Tagarchief: robben

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (4) de robben – de zeehond

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 31                                                                                                       hoofdstuk 4

OVER DE ROBBEN – DE ZEEHOND

Er zijn planten evenals dieren die voor de bewoners van sommige aardstreken zo veel betekenen dat je wel kan zeggen dat zij hun het leven pas mogelijk maken. In de kustgebieden van het hoge noorden waar zelfs het rendier dat toch met weinig genoegen neemt, nauwelijks nog voedsel vindt, duiken uit de zee andere dieren op, de robben, walrussen en zeehonden, waarvan de laatste ook nog tot in onze zee voorkomt. Omdat ze hoofdzakelijk van vis leven, maakt het hun ook niets uit of de kusten wel of niet met planten begroeid zijn, zelfs verstard tot ijs, het maakt hun zelfs niet uit of de zee voor een groot deel van het jaar bevroren is. Dan houden ze gewoon gaten open waardoor ze ademhalen en eruit kunnen en weer erin. De robben vertonen zich meestal in kudden – het zijn groepsdieren – maar de mens die hun vlees of hun traan als voedsel nodig heeft, moet op hen jagen. Hij moet zich daarbij ook op het zeeijs of zelfs op open zee wagen.
De traan van de zeehonden wordt niet meer gedronken, hij dient in de lange poolnacht ook om de lampen van olie te voorzien;[1] natuurlijk moet het daar waar geen hout is of kolen zijn, ook als brandstof gebruikt worden. Zelfs de botten van de zeehond bevatten olie. Dat van de huid kleding en schoenen gemaakt worden, is vanzelfsprekend. Ieder eskimomeisje is trots wanneer ze een bijzonder mooi zeehondenvel als cadeau krijgt. Van de darmen van de zeehond die zorgvuldig worden schoongemaakt en gedroogd, worden touwen gedraaid, waterdichte bovenkleding, ja zelfs doorzichtige ‘ramen’ en gordijnen kunnen ervan worden gemaakt. Om de vellen goed te laten drogen, moeten ze eerst met behulp van de ribben van gedode zeehonden opgespannen worden. De  schouderbladen dienen als sneeuwschep, speren, vishaken, en nog heel veel ander nuttig gereedschap wordt vernuftig en met zorg uit de beenderen vervaardigd. Pezen zorgen voor naaigaren en zo is er bijna niets van het lichaam van een zeehond op te noemen wat niet in de strijd met de harde, onverbiddelijke natuur goede diensten kan bewijzen. Vooral de Groenlanders zijn in dit opzicht handig en creatief.
Omdat de zeehond ook tot in onze zee komt, vergeten we bijna hoeveel andere robben of – zoals men ook zegt – vinpotigen – er nog zijn. Ze komen in alle zeeën voor. De zeehonden behoren tot de kleinste, ze worden tot twee meter lang, de mannetjes zijn wat kleiner. De grootste robben zijn de zee-olifanten 
van de koudere zeeën op het zuidelijk halfrond, ondanks hun grootte, tot zes meter, ongevaarlijke en volkomen weerloze dieren. Bij oude mannetjes is de neus met een soort slurf verlengd, wat natuurlijk tot de naam zee-olifant heeft geleid. Alleen vanwege hun pels wordt deze rob ook  – hier staat Seewolf – , maar de zeewolf is vanuit het Duits net als in het Nederlands, een vis, genoemd.
Veel minder ongevaarlijk, ja zelfs gevaarlijk en agressief is de walrus met zijn enorme, naar onder gerichte hoektanden. Hij deelt zijn noordelijk woongebied met de zeehonden en speelt daarom ook in het leven van de Groenlander dezelfde rol. Vanwege zijn kostbare tanden, maar ook vanwege de vacht en het vele spek is hij medogenloos vervolgd en massaal afgeslacht, zodat walrussen tegenwoordig bijna nog alleen maar in afgelegen uithoeken leven in grotere kudden.
