VRIJESCHOOL – Geheugen, herinneren – alle artikelen

.

GEHEUGEN, HERINNEREN

[18-1] In onze tijd is het geheugen door gemakzucht, door overlading of door andere factoren zwakker geworden
A.G.Degenaar over: geheugen, herinneren; leren waarnemen; leren met het hart; ezelsbruggetje.

[18-2] Het geheugen blijft een  mysterie
Piet Vroon over: verschillende vormen van geheugen: motorisch, episodisch, semantisch; vergeten; hypnose; kryptomnesie; geheugenverlies

[18-3] Het geheugen lijkt op een hologram
Douwe Draaisma over: herinnering; holografie, hologram.

[18-4] Wandelen door geheugengebouwen
Kees Buijs over: een boek van Frances Yates over de geschiedenis van het geheugen; zie de tags bij het artikel met de namen van historische figuren die iets van het geheugen vonden

[18-5] De verloren kunst om de hele Vergilius achterstevoren op te zeggen
Herman Pleij
over: een boek van Frances A. Yates ‘De geheugenkunst’.
De achteruitgang van het geheugen in de mensheid; nieuwe ontwikkelingen zoals pc’s maken geheugenoefening nog minder noodzakelijk; Seneca als geheugenwonder en andere voorbeelden; geheugen in de Oudheid; belang van het beeld.

[18-6] De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding
Signe Roll Wickberg over: fantasie i.t.t. geheugen; de ontwikkeling van beide in de verschillende leeftijdsfasen; praktische toepassing om ze te oefenen; de verschillen bij individuele kinderen.
.

[18-7] Het belang van vergeten
Wolfgang Rudolph over: wat is vergeten; wat is herinneren; waarom periodeonderwijs; vergeten en etherlijf, de organen.

.

Rudolf Steiner over geheugen en herinneren: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

1331-1243

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-4)

.

Het geheugen van de mens is nog altijd een moeilijk te doorgronden fenomeen.
Onthouden, vergeten – soms net niet helemaal: ‘het (woord, de naam) ligt me op de lippen’; ‘ik kan er (even) niet (meer) opkomen’ en andere uitdrukkingen; het drie- vierjarige kind dat vrijwel altijd van oma of opa wint met ‘memory’; de dementerende die niet weet dat hij dezelfde vraag twee minuten geleden ook stelde: we weten nog altijd niet hoe dat precies komt, m.a.w. wat geheugen, zich herinneren enz. is, is nog altijd om over na te denken en te onderzoeken. 
Dat is gebeurd en gebeurt nog steeds, dus zijn er ook vele gezichtspunten.
Hoe was het in het verleden?

wandelen door geheugengebouwen

EEUWENLANG ZOCHTEN GELEERDEN NAAR SYSTEMEN OM ALLE KENNIS IN TE PRENTEN

„Thee… boter… hondebrokken…” Veel verder kwam minister Ruding van Financiën niet, toen hij in een televisieprogramma grutterswaren op een lopende band moest onthouden.

Zelfs in een simpel spelletje gaat het hem en veel andere mensen niet gemakkelijk af. Waarom zou je ook dingen moeten onthouden? Zolang je maar weet waar je het moet opzoeken: op een bloknootvelletje, in een boek of in de computer.
Ook op school wordt het niet zo belangrijk gevonden om veel feiten en feitjes te onthouden. Om een leerling die alles in zijn of haar hoofd stampt, wordt meewarig gelachen. Het gaat tegenwoordig immers meer om inzicht dan om feitenkennis?
In onze tijd van kranten, vaktijdschriften, naslagwerken en computers kunnen we ons nauwelijks indenken hoe belangrijk het vroeger was om dingen te kunnen onthouden. Eeuwenlang stond het geheugen hoog aangeschreven. Beter een goed geheugen en een iets minder goed verstand dan een goed verstand en een slecht geheugen, meende de Nederlandse pedagoog Murmellius bijna vijf eeuwen geleden. Over de tijd waarin het onthouden van dingen nog wel hoog werd geschat, ja zelfs tot een kunst was verheven, en hoe de geheugentechniek een eigen plaats kreeg in de Europese traditie, schreef de Britse geschiedkundige Frances A. Yates The Art of Memory. Deze in 1966 verschenen ‘klassieker’ is nu* in Nederlandse vertaling uitgebracht, onder de titel De geheugenkunst.

In Victor Hugo’s Notre Dame de Paris staart een geleerde in zijn studeerkamer naar het eerste gedrukte boek dat zijn collectie manuscripten is komen verstoren. Hij opent het raam en kijkt naar de enorme kathedraal, die zich aftekent tegen de sterrenhemel. „Ceci tuera cela”, zegt hij. Het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen.

Hugo’s verhaal illustreert de gevolgen van de boekdrukkunst voor de religie en de macht van de kerkelijke elite. Maar het verhaal is ook op te vatten als parabel voor het effect van de verspreiding van het gedrukte woord op de onzichtbare geheugenkathedralen van het verleden.
In oude tijden was men vooral op het geheugen aangewezen. Manuscripten waren schaars, en veel mensen konden lezen noch schrijven. Iets in het geheugen prenten gebeurde dan ook letterlijk. En deze methodebeelden voor dingen gebruiken, als een soort innerlijk schrift- werd tot geheugenkunst verheven.

De Griek Simonides van Keos (omtrent 556-468 voor Christus) gaat door voor de uitvinder van de geheugenkunst. Over hem vertelt Cicero in De Oratore (Over de redenaar) een levendig verhaal. Tijdens een feestmaal dat de edelman Scopas uit Thessalië gaf, droeg Simonides op bestelling een lyrisch gedicht voor ter ere van de gastheer. Het gedicht bevatte echter ook een passage waarin hij de goden Castor en Pollux prees. Nogal onbehouwen deelde Scopas de dichter mee, dat hij slechts de helft van de afgesproken gage zou ontvangen, en dat hij de rest maar van de twee goden moest zien te krijgen.
Even later kreeg Simonides de boodschap dat twee mannen hem buiten wilden spreken. Hij stond van tafel op, ging naar buiten, maar zag niemand. Achter hem stortte het dak van de feestzaal in, waarbij Scopas en alle gasten verpletterd werden onder de puinhopen.
Hun lijken waren zo verminkt, dat hun familieleden hen niet konden identificeren. Maar Simonides wist nog precies op welke plaatsen ze aan tafel hadden gezeten, zodat hij de familieleden kon aanwijzen wie hun doden waren. Deze gebeurtenis deed de dichter de principes van de geheugenkunst aan de hand. Hij realiseerde zich dat een ordelijke rangschikking van wezenlijk belang is om iets goed te onthouden.

Redenaars
De Romeinen, aan wie de kunst werd doorgegeven, bedachten regels om het geheugen beter te laten werken. Met name voor redenaars was dit heel belangrijk. Het geheugen was een centraal onderdeel van de welsprekendheidsleer of retorica.
Quintilianus beschrijft de techniek als volgt: om een reeks plaatsen in het geheugen te formeren, moeten we ons een gebouw in gedachten nemen, met een voorhof, een huiskamer, slaapkamers en zitkamers, en niet te vergeten standbeelden en andere ornamenten waarmee de kamers zijn gedecoreerd. De beelden waarmee de redevoering moet worden onthouden, zetten we vervolgens in onze verbeelding op de plaatsen die we ons in het gebouw in het geheugen hebben geprent. Zodra we ons de feiten weer voor de geest willen roepen, bezoeken we al deze plaatsen om beurten.
We moeten de klassieke redenaar voorstellen als iemand die in zijn verbeelding door zijn geheugengebouw loopt terwijl hij zijn redevoering houdt, en van de in zijn geheugen geprente plaatsen de beelden wegneemt die hij daar heeft neergezet. Zo onthoudt hij de verschillende punten van zijn betoog in de juiste volgorde.
Deze innerlijke gymnastiek leidde tot opmerkelijke geheugenprestaties. De vader van Seneca, een leraar in de retorica, wist tweeduizend namen te herhalen in dezelfde volgorde als waarin ze waren gegeven. De kerkvader Augustinus, eveneens opgeleid tot leraar retorica, vertelt over een vriend die Simplicius heette, en Vergilius achterstevoren kon opzeggen. Hoe zinloos we zulke prestaties ook vinden, ze laten wel zien dat iemand met een geoefend geheugen destijds in hoog aanzien stond.
In de klassieke oudheid zag men een geoefend geheugen niet louter als iets praktisch; men kende er een bijna goddelijke betekenis aan toe. De Griekse wijsgeer Plato zag de volmaakte redenaar als iemand die de waarheid en de aard van de ziel kent, en die daardoor in staat is de mensen van de waarheid te overtuigen. Volgens Cicero was het geheugen een onderdeel van de wijsheid. Augustinus beschouwde het geheugen als een van de drie vermogens van de ziel. De kennis van het goddelijke zou de mens in het geheugen aangeboren zijn.
Een sterk religieus stempel kreeg de geheugenkunst in de middeleeuwen, vooral onder invloed van de scholastici; Thomas van Aquino voorop. De kennis nam enorm toe, en men ging op zoek naar beelden om de nieuw verworven kennis te kunnen onthouden.
Wat wilde men in de vrome middeleeuwen vooral onthouden? Dingen die met verlossing of verdoemenis te maken hadden, de geloofsartikelen, de deugdzame paden naar de hemel en de paden via de ondeugden naar de heL De middeleeuwer die goed wilde leven, moest meer in het geheugen prenten dan vroeger het geval was geweest, toen alles zoveel eenvoudiger had geleken.
Zo ontstond een uitgebreid systeem van deugden en ondeugden, dat werd verbeeld en verwoord door grote kunstenaars als Dante, Giotto en Petrarca. Talloze afbeeldingen verschenen, van Wellust en Kuisheid. Matigheid en Vraatzucht, Grootmoedigheid en Gierigheid.
Yates beschouwt zelfs Dante’s Inferno als een geheugensysteem om de hel en haar straffen te onthouden. Kan het geheugen een verklaring zijn voor de middeleeuwse liefde voor het groteske, het eigenzinnige, vraagt zij zich af.

Spinnewebben
Je zou verwachten dat de tot grote bloei gekomen geheugenkunst haar einde beleefde toen de boekdrukkunst de verspreiding van teksten op grote schaal mogelijk maakte. Victor Hugo’s parabel van de Parijzer kardinaal wijst in die richting.
In elk geval rekende Erasmus de geheugenkunst tot de barbaarse middeleeuwen. Haar gedateerde methoden vergeleek hij met spinnewebben in monnikenhoofden, die nodig door nieuwe bezems moesten worden vervangen. In werkelijkheid stierf de geheugenkunst in de renaissancetijd niet uit, maar ging ze een nieuwe, zij het nogal duistere levensfase in. De renaissance was namelijk niet louter redelijk en proefondervindelijk ingesteld, zoals we wel eens denken. Daarnaast ontstond een occulte, mystieke stroming. Haar beoefenaren gingen op zoek naar een geheugen waarin de wereldharmonie zich weerspiegelde; een systeem dat de mens in staat stelde alle bestaande kennis binnen handbereik te hebben. Een soort universele geheugenmachine.

Giulio Camillo kreeg in het zestiende eeuwse Italië en Frankrijk grote faam met een houten bouwsel dat een geheugentheater moest voorstellen. Het was volgepropt met beelden en kistjes. Volgens Camillo kon de toeschouwer in een oogopslag zien wat anders verborgen blijft in de diepten van de menselijke geest.
Zijn theater werd nooit voltooid, en van zijn grote levenswerk dat hij had willen schrijven, kwam niets.

Bij de Italiaanse filosoof en ex-monnik Giordano Bruno – kort na de dood van Camillo geboren – nam de geheugenkunst het karakter aan van zwarte magie. Hij was uit op een encyclopedisch geheugensysteem, dat alles zou bevatten wat de mens kan weten.
Dwangmatig zocht hij naar methoden om de kennis van zijn tijd te ordenen. Daarbij ontwierp hij vaak raadselachtige constructies. Maar vanwege dit koortsachtig zoeken naar methoden zijn z’n nauwelijks begrijpelijke systemen niet louter het werk van een gek, aldus Yates’ verdediging van de man die zijn leven na veel Europese omzwervingen in Venetië eindigde op de brandstapel.

Een groot deel van Yates’ boek is aan het werk van Bruno gewijd. In feite is de rest van haar boek een lange aanloop naar Bruno, en na hem een vrij korte afsluiting. Voor de lezer vormen de hoofdstukken over Bruno het meest duistere deel. De schrijfster geeft overigens toe, dat ook zij niet alles van zijn geheugenkunst begrepen heeft. Een schrale troost.

Een eeuw na Bruno was de geheugenkunst nog altijd niet uitgewerkt. Bacon en Leibnitz, voorvechters van de rationalistische wetenschapsbeoefening, werden door de traditie van geheugensystemen beïnvloed. Zo hingen Leibnitz’ wiskundige symbolen, die zouden leiden tot de uitvinding van de integraal- en differentiaalrekening, nauw samen met zijn onderneming voor een encyclopedie, waarin alle aan de mens bekende kunsten en wetenschappen zouden worden samengebracht.
Wanneer hij alle kennis systematisch zou hebben opgeslagen, en hij aan alle begrippen karakters had toegekend, zou dat een soort universele rekenwijze (calculus) voor de oplossing van alle kennisproblemen betekenen, dacht hij. Zelfs religieuze geschillen konden er volgens Leibnitz door worden beslecht. Degenen wie bijvoorbeeld van mening verschilden over de uitleg van het concilie van Trente, hoefden dan niet langer te bekvechten. Ze konden om de tafel gaan zitten en zeggen: laten we het uitrekenen.
Ook deze universele rekenwijze en de alomvattende encyclopedie kwamen nooit van de grond Vroeg of laat eindigden trouwens alle ambitieuze geheugensystemen in mislukkingen.
Hoort hun geschiedenis daarom tot de terecht vergeten en onder het stof geraakte curiosa? Zeker niet, vindt Yates aan het inde van haar ontdekkingstocht.

„De geschiedenis van de organisatie van het geheugen raakt op wezenlijke punten de geschiedenis van de religie en de ethiek, de filosofie en de psychologie, de beeldende kunst en de literatuur, en die van de wetenschappelijke methode”, schrijft zij.

Frances Yates, geboren in 1899, was van 1941 tot haar dood in 1981 verbonden aan de universiteit van Londen, waar zij de geschiedenis van de renaissance onderwees, haar werk getuigt van een welhaast onvoorstelbare belezenheid. Zelf schrijft ze dat ze slechts een klein deel van het door haar verzamelde feitenmateriaal voor het boek heeft kunnen gebruiken. Maar wat voor haar een klein deel is, is voor de lezer toch nog een berg waar nu en dan maar noeilijk overheen te komen is.

De hel als geheugenplaatssysteem.
Uit Cosmas Rosellius, Venetië 1579
.

Yances A. Yates: De Geheugenkunst.    (Amsterdam, Bert Bakker, ƒ 59,50.)
In het Engels

Kees Buijs in De Gelderlander, *23-01-1989
.

Over het geheugen: menskunde en pedagogie nr 18

.

1330-1243

.

.

VRIJESCHOOL – De schoolarts (1-1)

.

Rudolf Steiner, die op verschillende manieren invulling heeft gegeven aan ‘gezondmakend onderwijs’, vond het wenselijk dat een vrijeschool een schoolarts zou kunnen raadplegen wanneer haar of zijn visie zou kunnen bijdragen aan een betere ontwikkeling van een kind.

Veel vrijscholen hebben de mogelijkheid dat ze de hulp van een – vrijwel altijd – antroposofisch arts – kunnen inroepen. 

Hier een klein verslag van een schoolarts zelf:

Nu ik een jaar als schoolarts op de vrijeschool in Zutphen gewerkt heb, kan ik enige ervaringen uiten. Ik heb in deze tijd kinderen bekeken in de klassen, met ouders gepraat, kinderen onderzocht en over hen gepraat in de vergaderingen van het lerarencollege. Het is me niet gemakkelijk gevallen alles te volbrengen wat er van een schoolarts op de vrijeschool verwacht wordt, daar dit natuurlijk een vak is dat je in de praktijk moet leren. De voornaamste taak is misschien wel hulp geven bij het opvoeden (in de ruimste zin van het woord) van kinderen aan zowel leraren als ouders met gebruikmaking van de specifieke visie en kennis van een anthroposofisch arts. Dat is ruim op te vatten. Ik zou dagelijks ouders kunnen aanschieten en hun vragen stellen over de voedingsgewoonten en
vrijetijdsbesteding van hun kinderen en hen confronteren met mijn ideëen daarover. Dat zou verkeerd zijn, want net zoals in de schoolkeus is men ook vrij in de opvoeding – men moet echter wel de mogelijkheid bieden kennis te nemen van deze ideeën en daarom heb ik stukjes geschreven in de Triangel*,

Het zou goed zijn als de opvoeding thuis aansloot bij die op school, en het is ook mijn taak daaraan mee te werken. Daarbij krijgt een schoolarts vele vragen van leraren te verwerken, die ik natuurlijk lang niet allemaal kan beantwoorden, maar dan kan zo’n vraag juist stimulerend werken voor verdere studie.

Op de vrijeschool proberen we elk kind zo goed mogelijk tot ontplooiing te laten komen door rekening te houden met zijn bijzondere persoonlijkheid. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de beschouwing van het temperament van het kind: melancholisch, flegmatisch, sanguinisch of cholerisch. Het eerste hangt samen met het vaste, onveranderlijke, zware, tevens kwetsbare, gelijk een vaste stof bij beschadiging niet meer uit zichzelf herstelt; het tweede met waterigheid, slijm, vervormbaarheid, gezondheid, onverstoorbaarheid; het derde met lucht, vluchtigheid, snelheid, veranderlijkheid, afleidbaarheid; het vierde met vuur, warm, explosief, groots, meeslepend. In deze 4 temperamenten zitten dus de 4 elementen waar we op aarde mee te maken hebben: aarde, water, lucht (en licht) en vuur.
Als men zich in de eigenschappen van deze 4 elementen verdiept, kan men ze terugvinden in mensen. Een kind groeit naar zijn temperament toe, maar daarbij ook door temperamenten heen: hij is bijvoorbeeld in aanleg melancholisch, maar verkeert in een sanguinische levensfase ( basisschool) en. komt daardoor toch sanguinisch over – wee degene echter die zo’n kind als “luchtig” gaat behandelen, want alles wat men doet, komt bij dit kind diep terecht en duurt lang voor het verwerkt is.
Een pasgeborene is hoofdzakelijk flegmatisch, maar daarin is toch al iets anders te herkennen: de wijze van wakker worden, het huilen, eten, de
verstoorbaarheid, zijn allemaal tekenen die op een bepaald temperament kunnen wijzen. Hoe meer we thuis zijn in het temperament, des te beter we met het kind om kunnen gaan. Want een melancholicus heeft een beschermende behandeling nodig, waarbij hij een taak moet kunnen afmaken, een flegmaticus moet wakker gehouden worden en opgepept, een saguinicus tot rust gebracht maar moet niettemin veel te doen krijgen, de cholericus dient wat geblust te worden, maar ook gebruikt te worden met zijn energie. Allen moeten beschermd worden tegen al te éénzijdige en al te vroege ontwikkeling van een temperament; we moeten de melancholicus afleiden als hij te lang blijft hangen op één taak, evenals we de sanguinicus aan één opdracht moeten houden op een bepaald moment, om hem niet al te vluchtig te laten worden. Zo moeten we leren spelen met de temperamenten, evenals met de elementen. Ook met het eten, met de kleding, met de dagindeling, kan rekening gehouden worden met het temperament.

Naast het temperament kan men bij kinderen ook nog een andere indeling maken; het meer wakkere, alerte kind dat alles direct ziet en door heeft (‘Sinterklaas heeft Pappies sokken aan!”), goed kan rekenen en veel antwoorden weet, maar minder goed is in schilderen en andere kunstzinnige activiteiten, en het dromerige kind dat meer in zijn eigen wereld leeft, niet zo afleidbaar is, dat ver meegaat in de verhalen: en daar nog lang in blijft verkeren, dat minder goed is in rekenen (abstract) maar beter in schilderen (fantasie). Ook hierbij geldt dat gewaakt moet worden tegen te éénzijdige ontwikkeling van zo’n type. We moeten het kind dan ook vaak confronteren met datgene wat hij a priori afwijst.

De combinatie van deze laatste indeling met de temperamentenleer geeft ons al vrij veel criteria. Daarbij zijn er natuurlijk meer of minder intelligente kinderen, snel en langzaam ontwikkeld, handig of onhandig, beschadigd of gaaf, beschermd of onbeschermd opgevoed- noem maar op, oneindige mogelijkheden. De temperamenten echter vertellen ons het meest over de werkelijke aard van het kind.
Uit al deze gegevens proberen we in de lerarenconferentie wekelijks een beeld van een bepaald kind te vormen.

Wat voor aanpak is hier op zijn plaats? Wat voor therapie moeten we hem geven? (eurythmie, schilderen, boetseren, muziek, massage, zang) Hoe kunnen we allen het kind helpen vooruit te komen? Tenslotte wordt het beleid met de ouders besproken alvorens uitgevoerd te worden, waarbij natuurlijk de volledige medewerking van de ouders wordt verlangd.

Op die manier trachten we op school te werken aan optimale ontwikkelingskansen van de kinderen.

B.R. de Klyn, Triangel, schoolkrant Zutphen, nadere gegevens onbekend

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Temperamenten: in Menskunde en pedagogie nr.15

Temperamenten en rekenen: 1e klas rekenen

.

1329-1242

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – rekenen (13)

.

HET GROOTSTE GETAL VAN DE WERELD

LEREN REKENEN VANUIT MENSKUNDIG PERSPECTIEF

‘Moeder, moeder! Vandaag hebben we het allergrootste getal van de wereld geleerd….!
Met dit vanzelfsprekend hoogst opwindend nieuwtje stormt het kind na zijn eerste rekenles naar binnen om zijn moeder als eerste deze belangrijke boodschap vol vreugde mee te delen. Het kind zit op de vrijeschool.
Hopelijk zijn vader en moeder naar de laatste ouderavond geweest, toen de leerkracht over de op handen zijnde eerste (en belangrijkste) rekenperiode in het leven van de kinderen sprak. Anders zou de grote vreugde van het kind snel kunnen verdwijnen voor een reusachtige teleurstelling. Want wee de moeder die nu vermoedt dat het om het getal 1000 gaat, omdat ze – onwetend en niets vermoedend – aanneemt dat 1000 voor een eersteklassers op z’n minst een zeer groot, zo niet voor nu het allergrootste getal is. Of zouden de kinderen al iets van een miljoen geleerd hebben….? O jee! Er helemaal naast! De moeder die zoiets vermoedt, heeft zelf beslist niet op de vrijeschool gezeten, anders was het haar volkomen duidelijk geweest, dat het ‘grootste getal van de wereld’ natuurlijk alleen maar de  een(heid) kan zijn, zoals ze nu te horen krijgt van een trots kind.
Wanneer de kinderen op de vrijeschool met de getallen vertrouwd raken, leren ze eerst, net zo als bij het leren kennen van de letters, de kwaliteit en niet de kwantiteit van de getallen kennen.
En dus vertelt de leerkracht in het eerste uur rekenen de kinderen een verhaal dat over de eenheid  gaat. In deze eenheid, leren de kinderen, zit al het andere besloten. Er is maar een wereld (als eenheid), ook ieder mens is een eenheid op zich. De kleine Tobias heeft onmiddellijk door dat er van hemzelf maar één is. Hij is een eenheid, hij is uniek, net zoals zijn vader, zijn moeder, zoals ieder mens. Door de kinderen worden snel andere eenheden gevonden: godvader, de zon, de maan, de boom, de hond, de school, het lokaal, de broer, enz. Alles is – kwalitatief beschouwd – uniek, is elke keer een eenheid. En het getal (het cijfer) voor de eenheid is de 1! Omdat de eenheid alles omvat, is het cijfer dat er symbool voor staat 1 het ‘grootste’ getal van de wereld. Dat begrijpen de kinderen volkomen, omdat het waar is en daarom zijn zer zo opgetogen over.
Getallen (en letters) eerst leren kennen vanuit de wezenskenmerken, is helemaal niet wereldvreemd of ‘klinkende onzin’.  Want wanneer je de kwaliteit van een ding, een wezen niet begrijpt, begrijp je van de kwaliteit nog minder. Iedere praktisch ingestelde koopman handelt zo, uit de aard der zaak iedere huisvrouw ook, ieder mens die iets kopen wil. Eerst kijkt hij naar de kwaliteit van de koopwaar. voordat hij over de kwantiteit, hoeveel ervan, beslist. Want niemand koopt graag een kat in de zak.
Moeten kinderen dan – zoals tegenwoordig algemeen gangbaar is – getallen, letters puur intellectualistisch abstract leren, wordt dan niet van het getal en de letters het levende, het wezenlijke, de kwaliteit onthouden; meestal hebben ze ook problemen met het begrijpen waarom het eigenlijk gaat. Ze dreunen weliswaar zuiver automatisch na, bijv. 1 + 1 = 2; 2 + 2 = 4 enz., maar dat zijn dan volledig oppervlakkige activiteiten, bloedeloze rekenoperaties die door eenvoudig uit het hoofd leren in het brein van de leerlingen vast komen te liggen. En hoeveel leerlingen kampen juist in de 1e klas al met grote begripsproblemen bij het eerste schrijven, lezen en rekenen.
We moeten steeds uitgaan van wat een kind begrijp! Wat zou er voor een kind groter kunnen zijn dan die ene  wereld waarin het leeft? Die omvat al het andere. Dat begrijpen de kinderen en vandaar dat ze wat ze geleerd hebben trots mee naar huis nemen.
Op deze manier worden ook de andere getallen langzaam aan de orde gesteld. De volwassene kan weten dat uit de eenheid van het paradijs, waarin slechts die  ene  mens Adam leeft, uiteindelijk het dualisme, het wezen van de tweeheid (de 2), het tegenover elkaar staan, ontstond. Adam en Eva, het aardse leven en het hiernamaals, man en vrouw, licht en donkerte, warmte en koud. hard en zacht, hoog en laag, goed en slecht enz. Tegengestelden die als paar steeds bij elkaar horen. ‘Waar licht is, is ook schaduw’. Het dualisme is de tweeheid die uit de eenheid ontstond. Er heeft een delingsactiviteit plaatsgevonden, twee verschillende kwaliteiten staan voor de eerste keer als tegengestelden tegenover elkaar, iets is gedifferentieerd, afgezonderd. Dat is het begin van een ontwikkeling waarin een eerste proce waarin het bewustzijn zich ontwikkelt. Het ervaren van het tegenovergestelde veroorzaakt een mogelijkheid iets te weten over hier en daar, ik en jij, waarbij echter wat nu een gescheiden eenheid is, één oorsprong heeft en in wezen bij elkaar hoort.
Ook in de (goddelijke) natuur komen wij overal kwaliteit tegen. Door de celdeling ontstaan uit één cel, de eenheid, twee cellen. Uit deze twee ontstaan door een nieuwe deling opnieuw twee cellen. Uit een bevruchte kiem wordt door onophoudelijke celdeling een nieuw wezen gevormd. Uit de eenheid (van de kiem) volgt de differentiatie in de veelvoud, zonder het karakter van de eenheid te verliezen. Uit een eikel komt een eikenboom.
Ook de oude, overgeleverde sprookjes en fabels schilderen altijd het kwalitatieve, het wezenlijke. De sprookjesmotieven hebben symbool(beeld)karakter. Zo bestaan er veel sprookjes met de koning. Voor het kind is deze in alle sprookjes een en hetzelfde koninklijke wezen, de heerser. Het intellect zou spitsvondig erop kunnen wijzen dat ieder sprookje zijn eigen, dus een andere koning heeft en verder nog opmerken, dat het maar om ‘sprookjes’verhalen gaat, die je niet seriwus hoeft te nemen. En wat vertellen de fabels? Er is bijv. de vos die de kwaliteit, de representant is van het listige, geslepene; de wolf symboliseert de hebzucht enz.
Voor kinderen die getallen – zoals het nu gewoonlijk gaat – kwantitatief leren kennen, dus 1 + 2 + 4 + 3 = 10 uitrekenen, kan er geen grootste getal zijn. Want de zakelijke logica zegt dat bij ieder getal, al is het nog zo groot, steeds nieuwe getallen bijgevoegd kunnen worden, zonder einde. Om toch een einde te hebben, is de uitweg ‘onvoorstelbaar’, ‘oneindig groot’ gevormd. Hoe groot een dergelijk getal kan zijn, gaat het voorstellingsvermogen te boven, je kunt het niet bevatten, is niet meer denkbaar.
Is dat niet ook zo met veel andere denkmodellen, ‘theorieën’ genoemd? Theorie is volgens Duden: …een bedachte, werkelijkheisvreemde voorstelling’. En toch wordt onze wetenschap en daarmee ons leven, door vele theorieën beheerst en gesteund. Je hoeft maar aan de atoomtheorie te denken – en de concrete gevolgen voor de mensheid – aan de relativiteitstheorie, de quantentheorie en andere denkmodellen. Zo werden ook de economie, het sociale leven, de politiek als ook het onderwijs door denkmodellen, door theorieën beheerst. Veel is gebaseerd, ondanks hoogst wetenschappelijke formuleringen, op hypothesen, op aannames, op onzekerheden. Is het daarom verwonderlijk wanneer steeds meer mensen tegenwoordig in hun levensgevoel zich onzeker, bedreigd en willoos voelen, zonder precies de oorzaken te kennen?
Nog een voorbeeld kan het onderwerp waarom het hier gaat, nog duidelijker maken. In het mainstreamonderwijs leren de kinderen, zoals al gezegd, volgens de methode: 6 + 6 = 12. Rekenkundig is de uitkomst helemaal goed. Wanneer je je bewust wordt van de rekenweg die je volgt, de manier waarop het bij het optellen gaat, moet je vaststellen dat de uitkomst, de 12, volkomen vastligt.
Wat speelt zich in de ziel van het kind af die op deze manier leert rekenen en optellen: 2 + 2 = 4;  2 + 3 = 5;  7 + 8 = 15;  20 + 20 = 40 enz.?
Rudolf Steiner wijst de leerkrachten erop  dat degene die zo rekent, van te voren al denken (de uitkomst) op de plaats van de werkelijkheid zet. Dat leidt tot eenzijdigheid.
Veel meer vrijlatend, bonter en levendiger is de door Rudolf Steiner aanbevolen manier van het eerste, aanvankelijke rekenen. Je geeft het kind bijv. 12 kastanjes. Die vormen de eenheid die in het echt voor het kind ligt, de werkelijkheid. Deze kastanjes kan het kind nu op alle mogelijke manieren verdelen en daarbij levendig en vrijlatend rekenen. 12 is bijv. 11 + 1  of  10 + 2  of  9  +  3  of  8  +  4  of  7  +  5  of  14 – 2  of  22 –  10 enz. Je legt de kinderen als je zo met getallen en uitkomsten bezigbent niet vast. Ook hebben ze er zoveel meer plezier in en roept in hen een heel andere levendigheid en geestelijke beweeglijkheid op. Maar dat is maar een deel. Een ander, veel belangrijker gezichtspunt is de aandacht waard. Leert een kind rekenen met de gewone methode 6  +  6  =  12, dan betekent dit concreet, dat het rekenende kind al meteen iets heeft, namelijk 6 en wanneer het er nu nog 6 bijkrijgt, heeft het er 12 in zijn bezit. Rudolf Steiner wijst erop dat de mensen zich niet moeten verbazen , wanneer deze manier van optellen – ik bezit en er komt meer bij – in het gevoel begeerte, egoïsme enz, oproept. De manier waarop in de vrijeschool wordt gerekend, ias daarom anders, zoals al aangegeven.
De leerling gaat uit van de realiteit, zijn hoopje eikels of kastanjes, die daadwerkelijk in zijn hand liggen. Die verdeelt het, geeft ze weg, het kind  geeft, maar het haalt niet naar zich toe. 12 is bijv. 3  +  3  +  6 enz. En zo heeft de manier van rekenen de mogelijkheid in zich dat de leerling (onbewust) de zielenhouding van het (onzelfzuchtige) geven oefent en wellicht tot gewoonte maakt.
Zo zijn de beide manieren van leren rekenen niet alleen uiterlijk twee volledig verschillende wegen, ze zijn het ook kwalitatief zeer. Leren de kinderen in hun eerste levensjaren, daar horen ook de eerste jaren op school bij, de wereld die hun omringt weznelijk, d.w.z. in haar kwalitatieve vorm te kennen en te begrijpen, dan zijn dat voor hen absolute zekerheden en waarheden; ze bevinden zich op een absluut zekere basis (van vertrouwen). Daar kunnen ze op bouwen. En deze levenshouding geeft hun levenszekerheid!
Het rekenen, zoals het in de eerste klas van de vrijeschool begonnen wordt, was maar een voorbeeld van een fundamentele, levenspraktische methode die niet alleen naar het kind kijkt, maar naar de hele mens.
Wat voor een buitengewoon diepingrijpende uitwerkingen onderwijsmethoden kunnen hebben die voor de mens wezenlijk zijn, zoals bijv. de theoretisch uitgedachte rekenpraktijk voor volwassenen en hoe die op de opgroeiende zielen van invloed zijn, sprak Rudolf Steiner in alle duidelijkheid in een voordracht die hij in Oxford hield op 21-08-1922 [1]:
‘Al vroeg bezit het kind aanleg voor de eerste beginselen van de rekenkunst. Maar juist bij de rekenkunst kan men zien, hoe het kind maar al te gemakkelijk te vroeg geconfronteerd wordt met een intellectualistisch element.(….) Maar toch is het juist heel belangrijk dat het kind het rekenonderwijs op de juiste wijze krijgt aangeboden. In de grond van de zaak kan dat alleen beoordeeld worden door wie vanuit een zekere geestelijke grondslag het volledige menselijke leven kan overzien.
(….) Maar voor wie niet slechts de logica laat gelden doch vanuit de volheid van het leven de dingen beziet, ligt de zaak anders. Een kind dat op de juiste wijze met het rekenen in aanraking is gebracht zal op latere leeftijd een heel ander moreel verantwoordelijkheidsgevoel bezitten, dan een kind dat niet op de juiste wijze met het rekenen heeft kennisgemaakt.
Het volgende zal u wellicht uiterst paradoxaal in de oren klinken, maar daar ik over de werkelijkheid spreek, en niet over hetgeen ons tijdperk zich verbeeldt, wil ik, daar de waarheid in onze tijd vaak paradoxaal lijkt, voor dergelijke paradoxen ook niet terugschrikken. Wanneer wij namelijk als mens de kunst verstaan hadden de menselijke ziel in de afgelopen decennia op de juiste manier in het rekenonderwijs zich te laten verdiepen dan was er nu geen Bolsjewisme geweest in Oost-Europa.”
GA 305/110
vertaald

Hans Harres, Erziehungskunst 50-7/8-1986

.

Rudolf Steiner over: van geheel naar de delen i.v.m. rekenen: GA 301 voordracht 10

Rekenen 1e klas: alle artikelen

Rekenen: alle artikelen

1328-1241

.

.

VRIJESCHOOL – Schrijven (8-2)

.

Bij het aanleren van het schrijven heb ik ‘mijn’ kinderen de eerste jaren nooit tussen lijntjes laten schrijven. Op het papier zonder lijnen leerden ze steeds meer om de letters even groot te schrijven, a.h.w. met het gevoel ‘van binnenuit’, niet van buitenaf gedwongen met een nog niet daarvoor geschikte motoriek.
Zonder uitzondering leerden de kinderen netjes schrijven.

Ter introductie stond er jaren geleden in het Onderwijsblad dit artikel:

Nieuwe* methode laat schrijven tussen lijnen los

Schrijven en motoriek als ritssluiting in elkaar

Jos Bruschke en Ton Baan hebben een nieuwe schrijfmethode ontwikkeld, waarbij sprake is van volledige integratie van motoriek en schrijven. De kinderen hoeven bij Novoskript in groep 3 niet tussen lijnen te schrijven. “Want daar beginnen de schrijfproblemen”, zegt Bruschke. “Je ziet die kinderhandjes verwrongen en wel een poging doen tussen de lijntjes te schrijven.”

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de potloodgreep of pincet-greep bij kinderen pas uitontwikkeld is tussen groep 5 en 7. De combinatie van motoriek en schrijven maakt het leren schrijven gecompliceerd. “Hoe kan het nou dat kinderen dat zo moeilijk vinden?”, zegt Ton Baan, die samen met Jos Bruschke een duobaan heeft* aan de Haarlemse Montessorischool. “Is het achterstand? Is het kind niet rijp genoeg? Je werkt als leerkracht toch met een methodiek waarvan je denkt dat die aansluit op het kind. Doordat de leerkracht te hoge verwachtingen heeft en de taak te zwaar is voor het kind, creëer je een valkuil zonder dat leerkracht en leerling weten wat er gebeurt.” Uit onderzoek blijkt dat een op de drie kinderen in het basisonderwijs schrijfproblemen heeft als gevolg van een verkeerde schrijfdidactiek.

Baan is gespecialiseerd in psychomotoriek en Bruschke weet veel van schrijfdidactiek. Sinds 1991 zijn ze collega’s. Uit onvrede met de bestaande schrijfmethoden hebben ze in 1998 de basis gelegd voor Novoskript. Bruschke: “In schrijven zitten een aantal heilige koeien: tussen de lijntjes schrijven, met een vulpen schrijven en als je een bepaald aantal bladzijden hebt geschreven kun je schrijven.” Met de nieuwe schrijfmethode worden er wat van die heilige koeien onderuitgehaald.

Baan heeft jarenlang nascholingscursussen psychomotoriek gegeven. “Dat is een belangrijke inspiratiebron geweest voor de nieuwe schrijfmethode. Ik heb minstens duizend leerkrachten gezien die vinden dat de methode die ze gebruiken niet deugt.” Eerst zijn Bruschke en Baan in de praktijk gaan uitvinden hoe het anders moet, later hebben ze daadwerkelijk een schrijfmethode gemaakt. “Na vijf jaar, toen Novoskript af was, zeiden we tegen elkaar: Dit is wat we zochten en recht doet aan de kinderen. Schrijven en motoriek schuiven als een ritssluiting in elkaar”, zegt Bruschke. Leerkrachten zien dagelijks dat het ene kind zich anders kan ontwikkelen dan een andere. Maar in groep 3 leert elk kind volgens een bepaalde methode op dezelfde manier schrijven. Leerkrachten in de bovenbouw klagen dat het handschrift van de kinderen achteruitgaat. Het doel van het schrijfschriftje is niet duidelijk, daarom raken kinderen in de bovenbouw gedemotiveerd. “Jaar na jaar schrijven kinderen na wat hen voorgeschoteld wordt”, vertelt Baan. “Het eindeloos herhalen is de laagste garantie voor betere leerresultaten, blijkt ook uit onderzoeken. Dat boort de creativiteit en de inspiratie van de leerlingen niet aan. Maar als kinderen de kans krijgen, maken ze heel creatieve dingen. Ze gaan met Novoskript ook eigen schrijfoefeningen verzinnen.”

