Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (8)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”
.

Robinson Crusoe

De oplettende lezer mist vermoedelijk al dadelijk het deelteken, dat niet zelden boven de laatste „e” van deze naam wordt geplaatst. Onlangs las ik ergens een doorwrocht artikel, dat m.i. overtuigend bewees, dat die puntjes een onjuiste toevoeging waren. De juiste schrijfwijze zou „Crusoe” zijn en bijgevolg de juiste uitspraak „Crusoo”. – En daaraan wil ik me nu graag houden.

Of Robinson werkelijk heeft geleefd? – Inderdaad. En er is zelfs heel wat over hem en over zijn kroniekschrijver bekend.

Vooraf moet nog even worden vastgesteld, dat het oerboek over Robinson nooit als kinderboek bedoeld is geweest. Dat heeft het met verschillende andere werken gemeen (met „Gullivers reizen” en „Don Quichotte” bijvoorbeeld). Maar het bleek, dat zulke schrifturen toch bij de jeugd bijzondere weerklank vonden. Om bij dit boek te blijven: hoeveel kinderen spelen onbewust in hun jonge jaren het Robinson-verhaal niet? Op het gazon in de tuin. Op het zand rondom een wijk-in-aanbouw. Tussen de restanten van een saneringsbuurt. In het bos …. In een hut van oude lappen of planken …. In hun Robinson-periode. Waarmee ze een ongeweten maar ingeschapen behoefte aan avontuur kunnen bevredigen. Hun drang naar activiteit, naar creativiteit. Een verlangen naar een trouwe vriendschap, naar toepassingen van ingeboren vindingrijkheid. Naar een stuk padvindersbestaan …. En de vele kanten van zo’n vrij en avontuurlijk leven vinden ze in „Robinson” terug. Vandaar.

Waarna de commercie haar kansen begreep. En greep. Er is een hele „Robinsonade” gegroeid. In minstens 26 landen is het als jeugdboek verschenen. Vóór 1 875 circuleerden alleen in Frankrijk en in Duitsland al ’n 50 op „Robinson” gelijkende jeugdboeken.

Nog in 1968 kwam in Nederland een nieuwe Nederlandse bewerking van het bekende verhaal van de pers. Het verscheen bij Desclee de Brouwer in Utrecht en is, inplaats van het gebruikelijke aftreksel van het gróte werk, mogelijk het meest informatieve Robinson-boek in ons land. Ditmaal werkelijk een aanwinst voor jongeren én voor ouderen!

Maar thans: wie was Robinson? En: wat is er werkelijk gebeurd?

Alexander Selkirk

Dat is de man, waaromheen Daniël Defoe zijn „Robinson”-verhaal geweven heeft. Hij moet omstreeks 1676 in het Schotse vissersplaatsje Largo geboren zijn. Het was een nogal ongemakkelijke knaap, die deswegen als 17-jarige voor de kerkenraad verschijnen moest. Daar hem dat niet zinde, deed hij wat zoveel, later beroemd geworden, mannen in die tijd deden: hij ging ervan door. Naar zee.

Hij kwam terecht op de kapervloot van William Dampier en, aan het eind van tien jaar, op het schip van Thomas Stradling, een onmenselijk hard bevelhebber. Aan boord ontstond een groeiende ontevredenheid en Alexander Selkirk bleek daarbij een der leiders te zijn. Gesteld voor de keuze van een der in die dagen toegepaste harde straffen, gaf hij de de voorkeur aan een verblijf op een onbewoond eiland. Op de speldeknop Juan Fernandez, dat men juist passeerde, 650 kilometer uit de Chileense kust. Voorzien van een bijbel, een geweer, een pond kruit, een bijl, een mes, een zak tabak, een stuk linnen, wat kleren en een ketel werd hij daarop het eenzame strand achtergelaten. Het was ± september
1704 en hij was toen 28 jaar oud.
Al gauw moet hij spijt gehad hebben van zijn keuze. Toch heeft hij zich vier jaar en vier maanden in de eenzaamheid weten te handhaven. Totdat op 1 februari 1709 twee Britse kaperschepen onder kapitein Rogers het eiland ontdekten. Het eiland en zijn bewoner. Gehuld in geitevellen, met een geweer op de schouder en een primitieve parasol onder de arm. Juist zoals later in de eerste druk van „Robinson” een knappe illustratie hem weergaf. (De geiten op het eiland waren nakomelingen van dieren, lang tevoren door andere zeevaarders daar achtergelaten).

Kapitein Rogers deed in zijn journaal uitvoerig verslag van zijn wonderlijke aanwinst. Blijkbaar kon hij het verder ook gauw goed met Selkirk vinden. We zien deze tenminste al spoedig terug als tweede stuurman op Rogers schip. En later, toen ze een Spaanse bodem hadden ingepalmd, kreeg Selkirk daarover het bevel. Aldus vervolgde hij zijn leven als Engels kaperkapitein. Half oktober 1711 kwam Selkirk in Londen aan. Een gefortuneerd man. Rijk geworden door de prijzengelden die zijn kaperijen hem opgeleverd hadden.

Het eerste relaas van zijn wonderlijke avonturen verscheen het volgende jaar maar schijnt weinig aandacht te hebben gekregen.

De zee kreeg hem al gauw opnieuw te pakken. In 1721 (elders staat: 1730) is hij als eerste stuurman op een Engels oorlogsschip gesneuveld.

Ziehier het ware verhaal over de ware Robinson Crusoe.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1966-1850

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.

In relatie tot dit artikel: over stotteren

.
ED, 30-12-1998

.

Leren omgaan met stotteren
.

Stotteraars lopen vaak vele therapieën af

.

Voor stotteraar R. B. kan het jaar 1998 niet meer stuk. Na jaren vergeefs stottertherapieën gevolgd te hebben, vond hij dit najaar baat bij de BOMA-methode van stotterinstituut De Pauw in Lisse. Voor B. is een wereld open gegaan. Niet langer loopt hij met een boog om de telefoon heen of laat hij een bestelling bij de bakker liever achterwege omdat een ‘halfje wit’ te moeilijk is om uit te spreken. Indirect heeft de 25-jarige B. zelfs een promotie overgehouden aan zijn nieuw verworven spreekvermogen en daarmee gepaard gaand zelfvertrouwen.

Toch hield B. suggesties van familie en vrienden om in Lisse te gaan kijken lange tijd af. Want het aantal mislukte pogingen van hem om van het stotteren af te komen is deprimerend groot. Zo rond zijn zesde jaar werd hij onderzocht op de afdeling logopedie en foniatrie van het Academisch Ziekenhuis Utrecht, het eerste academische centrum in Nederland dat zich met stotteren bezighield. Direct daarop was hij ‘proefkonijn’ bij de destijds nieuwe holding-therapie. Daarbij moest hij bij zijn moeder op schoot zitten, haar recht in de ogen kijken, waarna het spreken zonder stotteren zou gaan. Tussendoor ging hij naar een logopediste.

Na jaren zonder resultaat schakelde B. over op minder voor de hand liggende therapievormen. Eerst homeopathie, toen acupunctuur bij ‘een of andere Chinees’ in België. „Ik ben zelfs een keer naar Jomanda gegaan”, zegt hij „Veel vertrouwen had ik er niet in, maar je moet toch wat proberen.” Ook de stottermethode-Del Ferro bleek niet zo voor hem geschikt. „Ik stotter vooral als ik een specifiek woord moet zeggen. Bij Del Ferro moet je je heel lang concentreren en van tevoren een hele zin bedenken.”

B. is lang niet de enige stotteraar met een omvangrijk therapieverleden. Enquêtes van stotterinstituten bevestigen het beeld van een circuit waarin talloze stotteraars op eigen houtje therapie na therapie uitproberen. Instituut De Pauw, de Stichting Stottertherapie Doetinchemse Methode in Duiven en Stotter Therapie Hausdörfer in Deurninge, alle zeggen dat onder hun cursisten vele zijn die voorheen andere therapieën hebben gevolgd, óók die zij zelf aanbieden.

„De oorzaken van het stotteren zijn vrij nauwkeurig bekend”, zegt emeritus hoogleraar foniatrie P. Damst van de Rijksuniversiteit Utrecht. „Maar het probleem is dat we niet weten welke therapie bij welke stotteraar aanslaat.” Enquêtes onder oud-cursisten zijn zelden door onafhankelijke wetenschappelijke instanties getoetst en bieden een stotteraar geen enkele garantie op succes. Een vergelijkend warenonderzoek is aan de hand van die enquêtes helemaal onmogelijk, stelt secretaris B. de Groot van de Nederlandse Stottervereniging Demosthenes.

Door adviezen aan ouders te geven, slagen logopedisten er steeds beter in te voorkomen dat jonge kinderen zich tot chronische stotteraars ontwikkelen.

De oorzaken van stotteren zijn volgens emeritus-hoogleraar Damst (erfelijke) aanleg, gevoelens van onveiligheid bij een kind in de eerste levensjaren, gebrek aan affectie en, zo wordt de laatste jaren steeds duidelijker, een verminderde spraakfunctie in de hersenen.

Volgens recent Amerikaans onderzoekt verloopt de communicatie tussen de linker- en rechterhersenhelft op het terrein van de spraak bij stotteraars niet optimaal. De linkerhersenhelft regelt voornamelijk articulatieprocessen. In de rechterhersenhelft is melodie en emotie gelokaliseerd.

Bertens van het stottercentrum Zutphen spreekt in dit verband over een timingstoornis van stotteraars. Ergens tussen het bedenken van een woord en het aansturen van bijvoorbeeld het puntje van de tong om op het juiste moment een letter uit te spreken, gaat er iets mis. Bovenop de stoornis ontwikkelen chronische stotteraars door de jaren heen tal van strategieën om het stotteren te vermijden of te verbergen voor de buitenwereld. Dat vermijdingsgedrag kan uiteindelijk een groter probleem worden dan de oorspronkelijke fysieke oorzaak van het stotteren, zegt Bertens. „Stotteraars die onder bijna alle omstandigheden stotteren, hebben vooral een spreektechniek nodig. Stotteraars die vooral in specifieke situaties stotteren, zijn eerder gebaat bij een meer psychologische aanpak”, schetst hij een vuistregel.

Stotteraar B. kent „alle trucs”. Zo ging hij altijd naar dezelfde bakker, zodat het winkelpersoneel precies wist wat hij wilde hebben. Voordat hij een halfje wit bestelde, pakte hij eerst een zak krentenbollen van de toonbank. Doordat het winkelpersoneel de krentenbollen zag, was dat voor hem makkelijker uit te spreken. Eenmaal op gang gekomen, kon op dezelfde adem het gevreesde ‘halfje wit’ meteen achter de ‘vier krentenbollen’ volgen.

Met de spreektechniek van IDP [1] heeft B. zijn stotteren hanteerbaar gemaakt. Hij stottert nog wel eens, maar het duurt géén vijf minuten meer om zijn naam te zeggen. Vorig jaar vermeed hij dat soms helemaal. Door het inzicht in de oorzaken van stotteren is de preventie bij jonge kinderen de laatste jaren „ontzettend vooruitgegaan”, zegt Damst. Door adviezen aan de ouders te geven, slagen logopedisten er steeds beter in te voorkomen dat jonge kinderen zich tot chronische stotteraars ontwikkelen. Damst: „Als dat wel gebeurt, duurt het jaren voordat ze daar vanaf kunnen komen.”

Deskundigen vinden motivatie zeer belangrijk. A. Hartogsveld van de Doetinchemse methode noemt motivatie het „allerbelangrijkst” voor het slagen van de therapie. Logopedist en stottertherapeut J. Bouwen van het academisch ziekenhuis Dijkzigt in Rotterdam vindt die verklaring te gemakkelijk. „Daarmee schept de therapeut teveel verantwoordelijkheid naar de stotteraar. Alle stotteraars willen heel graag van het stotteren af.”

Informatie over stottertherapieën: Stotter Informatiecentrum 

.


[1] Geen geschikte doorverwijzing gevonden

Rudolf Steiner over stotteren in GA 306/41

Ontwikkelingsproblemen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1961-1845

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (70)

.

KOMKOMMERCOLUMN
.

Schrijfster Saskia Noort waagt zich ook aan columns.

Op 13 juli 2019 doopte ze haar pen in een beetje waterige inkt om ook iets over de vrijeschool te zeggen. In het Algemeen Dagblad.
Wat de spelling betreft is ze niet erg op de hoogte: ze kopt ‘vrije’ met spatie – fout – School – met hoofdletter – fout! Dat zal de redacteur dan wel hebben gedaan. Mevrouw Noort kan hem niet helpen: zij schrijft zelf consequent ‘vrije school’. Het is echter: ‘vrijeschool’.

Dan begint ze haar ongenuanceerde stigmatiseringscampagne: 

‘In mijn oude dorp Bergen (NH) staan de SUV’s bij de Adriaan Roland Holst School in rijen opgesteld om het ongevaccineerde kroost af te zetten.’

‘Feit is dat op de vrije school het woord neger nog lang gebruikt werd’.

Nu mag de schrijfster in haar boeken wel geraffineerde plots bedenken en het een met het ander verweven om de lezer te laten smullen, een column vraagt toch op z’n minst om enige waarheidsvinding.

Want de opmerking over ‘neger’ en haar gekleurde verwijzing naar Steiners opvatting over de ontwikkeling van de rassen, koppelt ze aan het feit dat de vrijescholen overwegend ‘witte’ scholen zijn.

Alsof  ‘neger’kinderen of kinderen met een andere huidskleur of culturele achtergrond niet welkom zouden zijn.

Weet zij dan niets over het interculturele vrijeschoolonderwijs?

Wat een geklets van deze mevrouw de schrijfster: ‘De vrije school staat niet alleen kritisch tegenover rassenvermenging, maar….’

Waar heeft ze dat nou weer vandaan? Niet door enig onderzoek!
Uit haar nek, lijkt me, want met een beetje speurwerk had ze bijv. kunnen vinden wat Steiner daadwerkelijk over deze vermenging zegt:

“Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed,”  GA 177/blz.220

Mevrouw Noort, u zou zich misschien eens moeten toeleggen op een historische roman en dan in de voetsporen treden van echte auteurs die zich moeite geven alle historische achtergronden te kennen voor de context van hun verhaal.

Van Tonny Vos-Dahmen en Thea Beckman zou u veel kunnen leren.

,maar…..maar ook tegenover vaccineren.’

Nog een leugen! De vrijescholen geven geen wel-of-niet-prikkenadvies.

Ten slotte gaat de pen nog in de azijn:

‘Ik dacht, ik stip deze twee dingetjes toch even aan, voordat al die bijzondere, weldenkende pro-diversiteitsouders denken dat ze hun kind op een linkse bubbelschool doen. De enige andere plek waar men met de zonnewende over een vuur sprong, was in de tuin van de weduwe Rost van Tonningen. Denk daar maar aan, met je madeliefjes in je haar.

‘De enige andere plek’? Zou mevrouw Noort nu helemaal geen benul hebben van het feit dat er in veel landen midzomervreugdevuren worden ontstoken en dat er bijv. in Letland en Estland ook over het vuur wordt gesprongen?

Ze stipt het even aan: de vrijeschool tussen de regels linken aan het verfoeilijke nazisme, via de Germaanse vreugdevuren in de tuin van…..

Dat probeerde iemand eerder. En dat liep eveneens vast in belachelijkheid.

Tot slot:

Het is hartstikke vlot geschreven, daar ligt het niet aan, en het leest als een trein, maar wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Het plot en de climax zijn nogal simpel, waar niets mis mee is, maar van een auteur van Saskia Noort verwacht ik meer. Vlot geschreven, maar qua verhaal stelt het weinig voor.’

zei iemand al eens over een werk van Noort! (De link naar ‘Oeverloos gezwam’ werkt niet meer)

Dat lijkt mij ook wel voor deze column te gelden.

De column van Saskia Noort kreeg meer aandacht.
.

Rudolf Steiner over: antroposofisch onderwijs

Opspattend grind: alle artikelen

.

1949-1833

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-6/1)

.
N.a.v. het artikel over Algemene menskunde [4-3-6] schreef Joep Eikenboom deze reactie.

Wat geweldige gezichtspunten voor de opvoeding worden hier door Steiner aangereikt. Een visie die reikt tot ver over de grenzen van een leven:

Vooral in het licht daarvan gaat het in de vrijeschoolpedagogie om de opvoeding van de wil. Dat laatste wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd, alsof kinderen vooral mogen doen wat zij zelf willen. Maar daar gaat het nou juist niet over.

De wilskrachten van het kind zijn helemaal nieuw, het kind brengt ze niet meer uit een vorig bestaan, maar het zijn krachten voor dit nieuwe leven vanuit de aarde en ze moeten door het geestelijke in de mens worden gevormd.
Het pas geboren kindje beweegt door wilskrachten, die helemaal aan het fysieke zijn gebonden. Alles verloopt nog reflexmatig, er verloopt nog niets gecoördineerd.
Maar wanneer de ouders er een gezonde manier van omgang met het kleintje in acht nemen, -reinheid -rust en regelmaat- dan ontstaan al gauw gewoontes, vaste tijden voor slapen en voeding enz. Dat drukt zich af in het etherlichaam, waar de wil een driftmatig karakter krijgt. De wil om te overleven is zo’n drift, die zich in het onderbewustzijn afspeelt.
Nog later in het kinderleven ontwikkelen zich de begeerten, die worden opgewekt door zintuigindrukken uit de omgeving. Het kind ziet iets en wil het dan meteen ook hebben; een speeltje, een snoepje. Het astraallichaam is de bemiddelaar van zintuigindrukken en speelt ook een rol bij de acties tot bevrediging van de opgewekte begeertes.
Pas wanneer het echte Ik-bewustzijn ontwaakt, kan men spreken van motivatie, de met bewustzijn uitgevoerde handeling.
In de rechtspraak maakt men verschil tussen ‘doodslag’ en ‘moord’. Doorslag geschiedt uit drift of begeerte. Een moord wordt met voorbedachte rade gepleegd, daar speelt het bewuste Ik de hoofdrol.

Iedere leerkracht kent het gevoel aan het eind van de dag, dat je dingen anders had willen/moeten doen. Dat heeft wenskarakter en speelt zich af in het hogere bewustzijn van het geestzelf, een soort gemetamorfoseerde begeerte.
Het voornemen om het bij een volgende gelegenheid beter te doen ligt een laag dieper, namelijk in het gemetamorfoseerde etherlichaam: de Levensgeest.
Wanneer wij sterven leggen we ons fysieke lichaam af. De wilskrachten die ermee samenhangen kunnen zich in een lichaamsvrije situatie metamorfoseren tot besluiten, die in een verre toekomst weer tot daad kunnen worden.

.

Blogs van Joep Eikenboom: over Audrey Mc.Allen’s ‘The extra lesson’
Perikopennotities
.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1948-1832

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Voltaire

.
N.a.v. Voltaires sterfdag – op 30 mei 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 2. 22-09-1978
.

Voltaire en de volkerenpsychologie
.

Dit jaar – 30 mei – was het 200 jaar geleden dat Voltaire is overleden. Voor zover mij bekend, is dit hier te lande nauwelijks een aanleiding geweest voor een herdenking. Zijn reusachtig oeuvre – 70 delen – rust, perfect gecatalogiseerd, in de bibliotheken van Europa, gelijk de as van een genie in het columbarium van een crematorium. Zijn toneelstukken worden niet meer gespeeld. Hoogstens behoort men zijn romans, zijn historische en filosofische verhandelingen, te kennen op een examen zonder deze te hebben gelezen.

In de 19e eeuw was dit wel anders. Als vrijdenker of als goed liberaal, kon men nog gniffelen over de talloze ‘bon mots’ en anekdotes, die over Voltaire in omloop zijn. ‘Toch is voor de mens van de 20e eeuw’ – ik citeer W.F. Veltman in een Vrije Opvoedkunstartikel van januari 1951 – de verhouding tot de figuur van Voltaire niet wezenlijk anders dan voor onze over-over-grootouders. Er is alleen dit verschil: het voorgeslacht las Voltaire, wij leven Voltaire.

Daarmee is tevens het levensconflict aangeduid, dat begon in de tijd der Verlichting. Dat conflict ontstaat, wanneer, vanuit Engeland, het natuurwetenschappelijk denken in Frankrijk zijn intrede doet, daar vele zekerheden van een eeuwenoude Latijnse cultuur en kerkelijk geloof ondermijnt, de sociale verhoudingen chaotiseert, hetgeen, tenslotte, geleid heeft tot de uitbarsting van de revolutie in 1789.
Destijds was dit conflict nog slechts een aangelegenheid van een beperkte kring van verlichte burgers. Als zodanig had het nog een ‘elitair’ karakter. In de 20e eeuw is het een aangelegenheid geworden van de grote volksmassa, althans in Europa.

In het leven van Voltaire zelf vormt dit conflict, om zo te zeggen, een hoofdthema. Anno 1726 zette dit hoofdthema van zijn leven in.

Ik citeer een passage uit de inaugurele rede, die Prof. Tenhaeff in 1939 te Amsterdam heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: ‘Erasmus en Voltaire als exponenten van hun tijd’.

‘Voltaire stapt zó van de Bastille in de logeerkamer van lord Bolinbroke. Dat zijn nu eenmaal de voordelen van een turbulent leven: soms in rust van de gijzeling, soms jaren van ballingschap, inkeer en nieuwe ervaringen. Deze ervaring in een land, waarboven oceaanwind altijd waait, telt dubbel’.