De zeeleeuw, nog een robbensoort, kennen we wel uit de dierentuin. Hij kan gedresseerd worden en dat hij zo leerzaam is en handig doet je verbazen. Zeeleeuwen kunnen tot vier meter lang worden; ze bewonen overwegend de zuidelijke koudere wereldzeeën. Als ze niet door wettelijke maatregelen beschermd zouden worden, zouden ze nu wel uitgestorven zijn.
Ten slotte mag ook de zeebeer, ook pelsrob genoemd, niet onvermeld blijven. Vroeger bewoonde hij in reusachtige kudden de noordelijke gebieden van de Stille Oceaan. Door hun kostbare, goed betaalde pels met die wonderbaarlijk zachte onderwol heeft ook dit dier een medogenloze jacht moet dulden, waarbij een volledige uitroeiing niet ver weg meer was. De geschiedenis van de robben is een zeer treurig hoofdstuk in de menselijke medogenloze begeerte zonder medelijden.
Al uit dit korte en nog onvolledige overzicht blijkt dat de orde van de robben over alle wereldzeeën verdeeld is. Ze vormen samen een hoogst eigenaardig bestanddeel van de zoogdierenwereld op aarde. Dat ze tot de zoogdieren behoren, werd nooit in twijfel getrokken, omdat ze een haarkleed, een vel hebben en hun jongen als een koe zogen en daarom wellicht zijn ze ook naar de hond, de leeuw, beer en olifant genoemd. Bij de zeehond heeft zeer zeker de hese blaffende stem een rol gespeeld. Andere robben blaten als schapen of loeien als koeien.
Als evenwel een zoodier zijn leefgebied in het water heeft, moet het natuurlijk heel anders worden. Het gemeenschappelijk levenselement heeft ook de robben op de vissen laten lijken. De lichamen zijn langgerekt, met de vorm als een druppel, de ledematen zijn tot vinnen geworden. Alle robben zijn hoogst behendige, onvermoeibare zwemmers en duikers met de snelheid van een roofvis. Met elegantie, ja als ware meesters, kunnen ze iedere maar denkbare beweging uitvoeren. Maar wat een zielig gezicht, wanneer de robben hun massieve lichamen hobbelend en stuntelig schuivend op het vaste land of op het ijs voortslepen, daar waar de landdieren zich toch vlug en beweeglijk voortbewegen. En wat voor moeite is het niet voor de onhandige dieren, wanneer ze tegen klippen of rotsen omhoog willen! Een waarnemer heeft het voortbewegen van de zeehonden buiten het water zo beschreven: om vooruit te komen verheft de zeehond zich eerst op zijn voorvinnen, gaat dan op zijn borst liggen, buigt zijn rug en krijgt daardoor zijn achterlijf vooruit, dit steunt dan weer op de grond, werpt zich weer naar voren en doet weer als van ’t begin. Hij beweegt zijn lijf dus in een gelijkblijvende slangenlijn. Uit het water werpt hij zich met één beweging ver het land op door zijn uitgestrekte achtervinnen krachtig en snel tegen elkaar te slaan.
Dus kun je van een zeehond echt niet zeggen dat hij op vier poten loopt, want de romp heeft het voortbewegen overgenomen.
Maar laten we nu eens preciezer kijken, hoe hij het klaarspeelt zich in het water zo meesterlijk zwemmend te bewegen! Daarbij moeten we wel steeds bedenken, dat hij zoals alle robben wat de vorm van zijn lichaam betreft helemaal niet als waterdier geschapen is, anders was hij wel een echte vis geworden. We moeten dus proberen te snappen, hoe zijn lichaam dan door het leven in het water omgevormd is.
