56

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-ziele-element.
GA 302/22
Vertaald/23

Meer van deze uitspraken zijn te vinden op Rudolf Steiner – wegwijzers. Vanaf nr. 15 verdere doorverwijzingen.

Vert. blz. 152:

Steiners uitleg over het hoofd als metamorfose zal apart aan de orde komen.

Wat de ontwikkeling van het allerkleinste kind betreft, is heel goed waar te nemen dat de ‘gerichtheid’ op de wereld uitgaat van het hoofd, waarbij de zintuigen een belangrijke rol spelen. De armpjes en beentjes bewegen veel, maar niet doelgericht. Die zullen steeds meer zich kunnen voegen naar wat vanuit het hoofd komt. Alsof daar een soort ‘commandocentrum’ zit. Dit ‘middelpunt’ komen we tegen:

Blz. 149  vert. 153

( ) Der Kopf hat seinen Mittelpunkt irgendwo im Inneren; er hat ihn konzentrisch.

Het hoofd heeft zijn middelpunt ergens in zichzelf: een concentrisch middelpunt.

Was im Kopfe ist, geht vom Kopfe aus;

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit.

Ook hier karakteriseert Steiner weer met de tegenstellingen van hoe dit bij de borst en de ledematen is:

De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Het ledematenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie.
.

Blz. 151   vert. 154

Nun könnte man auch noch eine andere Zeichnung vom Menschen machen. Man könnte sagen: Der Mensch ist zunächst eine riesengroße Kugel, die die ganze Welt umfaßt, dann eine kleinere Kugel, und dann eine kleinste Kugel. Nur die kleinste Kugel wird ganz sichtbar; die etwas größere Kugel wird nur zum Teil sichtbar; die größte Kugel wird nur in ihren Einstrahlungen am Ende hier sichtbar, das übrige bleibt unsichtbar. So ist der Mensch aus der Welt heraus gebildet in seiner Form.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kunnen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervolgens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uiteinden van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

Bij borst en ledematen zal deze tekening nog nader besproken worden. Nu het hier over het hoofd gaat, is het belangrijkste dat we aan deze tekening aflezen dat het hoofd zo fysiek is dat het hier op aarde ook als zodanig zichtbaar is. Het is het meest aards. Het doodst, a.h.w. En dat hadden we al geconstateerd bij de ‘hoofdinhoud‘, de hersenen.

Wanneer Steiner dan uitvoeriger op de ledematen ingaat, komt daar ook als tegenstelling weer het hoofd bij.

Blz. 151

( ) Die Gliedmaßen sind eben mehr der Welt zugeneigt, der Kopf mehr dem einzelnen Menschen zugeneigt.

( ) De ledematen zijn meer op de wereld gericht en het hoofd meer op de individuele mens gericht.

Indem wir in der Welt herumgehen, indem wir handelnd auftreten in der Welt, sind wir der Mensch der Gliedmaßen.

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens.

En waarop we al gewezen werden: hoofd en ledematen zijn zo ongeveer de grootste tegenstelling aan de mens.
Dan ligt in het verlengde van de beweeglijke ledenmatenmens, de in rust-zijnde hoofdmens: het hoofd dat op de schouders rust!

En daarop volgt een duidelijk:

Er hat auch die Aufgabe, in sich fortwährend die Bewegung der Welt zur Ruhe zu bringen.

Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen.

Wanneer ‘horen en zien ons vergaan’ kunnen we niet denken: ons niet ‘concentreren’ Wanneer ons hoofd voortdurend zou bewegen, zoals bij de vogels bijv. zouden wij niet gefocust kunnen waarnemen. En zonder waarnemen: geen denken.

Zeitlich geht die Beobachtung dem Denken voraus.

In de tijd gaat de waarneming vóór het denken.
GA 4/39
Filosofie van de vrijheid

Die Beobachting fordert das Denken heraus, erst dieses ist es, das mir den Weg weist, das einzelne Erlebnis an ein anderes anzuschließen.

De waarneming roept het denken op; en dit denken stelt mij pas in staat de ene beleving met de andere te verbinden.
GA 4/59
Filosofie van de vrijheid

Voor ‘dit tot rust brengen’ neemt Steiner een beeld: de mens in de trein. Vaak zit die mens ook in zijn beelden in de koets, in de auto of op een paard. Het komt aan op het fenomeen dat het hoofd in rust is:

Blz. 154   vert. 156

Wenn Sie sich mit Ihrem Geiste in den Kopf hineinversetzen, so können Sie sich wirklich von diesem Sich-Versetzen ein Bild machen dadurch, daß Sie sich denken für eine Weile, Sie säßen in einem Eisenbahnzug; er bewegt sich vorwärts, Sie sitzen ruhig drinnen. So sitzt Ihre Seele im Kopf, der sich von den Gliedmaßen weiterbefördern läßt, ruhig drinnen und bringt die Bewegung innerlich zur Ruhe. Wie Sie sich sogar hinstrecken können, wenn Sie in dem Eisenbahnwagen Platz haben, und ruhen können, trotzdem diese Ruhe eigentlich eine Unwahrheit ist, denn Sie sausen ja in dem Zuge, vielleicht im Schlafwagen, durch die Welt; dennoch, Sie haben das Gefühl der Ruhe – so beruhigt in Ihnen der Kopf dasjenige, was die Gliedmaßen als Bewegung vollbringen können in der Welt. Und der Brustteil steht mitten darinnen. Der vermittelt die Bewegung der Außenwelt mit dem, was das Haupt, der Kopf zur Ruhe bringt.

Wanneer u zich met uw geest verplaatst in het hoofd, dan kunt u zich daarvan een goed beeld vormen door u even voor te stellen dat u in een trein zit; de trein beweegt vooruit en u zit er in alle rust in. Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewegen, en brengt de beweging innerlijk tot rust. U kunt zelfs gaan liggen in de trein — als er plaats is — en rusten, hoewel die rust eigenlijk niet echt is, want u rijdt, misschien wel in een couchette, met sneltreinvaart door de wereld; maar toch, u heeft een gevoel van rust. Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust.

Wir tragen den Kopf eigentlich als eine besondere Wesenheit auf unserem menschlichen Organismus. Wir können den übrigen menschlichen Organismus ansehen wie eine Art Kutsche und den Kopf als denjenigen, der in dieser Kutsche fährt, könnten ihn auch ansehen, wenn wir den übrigen Organismus als Pferd ansehen, als Reiter auf diesem Pferde. Er ist tatsächlich abgesondert von diesem Zusammenhang mit der übrigen irdischen Außenwelt.

Eigenlijk dragen we ons hoofd als een bijzonder ding op ons menselijk organisme. We zouden de rest van het menselijk organisme kunnen zien als een soort koets en het hoofd als iemand die met deze koets meerijdt; we zouden de rest van het menselijk organisme ook kunnen zien als een paard en het hoofd als ruiter op dit paard. Het hoofd is in feite afgezonderd van deze samenhang met de rest van de aardse buitenwereld.
GA 302/28   
Vertaald/28

Dieser Kopf hat eine merkwürdige Ähnlichkeit mit etwas anderem. Wenn Sie ein Auto haben und Sie sitzen bequeem darinnen, so tunSie gar nichts, der Chauffeur da vorne muss sich plagen. Sie sitzen drinnen und werden durch die Welt gefahren. So ist es auch mit dem Kopf; der plagt sich nicht, der ist einfach auf ihrem Körper, lässt sich ruhig durch die Welt tragen und schaut allem zu. Dasjenige, was getan wird im geistigen Leben, das wird alles vom Körper aus gemacht. Mathematisiert wird vom Körper aus, gelacht wird vom Körper aus, gefühlt wird auch vom Körper aus.

Dit hoofd vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat anders. Wanneer je hier een auto hebt ( het wordt getekend – in het boek ontbreekt de tekening!) en u zit daar comfortabel in, dan doe je helemaal niets, de chauffeur op de voorstoel moet het moeilijke werk doen. U zit erin en wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat doet geen moeite, dat zit alleen maar op je lijf, laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alles aan. Wat aan geestelijk leven wordt verricht komt allemaal vanuit het lichaam. Wiskunde komt vanuit het lichaam, ook denk je vanuit het lichaam en ook voel je er vanuit.

Niet alleen de ‘metamorfose van de hoofdbeenderen’ (en andere) waarover op blz. 152 wordt gesproken, is een moeilijk deel, ook de metamorfose – door Steiner hier niet zo genoemd – van bewegingen tot ‘brommen, neuriën en zingen’ is lastig te vatten.
Hier wordt ‘iets’ tegengehouden in het hoofd (en in de borst). 
Hier komt het fenomeen van de spiegeling terug uit de 2e voordracht. 
Het hoofd reflecteert op de ledematen. En – hier – setzt sich um die tanzende Bewegung nach außen in den Gesang und in das Musikalische nach innen.

Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziekº

ºZo wordt… omgezet in zang en muziek: Vgl. Das Wesen des Musikalischen und das Tonerlebnis im Menschen (voordrachten uit 1906 en 1920 tot 1923) ga 283 (vertaling: Rudolf Steiner over muziek, Zeist 1986), m.n. de voordracht van 7 maart 1923.
.

Steiner stipt nog even aan dat de huidige fysiologie en psychologie hierover niets kunnen zeggen. Dat gaat uiteraard over die disciplines uit Steiners tijd. Het zou interessant zijn te onderzoeken hoe dat in onze tijd zit, maar dat voert nu te ver: we willen de rode draad door de voordracht vasthouden.

In voordracht 3 sprak Steiner over ‘het concilie van Constantinopel 869′. In deze voordracht komen de gevolgen van dit concilie opnieuw aan de orde.
In in genoemde voordracht zijn ook de passages uit deze voordracht 10 opgenomen.

Ook de ‘afstamming’ van het hoofd verdient nog meer aandacht en zal ook apart worden behandeld.

Steiner maakt in deze voordracht een paar ‘verre’ uitstapjes, maar aan het eind van de voordracht haalt hij alles weer naar de leerkracht toe. 
En daardoor geeft hij de leraar een groots perspectief.

We hebben hier een van de pijlers van het vrijeschoolonderwijs:

Blz. 164   vert. 160

Wir haben heute versucht, uns klarzumachen, wie es kommt, daß unsere Zeit materialistisch geworden ist, indem wir begonnen haben mit etwas ganz anderem: mit der Kugelform und Mondenform und mit der Radienform der Gliedmaßen.
Du heißt, wir haben mit dem scheinbar ganz Entgegengesetzten begonnen, um eine große, gewaltige, kulturhistorische Tatsache uns klarzumachen. Das ist aber notwendig, daß insbesondere der Lehrer, der sonst mit dem werdenden Menschen gar nichts machen kann, die Kulturtatsachen aus den Fundamenten heraus zu erfassen in der Lage ist. Dann wird er etwas in sich aufnehmen, was notwendig ist, wenn er aus seinem Inneren heraus durch die un- und unterbewußten Beziehungen zum Kinde in der richtigen Weise erziehen will. Denn dann wird er vor dem Menschengebilde die richtige Achtung haben. Er wird in dem Menschengebilde überall die Beziehungen zur großen Welt sehen. Er wird anders an dieses menschliche Gebilde herantreten, als wenn er nur so etwas wie ein besser ausgebi!detes Viehchelchen, einen besser ausgebildeten Tierleib im Menschen sieht. Heute tritt der Lehrer im Grunde genommen, wenn er sich auch manchmal in seinem Oberstübchen kllusionen darüber hingibt, er tritt mit dem deutlichen Bewußt.cin vor den anderen Menschen hin, daß der aufwachsende Mcmch ein kleines Viehchelchen, ein Tierlein ist, und daß er dieses Tierlein zu entwickeln hat – etwas weiter, als es die NaJur schon entwickelt hat. Anders wird er fühlen, wenn er sagt: Da ist ein Mensch, von dem gehen Beziehungen aus zur ganden Welt, und in jedem einzelnen aufwachsenden Kind habe ich ,twas, wenn ich daran etwas arbeite, tue ich etwas, was in der ‘>anzen Welt eine Bedeutung hat. Wir sind da im Schulzimner: in jedem Kinde liegt ein Zentrum von der Welt aus, vom makrokosmos aus. Dieses Schulzimmer ist der Mittelpunkt, ja

We hebben vandaag geprobeerd te belichten hoe het komt dat onze tijd materialistisch geworden is, aan de hand van iets heel anders: van de bolvorm en de maanvorm en van de stralen-vorm van de ledematen. We zijn namelijk begonnen met iets dat schijnbaar het tegendeel is, om een grote, geweldige cultuurhistorische gebeurtenis toe te lichten. Maar het is noodzakelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opnemen wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken. Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping. Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien. Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenkamer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft. Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos.

Blz. 165

Mittelpunkte für den Makrokosmos. – Denken Sie sich, lebendig das gefühlt, was das bedeutet! Wie da die Idee vom Weltenall und seinem Zusammenhang mit dem Menschen übergeht in ein Gefühl, welches durchheiligt alle einzelnen Vornahmen des Unterrichtes. Ohne daß wir solche Gefühle vom Menschen und vom Weltenall haben, kommen wir nicht dazu, ernsthaftig und richtig zu unterrichten. In dem Augenblick, wo wir solche Gefühle haben, u~bertragen sich diese durch unterirdische Verbindungen auf die Kinder. Ich habe Ihnen in anderem Zusammenhange gesagt, daß es auf einen immer wunderbar wirken muß, wenn man sieht, wie die Drähte in die Erde hinein zu Kupferplatten gehen und die Erde die Elektrizität ohne Drähte weiterleitet. Gehen Sie in die Schule liinein nur mit egoistischen Menschengefühlen, dann brauchen Sie alle möglichen Drähte – die Worte -, um sich mit den Kindern zu verständigen. Haben Sie die großen kosmischen Gefühle, wie sie entwickeln solche Ideen, wie wir sie eben entwickelt haben, dann geht eine unterirdische Leitung zu dem Kinde. Dann sind Sie mit den Kindern eins. Darin liegt etwas von geheimnisvollen Beziehungen von Ihnen zum Schulkinder- ganzen. Aus solchen Gefühien heraus muß auch das aufgebaut sein, was wir Pädagogik nennen. Die Pädagogik darf nicht eine Wissenschaft sein, sie muß eine Kunst sein. Und wo gibt es eine Kunst, die man lernen kann, ohne daß man fortwährend in Gefühlen lebt? Die Gefühle aber, in denen man leben muß, um jene große Lebenskunst auszuüben, die Pädagogik ist, diese Gefühle, die man haben muß zur Pädagogik, die feuern sich nur an an der Betrachtung des großen Weltalls und seines Zusammenhanges mit dem Menschen.

Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, worden ze via onderaardse verbindingen op de kinderen overgedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt.0 Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden — woorden namelijk — nodig, om met de kinderen te communiceren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen worden door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbindingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij pedagogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet hebben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wanneer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 10: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2359-2212

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/11)

.

.
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over elementairwezens gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen.
Maar misschien gaan ze vanuit dit bezig-zijn hun eigen taal spreken; brengen ze je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een reus betekent dit, een dwerg betekent dat.

ELEMENTAIRWEZENS IN MENSELIJKE GESTALTE

Dwerg

In de op een mens lijkende gedaante komen in de sprookjesbeelden de dwergen voor. Zij zijn de imaginaties van dat elementaire geestelijke deel dat als aarde-verstand, als intelligentie van het aardse werkzaam is. Hun grote verstand vindt uitdrukking in hun grote hoofd, hun leeftijd in baard en gezicht.
Hun muts die ze meestal dragen wil zeggen dat zij zich naar boven afsluiten en dat dit verstand naar onder, op het aardse gericht blijft. Als elementairwezens houden ze zich op in het gesteente en in de metalen van de aarde, maar ook in het wortelstelsel van de plant die met de aarde in de stofwisseling verbonden is. Omdat de mens met zijn lichaam deel heeft aan de aardenatuur, komen de dwergen ook met de mens in aanraking.

Elf

De elfen zijn imaginaties van de in de plantenwereld werkende elementaire krachten.

Fee

De feeën daarentegen duiden meer op het luchtelement, zijn beelden van kosmische krachten.

Nix

Watergeest, waternimf zie: undine.

Reus

Reuzen zijn het beeld voor ongeremde, onbeheerste natuurkracht, die zich machtig, maar zinloos uiten. Daarom worden ze als groot en dom afgeschilderd. De ongetemde krachten van de lichaamsnatuur van de mens kunnen als reuzen ervaren worden. De ‘wilde man’ was honderden jaren het symbool van deze kant van de mens.

Undine (vrouwelijke watergeest)

Innerlijke, waar-droomachtige ervaring van de waterwereld, elementair wezen van het water.

Waterman/vrouw

Zie undine

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2358-2211

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/10)

 
Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over vogels gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een adelaar betekent dit, een zwaan betekent dat.

VOGELS

Luchtvogels

Hun element is het rijk van de lucht.  Grieks voor lucht is ‘pneuma’ en dat betekent ook ‘geest’. Deze dubbele betekenis van het woord verwijst naar het beeld: zoals de vogel naar de lucht opstijgt, zo stijgt de gedachte op naar het rijk van de geest. We spreken over een ‘geestelijk hoge vlucht’, van een ‘hoge’ gedachtegang’.
In het Duits kan je zeggen voor iemand met te hoogdravende gedachten: ‘Jemand hat ein Vogel’ – iemand heeft een vogel’. Nederlands wellicht: ‘heeft het hoog in zijn bol’. Of ‘ziet ze vliegen’.

Adelaar

Een beeld van een zeer hoge geestelijke vlucht. Wordt graag genomen als hoofdmotief in een wapen (vgl. de Horus-valk boven het hoofd van de farao; de veren hoofdtooi bij de Indianen.

Duif

Voor de ornithologen is ze een soort samenraapsel van de hele vogelwereld; ze verenigt in zich de hoender- of loopvogels, de vliegvogels en door haar buitengewone mogelijkheid van stemvariatie, de zangvogel. In haar verenkleed zijn symbolische getalsverhoudingen verwerkt: 10 slagpennen, 10 armpennen, 12 staartpennen. Hun buitengewone hoge vlucht, de pracht van de dalende vleugels – let eens op de vormen van een vlucht duiven – maken de duif tot het symbool van iets hoog geestelijks dat naar ons toekomt.

Ekster zie kraai

Haan

Beeld voor ons lagere Ik.

Havik

Deze is beeld voor de ‘aanstormende’ gedachten, i.t.t. de meer opstijgende gedachten in het beeld van adelaar en valk.

Kraai

De kraai duidt op heimelijke, achterbakse gedachten, op het armer worden van de geest. Ook de ekster geldt in een bepaalde samenhang als een slecht beeld, vooral in  Russische sprookjes. Maar de ekster wordt met het oog op de zwart-witte kleur, beeld voor de verbinding van twee werelden, de bovenzintuiglijk witte en de zintuiglijk donkere. De ekster verschijnt als een belangrijke ‘zielen’vogel.
Wolfram von Eschenbach plaats hem aan het begin van zijn Parzival.

Leeuwerik

Zoals deze vogel opstijgt en onvermoeibaar zijn gezang laat horen, staat hij in het sprookje voor de omhoog strevende innerlijkheid en vroomheid. Het oude Duitse woord ‘Löweneckerchen’, in het Nederlands ‘leuwer’ wijst erop dat de moed van het hart – leeuw – en omhoogstrevende vroomheid één moeten zijn.

Nachtegaal

Gedurende de nacht, de tijd van de dromen, zingt ze haar gevoelvolle mooie lied. Dit beeld duidt op onbewust dromend beleven, dat wonderlijk kan zijn, maar bij een omfloerste waarneming ook gevaarlijk.

Pauw

Met zijn vele ‘ogen’ op zijn uitgespreide veren is de pauw het symbool van het hoger waarnemen, de imaginatie. (Vgl. de pauw op oude mozaïeken, ook de betekenis ‘pauwentroon’. Dat de pauw ook ijdelheid betekent, is een bedachte allegorie.

Raaf

Ernstig en waardig schrijdt de glanzend-zwarte vogel voorbij en ziet eruit als een bezonnen geleerde. 
Hugin en Munin – verstand  en geheugen – heetten de raven bij Odin, zij waren zijn boodschappers: beeld van instinctief geestelijke krachten die de volksgeest met het volk verbonden. Met het toenemend zelfstandiger worden van het volk, de scheiding van de goddelijke wereld, moest Odin vrezen dat de raven niet meer naar hem terug zouden keren, omdat de verhouding tussen de zichtbare wereld en de geestwereld verduisterd werd. Deze verduistering kan ook plaats vinden in het innerlijk van de mens; de raaf werd tot symbool van een wijsheid die verduisterd werd. 

Valk zie adelaar

Watervogels

Watervogels zijn in staat om te zwemmen, te duiken, te grondelen of zich in de lucht te verheffen, waarbij ze dikwijls grote afstanden afleggen. Duidt het luchtelement enerzijds op iets geestelijks, het water is het beeld voor de veranderende, op en neer golvende, onbestendige wereld van de ziel. 

Eend

Op het water zijn haar bewegingen harmonieus, maar op het land maakt ze een onbeholpen indruk. Zo werd ze tot symbool voor het vermogen zich in de veranderlijke wereld van de gevoelens met zekerheid en harmonieus te bewegen, dus de zielenwereld te beheersen. Nu nog vaak een symbool in het Oosten en het Verre Oosten.

Gans

Ganzen zijn niet zo gemakkelijk te hoeden, zij lopen voortdurend in alle richtingen. 
Ook onze zintuigen zijn moeilijk te ‘hoeden’. Onberekenbaar op de buitenwereld gericht, is het nodig ze vanuit het innerlijk ‘bij elkaar te houden’. Een leidend motief van ridders en troubadours luidt: ‘Hoed je zintuigen’; het Duitse sprookje zegt: ‘Hoed je ganzen’.

Zwaan 

Een instinctieve, reine, zeer verborgen kracht die zich vooral in de ziel beweegt, maar ook in staat is tot een hoge vlucht, dus in staat zich te verheffen tot het geestelijke.
Beeldende taal: Duits ‘Es schwant mir’ – ik heb een voorgevoel.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2357-2210

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-2-1/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Ook in de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de tandenwisseling.
Die opmerkingen worden later toegevoegd, wanneer de hele voordracht wordt besproken.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling

in de voordrachtenreeks:

Idee und Praxis der Waldorfschule

GA 297

Vertaald op deze blog, behalve de voordracht van 31 augustus 1919 ’s avonds. Deze is vertaald en uitgegeven door uitgeverij Nearchus. Opvoeding en sociale verandering
(opgenomen in: Vrijheid van onderwijs en sociale driegeleding: over de levensvoorwaarden voor een werkelijk vrij onderwijs)

Voordracht 3, Stuttgart 31 augustus 1919

Blz. 72    vert. 

Es gibt einen wichtigen Einschnitt im Leben des Kindes. Er liegt gegen das siebente Jahr hin, gerade gegen das Jahr, in dem das Kind in die Volksschule eintreten soll und der Lehrer von den Eltern das Kind für einen Teil des weiteren Unterrichts und der weiteren Erziehung übernimmt. Äußerlich ausgedrückt ist dieser wichtige Lebensabschnitt durch den Zahnwechsel, aber die­ser Zahnwechsel ist nur ein äußeres Zeichen für etwas, was im Menschen als Wichtiges vorgeht. In dem Alter, in dem das Kind die Schule betritt, geht eine ganze innere Revolution mit der Menschenseele, mit dem ganzen Menschen vor sich, die in dem Zahnwechsel nur den äußeren Ausdruck findet. Bis zu diesem Zeitpunkte ist das Kind nachahmendes Wesen, ein We­sen, das durch die Geburt den Drang auf die Welt mitbringt, alles so zu tun wie seine Umgebung. Es gehört einfach zur Men­schennatur in diesen ersten Jahren, sich nur erziehen zu lassen von dem, was man in der Umgebung sieht. Und gerade mit dem Zahnwechsel beginnt erst die Zeit, in der etwas ganz anderes in der Menschennatur auftritt.

Voordracht 4, 24 september 1919

Übersinnliche Erkenntnis und sozial-pädagogische Lebenskraft
Bovenzintuiglijke kennis en sociaal-pedagogische levenskracht

Blz. 93    vert. 93

Nur wer sein gesundes Urteil verlegt durch allerlei Vorurteile, kann übersehen, wie jene Kräfte, welche bis zum siebenten Jahr als Formkräfte wirken – denn bis dahin ist die Formung des Leibes ungefähr abgeschlossen, die Formen wer­den dann noch größer, aber das Plastische ist ausgebildet bis zum siebenten Jahr -, dann mehr innerlich wirken, indem sie als Le­benskräfte wirken, den Menschen erstarken machen, aber insbe­sondere als innere Wachstumskräfte wirken bis zum vierzehnten Jahre hin. Und sie wirken so, daß sie vom vierzehnten bis zum zwanzigsten Jahr innerlich die Organe kräftigen, welche auf das Verständnis der Umwelt gerichtet sind beim Kinde, also jene Or­gane, welche fähig sind, sich in die Umwelt zu vertiefen. Es arbeitet das Geistig-Seelische am Physisch-Körperlichen des Menschen in verschiedener Art bis zum siebenten Jahr, bis zum vierzehnten Jahr, bis zum einund zwanzigsten Jahr. Kräfte, die ganz deutlich für den Unbefangenen geistig-seelische Kräfte sind, arbeiten sich heraus,

Alleen wie zijn gezond oordeelsvermogen laat prevaleren boven allerlei vooroordelen, kan overzien hoe de krachten die tot het zevende jaar als vormkrachten werken – want tegen die tijd is de bouw van het lichaam ongeveer klaar, de vorm wordt nog wel groter, maar het plastische is tot het zevende jaar gevormd – dan meer in het innerlijk werken, wanneer ze als levenskrachten werken, de mens sterker laten worden, maar vooral ook als innerlijke groeikrachten werken tot aan het veertiende jaar. En de werkzaamheid is zo dat ze van het veertiende tot het twintigste jaar inwendig de organen sterker maken die bij het kind gericht zijn op het begrijpen van de wereld, dus die organen die in staat zijn zich in de wereld te verdiepen. Wat geest-ziel is, werkt op een verschillende manier aan het fysiek-levende van de mens tot aan het zevende, tot aan het veertiende, tot aan het eenentwintigste. Krachten die voor degene die onbevangen waarneemt, geest-zielenkrachten zijn, komen tot ontwikkeling

Blz. 94  vert. 94

um die Organe des Menschen zu beherrschen und sie in der Entwicklung weiterzubringen.
Diese Kräfte sind also da, diese Kräfte, die gewissermaßen bis zum siebenten Jahr hin jenen bedeutungsvollen Abschluß hervor­bringen in der menschlichen Organisation, die herauskristallisieren aus der menschlichen Natur die zweiten Zähne! Und dasjenige Ge­heimnisvolle in der menschlichen Organisation, was bis zum vier­zehnten Jahr hin wirkt und zusammenhängt mit dem Wachstum, der Entfaltung, das ist doch da, das wirkt!

om de organen van de mens te beheersen en deze verder te ontwikkelen.
Die krachten zijn er dus, die in zekere zin tot aan het zevende jaar tot een belangrijke afsluiting komen in de menselijke organisatie; zij veroorzaken dat in de menselijke natuur de blijvende tanden verschijnen (Steiner gebruikt hier ‘kristalliseren’. En ook dat geheimzinnige proces in de menselijke organisatie dat tot aan het veertiende jaar zich afspeelt en samenhangt met groei, ontplooiing, dat is er en het is actief! 
GA 297/94
Op deze blog vertaald
/94

Voordracht 5, Basel 25 november 1919

Die sozial-pädagogische Bedeutung der anthroposophisch orientierten Geisteswissenschaft

De sociaal-pedagogische betekenis van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap

Blz. 126/127   vert. 126/127

Jener Abschnitt, der sich deutlich beobachten läßt in der Zeit, in welcher der Mensch die Zähne wechselt, so um das sechste, siebente Jahr herum, bedeutet für den Kenner der Menschenwesenheit einen tiefgehenden Umschwung der ganzen menschlichen Natur. Wenn man das Seelenleben vor diesem Abschnitt prüft, wenn man ein Organ dafür hat, wirklich empirisch solche Sachen zu prüfen, wie man heute empirisch prüft in den Laboratorien oder in den physika­lischen Instituten oder der Sternwarte, dann findet man, daß der Mensch in der Zeit, die dem Zahnwechsel vorangeht, im wesentlichen
ein Nachahmer ist. 

De fase die zich duidelijk laat waarnemen in de tijd waarin de mens zijn tanden wisselt, zo rond het zesde, zevende jaar, betekent voor wie het mensenwezen kent, een diepgaande verandering van heel de menselijke natuur. Wanneer je het zielenleven vóór deze fase onderzoekt, wanneer je een orgaan hebt om deze dingen daadwerkelijk empirisch te onderzoeken, zoals men tegenwoordig empirisch in laboratoria onderzoekt of in natuurkunde-instellingen of bij de sterrenwacht, dan vind je dat de mens in deze tijd die aan de tandenwisseling voorafgaat, voornamelijk een nabootser is.
GA 297/126-127
Op deze blog vertaald/126-127

Voordracht 7, Aarau, 21 mei 1920

Erziehung und soziale Gemeinschaft vom Gesichtspunkt der Geisteswisschenschaft

Opvoeding en sociale gemeenschap vanuit het gezichtspunt van de geesteswetenschap

Blz. 193  vert. 193

Wenn das Kind mit dem sie­benten Jahre die zweiten Zähne bekommt, so bedeutet das zugleich einen inneren organischen Abschnitt. Wenn man gelernt hat, die geistig-seelischen Kräfte zu beobachten, so lernt man erkennen, wie die Kräfte hier zu einem Ubergangspunkt gekommen sind (Metamorphosengesetz von Goethe). In diesem Jahre beginnen sich beim Kinde die menschlichen Vorstellungen so zu formen, daß sie vom Erinnerungsvermögen aufgenommen werden können. Die Kräfte lösen sich los vom Organismus, werden seelisch-geistig und erscheinen als gesonderte Vorstellungskraft.

Wanneer het kind met zijn zeven jaar de eerste blijvende tanden krijgt, dan betekent dat tegelijkertijd een inwendige organische afsluiting. Wanneer je geleerd hebt de geest-zielenkrachten waar te nemen, leer je kennen hoe de krachten hier tot een overgangspunt zijn gekomen (metamorfosewet van Goethe). In deze jaren beginnen bij het kind de menselijke voorstellingen zich zo te vormen, dat ze door het herinneringsvermogen opgenomen kunnen worden. De krachten maken zich los van het organisme, worden geest-zielenkrachten en verschijnen als aparte voorstellingskracht.
GA 297/193
Op deze blog vertaald/193

Voordracht 8, Dornach 8 september 1920

Pädagogische Kunst und die Waldorfschule
Pedagogisch-didactische kunst en de vrijeschool

Blz. 207  vert. 207

Wir beobachten zunächst das Kind vor seiner Schulzeit. Wir wissen, es hat zunächst die sogenannten Milchzähne. Es treibt dann vom sechsten bis achten Jahr an die dauernden Zähne hervor. Das ist für denjenigen, der nicht bloß den äußeren Menschen beobach­tet, sondern durch Geisteswissenschaft den ganzen Menschen beobachtet, eine außerordentlich wichtige Lebensepoche. Nicht zufällig fällt sie zusammen mit derjenigen, in der das Kind der Volksschule übergeben wird. Denn was da zuletzt sich herausstößt als Zähne, das entstammt Kräften, die ja im ganzen Menschen vor­handen sind, die am ganzen Menschen tätig sind; und das ist sozu­sagen der Schlußpunkt; wenn diese zweiten Zähne erscheinen, wird mit etwas, was bis dahin im menschlichen Organismus tätig ist, ein

We nemen eerst het kind voor het naar school gaat. We weten dat het eerst de zogenaamde melktanden heeft. Van het zesde tot het achtste jaar komen dan de blijvende tanden tevoorschijn. Dat is voor degene die niet alleen naar de uiterlijke mens kijkt, maar door de geesteswetenschap naar heel de mens, een buitengewoon belangrijke leeftijd. Niet toevallig valt die samen met die waarop het kind naar de basisschool gaat. Want wat er uiteindelijk als tanden naar buiten gestoten wordt, stamt uit krachten die in de hele mens aanwezig zijn, die aan de hele mens werken en dit is zogezegd het eindpunt. Wanneer deze tweede tanden verschijnen, komt aan iets wat tot dan in het menselijk organisme actief is, een

Blz. 208  vert. 208

Schlußpunkt gemacht. Dasjenige, was da tätig war, das ist bis zum Hervorbringen der Zähne gegangen.
Nun, wer das menschliche Leben tiefer beobachtet, der findet, daß gerade von einem Abschnitt des menschlichen Lebens an das Gedächtnis, namentlich aber die Kombinationsfähigkeit und die Vorstellungsfähigkeit eine ganz bestimmte Struktur erreicht. Das­jenige, was später intellektuelles Leben wird, das tritt von diesem Lebensabschnitt an ganz besonders auf. Und verfolgt man nun, was sich in dem Seelisch-Geistigen des Kindes abspielt bis zu dem Zeit­punkte, in dem hauptsächlich die zweiten Zähne hervorschießen, verfolgt man das ganz sachgemäß, wie man ein Naturobjekt ver­folgt unter dem Mikroskop: Was wird mit der Seele, wenn die Zähne heraus sind? – dann entdeckt man, daß es dieselbe Kraft ist, die zuerst den Organismus durchflutet und durchsetzt hat und die dann sich emanzipiert vom Organismus und frei im Seelischen zum intellektuellen Vermögen wird.
Sie beobachten das Kind vom siebenten, neunten Jahr an, sein seelisch-verstandesmäßiges Leben, und sagen sich: Was jetzt her­auskommt als Verstand, das hat früher, wo es noch im Unter­bewußten war, gearbeitet im Organismus. Das war als Seelisches am Leibe tätig.

einde. Wat daar actief was, was dat tot aan het doen verschijnen van de tanden. Wel, wie het menselijk leven dieper beschouwt, vindt dat juist vanaf een bepaalde fase in het mensenleven, het geheugen, met name de mogelijkheid tot combineren en de voorstellingskracht, een heel bepaalde structuur krijgt. Wat later intellectueel leven wordt, wordt vanaf dit punt in het leven bijzonder manifest. En volg je nu wat er zich afspeelt in de geest en ziel van het kind tot dit tijdstip waarop voornamelijk de blijvende tanden tevoorschijn komen. vervolg je dat heel zakelijk zoals je een natuurobject volgt onder de microscoop: hoe gaat het met de ziel als de tanden zijn verschenen? Dan ontdek je dat het dezelfde kracht is die eerst het organisme doordrong en doorleefde en die zich nu af, van het organisme losmaakt en vrij in de ziel tot intellectueel vermogen wordt. U kijkt naar het kind van zeven, negen jaar, zijn gevoelsleven, zijn verstandelijk leven en dan zeg je: wat nu naar buiten komt als verstand, heeft vroeger toen het zich nog in het onderbewuste bevond, in het organisme gewerkt. Dat was als iets van de ziel werkzaam in het lichaam.

Ich füge Ihnen jetzt etwas zusammen, was, wie gesagt, Ergebnis einer mehr als drei Jahrzehnte langen Forschung ist. Da haben Sie in ganz konkreter Weise im einzelnen festgestellt, wie das Seeli­sche, das allerdings in den ersten sieben Jahren noch nicht in seiner Urform, seiner Naturform auftritt, am Leibe arbeitet. – So ist es überall mit unserer Geisteswissenschaft. Aus strengen Forscher-prinzipien heraus redet sie über das Verhältnis von Seele und Leib, nicht philosophisch-schwafelnd, sondern nach konkreten Er­gebnissen, wie das einzelne Seelische, also in diesem Falle der Verstand, zuerst gearbeitet hat am Leibe. Wir verfolgen, wie der Verstand drinnen am Leibe arbeitet und allmählich den Leib organisiert, bis die Zähne herausgestoßen sind.
Und so kann man es immer weiter und weiter machen und kann zum Verständnis des ganzen menschlichen Leibes aus dem Geistig-Seelischen

Ik vat nu iets voor u samen wat, zoals ik zei, het resultaat is van meer dan dertig jaar onderzoek. Je hebt dan op een heel concrete manier in detail vastgelegd hoe de zielenkracht die in de eerste zeven jaar beslist nog niet in zijn oervorm, zijn natuurvorm actief is, aan het lichaam werkt. Zo is dat met onze geesteswetenschap bij alles. Vanuit stringente onderzoeksprincipes spreekt zij over de relatie van ziel en lichaam, niet filosofisch kletsend, maar door concrete feiten hoe iets bepaalds van de ziel, dus in dit geval het verstand, eerst gewerkt heeft aan het lichaam. Wij vervolgen hoe het verstand van binnen aan het lichaam werkt en geleidelijk het lichaam organiseert, tot de tanden tevoorschijn gekomen zijn.

Blz. 209  vert. 209

Man kann nicht fragen: Wie wirken Seele und Leib zusam­men von der Geburt bis zum Zahnwechsel? Denn dasjenige, was da gewirkt hat, erscheint äußerlich erst vom siebenten bis zum vier­zehnten Lebensjahr. Dann beginnt wiederum eine neue Epoche. Das öffnet den Blick zur Betrachtung des werdenden Menschen, des Kindes: wie die Seele des Kindes sich immer mehr und mehr ausgestaltet im äußeren Leibe. Und das durchfeuert den Willen, in der pädagogisch richtigen Weise an dieses werdende Kind heranzu­gehen. Da erlangt man dann die Fähigkeit, sich zu sagen, wie das werdende Kind eigentlich steht zu dem, was ihm dargeboten werden soll.

Je kan niet vragen: hoe werken ziel en lichaam samen vanaf de geboorte tot de tandenwisseling? Want wat daar werkzaam was, verschijnt pas uiterlijk vanaf het zevende jaar tot het veertiende. Dan begint er weer een nieuwe fase. Dat opent de blik op het beschouwen van de wordende mens, van het kind, hoe de ziel van het kind zich steeds verder vormt in het uiterlijke zichtbare lichaam.
En dat spoort de wil aan om op een pedagogisch juiste manier met het wordende kind om te gaan. Dan krijg je het vermogen te zeggen hoe het wordende kind eigenlijk staat t.o.v. wat hem aangereikt moet worden.
GA 297/207-209
Op deze blog vertaald/207-209

Voordracht 9, Olten 29 december 1920

Blz. 254  vert. 254

Wir haben zunächst einen Lebens­abschnitt, der geht von der Geburt bis ungefähr zum Zahnwechsel, bis um das siebente Jahr. Dann vollzieht sich beim Menschen -wenn man nur richtig beobachten kann, so offenbart sich einem das ganz intensiv – leiblich, seelisch und geistig ein Umschwung.

Allereerst hebben we een leeftijdsfase die vanaf de geboorte tot ongeveer aan de tandenwisseling loopt, tot rond het zevende jaar. Dan voltrekt zich bij de mens – wanneer je maar goed kan waarnemen, dan wordt het voor iemand duidelijk zichtbaar, heel intens – een lichamelijke verandering, maar ook een van de ziel en de geest.

Blz. 257  vert. 257

Und so sieht man, daß, indem das Kind über den Zahnwechsel herüberkommt und ein bedeutsamer Lebenspunkt überschritten ist, da ja noch das Nachahmungsvermögen weiter wirkt ins sieben­te, achte Lebensjahr hinein. Ungefähr bis über das achte Lebensjahr hinaus wirkt das Nachahmungsvermögen weiter. Es ist namentlich in dieser Zeit dasjenige im Kinde besonders stark, was ein Willenselement in dem Menschen ist.

En dan zie je, wanneer het kind z’n tanden heeft gewisseld, en een belangrijk ogenblik in zijn leven achter zich heeft, dat het vermogen om na te bootsen nog tot in het zevende, achtste jaar doorwerkt. Nog tot voorbij het achtste jaar. In deze tijd namelijk zit er bijzonder sterk een wilselement in het kind. 
GA 297/254 en 257
Op deze blog vertaald/ 254 en 257

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2356-2209

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel

.

DOORVERWIJZING:

(via de link onder:)

vrijeschool in beeld            

Over posters, affiches, foto’s

De vijf- en zesster

Kerstspel: alle artikelen

.

2355-2208

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (5)

.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

AANWIJZINGEN VOOR DE BELICHTING

Voetlicht, 1. en 2. bovenlicht: wit en blauw/ 2. bovenlicht ook rood

[1] Begin: alles blauw, ¼ wit

[2] Engel: ‘k treet voor uluyden      1. bovenlicht vol wit

[3] Engel af na Maria’s woorden: my geschiede nae u woort. 
1. bovenlicht wit naar ¼ terug

[4] Als baas Titus komt bij ‘myn goede vrou waer toe dit claegen: alles blauw, .  1/wit

[5] De engel verschijnt bij Maria: naby is de gheboorte tyt: 2. bovenlicht rood erbij en weer weg
De engel achter Maria: 2. bovenlicht rood en weer weg

[6] Geboren is in Bethlehem: bij het einde, overgang naar herders: blauw en ¼ wit

[7] De herders gaan slapen: al het wit weg

[8] De engel komt naar de herders: 2. bovenlicht rood erbij
De engel gaat weg: rood weg

[9] De herders worden wakker: blauw en ¼ wit

[10] Wanneer de herders vertrekken: Nu welaan: wit weg

[11] Jozef pakt de lantaarn om naar de herders te gaan: voetlamp ¼ wit erbij

[12] Wanneer de herders zingen na Witok: en segghen het oock den stadthouwer an.: blauw en ¼ wit

[13] De engel: aghtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren: 1. bovenlicht vol wit erbij

.

Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)
Deel 4Vanaf lied nr. 14 tot einde.

.
Kerstspel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspel

.

2354-2208

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen uit Oberufer – Paradijsspel – alle artikelen

.
Rudolf Steiner over de kerstspelen:
GA 274: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum 
De toespraken zijn op deze blog vertaald.

Hier vind je regie-aanwijzingen en artikelen over het Paradijsspel uit Oberufer.

Inleiding
Pieter HA Witvliet over: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-09-1979
over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-11-1979
Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

In bovenstaande bijeenkomst werden ook deze aantekeningen over het Paradijsspel gemaakt

[2] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel
Th.Onnes van Nyenrode-Smitsover: de imaginaties in het paradijsverhaal; Adam en Eva, het schuldeloos schuldig worden; tekst van Eva en Adam tijdens het plukken en eten van de appel, samen met aanwijzingen van Steiner; volgens de schrijfster is er in de vertaling van ‘de verleidingsscéne’ een vertalingsnuance geslopen, waardoor het geheel iets te verstandelijk wordt, wat nog wordt versterkt door de keuze van de medeklinkers. In de oorspronkelijke tekst rijmen het op vier plaatsen niet: het zijn cruciale punten ‘om wakker te worden’, het Nederlands heeft dat niet.

[3] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel:



De regie-aanwijzingen uit dit boek worden vergeleken met mijn aantekeningen die ik maakte op de vrijeschool Den Haag, veelal onder de regisseurs Veltman en/of Gerretsen.

[3-1] Deel 1
Vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2.

[3-2] Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.

[3-3] Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’.

[3-4] Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

[3-5] Deel 5: duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel. en beëindiging van het spel.

[3-6] Deel 6: aanwijzingen voor de belichting.

Het Paradijsspel in jip-en-janneketaal
Pieter HA Witvliet
over: voor degenen die moeite hebben met enkele passages in dit spel.

ACHTERGRONDEN:

In deze artikelen gaat het in algemenere zin over de spelen, met daarin vernoemd het Paradijsspel. De opmerkingen daarover staan in bruin.

Achtergronden van de kerstspelen
Carel Eckhart
over: wat zijn het voor spelen; wat vragen ze van je instelling; de oerbeelden; het epische karakter; 
over het kerspel en driekoningenspel: zie daar.

Over de kerstspelen
Paul Veltman over: de spelen, de tradities in Oberufer: karakteristieken over Paradijsspel (aan het eind van het artikel) het Geboortespel en het Driekoningenspel.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall
over: raak je erop uitgekeken?; de vondst van Schroër; tradities; paradijsspel: episch, stukje is bruin; over Geboortespel en Driekoningenspel: zie aldaar.

OPINIE-ARTIKELEN

Het Oberuferer Paradijsspel: een pleidooi voor liefde?
Harrie Vens over: dit Genesisverhaal is vertroebeld door de verstikkende last van zonde, schuld, enz.; de duivel: meer rood/geel dan zwart; Adam blijft Eva trouw, hij gehoorzaamt daarmee aan Gods opdracht: ‘heb haar lief’.

Het Paradijsspel, een spiegel van de mens
Gerben van der Heide over: rolbevestiging in het Paradijsspel?; het mysterie van de spelen; paradijsspel als ontwikkelingsweg

LITERATUUR:

Kerstspelen: alle artikelen
.

Tinekes Doehoek

.

2353-2207

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (4)

.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Deel 4

Vanaf lied nr. 14 tot einde

Gallus:

Wel an, laet ons tot Betlem gaen
twonder sien dwelc ons is kondt gedaen.
D. Denkt even na.
DH. Stiechel – de wil-mens, loopt al weg, Gallus houdt hem tegen:

Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
dat syne moeder hem rycklyc gevoedt.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
het kind is wel weert dattic ’t tot hem nam;
salt schielycken mit myn staf omvaen
en over myn bey schouders laën.
DH. ze helpen hem.

Gallus:

Ick neem een pluck wol voort kinde, me dogt
dat syn moeder het warrem daor inlegghen mogt.

D. De herders gaan achter het toneel om hun geschenken te halen. Even later komen ze met hun geschenken terug; het toneel is heel donker.
DH. heeft geen tastbare geschenken. Ook hier toneel donker. Ze stommelen wat luidruchtig. Soms gaan ze van het toneel af, een stukje de zaal in.

Stiechel:

Tis hardstickkedoncker, ick tast nae den wegh,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
Gaewe qualic of regt nae stadt by abuys?
D. ze tasten wat onhandig rond over het toneel.

Gallus spreeckt:

 

D. DH. hij kijkt in de verte:
Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
we willen naet godskind vragen een reize
en ofse daorgunter ons mogten wysen
hoe datme moeten gaen
omdra comen by dat kinde an.

D. DH. Gallus stampt met zijn stok op de vloer
Heydai Heyda! en isser agter geen
die const ons segghen alwaor heen?

D. DH Jozef kijkt op, gaat staan, DH. pakt het lantaarntje en D. DH. loopt in de richting van het geluid, het is nog steeds donker.
Josef spreeckt:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Yemant so u den wegh wysen dee?
Wilt my segghen waor na u de sinnen staen,
waer gh’u beneerstigt henen gaen?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
soude ons alhier geboren syn,
wy mogtent weten ende des syn gewis
naedient ons dus verkondight is.
D. de anderen knikken heftig.

Josef spreeckt:

Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt. –
Hier leyt het kind daer van ghy seght. 
DH. blijde verbazing.

D. DH. de herders nemen hun muts af, leggen hun stok neer en gaan naar de kribbe. Daar blijven ze staan.

                                                           Jozef/Maria
                                                                 kribje
                                                        G                       St
                                                                     W
Als ze daarna bij het sporeken knielen, kunnen ze op twee knieën knielen, maar ook op een, als Gallus en/of Stiechel dat doen: de ‘staande knie achter. Witok niet helemaal met zijn rug naar de zaal, maar schuin.

GT  (De drie herders plaetsen haerselven voor Josef en Maria en singhen: (lied 15)

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
so gunder in de krebbe light;
dat isset kindjen wel gemint
het overschone Jesuskind.

GT (Gallus knielt neder en spreeckt by de offeringhe):

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Hoe leyt ghe daor soberlyc neer.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
alleenich wat stoppelen hoys so hardt.
Niet op somersdach geboren en syt
maor inder bittren winterstyt.
Voort lelyenblanck ende rosenroodt
kiest ghe snippende vorst en coude groot.
U bleke koontjes, u neuzeken fyn
hoe datse schier vervrosen syn,
dat u schone guld’oochjens synder vol
van bittere traenen. Siet hier een pluck wol,
die hebbic u Jesuken metgebrogt
dat u moeder u warrem daor inlegghen mogt,
oock hebbic noch een hantvol meel
dat u moeder een papjen kookt» Tisser niet veul,
maor soot u ghelieft ick coom ereis weer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.

D. DH. Gallus blijft geknield. D. maakt een beetje plaats voor Stiechel.
D. DH. Stiechel knielt.

GT Stiechel spreeckt by de offeringhe:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
gins hebtghe u hemelsaele groot
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
een kruycksken mellek moghtic u schencken,
nu biddic u, wilt myns gedencken.

D. DH. Witok knielt, de anderen blijven geknield.

GT Witok spreeckt by de offeringhe:

God gheef u goên dach lief kindeken,
syter gegroet lief Jesuken!
Ghy die syt coninck boven al
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
ick bringh u, cooninck, een wolligh lam,
verschoont dattic niet mit meerders en quam. –

Josef spreeckt:

Ghy herders, van herten danck geseyt
van gaven end’ offerveerdicheyt.

Maria singht: (lied 16)

D. Maria gaat staan en opent haar handen vriendelijk dankend. Bij de laatste regel, maakt ze een zegenend gebaar.
DH. Maria blijft zitten.

Ghy herders, van herten danck geseyt
van gaven end’ offerveerdicheyt.
God wil u neerinck doen gedy’n
en laete u schaepkens tierigh syn.

GT De herders singhen, noch immer geknield: (lied 17)

Buyght by het krebbeken neder,
wieght twichtjen heen en weeder,
dat wilder ons al genesen dat kindeken sy gepresen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!

D. De herders gaan staan, nemen hun stok en muts en verwijderen zich langzaam van de kribbe, naar de voorgrond, nog steeds omkijkend naar de kribbe met een peinzende uitdrukking. Er ontstaat een kleine pauze. Jozef kijkt hen na.
DH. De herders gaan staan, pakken hun stok en buigen ten afscheid naar de kribbe en Maria. Jozef pakt het lantaarntje en wijst ze de weg. Ze blijven omkijken en zetten tenslotte hun mutsen op. Ze lopen terug naar hun plaats links op het toneel. De stemming is ernstig, maar ook blij. Wat ze gaan zeggen is eigenlijk onbegrijpelijk voor hen. Af en toe onderbroken door kinderlijke vreugde of verwondering. 
Om de afstand vanaf de kribbe naar de plaatsen van de herders niet te lang te laten duren, kan Gallus onder het lopen met zijn tekst beginnen. 

Gallus spreeckt:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
dat hy geboren is so onbekend,
gebrek en coude deerlic lydt
en toch regeert de waereldt wydt

Witok spreeckt:

Hy quam hier opter aarden erm
op dat hy onser hem ontferm
en maek’ ons in synen hemel ryck
even selfs d’enghelen gelyck.
Sulcx doet hy dat den mensch moght leeren
van hoverdy hem of te keeren,
dat hy niet leve in stacie ende pragt
maor regt deemoedigheyt betraght.

Stiechel spreeckt:

Tcan ons getroosten in onsen moet
deur dien hy is van coninclyc bloet.
Coningh David was oock een herdersman
ent is meraeckel wat hy heeft gedaen:
het staet te lesen inder schrift als dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.

Gallus spreeckt:

Als we efter totten ghesellen gewaghen
van tgeenme alhier mit ooghen saghen,
veur den sot sullens’ons houwen,
’t noyt niet gelooven,
want deuse saeck gaetet verstant te boven.

Witok spreeckt:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
voort segh ick den lantheer wat hier is geschiedt
en sal morgen den dagh nae Hierusalem gaen
en segghen het oock den stadthouwer an.

D. De herders zetten hun muts goed recht en zingen het 1e couplet van lied 14. Dh. idem.

Stiechel spreeckt:

 

DH. Crispijn zit op de plaats voor het toneel en beklimt dat moeizaam.

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesogt.

DH. Stiechel ‘haalt’ hem naar de anderen, klopt wat op zijn schouder, de anderen maken vriendelijk groetende gebaren.
God moet u groeten, myn goe Crispyn!

Crispyn spreeckt:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.

D. Crtispijn is wel oud, ietwat dommig en langzaam, met de situatie verloren. DH. Crispijn is ‘doof’ en ‘blind’, maar wel helderziend.
Hij herhaalt een aantal woorden voor zich heen. 

Galllus spreeckt:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?

Crispyn spreeckt:

 

D. Bedachtzaam. Hij toont met zijn hand de grootte aan.
Werentlich de schaepkens weyde alle te gaor,
groot’ende clene, so d’eene als d’aor.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
wat of die geruchten int volc beduyden?

Gallus spreeckt:

 

D. Hij slaat hem op , werentlich’ krachtig op de schouders

Werentlich! in Betlem leytet kindeken
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken
DH. Crispijn herhaalt ‘kindeken’  ‘ezelken’ ietwat verbaasd.
D. hij schudt steeds het hoofd alsof hij het niet begrijpt, ook later bij het zingen.

Schout ghe selver gheerne twonder aen,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
en mit onslie nae Betlem gaen.

Crispyn spreeckt:

Hoe veer ist wel?

GT Gallus spreeckt:
DH. alle drie, als hielden ze hem een beetje voor de gek.
Tot gh’er bent!

Crispyn spreeckt:
D. brengt zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd alsof hem een lichtje opgaat.
DH. Enige aarzeling tot hij het snapt.

Jao, jao, ick sallereis bedencken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
DH. de slip wordt bewonderd door de anderen.

GT De herders, agter malkaer in een kringhe gaende, singhen: (lied 18)

D. de herders zingen, achter elkaar in een kring rondlopend.
DH. Hier is een groot verschil, evenals bij lied nr. 14. Ik hoor Veltman nog uiteenzetten, dat de 3 herders de drieledige mens verbeelden, in de driehoek, die kosmischer is en dat Crispijn als het jonge Ik, de 4 compleet maakt die als vorm ook het vierkant heeft. Daarom moet dit lied duidelijk in een vierkant worden gelopen, met strakke 90º hoeken. 
Elke zin of 2 zinnen een zijde van het vierkant.

Herdersluyden vro en bly
waren by den schaepen,
opten velde waekten sy
en leyden haer slaepen
Toen voer een enghel tot haer neer
vol heerlyckheyt so datse seer
in schrik en vreesen waren
De enghel sprack: vreest niet met al,
veel vreucht den volcke wesen sal,
‘k bringh u blyde maeren

Nu is het afhankelijk van de grootte van de speelruimte, of er op een toneel gespeeld is of niet, waar de spelers zaten enz. hoe de kompany zo harmonisch mogelijk weer een geheel wordt. In ieder geval moeten Jozef en Maria ‘opgehaald’ worden, waarbij Maria en Jozef met uitgespreide mantel het kindje uit de kribbe halen dat Maria dan op haar arm draagt. 
Uiteindelijk loopt de engel voorop, gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger (geen uitgeklapte schaar: het kind is geboren!), de 4 herders en de 3 waarden. 
Er kan een ommegang door de zaal volgen. Soms gaan aan het eind de spelers voor de banken staan, soms gaan ze allemaal het toneel op en vormen een halve boog. (Klaar op het einde van het lied – soms extra pianospel nodig.) Dan gaat de engel weer het podium op of komt vanaf zijn rechterplaats naar midden voor.
D. spelers gaan na de ommegang weer op hun banken zitten. De engel gaat het toneel op en maakt 3 buigingen.

GT De kompany singht: (lied 19)

1.
Juyght nu juyght, soo arm als ryck!
Ons is op deusen dach
een kind geboren heuchelyc
dwelc aller dinc vermagh,
oock heyligh is daer by,
tis Jesus Christus, hy
die quam om ’s menschen sond voorwaer
uyt synen hemel claer.
2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
in noot en nederheyt,
in Betlem so de scrift verhaelt —
al in een schuere leyt.
Een krib syn woninck is
die toch een coninck is,
den hoochsten coninck wyd ende zyd
op d’aert in eeuwicheyt.

GT (kompany af)

De enghel spreeckt:

D.Bij groeten: soms 3x, soms 1.
DH. 1x.

Aghtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,  D. 3x op het eind, of 1x na achtbare, vroede, goedgunstige.
oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere, D. 3x of 1x als boven
wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden.
‘k Bid so wy quamen veuls te cort
tons niet en aengerekend wort
maer alles dat wy schuldich bleven
onse onkunde mach syn toegescreven:
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
so wenschenme van God almagtigh een goede nagt.

GT(af)

D. De engel haalt de anderen op, leidt ze allemaal over het toneel. Ze gaan in een rij staan naast elkaar en maken een buiging voor het publiek. Dan gaan ze op de achtergrond, engel voorop, van het toneel.
DH. of andere situatie. Als je al op het toneel staat, wordt het ‘een goede nagt’ met een buiging, door de spelers herhaald. Dan gaan ze bijv. door de zaal naar de gang onder het zingen van het tweede couplet. van lied 19.
.

Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)

Kerstspelenalle artikelen

.

2352-2207

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (3)

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Deel 3 

Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)

Van de herders wordt wel gezegd dat ze ‘denken – voelen – willen vertegenwoordigen’. Je kan bij Stiechel wel iets zien van een ‘wil’, bij Witok ‘het gevoel’ en Gallus heeft regelmatig wat ‘hoofd’zaken. In het spelen kan er (iets) rekening mee worden gehouden.

Gallus begint te spreken. Hij kan van linksachter op het toneel naar voren komen, maar hij kan ook vanuit de zaal het toneel op ‘rennen’.
D. Gallus verschijnt op de achtergrond.

Gallus treet op en spreeckt:

Heyda ho hee!
lck had gedocht ick sou de leste syn
en waorlyck synder haôrluy noch naer myn.
Ooy, ooy, wat isset bitter coudj
De vorst nypt vinnigh int gelaet
dattic niet weet waor myn neus staet.
D. wrijft en blaast in zijn handen, wrijft over zijn neus, schudt.
DH. zoekt zijn neus.

Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt:!
hy borregtse als maôr, keer op keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Ick kyck ‘reis efkens rond en te omme:
daor sienck sowaor myn broeder Stiechel kommen.
D. komt van achter.
DH. uit de zaal.

Stiechel:

Heyda ho hee!
Ick had gedocht ick coom te eersten aen
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.

DH. Gallus staat links, Stiechel rechts van hem, maar niet voorbij de boom.

Gallus:

Stiechel hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender by-naest styf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Siet er eens myn bei handen aan
DH. Gallus laat zijn handen zien.

Stiechel:

Ei hebtgh’ er maor tweu kwansys?
DH. Stiechel pakt ze even beet en op dat ogenblik trekt Gallus de handschoenen van Stiechel uit en doet ze zelf aan.
alle hondert en dusent wat maecktghe me wys!

Stiechel:

Ei waor blyft broeder Witok so lanck?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme,
daor sienk sowaor myn broeder Witok kommen!

D. Witok van achter; DH. Witok komt vanuit de zaal.

Witok:

Heyda ho hee!
ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
en waorlyck synder haorluy noch voor myn!

Stiechel:

Gy komter oock alle hondert en dusentmael te spa.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
‘k de oü schoenen hadde benayt en gelapt.-
D. de andere twee draaien zich een beetje weg om hun lachen te verbergen.
DH. hij wil de zolen laten zien, maar kan zijn voet niet zo hoog krijgen; Stiechel duet het dan omhoog, waardoor Witok bijna valt en door Gallus wordt opgevangen. Dit is een van de vele ‘grappen’ die er in zo’n stuk kunnen voorkomen. Daar kun je in variëren. Als het maar niet te veel wordt en te overdreven.

Trouwen! wen de vorst niet en luwen doet
gaen wylie een coude waeke temoet.
D. de andere twee grijpen naar hun neus.

Gallus:

Stiechel ‘kmogt weten oft u ter oore quam
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
int lant een groote beschryvinck laet houden,
daor van alle man hemslefs loscoopen soude,
op straffe vant verlies al synder have en goets:
Wie can daor wesen vrooen moets?
D. draait zich een beetje weg, krabt op zijn hoofd.

Stiechel:

Ei vrund Gallus wat seghtghe daor?
Is dat gebaesel of ist waor?
Tvolc verwagt dat de qua tyen verkeeren,
en moeten de sorghen noch vermeeren?

Witok:

Och gaet de verwagtinck noyt niet ten endt?
o wee onse jammer en onse ellend!
datter de sorgh noch vermeeren most!
we comen al swaer genog an de kost.
tis ongeluck op ongeluck
daor onder yeder gaet gebuckt.

Gallus:

D. Gallus klopt Witok op de schouder.
DH. hij doet beledigd.

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ick worde geplaeght by nagt en by dagh.
Voor en naor bennic met de schaepen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.

Stiechel vooral, en Witok maken een gebaar van ‘wat duurt dat lang’.

Gister noch, toen ick was oppet veldt,
neerstlyc myn schaepkens hadde geteldt,
DH. hij doet het uitvoerig voor.

ten synder te mael niet bystern veul,
daorck u cort de oorsaeck van segghen wil.
D. Hij neemt Witok apart.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ouwe wouwelaer!

Gallus:

D. en DH. Het woord wolf was gevreesd. Gallus aarzelt even voor hij het uitspreekt.
Een goê deel heyt de… wollef levend verscheurdt.

D. De herders kijken bij ‘wolf’ elke keer geschrokken om en zakken door de knieën – hurkhouding.
DH. ze springen dan op.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd;
dan synser by ongeval dootgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?

Gallus:

Myn trou, Stiechel, houdt uwen mond,
byt niet de wolf kreck so hart als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
als hadtgh’er sellef by gestaen! –
D. ze krijgen handtastelijk ruzie. DH idem.
 
Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
In D. heeft hij een grote knapzak aan zijn arm, zwaait ermee en gaat zitten en begint hem uit te pakken. De twee andere herders gaan ieder aan een kant naast hem zitten en kijken geïnteresseerd toe.
Witok laat bezwerend tussen G en S in, langzaam zijn stok dalen waarin bovenaan een zakje hangt. G en St houden verbaasd op en kijken nieuwsgierig mee.

Die laetenm’ ons te nagt wel smaecken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?

Witok:

Drie sulcke hompen, louter vet!

D.Witok verdeelt. DH idem.

(Sy setten haer neder en eten)

DH. Als ze uitgegeten zijn gaat Witok onder het spreken langzaam staan, de anderen volgen zijn voorbeeld.

Lestent wierdtme inder brêe vertelt
twaor van God in eeuwicheyt bestelt
dat tonsent den begeerden messias sou comen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
Alsdan sullen wuylie hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden

Gallus:

D. Gallus gaat staan; Stiechel iets later. Dan komen ze in een driehoek te staan punt naar achter. 

Och waor’ den messias digt byder hant
dan soudenme setten al sorghen aen kant,
van louter iolyt soudenme springhen,
met vrolicheyt gode het gracie singhen.
(sprong)

DH. ook driehoek en
GT (sy staen op haeren herdersstaf geleunt in een driehoeck tegenover malkandren en springhen tegelycker tyt omhoogh ten teeken haerer blydschap)

In D. pakken ze dan samen de knapzak en leggen die opzij.

Stiechel:

Twelcker tyt ende plaetse moetet geschien
datme der armen solaes mogten sien?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
doch van de plaetse staet geschreven,
in Betlehem wort hy geboren
van eener maagde uytvercooren. –

D. Gallus bezinnend. DH. begint luidruchtig te gapen, de anderen even later ook.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
meughenme wel efkens d’ooghen sluyten
end’een cortewyl slaepen hierbuyten.

GT (De herders legghen haer neder en slaepen in.)

Bij het liggen moet je er rekening mee houden dat de engel nog een boog kan maken om de herders heen. Het ‘ommerollen’ moet niet zoveel aandacht krijgen dat de engel ‘weggespeeld’ wordt. DH. De engel komt midden achter uit de coulissen.
D. er staat zoiets als ze staan naast elkaar en vallen met hun hoofd in de richting van de kribbe, richting Jozef en Maria en slapen in. Kleine pauze. Op de achtergrond verschijnt de engel, op een verhoging, zo mogelijk springt hij van een nog hogere stelling op dit podium.

DH. engel staat stil staf in rechterhand.

De enghel comt en singht: (lied 9)

Gloria, gloria, in exelsis
Ick bringh uliën een maere blydt
en allen volcken op aerde wydt.
O Christen maekt
u op en waeckt;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind –
gezwind, gezwind!
Wackere hersluyd, flucx op de been
spoeter nae Betlehem alle met een;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
gins indien stalle het kindeken kleyn,
het kindekeyn, het Jesulyn!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaen,
siet, groote blydschap segh ick u aen

D. Tijdens dit lied draaien de herders zich onrustig om. DH idem.

D. Gallus spreekt in zijn droom.
DH. herders spreken in visioen, droomachtige stem.

Gallus spreeckt in den droom:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende selsaem gedruis
me dunckt, het is niet heelendal pluys,
of isset een gespoock quansuys?

Stiechel spreeckt:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt,
wat schynt gins voor een droomgesigt?

Witok spreeckt:

Een stemme hoor ick hel en klaor
het lykent wel een enghlenschaor.

D. flinke pauze.

De enghel singht: (lied 10)

DH. Vanuit de zaal gezien: hij loopt rechts om Stiechel heen naar links, langs Gallus en dan naar achteren weg.

Van hemelsrycken coom ick neer,
een hemelsbode van also veer;
veul goede maeren bringh ick u,
die segh ick en die singh ick u

D. De engel staat stil op dat podium en blijft nog even staan, dan daalt hij dat podium af en verdwijnt in een mooi boog links naar de achtergrond, terwijl hij de ster nog een keer in de richting van de herders hoog houdt.
Na een kort ogenblik gaat Gallus ‘omslachtig’ staan, slaat zijn kleren af en glijdt een beetje weg.

GT (Gallus ryst en spreeckt tot Witok):

Past erop, so gladt als een spieghel.

Witok:

D. Witok gaat ook staan, langzaam, glijdt ook weg.

Als ’t is: en deuvenkatersgladt;
theyt mot gereghent:
gants vol ysel is myn baerdt!
D. hij slaat de druppels van zijn armen, voelt in zijn gezicht.
Gallus kijkt ernaar en richt zich dan tot de slapende Stiechel.


Gallus:

Stiechel, staet op, de hemel kraekt alree!

Stiechel:

D. Stiechel heel slaperig. DH idem.

Ei laotmaor kraecken, hy is waorlyc oud genog daorveur.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veughelkens tuytren al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaeck.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs de weghen.

Stiechel:

Ei laotmaor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.

Gallus:

Ei ghe mot doch op staen!

D. tijdens deze dialoog zijn Gallus en Witok steeds dichter naar Stiechel toegekomen. Ze stoten hem met hun stok aan en Stiechel staat langzaam en omslachtig op. De anderen kijken gespannen afwachtend naar hem en als hij staat, glijdt hij ook uit en valt pardoes plat op zijn buik. De anderen lachen achter hun hand.
DH. Bij ‘ghe mot toch opstaen’ pakken ze hem onder de armen en trekken hem overeind; ze laten hem los en Stiechel valt op zijn buik. Dan zeg Gallus schijnheilig:

Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.

Stiechel:

D. Hij gaat met moeite staan.

Ei alle hondert en dusent!
Costgh’ oock niet waerschouwen
voor dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten?
DH. Nadruk op ‘voor’

D. Hij klopt zich nog wat af.

GT (tot Gallus):

DH. Het ligt voor de hand de klemtoon hier op gedroomd te leggen.

Ha myn Gallus! wat hebt ghy wel gedroomt,
Wat hebt ghy wel gedroomt?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe?
dat can ick u vry segghen.

GT (Alle drie keeren in eenen driehoeck staende malkaer de rugghe toe en leunen op haeren herdersstaf)

D. De herders staan in een driehoek met het gezicht naar elkaar toe, leunen op hun stok en springen daar omheen. zodat ze nu met hun rug naar elkaar staan.
DH. Idem. Ze wiegen bij het zingen langzaam heen en weer. Te vlug maakt een te wakkere indruk!.

Gallus singht: (lied 11)

Ick docht in eenen stal te gaen,
Sach daer een os end’ esel staen
die uyt een krebken vraten;
beneven haer een joncvrou teer,
een edel grysbaert saten.

Nu is de slaepenstyt voorby!
quam elcke naght dien droom tot my
ksou gheern tot zeuvenen slaepen. –

GT (sy keeren haer weder naer malkaer toe)

D. Ze draaien zich weer met een sprong naar elkaar toe.
DH. Idem.

DH. De situatie was zo:

De herders schuiven op, zodat Witok achter staat.

Stiechel:

D. Nu de nadruk op ‘ghy’ en ‘myn’.
DH. Idem.

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat ghy neffens myn so ornmerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe?
Dat can ick u vry segghen

D. Met de ‘stoksprong’ keren ze elkaar weer de rug toe. DH. idem en wiegen.

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)

Witok singht: (lied 12)

In stille kersnagt opten lant
deur diepe slaep wierck overmant,
myn hert deet overvloeyen
van soete vreucht en honigh goet
en rosen deden bloeyen.

GT (sy keeren haer malkaer weer toe)
Met de ‘stoksprong’. DH. Ze schuiven op.

Gallus spreeckt:

D. De klemtoon op ‘ghy’ en ‘myn’. DH. idem.

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)
D. DH. Met de stoksprong.

Stiechel singht: (lied 13)

Ick droomd’ als dat een enghel quam
en ons nae Betlem met hem nam
in varre joodsche oorden:
een wonderdinck was daer geschiet,
twas wonder watme hoorden.

D. De herders maken een sprong naar elkaar toe, staan rechtop, slaan hun kleren af, pakken hun muts en zingen in een kring achter elkaar aan.

GT (De herders singhen, in eenen kringhe agter malkaer gaende: (lied l4)

Hoewel ook hier wordt aangegeven in een kring te lopen, was er in DH. toch meer sprake van de driehoek, juist om te benadrukken, dat wanneer Crispijn straks meedanst, het vierkant de vorm is. Op elk couplet werd weer van richting veranderd. 

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
die singhen alse niet en slaepen:
heisa ho hee! laet lustigh ons singhen,
welgemeyt int ronde springhen.
David een kloecken herder was,
droegh oock een staf ende herderstasch.
2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
bly singhen wy, God heere ter eere,
wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?
Ddaer isser geen soot euvel diet,
deet te mael David het selver niet?
3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
wierdt hy coninck al syne daghen,
cieraet der joden, schepter in handen,
potentaet vans heeren landen.
Alleman mach op David sien:
synder die herders geen wackre liên?

.

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

 

2351-2206

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (49)

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

ZWERFTOCHT MET KORILU

Jasper en Korilu zijn de hoofdpersonen in dit verhaal vol onmogelijkheden, maar die je toch voor lief neemt, omdat ze nu eenmaal door meester-verteller Thea Beckman zijn verhaald, dus meeslepend. Hoofdpersonen is eigenlijk te veel gezegd: we weten dat (de) Korilu geen persoon is. Wie of wat dan wel? Dat blijft het hele verhaal een raadsel. ‘Het’ zullen we maar zeggen, reist ontzettend graag en samen met Jasper maakt het een wereldreis waarop doldrieste avonturen worden beleefd. Jasper is een intellectueel knappe jongen, maar al reizend komt hij erachter dat ‘iets weten’ niet meteen betekent dat je er ook iets aan beleefd hebt.
Die belevingen ervaart hij nu ruimschoots. We worden over de hele wereld meegenomen: wij lijden schipbreuk, ontmoeten Indianen, moeten vluchten voor een vulkaan, gaan goudzoeken, worden gevangen genomen en weer vrijgelaten. En altijd is daar weer – als inspirerende genius ‘(de) Korilu…..

ZWERFTOCHT MET KORILU

Thea Breckman
Ill. Ingrid en Dieter Schubert

BOEK
Oorspronkelijk verschenen bij Lemniscaat

12 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2350-2205

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (2)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Na lied nr. 4 zit Maria op een krukje, Jozef staat naast haar.

Josef spreeckt:

Jozef pessimistisch, Maria optimistisch; Jozef oud, zeurderig, Maria jong, onbevangen.

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
dat allet volck te saem sal syn bescreven
end elck van stonden aen sonder respyt
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
Wyl nu voor onse nootdruft wierdt besteet
het geldt so ick terzyde legghen deet,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
alsulck ellend geclaegt sy god de heer
verslagenheid

‘k En weet oock geen middel hoe geldt becomen,
myn kragten hebben of genomen,
het hantwerck wierdtme alree te swaer –
dat wil my bedroeven voor ende naer.
Alevel willic sonder draelen
Augustus dit tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria spreeckt:

D. Maria bescheiden de handen strekkend, vriendelijk, troostend, rustgevend, hartelijk

0 Josef en laetet u niet verdrieten,
die som salmen wel veur willen schieten;
ick spreecker een vrund aen te morghen,
syt hier om sonder sorghen.

Jozef spreeckt:

Maria wie isser so wel gestelt
om ons verstrecken so veul geldt?
de schaerschte heerscht aen alle kant.
(even stil)

Wy willent legghen in gods hant.

Maria spreeckt:

D. hoofdschuddend

Als geenderlei midd’len te vinden en syn
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
en leydent nae Bethehem met spoet
alwaer Augustus ons heentyen doet,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
so macht noch goet afloopen.

Jozef spreeckt:

Eerst bijna beledigd, maar hij wordt nu steeds optimistischer.

Soome veur de beschrvvinck het osjen geven
hoe onderhouwemme verder ons leven?
daer op ick al hope ende heul had gebout
om een kleynicheyt het vercoopen soud?
Edoch, waert geldt van noode is
het minste quaat geboden is.
Maria het eselken bringt ereis aen,
ick sal mettet osjen nevens u gaen.

D. Ze lopen naar het kripje en nemen os en ezel mee en lopen daarmee over het toneel. Wanneer ze achter de boom zijn, gaat de engel staan en leidt de kompany het toneel op. Ze lopen over het toneel en zingen lied 5 twee keer.
Tijdens deze gang gaan de waarden en de engel achter het toneel, terwijl de anderen weer terug gaan naar hun plaatsen.
DH De engel en de waarden zijn al achter de coulissen gebleven. Jozef en Maria lopen naar links, terwijl de spelers de melodie van 5 (=3) neuriën.

Maria spreeckt:

Langzaam verliet Maria de moed, Jozef wordt krachtiger

Comen wy nu ter stadt so meteenen
waer brignhenme os ende eselken henen?

Jozef spreeckt:

Een man is my aldaer bekent.
Rufinus, houdt een losament;
daer sullenme ondercomen vinden;
os end’ eselke in den stalle binden.

Maria spreeckt:

So efter vreemden waren gecomen
en al de plaetse waar’ in genomen? 
wyl dat veul volos van alderhant wys,
slagh ende soort alsnu nae Betlem reyst.
Jozef vertwijfeld de handen omhoog: onzekerheid

Josef spreeckt:

Jozef tuurt met hand boven ogen

Maria ick sien de stadt op daegen,
wy willent vee een weinigh jaegen
dat niet de poorte quam te sluyten
enm’ overnagten mosten daer buyten.

Jozef is wat harder gaan lopen, Maria blijft enkele passen achter; hij drijft ook het vee naar voren; Maria blijft dan staan.

Maria spreeckt:

0 Josef en haest so ras niet voort,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
de baen is ach so gladt van ys,
ick vreze te vallen telken reis,
van coude syn my de leden bevaen
ick vreze het mogt my qualich vergaen.

Jozef houdt in; luistert, draait zich om en keert terug; legt een arm om Maria; ze lopen weer langzaam verder.

Josef spreeckt:

tavond wenme ons wit bereycken
sullenme soetjens de leden bestrycken
met doecken so heet,
(kleine Pauze) optimistisch

Maria siet aen,
alreets wy voor die herberghe staen.

Ze zijn nu op de plaats waar Rufinus achter de coulissen links staat. Jozef stampt met zijn stok op de vloer

(de waert comt)

Kijkt meer naar publiek dan naar J en M

God gheef u genavend myn goe Rufyn,
meughenme te nagt in u herberghe syn?
wy comen moey van langhe togt,
so als elck reysersman wel kennen moght.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
de snerpende windt het gesight schier ontvelt.
D ze wrijven over arm en wang

De waert spreeckt:

Maakt gebaren vanuit de ellebogen, kijkt Jozef nauwelijks aan

Vriendt, wilt u gaôdingh elder soecken, 
hier ist beset in alle hoecken
van kelder tot solder vroegh ende spâ
het is sowaer als ick hier stae
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort –

D. tijdens de laatste zinnen richt de waard zich trots op en slaat met de hand op zijn borst.
Nu lopen J en M achter de boom langs naar de overkant van het toneel.

Jozef spreeckt

Nu en ken ick lacie geen ander man
so ons behulpigh wesen can,
doch laet ons hierom niet versaghen
en voort op nieus een poginck wagen,
den gebuere bidden met heuschen groet
of hy bygeval ons beherbergen doet.

Jozef stampt weer 3x op de vloer; DH idem
(een andere waert, Servilus komt)

Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
datm’ een wyltydts gerusten connen!

De waert spreeckt:

Laatdunkend kijkend, vijandig. Als hij ze wegstuurt en zijn arm strekt, dan de rechterarm (de linker maakt a.h.w. een afsluiting naar het publiek)
Jozef wat onderdanig voor het contrast. De waard spreekt fel, consonantisch

Wat moetghe hier ghy mit u wyf
blyft bedelvolleck my vant lyf!
Van andren hebbic meer gewin,
landloopers laetmen hier niet in.
Wech van myb deyr en packt u voort
dat ghy my langer niet en stoort (af)
J en M deinzen terug; waard keert zich om en kijkt niet meer om

Maria een paar passen naar voren, naar publiek:

Maria spreeckt:

Ze heft haar handen

Erbarmen mooch hem den rycken god|
datmehenen gaenemet sulcken spot
van coude end’ anghst ‘et besterven,
geen toevlugt en meugen verwerven

Intussen is waard Titus, met lantaarntje, verschenen en komt langzaam naar Maria toe.

De waert spreeckt:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
wat sytghe alsoseer verslaegen?
ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
’t huys tot de nok vol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
gaet in den stal, daôr sit ghy goet.

Maria spreeckt:

Jozef staat links, Titus in’t midden Maria rechts

Ach baeslief, ons ist eenerley
oft beddeken hart ofte sagte sy
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.

De waert spreeckt:

Treet dan getroost in elck geval
tot myn huys leegh is, in den stal.

Titus voorop, J + M volgen naar krukjes. Waard zet lantaarntje neer; Jozef helpt Maria te gaan zitten en moet dan ook haar mantel die straks bij de geboorte omhoog moet kunnen, vrij laten hangen (zodat M er niet op gaat zitten)

Josef singht (No.6)

(sy setten haer op een krucksken)
Een verwarrend regeltje: dit ‘zsy’ kan betekenen: Jozef en de waard; maar zowel in D als DH is de waard al vertrokken; dan zou ‘sy’ meervoud kunnen zijn van ‘zich’, dat veronderstelt dat ze beiden gaan zitten, maar zowel in D als DH: Jozef blijft staan.

Maria singht (No.6)|

D. Jozef gaat zitten

Josef spreeckt:

Hij is nu veel optimistischer

Mettet kriecken van den uchtend gae
ick totten slagter in Kana;
ons osjen sallic hem offreeren,
sien wat hy hiervoor uyt wilt keeren
daermet ick meughe sonder draelen
Augustus dat tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria blijft wat aan de sombere kant

Maria spreeckt;

Bringht wel het dierken so veul op
dattet geldt ons langht?

Josef spreeckt:

Hier op betrout,
tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
(even rust)

Maria spreeckt:

Maria spreekt met groot wonder in haar stem, a.h.w. een visioen

Ach Josef ’t uur is reets op handen
dattic verlost worde van myn banden,
naby is de gheboorte tyt
daer van Gabriël my heeft aangeseyt

D. Jozef zit naast Maria. DH Het wonder is a.h.w. te groots voor Jozef, te onaards; hij maakt het niet mee; hij wendt zich af. Hij kan ook een paar passen richting coulissen gaan staan, maar dan is het wel handig dat hij al die tijd al rechts (vanuit de zaal gezien) heeft gestaan; dat is ook handiger voor de engel die nu uit het midden van de coulissen aankomt.
Op het lied ‘Een roze fris ontloken’ gaat de ster naar beneden en tegelijkertijd de armen van Maria omhoog, als een euritmische A overgaand in O, dan is het kind ontvangen. De ster gaat omhoog, de engel schrijdt achterwaarts weg en Maria kijkt liefdevol in haar armen

Maria spreeckt:

Hieromrne bid den kasteleyn
oft wy in syn losament mogten syn.
Het is alsof Jozef wakker wordt en hij kijkt alsof hij het kind nog niet heeft gezien en antwoordt eerst:

Josef spreeckt:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
Maar dan realiseert hij zich de situatie: hij ziet het kind:
D heeft dat iets anders: Jozef staat op, kijkt eerst naar het kind en spreekt:

doch wilic totten waert gaen opterstond
en sien in syne woninck rond
oft niet een hoecksken over en waere.

Jozef pakt het lantaarntje en stampt 3x met zijn stok. Titus komt

(de waert comt)

Josef spreeckt:

Baes Titus daer wierdt ons een kind geboren
D. de waard maakt duidelijk verbluft te zijn en slaat op zijn bovenbeen
DH Titus schrikt. Zegt wel dat hij het wel zou willen doen, maar…er moet dus ook wat onverschilligheid klinken.

‘tister van nagt bykans bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
in u losament binnen te gaen.

De waert spreeckt:

Waerlic vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
als niet kreck tweu dousyn gecomen en waren,
houden alle hoecken en gaeten beset,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur comt immer plaets te cort.
D. bij de laatste regels slaat de waard trots op zijn borst

Josef spreeckt:

Jozef komt terug en zet het lantaarntje alvast zo dat het het kribje niet in de weg staat

Maria ons bidden is al verloren,
we blyven in den stal gelyck te voren
maer dattet kind niet koud en hebbe
legh ’t tusschen os en eselke in de krebbe.

Jozef legt zijn stok neer, haalt de kribbe achter de krukjes en zet deze vóór Maria. Dan pakt hij zijn mantel en maakt deze breed, Maria legt het kindje in de kribbe. Jozef pakt zijn stok weer en gaat naast Maria staan.

Maria singht: (No.7)

Wanneer ze om ‘een handeken hooys’ vraagt, geeft Jozef haar dat aan en zij legt het in de kribbe.

Josef singht: (No.7)

Maria singht: (No.7)

Als ze zingt ‘wiegt er met mij’ knielt Josef en zingt zittend:
D. Josef knielt al bij “Myn hert en wil’

Josef singt (No.7)

Einde lied staat Jozef op.

Maria singht (No.7)

De engel komt met de ster en staat achter Maria met een breed gebaar van beide armen
Einde lied: engel gaat naar achter – achter de boom.
De akkoorden van lied N0.8 klinken.
De kompany gaat staan en gaat het toneel op. De volgorde is dan: stz. de 4 herders; op het toneel komt de engel achter de boom vandaan en loopt voor de stz. Ook de waarden hebben zich ‘logisch’ aangesloten achter de herders. Ze trekken langs de Heilige familie D. J en M wiegen het kind en groeten met armgebaren.
D. de engel gaat na het lied van Maria het toneel af en haalt de kompany op. Die loopt eerst door de zaal en dan het toneel op langs de kribbe. Jozef is gaan zitten. DH ook. Opvallend is dat de sterrenzanger hier de ster uitgeschaard heeft. DH niet.
Wanneer in D de kompany weer op het toneel is, blijft de engel even voor de kribbe staan en laat de ster dalen, dat doet ook de sterrenzanger met zijn ster. Dan lopen ze verder, gaan naast elkaar staan en zingen het lied uit. De ster van de sterrenzanger wordt ingeklapt. De engel leidt ieder van het toneel af. De waarden gaan op de banken zitten, de engel en de 4 herders gaan het toneel op naar achteren. Er is een kleine pauze, terwijl Jozef en Maria op het toneel zijn. Dan verschijnt op de achtergrond Gallus.
DH het 2e couplet is een ommegang door de zaal. Daar blijven de 4 herders achter. De waarden en de stz., soms ook Crispijn gaan op de banken zitten, de engel gaat het toneel op en gaat achter de coulissen midden weg. (Of ze staat achter de boom).

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ 
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

.

2349-2204

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (1)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

De spelersgroep:

Engel met staf, Maria, Jozef, sterrenzanger met de ster ( hij houdt de ster boven het hoofd van Maria. Sterrenzanger loopt steeds één pas voor op de anderen, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard.

DH. Engel, Jozef, Maria, sterrenzanger, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard. De sterrenzanger heeft de ster niet boven Maria, pas na de verkondiging!)

In het boek staat dan, wanneer de kompanij gaat zingen: de sterrenzanger voor het eerst voorop, gevolgd door engel, Maria, Jozef, de 3 waarden, de 4 herders.
Dat veronderstelt dat de kompanij niet zingend binnenkomt.

DH begint met – de spelers zijn nog niet in de zaal, maar staan voor de deur – driemaal hard op de deur te slaan. De muziek begint te spelen en de spelers gaan zingen:

De kompany singht by het binnengaen

Lied 1

Seegnen wilt ons binnengaen,
onsen uytganck, heer, daerneven –
Seegnen wilt ons gaen ende staen
’t daeglycx broot end’ allet leven.
Seeghent ons mit salich sterven
laet u hemel ons beërven.

(Let op: 2x seegnen, de 3e keer seeghent)

Al naar gelang van de grootte van de zaal, is de kompanij vóór het toneel aangekomen. Dornach oppert om in bepaalde gevallen het eerste couplet 2x te zingen om uit te komen.
Het kan zijn dat er geen of nauwelijks ruimte vóór het toneel is, in dit geval gaan de spelers allemaal het toneel op, waarbij ze de volgorde ‘verliezen en zomaar ergens staan’.
Is er wél ruimte, dan staan de spelers nog in volgorde en springt de sterrenzanger het toneel op.
In Dornach draaien de spelers hun gezicht naar de sterrenzanger op het toneel – dus met de rug naar het publiek. Hier begeleidt de engel Jozef en maria het toneel op en deze gaan op hun krukjes zitten.

DH doet dit niet en laat alle spelers het toneel opgaan, nog in de volgorde waarin ze staan, maar op het toneel verliezen ze dus die volgorde. En op de woorden van de sterrenzanger: ‘kreck als de spieringh in de pan’ gaan ze heel dicht bij elkaar staan.
Bij ‘posteert u in den kringhe’ gaan de spelers in een halve boog achter hem staan, verdeeld over het hele toneel van links naar rechts. Maria gaat op het krukje zitten.

Dan is de situatie zo:

image-4

Het Sterregesanck:

Goe sanghersluyden myn
versaemelt man aen man
kreck als de spieringh in de pan.

D. Gaan dicht bij elkaar staan; DH idem.
Goe sangersluyden myn posteert u in den kringhe,
Dan: zie situatietek. hierboven.

Wij willen ons de wyle corten mit singhen.
Goe sanghersluyden myn laet u oock dapper horen,
bringhenm’ efter ons complement van te voren.
Groetenme god vader in synen troon

Groeten van vader, zoon en Heilige Geest:
D. telkens 3x t.w. midden, rechts, links; DH vader: 3x recht naar voren; zoon: 3x links, H.G. 3x rechts; alle 3 samen: 1x naar voren, 1x links, 1x rechts.

en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naome
en groetenmens al gedrie te saomen,

In D vindt dit alles vóór het toneel plaats en nu brengt de engel J en M op het toneel, waar deze gaan zitten.

Groetenme Josef en Maria reyn
D. 3x als boven; DH de verschillende spelers maken verschillende groetgebaren.

en groetenme dat clene kindekeyn.
D.3x als boven; DH groetgebaren naar ‘ergens achter J en M.

Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
D. 3x als boven; DH groetgebaren en de bekende dierengeluiden, meestal door de herders

Groetenmens deur son- ende maoneschyn
Dit ‘mens’ betekent: groeten me se: laten we hun = vooral de drievuldigheid, hierbij kan ook de heilige familie worden gerekend, (ook) groeten door de zon enz. te begroeten.
D. 3x als boven; DH groot hemels gebaar

dwelc lighten al over see en over den Rvn.
D. 3x als boven; DH als boven

Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
d’heylighe regen maekt so u als myn algaôre nat.
U = in D het publiek; DH de spelers maken wat afwerende gebaren naar de regen of slaan druppels van hun kleding;

Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
D. 3x in dezelfde richting; DH idem, streng

groetenme de meester diet klaôr can speulen.
D. 3x in dezelfde richting; DH zwaait wat uitbundig naar de pianist

Groetenme onse geestelicke heeren
wyl datme ‘tspul mit haor permissie dorften leeren.
D. 3x hand op de borst; DH groet, ook bij wat nu volgt overeenkomstig de waardigheid

Groetenme de schepenen mitten schout
want yederse in eere houdt.
D. 3x. DH en elders: een van de herders verschuilt zich een beetje achter de anderen, die hem naar voren duwen bij ‘yederse in ere houdt.

En groetenme de gantsche agtbaor gemeent
D. beide handen op de borst
so mit malkanderen hier syn vereent.
D. 3x midden, rechts, links. DH. lopen, m.n. de herders naar voren en groeten her en der.

Groetenme de vroetschap agtbaôre en geêert

daor toe god se heyt verordineert.

Groetenmens deur wortelkens so inder eerde staon
DH: het groeten is wat mat en onverschillig, vandaar:
sonder één wortelken over te slaon.
D.’slimme inval’. Ze  groeten alle worteltjes, 3x. Dansen vrolijk. Muts ophouden.  Het wordt een beetje rommelig vandaar:

Goe sanghersluyden myn laewet anders beginnen,
de star willenme toe gaôn singhen.
D. ‘feestelijk’. DH. een soort verrassingselement, de aandacht wordt getrokken naar de ster van de engel.

Groetenme de star heur stanghe
D. op de ster wijzen, 3x, de zinsbouw is hier anders, vandaar DH. pas groeten na ‘hanghen’
daor onse starre an doet hanghen.

Groetenme de star heur scheer
D laat naar rechts en links de ster van de sterrenzanger zien. DH de schaar is nog niet ‘open’.
daor de starre an reysen doet op ende neer.
DH bij ‘op’ gaat deze uit, tot ieders gespeelde verrassing; ook D: een paar keer op en neer

Groetenm’ oock de houtjens een voor een
die houwen onse starre byeen.-
D. 3x. Opgewekt springend. Ster weer in. DH ieder wil de houtjes van dichtbij begroeten, bij het dichtklappen wordt vaak gesuggereerd dat er een vinger van iemand – meestal een herder (Stiechel) bijna tussen komt.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
datme de star hebben anegesonghen.
D. hij spreekt wat langzamer. DH haalt doek tevoorschijn en wist zich het voorhoofd

Groetenme onsen meester sangher goet
D. wijst hier naar de pianist en naar zijn hoed die op de piano staat. 3x
DH. ziet de sterrenzanger als meesterzanger en deze vraagt dus om begroet te worden, wat niet gebeurt, ieder draait zich een beetje weg.
en groetenme den meester sangher syn hoet.
DH Sterrenzanger neemt hoed van hoofd en houdt die hoog; een van de herders pikt die met zijn stok weg en de hoed wordt daarvan weer gepakt en gaat even van deze naar gene; de sterrenzanger kan hem dan weer pakken en zet hem op.
Groetenme eveleens onse meester weert
naedien hy mit gods hulpe ons heyt geleert.
D. er wordt 3x gegroet, maar naar wie? DH ‘de meester’ wordt hier gezien als de regisseur. In Steiners toespraken is degene die de rollen in zijn bezit heeft, ook degene die de spelers kiest en met hen repeteert.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
hoe datme dit als hebben ânegesonghen
D. buigen en meteen naar de bank. DH. hier kan weer of voor de eerste keer de doek gepakt worden om het voorhoofd te wissen.

In Dornach wordt dit allemaal vóór het toneel gedaan. De spelers gaan dus (aan weerszijden) op de bank zitten en nu gaat de engel het toneel op.

Het boek met de liederen heeft aanwijzingen voor de pianist wanneer na welke woorden, het volgende lied komt. Op de laatste woorden van de sterrenzanger, (onder lied 1) volgt hier lied 2.
Dat werd ook zo uitgevoerd in Den Haag. Er bestaat wel verschil van mening over. Zie het artikel  verkondiging.

Dus D laat de engel nu spreken, DH zingt lied 2.

(niet te veel op de maat ‘stampen‘)

De kompany houdt haeren ommeganck en singht: No.2)

Toen het woort wierdt vervult
so god verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van name Gabrlël
tot Nazaret die Stadt
int land Galileea;
teener maecht, Maria
god hem henen sendt,
Was met Josef ondertroud,
geen man en heeft bekend.

Zie tussen de markering    0-0-0   hoe het hier in Dornach verdergaat

DH zingend dit lied lopen over het toneel om zo uit te komen dat op het laatst ieder vóór het toneel op de banken zijwaarts komt te zitten, De engel gaat achter de coulissen. Maria blijft achter op het toneel, Maria iets naar voren.

(De kompany treckt af, Maria blijft alleen.)

De Engel komt midden uit de coulissen, schuin links achter Maria. Inspirerend, verkondigend. Van ver sprekend, licht, gedragen, niet menselijk.

De Engel Gabriël treet tot de joncfrou en spreeckt:

Maria maakt kleine, innige gebaren

Weest gegroet ghy begenadigde!
God den heer is met u!
ghy syt geseghend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
en eenen soon baeren
en sult synen naem heeten Jesus!
en hy sal over syn volck coninck syn in der eeuwicheyt.

Maria spreeckt

In A-stemming, wat angstig, verwonderend, ingehouden, heeft eigenlijk meditatieve ervaring

Hoe sal dat wesen 
dewyl ick geenen man en bekenne? 

De Engel Gabriël spreeckt:

Siet ick ben den enghel Gabriël Soot u verkondight:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen,
daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wort          Maria neigt het hoofd
sal gods sone genaemt worden.                                
En siet, Elisabet uwe nigte                                                  Kijkt weer iets op
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
en dese maend is haer,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
Want geen dingh en sal by god onmoogelyck syn,

Maria spreeckt:

(Wat angstig, maar vol vertrouwen)

Siet de dienstmaecht des heeren
my geschiede nae u woort.                         E-gebaar voor de borst

De Engel af. De kompany houdt haeren ommeganck.

kerstspel 2

DH: Kompaniy gaat staan en begint zingend te lopen, lied 3. Het toneel op, de engel komt weer tevoorschijn en loopt naar zijn plaats rechts voor, terwijl de spelers a.h.w. Maria opnemen in de rij, de engel loopt voorop. Gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger, die de ster boven Maria’s hoofd houdt.
Omdat de schaar meestal lang is, komt in deze volgorde de ster boven Jozef, of de sterrenzanger moet ruimte laten tussen zichzelf en Maria. Mooier is toch dat Maria (in haar positie!) dichter bij de engel is, Jozef daarachter, dan de sterrenzanger met geschaarde ster die nu prachtig boven Maria blijft in een aaneengesloten kompany.

Maria sluyt haerselven aen. Allen singhen. (No.3)

Als Maria joncfrou reyn
swanger wierdt bevonden
nae het woort der profecy’n
dwelc god deet vermonden,
liet Augustus naerstelyc
tvolc bescryven in syn ryck.
Geen en dorft bestryen.
Daer gonck yeder nae de stadt
alwaer hy oorspronck hadt
moestet willigh lyen .

Ze gaan het toneel op en er weer af. Ze gaan zitten, de engel bleef even staan en gaat het toneel weer op. Ster in rechterhand. Oppassen voor te zalvend spreken.

Het groeten van de engel: 3x (of 1x voor de kinderen) recht vooruit of (af)wisselend links/rechts.

De kompany treckt af. De Engel Gabriël comt weerom.

De Engel spreeckt

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
goên avend saamen gheve u god, een goên avend ende geseghende tyt mooch ons van daerboven syn toegeseyt.
Agtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
D. 3x m r l

oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere;
D. 3x m r l

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden.
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
is niet versintsel van onsliën,
noch oock van heidens uytgedocht,
maer deur de heylige scrift gebrogt:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
twelc grote quaaden van ons nam.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
swyght stil en opent wydt u ooren.
D. rechtervinger hoog (dat betekent dat de engel de ster links vast heeft)
D. 3x m r l

D. de engel gaat naar de kompanij; DH idem, de volgorde ontstaat en er wordt een ommegang gemaakt.

De kompany singht (no.4)

Keyser Augustus teersten liet
beschryven elck in syn gebied,
dies Josef, synd uyt Davids stam,
is opgegaen nae Judeam.

Maria joncfrou toogh mit hem
tot syne stadt, hiet Betlehem
en als sy quamen tsaem daer by
Maria’s soon dien baerde sy.

(allen af buyten Maria en Jozef)

De waarden zijn tijdens de ommegang over het toneel achter de coulissen op hun plaats gaan staan.

0-0-0

Na lied nr. 3 gaat de kompany af, alleen Maria blijft achter.
Tijdens de ommegang heeft de engel op de achtergrond het toneel verlaten. Maria blijft bij de boom staan. De anderen gaan van het toneel en gaan op de banken zitten. De sterrenzanger achter Jozef, met de ster ingeklapt.
Maria met de handen voor de borst gekruist.

De engel komt van achteruit en gaat voor Maria staan en spreekt:
Zie tekst hierboven.
Na ‘geen man en bekenne’, neemt Maria deze houding aan:

Bij: zie de dienstmaecht:

Nu zingt de kompany: ‘Als Maria joncfrou reyn’.
Na een paar overgangsakkoorden begint lied nr. 4:
Er is een ommegang over het toneel waar Jozef en Maria achterblijven; de andere spelers gaan naar de banken.

0-0-0

.

Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ .
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2348-2203

.

.

.

.