Een onbeduidende ruzie met een edelman, was de aanleiding geweest, dat Voltaire in de Bastille werd opgesloten. Hij was door deze beledigd en daagde hem uit tot een tweegevecht. Wat een onbeschaamdheid! Om als burger, iemand van de geprivilegieerde klasse, tot een duel uit te dagen. Zo iemand kon het beste met een ‘Lettre de cachet’ – men kon die kopen – in het gevang verdwijnen. Daarmee konden lastige burgers onschadelijk worden gemaakt…

Waarschijnlijk heeft de chevalier de Rohan later nooit beseft, wat, een weldaad hij daarmee Voltaire heeft bewezen, en welke verstrekkende gevolgen dit voor de Franse geschiedenis heeft gehad. De verbanning van Voltaire, na zijn verblijf in de gevangenis, naar Engeland, betekent voor hem het begin van een nieuwe levensfase. Een leerschool van filosofisch en staatsrechtelijk denken. Daar in Engeland wordt niemand zonder vorm van proces van zijn vrijheid beroofd. Ook heeft de koning daar al lang niet meer absolute macht. Hij is gebonden aan een constitutie, waarin de spelregels zijn vervat in competentie tussen wetgeving en uitvoerende macht, en waarin een aantal grondrechten zijn vastgelegd. Ook is daar de Heilige Moederkerk reeds lang niet meer een machtsinstrument, zoals in Frankrijk nog het geval was.

Kort nadat Voltaire uit Engeland is teruggekeerd, verschijnen – 1734 -clandestien in Frankrijk de ‘Lettres filosophiques sur les Anglais’. Het boek werkt in Frankrijk als een tijdbom. Het is geladen met geestelijk dynamiet, van de zelfde kracht, als waarmee 55 jaar later de Bastille te Parijs met de grond gelijk zal worden gemaakt.

‘Wanneer er in Engeland’ – zo schrijft Voltaire – ‘slechts één religie zou bestaan, dan was het despotisme gevaarlijk; wanneer er twee religies zouden bestaan, dan zouden ze elkaar de keel afsnijden, maar er zijn er dertig… en zij leven allen in vrede en geluk ’.
Bovendien, niet alleen de predikanten zijn er vrij hun mening te verkondigen, ook de geleerden. Engeland is het land van Newton, Pope, Addison, John Locke: ‘Les plus grands philosophes et les meilleurs plumes de leur temps’.
Dank zij de natuurwetenschap beseffen al deze geleerde heren dat niemand van hen nog langer kan beweren dat hij de enige waarheid in pacht heeft. Want met de natuurwetenschap is ook de betrekkelijkheid van waarheden aan het licht gebracht. Dat is de invloed van de ‘Copernicaanse revolutie’ op het wereldbeeld van de Kerk. De aarde is niet langer meer het middelpunt, waaromheen de wereld draait; hoogstens een stofje in de onmetelijke ruimte van het heelal.
En wat voor de ‘kosmos’ geldt, die nu door de astronomen met hun kijkers wordt onderzocht, geldt ook voor het geloof. Sinds door de ontdekkingstochten zoveel vreemde volkeren in de gezichtskring van de beschaafde mens in Europa zijn gekomen, is ook duidelijk geworden dat ieder volk zich een God naar zijn beeld heeft geschapen.
‘Voor men gaat dogmatiseren over de ‘natuur van God’, moet men – zo schrijft Voltaire – eens nadenken over de volgende gebeurtenis: ‘Op zekere dag hoorde ik een mol redetwisten met een meikever voor een huisje dat ik juist achterin mijn tuin had gebouwd. ‘Kijk eens wat een schoon bouwsel’ verklaarde de mol, het moet wel een zeer machtige mol zijn geweest die dit werk tot stand heeft gebracht’. ‘Gij steekt er de draak mee’ antwoordde de meikever. ‘Het is een uiterst geniale meikever geweest die dit gebouwd heeft’. ‘Sindsdien – aldus Voltaire – heb ik het besluit genomen nooit meer te disputeren’.

Madame du Chatelet

Een tijd lang kan men met zo’n agnostische wereldbeschouwing heel aangenaam leven, vooral wanneer blijkt dat er in Frankrijk adellijke dames zijn, die wat blasé geworden van het wereldse leven aan het hof te Versailles, er de voorkeur aan geven zich terug te trekken op hun landgoed om zich daar in alle rust te kunnen wijden aan de studie van de natuurkunde.
Dat opent voor Voltaire een nieuw levensperspectief. Vanaf 1734 leeft hij samen met Madame du Chatelet op haar kasteel te Cirey-sur-Blaise. In dezelfde tijd heeft ook Rousseau een minnares gevonden in Madame de Warens en beleeft op haar landgoed in de bergen van Savoye drie verrukkelijke zomers van studie van natuur en cultuur.
Gevaarlijke verhoudingen? ‘Liaisons dangereuses’? Emilie de Breteuil was reeds op haar 19e jaar door haar familie gedwongen te trouwen met de markies du Chatelet. Al gauw bleek dat deze officier en landedelman meer aandacht had voor de jacht op hazen en patrijzen, dan, zoals zijn vrouw, voor de nieuwe denkbeelden van Engelse natuurfilosofen. Voltaire komt haar daarin tegemoet. Dagen en nachten worden gezamenlijk doorgebracht met studie en natuurkundige proeven: natuurwetenschap die in Engeland reeds bijna een jaar lang in de belangstelling stond. Al gauw merkt hij een grote lacune in haar ontwikkeling: gebrek aan historische belangstelling. Maar daar is wel een oplossing voor te vinden. Sprak het eigenlijk niet vanzelf dat een jonge vrouw zich niet interesseert voor wat als ‘fable convenue’ in die tijd doorging voor geschiedeniswetenschap: een samenraapsel van vrome slaapverwekkende vertelsels en leugens die in strijd waren met elk oordeel vanuit het gezonde verstand? Wie kon nog belangstelling hebben voor de verhalen over heiligen en wonderbaarlijke bekeringen van Franse koningen – van Chilperik tot Clovis – zoals die werden beschreven in Bossuet’s ‘Discours sur l’Histoire Universelle’? Een werk, dat begint bij de schepping van de wereld en eindigt met Karei de Grote. Een wat bijgewerkte editie van Augustinus’ heilsgeschiedenis, maar nu pasklaar gemaakt ter rechtvaardiging van het absolute gezag van de ‘Allerchristelijkste majesteiten’ van Frankrijk.

Arme Emilie. Wat moest zij beginnen met een geschiedenis van de mensheid, waarin Egyptenaren en Babyloniërs werden voorgesteld als onbeschaafde heidenen, slavenvolkeren, bijgelovig en dom, wier bestaansrecht in het wereldplan Gods, slechts hierop berustte, dat tegen hén, eens het door God uitverkoren volk der Joden zich had kunnen afzetten. Jawel, Histoire Universelle, wereldgeschiedenis, maar dan wel van een heel klein wereldje, dat veilig beschermd werd door het gezag van Staat en Moederkerk, die sinds de bekering van Constantijn de Grote te Rome, voortaan onafscheidelijk aan elkaar verbonden waren. Alsof, sinds Karel de Grote, er geen ontdekkingstochten waren geweest, die deze ‘christelijke’ wereld hadden opengebroken. Alsof sindsdien geen beschavingen zichtbaar waren geworden als die van de Grieken en Romeinen, en zeker als die van de Joden.

In Cirey begint Voltaire aan zijn opvoedkundige taak. Hij zal Madame du Chatelet laten zien, dat ook op een klein landgoed de ‘grote wereld’, die zij in Versailles ontvlucht was, kan voortleven. Daarvoor hoeft men geen sociale verplichtingen aan het hof te vervullen. Door de wereldgeschiedenis kan men zijn horizon steeds meer verwijden. Niet door een ‘fable convenue’ waarin beoordeeld wordt, welke volkeren wél en welke niet zijn opgenomen in het Heilsplan van Onze Lieve Heer. Wél door wereldgeschiedenis, waarin de beschaving, de zeden en de gewoonten van alle volkeren van de wereld worden beschreven en waarin zij worden getypeerd, ieder naar eigen karakter, dat hun door de natuur is gegeven.

Daarin ziet Voltaire zijn pedagogische opgave; allereerst bij zijn aristocratische vriendin; door geschiedschrijving interesse op te wekken voor de wereld. Daarnaast ook bij anderen, voor zover zij niet voorzien zijn van theologische oogkleppen, die hun oordeelsvermogen hebben afgestompt.

Zo is op Cirey de eerste cultuurgeschiedenis van de mensheid geschreven. ‘Essai sur les Moeurs et l’Esprit des Nations’. Voltaire zal er zijn hele leven lang aan blijven werken en wanneer het werk is voltooid, zou men kunnen spreken van een ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving, meer dan 150 jaar vóór Toynbee’s ‘A Study of History’.

De spiegel van het ‘andere volk’

Revolutionair was zeker de aandacht die Voltaire besteedde aan de Chinese beschaving. Sinds de Franse Jezuïten in China als missionaris hadden gewerkt, was men van de ene verbazing in de andere gevallen. Nog lang vóór de slag bij Salamis, vóór de stichting van Rome en de geboorte van Christus, bestond in het Verre Oosten een duizendjarige beschaving: ‘de Chinezen hadden sinds onheuglijke tijden de zelfde godsdienst, de zelfde moraal nu, terwijl de Gothen, de Herulen, de Vandalen, de Franken er slechts een moraal van rovers op nahielden, die er op neerkomt, het recht van verovering te wettigen ’.
‘Andere volken hebben hun geschiedenis afgeleid van allegorische fabels. De Chinezen schreven hun historie met de pen en het astrolabium in de hand, met een eenvoud waarvan men in heel Azië geen enkel voorbeeld vindt’.
Hun godsdienst kenmerkt zich door afwezigheid van fanatisme. De stichter hiervan, Confucius, was geen profeet, ook niet iemand die zich liet beïnvloeden door bovenzinnelijke inspiraties. Hij was een wijs magistraat, die wetten en leefregels uitvaardigde. Hij leerde slechts wat deugdzaam is. Zijn uitspraken bevatten geen enkel mysterie’.
Behalve China komen nu ook het ( oude India en de wereld van de Islam binnen de gezichtskring. Alle bestaande vooroordelen over Arabieren en Turken worden zorgvuldig weggewassen. Verder staan Egypte, Perzië, Babylonië in de aandacht en ook – in het Westen – volkeren in Zuid- Amerika. Met deze nieuwe oriëntatie in de wereld wordt de plaats van Europa daarin anders. Sinds de 16e en 17e eeuw waren deze oosterse en westerse volken niet veel meer geweest dan object van exploitatie. Zij waren alleen, van economisch belang voor de Europese kolonisatoren: Spanje, de Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Nu werden zij binnengehaald in de gezichtskring van de beschavingsgeschiedenis. Europa is daarin niet langer meer een middelpunt. Deze ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving gaat gepaard met relativisme. Het ‘eigen’ volk, als nationaliteit, is niet meer zó
toonaangevend. Het spiegelt zich in het oordeel van andere volken. Ook dat is een gevolg van de natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedeniswetenschap: hoe oordeelt men in China, in Perzië, in de Arabische landen over Frankrijk? Hoe zien die verre volkeren ons?

Deze vraag was reeds gesteld in 1721 door de Montesquieu in zijn ‘Lettres Persanes’, waarin hij twee Perzen die Frankrijk bezochten brieven liet schrijven aan hun vrienden in Perzië. Wat een zonderlinge wereld, daar in Frankrijk.
‘De koning is een groot tovenaar. Hij zwaait zijn scepter zélfs over de geest van zijn onderdanen. Hij laat hen denken zoals hij wil. Als hij slechts één miljoen daalders in zijn schatkist heeft en er twee hebben moet, behoeft hij hun slechts wijs te maken dat één daalder de waarde heeft van twee, en zij geloven het… Een vorm van kritiek die dodelijk is. Voltaire past haar toe, wanneer hij, schrijvend over ‘de zeden en de geest der volkeren’ zijn Arabische koffie drinkt uit een Chinees porseleinen kop. Want tot in de genotmiddelen toe wordt in de 18e eeuw de burger er zich van bewust dat hij niet langer alleen maar deel uitmaakt van zijn eigen volk maar ook van de gehele mensheid.

Tegenspraak tussen filosofie en leven

Zoals gezegd, dit nieuwe bewustzijn stond sterk onder invloed van het natuurwetenschappelijke relativisme, waarmee Voltaire in Engeland in aanraking was gekomen.
In zijn eigen leven roept het de ene crisis na andere op. Want men kan als Fransman gemakkelijk schrijven over deelgenootschap aan de beschaving van de gehele mensheid, maar dat betekende niet dat men daarmee ook reeds kon leven. Er ontstaat een tegenspraak tussen filosofie en de wijze van leven. Dat is dan nog slechts bij enkele mensen het geval. Ook Rousseau – wiens 200 jarige sterfdag (3 juli 1778) wij dit jaar eveneens kunnen herdenken – was één van hen. Pas in de 20e eeuw wordt dit een vraagstuk van ons allen.

Voor Voltaire bleef Frankrijk het vaderland – La Patrie – wiens cultuur toonaangevend was voor Europa. Een levenshouding die men in onze tijd nog kon aantreffen bij generaal De Gaulle. Cultuur, als erfenis van Latijnse beschaving en gehuld in het gewaad van christelijke allegorie. Wie Voltaires nationale epos over Koning Hendrik IV leest met zijn barokke pracht van beeldspraak, kan navoelen welk een kloof er lag tussen de nieuwe, uit Engeland afkomstige, exact geschoolde wijze van denken en de Grandeur’ van continentaal-Latijnse retoriek, die de leerlingen van het Collége Louis-Re-Grand te Parijs door de Jezuïetenpaters was bijgebracht. Voltaire was een van hen. Zijn hele leven lang heeft hij onder deze kloof geleden. Zij heeft niet alleen zijn nerveuze onrust beïnvloed, zijn drang om te schitteren en de wereld om hem heen te verbluffen, zij heeft ook zijn scepsis beheerst, die zóver ging, dat hij niet durfde op te komen voor de consequenties van zijn eigen ideeën. Hoe dikwijls heeft hij verloochend, wat hij zelf geschreven heeft. Wanneer men hem vraagt, of hij de auteur is van de ‘Lettres philosophiques sur les Anglais’, zegt hij, dat hij daarvan nooit gehoord heeft. En van een van zijn meest speelse maar ook meest hekelende romans, ‘Candide ou sur l’optimisme’, zegt hij: ‘Ik heb nu eindelijk Candide gelezen, men moet wel krankzinnig zijn om dergelijke vuiligheid mij aan te rekenen’.

Zoals Rousseau een boek schrijft over de ideale opvoeding – ‘Emile’ – en zijn eigen kinderen in het weeshuis laat belanden, zo heeft Voltaire dikwijls zijn geschriften als natuurlijke kinderen beschouwd, voor wiens vaderschap hij niet durft uit te komen.

‘II n’eut pas assez de confiance en la verité’, zegt Gustave Lanson, Voltaires biograaf. En Tenhaeff voegt hieraan toe in de zo-even vermelde inaugurele rede: ‘voor een propagandist moge dat niet erg zijn, voor een bouwer in het rijk des geestes blijft dat een tamelijk ernstige tekortkoming’.

Volkerenpsychologie

Wanneer het na 200 jaar lijkt dat verreweg het grootste deel van Voltaires werk slechts geschreven schijnt voor de bibliotheken van Europa om daarin, als in een mausoleum, te worden begraven ter wille van het voortbestaan van zijn literaire roem, dan is het nu van belang zijn ‘Essai sur les moeurs’ te voorschijn te halen. Enerzijds is het een typische uiting van Voltaire’s agnosticisme. ‘In Voltaires ‘Essai’ heeft God zich teruggetrokken uit de geschiedenis; en indien hij nog heerst, grijpt hij toch niet meer leidinggevend in de historie in’ zegt Karl Löwith in zijn ‘Weltgeschichte und Heilsgeschehen’. Zin en doel van de geschiedenis lagen voor Voltaire hierin: met behulp van de rede de menselijke verhoudingen te verbeteren; de mens minder onwetend, beter en gelukkiger te maken’.

In de 20e eeuw – na twee wereldoorlogen en economische crisis – weten wij wel beter. Niettemin heeft Voltaires ‘Essai’ een belangrijke stoot gegeven aan het zich verplaatsen in het karakter van het ‘andere volk’, als tegenwicht tegen de hoogmoed van nationale superioriteit.

De ideeën uit de ‘Essai’ zijn dan ook niet steriel gebleken. In 1784 – zes jaar na Voltaires dood – verschijnt in Duitsland Herders ‘Ideeën zur Philosophie der Geschichte’ met zijn tableau van alle volkeren der aarde in Oost en West. Kort na de dood van Voltaire in 1778 verschijnt Lessings geschrift, ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’, waarin voor het eerst de idee van de reïncarnatie optreedt als ontwikkelingselement in de mensheidsgeschiedenis. Later, in de 19e eeuw, wordt het thema van de volkerenpsychologie weer opgenomen door Moritz Lazarus, Steinthal en Wilhelm Wundt, nu meer benaderd vanuit de taalkundige hoek.

Maar in de 20e eeuw, na Wereldoorlog I en II, ontwaakt in Europa weer de belangstelling, onder andere door het werk van de Spanjaard Salvador de Madariaga (Anglais, FranÇais, Espagnols) en de Fransman André Siegfried (L’ame des peuples). Daarvóór was in Duitsland echter al door Rudolf Steiner een grondslag gelegd voor een niet agnostische maar sterk spirituele studie van de volkerenpsychologie, aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de mensheid. Zijn gezichtspunten werden, meer in concreto, uitgewerkt onder andere door Hans Erhard Lauer (Die Volksseelen Europas) en Herbert Hahn (Vom Genius Europas).

In ons land heeft Dr. Zeylmans van Emmichoven het als een van zijn levenstaken beschouwd, de volkerenpsychologie gestalte te geven in overeenstemming met de geest van onze tijd. Na Wereldoorlog II (1946) werd door hem het Instituut voor Volkerenpsychologie opgericht, dat een tijd lang als forum heeft gefunctioneerd, waar psychologen, historici, ondernemers, juristen en sociologen gedachten op dit gebied met elkaar konden uitwisselen. Ook het werk van Max Stibbe was een belangrijke bijdrage, onder andere zijn boek ‘Zwanenridder en Vliegende Hollander’. Daarmee werd gepoogd het begrip voor ‘het andere volk’ en voor het ‘eigen volk’ te ontwikkelen vanuit het ontdekken van een grote samenhang tussen de levensfasen van de mens en die van de mensheid.

Zo kon, naast de ontwikkeling van het internationaal recht, in een tijd van toenemende nationale tegenstellingen, een grondslag worden gelegd voor een nieuwe visie op de ontwikkeling van de mensheid, de mensheid als ‘eenheid in verscheidenheid’.

.
Voltaire

Geschiedenis klas 9

1947-1831

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – natuurkunde – (3-5)

.

Thor Keller, Erziehungskunst jrg. 53 nr.6 1989
.

LICHT EN DONKER

Vanuit zijn omvattende kennis over de opgroeiende mens heeft Rudolf Steiner al in 1919 het begin van het natuurkundeonderwijs voor de 6e klas voorgesteld.
Rond het twaalfde jaar, in het laatste derde deel van de tweede zevenjaarsfase, hebben de kinderen een verdere stap bij het begrijpen en leren kennen van de aarde gezet, waarin de kracht van het causale denken in hen begint te ontwaken.*
.

*Bij de zevenjaarsfasen en de onderverdeling daarvan gaat het niet om van een buiten aangedragen schema, maar om de waarneming van veranderingen op het gebied van het gevoelsleven, zoals iedereen die veelvuldig met kinderen heeft te maken, zelf kan waarnemen. Wanneer daarbij de waarnemingsresultaten van Steiner met die van oudere tijden overeenkomen, is dat niet in tegenspraak met de geldigheid van zijn kennis.
Literatuur over deze leeftijd: Müller-Wiedemann – Mitte der Kindheit
Kiefel: De verandering rond het twaalfde jaar, Erziehungskunst 12/80 blz. 723 (niet op deze blog vertaald)
.

Vooral de jongens willen hun aardse omgeving met al die belangrijke en interessante verschijnselen van het dagelijks leven, de techniek en het verkeer doorgronden.
Was Rudolf Steiners leerplanaanwijzing in 1919 nog revolutionair, vandaag de dag lijkt die, van buitenaf beschouwd, ouderwets. Want op de reguliere scholen worden de kinderen van de tweede, derde klas bij de heemkunde toch al met de grondslagen van onze technische omgeving geconfronteerd. Dat betekent echter een vervroeging, een aanslag op de nog dromende kinderziel die zich nog in een mythische sfeer bevindt en die de beelden van mythen, legenden en sagen voor zijn ontwikkeling nodig
heeft.**

**Piaget: Het morele oordeel bij het kind; oordeel en denkproces bij het kind
Picht: Legenden. Over de vertelkunst in de tweede klas, Erziehungskunst 4/79 blz. 192. Niet op deze blog vertaald.
Behrens: Beelden om na te volgen, Erziehungskunst 6/85 blz. 373, op deze blog vertaald

De voor het denken noodzakelijke geestkracht dient in deze leeftijdsfase nog de opbouw van het lichaam. Deze kracht maakt zich daar stap voor stap los van en wordt dan pas vrij om de wereld intellectueel te begrijpen.***

***Leber: Het menselijke etherlijf, Erziehungskunst 4/87. Gedeeltelijk op deze blog vertaald.

Het vrijeschoolleerplan van de eerste tot de vierde, vijfde klas houdt met deze ontwikkeling rekening. Laat je echter in de zesde klas achterwege deze vrij geworden krachten te oefenen en te scholen, dan liggen ze al spoedig braak en verkommeren of ze beginnen te woekeren, voor zover de kinderen ze buiten school niet benutten. Daarmee zouden we echter hun pedagogische ontwikkeling en vorming weggeven, ja in de weg staan en aan de andere kant in de leerling het onbestemde, dikwijls onbewuste gevoel oproepen dat je op de vrijeschool ‘niet echt iets leert’, d.w.z. niet leert, wat je nodig hebt.
Want als net zo belangrijke opdracht als het tot ontwikkeling brengen van alle vaardigheden, noemde Rudolf Steiner de positie van de jonge mens in de al genoemde sociale omgeving.

In de Erziehungskunst 7-8/86. op deze blog vertaald werd er gesproken over de akoestiek in het eerste natuurkundeonderwijs. Hier volgt nu een verslag over de optica. Heel bewust is de schrijver een andere weg gegaan dan Manfred von Mackensen die bewandelt.+ Dat wordt hierna gemotiveerd.

+Von Mackensen: Klank, licht en warmte

Door zijn zintuigwaarnemingen ontwaakt in het kind bij het eerste leren kennen van de wereld in de gestalte van moeder, vader, broertjes en zusjes en het eerste speelgoed het eerste ‘bewustzijn.’ Stap voor stap verovert hij op deze manier de wereld. Daarbij zijn vooral oor en oog werkzaam. Is er niets te horen, niets te zien, dan gaat er geen zintuigprikkel uit en het bewustzijn dooft uit. Daarom leggen we de kinderen dan ook bij het (in)slapen in een donkere, stille ruimte. Vandaaruit bezien is het een ernstige en belangrijke vraag of je de natuurkundeperiode licht/donker met het beleven van de duisternis moet beginnen (nog helemaal afgezien van het feit dat jonge scholen dikwijls bijna geen mogelijkheid hebben om een ruimte volledig te verduisteren. In zo’n situatie bevond de schrijver zich, één wand van het klassenlokaal bestond volledig uit ramen en alle lichtproeven moesten tot de achtste klas bij daglicht uitgevoerd worden; (het ging uitstekend).

Wat gebeurt er wanneer het donker wordt? De mensen, vooral de kinderen, worden bang. Tegenwoordig is het niet meer zo, wat de schrijver als kind steeds weer meemaakte: alleen maar een zwak peertje in de keldergang, de eigenlijke kelder lag achter een donkere hoek, nauwelijks verlicht door het kleine, diepliggende en geblindeerde raam onder straatniveau. Het was onaangenaam aardappelen of kolen te halen. Wat deed je dan? Luid hoorbaar lopen of zingen. En zo moet een zesde klas ook wel reageren als het licht uitgaat en zij in het donker zitten. De optredende bangheid en ja, angst dwingt tot lachen, roepen, schreeuwen; bovendien verleidt de donkerte ertoe allerlei uit te halen. Zo is een oplettende stemming nauwelijks te bereiken. Zelfs bij een nacht- of een vroege ochtendwandeling kan een klas nauwelijks een langere tijd stil blijven en luisteren. En toch moet iedere klas, wanneer het maar mogelijk is, samen een zonsopkomst beleven.

We begonnen met de kleurenleer, nadat we bij de eerste akoestiek naast de in het bovengenoemde artikel beschreven proeven nog die van de klankgeleiding en -snelheid alsook de resonantie gedaan werden. Besproken werden ook nog de bij de zonsopkomst klinkende Kolossen van Memnon; het ‘oor van Dionysos‘ op Sicilië, dat een zacht fluisteren aan het eind van de grot tot een groot geluid bij de ingang versterkt; de echomuur in de tempel van de hemel bij Peking waar je ieder in de tuin gefluisterd woord hoort; de akoestische verschijnselen van het antieke theater en de akoestische klankschalen in de Romaanse kerken (Zie ‘Goetheanum’ 7/1977)

We lieten een diaprojector door een met water gevulde glasbak schijnen en goten er langzaam zeeploog bij dat de vorige dag klaargemaakt was. 
Het schijnsel veranderde van kleur: van geelachtig naar geel, naar oranje en rood. Wanneer we achter de glasbak een zwarte plaat zetten en we lieten het licht van opzij schijnen, ontstond er bij weinig oplossing een teer blauw.
Ook met perkamentpapier, doorschijnend plastic of het ‘Goetheglas‘ kun je deze verschijnselen, o.a. het ontstaan van de lichte kleuren, goed laten zien.

Aan de hand van deze verschijnselen bespraken we de wonderen van de natuurverschijnselen, die wij voor een deel vanaf de eerste klas bewonderd hebben: de oranje kleur van de zon ’s morgens, de gele kleur daarvan gedurende de dag en de roodachtige ’s avonds en voordat er regen komt; de blauwe, op grote hoogten zwarte hemel, de blauwachtige kleur van dunne rook voor een donker bos en de oranje kleur ervan voor de heldere hemel; zon- en maanhalo, kleurige verschijnselen bij schemering bij beslagen ramen; de bergen die er in de verte blauwachtig uitzien en de gele ijsbergen, de blauwe grot op Capri; het roodachtige licht op een grote diepte in zee. Al deze verschijnselen zijn natuurkundig met hulp van de proeven die we deden, te doorzien.

Ook kunnen de kinderen aan de hand van deze proeven het ontstaan van de kleuren uit het samenspel van licht en donker beleven en ze begrijpen het woord van Goethe: ‘De kleuren zijn de daden en het lijden van het licht’. Goethe heeft bij zijn onderzoek naar de kleurenleer de zesdelige kleurencirkel ontwikkeld. Als je geel en blauw als de twee oerkleuren neemt, dan kan je rood-geel-blauw de drie primaire kleuren noemen. In de kleurencirkel vormen steeds twee primaire kleuren een mengkleur die daartussen ligt: de tegenkleur of de complimentaire kleur die er tegenover ligt:

                                                                   rood

                                                    oranje                   violet

                                                       geel                   blauw

                                                                   groen

De kinderen zijn door de schilderles allang vertrouwd met de mengkleuren.

Als volgende proeven volgden de drie kleurenschaduwen. Een lichtbron kan het daglicht of een felle lamp zijn; het kleurige licht lieten we ontstaan met gekleurd glas in een diaprojector. De tegenkleur is prachtig te zien in de schaduwbeelden. Ditzelfde verschijnsel vertoont zich, wanneer je een zwart figuur op een stuk karton van één kleur legt en daaroverheen doorschijnend doorslagpapier of perkamentpapier.

Dan volgden de proeven met de kleurige nabeelden. De kinderen keken licht wegdromend een tot twee minuten naar een kleurvlak, daarna naar een wit vlak. Het nabeeld verschijnt in de tegenkleur.

Daarna proeven met het prisma. Het is het beste wanneer je ieder kind een glasprisma geeft, anders laat je ze door een groot waterprisma naar de verschillende zwart-wit platen kijken:

De kinderen ontdekken dat de blikrichting afgebogen wordt en dat aan de zwart-witte randen uit de heldere, warme kleuren, resp. donkere, koude kleuren ontstaan. Als regel vind je: gaat in de richting van de afbuiging wit als eerst, dan ontstaan de warme kleuren, gaat zwart voorop dan de koude kleuren. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij iedere blik door het prisma in de klas, dus ook daar waar lichte en donkere kleuren aan elkaar grenzen.

Bij de volgende proeven legden we een munt op de bodem van een kan en goten er water in. De munt en de bodem leken wel omhoog te komen. Toen zetten we een ijzeren stang schuin in het water, die leek aan het wateroppervlak een knik te hebben. Ten slotte lieten we een lichtbundel schuin in een met water gevulde bak vallen; aan de oppervlakte werd deze duidelijk naar onderen afgebogen. 
Toen hebben we de wetmatigheden besproken en ernaar gezocht waar je deze verschijnselen in het dagelijks leven kan vinden, namelijk overal waar wij in het water kijken. 
Beide verschijnselen zijn een uitdrukking van dezelfde wet: De blikrichting, resp. de luchtbundel wordt bij een verandering van een dunnere naar een vastere stof (lucht-water) naar de dichtere toe, gebroken. De dichtere stof biedt in zekere zin meer weerstand en buigt zo de richting van het licht af. De afbuiging door het prisma berust op dezelfde wetmatigheid.

Tot slot van het licht-donker laat je zien hoe door een lensopening (een klein gat in een groot vel karton) op een perkamentscherm een kaars afgebeeld wordt of een raam van de klas, misschien zelfs het landschap. Van karton kunnen de kinderen dan zelf aan de verdere ontwikkeling van de camera obscura bouwen.
Het verschijnsel berust op de mogelijkheid van ieder ‘lichtpunt’ de totale omgeving af te beelden. Zo kan men tegenwoordig bv. de hele bijbel met bijna 2000 bladzijden zo verkleinen dat deze op een dia of een postzegel past, die je dan ook weer kan vergroten.

De kinderen hebben in hun periodeschrift de proeven en de door de leraar gegeven tekst met de wetmatigheden erin opgeschreven en een paar proeven getekend. Op deze manier hebben ze zelf hun ‘leerboek’ geschreven, zoals Rudolf Steiner aanraadde. Ze leren door het begrijpen van de beschreven verschijnselen de noodzakelijke kennis van de natuurkundige wetmatigheden.
Het onderwijs zelf werd steeds gegeven volgens de door Rudolf Steiner++ gestimuleerde drie stappen bij de proeven: proef – herhalende beschrijving – de volgende dag bespreking van de wetmatigheden.

++Steiner: Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung, GA 302, vdr. 6, vertaald
GA 320, vdr. 2 en 3
alle gangbare natuurkundeboeken

De schrijver heeft in de zesde klas niet alleen de geplande vier weken, maar twee keer drie weken natuurkunde gegeven. Dat gebeurde om genoeg tijd te hebben voor het verwerken van de proefbeschrijvingen. Dagelijks werd iedere proefbeschrijving twee, drie, misschien wel vier keer voorgelezen en wat niet goed was werd verbeterd, wat ontbrak aangevuld en het overbodige eruit gehaald. Daarbij hechtten we waarde aan kort en bondig. Want we zijn van mening dat het uitvoerige beschrijven van processen of voorwerpen niet in de natuurkundeles thuishoort, maar bij Nederlands geoefend moet worden. Bij natuurkunde komt het erop aan het proefverloop kort en bondig weer te geven en niet op de apparaten of de opbouw daarvan komt het aan. Het begrijpen van natuurkundige processen zou in een ander geval moeilijker worden. Twee voorbeelden mogen dat verduidelijken:

‘Wij lieten een diaprojector door een waterbak schijnen die met water gevuld was en daar goten we langzaam zeeploog bij. Het water werd steeds troebeler en het licht werd eerst geelachtig, toen oranje, rood en ten slotte dieprood.

‘We hielden een ijzeren staaf schuin in het water. Het leek erop dat hij bij het wateroppervlak geknikt was.

Wanneer op deze manier van proefbeschrijvingen goed wordt geoefend,  kunnen de kinderen dat in de volgende klassen en je hebt meer tijd voor de proeven en de noodzakelijke betekenissen. Houd je in de loop van de periode een goed tijdverdeling aan, dan is het mogelijk ook bij de andere natuurkundige aspecten, de warmteleer, magnetisme en de statische elektriciteit ongeveer elk twaalf tot veertien proeven met wezenlijke wetmatigheden uit te werken. De kinderen oefenen daardoor hun denken en beginnen de verschijnselen in de wereld te doorzien.  Dat geeft hun de noodzakelijke zekerheid vooral wanneer het lukt – en dat is bij natuurkunde helemaal niet makkelijk – steeds weer bij de mens of bij wat er in de menselijk samenleving gebeurt, aan te knopen.

.

Natuurkundealle artikelen

Klas 6: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

1938-1822

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderen van toen

.
Yvonne Mathon, Margriet, datum onbekend.
.

En dat noemden ze toen kinderen……


De Graham Children (William Hobarth 1742)

Prachtig opgepoetst staan ze daar, net kleine engeltjes. Broos kijken ze boven hun onkinderlijke decolleté uit en met spitse vingertjes houden ze de rokken op. Kinderen die niet weten dat ze kind zijn.
Wat een verschil met onze tijd, waarin het kind lekker kind mag zijn.

De schilder van dit groepsportret en zijn collega’s uit andere eeuwen konden er ook niets aan doen: vroeger bestonden kinderen eenvoudig niet. Yvonne Mathon verklaart hoe dat in vredesnaam mogelijk is.

Aan schilderijen zie je wel het duidelijkst hoezeer de kijk op het kind door de eeuwen heen is veranderd. Kinderlijk kijkt het kleine meisje (hieronder) dat door de hedendaagse schilderes Koosje van Keulen is gemaakt, de wereld in.

De Graham Children (William Hobarth 1742) missen dat element volkomen. Prachtig opgepoetst, zijn ze niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk in een veel te strak keurslijf geperst.


Opvoeden, was vroeger een simpele zaak. Lag er een jongetje in de wieg, dan
moest hij zo snel mogelijk rijp worden gemaakt voor zijn toekomstige rol als man en huisvader. Die rol stond al vast bij zijn geboorte. En natuurlijk zou hij later in de voetsporen van zijn vader treden.

Het enige waar ouders in vroeger eeuwen zich misschien bezorgd om maakten was of de zoon wel een waardig opvolger zou zijn, maar dat hij zou opvolgen, daarover bestond geen enkele twijfel.
De opvoeding van de dochter was zo mogelijk nog eenvoudiger. Omdat zij toch was voorbestemd voor moederschap en huishouden, werd zij zo jong mogelijk achter de wastobbe en verstelmand gezet.

Opvoedingsproblemen waren nog niet uitgevonden

Opvoedingsproblemen waren tot het begin van deze eeuw nog niet ontdekt. Van ontwikkelingsfasen van het kind had men nog nooit gehoord en dus bestonden koppigheidsperiode, vlegeljaren en puberteit gewoonweg niet. Een ideale toestand misschien voor de ouders, maar niet bepaald voor het kind. Dat had dan ook volgens onze maatstaven in vele opzichten een erbarmelijk bestaan als volwassene op mini-formaat.

Ook de kans om zich te ontplooien was er voor de meeste kinderen in vroeger dagen niet bij. Kinderen uit gegoede kringen waren natuurlijk beter af dan kinderen van de eenvoudige handwerkman, maar rijk of arm, het onderwijs dat werd gegeven was volledig ontoereikend. Alleen bijbelkennis en catechismus werden uitvoerig onderricht.

Vaak kwam er echter helemaal niets van onderwijs, omdat veel kinderen zodra ze konden lopen al in het arbeidsproces werden opgenomen. Eigenlijk deelde het kind van jongs af aan het leven van de volwassene, in alle opzichten. En: er was niemand die zich afvroeg of een kindergeest ook werkelijk hetzelfde zou kunnen bevatten als die van een groot mens. Zo stond het kind bijvoorbeeld veel dichter bij de dood dan nu. Het maakte vaak van nabij mee dat een familielid stierf en in het poppenhuis dat kleine meisjes in de zeventiende eeuw cadeau kregen, was vaak dan ook meestal wel een dodenkamer, compleet met zilveren doodkistje en wassen lijkje te vinden. En dat terwijl wij altijd waarschuwen tegen speelgoed dat al te realistisch allerlei narigheid nabootst. Ook gevaarlijk speelgoed en speelgoed dat agressie oproept proberen wij nu zoveel mogelijk te beperken.

Zo niet onze voorvaderen. „De lust om met het snaphaantje te spelen moet in de knaapjes aangekweekt worden, de meisjes moeten vermaak scheppen zulk een spel te zien,” schreef J. J. Swildens in zijn Vaderlandsch ABC in 1774 .. .

Daar zouden onze kinderen nu een shock aan overhouden

Nog een verschil met de tegenwoordige opvoedingstheorieën: Ouders spaarden hun kinderen niet in de confrontatie met de werkelijkheid.
’t Kon niet realistisch genoeg.

Zo woonden in de achttiende eeuw ook kinderen de meest gruwelijke rechtsplegingen en geselingen bij. „Geregtigheid is streng, maar geenszins wreed,” hielden ouders hun geschrokken kinderen dan in zo’n geval voor en daar was de zaak dan mee afgedaan. Onze kinderen zouden aan zo iets ongetwijfeld een shock overhouden, waar een kinderspychiater aan te pas zou moeten komen.

Dat een kind vroeger wel tegen gruweldaden kon, komt door de totaal andere verhouding ten opzichte van ouders, omgeving en maatschappij. Die was veel eenvoudiger en rechtlijniger dan nu. Het kind wist daardoor precies waar het aan toe was.
Met de ontwikkeling van de wetenschappen, de industrialisatie en de technische vooruitgang veranderde langzamerhand ook iets in de leef-en denkwijze van de mensen. Onder invloed van Rousseau, Pestalozzi en vele andere grote denkers groeide het inzicht in het kind. Voor het eerst realiseerden ouders zich dat opvoeding niet alleen moest bestaan uit het voorhouden van bijbellessen en dat een kind ook behoefte heeft aan begrip en liefde, al bleef de nadruk op de verstandelijke opvoeding liggen. Zo waren spontaniteit, originaliteit en creativiteit voor verreweg de meeste ouders onbekende begrippen.

Een goed voorbeeld van de opvatting over kinderopvoeding uit die tijd zijn de gedichtjes van Hiëronimus van Alphen, die in 1782 voor het eerst verschenen. Ook nu kennen wij nog heel wat versregeltjes van hem, zoals: „Jantje zag eens pruimen hangen”, „Geduld is zulk een schone zaak” en „Die perzik smaakt naar meer.”

De kindertjes uit die tijd waren er dolgelukkig mee en het zou bijna een eeuw duren voordat verzet werd aangetekend tegen deze zedenpreken.

Nu slaan wij weleens door naar de andere kant

Niet voor niets wordt de twintigste eeuw de eeuw van het kind genoemd. Pas in deze eeuw is het kind „ontdekt” en is er sprake van kinderpsychologie. Als reactie op de starre opvoeding van vroeger, die naar onze begrippen verwaarlozing van het kind inhield, slaat men nu weleens door naar de andere kant. Sommige kinderen worden helemaal vrijgelaten en mogen alles wat zij maar willen om zich vooral ten volle te kunnen ontplooien. Of deze kinderen veel beter af zijn dan die van onze voorouders? In elk geval is voor het kind van onze eeuw de horizon verruimd. Het heeft daarmee zekerheden verloren, maar nieuwe mogelijkheden gewonnen.

Kinderspel

Veel van de kinderspelen die Pieter Breughel afbeeldt zijn ook nu nog gebruikelijk. Het verschil tussen de zestiende eeuw en nu? 
Spel diende uitsluitend tot vermaak en verstrooiing. Behendigheidsspelletjes waren er bij de vleet, maar speelgoed bestond nagenoeg niet. De opvoedkundige waarde daarvan werd toen niet onderkend.

De wezen worden onderricht

Dit schilderij van een onbekende uit het begin van de achttiende eeuw toont duidelijk dat men vroeger het begrip „kind” in onze betekenis niet kende. De wezen, die hier ongetwijfeld godsdienstonderricht genieten, zijn geen kinderen, maar houten klaasjes met oudewijvensnoetjes.

Stedelijk museum Alkmaar

Titus aan de lessenaar

t Is niet toevallig dat Rembrandt zijn zoon schildert aan de lessenaar, want lezen was een grote deugd, spelen daarentegen eigenlijk alleen iets voor ,,’t onweetend kind”.

Portret van een jongen (onder)

Hoewel Sluijters een man uit onze eeuw is, lijkt ook deze jongen nog niet erg op een scholier anno 1971. ’t Is meer een jongen van vlak voor de oorlog, die weet had van de crisisjaren.

Kind met hoepel 
Wat een verschil is er tussen Jean Sluijters en deze Karel Appel, die het kind in beweging toont. Daarmee geeft hij onze moderne visie op het kind weer. Het is geen kleine volwassene, geen ernstig alwetertje of brave Hendrik, maar zo’n brok dynamiek dat de stukken er van afvliegen.

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Spel: alle artikelen

.

1912-1796

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (17)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2002, nr.9

Klank, beweging, oriëntatie in de ruimte, taal en tasten – het is een greep uit de schat aan ontwikkelingsmogelijkheden die kinderrijmpjes in zich bergen. En dan met name die waarin ledematen, handjes en voetjes volop meedoen.

Het eerste moment waarop je de aanstekelijke uitwerking van kinderversjes kunt beleven is als je baby net kan zitten, met een eenvoudig liedje als ‘Klap eens in je handjes, blij, blij, blij’. Eerst houd je zijn handjes nog vast en laat hem merken hoe het is als die tegen elkaar aan klappen. Je brengt zijn armpjes naar boven en met allebei zijn handjes laat je hem zijn ‘boze bolletje’ aftasten. Al snel zal hij bij de eerste tonen van het versje zelf enthousiast en – zoals je baby natuurlijk ook wel merkt – onder grote bijval van de omstanders zijn handjes tegen elkaar klappen en naar zijn hoofdje brengen. Een volgende stap vormen rijmpjes als:

Duimelot is in het water gevallen,
Likkepot heeft hem eruit gehaald,
Lange Jaap heeft hem thuis gebracht,
Ringeling heeft hem in bed gelegd
En het kleine pinkje heeft alles tegen moeder gezegd

Daarbij krijgen alle vingertjes (of teentjes) een beurt. En ten slotte zijn er de versjes waarbij handen en vingers op ingenieuze manier in elkaar strengelen om er een klingelend klokje, bootje, vogelhuisje of vlinder uit te voorschijn te toveren. Vooral de wat oudere kleuters kunnen met hun vingers feilloos ingewikkelde vormen maken waar je als volwassene echt eerst even stiekem op moet oefenen. Tot je schrik merk je dan nogal eens hoe moeilijk het is om te voelen wat je vingers doen.
Handen- en voetenspelletjes kun je altijd en overal doen. Bijna ieder kind vindt ze leuk.
Zelfs de grootste wildebras wil zijn drukke bezigheden graag onderbreken voor een spelletje ‘Olleke, bolleke…’. Ze zijn een geweldige oefening voor de tastzin en verfijnen het gevoel voor de begrenzing van zijn eigen lijfje. Door de samenhang die er is tussen de motoriek en het leren spreken, stimuleren versjes waarbij handen en voeten meedoen bovendien de taalontwikkeling. Daarom is het jammer dat er vrijwel geen boeken te vinden zijn met dit soort liedjes en spelletjes. Ik heb alleen Spelen met de vingers van Hermien Ijzerman kunnen vinden. Het is een boekje met wat ouderwets aandoende maar wel zeer duidelijke tekeningen van beweeglijke handen en de bijbehorende rijmpjes en spelletjes voor baby’s, peuters en kleuters.

Hermien IJzerman: Spelen met de vingers

vanaf 2 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

.Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1898-1782

.

VRIJESCHOOL- Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 – alle artikelen

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 4
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [4-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [4-1]
Het derde cijfer [4-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [4-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. Een uitzondering daarop vormt [4-3] met de delen [4-3-1] enz, die een onlosmakelijk geheel vormen met [4-3]. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [4-1] [4-2] [4-3] enz.
Als kleur: rood

[4-1blz. 64
Het gevoel bekeken vanuit de wil; teruggehouden en uitgevoerd; kleine verwijzing naar wat in de 5e vdr. uitgebreid aan de orde komt: verhouding gevoel-denken; voorbeelden uit het leven.

[4-2] blz. 65 t/m 67
De wil en de toekomst; geestzelf, levensgeest en geestmens; manas; de ziel.

[4-3] blz. 67
De wil en de zevenledige mens: een korte inleiding

[4-3-1] blz. 67/68
Het instinct in relatie tot het fysieke lichaam

[4-3-1/1]
Andere auteurs over instinct: Han Campagne in zijn boek ‘De organen.

[4-3-2] blz. 68/69
De drift in relatie tot het etherlijf en tot het instinct; verwijzing naar ‘De twaalf driften’,  auteur Frits Julius; 

[4-3-2/1]
Andere auteurs over drift: Han Campagne in zijn boek ‘De organen.

[4-3-3] blz. 69
De begeerte in relatie tot de gewaarwordingsziel en het etherlijf

[4-3-3/1]
Andere auteurs over begeerte: Han Campagne in zijn boek ‘De organen‘.

[4-3-4] blz. 69/70
Het motief in relatie tot de begeerte en het Ik, werkzaam in de ziel

[4-3-4/1]
Andere auteurs over motief: Han Campagne in zijn boek ‘De organen

[4-3-5] blz. 70-73
De wens in relatie tot het geestzelf; de (vage) wil om wat je gedaan hebt, beter te doen

[4-3-6] blz. 72-76
Het voornemen in relatie tot de levensgeest; het besluit in relatie tot de geestmens; inrichting van het onderwijs volgens  gewone menselijke omgang, of vormgegeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

[4-3-6/1]
Gezichtspunten van Joep Eikenboom op de opvoeding van de wil.

[4-4] blz. 77-79
Het intellectuele kan niet van betekenis zijn voor de ontwikkeling van gevoel en wil; voor het gevoel: onbewuste herhaling; voor de wil: bewuste herhaling; methode ZLKLS als voorbeeld van intellectualistisch onderwijs, daartegenover Steiners methode vanuit het kunstzinnige.

Algemene menskundealle artikelen

.

1892-1776

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde

.

Jan Graafland*, Stroom*, jrg.2 okt.2006
.

Bijen nabeeld

Een bijenzwerm is neergestreken in een Sleedoornstruik. De donkere beweeglijke klont van 25.000 bijen begint meteen met het bouwen van raten. Deze worden gefabriceerd met de was die door de bijen wordt uitgezweet. Bijen vliegen af en aan, op zoek naar nectar en stuifmeel. Het is een gonzende drukte om de donkere bol. Echter, de herfst is al ingevallen. De nachten worden snel kouder. Omdat de bijen verzuimd hebben een omhullend onderkomen te zoeken, zoals een holle boom, voltrekt zich een drama. De kou vreet het bijenvolk van buitenaf aan. De bijen die zich opofferen als omhulling voor de buitenste lagen van het volk, sterven het eerst de koudedood. Zo vallen met de dagen steeds weer nieuwe lagen af, waardoor het bijenvolk steeds kleiner wordt, totdat de kou de koningin heeft bereikt en ook zij eraan moet geloven. Wat overblijft, is een bouwwerk, groter dan een voetbal en goudgeel van kleur: werkelijk een ruimtelijk kunstobject. Als een stralende bol hangt het in de donkere struiken.

Opvallend is dat na het sterven van de donkere bijenzwerm een haast lichtend bouwwerk is overgebleven. De was waaruit het bestaat is, net als honing, een product uit de warmte van de bijen. Een bijenvolk handhaaft een temperatuur die ongeveer gelijk is aan de menselijke lichaamstemperatuur. De producten die hieruit ontstaan zijn helend voor het menselijk organisme. Zo wordt bijengif onder andere gebruikt bij reumatische klachten en honing heeft een uitstekende beschermende en antiseptische werking op open wonden. De warmte uit de bijenwas laten wij graag als kaarsjes branden. Tenslotte is er nog de propolis, wat de bijen als een soort afdichtkit gebruiken. Dit wordt onder andere gebruikt bij keelklachten.

In de lijn van de natuurverschijnselen zijn de bijen de brengers van warmte. Ik ervaar dat als volgt: de aarde draagt ons. De mineralen van de aarde dienen de plant tot voeding. De plant voegt de levensprocessen toe en groeit naar de zon. Zijn hoogste bereik is de bloeiende bloem, gevuld met nectar. De bloem groeit door de warmte van de zon, maar kan deze warmte niet verinnerlijken. De bij herkent in de bloem echter wel het uiterlijke beeld van de zon. Daardoor wordt de bij naar de bloem gebracht. De herkenning is compleet als blijkt dat bijvoorbeeld de bloem van de Rozemarijn een inwendige vorm heeft die precies past om het lichaampje van de bij. Waar de bloem ophoudt te bestaan, draagt de bij de natuur weer iets verder. De bij draagt de natuurprocessen binnen in het bereik van de warmte en is daarmee een zonnewezen, nog meer dan de bloem. Deze tot zonnemacht opgedreven aardekracht dient de mens tot genezing.

*Jan Graafland verzorgt al twintig jaar de biodynamische Weledatuin met medicinale planten en bijenvolken in Zoetermeer. Waarneming is wel zijn belangrijkste tuingereedschap.

**Stroom: uitgave van Antroposana.
Het tijdschrift is inmiddels omgedoopt totIta‘.

.

1875-1760

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – De pedagogische basis van de vrijeschool GA 24/GA 298

.

Bij mijn bewaarde vrijeschoolachtergrondinformatie kwam ik dit boekje tegen, dat nog uit de allereerste tijd van de 1e vrijeschool in Nederland, de VrijeSchool Den Haag, moet stammen.

Uit een reactie – zie onder – blijkt dat het uit 1926 is, dus zo’n 90 jaar oud, van vóór de tijd dat de school aan de Waalsdorperweg gehuisvest werd.
Hier te downloaden.

‘ANTHROPOSOPHISCHE PAEDAGOGIE’ is de vrijeschoolpedagogie. 

Rudolf Steiner wees er in vele voordrachten op dat ‘antroposofische pedagogie’ geen pedagogie is waarbij ‘antroposofie’ aan leerlingen wordt gedoceerd – er is in dat opzicht geen sprake van een ‘antroposofische school’ of ‘antroposofisch onderwijs’, maar dat de menskundige inzichten die in de antroposofie worden beschreven, de basis vormen, het uitgangspunt, om omgewerkt tot pedagogie, methodiek en didactiek het kind bij zijn ontwikkeling o.a. d.m.v. de leerstof in zijn leven verder op weg te helpen.

Van onderstaand artikel wordt opgemerkt dat het vertaald is uit GA 24, maar de tekst ervan wijkt nogal af.

Grondslagen van de Anthroposophische Paedagogie

Het kind wordt aan de lagere school toevertrouwd in een levensperiode, waarin zijn zielstoestand belangrijke veranderingen doormaakt. In den tijd vanaf de geboorte van den mensch tot zijn zesde, zevende levensjaar is de mensch zóó, dat hij zich aan zijn naaste menschelijke omgeving overgeeft en vanuit een nabootsend instinkt de eigen, wordende krachten vormt. Na de tandwisseling opent de ziel zich voor een bewust opnemen van datgene, wat door de opvoeder en onderwijzer, op de grondslag van een vanzelfsprekende autoriteit, op het kind werkt. Die autoriteit accepteert het kind, vanuit het instinctieve gevoel, dat er in den opvoeder en onderwijzer iets leeft, wat ook in hem leven moet.

Men kan geen opvoeder of onderwijzer zijn, wanneer men niet een volledig inzicht heeft in en ten volle rekening houdt met het feit van deze omkeering van de nabootsingsdrang in het vermogen, op te nemen wat deze ongedwongen autoriteit leert. De levensopvatting van de nieuwere menschheid, die uitsluitend op natuurinzicht berust, gaat niet met vol bewustzijn op zulke feiten van de menschenontwikkeling in. Alleen hij kan daarvoor de noodige opmerkzaamheid opbrengen, die een gevoel heeft voor de fijnste levensuitingen van den mensch.

Een dergelijk gevoel moet in de kunst van het opvoeden en onderwijzen heerschen. Door dit gevoel moet het leerplan gevormd worden; het moet in den geest leven, die opvoeder en kind vereenigt. Wat de opvoeder doet, kan maar in geringe mate afhangen van hetgeen in hem door algemeene normen van een abstrakte paedagogie is opgewekt; hij moet zich in het onderwijs ieder oogenblik kunnen vernieuwen door de kracht, die hij put uit de levende kennis van den wordenden mensch. Men kan hier natuurlijk tegen inbrengen, dat een levensvol opvoeden en onderwijzen spaak moet loopen in klassen met een groot aantal leerlingen. Tot op zekere hoogte is dit natuurlijk waar; maar daarbuiten bewijst degeen, die dit zegt, alleen maar, dat hij van het standjunt van een abstrakte norm-paedagogie uitgaat, want een levende opvoedings-en onderwijskunst, berustende op ware kennis van den menseh, is doortrokken van een kracht, die in iedere leerling belangstelling voor het onderwijs opwekt, zoodat het niet noodig is hem door onmiddellijk „individueel” bewerken bij de zaak te houden. Wat men in onderwijs en opvoeding geven wil, kan men zoo vormen, dat de leerling het individueel opvat, wanneer hij het zich eigen maakt. Daarvoor is alleen noodig, dat, wat de onderwijzer doet, voldoende sterk in ‘hem leeft. Wie zin heeft voor echte kennis van den mensch, voor dien wordt de opgroeiende mensch in zoo hooge mate tot een levensraadsel, dat door hem moet worden opgelost, dat hij in het streven naar deze oplossing, het meeleven van de leerlingen wekt. En zoo’n meeleven is meer bevorderlijk dan een individueel bewerken, dat den leerling maar al te licht verlamt in zijn zelfwerkzaamheid. Weer tot op zekere hoogte mag beweerd worden, dat de grootere klassen met onderwijzers, die vol van dat leven zijn, dat door ware kennis van den mensch opgewekt wordt, betere resultaten zullen bereiken dan kleine klassen met onderwijzers, die van een normpaedagogie uitgaande, zoo’n meeleven niet vermogen te ontwikkelen. 

Minder duidelijk uitkomend, maar voor opvoedings- en onderwijskunst even beteekenisvol, als de verandering van de zielstoestand in het zesde en zevende levensjaar, vindt men door een diepgaande kennis van den mensch, zoo’n verandering om en bij de voleinding van het negende levensjaar. Daar neemt het ik-gevoel een vorm aan, die het kind een zoodanige verhouding tot de natuur en de verdere omgeving geeft, dat men het meer over de betrekkingen der dingen en werkingen onderling kan spreken, terwijl het daarvoor bijna uitsluitend interesse ontwikkelt voor de betrekkingen der dingen en werkingen tot den mensch.

Zulke feiten van de menschenontwikkeling moeten door opvoeders en onderwijzers zorgvuldig nagegaan worden. Want wanneer men in de voorstellings- en gewaarwordingswereld van het kind datgene brengt wat in een levensperiode juist met de richting van de ontwikkelingskrachten samenvalt, dan versterkt men den wordenden mensch zoo, dat die versterking het heele leven door een bron van kracht blijft. Als men tegen de ontwikkelingsrichting in in een levensperiode te werk gaat, dan verzwakt men den mensch.

In de kennis van de bijzondere eischen van de levensperioden, ligt de grondslag voor een passend leerplan. Daarin ligt echter ook de grondslag voor de manier van behandelen van de leerstof in de opeenvolgende levensperioden.

Wanneer het kind zijn negende jaar voleindigd heeft, zal men het tot op zekere hoogte alles gebracht moeten hebben, wat door de cultuurontwikkeling in het menschelijk leven is ingestroomd. Men zal daarom juist de eerste schooljaren moeten gebruiken voor schrijf- en leesonderwijs; maar men zal dit onderwijs zoo moeten inrichten, dat het wezenlijke van de ontwikkeling in deze levensperiode tot zijn recht komt. Leert men de dingen zoo, dat eenzijdig intellect van het kind gebruikt wordt en een abstract opnemen van feiten nagestreefd wordt, dan verdort de wils- en gemoedsnatuur. Leert daarentegen het kind zoo, dat zijn geheele mensch aandeel heeft aan wat hij doet, dan ontwikkelt hij zich alzijdig. In het kinderlijke teekenen, ja zelfs in het primitieve schilderen ontvouwt de heele mensch een interesse voor wat hij doet. Men moet daarom het schrijven uit het teekenen laten ontstaan. Uit vormen, waarbij de naïeve kunstzin van het kind zich kan laten gelden, moet men de lettervormen ontwikkelen.

Uit een bezigheid, die den geheelen menseh tot zich trekt, doordat hij in het kunstvolle gaat moet men het schrijven ontwikkelen, dat dan tot het zinvol-intellectueele voert. En eerst uit het schrijven laat men het lezen ontstaan, dat de opmerkzaamheid sterk in het gebied van het intellectueele samentrekt.

Doorziet men, hoe sterk uit de kunstzinnige opvoeding van het kind het intellectueele te voorschijn te brengen is, dan zal men geneigd zijn, de kunst in de eerste schooljaren de haar toekomende plaats te geven.

Men zal de muzikale en ook de beeldende kunst de juiste plaats In het onderwijs moeten geven en met dit kunstvolle de juiste zorg voor lichaamsoefeningen verbinden. Men zal het gymnastische en de bewegingsspelen tot een uitdrukking van gevoelens maken, die opgewekt worden door muziek of recitatie. De eurhythmische, de zinvolle beweging, zal in de plaats komen van die bewegingen, die alleen op het anatomische en physiologische van het lichaam berusten. En men zal vinden, welke sterke wils- en gemoedsvormende kracht in het kunstvolle voeren van het onderwijs ligt. Werkelijk vruchtdragend zullen alleen zulke onderwijzers kunnen opvoeden en onderwijzen op de hier aangeduide manier, die door een diepindringende kennis van den mensch de samenhang doorzién, die bestaat tusschen hun methode en de zich openbarende ontwikkelingskraohten in een bepaalde levensperiode. Niet hij is werkelijk onderwijzer en opvoeder, die zich paedagogie heeft eigen gemaakt als wetenschap van de kinderbehandeling, maar hij, in wien de paedagoog ontwaakt is door ware menschenkennis. Van beteekenis voor de gemoedsvorming is, dat het kind voor de voleindiging van het negende levensjaar, zijn verhouding tot de wereld zóó ontwikkelt, als de mensch die wereld op phantasievoile manier wil uitbeelden. Als de opvoeder zelf geen phantast is, dan maakt hij ook het kind niet tot een phantast, wanneer hij in sprookjesachtige, fabelachtige of dergelijke voorstellingen de planten en dieren, de lucht- en sterrenwereld in het gemoed van het kind laat leven.

Wanneer men vanuit een materialistische gezindheid, het aanschouwelijk onderwijs, dat binnen bepaalde grenzen zeker gerechtvaardigd is, op al het mogelijke wil uitbreiden, dan schenkt men geen aandacht aan het feit, dat er in het menschelijk wezen ook krachten sluimeren, die niet door aanschouwing alleen ontwikkeld kunnen worden. Zoo staat het zuiver memoreeren van zekere dingen in verband met de ontwikkelingskrachten van het zesde of zevende tot het veertiende levensjaar. En op deze eigenschap van de menschelijke natuur moet het rekenonderwijs opgebouwd zijn. Dat kan juist gebruikt worden tot het oefenen van het geheugen. Slaat men daar niet voldoende acht op, dan zal men misschien juist in het rekenonderwijs, onpaedagogisch, het aanschouwelijke element de voorkeur geven boven het element, dat geheugen-vormend werkt.

In dezelfde fout kan men vervallen, wanneer men over de juiste maat heen, bij iedere gelegenheid angstig er op uit is, dat het kind alles moet begrijpen, wat men het leert. Aan dit streven ligt zeker een goede wil ten grondslag. Maar dan houdt men er geen rekening mee, wat het voor den mensch beteekent, wanneer hij op latere leeftijd in zijn ziel weer opwekt, wat hij vroeger alleen door het onthouden zich eigen gemaakt heeft, en nu vindt, dat hij door zijn verkregen rijpheid uit zichzelf tot een begrijpen is gekomen. Het zal echter noodig zijn, dat het zoo gevreesde gebrek aan belangstelling van het kind bij het uit het hoofd leeren van een leerstof, door de levendigheid van den onderwijzer wordt verhinderd. Staat de onderwijzer met zijn heele wezen in zijn werkkring, dan mag hij het kind ook dat bij brengen, waarvoor het pas op latere leeftijd tot zijn vreugde het volle begrip krijgt. En in dit verfrisschende nabeleven ligt dan steeds een versterking van de levensinhoud. Kan de onderwijzer voor zoo’n versterking werken, dan geeft hij het kind een onmetelijk groote schat mee op zijn levensweg. En hij zal dan ook vermijden, dat zijn „aanschouwelijk onderwijs” door een overmatig acht slaan op de begripswereld van het kind in banaliteit vervalt. Men mag dan rekening houden met de zelfwerkzaamheid van het kind, maar de vruchten daarvan zijn ongenietbaar geworden; de wekkende kracht, die het levende vuur van den onderwijzer in het kind doet ontvlammen bij dingen, die in zekeren zin nog boven zijn begrip gaan, is werkzaam door het heele leven heen.

Wanneer men met natuurbeschrijvingen uit de dieren- en plantenwereld begint na het voleindigde negende jaar en deze zoo geeft, dat uit de vormen en levensprocessen van de buitenmenschelijke wereld de menschelijke vorm en de levensverschijnselen van den mensch begrijpelijk worden, dan kan men die krachten in de leerling wekken, die in deze levensperiode, na het ontbonden zijn uit de diepten van het menschenwezen opkomen. Het komt overeen met het karakter, dat het ik-gevoel in deze levensperiode aanneemt, het dieren- en plantenrijk zoo aan te zien, dat, wat daarin aan eigenschappen en verrichtingen over vele soorten verdeeld is, in het menschenwezen als het hoogtepunt van de levende wereld in een harmonische eenheid zich openbaart.

Om en bij het twaalfde jaar is weer een keerpunt in de menschelijke ontwikkeling ingetreden. De mensch wordt dan rijp, die eigenschappen te ontwikkelen, waardoor hij op een, voor hem gunstige manier tot een inzicht komt, van dat gene, wat zonder betrekking tot den mensch opgevat moet worden: het minerale rijk, de physikale feitenwereld, de weersverschijnselen, enz.

Wanneer de leerling de school verlaat, behoeft men niet te vreezen, dat zijn ziele- en lichamelijke gesteldheid aan het gewone leven vreemd is geworden, indien men let op de innerlijke ontwikkeling, (zooals hierboven beschreven staat,) van het menschen-wezen en daaruit de opvoedings- en onderwijsprincipes afleidt. Want het menschelijke leven wordt zelf uit deze innerlijke ontwikkeling gevormd, en het best zal de mensch zich in het leven kunnen voegen, wanneer hij zijn aanleg zoodanig ontwikkeld heeft, dat die zich aan kan passen aan dat wat ontstaan is uit een gelijksoortige menschelijke aanleg, die door de cultuur gevormd is. Zeker, om de ontwikkeling van de leerling aan te sluiten aan de uiterlijke cultuurontwikkeling, heeft men onderwijskrachten noodig, die zich niet opsluiten met hun interesse in een bepaalde onderwijs-praktijk, maar die ook met al hun belangstelling in het cultuurleven staan. Zulke onderwijskrachten zullen de mogelijkheid vinden in de opgroeiende mensch een gevoel voor de geestelijke levensinhoud te wekken, maar niet minder een begrip voor de praktische vorming in het leven. Bij een zoodanige houding van het onderwijs zal de veertien- of vijftienjarige mensch niet vreemd staan tegenover het wezenlijke, wat vanuit landbouw, industrie, verkeer, het totaal leven van de menschheid dient. De inzichten en feitenkennis, die hij zich verworven heeft, zullen hem de mogelijkheid geven zich te oriënteeren in het leven, waarin hij komt.

1) Vertaling uit het artikel „Die padagogische Grundlage der Waldorf-schule” in het boek „In Ausführung der Dreigliederung des Sozialen Organismus” van Dr. Rudolf Steiner.

In Ausführung enz.’ is nu GA 24, daarinDie pädagogische Grundlage – niet vertaald.
Tevens werd dit artikel opgenomen in GA 298niet vertaald.  

.

Het kunstonderwijs op de ‘Vrije School’

Over het chemie-onderwijs in de achtste klasse

Het taalonderwijs in de laagste klasse

Beeld en ritme in het rekenonderwijs

Schoolfeesten

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

1858-1743

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – aardrijkskunde – zijde (1-2)

.
Herkomst artikel onbekend, 1995?

Door de luiken in de schuur valt wat licht. Het is er lauwwarm, geen zuchtje wind. Je hoort alleen een monotoon rats-rats. Als je er op let, groeit het uit tot bruut lawaai: rats-hap-rats-hap. Vretende zijderupsen. Emmers vol moerbeibladeren gaan er per dag doorheen. De zijderups heeft haast. Hij schranst zich naar tienduizendmaal zijn geboortegewicht alvorens ’t garen te spinnen waarmee hij zich verpopt tot leverancier van ’s werelds meest begeerde textiel. ’Soie’ heet het hier, want we zijn in Frankrijk.

Het is nog geen half uur rijden van een van Frankrijks meest gefotografeerde toeristisch trekpleisters.
Onder de boogbrug over de rivier de Ardèche ziet het in de zomermaanden blauw en geel van de kano’s die stroomversnellingen komen. Vroeger was de ’Pont d’Arc’ ’n knooppunt van handelswegen vanuit de bergen van de Cévennes naar Lyon. Op open karren en op de ruggen van Provenςaalse ezels ging kostbaar materiaal naar ateliers in de grote stad: zelf gewonnen en gesponnen garens van ’s werelds meest begeerde textielsoort, de natuurzijde.

Nevenprodukt Chinese zijderoute

Het Rhônedal ligt niet ver naar het oosten. Aan de andere zijde van het dal van de grote rivier spiegelt zich het landschap aan dat van de Cévennes en de Ardèche. De bergen van de Isère lopen af naar de wijngaarden en fruitbongerds van de Drôme. Een mooi landschap waarin zich vroeger een paar weken per jaar grote witte vlekken bewogen. Twee miljoen kilo ruwe zijde per jaar, dat betekent duizenden karren vol witte cocons op weg van kwekerij naar pellerij.

De ’magnanerie’ van Vallon-Pont-d’Arc is de laatste zijderupsenkwekerij in het departement Ardèche die nog in bedrijf is. Aan de andere oever van de Rhône zijn er nog drie operationeel. Een daarvan, die van Saillans, werkt volgens de modernste methodes. Niet alleen voor toeristen maar ook als een soort veredelingsbedrijf. De kwekerijen markeren een heuse ’Franse zijderoute’, waarlangs ook spinnerijen, weverijen, textielmusea en ateliers te vinden zijn. Voor de Fransen heeft de route cultuurhistorische waarde. Voor bezoekers van dit deel van Frankrijk vormt de ’Route de la Soie’ een ware ontdekkingsreis.

De Route de la Soie is een nevenproduct van de enige echte zijderoute waarlangs al sinds de Romeinse tijd Chinese zijde naar Europa werd gebracht. Over land reikte deze route van Peking tot Istanbul. De zijdeproductie is een Chinese vinding. De historie wil dat ruwweg vierduizend jaar geleden een Chinese prinses, theedrinkend onder een moerbeiboom, ruw gewekt werd uit haar zoete mijmeringen door de plons van iets dat uit de boom in haar kopje viel. Maar ze gilde niet, viste het ’iets’ uit de thee, onderzocht het als praktische dochter van haar volk en vond uit dat het nat geworden spinsel rond de cocon van ’Bombyx mory’, de zijderupsvlinder, losgemaakt kon worden en in draden kon worden gedraaid.

Zijde werd China’s grootste exportartikel. De soepele en sterke stof was het meestbegeerde materiaal voor kledingstukken in Azië, Europa en Arabisch Afrika.

Via Turkije naar Frankrijk

Al in de vroege middeleeuwen probeerden economisch denkende vorstenhuizen de zijde-industrie in eigen hand te nemen. Met uit China gesmokkelde eitjes werden in Turkije en later in Italië kwekerijen gestart. Halverwege de vijftiende eeuw bevorderde Koning Lodewijk XI de zijderupsteelt in Frankrijk.

De boeren wilden wel en de ondernemingsgeest van de Lyonezen maakte van het huidige Rhône-Alpes-gebied al snel het wereldcentrum van de zijde. Tot eind 19e eeuw zou dat zo blijven. Daarna haalden China en andere lage-lonenlanden de productie van de natuurvezel weer terug. Lyon verwerkt nog steeds natuurzijde in ateliers voor kleding, uniformen en kazuifels.

Van eitje tot rups en cocon, dan van spinnen tot weven, ze deden alles zelf in Frankrijk. Hun eindproduct was mooier dan China kon leveren. Ze aten er met tienduizenden van. Hertogen en koningen ontleenden prestige aan de zijde-industrie. De textielbaronnen in de zijdestad Lyon werden schatrijk. Rond 1840 beleefde de Franse zijde-industrie een hoogtepunt; alleen al in de Ardèche verdienden 15.000 mensen rechtstreeks hun brood met het kweken van cocons en het op spoel draaien van ruwe zijde.

Uit gouden tijden

Uit de gouden tijden resten in Lyon, de Ardèche, Drôme en Cévennes nog zoveel gebouwen, ateliers en kwekerijen, dat er fraaie reisroutes langs te maken zijn.

Alleen al om het landschap is de tocht de moeite waard. Het is een van de mooiste delen van Frankrijk. Soms heel toeristisch, zoals langs de Ardèche, maar dan alleen in het hoogseizoen. Meestal overheerst het beeld van heuvels, wijngaarden, kleine rivieren en oude dorpen. Per honderd meter hoogteverschil is er een compleet andere flora. Op 600 meter hoogte bloeit de brem nog in juli.

De Route de la Soie bestaat uit zeven ’etappes’, alle eindigend in Lyon. De voor Frankrijkreizigers meest interessante liggen in het zuiden. In Vinzieux in de Ardèche werkt een antieke spinnerij op waterkracht. De versleten lagers van de aandrijfmechanismen zorgen voor ontzettend lawaai.

De spinnerij van Chirols is ingericht als ’ecomuseum’ met een collectie oude machines waar de liefhebber van mechanische constructies van zal watertanden. Van Chirols afdalend langs de rivier naar vlakkere delen voel je de weelde van het klimaat dat de zijderups ook zo beviel. De zomers zijn lang, heet in de dalen maar koel in de heuvels.

Alom zie je onderweg boerderijen met hoge, smalle, in een boog eindigende ramen op de tweede verdieping. Deze vensters zorgden voor de constante temperatuur die de rupsen nodig hadden. Rupsen kweken was het werk van vrouwen, voor het pellen van de cocons waren rappe vingers en scherpe ogen van jonge meisjes nodig.

Een dergelijk beeld biedt ook de andere kant van het Rhônedal. Het zijdemuseum van Montboucher in het departement Drôme is eveneens een groot aantal oude machines rijk. Het is een eldorado voor liefhebbers van slimme constructies.

Even verder naar het zuiden ligt de ’magnanerie’ van Saillans, [  en  ] waar veel onderzoekswerk wordt verricht ten dienste van de zijderupsteelt in ontwikkelingslanden. Het intens boeiende verhaal van de Bombyx mory, de in de vrije natuur allang uitgestorven nachtvlinder, wordt daar met moderne audiovisuele middelen verteld. Zelfs op verzoek in het Nederlands.

Ook vinden we in Saillans een ruime proeftuin met vele varianten van de moerbeiboom, veelal ontwikkeld in Japan.

Lyon

Lyon is een verhaal apart. Frankrijks tweede en volgens velen meest onderschatte stad, bruist en blinkt een groot deel van het jaar. Het bezit een imposant modern deel en een prachtig onderhouden historische kern. Zijde wordt er in en rond Lyon nog wel gesponnen, maar dan uit kunstvezels. Duizenden slecht betaalde ’canuts’ woonden en werkten in het nog bestaande weverskwartier tegen de oostelijke heuvels. De smalle huizen met hun (vanwege de weefgetouwen) enorm hoge plafonds, worden de laatste jaren een voor een opgeknapt. Lyon krijgt er een originele woonwijk bij.

In de stad zelf zijn tal van ateliers bezig met het verwerken van zijde (thans vooral uit China, Japan, Brazilië en Afrikaanse landen) tot modieuze artikelen. Wij kennen de shawls ’t beste. In ’La Maison des Canuts’ weven ze nog op oude getouwen lappen zijde met de meest ingewikkelde patronen. Zijde als kunstobject tref je aan in de meeste Lyonese musea, maar vooral in ’Le Musee des Tissues’. Beschilderd, bedrukt, ingeweven, de techniek imponeert vaak, maar of het echt mooi is? Zelfs meesters op elk materiaal als Matisse wisten met zijde niet echt goed raad.

Documentatie.

In Frankrijk bestaat rijk geïllustreerde documentatie over de historie van de zijdecultuur en wat daarvan over is. In Nederland is een kleine selectie daaruit beschikbaar. Informatie kunt u aanvragen bij Maison de la France, Prinsengracht 670, 1017 KX Amsterdam.

Zijde (1-1)

Meer          meer

.

Aardrijkskunde 6e klasalle artikelen

Aardrijkskunde 7e klasalle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Schaatsen

Het komt nog weleens voor dat er ijs ligt en dat het voor de school of de leekracht een vraag is: ‘Wat doen we’.
Het schaatsen staat weer even ijn de belangstelling.
Wat goed dat je dan ale leerkracht van een hogere klas ook eens iets interessants kan vertellen over dit zo typisch Nedrlandse fenomeen.

Leerkracht Hans Haverkamp schreef er eens een artikel met interessante gezichtspunten over: 

Hans Haverkamp, in een schoolkrant, nadere gegeven onbekend

Eindelijk was het dan weer zo ver; ijs!

De kinderen zoeken voor schooltijd ieder bevroren plekje op. Als er een vijver vlak bij school ligt, dromt het vlak voor schooltijd van de kinderen, die in één rush naar school rennen als de bel gaat. Enthousiaste verhalen en vrolijk kijkende ogen te over.

De vraag rijst, of we nu als leraar weer moeten overgaan tot de orde van de dag, of dat we de kinderen toch zoveel mogelijk van de ijspret moeten laten genieten. En natuurlijk vragen we ons ook af of er nog een pedagogische waarde verbonden is aan de ijspret.

De school heeft 2 mogelijkheden; ijsvrij geven of met de klas(sen) in zijn geheel naar het ijs. En de school boft als er in de directe omgeving een schaatsgelegenheid is. Ook kunnen enkele enthousiaste leraren en/of een aantal enthousiaste ouders in de avonduren een ijsbaan sproeien op het schoolplein.

VII GHEOEFFENT DERF

Seneca schrijft in zijn Brieven,

Quem in ipsare trepidare volueris, ante rem exerceas.

Dat is:

Die ghy in eenige dingen wilt seecker ende vast doen gaen, die moet ghy daer in oeffenen terp eer’t in’t werck komt.

Ghelijck het ryden op schaetsen, dat is een glibberighe gladde gang; maer die’t wel kan: het doet dapper weghspoeden. En al hoe wel het licht om doen schijnt, soo isset nochtans swaer voor die eerst begint te leeren. Soo gheeft dit woordt te kennen, en raedt elck een, dat by hem in tijdts moet begheven tot leeren om in zijn ouderdom te gebruycken; en die de grondt van zijn professie niet en kan, die angt en hangt altijdt, en derf noch kan niet besluyten wat in een sake best ghedaen. of gheseyt is.

Ouders worden nu opeens geconfronteerd met het feit dat er geschikte schaatsen gevonden moeten worden. Vroeger – in het begin van deze eeuw nog, tot laten we zeggen einde Tweede Wereldoorlog – waren de eerste schaatsen die arme kinderen uit de plattelandsstreken kregen gewoon koeienrïbben of -schenkels. Je kon er goed op rondscharrelen, en ook wel mee glijden, met de wind in de rug, maar je moest oppassen niet zijwaarts weg te glijden. Toch moet ooit op deze wijze het schaatsen begonnen zijn; tal van vondsten van benen schaatsen getuigen daarvan.

We noemen ze echter geen schaatsen maar glijbenen. Op zo’n glijbeen was een breed rijvlak geslepen, dat meestal werd ingesmeerd met varkensreuzel om te verhinderen dat er zich tijdens het glijden bevroren druppeltjes aan zouden vasthechten. Vóór en achter werden een paar gaten geboord of een inkeping gemaakt waardoor men koorden kon trekken, waarmee de glijbenen onder de schoen konden worden gebonden. Maar het voortbewegen ging met behulp van stokken met ijzeren punten.

Uit het jaar 1180 dateert het volgende verhaal, geschreven door Fitzstephen, secretaris van de aartsbisschop Thomas a Beckett. De jonge burgers van de stad Londen gingen zich in die dagen in grote gezelschappen op het ijs vermaken, wanneer het grote moeras dat Moorfields bedekt, ten noorden van de stad, bevroren was.

’Sommigen die met grote stappen en de benen zo wijd mogelijk uiteenzettende gaan, glijden snel voorwaarts; anderen, beter geoefend op het ijs, bevestigen aan hun schoenen beenderen van de poten van sommige dieren en houden stokken in de hand, beslagen met een ijzeren punt, waarmee zij nu en dan tegen het ijs stoten; deze lieden gaan even snel als een vogel in de lucht of als een pijl uit een kruisboog.’

Tegenwoordig kopen we schaatsen of we gebruiken schaatsen die we lenen of die van oudere broers en zusjes geweest zijn. En hier blijkt dat de overdaad die onze tijd biedt, weer zijn eigen problemen heeft. Welke schaatsen zal ik voor mijn kind nemen?

Deze vraag is mij als klassenleraar vele malen gesteld, en die is ook aanleiding geweest om me met dit onderwerp dieper bezig te houden. Vandaar ook dat ik hierboven beschreven heb hoe primitief’ dat vroeger ging met die koeienribben. Voor ieder kind is die eerste keer op de schaats niet eenvoudig. De een heeft het echter snel onder de knie, de ander doet het voor zijn leven niet meer. Toch kan vooral de keuze van de schaats van belang zijn voor het al dan niet welslagen,

Als ik kinderen op schaatsen zie, kijk ik vooral ook naar de stand van de enkel. En je ziet soms kinderen met enorm doorgezwikte enkels lange tijd op het ijs. Hoe hoger het zwaartepunt is, hoe meer kans op doorzwikken van de enkel, met kans op scheuren of uitrekken van de enkeIbanden, met als gevolg voor het leven een zwakke enkel. Dus; kies schaatsen die zo laag mogelijk zijn. Voor kinderen van 4-6 jaar bijvoorbeeld de zogenaamde Brabantse Klompjes, ook wel botjes genoemd, die niet onder de schoen uitsteken, Liever te korte, dan te lange schaatsen. En liever geen schaatsen met schoenen er aan vast, omdat het dlrecte contact met het ijs daardoor bemoeilijkt wordt, (zwaartepunt te hoog, ijzer te lang).

Maar dan daarna, als we het schaatsen een beetje beheersen, dan kunnen we toch wel die mooie schaatsen kopen? Natuurlijk. Maar laten we eens gaan kijken wat er voor types zijn.

XXIV HET MIST EEN MEESTER ‘WEL

Het is niet nieuws inde plaetsen daer men ghewoon is Schaetsen te ghebruycken, dat een Man valt, soo hy de moet heeft, dat hy weder op staet, en gaet zijn gangh oft niet gheschiedt en waer; daer men mede te verstaen wil gheven, dat niemand haest om een kleyn ongheval den moet verliesen sal, het zy in zijn Rijckdom, in zijn Reeckeninghe, in zijn Ridderlijcke daden, in zijn Amoreusheden, dan moet met den Alchimist dencken: noch eens sal ick dat gaen beghinnen, per avontuere sal’t dan wel zijn gheraeckt; ende soo het weder den selven gangh gaet, moet men de plaetse veranderen ende soecken onbekende lieden, daer de kloeken een andere klanek gheven.

We kennen de Friese Doorloper, een beroemde schaats, maar we zien hem haast niet meer op de ijsbaan en waarom hij zo heet weet ook haast niemand meer. De Doorloper ontstond pas na 1880 uit de Fries Schaats.

Tot 1640 zien we dat onze voorvaderen vrijwel zonder uitzondering op een en dezelfde soort schaats rijden: het ijzer eindigt onder de hak en loopt van voren zeer hoog op als de snebbe van een gondel. (Zie schilderijen en tekeningen van Hendrik Avercamp en Pieter Brueghel en de beide afbeeldingen uit de Sinnepoppen van Roemer Visscher uit 1620). De rijders staan nog rechtop en leunen zelfs licht achterover: het is meer zwieren dan rechtuit rijden.

Na 1640 beginnen de schaatsen op de bekende Friese schaats van vóór 1880 te lijken. Er treedt dan ook een onderscheid op tussen de Hollandse en de Friese schaats. Het enige verschil was dat bij de Hollandse schaats de hals niet met hout bekleed was en dat de schenkel – het schaatsijzer – wat breder was en iets ronder geslepen werd dan bij de Friese schaats. De Hollander hield kennelijk meer van zwieren dan de Fries, die er vooral van hield om lange afstanden af te leggen.

Een heel beroemd schaatsenrijder uit de oude tijd is Pieter Koopman geweest, burgemeester van Bolsward, die in januari 1763 op één dag van Den Haag naar Leeuwarden reed om een brief van Stadhouder Willem IV aan “Marijke Meu”, zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, die in het Princessehof te Leeuwarden resideerde, te overhandigen. Een stevige schaatstocht, alleen te volbrengen op rechte Friese schaatsen, en als het ijs tussen Enkhuizen en Stavoren betrouwbaar en goed te berijden is!

Pas omstreeks 1880 kreeg de Friese schaats, die toen in geheel Nederland gebruikt werd allerlei nieuwe gedaanten: men begon het ijzer te verlengen en zo ontstond de beroemde Friese Doorloper, waarbij de hals minder hoog werd gemaakt en het lange ijzer vóór de tenen en achter de hakken meer ijs hield. De rijder krijgt zodoende een groter steunpunt, waardoor de afzet krachtiger kan worden en de streek langer.

Toen dit model er was ging men aan het verbeteren, waarbij twee pioniers van de Nederlandse Schaatssport, mr. J. van Buttingha Wichers en Baron de Salis, zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. Men bracht het schaatshout in de vorm van de voetzool en bedacht een manier, waardoor de schaats zo stevig mogelijk aan de schoen kon worden bevestigd (riemen en banden). Zo ontstond de Wichers-de-Salis-schaats, die tenslotte uitgroeide tot een prachtige tochtenschaats en pas de laatste 25 jaar geheel verdreven is door – eerst de houten Noren – en nu door de ijzeren noren, de schaatsen met schoenen.

Maar niet iedereen wil tochten schaatsen. De een wil zwieren, de ander ijshockeyen, een derde wil springen en draaien. De beroemde 4 temperamenten hebben zich ook vertaald in 4 schaatsvormen:

cholerisch – ijshockeyschaats (met stoere zwart/rode schoen)
sanguinisch – kunstschaats (met mooie witte schoen)
flegmatisch – de schoonrijdschaats (nog een zeldzaamheid)

melancholisch – de rechte schaats (noren).

Maar zelfs in de rechte schaats vinden we de vier temperamenten weer terug, vooral als we naar de wedstrijden kijken: het Europees en Wereldkampioenschap All Round Schaatsen:

cholerisch – 500 m.
sanguinisch – 1.500 m.
flegmatisch – 5.000 m. (bij dames 3000 m.)
melancholisch – 10.000 m. {bij dames 5000 m.)

En zo kunnen we naar onze kinderen kijken als we met hen naar het ijs gaan. Meisjes willen graag kunstschaatsen, jongens willen graag ijshockeyschaatsen. De rechte schaatsen zijn bij jongens en meisjes beide in trek en schoonrijdschaats (of rondrijschaats) was juist bij uitstek, geschikt om met paren te berijden. Zodat we zien:

jongens (mannen) – ijshockeyschaats
meisjes (vrouwen) – kunstschaats
paren – schoonrijdschaats of kunstschaats
jongens en meisjes (mannen en vrouwen) – rechte schaats.

Tenslotte nog dit. Welke schaats we ook onder hebben, we hebben een andere verhouding tot de wereld zodra we op het ijs staan. Eén lichte beweging met één been en we glijden op ons gemak naar de overkant van de baan. De fysieke wereld is verdwenen: we bevinden ons in de etherwereld, dat is de wereld van de levenskrachten, en het schaatsenrijden werd al door de secretaris van Thomas a Beckett in 1180 vergeleken met de vlucht van een vogel of met die van een pijl uit een kruisboog. Ook valt te denken aan de bewegingen der vissen, die met één staartbeweging vooruitschieten.

En als we dit gewaarworden ontdekken we dat onze zintuigen een belangrijke rol spelen. Schaatsenrijden is in de eerste plaats een gewaarwording van de Levenszin, die ons vertelt of we het naar onze zin hebben of juist niet. We leren onze Tastzin kennen wanneer we het schaatsenrijden beginnen te leren, maar ook iedere keer wanneer we een baan. gaan proberen. Zijn we eenmaal bezig dan is het de Bewegingszin die geoefend wordt (we hoeven niet meer iedere keer bij iedere beweging na te denken). Tenslotte is het onze Evenwichtszin, zowel letterlijk overeind blijven of vallen, als figuurlijk: ben ik in staat om nog zo’n stuk te rijden of moet ik hier stoppen, die we aanspreken.

Deze vier zintuigen worden door Rudolf Steiner de Wilszintuigen genoemd, en iedere vrijeschoolleraar weet dat deze vier zintuigen de basis vormen voor al het leren. Met name in de eerste 7 jaar moeten deze vier zintuigen geoefend worden, maar in onze tijd gebeurt dit (o.a. door onze moderne techniek) veel te weinig. Door te schaatsen komen ze alle vier aan bod, worden ze extra “gescherpt”, zoals we ook steeds onze schaatsen moeten scherpen.

Bovendien: de hele mens wordt aangesproken, en dat is lang niet bij alle sporten het geval. De vier zintuigen waarover ik het had hebben een relatie tot de vier wezensdelen: fysiek lichaam – etherlichaam (levenslichaam) – astraal lichaam (gevaar-wordingslichaam) en Ik. Maar alle 12 zintuigen hebben dat. Naast de vier wilszintuigen onderscheiden we ook nog vier gevoelszintuigen en vier denkzintuigen. Eerst een overzicht:

Schaatsenrijden is bij uitstek het gebied van het Etherlichaam: de Levenszin, de Smaakzin en de Taalzin worden hier geoefend. Vind ik het fijn of niet fijn (levenszin) ? Zijn mijn schaatsen mooi en zitten ze ook echt lekker (smaakzin)? Rijd ik een rechte of een scheve schaats (taalzin)?

Natuurlijk is hier nog veel over te zeggen, maar ik hoop dat het voor ouders en leraren genoeg is om zelf verder de juiste stappen te zetten. En, o ja! voor de 3e klas interessant: de schaatsenmaker (oude ambachten). Of is het iets dat je zelfs in de 4e t/m 12e klas nog met veel interesse kunt brengen. Als literatuur aanbevolen (misschien nog wel hier en daar in een bibliotheek) H.J. Loomans Op glad ijs (1948), opgedragen aan Kees Broekman.

.

zintuigen: alle artikelen

.

1831-1717

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-5)

.

In het tijdschrift Jonas (eind jaren 1960 tot 2006) verschenen regelmatig artikelen over politiek tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Met name Arnold Henny schreef deze artikelen.

Hoewel uiterlijke omstandigheden, data e.d. aan die tijd zijn gebonden, spreekt uit de artikelen vaak een visie die de nu ruim 40, 50 jaar verstreken tijd heeft doorstaan en eigenlijk nog steeds actueel zijn.

Wat er van deze politieke artikelen nog in mijn bezit is, zal ik op deze blog publiceren.

Arnold Henny, Jonas 4, 18-10-1985

Het spook van de geleende miljarden

Het woord moneta dat in Italië geld betekent, is afkomstig van Juno Moneta, de Romeinse godin, in wier tempel de eerste munten werden geslagen. Het Duitse woord Münze – Nederlands: munt – herinnert nog beter aan deze eerste muntstukken.
De afbeelding die op deze Romeinse munten prijkte is minder bekend: de godin met in de ene hand een hoorn des overvloeds en in de andere hand een weegschaal. Het woord moneta is waarschijnlijk afkomstig van het werkwoord monere, dat vermanen betekent. Zo zouden de hoorn des overvloeds en de weegschaal op zichzelf reeds een ‘vermaning’ kunnen inhouden.
Immers, is geld voor de individuele burger niet een grondslag voor rijkdom en welvaart en is anderzijds, vanuit het belang van de samenleving gezien, de juiste vorm van ‘omgaan met geld’ niet een aangelegenheid van evenwicht tussen inkomsten en uitgaven?
Daarmee heeft niet alleen de huisvrouw te maken bij het hanteren van het huishoudboekje maar ook iedere minister van Financiën bij de besturing van het staatsbudget. Dat men zich tegenwoordig weinig meer gelegen laat liggen aan de wijze vermaningen van de godin Juno blijkt onder andere uit de gigantische schuldenlast van 700 miljard dollar van vele ontwikkelingslanden. En niet alleen die van de ontwikkelingslanden. Ook de Verenigde Staten hebben tegenwoordig een begrotingstekort – het verschil tussen inkomsten en uitgaven – van 200 miljard dollar met daarnaast een tekort op de betalingsbalans – verschil tussen invoer en uitvoer – van 100 miljard dollar.

Dit gebeurt omdat de wereldhuishouding van andere wetmatigheden uitgaat dan de gezinshuishouding. Economen in de USA beweren zelfs dat de USA met deze schuldenlast de wereld uit de economische depressie trekt. Met deze schulden wordt niet alleen koopkracht gestimuleerd, maar ontstaan ook investeringsmogelijkheden, waardoor arbeid en de productiviteit worden gestimuleerd.
Bron van nieuwe rijkdom, als tegenhanger van de schuldenlast.
De vraag of deze schulden zullen worden terugbetaald is daarmee nog niét opgelost. Welke risico’s worden hiermee genomen? Men stelle zich dit even concreet voor: 200 miljard dollar. Een stapel bankbiljetten van 1000 dollar… 20 kilometer hoog, vier maal de Mont Blanc! Welke waarde vertegenwoordigt al dit papiergeld nog, afgezien van het giraalgeld, waarmee de meeste van deze schulden worden gefinancierd?

Aan de andere kant kan men zich afvragen: hoe staat het met de ‘zekerheid’ die het muntgeld – in de vorm van goud of zilver -verschaft? De waarde van het goud is de laatste vijf jaar allerminst stabiel gebleken. In 1980 was de prijs van een ounce goud (31 gram) 800 dollar, (sterk beïnvloed door de inval van de Russen in Afghanistan). Drie jaar later – 1982 – was die prijs gedaald tot 300 dollar. Thans – maart 1985 – is zij 288 dollar. Toch kan niet worden gezegd, dat belegging in goud weinig zekerheid biedt. Wie in 1970 een kilogram goud kocht, moest daarvoor 5000 gulden betalen. Nu, vijftien jaar later, kan men deze zelfde hoeveelheid goud verkopen voor 36000 gulden: een waardevermeerdering van ongeveer 700 procent. Daartegenover staat een waardevermeerdering van aandelen gedurende die zelfde tijd van 200 procent.

De waarde van het goud is niet meer stabiel zoals dat honderd jaar geleden, in het tijdperk van de vrijhandel en de gouden standaard, het geval was. Destijds was het goud de regulator van het internationale handelsverkeer. Gouden munten – en ook papiergeld – waren inwisselbaar tegen goudstaafjes die werden verscheept van het ene land naar het andere land wanneer de betalingsbalans uit zijn evenwicht raakte, doordat een land meer goederen en diensten invoerde dan het uitvoerde. Het ‘verschil’ werd in plaats van met wissels (in goud) in goud betaald aan de landen die in de omgekeerde positie verkeerden. Zo functioneerde het goud niet alleen als regulator maar ook als hogere intelligentie in de vrije marktverhoudingen van het liberale tijdperk. Schijnbaar automatisch regelde het goud buiten de mensen om het prijsniveau van goederen, diensten, kapitaal en arbeid. Het bracht evenwicht en orde in het internationale handelsverkeer, maar kende ook nadelen. Zo bleef de groei van de wereldhandel en wereldproductie afhankelijk van een beperkte hoeveelheid metaal. Dat bleek toen er nieuwe goudvelden werden ontdekt en de groei van de wereldhandel zich aan deze vermeerdering van goudproductie aanpaste. Een tijd lang kreeg de wereldhandel bepaalde injecties door deze vermeerdering (in Californië, Zuid Afrika, Australië en Canada), maar het klopte toch niet dat de groei van de wereldeconomie en welvaart afhankelijk bleef van een toevallige goudvondst. Men ging zich afvragen of het goud nog wel acceptabel was als autoriteit. Werd het geen tijd voor onttroning?

Barbaarse relikwie

Het onttronen van het goud heeft zich geleidelijk voltrokken en kwam pas in de twintigste eeuw tot stand. Na het tijdperk van de ‘gouden standaard’ kwam het tijdperk van de ‘goudwissel standaard’, daarna dat van de ‘gouden insolvente standaard’. Naast het goud is men ook internationale valuta gaan accepteren als dekkingsmateriaal voor geld. Niet door goudverschepingen, maar door restricties in het deviezenverkeer en belemmeringen van import en export heeft men het evenwicht in de betalingsbalans in stand willen houden. De vrije economie maakte plaats voor een meer geleide economie.

Vóór de Tweede Wereldoorlog heeft een tijdlang het pond sterling de rol van het goud vervuld. Met ponden kon men goederen kopen. De waarde van deze ponden is echter niet alleen afhankelijk van de waarde van het goud, maar ook van goederen. Vormen goederen geen betere monetaire basis dan goud? Deze vraag werd vóór de oorlog gesteld door Irving Fischer en Gustav Cassel. Niemand minder dan de Britse econoom Keynes noemde het goud een ‘barbaarse relikwie, overgehouden uit de dagen dat de mensheid zich afbeulde voor goud, zwendelde, oorlog voerde en er voor stierf’.
Keynes zei dit tijdens de economische crisis (1930) die hij als een vertrouwenscrisis zag waar menselijke arbeid niet productief kon worden gemaakt, doordat het geldstelsel volledig versleten was. In 1944, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, kwamen onder leiding van Keynes de verdragen van Bretton Woods tot stand. Wanneer het aan Keynes had gelegen was de monetaire rol van het goud als internationaal betaalmiddel toen al onttroond. Echter niet Engeland maar de Verenigde Staten zouden in de komende jaren de belangrijkste rol spelen op het gebied van de internationale economische betrekkingen. Niet een Pax Brittannica, maar een Pax Atlantica werd de waarborg voor de waardevastheid van het geld en de groei van de economische welvaart. Bovendien beschikten de Amerikanen na de Tweede Wereldoorlog over aanzienlijke monetaire reserves aan goud. Met de komst van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling kon nu langs internationale weg de gelijkheid tussen wisselkoersen worden gehandhaafd. Niet onafhankelijkheid maar wederzijdse afhankelijkheid werd belangrijk voor het economische leven.

Het goud als zonne-metaal

In de oudheid is het goud altijd in verband gezien met het licht van de zon. De Perzen vereerden in de onmetelijke zonne-aura de zonnegod Ahura Mazdao of Ormuzd. Het goud, in het Latijn aurum was nog een aardse afspiegeling van de kosmische zonnekracht.

Later, wanneer de eerste gouden munten in Lydië in omloop worden gebracht – ongeveer 600 voor Christus – is hiermee nog steeds een sacraal element verbonden. In Athene prijkt op de munten onder andere de uil van Pallas Athene; in het rijk van Alexander de Grote de afbeelding van Heracles van wie Alexander meende af te stammen. Ook in het Romeinse rijk had de beeltenis van de keizer die later de beeltenis van Juno Moneta vervangt nog een sacrale betekenis. De adelaar verbeeldde de apotheose van de keizer na zijn dood. Een munt was hierdoor niet alleen betaalmiddel maar tevens ‘monument’ dat propaganda vormde voor het begenadigde keizerschap. Het goud was geld geworden en niet meer offermateriaal voor de tempel. Men kon er van alles voor kopen: slaven, grond en levensmiddelen. Het goud is niet aan slijtage en bederf onderhevig en daardoor is het begerenswaardiger dan andere vergankelijke aardse goederen. Met deze ‘zondeval’ van het goud hangt ook de begeerte samen die het goud bij mensen oproept.

Zo ontstaat in de Germaanse mythe de voorstelling van de ‘vloek’ van het goud die rust op allen die door hun begeerte zich van het goud meester maken. Het is het drama uitgebeeld in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’: de met de reuzen strijdende ‘Asen’, die verzoeningsgeld moeten opbrengen en met behulp van Loki, de Germaanse Lucifer en de dwerg Alberich (in de Edda Andwari) het ‘Rheingold’ weten te bemachtigen. Slechts een gouden ring wil Alberich voor zichzelf houden, maar ook deze eist Loki op. Dan spreekt Alberich de vloek uit over ieder die deze ring zal begeren. Daarmee is het lot beslist, niet alleen van de góden die zullen verzinken in de ‘Götterdammerung’,[godenschemering] maar ook van de helden in wier macht de ring geraakt. De vloek van het goud dat als zonnemetaal in de macht van begeerte en hebzucht valt wordt dan een tragisch motief in de ontwikkeling van de mensheid.

Wanneer de Spanjaarden onder Cortez en Pizarro in de zestiende eeuw Mexico en Peru veroveren, zal de ‘vloek’ over het bezit van goud pas goed zijn fatale rol gaan spelen. In 1519 vindt de ‘noche tristo’, de treurigste nacht in de Spaanse geschiedenis plaats. De Spanjaarden maakten zich meester van Montezuma, de als een god vereerde vorst der Azteken. Eerst probeerde hij de binnendringende vreemdelingen vreedzaam te laten wegtrekken door hen geschenken te geven. Maar juist deze geschenken riepen bij de Spanjaarden de gouddorst op. Zij namen Montezuma gevangen, waarop zijn krijgslieden een bloedbad aanrichtten onder de Spanjaarden. Desondanks kon Cortez twee jaar later de verovering van Mexico aan de Spaanse koning melden.

Sinds dat moment stroomt een vloed van goud en zilver vanuit het westen Europa binnen. Daarmee vond het bekende inflatieproces plaats, zonder dat de bevolking dit besefte: de verhoging van het prijspeil dat diep ingreep in de menselijke verhoudingen. De boeren merkten tot hun verbazing dat de slechte graanoogst hen méér goudstukken opleverde dan de goede oogst van een paar jaar tevoren. Ook de landheren konden met de vastgestelde pachtsom minder goederen kopen dan enkele jaren tevoren. Daarmee komt een ‘vervreemdingsproces’ op gang: de verhoudingen tussen mensen onderling worden verstoord door een prijsvorming die zich buiten de mens om lijkt te voltrekken. Geld wordt een onpersoonlijke kracht die als een sluier menselijke verhoudingen toedekt. Het denken in goederen die mensen voor elkaar voortbrengen en met elkaar ruilen, verandert meer en meer in ‘denken in geld’. Marx beschrijft deze vervreemding later als volgt: ‘Das Geld verwandelt die Treue in Untrue, die Liebe in Hass, den Blödsinn in Verstand, den Verstand in Blödsinn. Da das Geld als existierende und sich betätigende Begriff des Wertes alle Dinge verwechselt, vertauscht, so ist es die allgemeine Verwechslung und Vertauschung aller Dinge, aller natürlichen und menschlichen Qualitaten’ (Nationalökonomie und Philosophie).

Verleidingen

Het geld emancipeerde langzaam uit de macht van het goud en zilver. Uit het muntgeld dat eeuwenlang de enige vorm is geweest, waarin het geld circuleerde, heeft zich het papiergeld losgemaakt. De eerste bankbiljetten werden in Europa uitgegeven door de in 1694 gestichte Bank of England tijdens de regering van de koning-stadhouder Willem III. Daarbij was nog het uitgangspunt dat ‘al het geld, waarvan de werkelijke waarde niet in overeenstemming is met de nominale waarde, waarvan de uitgave dus niet berust op credit van goud en zilver, vals en aangemaakt is’. ‘Credit van goud en zilver’; papiergeld dus, gebaseerd op de waardevastheid van goud en zilver.

In Frankrijk blijkt zo’n 24 jaar later welke verleidingen dit papiergeld met zich meebracht. In 1718 liet John Law als leider van de staatsbank in Frankrijk papiergeld drukken. Ook dit papiergeld was door goud gedekt. Alleen bevond dat goud zich niet in de kelders van de bank maar moest het nog opgegraven worden uit de grond van Louisiana in Amerika. Daarop berustte ook de truc die Goethe in Faust II zijn Mefistofeles laat uithalen om de berooide schatkist van de keizer te vullen:

‘Zu wissen sei es jedem, der’s begehrt Der Zettel hier ist tausend Kronen wert. Ihm liegt gesichert als gewisses Pfand Unzahl vergrab’nen Guts im Kaiserland.’

Een volgende ‘Stufe’ in het emancipatieproces van geld was de eveneens in Frankrijk tijdens de revolutie plaatsvindende uitgave van papiergeld, ditmaal niet gedekt door goud maar door landgoederen, die de staat had geconfisceerd van de kerk. De staat betaalde met dit geld bijvoorbeeld uniformen en kanonnen. Zo circuleerde het onder het volk. Van de textielarbeider en ijzergieter kwamen ze, via de bakker en de molenaar tenslotte bij de boer terecht. De boer kocht daarmee van de staat het kerkelijk landgoed waarop hij zijn hele leven had gevlast. En zo kwam het papiergeld weer terug bij zijn oorsprong. Wanneer de staat daarna het papier had vernietigd was er geen enkel onheil geschied. Maar zij schafte met hetzelfde geld nieuwe goederen aan, waardoor de inflatie – met als gevolg geldontwaarding – op gang kwam. Het is een illustratie van de ‘kringloop’ van het geld door de samenleving heen, een kringloop die reeds vroeger beschreven was door de lijfarts van Madame de Pompadour, De Quesnay in zijn Tableau economique. Geldcirculatie en bloedsomloop worden in dit boek met elkaar in verband gebracht.

Spookgestalte

Daarmee zijn wij weer terug bij ons uitgangspunt. Enerzijds biedt geld zekerheid maar ook vormt het in de vorm van crediet een vertrouwensbasis voor economsiche groei. In mondiaal verband krijgen wij dan te maken met het schuldenprobleem van de arme, zogenaamde ontwikkelings- en Oostbloklanden die voor honderden miljarden dollars in de schuld staan bij de rijke landen. Alleen al de Zuidamerikaanse landen hebben een schuld van meer dan 300 miljard dollar. Waardoor is deze schuldenlast zo opgelopen? Waarom hebben banken deze credieten verstrekt? Dat heeft te maken met de oliedollars, de enorme inkomsten van de olielanden in het Midden-Oosten. Nadat eerst in 1973 de prijs van de olie met 400 procent werd verhoogd en nog eens tot 1700 procent in 1979, kwamen enorme bedragen dollars beschikbaar uit de betaling door de industrielanden voor geïmporteerde olie uit de olielanden. Een groot deel daarvan werd hier in het westen bij banken uitgezet en deze leenden tegen zeer hoge rente dit overschot weer uit aan de ontwikkelingslanden. Door de combinatie van hoge olieprijzen die het Midden-Oosten het westen oplegt en de zeer hoge rente die Noord-Amerika het zuiden oplegt, ontstond het begin van de huidige spookgestalte van de niet terugbetaalbare leningen van de ontwikkelingslanden.

Destijds verwachtte men nog dat de groei van de wereldeconomie zich voorlopig nog wel zou voortzetten. Brazilië leek het land van de toekomst met een gemiddelde groei van 10 procent per jaar. Mexico teerde op de inkomsten van zijn olie, waarvan de prijs zich aan die van de dollar en van de olie uit het Midden-Oosten aanpaste. Chili exporteerde koper, een grondstof waaraan in het buitenland steeds meer behoefte zou ontstaan. Daarenboven zou de waarde van al deze grondstoffen steeds toenemen, naarmate door de technologische ontwikkeling in de Verenigde Staten en Europa, de vraag naar grondstoffen groter wordt. Immers, ook de verhoging van de olieprijs in het Midden-Oosten – afgezien van kartelvorming (OPEC) en oorlog tussen Israël en Egypte – was voornamelijk te danken aan de toename van de luchtvaart en de autopoductie in Noord-Amerika, Frankrijk en West-Duitsland. Door iedere perfectionering in het produktiepro-ces ontstond een ‘toegevoegde waarde’ van deze grondstoffen, onafhankelijk of zij zich nog in de grond bevinden of dat zij reeds in het productieproces zijn ingeschakeld. Vooral het vertrouwen in deze ‘toegevoegde waarde’ maakt debiteurlanden, die over grondstoffen beschikken credietwaardig. Is niet het woord ‘crediet’ afgeleid van het Latijnse credere, dat vertrouwen betekent? Schulden maken op macro-economisch niveau is immers niet het zelfde als schulden maken op micro-economisch niveau: wie als huisvader niet zorgt dat zijn uitgaven gedekt worden door inkomsten, loopt het risico failliet te worden verklaard. Kan ook een staat failliet worden verklaard? Juridisch gezien is dit nauwelijks mogelijk. Economisch gezien betekent het dat de crediteur evenveel schade lijdt als de debiteur. Daarmee is de situatie van wederzijdse afhankelijkheid op internationaal niveau als probleem wel aangegeven maar nog niet opgelost. In werkelijkheid berust de wederzijdse afhankelijkheid tussen rijke en arme landen op de tegenstelling tussen ‘geestelijke creativiteit’ van de rijke landen en de ‘productivitiet van de natuur’ van de arme landen. Beide kunnen in wereldeconomisch verband niet buiten elkaar.

Schenking

Wat is er gebeurd met de ‘toegevoegde waarde’ waaruit uiteindelijk de stroom van oliedollars is ontstaan? De toegevoegde waarde kan op drie verschillende manieren worden besteed: als koopgeld, als spaargeld en als schenkgeld. En dat gebeurt ook. Al deze dollars worden voor een deel ‘belegd’ in onroerend goed, bijvoorbeeld in hotels in Londen, of in goud of in andere zakelijke zekerheden. Voor een deel worden zij geleend aan banken met als gevolg credietinflatie, waardoor het gehele internationale betalingsverkeer in de war dreigt te lopen. De meest ‘organische’ vorm van besteding zou zijn dat zij terugvloeien naar dat gebied waar zij hun waarde aan te danken hebben, dat wil zeggen hun oorsprong: de geestelijke creativiteit, waaraan alle technische vernieuwing is te danken. In een bepaald opzicht is dit ook het geval wanneer deskundigen – geleerden, ingenieurs, researchspecialisten – naar het Midden-Oosten worden aangetrokken om daar niet alleen het productieproces tot nieuw leven te brengen, maar ook bij te dragen aan onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen. Daarbij kan dan de financiering van het geestesleven worden gezien als een vorm van ‘schenking’ waardoor ‘toegevoegde waarde’ terugvloeit naar zijn oorsprong. Dit laatste geschiedt echter nauwelijks. Het grootste deel van de oliedollars waart rond in de vorm van leningen die pas na zeer lange tijd of misschien wel nooit zullen worden terugbetaald.

Voorlopig is men er nog niet aan toe de financiering van het geestesleven als een vorm van schenking – of, zo men wil, afschrijving – te zien. Hoogstens als een vorm van gedwongen schenking via de fiscus. Misschien dat inzicht in het internationale schuldenprobleem en een nieuwe visie op de ‘kringloop van het geld’, een stap is naar het inzicht hoe koopgeld, leengeld en schenkingsgeld samenhangen. Is de ‘grote depressie’ uit de jaren dertig niet aanleiding geweest voor een complete revolutie van economische opvattingen?
.

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1830-1716

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof (4)

.

S.Kaiser en I.v.Schmidt, Erziehungskunst, 56 jrg. nr. 12, 1992

.

DE VERTELSTOF OP DE VRIJESCHOOL VAN DE 1E TOT DE 8E KLAS

In het dagelijkse periode-onderwijs van de klassenleraar neemt de vertelstof een belangrijke plaats in.* Met de schoolrijpheid ontstaat bij het kind de behoefte zich met de psychisch-mentale [seelisch-geistigen] stroom, die de mensheid door de eeuwen en de millennia verder heeft gebracht, te verbinden. Het bewustzijn van de mens heeft zich trapsgewijs ontwikkeld en is veranderd, waarbij niet alleen maar nieuwe inzichten werden gewonnen, maar ook oude vermogens verloren gingen.
Pas nu, bijv. zijn we in staat met ons intellect elektronische apparatuur uit te denken, terwijl oude culturen een bewustzijn hadden van de werking van de sterren, die wij pas nu weer met moeite ons op een ander niveau eigen moeten maken.

Ook de verschillende stappen in de ontwikkeling van kind naar volwassene zijn bewustzijnsstappen. Daaruit komen verscheidene behoeften voort op mentaal-psychisch vlak en mogelijkheden tot begrijpen, waaraan het leerplan van een vrijeschool tegemoet probeert te komen. Ook de keuze van de vertelstof richt zich op het openstaan en de innerlijke ‘honger’ van de kinderen en de jeugd. Er is een ‘sprookjesleeftijd’ en aan de andere kant jaren waarin de biografieën van eigentijdse onderzoekers erg interessant worden gevonden.

Door de verhalen die aan de leeftijd zijn aangepast, geeft de leerkracht de leerlingen een fundamentele hulp die hen uiteindelijk met de puberteit moet leiden naar het begrijpen van onze huidige cultuur- en beschavingsomstandigheden. Afhankelijk van plaats en taal van het onderwijs vraagt de keuze van de vertelstof een zinvol aanpassen aan de gegevenheden van de cultuur.

De juist gekozen en vanuit het hart gesproken vertelling vindt onmiddellijk toegang tot de ziel van het kind. Door het natuurlijke medium van de spraak die de menselijke persoonlijkheid openbaart, worden bij de leerlingen levendige beelden gewekt. Levendige beelden kunnen zich veranderen en maken in de loop van de ontwikkeling van een kind tot volwassene vele metamorfosen door. De vertelstof wordt daardoor voor het kind een hulp bij de ontwikkeling van zijn gevoelsleven. Vanuit hun natuur hebben kinderen honger naar innerlijke beelden. Het is daarom niet zo verwonderlijk, wanneer ze het verteldeel van het periodeonderwijs heel fijn vinden. Terwijl aan het begin van de twee uren (hoofdonderwijs) spreken en muziek op de voorgrond staan en daarna het mondeling en schriftelijk werk de nodige wakkerheid wekt, mogen de kinderen aan het eind zich weer laten meenemen op de stroom van de vervolgvertelling van de leerkracht. Dit vormt in het hoofdonderwijs het rustig, beschouwende element en heeft de kracht de door het leren wat drukker geworden leerling weer tot rust te brengen. Om het verhaal in de kinderziel levendige beelden te laten oproepen, moet de opvoeder in zijn voorbereiding die beeldscheppende activiteit van tevoren goed voor zich zien. Al oefenend groeit de leraar ernaar toe een sprookje bijv. zo precies mogelijk vrij na te vertellen en door de klemtoon of het tempo van de woordenstroom te veranderen kan hij gelijktijdig de aanwezige temperamenten op een verschillende manier in de klas aanspreken.

Ook zal hij de kundigheid ontwikkelen om situaties in de klas waarbij het om gedragsveranderingen gaat, in vrij gevonden beelden en verhalen te veranderen en zo de door Rudolf Steiner gestimuleerde ‘pedagogische verhalen‘ te gebruiken. Het voorgelezen verhaal blijft daar armzalig bij achter, omdat de voorlezer zijn activiteit niet kan richten op het scheppen van innerlijke beelden, maar zijn oog moet houden op de tekst die hij moet lezen. Vanzelfsprekend doen zich in in iedere les wel situaties voor, waarbij je weleens een tekst moet voorlezen. Daar kan de leerkracht natuurlijk ook bij gelegenheid een goed middel aan hebben om een van te voren gepland doel te bereiken.

Heel erg belangrijk is de taal die de verteller en opvoeder gebruikt. De rijke woordenschat, de geschoolde en geoefende uitspraak alsook de mogelijkheid zo in beelden te spreken, dat alle zintuigen van de ziel aangesproken worden, hebben de mogelijkheid in het hart van het kind een schat aan te leggen die ook voor de latere begripsvorming van beslissende betekenis is. Het kan de wereld van die bepaalde vertelstof door het thema en de daaruit voortkomende sterke uitstraling, het schooljaar waar het bij hoort, een bijzondere kleur geven.
De persoonlijke verhouding van de leerkracht tot de vertelstof moet invoelend zijn, hij moet er positief tegenover staan. Hij kan de kinderen in de 1e klas niet over reuzen en dwergen vertellen en tegelijkertijd als nuchter mens van mening zijn dat het hier alleen maar om abstracte ‘voorstellingsbeelden’ gaat. Veel belangrijker is het dat de verteller de sfeer van verbazing met zijn leerlingen kan delen.

Voor we nu op de vertelstof van de afzonderlijke klassen nader zullen ingaan, geven wij eerst een overzicht, waarbij we vooraf willen opmerken: de voorbeelden die later worden gegeven, zijn bedoeld voor de kinderen die in de Europese cultuurstroom opgroeien. In andere streken op aarde zijn andere sprookjes, sagen, verhalen te vinden die bij de omstandigheden die daar gelden, horen, terwijl die wel een helpende werking hebben voor ieder van de hier besproken leeftijdsfasen.

Overzicht:

1e klas: sprookjes, verhalen over de natuur in sprookjessfeer

2e klas: fabels, legenden, natuursagen, plantensprookjes- en legenden

3e klas: verhalen uit het Oude Testament

4e klas: Germaanse godensagen, Germaanse heldensagen, Kalewala

5e klas: Griekse godensagen, Griekse heldensagen (Ilias en Odyssee)

6e klas: Romeinse heldensagen, Middeleeuwse volksvertellingen. Scènes uit de nieuwere geshiedenis.

7e klas: Verhalen uit de volkenkunde, biografische vertellingen bij de ontdekkingsreizen, Renaissance of de Reformatie

8e klas: Cultuur van de volkeren, biografieën uit de wereld van techniek, geneeskunst, natuurkunde, poëzie, kunst en politiek

De eerste klas: beeldspraak van de sprookjes

Het schoolkind bevindt zich in de overgang van de eerste zevenjaarsfase naar de tweede. Het tandenwisselen is begonnen en is het teken voor de afsluiting van de vorming van het lichaam en de organen. De vrijgeworden vormkrachten kunnen nu gebruikt worden voor het vormen van voorstellingen en het geheugen. Het schoolkind staat ook bij het begin van de tandenwisseling nog niet met beide benen op aarde; zijn thuisland is nog het kosmische. [1] Wel heeft de eersteklasser al zeven jaar lang nabootsend de gewoonten van zijn omgeving meebeleefd, maar hij voelt zich nog zeer verbonden met zijn geestelijke oorsprong en voelt zich er thuis. Daarom beleeft de leerling de volkomen in beeld gebrachte taal van de sprookjes als voedsel en hij heeft dit nodig.
Er is nauwelijks een vergelijkbare vertelvorm, die de oorsprong en de weg die de ziel van de mens gaat, meer levensecht kan schilderen en tegelijkertijd de morele kracht die in hem sluimert beter weet te sterken dan de sprookjes. Altijd geven ze een weg aan en steeds gaat de inhoud over verleden, heden en toekomst tegelijkertijd. Veelal betreft het een koningszoon die het vaderlijk slot verlaat op zoek naar de prinses en vele moeilijke beproevingen moet doormaken. Het verlaten van het slot is de gelijkenis voor het verlaten van de beschutting van de hemelse woning, het trouwen met de prinses het vinden van het eigen zelf, het Ik.
Als voorbeeld: in het sprookje van Hans en Grietje is het de egoïstische moeder of stiefmoeder (afhankelijk van de versie) die de beide kinderen het donkere bos instuurt, waar ze verdwalen. Het van brood gebouwde en met koek gedekte huisje met ramen van witte suiker redt de twee eerst van honger en hun verloren zijn, maar de zoete verlokkingen blijken heksenwerk te zijn wat tot de dood moet leiden. Pas de moedige daad van Grietje behoedt hen voor de ondergang. De heks laat haar leven in de brandende oven. Als beloning vinden de kinderen edelstenen en parels. Daarmee vullen ze hun zakken en vinden de goede weg om uit het bos te komen.

Als je de beelden opvat als uiterlijke, werkelijk zich afspelende realiteit, dan moet je wel op de gedachte komen dat de sprookjes wreed zijn. Kan je echter de spirituele inhoud doorgronden die achter deze uiterlijke beelden verborgen is, wordt het begrijpelijk dat het om schilderingen gaat van psychisch-mentale ontwikkelingsschreden, van beproevingen en overwinningen. Het verlaten van het ouderlijk huis is het beeld voor het verlaten van de goddelijke kindertijd. Wie herinnert zich niet de hulpeloosheid bij het verdwalen in het donkere woud van de puberteit, waar ieder overzicht nog ontbreekt? De verlokkingen van het heksenhuis komen op ons af in oude vermogens die niet meer van deze tijd zijn, aan het gebonden raken aan makkelijk te krijgen ervaringen die voor de schijn voeden, maar eigenlijk tot afhankelijkheid voeren en vernietigend werken. Alleen wanneer je deze valse krachten met je eigen kracht overwint en vernietigt, ontkom je aan de dood van de ziel. Als beloning ligt de schat van de kennis van de wereld klaar, dat met het heldere denken het overzicht heeft en door wie bevrijd is, kan worden benut.
Dit soort beelden zijn archetypen van de mensheid. Over de hele wereld zijn ze in overeenkomstige vorm in de volkssprookjes ontstaan in een tijd dat ze van mond tot mond verteld werden en er geen verspreiding in druk plaatsvond.
Sprookjes hebben geen uitleg nodig. Ze worden door de eersteklasser beter begrepen dan de volwassenen voor wie deze beeldspraak vreemd is geworden en die daarom verklaringen zoekt. Daarom wordt de verteller op het hart gedrukt deze verhalen in beeld te laten, de heks, de wolf, de beer, als innerlijke beelden te laten leven en niet door uiterlijk beschouwen of verklaren dood te maken.
Het innerlijke beeld van het kind is ook nooit te vervangen door iets uiterlijks, zoals een illustratie in een boek, laat staan door het beeldscherm, veel meer verhinderen die de beleving of verstoren die zelfs. Met de dood in het sprookje wordt geen fysiek sterven bedoeld, want het sprookje stamt uit het land dat buiten ruimte en tijd ligt, waar geboorte noch dood geldt.

Omdat de beelden en de inhoud van de sprookjes de zielentoestand van het zevenjarige kind het meest vertrouwd is, vormen ze een basis voor het vertellen en vormgeven van het onderwijs in klas 1. Tegelijkertijd zal het ook bij de opdracht van de klassenleraar horen in het kind de liefde voor de wereld te wekken. Zo zal ieder verhaal dat steen, plant, dier en mens met elkaar laat spreken, bij het kind grote belangstelling vinden en vele thema’s die in de latere perioden aan bod komen een beeldende basis kunnen geven. [2]

De tweede klas: dierfabels en heiligenlegenden….

In deze tijd beëindigt het schoolkind zijn achtste en gaat zijn negende levensjaar in. Nog steeds klinkt de stemming van de kleuterschooltijd door waarin het zich in zijn omgeving geborgen voelde en zielsverwant. Maar de volgende ontwikkelingsstap waarin het kind zich zal gaan beleven als een wezen op zich, werpt zijn schaduwen vooruit: de achtjarige leerling verlaat met een groeiend herinneringsvermogen de zekere geborgenheid van zijn gevoelshuis. Goed en kwaad zijn geen kwaliteiten die beleefd worden in de zekerheid van een goede afloop, maar worden tot vraag. Het kind gaat zijn geweten sterker beleven, het wordt een leidraad voor hem. Vaker hoort de leerkracht nu: ‘Heb ik vandaag mijn best gedaan?’ Het streeft het goede na en beleeft de eigen tekortkomingen. Belangrijk wordt voor de leerling nu ook de werking van het hogere. Het duister te kennen en ertegen te kunnen strijden, wordt vaak een eerste behoefte. Sterke gevoelens als geluk, trouw, liefde, medelijden willen gewekt worden.
Daarmee wordt ook het beleven van beelden anders. Het kind vindt naast de plantensprookjes en natuursagen vooral hulp en richting in twee werelden waarover in de klas wordt verteld: de dierfabel en de heiligenlegende. Vanuit zijn verbondenheid met zijn leefomgeving houdt het kind ervan zich in andere wezens te verplaatsen. Het kan zich makkelijk identificeren met de sterke stier en de trotse pauw. Door list krijgt de vos de kaas te pakken uit de snavel van de ijdele raaf. De begerige kikker zou wel zo groot willen zijn als een os en blaast zich op tot hij uit elkaar knalt. Zo wordt vanuit de fabel het kind een spiegel voorgehouden van de menselijke eenzijdigheden zoals hoogmoed, list, begeerte en daaraan kan hij dan zijn gevoelsoordelen vormen. Deze verhalen onderscheiden zich door hun beknoptheid en humor. Ze zijn uitstekend geschikt om mondeling of schriftelijk na te vertellen, als leestekst of ze worden door de leerlingen enthousiast gereciteerd of als toneelstukje opgevoerd. Het kind dat voor het morele begint open te staan, zoekt met plezier naar het zinvolle dat de fabel tot uitdrukking wil brengen. Het vindt er bevestiging en een antwoord op zijn nieuw opkomende vragen. Al naar gelang van het temperament van het kind maken de fabels een bijzonder sterke indruk.
In de plantensprookjes en – legenden verbindt het kind zich met het leven van de natuur. De afzonderlijke planten worden naar hun wezen ervaren en als een persoonlijke vriend beleefd. In de natuursage beleeft de leerling de werking van helpende wezens of straffende geesten. De verhalen zijn plaats- en tijdgebonden. De werking van natuurkrachten in verbinding met gnomen, trollen, feeën en luchtgeesten, zoals talloze volkssagen schilderen, kan in het kind de eerbied voeden voor iets wat werkzaam is buiten ons om.

Terwijl de dierenfabels juist een lichtere stemming in de klas meebrengen, daalt door de legende uit de wereld van de heiligen ernst en inkeer in de ziel van het kind. De kinderen horen over mensen die – in tegenstelling tot de sprookjesfiguren – op aarde hebben geleefd die met een eigen naam hun lotsbestemming hebben gevolgd. Ook in hen zitten in hun menselijke karakter trekken die hen in de weg zitten, ze bevinden zich echter wel op weg naar een menszijn op hoger niveau. De innerlijke kracht van het geloof en de strijd om het goede wordt door wonderen beloond.

Het achtjarige kind voelt met zijn vragen naar goed en kwaad zich bijzonder tot deze mensen aangetrokken. Naast de strijdende ridder Joris, Sint-Maarten die zo’n medelijden heeft, Elisabeth van Türingen die deemoedig haar werk verricht of de heilige Odilia uit de Elzas – om er maar een paar te noemen – kan als hoogtepunt het leven van Franciscus van Assisi verteld worden die de kinderen door zijn eenvoudige, maar diepe liefde voor mens en natuur helemaal in hun hart sluiten.
Terwijl het kind in de fabel om de menselijke ondeugden lacht, zich erover opwindt of er zelfs bedroefd van wordt, leert het aan de daden van deze heiligen, de grootheid van de echte mens te voorvoelen en als voorbeeld in zijn gemoed te sluiten.
Ook de legenden kun je met toneelstukjes uitbeelden, zoals bijv. het verhaal van de heilige Christoforus. De leerkracht merkt aan de klas wanneer hij een fabel of een legende moet vertellen. Deze twee begeleiden de kinderen naast de plantenlegenden en natuursagen  het hele jaar 
door. Met fabels of legenden kun je een hele tijd bezig zijn waarin je de inhoud kan schrijven, lezen, reciteren, tekenen en schilderen.

De derde klas: verhalen uit het Oude Testament

Wat zich bij het achtjarige kind al een beetje aankondigt, breekt door als het negende jaar voorbij is: het kind begint zijn onbevangenheid tegenover zijn medemensen en zijn omgeving te verliezen.

Daarmee duiken existentiële vragen op naar de afkomst van de mens en de schepping: waar komen de bloemen vandaan, de bomen, de bergen, de bewoners van de aarde. Waar kom ik vandaan? Deze vragen zijn het gevolg van een verandering in het bewustzijn en op grond daarvan beleeft het kind zichzelf als een apart wezen, los van zijn omgeving. Ook tegenover de mensen in zijn omgeving ontstaat een bepaalde afstand. De leerling trekt zich terug en bekijkt zijn opvoeder om te doorgronden of de geliefde autoriteit ook hogere wetten volgt of alleen maar uit willekeur handelt. Op dit proces wordt een nieuwe verhouding opgebouwd tussen leerling en leerkracht.

Opnieuw ervaart de opgroeiende mens een wezenlijke hulp door de vertelstof die voor het derde schooljaar bedoeld is: de verhalen uit het Oude Testament. Deze spiegelen op een prachtige manier de situatie van de ziel van het kind op deze leeftijd. Het beleeft zichzelf als weggestoten uit de geborgenheid van zijn eerste kindertijd. Nu krijgt het te horen hoe de wereld is geschapen en hoe de eerste mensen door het negeren van het goddelijke gebod het Paradijs moeten verlaten, uit de geestelijke geborgenheid in het aardse bewustzijn worden gedwongen. De derdeklasser ontwaakt tot het bewuste beleven van recht en onrecht. Hij hoort hoe Jahwe, de God van Israël, zijn volk door Mozes de geboden verkondigt, hoe het volk door ze niet na te komen de straffende hand van Jahwe ervaart en hoe hij toch zijn bescherming biedt door zijn afgezanten, rechters, koningen en profeten tot aan de wending der tijden, tot aan de geboorte van de verlosser van de mensheid.

Geweldige beelden staan manend en helpend voor de leerling die nu uit eigen beleving het ongehoorzaam worden, kent en meelijdt wanneer de vadergod door de zondvloed de ondergang van het verdorven mensengeslacht nader laat komen. Tegelijkertijd ontwikkelt de leerling afschuw voor de zedeloosheid van de mensen en hij kan instemmen met de straf. De beelden van de ark van Noach, de ark van het verbond of de bouw van de eerste tempel geven hem de gelegenheid aan zijn paradijselijke geborgenheid in het goddelijke te denken en wekken een subtiel verlangen naar het bewaren van die sfeer.

Onbewust werkt de hele inhoud opvoedend op de derdeklasser. Die bijna verborgen overeenstemming van de wording van de mensheid met de eigen wording wordt voorvoeld.

De vierde klas: Noorse mythen

Het tienjarige kind heeft de omwenteling van de derde klas doorlopen en heeft smartelijk beleefd dat het niet in de geborgenheid van zijn omgeving kan blijven. Zijn taak wordt het te leren naar zichzelf te kijken als een Ik-wezen, om met inzet actief te kunnen zijn. De eerste schreden naar het zelfstandige wakkere beleven heeft het al gezet; nu wil het de omgeving ontdekken en met plezier veroveren. Die wordt het oefenterrein van de pas ontwaakte Ik-kracht. Daarbij kan de leerling in zijn veroveringsvreugde ook over zijn grenzen gaan.

Nu kunnen de Germaanse goden (of ook de gezangen van de Kalewala) in het onderwijs hun plaats krijgen. Niet meer één vadergod, maar een veelvoud aan goden bepalen de geschiedenis van de aarde. Niet in de duidelijke opeenvolging van zeven scheppingsdagen wordt het ontstaan van de wereld beschreven, maar met het oerbeeld van Ymir, de reus, uit wiens lichaam de goden de wereld lieten ontstaan. Uit Ask en Embla, es en olm, schept Odin het eerste mensenpaar. De drie schikgodinnen bij het wortelwerk van de wereldes Yggdrasil knopen en bepalen de knopen in het weefsel van het lot van de mens.

De strijd tussen goed en kwaad wordt in het rijk van de goden, in het Walhalla, in dramatische scènes beslist, waarbij de listige Loki die de ondergang dient, echter wel steeds iets goeds doet. Zonder aanzien des persoons slingert de geweldige Thor zijn hamer Mjöllnir naar alle vijanden van de goden, die na iedere gooi weer in zijn hand terugkomt – een beeld van de vurige Ik-kracht. In geweldige beelden wordt het grote drama van de ondergang van de goden geschilderd, hoe het mensenkind zich losmaakt van de wil van de goden, hoe de kracht van de Midgardslang (zelfzucht), de Fenriswolf (onwaarachtigheid) en de Hel (ziekte en dood) ten slotte leiden tot het verdwijnen van de goden en hoe daardoor de mensen aan hun lot worden overgelaten. In de godenzoon Widar blijft de enige hoop op de toekomst aanwezig.

In de Germaanse riddersagen krijgt de leerling de gelegenheid om de strijd van de helden Hugdietrich, Walthari, Dietrich van Bern mee te beleven. Daar komen de wilskrachten vrij. We kennen weliswaar het lot niet dat de schikgodinnen voor ons hebben bestemd, maar het is de moeite waard, voor het goede te strijden. Het zwaard staat als symbool voor de Ik-kracht. Voor het eerst hoort een leerling ook de grote epische verzen uit de middeleeuwen, zoals het Nibelungenlied of Parzival, waarmee in de bovenbouw weer wordt verdergegaan.

Onder volwassenen duikt dikwijls de vraag op naar de rechtvaardiging de leerling na het scheppingsverhaal uit het Oude Testament dat aan onze cultuur ten grondslag ligt, de eerder vreemde Germaanse mythologie te vertellen. Schept dit geen verwarring? Maar dezelfde berg vertoont van iedere kant een ander aanzien en blijft toch dezelfde berg. Zo hebben ook de volkeren uit oude tijden verschillende beelden voor de oorsprong van onze wereld, zonder dat de een of de ander de ware kunnen worden genoemd. Als je de klas met de juiste stemming over het leven van de Germanen vertelt, zal het interesse voor de overleveringen van deze volkeren ontwaken.
De Germaanse cultuur als jaarthema van de vierde kas zit niet alleen in het verteldeel van het onderwijs, maar kan je ook in de taal (alliteratie), het schrift (runen) en in het vormtekenen (vlechtvormen) oppakken en oefenen.

De vijfde klas: Griekse goden en helden

De leerling zit in zijn elfde jaar. Hij staat daarmee in het midden tussen zijn lichamelijke geboorte en zijn meerderjarigheid, (geboorte van het Ik). Op deze leeftijd onderzoekt de schoolarts adem en pols, want nu zullen deze voor de eerste keer in een harmonische wisselwerking komen. Maar niet alleen wat zijn leeftijd betreft bevindt de leerling zich in een middenpositie. Alles wat hij doet komt nu vanuit het midden. Gemeten naar de hele ontwikkelingsfase tussen schoolrijpheid en puberteit bezit het kind nu het grootste evenwicht in gestalte en wezen en pure levensvreugd begeleidt zijn doen en laten. De leerling begrijpt de wereld met zijn gevoel, uit het hart, uit de pendelslag van sympathie en antipathie. Zijn oordeel mondt uit in bevestiging of afwijzing. De beweging van het bloed, het rood op de wangen van enthousiasme, het wit zien van verbijstering of verveling zijn directe signalen van de innerlijke betrokkenheid van de leerling. Het begrip voor de werkelijkheid en het fantastische ligt dicht bij elkaar. Nog steeds heeft de vijfdeklasser een half wakker bewustzijn, dat zich tussen het droombewustzijn van het kleine kind en het waakbewustzijn van de denkende mens bevindt.

Het jaarthema is hier: de Oud-Griekse cultuur. Die omvat het brede spectrum van de Griekse goden en godenzonen tot aan de prachtige verzen van de Ilias en de Odyssee. Tegelijkertijd worden in het geschiedenisonderwijs de mythologieën van de Oer-Indiërs, Oer-Perzen, Babyloniërs en Egyptenaren verteld, zodat de leerling in een tijdsbestek van drie jaar met de scheppingsverhalen van de grote culturen in aanraking komt.
De Grieken leefden in de bloei van hun cultuur in toewijding aan de schoonheid van de zintuiglijke wereld. De uitdrukking daarvan zijn de evenwichtige kunstwerken zoals die in architectuur, beeldhouwwerk en poëzie bewaard gebleven zijn.
Psychisch en mentaal beleefde de Griek deze aardse wereld niet in lichamelijke verstarring, maar nog altijd bevolkt door natuurwezens zoals nimfen en faunen en geregeerd door goddelijke machten: denk aan Zeus, Poseidon, Demeter, Helios of aan de in het denken werkzame Pallas Athena. Nog steeds bevinden in de vertellingen de goden zich onder de mensen zoals in de sage van Filemon en Baukis of in die van de met goddelijke kracht strijdende Herakles. Wanneer de godenzonen Orfeus, Theseus, Perseus, Herakles e.a. niet meer onder de mensen actief zijn, wordt de wil van de goden door het orakel bekend gemaakt.
In de strijd om Troje ten slotte, zegeviert het menselijke verstand. Het houten paard, de schrandere list van Odysseus, is in staat de tienjarige strijd om deze stad te beslissen. Ook de vele jaren durende omzwervingen van Odysseus tot aan zijn thuiskomst is een weg van beproevingen en inwijding. Rijk bewapend trok hij weg. Naakt als een bedelaar vindt hij na vele jaren van pijnlijke beproevingen zijn thuis en daarmee zichzelf.
Weer behelst de vertelstof in beelden de situatie van de ziel van de leerling. In de zesde klas zullen de poorten naar zijn geestelijke vaderland definitief gesloten worden en staat hij tegenover de wereld van de dood. Hij staat voor nog een grens. Niet meer het gebod: ‘Je moet’, maar de drang: ‘Ik wil mijn eigen oordeel vinden’ doet zich gelden.
De harmonie van de Griekse kunst drukt zich ook uit in de taal van de hymnen en epische stukken. Ritmisch gelijkmatig dragen de zes heffingen van de hexameter de spreker van zin naar zin. Zoals de strijdvaardige, dikwijls wat ruwe vierdeklasser gemakkelijk het stafrijm aankan, zo hoort de hexameter bij het elfjarige kind, dat in harmonie leeft tussen beeld- en verstandswereld. Tot in zijn levenskrachten vindt het kind voedsel in de sagenbeelden alsook in de ritmen van de overgeleverde verzen die in het onderwijs van de vijfde klas regelmatig gereciteerd worden.

De zesde klas: Van de sage over de stichting van Rome naar het historische handelen

De leerling wordt twaalf jaar. Langzaam maar zeker beginnen zijn ledematen te groeien en daarmee verliest hij de harmonische ‘Griekse’ maten in zijn gestalte en wezen. De dode wereld komt in zijn interesseveld te staan. Tegelijkertijd begint de leerling zijn innerlijk voor de buitenwereld af te sluiten.
De wereld wordt nu kritisch bekeken en beoordeeld. Maar de noodzakelijke oordeelskracht die door het denken wordt gevoed, is nog niet geboren.
De leerstof biedt veel nieuwe vakken, zoals natuurkunde, mineralogie, meetkunde, handvaardigheid, tuinbouw. Bij geschiedenis worden de Romeinen en de geboorte van recht en wet behandeld.
Het onderwijsdoel zijn de middeleeuwen tot aan de grens van de nieuwe tijd. Bij aardrijkskunde worden verschillende klimaatzones van Europa bestudeerd en naar de economische situatie van de volken gekeken. Bij de grote verscheidenheid in het leerplan komt de leerkracht tot de ontdekking hoe weinig tijd erover blijft om aan een bijzondere vorm van vertelstof aandacht te besteden. Maar juist op deze leeftijd waarop de leerling zich sterker afsluit, bestaat wel de noodzaak om door korte stukjes met een uitgelezen inhoud lichtpuntjes te plaatsen in zijn zich ontwikkelend innerlijke leven. Hiervoor geeft de leerstof aanleiding om op bepaalde motieven, thema’s gevoelsmatig in te gaan.
Voor de zesdeklasser die in de prepuberteit gegrepen wordt door innerlijke onzekerheid, helpen biografische voorbeelden, steun te vinden. Hij leert helden kennen die zich door hun genialiteit, hun moed en kracht van hun menszijn boven de starre wetgeving verheffen en zo tot de redder van de vrijheid van het eigen volk worden. Een voorbeeld is hierbij o.a. de Romein Titus Manlius. Verder krijgt het ontwakende gevoel voor de vragen van het lot voeding door de levensverhalen van Hannibal of Caesar aangereikt.

De overgang van de Trojaanse sagen naar de Romeinse geschiedenis wordt door het verhaal van Aneas mogelijk gemaakt. Met zijn zoon aan de hand draagt hij zijn vader Anschises weg uit het brandende Troje. Later zet hij voet aan wal in Italië. Hij gaat een relatie aan met Lavina en sticht het geslacht waaruit Romulus en Remus, de eerste Romeinen, stammen. Via de sagen over het oerbegin van Rome wordt de zesdeklasser stap voor stap grond onder de voeten gegeven door de geschiedenis, de door bronnen en kronieken vastgelegde historie. Biografische beelden, voornamelijk uit de oude of middenoude tijd, begeleiden de leerling extra door het verdere schooljaar heen. Voorbeelden, zoals die bij de volksvertellingen ‘De goede Gerhard’, ‘Hertog Ernst’, ‘De schone Magelone’ of  ‘De arme Hendrik’, meebeleefd kunnen worden, leggen de kiemen voor een moreel gevoel van de kinderen en helpen tegelijkertijd ze door de jaren van innerlijke onzekerheid heen te dragen.
De ontwakende denkkracht krijgt ook steun door de verhalen van Tijl Uilenspiegel of die van andere naïevelingen.

In tegenstelling tot de mythologische verhalen waarin de beelden geestelijke gebeurtenissen zijn, wordt bij het weergeven van historische berichten van ons gevraagd om te schetsen hoe het in het leven toegaat, stad- en landschapsbeelden en vooral de optredende personen plastisch en individueel neer te zetten. zodat ze levendig voor het innerlijke oog van de kinderen verschijnen. Zeker zal ook bijv. bij aardrijkskunde een exposé van de Inuït of de Lappen de blik op de wereld vergroten, zal de biografie van Nansen of Schliemann het onderwijs completeren en de wakkere leerling enthousiasmeren.

Nog steeds worden de verhalen door de zesdeklasser met zijn ziel beleefd en niet causaal begrepen, want deze tweede mogelijkheid begint zich nu voor het eerst te ontwikkelen. Hij beleeft voorvoelend dat de mens in staat is uit zichzelf in het lot van de mensenwereld in te grijpen. Zo ontwaakt in de leerling de eigen wil om te denken: ‘Zou ik dat ook hebben gedaan?” Goed doorleefde geschiedenis en verhalen vormen de basis voor het causaal naar de geschiedenis kunnen kijken in latere jaren.

De zevende en de achtste klas: volkerenkunde en biografieën uit de nieuwe tijd

De leerling komt in zijn 13e, 14e levensjaar. Zijn ‘aarderijpheid’ (puberteit) begint in deze tijd. Uit het kind wordt de jonge vrouw of de jonge man. Er begint een interesse voor de hele aarde en haar bewoners te ontstaan. Tegelijkertijd voelt de jonge mens zich zoals nog niet te voren, losgeraakt van zijn omgeving en op zichzelf teruggeworpen. Deze nieuwe levenssituaite veroorzaakt onzekerheid en chaos bij de jongere die des te pijnlijker door hem wordt gevoeld wanneer hij merkt dat er van hem wordt verwacht dat hij zich nu ook moet verantwoorden voor wat hij voor de wereld doet.
Daardoor staat hij anders in zijn sociale omgeving en onzeker en onervaren naar zijn toekomst. Maar de pasgeboren individuele zielenkracht maakt het voor hem mogelijk voor zijn medemens en de wereld persoonlijker dan tot nog toe interesse te tonen en ontwakende liefde te schenken. Het leerplan houdt met deze ontwikkelingsfase rekening. door de jonge mensen hun oordeelskracht door het waarnemen van de wereld te scholen. Nieuwe vakken als scheikunde, voedingsleer, algebra bieden hiervoor een geschikt oefenterrein. Een nieuwe stap verder, leren de leerlingen te zetten door het omgaan met abstracte begrippen.
In het geschiedenisonderwijs worden de leerlingen van deze leeftijd begeleid vanaf het begin van de nieuwe tijd naar het actuele heden, waarbij in het 7e schooljaar ontdekkingen, Renaissance, Reformatie en Franse Revolutie behandeld worden en in het 8e schooljaar de industrialisatie en het lot van volkeren tot in onze tijd.

Het leven van anders geaarde volkeren als vertelstof opent voor de leerling een nieuwe horizon. Hij hoort hoe een volk met wat een natuurlijk gegeven is: natuur, klimaat, kortom het met zijn omgeving moet doen en vandaaruit een sociaal leefbare omgeving te vormen. Onbewust beleeft hij daarbij zijn eigen situatie. Terwijl tot de 6e klas bij deze schilderingen de economische omstandigheden nog sterker op de voorgrond treden, worden in de 7e, 8e klas meer de culturele waarden belicht. Hoe verschillend denken en handelen de Noord-Amerikanen, Afrikanen of Aziaten. Met welk verschil stellen ze hun levensdoelen en leggen ze hun geestelijke zwaartepunt.
Het hoofdthema van de vertelstof vormt in beide klassen echter de biografie die de leerling, waarbij concrete historische voorbeelden in de plaats komen voor de ontbrekende ervaring, door het leven van grote mensen toont, hoe de kracht van de individualiteit iets nieuws kan scheppen en veranderingen ten goede kan bewerkstelligen. Wanneer aardrijkskunde en volkerenkunde aan de hand van de levensbeelden van Columbus, Scott, Livingstone, Stanley, Nansen e.a. verdiept kunnen worden, draagt dat bij aan economisch lesgeven.
Tegelijkertijd met de aardrijkskundige ontdekkingen werd bij het begin van de nieuwe tijd de vertrouwde omgeving van het Europese thuisland eveneens herontdekt, zoals ons de kunst van de Renaissance laat zien. Werd er vroeger nog op een gouden ondergrond geschilderd, nu doemen landschappen in perspectief op de achtergrond van de schilderijen op. De blik wordt blijmoedig op de aarde gericht. Hoe kunstenaars een leven lang worstelen om natuurgetrouw te werken met steen en linnen en hun werk toch een bezielde uitstraling kunnen meegeven, laten ons de levensloop van Michelangelo en Leonardo da Vinci zien. De zevendeklasser die bij de interesse voor de wereld wakker wordt duikt met enthousiasme in dergelijke levensbeelden en waagt graag een poging deze kunstenaars na te doen, waarbij er een verdiept kijken naar beelden ontstaat.

De achtsteklasser begint zijn blik kritisch op de huidige omstandigheden te richten. Hij staat op de grens van de leeftijd van de jeugd waarin hij de wereld niet alleen ervaren, maar ook begrijpen wil. De grondleggers van techniek, medicijnen, natuur- en scheikunde wekken zijn interesse. Biografieën van bijv. Watt, Stephenson, Diesel, Edison, von Siemens, Faraday, Nobel, Liebig, Curie zijn voorbeelden van levenswegen die de leerling stimuleren en moed geven. Wanneer we met de leerlingen in het geschiedenisonderwijs causaal willen bekijken welke gevolgen bijv. de industrialisatie voor het leven van de mens had en wij over de menselijke ellende en oorlogen moeten spreken, dan is het heel belangrijk hun aan de andere kant over het leven van zulke mensen te vertellen die met idealisme, moed en onzelfzuchtigheid nieuw licht in de mensheid deden opgaan. Daarvoor zijn de biografieën geschikt van Pestalozzi, Dunant, Schweizer, Gandhi, Luther King e.a.

Dergelijke voorbeelden dragen de mogelijkheid in zich het ontluikende idealisme van de jeugdige mens te voeden en kunnen helpen ze te behoeden voor het afglijden in de valkuilen van de moderne tijd.

Slotopmerking:

Hiermee is het vertelonderwijs van de klassenleraar tot een einde gekomen. We hebben gevolgd hoe het kind gedurende zijn eerst acht schooljaren van de sprookjes, fabels en legende naar de bewijsbare geschiedenis wordt gebracht.

Als het ware wordt het van de hemel naar de aarde geleid, zoals hoort bij de ontwikkeling van zijn ziel. Tegelijkertijd kon het zich met die stroom verbinden die aan onze huidige cultuur ten grondslag ligt. De leerling krijgt daardoor de mogelijkheid de wereld beter te begrijpen en zich er sterker mee te verbinden – een vermogen dat juist in onze tijd de jeugd is afgenomen. Het gevolg van het verlies is innerlijke leegte en radeloosheid.

Door de biografieën van grote mensen kan het zielenleven van de jeugd opbloeien en hulp ervaren zichzelf te vinden en de weg van zijn lot te voorvoelen. Hij doet aan dergelijke voorbeelden ervaring op hoe het leven geleefd en beheerst kan worden zonder dat het werken aan zichzelf in de versukkeling raakt. Vanzelfsprekend veroorzaakt het vertellen op school in de loop van deze acht jaar steeds een stimulans om zelf te gaan lezen.

Dan blijft tot besluit nog de vraag: hoeveel en hoe lang moet je vertellen? Zoals in ieder vak bestaan ook hier de uitersten van al te droog tot al te uitvoerig. Beide heeft niet te herstellen schade tot gevolg die in de pedagogische voordrachten van Rudolf Steiner dikwijls aan de orde komt.

Als een eigen zielenbeleving zou je kunnen proberen je een innerlijke houding voor te stellen die uitkijkt naar mooie verhalen met inhoud die bij een overladen lesprogramma wegens het schijnbaar belangrijkere steeds onbevredigd blijft. Het tegenovergestelde is de kwelling van steeds maar te moeten luisteren, hoewel het al lang genoeg is en de ledematen onrustig beginnen te bewegen want er moet door beweging weer evenwicht komen.

Bij het tweede geval zou je het teveel aan prikkels en vermoeidheid van de zintuigen door de huidige technische en elektronische omgeving daarbij kunnen betrekken. Moderne leerlingen luisteren slecht, of ze moeten door de inhoud en door de manier van vertellen onmiddellijk geboeid raken. Maar dat kun je aan de leerling die luistert, aflezen. Daarom is het vertellen voor de verteller ook steeds een tweegesprek met wie luistert.

Het antwoord moet daarom luiden: zolang ik in de kinderziel iets teweegbreng, ben ik als verteller en ook als lesgever goed bezig.
.

1 Vgl. het artikel van Gabriele Böttcher: De ontwikkeling van het kind als de gang van hemel naar aarde, in »Erziehungskunst« Heft 9/1992, S. 857 ff. (niet op deze blog}

2 Vgl. daarvoor Inge Finkbeiner: De ‘zinvolle vertelling’ tussen sprookje en fabel  in »Erziehungskunst« Heft 10/1992, S. 953 ff. (niet op deze blog)
.
Dit artikel is ontstaan door een groep van vrijschoolleerkrachten onder redactie van Heinz Zimmermann (pedagogische afdeling van het Goetheanum, Dornach) en Georg Kniebe (pedagogisch onderzoeksbureau van de bond van vrijescholen, Stuttgart. De groep heeft zich tot doel gesteld het leerplan van de vrijeschool in de vorm van artikelen door te werken.
.

Vertelstof: alle artikelen

Een belangrijk artikel in het kader van: Haeckel en het leerplan  nr. 12

VRIJESCHOOL in beeld: illustraties bij de vertelstof in diverse klassen

,

1820-1706

.

.