Zo zouden poten bijvoorbeeld, als de hond ze heeft, voor een zeehond helemaal niet geschikt zijn. De hond drukt met zijn lange poten zijn romp van de aarde vandaan en gebruikt ze als werktuig om zich te verplaatsen over de vaste grond. De zeehond echter wordt door het water gedragen en het voortbewegen vergt poten die plat zijn, bijna als een roeispaan. Maar de armen en de benen zijn sterk ingekort. Omdat ze onder het vel van de romp verborgen liggen, kun je ze niet eens zien en en omdat ze ook zo dicht tegen het lichaam aan getrokken zijn, zie je alleen nog maar de grote handen. Weer anders zijn de achterpoten van de zeehond gevormd. In de lengte van het lichaam zijn ze naar achteren uitgestrekt en worden, zoals al is verteld, met de naar elkaar toegekeerde zolen krachtig tegen elkaar geslagen. Zo veroorzaakt de zeehond een krachtige stoot in het water en stuwt zijn romp naar voren. Tussen de tenen van de voor- en ook van de achterpoten is een zwemvlies gespannen. De zeehond kan zijn poten inderdaad als vinnen gebruiken. Maar ook speelt de golfachtige beweging van de romp bij het zwemmen mee. De voorpoten regelen de voortbeweging doordat ze kunnen roeien. het maakt voor de zeehond niets uit of hij met zijn buik naar onderen, op zijn zij of zelfs op zijn rug zwemt; bliksemsnel kunnen ze zich in het water van de ene zij op de andere draaien.
Hoe komt het eigenlijk dat de zeehond bij het zwemmen geen water in zijn oren krijgt, dat hij bij het zwemmen zijn ogen open kan houden en dat hij ook niet verdrinkt? De oren zijn zeer praktisch ingericht. De zeehond heeft namelijk geen oorschelp en zijn gehoorgangen kan hij afsluiten. Desondanks weet men uit vele ervaringen dat de zeehonden zelfs onder water heel goed kunnen horen. Ook kleine bewegingen zoals bijvoorbeeld die van een roeiriem, ontgaan hem niet. Dan is het water de geluidsoverbrenger. Nee, zo gemakkelijk zal het niet zijn een zeehond te slim af te zijn!
Er is zelfs waargenomen dat zeehonden regelmatig, wanneer er klokken luidden, naar de kust kwamen gezwommen en luisterden. Dan richtten ze hun blik naar waar het geluid vandaan kwam en hoe ongelooflijk ook, soms duiken de zeehonden zelfs op als matrozen op een schip liedjes zingen. Nieuwsgierige luistervinken! Houden jullie zo van liedjes of denken jullie alleen maar dat je wat zou kunnen missen van wat zich daar afspeelt? Ja, zeehonden staan bekend om hun grote nieuwsgierigheid, maar wees gewaarschuwd, want al menigeen werd te pakken genomen toen hij iets onbekends nieuwsgierig onderzocht. Maar duikt daar weer niet zo’n kaalkop uit het water op? De snor zie je heel duidelijk.
De donkere ogen worden door een glashelder doorzichtig knipvlies beschermd, zodat ze helemaal niet in aanraking komen met het zoute zeewater. Ze hebben een zeer schrandere uitdrukking en mensen in de oudheid vonden de zeehond al een zeer slim dier.
Als echt zoogdier ademt de zeehond door zijn longen. Om lucht te halen moet hij van tijd tot tijd boven komen. Zijn scheefstaande, spleetvormige neusgaten doet hij ook op het land steeds alleen maar open om adem te halen. Wanneer de zeehond ze niet expres openhoudt, gaan ze vanzelf dicht. Hij heeft echt een lange adem, deze zeehond. Meerdere minuten kan hij onder water blijven. Dan moet, dat kun je wel bedenken, onze duiker natuurlijk krachtige longen hebben. Toch zijn de robben afhankelijk van de lucht.
Maar zeehonden kunnen ook in de gebieden van de aarde leven, waar de zee in de winter kilometers dichtgevroren is; wat doen ze dan om niet te stikken? Ze maken gaten in het ijs om te kunnen ademen en die houden ze voortdurend open als ze bovenkomen en weer onderduiken. Daarbij breken ze het dunne laagje ijs dat ontstaan is .Of iedere zeehond maakt een apart ademgat voor zichzelf en houdt het open of meer doen dat samen.
