VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Livingstone

HIJ BRACHT LICHT IN HET ZWARTE WERELDDEEL

LivingstoneMeer dan honderd jaar geleden sloeg een jonge Schotse zendeling-arts zijn tenten op te midden van inboorlingen in het hartje van zuidelijk Afrika. Hij sloot vriendschap met het opperhoofd, gaf medicijnen aan de leden van de stam en predikte over een God, die de Vader van alle mensen was.
Op een nacht hoorde hij iemand snikken buiten zijn hut. Het was een jong meisje dat in doodsangst gevlucht was omdat ze aan een naburig stamhoofd verkocht zou worden. Een reusachtige man, met een geweer gewapend, kwam uit de schaduw te voorschijn om haar mee te nemen. De zendeling gaf een inlandse helper opdracht het meisje van haar kralen te ontdoen, gaf die aan de man, met nog andere geschenken, en zond hem weg.

Uit dergelijke voorvallen bestond het dagelijkse leven van een der grootste zendelingen ter wereld, David Livingstone. Geduren­de 33 jaar van zwoegen en reizen, voortdurend vechtend tegen tropische ziekten en te allen tijde blootgesteld aan wilde mensen en dieren, deed dr. Livingstone het licht der christelijke beschaving schijnen in het achterlijkste gebied van de wereld.

Toen hij in 1840 in Afrika kwam, was het gehele middengedeel­te nog een witte vlek op de kaart. Dat het daarna in kaart ge­bracht werd en opengelegd voor vredelievende nederzettingen en handel, zou voornamelijk aan hem te danken zijn. En wat bij zijn werk bovenaan stond was een nimmer aflatende campagne tegen slavernij, bijgeloof en analfabetisme.

David Livingstone werd op 19 maart geboren in het Schotse Lanarkshire. Als jongen werkte hij twaalf uur per dag in een spinnerij. Daarna ging hij voor predikant studeren aan de univer­siteit van Edinburg. Hij was een goedgebouwde knaap met een aangenaam voorkomen, maar verlegen en slecht op zijn gemak in het openbaar. Toen hij voor het eerst probeerde een preek te houden, kon hij geen woord uitbrengen. “Vrienden, ik ben ver­geten wat ik wilde zeggen,” stamelde hij. Beschaamd verliet hij de preekstoel. Op dat afschuwelijke moment ried Robert Moffat, die op bezoek was in Edinburg nadat hij een zendingspost in Kuruman, in Zuid-Afrika, gevestigd had, de ontmoedigde David aan het niet op te geven. Misschien kon hij arts worden in plaats van prediker. David besloot allebei te doen en bovendien als zen­deling naar het buitenland te gaan. Toen hij zijn medische studie achter de rug had, zond men hem naar Afrika.

Livingstone vatte een diepe deernis op voor de zwarte mens daar. De handel in slaven was voor hem iets walgelijks en hij nam zich plechtig voor, zijn leven aan de uitroeiing van dat kwaad te wijden. Hij zag, hoe de angst en argwaan van de zwarten verdwenen wanneer hij hun zijn genezende medicijnen gaf en trachtte hun betere levensgewoonten bij te brengen. Hij zag met hoeveel vreugde zij leerden. Men noemde hem “De Goede.” Hij constateerde, welk een nuttig werk de bekeerlingen op Moffats missiepost in Kuruman onder hun eigen mensen verrichtten en nam zich voor zelf een missiepost te stichten, inlandse bekeerlingen er de leiding van te geven en dan verder te gaan naar nieuwe stammen en onbekende gebieden. Overal op zijn weg beleefde de geharde kruisvaarder opwindende, gevaarlijke avonturen. Aan het hoofd van zijn karavaan ging hij onbevreesd inboorlingen tegemoet, die nog nooit een blanke hadden gezien, won hun vriendschap met lappen stof, kralen en werktuigen en ging dan aan het werk om de zieken te genezen. Eenmaal als vriend aan­vaard, bleef hij dan weken of maanden onder die mensen werken.

Op zondagochtend verzamelde hij hen om zich heen voor een prediking. Met taaie vasthoudendheid verkondigde hij het woord Gods in de verschillende ingewikkelde dialecten. Aanvankelijk verstonden de verbaasde wilden hem misschien niet, maar zij wisten toch dat hij De Goede was en dat de God van wie hij sprak ook goed moest zijn.

Keer op keer werd Livingstone’s leven gered door wat hij be­schouwde als een goddelijke tussenkomst. In Mabotsa werd hij aangevallen door een woedende leeuw, die hem verwondde en zijn linkerarm brak. Een jonge bekeerling, die door Livingstone was aangesteld als de eerste inlandse schoolinspecteur, kwam tus­senbeide en lokte het dier weg, zodat het neergeschoten kon wor­den. Sindsdien kon Livingstone zijn arm nooit meer zonder pijn boven zijn schouder tillen.

Het uithoudingsvermogen van de onversaagde prediker en zijn minachting voor gevaar werden legendarisch. Hij arriveerde bij de Bakaa-stam toen de krijgers daar zo juist een Arabische hande­laar en al zijn dragers hadden vermoord. Livingstone gebruikte de maaltijd met het opperhoofd, gaf hem geschenken en legde zich daarna kalm te slapen. De volgende dag schreef hij in zijn dag­boek, dat hij er een bijzonder genoegen in gesmaakt had deze moordenaars te vertellen, hoe zij van hun zonden gereinigd kon­den worden.

Livingstone’s werk als dokter was van essentieel belang voor zijn prediking. Vrijwel elke dag bewees hij het nut van kinine bij de bestrijding van malaria. In de eerste vijf jaar had hijzelf 31 malaria-aanvallen te doorstaan. Zonder kinine had hij die nooit overleefd en dank zij dit middel maakte hij weer hele gezinnen en stammen gezond.

Als ontdekkingsreiziger kan Livingstone tot de allergrootsten gerekend worden. Door een derde van het reusachtige continent te exploreren — van de Kaap tot dicht bij de evenaar en van de Atlantische tot de Indische Oceaan — heeft hij van het toen nog onbekende deel van het aardoppervlak meer dan wie ook ont­sloten. Alle gebieden, die hij bezocht, bracht hij in kaart en daar­over gingen nauwkeurige rapporten naar het Koninklijk Aard­rijkskundig Genootschap te Londen. Hij ontdekte als eerste Europeaan het grote Ngamimeer. Hij stuitte op een indrukwek­kende waterval, meer dan tweemaal zo hoog als de Niagara, en noemde die naar koningin Victoria.

Nadat de Moffats naar Afrika waren teruggekeerd, huwde Livingstone hun dochter Mary. In Afrika geboren, was zij gewend aan alle ontberingen en gevaren van oerwoud en woestijn. Op­gewekt deelde zij het hachelijke werk van haar echtgenoot en verpleegde hem bij zijn veelvuldige ziekten.

In Kolobeng bouwden de Livingstones het enige werkelijke huis, dat zij ooit hebben bezeten. In de loop van zes jaar werden hier vier kinderen geboren. Toen Mary en de kinderen voortdu­rend gevaarlijk ziek werden, nam Livingstone zijn gezin mee naar Kaapstad en zond hen naar Engeland met de belofte dat zij el­kaar over een paar jaar weer terug zouden zien. Bij zijn terugkeer te Kolobeng ontdekte hij dat de Boeren zijn missiepost hadden geplunderd, zijn meubels hadden gestolen, veel van zijn boeken hadden verbrand, de school hadden gesloten en schrik hadden gezaaid onder zijn bekeerlingen. Op die manier werd hem duide­lijk gemaakt dat de Zuidafrikaanse autoriteiten een einde wilden maken aan zijn optreden tegen de slavenhandel.

Livingstone was niet bang. Hij bleef de slavernij aan de kaak stellen en schreef vurige brieven, waarin hij een beroep deed op de Engelse regering om een eind te helpen maken aan die handel. Voortgedreven door de taak die hij zich gesteld had, baande hij zich een weg naar de westkust en weer terug naar het binnenland, en dat in de tijd van vier jaar, een ongelooflijke prestatie.

Daarna ging hij voor het eerst weer naar Engeland om zijn gezin te bezoeken en Missionary Travels (Reizen van een Zende­ling), het eerste van verscheidene boeken, te schrijven. Tot zijn verbazing ontdekte hij dat hij een beroemd man was geworden. De prins-gemaal stond hem een onderhoud toe en wetenschaps­mensen nodigden hem uit voor discussies. De regering gaf toe­stemming voor een nieuwe ontdekkingsexpeditie en Livingstone kreeg bevoegdheid om met Afrikaanse stammen te onderhande­len. In maart 1858 ging hij weer scheep, samen met zijn vrouw en hun jongste zoon, Oswell.

Gedurende de zes jaren, die nu volgden, was Livingstone meer ontdekkingsreiziger dan zendeling. Met een stoomboot verkenden hij en zijn helpers de Zambesi en andere stromen in Oost- en Midden-Afrika. Zij ontdekten het Nyassameer, vestigden zendingsposten, richtten scholen op en vonden nieuwe handelswegen. Livingstone zond Mary naar Kuruman, waar hun nog een meisje werd geboren, maar het zou een vol jaar duren voor dit nieuws hem bereikte. Kort nadat moeder, baby en zoon zich weer bij de ontdekkingsreizigers gevoegd hadden, stierf Mary aan de koorts. In zijn smart bleef Livingstone dagenlang bij haar graf. Hij zond zijn zoon en dochtertje terug naar Engeland. In 1864 voltooide hij zijn expeditie. Nu kon hij, wanneer hij de stammen bezocht onder wie hij jaren tevoren had gewerkt, de resultaten van zijn inspanning zien. Kerken die hij had gesticht, leidden een bloeiend bestaan, de kinderen gingen naar school en zekere hygiënische gewoonten bleken wortel te hebben geschoten.