Spelletje
De door de leerkrachten ontwikkelde schrijfmethode onderscheidt zich op een aantal punten van traditionele schrijfmethoden. Centraal staat volledige integratie van motoriek en schrijven. “Het is niet zo dat andere methoden niets aan de motorische ontwikkelingen doen”, vertelt Bruschke. “Ze doen wel eens een motorisch spelletje. Maar dat zit niet structureel door het hele leerproces heen.”

De meeste schrijfmethoden zijn voor een paar leerjaren, in Novoskript zitten oefeningen voor groep 1 tot en met 8. De methode bestaat uit dertien onderdelen, de eerste zes hebben te maken met het stimuleren van de motoriek. Baan:
‘In de methode zitten minder schrijfoefeningen dan in traditionele methoden, maar wel allerlei andere zaken waardoor de leerlingen beter leren schrijven.” De opdrachten variëren van het doen van evenwichtsoefeningen tot en met het maken van tekeningen. “Als kinderen dit doen hebben ze niet door dat ze met schrijven bezig zijn”, weet Bruschke.

Als bij een kind in groep 7 een bepaald probleem met schrijven opdoemt, kan ook weer worden teruggegrepen naar deze oefeningen. Veel oudere kinderen willen experimenteren met verschillende handschriften. Bruschke: “Bied ze iets aan waar ze wat aan hebben. Als je de leerlingen van groep 6, 7 en 8 kunt prikkelen, gaan ze het schrijven heel leuk vinden.” In de methode zitten oefeningen om basale schrijfvaardigheden op een creatieve manier te leren. De leerlingen maken bijvoorbeeld in drukletters een schilderij. “Een appèl doen op wat kinderen kunnen, daar bereik je wat mee.”

De manier waarop het schrijven wordt geleerd is anders. Bestaande schrijfmethoden dwingen kinderen vaak te vroeg om alleen met hun linker- of rechterhand teIk hun linker- of rechterhand te werken. Bij de nieuwe
schrijfmethode worden veel motorische oefeningen eerst gedaan met de ene hand, dan met de andere hand en vervolgens met beide handen. En er wordt gewerkt met het stoplicht-principe. Groene, oranje en rode stippen op de letters en cijfers die het begin, rust en eind aangeven, vormen belangrijke oriëntatiepunten tijdens het leren. In combinatie met pijltjes die de bewegingsrichting aangeven, leren kinderen zelf de basiskennis van het schrijven beheersen. De methode gaat ervan uit dat de kinderen achttien verbindingen moeten beheersen om aan elkaar te kunnen schrijven. Daar zit een aantal lastige verbindingen tussen. “Als de leerling te veel bijbewegingen maakt, is hij nog niet toe aan die lastige verbindingen. Daarom beginnen de kinderen eerst aan natuurlijke verbindingen, waarbij alleen bewegingen naar rechts
worden gemaakt. Als je als leerkracht weet waar je op moet letten, weet je aan welke oefeningen je die leerling moet zetten. Deze werkwijze is heel goed voor het ontwikkelen van het zelfvertrouwen van het kind. Er wordt van het kind gevraagd te doen wat het kan. Belangrijk doel dat wij voor ogen hebben met de methode is dat het kind een goed leesbaar, soepel handschrift krijgt en geen gêne heeft om te schrijven.”
Novoskript wordt* door zo’n zestig basisscholen gebruikt. Zowel door scholen die klassikaal werken als door vernieuwingsscholen. Het is niet gelukt om de methode via een bestaande uitgeverij op de markt te brengen.** Baan: “Deze methode is niet interessant voor hen. Als je geen voorgedrukte schrijfschriften kunt verkopen, en die worden bij onze methode niet gebruikt, is het markttechnisch niet interessant.”

Tineke Snel in het Onderwijsblad *09-03-2002

**Hier is meer te vinden over deze methode

Lezers van deze blog zullen kunnen constateren dat de belangrijkste elementen van bovengenoemde methode al sinds de oprichting van de vrijeschool in 1919 een vast deel uitmaken van het schrijfonderwijs.

schrijven: alle artikelen

voor de motoriek

VRIJESCHOOL  in beeld: schrijven – letterbeelden

1327-1240

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 10

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [11]  [12]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

10e voordracht Bazel, 5 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding:
synthetische en analytische activiteit van de ziel
analyse heeft vrijheid tot gevolg, synthese dwingt
bij het schrijven uitgaan van het hele woord
atomisme door te weinig analytische activiteit in kinderleeftijd
analyseren -wakker worden, synthetiseren -inslapen
optellen en vermenigvuldigen
muziekles: alleen natuurlijke, geen kunstmatige methoden
noodzaak van vergeestelijking van het spreken
bestrijden van frase
levendige grammatica.

blz. 152

Synthese und Analyse im Menschenwesen und in der Erziehung

Sie werden gesehen haben, wie Geisteswissenschaft gerade darauf hinarbeitet, allen Unterrichtsstoff zu gleicher Zeit als Erziehungsmittel zu verwenden. Der Unterrichtsstoff wird seiner wissenschaftlichen Form entkleidet und so an das Kind herangebracht, daß aus diesem überall, ich möchte sagen, die auf die Entwickelung bereitenden Kräfte herausgeholt werden. Nun muß man, wenn man praktisch gerade in dieser Weise das, was wir als Unterrichtsstoff haben, fruchtbar machen will, darauf sehen, wie die Seelentätigkeit des Menschen, des Kindes vor allen Dingen, eigentlich verläuft. Wir haben, wenn wir auf die Seelentätigkeit des Menschen blicken, auf zweierlei zu schauen, erstens auf etwas, was im Menschen gewissermaßen hintendiert nach dem Ana­lysieren, möchte ich sagen, und etwas, was hintendiert nach dem Bilden von Synthesen. 

Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding

U zal hebben gezien hoe geesteswetenschap er nu juist naar toewerkt alle lesstof tegelijkertijd te gebruiken als opvoedkundig middel. De lesstof wordt ontdaan van zijn wetenschappelijke vorm en zo aan het kind aangeboden dat de krachten die op ieder gebied op ontwikkeling wachten, uit hem naar boven gehaald kunnen worden. Nu moet je, wil je op deze manier, wat wij als onderwijsstof hebben, praktisch vruchtbaar maken, ernaar kijken hoe de activiteit van de mensenziel, vooral die van het kind, eigenlijk verloopt. We moeten, als we naar de zielenactivieteit van de mens kijken, naar twee dingen kijken, ten eerste naar iets wat in de mens op een bepaalde manier neigt naar analyseren en iets wat neigt naar het vormen van een synthese.

Worinnen das Wesen der Analyse und der Synthese be­steht, das weiß ja jeder aus der Logik oder auch aus der Psychologie. Aber es handelt sich nunmehr darum, diese Dinge nicht in der abstrak­ten Form bloß festzuhalten, in der sie gewöhnlich aufgefaßt werden, sondern sie lebensvoll ins Auge zu fassen. Analyse – wir können sie uns vergegenwärtigen dadurch, daß wir etwa sagen: Nun, wenn wir die Zahl 10 haben, 10 Dinge haben, so können wir uns diese 10 Dinge auch so vorstellen, daß wir uns 3 und 5 und 2 vorstellen und dazu die Vor­stellung fügen: die 10 kann zertrennt, eben analysiert werden in 3 und 5 und 2.
Mit einer Synthese haben wir es zu tun, wenn man das Umgekehrte machen kann, wenn wir eben einfach addieren, wenn wir 3 und 5 und 2 addieren. Wie gesagt, wenn es so verobjektiviert, getrennt von uns ist, das Analysieren und das Synthetisieren, dann kennt man es ja. Aber wenn wir das menschliche Seelenleben lebendig erfassen, so fin­den wir, daß unsere Seele fortwährend in einem analytischen Prozesse ist, der immer wiederum hinweist auf einen Trieb, synthetische Prozesse

Waaruit het wezenlijke van de analyse en de synthese bestaat, weet ieder uit de logica of ook uit de psychologie. Nu gaat het er meer om aan deze dingen niet alleen in de abstracte vorm vast te houden waarop ze gewoonlijk opgevat worden, maar ze levensecht te bekijken. Analyse – die kunnen we duidelijk maken door te zeggen: wanneer we het getal 10 hebben, 10 dingen hebben, dan kunnen we ons deze 10 dingen ook zo voorstellen, dat we ons 3 en 5 en 2 voorstellen en daar de voorstelling aan toevoegen: de 10 kan verdeeld, dus geanalyseerd worden in 3 en 5 en 2.
Met een synthese hebben we van doen, wanneer je het omgekeerde kan doen, wanneer we eenvoudigweg optellen, wanneer we 3 en 5 en 2 optellen. Zoals gezegd, wanneer het analyseren en het synthetiseren zo van ons geobjectiveerd, losgemaakt is van ons, dan kennen we het wel.
Maar wanneer we het zielenleven van de mens levendig begrijpen, dan vinden we dat onze ziel voortdurend in een analytisch proces zit, dat anderzijds steeds een drang laat zien te willen synthetiseren.

blz. 153

zu bilden. Synthetische Prozesse bilden wir ja fortwährend, in­dem wir zum Beispiel einzelne Individuen einer tierischen Art auf­fassen und uns von ihnen einen gemeinsamen Begriff, den Artbegriff bilden. Da fassen wir zusammen, da synthetisieren wir. Das Analy­sieren, das liegt, ich möchte sagen, viel tiefer. Es liegt fast im Un­bewußten der menschlichen Seelentätigkeit. Es ist immer ein Trieb vorhanden in der Seele, aus einer Einheit in eine Geteiltheit über­zugehen. Gerade weil man das so wenig berücksichtigt, hat man auch so wenig begriffen von dem, was eigentlich die menschliche Freiheit in der Seele darstellt. Wenn die menschliche Seelentätigkeit ausschließlich eine synthetische wäre, oder besser gesagt, wenn der Mensch mit der Außenwelt so im Zusammenhang stünde, daß er nur synthetisieren, Artbegriffe, Gattungsbegriffe bilden könnte und auch das Leben so einrichten würde, daß er es möglichst nach Begriffen einzuteilen trach­ten würde, was ja eine Haupttätigkeit des Menschen ist, dann könnte der Mensch eigentlich kaum von Freiheit sprechen. Denn wie wir da verfahren, das schreibt uns eigentlich die äußere Natur gewöhnlich vor.

We gaan voortdurend synthetisch te werk, wanneer we bijv. een paar aparte exemplaren van een dierensoort bekijken en ons van hen een gemeenschappelijk begrip, het soortbegrip vormen. Dan vatten we samen, dan synthetiseren we. Het analyseren ligt veel dieper. Dat ligt bijna in het onbewuste van de menselijke zielenactiviteit. In de ziel is altijd de drang aanwezig om vanuit een eenheid naar de delen te gaan. Juist omdat men dat zo weinig in ogenschouw neemt, heeft men ook zo weinig begrepen van wat eigenlijk vrijheid in de mensenziel betekent. Wanneer de menselijke zielenactiviteit uitsluitend het maken van syntheses zou zijn, of beter gezegd, wanneer de mens met de buitenwereld zo samen zou hangen, dat hij alleen maar zou kunnen synthetiseren, soortbegrip of klassebegrip zou kunnen vormen en ook het leven zo zou organiseren dat hij het zo mogelijk naar begrippen zou proberen in te richten, wat een belangrijke activiteit van de mens is, [het Duits heeft ‘Haupttätigkeit dat ook ‘activiteit van het hoofd zou kunnen betekenen] dan zou hij nauwelijks van vrijheid kunnen spreken. Want zoals we daar te werk gaan, schrijft ons als regel eigenlijk de uiterlijke natuur voor.

Dagegen liegt allem unserem Tun seelisch eine analytische Tätigkeit zugrunde, und die analytische Tätigkeit bewirkt es, daß wir schon im reinen Vorstellungsleben Freiheit entwickeln können. Wenn ich 2 und 5 und 3 zu addieren habe, die Summe zu bilden habe, da steht mir nichts frei. Da liegt eine Gesetzmäßigkeit zugrunde, wie viel 2 und 5 und 3 ist. Wenn ich aber 10 habe, so kann ich diese 10 darstellen in 9+1, 5+5, ich kann diese 10 darstellen in 3+5+2 und so weiter. Beim Analysieren bin ich in einer völlig freien inneren Tätigkeit. Beim Syn­thetisieren bin ich durch die Außenwelt genötigt, in einer bestimmten Weise Seelenleben zu entfalten. Wann analysieren wir denn im prak­tischen Leben? Wir analysieren im praktischen Leben, wenn wir uns auf einen gewissen Standpunkt zum Beispiel stellen und uns sagen:
Wir wollen von einem gewissen Gesichtspunkte aus das oder jenes be­trachten. Da zerlegen wir dasjenige, was wir über ein Ding wissen, in 2 Teile. Wir analysieren, sondern alles andere ab, und stellen uns auf einen gewissen Standpunkt. Ich will sagen: Ich betrachte einmal das frühe Aufstehen, abgesehen von allem übrigen, rein von dem Gesichts­punkte der – na, größeren Geneigtheit, eben frühe Morgenarbeit zu verrichten. Ich könnte auch unter einem anderen Gesichtspunkte dieses Aufstehen betrachten. Ich werde vielleicht so weit dann analysieren können, daß ich einen, den zweiten, den dritten Gesichtspunkt habe.

Aan alles wat doen ligt daarentegen, wat de ziel betreft, een analytische activiteit ten grondslag en de analytische activiteit maakt dat we in het zuivere voorstellingsleven al vrijheid kunnen ontwikkelen. Wanneer ik 2 en 5 en 3 op moet tellen, de totaalsom moet geven, ben ik in niets vrij. Daar geldt de wetmatigheid voor wat 2 en 5 en 3 samen is. Wanneer ik 10 heb, kan ik deze 10 weergeven als 9 + 1, 5+5, ik kan deze 10 weergeven als 3 + 5 + 2 enz. Bij het analyseren ben ik innerlijk volledig vrij bezig. Bij het synthetiseren ben ik door de buitenwereld verplicht op een bepaalde manier mijn zielenleven te ontplooien. Wanneer analyseren we dan in het echte leven? Wanneer we ons bijv. op een bepaald standpunt stellen en zeggen: vanuit een bepaald standpunt willen we dit of dat eens bekijken. Dan leggen we wat we over iets weten kunnen in 2 delen uit elkaar. We analyseren, zonderen al het andere af en nemen een bepaald standpunt in. Ik kijk eens naar vroeg opstaan, afgezien van al het andere, puur vanuit het gezichtspunt van, nou ja, de grotere welwillendheid zelfs ’s morgens vroeg te werken. Ik zou natuurlijk ook vanuit een ander gezichtspunt naar dit opstaan kunnen kijken. Ik zou misschien zover met analyseren kunnen gaan, dat ik een tweede, derde gezichtspunt zou hebben.

blz. 154

In dieser analytischen Seelentätigkeit bin ich in einer gewissen Beziehung frei. Und weil wir überall analytische Seelentätigkeit eigentlich fort­während mehr oder weniger im Unbewußten entwickeln, sind wir freie Menschenwesen, und niemand wird über die Schwierigkeit des Frei­heitsproblems leicht hinwegkommen, der nicht weiß, wie der Mensch für analysierende Tätigkeit veranlagt ist.
Nun aber gerade diese analysierende Tätigkeit, die berücksichtigen wir im Unterricht und Erziehungswesen gewöhnlich viel zu wenig. Wir verlegen uns darauf, daß ja die Außenwelt von dem Menschen verlangt eine synthetisierende Tätigkeit, und das hat, ich möchte sagen, aus einem gewissen pädagogischen Instinkt heraus, der aber einseitig ist, dazu geführt, hauptsächlich das Synthetisieren zu berücksichtigen, nicht so sehr das Analysieren. Das hat praktisch eine große Bedeutung. Denn sehen Sie, gerade wenn man das entfalten will, worauf ich zum Beispiel gestern aufmerksam gemacht habe, auszugehen in der Sprachlehre von dem Dialekt, da zeigt es sich, wie man notwendig hat, zu analysieren. Das Kind hat Fertiges im Dialekt, das es uns bringt. Indem wir das Kind Sätze sprechen lassen, müssen wir aus dem Fertigen mit dem Kinde die Sätze dann analysieren, um aus den Sätzen heraus die Ge­setzmäßigkeit der Sprachbildung zu entwickeln.

In deze analytische zielenactiviteit ben ik in zekere zin vrij. En omdat we overal eigenlijk voortdurend min of meer in het onbewuste analytische zielenactiviteit ontwikkelen, zijn we vrije mensenwezens en niemand zal makkelijk uit de moeilijkheid van het vrijheidsprobleem komen die niet weet hoe de mens een aanleg heeft voor analyseren.
Met name deze analyserende activiteit bekijken we voor het onderwijs en de opvoeding gewoonlijk veel te weinig. We leggen ons er meer op toe dat de buitenwereld van de mens een synthetiserende activiteit vraagt en dat heeft vanuit een bepaald pedagogisch instinct, dat echter eenzijdig is, ertoe geleid hoofdzakelijk naar het synthetisren te kijken en niet zo zeer naar het analyseren. Dat is praktisch van grote betekenis. Want ziet u, juist als je ontwikkelen wil waarop ik gisteren gewezen heb, bij het aanleren van taal uit te gaan van het dialect, blijkt, hoe nodig het is te analyseren. Het kind heeft in het dialect iets wat af is en dat neemt het mee. Wanneer we het kind zinnen laten spreken, moeten we uit wat af is, met het kind de zinnen analyseren om uit de zinnen de wetmatigheden van de taalvorming te ontwikkelen.

Wir müssen analysie­ren. Aber wir können die analytische Tätigkeit im Unterricht noch viel weiter ausbauen, viel weiter treiben. Ich mache Sie da vielleicht auf etwas aufmerksam, was Ihnen ja in der oder in jener Form bereits hin­länglich entgegengetreten ist. Sie werden aber sehen, daß wir gerade von diesem Gesichtspunkte aus die Sache weiter ausbauen müssen. Es handelt sich darum, daß man auch zum Beispiel bei dem Erklären der Buchstaben nicht in erster Linie von einer synthetischen Betätigung, sondern von einer analytischen Betatigung ausgeht. Sagen wir zum Beispiel, ich lasse das Kind ein Wort sprechen, das Wort Fisch, und dann schreibe ich ihm einfach auf die Tafel hin – indem ich darauf zähle, daß ich mit ihm, so wie ich es geschildert habe, Zeichnen getrie­ben habe -, ich schreibe ihm, bevor es irgend etwas von einem Buch­staben weiß, das Wort Fisch hin. Ich versuche sogar, dieses ganze Wort­bild, ohne daß ich es in Buchstaben zunächst gliedere, einzuprägen. Ich versuche sogar, das Kind, nachdem es lange genug eben das Zeichnen getrieben hat, so wie ich es auseinandergesetzt habe, das Wort nach-bilden zu lassen, ohne daß es zunächst eine Ahnung hat davon, daß da ein F-I-SCH drinnen ist. Einfach dasjenige, was ich auf der Tafel habe,

We moeten analyseren. Maar we kunnen de analytische activiteit in het onderwijs nog veel verder uitbouwen – veel verder in praktijk brengen. Ik maak u misschien op iets attent wat u in de een of andere vorm al onlangs bent tegengekomen. U zult echter zien dat we juist vanuit dit standpunt de zaak nog verder moeten uitbouwen. Het gaat erom dat je ook bijv. bij de uitleg van letters niet in de eerste plaats van de synthese uitgaat, maar van de analyse.We laten het kind een woord uitspreken, bijv. ‘vis’ en ik schrijf dat gewoon op het bord – door erop te vertrouwen dat ik met hem getekend heb, zoals ik geschetst heb – ik schrijf – nog voor het iets van letters weet, voor hem het woord ‘vis’op. Ik probeer zelfs dit hele woordbeeld, nog vóór ik het woord al in letters zou verdelen, hem in te prenten. Ik probeer zelfs het kind, nadat het lang genoeg getekend heeft, zoals ik uiteengezet heb, dit woord te laten namaken, zonder dat het er in het begin een notie van heeft dat daar ‘V-I-S’; staat. Simpelweg wat ik op het bord heb staan,

blz. 155

das soll das Kind nachahmen. Und bevor ich zu den Buchstaben über­gehe, versuche ich sogar öfter, das Kind fertige Worte nachmalen zu lassen. Und dann versuche ich die Analyse. Dann versuche ich, das Kind aufmerksam darauf zu machen, wie es das Wort beginnt: F, analysiere das F heraus, analysiere dann das I heraus und so weiter. Also es ist etwas, was einfach der menschlichen Natur entgegenkommt, daß man nicht von den Buchstaben ausgeht, sie synthetisch zusammen­setzt ,zu Worten, sondern daß man vom ganzen Worte ausgeht und analysierend zu den Buchstaben geht.
Sehen Sie, das muß auch berücksichtigt werden gerade vom Gesichts­punkte der Entwickelung der menschlichen Seelenwesenheit in Vor­bereitüng für das spätere menschliche Alter. Denn Sie wissen ja alle, wir leiden heute eigentlich – vielleicht nehmen Sie mir das Wort »lei­den» übel, aber ich muß es so empfinden -, wir leiden heute unter der materialistischen Weltanschauung. Diese Weltanschauung besteht nicht nur darin, daß man gewissermaßen nur das Materielle gelten läßt, son­dern sie besteht ja darin, daß man die ganze Welt auf atomistische Tätigkeit zurückführt.

moet het kind nadoen. En voor ik tot de letters overga, probeer ik ook vaker, het kind gehele woorden na te laten tekenen. En dan ga ik analyseren. Dan probeer ik het kind er attent op te maken dat het woord met V begint, ik analyseer de V, de I, en de S. Dit is eenvoudigweg iets wat bij de natuur van de mens hoort: dat je niet van de letters uitgaat die je bij elkaar zet – synthese – als woord, maar dat je van het hele woord uitgaat en dan verdelend – analyse – naar de letters gaat.
Daar moet je juist vanuit het gezichtspunt van de ontwikkeling van de menselijke ziel in de voorbereiding voor de latere leeftijd, op letten. Want u weet allemaal, dat we tegenwoordig lijden – misschien neemt u me het woord ‘lijden’ kwalijk, maar ik moet dat zo ervaren – we lijden tegenwoordig onder de materialistische wereldbeschouwing. Deze bestaat er niet alleen in dat men in zekere zin slechts uitgaat van de materie, maar dat men de hele wereld terugleidt tot een atomistische activiteit.

Dabei kommt es nicht darauf an, ob man sich diese Atome so denkt, wie man sie sich noch in den achtziger Jahren des 19. Jahrhunderts gedacht hat, also kleine elastische Körperchen von einer unbekannten Materialität, oder ob man sie wie heute als elek­trische Kraftentwicklung, elektrische Kraftzentren denkt. Es kommt einfach darauf an, daß man im Materialismus schon das Materielle, dies wird dann auch auf die Werkzeuge des Geistig-Seelischen über­tragen, als aus kleinsten Teilen zusammengesetzt und abhängig von dieser Tätigkeit der kleinsten Teile denkt. Das ist ja heute schon so weit gekommen, daß man sich gar nicht mehr bewußt ist, daß man es da mit Hypothesen zu tun hat, sondern die meisten Menschen glauben, das sei ein sicheres wissenschaftliches Resultat, daß Atome den Erschei­nungen der Außenwelt zugrunde liegen. Woher ist es gekommen, daß in unserem Zeitalter die Menschen, ich möchte sagen, die Neigung entwickelt haben für die Atomistik? Es ist daher gekommen, daß man in unserem Zeitalter mit den Kindern zu wenig analytische Tätigkeit entwickelt hat. Würde man mit den Kindern jene analysierende Tätig­keit entwickeln, die vom fertigen einheitlichen Wortbilde ausgeht und zu den Buchstaben hin analysiert, dann würde das Kind in dem Alter, wo es darnach begehrt, den Drang nach Analyse betätigen, und der bliebe nicht für die spätere Betätigung des Ausdenkens von Atomstruktur

Daarbij komt het er niet op aan of men zo over de atomen denkt als men nog deed in de jaren tachtig van de 19e eeuw, dus kleine elastische lichaampjes van een onbekende materie, of zoals men er tegenwoordig over denkt, als elektrische krachtontwikkeling, elektrische krachtcentra. Het komt er slechts op aan dat men in het materialisme de materie, dit geldt dan ook voor het werktuig van ziel en geest, als uit de kleinste deeltjes samengesteld en afhankelijk van de activiteit van de kleinste deeltjes denkt. Dat is tegenwoordig al zover gegaan, dat men zich helemaal niet meer bewust is, dat men met hypothesen te maken heeft, maar de meeste mensen geloven dat het een bepaald wetenschappelijke uitkomst is, dat de atomen ten grondslag liggen aan wat als buitenwereld verschijnt. Waar is dat vandaan gekomen, dat in onze tijd de mensen de hang ontwikkeld hebben naar de atomistiek? Dat is gekomen doordat men in onze tijd de kinderen te weinig analytische activiteiten heeft laten uitvoeren. Zou men met de kinderen die analytische activiteit ontplooien die vanuit een kant-en-klaar woordbeeld uitgaat en de letters analyseert, dan zou het kind op de leeftijd waarop het dat graag doet, de drang om te analyseren uitleven en die zou dan niet voor de latere activiteit bij het uitdenken van

blz. 156

und so weiter. Es ist einfach die Unbefriedigtheit des analy­tischen Triebes, der unseren Materialismus so fördert. Würden wir in der Tat den analytischen Trieb in der Weise befriedigen, wie ich es hier angedeutet habe, durch die Analyse des ganzen Wortbildes in Buch­staben, dann würde man durchaus die Menschen ablenken von den Sympathien für die materialistische Weltanschauung.
Daher unterrichten wir in der Waldorfschule auch durchaus so, daß wir nicht von den Buchstaben ausgehen und synthetisieren, sondern daß wir vom fertigen Satz zunächst ausgehen, aus dem Satze die Worte heraus analysieren, die Worte dann wiederum nehmen, aus den Worten die Buchstaben analysieren, für die Buchstaben dann die Laute haben. Auf diesem Wege kommen wir eigentlich zu einer richtigen Ver­innerlichung. Denn dasjenige, was Satz, Wort ist, das bringt das Kind mit. Dasjenige, was uns dann dienen soll, um das Bewußtsein zum Er­wachen zu bringen, das vollziehen wir dadurch, daß wir Sätze und Worte analysieren.

atoomstructuren en zo overgebleven zijn. Het is simpelweg de niet tevredengestelde hang naar analyse die ons materialisme zo gestimuleerd heeft. Zouden we inderdaad de analytische drang op die manier tevredengesteld hebben waarop ik die hier aangegeven heb, door de analyse van het hele woordbeeld in letters, dan zou de mens de sympathie voor de materialistische wereldbeschouwing niet gekregen hebben.
Vandaar de we op de vrijeschool zo lesgeven, dat we niet van de letters uitgaan en synthetisren, maar dat we van een kant-en-klare zin uitgaan, uit de zin de woorden analyseren, dan de woorden weer nemen, uit de woorden de letters analyseren en voor de letters hebben we dan de klanken. Langs deze weg komen we eigenlijk tot het juiste verinnerlijken. Wat een zin, een woord is, brengt het kind mee. Wat ons dan moet helpen om het bewustzijn te wekken, voltrekt zich als we zinnen en woorden analyseren.

Wenn man das Kind so nimmt, wie es Dialekt spricht, dann hat man es ja ohnehin nicht nötig, von einem Gegensatz auszugehen; denn das Kind bringt ja, viel mehr als man denkt, die Einheit von Sätzen mit sich. Dies wirkt zugleich so, daß in der Tat der Mensch, der so als Kind erzogen wird, daß wir seinem analytischen Hang entgegenkom­men, eine größere Seelenwachheit entwickelt, als es in der Regel bei unserer heutigen Bevölkerung der Fall ist. Mit Bezug auf die Seelen­wachheit haben wir gerade ungeheuer viel durch die Erziehung gesün­digt. Man kann sagen: wahrhaftig, wir schlafen nicht bloß vom Ein­schlafen bis zum Aufwachen und wachen bloß vom Aufwachen bis zum Einschlafen, sondern, wenn auch in minderem Grade, in minderer In­tensität, wechseln in uns in unserem Tagesleben fortwährend Wach­tätigkeit, Schlaftätigkeit. Ja, sogar jedesmal, wenn wir einatmen und ausatmen, ist in diesem Ein- und Ausatmen zu gleicher Zeit eine Erhel­lung und eine Verdunkelung, wenn auch das nicht bemerkt wird; er­stens, weil es schnell vor sich geht, zweitens aber, weil die Verdunke­lung gegenüber der Erhellung sehr schwach ist; also Schnelligkeit des Vorübergehens und geringe Andeutungen in der Intensität machen, daß es nicht bemerkt wird. Aber in der Tat ist es so, daß wir jedesmal beim Einatmen in einer gewissen Weise einschlafen, beim Ausatmen in einer gewissen Weise aufwachen. Und wir dürfen daher sagen, daß sogar in dieser Beziehung Wachen und Schlafen fortwährend in uns abwechseln.

Wanneer je het kind neemt zoals het dialect spreekt, heb je het zondermeer niet nodig van iets omgekeerds uit te gaan; want het kind brengt veel meer dan je denkt, de zinnen als totaliteit mee. Dat werkt tegelijkertijd zo dat inderdaad de mens die zo als kind wordt opgevoed dat wij zijn hang naar analyseren ruimte geven, een grotere wakkerheid in de ziel ontwikkelt, als in de regel bij onze huidige bevolking het geval is. Met het oog op die zielenwakkerheid hebben wij juist door de opvoeding vreselijk gezondigd. Je kan zeggen, maar we slapen toch niet alleen maar vanaf het in slaap vallen tot we wakker worden en we zijn toch niet alleen maar wakker vanaf het wakker worden tot we inslapen, maar, ook al is het in mindere mate, minder intensief,  overdag wisselt ons wakker-zijn en ons slaperig-zijn elkaar af. Ja, zelfs iedere keer als we in- en uitademen, is dit tegelijkertijd een lichter worden en een donkerder worden, ook al merken we dat niet; ten eerste omdat het snel verloopt, ten tweede echter omdat dit oplichten t.o.v. het donkerder worden zeer zwak is; dus de snelheid waarmee het gaat en de zwakte in de intensiteit maken, dat we het niet merken. Maar het is inderdaad zo dat we iedere keer bij het inademen op een bepaalde manier inslapen, bij het uitademen op een bepaalde manier wakker worden. Vandaar dat we mogen zeggen, dat zelfs in dit opzicht in ons, wakker worden en inslapen elkaar voortdurend afwisselen.

blz. 157

Aber auch in seelischer Beziehung wechselt das ab. Der Mensch ist mit Bezug auf diese oder jene Erfahrungen mehr oder weniger wach.
Nun können wir ganz gesetzmäßig sagen: Jedesmal in der analy­tischen Tätigkeit wachen wir auf, jedesmal in der synthetischen Tätig­keit schlafen wir ein. Das ist etwas, was natürlich nicht so aufgefaßt werden darf, daß nun Schlafen und Wachen genommen werden sollen wie in den gewöhnlichen Zuständen zwischen dem, was wir da in der Nacht tun. Aber mit entsprechender Abstumpfung der Intensität be­deutet Analysieren: aufwachen, Synthetisieren: einschlafen. Daher wird auch herangebildet die Neigung, mit wacher Seele der Welt gegenüber-zustehen, wenn wir bei dem Kinde dem Analysiertrieb entgegenkom­men, wenn wir es möglichst dazu veranlassen, in der verschiedensten Weise aus Einheiten Einzelheiten herauszuholen.
Das kommt insbesondere in Betracht beim Rechnen. Dieses Rechnen ist ja überhaupt etwas, dessen Beziehung zum ganzen Seelenleben des Kindes nicht gründlich genug ins Auge gefaßt wird. Das Rechnen muß erstens unterschieden werden vom bloßen Zählen. Manche Menschen haben sogar die Meinung, daß das Zählen schon ein Addieren vorstelle.

Maar ook voor de ziel is er die afwisseling. De mens is wat de een of andere ervaring betreft meer of minder wakker.
Nu kunnen we geheel volgens een wetmatigheid zeggen: Iedere keer bij een analytische activiteit worden we wakker, iedere keer bij een synthetische activiteit slapen we in. Natuurlijk mag dat niet zo opgevat worden dat slapen en wakker worden nu beschouwd zouden moeten worden zoals in de gewone toestand tussen overdag en wat we ’s nachts doen. Maar met een dienovereenkomstige vermindering van de intensiteit betekent analyseren: wakker worden, synthetiseren: inslapen. Vandaar dat ook de neiging om met een wakkere ziel in de wereld te staan ontwikkeld wordt, wanneer we bij het kind tegemoet komen aan de hang om te analyseren, wanneer we het zo mogelijk daartoe stimuleren op de meest verschillende manieren uit de eenheid de aparte delen te halen.
Dat is vooral voor het rekenen van belang. Het rekenen is met name iets waarmee je met het oog op het hele zielenleven van het kind niet sterk genoeg rekening kan houden. Het rekenen moet eerst onderscheiden worden van het tellen. Sommige mensen zijn zelfs van mening dat het tellen al optellen betekent.

Das ist es nicht. Das Zählen ist lediglich eine Benennung verschiedener Quantitäten, eine Benennung. Das Zählen muß eigentlich unbedingt dem Rechnen vorangehen, wenigstens bis zu einer gewissen Zahl. Man muß durchaus dem Kinde beibringen das Zählen. Dann aber handelt es sich darum, daß wir gerade das Rechnen benützen, um auf die in der Seele sich offenbaren wollenden Analysierkräfte den rechten Wert zu legen. Wir müssen versuchen zunächst, sagen wir, auszugehen von 10 und nun zerlegen in verschiedener Weise, zeigen dem Kinde, wie10 zerlegt werden kann in 5 und 5, oder zerlegt werden kann in 3 und3 und 3 und 1, oder in anderer Weise zerlegt werden kann. Man tut ungeheuer viel, um dem entgegenzukommen, was eigentlich die mensch­liche Natur anstrebt aus ihren innersten Kräften heraus, wenn man im Rechnen zunächst nicht addiert so, daß man die Addenden links hat und die Summe rechts, sondern daß man die Summe links hat und die Addenden rechts. Man sollte ausgehen vom Analysieren der Summe und von da erst zurückgehen zum Addieren.
Diese Darstellung kann heute jeder, der will, als eine gewagte Be­hauptung hinnehmen. Wer sich indessen einen unbefangenen Blick für die Kräfte der Menschennatur erwirbt, wird die Berechtigung des Dar­gelegten einsehen und sich sagen können: Indem wir links die Summe

Dat is niet het geval. Tellen is alleen maar een benoemen van de verschillende hoeveelheden, een benoemen. Tellen moet eigenlijk zonder meer voorafgaan aan rekenen, tenminste tot een bepaald getal. Je moet kinderen het tellen beslist leren. Dan gaat het erom dat we het rekenen gebruiken om het vermogen, te kunnen analyseren dat zich in de ziel manifesteert en naar buiten wil, naar juiste waarde te schatten. We moeten eerst proberen om bijv. uit te gaan van 10 en dat op verschillende manieren uit elkaar leggen, aan het kind laten zien hoe je 10 kan verdelen in 5 en 5 of in 3 en 3 en 3 en 1, of op een andere manier. Je doet buitengewoon veel om tegemoet te komen aan wat de menselijke natuur eigenlijk nastreeft vanuit haar diepste kracht, wanneer je in het rekenen niet zo optelt dat je de optellers links hebt en de totaalsom rechts, maar dat je de totaalsom links hebt en de optellers rechts. Je moet uitgaan van het analyseren van de som en vandaaruit pas terug naar het optellen.
Iedereen die het wil, kan deze opvatting voor een gewaagde bewering houden. Wie zich evenwel een onbevangen blik voor de krachten van de mensennatuur eigen maakt, zal inzien dat de opvatting juist is en kunnen zeggen: als we links de totaalsom

blz. 158

haben und rechts die Addenden und zunächst dem Kinde beibringen, die Summe in beliebiger Weise zu zerlegen – kommen wir dem Analy­siertrieb des Kindes entgegen, und erst dann demjenigen Trieb, der eigentlich nicht im Innern der Seele selber figuriert, sondern der erst figuriert im Verkehr des Menschen mit der Außenwelt. Dasjenige näm­lich, was das Kind herausanalysiert aus einer Einheit, das ist im Grunde genommen nur für den Menschen selbst da. Dasjenige, was synthetisiert wird, ist immer für die äußere Menschennatur da. Sie werden sagen: Ja, aber eben hast du gesagt, die Gattungsbegriffe zum Beispiel, die seien ja das Ergebnis des Synthetisierens. Das sind sie auch. Aber wir dürfen sie nicht bloß als abstrakte Begriffe dann auf­fassen, wenn wir synthetisieren. Nicht wahr, die Leute glauben, wenn wir Allgemeinbegriffe bilden »Wolf« oder »Lamm«, dann sind das nur in unserem Verstande gebildete Allgemeinbegriffe. Das ist nicht der Fall. Denn dasjenige, was außer aller Substanz ist, was wir bloß in der Idee erfassen vom Wolf oder vom Lamm, das ist ein Reales. Wenn das nicht ein Reales wäre, wenn bloß die Materie ein Reales wäre, so müßte ja, wenn wir einen Wolf einsperren, und er nichts anderes be­kommt als nur Lämmer, er nach einiger Zeit lammfromm werden. 

hebben en rechts de optellers en eerst het kind bijbrengen om op een willekeurige manier te verdelen – komen we aan de hang naar willen analyseren tegemoet en pas dan aan de hang die eigenlijk niet in het binnenste van de ziel aanwezig is, maar die voorkomt in de betrekkingen tussen de mensen met de buitenwereld. Want wat een kind door analyseren van een eenheid maakt, is er in wezen alleen maar voor de mens zelf. Wat gesynthetiseerd wordt, is altijd voor wat zich buiten de menselijke natuur bevindt. U zal zeggen: ja, maar je hebt net gezegd bijv. dat de soortbegrippen het resultaat zijn van synthese. Dat zijn ze ook. Maar we mogen die niet alleen als abstracte begrippen opvatten als we synthetiseren. Niet waar, de mensen geloven, wanneer we algemene begrippen vormen ‘wolf’ of ‘lam’, dat dat dan begrippen zijn die alleen in ons verstand zijn gevormd. Dat is niet het geval. Want wat we, los van alle substantie, alleen als idee opvatten van een wolf of van een lam, is een realiteit. Wanneer dat geen realiteit zou zijn, wanneer alleen de materie realiteit zou zijn, dan zou, wanneer we een wolf zouden vangen die niets anders zou krijgen dan lammeren, hij na een tijdje zo mak als een lammetje zijn.

Das wird er ganz sicher nicht, weil er als Wolf noch etwas anderes ist als die Materie, aus der er besteht. Aber dasjenige gerade, was er noch anderes ist, wird uns klar durch den Begriff, den wir synthetisch zustande brin­gen; der ist etwas, was durchaus einer äußeren Realität entspricht. Da­gegen dasjenige, was wir schließlich als Teile heraussondern aus irgend etwas, das entspricht in sehr vielen Fällen, namentlich dann, wenn es sich darum handelt, daß wir Gesichtspunkte und dergleichen finden, einem Subjektiven. Mindestens ist es zunächst eine subjektive Tätig­keit, wenn ich die Summe links zerteile in die Addenden, rechts habe ich die Addenden: dann ist einmal dasjenige gegeben, was rechts zu stehen hat. Habe ich links die Summe und gliedere dann, so kann ich unter den verschiedensten Gesichtspunkten gliedern. Dann können die Addenden die verschiedensten Gestalten bekommen. Das ist so wichtig, daß man diese Freiheit des Willens mit den Kindern entwickelt.
Ebenso versuche man beim Multiplizieren nicht auszugehen von dem Faktor und zunächst zum Produkt überzugehen, sondern auszugehen vom Produkt und aus diesem in beliebiger Weise den Faktor zu bilden und dann erst wiederum zurückzugehen zur synthetisierenden Tätig­keit. Dann bekommt der Mensch tatsächlich durch das Rechnen die Möglichkeit,

Dat wordt hij echt niet, omdat hij als wolf nog iets anders is dan de materie waaruit hij bestaat. Maar juist dat andere wordt ons duidelijk door het begrip dat we synthetiserend maken; dat is zeer zeker iets wat in overeenstemming is met de realiteit. Wat we als delen afzonderen uit iets, beantwoordt in veel gevallen, namelijk wanneer het erom gaat dat we gezichtspunten en dergelijke vinden, aan iets subjectiefs. Op z’n minst is het een subjectieve activiteit wanneer ik de totaalsom links, verdeel in optellers, rechts heb ik die optellers: dat is dan eenmaal een gegeven dat rechts moet staan. Heb ik de totaalsom links en ik verdeel die, dan kan ik dat doen onder de meest verschillende gezichtspunten. Dan kunnen de optellers de meest verschillende vormen aannemen. Het is zo belangrijk dat je deze vrijheid van de wil met de kinderen ontwikkelt.
Net zo probeer je bij het vermenigvuldigen niet uit te gaan van de factoren om dan naar het product te gaan, maar uit te gaan van het product om daaruit op een willekeurige manier de factoren te vormen en dan pas ga je weer terug naar de synthetische werkwijze. Dan krijgt de mens inderdaad door het rekenen de mogelijkheid

blz. 159

jene rhythmische Betätigung des Seelenlebens zu entfalten, die in Analyse und Synthese besteht. Wir bringen gewissermaßen bei unse­rem Rechnenlernen sehr häufig zu stark das Eine in Anschlag. Das ist dann geradeso für die Seele, als wenn wir bloß den Körper mit dem Einatmen überhäufen wollten und ihn nicht in der richtigen Weise aus­atmen lassen wollten. Es handelt sich eben überall durchaus darum, daß wir auf die Individualität des Menschen in der rechten Weise ein­gehen können. Das ist es eben, was ich meine mit der Befruchtung, die die pädagogische Kunst durch die Geisteswissenschaft erfahren kann. Man muß aufmerksam werden auf dasjenige, was eigentlich aus der Individualität des Kindes erst heraus will. Es nützt sonst nichts, den abstrakten Grundsatz immer wieder und wiederum zu wiederholen, man solle nicht in das Kind erwas hineinpfropfen, sondern aus dem Kind etwas herausholen. Ja, man muß doch erst wissen, was man her­ausholen kann, muß sich das erst klargemacht haben. Das Kind hat zunächst die Sehnsucht, analytisch befriedigt zu werden und dann das Analysierte synthetisch wiederum zusammenzufassen.

die ritmische activiteit van de ziel te ontplooien die uit analyse en synthese bestaat. Men legt in zekere zin heel vaak bij het aanleren van het rekenen teveel de nadruk op dat ene. Dat is voor de ziel dan net zo alsof alleen het lichaam met de inademing overvoerd wordt en dat we het niet op de juiste manier willen laten uitademen. Het gaat er overal om dat we op een goede manier de individualiteit van de mens leren begrijpen. Dat is dus wat ik bedoel met de vruchtbare werking van de geesteswetenschap op de pedagogische kunst. Je moet letten op wat met name uit de individualiteit van het kind naar buiten wil. Anders heeft het geen enkele zin de abstracte basisregel steeds maar te herhalen, dat je niet iets in een kind moet proppen, maar dat je iets uit een kind moet halen. Maar dan moet je wel eerst weten, wat je er dan uit kan halen, daar moet je eerst wel over hebben nagedacht. Het kind heeft allereerst de behoefte dat het analytisch tevreden gesteld wordt om dan wat geanalyseerd is, weer synthetisch samen te voegen.

Das sind die Dinge, die eben konkret berücksichtigt werden müssen beim Hinschauen auf die Menschennatur, sonst werden noch so gute pädagogischeGrund­sätze immer etwas bleiben, was zwar recht viel Befriedigung macht im Anwenden – man glaubt dann auch, man genüge allen Anforderun­gen -, aber das eben nur aus dem Grunde, weil man nicht auf das Leben hinschaut, weil man eigentlich gar nicht darauf aus ist, hinzuschauen, was im Leben als Erziehungsergebnis auftritt. Da könnte man sagen:
die Menschen sind ja so eigentümlich kurz geschürzt in ihrem Urteil.
Sehen Sie, wenn man in den siebziger Jahren in Österreich gelebt hat wie ich, da konnte man über die Grenzen hinüber von Preußen aus hören – und von gewissen Leuten in Österreich wurde es nachgespro­chen, weil 1866 Preußen über Österreich gesiegt hat -: Ja, das kommt davon her, daß die österreichischen Schulen früher schlechter waren als die preußischen Schulen. Eigentlich habe der preußische Schulmeister gesiegt. Und überall in Preußen konnte man hören, der preußische Schulmeister habe gesiegt. Seit dem Oktober 1918 habe ich eine ähn­liche Redensart, zu der vielleicht Veranlassung wäre, in Deutschland nicht gehört, obwohl man als Konsequenz die entgegengesetzte Redens­art in Deutschland jetzt eigentlich hören sollte. Diese Dinge sind schon lehrreich. Sie zeigen eben, wie der Mensch nur allzusehr geneigt ist, Urteile zu entwickeln nicht nach den Tatsachen, sondern nach den

Dat zijn dingen waar je naar moet kijken als je de natuur van de mens bestudeert, want anders blijven pedagogische basisregels, ook al zijn ze nog zo goed, wat dan weliswaar heel veel tevredenheid geeft bij het toepassen – men gelooft dan ook dat men voldoet aan alle eisen – maar dat alleen maar omdat men niet kijkt naar het leven, omdat men eigenlijk helemaal niet erop uit is te kijken naar wat in het leven het gevolg is van de opvoeding. Je zou kunnen zeggen: de mensen zijn zo merkwaardig beperkt in hun oordeel.
Als je in de zeventiger jaren (19e eeuw) in Oostenrijk hebt gewoond zoals ik, kon je van over de grens, uit Pruisen horen – en dat werd door bepaalde lieden in Oostenrijk nagezegd, omdat Pruisen in 1866 Oostenrijk verslagen had -: Ja, dat komt omdat de Oostenrijkse scholen vroeger slechter waren dan de Pruisische scholen. Eigenlijk hebben de Pruisische schoolmeesters gewonnen. En overal kon je horen: de Pruisische schoolmeester heeft gezegevierd. Sinds oktober 1918 heb ik een dergelijke manier van spreken waartoe misschien aanleiding bestond, in Duitsland niet gehoord, ofschoon men als consequentie de tegenovergestelde manier van praten in Duitsland eigenlijk zou moeten horen. De dingen zijn soms leerrijk. Ze laten evenwel zien hoe de mens maar al te zeer geneigd is, oordelen te vormen, niet naar de feiten, maar naar de

blz. 160

Sympathien und Antipathien, die er eben gerade empfindet. Das alles rührt aber davon her, daß sehr viele Dinge in der menschlichen Natur zurückbleiben, nicht ausgebildet werden, die als Kräfte ihre Ausbil­dung verlangen. Wir werden aber immer zurechtkommen, wenn wir auf das rhythmische Bedürfnis im ganzen Menschen Rücksicht nehmen, wenn wir also sagen: Wir dürfen nicht bloß Addieren, Subtrahieren, Multiplizieren, Dividieren beibringen; wir dürfen nicht bloß imAddie­ren antworten auf die Frage: Was geben so und so viel Addenden für Summen? – sondern vor allen Dingen müssen wir auf die Frage ant­worten: Wie läßt sich eine Summe in Addenden zerlegen? Beim Subtra­hieren antworten auf die Frage: Wovon muß man 5 abziehen, damit man 8 bekommt? Man muß alle diese Redensarten in der Regel zuerst umgekehrt von der Art betreiben, wie sie dann synthetisch im Verkehr mit der Außenwelt angewendet werden. Da kann man auch, ich möchte sagen, parallel gehend den Rechenunterricht in den Dienst der Menschheitsentwickelung stellen und den Sprachunterricht, indem man von dem Ganzen zu den einzelnen Buchstaben übergeht.

sympathiën en antipathiën die hij beleeft. Dat komt allemaal omdat heel veel dingen in de menselijke natuur blijven liggen, niet ontwikkeld worden die als kracht hun ontwikkelen vragen. Het komt altijd goed, wanneer we rekening houden met de ritmische behoefte in de hele mens, wanneer we zeggen: we mogen niet alleen maar optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen aanleren, we mogen bij het optellen niet alleen antwoord geven op de vraag; wat zijn zus en zoveel optellers bij elkaar als totaal? maar vooral moeten we de vraag beantwoorden: hoe kun je een totaal, een som, in optellers splitsen. Bij het aftrekken antwoorden op de vraag: waarvan moet je 5 aftrekken, om 8 te krijgen? Je moet eerst al deze rekenbewerkingen als regel omgekeerd doen dan ze synthetisch in de omgang met de buitenweld toegepast worden. Dan kun je ook, tegelijkertijd, het rekenonderwijs in dienst van de mensheidsontwikkeling stellen en het taalonderwijs als je van het geheel naar de afzonderlijke letters gaat.

Und es ist tat­sächlich erhebend, in unserer Waldorfschule zu sehen, wie sich die Kin­der bemühen, wenn sie das ganze Wortbild haben, herauszukriegen:
Wie lautet’s so, wie klingt’s so, was ist in der Mitte? – und in dieser Weise zu den Buchstaben überzugehen. Wenn man da atomisiert, ana­lysiert, dann werden die Kinder ganz sicher zum Materialismus, zum Atomismus keine Neigung haben, so wie sie heute alle Menschen aus dem Grunde haben, weil sie in der Schule nur zum Synthetisieren ange­regt werden und daher ihr analytisches Bedürfnis, ihr Zerteilungs-bedürfnis dann für die Weltanschauung im Leben entfalten wollen. Das zeigt, wie intim zusammenhängt die besondere Einrichtung des Lehrstoffes, dem wir seinen wissenschaftlichen Charakter nehmen und so an das Kind heranbringen, wie es das Kind in seiner Entwickelung gerade fordert mit den Bedürfnissen, die in der kindlichen Natur von Jahr zu Jahr herauskommen.
Man wird mit all diesen Dingen aber nicht zurechtkommen, wenn man nicht auch das andere entsprechend berücksichtigt, daß die mensch­liche Natur, wie ich schon gestern sagte, ausgeht im Grunde von der Tätigkeit, und erst von der Tätigkeit aus zu dem übergeht, was dann das Ruhende ist. Geradeso wie das Kind vom Zappeln ausgeht und dann zum Ruhen kommt, so geht die gesamte Natur des Menschen von der Tätigkeit aus und muß sich das Geregelte, das Ruhige eigentlich

En het is echt verheffend om op onze vrijeschool te zien hoe de kinderen zich uitsloven wanneer ze het hele woordbeeld voor zich hebben om uit te vinden: hoe klinkt het zo, hoe zo, wat staat in het midden? – om op deze manier bij de letters te komen. Wanneer je hier uiteenrafelt, analyseert, zullen de kinderen vast en zeker geen neiging tot materialisme, tot atomisme krijgen, zoals de mens die tegenwoordig heeft, omdat op school de synthese aangemoedigd wordt en hij zijn behoefte aan analyse, de behoefte de dingen uiteen te rafelen dan ontplooien wil op het gebied van de wereldbeschouwing.
Dat laat zien hoe nauw de bijzondere samenstelling van de leerstof waar we het wetenschappelijke karakter vanaf halen en zo aan het kind aanbieden als het kind dat vraagt, samenhangt met wat het nodig heeft, wat in de kinderlijke natuur jaar na jaar zichtbaar wordt.
Maar dit alles krijg je niet voor elkaar, wanneer je niet ook dat andere adequaat bekijkt, de mensennatuur, die als regel als vertrekpunt de activiteit heeft en pas daarna vanuit de activiteit tot rust komt. Net zoals het kind met bewegen begint en dan tot rust komt, zo gaat de hele natuur van de mens uit van de activiteit en moet hij de regelmaat, de rust zich in feite nog eigen maken.

blz. 161

erst erwerben. Aber das muß eben auch wirklich ganz systematisch herangebildet werden. Und da handelt es sich darum, daß wir gewisser­maßen den Menschen selbst aus der Betätigung des Menschen heraus bilden. Da kann man insbesondere heute leicht sündigen. Ich habe es ja selbst versucht auseinanderzusetzen, wie wichtig es ist, schon gleich beim Beginn des Volksschulunterrichts auf das Musikalische, auf das Gesangliche zu sehen. Es ist eine Seite des Künstlerischen. Es muß dem musikalischen Bedürfnis des Kindes so viel als möglich entgegengekom­men werden. Da könnte sehr leicht heute ein verheerendes Vorurteil entstehen. Sehen wir uns heute die Welt an – die meisten von Ihnen werden das ja bemerkt haben -, es existieren überall fast so viel Ge­sangsmethoden wie Ge»angslehrer und namentlich Gesangslehrerinnen. Nach der Ansicht derjenigen, die diesen Gesangsunterricht treiben, ist immer die jeweilige gepflegte Methode die allerbeste. Diese Gesangs­methoden und Musikmethoden, wenn sie losgelassen werden auf Er­wachsene, die schon über das eigentliche Entwickelungsalter hinaus sind, kann man ja als Steckenpferde denjenigen überlassen, die eben solche Methoden haben wollen.

Maar dat moet ook echt heel systematisch worden ontwikkeld. En dan gaat het erom dat we in zekere zin de mens zelf door de menselijke activiteit vormen. Daartegen kan in het bijzonder tegenwoordig gezondigd worden. Ik heb geprobeerd uit te leggen, hoe belangrijk het is, al meteen vanaf het begin van de basisschool op het muzikale, op het zingen te letten. Dat is één kant van het kunstzinnige. Je moet zoveel mogelijk ingaan op de muzikale behoeften van het kind. Daarbij zou vandaag zomaar een remmend vooroordeel kunnen ontstaan. Als we nu naar de wereld kijken – de meesten van u zullen dat wel gemerkt hebben – zijn er overal bijna net zoveel zangmethoden als er zangleraren zijn. Volgens degenen die zangles geven is de door hen gebruikte methode de allerbeste. Deze zang- en muziekmethoden, wanneer ze losgelaten worden op de volwassenen die al verder zijn dan de eigenlijke ontwikkelingsfase, kun je wel als stokpaardje overlaten aan hen die deze methoden willen hebben.

In der Regel gehen alle Methoden von einem schweren Fehler aus. Sie gehen davon aus, daß man eigentlich die menschliche Natur von den ruhenden Organen aus einstellen müsse, damit die Tätigkeit hervorgebracht werde, daß man gewissermaßen die Lunge und so weiter einstellen müsse, damit in entsprechender Weise. die Tätigkeit, also jene Tätigkeit, die im Gesang zum Beispiel zum Vorschein kommt, zutage tritt. Das ist das Umgekehrte von dem, was sich aus dem Wesen des Menschen selbst ergibt. Fast alle die Ge­sangsmethoden, die mir zu Gesicht gekommen sind, gehen eigentlich aus von dem Materialismus unserer Zeit, von der Annahme, daß der Mensch so irgend etwas Mechanisches ist, das man einzustellen hat, und aus dem man dann herauszuholen hat, indem man es richtig ein­stellt, irgendeine Tätigkeit. Darum kann es sich eigentlich niemals han­deln, wenn man auf das Wesen des Menschen wirklich eingeht. Ein richtiges Verhalten zum Gesanglernen, zur Ausbildung des musika­lischen Gehöres setzt voraus, daß man vor allen Dingen die Kinder gewöhnt, richtig zu hören, und dann in ihnen den Nachahmungstrieb erweckt, der sich diesem richtigen Hören anpaßt. Es gibt auch da als die beste Methode nur dieses, daß der Lehrende mit einer gewissen Liebe vorsingen kann, eingehen kann auf dasjenige, was verfehlt wird, und der Schüler sein natürliches Bedürfnis entwickelt, nachzubilden

Gewoonlijk gaan alle methoden van een ernstige fout uit. Ze gaan ervanuit dat je de menselijke natuur vanuit de rustende organen moet voorbereiden, zodat er activiteit kan ontstaan; dat je in zekere zin de longen enz. moet voorbereiden zodat er op adequate manier activiteit ontstaat, bijv. die bij het zingen naar voren komt. Dat is het omgekeerde van wat uit het mensenwezen zelf komt. Bijna alle zangmethoden die ik onder ogen heb gekregen, gaan eigenlijk uit van het materialisme van onze tijd, van de veronderstelling dat de mens een of ander mechanistisch ding is dat je moet instellen en dat je daar dan een of andere activiteit uit moet halen, als je het goed hebt ingesteld. Daarom kan het nooit gaan als je je echt instelt op het wezen van de mens. Een goede verhouding tot het leren zingen, tot de ontwikkeling van het muzikale gehoor, vereist dat je de kinderen er vooral aan went, goed te luisteren en dan in hen de nabootsingsdrang wekt die zich aan dit goed luisteren aanpast. De beste methode is dat de leerkracht met een bepaalde liefde kan voorzingen, in kan gaan op wat verkeerd is gegaan en dat de leerling zijn natuurlijke behoefte ontwikkelt, na te doen

blz. 162

dasjenige, was er vom Lehrer hört und korrigiert bekommt dasjenige, was er verfehlt. Aber im Singen selber muß sich das Kind aneignen dasjenige, was sich instinktiv als das Einstellen der Organe ergibt.
Ebenso muß für das richtige Einstellen des menschlichen Atmungs­rhythmus das Sprechen dienen. Vor allen Dingen müssen wir in der Schule darauf halten, daß das Kind lernt, die Sprachtätigkeit in eine ruhige Regelmäßigkeit zu bringen. Wir müssen durchaus darauf be­stehen, daß das Kind wirklich silbengemäß spricht, langsam spricht, daß es in der entsprechenden Weise die Silben rundet, daß es nirgends etwas abwirft vom Worte, daß es aber namentlich auch sich anpaßt dem, was man eine gebundene Sprache, Vers und dergleichen nennen kann, daß es sich anpaßt also der gestalteten Sprache, aus dem ganz empfindenden, nicht verstandesmäßigen, aber empfindenden Bewußt­sein dem Tonfall der Verse folgt. Kurz, auch da handelt es sich dar­um, daß wir in der richtigen Weise dem Kinde vorsprechen und das Kind hört, hören lernt. Und dann – es ist schon so, daß sich der Kehl-kopf und seine Nachbarorgane dem Gehöre beim kindlichen Alter noch anpassen.

wat hij van de leraar hoort die hem verbetert als hij wat fout doet. Maar bij het zingen zelf moet het kind zich eigen maken wat instinctief het resultaat is van het instellen van de organen.
Net zo moet voor de goede menselijke ademhalingsinstelling het spreken dienen. Voor alles moeten we op school ons erop richten dat het kind leert de activiteit van het spreken in een rustige regelmaat te brengen. We moeten er beslist op staan dat het kind echt de lettergrepen uitspreekt, langzaam spreekt, dat het op passende wijze de lettergrepen afrondt, dat het nergens iets inslikt van woorden, dat het vooral ook zich aanpast aan wat je een verbonden spraak, vers en dergelijke kan noemen, dat het zich dus aanpast aan de gevormde spraak, vanuit een helemaal aanvoelen, niet intellectueel, maar met een invoelend beustzijn de intonatie van de verzen volgt. Kortom, het gaat erom dat we op de juiste manier de kinderen voorspreken en dat het kind luistert, leert luisteren. En dan – het is wel zo dat het strottenhoofd en de organen die daarbij liggen zich in de kinderleeftijd nog aanpassen aan het gehoor.

Wie gesagt, beim Erwachsenen mögen die Methoden, die heute so zahlreich figurieren, meinetwillen gehen; denn da wird auch dasjenige, was sich aus solchen Steckenpferden heraus ergibt, das Leben in der einen oder anderen Weise ordnen oder auch nicht ordnen. Von der Schule müssen alle diese künstlichen Methoden wegbleiben. Da muß vor allen Dingen das naturgemäße Verhältnis des Lehrenden zum Lernenden, des Erziehers zum zu Erziehenden da sein. Da muß in der Tat das liebevolle Sichhingeben des Kindes an den Lehrenden das­jenige ersetzen, was etwa künstliches Einstellen und künstliche Metho­den sind. Da muß tatsächlich, ich möchte sagen, dasjenige, was an Imponderabilien wirkt, zugrunde liegen. Nichts wäre verhängnisvol­1er, als wenn die Musiktanten und Musikonkels mit ihren Methoden auch in die Schulen Einlaß fänden. In der Schule soll walten dasjenige, was Geist der Sache ist. Der aber kann nur kommen, wenn man selber in den Sachen drinnen steht, nicht wenn man ihn durch äußerliche Methoden an die Kinder heranbringen will.
Wenn mehr pädagogische Kunst auch in dieser Beziehung in der Schule sein wird, dann werden, wie ich glaube, die Neigungen der Menschen, allerlei Zeug zu lernen nach besonderen Methoden, nicht mehr so florieren, wie sie heute florieren. Wenn ein Kind vom 6., 7. Jahr ab auf natürliche Weise gesanglich und musikalisch unterrichtet wird,

Zoals gezegd, bij de volwassene mogen de methoden die tegenwoordig zo talrijk in omloop zijn, wat mij betreft hun gang gaan; want dan zal wat door zulke stokpaardjes gebracht wordt, het leven dat nog wel een plaats geven, of ook niet. Voor de school moeten al deze kunstmatige methoden achterwege blijven. Daar moet vooral de houding van nature tussen de onderwijzer en de leerling, tussen de opvoeder en de opvoedeling aanwezig zijn. Daar moet het liefdevol zich richten van het kind op de leerkracht in de plaats komen van een kunstmatige instelling en kunstmatige methodes. Daar moet echt de basis zijn wat imponderabel werkt. Niets is noodlottiger dan dat de muziektantes en -ooms met hun methoden toegang krijgen tot de school. Op school moet het om de geest van de zaak gaan. Die kan echter alleen maar komen, wanneer je zelf de zaken beheerst, niet wanneer je die door uiterlijke methoden de kinderen bij wil brengen.
Wanneer er ook in dit opzicht meer pedagogische kunst in de school aanwezig is, dan zal, zoals ik geloof, de hang van de mensen allerlei onzin te leren volgens bijzondere methoden, niet meer zo floreren als nu. Wanneer een kind vanaf 6, 7 jaar op een natuurlijke manier zang en muziek krijgt,

blz. 163

wird es sich später kaum mehr auf all die vertrackten Methoden, die in unserer heutigen Zivilisation eine so große Rolle spielen, einlassen.
Das gehört aber, meine ich, auch heute zur pädagogischen Kunst, daß der Lehrer unbefangen hinschaut auf alles dasjenige, was aus der Unnatur des Zeitalters sich breit und geltend macht, und daß er das ausmerzt schon eben im Unterrichte und im Erziehen während der Schulzeit. Wir können in der Regel manche Dinge, wie zum Beispiel die eben erwähnten Methoden, außerordentlich schwer bekämpfen; denn die Leute, die solche Methoden betreiben, sind ja fanatisiert, und sie können nichts anderes sehen als das Weltreformerische ihrer Metho­den, und es ist in der Regel ganz vergeblich, mit Menschen, die so etwas betreiben, vernünftig zu sprechen, unbefangen zu sprechen. Solche Dinge können eigentlich nur von der nächsten Generation aus in das richtige Fahrwasser geleitet werden. Da können wir in der Tat ein­greifen. Ungeheures kann in sozialer Beziehung immer getan werden von der nächsten Generation aus. Es ist schon so, daß zur Unterrichts-kunst und Erziehungskunst nicht nur gehört das methodisch-didak­tische Anwenden von Kraftmitteln, sondern vor allen Dingen der Ge­sichtspunkt, der sich dem Lehrenden oder dem Erziehenden aus dem Interesse ergibt, das er an der allgemeinen Entwickelung der Mensch­heit empfindet.

zal het zich later nauwelijks meer bezighouden met al die ellendige methodes die in onze beschaving zo’n grote rol spelen.
Het behoort echter ook tegenwoordig tot de pedagogische kunst, dat de leraar onbevangen kijkt naar alle wancultuur van zijn tijd die zich wil laten gelden en dat hij die in het onderwijs en de opvoeding gedurende de schooltijd in de ban doet. We kunnen als regel sommige dingen, zoals bijv. de genoemde methoden, buitengewoon moeilijk bestrijden; want de mensen die zulke methoden uitvoeren, zijn fanatiek en zij kunnen niets anders zien dan de wereldreform van hun methoden en het heeft als regel geen enkele zin om verstandig, onbevangen met mensen te spreken die zulke methoden gebruiken. Zulke dingen kunnen eigenlijk alleen maar door de volgende generatie weer op het juiste pad gebracht worden. Dan kunnen we inderdaad ingrijpen. In sociaal opzicht kan er door de volgende generatie ongelooflijk veel worden gedaan. Het is nu eenmaal zo, dat bij de onderwijs- en opvoedingskunst niet alleen het toepassen van krachtige methodisch-didactische middelen hoort, maar bovenal het gezichtspunt dat bij de leerkracht en de opvoeder interesse ontstaat voor wat hij aan de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen, beleeft.

Der Lehrer müßte vor allen Dingen ein umfassendes Interesse haben an der ganzen Entwickelung der Menschheit. Er müßte intensiv sich interessieren für alles dasjenige, was in seinem Zeitalter vorgeht. Er dürfte am allerwenigsten sich abschließen in irgendeinem engbegrenzten oder enggeschürzten Interesse. Das, was wir entwickeln an Interessen, ich möchte sagen, für die Kulturimpulse des ganzen Zeitalters, das wirkt wiederum belebend zurück auf das ganze Ge­baren und Gehaben des Lehrers. Und Sie verzeihen mir, wenn ich es schon ausspreche, daß manches von dem, was als Pedanterie in der Schule oftmals mit Recht empfunden wird, sogleich weichen würde, wenn die Lehrerschaft sich in erster Linie für die großen Tatsachen des Lebens interessieren würde, teilnehmen würde an den öffentlichen An­gelegenheiten. Allerdings insbesondere in reaktionären Ländern wird das ja nicht gern gesehen, aber es ist zu gleicher Zeit ein pädagogisches, nicht bloß ein äußerliches Interesse.
Nun sehen Sie, vielleicht kann gerade in Anknüpfung an dasjenige, was ich eben gesagt habe, eine Frage berührt werden, die mir heute gestellt worden ist: Wohin tendiert die Sprache? Was soll geschehen,

De leerkracht zou bovenal een omvattende interesse moeten hebben voor de hele ontwikkeling van de mensheid. Hij zou zich intensief moeten interesseren voor alles wat er in zijn tijd gebeurt. Hij mag zich totaal niet afsluiten met een beperkte of bekrompen interesse. Wat we aan interesses ontwikkelen voor de cultuurimpuls van het hele tijdperk werkt inspirerend terug op het hele doen en laten van de leraar. En neem me niet kwalijk dat ik het zeg, maar veel van wat in school dikwijls terecht als pedanterie beleefd wordt, zou meteen verdwijnen wanneer de leraren zich in de eerste plaats zouden interesseren voor de grote onderwerpen van het leven, mee zouden doen in het openbare leven. Vooral in reactionaire landen ziet men dat niet graag, maar het is tegelijkertijd een pedagogische en niet alleen maar een uiterlijke belangstelling.
Misschien kan ik aan wat ik net heb gezegd een vraag verbinden die mij vandaag werd gesteld: waar gaat het heen met de taal. Wat moet er gebeuren

blz. 164

damit die alten entarteten Wörter nicht mehr ein Hindernis der Ge­dankenentwickelung bilden, sondern das neue Geistesleben aufbauen? Ein englischer Mathematiker, der sich bestrebte, alle Gedankenarten mathematisch-symbolisch zu scheniatisieren, sagte neulich in einem päd­agogischen Referat: der Stil sei das Intellektuell-Ethische. Dies könnte, so scheint es mir, ein wahres literarisches Ideal aufstellen. Um wirklich ethisch zu sprechen, zu schreiben, müßte also jeder Mensch, wie ein jedes Volk, ein besonderes Vokabular für sich haben; denn in der Sprache, so wie sie jetzt ist, entwickelt die Dramatik nur die Wörter, selten aber einen allgemeinen menschlichen Begriff. Wie können wir die Sprache so umbilden, daß in der Zukunft daraus uns die individuelle Vorstellung und Empfindung sowie die Allgemeinheit der individu­ellen Begriffe hörbar oder sichtbar ist? Oder soll die Sprache überhaupt verschwinden und in der nächsten Zeit durch etwas anderes ersetzt werden?
Nun ist das wiederum ein ganzes Bündel von Fragen. Dennoch will ich heute schon – morgen und übermorgen soll dann noch das Genauere folgen – in bezug auf diese Fragen auf einiges eingehen. 

opdat de oude in onbruik geraakte woorden geen hindernis meer vormen voor de gedachteontwikkeling, maar het nieuwe geestesleven opbouwen? Een Engelse wiskundeleraar die zich inzette om alle vormen van denken mathematisch-symbolisch te schematiseren, zei onlangs in een pedagogisch referaat: de stijl moet intellectueel-ethisch zijn. Het lijkt mij dat je hiermee een waar literair ideaal kunt formuleren. Om werkelijk ethisch te spreken, te schrijven, zou dus ieder mens, als ook ieder volk een bijzonder vocabulair tot zijn beschikking moeten hebben; want in de taal zoals die nu is, ontwikkelt de dramatiek slechts woorden, zelden een algemeen menselijk begrip. Hoe kunnen we de taal zo omvormen dat in de toekomst daaruit voor ons de individuele voorstelling en gewaarwording alsook het algemene van de indivdiuele begrippen hoorbaar en zichtaar is? Of moet de taal in z’n geheel verdwijnen en in de komende tijd door iets anders vervangen worden?
Nu, dat is weer een reeks vragen. Toch wil ik vandaag al – morgen en overmorgen volgen dan de details nog – met betrekking tot deze vragen op iets ingaan.

Es ist in der Tat nötig, darauf zu sehen, wie im Grunde genommen gerade dadurch, daß unsere zivilisierten Sprachen in einer gewissen Weise vorgerückt sind, ein äußeres Verhältnis der einen Sprache zu der anderen eingetre­ten ist. Es ist ja zum Beispiel ganz und gar etwas sehr Äußerliches, wenn wir so übersetzen, daß wir irgendeinen Text in einer Sprache nehmen und dasjenige Wort in der anderen Sprache aufsuchen, das in der Regel im Lexikon steht. Auf die Weise wird man in der Regel überhaupt dasjenige nicht bekommen, was in der Sprache über ein rein Äußerliches hinausliegt. Denn die Sprache ist ja nicht in erster Linie bloß dasjenige, was vom Verstande durchtränkt wird, die Sprache ist ja etwas unmittelbar Erlebtes, unmittelbar Empfundenes. Daher würde ja auch eine furchtbare Veräußerlichung der Menschen eintreten, wenn man so eine allgemeine Sprache, wie es das Esperanto oder ähn­liche Dinge sind, unter die Menschheit bringen würde. Ich habe aus­gezeichnete, schön klingende Gedichte in Esperanto gehört. Ich bin durchaus nicht voreingenommen, aber es würde zum großen Teil durch solch eine Universalsprache eben gerade verlorengehen das Empfin­dungsmäßige, Gemüthafte, Lebendige, das die Sprache durchlebt: das geht aber immer verloren dann, wenn man einfach lexikongemäß aus einer Sprache in die andere die Worte überträgt. Und so muß man

Het is inderdaad nodig dat je ziet hoe in de aard der zaak juist doordat onze beschaafde talen zich op een bepaalde manier ontwikkeld hebben, er een andere verhouding van de ene taal ten opzichte van de andere ontstaan is. Het is bijv. iets zeer uiterlijks als we zo vertalen dat we een of andere tekst in een taal nemen en die woorden in de andere taal opzoeken die meestal in het woordenboek staan. Op deze manier krijg je dikwijls helemaal niet wat er in de taal, buiten het puur uiterlijke, zit. Want taal is in eerste instantie niet alleen iets wat vol zit met verstand, taal is wat direct gevoeld, beleefd wordt. Vandaar dat er een vreselijke veruiterlijking van de mensen zou plaatsvinden, wanneer je een zo algemene taal als het Esperanto of iets dergelijks onder de mensen zou verspreiden. Ik heb uitstekende, mooi klinkende gedichten in het Esperanto gehoord. Ik ben helemaal niet bevooroordeeld, maar voor het grootste deel zou door zo’n universele taal juist het gevoel, het leven dat door de taal heengaat, verloren gaan; dat gaat altijd verloren wanneer je simpelweg uit het woordenboek van de ene taal de woorden in de andere taal overbrengt. En dus moet je

blz. 165

schon sagen, in einem Sinne hat der Mann, der das hier ausgesprochen hat, sehr recht, obwohl es eigentlich nicht sehr gut ist, solche Dinge wieder auf Formeln zu bringen – Gedankenarbeit, die mathematisch schematisiert werden kann, und dergleichen Dinge, die auch eigent­liche Steckenpferde sind. Aber das kann man schon sagen: es handelt sich darum, daß wir wiederum nötig haben, unsere Sprache überhaupt zu durchgeistigen. Unsere Sprache ist einmal stark – wie alle zivilisier­ten Sprachen – in das Phrasenhafte eingetreten. Gerade aus diesem Grunde ist es gut, wiederum an den Dialekt zu appellieren. DerDialekt ist da, wo er gesprochen wird, eben noch lebendiger als die sogenannte gebildete Umgangssprache. Der Dialekt enthält noch viel mehr Persön­liches, und er enthält geheim, möchte ich sagen, Persönliches, intim Persönliches. Sehen Sie, wer im Dialekt spricht, der wird gewissenhafter sprechen als derjenige, der in der Schriftsprache nur spricht. Man wird im Dialekte kaum in einem so umfassenden Sinne lügen, wie man es in der Schriftsprache tut. Diese Behauptung wird Ihnen paradox er­scheinen, aber sie ist doch in einem gewissen Sinne wahr. Selbstver­ständlich will ich damit nicht sagen, es gäbe nicht auch klotzige Lügner, die im Dialekt reden, ich will das nicht sagen; aber es muß dann die Verdorbenheit ihres Gemütes größer sein, als sie zu sein braucht, wenn man nur in der gebildeten Umgangssprache lügt. 

al wel zeggen dat in een bepaald opzicht de man die dat hier uitgesproken heeft, groot gelijk heeft, hoewel het eigenlijk niet zo goed is, deze dingen in formules te vatten – gedachteactiviteit die wiskundig in schema’s kan worden gebracht en dergelijke dingen zijn toch eigenlijk ook stokpaardjes. Maar dit kun je wel zeggen: het gaat erom dat we opnieuw nodig hebben onze taal geestrijker te maken. Onze taal is nu eenmaal sterk – zoals alle geciviliseerde talen – in het stadium van frase terechtgekomen. En juist daarom is het goed dat we weer een beroep doen op het dialect. Dialect is, waar het gesproken wordt, toch nog levendiger dan de gevormde omgangstaal. Het dialect heeft nog veel meer persoonlijks in zich en er zit iets verborgen persoonlijks, intiem persoonlijks in. Wie dialect spreekt zal consciëntieuzer spreken dan degene die de schrijftaal spreekt. In het dialect zal men niet zo grondig liegen als in de schrijftaal. Deze bewering zal u misschien paradoxaal lijken, maar in een bepaald opzicht is het waar. Vanzelfsprekend wil ik daarmee niet zeggen dat er niet ook lompe leugenaars zijn die dialect spreken, maar dan moet de verdorvenheid van hun ziel groter zijn, dan nodig, als je in de omgangstaal liegt.

Da braucht man we­niger schlecht zu sein, um zu lügen, weil die Sprache mehr das Lügen gestattet, als wenn man im Dialekt lügt. Da muß man schon ein or­dentlich schlechter Kerl sein, wenn man im Dialekt lügen soll; denn ein Dialektwort hat man viel lieber als ein Wort der gebildeten Um­gangssprache. Man schämt sich, das Dialektwort bloß als Phrase zu nehmen, während das Wort der gebildeten Umgangssprache sehr leicht zur Phrase wird. Dies müssen wir eben überhaupt wiederum in den Menschen hineinbringen, daß er in seinen Worten wirkliche Erlebnisse hat. Dann aber muß eben Leben in die Sprache hineinkommen.
Heute wird es einem ja kaum mehr verziehen, wenn man Leben in die Sprache hineinbringen will. Ich habe es wirklich versucht in einer sehr homöopathischen Dosis in meinen Schriften. Sehen Sie, einfach um gewisse Dinge zu versinnlichen, brauchte ich in meinen Schriften einen Begriff für etwas, was sich zu der Kraft verhält wie das Wasser, das im Strom dahinfließt, zu der Eiskruste, die sich gebildet hat, ich gebrauchte das Wort «kraften». Wir haben in der Regel nur das Wort Kraft; wir sprechen nicht von kraften. Und ähnliche Worte gebraucht

Dan hoef je wat minder slecht te zijn om te liegen, omdat de taal het liegen meer mogelijk maakt dan wanneer je in het dialect liegt. Dan moet je al behoorlijk slecht zijn, wil je in het dialect liegen; want men houdt meer van een dialectwoord dan van een woord in de omgangstaal. Men schaamt zich om het dialectwoord als frase te gebruiken, terwijl het woord uit de gevormde omgangstaal heel makkelijk frase wordt. Wij moeten in de mens weer ontwikkelen dat hij in zijn woorden echt iets beleeft. Dan moet er dus leven in de woorden komen.
Tegenwoordig wordt het iemand veelal kwalijk genomen wanneer hij leven in de taal wil brengen. Ik heb het echt geprobeerd met een zeer homeopatische dosis in mijn boeken. Simpelweg om bepaalde dingen aanschouwelijk te maken, gebruikte ik in mijn boeken een begrip voor iets wat als kracht in relatie staat tot het water dat voortvloeit met de stroom en de ijskorst die zich heeft gevormd; ik gebruikte het woord ‘krachten’ (kraften)( als werkwoord). We hebben alleen het woord kracht; we spreken niet van ‘krachten’ (als werkwoord). En dan gebruik je dergelijke woorden.

blz. 166

man dann. Aber wiederum braucht man, wenn man Leben in die Sprache hineinbringen will, nicht eine tote, sondern eine lebendige Syntax. Man wird heute sogleich korrigiert, wenn man das Subjekt an eine andere Stelle stellt, als die Leute es gewohnt sind. Diese Sachen gehen aber eben im Deutschen noch. Im Deutschen kann man nämlich wirklich noch eine gewisse Freiheit just entfalten. Die westeuropäischen Sprachen – das ist ja rein was Fürchterliches, was da alles falsch ist! Alle Augenblicke heißt es: Das kann man nicht sagen, das ist nicht englisch, das ist nicht französisch. Das Analoge: Das ist nicht deutsch, gibt es nämlich gar nicht. Im Deutschen können Sie eigentlich das Sub­jekt an jeden Ort stellen. Sie können auch in irgendeiner Weise den Satz innerlich beleben und so weiter. Ich will wahrhaftig nichts Jour­nalistisches sagen, aber ich will eine Tatsache konstatieren. Das ist eben der Prozeß des Absterbens der Sprache. Die Sprache beginnt zu sterben, wenn immer einem entgegentönt: Das kann man nicht sagen, das ist nicht richtig gesprochen. Das ist nämlich geradeso – es tritt einem nur nicht so paradox da entgegen -, wie wenn zu irgendeiner Türe hundert Menschen hereingehen würden, und ich gestützt auf die Menschentypen, die allein nach meiner Ansicht richtig wären, sagen würde: Aha, das ist ein richtiger Mensch, das ist ein falscher Mensch. 

Maar eveneens heb je dan, wanneer je leven in de taal wil brengen, niet een dode, maar een levendige syntaxis nodig. Je wordt tegenwoordig meteen verbeterd, wanneer je het onderwerp op een andere plaats zet, als de mensen gewend zijn. In Duitsland gaat dat nog wel. In het Duits kun je namelijk werkelijk nog wel een bepaalde vrijheid ontplooien. De West-Europese talen – dat is echt wel vreselijk wat daar mis mee is! Iedere keer klinkt het: dat kun je niet zeggen, dat is geen Engels, dat is geen Frans. Analoog: dat is geen Duits, bestaat helemaal niet. In het Duits kun je eigenlijk het onderwerp op iedere plaats zetten. Je kunt ook op de een of andere manier de zin innerlijk, levendiger maken enz. Ik wil echt niets journalistieks zeggen, maar ik wil een feit constateren. Het is nu eenmaal het afstervingsproces van de taal. De taal begint te sterven, wanneer iemand je steeds toeroept: dat kun je niet zeggen, dat is niet juist gezegd. Dat is namelijk net zo – alleen je beleeft het niet zo paradoxaal – als wanneer er door een of andere deur honderd mensen naar binnen willen en ik dan verbaasd over de verschillende typen mens die alleen volgens mij kloppen, zou zeggen: aha, dat is een goed mens, dat is een slecht mens.

Das Leben duldet nicht, daß man typisiert. Da tritt es überall sogleich grotesk hervor, nicht wahr. Das Leben fordert, daß alles in Bewegung ist. Daher muß Synthax, muß Grammatik eben aus dem empfinden­den Leben hervorgehen, nicht aus dem ertötenden Verstande. Dies wird uns zum lebendigen Fortbilden der Sprache wieder bringen.
Goethe hat sehr vieles Dialektische in die Sprache eingeführt. Man tut immer sehr gut, wenn man die Schriftsprache belebt vom Dialekte aus, weil eben beim Dialekt das Wort noch lebendiger durchglüht, durchwärmt empfunden wird. Das sind so die Dinge, die in Betracht kommen bei der Fortbildung der Sprache, bei der vorschreitenden Sprache. Aber es kommt eben auch in Betracht, daß wirklich eine Art ethisches Leben in das Sprechen hineinkommt. Das schließt ja wirklich nicht ein, daß man im Sprechen unhumoristisch werde. Der V-Vischer, der Friedrich Theodor Vischer, hat eine sehr schöne Abhandlung ge­schrieben über den Unterschied zwischen Frivolität und Zynismus. Da drinnen finden sich, außer dem, daß treffend charakterisiert ist der Unterschied zwischen Frivolität und Zynismus, auch sehr viele Be­merkungen über Sprachgebrauch, über das Hineinleben in die Sprache

Het leven laat niet toe dat je in typen indeelt. Dat is meteen overal grotesk, niet waar. Het leven eist dat alles in beweging is. Vandaar dat syntaxis, grammatica uit het leven dat ervaren wordt, moeten komen, niet uit het verstand dat dood maakt. Dat zal ons verder brengen bij een levendig ontwikkelen van de taal.
Goethe heeft zeer veel uit het dialect in de taal gebracht. Het is altijd een goede zaak, wanneer je de schrijftaal verlevendigt vanuit het dialect, omdat in het dialect nu eenmaal het woord nog met meer leven doortrokken is, met meer warmte gevoeld wordt. Dat zijn dingen die in aanmerking komen bij het ontwikkelen van de taal, bij de zich ontwikkelende taal. Maar net zo komt in aanmerking dat er ook een vorm van ethisch leven in het spreken komt. Dat houdt echt niet in, dat je bij het spreken humorloos wordt. De V-Vischer*, van Friedrich Theodor Vischer, heeft een erg mooi artikel geschreven over het verschil tussen frivoliteit en cynisme. Daarin vind je, behalve het treffend gekarakteriseerde verschil tussen frivoliteit en cynimse, ook zeer veel opmerkingen over het spraakgebruik, over het je inleven in de spraak

*Friedrich Theodor Vischer, 1807-1887, deutscher Schriftsteller und Philosoph. Über Frivolität und Zynismus siehe: «Mode und Cynismus« (3. Auflage 1888).

blz. 167

und so weiter. Es ist in der Tat schon so, daß eine gewisse Verpflich­tung, die man sich auferlegt gegenüber dem Sprechen, eine gute ethische Schulung für das Leben überhaupt ist. Aber es muß Gefühl sein; es darf nicht von der Art sein, wie es aus der Konvention herauskommt. Es führt wirklich immer mehr und mehr vom Lebendigen der Sprache ab, wenn einem immer, wie dies in westeuropäischen Sprachen der Fall ist, entgegnet wird, diese oder jene Wendung sei falsch, und nur ein ganz bestimmter – würde man es mit dem Spanischen zu tun haben, könnte man sagen -, in spanische Stiefel eingeschnürter Schritt, sei richtig.

enz. Het is inderdaad mooi, dat een zekere verplichting die je je oplegt met het oog op het spreken een goede ethische scholing voor het leven zelf is. Maar het gevoel moet zijn: het mag niet zo zijn zoals het uit de conventie komt. Wat ons steeds verder wegvoert van het levendige van de taal is, wanneer iemand zoals het geval is in de West-Europese talen, steeds voor de voeten wordt geworpen dat deze of gene zinswending verkeerd is en alleen goed – zou je met Spaans te maken hebben – wanneer deze ingesnoerd zit in de Spaanse laars. (oud folterwerktuig)

.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 10e voordracht (Duits)

Rekenen: voorbeelden van ‘van het geheel naar de delen’

Rekenen: alle artikelen

Spreken: spraakoefeningen

Schrijven en lezen: van het geheel naar de delen

1326-1239

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-11)

.

Uit de oude doos.
Maar zeker niet essentieel verouderd!
Het artikel is uit 1928. Ik heb het in de oude spelling laten staan.

PHYSIOLOGIE
In al zijn paedagogische werken hecht Dr. Steiner een buitengewoon belang aan de physiologie van het kind. — Men krijgt den indruk, dat een paedagogie in Dr. Steiner’s zin niet te denken is, zonder een grondig inzicht in de levensverschijnselen van het kind.

Wel wordt ook in het gewone onderwijs erop gelet, dat kinderen recht groeien, hun oogen niet misbruiken, op den juisten tijd rust en luchtverversching krijgen. De aanwijzingen, die Dr. Steiner geeft, gaan veel verder en zijn veel intiemer.

Achter beide opvattingen staan andere inzichten over het wezen van den mensch, die in het kort te karakteriseeren zijn als volgt: In wezen beschouwt de moderne menschkunde alle geestelijke functies als een voortbrengsel van de hersenen. Een gezond hersen-orgaan stelt zij zich voor als resultaat van een gezond lichaam; men zal het in de beste omstandigheden brengen door het lichaam zoo gezond mogelijk te houden.

Dr. Steiner beschouwt dit op een andere manier, Men denlce zich het volgende: Een embryo ontwikkelt zich; na meerdere maanden kan men hooren, dat het hart klopt in een ander rythme, dan dat van de moeder en men kan de ledematen voelen bewegen. Het kind blijft een eigen leven hebben. Wordt het geboren, dan ademt het niet onmiddellijk; er is vaak vrij wat voor noodig om het tot ademen te brengen. Met het eerste ademen toont het kind tegelijk gevoel voor smart te hebben. Het dóórdringen van de ziel in het lichaam heeft de ademhaling tot gevolg. Deze ontwikkelt zich dan verder. Zoo beschouwt men volgens de Anthroposophie de ziel als een zelfstandige grootheid, die zich met het lichaam verbindt, niet door het lichaam voortgebracht wordt en het ingrijpen van de ziel in het lichaam beïnvloedt den vorm ervan, grijpt ook in in de gezondheid.

Men is ’s avonds vermoeid in lichaam en spieren na een zwaren werkdag; vanuit het bewustzijn zijn de spieren aangegrepen en alle gebruik van de spieren beschadigt ze, zoodat een lange inspanning de spieren tot kramp kan brengen en tenslotte tot verlamming. (Men draagt een zwaar voorwerp te lang en moet het tenslotte loslaten; de spieren zijn onmachtig). Zoo blijkt, hoe het ingrijpen vanuit het bewustzijn in het lichaam, dit op den rand van ziek worden brengt.

Men gaat slapen, rust uit in den nacht, voelt zich den volgenden dag weer frisch. De slaap heeft gewerkt als genezing. Maar het kan velen bekend zijn, hoe een te lange slaap wederom ongunstig is voor het lichaam. Men voelt zich dof in het hoofd, kan hoofdpijn krijgen, heeft niet de rechte macht over zijn gedachten, zoodat zij niet klaar-beheerscht verschijnen willen. Een lichte neiging tot ontstokenheid van oogen komt bij vele menschen voor, als gevolg van een te langen slaap. Men ziet, dat een overmatig werken van de gezondheid op zichzelf tot ziekte leidt krijgen, heeft niet de rechte macht over zijn gedachten, zoodat zij niet klaar-beheerscht verschijnen willen. Een lichte neiging tot ontstokenheid van oogen komt bij vele menschen voor, als gevolg van een te langen slaap. Men ziet, dat een overmatig werken van de gezondheid op zichzelf tot ziekte leidt.
Het is bij training bekend, dat een krachtige ontwikkeling van het lichaam het gevolg is van een rythmische afwisseling tusschen krachtige oefening tegenover rust en voeding — het regelmatige levensrythme wordt als allereerste eisch gesteld. Zoo blijkt, dat men op het rythme werken moet, om het lichaam gezond te houden.
In Dr. Steiner’s paedagogie komt alles aan op ontwikkeling van rythme. Hij stelt als opgaaf voor den paedagoog, het kind te brengen tot een juist rythme tusschen waken en slapen, tot een juist rythme van de ademhaling en een verbinding hiervan met het zenuwstelsel.
Daarbij komt het er niet op aan, uiterlijk het kind te drillen, een bepaald aantal uren te slapen en te waken, maar de weg, die gevolgd moet worden is een meer innerlijke.
Bij den zuigeling kan men merken, hoe de schedelbeenderen nog niet gesloten zijn; op die open plek kan men den polsslag voelen en het rythme van de ademhaling; een teere beweging trilt door de hersenvloeistof en de hersenen. Op dit rythme, waaraan de hersenen meedoen, wijst Dr. Steiner, als iets zeer belangrijks.
Wat beteekent de groote opgaaf voor den paedagoog, het ademhalingsrythme goed te verbinden met het zenuwstelsel? Zonder in te gaan op het mechanisme van de ademhaling, dat de moderne wetenschap beschouwt, en dat als zoodanig gerechtvaardigd is, zoeken wij naar het wezen ervan. 
Men stelle zich de inademing voor b.v. op een hoogen berg in een wijde ruimte. De diepe inademing, die men hier doet, geeft een lustgevoel. Dit lustgevoel begeleidt iedere inademing, alleen wordt het zelden bewust. Sympathie voor de zuurstof der lucht is de impuls tot de inademing. Maar als men den neus dichthoudt en lang den adem inhoudt, ontstaat er een hevige benauwing in de borst. Zoodra men vrij komt, stoot men met kracht het koolzuur uit en voelt dit als een bevrijding. Men heeft een sterke antipathie tegen het koolzuur, die eveneens zelden bewust wordt. Antipathie is de impuls tot de uitademing.
Wanneer men het lichaam in zijn levensverrichtingen verder beschouwt, dan merkt men processen die in wezen gelijk zijn. Sympathie bij het opnemen van het voedsel, antipathie tegen de resten ervan voor ze uitgestooten worden. In wezen is de voeding een inademing van vloeistof, die dan weer uitgeademd wordt.
Een „Steigerung” van dit proces vindt men naar de zintuigen toe. Het zien van een mooi landschap, hetzij de zee, een zonsondergang, doet iemand met zijn aandacht uitgaan tot het aanschouwde. Hij verliest zich in de beschouwing ervan, is zich niet meer van zichzelf bewust, hij ademt het beeld van de omgeving in in sympathie.
Daartegenover het andere proces: men luistert naar de slagen van een klok, ziet nauwkeurig toe bij het maken van een instrument. Als er daaromheen andere dingen gebeuren, houdt men ze buiten het bewustzijn, als door een wand van antipathie. (Men denke er aan, hoe ergerlijk het is als men gestoord wordt bij inspannend werk).

Een volgende „Steigerung” vindt men in het denken. Er is een wezenlijk onderscheid tusschen dat denken, dat zich openstelt om in zich het licht van de idee te laten opgaan, tegenover de voorstelling, die men maakt bij de uitvoering van plannen, die men heeft. De eerste vorm is een inademing van ideeën uit de ideeënwereld, de tweede een uitademing van voorstellingen, die zich in de wereld verwerkelijken. Zij geven vorm aan het leven, worden tot organisatie en leiden meestal tot mechaniseering. Zij brengen dood in de levende werkelijkheid, zooals een atmosfeer van koolzuur het leven doodt (de Hondsgrot bij Napels).

Men vindt op deze manier, hoe metamorphosen van het ademhalingsproces door het geheele lichaam werken, maar de longademhaling is in Goethe’s zin een oerphenomeen daarvan.

Inbrengen van het ademhalingsrythme in de hersenen wordt mogelijk, doordat de golving van sympathie en antipathie in de voorstellingen gebracht wordt. Uit andere opstellen in dit blad is genoeg bekend, hoeveel waarde daaraan gehecht wordt in onze paedagogie, waar gewezen wordt op de ontwikkeling van de fantasie, op de levende beelden en het bezielde onderwijs. Het hoofd heeft de neiging, de ademhaling en den polsslag te verlangzamen. Bij gespannen aandacht gaat de pols langzaam; ook bij het logisch denken. Hersenen begeeren voor hun werk rust, zooals de professor in zijn studeerkamer. Vanuit bloed en stofwisseling gaan impulsen uit tot versnelling van den polsslag en de ademhaling. Zichtbaar wordt dit bij emoties, b.v. de spanning voor een examen, of in affecten: woede (waarbij „de ademhaling vliegt en de neusvleugels trillen”).

Wanneer een mensch eenzijdig leeft, doordat hij de neiging van zijn hersenen of van zijn bloed volgt, kan dat tot ziekte worden. Bij het asthma vindt men een stoornis van het ademhalingsrythme en men merkt, hoe menschen met asthma aan de eene zijde vaak een droge intellectualiteit ontwikkelen, aan de andere zijde overgevoelig zijn voor emoties; er ontstaat een chaos van die beiden, die zich uitwerkt in de ademhaling.

Een andere groote opgaaf, die gesteld wordt, is het juiste rythme te brengen tusschen waken en slapen. Wezenlijk voor het waakleven is het, dat men daarin zijn lichaam vanuit het bewustzijn leidt.

Men zie hoe het jonge slapende kind, een sfeer om zich heeft van warmte en rust, de’teedere blos op zijn wangetjes het gevoel opwekt van een plant in bloei. Groei en genezing werken erin vanuit het bloed en maken het lichaam weer gezond en frisch.

Wie daarvoor een gevoel ontwikkelt, kan overdag een wezenlijk onderscheid merken, tusschen het deel van het lichaam, waar de zenuwen liggen en dat, waar bloed- en stofwisselingsorganen liggen. Men voelt in hoofd en rug een stralende klaarheid, die met het licht te vergelijken is, maar onder en voor zich een donkere, warme sfeer, die den indruk geeft van vochtigheid, waarin het wezen van den nacht ligt. En het is opvallend, dat men van de stofwisselings-organen geen bewustzijn heeft, dat het bewustzijn daarvoor slaapt. Vele menschen weten niet eens, hoe sterk de darmbewegingen zijn.
De zenuwen waken overdag, de buikorganen slapen altijd.
In twee orgaancomplexen verschijnt overdag een wisselproces van waken en slapen. Het eerste zijn de hersenen. Wanneer men zich een voorstelling maakt, ontwaakt de voorstelling voor het bewustzijn, wanneer men haar vergeet, gaat ze onder in het slaap-bewustzijn. Zij kan bij de herinnering opnieuw ontwaken.

Het andere orgaancomplex is het spierstelsel. Men voert voor het eerst een bepaalde handeling uit en stelt zich voor wat men doen zal, eventueel tot in details. Volgt dan de handeling, dan gaat zij het best naarmate de voorstelling ervan uit het bewustzijn verdwijnt. De voorstelling, die in het denken insliep, ontwaakt in de spieren. Komen na de handeling de spieren in rust, dan liggen zij passief, als een mensch in slaap.

Zoo vindt men metamorphosen van het waak-slaaprythme overdag, in hersenen en spieren, die in Goethe’s zin polariteiten zijn; het één verloopend in het bewustzijn tusschen voorstellen en vergeten, het andere in het lichaam tusschen rust en doen.

Om het juiste waak-slaaprythme te vinden, moeten wij zoeken: een evenwicht tusschen hóofdonderwijs en bewegingsonderwijs. Hierover later. (Wordt vervolgd.)

PSYCHOLOGIE
Zooals het ademhalingsrythme goed verbonden wordt met de hersenen door een beeldrijk en met interesse beleefd onderwijs, zijn er ook bepaalde aanwijzingen van Rudolf Steiner om het waak-slaaprythme harmonisch te ontwikkelen. Men moet daarvoor het waak-slaaprythme ook in zijn vele metamorphosen beschouwen.
Van veel menschen kan men tegenwoordig zeggen, dat waken en slapen niet in een goede verhouding zijn. Resten van het waakleven blijven in den nacht doorwerken, wanneer iemand, door zorgen over zijn beroep of huishouden gekweld, niet inslapen kan; wanneer kinderen droomen hebben — vooral angstdroomen — zich aansluitend aan gebeurtenissen, die zij overdag beleven.

Stoornissen van het waken zijn in onze cultuur zeer algemeen. Men kan zich een volkomen wakend mensch alleen denken als iemand, die voor alles wat op aarde gebeurt een levend interesse heeft en uit een gevoel van aardburgerschap zich in het leven stelt. Dit is zelden het geval (ofschoon ieder cultuurmensch tegenwoordig daaraan de behoefte heeft. Volksuniversiteiten en wereldbibliotheek wijzen daarop).

Ook het rythme, dat bij vele menschen bestaat tusschen hun werk en hun leven thuis is onharmonisch. Zij leven in een overwakker-bewustzijn op het kantoor en neigen daardoor thuis tot een vegetatieven toestand (slaap na het eten en mijmeren bij sigaar en borrel). Men kan zulke cultuurverschijnselen reeds stoornissen van het waak-slaaprythme noemen, ofschoon hier de slaap als zoodanig ongestoord kan blijven.

In het vorig hoofdstuk (Ostara, 2e Jrg. No. 1) werd het waak-slaaprythme besproken met betrekking tot zijn populariteit in hersenen en spieren en aangeduid, dat een evenwicht tusschen hoofd-onderwijs en bewegingsonderwijs nagestreefd moet worden om dit rythme te harmoniseeren.

Dr. Steiner hecht er in zijn paedagogie groote waarde aan, dat het onderwijs van den vorigen dag, dat in beelden door het kind is opgenomen, den volgenden ochtend in de herinnering teruggeroepen wordt en nu eerst daaruit wetmatige samenhangen en ideeën ontwikkeld worden. Van wezenlijk belang is het, dat daar een nacht overheen gaat.

Andererzijds bespreekt hij, dat het bewegingsonderwijs eerst den volgenden dag doorwerkt tot in de gezondheid van het kind. Ook hier ligt een nacht tusschen het onderwijs en zijn werking.
Wat in den nacht gebeurt, moet niet als minder belangrijk beschouwd worden dan de ervaringen overdag. Wat het kind overdag aan beelden heeft opgenomen, zoowel in zijn huiselijke omgeving als op school, zoekt het in den nacht te verbinden met de oerbeelden, waaruit de verschijningswereld is ontstaan, die hij overdag leerde kennen en een goed onderwijs, dat „sinnlich-übersinnliche Bilder” draagt van wereldwetten, maakt het het kind mogelijk, zich in het „Geisterland” met de oerbeelden te verbinden.

Verbindt het zich bij het ontwaken met het lichaam, dan draagt het kind, de werking van deze oerbeelden onbewust in zich. Het komt er nu op aan, die te verbinden met de herinneringsbeelden van den vorigen dag. Dit gebeurt op de boven beschreven wijze.

Zoo worden de ervaringen, die het kind op aarde heeft, bevrucht met zijn beleven in de geestelijke wereld.

Een gevaar voor de volgende ontwikkeling van het kind is het, wanneer het in zijn omgeving dingen beleeft, die het niet kan verwerken en die zich tot aan zijn bewustzijn opdringen. Er komen zoo beelden in het kind, die vanuit het nachtleven niet bevrucht worden en hiermede kan het gebeuren, dat zij, wanneer het kind ouder wordt, weliswaar uit het bewustzijn verdwijnen, maar in het onderbewustzijn werkzaam blijven.

De psycho-analyse spreekt van verborgen complexen.

Het kan voorkomen, dat een melancholisch kind vanuit zijn omgeving om zijn temperament met eenige ergernis beschouwd wordt en op zijn hebbelijkheden gevit wordt. Het beleeft herhaaldelijk het beeld van zijn vitter in een stemming, die hem, zijn minderwaardigheid suggereert. Wanneer dit beeld uit het bewuste beleven verdwijnt, maar nu in het onderbewuste doorwerkt als z.g. minderwaardigheidscomplex, kan er b.v. op volwassen leeftijd een slapeloosheid of hypochondrie volgen.

Wanneer het onderwijs de bewegingsorganen van het kind aan zichzelf overlaat, ontstaat er een ander gevaar. Van nature zijn de bewegingsorganen de dienaren van de begeerten van het individu, In de menschelijke ontwikkeling hebben zij te worden: dienaren van den vrijen mensch. Zij moeten aan het broedend begeerteleven onttrokken worden en in dienst van geestelijke harmonieën gebracht worden. Gebeurt dit niet en hecht men alleen waarde aan het hoofdonderwijs, dan krijgt men toestanden in het wilsleven, waarbij de kinderen zich in droomerige fantasiebeelden verliezen, vooral in den puberteitstijd.

Recitatie, zingen en Eurythmie, zooals die in onze scholen beoefend worden, brengen het lichaam van het kind in een samenklinken met een wetmatigheid, die in de geestelijke wereld zijn oerbeeld vindt: in het scheppende wereldwoord, in de sferenharmonieën en in de bewegingen, die vanuit de scheppende werelden in de zichtbare natuurwereld instralen.

Een kind, dat overdag deze kunsten beoefend heeft, vindt zich ’s nachts terecht in de geestelijke wereld en voert voor het ontwaken in zijn lichaam krachten in, die het gezond maken en tot een orgaan van het menschelijk- Ik.

Zoo kan men als ideaal een goed waak-slaaprythme zien: een mensch, die alzijdig de aarde kent en liefheeft overdag en zich in den nacht verbindt met de spiritueele gronden van de wereld.

Wanneer men, zooals in dit en het vorig nummer beschreven is, zintuigen en hersenen van het kind bezielt en wederom de hersenen en de spieren „durchgeistigt”, bewerkt men een goede verbinding van het z.g. astraallichaam van het kind en van het Ik met het physisch-etherisch lichaam, dat het bij de geboorte ontvangt.
Het kind ademt bij de geboorte het astraallichaam in en het moet bereikt worden, dat dit — als drager van begeerten — zich niet te sterk verbindt met de buikorganen, doch dat het — met de waarnemings-organen van den mensch verbonden — zich loutert tot gevoelens en een liefdevolle aansluiting vindt aan de wereld.
Het Ik van het kind, dat uit vorige incarnaties stamt, begint vanuit het hoofd het lichaam te doordringen. Dat drukt zich uit in het gelaat, later in de houding van den persoon. Zijn weg gaat van hoofd tot bewegingsorganen, het werkt in denken en daden.

Wanneer zoo het ademhalingsrythme in de hersenen gevoerd wordt en het waak-slaaprythme zich goed ontwikkelt, vervult zich de derde paedagogische opgaaf, dat het kind goed ademen leert, want het ademhalingsrythme is in wezen gezond, doch kan gestoord worden vanuit hoofd of stofwisseling, zooals dit in het vorig opstel beschreven is. Gebeurt dit echter niet, dan neemt het uit zichzelf een rythme aan, dat een beeld is van kosmische rythmen.

Het aantal ademhalingen per dag is (wanneer men een gemiddelde aanneemt van 18 ademhalingen per minuut) 24 x 60 x = 25920. Dit getal stemt overeen met het aantal jaren van het z.g. platonische jaar, waarin de zon eenmaal de sterrebeelden van den dierenriem, tegengesteld aan zijn jaarlijkschen omloop, terugloopt.
Dat een mensch goed ademen leert, wil niet alleen zeggen, dat hij in dit rythme ademt, doch ook, dat hij een evenwichtstoestand vindt tusschen denken en willen, innerlijk rustend in de zekerheid van zijn evoelsleven.

Dr.R.van Houten, vrijeschool Den Haag, Ostara jrg. 2 nr. 1 en 2 okt.1928

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1325-1238

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/4)

.

over plantkunde

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

In Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

Luc:
‘In de vijfde klas raadde Steiner aan om plantkunde te geven. Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de ontwikkelingsfasen van de mens. Hij begint dan met de paddenstoelen (zwammen): zij zijn de baby’s in de plantenwereld. Zo bouwt hij de plantenwereld verder op tot de tweezaadlobbige planten die hij vergelijkt met de jonge mens die tot seksuele rijpheid is gekomen. Dat deze indeling niet helemaal overeenstemt met de wetenschappelijke indeling, schijnt niemand in de steinerscholen te hinderen.’

Beste Luc,
Je noemt de plantkunde hier ook als vak waarin (teveel) antroposofie zou zitten. Ik ga ervan uit dat ook voor dit vak geldt, wat je eerder schreef: dat er
‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit de scholen zich moeten bevrijden.’
Ik kan er naast zitten, maar het lijkt erop dat je hier met ‘het antroposofisch keurslijf’ bedoelt: Inhoudelijk deelt hij de plantenwereld op in vergelijking met de ontwikkelingsfasen van de mens.

Verder schrijf je er niet meer over, d.w.z. in de reeks van de 11 artikelen.
Maar wanneer ik je andere informatie over plantkunde bekijk, zie ik bijv. hier, (onder 06) dat je deze indeling bij het geven van de plantkundeperiode kennelijk gewoon gebruikt.

06.
Planten en kinderen baby (-1 jaar)     schimmels, zwammen, paddestoelen
kruipertjes, beginnen te stappen        mos en korstmos
peuters                                                      zeewier en algen
kleuters                                                     varens en paardenstaarten
lagere schoolkind                                    naaktzadigen
5e en 6e klassers                                     eenzaadlobbigen
pubers                                                       tweezaadlobbigen

Bij Steiner:
De zielevreugde van een zuigeling:    paddestoelen, zwammen
Eerste zielevreugde van een kind,
verdriet en emoties:                              algen, mossen
Belevenissen bij het ontstaan van
het zelfbewustzijn:                                 varens
Belevenissen tot aan de schooltijd,
met vier, vijfjaar:                                   naaktzadigen, naaldbomen
Eerste belevenissen op school,
tussen het zevende en elfde jaar:       parallelnervige planten, een
zaadlobbigen,–                                                                              planten met enkelvoudig bloembekleedsel
Belevenissen van elfjarigen:               eenvoudige tweezaadlobbigen
Schoolbelevenissen tussen het
twaalfde en vijftiende jaar:                 netnervige planten, tweezaadlobbigen,                                                                                     planten die een groene kelk en gekleurde                                                                                 kroon hebben

Dat Steiners indeling er iets gedetailleerder uitziet, doet m.i. niet zoveel ter zake: het gaat in wezen niet om ‘de wetenschappelijke indeling’.
Evenals bij je opmerkingen over het dierkunde-onderwijs vind je het op de een of andere manier afkeurenswaardig dat de vrijeschoolleerkrachten zich niet laten hinderen door wat Steiner als indeling voorstelt die niet helemaal overeen zou komen met een wetenschappelijke indeling. 

Veel meer dan om een wetenschappelijke indeling gaat het m.i. om de verbinding kind-wereld, precies zoals bij het dierkunde-onderwijs. Als ‘een wetenschappelijke indeling’ het gevoel voor deze verbinding in de weg zou staan, kan ik alleen maar toejuichen dat de vrijeschoolleerkracht zich niet laat hinderen: het gaat allereerst om die verbinding; het gaat om de liefde, de eerbied, de verwondering voor de plantenwereld.
Juist door deze indeling ontstaat er een grote belangstelling voor ‘de plant’: het gaat over de kinderen zelf.
Wanneer je de verhalen van Grohmann als leidraad neemt, heb je een uitstekend pedagogisch middel in handen om de kinderen méér te geven dan een ‘wetenschappelijke indeling’.

Wat een plezier en betrokkenheid was er niet in mijn klas – telkens weer – als we fotootjes meenemen van ‘wij als baby’. En hoezeer bleek Steiners karakterisering die Grohmann zo mooi uitwerkte, te kloppen met de belevenissen van de kinderen – ook bij de behandeling van de andere planten.
Wat een leuke voorbeelden konden de kinderen geven vanuit hun prilste kindertijd waar het bijv. ging over het nabootsen en het plantje dat dat prachtige laat zien: het mos.
Hoe mooi is het niet, wanneer een kind zegt, nadat je een mossoort hebt geschetst (zoals Grohmann dat doet) ‘wat lief!’
Dan mag je hopen dat er in de kinderbeleving iets terecht is gekomen van een eerbiedsgevoel.
Wat voor antroposofie heb ik daarmee in de klas gebracht?
Ik heb wel iets wezenlijks dankzij die visie in de klas kunnen brengen!

Wat ik zelf altijd wél veel meer antroposofie heb gevonden, is de karakterisering die Steiner van bepaalde planten geeft om daarmee zielenkwaliteiten aan te duiden. De kokette anjer, de zonnebloem als boerenbloem, boerse bloem enz.
Nu is het toeschrijven van deze zieleneigenschappen niet nieuw en ook weer niet typisch antroposofisch, maar je begeeft je m.i. op glad ijs, als je op deze manier óók een band wil scheppen tussen het kind en de plant.
Ik heb in de vele artikelen die er toch inmiddels aan de plantkunde zijn gewijd, eigenlijk nooit iets aangetroffen aan voorbeelden van hoe een leerkracht hiermee is omgegaan.
Mij is maar 1 antroposofisch boek bekend, waarin dit onderwerp is belicht:
Kranich: Planzen als Bilder der Seelenwelt 

Opmerkelijk vind ik ook, dat Steiner behalve dan in GA 294 en 295, in geen enkele andere pedagogische voordracht die vergelijking plant-kind en de vergelijking plant-zieleneigenschap aan de orde stelt.
Wat hij daarin wel onderstreept, is het belang van: GA 301: ‘een relatie tot de ons omringende wereld krijgen; een levendig samenhoren van mens en wereld; de plant beschouwen als samenhorend bij de aarde, zoals de haren bij het menselijke hoofd; GA 303: het kind moet de planten leren zien in samenhang met de aarde; een gevoel voor causaliteit ontwikkelen aan de aan de aarde gebonden planten; GA 304: aarde en plantendek vormen een eenheid; geef je op deze manier plantkunde, dan sla je een brug naar de wereld, een brug die er moet zijn wil er een gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld ontstaan.

Beste Luc,
Deze kleine opsomming is een wezenlijk deel van wat Steiner voor de plantkunde belangrijk vond. Als je zijn opvattingen ‘antroposofie’ wil noemen, wil jij deze uit het vrijeschoolonderwijs schrappen, want:

Je schrijft:
‘Het is dan ook een noodzaak dat alle elementen in een steinerschool die vanuit een antroposofische visie afkomstig zijn, eruit verwijderd worden.’

Ik hoop dat je kan inzien dat die visie die ik hierboven met enkele kernzinnen voor de plantkunde weergeef, voor mij – en met mij voor honderden vrijeschoolleerkrachten – een onderdeel vormt van waar de vrijeschool voor staat en waar die leerkrachten voor willen staan. Dat noem ik ook iets essentieels van de vrijeschool. Zoals jij het stelt, kan ik het niet anders zien, dan dat jij een vrijeschool wilt zonder dit essentiële. Maar dan heb je naar mijn opvatting dus geen vrijeschool meer.

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas plantkunde

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
‘Is de steinerschool een antroposofische school’:
.
[1-1] geschiedenis [1]
[1-2] geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[2] de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3] de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer 
spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen


.

.

1324-1237

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 9

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [10]  [11]  [12] [13]  [14]  [vragenbeantwoording bij de 9e voordracht]
.

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

9e voordracht Bazel, 4 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Dialect en schrijftaal:
dialect: gevoel en wil; schriftelijke taal: voorstellen
dialectsprekende kinderen hebben een innerlijker verhouding met de taal
plastisch en muzikaal element in het spreken
spraak en logica
grammatica leren bewust worden van logische krachten
onderwerploze zinnen
leven en abstractie in onderwerp en zelfstandig naamwoord
onderbewuste intelligentie van de mens; verkeerde interpretatie door psycho-analyse
grammatica en innerlijk gevoel voor stijl
7e jaar: geboorte van etherlijf, drager van het herinneringsvermogen; 14e jaar: geboorte van het astraallijf: zelfstandig voelen en willen, eigen oordeel
gevaar van verkeerd rekenonderwijs
gevolgen van te vroeg oordelen.
gedachtenassociaties.

Er is hier nogal eens sprake van ‘Sprache’. Dat kan ‘spraak’, maar ook ‘taal’ betekenen. Als ‘Sprache’ in één zin voorkomt met ‘sprechen’, kan het ‘spraak’ betekenen, maar ook nog ‘taal’. Ik heb ‘Sprache’ de ene keer zo, de andere keer zus vertaald, meer op gevoel, ook. Speel bij het lezen wat met deze vertaling van ‘Sprache’ in ‘spraak’ of ‘taal’.

blz. 137

Dialekt und Schriftsprache

Die Frage, die gestern nach dem Vortrage an mich gestellt worden ist, schließt sich in unmittelbarer Weise an das Erörterte an und wird im Zusammenhange mit dem in den letzten Tagen Gesagten sehr gut gerade heute behandelt werden können. Ich habe ja gestern versucht, wenigstens andeutungsweise zu charakterisieren, wie der Inhalt des Unterrichts- und Erziehungsstoffes das Wesentliche eigentlich nicht sein kann. Ich sagte, wir können nicht unmittelbar aus dem, was wir als vorliegendes Material in irgendeiner Wissenschaft oder sonst haben, gewissermaßen eine Popularisierung herausnehmen, für Kinder zu­rechtrücken, so wie wir Pflanzenkunde oder Tierkunde zurechtrücken und sie dann inhaltlich einfach den Kindern beibringen. Ich habe dar­auf aufmerksam gemacht, wie uns die Unterrichtsaufgabe zu einer Er­ziehungsaufgabe nur dadurch werden kann im Grunde genommen, daß wir imstande sind, eigentlich den Anschauungsunterrichtsstoff, wie er auch geartet sein mag, zu gleicher Zeit in Erziehungsleben umzuwan­deln.

dialect en schrijftaal

De vraag die na de voordracht van gisteren aan mij werd gesteld, sluit direct aan op wat ik wil gaan zeggen en kan heel goed in samenhang met wat de laatste dagen gezegd is, worden behandeld. Ik heb gisteren geprobeerd, tenminste als aanwijzingen te karakteriseren dat de inhoud van les- en opvoedingsstof eigenlijk niet het wezenlijke kan zijn. Ik zei, dat we niet zonder meer uit een of ander wetenschappelijk materiaal of iets anders dat voorhanden is, iets populair-wetenschappelijks kunnen halen om dat voor kinderen aan te passen, dus voor plant- of dierkunde aan te passen en dat dan inhoudelijk de kinderen te leren. Ik heb erop gewezen, hoe de onderwijsopdracht voor ons eigenlijk alleen maar een opvoedingsopdracht kan worden, wanneer we in staat zijn het sonderwijs waarbij iets waar te nemen is, hoe dat er ook uit moge zien, tegelijkertijd om te vormen tot iets wat als iets opvoedkundigs leeft.

Und ich habe das gestern für die Pflanzenkunde und für die Tier­kunde gezeigt, wenigstens andeutungsweise. In der Erziehungskunst haben wir immer mehr und mehr darauf hinzuarbeiten, daß wir ins­besondere vom 6., 7. Jahre bis zur Geschlechtsreife alles an das Kind so heranbringen, daß die Kräfte, die im Kinde selbst sich entwickeln wollen, wirklich zur Entwickelung gebracht werden.
Nun, wenn wir das können wollen, müssen wir dazu imstande sein, dasjenige, was uns gewissermaßen das Kind schon mitbringt, in der entsprechenden Art zu benutzen. Und ich habe aufmerksam darauf gemacht, daß uns ja ein großer Teil der Kinder etwas mitbringt, was wir ganz gut im Unterricht, im Erziehen verwenden können, das ist die Tatsache, daß eben eine große Anzahl von Kindern die Sprache als Dialekt in die Schule hereinbringt. Die Kinder sprechen Dialekt, und sie sprechen Dialekt in einer solchen Weise, daß dieser Dialekt bei

En ik heb dat gisteren voor plant- en dierkunde laten zien, tenminste als aanwijzingen. In de opvoedkunst moeten we er steeds meer naar toe werken dat we vooral vanaf het 6e, 7e jaar tot aan de puberteit het kind alles zo aanleren dat de krachten die in het kind zelf tot ontwikkeling willen komen, daadwerkelijk tot ontwikkeling worden gebracht.
Welnu, als we dit willen kunnen, moeten we in staat zijn om wat het kind al met zich meebrengt op een adequate manier te gebruiken. Ik heb erop gewezen dat een groot deel van de kinderen iets meebrengt wat we heel goed in het onderwijs, in de opvoeding kunnen gebruiken, het feit dat er nu eenmaal een groot aantal kinderen op school dialect spreekt. De kinderen spreken dialect en dat doen ze op een manier

blz. 137

ihnen entstanden ist unter dem Einflusse des Nachahmungsinstinktes. Wir werden uns, wenn wir wirklich für solche Dinge Beobachtungsgabe haben, überzeugen können, daß die dialektsprechenden Kinder ein viel innigeres Verhältnis zur Sprache haben als die nicht dialektsprechenden Kinder. Wie wir in der Schule verwerten können dieses Element des Dialektsprechens zu dem Elemente des sogenannten Schriftsprache-sprechens, darauf gerade bezog sich die gestern mir gestellte Frage.
Nun dürfen wir nicht übersehen, daß das innigere Verhältnis, das die dialektsprechenden Kinder zu ihrer Sprache haben, darinnen be­steht, daß der Dialekt als solcher, indem Worte, Sätze, gestaltet wer­den, viel intensiver gefühlt und gewollt wird als die sogenannteSchrift­sprache, die mehr beruht auf dem Vorstellen oder auf einem vom Vor­stellen hauptsächlich eingenommenen Fühlen. Jedenfalls, das Gemüts-leben ist weniger in der Schriftsprache, wenn das Kind sie vom An­fange an spricht, enthalten als im Dialekt. Und ebenso die Willens-impulse.

zoals dat is door het nabootsingsinstict.
We kunnen onszelf, wanneer we voor zulke dingen een opmerkingsgave hebben, ervan overtuigen dat de kinderen die dialect spreken een intiemere verhouding tot de taal hebben, dan de kinderen die dat niet doen. Hoe we op school dit dialectspreken kunnen gebruiken bij de schrijftaal heeft betrekking op de vraag die mij gisteren werd gesteld.
We mogen niet over het hoofd zien, dat de intiemere verhouding die de dialectsprekende kinderen tot hun taal hebben, eruit bestaat dat het dialect als zodanig, wanneer er woorden, zinnen gevormd worden, het gevoel en de wil veel intenser beleefd worden dan bij de zogenaamde schrijftaal die meer berust op het voorstellen of op het voorstellen dat hoofdzakelijk beheerst wordt door het gevoel. In ieder geval, in de schrijftaal zit minder gevoel wanneer het kind dit van meet af aan spreekt, dan in het dialect. Dat geldt ook voor de wilsimpulsen.

Das weist uns nun eigentlich von vornherein auf ein außerordentlich Wichtiges in allem Erziehen und Unterrichten hin, nämlich darauf, daß der Mensch, mehr als wir gewöhnlich annehmen, sein ganzes Wesen aus zwei Quellen schöpft, die wirklich sich zueinander verhalten wie Nordpol und Südpol. Wenn wir daher darauf hinausarbeiten, nach der einen oder nach der anderen Richtung die Erziehung oder den Unterricht zu gestalten, wenn wir vorzugsweise darauf hinausarbeiten, alles auf Anschauung zu begründen, alles darauf zu begründen, daß das Kind gewissermaßen urteilend Anschauungen, die ihm vorliegen, zusammenfaßt und sich dadurch allmählich heranbildet, so gehen wir nach einem Extrem. Bilden wir das Kind vorzugsweise dadurch aus, daß wir auf sein Erinnerungsvermögen oder auch auf die Hinnahme durch die Autorität rechnen, so gehen wir nach einem anderen ein­seitigen Extrem.
Das zeigt sich insbesondere bei der Sprache, daß zwei Extreme stets in der Menschennatur zusammengehören. Nämlich die Sprache selbst hat in sich ein deutlich wahrzunehmendes musikalisches Element, ein musikalisches Element, das mit der menschlichen Innerlichkeit streng zusammenhängt. Dann aber hat die Sprache zu gleicher Zeit ein plasti­sches Element, ein zeichnendes Element. Wir versuchen, ohne daß wir uns dessen bewußt werden, schon als ganz kleine Kinder im Sprechen dasjenige nachzuahmen, was wir durch die Sinne wahrnehmen. Insbesondere

Dat wijst ons van begin aan eigenlijk op iets buitengewoon belangrijks voor de gehele opvoeding en het onderwijs, en wel zo dat de mens, meer dan wij gewoonlijk aannemen, zijn hele wezen uit twee bronnen voedt die zich tot elkaar verhouden als de noord- tot de zuidpool. Vandaar, dat als we zo te werk gaan dat we in de ene of in de andere richting opvoeding of onderwijs zo vorm geven, we dan, wanneer we er voornamelijk naartoe werken bij alles de aanschouwelijkheid als basis te geven, alles daarop laten rusten dat het kind zogezegd oordelend de waarnemingen die het doet, samenvat en zich daardoor stap voor stap ontwikkelt, we dan naar een extreem toewerken. Vormen we het kind voornamelijk zo dat we op zijn herinneringsvermogen of ook op zijn toewijding aan de autoriteit rekenen,we naar het andere eenzijdige extreem gaan.
Op een bijzondere manier laat de taal zien dat steeds twee uitersten in de natuur van de mens bij elkaar horen. De taal zelf heeft een duidelijk waarneembaar muzikaal element in zich, dat nauw samenhangt met het innerlijk van de mens.
Maar ook heeft de taal tegelijkertijd een plastisch element, een vormend element. Wij proberen, zonder dat we ons daarvan bewust worden, als heel klein kind al in het spreken na te booten wat we door de zintuigen waarnemen. In het

blz. 138

an der Sprache wird es nun klar, wie das Musikalische und das Plastische nach zwei ganz entgegengesetzten Richtungen hin arbei­ten. Entwickeln wir bei einem Menschen mehr das musikalische Ele­ment, welches insbesondere in Anlehnung an das Autoritätsgefühl in der Schule seine Ausbildung finden wird, dann vernichten wir dadurch dasjenige, was im Kinde als plastischer Trieb ist. Sehen Sie, das musi­kalische Element der Sprache, das entwickelt sich unter dem Einflusse der Autorität so, daß das Kind fortwährend eigentlich den Instinkt hat, den Trieb hat, so zu sprechen bis in die geringsten Einzelheiten des Tonfalles hin, wie derjenige spricht, der als Autorität empfunden wird. Die Anpassung an das musikalische Element der Autorität, das ist – ob wir nun dogmatisch sagen: das ist richtig oder unrichtig -, das ist da, das ist einfach durch die Natur des Kindes da. Man wird sehr bald sehen, wenn man für so etwas Beobachtungsgabe hat, wie sich dieses musikalische Element der Sprache anpaßt an denjenigen, der das Kind erzieht oder unterrichtet.

bijzonder aan de taal wordt het ons nu duidelijk, hoe het muzikale en het plastische in twee totaal tegengestelde richtingen werken. Wanneer we bij de mens meer het muzikale element dat in het bijzonder gedragen wordt door het autoriteitsgevoel, op school tot ontwikkeling laten komen, doen we teniet wat in het kind de plastische drang is. Het muzikale element van de taal ontwikkelt zich onder invloed van de autoriteit zodanig dat het kind voortdurend eigenlijk het instinctieve gevoel, de drang heeft, net zo te spreken als degene die als autoriteit beleefd wordt, tot in de kleinste bijzonderheden van de intonatie aan toe. Het zich aanpassen aan het muzikale element van de autoriteit,  – of we nu dogmatisch zeggen: dat is goed of fout – bestaat, simpelweg door de natuur van het kind. Je zal al snel zien, wanneer je voor zoiets een opmerkingsgave hebt, hoe dit muzikale element van de taal zich aanpast aan degene die het kind opvoedt of lesgeeft.

Nun ist aber die einseitige Ausbildung dieses musikalischen Elemen­tes der Sprache geradezu vernichtend für das plastische Element der Sprache. Der Mensch wird immer mehr und mehr dazu gedrängt, wenn er nur diesem musikalischen Element der Sprache folgt, die Sprache überhaupt zu verinnerlichen, nurniehr in einer gewissen Weise seinen Gefühlen, seinen Empfindungen zu folgen, indem er gleichsam un­bewußt wiedererzeugt Tonfall, besondere Betonung, besondere Nuan­cierung der Vokale, wie er sie in Anpassung an den Menschen ent­wickelt, den er als Autorität empfindet. Das aber tritt erst dann so recht ein, wenn wir das Kind in der Volksschule herinnen haben. We­niger ist das der Fall, wenn das Kind in dem Lebensalter steht von der Geburt bis zur Volksschule hin, in dem es die Sprache zuerst lernt. Da ist das Kind Nachahmer, und es entwickelt die Sprache aus dem ganzen Menschenwesen heraus unter fortwährender Anpassung des übrigen Organismus an die menschliche Umgebung. Da greift vieles in das Sprechen ein, was dazu führt, daß das Sprechen sich plastisch gestaltet. Aber weil ja der Mensch Nachahmer ist, Nachahmer bis in das innerste Getriebe seines Wesens hinein, so bildet sich das plastische Element in dieser Zeit zu gleicher Zeit innerlich aus. Wir können auf einen durch­greifenden Unterschied in der Sprachentwickelung hinweisen. Von der Geburt bis zum Zahnwechsel bildet das Kind seine Sprache plastisch aus. Wenn dann das Kind das Glück hat, sich in diesem Lebensabschnitt

Nu is echter de eenzijdige ontwikkeling van dit muzikale element van de spraak juist voor het plastische element dodelijk. De mens wordt er steeds meer toe genoodzaakt, wanneer hij slechts dit muzikale element van de taal volgt, de taal te verinnerlijken, nog maar op een bepaalde manier zijn gevoel, zijn gewaarwordingen te volgen, wanneer hij a.h.w. onbewust de intonatie, de bijzondere accentueringen, bijzondere kleuring van de klinkers in zichzelf laat ontstaan, zoals hij die door zich aan te passen aan de mens die hij als autoriteit beleeft, ontwikkelt. Dat vindt dan pas echt op deze manier plaats, wanneer het kind op de basisschool zit. Het is minder het geval, wanneer het kind de leeftijd heeft van geboorte tot aan de basisschool, wanneer het voor het eerst de taal leert. Dan is het kind nog een nabootser en het ontwikkelt de taal vanuit zijn hele mensenwezen onder een voortdurende aanpassing van het overige organisme aan de menselijke omgeving. Er is veel invloed op het spreken en dat leidt ertoe dat het spreken zich plastisch ontwikkelt. Maar omdat de mens een nabootser is, nabootser tot diep in zijn wezen, wordt het plastisch element in deze tijd tegelijkertijd innerlijk gevormd. We kunnen wijzen op een ingrijpend verschil in de ontwikkeling van taal. Vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling vormt het kind zijn taal plastisch. Wanneer het kind geluk heeft zich op deze leeftijd

blz. 139

an eine Dialektsprache anpassen zu können, die von vornherein schon innerlicher mit dem Menschen verbunden ist als die Schriftsprache, so ist das Kind viel mehr willensgemäß und autoritätsgeniäß bei der Sprachbildung, intimer mit der Sprache verbunden als bei der Schrift­sprache.
In der Volksschule selbst, da tritt dann eben an die Stelle des plasti­schen Elementes, wie ich gesagt habe, das musikalische Element. Es wirkt schon das Innerliche. Aber weil die Verinnerlichung, das mu­sikalische Element als solches, dem plastischen entgegenwirkt, so ist es nötig, daß wir dasjenige, was das Kind schon hat, was es uns mitbringt, was es durch seine Kräfte bis zum 6. und 7. Jahre mit der Sprach-entwickelung herangebildet hat, daß wir das wirklich im Volksschul­erziehen und -unterrichten entsprechend benützen.
Nun hat das Kind im weitesten Umfange gerade an der Sprache etwas, wo sein Unbewußtes im hohen Grade gewirkt hat. Und wir müssen schon von der Tatsache lernen, daß bei primitiven Völkern oft­mals eine viel reichlichere Grammatik ausgebildet ist als in den Spra­chen, die schon einer höheren Zivilisation entsprechen.

aan een dialect te kunnen aanpassen dat vanaf het begin al innerlijker met de mens verbonden is dan de schrijftaal, dan is het kind veel meer wat zijn wil betreft en wat betreft zijn autoriteitsgevoel bij de taalvorming, intiemer met de taal verbonden dan bij de schrijftaal.
Op de basisschool zelf komt dan in plaats van het plastische element, het muzikale element. Het innerlijk is actief. Maar omdat de verinnerlijking, het muzikale element als zodanig het plastische tegenwerkt, is het nodig wat het kind al heeft, wat het meebrengt, wat het op eigen kracht tot het 6e, 7e jaar met de taalontwikkeling ontwikkeld heeft, dat wij dit daadwerkelijk in de basisschoolopvoeding en het onderwijs adequaat gebruiken.
Nu heeft het kind in de ruimste zin van het woord juist met de taal iets waaraan zijn onbewuste in hoge mate heeft gewerkt. En we moeten al van het feit leren dat bij eenvoudige volken dikwijls een veel rijkere grammatica tot ontwikkeling is gekomen dan in de talen die bij een hogere beschaving horen.

Man berück­sichtigt das außerhalb des Kreises einer eigentlichen Geisteswissenschaft wenig, was man doch aber als ein gesichertes Ergebnis einer wirklichen Menschenbeobachtung betrachten muß: daß der Mensch aus seinem Inneren heraus Logik entwickelt, daß er die Sprache wirklich logisch gestaltet, daß wir nicht nötig haben, Grammatik ihm anders beizubrin­gen als dadurch, daß wir dasjenige, was im Sprachaufbau schon fertig gebildet ist, zum Bewußtsein bringen. Mit dem Grammatiklernen und
-lehren haben wir im wesentlichen die Tendenz zu verfolgen, das Auf­wachen des Kindes zu fördern, das Bewußtwerden zu fördern – also innere Kräfte, die sich entwickeln können gerade um das 9. Lebensjahr herum – in dem Sinne, wie ich das charakterisiert habe. Wir müssen das Element des Sprachunterrichts dazu benützen, um fortwährend das Kind weiter aufzuwecken. Das werden wir besser können, wenn wir jede Möglichkeit, die sich uns ergibt, aus dem Dialekt heraus zu wirken, benützen. Dann, wenn das Kind von vornherein, vor dem 7. Jahre, die gebildete Umgangssprache oder die sogenannte Schriftsprache ge­lernt hat, dann kommen wir außerordentlich schwer jenem Unbewuß­ten im Menschen bei, das dann schon in einem gewissen Sinne abgestor­ben ist, jenem Unbewußten, welches ein ganz naturgemäßes Verhältnis zu der logischen Formung der Sprache hat. So daß wir, wenn wir in

Buiten de kring van een echte geesteswetenschap let men er weinig op wat je echter toch als een bewezen resultaat van een echte waarneming van de mens moet beschouwen: dat de mens vanuit zijn innerlijk, logica ontwikkelt, dat hij de taal daadwerkelijk logisch vormgeeft, dat het niet nodig is hem grammatica bij te brengen anders dan dat we tot bewustzijn brengen wat in de opbouw van de taal al klaar ligt. Met het leren van grammatica en het aanleren ervan moeten we in wezen de tendens volgen, de kinderen wakkerder te maken, het bewuster te maken – dus innerlijke krachten die zich met name kunnen ontwikkelen rondom het 9e jaar – zoals ik dat heb gekarakteriseerd. We moeten het taalonderwijs gebruiken om het kind steeds maar wakkerder te maken. Dat zal beter gaan wanneer we iedere mogelijkheid aangrijpen die zich aandient om vanuit het dialect te werken. Wanneer het kind van begin af aan, vóór het 7e jaar die beschaafde omgangstaal of de schrijftaal geleerd heeft, komen we buitengewoon moeilijk bij het onbewuste in de mens dat dan al in zekere zin een beetje teloor is gegaan, dat onbewuste dat een heel natuurlijke verhouding heeft tot de logische vorm van de taal. Zodat we, wanneer we in

blz. 140

der Klasse beisammen haben dialektsprechende Kinder und solche, die nicht den Dialekt sprechen, wir eigentlich immer den grammatischen Unterricht anknüpfen sollen an dasjenige, was uns die dialektsprechen­den Kinder an die Hand geben.
Wir wollen versuchen, zuerst den Aufbau des Satzes und dann des Wortes aus dem Dialekt heraus zu suchen. Das können wir dann, wenn wir etwa einfach so vorgehen, daß wir das Kind aussprechen lassen, sagen wir, einen Satz, einen möglichst einfach gestalteten Satz. Er wird immer etwas in sich enthalten, was die Hauptsache ist, die inner­liche Verlebendigung einer Tätigkeit. Und je mehr wir ausgehen von der innerlichen Verlebendigung einer Tätigkeit, desto mehr werden wir dazu kommen, das Aufwachen des Bewußtseins beim Kinde gerade durch den Sprachunterricht zu bewirken.
Ich möchte da etwas berühren, was außerordentlich interessant ist. Es gibt eine ausgebreitete, sehr scharfsinnige und geistreiche Literatur über die sogenannten subjektlosen Sätze: es regnet, es blitzt, es wetter-leuchtet und so weiter. Sowohl Sprachgelehrte wie Philosophen haben sich an der Literatur über diese sogenannten subjektlosen Sätze be­teiligt.

de klas de kinderen die dialect spreken en de kinderen die dat niet doen bij elkaar hebben zitten, we eigenlijk steeds met de grammaticales moeten aanknopen bij wat de dialectsprekende kinderen ons aanreiken.
We gaan eerst proberen de opbouw van een zin en dan van een woord vanuit het dialect te zoeken. Dat gaat wanneer we een beetje eenvoudig te werk gaan, dan zo, dat we het kind een zin, een zo eenvoudige mogelijke zin, laten uitspreken. Er zal altijd wel iets inzitten dat de hoofdzaak is, de innerlijke tot leven gebrachte activiteit. En hoe meer we hiervan uitgaan, des te beter zal het ons lukken het het bewustzijn van het kind te wekken met name dat door het taalonderwijs tot stand te brengen.
Ik zou iets willen aanstippen, wat buitengewoon interessant is. Er bestaat een uitgebreide, zeer scherpzinnige en geestrijke literatuur over de zogenaamde onderwerploze zinnen: het regent, het bliksemt, het dondert enz. Zowel taalleraren als filosofen hebben zich met de literatuur over deze zogenaamde onderwerploze zinnen beziggehouden.

Aber dasjenige, was das Wesentliche ist, findet sich eigentlich in dieser ganzen Literatur kaum gestreift. Das Wesentliche ist, daß diese Sätze eigentlich der kindlichsten Auffassung entsprechen. Diese Sätze entsprechen jenem Fühlen im Kinde, das dann bleibt bei einem noch nicht verbildeten Menschen, wo die Seele sich eins fühlt mit der äußeren Welt, wo sie noch nicht jenen Unterschied herbeigeführt hat zwischen dem Ich und zwischen der äußeren Welt. Wenn ich sage: es regnet -so liegt dem noch ein unbewußtes Gefühl davon zugrunde, daß das-lenige, was da draußen an Tätigkeit vollzogen wird, sich einfach fort­setzt in dem Raume, der innerhalb meiner Haut liegt, daß da nicht ein Ich sich entgegenstellt der Außenwelt. Man fühlt in der Welt, indem man sagt, es regnet, es wetterleuchtet, es blitzt; man fühlt sich nicht getrennt von der Welt. In einem gewissen Sinne sind diese sogenannten subjektlosen Sätze die ursprünglichsten Sätze der Menschennatur. Sie sind einfach die erste Stufe, auf der die Sprache sich entwickelt, ein als Tätigkeit angedeutetes zum Stehen zu bringen. Ursprünglich nehmen wir ja – das beachten wir nicht genügend – alle Welt eigentlich als Tätigkeit wahr. Wir übersehen in einem gewissen Sinne gerade im allerzartesten Kindesalter alles dasjenige, was hauptwörtlich, was sub­stantivisch ist. Das nehmen wir als etwas Selbstverständliches hin. Dagegen

Maar wat het meest wezenlijke is, vind je in die hele literatuur niet behandeld. Dat is, dat deze zinnen eigenlijk aan de meest kinderlijke opvatting beantwoorden. Deze zinnen beantwoorden aan dát gevoel in het kind dat een mens dan behoudt, die nog geen verkeerde scholing heeft gehad, bij wie de ziel zich nog één voelt met de uiterlijke wereld, bij wie deze scholing nog geen verschil tussen Ik en de uiterlijke wereld heeft laten ontstaan. Wanneer ik zeg: ‘Het regent’ – ligt daaraan nog een onbewust gevoel ten grondslag dat wat daarbuiten aan activiteit plaatsvindt, gewoon verder gaat in de ruimte die besloten ligt binnen mijn huid, dat er geen Ik is dat tegenover de wereld staat. Je voelt mee met de wereld als je zegt: het regent, het onweert, het bliksemt; je voelt je niet apart staan van de wereld. In zekere zin zijn de zogenaamde onderwerploze zinnen de meest oorspronkelijke zinnen van de mensennatuur. Ze zijn eenvoudigweg het eerste niveau waarop de taal zich ontwikkelt, wat als activiteit wordt benoemd, komt hier tot stilstand. Oorspronkelijk nemen we – dat hebben we niet genoeg in de gaten – de hele wereld als activiteit waar. Op een bepaalde manier zien we in de allerprilste kindertijd niet wat onder de zelfstandige naamwoorden valt, wat dingachtig is. Dat is voor ons gewoon vanzelfsprekend.

blz. 141

fällt uns vor allen Dingen dasjenige auf, was tätig ist, was als Tätigkeit unsere eigene Tätigkeit aufnimmt. Sie werden sagen, dem widerspricht, daß das Kind ja zuerst »Papa« sagt oder »Dada» sagt. Das widerspricht dem nicht, denn, indem es gerade diese Lautfolge ausspricht, verlebendigt es die Tätigkeit, die die betreffende Persönlich­keit an es heranträgt. Überall werden Sie bemerken, daß das Sprechen-lernen zunächst eine Verlebendigung der Tätigkeit ist, und daß das Substantivische erst hinterher kommt. Das ist etwas, was wir dann, wenn wir auf das Dialektische sehen, durchaus berücksichtigen können. Denn die Dialektworte – versuchen Sie sie nur einmal nachzuempfin­den, gerade indem Sie sie das Kind aussprechen lassen und sie dann nachfühlen in sich selber -, die Dialektworte sind so, daß ein Hinein-leben in die Gebärde, die das Dialektwort begleiten könnte, unendlich nahe liegt. Das Dialektwort fordert viel mehr heraus, daß der Mensch daran Anteil nimmt, daß er sich da hineinlebt. Und indem man das Dialektwort durchfühlen läßt, kann man geradezu an diesem Dialekt-wort dann auseinanderhalten, was schon eine Abstraktion ist, Subjekt und Prädikat.

Daarentegen valt het ons vooral op, wat actief is, wat als activiteit onze eigen activiteit opneemt. U zal zeggen, dat is toch in tegenspraak met dat het kind eerst ‘papa ‘zegt, of ‘dada’. Maar dat is niet in tegenspraak, want wanneer het die klankvolgorde uitspreekt, verlevendigt het de werking die van de betreffende persoonlijkheid naar het kind uitgaat. Overal zal u zien dat het leren spreken eerst een verlevendiging is van de activiteit en dat het substantieve pas later komt. Dat is iets waar we dan, wanneer we naar het dialectische kijken, zeer zeker rekening mee kunnen houden. Want de dialectwoorden – probeert u dat maar eens een keer na te voelen, vooral wanneer u ze door het kind laat uitspreken en u voelt ze in uzelf  opnieuw -, zijn zo, dat het zich  kunnen inleven in de gebaren die het dialectwoord zouden kunnen begeleiden, voor het grijpen ligt. Het dialectwoord vraagt veel meer dat de mens er deel aan heeft, dat hij zich erin inleeft. En als je het dialectwoord aanvoelt, kun je precies uit elkaar houden wat al abstractie is, onderwerp en gezegde.

Das Prädikat ist hergenommen von der Tätigkeit; das Subjekt ist eigentlich immer etwas, was der Mensch nur durch seinen Intellekt auf Grundlage der Tätigkeit abstrakt bildet. Wenn wir ge­radezu uns Dialektsätze vorsprechen lassen und dann betrachten die Bilder, die dadurch geliefert werden, und daran durch Veranschau­lichung desjenigen, was eigentlich der Mensch empfindet, Grammatik und Satzlehre entwickeln, dann benützen wir tatsächlich den gram­matischen, den Satzlehreunterricht dazu, uni das Kind immer mehr und mehr zum Erwachen zu bringen.
Und dann können wir sehr schön aufeinander wirken lassen das­jenige, was dialektisch vorgebracht wird, es übersetzen lassen in die sogenannte Schriftsprache, und daran zeigen in der unmittelbaren Emp­findung, im lebendigen Wechselverkehr mit den Kindern, wie ein ge­wisses Aroma der Sprache abgestreift wird in der sogenannten gebilde­ten Umgangssprache, in der Schriftsprache. Wir können ja dann so recht erst übergehen auf dasjenige, was uns die Schriftsprache auch innerlich eigen machen kann, das ist eine gewisse Ausbildung, Heran-schulung des Denkens. Denn bei der Schriftsprache müssen wir viel mehr auf die Ausbildung des zugrunde liegenden Gedankens sehen, als bei dem Dialekt. Der Dialekt unterrichtet uns ja unmittelbar da­von, daß der Mensch nicht aus dem Denken heraus das Sprechen gebildet 

Het gezegde is uit de activiteit gehaald; het onderwerp is eigenlijk steeds iets wat de mens alleen maar door zijn intellect op basis van de activiteit abstract vormt. Wanneer we ons dialectzinnen laten voorspreken en dan kijken naar de beelden die ze met zich meebrengen en daaraan, door zichtbaar te maken wat de mens eigenlijk beleeft, grammatica en zinsleer ontwikkelen, benutten we daadwerkelijk het grammatica- en het zinsleeronderwijs om het kind steeds wakkerder te maken.
En dan kunnen we heel mooi op elkaar laten inwerken wat door het dialect naar voren wordt gebracht, het laten omzetten naar de schrijftaal en daaraan dan tonen in de directe beleving, in het levendige wisselspel met de kinderen hoe iets eigens van de taal wegvalt in de zogenaamde gevormde omgangstaal, in de schrijftaal. Dan pas kunnen we goed overgaan naar wat de schrijftaal ons innerlijk laat eigen maken, een bepaalde ontwikkeling, een ontplooiing van het denken. Want bij de schrijftaal moeten we veel meer op het ontwikkelen van de eraan ten grondslag liggende gedachten letten, dan bij het dialect. Het dialect leert ons meteen dat de mens het spreken niet uit het denken heeft gevormd,

blz. 142

hat, sondern daß er an der Sprache das Denken gelernt hat, daß also die Sprache erst aus dem Unbewußten des Menschen heraus­gekommen ist. Und indem der Mensch an der Sprache beobachtet hat, sind ihm hervorgegangen aus der Sprache eigentlich erst die Gedanken. Wenn wir dies richtig empfinden, dann werden wir ein lebendiges Gefühl mit dem verbinden, was ich den Sprachgenius nennen möchte, weil es immer so genannt worden ist, was ich aber in einem viel kon­kreteren Sinne verstehen möchte, als es gewöhnlich verstanden wird. Die Sprache ist in vieler Beziehung viel, viel gescheiter als der einzelne Mensch. Wir können tatsächlich uns in frühester Kindheit in den gan­zen komplizierten Sprachorganismus hineinfinden und erst später ent­decken, welche wunderbaren Zusammenhänge, die man nur durch eine sehr scharfsinnige Logik enthüllen kann, aus unserer unbewußten Natur heraus in die Sprache hineinkommen. In der Sprache wirkt Geistiges. Aber man wird nicht zum Verstehen dieses Geistigen kom­men, wenn man dieses Geistige nur in seiner abstrakten Form im Men­schen wirksam betrachtet, so wie man das heute in dem materialisti­schen Zeitalter gerne tut.

maar dat hij van het spreken het denken heeft geleerd, dat dus de spraak eerst uit het onbewust van de mens  tevoorschijn is gekomen. En omdat de mens de spraak heeft waargenomen, zijn uit de spraak pas zijn gedachten ontstaan. Wanneer we dit op een goede manier invoelen, zullen we een levendig gevoel verbinden met wat ik de spraakgenius zou willen noemen, omdat deze altijd zo genoemd is, die ik echter in een veel concreter opzicht zou willen begrijpen dan wat hieronder gewoonlijk wordt verstaan. De taal is in vele opzichten vele malen intelligenter dan de individuele mens. Wij hebben daadwerkelijk in onze vroegste kinderjaren geen moeite met het heel ingewikkelde spraakorganisme en pas later ontdekken we, wat voor wonderbaarlijke samenhangen die je alleen maar door een zeer scherpzinnige logica te weten kan komen, uit onze onbewuste natuur in de taal terechtkomen. In de taal werkt de geest. Maar tot het begrijpen daarvan kom je niet, wanneer je dit geestelijke alleen maar in zijn abstracte vorm, werkzaam in de mens, bekijkt, zoals men dat tegenwoordig graag doet in de materialistische tijd.

Da darf ich wiederum etwas berühren, was gerade oftmals erzählt wird als Grundlage der analytischen Psychologie, der Psycho-Analyse, was aber in einem ganz anderen Sinne erfaßt werden muß, als ge­wöhnlich die Psycho-Analytiker das tun. Nehmen wir etwas, was im­mer im Leben vorkommen kann: Eine Dame ist eingeladen in einem Hause; sie geht zu einer Abendunterhaltung, die gerade veranstaltet wird in dem Hause, weil die Frau des Hauses selber an jenem Abend wegen einer Erkrankung ins Bad zu gehen hat. Die Dame geht zu dieser Abendunterhaltung. Noch am selben Abend muß die Frau des Hauses in ihr Bad abreisen. Die Abendgesellschaft geht fort, da der Mann seine Frau eben zur Bahn begleitet. Die Abendgesellschaft geht nun die Straße entlang. Um die Ecke kommt eine Droschke. Diese Droschke, die fährt zunächst sehr rasch. Die ganze Gesellschaft weicht aus nach links und rechts auf den Straßendamm. Nur die Dame, die an jenem Abend eingeladen war, die läuft vor den Pferden her, läuft und läuft, und ist trotz aller Grobiansausbrüche des Kutschers nicht dazu zu brin­gen, zur Seite zu laufen. Sie tut noch mehr. Als der Wagen über eine Brücke fährt, sie kennt wahrscheinlich die Situation ganz gut, da wirft sie sich ins Wasser hinein. Sie muß gerettet werden. Die ganze Gesell­schaft weiß nichts anderes mit ihr anzufangen, als sie in das Haus zurückzubringen,

Ik zou opnieuw wat willen aanstippen, wat vaak verteld wordt als een pijler van de analytische psychologie, de psychoanalyse, wat op een heel andere manier opgevat moet worden dan de psychoanalytici gewoonlijk doen. Laten we iets nemen, wat in het leven af en toe wel kan gebeuren: een dame is uitgenodigd in een huis; ze gaat naar een avondlijke bijeenkomst die nu in dit huis plaatsvindt, omdat de vrouw des huizes zelf op deze avond wegens ziekte nog naar een kuurbad moet. De dame gaat ’s avonds naar deze bijeenkomst. Nog op dezelfde avond moet de vrouw des huizes de reis naar het bad nog maken. Het avondlijke gezelschap gaat weg, omdat de man zijn vrouw nog naar de trein moet brengen. Het gezelschap loopt op straat. Om de hoek verschijnt een koets, die erg hard rijdt. Het hele gezelschap wijkt naar links en rechts uit. Alleen de dame die deze avond was uitgenodigd, gaat voor de paarden lopen, ze loopt en ze loopt en ondanks het onbehouwen gefoeter van de koetsier is ze niet te bewegen opzij te gaan. Ze doet nog meer. Als de wagen over een brug rijdt, zij kent de situatie daar waarschijnlijk heel goed, springt ze in het water. Ze moet gered worden. Het hele gezelschap weet niet anders te doen, dan haar terug te brengen

blz. 143

in dem sie eingeladen war. Nun hören wir den Psycho­Analytiker. Der sagt: Da ist eine isolierte Seelenprovinz. Diese Dame hat als Kind einmal einen Schreck erfahren durch ein Pferd, von dem es verfolgt wurde und dergleichen. Das ist dann hinuntergegangen in die Untergründe des Seelenlebens. Jetzt, an diesem Abend just, kommt das wieder herauf. Es ist eine geistvolle Theorie, eine Theorie, die sehr gefangennehmeri kann. Aber vor dem, der gelernt hat, Wirklichkeit zu beobachten, der gelernt hat, gerade durch geisteswissenschaftliche Ver­tiefung in die Wirklichkeit sich hineinzuversetzen, für den kann diese Erfahrung nicht gelten, denn etwas ganz anderes ist richtig. Die Dame nämlich – man kann nicht anders, als die Wahrheit eben sagen – ist einfach in den Herrn des Hauses verliebt, und sie ist sehr froh, daß sie zu dieserAbendunterhaltung eingeladen worden ist gerade an dem Tage, wo die Frau des Hauses ins Bad gehen muß. Das alles würde sich die Dame nicht eingestehen; denn sie ist ja eine anständige Dame. Sie kann eine sehr, sehr anständigeDame in ihremOberbewußtsein sein;aber was sie sich nicht eingesteht, wirkte in ihrem Unterbewußtsein. Sie richtet daher alles so ein, daß nichts anderes dabei herauskommen kann, als daß die ganze Abendgesellschaft sie zu der Zeit wieder ins Haus zurück­bringt, wo die Frau des Hauses ins Bad abgeschoben ist. Das hat sie ja gewollt vom Anfang an, aber sich nicht zum Bewußtsein gebracht.

naar het huis waar ze was uitgenodigd. Nu luisteren we naar de psychoanalyticus: hij zegt: er is sprake van een geïsoleerd deel van de ziel. Deze dame is als kind ooit eens heel erg geschrokken van een paard, dat haar nazat en zo. Dat is weggezakt naar de diepten van het zielenleven. Nu, juist vanavond, komt dat weer omhoog. Het is een sprankelende theorie, een theorie die kan fascineren. Maar voor iemand die geleerd heeft naar de realiteit te kijken, met name door geesteswetenschappelijke verdieping zich in de realiteit te verplaatsen, kan dit niet gelden, want het is iets heel anders. De dame namelijk – je kan niet anders dan maar de waarheid zeggen – is gewoon verliefd op de heer des huizes en ze is erg blij dat zij voor deze avondbijeenkomst werd uitgenodigd, vooral op de dag dat de vrouw des huizes naar een bad moest. Dat alles zou de dame niet toegeven; want het is een fatsoenlijke dame. Nu kan ze wel een zeer, zeer fatsoenlijke dame zijn in haar bovenbewustzijn, maar wat ze niet toegeeft, werkt in haar onderbewustzijn. Ze organiseert alles zodanig, dat het niet anders af kan lopen dan dat het hele gezelschap haar weer tijdig naar het huis terugbrengt waaruit de vrouw des huizes naar een bad vertrokken is. Dat wilde ze vanaf het begin, maar dat was haar niet bewust.

Da sehen Sie das Beispiel, wie Denken, Schlauheit, Intelligenz wir­ken, ohne daß sie durch das Bewußtsein des Menschen wirken. Wer das Leben beobachten kann, der weiß, wie es Menschen gibt, die von langer Hand her irgend etwas, was sie erreichen wollen, einrichten und keine Ahnung davon haben in ihrem Bewußtsein, daß sie das so tun; aber es ist alles sehr systematisch nach einem bestimmten Ziele hin eingerichtet. Dessen müssen wir uns vor allen Dingen bewußt werden, daß Vernunft, Verstand, nicht nur etwas ist, was wir ausbilden, sondern daß das etwas ist, was in dem Wesen selber wirkt, was in uns längst wirkt, bevor wir es heraufholen in unser Bewußtsein.
Was wir als Sprachlehre dem Kinde beibringen, wirkt ja in dem Kinde längst, bevor wir es aus dem Bewußtsein herausholen. Wir sollen es daher gar nicht in der Absicht heraufholen, daß das Kind daran die Richtkräfte lernt für sein Sprechen oder für sein Schreiben, sondern wir sollen es herausholen unter dem Gesichtspunkt, daß das Kind auf­wacht, daß es sich zum Bewußtsein bringt dasjenige, was unbewußt in ihm wirkt. Ob wir die eine oder die andere Absicht haben im Unterricht

Daar heb je het voorbeeld hoe denken, sluwheid, intelligentie werken, zonder dat ze door het bewustzijn van de mens werken. Wie het leven kan waarnemen, weet dat er mensen zijn die lang van te voren ergens iets wat ze willen bereiken, organiseren en er geen notie van hebben in hun bewustzijn dat ze dat doen; maar het is allemaal zeer systematisch gericht op een bepaald doel. ʢ1 We moeten ons vooral bewust zijn, dat het vernuft, het verstand niet alleen iets is, wat wij vormen, maar dat het iets is wat in het wezen zelf werkzaam is, wat in ons langer werkzaam is, alvorens het uit het bewustzijn op te halen.
Wat wij het kind aan grammatica bijbrengen, is in het kind allang actief, voor wij het bewust maken. We moeten het daarom niet met de bedoeling ophalen dat het kind daaraan zijn spreken of zijn schrijven richting leert geven, maar dat we het naar boven halen onder het gezichtspunt dat het kind wakkerder wordt, dat het zich bewust wordt wat onbewust in hem werkt. Of we de ene of de andere bedoeling hebben in het

blz. 144

und Erziehen, darauf kommt ungeheuer viel an. Die Absichten im Unterrichten und Erziehen, die sind es, auf die wir immer wieder und wiederum hinschauen sollen. Und weil die Dialektsprache eben inniger zusammenhängt mit diesem Unbewußten, so können wir aus der Dialektsprache wirklich Grammatik und Satzlehre herausholen, indem wir auf dem bauen, was als Vernunft in der menschlichen Wesenheit selber lebt. Sind wir aber genötigt, mit Kindern zu arbeiten, die von vornherein die gebildete Umgangssprache oder die sogenannte Schrift­sprache sprechen, dann müssen wir nun auch womöglich wenig darauf rechnen, daß der Intellekt eine Art Grammatik als Richtschnur aus­bildet und man sich dann nach dieser Richtschnur richtet, indem man Dativ, Akkusativ und so weiter schreibt, indem man an einer bestimm­ten Stelle einen Punkt setzen läßt und so weiter, sondern da muß etwas anderes eintreten. Sind wir genötigt, Kinder zu unterrichten, die dialektfrei vom Anfange an sprechen, dann müssen wir den Unterricht in Grammatik vor allen Dingen künstlerisch wiederum einrichten, dann müssen wir an das Stilgefühl appellieren. Der Sprachinstinkt, der wird in die Volksschule mitgebracht.

onderwijs en de opvoeding, daar komt ongelooflijk veel op aan. Steeds opnieuw moet je kijken naar wat je je voor de opvoeding en het onderwijs hebt voorgenomen. En omdat de dialecttaal inniger samenhangt met dit onbewuste, kunnen wij dus uit de dialecttaal daadwerkelijk grammatica en zinsleer halen, wanneer we bouwen op wat als vernuft in het mensenwezen zelf leeft. Maar als we met kinderen moeten werken die al van meet af aan de omgangstaal of de zogenaamde schrijftaal spreken, moeten we er misschien maar weinig op rekenen dat het intellect een soort grammatica als richtlijn heeft, wanneer je de derde, de vierde naamval  enz. schrijft, wanneer je op een bepaalde plaats een punt moet zetten enz., maar dan moet er iets anders gebeuren. Als we kinderen les moeten geven die vanaf het begin zonder dialect spreken, moeten we vooral ook de lessen in grammatica weer kunstzinnig vormgeven, dan moeten we aan het gevoel voor stijl appelleren. Het taalinstinct wordt meegebracht naar de basisschool.

Das Stilgefühl für die Sprache, das müssen wir womöglich gerade bis in das 9. Lebensjahr hinein in dem Kinde ausbilden. Das können wir aber nicht anders, als indem wir geradezu auf die Ausbildung dieses Stilgefühles künstlerisch hin­arbeiten. Wir werden es dadurch zuwege bringen – vielleicht wird dies allerdings in einer Zeit, die alle Autorität untergraben möchte, von manchen verpönt -, daß wir das, was in dem Kinde an natürlichen Trieben ist, der Autorität zu folgen, gerade benützen und darauf sehen, die Sätze und das, was wir überhaupt an das Kind heranbringen, mög­lichst künstlerisch zu gestalten, so künstlerisch gestalten, daß wir in dem Kinde das Gefühl von dieser künstlerischen Gestaltung wirklich hervorrufen. Wir können es dann, wenn wir dem Kinde zum Bewußt­sein bringen, welcher Unterschied besteht zwischen einem Behauptungs­satz, einem Fragesatz, einem Empfindungssatz, und es so sprechen las­sen, daß der Empfindungssatz mit anderer Betonung gesprochen wird als der Behauptungssatz; wenn wir das Kind aufmerksam machen, wie der Behauptungssatz neutral, gleichgültig gesprochen wird, der Emp­findungssatz gesprochen wird mit einer gewissen Gefühlsnuance, wenn wir auf dieses künstlerische Element der Sprache geradezu hinarbeiten, und dann erst aus diesem künstlerischen Element der Sprache heraus das Grammatische und Syntaktische entwickeln.

Het stijlgevoel voor de taal moeten we waar mogelijk juist tot in het 9e jaar in het kind tot ontwikkeling brengen. Dat kunnen we echter niet anders dan dat juist te doen op een kunstzinnige manier. Dan zullen we het voor elkaar krijgen – misschien wordt dit vooral in een tijd die elke autoriteit zou willen ondergraven, door sommigen gehekeld – dat we, wat er in het kind aan natuurlijke drijfveren zit om de autoriteit te volgen, juist benutten en erop letten dat we de zinnen en wat we allemaal aan het kind willen leren, zo veel mogelijk kunstzinnig vormgeven, dat we bij het kind het gevoel van deze kunstzinnige vormgeving echt oproepen. We kunnen dat, wanneer we het kind bewust laten worden van wat voor verschil er bestaat tussen een bevestigende, een vragende zin en een gebiedende wijs en het zo laten spreken dat de gebiedende wijs met een andere intonatie wordt gesproken dan de bevestigende zin; wanneer we het kind erop attent maken hoe de bevestigende zin neutraal, onbewogen gesproken wordt, de gebiedende wijs gesproken wordt met een bepaalde gevoelsnuance; wanneer we naar deze kunstzinnige elementen van de spraak toewerken en dan pas uit dit kunstzinnig element van de spraak het grammaticale en het syntactische ontwikkelen.

blz. 145

Wenn wir das, was uns Kinder an Dialekt mitbringen, auf der einen Seite benützen, um gleichsam den Naturinstinkt des Menschen für die Sprache zu entwickeln, und wenn wir auf der anderen Seite die dialekt-freie Sprache benützen, um das innere Stilgefühl zu erwecken, dann werden wir dasjenige erreichen, was gerade im Sprachunterricht er­reicht werden muß. Wir werden dann noch genauer davon sprechen. Ich möchte zunächst nur das Prinzipielle darüber andeuten.
Dieses Prinzip aber wird Ihnen sagen, daß wir überall das sich ent­wickelnde Kind im Sinne haben müssen. Wir fragen: Was tritt gerade in diesem Lebensalter, was tritt in jenem Lebensalter zutage? Wenn wir nicht das Gefühl haben: mit dem Zahnwechsel wird der Mensch gewissermaßen ein zweites Mal geboren, dann werden wir nicht den richtigen Elan zum Erziehen und Unterrichten mitbringen. Es ist ja natürlich die Geburt des physischen Leibes auffälliger als dasjenige, was um das 7. Lebensjahr geboren wird. In der Geisteswissenschaft charakterisiere ich das so, daß ich sage: mit der Geburt wird der phy­sische Leib des Menschen losgelöst von dem Leibe, mit dem er bisher verbunden war, vom mütterlichen Leibe.

Wanneer we, wat onze kinderen aan dialect meebrengen, aan de ene kant benutten om a.h.w. het natuurinstinct van de mens voor taal te ontwikkelen en aan de andere de dialecttaal gebruiken om het innerlijke stijlgevoel te wekken, zullen we bereiken wat nu juist in het taalonderwijs bereikt moet worden. Daarover zullen we preciezer spreken. Ik wilde allereerst slechts het principiële aangeven.
Dit principe echter geeft aan dat we overal het zich ontwikkelende kind op het oog moeten hebben. We vragen: wat zien we nu juist in deze leeftijdsfase, wat in die? Wanneer we niet het gevoel hebben: met de tandenwisseling wordt de mens in zekere zin voor de tweede keer geboren, brengen we niet het juiste elan mee om op te voeden en les te geven. Natuurlijk valt de geboorte van het fysieke lichaam meer op dan wat er rond het 7e jaar wordt geboren. In de geesteswetenschap karakteriseer ik het zo, dat ik zeg: met de geboorte wordt het fysieke lichaam van de mens losgemaakt van het lichaam waarmee het tot dan toe was verbonden, van het moederlichaam.

Mit dem Zahnwechsel wird das, was ich den ätherischen Leib des Menschen nenne, losgelöst vom physischen Leib, mit dem er, dieser ätherische Leib, bis zum 7. Jahre ungefähr, also bis zum Zahnwechsel, innig verbunden war. Da drinnen hat er gearbeitet, um die zweiten Zähne herauszuholen aus diesem physischen Leib. Jetzt wird er frei geboren. Und dasjenige, was das Kind dann an Fähigkeiten für die Schule mitbringt, sind eigentlich die entbundenen, die geborenen Fähigkeiten des ätherischen Leibes. Das ist sozusagen das erste Geistige, das uns das Kind entgegenbringt 4s Geistiges selbst. Indem wir das Kind vor uns haben bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechsel hin, haben wir es als physischen Leib vor uns. Alles übrige Geistig-Seelische wirkt in diesem physischen Leib, und wir gelangen an das Kind nur heran, indem das Kind selber den Trieb hat, nachzuahmen. In dem 7. Jahre wird der ätherische Leib, werden diejenigen Glieder der Menschennatur, welche Ätherisches zu ihrer Substanz haben, frei, können nun für sich leben.
Ich habe schon darauf aufmerksam gemacht: der Mensch besteht ja zu weit mehr als 75 Prozent eigentlich aus einer Wassersäule. Warum redet man denn immer in der Physiologie und in der Anatomie von so etwas, als ob der Mensch ganz aus einem festen Leibe bestände? Das­jenige, was in ihm vorgeht, geht ja ebenso in der Konfiguration des

Met de tandenwisseling wordt, wat ik het etherisch lichaam van de mens noem, losgemaakt van het fysieke lichaam waarmee het, dit etherlijf, tot het 7e jaar ongeveer, dus tot de tandenwisseling, diep verbonden was. Daarin was het actief om de blijvende tanden te ontwikkelen uit dit fysieke lichaam. Nu wordt het vrij geboren. En wat het kind dan aan vaardigheden voor de school meebrengt, zijn eigenlijk de vrijgeworden, de geboren vaardigheden van het etherlijf. Dat is in feite het eerste wat geest is, dat het kind ons vertoont, als iets geestelijks op zich. Wanneer we het kind tot het 7e jaar voor ons hebben, tot aan de tandenwisseling, staat het voor ons als fysiek lichaam. Al het overige dat geest en ziel is werkt in dit fysieke lichaam en we bereiken het kind alleen maar wanneer het zelf de drang heeft, na te bootsen. Tijdens het 7e jaar wordt het etherische lichaam, worden die delen van de mensennatuur die als hun substantie het etherische hebben, vrij, kunnen nu zelfstandig leven.
Ik heb er al eens op gewezen: de mens bestaat voor ruim meer dan 75% uit een waterkolom. Waarom heeft men het er in de fysiologie en in de anatomie dan over alsof de mens helemaal uit een vast lichaam zou bestaan? Wat er zich in hem afspeelt, speelt zich net zo goed af in het geheel van

blz. 146

Flüssigen vor. Es geht auch in der Konfiguration des Luftförmigen vor sich. Und dasjenige, was das Kind an geistig-seelischen Fähigkeiten vom Zahnwechsel an entwickelt, geht weder im Festen noch im Flüssi­gen noch im Luftförmigen vor sich, sondern geht in dem vor sich, was wir als Ätherisches im Leibe tragen, was wir als Wärmeartiges, als Lichtäther, als chemischen Äther und als Lebensäther in uns tragen. Es ist einfach Unsinn, zu sagen: Gedanken leben sich so aus, daß sie etwas sind wie Vorgänge in dem Nervensystem, wobei man sich die Nerven als halbfeste oder wenigstens weiche Gebilde denkt. Nein, Ge­danken gehen vor, indem sie entwickelt werden unmittelbar, indem sie sich noch nicht zum Gedächtnisse umbilden, Gedanken gehen so vor, daß sie den physischen Leib nach dem 7. Jahre gar nicht mehr berühren. Indem der Mensch denkt, denkt er nur im ätherischen Element, das seinen Leib ausfüllt. Sie werden sagen: Ja, aber die Gedanken werden doch Erinnerungen, also bleiben sie doch im Menschen. Das ätherische Element ist ein flüchtiges Element, das sofort alle Gedanken auflösen würde, wenn die Gedanken nur in ihm leben würden. Ja, das Erinnern, das ist ein viel komplizierterer Vorgang als man gewöhnlich denkt!

het vloeibare. Het speelt zich ook af in het geheel van het luchtvormige. En wat het kind aan geest-zielenvaardigheden vanaf de tandenwisseling ontwikkelt, speelt zich niet af in het vaste, noch in het vloeibare, noch in het luchtvormige, maar speelt zich af in wat wij als het etherische in ons lichaam meedragen, wat wij aan warmte-ether, aan lichtether, aan chemische ether en als levensether in ons meedragen. Het is eenvoudig onzin om te zeggen: gedachten werken zo, dat ze iets zijn als processen in het zenuwsysteem, waarbij men zich de zenuwen als halfvaste of op z’n minst weke delen beschouwt. Nee, gedachten ontwikkelen zich wanneer ze direct ontwikkeld worden, wanneer ze nog niet tot geheugen omgevormd worden; gedachten werken zo dat ze na het 7e jaar helemaal niet meer met het fysieke lichaam in contact komen. Wanneer de mens denkt, denkt hij in het etherische element dat zijn lichaam vult. U zult zeggen: maar de gedachten worden toch herinneringen, die blijven dan toch in de mens. Het etherische element is een vluchtig element dat meteen alle gedachten zou doen vervliegen als ze daarin zouden verblijven. Maar het herinneren is een veel gecompliceerder proces dan men gewoonlijk denkt!

Man hat manchmal die auf Materialismus beruhende Vorstellung: Wir denken, dann suchen sich die Gedanken so irgendwo in der mensch­lichen Seele eine Wohnung, und dann holen wir sie uns wieder herauf, wenn wir uns an sie erinnern. Nein, so ist es nicht. Wer den Vorgang des Denkens beobachten kann, der findet Folgendes: Sehe ich etwas in der Außenwelt durch meine Sinne an, so schließe ich daran die Gedan­ken. Ich erlebe etwas in der Außenwelt – Farben oder was sonst vor­geht -, ich schließe daran den Gedanken. Wenn ich mich erinnere und einen Gedanken bilde, so kommt mir das, was mir sonst von der Außenwelt kommt, aus meinem eigenen Inneren herauf. Genau ebenso, wie ich den Gedanken neu fasse an der äußeren Welt, so fasse ich neu den Gedanken an dem, was mir aus meinem Inneren heraufkommt. Das Erinnern beruht nämlich nicht darauf, daß die Gedanken hin-unterziehen in die Seele, sondern daß aus dem, was physisch wirkt auf Auge und Ohr, eine Fortsetzung in das Leibliche hineingeht, daß ein Parallelvorgang zu dem Denken da ist, und daß dieser Parallelvor­gang Rhythmisches zurückläßt, welches dann wiederum heraufgeholt wird und innerlich ebenso wahrgenommen wird, wie sonst die Wahr­nehmung äußerlich wirkt. Ich weiß nicht, ob Sie nicht schon alle – Sie werden es ja selbstverständlich getan haben – wahrscheinlich an sich

Men heeft vaak de op het materialisme berustende voorstelling: we denken, dan zoeken de gedachten zo ergens in de menselijke ziel hun onderkomen en dan halen wij ze weer op wanneer we ons eraan herinneren. Nee, zo zit het niet. Wie het denkproces kan waarnemen, vindt het volgende: wanneer ik iets in de buitenwereld met mijn zintuigen waarneem, dan knoop ik daaraan de gedachten. Ik beleef iets in de buitenwereld – kleuren of iets dergelijks -, ik knoop daaraan gedachten. Wanneer ik mij herinner en een gedachte vorm, komt bij mij, wat anders van de buitenwereld komt, uit mijn eigen innerlijk. Precies zoals wanneer ik de gedachte nieuw vorm aan de uiterlijke wereld, zo vorm ik nieuw de gedachte aan wat uit mijn innerlijk komt. Het herinneren berust er niet op dat de gedachten onderduiken in de ziel, maar wat fysiek werkt op oog en oor gaat in het lichaam verder, het is een parallelproces bij het denken en dit parallelproces laat iets ritmisch achter wat dan weer opgehaald wordt en innerlijk net zo waargenomen zoals anders de waarneming uiterlijk werkt. Ik weet niet of u niet allen – dat hebt u allen vanzelfsprekend wel gedaan – waarschijnlijk aan uzelf

blz. 147

selber beobachtet haben, wie die Menschenkinder sich helfen, damit ihre Erinnerungen wieder besser heraufkommen. Sie versuchen alles mögliche zu tun, um das bloße Denken durch das Sinnliche zu ver­stärken, wenn die Erinnerungen heraufkommen sollen. Denken Sie doch nur einmal, wie mancher paukt, wie er tatsächlich sucht, dasjenige, was er als Gedanke aufnimmt, auch körperlich sich einzuverleiben, wie er das körperliche Einverleiben parallel gehen läßt dem Denken. Wenn er bl6ß denkt, erinnert er sich nicht daran. Er erinnert sich nur, wenn er das hört, was er selber auswendig lernt, oder wenn er sonst in irgend­einer Weise sein Körperliches beteiligt an dem Auswendiglernen. Es muß, damit wir uns erinnern, eben ein Vorgang parallel gehen dem bloßen Denken. Denn das Denken ist unter allen Umständen, gleich­gültig ob es an der Außenwelt entwickelt wird oder ob es als Erinne­rung entwickelt wird von Innen heraus, das Denken ist etwas Vor­übergehendes. Kein Gedanke wird aufbewahrt, sondern etwas anderes wird aufbewahrt, an dem der Gedanke sich immer wieder neu ent­zündet. Es ist nicht anders, wenn ich mich erinnere und einen Gedan­ken fasse, als wenn ich mir an einem Vorgang in der Außenwelt einen Gedanken fasse.

waargenomen hebt, hoe de mens zichzelf helpt, om zijn herinneringen weer op te halen. Hij probeert al het mogelijke te doen om het denken te versterken door het zintuiglijke wanneer hij zich iets wil herinneren. Denk er eens aan hoe menigeen zit te trommelen, hoe hij daadwerkelijk probeert wat hij als gedachte opneemt ook lichamelijk te verankeren, hoe hij het lichamelijk maken parallel laat verlopen met het denken. Wanneer hij alleen maar denkt, herinnert hij het zich niet. Hij herinnert het zich alleen, wanneer hij hoort wat hij zelf uit zijn hoofd heeft geleerd of wanneer hij op de een of andere manier zijn lichaam mee laat doen bij het uit het hoofd leren. Er moet, willen wij ons herinneren, een proces parallellopen met het denken. Want het denken is onder alle omstandigheden, ongeacht of het zich aan de buitenwereld ontwikkelt of als herinnering van binnenuit, het denken is iets wat voorbijgaat. Geen gedachte wordt bewaard, maar iets anders wordt bewaard waaraan de gedachte steeds weer oplicht. Het is niet anders wanneer ik mij herinner en op de gedachte kom, dan wanneer ik denk over iets wat in de buitenwereld plaatsvindt.

Das eine Mal ist es ein Vorgang der Außenwelt, an den es sich anschließt, das andere Mal ist es der Vorgang des inneren Erlebens. Jedenfalls, wenn ich mich erinnere, sind meine Organe in rhythmischer Bewegung, wiederholen meine Organe dasjenige, was sie ausgeführt haben unter dem Eindrucke des Erlebnisses. Wenn ich das Erlebnis zum ersten Mal habe, während ich die Außenwelt beobachte, entwickle ich den Gedanken nur an der Außenwelt. Erinnere ich mich, so entzündet sich der Gedanke an dem Innern, an den Organen, die wiederum so schwingen, wie sie dies taten, als ich das Erlebnis zum ersten Mal hatte.
Das sind Dinge, die man allerdings nicht so unmittelbar beweisen kann, wie man äußere Vorgänge beweisen kann, sondern das sind Dinge, die durch wirkliche Lebensbeobachtung nach und nach gewon­nen und zur Gewißheit gemacht werden müssen. Aber Sie können es. Und dann, wenn wir diese besondere Artung des Denkens ins Auge fassen, das sich eigentlich vollzieht in dem flüchtigen Element des Äthers, wenn wir feststellen, daß geeignet sein müssen die physischen Organe, fortzuschwingen in demselben Sinne, wie der Äther schwingt, dann werden wir den ganzen Umschwung, den das menschliche Leben erfährt unter dem Zahnwechsel, so richtig begreifen. Bis zum Zahnwechsel

De ene keer is het een proces van de buitenwereld waarbij het zich aansluit, de andere keer is het een proces van innerlijk beleven. In ieder geval, wanneer ik mij herinner zijn mijn organen in een ritmische beweging, herhalen mijn organen wat ze gedaan hebben door de indruk van een beleving. Wanneer ik de beleving voor de eerste keer meemaak, terwijl ik de buitenwereld bekijk, ontwikkel ik alleen maar gedachten aan de buitenwereld. Als ik mij herinner, licht de gedachte op in het innerlijk, aan de organen die opnieuw zo bewegen als ze deden toen ik de belevenis voor de eerste keer had.
Dat zijn dingen die je zeer zeker niet zo maar kan bewijzen, zoals je veel processen kan bewijzen, maar het zijn dingen die door echte waarnemingen van het leven stap voor stap moeten ontstaan en tot een zekerheid gemaakt moeten worden. Maar dat kan u.
En dan, wanneer wij deze bijzondere vorm van denken onder ogen zien die zich eigenlijk afspeelt in het vluchtige element van de ether, wanneer we concluderen dat de fysieke organen geschikt moeten zijn net zo te bewegen als de ether beweegt, zal je de hele verandering die het mensenleven ervaart met de tandenwisseling, goed begrijpen. Tot de tandenwisseling

blz. 148

wirkt ja der ganze Ätherleib. Wärmeäther, chemischer Äther, Lichtäther, Lebensäther wirken in den Organen drinnen, bauen die Organe auf, machen sie erst so, daß sie materiell mitschwingen können. Da ist der Ätherleib der Architekt, der Plastiker des physischen Leibes. Ist der physische Leib so weit entwickelt, daß er unter dem Einfluß des Ätherleibes, der dann denkt, der dann den Intellekt emanzipiert vom physischen Leib, mitschwingen kann wie eine Saite, wenn eine andere auf sie abgestimmte Saite angeschlagen wird, ist der physische Leib so weit, wie er eben ist, wenn der Zahnwechsel bereits eingetreten ist, dann können wir auch rechnen mit der Ausbildung des Ätherleibes als solchem, denn dann gestalten wir zugleich den physischen Leib, indem wir den Ätherleib gestalten. Aber man muß eine Empfindung haben für dieses Geborenwerden des Ätherleibes mit dem Zahnwechsel.
Man muß wiederum eine Empfindung dafür haben, daß etwas noch Höheres in der Menschennatur geboren wird mit der Geschlechtsreife, etwas, was bis dahin an der weiteren Umgestaltung des menschlichen Organismus arbeitet. Ob man das, was da geboren wird im 14., 15. Jahre des Menschen, nun Astralleib nennt und sich erfreut an dieser Bezeichnung Astralleib, oder ob man diesen Ausdruck geschmacklos findet, darauf kommt es nicht an.

is het hele etherlijf actief. Warmte-ether, chemische ether, lichtether, levensether zijn actief in de organen, bouwen de organen op, maken ze zo dat ze mee kunnen bewegen. Daar is het etherlijf een architect, de beeldhouwer van het fysieke lichaam. Is het fysieke lichaam zover ontwikkeld dat het onder invloed van het etherlijf dat dan denkt, dat dan het intellect losmaakt van het fysieke lichaam, mee kan bewegen als een snaar, wanneer een andere op haar afgestemde snaar aangeslagen wordt, is het fysieke lichaam zover als het is als de tandenwisseling al begonnen is, dan kunnen we ook rekenen op de ontwikkeling van het etherlijf als zodanig, want dan vormen we tegelijkertijd het fysieke lichaam wanneer we het etherlijf vormen. Maar je moet een gevoel hebben voor dit geboren worden van het etherlijf met de tandenwisseling.
Je moet er eveneens een gevoel voor hebben dat iets nog hogers in de mensennatuur geboren wordt met de geslachtsrijpheid, iets, wat tot dan toe aan de verdere omwerking van het menselijke organisme werkt. Of je wat daar geboren wordt in het 14e, 15e jaar van de mens nu astraallijf noemt en blij bent met deze betekenis van astraallijf of dat je deze term smakeloos vindt, daar komt het niet aan.

Es kommt darauf an, daß man sich bewußt werde, daß geradeso wie das intellektuelle Element durch den Ätherleib geboren wird um das 7. Lebensjahr herum, das ganze leib-freie Seelische um das 14., 15. Jahr herum geboren wird. Vorher ist unser Fühlen, unser Wollen eng verbunden dem physischen Organis­mus. Wie das Denken dem physischen Organismus verbunden ist bis zum 7. Lebensjahre, so ist bis zum 14., 15. Jahre, bis zur Geschlechts-reife, das Fühlen und das Wollen eng dem physischen Organismus ver­bunden. Und wir müssen darauf sehen, daß wir nun ja nicht vor der Geschlechtsreife, das heißt, vor dem Abgang aus der Volksschule, hineinbringen in das Denken, das ja Stück für Stück herauskommt mit der Entwickelung des Ätherleibes, daß wir nicht da hineinbringen etwas, was gewissermaßen aus einer zu frühen Selbständigkeit des Willens und des Gemütes herrührt. Wenn das Kind liebevoll heran-gebildet wird in der Anlehnung an seine Autorität, wenn das Kind Fühlen und Wollen lernt in der Anlehnung an den andern, an den erwachsenen Menschen, an den Erzieher und Unterrichter, dann wird im rechten Augenblicke, nämlich bei der Geschlechtsreife sein eigenes selbständiges Fühlen und Wollen geboren. Unser Fühlen und Wollen

Het komt erop aan dat je je bewust wordt dat net zoals het intellectuele element door het etherlijf geboren wordt rond het 7e jaar, heel de ziel die vrij van het lichaam is, rond het 14e, 15e jaar geboren wordt. Daarvoor is ons voelen, ons willen nauw verbonden met het fysieke organisme. Zoals het denken met het fysieke organisme verbonden is tot het 7e levensjaar, zo is tot het 14e, 15e jaar, tot de geslachtsrijpheid, het voelen en het willen nauw met het fysieke organisme verbonden. En we moeten erop letten dat we nu niet vóór de puberteit, d.w.z. voor het einde van de basisschool in het denken dat langzamerhand verschijnt met de ontwikkeling van het etherlijf, iets brengen wat in zekere zin uit een te vroege zelfstandigheid van wil en gevoel vandaan komt. Wanneer het kind liefdevol ontwikkeld wordt doordat het steunt op de autoriteit, wanneer het kind voelen en willen leert door op anderen te steunen, de volwassenen, op de opvoeder en leraar, dan wordt op het juiste ogenblik, namelijk met de geslachtsrijpheid zijn eigen zelfstandig voelen en willen geboren. Ons voelen en willen

blz. 149

können wir erst dadurch in der richtigen Weise entwickeln, daß wir sie an dem andern, uns als Autorität geltenden Menschen richtig ent­wickeln. Kommen wir zu früh zum selbständigen Entwickeln des Willens, kommen wir namentlich zu gewissen, ich möchte sagen, ge­heimen Funktionen des Willens zu früh, so schadet uns das für das ganze Leben. Und wir kommen zu feineren Organisationen des Willens zu früh, wenn wir versucht werden, namentlich moralische und reli­giöse Impulse verfrüht dem eigenen Urteil zu unterwerfen.
Man kann nicht anders, als sagen, daß das Kind bis zur Geschlechts-reife lernen sollte, sittlich zu sein und religiös zu sein durch den Ein­fluß der sittlichen und religiösen Autoritäten. Erst mit der Geschlechts-reife beginnt das seelisch-geistige Wesen des Menschen so leibfrei zu sein, daß wir es dem eigenen Urteil überlassen können. Sehen Sie, wenn man solche Sachen heute ausspricht, dann hat man ja vor allen Dingen viel vom Zeitvorurteil gegen sich. Als ich in mehr oder weniger öffent­lichen Reden gerade diese Sache vom naturgemäßen Autoritätsgefühl ausgesprochen habe in Deutschland, als alles da noch unter dem Ein­flusse einer Scheinrevolution stand, die ja keine wirkliche Revolution geworden ist, da erwiderte man mir überall aus jenen Untergründen heraus, die eigentlich möchten schon alle Autorität auch vom Kindes­alter entfernen, die am liebsten möchten, daß alles Lehren und Er­ziehen aufhörte und die Kinder untereinander sich demokratisch er­zögen und lehrten.

kunnen we pas op de juiste manier ontwikkelen als we deze aan de ander, aan de mensen die voor ons als autoriteit gelden, ontwikkelen. Is er een te vroege zelfstandige ontwikkeling van de wil, dan komen namelijk ook bepaalde verborgen functies van de wil te vroeg en dat is schadelijk voor het hele leven. En tot intiemere wilsorganisaties kom je te vroeg wanneer er geprobeerd wordt, met name morele en religieuze impulsen te vroeg aan het eigen oordeel te onderwerpen.
Je kan niet anders zeggen dan dat het kind tot aan de puberteit moet leren, moreel te zijn door de invloed van morele en religieuze autoriteiten. Pas met de geslachtsrijpheid begint het ziele-geestwezen van de mens zo vrij van het lichaam te worden dat wij het aan het eigen oordeel kunnen overlaten. Wanneer je deze dingen tegenwoordig uitspreekt, krijg je vooral het vooroordeel van deze tijd tegen je. Toen ik in min of meer openbare lezingen deze zaak van het natuurlijke autoriteitsgevoel uitsprak in Duitsland, toen daar alles nog onder invloed stond van een schijnrevolutie, die geen echte revolutie geworden is, sprak men mij overal aan vanuit achtergronden die het liefst alle autoriteit zover mogelijk van kinderen vandaan wilden houden, die het liefst wilden dat het gedaan zou zijn met opvoeding en onderwijs en dat de kinderen onder elkaar op een democratische manier elkaar zouden opvoeden en aan elkaar leren. Ik moest daarop antwoorden dat kinderen dat helemaal niet willen; goed begrepen willen kinderen leiding, willen van een autoriteit houden en wat zich in hen ontwikkelt als liefde tot de autoriteit hangt met hun eigen natuur samen.
Wanneer de mens geslachtsrijp wordt, ontwikkelt zich als een vanzelfsprekendheid de liefde tot het andere geslacht. Zeker, die individualiseert zich dan in de liefde van een man voor een vrouw; maar wat daar individueel wordt, wat daar als bijzonderheid plaatsvindt, is volledig gerechtvaardigd, is tegelijkertijd de individuele uitdrukking voor een algemene mensenliefde, voor de algemene mensenliefde. Deze algemene mensenliefde als een bijzondere, ontwikkelt zich net zo als de liefde voor het andere geslacht met de geslachtsrijpheid. Die liefde die de mens voor een mens heeft, ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid pas met de geslachtsrijpheid, want deze liefde moet vrij zijn van autoriteit.

blz. 150

Diese Liebe ist eine wirkliche Hingabe. Bis zu der Geschlechtsreife muß die Liebe ein Bedürfnis sein, muß die Liebe etwas sein, was das eigene Wesen egoistisch verlangt. Darauf müssen wir rechnen, daß das Kind in der Volksschule egoistisch verlangt, lieben zu können, das heißt, die Autorität neben sich zu haben, der es anhängt, der es sich hingibt, weil es Wohlgefallen in dieser Hingabe hat, denn die Natur selbst drängt dazu. Da ist dasjenige, was vorzugsweise in der Liebe lebt – sei es in der Liebe zur anderen Menschheit, sei es in der Liebe zur Natur, in der Liebe zu den Sternen, in der Liebe zu den übersinnlichen Wesen und Göttern und dem Gotte -, es ist, was da im Menschen lebt als Liebe, es ist im Grunde genommen der Inhalt des astralischen Leibes beim Menschen. Das wird als selbständiges Wesen geboren mit der Ge­schlechtsreife. Bis zur Geschlechtsreife arbeitet es an der eigenen Men­schennatur, so wie der ätherische Leib arbeitet an der eigenen Menschen-natur bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechse

Deze liefde is een echte toewijding. Tot aan de geslachtsrijpheid moet de liefde een behoefte zijn, moet de liefde iets zijn wat het eigen wezen egoïstisch verlangt. We moeten er rekening mee houden dat het kind op de basisschool egoïstisch verlangt te kunnen liefhebben, d.w.z. de autoriteit naast zich te hebben, voor wie het aanhankelijk is, aan wie het toegewijd is, omdat het deze toewijding fijn vindt, want de natuur zelf wil dat graag. Dat leeft vooral in de liefde – of het nu in de liefde voor de andere mensen is, of voor de natuur, of voor de sterren, of voor de bovenzintuiglijke wezens en goden of God -, wat in de mensen als liefde leeft is in de aard der zaak genomen de inhoud van het astrale leven bij de mens. Dat wordt als zelfstandig wezen geboren met de geslachtsrijpheid. Tot dan toe werkt het aan de eigen natuur van de mens, zoals het etherlijf daaraan werkt tot het 7e jaar, tot de tandenwisseling.

Erst wenn man von diesen Dingen durchdrungen ist, wird man ein richtiges Verständnis dafür entwickeln, wie die Sprache – sofern sie uns das Kind in die Schule mitbringt, wenigstens im Dialekt -, sich eben noch unter dem Einfluß des physischen Leibes selbst entwickelt hat; wogegen wir vom 7. Jahre an nicht die Möglichkeit haben, in das vorstellungsmäßige Element der Sprache Stil hereinzubringen, wenn wir nicht selbst Stilgefühl entwickeln durch unser eigenes, individuell persönliches Verhältnis – bitte mißverstehen Sie mich nicht -, Liebe-verhältnis zu dem Kinde. Aus diesem Liebeverhältnis kann natürlich auch ein Stilgefühl für die gebildete Umgangssprache, die Schriftsprache erwachsen. Aber das, was wir da erst anerziehen wollen – das Kind, das den Dialekt so gelernt hat wie es gehen gelernt hat, trägt es für das Dialektische schon in sich -, das können wir aus dem Kind herausholen. Daher ist es auch nützlich, Kinder, die das Glück des Dialektsprechens nicht gehabt haben, in gewissem Sinne auf den Dialekt hinzuweisen, der in ihrer Umgebung gesprochen wird, sie an dem Dialekt geradezu lernen zu lassen. Der Dialekt ist auch gegenüber der Schriftsprache das Künstlerische; die Schriftsprache ist das Verstandesniäßigere, das Kon­ventionellere. Dadurch benützen wir etwas, was wir, wie ich ja aus­geführt habe, gerade bei der Erziehung in Anspruch nehmen müssen:
das künstlerische Element, das benützen wir gewissermaßen wie dem Kinde schon im Blute liegend, indem es den Dialekt formt.
Das sind die Dinge, die zunächst in Betracht kommen, wenn wir

Pas wanneer je van deze dingen doordrongen bent, zal je een goed begrip kunnen ontwikkelen van hoe de taal – in zoverre het kind deze met zich meebrengt de school in, tenminste in het dialect -, zich nog onder invloed van het fysieke lichaam zelf heeft ontwikkeld; terwijl wij vanaf het 7e jaar niet de mogelijkheid hebben in het voorstellingsmatige element van de taal stijl te ontwikkelen, als we niet zelf een gevoel voor stijl ontwikkelen door onze eigen, individueel persoonlijke verhouding – begrijp mij a.u.b. niet verkeerd – de verhouding uit liefde voor het kind. Uit deze verhouding kan natuurlijk ook een gevoel voor stijl voor de gevormde omgangstaal, de schrijftaal groeien. Maar wat we als eerste willen laten ontstaan – het kind dat het dialect zo heeft geleerd als het heeft leren lopen, heeft het wat het dialect betreft al in zich – kunnen we uit het kind halen. Vandaar dat het nuttig is, kinderen die het geluk dat ze dialect spreken, niet hebben, op een bepaalde manier op het dialect te wijzen dat in hun omgeving wordt gesproken, ze juist van dit dialect te laten leren. Het dialect is ook t.o.v. de schrijftaal het kunstzinnige; de schrijftaal is het meer verstandsmatige, het meer conventionele. Daardoor benutten we iets waar wij, zoals ik uitgewerkt heb, juist bij de opvoeding rekening mee moeten houden: het kunstzinnige, dat gebruiken we in zekere zin zoals het bij het kind al in het bloed zit, wanneer het het dialect vormt.
Dat zijn dingen die allereerst aan bod moeten komen, wanneer

blz. 151

über Dialekt und Schriftsprache sprechen. Dahin ging die entsprechende Frage. Nun werde ich noch zu sprechen haben über das eigentliche Grammatik-Lehren, werde aber auch zu sprechen haben über die in meinem Sinne richtige Methode des Rechenunterrichtes und so weiter. Wir werden sehen, wie es geradezu zum Beispiel auch beim Rechen­unterricht darauf ankommt, intim hineinschauen zu können in das­jenige, was nun eigentlich beim Menschen vom 7. bis 14., 15. Jahre vor sich geht. Wenn wir den Menschen gegen das, was da vor sich geht, entwickeln, dann schaden wir ihm für sein ganzes Leben. Wir können sehr leicht gegen die menschliche Natur erziehen und unterrichten, weil die menschliche Natur ein Zwiespältiges ist. Wir müssen uns eben klar sein darüber, daß wir dem Menschen schaden, wenn wir etwas nach der einen Seite hin wohl richtig machen, aber es bis zum Extrem ausbilden. Das eine muß immer an dem anderen abgeschliffen werden. Bei der Sprache mussen wir das plastische Element an dem musikalischen Ele­ment abschleifen. Wie es sich beim Rechnen verhält, werden wir noch sehen. Denn von all den Dingen, welche dem Menschen so furchtbar schaden, ist dasjenige, was aus dem Rechenunterricht kommt, bei vielen Menschen das Allerschädlichste.

we over dialect en schrijftaal spreken. Daar ging de betreffende vraag over. Nu moet ik nog spreken over het eigenlijke grammatica-onderwijs, maar ook over de in mijn opvatting juiste methode van rekenonderwijs enz.
We zullen zien hoe het met name ook bij het rekenen aankomt op fijntjes te kunnen waarnemen wat er eigenlijk bij de mens van 7 tot 14, 15 jaar gebeurt. Wanneer we de mens zo ontwikkelen dat het ingaat tegen wat daar gebeurt, beschadigen we hem voor z’n hele leven. We kunnen makkelijk tegen de menselijke natuur in opvoeden en lesgeven, omdat de mens in twee opzichten een tegenstrijdig wezen is. We moeten goed weten dat we de mens beschadigen als we aan de ene kant iets goed doen, maar dat dan heel extreem. Het ene moet altijd weer wat minder worden door het andere. Bij taal moeten we het plastische aspect afzwakken door het muzikale. Hoe dat voor het rekenen is, zullen we nog zien. Want van alle zaken die voor de mens zo buitengewoon schadelijk zijn, is wat uit het rekenonderwijs komt, het meest schadelijk.

Die Art, nach der wir rechnen lernen, ist in der Regel gegen die menschliche Natur. Denn alles dasjenige, was heute bei vielen Menschen als eine Neigung zum Materialismus auftritt, das ist im Grunde genommen nichts anderes als ein Ergebnis eines verfehlten Rechenunterrichts so gerade um das 9. Lebensjahr herum. Und wiederum, was bei sehr vielen Menschen heute geradezu destruktiv auftritt für ihre ganze spätere seelische Entwickelung, das ist das, daß sie zu früh zum Urteilen kommen, daß wir an sie den Unterrichtsstoff so heranbringen, daß sie noch nicht reif sind für diesen Unterrichtsstoff. Sie nehmen eine Menge gebildeter Urteile auf, die dann in ihnen fortwirken. Da spricht man ja wohl auch davon, daß im Menschen ein Begriff, eine Vorstellung mit den anderen sich asso­ziiert. Es gibt kein unglücklicheres Sprechen als dieses über das Asso­ziieren der Vorstellungen. Denn wenn sich die Vorstellungen bei uns assoziieren, wenn eine sich mit der anderen zusammenballt und wir nachlaufen müssen, dann sind wir schon von unserem Vorstellungs­leben besessen, dann haben wir es gar nicht mehr in unserer Gewalt. Es handelt sich eben darum, daß wir den Menschen durch Erziehung und durch Unterricht davor schützen, daß das Assoziationsleben über das Willensleben die Oberhand gewinne. Davon dann morgen weiter.

De manier waarop we leren rekenen gaat als regel in tegen de menselijke natuur. Want alles wat tegenwoordig bij veel mensen als een hang naar het materialisme optreedt, is in de aard der zaak niets anders dan het gevolg van verkeerd rekenonderwijs rondom het 9e jaar. En tevens is wat bij zeer veel mensen vandaag de dag destructief is voor heel hun verdere zielenontwikkeling, een gevolg van het te vroeg tot oordelen zijn gekomen, dat wij hun lesstof hebben aangeboden waarvoor ze nog niet rijp waren. Ze nemen heel wat gevormde oordelen op die dan in hen verder werken. Men heeft het er ook wel over dat in de mens zich een begrip, een voorstelling met andere associeert. Je kunt niet ongelukkiger spreken dan over dit associëren van voorstellingen. Want wanneer voorstellingen bij ons associëren, wanneer de ene met de ander samenklontert en wij dat moeten volgen, worden we wel door ons voorstellingsleven opgeslokt, dan hebben we het zelf niet meer in de hand. Het gaat erom dat we de mensen door opvoeding en onderwijs ervoor behoeden dat het leven in associaties over het wilsleven de boventoon voert. Daarover dan morgen verder.
.
[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 9e voordracht (Duits)

De begrippen etherlijf; astraallijf worden hier uitgebreider verklaard.

DE VIERLEDIGE MENS (1)
het fysiek lichaam

DE VIERLEDIGE MENS (2-1)
het etherlijf

DE VIERLEDIGE MENS (2-2)
het etherlijf vervolg

DE VIERLEDIGE MENS (3-1)
het astraallijf (1)

DE VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)
.

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

Op FaceBook schreef Miriam Haenen:

Ik ben opgegroeid met dialect als moedertaal, ABN is tweede taal. Ook nog aan de grens met Belgie en dicht bij het Drielandenpunt, Duitsland. In mijn jeugd was het nog zo dat ieder dorp een eigen dialect had, zelfs zo sterk verschillend dat ik sommigen nauwelijks kon verstaan… Toen ik de vertellersopleiding deed bij Margreet van der Heide, was een van haar individuele aanwijzingen om het sprookje eerst in het dialect vanuit de beelden uit het hoofd te leren! Bijzonder is dat je dan inderdaad zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ”by heart” gaat vertellen als het dan in het ABN komt. Toen ik in de kleuterklas werkte waren er zowel dialectsprekende kinderen, als Duits- en Zweedstaligen én ABN sprekenden in de klas. Overwegende voertaal in de klas was ABN, waarbij het dialect vrij, en met plezier, gebruikt werd indien nodig, en iedere periode er daarnaast ook een vers of lied Duitstalig was en een paar woorden Zweeds… Het dialect is me dierbaar, en soms als ik lang weg was geweest kon ik op een weekmarkt lopen en alleen maar genieten van de klanken die je anders nergens hoort, en zo dichtbij liggen. Ik had het stuk gelezen, en de observaties zijn natuurlijk accuraat, de gevolgtrekking erg subjectief en totaal niet in overeenstemming met mijn ervaringen in het werk, hier en in India. ABN is overwegend voertaal omdat dat de taal is die de gemene deler is, én de taal waarin de kinderen leren spreken, lezen en schrijven als voorbereiding op hun schoolloopbaan en zich verstaanbaar kunnen maken in het land waar ze geboren zijn….Het oordeel dat de schrijfster hierop legt, alsof kinderen dan opgroeien met het beeld dat ABN superieur is en dialect minderwaardig, is m i sterk individueel-subjectief. Er is een Sanskriet woord dat me dicht aan het hart ligt, ”Hiranya Garbha” wat zoiets als Lichtbaarmoeder betekent, dat wat er was vóórdat het eerste in de wereld ontstond. Een Sanskrietscholar in India ging helemaal uit haar dak toen ze me dit woord hoorde spreken, gebruiken….omdat ze nauwelijks meemaakte dat men de ‘r’ in dit woord kon uitspreken op de authentieke manier. Voor mij was het de ‘r’ waar ik mee opgegroeid was zoals hij exclusief (!) gesproken werd in de twee buurdorpen, Meers en Stein. Als ik nu denk en schrijf is dat meestal in het Engels. Het feit dat Sanskriet me zo dichtbij ligt, is verbazend voor velen, en is natuurlijk karmisch, maar daarnaast a.h.w ‘goed voorbereid’ door de ongelooflijke verscheidenheid van dialecten en klanken waar ik in opgroeide. Nu nog, als ik in dialect ‘twee’ zeg, is het alleen mensen vanuit mijn geboortedorp die dat herkennen, overal anders word het anders uitgesproken. Dat is toch prachtig!

1323-1236

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (2)

.
Het ‘gestoorde’ kind kan als begrip een zekere weerstand oproepen: het kind is niet ‘gestoord’, er is iets ‘ver-stoord’. Het wordt in ‘iets’ belemmerd. Vandaar dat ik kies voor ‘ontwikkelingsbelemmeringen.
Het past ook beter bij:

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
Steiner GA 305 → wegwijzer 134

.

Dick Hütter, nadere gegevens onbekend

.

Het ontwikkelingsgestoorde kind
.

De verlammende werking van sentimenteel medelijden
.

Ontwikkelingsstoornissen kunnen in aard en ernst zeer grote verschillen tonen. In twee voorgaande artikelen schreef de kinderpsychiater Dick Hütter over de ervaringen die je kunt opdoen in de ontmoeting met kinderen waarbij lichte stoornissen zijn opgetreden: de zogenaamde MBD- en heilpedagogische kinderen.
Dit artikel gaat ook over kinderen met ernstigere ontwikkelingsstoornissen, over de verwarring die zij vaak bij ons teweeg brengen maar ook over de spiegel die ze ons voorhouden.
Ik begrijp dat mensen die niet het geluk hebben met deze kinderen samen te zijn hen beklagen en hun lot een gesel des levens vinden’.

Er bestaan veel ontwikkelingsstoornissen die alle zowel in aard als ernst grote verschillen tonen. In grote trekken kan men  onderscheiden: stoornissen in de verstandelijke ontwikkeling die kunnen leiden tot diverse graden van zwakzinnigheid; stoornissen in de emotionele ontwikkeling en rijping en vele vormen van contactstoornissen, terwijl meestal mengvormen optreden.

Of een kind vanuit thuis (ambulant) of beter vanuit een op het kind afgestemd leefmilieu (residentieel) geholpen kan worden, hangt van vele factoren af en is steeds een afwegen van de individuele situatie.

Voor de residentiële hulpverlening zijn in de loop der tijden een grote verscheidenheid van voorzieningen gesticht zoals zwakzinnigeninrichtingen, debieleninternaten, orthopedagogische instituten, kinderpsychiatrische klinieken en dus ook antroposofisch-heilpedagogische instituten. Deze bonte verscheidenheid hangt samen met de geschiedenis van de zorg voor het ontwikkelingsgestoorde kind. Deze begint namelijk aan het einde van de achttiende eeuw in de belangstelling van de menswetenschappen te geraken. Dan verschijnen de eerste publicaties van pedagogen, artsen en psychologen.

Deze tijd is historisch bezien zeer interessant. Het is de tijd van de Franse Revolutie, van de onafhankelijkheidsstrijd van de Verenigde Staten van Amerika en van een algemeen verzet tegen de absolute monarchie in Europa. Men kan gerust aannemen, dat dit alles uiting is van een belangrijke verandering in het bewustzijn der volkeren. Met een intense toewijding en interesse houden van die tijd af een groeiend aantal mensen zich bezig met het raadsel, dat deze kinderen ons opgeven. Deze ontwikkeling, die zich vanuit Europa geleidelijk aan over de gehele wereld uitbreidde, is zowel voor het ontwikkelingsgestoorde kind als voor de algehele cultuur van een niet te onderschatten betekenis. Het kind krijgt – voordien ongekende – mogelijkheden om ondanks zijn beperkingen een eigen ontwikkelingsweg te gaan en hierdoor een menswaardig bestaan te leiden; de betrokkenen rond het kind krijgen een unieke kans om door hun zorg voor het kind en hun intensieve samenzijn met het kind aan de oplossing van een raadsel te gaan werken, dat ver uitreikt boven de betekenis van een goede hulp aan het kind. Ik bedoel, dat het ontwikkelingsgestoorde kind een sterk appel doet aan de mensen om hem heen om ook op hun eigen ontwikkeling terug te kijken, om een extra stuk zelfkennis te bedrijven, ja, om zich uiteindelijk bewust te worden van het raadsel mens.

Iedere vermeerdering van kennis en inzicht begint met een gevoel van verbazing en verwondering over hetgeen men gewaar wordt. Over hetgeen men normaal en vanzelfsprekend vindt, denkt men niet na. Dat betekent, dat men zijn kennis over het vanzelfsprekende nimmer uitbreidt. Helaas vindt men zijn eigen zijn en de wereld waarin men zich bevindt zo vanzelfsprekend, dat men hierdoor een grote hindernis bouwt om zijn zelfkennis te ontwikkelen en ook tot een dieper inzicht van de wereld te komen. De hulp, die het ontwikkelingsgestoorde kind kan bieden, veronachtzaamt men.

Verwarring

Een ontmoeting met zo’n kind is namelijk nooit vanzelfsprekend. Vooral in het begin brengt het steeds een gevoel van verwarring teweeg. Men voelt zich onzeker, niet op zijn gemak. De ontmoeting verloopt zo geheel anders dan wat men gewoon was. Het kind antwoordt onbegrijpelijk of in het geheel niet. Het vlucht angstig uit het contact of trekt er zich hooghartig uit terug. Ofwel het probeert je uit, voert je zonder omhaal tot aan je grenzen of het liefst er overheen. Ofwel het slingert zich als een liaan om je heen, zodat jij het bent, die zich met schrik uit de ontmoeting moet bevrijden.
Na zo’n eerste ontmoeting kunnen er verschillende dingen gebeuren. Door de verwarring in jezelf en de min of meer onprettige gevoelens, die dit oproept, kan je deze kinderen voortaan op een afstand houden. Als maatschappelijke neerslag van deze reactie, ziet men dat internaten op een veilige afstand van steden en dorpen gebouwd worden, met als motief, dat de natuur zo goed is voor deze kinderen (wat ook zo is), maar vaak ook met het verborgen motief, dat zo de ontmoetingen met deze kinderen in de maatschappij beperkt en geregeld kunnen worden. Ofwel er gebeurt iets anders na zo’n verwarrende confrontatie met een ontwikkelingsgestoord kind. Zijn onverwacht gedrag vergelijkt men met het vertrouwde gedrag van zichzelf en andere kinderen en medemensen en men trekt daar de op zichzelf juiste conclusie uit: dit kind heeft een afwijking.
Deze conclusie kan men snel bevestigd krijgen. Het kind kan meestal veel minder dan zijn leeftijdsgenootjes. Het kan niet meekom. Het kan niet gewoon meedoen in onze sociale inrichtingen als gezin, school, op visite gaan, uitstapjes maken en vakantie houden. Doordat je het kind tevens dit alles zo graag zou gunnen, ontstaat er een gevoel van machteloosheid in jezelf. En ook een gevoel van medelijden. De combinatie van die twee gevoeIens maakt dat het medelijden in eerste aanleg passief is. Ik bedoel met passieve gevoelens die gevoelens, die niet tot wilsimpulsen leiden, doch in het gevoelsgebied zelf blijven ronddraaien.
Gevoelens die niet tot wilsimpulsen leiden worden na zekere tijd sentimenteel. Wordt medelijden sentimenteel, dan wordt het kind tot beklagenswaardig slachtoffer. Om te weten te komen wat het effect is van medelijden dat in dit stadium blijft steken, zou je bij jezelf te rade kunnen gaan. Stel, je bent
bent behept met een euvel of er is je iets overkomen dat je leed berokkent. Je vindt in je omgeving mensen, die je beklagen. Ontegenzeggelijk geeft dit een tijdlang troost en verzachting van je leed Maar als de mensen je steeds als een beklagenswaardig persoon blijven behandelen, ga je je steeds hulpelozer voelen en onmachtig om ooit nog iets met je situatie te doen. Het sentimentele medelijden gaat knagen aan je zelfgevoel, aan je gevoel van eigenwaarde en verlamt ten slotte de mogelijkheden om jezelf die niet door het onheil
getroffen zijn.
Deze negatieve en onbedoelde werking van het sentimentele medelijden wordt veroorzaakt omdat het niet doortrokken wordt door een doordenken van het probleem, waarop het zich richt. Zodoende gaat het een te onbewust leven leiden. Onze tijd eist van ons. dat we bewuster met onszelf omgaan dan in vroeger tijden. Doen we dit niet, dan gaan gevoelens, die zich aan ons bewustzijn onttrekken een eigen leven leiden en ze slaan een weg in naar de ontpersoonlijking waarbij ze geleidelijk aan ontaarden en ontmenselijken.
Zo kan men wellicht inzien, dat medelijden waar men geen raad mee weet en dat men niet als een uitdaging neemt om zich bewuster met het betreffende leed uiteen te zetten, in zijn werking voert tot een voorstelling van het menszijn in graden van volwaardigheid en afvoert van de voorstelling van de universele gelijkwaardigheid van alle mensen op aarde.
De maatschappelijke neerslag van deze deels onbewuste voorstellingen zie ik in de sterke neiging om ons aller gedrag te normaliseren. Zo is in het op zich juiste streven naar een billijker inkomstenverdeling Jan Modaal op het toneel verschenen als homo economicus. Daar is op zichzelf niets tegen, als hij maar niet de in maatschappelijk-politieke voorstelling bij alle plannen en strevingen een rol gaat spelen alsof hij het belangrijkste deel van de mens is. Helaas ben ik daar in het geheel niet gerust over. Jan Modaal treedt op als behoefte-mens, als prestatie-mens, als zieke mens en als mens die voor zichzelf ontwikkelingsmogelijkheden zoekt.

Als onze ontwikkelingsgestoorde kinderen volwassen worden, zijn ze meestal veel moeilijker dan wijzelf in dit Jan Modaal-maatschappelijk patroon in te passen. Lukt dit niet dan treft de maatschappij wel voorzieningen voor hen, maar rekent tegelijk de extra kosten hiervoor. We blijven hardnekkig veronderstellen dat een zoveel mogelijk Jan Modaal-leven voor deze mensen het allerbeste is en de meeste kansen op levensgeluk biedt en maatschappelijk tevens het goedkoopste is. Het ontgaat ons waarschijnlijk dat deze vooronderstelling gebaseerd is op een onbewust superioriteitsgevoel en een daarvan afgeleid geloof, dat ons huidige maatschappijbestel de beste voorwaarden voor een menswaardig leven biedt.

Grenservaringen

Een derde mogelijkheid na de boven beschreven verwarrende ontmoeting is dat men zich de eigen onmacht in het medelijden bewust maakt en hieruit de wilsimpuls laat ontstaan om naar eigen vermogens en omstandigheden meer van deze kinderen te weten te komen en te gaan begrijpen. Dan wordt het medelijden actief. Letterlijk gaat men lief en leed met deze kinderen delen en gaandeweg wordt het eigen hulpvermogen hierdoor groter.
Uit mijn werk in de heilpedagogische instituten kan ik u vertellen welke ervaringen de medewerkers opdoen. Maar uit gesprekken met mensen uit de andere bovengenoemde instellingen weet ik, dat ook deze dezelfde ervaringen hebben. Zelfs bij de zwaarst gestoorde kinderen treden er momenten op, nadat men met geduld en volharding gezocht heeft naar de juiste wegen en handgrepen, waarop men de beleving heeft van een ontmoeting met een medemens, die men in zijn innerlijk wezen herkent als geheel identiek en gelijk aan zichzelf.
Zoals men in iedere ontmoeting van betekenis zowel de ander leert kennen alsook in de ander tegelijk zichzelf als in een spiegel ontmoet, zo is het ook in die ontmoetingsmomenten met de kinderen. De momenten dat een diepgestoord kind in het contact plots antwoord geeft, al dan niet in woorden of in andere uitingen en men dwars door alle uiterlijkheden heen zijns gelijke ontmoet, kan men beslist tot de grenservaringen rekenen. En zoals alle grenservaringen tillen deze je even boven je alledaagse bewustzijn uit en laten je een evidentie beleven van een wezenlijker en universeler zijn dan de persoonsgebonden werkelijkheid, waarin je gewoonlijk leeft.
Maar ook los van deze momenten kan het samen leven en werken met deze kinderen tot vele onverwachte ervaringen leiden. Hoe meer je in de gemeenschapsvorming en in je omgang met hen aan hun noden en behoeften tegemoet komt, hoe meer je hen begrijpt en hun problematiek doorziet, hoe meer hun onbeschadigd zijn als mensen-kind op de voorgrond treedt en hun sociale gedrag gaat bepalen. Dan kunnen vermogens tevoorschijn komen, die men hen terecht benijden kan, zoals overgave, zuiverheid van aanvoelen en vaak ook een diepe religiositeit. Hoe kunnen ze genieten van de jaarfeesten en andere festijnen.

Ik begrijp dat mensen die niet het geluk hebben met deze kinderen samen te zijn, hen beklagen en hun lot een gesel des levens vinden. Ik begrijp dat medici intensief naar de vele oorzaken van ontwikkelingsstoornissen zoeken en voor de erfelijke oorzaken onderzoekingsmethoden ontwikkelen om tijdens de zwangerschap reeds afwijkingen vast te stellen. Ik begrijp ook dat ze daarmee aanstaande ouders in de gelegenheid willen stellen een keuze te doen om een ontwikkelingsgestoord kind al dan niet geboren te laten worden.

Maar ik maak me ongerust dat zoveel mensen zich over het probleem van de ontwikkelingsgestoorde kinderen uitspreken, van wie ik merk, dat ze hen niet kennen. En ik word nog ongeruster als ik stemmen verneem, die beweren, dat iedere zwangere vrouw mét een verhoogd risico een ontwikkelingsgestoord kind ter wereld te brengen, maatschappelijk verplicht zou zijn om zich te laten onderzoeken en bij positieve uitslag de zwangerschap te laten afbreken, omdat ze anders de gemeenschap ontoelaatbaar met de financiële gevolgen van een levenslange verzorging van het kind opscheept. Dan wordt Jan Modaal van homo economicus tot homo ethicus bevorderd.

Goede bedoelingen worden zo wel tot heel kwalijke praktijken. Ik vrees dat men dan wel zeer vele ouders in een onduldzame gewetensnood brengt. Ik vind trouwens toch dat de ouders van ontwikkelingsgestoorde kinderen onvoldoende herkend en begrepen worden in hun bijzonder zware en verantwoordelijke rol, die ze in het leven van hun kind moeten vervullen. Deze ouders lijden vaak nog meer dan hun kinderen door het geringschattende medelijden in de maatschappij, vaak nog gepaard gaand met een verholen oordeel over wat ze van hun ouderrol terecht brengen. En dit dan gespeend van ieder inzicht in de moeilijkheden van de ouderrol van een ontwikkelingsgestoord kind.

Als men dan bedenkt hoe deze kinderen door hun feilloos reageren op hun omgeving ons kunnen helpen om ons te bezinnen op de wezenlijke aspecten van ons menszijn; hoe ze ons wakker kunnen schudden voor vele absurde maatschappelijke vanzelfsprekendheden, waar we aan gewend zijn geraakt; hoe ze ons aan hen af laten lezen hoe we hun leef- en, leer- en werkgemeenschap in moeten richten en hoe deze dan elementen bevat, die onze maatschappij zeer wel zou kunnen gebruiken om humaner en gezonder te worden: als men dit alles bedenkt, zou men misschien tot de conclusie kunnen komen, dat we hen node kunnen missen en dat ze van grote betekenis zijn voor de culturele ontwikkeling van ons allen.

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

1322-1235

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen(1)

.
Er zijn altijd wel kinderen geweest die in hun ontwikkeling problemen ondervonden. Moeilijkheden die we bij een normaal verlopende ontwikkeling niet zagen. Maar wat is een ‘normale’ ontwikkeling.

De problemen kregen ook speciale namen. In het onderstaande artikel dat al weer wat ouder is, is sprake van MBD-kinderen, een term die je nu al weer niet veel meer hoort.
Maar wat de problemen betreft: die zijn er ook vandaag nog.
.

Dick Hütter, Jonas 14-05-1982

.

Het MBD ~ kind 
Uitdaging tot warme strengheid

De kinderpsychiater Dick Hütter schreef een artikel over MBD-kinderen: ‘Soms zijn ze fantastisch, dan weer tijden hopeloos’, Het MBD-kind: een bron van onrust. Het wiebelt op zijn stoel, valt er af en gooit opvallend veel ondersteboven. Het MBD-kind: slechte concentratie, gebrek aan aanpassingsvermogen.

Het MBD-kind is een typisch modern kind, tot in de naamgeving van zijn ontwikkelingsproblematiek toe: een afkorting van een Engelstalige omschrijving van de vermoedelijke organische oorzaak van de stoornis. Minimal Brain Dysfunction – ofwel kleinere ontregelde hersenwerking. In strikte zin kan men eerst van de medische diagnose MBD spreken als men met het Electro-Encephalo-Gram (EEG) de diagnose kan bevestigen en als men van andere oorzaken, zoals een achterblijven van de verstandelijke ontwikkeling, zintuigdefecten of evidente neurologische afwijkingen kan uitsluiten. Ook in het psychologisch onderzoek kunnen karakteristieke onvermogens bij deze kinderen aan het licht komen. Maar het MBD-kind is tevens een kind van deze tijd in die zin, dat dit syndroom volgens de meeste onderzoekers in de laatste tien jaar duidelijk is toegenomen.
Ik kan in het bestek van dit artikel niet uitputtend op de behandeling ingaan en wil me beperken tot een beschrijving en enige grondgedachten over waarom het MBD-kind wellicht nog meer zo’n ‘modern’ kind is. We kunnen de problemen, die een MBD-kind heeft en geeft op een aantal gebieden tegenkomen.

Ten eerste komen we problemen tegen op het gebied van de bewegingen, van de motoriek. Het kind is vaak overbeweeglijk en zijn bewegingen zijn ‘slordig’. In de fijnere motoriek is het onhandig en vaak ook achter bij zijn kalenderleeftijd. In de grovere motoriek, bij lopen, rennen, klimmen, heeft het er meestal niet zoveel last van en bovendien is het kind buiten in de natuur vaak in zijn element. Binnenshuis is het kind door zijn bewegingsdrang veelal een bron van onrust en van vele ongelukjes. Het gooit van alles om, het wiebelt op zijn stoel of valt eraf en toe af en het loopt opvallend veel ondersteboven, waaruit blijkt dat het zijn grove motoriek toch ook onvoldoende beheerst.

Het tweede gebied waarop MBD zich uit, is dat van de concentratie. Het richten van de aandacht gedurende enige tijd blijkt van deze kinderen een veel grotere krachtsinspanning te vergen dan van hun leeftijdsgenoten. Bij nauwkeuriger observatie blijken deze kinderen gelijktijdige zintuigindrukken niet te kunnen selecteren; ze nemen van alles door elkaar waar, zonder bepaalde indrukken voldoende helder te krijgen om er de juiste begrippen mee te verbinden.
Ik heb eens een bespreking op de band opgenomen om geen aantekeningen te hoeven maken. Bij het afdraaien van de band bleek mijn microfoon zowel de sprekers als het gerinkel van de roerende lepeltjes in de koffiekopjes, het verkeersgedruis op straat, als pratende mensen in de gang te hebben opgenomen. Ik kreeg een indruk van ongeselecteerde opvang van geluiden en meer begrip voor het MBD-kind, dat behalve via zijn oren nog door veel andere zintuigen prikkels opvangt, zonder voldoende in staat te zijn met zijn hersenorgaan de noodzakelijke afstemming op de wezenlijke indrukkeh tot stand te brengen.

Het derde gebied waarop MBD zich uiten kan is het emotionele evenwicht. De kinderen worden vaak beschreven als kwetsbaar, prikkelbaar, snel gefrustreerd. Nu zou dit best een gevolg van de eerder genoemde handicap kunnen zijn. Om het na te voelen moet u zich maar eens voorstellen dat, terwijl u bezig bent een draad in een naald te steken, er ettelijke mensen tegelijk tegen u spreken, er een geur zich aan u opdringt alsof er iets staat aan te branden en u plots een vreselijke jeuk aan uw neus krijgt. De kans is groot dat uw emotionele stabiliteit op zo’n moment ook niet optimaal is en u de draad niet in de naald krijgt.

Een vierde aspekt van de MBD-problematiek is de gebrekkige duiding van vele zintuigindrukken. Het kind ziet en hoort wel goed, maar neemt toch niet goed waar en herkent zodoende vormen en klanken minder goed. Geen wonder dat lezen, schrijven en rekenen vaardigheden betekenen, die met heel veel moeite aangeleerd moeten worden. Allerlei functies blijken in ontwikkeling achter te lopen zoals de ooghandcoördinatie, de ruimtelijke oriëntatie, de voorgrond- achtergrond-onderscheiding, het afstandsgevoel en het daarvan afgeleide getalbegrip. Ook hebben ze geen exacte voorstelling van de ruimtelijke samenhang en bouw van het eigen lichaam, (het lichaamsschema).

Ten vijfde speelt MBD het kind parten in de aanpassingsvaardigheid aan de omgeving en aan de situatie. De MBD-kinderen blijken ondanks hun grote uiterlijke beweeglijkheid innerlijk niet soepel om te schakelen bij veranderingen in de omgeving. Verder hebben ze grote moeite zich aan de spelregels van hun leefgemeenschap te houden. Het is of ze die steeds vergeten. Ze zijn wat je noemt hardleers. Je kan hun eindeloos vertellen hoe je het hebben wil.
Nu is de kinderleeftijd eigenlijk een aaneenschakeling van aanpassingen aan de verwachtingen van de omgeving, die sterk met het stijgen van de leeftijd mee om hoog gaan. Als men dit vergelijkt met het gelijk blijven van de verwachtingen en eisen van de maatschappij als men eenmaal volwassen is, dan kan men ook begrijpen dat MBD op volwassen leeftijd aanzienlijk minder problemen geeft dan tijdens de kinderjaren.
Nu komt daarbij dat een kind uiteraard sterk afhankelijk is van zijn biologische ontwikkeling, die geleidelijk ophoudt, te beginnen met de intellectuele biologische ontwikkeling die ongeveer met zestien jaar stopt, terwijl de eerder genoemde functies (waar een MBD-kind problemen mee heeft) zich nog iets langer ontwikkelen tot dat de kinderen in de twintig zijn. Beginnend met de puberteit ziet men daarenboven dat het IK meer kracht krijgt over lichaam en ziel, waardoor de ontwikkeling een meer persoonlijke kwaliteit begint te krijgen. Hoewel de MBD-problematiek, die in de lichamelijkheid, in het biologisch-organische zetelt, dus blijft bestaan, krijgt de mens dan meer mogelijkheden om deze te compenseren en zich er onafhankelijker van te maken.
Natuurlijk treden er spanningen op in het leven van een MBD-kind, die een ander kind niet heeft. Het versaagt in vele situaties, waarbij noch het kind zelf noch de omgeving vaak begrijpt hoe dit mogelijk is. Men ziet dan ook, dat deze kinderen onzeker worden en een groot gebrek aan zelfvertrouwen krijgen, wat de problemen weer veel erger maakt dan met de ernst van de afwijking overeenkomt. Het kind gaat secundaire gedragsstoornissen tonen die samenhangen met zijn overige geaardheid en die kunnen variëren van dwarsliggen tot zich terugtrekken, van zich eeuwig verongelijkt voelen, tot bravouregedrag. Men moet zich goed realiseren dat het kind vaak niet alleen thuis in conflict komt met de huisregels doch op school meestal niet mee kan komen ondanks zijn pienterheid en in het vrije spel ook de grootste moeite heeft om de spelregels van zijn speelgenoten op te volgen. Vooral als deze tijdens het spel gewijzigd worden, wat bij jonge kinderen nogal eens gebeurt. Het MBD-kind mist de informatie, interpreteert deze niet goed en schakelt niet om met als resultaat dat het voor stommeling of valse speler wordt uitgescholden.
Als men het MBD-syndroom zo overziet met:
– de bewegingsdrang en gebrekkige motorische beheersing
– de problematiek om de aandacht te richten en de zintuigindrukken te selecteren op belangrijkheid
– de geringe mogelijkheid om teleurstellingen en tegenslagen emotioneel te verwerken
– de onnauwkeurigheid van de waarneming
– het geringe aanpassingsvermogen aan de omgeving
dan dringt zich een vergelijking op met de bewegingsonrust, waarbij de mensen die er aan deelnemen met een minimum aan eigen beweging, zich van hot naar her lijken te verplaatsen. De lawine van geluids- en gezichtsprikkels, die de media over de wereld uitstoten, vooral in de vorm van aehtergrondmuziek en een non-stop-tv-uitzending, hebben een merkwaardige ongeselecteerde
informatie-karakteristiek. De welvaartstaatideologie knaagt aan een ieders frustratietolerantie. En in het algemeen is iedere regelmaat in het dagelijks leven sterk afgenomen. Vaste patronen en een ritme in de bezigheden die aan de menselijke maat zijn aangepast, zijn ver te zoeken. Het leven is meer een hollen en stilstaan geworden en van het menselijk aanpassingsvermogen wordt dan ook vaak ‘bovenmenselijk’ veel gevraagd.

De kinderen moeten volop aan dit leven deelnemen. In treinen, auto’s en schoolbusjes leggen veel kinderen de schoolweg af, thuis hebben de gezinsleden vaak ieder een zo verschillend dagprogramma dat het zelfs een heksentoer wordt om de maaltijden rustig met elkaar en op vaste tijden te nuttigen.

In wezen mist ons moderne leven een achtergrond, een stramien, waarop alle dingen hun vaste plaats hebben en daarmee hun herkenbaarheid krijgen. En dat is nu juist de basis van iedere hulp aan het MBD-kind. Regelmaat, structuur in ruimte en tijd, grote duidelijkheid in wat van hem verlangd wordt, niet teveel afwijkingen en uitzonderingen van de regels, overzichtelijke en enkelvoudige leerprocessen, korte maar vaak herhaalde oefeningen, het voorkómen van tegenstrijdigheden is voor het MBD-kind van het grootste belang.

Het is niet eenvoudig om een MBD-kind op te voeden. Want men moet zo te zeggen tegen de stroom van het moderne leven inroeien, zoals uit bovenstaande opsomming blijkt. En dan, het zijn vaak zulke wisselvallige kinderen. Soms zijn ze fantastisch goed in gedrag en prestaties en dan weer tijden hopeloos.

Het is of men de vader van Dik Trom zijn klassieke woorden hoort spreken: Het is een bijzonder kind en dat is ’ie’. Maar Diks vader had het nog makkelijk, daar hij zijn bijzondere zoontje in een rustig buitenleven met een overzichtelijke structuur en arm aan ongewenste prikkels en invloeden in een duidelijk ritme op kon voeden.

Voor ons is het echter een uitdaging en een opgave om voor ons MBD-kind een milieu te scheppen waarin het gedijen kan, en daar zelf in op te treden als een duidelijke, houvastgevende autoriteit met behoud van alle warmte en tederheid die men voor het kind voelt. Een oefening in ‘warme strengheid’. Misschien kan men dan ervaren dat het MBD-kind door zijn handicap ons wakker kan schudden voor de abnormaliteiten, die we geleidelijk aan in onze cultuurwereld hebben toegelaten en die we ‘normaal’ zijn gaan vinden omdat we er aan gewend zijn geraakt. Door enigszins te proberen ons aan te passen aan de behoeften van het MBD-kind en niet alle aanpassing van hem te verwachten, zou hij ons wel eens aan kunnen sporen om een begin te maken met ons aller huidige maatschappelijk leven weer wat hygiënischer te gaan vormen. Wie weet, behoedt het MBD-kind ons er voor, als we zijn boodschap zo begrijpen, om straks met zijn allen een MBD-gedrag te krijgen zonder de specifieke oorzaken, die bij het kind aan dit gedrag ten grondslag liggen.

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Leerproblemen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1321-1234

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling 

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 19 t/m 21   vert. 20/21

GEEN IJDELE HOOGMOED

Steiner ziet de pedagogische taak van de vrijeschool niet als zomaar de stichting van een school die het nu eens (totaal) anders gaat doen – zeer zeker al niet ‘uit ijdele hoogmoed’ -, maar het is nodig als een antwoord op de vraag van de tijd.
Nu is ‘de tijd’ een vage abstractie, want we hebben altijd ‘de tijd’ – waarin we leven bv. of waarin onze voorouders leefden, of waarin onze (klein)kinderen zullen leven.

Tijd en maatschappij

Wat de tijd bracht, brengt of zal brengen, is altijd concreet terug te vinden in – ook een abstractie: ‘de maatschappij’.
Wanneer het om onderwijsvernieuwing gaat, zal je heel vaak aantreffen ‘dat we de leerlingen moeten voorbereiden – ook wel geformuleerd als: ‘klaarstomen – voor de maatschappij.’ 
Dit gezichtspunt is sinds de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw niet verdwenen, het diende en dient zich steeds in een ander jasje aan.

In de basisschool kon het dan gaan om ‘iets nieuws’ in de maatschappij, waarvan de onderwijskundigen dan vonden dat de kinderen daarmee vertrouwd moest raken of ‘ze moesten zich kunnen aanpassen’ aan die maatschappij.’

Ik herinner me nog dat in de jaren zeventig voor veel mensen een telefoon thuis binnen bereik kwam. Tot die tijd hadden niet veel ‘gewone’ mensen er een. Als ik moest bellen naar een plaats die te ver weg was om de afstand snel te kunnen overbruggen, moest ik naar mensen in de straat die een bedrijf hadden en dus wel telefoon of, wanneer je niet wilde dat iedereen dan meeluisterde, ging je naar het plaatselijke café waar de telefoon in een ‘telefooncabine’ hing en waar je na beëindiging van het gesprek het aantal tikken van het metertje afrekende.
De huistelefoon kwam dus en nu moesten we in de klas de kinderen leren bellen.
Dan waren de kinderen in ieder geval voorbereid op dat stukje maatschappij. De praktijk was echter dat de kinderen die thuis telefoon hadden of kregen al lang wisten hoe dat moest en voor de kinderen die er (nog) geen hadden bleef het toch min of meer een abstract iets. En kregen die ook telefoon thuis dan wisten ze in de kortst mogelijke keren hoe e.e.a. werkte.
Scholen die daar aandacht aan besteedden, heetten ‘modern’ en de andere die daar niet zo mee bezig waren: ‘traditioneel’.

Het is nu niet anders: lees voor ‘telefoon’, ‘pc, smartphone, iPad’ enz. en we hebben het over hetzelfde. De kinderen kunnen er vanuit de thuissituatie – oudere zus of broer – al vaak veel meer mee dan juf of meester.

Maar wanneer je als school daar niet zo’n punt van maakt, word je al snel weggezet in de hoek van ‘ouderwets, traditioneel – niet meegaand met ‘de tijd’ – en omdat vrijescholen ook hun visies op ‘de moderne dingen’ hebben, klinkt op fora waar ouders discussiëren over ‘mijn kind wel of niet naar de vrijeschool’ wat dit betreft ook regelmatig de vraag: ‘zijn ze straks wel klaar voor de maatschappij’.

Natuurlijk, veel van deze dingen moeten worden geleerd; hoe ermee om te gaan enz. Het punt is niet dat het geleerd moet worden, maar wanneer en hoe.

En dan ‘de maatschappij’.
‘De maatschappij, dat zijn wij’, hoorde ik al vaak. En ja, het gaat om mensen die iets vinden, mensen die iets uitvinden, mensen die iets willen, mensen die iets opzetten, inrichten, afspreken, zich verzetten, protesteren. Je kunt er nog vele regels mee vullen.
‘Opvoeden voor de maatschappij’ is een abstractie of een aanpassing die ervoor zorgt dat je slaafs meegaat in wat men vindt, bedacht heeft, ingericht enz.

Opvoeden voor de maatschappij kan ook betekenen: wat is er in jou ontwikkeld door opvoeding en onderwijs waarmee je in de mensengemeenschap jouw bijdrage levert voor de samenleving.

Maar ook ‘de samenleving’ is nog abstract. Hoe ziet die eruit? Hoe zou die eruit moeten zien of juist niet.

En als je deel uit wil maken van die samenleving, hoe sta je daar dan in, met welke ideeën, wat kun jij bijdragen door jouw talenten, heb je zicht op wat voor de toekomst belangrijk is.
Dat zijn grote vragen, grote vraagstukken ook, die  in hoge mate het ‘leren telefoneren of omgaan met de iPad’ overstijgen.

‘Steiners opvoedkunst is gebaseerd op een allesomvattend inzicht in het wezen van de mens – d.w.z. niet alleen op inzicht in de aardse verschijningsvorm van de mens, maar ook op inzicht in de ziel en de geest die in de mens verborgen zijn. De methode van opvoeden moet rekening houden met de levende, eeuwige kern van het wezen van de mens én met de veranderende verschijningsvormen in de ontwikkeling van natuur en geschiedenis en moet een wakker bewustzijn ontwikkelen voor de wereld van de naar de oerbeelden gevormde fysieke ontwikkeling’, haalt Marie Steiner aan uit de toespraak van Rudolf Steiner bij de opening van de vrijeschool op 7 september 1919. [4]

Egoïsme

Dat is toch van een ander niveau dan ‘make money, my son, honestly if you can, but make money’, zoals in Amerika zonen van hun vaders in de zestiger jaren ‘voor de maatschappij’ meekregen.
Maar ook anno 2023, waarin de leerlingen voorbereid moeten worden op de ‘kennis-economie’, zodat ze daarvan kunnen meeprofiteren, zien we daarvan iets terug.  (Staat daar de profiteur al klaar?)
Moet iedereen z’n graantje kunnen meepikken? Is het nog steeds ‘the struggle for life’ en ‘the survival of the fittest’?

Het ‘ikke en de rest kan stikke’ is de laatste tientallen jaren zoveel sterker geworden, dat premier Rutte er in 2015 een speech aan wijdde: ‘De dikke Ik-speech’ waarin hij ‘de-dikke-ik-mentaliteit‘ op de korrel neemt.
Hij deed dat wel vanuit een bepaalde – zijn VVD-optiek -, maar toch!

Volgens mij is er tot nog toe op aarde geen ander mens geweest die zoveel over het Ik heeft geschreven en gezegd dan Rudolf Steiner.
Wie in zijn boeken en voordrachten op zoek gaat naar trefwoorden, vindt o.a.: Ik-bewustzijn; hoger Ik; Ik-ontwikkeling; Ik-beleven; Ik-gevoel; Ik-heid; Ik-krachten; Ik-cultuur; Ik-natuur en nog meer; maar ook: egoïsme.
Zie Rudolf Steiner over het Ik

Voor Steiner is de ontwikkeling van mens en mensheid die voor hem allerlei aspecten vertoont, er ook een van de ontwikkeling van het Ik.
Het meer op de voorgrond treden van dit Ik heeft enerzijds een groter bewustzijn tot gevolg, anderzijds wordt ook de negatieve kant ervan: het egoïsme groter.
In dit proces bevindt zich de mensheid en de mens van nu; natuurlijk niet alles en iedereen en overal tegelijk, maar wie rondkijkt in de wereld – of die van hieruit nu ver weg is of dichtbij, of het om groepen gaat of individuen – we zien deze twee kanten van het Ik zich steeds duidelijker manifesteren.

Nog geen honderd jaar geleden hadden de ‘notabelen’ in het dorp groot aanzien. Wie durfde de huisarts tegen te spreken: ‘Dokter zal het toch wel weten!’ Nu hebben we mondige patiëntenverenigingen die dokter ter verantwoording roepen. Het woord ‘mondig’ deed zijn intrede. Je hoeft ‘mondig’ maar te googelen en zie daar:
=een mondige moslima
=jonge docenten klagen over ‘mondige, respectloze ouders’.
= vrouwen in afgelegen rurale gebieden mondiger te maken en ze meer greep…( ) 
=mondigheid van de vrouw en de opkomende secularisatie (ontkerkelijking)
=Wegwijzer voor vaders en moeders: Meer mensen mondig maken …

Ook over egoïsme is veel te zeggen – en dat heeft Steiner ook gedaan in vele voordrachten.
Ook in deze ‘Algemene menskunde’.
Hij wijst hier op een vorm van egoïsme die je eigenlijk niet als egoïsme verwacht:

blz. 20   

Vergessen Sie nicht, indem Sie sich Ihrer Aufgabe widmen, daß die ganze heutige Kultur, bis in die Sphäre des Geistigen hinein, gestellt ist auf den Egoismus der Menschheit. Betrachten Sie unbefangen das geistigste Gebiet, dem sich der Mensch heute hingibt, betrachten Sie das religiöse Gebiet und fragen Sie sich, ob nicht unsere heutige Kultur gerade auf dem religiösen Gebiet hingeordnet ist auf den Egoismus der Menschen. Typisch ist es gerade für das Predigtwesen in unserer zeit, daß der Prediger den Menschen angreifen will im Egoismus. Nehmen Sie gleich dasjenige, was den Menschen am tiefsten erfassen soll: die Unsterblichkeitsfrage, und bedenken Sie, daß heute fast alles, selbst im Predigtwesen, darauf hingeordnet ist, den Menschen so zu erfassen, daß sein Egoismus für das Übersinnliche ins Auge gefaßt wird. Durch den Egoismus hat der Mensch den Trieb, nicht wesenlos durch die Pforte des Todes hindurch- zugehen, sondern sein Ich zu erhalten. Dies ist ein, wenn auch noch so verfeinerter, Egoismus. An diesen Egoismus appelliert heute in weitestem Umfange auch jedes religiöse Bekenntnis, wenn es sich um die Unsterblichkeitsfrage handelt. Daher spricht vor allen Dingen das religiöse Bekenntnis so zu den Menschen, daß es meistens das eine Ende unseres irdischen Daseins vergißt und nur Rücksicht nimmt auf das andere Ende dieses Daseins, daß der Tod vor allen Dingen ins Auge gefaßt wird, daß die Geburt vergessen wird.
Wenn auch die Dinge nicht so deutlich ausgesprochen werden, so liegen sie doch zugrunde. Wir leben in der Zeit, in der dieser Appell an den menschlichen Egoismus in allen Sphären bckirnpft werden muß, wenn die Menschen nicht auf dem ab:icigcz1ea Wege der Kultur, auf dem sie heute gehen, immer mehr und mehr abwärts gehen sollen. Wir werden uns immer mehr und mehr bewußt werden müssen des anderen Endes der menschlichen Entwickelung innerhalb des Erdendaseins: der Geburt. 

Vergeet u niet, wanneer u zich wijdt aan uw taak, dat de gehele cultuur van deze tijd, tot in geestelijke sferen toe, gestoeld is op het egoïsme van de mensheid. Observeert u maar eens onbevangen het meest geestelijke gebied waarop de mens zich tegenwoordig beweegt, observeert u het gebied van de religie, en vraagt u zich eens af of onze huidige cultuur niet juist op het gebied van de religie gericht is op het egoïsme van de mens. Het is typerend met name voor de preken in onze tijd dat daarin de mens aangesproken wordt in zijn egoïsme. Laten we meteen maar een kenmerkend voorbeeld noemen, iets wat de mens tot in het diepst van zijn ziel moet raken: de kwestie van de onsterfelijkheid; bedenkt u daarbij dat tegenwoordig bijna alles – zelfs in die preken — erop gericht is de mens zo aan te spreken, dat geappelleerd wordt aan zijn egoïsme inzake het bovenzinnelijke. Door zijn egoïsme begeert de mens niet wezenloos door de poort van de dood te gaan, maar zijn ik te behouden. Dit is egoïstisch, hoe verfijnd ook. Aan dit egoïsme appelleert tegenwoordig op grote schaal iedere religieuze opvatting, wanneer het om de kwestie van de onsterfelijkheid gaat. Daardoor richt de religie vooral zo het woord tot de mens, dat meestal het ene uiteinde van ons aardse bestaan wordt vergeten en alleen aan het andere uiteinde aandacht wordt besteed: dat vooral over de dood wordt gesproken en dat de geboorte wordt vergeten. Ook al worden deze dingen niet zo duidelijk uitgesproken, ze zijn toch fundamenteel. We leven in een tijd waarin dit appel aan het menselijk egoïsme op alle gebieden bestreden moet worden, anders gaan de mensen op de huidige neergaande weg van de cultuur steeds verder bergafwaarts.

Een bestrijding van het egoïsme zou dus o.a. gevonden kunnen worden in het serieus nemen van de mens als geestelijk wezen die vóór hij geboren wordt, al ‘iemand’ is die hier op aarde als Ik verder wil en die de hulp nodig heeft van opvoeder en leerkracht. 
Het als realiteit nemen van het Ik betekent tevens een mogelijkheid het te leren kennen en daarmee ook zijn schaduwkant: het egoïsme.

Wir werden in unser Bewußtsein die Tatsache aufnehmen müssen, daß der Mensch sich entwickelt eine lange zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt, daß er innerhalb dieser Entwickelung an einen Punkt gelangt ist, wo er für die geistige Welt gewissermaßen stirbt, wo er unter solchen Bedingungen in der geistigen Welt lebt, daß er dort nicht mehr weiterleben kann, ohne in eine andere Daseinsform überzugehen. Diese andere Daseinsform bekommt er dadurch, daß er sich umkleiden läßt mit dem physischen und Ätherleib. Dasjenige, was er bekommen soll durch die Umkleidung des physischen und Ätherleibes, könnte er nicht bekommen, wenn er sich in gerader Linie in der geistigen Welt nur weiterentwickeln würde. Indem wir daher das Kind von seiner Geburt an nur mit physischen Augen anblicken dürfen, wollen wir uns dabei bewußt sein: auch das ist eine Fortsetzung. Und wir wollen nicht nur sehen auf das, was das Menschendasein erfährt nach dem Tode, also auf die geistige Fortsetzung des Physischen; wir wollen uns bewußt werden, daß das physische Dasein hier eine Fortsetzung des Geistigen ist, daß wir durch Erziehung fortzusetzen haben dasjenige, was ohne unser zutun besorgt worden ist von höheren Wesen.

We zullen ons steeds bewuster moeten worden van het andere uiteinde van de menselijke ontwikkelingsweg hier op aarde: van de geboorte. We zullen ons bewust moeten zijn van het feit dat de mens zich gedurende lange tijd ontwikkelt tussen de dood en een nieuwe geboorte en dat hij in deze ontwikkeling op een punt belandt waarop hij voor de geestelijke wereld in zekere zin sterft; dat is wanneer hij onder zodanige omstandigheden in de geestelijke wereld leeft dat hij daar niet meer verder kan leven zonder in een andere bestaansvorm over te gaan. Deze andere bestaansvorm krijgt hij doordat hij zich omhult met het fysieke lichaam en het etherlichaam. Wat hij in zich moet opnemen door middel van de omhulling van het fysieke lichaam en het etherlichaam zou hij niet kunnen opnemen wanneer hij zich linea recta in de geestelijke wereld alleen maar verder zou ontwikkelen. Aangezien we het kind vanaf zijn geboorte slechts met fysieke ogen mogen aanschouwen, moeten we ons daarbij bewust zijn: ook dat is een voortzetting. Laat ons niet alleen kijken naar de ervaringen van de mens na de dood – dus naar de geestelijke voortzetting van het fysieke leven – maar laat ons bewust worden dat het fysieke bestaan hier een voortzetting is van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.
GA 293/21    
Vertaald: 20/21 

Nu is de geestelijke wereld, zijn de geestelijke wezens weer terug. → [1-2]
En dan rijst de vraag opnieuw: is er met ‘het gezonde verstand’ een mogelijkheid in het begrijpen toch wat houvast te vinden.

Ik heb hier een uitgebreidere beschouwing gegeven over die begrenzing van geboorte en dood en deze beschouwing vormt een wezenlijk onderdeel van het artikel dat je nu leest.

Het grote ‘in – uit’

Jaren geleden al weer, bezocht ik mijn moeder die in een verpleegtehuis verbleef. Zij verkeerde in het stadium dat ze niet meer sprak en vrijwel de hele tijd dat ze niet op bed lag, zat ze stil voor zich uit te kijken. Zij wilde ook nauwelijks meer eten. Tijdens dat bezoek hielp ik haar met eten. Ik moest denken aan onze eigen jonge kinderen die ik, als ze ook niet wilden eten – probeerde af te leiden door de lepel een autootje te laten zijn, dat ‘brrrrmm, brrrrmm’ naar de garage moest: het geopende mondje.
En terwijl ik bezig was mijn moeder te bewegen een hapje te nemen, waren mijn gedachten wat afgedwaald en plotseling betrapte ik me erop dat ik bijna ‘brrrmm, brrrmm’-geluiden maakte.
Het was net of ik weer met m’n 2-jarige bezig was.

Toen ik daar nog eens over nadacht, zag ik plotseling een soort ‘spiegeling’ voor me.
De oudere die bezig is afscheid te nemen van het leven – het kind dat de toekomst nog voor zich heeft.
De oudere die niet meer zindelijk is – het kind dat het nog niet is.
De oudere die steeds krommer gaat lopen – het kind dat uit de kruipende houding in de verticaal komt.
De oudere die steeds minder gaat spreken – het kind dat elke dag nieuwe woordjes leert.
De oudere die niets meer in de mond wil nemen – het kind dat er alles in stopt.
De oudere die steeds meer slaap nodig heeft – het kind dat steeds minder slaap nodig heeft.
Het rimpelige huidje van de pasgeboren baby (dat soms wat langer zichtbaar is, meestal snel ‘glad getrokken’; de huid van de volwassene die met het ouder worden steeds rimpeliger wordt. 

Zie ook [7-1-1]

Het lijstje is nog niet compleet, maar zou in die reeks tegenstellingen tenslotte ook niet passen dat het geboren worden van het kind en het sterven van de oudere, niet nóg, of niet óók een spiegeling is?
Want als de dood van de oudere een geboorte betekent voor het hiernamaals, waarom zou het geboren worden van een kind dan geen sterven voor het hiervoormaals kunnen zijn.

Steiner spreekt dit als een geesteswetenschappelijk feit uit: geboren worden voor de fysieke wereld is sterven voor de geestelijke.

Hier op aarde zijn we omgeven door aardse personen. In de geestelijke wereld door onaardse wezens – de geestelijke. Onder hen, in hun sfeer, hebben we ons als geest/individualiteit/onsterfelijke kern ontwikkeld. Die ontwikkeling is afgerond, maar moet op aarde verder gaan: we worden geboren. De aardse personen in onze directe omgeving gaan verder met wat in ons geestelijk bestaan de geestelijke wereld voor en aan en met ons deed.

Steiner: (zie boven)
‘Laat ons niet alleen kijken naar de ervaringen van de mens na de dood – dus naar de geestelijke voortzetting van het fysieke leven – maar laat ons bewust worden dat het fysieke bestaan hier een voortzetting is van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.

Onze pedagogie zal pas de juiste stemming ademen, wanneer we ons van het volgende bewust worden: hier in dit mensenwezen dien je door jouw handelen voort te zetten, wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.’

Bij het zien van deze foto moest ik onwillekeurig denken aan een zin in de ongedrukte passage:

‘Laat ons onze gedachten zodanig richten dat wij het bewustzijn kunnen hebben: achter ieder van ons staat zijn engel, wiens handen zacht op ons hoofd rusten; deze engel geeft jullie de kracht die je nodig hebt………
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] zie [1], in de vertaling blz.208
.

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1320-1233

.

.
*

VRIJESCHOOL – Over ontwikkeling

.

EEN SCHOOLARTS OVER ONTWIKKELING

De mens is in ontwikkeling. Dat is een stelling, waar de meeste mensen weinig moeite mee hebben, zeker niet als hiermee nog open blijft of het in positieve dan wel negatieve zin is. Toch blijkt, dat het begrip voor ontwikkeling hoe langer hoe meer verandert, dan wel vermindert. De vooral uit Amerika overgewaaide tendens bestaat om het beoogde doel zo snel mogelijk. te bereiken. Dat is voor de meeste mensen een vanzelfsprekendheid. Het principe van ontwikkeling is echter, dat niet het eindresultaat het belangrijkste is, maar de weg die er heen leidt. De plant brengt ten slotte een aantal zaden voort, waaruit zich nieuwe planten zullen ontwikkelen. Elke stap in het groeiverloop is echter noodzakelijk en op zichzelf een hoogtepunt. Als we proberen stappen over te slaan gaat dat ten koste van de vitaliteit, evenals wanneer we proberen de stappen korter te maken. Dat laatste hangt samen met het feit dat wij op aarde aan tijd onderhevig zijn, wij kunnen de tijd niet beheersen, hij staat vast en wordt bepaald door kosmische ritmen, zoals zons- op en -ondergang, de seizoenen en andere.

Men probeert op vele fronten de weg die tot een beoogd doel leidt te verkorten. Dat is het kenmerk van technische vooruitgang. In de techniek kan met dat principe goed gewerkt worden, evenals in de wiskunde.
Het wordt anders als het over levende dingen gaat. De westerse wereld probeert de minder ontwikkelde landen zo snel mogelijk te ontwikkelen. Stadswijken worden uit de grond gestampt. Dat zijn zaken die met mensen te maken hebben, maar die door deze snelheid van opbouw niet meer goed bij mensen kunnen passen. Als de groei van een plant of van vee versneld wordt (b.v. door kunstmest resp. hormonen) kunnen we zien dat daardoor de (levens-)kracht vermindert. Wat voor een plant groei is in materiële zin, is voor een mens tevens groei in geestelijke zin. Bij de mens duurt de totale ontwikkeling ongeveer 80 jaar, waarvan er maar 13 – 18 jaar aan lichamelijke groei besteed wordt. Die tijd is nodig om zijn totale ontplooiing mogelijk te maken. De mens heeft daarbij een groot aantal mogelijkheden, waarvan hij er in zijn hele leven vele gebruikt, in tegenstelling tot een dier, die al zijn mogelijkheden al heel vroeg in zijn leven tegelijk gebruikt. Om de mens in staat te stellen dit scala van aanleg te ontvouwen, en niet in korte tijd alles op te gebruiken, of vast te groeien in één richting, moet hij in elk levenstijdperk de juiste ontwikkelingskansen vinden. In het volwassen leven zoekt hij die zelf, maar om daartoe in staat te zijn moet hij als kind alle  levenstijdperken op de juiste wijze en vooral in het juiste tempo doorlopen hebben. Als een mens in zijn ontwikkeling versneld wordt gaat dat ten koste van zijn geestelijke, maar ook lichamelijke vitaliteit. Deze
ontwikkelingsversnelling wordt op grote schaal op kinderen toegepast; de groei is versneld, de schoolleeftijd verlaagd, de volwassenheid wordt vroeger aangenomen wat tot uitdrukking komt in het stemrecht.
Op de kleuterschool probeertmen kinderen al te laten leren, op de basisschool al te laten oordelen en op de middelbare school worden kinderen al in een in beroepskeuze gedrongen. De puberteit is inderdaad vervroegd, maar ook het optreden van hartinfarct en aderverkalking.
De mens leeft gemiddeld langer door effectieve bestrijding van doodsoorzaken (alsof doodgaan het ergste is dat ons kan overkomen) maar ook ongezonder door verval van lichamelijke functies.

Het begrip voor ontwikkeling is de basis van de vrijeschool. Het onderwijs is op de fase, waarin het kind op een bepaalde leeftijd verkeert, heel zuiver afgestemd. Het is van belang dat we op de vrijeschool oog hebben voor een harmonische ontwikkeling, zowel lichamelijk als geestelijk Harmonie betekent een zuiver evenwicht tussen twee uitersten, b.v. groot en klein. Het betekent evenwicht en veelzijdigheid. Als een kind te vroeg schrijft kan dat betekenen dat we op onze hoede moeten zijn, als hij te lang niet schrijft ook. Bij te vroege ontwikkeling vrezen we verval van (soms veel latere) mogelijkheden, bij te late ontwikkeling zijn we bang dat het kind geblokkeerd is, of misschien beperkt begaafd.
Om deze begeleiding optimaal te kunnen volbrengen moeten de leraren en de schoolarts intensief met elkaar samenwerken, waarbij tevens veel afhangt van de medewerking van de ouders, zowel wat het registreren van problemen betreft als het uitvoeren van opvoedingsadviezen. Een kind in zijn ontwikkeling begrijpen, met een vooruitziend oog op de toekomst, is één van de moeilijkste dingen die er zijn.

B.R. de Klyn, nadere gegevens ontbreken
.

B.C.J. Lievegoed, Ontwikkelingsfasen van het kind
B.C.J. Lievegoed, Levensloop van de mens
H. Poppelbaum, mens en dier

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1319-1232

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid en ziekte

.

onverklaarbaar?

Er komt een patiënt met symptomen die je niet kunt thuisbrengen of bij wie de testen geen afwijkingen laten zien, maar toch heb je het gevoel dat er iets mis is. Maar wat? Is het iets lichamelijks dat nader onderzoek vraagt of worden de symptomen alleen maar beleefd door de patiënt, zonder lichamelijke oorzaak? Wanneer ook nader onderzoek, bij een specialist bijvoorbeeld, niets aan het licht brengt, was tot voor kort de conclusie: ‘Er is niks aan de hand. U moet ermee leren leven’. Niet ziek dus, maar gezond. Inmiddels heeft deze situatie de naam SOLK gekregen, somatisch onverklaarbare lichamelijk klachten. En kan daardoor, nu er een naam voor is, als toestand serieus worden genomen. Er zijn zelfs speciale ’SOLK-poliklinieken’ opgericht.

Het bestaan van lichamelijke klachten die niet lichamelijk zijn werpt een interessante vraag op: wanneer is iets eigenlijk een ziekte? En wanneer ben je gezond? Er kan iets in het lichaam niet in orde zijn zonder dat je er iets van merkt. Dan zul je niet zeggen dat je ziek bent. Zelfs als het gaat om een zich ontwikkelende kwaadaardige tumor. Pas wanneer deze, al of niet toevallig, wordt ontdekt, verschijnt die dreigend in het bewustzijn en zul je jezelf als ziek definiëren. En anders doe je dat pas wanneer je er wel iets van merkt. Je bent dus pas ziek wanneer een ziekte als gevoel of kennis in je bewustzijn terecht komt. Zoals je alleen honger hebt wanneer je honger voelt. Dus of een klacht nu lichamelijk verklaard of onverklaard is, maakt in principe niets uit voor de last die je ervan hebt. Ziek ben je wanneer je jezelf beleeft als ziek. Er zijn mensen met lichamelijke handicaps die zichzelf absoluut niet als ziek ervaren en er zijn mensen bij wie geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden gevonden die zich wel ziek voelen. Zijn de laatsten nu ‘eigenlijk niet ziek’? Wanneer je ziek definieert als ‘bewustzijn van ziekte’, zijn ze dat wel degelijk en verdienen ze terecht de aandacht van de medische wereld. Een inzicht dat nu schoorvoetend doordringt.
Maar is dat ziektegevoel wel een statisch gegeven? Of het idee dat je gezond bent? Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat dat lang niet altijd het geval is. Gehandicapt voel je je alleen wanneer je iets wilt waarbij je handicap in de weg staat. En veel ziekten ‘gaan vanzelf over’. Oftewel die overwin je op eigen kracht. En dat gezondmakende gevecht geeft juist een ziektegevoel, bijvoorbeeld in de vorm van koorts. Dat laatste is dus eigenlijk juist een bewijs van gezondheid. Sinds 1948 heeft de WHO een definitie van gezondheid die als volgt luidt: ‘een toestand van compleet welbevinden op fysiek, mentaal en sociaal niveau, en niet alleen de afwezigheid van ziekte en gebrek’. Een statisch ideaalbeeld dat voor de wereldbevolking nagestreefd zou moeten worden. Maar onhaalbaar en vooral, gezien het bovenstaande, onrealistisch. Het werd tijd dat er een andere definitie kwam en dat is nu gebeurd. Machteld Huber, huisarts en onderzoekster bij het Louis Bolk Instituut, is onlangs gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde op een nieuwe dynamische definitie van gezondheid als: ‘het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. En dat is een definitie die hoop geeft dat een toestand die als ziekte wordt beleefd niet onoverkomelijk hoeft te zijn.
.

Arie Bos, gepensioneerd antroposofisch huisarts in Stroom, winter 2015

.

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1318-1231

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (4) de robben – de zeehond

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 31                                                                                                       hoofdstuk 4

OVER DE ROBBEN – DE ZEEHOND

Er zijn planten evenals dieren die voor de bewoners van sommige aardstreken zo veel betekenen dat je wel kan zeggen dat zij hun het leven pas mogelijk maken. In de kustgebieden van het hoge noorden waar zelfs het rendier dat toch met weinig genoegen neemt, nauwelijks nog voedsel vindt, duiken uit de zee andere dieren op, de robben, walrussen en zeehonden, waarvan de laatste ook nog tot in onze zee voorkomt. Omdat ze hoofdzakelijk van vis leven, maakt het hun ook niets uit of de kusten wel of niet met planten begroeid zijn, zelfs verstard tot ijs, het maakt hun zelfs niet uit of de zee voor een groot deel van het jaar bevroren is. Dan houden ze gewoon gaten open waardoor ze ademhalen en eruit kunnen en weer erin. De robben vertonen zich meestal in kudden – het zijn groepsdieren – maar de mens die hun vlees of hun traan als voedsel nodig heeft, moet op hen jagen. Hij moet zich daarbij ook op het zeeijs of zelfs op open zee wagen.
De traan van de zeehonden wordt niet meer gedronken, hij dient in de lange poolnacht ook om de lampen van olie te voorzien;[1] natuurlijk moet het daar waar geen hout is of kolen zijn, ook als brandstof gebruikt worden. Zelfs de botten van de zeehond bevatten olie. Dat van de huid kleding en schoenen gemaakt worden, is vanzelfsprekend. Ieder eskimomeisje is trots wanneer ze een bijzonder mooi zeehondenvel als cadeau krijgt. Van de darmen van de zeehond die zorgvuldig worden schoongemaakt en gedroogd, worden touwen gedraaid, waterdichte bovenkleding, ja zelfs doorzichtige ‘ramen’ en gordijnen kunnen ervan worden gemaakt. Om de vellen goed te laten drogen, moeten ze eerst met behulp van de ribben van gedode zeehonden opgespannen worden. De  schouderbladen dienen als sneeuwschep, speren, vishaken, en nog heel veel ander nuttig gereedschap wordt vernuftig en met zorg uit de beenderen vervaardigd. Pezen zorgen voor naaigaren en zo is er bijna niets van het lichaam van een zeehond op te noemen wat niet in de strijd met de harde, onverbiddelijke natuur goede diensten kan bewijzen. Vooral de Groenlanders zijn in dit opzicht handig en creatief.
Omdat de zeehond ook tot in onze zee komt, vergeten we bijna hoeveel andere robben of – zoals men ook zegt – vinpotigen – er nog zijn. Ze komen in alle zeeën voor. De zeehonden behoren tot de kleinste, ze worden tot twee meter lang, de mannetjes zijn wat kleiner. De grootste robben zijn de zee-olifanten 
van de koudere zeeën op het zuidelijk halfrond, ondanks hun grootte, tot zes meter, ongevaarlijke en volkomen weerloze dieren. Bij oude mannetjes is de neus met een soort slurf verlengd, wat natuurlijk tot de naam zee-olifant heeft geleid. Alleen vanwege hun pels wordt deze rob ook  – hier staat Seewolf – , maar de zeewolf is vanuit het Duits net als in het Nederlands, een vis, genoemd.
Veel minder ongevaarlijk, ja zelfs gevaarlijk en agressief is de walrus met zijn enorme, naar onder gerichte hoektanden. Hij deelt zijn noordelijk woongebied met de zeehonden en speelt daarom ook in het leven van de Groenlander dezelfde rol. Vanwege zijn kostbare tanden, maar ook vanwege de vacht en het vele spek is hij medogenloos vervolgd en massaal afgeslacht, zodat walrussen tegenwoordig bijna nog alleen maar in afgelegen uithoeken leven in grotere kudden.
De zeeleeuw, nog een robbensoort, kennen we wel uit de dierentuin. Hij kan gedresseerd worden en dat hij zo leerzaam is en handig doet je verbazen. Zeeleeuwen kunnen tot vier meter lang worden; ze bewonen overwegend de zuidelijke koudere wereldzeeën. Als ze niet door wettelijke maatregelen beschermd zouden worden, zouden ze nu wel uitgestorven zijn.
Ten slotte mag ook de zeebeer, ook pelsrob genoemd, niet onvermeld blijven. Vroeger bewoonde hij in reusachtige kudden de noordelijke gebieden van de Stille Oceaan. Door hun kostbare, goed betaalde pels met die wonderbaarlijk zachte onderwol heeft ook dit dier een medogenloze jacht moet dulden, waarbij een volledige uitroeiing niet ver weg meer was. De geschiedenis van de robben is een zeer treurig hoofdstuk in de menselijke medogenloze begeerte zonder medelijden.
Al uit dit korte en nog onvolledige overzicht blijkt dat de orde van de robben over alle wereldzeeën verdeeld is. Ze vormen samen een hoogst eigenaardig bestanddeel van de zoogdierenwereld op aarde. Dat ze tot de zoogdieren behoren, werd nooit in twijfel getrokken, omdat ze een haarkleed, een vel hebben en hun jongen als een koe zogen en daarom wellicht zijn ze ook naar de hond, de leeuw, beer en olifant genoemd. Bij de zeehond heeft zeer zeker de hese blaffende stem een rol gespeeld. Andere robben blaten als schapen of loeien als koeien.
Als evenwel een zoodier zijn leefgebied in het water heeft, moet het natuurlijk heel anders worden. Het gemeenschappelijk levenselement heeft ook de robben op de vissen laten lijken. De lichamen zijn langgerekt, met de vorm als een druppel, de ledematen zijn tot vinnen geworden. Alle robben zijn hoogst behendige, onvermoeibare zwemmers en duikers met de snelheid van een roofvis. Met elegantie, ja als ware meesters, kunnen ze iedere maar denkbare beweging uitvoeren. Maar wat een zielig gezicht, wanneer de robben hun massieve lichamen hobbelend en stuntelig schuivend op het vaste land of op het ijs voortslepen, daar waar de landdieren zich toch vlug en beweeglijk voortbewegen. En wat voor moeite is het niet voor de onhandige dieren, wanneer ze tegen klippen of rotsen omhoog willen! Een waarnemer heeft het voortbewegen van de zeehonden buiten het water zo beschreven: om vooruit te komen verheft de zeehond zich eerst op zijn voorvinnen, gaat dan op zijn borst liggen, buigt zijn rug en krijgt daardoor zijn achterlijf vooruit, dit steunt dan weer op de grond, werpt zich weer naar voren en doet weer als van ’t begin. Hij beweegt zijn lijf dus in een gelijkblijvende slangenlijn. Uit het water werpt hij zich met één beweging ver het land op door zijn uitgestrekte achtervinnen krachtig en snel tegen elkaar te slaan.
Dus kun je van een zeehond echt niet zeggen dat hij op vier poten loopt, want de romp heeft het voortbewegen overgenomen.
Maar laten we nu eens preciezer kijken, hoe hij het klaarspeelt zich in het water zo meesterlijk zwemmend te bewegen! Daarbij moeten we wel steeds bedenken, dat hij zoals alle robben wat de vorm van zijn lichaam betreft helemaal niet als waterdier geschapen is, anders was hij wel een echte vis geworden. We moeten dus proberen te snappen, hoe zijn lichaam dan door het leven in het water omgevormd is.
Zo zouden poten bijvoorbeeld, als de hond ze heeft, voor een zeehond helemaal niet geschikt zijn. De hond drukt met zijn lange poten zijn romp van de aarde vandaan en gebruikt ze als werktuig om zich te verplaatsen over de vaste grond. De zeehond echter wordt door het water gedragen en het voortbewegen vergt poten die plat zijn, bijna als een roeispaan. Maar de armen en de benen zijn sterk ingekort. Omdat ze onder het vel van de romp verborgen liggen, kun je ze niet eens zien en en omdat ze ook zo dicht tegen het lichaam aan getrokken zijn, zie je alleen nog maar de grote handen. Weer anders zijn de achterpoten van de zeehond gevormd. In de lengte van het lichaam zijn ze naar achteren uitgestrekt en worden, zoals al is verteld, met de naar elkaar toegekeerde zolen krachtig tegen elkaar geslagen. Zo veroorzaakt de zeehond een krachtige stoot in het water en stuwt zijn romp naar voren. Tussen de tenen van de voor- en ook van de achterpoten is een zwemvlies gespannen. De zeehond kan zijn poten inderdaad als vinnen gebruiken. Maar ook speelt de golfachtige beweging van de romp bij het zwemmen mee. De voorpoten regelen de voortbeweging doordat ze kunnen roeien. het maakt voor de zeehond niets uit of hij met zijn buik naar onderen, op zijn zij of zelfs op zijn rug zwemt; bliksemsnel kunnen ze zich in het water van de ene zij op de andere draaien.
Hoe komt het eigenlijk dat de zeehond bij het zwemmen geen water in zijn oren krijgt, dat hij bij het zwemmen zijn ogen open kan houden en dat hij ook niet verdrinkt? De oren zijn zeer praktisch ingericht. De zeehond heeft namelijk geen oorschelp en zijn gehoorgangen kan hij afsluiten. Desondanks weet men uit vele ervaringen dat de zeehonden zelfs onder water heel goed kunnen horen. Ook kleine bewegingen zoals bijvoorbeeld die van een roeiriem, ontgaan hem niet. Dan is het water de geluidsoverbrenger. Nee, zo gemakkelijk zal het niet zijn een zeehond te slim af te zijn!
Er is zelfs waargenomen dat zeehonden regelmatig, wanneer er klokken luidden, naar de kust kwamen gezwommen en luisterden. Dan richtten ze hun blik naar waar het geluid vandaan kwam en hoe ongelooflijk ook, soms duiken de zeehonden zelfs op als matrozen op een schip liedjes zingen. Nieuwsgierige luistervinken! Houden jullie zo van liedjes of denken jullie alleen maar dat je wat zou kunnen missen van wat zich daar afspeelt? Ja, zeehonden staan bekend om hun grote nieuwsgierigheid, maar wees gewaarschuwd, want al menigeen werd te pakken genomen toen hij iets onbekends nieuwsgierig onderzocht. Maar duikt daar weer niet zo’n kaalkop uit het water op? De snor zie je heel duidelijk.
De donkere ogen worden door een glashelder doorzichtig knipvlies beschermd, zodat ze helemaal niet in aanraking komen met het zoute zeewater. Ze hebben een zeer schrandere uitdrukking en mensen in de oudheid vonden de zeehond al een zeer slim dier.
Als echt zoogdier ademt de zeehond door zijn longen. Om lucht te halen moet hij van tijd tot tijd boven komen. Zijn scheefstaande, spleetvormige neusgaten doet hij ook op het land steeds alleen maar open om adem te halen. Wanneer de zeehond ze niet expres openhoudt, gaan ze vanzelf dicht. Hij heeft echt een lange adem, deze zeehond. Meerdere minuten kan hij onder water blijven. Dan moet, dat kun je wel bedenken, onze duiker natuurlijk krachtige longen hebben. Toch zijn de robben afhankelijk van de lucht.
Maar zeehonden kunnen ook in de gebieden van de aarde leven, waar de zee in de winter kilometers dichtgevroren is; wat doen ze dan om niet te stikken? Ze maken gaten in het ijs om te kunnen ademen en die houden ze voortdurend open als ze bovenkomen en weer onderduiken. Daarbij breken ze het dunne laagje ijs dat ontstaan is .Of iedere zeehond maakt een apart ademgat voor zichzelf en houdt het open of meer doen dat samen.
Er komen steeds nieuwe vragen op, als je eraan denkt dat de zeehond een zoogdier is dat naar het leven in het water is gegaan. Een zoogdier moet toch slapen en in de slaap moet het toch ook ademhalen! Hoe doet de zeehond dat? Eerst moet je dan weten, dat hij ’s nachts leeft en de dag brengt hij meestal slapend door op het land, zoals bijna alle robben. Daar liggen ze dan lui en behaaglijk uitgestrekt in een kudde bij elkaar en laten zich door de zon beschijnen. Als de neusgaten niet regelmatig open en dicht gingen, zou je nauwelijks weten of ze nog wel in leven zijn. Soms rekken en strekken ze zich ook uit, geeuwen daarbij en draaien zich dan behaaglijk op de andere zij, zodat de warme zon hen ook daar beschijnt. Wie daar zo lui ligt, laat niet graag zijn rust verstoren; ja, zeehonden vergeten soms zelfs dat ze ook moeten eten, wanneer ze daar zo lui op het land of het ijs liggen. Wanneer er eens één een neus kittelt, knorren ze geërgerd. Hoe makkelijk echter kan dan een vijand ongemerkt naderbij sluipen, misschien wel een ijsbeer! Daarom zijn er wachters die niet slapen en van tijd tot tijd worden ze afgelost, zoals we dat bij kuddedieren kennen. Als er een waarschuwingskreet klinkt, vlucht de hele kudde snel naar het water, waar het niet meer zo makkelijk is, een zeehond te pakken te krijgen.
Waar zeehonden zelfs urenlang op het ijs hebben gelegen, laten ze toch niet de kleinste afdruk achter. Er kan dus ook geen warmte van het bloed door de dikke speklaag naar de bovenhuid zijn gekomen, want anders was het ijs wel gesmolten. Hoe lekker warm houdt zo’n vetmantel je in het koude water!
Maar zeehonden kunnen ook in het water slapen. Dat doen ze zo, dat ze over regelmatige afstanden even bovenkomen om adem te halen. Dan slaan ze een paar keer met de vinnen, zonder daarbij wakker te worden, met gesloten ogen en laten zich dadelijk weer naar beneden zinken. We zien dus, dat de zeehond aan de kust gebonden is, waar de zee nog niet zo diep is. Heel graag houdt hij zich op in de nabijheid van de kust van een eenzaam eiland, waar maar zelden iemand komt. In Azië trekken zeehonden zelfs de mondingen van de rivier in en blijven dan ook in binnenmeren. Het maakt voor hen niets uit of ze ook in zoet water leven. Het zijn toch geen echte zeedieren, geen bewoners van de diepzee.
De jongen komen op het land of op het ijs ter wereld. Opnieuw laat de zeehond zien dat hij van de landdieren afstamt. De jongen zijn zeer levendige schepsels en spelen er lustig op los. Bij gevaar worden ze door de moeder dapper verdedigd. Al na een paar uur kunnen ze net zo goed zwemmen als de oudere. Eerst hebben ze nog een wittig, donzig vel, dat al gauw na de geboorte verdwijnt. Het mooie bovenhaar blijft, het is zo glad dat het in het water geen weerstand biedt. Hoe ouder een zeehond wordt, des te donkerder wordt zijn pels. In de eerste jaren is het geelachtig met zwartbruine vlekken. Veel kinderen hebben schooltassen met zeehondenvel. [2] Wanneer het vel echter over slee-ijzers of skies getrokken is, glijden deze als de wind over de sneeuw.
Het belangrijkste voedsel van de zeehonden is, zoals ieder wel weet, vis die zwemmend met de tanden wordt gepakt. Zo is het gebit tegelijkertijd een grijporgaan. Ook kreeften en mosselen waarvan de schalen met de tanden gekraakt worden, zijn welkom zeehondenvoedsel. Vooral de jongen zijn erop aangewezen, omdat zij nog geen vis verdragen. Daarom zijn dierlijke zeebewoners het enige voedsel van de zeehonden en deze bron is onuitputtelijk.
Na dit alles lijkt het misschien of de zeehonden tevreden zouden zijn, een rustig en behaaglijk leven zouden leiden en onbekommerd van het leven zouden genieten. Maar ook zij hebben hun gevreesde en gevaarlijk vijanden en jagers. Allereerst moet je aan de ijsbeer denken, met het wilde, sluwe en wrede van een tijger. Onhoorbaar als een kat sluipt hij op zachte zolen naderbij. Bovendien zorgt zijn witte vel ervoor dat hij moeilijk te zien is. Omdat hij ook goed zwemmen kan, is hij veel gevaarlijker dan alles wat maar op het land leeft.
Een nog ergere vijand is de zwaardwalvis, (Duits heeft hier Schwertfisch, maar dat is een zwaardvis; bedoeld is Schertwal(fisch)), ook orca genoemd. Hij behoort tot de dolfijnen en kan tot negen meter lang worden. Plotseling en onverwacht kan er een, maar er kunnen er ook meer tegelijk opduiken die gemeenschappelijk jagen. Dan worden de zeehonden heel bang, want ze voelen wel aan dat iedere vlucht voor dat vreselijke gebit met die rechte tanden van de bliksemsnelle jager tevergeefs is. De orca’s vallen zelfs walvissen aan en scheuren hele stukken vlees van hun lijf, zo onverschrokken en roofzuchtig zijn ze. De grote Zweedse natuuronderzoeker Linnaeus noemde ze 200 jaar geleden al de tirannen en kwelgeesten van de walvissen en robben. Al gauw kleurt het water rood van het bloed van de verscheurde zeehonden en die nog niet de klos waren, storten zich van angst vervuld op de kust dichtbij, om zich te redden.
Al zijn deze vijanden van de zeehond nog zo verschrikkelijk, de ergste vervolger is toch de mens. Hij heeft het meest onder hen huisgehouden. We kunnen er niets van zeggen, wanneer de Groenlanders wiens leven ervan afhangt, op robbenjacht gaan. De natuur zelf heeft hen bijna als de enige voedselbron de zeehond toebedeeld. Iets heel anders is het wanneer de mens uit geldbejag of zelfs moordlust de rustende kudden overvalt en afslacht. Je hoeft voor zo’n bloedbad niet eens een geweer te hebben, een knuppel is al genoeg om de dieren de schedel in te slaan die maar uit dunne beenderen bestaat. Daarom worden de groepen die erop uittrokken zeehonden op deze manier om te brengen, ook robbenslachters genoemd. [3]
We hoeven dus niet te denken dat het leven van de zeehonden zonder pijn en schrik verloopt. Zo’n zorgeloos bestaan is voor bijna geen enkel wezen op de aarde weggelegd. De goedmoedige zeehonden met hun ronde kop en de schrandere, nieuwsgierig kijkende ogen zijn helemaal niet schuw, ze zijn zelfs niet bang, zolang ze maar niet vervolgd worden. Hebben ze eenmaal meegemaakt hoe gevaarlijk een mens voor hen kan zijn, kijken ze wel uit en zijn achterdochtig. Ze kunnen zelfs iets, wat anders slechts van een paar andere dieren bekend is, ze kunnen namelijk echte tranen vergieten en huilen.

[1] Grohmann schreef het boek in 1957. Er zal ook voor de bewoners van alles zijn veranderd dor o.a. de techniek. Dat het ooit zo was, maar nu anders, is iets wat de kinderen wel moeten weten, natuurlijk.
[2] Door de veel grotere aandacht voor het dierenwelzijn, de enorme protesten tegen het doodknuppelen van jonge zeehondjes, zou ik deze zin uit de tekst schrappen.
[3] Of je, als je deze tekst(en) in de 4e klas leest, al meteen in moet gaan op de wrede praktijken van de zeehondenknuppelaars, weet ik niet. Dat kan m.i. beter in de 5e of 6e klas, wanneer er meer begrip kan leven voor de aspecten die aan zo’n probleem zitten.

.

Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

.

1317-1230

.

.