Er komen steeds nieuwe vragen op, als je eraan denkt dat de zeehond een zoogdier is dat naar het leven in het water is gegaan. Een zoogdier moet toch slapen en in de slaap moet het toch ook ademhalen! Hoe doet de zeehond dat? Eerst moet je dan weten, dat hij ’s nachts leeft en de dag brengt hij meestal slapend door op het land, zoals bijna alle robben. Daar liggen ze dan lui en behaaglijk uitgestrekt in een kudde bij elkaar en laten zich door de zon beschijnen. Als de neusgaten niet regelmatig open en dicht gingen, zou je nauwelijks weten of ze nog wel in leven zijn. Soms rekken en strekken ze zich ook uit, geeuwen daarbij en draaien zich dan behaaglijk op de andere zij, zodat de warme zon hen ook daar beschijnt. Wie daar zo lui ligt, laat niet graag zijn rust verstoren; ja, zeehonden vergeten soms zelfs dat ze ook moeten eten, wanneer ze daar zo lui op het land of het ijs liggen. Wanneer er eens één een neus kittelt, knorren ze geërgerd. Hoe makkelijk echter kan dan een vijand ongemerkt naderbij sluipen, misschien wel een ijsbeer! Daarom zijn er wachters die niet slapen en van tijd tot tijd worden ze afgelost, zoals we dat bij kuddedieren kennen. Als er een waarschuwingskreet klinkt, vlucht de hele kudde snel naar het water, waar het niet meer zo makkelijk is, een zeehond te pakken te krijgen.
Waar zeehonden zelfs urenlang op het ijs hebben gelegen, laten ze toch niet de kleinste afdruk achter. Er kan dus ook geen warmte van het bloed door de dikke speklaag naar de bovenhuid zijn gekomen, want anders was het ijs wel gesmolten. Hoe lekker warm houdt zo’n vetmantel je in het koude water!
Maar zeehonden kunnen ook in het water slapen. Dat doen ze zo, dat ze over regelmatige afstanden even bovenkomen om adem te halen. Dan slaan ze een paar keer met de vinnen, zonder daarbij wakker te worden, met gesloten ogen en laten zich dadelijk weer naar beneden zinken. We zien dus, dat de zeehond aan de kust gebonden is, waar de zee nog niet zo diep is. Heel graag houdt hij zich op in de nabijheid van de kust van een eenzaam eiland, waar maar zelden iemand komt. In Azië trekken zeehonden zelfs de mondingen van de rivier in en blijven dan ook in binnenmeren. Het maakt voor hen niets uit of ze ook in zoet water leven. Het zijn toch geen echte zeedieren, geen bewoners van de diepzee.
De jongen komen op het land of op het ijs ter wereld. Opnieuw laat de zeehond zien dat hij van de landdieren afstamt. De jongen zijn zeer levendige schepsels en spelen er lustig op los. Bij gevaar worden ze door de moeder dapper verdedigd. Al na een paar uur kunnen ze net zo goed zwemmen als de oudere. Eerst hebben ze nog een wittig, donzig vel, dat al gauw na de geboorte verdwijnt. Het mooie bovenhaar blijft, het is zo glad dat het in het water geen weerstand biedt. Hoe ouder een zeehond wordt, des te donkerder wordt zijn pels. In de eerste jaren is het geelachtig met zwartbruine vlekken. Veel kinderen hebben schooltassen met zeehondenvel. [2] Wanneer het vel echter over slee-ijzers of skies getrokken is, glijden deze als de wind over de sneeuw.
Het belangrijkste voedsel van de zeehonden is, zoals ieder wel weet, vis die zwemmend met de tanden wordt gepakt. Zo is het gebit tegelijkertijd een grijporgaan. Ook kreeften en mosselen waarvan de schalen met de tanden gekraakt worden, zijn welkom zeehondenvoedsel. Vooral de jongen zijn erop aangewezen, omdat zij nog geen vis verdragen. Daarom zijn dierlijke zeebewoners het enige voedsel van de zeehonden en deze bron is onuitputtelijk.