De grijzende kruisvaarder had reeds lang de hoop gekoesterd de bronnen van de Nijl te ontdekken, zodat de Europese handel het Afrikaanse binnenland van het noorden uit zou kunnen be­reiken. Dus nam hij, in het begin van 1866, na zijn vaderland op­nieuw bezocht te hebben, een gevaarlijke taak op zich — het exploreren van de waterscheiding tussen het Nyassameer en het Tanganyikameer. Na zijn vertrek op deze gedenkwaardige expe­ditie heeft nog slechts één blanke Livingstone levend gezien. Vrijwel alles zat hem tegen. Meestentijds was hij ziek. Vijandige inboorlingen stalen zijn voorraden. Velen van zijn dragers liepen weg. Onophoudelijke regen en tseetseevliegen maakten het reizen vrijwel onmogelijk. In 1869 werd Livingstone, doodziek met long­ontsteking, op een brancard naar Ujiji, aan het Tanganyikameer, gedragen — een tocht van twee maanden.

Meer dan twee jaar had men in Engeland niets van de zende­ling-ontdekkingsreiziger vernomen. “Waar is Livingstone?” vroeg iedereen zich af. Twee expedities werden uitgezonden om hem te vinden, maar beide faalden, gedecimeerd als zij werden door tropische ziekten.

James Gordon Bennett jr., directeur van de New York Herald rook de journalistieke mogelijkheden in het verhaal van deze zendeling, die “verdwaald” was in het hartje van Afrika. Hij gaf zijn beste verslaggever, Henry M. Stanley, opdracht Livingstone te vinden, onverschillig, hoe lang het zou duren en hoeveel geld het zou kosten.

Stanley reisde naar Zanzibar, huurde 192 mensen en begon de tocht naar het westen in februari 1871. Hij wist alleen bij geruchte waar Livingstone eventueel zou kunnen zijn. Al spoedig begon men in zijn karavaan te muiten. Twee opzichters probeerden hem te vermoorden. Zware regens maakten het terrein onbegaanbaar. Hij kreeg te kampen met malaria en buikloop. Maar negen maan­den lang drong Stanley met een moed, de man naar wie hij zocht waardig, steeds verder het binnenland in.

Op 10 november haastten de mensen van Ujiji zich naar Livingstone om hem het opwindende nieuws te melden: er was een blanke aangekomen! Livingstone, uitgeteerd maar kaarsrecht, stond voor zijn tent verbaasd te turen naar de grote karavaan met aan het hoofd een lange blanke man, geflankeerd door een drager met de Amerikaanse vlag. De bewoners vormden een levende haag aan weerszijden van de weg waarlangs Stanley schreed voor een der meest dramatische ontmoetingen van alle tijden.

“Dr. Livingstone, naar ik aanneem!”

Stanley was juist op tijd gekomen. Twee jaar lang was Livingstone van alle geneesmiddelen verstoken geweest. Dankbaar aan­vaardde hij nieuwe kleren en benodigdheden, las gretig de brieven en luisterde naar het nieuws dat hem zo vanuit de buitenwereld bereikte.

Maar ondanks Stanley’s aandringen weigerde Livingstone met hem naar Engeland terug te keren. ‘Ik heb nog veel werk te doen!” zei hij. Zo aanvaardde Stanley dus de terugreis met het materiaal voor artikelen, die David Livingstone tot de meest besproken figuur van zijn tijd zouden maken.

Met nieuwe dragers en voorraden ging de moedige prediker opnieuw op weg, op zoek naar de bronnen van de Nijl. Maar op­nieuw lieten zijn krachten hem in de steek. Hij liet zich op een brancard vervoeren en zette koppig door. Toen men op een avond in een dorp van de Ilala’s aankwam, kon hij van uitputting geen woord uitbrengen. Zorgzaam legden zijn helpers hem op zijn veldbed. Kort voor het aanbreken van de dageraad vonden zij zijn ontzielde lichaam geknield bij het bed, het hoofd rustend op zijn gevouwen handen.

“De Goede is heengegaan!” Deze woorden gingen van hut tot hut, van dorp tot dorp. Duizenden bekeerlingen kwamen hem de laatste eer bewijzen. Zij beseften, dat in het verre Engeland de vrienden van de blanke dokter hem zouden willen begraven, dus balsemden zij zijn lichaam met liefderijke handen, maar verwij­derden het hart om dat eerbiedig bij te zetten in hun eigen grond, waar het hoorde.

Toen begon de langste dodenmars in de geschiedenis. Psalmen zingend, die de Goede hun geleerd had, aanvaardde de stoet de tocht van negen maanden naar de kust. Vanuit Zanzibar bracht een Engels vaartuig het stoffelijk overschot naar Engeland. Op 18 april 1874 vond David Livingstone een ereplaats in de abdij van Westminster.

In 1880 bracht koningin Victoria een openbare hulde aan de overleden zendeling voor zijn kruistocht tegen de slavernij in Afrika en maakte bekend, dat er met de sultan van Zanzibar en andere vorsten verdragen gesloten waren, waarbij de slavenhandel te land en ter zee verboden werd. En in de jaren volgend op het heengaan van de Goede gingen de mensen aan wie dr. Living­stone het licht van geloof en vrijheid had gebracht verder op het pad, dat hij hun gewezen had. Hun opgang is een levend ge­denkteken te zijner ere.

alle biografieën

 746

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.