Tagarchief: sprookjesbeelden

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/11)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over elementairwezens gaat, is het niet makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. Onze voorstellingen zijn meestal danig gekleurd door wat wij zelf ooit over hen vernamen.
Maar misschien gaan ze vanuit dit bezig-zijn hun eigen taal spreken; brengen ze je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een reus betekent dit, een dwerg betekent dat.

ELEMENTAIRWEZENS IN MENSELIJKE GESTALTE

Dwerg

In de op een mens lijkende gedaante komen in de sprookjesbeelden de dwergen voor. Zij zijn de imaginaties van dat elementaire geestelijke deel dat als aarde-verstand, als intelligentie van het aardse werkzaam is. Hun grote verstand vindt uitdrukking in hun grote hoofd, hun leeftijd in baard en gezicht.
Hun muts die ze meestal dragen wil zeggen dat zij zich naar boven afsluiten en dat dit verstand naar onder, op het aardse gericht blijft. Als elementairwezens houden ze zich op in het gesteente en in de metalen van de aarde, maar ook in het wortelstelsel van de plant die met de aarde in de stofwisseling verbonden is. Omdat de mens met zijn lichaam deel heeft aan de aardenatuur, komen de dwergen ook met de mens in aanraking.

Elf

De elfen zijn imaginaties van de in de plantenwereld werkende elementaire krachten.

Fee

De feeën daarentegen duiden meer op het luchtelement, zijn beelden van kosmische krachten.

Nix

Watergeest, waternimf zie: undine.

Reus

Reuzen zijn het beeld voor ongeremde, onbeheerste natuurkracht, die zich machtig, maar zinloos uiten. Daarom worden ze als groot en dom afgeschilderd. De ongetemde krachten van de lichaamsnatuur van de mens kunnen als reuzen ervaren worden. De ‘wilde man’ was honderden jaren het symbool van deze kant van de mens.

Undine (vrouwelijke watergeest)

Innerlijke, waar-droomachtige ervaring van de waterwereld, elementair wezen van het water.

Waterman/vrouw

Zie undine

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2260

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/10)

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Wanneer het over vogels gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een adelaar betekent dit, een zwaan betekent dat.

VOGELS

Luchtvogels

Hun element is het rijk van de lucht.  Grieks voor lucht is ‘pneuma’ en dat betekent ook ‘geest’. Deze dubbele betekenis van het woord verwijst naar het beeld: zoals de vogel naar de lucht opstijgt, zo stijgt de gedachte op naar het rijk van de geest. We spreken over een ‘geestelijk hoge vlucht’, van een ‘hoge’ gedachtegang’.
In het Duits kan je zeggen voor iemand met te hoogdravende gedachten: ‘Jemand hat ein Vogel’ – iemand heeft een vogel’. Nederlands wellicht: ‘heeft het hoog in zijn bol’. Of ‘ziet ze vliegen’.

Adelaar

Een beeld van een zeer hoge geestelijke vlucht. Wordt graag genomen als hoofdmotief in een wapen (vgl. de Horus-valk boven het hoofd van de farao; de veren hoofdtooi bij de Indianen.

Duif

Voor de ornithologen is ze een soort samenraapsel van de hele vogelwereld; ze verenigt in zich de hoender- of loopvogels, de vliegvogels en door haar buitengewone mogelijkheid van stemvariatie, de zangvogel. In haar verenkleed zijn symbolische getalsverhoudingen verwerkt: 10 slagpennen, 10 armpennen, 12 staartpennen. Hun buitengewone hoge vlucht, de pracht van de dalende vleugels – let eens op de vormen van een vlucht duiven – maken de duif tot het symbool van iets hoog geestelijks dat naar ons toekomt.

Ekster zie kraai

Haan

Beeld voor ons lagere Ik.

Havik

Deze is beeld voor de ‘aanstormende’ gedachten, i.t.t. de meer opstijgende gedachten in het beeld van adelaar en valk.

Kraai

De kraai duidt op heimelijke, achterbakse gedachten, op het armer worden van de geest. Ook de ekster geldt in een bepaalde samenhang als een slecht beeld, vooral in  Russische sprookjes. Maar de ekster wordt met het oog op de zwart-witte kleur, beeld voor de verbinding van twee werelden, de bovenzintuiglijk witte en de zintuiglijk donkere. De ekster verschijnt als een belangrijke ‘zielen’vogel.
Wolfram von Eschenbach plaats hem aan het begin van zijn Parzival.

Leeuwerik

Zoals deze vogel opstijgt en onvermoeibaar zijn gezang laat horen, staat hij in het sprookje voor de omhoog strevende innerlijkheid en vroomheid. Het oude Duitse woord ‘Löweneckerchen’, in het Nederlands ‘leuwer’ wijst erop dat de moed van het hart – leeuw – en omhoogstrevende vroomheid één moeten zijn.

Nachtegaal

Gedurende de nacht, de tijd van de dromen, zingt ze haar gevoelvolle mooie lied. Dit beeld duidt op onbewust dromend beleven, dat wonderlijk kan zijn, maar bij een omfloerste waarneming ook gevaarlijk.

Pauw

Met zijn vele ‘ogen’ op zijn uitgespreide veren is de pauw het symbool van het hoger waarnemen, de imaginatie. (Vgl. de pauw op oude mozaïeken, ook de betekenis ‘pauwentroon’. Dat de pauw ook ijdelheid betekent, is een bedachte allegorie.

Raaf

Ernstig en waardig schrijdt de glanzend-zwarte vogel voorbij en ziet eruit als een bezonnen geleerde. 
Hugin en Munin – verstand  en geheugen – heetten de raven bij Odin, zij waren zijn boodschappers: beeld van instinctief geestelijke krachten die de volksgeest met het volk verbonden. Met het toenemend zelfstandiger worden van het volk, de scheiding van de goddelijke wereld, moest Odin vrezen dat de raven niet meer naar hem terug zouden keren, omdat de verhouding tussen de zichtbare wereld en de geestwereld verduisterd werd. Deze verduistering kan ook plaats vinden in het innerlijk van de mens; de raaf werd tot symbool van een wijsheid die verduisterd werd. 

Valk zie adelaar

Watervogels

Watervogels zijn in staat om te zwemmen, te duiken, te grondelen of zich in de lucht te verheffen, waarbij ze dikwijls grote afstanden afleggen. Duidt het luchtelement enerzijds op iets geestelijks, het water is het beeld voor de veranderende, op en neer golvende, onbestendige wereld van de ziel. 

Eend

Op het water zijn haar bewegingen harmonieus, maar op het land maakt ze een onbeholpen indruk. Zo werd ze tot symbool voor het vermogen zich in de veranderlijke wereld van de gevoelens met zekerheid en harmonieus te bewegen, dus de zielenwereld te beheersen. Nu nog vaak een symbool in het Oosten en het Verre Oosten.

Gans

Ganzen zijn niet zo gemakkelijk te hoeden, zij lopen voortdurend in alle richtingen. 
Ook onze zintuigen zijn moeilijk te ‘hoeden’. Onberekenbaar op de buitenwereld gericht, is het nodig ze vanuit het innerlijk ‘bij elkaar te houden’. Een leidend motief van ridders en troubadours luidt: ‘Hoed je zintuigen’; het Duitse sprookje zegt: ‘Hoed je ganzen’.

Zwaan 

Een instinctieve, reine, zeer verborgen kracht die zich vooral in de ziel beweegt, maar ook in staat is tot een hoge vlucht, dus in staat zich te verheffen tot het geestelijke.
Beeldende taal: Duits ‘Es schwant mir’ – ik heb een voorgevoel.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes

.

2259

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/9)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over dieren gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een paard betekent dit, een kikker betekent dat.

9. DIEREN

Dieren zijn zinnebeelden van onze driften en instincten. Als een mens in een dier wordt veranderd, dan betekent dit een wegzinken van een typisch menselijke kracht zoals het verstand naar het dierlijke, animale niveau. 
Wanneer een dier echter mens wordt, vind het omgekeerde proces plaats: uit een zuiver instinctief, driftmatig beleven. wordt bewust het leven van ziel en geest ontwikkeld
Sprekende dieren in de sprookjes duiden erop dat ook in de driften een grote mogelijkheid tot uitdrukken gegeven is.

a] Veld- en bosdieren

Beer

Aan de ene kant zijn logge, zware lichaam, aan de andere kant een bepaalde souplesse die bij het rechtop gaan en dansen een merkwaardige gelijkenis vertoont van iets van de mens; zijn doffe slaperigheid samen met de plotselinge wakkerheid, maken hem in negatieve zin tot het beeld van de zwaarte, ook van de doffe hartstochten die ons voortdurend wegtrekken naar het aardse en ons daaraan willen binden, zodat het elan en de beweeglijkheid van de geest tekortschieten en het zich kunnen oprichten zoals dat bij het echte mens-zijn hoort, niet actief kan worden. Het diersymbool dat het vaakst voorkomt in Russische sprookjes.
In positieve zin kan echter deze zelfde kracht op aarde een uitstekende ijver worden, rechtschapenheid, trouw aan alles wat normaal, natuurlijk doen is. Geliefd dier op wapens.

Bij

Zij verandert de fijnste plantensubstanties in het zonnevoedsel van de honing. Ze leeft niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bijenvolk. Leven en activiteit vindt plaats onder de heerschappij van de zon. Het geslachtelijke concentreert zich op de koningin. De bijen staan voor het onegoïstisch samenleven.

Egel

Hij kan zich tot een bolletje oprollen en zich weer strekken. In geestelijke betekenis is zich tot bol maken, de kosmos begrijpen, als een innerlijke eenheid begrijpen. Zich weer strekken betekent: op het volgende ogenblik weer in de normale bewustzijnstoestand verkeren. In de middeleeuwen gold hij als symbool voor de ingewijde.

Haas

Hij is een planteneter, doet geen enkel ander dier kwaad, hij is het meest vervolgde dier van allemaal. Als een haas door honden opgejaagd wordt en niet meer verder kan, trekt een andere de aandacht van de honden naar zich toe en redt de haas die achtervolgd werd. Zo werd de haas het waarachtige beeld van het instinctieve, onegoïstische Ik dat niemand kwaad doet, zelf door egoïsten achtervolgd, zich inzettend voor zijn broeder.

Hert

Het gewei is van oorsprong geen bot en geen hoorn, maar een bloedvatenstelsel. Dat hij zijn bloed boven zichzelf kan opheffen en juist boven zijn kop waarin de afbouwkrachten de overhand hebben, maakt hem tot beeld van het omhoog-strevende. In vele sagen wordt over dit als realiteit beleefde beeld gesproken. Het stichten van sommige kloosters gaat erop terug, verg. het witte of het gouden hert, het hert van Sint-Hubertus. 

Leeuw

Zijn machtig ontwikkelde kop en borst waarin alle uitdrukkingskracht geconcentreerd is, zijn dapperheid en kracht die ieder ogenblik tot een sprong kan worden, maken hem tot symbool van hartenmoed en hartenkoenheid, maar ook van doldriestheid en overmoed.

Muis

Niet voor niets noemt Goethe in zijn ‘Faust’ Mefisto de heer van ratten en muizen. Het knagen en woelen van de muis in de aarde, het spookachtige heen-en-weer roetsjen, tevoorschijn komen en verdwijnen hebben iets onheilspellends. Het maakt hem tot beeld van het eenzijdig gevangen zitten in het aardse, dikwijls verwant aan duivelse krachten. Dit gevangen gebonden-zijn aan het aardse kan echter ook als positieve eigenschap het muisje tot helper maken. 

Mier

Die leeft helemaal op de aardebodem gericht; ze bouwt haar mierenhoop op uit aarde en plantenresten, zodat ze hoofdzakelijk werkt met ‘dode’ materie. Bij de Ouden was haar ijver al spreekwoordelijk. Deze eigenschap is het ook die in de sprookjes tot symbool wordt voor de op de aarde gerichte ijver.

Panter = tijger

Ree

Met de ree verbinden wij het schuwe, het vluchtige en het ronddwalende. Zo is de ree ook in het sprookje het beeld van een doelloos, gedwongen dwalen, een zoeken zonder plan dat in overmaat de mens rusteloos en oppervlakkig maakt.

Slang

Het meest komt de slang voor als de verleidende macht, zoals in het scheppingsverhaal. Daar is ze het beeld van de begeertenatuur. In het beeld van de witte slang vertoont zich de levenskracht die onschuldig is gebleven. De slang is een dier dat het vermogen heeft, zich steeds weer in een nieuw vel te vertonen en op deze manier zich te vernieuwen. Zo wordt ze sinds de oudste tijden in de mythen en sprookjes van vrijwel alle volkeren tot beeld van zich vernieuwende krachten.

Tijger

Tijger en panter bespringen hun prooi, verscheuren die en vreten die op. In het negatieve zijn ze het beeld van een innerlijke gespletenheid, een volledig gebrek aan concentratie. In positieve zin: beeld van een zelfstandig worden door een energiek los willen komen van remmende bindingen.

Vos

De bewegelijke, listige vos representeert de sluwheid die in eerste instantie als een vanzelfsprekende drift in de mens op de achtergrond meespeelt. Als zuivere natuurdrift is deze op zijn plaats en noodzakelijk; Goethe heeft er een heel epos aan gewijd. Maar de vos moet wel getemd worden, anders gaat het bij hem alleen maar om eigen voordeel en gaat hij bij iedere gelegenheid ongeremd te werk.

Wolf

Met ongeremde begeerte en ‘duivelse’ sluwheid weet de wolf aan zijn prooi te komen. Zo wordt hij het symbool van wie het levende verslindt, de zielendood brengt; hij staat voor de macht van verdraaiing en leugen die de hogere plaats van de geest zou willen negeren en het innerlijk leven in de duisternis van het materiële sleuren. (In de mythe van de Fenriswolf)
In positieve zin: gezond materialisme als tegenwicht voor het wereldvreemd worden.

b) Huisdieren

Ezel

Het is geen rijdier, maar een lastdier, buitengewoon tweeslachtig als wezen: slim en wijs in zijn instinctieve zekerheid, maar ook onberekenbaar en koppig; geduldig bij het dragen van lasten, dwarsliggend voor de drijver. Hij is zinnebeeld van onze lichamelijke natuur die het helderziende oerweten kwijtraakte zoals de Egyptische mythe het beschrijft; daarvoor in de plaats echter verkreeg hij intellectueel verstand, met als gevolg zijn gespletenheid in wezen en willen.
In de taal beeldend: ‘Ik, ezel die ik ben’, ‘een ezel stoot zich in’t gemeen niet tweemaal aan dezelfde steen’, het ‘ezelsbruggetje’.

Geit

Overal aan sabbelend, naar iedere hoek kijkend, overal aan likkend. wordt de geit tot symbool van de nieuwsgierigheid, ook het naïeve willen weten. In de mythe: Odins geit Heidrun. In het sprookje komt het erop aan van wie de geit is. 

Hond

Zijn meest opvallende eigenschap is zijn reukzin, speurzin. Zo werd hij het symbool van onze speurzin, wij zeggen: ‘een fijne neus voor iets hebben’. Het is een onbewust instinct; net zo veelzijdig als bij de talloze hondensoorten hoort. De goede hond is de innerlijke padvinder, de boze hond de snuffelaar die het gemene en lage speurt. Cynisme is in het Grieks ‘de manier waarop een hond denkt.’

Kat

Het huisdier en tegelijkertijd het kleine roofdier. ’s Avonds wordt haar instinctleven bijzonder actief; De Grieken namen dit instinct bij de mens waar op de grens van ‘deze en gene zijde’. speels en onderdanig, uit een diepe slaperigheid plotseling klaar wakker, een sprong aanzettend, Zo wordt zij het symbool voor de drang naar liefde die in onschuldige speelsheid wakker wordend, de mens plotseling in bezit kan nemen.
De Egyptische godin van de liefdesbegoocheling, Bastet, wordt voorgesteld met een kattenkop.

Koe

Bij de koe is de stofwisseling bijzonder sterk ontwikkeld; ze is een herkauwer die zeven keer verteert. Voor het innerlijk menselijke staat ze symbool voor de voedende levenskracht in het gebied van de stofwisseling. De moederlijke basis van de stierachtige wilskrachten.

Paard

Al duizenden jaren wordt het paard als rijdier gehouden. Je kan het makkelijk sturen en het heeft een grote intelligentie. Symbool van het instinctieve verstand die door de leidende mensengeest naar vele doelen wordt gebracht. Wie zijn paard temt, wordt meester van zijn gedachtekracht.
Beeldende taal: ‘zich vergalopperen’, een ‘principerijder’

Stier

Hij is de imaginatie van de in de ondermens levende krachtige wilsdriften in de stofwisseling en in het seksuele. De stierengevechten van de oudere culturen duiden op de beheersing en overwinning van deze driften.

Varken

Al in oude diersymbolieken werd de relatie genoemd tussen de aardegodin en de stoffelijke wereld. Zijn drang om de aarde om te woelen en zich in de modder  te wentelen, maakt het tot een beeld van een eenzijdig zich richten op het aardse. wordt deze drift met de speurzin, het cynisme, samen genomen, ontstaat het beeld voor de ‘Schweinehund’. Zwijn.

Zwijn = varken

c) waterdieren

Kikker

Zowel op het land als in het water is hij in zijn element. Hij reageert zeer gevoelig op het weer en de atmosfeer; hij werd graag als weersvoorspeller gezien. In zijn ontwikkeling van kieuwademhaling naar longademhaling maakt hij verschillende stadia door. Met het oog op deze verandering wordt hij tot symbool van een onbewuste metamorfose van het menselijk bewustzijn. 
Op het land en in het water leven betekent: in de wereld van de levende ziel net zo thuis zijn als in de wereld van de materiële dingen, de zintuigwereld. De kikker is het symbool voor het vermogen geestelijke inhoud waar te nemen en als geestelijke sfeer te begrijpen – dus weersvoorspeller in geestelijk opzicht te zijn. 

Pad

In onze sprookjes is ze symbool voor de seksualiteit.
De weglopende padden aan de middeleeuwse kathedralen duiden op verstoten dat reinigt.

Vis

Hij heeft geen eigen warmte en is één met de hem omringende wereld van het water. Hij heeft nog geen bloedwarmte en daardoor nog geen egoïsme; hij is het beeld van de natuur die zonder zonde is, onschuldig.
De vis staat ook als beeld voor geestelijke ervaringen, voor gedachten die niet gedacht – dus niet ‘gesponnen’- worden, maar beeldrijk ‘opduiken’ uit de diepte van de ziel.

De vogels staan in [3-3/10 ]

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2248

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/8)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over ‘wreedheden’ gaat, is het een hulp daarover vooral vanuit een ‘figuurlijk – niet letterlijk gezichtspunt na te denken, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun ‘niet fysieke’ aard wil zeggen. 

8.IETS OVER DE WREEDHEDEN

Omdat het bij de sprookjes om innerlijke processen gat, mogen de zgn. wreedheden niet geïsoleerd bekeken worden. Puur voelende kinderen weten dat. Een paar voorbeelden ter verduidelijking:

Afhakken = hand voet

Afslaan = hoofd

Bakken = verbranden

Braden = verbranden

Hand afhakken

Handelen, handeling, handhaven komen van ‘hand’. Het verlies staat voor ‘dat je handelingsonbekwaam wordt/bent. De mens kan zijn lot ‘niet in de hand’ nemen, kan geen beslissingen meer uitvoeren/
Vgl.: iets ‘(geen) handen en voeten (kunnen) geven.

Hangen = ophangen

Hoofd afslaan

Het hoofd staan voor het bewust-zijn, het heldere denken, de beheersing van het zelf; door een gewelddadige invloed van buitenaf kun je het verliezen (het hoofd wordt afgeslagen/gehakt: de eenheid van denken, voelen en willen gaat verloren; zelf kun je je hoofd ‘verliezen’, je kan je niet meer waarmaken – Duits: behaupten.

In het water gegooid worden = verdrinken

In het water gooien = verdrinken

Kinderen alleen laten

Nog onschuldige, onontwikkelde krachten worden prijsgegeven aan het chaotische en wilde van de driftnatuur.

Kinderen (laten) verdwalen = kinderen alleen laten

Koken = verbranden

Ogen uitsteken, ogen uitpikken

Hier wordt het geestelijk kunnen zien bedoeld. Dit betekent dus: het schouwen nemen, de aan-schouwing, het zicht. Vgl. het beeldende (Duits) Eine Sache ‘sticht’ ins Auge; (iets steekt in het oog); ik heb ‘mijn oog erop gericht’. 
Bij Jakob Grimm vind je nog de uitdrukking: Der stof ‘hat kein Auge’ (de stof heeft geen oog) – tegenwoordig zouden we zeggen: niet om aan te zien; verder: is iemand ‘met blindheid geslagen’.
Ook in de Bijbel: ‘Als het oog u hindert, ruk het uit’: bedoeld als: verander je instelling’.

Ophangen

Zonder dat het vermogen om te kunnen staan (symbool: de voeten) verloren gaat, wordt ‘de bodem onder de voeten’ weggeslagen, de verbinding met de aardse werkelijkheid wordt voor de mens onmogelijk. Zich ‘verhangen’ is een beeld voor het denken dat zich te veel in het abstracte is gaan bewegen, zodat het in de lucht komt te hangen.

Opvreten

Met geweld tot je nemen om zo mogelijk de eigenschappen van ‘de prooi’ te verwerven. Dit moet worden begrepen als een aanduiding naart bepaalde praktijken uit het magische tijdperk. In zgn. primitieve stammen wordt zoiets tegenwoordig nog als belangrijk gezien.

Verbranden

Vuur kan twee dingen betekenen:
1.Het vuur van de geest, de vonk, de vlam van het enthousiasme
2.Het vuur van de begeerte, het oplaaien daarvan, de brandende hartstocht, het heksenvuur, de magisch werkende begeertegloed
Dus ook: verbranden: ofwel het reinigende vuur ofwel het verterende vuur. Wanneer het voedsel met het vuur van de geest is bereid, is het voeding; op het vuur van de begeerte wordt het gif, de (ver)wensdrank.

Verdrinken

Ook hier wordt de grond onder de aardse werkelijkheid – het bestaan -weggeslagen; je komt in het element van het stromende, het onzekere; je wordt blootgesteld aan diepten/ondiepten; ‘in het diepe gegooid’ Je kan (ten) ondergaan. Het kan van buiten komen, maar ook door jezelf: ‘je kan in iets verdrinken’, het water kan ‘tot aan de lippen stijgen’; je kan ‘kopje onder gaan’; het Ik gaat ten onder in de stromende ziel.
Het sprookje gebruikt ‘ertrinken’ wanneer het gaat om ‘wegzinken’ (Versenken) ; het zich ‘verdiepen’ wordt tot ‘Versinken’.

Verhangen = ophangen

Verslinden = opvreten

Vierendelen

Volgens Aristoteles bestaat de mens uit vier delen: een mineraal-fysiek deel, een aan planten verwant vegetatief deel, een deel verwant met het driftmatige van het dier en en uit een menselijk Ik-deel.
Vierendelen betekent dan: het ongedaan maken van de deze vier-eenheid en daarmee gaat de mens verloren.

Voet afhakken

Met de voeten staan we stevig op aarde. Dit vermogen gaat dus in één keer en definitief verloren. Je hebt ‘geen been meer om op te staan’; je kan niet meer ‘standhouden’, je kan niet meer ‘vooruitkomen’, geen ‘stappen zetten’.
Vgl. ‘op grote voet leven’;  ‘met beide voeten op de grond staan/in het leven staan’; iets is gebaseerd op waarheid: Duits ‘fusst’ auf Wahrheit; 

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2242

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/7)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over fabeldieren gaat, is het niet zo makkelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 

7. FABELDIEREN

Draak

De draak is ook vandaag de dag in streken in het Verre Oosten nog het teken van dat goddelijke wezen dat de mens in het Paradijs zijn gelijkenis met God bewust maakte en in hem het verlangen aanwakkerde naar kennis van het goed en kwaad. Daarmee won de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid en langzamerhand het bewustzijn van zijn zelf, zijn Ik. In het Avondland waar de persoonlijkheidsontwikkeling eerder optrad. veranderde het teken, zoals ook het innerlijk van de mens veranderde. Zelfgevoel werd tot egoïsme, Ik-ontwikkeling ook. De zintuignatuur, eens met eerbied voor de natuur en respectvol, raakte op drift. Het lagere egoïsme begon te heersen.

Centaur

Deze gestalte – boven mens, onder paard – is het beeld van die mens die in zekere zin in het instinctieve van zijn verstand gevangen zit, dus het verstand dat nog niet tot zelfstandige kracht is geworden en waarover hij nog geen heer en meester is en het kan sturen, maar hij wordt door deze natuurkracht nog opgejaagd. De nog wilde bergvolken in Griekenland leken nog op centauren, i.t.t. de hooggecultiveerde bevolking van de stadstaten.

Feniks

De imaginatie van de feniks komt uit de feniksmysteriën die van Saba naar het ernaar genoemde Fenicië gebracht worden. De vuurvogel met de gouden of met de regenboogkleurige veren, met het nest dat naar kaneel (cinnamomum) ruikt, is als symbool wijdverbreid. Van tijd tot tijd stort hij zich in het vuur en verbrandt tot as om daaruit nieuw en wedergeboren op te staan. Sterven en opstaan, vergaan en weer geboren worden werd in de ervaring opgenomen. Het beeld duidt op de eeuwige individualiteit van de mens die in de dood afstand doet van het lichamelijke en verder gaat naar een nieuw leven. Ook duidt het op het (Duits Stirb und Werde = sterven en worden, zoals Goethe dat uitspreekt in zijn onvergankelijke wijsheiddwoorden:

Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirb und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde. 

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden, 
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Dat wijst op de overwinning van de individuele geest op het lagere sterfelijke en vergankelijke.

Griffioende vogel Grijp

De griffioen neemt het beeld van de leeuw en van de adelaar samen: dapperheid, koenheid van de middenmens met de vlucht van de gedachten, de hoge vlucht van de adelaar, van het hoofd.

Vuurvogel = Feniks

Zeehaasje

Dit symbool is nog zelden te vinden: een haas met een vissenstaart. Het is het beeld voor de onzelfzuchtigheid (van de haas) die nog niet in de zintuigwereld, maar in de zielenwereld, de in beweging zijnde zielenwereld (in het water) thuis is.
.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2234

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/4)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over planten, bloemen en vruchten gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een appel betekent dit, een roos betekent dat.

4.PLANTEN

Aardbei

De aardbei – geen echte vrucht – is volgens oude opvattingen geneeskrachtig bij vermoeidheidsverschijnselen van de hersenen en wordt als hart-versterkend gezien. Ze staat symbool voor de gezond makende kracht van de liefde.

Appel

In tegenstelling tot de vruchten waarvan het vruchtbeginsel zich duidelijk naar boven toe ontwikkelt, groeit zijn vruchtbeginsel zoals bij vele verwante vruchten naar beneden, wordt onderstandig en is tegelijkertijd een opzwellen van de bloembodem, van de verlengde stamper. Hij omhult zijn behuizing twee keer. 
Door deze vorm en als vertegenwoordiger van andere vruchten werd hij terecht tot het symbool van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, tot vrucht van de zondeval. De mens werd burger van twee werelden. Wordt deze val in de afzondering door kennis van de geest weer op een hoger niveau getild, dan spreekt het sprookje over de appel van het leven, met het oog op de wijsheid over de gouden appel.

Appelboom

Boom van de kennis van goed en kwaad.

Boom

Symbool voor het zenuwsysteem, dat zich als een boom vertakt en ook symbool voor het zenuwsysteem dat de groei- en levenskrachten begeleidt. Beeldend woord in het Duits ‘sich aufbäumen’ = zich oprichten (opbomen).

Eik

De knoestige eik met zijn buitengewoon harde, langzaam groeiend hout gold voor veel volkeren als heilig. Hij was aan de god \mars gewijd. De in de mens aanwezige martiale wilskracht kan in het sprookje verschijnen al het beeld van de eikenboom.

Gras

Het gras dat onze aarde met een levend tapijt bedekt, is het beeld van de elementaire, aardse, vegetatieve levenskrachten. Hooi duidt op het verdrogen van deze levenskrachten.

Hazelaar

Oude boerenwijsheid plantte de hazelaar op de hoeken en langs de hekken, want men roemde zijn eigenschap levenskrachten aan te trekken. Zo werd de struik – ook de boom – tot het symbool van die levens- en wordingskracht die in de mens als een levensboom omhoog groeien.

Hazelnoot

Dat de hazelnoot een buitengewoon hoge voedingswaarde heeft, de zenuwen sterkt alsmede de levenskrachten in het algemeen, komt naar voren in een oud spreekwoord: Duits: ‘Sieben Haselnüsse am Tage und man ist nicht unterernährt’. (Zeven hazelnoten per dag en je bent niet ondervoed).

Hooi = gras

Jeneverbes

De jeneverbes geldt al sinds de oudste tijden als zeer geneeskrachtig. Hij geeft levens- en verjongingskracht.
Bij de Kelten en de Germanen werden jeneverbestakken op de offeraltaren verbrand om wierook te maken.

Jeneverbesboom

De mysterieboom van de Keltisch-Germaanse volkeren.

Knol

Duits Rübe. Een wortel die met voedingstoffen verrijkt is. De krachtige stofwisseling met de aarde duidt op onderbewuste,onder de oppervlakte werkende levenskrachten.

Lelie

De lelie met het bovenstandig vruchtbeginsel (andere symboolplanten zoals de appel zijn onderstandig, de roos boven- en onderstandig, dus een middenvorm) bouwt in haar bol haar eigen basis, wortelt dus niet dieper in de aarde. In het teken van de oude symbooltaal wil zij niet, zoals de roos, met de aarde verbonden zijn. De witte bloemen in een streng gevormde zesheid en het feit dat ze ’s nachts haar geur verspreidt, duiden op haar kosmische gerichtheid. De lelie gold vanaf het begin als symbool voor de maagdelijkheid.

Peer

Sappige, mild-zoete vrucht, vloeiend als druppelvorm gevormd. Die staat voor het stromende, vloeiende gevoel. Wie de gelaatsuitdrukking van de twee madonnabeelden van Dürer met elkaar vergelijkt, de madonna met de appel en de madonna met de peer, komt achter de verschillende symboolwaarde van appel en peer.

Perenboom

Uitdrukking voor het stromende gevoel in het zenuw-zintuigsysteem.

Roos

Met vijf blaadjes bloeiend, altijd een welriekende geur, komt tot bloei aan een sterke stam van doornen voorzien, die krachtig in de aarde wortelt. Deze bloem werd tot symbool van de liefde die uitgroeit boven alles wat verwondt, het boze overwint en onzelfzuchtig zich op de omgeving richt. Beeld van de christelijke liefde.

Walnoot

De walnoot lijkt in haar vorm op de hersenen, die net zo in de schedel liggen als de kern in de noot. In de beeldende taal wordt het hoofd wel als Duits ‘Nuss’ – noot – aangeduid. Nederlands heeft bv. ‘je kersenpit’.

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelenwaaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2232

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/6)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

6.Voorwerpen

Haard = oven

Kuip = vat

Oven

De warmtebron van het huis wordt tot symbool voor de warmtebron in het lichaam: het hart.
Fysieke en psychische ‘hartervaringen’ worden daarin gespiegeld, bijv. wanneer over een gloeiende oven wordt gedroomd.
Vgl, ook de beeldende woorden zoals ‘brandende liefde’, ‘gloeiende liefde’, ‘verkillende vriendschap.’

Spinwerktuigen

Met spindel en spinnenwiel  wordt gesponnen. Deze wijzen naar het denkproces. Zij symboliseren het spinnen van gedachtedraden, de draad van de logica.
In beeldende woorden: Duits heeft: ‘Jemand spinnt’ = iemand denkt iets uit; ‘spintisieren’ = mijmeren, peinzen, piekeren; hij heeft last van ‘hersenspinsels’, hij heeft ‘de draad verloren’, je ‘neemt de draad weer op.’
De spoel is er om er iets op te winden, de gesponnen draden bij elkaar te houden. Spoel en kluwen wijzen zo op meer of minder tot het einde gebrachte gedachtestromen. Komen die ongeordend bij elkaar, duidt dit op een ‘ver’wikkeling, worden ze afgewikkeld, betekent dat een ‘ont’wikkeling.
De haspel is er om de draden bij elkaar te houden. Dat is een beeld voor het vermogen logische gedachten tot een eenheid, een idee te verbinden. Beeldend: iets verhaspelen (door gedachten die in de war zijn.

Ton = vat

Vat

De equivalente woorden ton, kuip e.d.: deze woorden staan in de sprookjes met de betekenis van: kleinst mogelijke behuizing op de kleinste ruimte. Vgl. uitdrukkingen zoals ‘in het nauw gedreven worden’, ‘heel klein voelen’.

.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2228

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/5)

.

ieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, hier bijv. is het afkomstig van de plant of van het dier, hoe klaargemaakt, hoe ruikt, smaakt het, enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

5.VOEDING

Brood

Zoals het brood het meest voorkomende, belangrijkste voedsel voor ons lichaam is, zo is voor ons geest-zielenwezen de geestelijke kennis van belang, die in het sprookje ‘brood’ wordt genoemd.

Druivensap = wijn

Ei

Dit bevat de kiem voor nieuw leven, is symbool voor voortbrengende nieuwe levenskracht, ook beeld van het zich steeds vernieuwende Ik van de mens.

Honing

Honing is zonnevoedsel, opwekkend, gezondmakend, harmoniserend; in de Oudheid vormde het in de mysteriën het voedsel voor de priesters. Het beeld van de honing duidt op geestelijke krachten van een zonachtige, het denken stimulerende kracht.

Melk

Melk wordt in een levend wezen gevormd in samenhang met de voortplanting onder invloed van maankrachten. In dit opzicht is het geen onmiddellijk aards voedsel, het komt uit het bereik van het organische, uit de vitaliteit, het is kosmisch voedsel. Melk maakt sterk voor de aarde. Als beeld wijst het naar kosmische krachten.

Water

Wanneer het uit het binnenste van de aarde komt, duidt water als drinken op het element van het oorspronkelijke voelen, op hoe het de mens verkwikt.

Wijn

Wijn is het edelste zonneproduct. Zolang de mens een groepswezen was, door zijn binding aan stam en volk, had hij behoefte aan de wijn die het levensgevoel versterkt en het zelfbewustzijn verhoogt. Zo wordt ze in het sprookje gebruikt: als sterker worden van het Ik en de wilskracht.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

2225

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/3)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een onderwerp nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de eigenschappen, de kleur, het gebruik enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n voorwerp anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

3.KLEDING, OPSMUK, WAPENS

Edelsteen

Daar de steen in zijn hardheid de uitdrukking is van de materie, wijst de edelsteen naar het veredelde materiële. Hij wordt uit de aarde gewonnen, staat daarom voor edele aardesubstantie.

Hemd

Het hemd is de omhulling van ons lichaam dat ons het eerst wordt aangetrokken. Mythen en sprookjes schetsen het geheel aan elementaire levenskrachten die door het fysieke lichaam stromen – wat Aristoteles de vegetatieve ziel noemt – als een hemd. Het draagt ons onderbewuste gedachteweven en -leven. Het is belangrijk van welk materiaal dit hemd is gemaakt: linnen duidt op ‘gedachten’, zijde ‘de getuige van een lange metamorfose’ wijst op omvormingskracht.

Hoed

De hoed bedekt het hoofd. Hij drukt het denken met het hoofd uit. Zoals de hoed ons afsluit naar boven, zo doet ons hersendenken dat naar de algemene geestelijke wereld. In het Duitse spreekwoord ‘man muss etwas auf seine Kappe nehmen’, wordt op de persoonlijke verantwoordelijkheid van het bewuste denkvermogen gewezen. 
In gewoonten, profane en religieus-cultische gebruiken vinden we een spiegeling van dit proces.

Jas

Dit kledingstuk. over de borst gedragen, wijst op de belevingen van de ziel. Duits heeft: ‘Die Jacke ist ihm zu eng’.

Jurk 

Over het hemd, als een tweede omhulsel wordt in het sprookje de jurk tot beeld van een tweede omhulling. Die staat voor het totaal aan gewaarwordingen, gevoelens, hartstochten, dus voor het innerlijk leven van de gevoelens.
Duits heeft hier ‘Kleid’ dat meer betekenissen heeft.
Dit totale zielenleven hebben de middeleeuwse schilders van heiligenbeelden als aura gezien en weergegeven. Aan de helderziende verschijnt deze in talrijke kleuren, ook als eivormige goudstralende mandorla en met regenboogkleuren. In de sprookjes zijn de kleurengegevens niet zomaar, ze zijn een uitrdrukking van te onderscheiden zielentoestanden. Is het innerlijk leven nog heel driftmatig en verwant aan dat van het dier, dan verschijnt de mens in het sprookje met een dierenhuid.

Kap = hoed

Kroon

De kroon heeft bij de kroning en zalving van een heerser cultische betekenis. De gouden kroon is het zichtbare teken van verlichting en wijsheid die de heerser in de aura van zijn hoofd moet uitstralen. De ijzeren kroon duidt op de aanwezigheid van het Ik en de ijzeren wil.

Mantel

De zielenomhulling van de mens en van wie bij hem horen. In het beeld van de koning of de koningszoon verschijnt de mantel als een omhulling.
De symboolwaarde van de mantel is nog duidelijker voor ons bij de priester in de cultus, in de toga van de rechter, want in deze samenhang is de mantel heel duidelijk symbool, geen kledingstuk.
De rode kleur van de mantel zegt ons dat de taak van de koning is de behoeder te zijn van het bloed van zijn volk.

Parel

Door water omspoeld groeit de parel in de schelp; het tere glazuur herinnert daar nog aan. Een parelketting verliest haar glans, wanneer deze lange tijd niet wortdt gedragen. Als symbool wijst de ‘in het water geborene’ op de zielenwereld. Ze is tegengesteld aan de edelsteen die ons wijst op de tegenovergestelde wereld van het aardse.

Ring

De in zich gesloten cirkel is het teken van de verbinding, van het ‘samen’. Zo kan ook het op zichzelf staande (gesloten) bewustzijn door het symbool van de ring vertegenwoordigd worden.

Rok

Over het onderlijf gedragen, duidt de rok op de bewegingen van de wil.

Schoen

Met de schoenen sta je op aarde. Als beeld drukt het onze relatie tot het aardse uit; dat is echter de relatie met het leven, tot onze opdracht(en) en mogelijkheden. Wie maar één schoen draagt, staat niet vol meer in het leven; wie schoenen heeft met gaten, heeft vaardigheden verloren en wordt ongeschikt voor de levensloop; afgetrapte schoenen duiden erop dat een levensweg ten einde is.
De witte schoen zegt dat de drager ervan kan leven uit reine, onaardse krachten, heeft de aarde nog niet helemaal betreden of heeft zich daarvan weer losgemaakt.
De rode schoen heeft de kleur van het bloed: gezond rood bloed helpt ons aan een goed Ik-bewustzijn en laat ons een daadkrachtig leven leiden. Er moet een goed onderscheid worden gemaakt wat de vossen- of vlammend rode schoen betreft die op egoïsme duidt.
De gouden schoen: wijsheid en lichtkracht in de levensloop.

Vel = zie bij jurk

Vest

Over de borst gedragen duidt het op het gevoelsleven. zie ook de andere kledingstukken. Duits: ‘er hat eine weisse Weste’, = hij heeft een zuiver geweten.

Wapen = zwaard

Zwaard

De kracht van het woord, is de kracht van het zwaard; het zwaard helpt en beschermt, verwondt en doodt echter ook. Het is tweesnijdend – ook het woord.
In de hand van de strijder, betekent ‘zwaard’: eigen, persoonlijke macht van het woord.
Waar ook in het sprookje wapens, zoals pijl, boog, buks, (jacht)geweer, genoemd worden, wordt gewezen op doelgericht en trefzeker handelen.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjes: alle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2222

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/2)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je over een bepaald beroep nadenkt. het a.h.w. zonder oordeel beschrijft, erbij zoekt wat erbij hoort, de gereedschappen, de uitrusting enz. en je zoekt ook via de taal, m.n. bij de spreekwoorden, dan gaat zo’n beroep anders voor je leven dan alleen maar het hieronder meegedeelde ‘weetje’.

De beroepen vertonen zich meestal in een mannelijk beeld, omdat ze samenhangen met het Zelf, het Ik en voor dit laatste kiest het sprookje voor het mannelijke aspect. Daar drukt de scheppende mens zich in uit. 
Een beroep kan een gegeven zijn om daarmee je opdracht te vervullen, het kan een overgangsfase betekenen, maar ook het doel
Wanneer het sprookje over de ‘boerin’ spreekt, de kokkin, de molenaarsdochter, dan wijst dat naar hetzelfde proces, maar dan vanuit de ziel gezien.

2.AMBT EN BEROEP

Boer

Hij bewerkt de aarde eb oogst de vruchten daarvan. Beeld van de mens of een vermogen van hem: de fysieke levensgrond, het aardse wordt bewerkt, omgewerkt om de beste vruchten te verkrijgen. Beeld voor het verkrijgen van alle wijsheid die aanwezig is op aarde.

Dienaar = knecht

Herder

Hem is het pure en onschuldige leven toevertrouwd dat hij moet verzorgen en voor gevaar moet behoeden. Hij staat voor het vermogen van overgave en bereidheid om wat geestelijk ontvangen is te bewaren en te verzorgen op een sappige weide (gezonde groeikrachten) en voor wilde dieren  (driften) te behoeden.

Houthakker

Hij is in zekere zin het tegenovergestelde van de tuinman: een eenzijdig abstract denkend theoreticus, analyserend, begrippen klovend, daarbij het geheel van het levende uit het oog verliezend. De houthakker staat voor een zekere eindfase in die persoonlijkheidsontwikkeling die eenzijdig de weg van het intellectuele is gegaan.

Jager

Hij staat voor die waakzame, doelgerichte wezenskracht die driften en instincten opzoekt en doodt om te voorkomen dat ze de overhand krijgen; hij verzorgt de dieren en temt ze af en toe. Verder is hij het beeld voort een doelgericht streven in de jacht naar meer kennis.

Kindermeisje

Zielenkrachten die het geesteskind verzorgen en onderhouden, verschijnen in de sprookjes als kindermeisjes.

Kleermaker

Het sprookje noemt het intellect ‘snijder’, want hij gaat het ‘geheel’ te lijf, verdeelt dit en zet die naar eigen ‘maat’staf weer voor iets nieuws in elkaar. Hij werkt analytisch en synthetisch. Wanneer het sprookje over het slimme of dappere kleermakertje spreekt, dan wordt het productieve, voortschrijdende intellect gebruikt. Maar we kennen ook het verwaande kleermakertje (bijv. in ‘De reus en de kleermaker’ (Grimm nr. 183).

Knecht

De knecht, de dienaar, betekent vooral een zielenkracht die het Ik als heerser, dient en handelingen voltrekt die de heerser niet wil doen of niet kan.
Zo is er bij de mens innerlijk een vermogen nodig als aanvulling op het heersende deel. Deze knecht in het innerlijk verkrijgt andere inzichten en heeft soms ook meer wisheid fan het heersende aspect van het Ik.
Knecht kan een noodzakelijke overgangsfase betekenen naar een succesvolle afsluiting.

Kok

Symbool voor dát vermogen dat kan kennen en onderscheiden, die voedsel bereidt voor ziel en geest en dit voedsel smakelijk klaarmaakt. Wanneer hij dit vermogen niet heeft, wordt hij een slechte kok.

Koning

Koning zijn betekent: onbeperkte macht bezittend. In het sprookje duidt het ambt en beroep van koning aan dat de hoogste trap van innerlijke ontwikkeling is bereikt. Het rijk van de koning kan zowel de innerlijke wereld van de geest (bijv. de oude koning – de vader in het sprookje van het Ezeltje) als ook de binnenwereld van de ziel (bijv. de vreemde koning – de vader van de bruid – in hetzelfde sprookjes) omvatten, dus het geheel van de innerlijke mens. In het woord ‘zelfbeheersing’ zit dit innerlijke koningschap al. De koning kan ook zijn macht misbruiken en een boze koning worden.

Koopman..

Hij koopt en verkoopt, handelt met goederen die hij niet zelf geproduceerd heeft. Vandaag kan hij rijk zijn, morgen arm. Hij is het beeld van de mens die niet meer vanuit de volheid van de scheppende wijsheid leeft, maar alleen nog uit des chatten van het verleden die vandaag nog gelden, morgen echter hun waarde verloren kunnen hebben.

Molenaar

Hij is het symbool voor die werkzaamheid die de vruchten van de aarde, vreugde en smart van de aardse ervaring zo weet te verwerken, dat de voorwaarde om tot geestelijke kennis te komen geschapen wordt. Geestelijke kennis is ‘brood’.

Ridder

De ridder heeft een ijzeren harnas en is bewapend; hij trekt te paard ten strijde. Offerbereid wil hij zich inzetten. Taal: een ‘ridderlijk gemoed’. In het sprookje wordt hij de gepantserde wil en het Ik dat zich met doodsverachting inzet, door de kracht van het verstand (paard) gedragen, uitgerust met alle deugden.

Rover

Ook dit is een beroep, ook al is het negatief. Waar rovers inbreken of ergens bezit van nemen, werken ze destructief. De mens kan tot krachten vervallen die niets anders hebben dan begerig zintuigindrukken op te doen , de mooie wereld te plunderen, zonder haar dank te bewijzen.

Schoenmaker

Hij maakt schoenen of herstelt ze. Zoals je met je schoenen over de aarde gaat en staat, zo moet de innerlijke ‘schoenmaker’ in ons het vermogen ontwikkelen, met zekerheid in het leven te staan, goede vooruitgang te boeken, onze levenswandel op de juiste wijze te voeren.

Smid

Zoals de smid in het vuur het ijzererts smeedbaar maakt en naar zijn wil vormt, zo wordt de mens de smid van zijn levenslot wanneer hij de ijzerprocessen van zijn bloed aan zich dienstbaar maakt. Met de natuurkracht van het ijzer in het bloed vormt de innerlijke smid zijn eigen wezen tot persoonlijkheid, tot Ik.

Soldaat

Hij is het beeld voor de innerlijke strijder.

Tuinman

Hij is het beeld voor die wezenskracht die in het innerlijk van de mens het goede, het bruikbare, het waardevolle door liefderijke verzorging tot ontwikkeling brengt. Wie het zaad van ‘het goede woord’ uitstrooit, de ‘wilde’ zielendriften snoeit, wie de zich louterende ziel omringt en verzorgt en geestelijke groei steunt en bevordert, wie met geduld kan wachten, is zover tot ontwikkeling gekomen dat hij tuinman kan zijn.

Visser

Visser is de mens die tast naar de diepten van de zielenwereld en die de gedachten kan ophalen die uit de oergrond opduiken om zich als beelden te openbaren. Dat is het echte zielenvoedsel. Tegenover de visser staat de wever.

Wever

Hij weeft de gesponnen draden tot een weefsel. Overdrachtelijk: losse gesponnen gedachtedraden (hersenpinsels) worden tot een patroon geweven. Aan het weven gaat het spinnen vooraf. Onder spinnen verstaat de beeldspraak het aan elkaar rijgen van gedachten tot gedachtedraden, tot logische draden. Dat vermogen om deze draden tot een geheel samen te voegen, heet ‘wever’.

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2219

.

 

 

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/0)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘ geeft de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

De schrijfster maakt een indeling.

Ze gaat in op deze beelden – hier alle bij elkaar in alfabetische volgorde

Aardbei
Adelaar
Afhakken van hand, hoofd, voet
Appel
Appelboom
Bakken
Braden
Beek
Beer
Berg
Bij
Boer
Boom
Bos
Brood
Bron
Centaur
Dal
Dienaar
Dorp
Draak
Druivensap
Duif
Dwerg
Edelsteen
Eend
Egel
Ei
Eik
Ekster
Elf
Ezel
Fee
Feniks
Gans
Geit
Gras
Gras
Griffioen
Grijp vogel = griffioen
Haan
Haas
Haard
Hangen
Havik
Hazelaar
Hazelnoot
Hemd
Herder
Hert
Hoed
Honing
Hond
Hooi
Hooi
Houthakker
Huis
Hut
Jager
Jas
Jeneverbes
Jeneverbesboom
Jurk
Kap
Kasteel
Kat
Kikker
Kinderen (laten) verdwalen
Kindermeisje
Kleermaker
Knecht
Knol
Koe
Kok
Koken
Koning
Koopman
Kraai
Kroon
Kuip
Land
Leeuw
Leeuwerik
Lelie
Mantel
Meer
Melk
Mier
Moeras
Molenaar
Muis
Nachtegaal
Nix
Ogen uitsteken
Ophangen
Opvreten
Oven
Paard
Pad
Parel
Panter
Pauw
Peer
Perenboom
Raaf
Ree
Reus
Ridder
Ring
Rivier
Rok
Roos
Rover
Schoen
Schoenmaker
Slang
Slot
Smid
Soldaat
Spinwerktuigen
Stad
Stier
Tijger
Ton
Toren
Tuin
Tuinman
Undine
Valk
Varken
Vat
Vel
Verbranden
Verdrinken
Verdwalen
Verhangen
Verslinden
Vest
Vierendelen
Vijver
Vis
Visser
Vos
Vuurvogel = feniks
Walnoot
Wapen
Water
Water
Waterman/vrouw
Weide
Wever
Wijn
Woestenij
Wolf
Wortel
Woud
Zee
Zeehaasje
Zwaan
Zwaard
Zwijn

Wordt vervolgd     

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2217

.

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (3-3/1)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek ‘Die Bildsprache der Märchensomt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Als je in een bos bent, of over een weiland gaat, aan een beekje zit, kan je alle indrukken in je opnemen: wat hoor ik, wat zie ik, hoe ruikt het, enz.
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: het woud betekent dit, de berg betekent dat.

1.LANDSCHAP

Beek – zie rivier

Berg:

We zijn ‘hooggestemd, vol goede moed’; 
We zien ‘van bovenaf’, zien ‘neer’, kennen de ‘verheven’ stemming, het ‘overkoepelende’ weten. 
Er wordt een ‘hogere waarheid’ verkondigd, d.w.z. in de beeldentaal: ‘de berg beklimmen, bestijgen’. 
De mens werd naar de ‘berg’ van/in zijn zielenlandschap geleid om het overzicht te krijgen; daar kan hij wel in verzoeking gebracht worden.

Bos = woud

Bron

Duits heeft ‘Brunn’: Beeld voor de scheppende diepte; voortdurende vernieuwing van de ziel of wat ermee samenhangt.

Duits heeft ‘Quelle’: ‘het bruisende, scheppende nieuwe. Taal:’tot de bron teruggaan; bronnenonderzoek’.

Dal

Laagte, i.t.t. de berg. Het dal van het dagelijks leven waarin de mens zich dienend realiseert. Hier staat hij dicht bij de aarde, maar hij is er niet in. Hij woont beneden aan de berg, maar niet erin.

Dorp

Beeld van het sociale samenleven en – werken.

Gras = weide

Hooi = weide

Huis

Beeld van de lichamelijkheid als ‘behuizing’, ‘onderkomen’ voor de geest en de ziel. In de beeldspraak van de taal: ‘Iemand gaat uit zijn dak’, Duits heeft o.a. ‘Jemand ist aus dem ‘Häuschen’ (Iemand is uit zijn huisje). Iemand heeft ‘einen Dachschaden’ (dakschade); ‘er klopt iets niet in het bovenkamertje’; iemand heeft geen fundament, basis, grond onder de voeten. 
Ook in de vorm van hut, toren, slot.

Hut = huis

Kasteel = slot

Land

In materiële zin staan wij wat de zintuigwereld betreft op ‘vaste bodem’, op ‘zekere grond’; de ‘vaste basis van de feiten’; en we hebben ‘standpunten’. Het grondwoord ‘verstaan’ (begrijpen) heeft als kernwoord ‘staan’. Men ‘zet stappen voorwaarts’, ‘gaat vooruit’ in de wereld die zich als ‘dingwereld’ laat meten en becijferen. In de taal: ‘vaste grond onder de voeten hebben’, ‘stevig op de aarde/de grond staan’; ‘(vast)geworteld zijn’,’met beide benen op de grond’

Meer = zee

Moeras

Wanneer de mens in een situatie raakt, waarin hij noch in het bewustzijn van zijn zintuigen (d.w.z. op het land) noch in zijn zielenbewustzijn (d.w.z. op het water) zekerheid heeft, ‘verliest hij de grond onder zijn voeten’. Deze onheilspellende ‘tussentoestand’ verschijnt als ‘moeras’, taal: ‘in het moeras belanden’, ‘wegzinken’, ‘zompig’. 

Rivier (stroom)

Beeld voor de beweeglijke ziel, het stromende leven, vgl. het woord ‘geestelijke stroming’; ‘alles stroomt’ (Duits: es ist alles in der Fluss’ (Fluss = stroom/rivier); de ‘stroom van de tijd’.

Slot

Het slot dat zich door grootte en rijkdom onderscheidt van het huis, is een beeld voor de ‘behuizing’ van het lichaam. Het wordt gebruikt wanneer het lichaam meer betekenis heeft, ‘voller’ is en rijker beleefd wordt; zo woont het kind overwegend in een slot want het kent de grenzen van zijn lichamelijkheid niet.
‘Stenen slot’ duidt op het hoofd als ‘woning’, omdat de schedel de hardste botstructuur heeft.

Stad

Als grootste bewoning duidt dit woord in de taal op de grootste sociale gemeenschap.

Toren

Lijkt op huis, hut, slot, heeft betrekking op de lichamelijkheid. In het bijzonder duidt de toren op de afzondering, de afgesnoerdheid; aan de andere kant kan de toren niet alleen maar het symbool van de lichamelijkheid zijn, maar eigenlijk ook staan! voor standvastigheid en zelfstandigheid.

Tuin

Gebied van de diverse groeikrachten, waar gezaaid wordt en levenskiemen bedachtzaam worden geplant, zodat er vruchten kunnen rijpen. Zie ook ‘de tuinman’. (nog niet oproepbaar)

Vijver = zee

Water

Symbool voor het gebied van de ziel; wijst op een bewustzijn dat boven het door de zintuigen begrensde bewustzijn uitgaat. In de ‘oerschoot’ van de ziel ‘golven’ gevoelens heen en weer, ‘wellen driften op’; daar kan het ‘kolken’. Droomachtige gevoelens en gedachten ‘duiken op’ en ‘verstarren’ (ijs?) De mens moet zichzelf behoeden voor dromend ‘wegstromen’ of ‘onder gaan’. Taal: ‘iemand gaat kopje onder’, is in zichzelf ‘verzonken’; ‘het water staat tot aan de lippen’.

Weide

Innerlijk veld waar de levenskrachten spruiten, uitlopen, die door de zon beschenen tot bloei kunnen komen. Gras is een bijzondere uitdrukking voor vegetatieve krachten. Hooi is het beeld van het verdrogen daarvan.

Woestenij

Toestand van verarming en verdroging, de kale verdorde vlakte. Taal: ” iemand heeft zijn leven verwoest’; ‘bij hem is alles woest en leeg’

Woud

Het is het gebied waar het vegetatieve leven met woekerende groeikracht met beklemmende dichtheid werkzaam is. Het is een grensgebied tussen de wereld van de zintuigen en de geest. Hier kan de driftnatuur op een bijzondere manier tevoorschijn komen (wilde dieren). Hier worden ontwikkelingswegen gezocht, je kan je vergissen, maar ook de juiste weg vinden. Het woud is beeld voor een innerlijke toestand met meer kanten, die iedere zoeker naar de geest door moet maken.

Zee

Tussen het vaste, de voorwerpen op deze wereld hier en de geestelijke wereld ‘daar’, ligt ‘schommelend’, ‘op  – en afgaand’ de wereld van de ziel; de oneindigheid verschijnt hier in het beeld van de zee of van het meer. Kleinere wateren, zoals vijver, plas duiden op een meer begrensd bereik van de zielenwereld. Zie ook water (hierboven)

0-0-0

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2216

.