Na dit alles lijkt het misschien of de zeehonden tevreden zouden zijn, een rustig en behaaglijk leven zouden leiden en onbekommerd van het leven zouden genieten. Maar ook zij hebben hun gevreesde en gevaarlijk vijanden en jagers. Allereerst moet je aan de ijsbeer denken, met het wilde, sluwe en wrede van een tijger. Onhoorbaar als een kat sluipt hij op zachte zolen naderbij. Bovendien zorgt zijn witte vel ervoor dat hij moeilijk te zien is. Omdat hij ook goed zwemmen kan, is hij veel gevaarlijker dan alles wat maar op het land leeft.
Een nog ergere vijand is de zwaardwalvis, (Duits heeft hier Schwertfisch, maar dat is een zwaardvis; bedoeld is Schertwal(fisch)), ook orca genoemd. Hij behoort tot de dolfijnen en kan tot negen meter lang worden. Plotseling en onverwacht kan er een, maar er kunnen er ook meer tegelijk opduiken die gemeenschappelijk jagen. Dan worden de zeehonden heel bang, want ze voelen wel aan dat iedere vlucht voor dat vreselijke gebit met die rechte tanden van de bliksemsnelle jager tevergeefs is. De orca’s vallen zelfs walvissen aan en scheuren hele stukken vlees van hun lijf, zo onverschrokken en roofzuchtig zijn ze. De grote Zweedse natuuronderzoeker Linnaeus noemde ze 200 jaar geleden al de tirannen en kwelgeesten van de walvissen en robben. Al gauw kleurt het water rood van het bloed van de verscheurde zeehonden en die nog niet de klos waren, storten zich van angst vervuld op de kust dichtbij, om zich te redden.
Al zijn deze vijanden van de zeehond nog zo verschrikkelijk, de ergste vervolger is toch de mens. Hij heeft het meest onder hen huisgehouden. We kunnen er niets van zeggen, wanneer de Groenlanders wiens leven ervan afhangt, op robbenjacht gaan. De natuur zelf heeft hen bijna als de enige voedselbron de zeehond toebedeeld. Iets heel anders is het wanneer de mens uit geldbejag of zelfs moordlust de rustende kudden overvalt en afslacht. Je hoeft voor zo’n bloedbad niet eens een geweer te hebben, een knuppel is al genoeg om de dieren de schedel in te slaan die maar uit dunne beenderen bestaat. Daarom worden de groepen die erop uittrokken zeehonden op deze manier om te brengen, ook robbenslachters genoemd. [3]
We hoeven dus niet te denken dat het leven van de zeehonden zonder pijn en schrik verloopt. Zo’n zorgeloos bestaan is voor bijna geen enkel wezen op de aarde weggelegd. De goedmoedige zeehonden met hun ronde kop en de schrandere, nieuwsgierig kijkende ogen zijn helemaal niet schuw, ze zijn zelfs niet bang, zolang ze maar niet vervolgd worden. Hebben ze eenmaal meegemaakt hoe gevaarlijk een mens voor hen kan zijn, kijken ze wel uit en zijn achterdochtig. Ze kunnen zelfs iets, wat anders slechts van een paar andere dieren bekend is, ze kunnen namelijk echte tranen vergieten en huilen.

[1] Grohmann schreef het boek in 1957. Er zal ook voor de bewoners van alles zijn veranderd dor o.a. de techniek. Dat het ooit zo was, maar nu anders, is iets wat de kinderen wel moeten weten, natuurlijk.
[2] Door de veel grotere aandacht voor het dierenwelzijn, de enorme protesten tegen het doodknuppelen van jonge zeehondjes, zou ik deze zin uit de tekst schrappen.
[3] Of je, als je deze tekst(en) in de 4e klas leest, al meteen in moet gaan op de wrede praktijken van de zeehondenknuppelaars, weet ik niet. Dat kan m.i. beter in de 5e of 6e klas, wanneer er meer begrip kan leven voor de aspecten die aan zo’n probleem zitten.

.

Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

.

1250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties