VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (4)

.

Houd je het vol als (vrijeschool)leerkracht?
Uit eigen ervaring weet ik dat het ‘glijden naar de vermoeidheidsput’ langzaam gaat, het ‘hellend vlak’ is aanvankelijk niet zo steil. Maar ineens is daar toch de rand van het gat en het is geen prettige toestand als je (daar) in(-)stort.
Inzichten als onderstaande en de later genoemde verwijzingen naar ‘burn out’  e.d. kunnen je voor het te laat is, inzicht verschaffen in waar jij je op de helling bevindt.

.
Ineke van der Duijn Schouten i.s.m. George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr 167, winter 1995

.

Kiezen tegen vermoeidheid

Het thema vermoeidheid begint, wellicht dankzij de aandacht voor het chronisch vermoeidheidssyndroom , in de publieke belangstelling te komen. Moe zijn wordt niet meer alleen toegeschreven aan zeurkousen en kinderen die geen zin hebben om naar school te gaan. Veel mensen in onze tijd lijden in meer of mindere mate aan vermoeidheid. Hoe komt dat?

In onze cultuur vragen zo veel dingen de aandacht, is er zo veel te zien en te beleven, dat je al gauw tijd tekort komt om alles wat je wilt doen bij te benen. Wat dat betreft kun je onze cultuur omschrijven als een begeerte-cultuur. Met een geweldige honger naar indrukken, naar ervaringen en naar materiële zaken spoeden we ons van hot naar haar.

Bij de meeste mensen is er tot hun vijfendertigste niets aan de hand. De jeugdige kracht is tot die tijd op een vanzelfsprekende manier aanwezig, zij het in afnemende mate. Een drukke baan met veel verantwoordelijkheid, kleine kinderen die het nodige vergen, de voetbal- of tennisclub, het bestuur van de school, invallen voor een zieke collega, je ouders verzorgen, het huis opknappen, het kan allemaal.

Tot de eerste vermoeidheidssymptomen zich aandienen: hoofdpijn, vermoeide ogen, concentratiestoornissen, snel geïrriteerd raken, problemen met inslapen. Het is al heel wat als je dan onderkent dat je in een toestand van constante vermoeidheid bent beland. Vaak gebeurt dat niet en doet zich het eigenaardige verschijnsel voor dat je in plaats van minder, steeds meer hooi op je vork neemt: meer werk, meer hobby’s, meer functies in de vrijetijdssfeer. Zolang je immers maar bezig blijft, voel je niet hoe moe je bent.

Ook komt er dagelijks een grote hoeveelheid prikkels op ons af via de televisie, de computer, de video, maar ook op de weg in de vorm van verkeersborden, reclame-uitingen, lichten en het gedrag van andere weggebruikers. Als je een dag aan de computer hebt gezeten of op de snelweg hebt doorgebracht, heb je eerder de neiging om ’s avonds naar een spannende film te kijken (wat nieuwe prikkels geeft) dan naar een boek te grijpen. Dat komt doordat het ik, de sturende kracht van de mens, de veelheid van indrukken niet meer aankan en zich terugtrekt. Als je oververmoeid bent, neemt het vermogen tot kiezen af. Je ondergaat dan alleen nog maar wat op je afkomt en je bent minder bestand tegen verleidingen. Het is de overprikkeling die een mens allereerst moe, en ten slotte ziek maakt. Dat geldt ook voor mensen onder de vijfendertig. Je kunt het aan kinderen vaak zien als ze de vorige dag een aantal uren tv hebben gekeken of veel computerspelletjes achter de kiezen hebben.

Moeten we dan dus maar alles wat kan opjagen en vermoeien uit ons leven bannen? Weg tv, computer, auto, krant en werk? Nee, want die elementen zijn een onderdeel van ons dagelijks leven. Waar het om gaat, is daarin naar een zekere mate van harmonie te streven, zodat je niet uit het lood raakt.

Harmonie is met je ik het midden vinden tussen twee uitersten. Harmonie zoeken betekent voortdurend keuzes maken tussen het een en het ander. Zelf sta je als oordelende, keuzemakende instantie (als ik) tussen de dingen waaruit je kiest. Wil je de vermoeidheid te lijf gaan, dan zul je dus heel bewust, vanuit je ik, keuzes moeten maken.

Wat betekent dat concreet? Bij fysieke vermoeidheid geldt allereerst: opbouwen door slaap, rust en goed eten. Wie moe is, gaat zich vaak te buiten aan grote hoeveelheden zoetigheid of koffie, omdat dat tijdelijk helpt. Later volgt dan een ‘dip’. Ook bij psychische overbelasting is rust het allerbelangrijkste. Verder helpt het als je streeft naar ritme in de dag- en weekindeling. Wie door de week vroeg opstaat en zaterdags lang uitslaapt om eens goed bij te komen, kan er tot zijn verbazing een katterig, duf gevoel en een dag hoofdpijn aan overhouden. Rust nemen op zondag is belangrijk als je op maandag met gebundelde kracht aan de slag wilt.
Wat ook goed werkt is terugkijken op de week die achter je ligt. Waaraan heb ik mijn tijd besteed? Waar lagen de moeilijke momenten? Welke rustmomenten heb ik ingebouwd?
Op de week die voor je ligt kun je je voorbereiden, zodat de dingen je minder overkomen en je meer greep krijgt op je leven. Een te volle agenda kun je bijstellen en er kan ruimte worden gemaakt voor een ‘gezinsavond’, zodat je niet langs elkaar heen leeft.

Keuzes maken en grenzen trekken is moeilijk. Daarbij ontstaat vaak angst: angst om niet meer mee te tellen, de boot te missen, de verkeerde dingen te kiezen. In de praktijk blijkt die angst meestal ongegrond. Van het maken van eigen keuzes gaat juist een geweldige kracht uit: de beste remedie tegen overmoeidheid!

Bij dit artikel stond deze illustratie van Sonia van der Klift:

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkrachtalle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

.

2803-2631

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 304A

 ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

ANTROPOSOFISCHE MENSKUNDE EN PEDAGOGIEK

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven.

voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923
is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met
voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [3]  [4]  [6]  [7]  [8]  [9]

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt, is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Blz. 94

Voordracht 5, Ilkley 10 augustus 1923
(Steiner hield op deze dag nog een voordracht over pedagogie. Deze staat in GA 307)

DIE WALDORFSCHUL-PÄDAGOGIK

Meine sehr verehrten Anwesenden, vorerst bitte ich Sie um Entschuldi­gung, daß ich nicht in der landesüblichen Sprache zu Ihnen reden kann. Aber da dies nicht möglich ist, muß ich es in meiner Sprache tun und es muß nachher übersetzt werden. Die Waldorfschul-Methode, über die gewünscht wird, daß ich hier einiges Prinzipielle mitteile, verdankt ihr Entstehen dem Zusammenströ­men von zwei geistigen Elementen. Die Waldorfschule in Stuttgart ist zunächst begründet worden in der aufgeregten Zeit nach dem Kriege in Deutschland, wo man daran gedacht hat, manche sozialen Einrichtungen zu treffen.
Der Industrielle Emil Molt dachte zunächst daran, für die Kinder seines Industrie-Unternehmens eine Schule zu begründen; eine Schule, welche erzieherisch in der Art wirkt, daß der erzogene Mensch sich allmählich in vernünftiger, rein menschlicher Art auch in das soziale Leben hineinstellen könne und die soziale Bewegung nicht rein abhängig sein solle von dem politischen Agitationswesen. Das war zunächst das eine Element.

DE VRIJESCHOOLPEDAGOGIE

Zeer geachte aanwezigen. Allereerst bied ik mijn excuses aan dat ik niet in de taal van het land tot u kan spreken. Maar omdat dit niet gaat moet ik het in mijn eigen taal doen en dat moet daarna vertaald worden.
De wens dat ik hier over de vrijeschoolmethode een paar principiële dingen zeg, dankt haar ontstaan aan het samenkomen van twee geestelijke stromingen. In eerste instantie is de vrijeschool in Stuttgart opgericht in de gespannen tijd na de oorlog in Duitsland,[W.O.1] toen men eraan dacht een paar sociale instellingen in het leven te roepen.
De ondernemer Emil Molt dacht in eerste instantie een school op te richten voor de kinderen van zijn werknemers; een school die opvoedkundig zo werkt dat de opgevoede mens stap voor stap op een verstandige, puur menselijke manier mee zou kunnen doen m.n. in het sociale leven en dat de sociale beweging niet alleen maar afhankelijk zou zijn van politieke agressie. Dat was aanvankelijk de ene kant.

Emil Molt war langjähriges Mitglied der anthroposophischen Bewe­gung, jener anthroposophischen Bewegung, welche versucht, in das soziale Leben der Gegenwart wiederum spirituelle Erkenntnisse, eine Wirklichkeit vom geistigen Leben hineinzubringen, die ebenso fest auf den menschlichen Wahrheitsprinzipien fundiert ist, wie das bei der seit Jahrhunderten ganz groß gewordenen Naturwissenschaft der Fall ist. Und so forderte Emil Molt mich als den Träger dieser anthroposophi­schen Bewegung auf, das Pädagogisch-Didaktische hineinzutragen in diese Waldorfschule.
Dadurch ist diese Schule nicht eine solche geworden, wie sie vielleicht gewünscht wird aus den mannigfaltigsten erzieherischen Reformbestre­bungen der Gegenwart, sondern sie ist eine Schule geworden, die ganz allein begründet ist auf Pädagogik und Didaktik, auf jene Pädagogik und Didaktik, die hervorgehen kann aus wirklicher, tief eindringlicher Menschenerkenntnis.

Emil Molt was al heel wat jaren lid van de antroposofische beweging die nastreeft in het huidige sociale leven weer spirituele kennis, een realiteit van geestelijk leven te brengen die net zo gefundeerd is op de menselijke principes van waarheid, zoals dat bij de sedert eeuwen zo groot geworden natuurwetenschap het geval is. En zo nodigde Emil Molt mij uit om als drager van deze antroposofische beweging, het pedagogisch-didactische van de vrijeschool voor mijn rekening te nemen.
Daarom is de school er geen geworden zoals dat misschien wenselijk geacht werd vanuit de meest uiteenlopende vernieuwingspogingen in deze tijd, maar het is een school geworden die enkel rust op pedagogiek en didactiek, die pedagogiek en didactiek die volgen kan uit een echte, diep indringende menskunde.

Blz. 95

Wir haben allmählich im Laufe unserer Zivilisation eine eigentliche Menschenerkenntnis verloren. Wir wenden den Blick mehr hin auf die äußere Natur, sehen auch im Menschen nur dasjenige, was die physisch-natürliche Grundlage ist. Nun darf selbstverständlich im Erziehungswe­sen die physisch-natürliche Grundlage nicht gering geachtet werden; allein der Mensch ist ein Wesen, das aus Körper, Seele und Geist besteht, und eine wirkliche Menschenerkenntnis kann nur zustande kommen, wenn Geist, Seele und Körper in gleichem Maße wirklich durchschaut werden.
Dadurch, daß eine solche, auf Menschenerkenntnis und damit auch auf Erkenntnis des werdenden Menschen, des Kindes, gebaute Pädago­gik der Waldorfschule und ihren Prinzipien zugrunde liegt, dadurch sind diese Prinzipien solche, die nicht darauf angewiesen sind, in irgendeiner so oder so lokalisierten Schule realisiert zu werden. Nicht darauf kommt es an, Landschulen oder Stadtschulen zu berücksichtigen; nicht dar­auf kommt es an, In- oder Externate zu berücksichtigen, sondern die Waldorfschule ist eine Schule geworden, welche streng aufgebaut ist auf einem pädagogisch-didaktischen Prinzip, das sich allen möglichen äußeren, durch das soziale Leben gebotenen Verhältnissen anpassen kann.

In de loop van de beschaving zijn we een echte menskunde kwijtgeraakt. We kijken meer naar de natuur buiten ons en zien van de mens ook alleen de fysiek-natuurlijk basis. Vanzelfsprekend mag daar in de opvoedkunde niet geringschattend naar gekeken worden; alleen, de mens is een wezen dat bestaat uit lichaam, ziel en geest, en er kan alleen een echte menskunde komen, wanneer geest, ziel en lichaam in gelijke mate daadwerkelijk gezien worden.
Omdat er aan de vrijeschool en haar principes zo’n menskunde en daarmee ook aan die kennis over de wordende mens, het kind, gefundeerde pedagogiek ten grondslag ligt, zijn die principes zo dat deze niet aangewezen zijn om op een of andere school daar of daar gerealiseerd te worden. We hoeven geen rekening te houden met scholen in een dorp of in een stad, of een internaat of dat de leerlingen ’s avonds weer naar huis gaan, de vrijeschool is een school geworden die strikt gebaseerd is op een pedagogisch-didactisch principe dat zich aan alle mogelijke, uiterlijke, door het sociale leven geboden omstandigheden kan aanpassen.

Damit ist zugleich darauf hingewiesen, daß in dieser Waldorfschule, trotzdem sie zunächst mit den Kindern der Industrie-Unternehmung des Emil Mol verbunden war, heute sich Kinder aller Klassen, aller Stände finden, so daß diese Schule eine wirkliche menschliche Einheitsschule ist. Denn dasjenige, was aus wirklicher Menschenerkenntnis an pädago­gisch-didaktischen Impulsen herausgeholt wird, ist ein Allgemein-Menschliches, ist ein Internationales und ein solches, das für alle Klas­sen, für alle Kasten der Menschheit gültig ist. Ich möchte nun nicht im allgemeinen programmatisch die Prinzipien der Waldorfschule hier erörtern, dazu ist mir zuwenig Zeit geboten, und da die Waldorfschule im wesentlichen nicht auf einem Programm beruht, sondern auf der unmittelbaren, täglich zu übenden Praxis, auf dem unmittelbaren Umgange mit dem Kinde und seinem Wesen, so läßt sich eigentlich in wenigen Worten nur andeutungsweise sagen, worin die Prinzipien der Waldorfschule bestehen. Und das bitte ich Sie zu berück­sichtigen,

Daarmee heb ik er tegelijk op gewezen dat op deze vrijeschool, ondanks dat deze in eerste instantie verbonden was met de kinderen van het bedrijf van Emil Molt, tegenwoordig kinderen zitten uit alle lagen van de bevolking, zodat deze school een echte menselijke schoolgemeenschap is. Want wat uit echte menskunde aan pedagogisch-didactische impulsen gehaald kan worden, is algemeen menselijk, is internationaal en als zodanig is dat geschikt voor alle rangen en standen van de mensheid. Ik ga nu niet alle programmatische principes van de vrijeschool uit de doeken doen, want daarvoor heb ik te weinig tijd gekregen en omdat de vrijeschool in wezen niet op een programma stoelt, maar op de praktijk die zonder omwegen, dagelijks beoefend moet worden, op de directe omgang met het kind, hoe dat is, kan je eigenlijk met weinig woorden aanduiden waaruit die uitgangspunten van de vrijeschool bestaan. Wilt u er a.u.b. rekening mee houden,

Blz. 96

daß ich also nur ganz spärliche Andeutungen geben kann über dasjenige, um was es sich dabei handelt.
Menschenkenntnis bedeutet vor allen Dingen die Einsicht, daß der werdende Mensch in einem viel stärkeren Maße, als man das gewöhnlich annimmt, Entwickelungsepochen unterworfen ist. Zwar sind diese Ent­wicklungsepochen von den Erziehungsprinzipien aller Zeiten mehr oder weniger berücksichtigt worden, aber in ganz eindringlicher, inten­siver Weise sollen sie gerade durch die Waldorfschul-Pädagogik Zur Geltung kommen. Da soll scharf hingewiesen werden darauf, wie um das siebente Lebensjahr herum – approximativ natürlich – dann, wenn beim Kinde der Zahnwechsel eintritt, eine vollständige Umwandelung, eine vollstän­dige Metamorphose im Leben des Kindes auftritt. Das Kind wird ein anderes Wesen in einer gewissen Beziehung dadurch, daß es die zweiten Zähne bekommt. Und worauf beruht diese Umwandelung im Wesen des Kindes? Sie beruht darauf, daß mit dem siebenten Jahre diejenigen Kräfte, die vorher organische Entwickelungskräfte waren, die impulsie­rend im Atem, im Blutkreislauf, im ganzen Aufbau des Organismus, in Wachstum und Ernährung gewirkt haben, daß diese nun nur einen Rest noch zurücklassen für die organische Tätigkeit und sich metamorphosie­ren, umwandeln zu einem, wenn ich so sagen darf, metamorphosierten Seelenleben des Kindes. 

dat ik maar mondjesmaat aanwijzingen kan geven over waarom het gaat. Menskunde betekent vooral het inzicht dat de wordende mens op een veel sterkere manier dan men gewoonlijk aanneemt, onderworpen is aan ontwikkelingsfasen. Weliswaar zijn deze fasen in de opvoedingsprincipes van alle tijden min of meer gezien, maar m.n. door de vrijeschoolpedagogie moeten ze op een heel indringende, intensieve manier tot zijn recht komen.
Met nadruk moet erop gewezen worden hoe er rond het zevende jaar – bij benadering natuurlijk, bij het kind dan, wanneer de tandenwisseling begint, een volledige verandering, een totale metamorfose plaatsvindt in het leven van het kind. Op een bepaalde manier wordt het kind een heel ander wezen doordat het zijn tanden begint te wisselen.
En waarop berust die verandering in het wezen van het kind? Die berust op het feit dat met het zevende jaar de krachten die daarvoor organische ontwikkelingskrachten waren, die impulserend op de adem, op de bloedsomloop, op de hele opbouw van het organisme, op groei en voeding hebben gewerkt en waarvan nog een restje overblijft voor de organische activiteit, dat die zich metamorfoseren, veranderd worden in een gemetamorfoseerd zielenleven van het kind. 

Man hat in der neueren Zeit vielfach bei psychologischen Studien darüber nachgedacht, wie die Seele in den Leib, in den Organismus des Kindes hineinwirkt. Eine wirkliche Geisteswissenschaft ist nicht etwas, was in mystischen Nebelregionen schwebt, sondern was wirklich in praktischer, in unmittelbar erfahrungsgemäßer Weise hinschaut zum Leben, zur Welt.
Daher frägt diese Geisteswissenschaft nicht abstrakt nach der Beziehung von Seele und Leib, sondern sie frägt erfahrungsge­mäß, man möchte sagen, lebensexperimentellgemäß nach der Beziehung zwischen Seele und Leib.
Da findet man, daß die seelischen Kräfte ihre eigene Wirksamkeit als organische Kräfte zeigen zwischen der Geburt des Kindes und dem Zahnwechsel. Was da im Leibe geschieht, ist dasselbe, was später beim Kinde durch das Denken, durch das Gedächtnis, das dann in mehr

Men heeft er de laatste tijd dikwijls bij psychologische studies over nagedacht, hoe de ziel op het lichaam, op het organisme van kind inwerkt. Echte geesteswetenschap is niet iets wat in mistige wolken zweeft, maar wat daadwerkelijk direct op een praktische, op een direct ervarende manier naar het leven, naar de wereld kijkt. Daarom vraagt deze geesteswetenschap niet abstract naar de relatie van ziel en lichaam, maar vanuit het ervaren, je zou kunnen zeggen in overeenstemming wat je in het leven meemaakt. Dan vind je dat de krachten van de ziel hun eigen werkzaamheid tussen de geboorte van het kind en de tandenwisseling vertonen als organische krachten. Wat er in het lichaam gebeurt is hetzelfde als wat later bij het kind door het denken, door het geheugen gebeurt, dat dan op een meer

Blz.  97

enianzipierter, in rein seelischer Weise gehandhabt wird, was im späteren Lebensalter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife vom Kinde in der Seele ausgeübt wird.
Zu schärfen den Blick für diese Metamorphose für das Menschenleben um das siebente Jahr herum, zu schärfen weiter den Blick für jene ungeheure Metamorphose, die sich dann im vierzehnten, fünfzehnten Jahre mit der Geschlechtsreife vollzieht, das ist das erste, was Gesinnung werden muß, Charakter werden muß vor allen Dingen bei dem Lehrer.
Und derjenige, der mit solcher Gesinnung an den werdenden Men­schen, an das Kind herangeht, der weiß vor allen Dingen, daß das Kind bis zum siebenten Jahre eine Art universellen Sinnesorganes ist, daß es sich als ganzer Organismus – annähernd, approximativ – so verhält zu seiner Umgebung, wie sich sonst das Auge oder Ohr, eben ein Sinnesor­gan zur Umgebung verhält. Das Sinnesorgan ist fähig, die entsprechen­den Eindrücke der Umgebung aufzunehmen, zu imitieren im Bilde. Der Mensch bis zu seinem siebenten Lebensjahr ist innerlich ganz von intensiven Elementen durchpulst. Er nimmt dasjenige, was in seiner Umgebung ist, auf wie ein totales Sinnesorgan.

geëmancipeerde, op een puur zielsmatig niveau aanwezig blijft, wat op een latere leeftijd tussen tandenwisseling en puberteit door het kind in de ziel uitgeoefend wordt.
Wat als eerste de houding van de leerkracht moet worden, karakter moet worden is, dat deze zijn blik schoolt voor deze metamorfose in het leven van de mens rond zijn  zevende jaar en verder ook voor die intense metamorfose die zich voltrekt rond het veertiende, vijftiende jaar, met de geslachtsrijpheid.
En wie met zo’n instelling de wordende mens, het kind tegemoet treedt weet boven al dat het kind tot aan zijn zevende jaar een soort universeel zintuigorgaan is, dat het als een volledig organisme – bij benadering – zo tot zijn omgeving staat als op een ander vlak het oog of het oor als zintuigorgaan tot de omgeving. Het zintuigorgaan is in staat om de overeenkomstige indrukken van de omgeving op te nemen, na te bootsen in het beeld. Door de mens trekken tot zijn zevende innerlijk krachtige impulsen. Wat er in zijn omgeving is, neemt hij als een volledig zintuigorgaan op

Er ist ganz nachahmen­des Wesen. Es ist merkwürdig, wenn man das Kind studiert, so ist es durch seine physische Organisation bis zum siebenten Jahre zu seiner Gesamtumgebung, zur Gesamtwelt, in diesem physisch sich ausleben­den Verhältnisse, das sich später spiritualisiert und zum religiösen Verhältnis wird. Und wir verstehen das Kind bis zum Zahnwechsel nur, wenn wir in ihm wahrnehmen diejenigen Kräfte, diejenigen Impulse, die aus seiner physisch-seelischen Organisation heraus das Kind zum Homo religiosus durch und durch machen. Demgemäß muß sich die ganze Umgebung benehmen. Wir müssen dem Kinde gegenüber dasjenige vollziehen, was das Kind durch unmittelbare Sinne nachahmen darf. Wenn das Kind, sagen wir, stiehlt, ich möchte durch ein Beispiel mich ausdrücken, so kann der folgende Tatbestand vorliegen: Ein Elternpaar kam einmal sehr erregt zu mir und sagte: Unser Junge stiehlt! – Ich sagte sofort: Das muß man erst untersuchen, ob es ein wirkliches Stehlen ist. -Was hatte der Junge getan? Der Junge gab Geldstücke, die er aus dem Schrank seiner Mutter genommen hatte, aus; er gab sie anderen Kindern hin. Er verrichtete sogar eine menscher’freundliche Tat dabei! Er hatte

Het is helemaal een nabootsend wezen. Het is opvallend, wanneer je het kind bestudeert, dat het door zijn fysieke organisatie tot aan het zevende jaar t.o.v. zijn totale omgeving, zijn hele wereld, in deze fysiek zich uitdrukkende relatie leeft, die later spiritueler, en tot een religieuze relatie wordt.
En we begrijpen het kind tot aan de tandenwisseling pas, wanneer wij in hem de krachten waarnemen, díe impulsen die uit zijn fysiek-psychische organisatie hem helemaal tot een homo religiosis maken. De hele omgeving moet zich dienovereenkomstig gedragen. Wij moeten t.o.v. van het kind doen wat het door zijn direct werkende zintuigen na mag bootsen.
Wanneer het kind, zeggen we, steelt, kan het volgenden zich voordoen, ik geef een voorbeeld.
Een ouderpaar kwam eens zeer aangedaan naar me toe en zei: ‘Onze jongen steelt!’ Ik zei meteen: ‘We moeten eerst onderzoeken of het wel echt stelen is.’ Wat had de jongen gedaan? Hij had geld weggepakt uit de kast van zijn moeder en aan andere kinderen gegeven. Hij verrichte er zelfs een sociale daad mee! Hij had

Blz. 98

jeden Tag den Ort gesehen, woher die Mutter Geld nahm. Er sah die Tat der Mutter als das Rechtmäßige an. Er ahmte sie nach. Es war die Imitation der Tat der Mutter, nicht ein Diebstahl.
Es handelt sich immer darum, daß wir scharf darauf hinzusehen vermögen, daß das Kind alles dasjenige nachzuahmen vermag, alles das auch nachahmen darf, was in seiner Umgebung geschieht. Das aber geht
– und das ist nun das Wichtige – bis hinein in die Empfindungen, bis hinein in die Gedanken. Derjenige ist der beste Erzieher für das Kind bis zum siebenten Lebensjahr, der nicht nur in den äußeren Handlungen dasjenige tut, was das Kind nachahmen darf, sondern der sich auch keine anderen Empfindungen gestattet, keine anderen Gedanken gestattet, als sie das Kind in sich ausüben darf.
Dann muß man in der richtigen Weise darauf hinschauen können, wie nun diese ganze Handhabung der Erziehung als ein geistiges Wirken auf das Kind übergeht. In den ersten sieben Lebensjahren ist für das Kind alles organisch. Die Art und Weise, wie jemand in der Umgebung des Kindes sich auslebt, wenn er, sagen wir, ein jähzorniger Mensch zum Beispiel ist, wirkt auf das Kind. Das Kind ist fortwährend den Handlun­gen des Jähzorns ausgesetzt, es erlebt in sich das Schockierende von Handlungen, die aus dem Jähzorn hervorgehen. Das wirkt nicht bloß seelisch auf das Kind, das wirkt hinein in die Atmung, in die Blutzirkula­tion, das wirkt hinein in den Gefäßaufbau.

iedere dag de plek gezien waaruit moeder geld nam. Hij hield de daad van zijn moeder voor iets wat klopt. Dat deed hij na. Het was de imitatie van de daad van de moeder, geen diefstal.
Het gaat er steeds om dat we scherp in de gaten houden dat een kind alles wil nadoen, alles ook mag nabootsen wat er in zijn omgeving gebeurt. Dat gaat – en dat is nu zo belangrijk – tot in de gevoelens, tot in de gedachten.
Voor het kind tot aan het zevende levensjaar is de beste opvoeder iemand die niet alleen in zijn uiterlijke manier van doen laat zien wat een kind mag nabootsen, maar die bij zichzelf ook geen andere gevoelens toelaat, geen andere gedachten dan waarmee het kind in zichzelf bezig mag zijn.
Dan moet je op de juiste manier kunnen kijken naar hoe deze hele opvoedingshandeling als een geestelijke werking op het kind overgaat. Bij het kind in de eerste zeven levensjaren is alles nog organisch. De manier hoe iemand zich in de omgeving van het kind gedraagt, laten we zeggen dat het een opvliegend persoon is, is van invloed op het kind. Het kind is voortdurend overgeleverd aan de opvliegende handelingen, hij ervaart in zich het schokkende van dat gedrag dat voortkomt uit dat opvliegend-zijn. Dat werkt bij het kind niet alleen op het gevoel, maar het werkt door op de ademhaling, op de bloedcirculatie, tot in de bloedvaten.

Und derjenige, der nun wirklicher Menschenkenner ist, der das menschliche Leben nicht nur nach einem Lebensalter, sondern nach dem gesamten Erdenleben von der Geburt bis zum Tode beobachten kann, der weiß, daß dasjenige, was in den ersten sieben Lebensjahren durch psychische, durch spirituelle Wirkungen, durch die Eindrücke der Außenwelt in den Gefäßen, in der Blutzirkulation, in den intimen Atmungsprozessen bewirkt wird, daß sich das in den spätesten Lebensjahren, bis zum vierzigsten, fünfzigsten Jahre, in der Organisation zeigt. Ein Kind, das hin- und hergeworfen wird zwischen Eindrücken, die verwirrend sind, bekommt ein unsiche­res Zusammenwirken von Atmung und Blutzirkulation.
Das sind nicht Dinge, die die grobe Medizin angehen, das sind feine Dinge im Zirkulationssystem des Menschen, die derjenige, der das Kind erziehen will, kennen muß.

En wie nu een echte mensenkenner is, wie het menselijke leven niet alleen maar in één levensfase kan waarnemen, maar het hele leven door, vanaf de geboorte tot aan de dood, weet dat wat er in de eerste zeven jaar door psychische, door mentale invloeden, door indrukken vanuit de omgeving in de aderen, in de bloedsomloop, in de subtiele ademhalingsprocessen veroorzaakt wordt, dat dat in de veel latere levensjaren, het veertigste, vijftigste jaar, in de lichaamsorganisatie zichtbaar wordt.
Een kind dat heen-en-weer geslingerd wordt tussen deze indrukken die verwarrend werken, ontwikkelt een problematisch samengaan van adem en bloedsomloop.
Dat zijn niet die dingen die de arts in grote lijnen aanpakt, dat zijn subtiele dingen in het circulatiesysteem van de mens die degenen die het kind willen opvoeden, moeten kennen.

Blz. 99

Im siebenten Lebensjahre, mit dem Zahnwechsel – der Zahnwechsel ist gewissermaßen ein Schlußpunkt; wir wechseln nur einmal die Zähne
– werden die Kräfte, die den Zahnwechsel bewirken, dann frei für das spätere Leben; sie gehen in das Psychische, Seelische über. Und dann haben wir im volksschulmäßigen Alter, in dem Alter, in dem wir das Kind volksschulmäßig zu erziehen haben, diejenigen Kräfte, die im Organismus bis zum siebenten Jahre plastisch gewirkt haben, so vor uns, daß sie bis zur Geschlechtsreife hin im Organismus, man kann sagen, musikalisch wirken. Bis zum siebenten Jahre wirkt die Kopforganisation auf den ganzen menschlichen Organismus. Der Kopf des Menschen ist der große Plastiker, der die Gefäße gestaltet, den Blutkreislauf und so weiter bewirkt.
Vom siebenten bis zum fünfzehnten Jahre wird das rhythmische System im weitesten Sinne das Maßgebende im menschli­chen Organismus. Und sind wir imstande, dem rhythmischen System in unserem Unterricht, in unserer Erziehung selber Rhythmus, Takt, ja ein allgemeines Musikalisches zu geben durch unsere ganze Schulführung, durch unsere ganze Erziehung, durch unseren ganzen Unterricht, dann kommen wir demjenigen entgegen, was die Menschennatur fordert.

In het zevende jaar, met de tandenwisseling – de tandenwisseling is in zekere zin een eindpunt: we wisselen maar eenmaal in ons leven onze tanden – komen de krachten die de tandenwisseling veroorzaken, vrij voor het verdere leven; ze gaan over in het psychische. En dan hebben we in de basisschoolleeftijd, de leeftijd wanneer we het kind op school moeten opvoeden, te maken met die krachten die tot het zevende jaar plastisch hebben gewerkt, en die tot aan de geslachtsrijpheid in het organisme nu ‘muzikaal’ werken. Tot aan het zevende jaar werkt de hoofdorganisatie op het hele menselijke organisme. Het hoofd van de mens is een grote beeldhouwer, die de aderen vormt, de bloedsomloop, enz.
Vanaf het zevende tot het vijftiende jaar wordt het ritmische systeem verreweg maatgevend in het menselijk organisme. En als we in staat zijn het ritmische systeem in ons onderwijs, in onze opvoeding zelf ritme, maat, ja iets algemeen muzikaals mee te geven door hoe we op school leiding geven, door onze hele opvoeding, door ons hele onderwijs, dan beantwoorden we aan wat de mens van ons vraagt.

Diesen Unterricht von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife muß man nun so einrichten, daß er im wesentlichen appelliert an das künstlerische Element.
Und ein künstlerisches Element ist es, das den Waldorfschul-Unter­richt vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre durchaus durchzieht. Das Kind soll zu allem bildlich geführt werden. Wir lehren das Kind nicht von vornherein die abstrakten Buchstaben kennen. Das gibt kein menschliches Verhältnis zu den abstrakten Geheimzeichen, die in einer zivilisierten Kultur die Buchstaben sind. Die Schriftzeichen sind etwas Abstraktes. Wir arbeiten sie in der Waldorfschule aus dem Bilde heraus. Wir lassen das Kind zunächst malen, zeichnen, und nähern dann dasje­nige, was aus der menschlichen Natur fließt im Malen, im Zeichnen, den Buchstabenformen an. Und dann erst, wenn der ganze Organismus nach Leib, Seele und Geist durch das Schreibenlernen, das aus der Kunst herausgeholt wird, ergriffen ist, dann gehen wir über zu demjenigen, was nur einen Teil des Menschen ergreift, zum Lesen. Denn das Lesen hat es nicht zu tun mit der ganzen menschlichen Totalität, sondern nur mit

Dit lesgeven vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit moet zo worden georganiseerd dat het in wezenlijk appelleert aan het kunstzinnige element.
Het is het kunstzinnige element dat door het vrijeschoolonderwijs heen loopt vanaf het zevende tot aan het veertiende jaar. Bij alles moet het kind tot het kunstzinnige komen. Wij leren het kind niet meteen de abstracte letters aan. Er is geen menselijke verbinding met de abstracte geheime tekens wat in een beschaafde cultuur de letters zijn. De schrifttekens zijn iets abstracts. We werken op de vrijeschool vanuit het beeld. We laten het kind allereerst schilderen, tekenen en zo komen we met wat uit de menselijke natuur in dit schilderen en tekenen binnenstroomt, bij de lettervormen uit. En pas dan, wanneer heel het organisme -lichaam, ziel en geest – door het leren schrijven dat uit de kunst wordt ontwikkeld, gepakt is, dan gaan we over op wat maar een deel van de mens pakt, tot het lezen. Want het lezen heeft niet van doen met de totale mens, slechts met

Blz. 100

einem Teil; während das Schreiben herausgeholt wird aus der ganzen Totalität. Geht man so vor, dann hat man den Menschen richtig nach Leib, Seele und Geist betrachtet.
Wenn man den ganzen Unterricht so gestaltet, daß das Künstlerische an das Kind herangebracht wird, der Lehrer in seinem ganzen Gebaren ein Künstler ist im Erziehen, im Unterrichten, stellt sich etwas Merk­würdiges ein. Sehen Sie, heute wird viel darüber nachgedacht, wie man das Kind am wenigsten ermüdet. Man registriert in Ermüdungskurven, welche Lehrgegenstände, welche Verrichtungen leiblicher, physischer oder geistiger Art das Kind am meisten ermüden. In der Waldorfschuje wird an dasjenige Menschensystem appelliert im Unterricht oder in der Erziehung, das überhaupt nicht ermüdet. Der Mensch ermüdet durch seinen Kopf, durch das Denken, der Mensch ermüdet in den Bewegun­gen, in den Verrichtungen seines Willens mit dem Bewegungsleben. Das rhythmische System, das Atmungs-Herzsystem, dasjenige, was dem eigentlich Künstlerischen zugrunde liegt, das funktioniert, Sie können wachen, Sie können schlafen, Sie können müde sein, Sie kön­nen nicht müde sein – das funktioniert in der gleichen Weise von der Geburt bis zum Tode fort. Das gesündeste Erziehungssystem besteht darinnen, daß man appelliert an das nie ermüdende rhythmische System des Menschen.

een deel; terwijl het schrijven tevoorschijn gehaald wordt uit de totale mens. Als je zo te werk gaat, beschouw je de mens op de juiste manier als lichaam, ziel en geest.
Wanneer je het hele onderwijs zo vormgeeft dat het kind het kunstzinnige krijgt, de leerkracht in zijn hele gedrag een kunstenaar is in het opvoeden en lesgeven, dan valt iets op. Tegenwoordig wordt er veel over nagedacht hoe je het goed zo min mogelijk vermoeit. Men vermoeidheidsstatistieken wordt geregistreerd welke vakken, welke lichamelijke of geestelijke activiteit het kind het meest moe maken. Op de vrijeschool wordt dat systeem in de mens aangesproken bij het onderwijs of bij de opvoeding, dat eigenlijk nooit moe wordt. De mens wordt moe door zijn hoofd, door het denken; de mens wordt moe door bewegen, door de activiteit van zijn wil in de bewegingen.
Het ritmische systeem, het ademhalingssysteem, het hart, dat wat eigenlijk ten grondslag ligt aan het kunstzinnige, functioneert; je kan slapen of wakker zijn, je kan moe zijn of je bent niet moe – dat functioneert gelijkmatig van geboorte tot aan de dood. Het gezondste opvoedingssysteem bestaat uit het appelleren aan het ritmische systeem van de mens dat nooit moe wordt.

Darauf sehen wir, aus einer gründlichen Menschenerkenntnis heraus, daß aller Unterricht, alle Erziehung gegründet ist auf das rhythmische System, daß er appelliert an das rhythmische System des Menschen.
Wenn man so in alles Plastik und Musik hineinbringt, wenn man überall von dem Bildlichen, von dem Rhythmischen, Taktmäßigen, Melodiösen ausgeht, dann merkt man etwas sehr Eigentümliches. Dann merkt man, daß, indem das Kind vorrückt aus dem künstlerischen Betätigen, etwas als Forderung sich ergibt über dasjenige, was man in Bildern entwickelt hat, was man im musikalischen Ergreifen der Welt entwickelt hat; in dem zeigt sich, daß es zu reich ist, um immer von dem Menschen genossen zu werden. Das Kind zeigt sehr bald, im zehnten, elften Jahre, daß das Künstlerische zu reich ist, als daß sich der Mensch immer diesem Künstlerischen hingeben kann, und es entstehen in dem Menschen die Begierden nach Vereinfachung. Und dies ist dann eine

We zorgen ervoor, vanuit een verdiepte menskunde dat al het onderwijs, elke opvoeding gebaseerd is op het ritmische systeem, dat het appelleert aan het ritmische systeem in de mens.
Wanneer je dan in alles iets plastisch, iets muzikaals brengt, wanneer je overal van het beeldende, van ritme en maat, melodie uitgaat, merk je iets heel merkwaardigs. Dan merk je dat als het kind met het kunstzinnig bezig zijn verder gaat, er iets als een vraag ontstaat buiten hetgeen om van wat je met beelden ontwikkeld hebt, wat je ontwikkeld hebt door de wereld muzikaal te begrijpen, en daaruit wordt duidelijk dat dit te veel is om steeds door de mens genoten te worden. Het kind laat al gauw zien, op z’n 10e, 11e jaar dat het kunstzinnige te veel is om zich er als mens steeds aan over te geven en er ontstaat in de mens een behoefte aan iets eenvoudigers. En dat is dan een 

Blz. 101

naturgemäße elementarische Begierde, die aus dem Kinde hervorgeht, die Begierde nach Vereinfachung.
Und indem aus dem Künstlerischen heraus die Begierde nach Verein­fachung entsteht, kann man das Künstlerische erst zum Intellektuellen hinübertragen. Denn hat man erst den Reichtum des Künstlerischen dem Kinde gegeben, dann darf man ihm, ohne seine physische und seelische Entwickelung zu stören, die Armut des Intellektuellen beibringen. Wir holen daher alles Intellektuelle aus dem Künstlerischen heraus.
Und auf der anderen Seite, wenn man das Kind mit seinem Körper sich bewegen läßt im Sinne des Künstlerischen, wenn man die Glieder des Körpers selber sich bewegen läßt im Sinne des Musikalischen, wie es in der Eurythmie geschieht – die ja jetzt auch drüben in Ilkley gezeigt wird -, wenn man das Kind in die plastische Betätigung, in die musikali­sche Betätigung, die aber den ganzen Körper ergreift, hineinbringt, dann entsteht ein merkwürdiger Hunger in dem Kinde, ein geistig-seelischer physischer Hunger. Die Organisation des Kindes verlangt dann ganz bestimmte Leibesübungen, eine ganz bestimmte Körperpflege; denn die Körperpflege ist nur gesund für die Entwickelung des menschlichen Organismus, wenn im menschlichen Organismus ein geheimnisvoller Hunger nach solchen Bewegungen, wie man sie in der gymnastischen Körperpflege hat, vorhanden ist, so daß das intellektuelle Bedürfnis und das Willensbedürfnis aus dem künstlerischen Bedürfnis heraus kommen.

natuurlijke, elementaire behoefte die vanuit het kind komt, de behoefte aan versimpeling.
En wanneer vanuit het kunstzinnige de behoefte een vereenvoudiging ontstaat, dan pas kan je het kunstzinnige op het intellect overbrengen. Want als je eerst de rijkdom van het kunstzinnige aan het kind hebt gegeven, dan mag je, zonder zijn fysieke en psychische ontwikkeling te verstoren, het dat armoedige van het intellectuele geven. Vandaar dat wij al het intellectuele uit het kunstzinnige halen. En aan de andere kant: wanneer je het kind met zijn lichaam laat bewegen op een kunstzinnige manier, wanneer je hem zijn ledematen zelf laat bewegen op muziek, zoals bij euritmie gebeurt – die nu ook elders in Ilkley te zien is – wanneer je het kind plastische bezigheden geeft, muzikale bezigheden die het hele lichaam aanspreken, dan ontstaat er een wonderlijke honger in het kind, naar geest, ziel en lichaam.
De organisatie van het kind vraagt dan heel bepaalde lichaamsoefeningen, een heel bijzondere verzorging van het lichaam; want lichaamsverzorging is alleen gezond voor de ontwikkeling van het menselijk organisme, wanneer in dit menselijk organisme een geheimzinnige honger naar die bewegingen uitgaat zoals je die bij gymnastische lichaamsverzorging hebt, zodat de intellectuele behoefte en de wilsbehoefte vanuit de kunstzinnige behoefte komen.

Dadurch aber bekommen wir eine Erziehung, ein Unterrichtswesen, das nicht auf irgendeinen Teil der Menschennatur, sondern auf den ganzen Menschen hinzielt. Dadurch bekommen wir die Möglichkeit, zum Beispiel das Gedächtnis so auszubilden, daß dieses Gedächtnis auf die körperliche Organisation im günstigen Sinne wirkt. Ich möchte Ihnen nun auf diese Weise etwas sagen, was heute noch paradox klingt, was aber zukünftig ein Eigentum der Physiologie überhaupt sein wird: Beim Kinde wirkt alles, was geistig wirkt, zugleich körperlich, geht bis in die Organisation hinein. Dann aber bleibt es in der Organisation. Wir beobachten heute im Leben Menschen, die um das fünfzigste Lebensjahr herum allerlei Stoffwechselkrankheiten bekommen, Rheumatismus und dergleichen. Derjenige, der zur Pädagogik das Kind nicht bloß im kindlichen Alter beobachtet, sondern der da weiß, wie das kindliche

Daardoor echter krijgen we een opvoeding, een onderwijs dat zich niet op een of ander deel van de mensennatuur richt, maar op de totale mens. Daardoor krijgen we de mogelijkheid om bijv. het geheugen zo te vormen dat dit gunstig werkt op de lichamelijke organisatie. Ik wil u op deze manier iets zeggen wat nu nog paradoxaal klinkt, maar wat in de toekomst echt bij de fysiologie zal gaan horen: Bij het kind werkt alles wat geestelijk werkt, tegelijkertijd lichamelijk, gaat tot in de organisatie. Dan blijft het daar echter. Wij kijken tegenwoordig naar het leven van de mens die rond het vijftigste jaar allerlei stofwisselingsziekten krijgt, reuma enzo. Degene die voor de pedagogiek het kind niet alleen in de kinderleeftijd waarneemt, maar die weet hoe de kinderleeftijd

Blz. 102

Alter der Keim ist für das ganze Leben, wie der Pflanzenkeim für die ganze Pflanze, der weiß, daß wenn man dem Kinde zuviel zumutet an Gedächtnismaterial, dies in seinen Organismus so hineinschießt, daß im vierzigsten, fünfzigsten Jahre die Stoffwechselkrankheiten so auftreten, daß sie durch den Organismus nicht mehr beherrscht werden können. Indem ich Ihnen dieses andeute, werden Sie mir glauben können, daß bei uns in der Waldorfschule alles darauf ausgeht, das Geistig-Seelische so zu treiben, daß es zugleich den entsprechenden körperlichen Effekt auf den Menschen hat. Jede Lehrstunde ist zugleich hygienisch einge­richtet, weil eben gesehen wird, wie der Geist im menschlichen Organis­mus in seinen Wirkungen sich fortsetzt.Damit aber sind wir imstande, indem wir so Pädagogik und Didaktik auf Menschenkenntnis aufbauen, tatsächlich auch den Lehrplan und die Lehrziele für die einzelnen Schuljahre von dem Kinde selber abzulesen. Man folgt einzig und allein dem, was einem das Kind gibt. Unsere Pädagogik ist durch und durch Menschenkenntnis.

de kiem is voor het hele leven, zoals de plantenkiem dat is voor de hele plant, die weet dat wanneer we van een kind te veel verlangen aan geheugenstof, dat dit zo heftig in zijn organisme gaat zitten dat wanneer het veertig of vijftig jaar oud is, er zich stofwisselingsziekten voordoen die door het organisme niet meer beheerst kunnen worden.
Als ik u dit zo aangeef, kan u mij geloven dat bij ons op de vrijeschool er alles op gericht is geest en ziel zo te leiden dat deze op de mens van invloed is zoals dat hoort. Ieder lesuur is tegelijkertijd hygiënisch opgebouwd, omdat ingezien wordt hoe de geest in het menselijk organisme verder doorwerkt. Daarmee zijn we echter ook in staat, wanneer we op deze manier pedagogiek en didactiek de basis geven van menskunde, daadwerkelijk ook het leerplan en de leerdoelen voor de verschillende leerjaren van het kind zelf af te lezen. Je volgt enkel en alleen wat het kind je laat zien. Onze pedagogiek is door en door menskunde.

Dadurch glauben wir, nicht nur zu erziehen vom Gesichtspunkte des Kindes aus, sondern vom Gesichtspunkte des ganzen Erdenlebens aus. Denn die Sache ist so, daß derjenige zum Beispiel gar sehr irrt, der da glaubt – die ja von anderen Gesichtspunkten aus durchaus berechtigten Anschauungen, Methoden, dürfen nicht übertrieben werden -, man dürfe dem Kinde nur dasjenige beibringen, was es schon selbst aus der Anschauung verstehe.
Derjenige, der das sagt, der weiß nicht, was für einen Lebenswert zum Beispiel das folgende hat: Zwischen dem sieben­ten Jahre und der Geschlechtsreife ist es die größte Wohltat für das Kind, wenn es einem Erzieher und Lehrer gegenüberstehen kann, der für es selbstverständliche Autorität ist. Geradeso wie bis zum siebenten Jahre das Imitationsprinzip herrschen muß, muß zwischen dem sieben­ten und vierzehnten Jahre das Autoritätsprinzip herrschen. Und da wird manches, was noch nicht durchschaut werden kann vom Kinde, rein auf Autorität des geliebten Lehrers, des geliebten Erziehers, durch Liebe in die Seele aufgenommen, durch jene Liebe, welche das wichtigste Erzie­hungsprinzip ist. Und dann soll man nur wissen, wie mancher Mensch im dreißigsten, vierzigsten Lebensjahre an etwas zurücksinnen kann, was er auf die Autorität seines geliebten Erziehers im achten, neunten

Daardoor geloven we niet alleen op te voeden vanuit het gezichtspunt van een kind, maar vanuit het gezichtspunt van het hele aardse leven. Want het zit zo dat degene die bijv. denkt – die vanuit andere gezichtspunten zeker terechte opvattingen heeft dat methoden echt niet overdreven moeten worden –  dat je een kind alleen maar mag bijbrengen wat het zelf vanuit zijn eigen opvattingsvermogen begrijpt, zich erg vergist  Wie dat zegt weet niet wat bijv. het volgende voor waarde voor het leven heeft: tussen het zevende jaar en de puberteit is het voor een kind de grootste weldaad, als het een opvoeder, een leraar voor zich heeft, die voor hem de vanzelfsprekende autoriteit is. Zoals tot het zevende jaar het nabootsingsprincipe leidend moet zijn, zo moet tussen het zevende en het veertiende jaar het principe van de autoriteit leidend zijn. En dan wordt er door het kind nog veel van wat het niet doorzien kan, puur op basis van ontzag voor de geliefde leraar, opvoeder, door liefde in het gevoelsleven opgenomen, door die liefde die het belangrijkste opvoedingsprincipe is. En dan hoef je alleen maar te weten hoe sommige mensen op hun drieëndertigste, vierendertigste jaar zich iets kunnen herinneren van wat zij op gezag van hun geliefde opvoeder op hun achtste, negende

Blz. 103

Lebensjahre aufgenommen hat. Jetzt geht es wiederum aus der Seele herauf, durchdringt das Bewußtsein, nachdem man reif geworden ist. Man fängt an, dasjenige durch seine eigenen Menschenkräfte zu verste­hen, was man mit dem achten, neunten Lebensjahr auf die geliebte Autorität des Lehrers hin aufgenommen hat.
Und geschieht so etwas, so ist es ein Quell von menschlichen Erfri­schungskräften, so bedeutet es tatsächlich eine Vitalisierung des ganzen Menschen im späteren Leben, nach Jahrzehnten erst zu verstehen, was man vorher durch die Liebe zur Autorität aufgenommen hat.
Ich möchte das auch auf moralischem Gebiete zur Geltung bringen. Dasjenige, was religiöse Erziehung des Kindes ist, wird auf die Weise hervorgeholt, daß man dem ursprünglich religiösen Drang folgt, der wie impulsiv im Kinde lebt. Dann aber wird man folgendes beobachten können: Gibt es nicht Menschen, welche, wenn sie ein gewisses Alter erreicht haben, wie segnend unter ihre Mitmenschen treten, rein durch ihre Anwesenheit?

levensjaar opgenomen hebben. Nu komt het weer uit de ziel omhoog, doordringt het bewustzijn nadat men volwassener is geworden. Je begint nu op eigen kracht te begrijpen wat je toen op je achtste, negende door de geliefde autoriteit in je hebt opgenomen.
En als dat gebeurt, is dat een bron van menselijke krachten die verfrissend werken, dan betekent na tientallen jaren iets begrijpen van wat je eerder door liefde voor een autoriteit opgenomen hebt, een werkelijke vitalisering van de hele mens in zijn latere leven. Dat wil ik ook laten gelden voor het morele. Als het om de religieuze opvoeding van een kind gaat, volgen we zijn oorspronkelijke religieuze drang die impulsief in het kind leeft. Dan kun je het volgende waarnemen: Zijn er geen mensen die, wanneer ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt, zegenrijk tussen hun medemensen kunnen staan, alleen al doordat ze er zijn?

Wir wissen es ja, es kann irgendeine Gruppe von Versammelten sein – ein solcher Mensch tritt herein, und nicht so sehr, was er spricht, sondern einzig und allein, daß er da ist, wie er spricht, wie der Tonfall seiner Stimme und seiner Gebärde ist, das wirkt wie Gnade ausgießend auf seine Umgebung. Solche Menschen können uns lehren, wenn wir zurückblicken in ihre frühere Kindheit, wodurch sie in dieser Weise wie Gnade gebend, wie Segen spendend geworden sind: sie sind es dadurch geworden, daß sie als Kind die Möglichkeit gehabt haben, durch das fast religiöse Verhältnis zu der geliebten Autorität, verehren zu können, in Ehrfurcht aufschauen zu können. Niemand kann in seinem Alter segnen, der nicht in seinem Kindesalter in Hochschätzung vereh­rend aufgeschaut hat zu einer geliebten Autorität. Ich möchte das symbolisch so ausdrücken: Derjenige, der da will im späteren Lebensal­ter die Hand zum Begnaden, zum Segnen ausbreiten, der muß sie im kindlichen Alter zum Gebete richtig innerlich gefaltet haben. So wirkt das Falten der Hände, symbolisch gesprochen, zu dem Segnen der Hände von dem Kindesalter hinüber in das späteste Lebensalter

We weten dat er een of andere groep samen gekomen kan zijn – dan komt er zo’n mens binnen en dan is het niet zozeer om wat hij zegt, maar puur omdat hij er is, hoe hij spreekt, hoe zijn toon is, zijn stem en gebaren; dat werkt als een soort genade die over zijn omgeving uitstroomt. Die mensen kunnen ons leren, wanneer we op onze vroege kindertijd terugblikken, waardoor ze op deze manier zo geworden zijn dat ze genadevol, zegenend kunnen zijn: dat zijn ze geworden omdat ze als kind de mogelijkheid kregen door de bijna religieuze relatie met de geliefde autoriteit, te kunnen vereren, te kunnen opkijken tegen een geliefde autoriteit. Ik wil dat symbolisch zo tot uitdrukking brengen: degene die op latere leeftijd zegenend zijn handen wil strekken, moet in zijn kindertijd eerbiedig zijn handen hebben kunnen vouwen bij het bidden. Zo werkt het vouwen van de handen in de kinderleeftijd, symbolisch gesproken, door tot de zegenende handen van in het latere leven.

Blz. 104

So haben wir überall hinzuschauen auf den ganzen Menschen und während des Kindesalters den Keim zu legen zu einem innerlich religiös erfaßten Sittlichen, und zu einem Menschen, der dem Leben voll gewachsen ist.
Das kann man dann, wenn man versucht, wirklich aus voller Menschenerkenntnis heraus, aus jener Menschenerkenntnis, die sich aus Menschenbeobachtung ergibt von der Geburt bis zum Grabe hin, die Pädagogik zu holen. Wenn in unserer Zeit die Erziehungsreformbestre­bungen in so intensiver Weise auftreten, so ist es, weil die Erziehungs-frage für unsere Zeit auch die größte soziale Frage ist.
Das aber durchglüht die Waldorfschul-Pädagogik, von der ich hier nun in ganz kurzer Weise habe sprechen wollen, wie eine Gesinnung, wie eine allgemeine Menschenliebe. Und daher geben wir uns, so schwach auch, so unvollkommen noch dieser Versuch sein mag, wir geben uns doch der Hoffnung hin, daß gerade eine auf Menschener­kenntnis gebaute Pädagogik auch im besten Sinne eine menschenbil­dende Pädagogik sein kann, daß man, indem man aus der Beobachtung des Menschenlebens in der Schule wirkt, man am besten auch durch die Schule auf das Leben wirkt. Und das wird wohl die Grundfrage der meisten erzieherischen Reformbestrebungen der Gegenwart sein.

We moeten bij alles naar de totale mens kijken en tijdens de kinderleeftijd de kiem planten voor een innerlijk religieus opgevatte moraliteit en voor een mens die tegen het leven volledig is opgewassen.
Dat kun je alleen wanneer je probeert daadwerkelijk vanuit de rijke menskunde, vanuit die menskunde die ontstaat door het waarnemen van de mens vanaf de geboorte tot het graf, je pedagogiek te halen. Wanneer in onze tijd het streven naar vernieuwing van het onderwijs zo duidelijk zichtbaar is, dan komt dat omdat de opvoedingsvraag in onze tijd ook de grootste sociale vraag is. Dat echter, doorstraalt de vrijeschoolpedagogiek waarover ik hier maar heel kort heb kunnen preken, als een levensinstelling, als een algemene liefde voor de mens. En vandaaruit hopen we, hoe zwak nog, hoe onvolkomen nog dit proberen ook mag zijn, dat met name een op menskunde berustende pedagogiek ook in de beste zin een mensvormende pedagogiek kan zijn, dat je, als je vanuit het waarnemen van het leven van de mens zo in de school werkt, je ook het beste door de school op het leven werkt. En dat zou weleens de basisvraag kunnen worden van de meeste opvoedkundige vernieuwingspogingen in onze tijd.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2802-2630

.

.

.

VRIJESCHOOL- Jaargetijden

.
Friedrich Husemann †, Weledaberichten nr. 118 sept. 1979

OVER DE INVLOED VAN DE JAARGETIJDEN
.

Het is voor onze gematigde zone typerend, dat het jaar niet gelijkmatig, maar in jaargetijden verloopt. Men behoeft slechts beschrijvingen uit de tropen te lezen, waar het weer van de ene dag gelijk is aan dat van de volgende en het jaar niet uit vier jaargetijden maar werkelijk slechts uit 365 eendere dagen bestaat die ’s morgens om 6 uur beginnen en ’s avonds om 6 uur eindigen, om te beseffen welk een vergaande betekenis voor ons totale leven de geleding van het jaar in lente, zomer, herfst en winter heeft.
Reeds als men naar Zuid-ltalië of andere landen op dezelfde breedtegraad gaat, beleeft men niet meer wat wij onder ‘winter’ verstaan.

Een bewijs, dat de jaargetijden een belangrijke invloed op de ziel hebben, is overbodig. Wie dat nog niet mocht hebben opgemerkt, hoeft maar een gedichtenbundel op te slaan om zich ervan te overtuigen dat na de liefde de jaargetijden de grootste rol spelen. Wat altijd hetzelfde blijft brengt de mens niet zo gemakkelijk in beroering. Hij wil afwisseling hebben, contrasten zien, de verschijnselen van verschillende kanten beleven.

Daar is een landschap met een rivier, maar zonder iets wat de aandacht trekt. Wie daar woont, gaat dat vervelend vinden. Maar de jaargetijden komen hem te hulp: het voorjaar na de strenge winter tooit het tafereel lieflijk met tere tinten. De zomer verdiept de kleuren, het landschap wordt meer concreet en de mens van zijn kant moet moeite en tijd eraan besteden. Door talloze activiteiten gaat hij er volledig in op en de streek wordt zijn thuis. Maar ongemerkt is het herfst geworden, de oogst is binnengehaald en de natuur lijkt zich in zichzelf terug te trekken. Wat zij nu in kleuren laat opvlammen komt hem niet vol beloften tegemoet, maar lijkt zich steeds meer te verwijderen, net als een schip dat de landverhuizers in bontgekleurde tooi wegvoert. Maar juist omdat wij weten: de zomer is voorbij, wat nu nog glanst is slechts de kleurrijke weerschijn van wat geweest is, beleven wij de kleuren op zichzelf, als openbaring van het licht en een hogere wereld schijnt zich erin te willen uiten.

Steeds nieuwe gevoelens wekken de jaargetijden in de ziel op. Het zijn de melodieën, die de natuur zelf op het instrument van de ziel speelt. Het schijnt dat daar een ongestoorde verbinding tussen de natuur en de ziel heerst.

Er ligt iets tegenstrijdigs in als wij zien, dat de gestemdheid van de ziel stellig niet bij alle mensen zo is als men op grond van de natuurlijke betekenis van de jaargetijden zou verwachten. Er zijn bijv. veel mensen, die regelmatig in het voorjaar eerder depressief dan blijmoedig gestemd zijn. Schiller bijv. was zo iemand.
In het voorjaar komen de meeste zelfmoorden voor, vanaf de herfst al minder en in de winter is het aantal het geringst.

Daaruit blijkt, dat de mens niet eenvoudigweg alleen maar een natuurlijk wezen is, maar dat hij als een zelfstandig wezen in de samenhangen van de natuur is ingeschakeld. De processen van de natuur hebben een diepgaande invloed op hem, maar hoe zij op hem inwerken en hoe die werking door de ziel wordt ervaren, dat is om zo te zeggen de persoonlijke formule van ieder afzonderlijk.

Meteorologisch onderzoek sinds enkele tientallen jaren heeft het mogelijk gemaakt om diep in dit geheimzinnig verband door te dringen. Uitgangspunt voor dit nieuwe gebied van wetenschap ontstond door het onderzoek omtrent rachitis. Zoals men weet, uit deze ziekte zich door een eigenaardige weekheid van het beenderstelsel, maar ook in allerlei andere symptomen. Al spoedig kon men vaststellen, dat de beenderen in deze toestand te weinig kalk bevatten. Wat lag meer voor de hand dan deze storing aan kalkarmoede van het voedsel te wijten? — Het is in dit artikel niet mogelijk om op het terecht zo genoemde ‘dramatische verloop’ van het rachitisonderzoek in te gaan. Maar tot allergrootste verbazing van de onderzoekers bleek, dat niet kalkgebrek de ziekte teweegbrengt, maar dat deze veroorzaakt wordt doordat het zonlicht in de winter armer wordt aan ultraviolette stralen.

Voor het eerst moest de empirische wetenschap het concrete feit toegeven, dat het meest vaste in het menselijke organisme, het beenderstelsel, niet vast wordt door het opnemen van minerale stoffen, maar dat het organisme deze slechts kan integreren, als het immateriële, het licht, daarbij te hulp komt. Het is begrijpelijk, dat de wetenschap zo lang aarzelde om het spoor, dat in deze richting wees, te volgen! — Tegenwoordig echter is dit verband algemeen aanvaard.

Meer nog: wij weten thans, dat alle mensen die op onze breedtegraad wonen door het ritme van de zonnestralen in hoge mate worden beïnvloed. De Deense doofstommenleraar Malling-Hansen deelde reeds in 1884 op grond van talrijke waarnemingen bij zijn pupillen mee, dat bij de kinderen de groei in de lengte niet gelijkmatig in de loop van het jaar plaatsvindt, maar in de herfstmaanden slechts gering is, van december tot maart dubbel zo snel wordt en dan tot midden augustus langzaam doorgaat om in de herfst en de winter weer tot een rustig verloop te komen. Men heeft zelfs over een ‘winterrust’ in het beenderstelsel gesproken. Niet alleen echter in het beenderstelsel, maar in het gehele organisme heerst min of meer in de winter een toestand van rust. — Dat het in Kopenhagen waargenomen groeiritme werkelijk met de loop van de zon samenhangt blijkt uit het feit dat in Australië, waar het, zoals bekend is, winter is als wij zomer hebben, het ritme precies omgekeerd verloopt.

De werking van de zon op het organisme dringt door tot in de binnenste gebieden ervan. Niet alleen in het opgroeiende, maar ook in het voltooide organisme vinden wij elk jaar bij toenemende intensiteit van de zonnestraling (februari-maart) een vermindering van de fosforzouten in het bloed. Ook het gezonde organisme maakt in uiterst subtiele mate de schommelingen door die bij de lijder aan Engelse ziekte zo duidelijk aan de dag treden, met dat verschil dat het eerstgenoemde organisme stabiel genoeg is om ondanks deze schommelingen de totale toestand van ‘gezondheid’ vast te houden.

Als dan het voorjaar begint, is door de toename van de sterke ultraviolette straling het organisme aan bijzonder sterke prikkels blootgesteld. Het opgroeiende ‘ organisme ontwaakt uit zijn ‘winterrust’, in versneld tempo begint de groei van de beenderen weer; een tijdelijke kalkarmoede van het organisme veroorzaakt de dispositie voor de verhoogde gevoeligheid voor kouvatten, slijmvliesontsteking en infecties, de bekende voorjaarsziekten. De mensen van onze zone zijn in een voortdurend ritme hierin geplaatst. Sterker dan in mensen van andere breedtegraden pulseert het leven, dat tussen aarde en kosmos pendelt, door zijn organisme heen. Winterrust, opleving in het voorjaar, dood en leven zijn de toppen en dalen van de golven van dit ritme. Meer dan mensen van andere zones is hij daarom voorbeschikt om dit leven te onderzoeken, te begrijpen en er door de geneeskunde vat op te krijgen, want het menselijke organisme is het fijnste instrument dat de natuur heeft geschapen.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

2801-2629

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-6)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 193 – 195 van de vertaling*

.

Ging het in het vorige artikel vooral om ‘de geest buiten ons’, hier gaat het om ‘de geest binnen ons’.

Blz. 192  vert. 193

Wie ist es denn mit der geistigen Arbeit? 

Hoe is dat nu met geestelijke inspanning?

Het blijft natuurlijk lastig om precies voor ogen te hebben wat dit geestelijke nu weer betekent. Je zou hier bijv. ook kunnen vertalen met ‘activiteit van het verstand’, in ieder geval ‘iets mentaals’.
Als Steiner zo dadelijk het voorbeeld ‘lezen’ noemt, weten we al dat het hier ook gaan om ‘voorstellen’, de ‘oude kracht’ zoals dat beschreven wordt in de 2e voordracht.  Bijv. hier.
En we herkennen door die 2e voordracht ook dit:

Mit der geistigen Arbeit, also mit Denken, Lesen und so weiter ist es so, daß sie fortwährend begleitet ist Von leiblich-körperlicher Tätigkeit, von fortwährendem innerem Zerfall der organischen Materie, von Totwerden der organischen Materie. 

Met geestelijke inspanning, met lezen en denken bijvoorbeeld, is het zo dat ze voortdurend gepaard gaan met een lichamelijke activiteit: voortdurend brokkelt er in ons innerlijk organische materie af en sterft af.

Steiner noemt dat nu nog niet, maar ik wil er al graag op wijzen dat we in de vrijeschoolpedagogie dit afsterven proberen af te zwakken door met fantasie, beeldend, les te geven, waardoor er weer harmonie ontstaat of blijft bestaan.
Dat – onder andere – noemt Steiner ‘kunstzinnig onderwijs’.

Dus als het onderwijs in dit opzicht te onevenwichtig wordt:

Wir haben daher, indem wir uns zuviel geistig-seelisch beschäftigen, zerfallende organische Materie in uns.

Wanneer we ons nu met onze geest en ziel te veel inspannen, dan is er in ons organische materie in verval.

Het gaat dus om die spiegelende activiteit uit de 2e voordracht:

Verbringen wir unseren Tag restlos nur in gelehrter Tätigkeit, so haben wir am Abend zuviel zerfallene Materie in uns, zerfallene organische Materie.

Brengen we de hele dag door met louter geleerde bezigheden, dan hebben we ’s avonds te veel dode materie in ons, dode organische materie.

Nu komen we opnieuw bij de slaap uit, maar anders dan in het vorige artikel waar het ging om de slaap die ontstaat door te veel met de ledematen actief te zijn en dat dan weer bij de zgn. (voor de geest) ‘zinloze’ bezigheden.

Die wirkt in uns. Die stört uns den ruhigen Schlaf. Übertriebene geistig-seelische Arbeit zerstört ebenso den Schlaf, wie übertriebene körperliche Arbeit einen schlaftrunken macht. 

Die werkt in ons door. Die verstoort onze rustige slaap. Overdreven inspanning van geest en ziel verstoort de slaap, zoals overdreven lichamelijke inspanning ons slaapdronken maakt.

Maar niet alleen ’s nachts gebeurt er iets, ook overdag al:

Aber wenn wir uns zu stark geistig-seelisch anstrengen, wenn wir Schwieriges lesen, so daß wir beim Lesen auch denken müssen – was ja bei den heutigen Menschen nicht gerade beliebt ist -, wenn wir also zuviel denkend lesen wollen, schlafen wir darüber ein.

Maar het is ook zo dat we, als we ons te zeer inspannen met geest en ziel, als we iets moeilijks lezen en erbij moeten denken — tegenwoordig niet zeer populair — en te veel willen denken tijdens het lezen, dat we er dan bij in slaap vallen.

En als we proberen dit aan ons zelf waar te nemen, kunnen we ervaren dat dit zo is. En hoe reageren onze leerlingen op wat we ze laten horen. Wat zien de bovenbouwleerkrachten wanneer ze hun lessen geven als docent, met te veel accent op ‘doceren’, een tikje overdreven gezegd: wanneer ze maar praten en praten?

Oder wenn wir nicht dem wasserklaren Geschwafle der Volksredner oder anderer Leute zuhören, die nur das sagen, was man schon weiß sondern wenn wir zuhören denjenigen Leuten, deren Worten man mit seinem Denken folgen muß, weil sie einem etwas sagen, was man noch nicht weiß dann wird man müde und schlaftrunken.

Zo is het ook wanneer we niet luisteren naar het doorzichtige gebazel van bijvoorbeeld een volksredenaar of andere lieden die alleen zeggen wat men al weet, maar naar mensen luisteren wier woorden men met zijn denken moet volgen omdat ze iets uitdrukken wat men nog niet weet – dan wordt men moe en slaperig.

Blz. 193 vert. 194

Es ist ja eine hekannte Erscheinung, daß die Menschen, wenn sie, weil es «sich so gehört», in Vorträge, in Konzerte gehen und nicht gewohnt sind, wirklich denkend und empfindend das zu erfassen, was ihnen geboten wird, beim ersten Ton oder beim ersten Wort einschlafen. Sie verschlummern oft den ganzen Vortrag oder das ganze Konzert, dem sie pflichtgemäß oder standesgemäß beigewohnt haben.

Het is een bekend verschijnsel dat mensen die naar voordrachten of concerten gaan omdat ‘dat zo hoort’ en die niet gewend zijn om werkelijk denkend en voelend in zich op te nemen wat hun geboden wordt, dat die bij de eerste toon of het eerste woord in slaap vallen. Ze verslapen vaak de hele voordracht of het hele concert als ze daar alleen vanuit plichts- of standsgevoel zijn heengegaan.

(Wellicht houdt Steiner met deze woorden ook enkele van zijn eigen toehoorders een spiegel voor).

Wat ik hierboven over ‘kunstzinnig onderwijs’ opmerkte, krijgt hier een bredere basis:

Nun, da ist wiederum ein Zweifaches vorhanden. Wie ein Unterschied ist zwischen der sinnvollen äußeren Tätigkeit und der sinnlosen äußeren Geschäftigkeit, so ist auch ein Unterschied zwischen der mechanisch verlaufenden inneren Denk-und Anschauungstätigkeit und zwischen der fortwährend mit Gefühlen begleiteten inneren Denk- und Anschauungstätigkeit.

Nu, daar gebeuren twee dingen. Zoals er een verschil is tussen het zinvol bezig zijn in de buitenwereld en de zinloze bedrijvigheid in de buitenwereld, zo is er ook een verschil tussen het mechanisch verlopende denken en voorstellen in de mens en het denken en voorstellen dat voortdurend met gevoelens gepaard gaat.

Wil je vrijeschoolleerkracht zijn, dan kun je hier niet omheen:

Wird unsere geistig-seelische Arbeit so getrieben, daß wir fortwährendes Interesse mit ihr verbinden, dann belebt das Interesse,  belebt die Aufmerksamkeit unsere Brusttätigkeit und läßt die Nerven nicht im Übermaße absterben.

Spannen we onze geest en ziel zo in, dat we ook voortdurend interesse hebben in wat we doen, dan zet deze interesse, deze aandacht ons borststelsel in beweging, brengt er leven in waardoor de zenuwen niet overmatig afsterven.

En dit geldt m.i. ook voor het model van lesgeven: uitleg – begrijpen – reproduceren: (ofwel het bloedeloos doceren)
Zie bijv ook: voordracht 4.

Je mehr Sie bloß dahinlesen, je weniger Sie sich bemühen, das Gelesene in sich mit tiefgehendem Interesse aufzunehmen, desto mehr fördern Sie das Absterben Ihrer inneren Materie.

Hoe vluchtiger u leest, hoe minder u probeert om dat wat u leest met diepgaande interesse in u op te nemen, des te meer bevordert u het afsterven van materie in u.

En dus ook:

Je mehr sie mit Interesse, mit Wärme alles verfolgen, desto mehr fördern Sie die Bluttätigkeit, das Lebendig-erhaltenwerden der Materie, desto mehr verhindern Sie auch, daß Ihnen die geistige Tätigkeit den Schlaf stört.

Hoe meer u met interesse, met warmte alles volgt, des te meer bevordert u de activiteit van het bloed en het levendig houden van de materie en des te meer verhindert u ook dat de geestelijke inspanning uw slaap verstoort.

Examen

Wenn man dem Examen entgegenbüffeln muß – man kann auch ochsen sagen, je nach dem Klima -, nimmt man eben viel auf gegen das Interesse. Denn würde man nur nach seinem Interesse aufnehmen, dann würde man – nach den heutigen Zeitverbältnissen mindestens – durchfallen. Die Folge ist, daß einem das Büffeln oder Ochsen zum Examen den Schlaf zerstört, daß es in unser normales Menschendasein Unordnung hineinbringt. Das muß insbesondere bei Kindern beachtet werden.

Wanneer men voor een examen moet blokken of de stof erin moet stampen, neemt men veel in zich op tegen zijn interesse in. Zou men namelijk alleen dat in zich opnemen waarvoor men zich interesseert, dan zou men — althans in de huidige situatie – zakken. Het gevolg is dat dat geblok of gestamp voor een examen de slaap verstoort, dat het ons normale leven ontregelt. Dat moeten we vooral bij kinderen in de gaten houden.

Ook op de vrijescholen is het eindexamen vanzelfsprekend geworden. Maar het is niet in een vanzelfsprekende overeenstemming te brengen met de vrijeschoolpedagogie zoals Steiner die voor ogen had.

Nu spreekt hij hier nog over ‘kinderen’ en niet over jongvolwassenen, maar de toets waaraan we onze 6e-klassers onderwerpen, valt m.i. wél binnen deze geschetste ‘examensfeer’.
Zie bijv. ‘leerstress‘.

Daher ist es bei Kindern am allerbesten, und es wird dem Ideal der Erziehung am meisten entsprechen, wenn wir überhaupt das sich aufstauende Lernen, das immer vor dem Examen getrieben wird, ganz weglassen, das heißt, die Examina ganz weglassen; wenn das Ende des Schuljahres geradeso verläuft wie der Anfang. 

Voor kinderen is het het allerbeste – in een ideale opvoeding – wanneer we vermijden dat het in korte tijd veel moet leren, zoals voor een examen. Dat betekent dat we de examens helemaal weglaten. Dan verloopt het einde van het schooljaar precies als het begin.

In het Nederlandse onderwijsveld gaan telkens stemmen op om te breken met de toetsgewoonte. Er zijn niet veel stemmen van vrijeschoolleerkrachten bij.
Steiners woorden in deze 13e voordracht hebben daar helaas niet voor kunnen zorgen. Terwijl ze toch duidelijk genoeg zijn:

Wenn wir uns als Lehrer die Verpflichtung auferlegen, uns zu sagen: Wozu soll denn das Kind geprüft werden? Ich habe das Kind ja immer vor Augen gehabt und weiß ganz gut, was es weiß oder nicht weiß. 

Dan nemen we het als leraar op ons om te zeggen: waarom moet het kind geëxamineerd worden? Ik heb het kind de hele tijd meegemaakt en weet heel goed wat het weet of niet weet.

Het is begrijpelijk dat Steiner nog voorzichtig moet zijn: alles is nieuw en er moet nog zoveel!
Maar na ‘100 jaar vrijeschool’ zouden we m.i. veel verder moeten zijn!

Natürlich kann das unter den heutigen Verhältnissen vorläufig bloß ein Ideal sein, wie ich Sie überhaupt bitte, nicht Ihre Rebellennatur zu stark nach außen zu kehren. Kehren Sie zunächst dasjenige, was Sie vorzubringen haben gegen unsere gegenwärtige Kultur, wie Stacheln nach innen, damit Sie langsam dahin wirken – denn auf diesem Gebiet können wir nur langsam wirken -, daß die Menschen anders denken lernen, dann werden auch die äußeren sozialen Verhältnisse in andere Formen eintreten, als sie jetzt sind.

Natuurlijk kan dat in de huidige situatie voorlopig slechts een ideaal zijn. Ook wat dit betreft verzoek ik u zich niet al te rebels te gedragen. Richt u alle stekels die u opzet tegen onze huidige cultuur eerst maar eens op uzelf, opdat u er langzaam aan werkt dat de mensen anders leren denken – want op dit gebied kunnen we niet anders dan langzaam werken. Dan zullen ook de uiterlijke sociale omstandigheden andere vormen krijgen dan nu.

En dan tot slot nog een keer een korte samenvatting van de hele voordracht:

Aber man muß alles im Zusammenhang denken. Man muß wissen, daß Eurythmie, von Sinn durchzogene äußere Tätigkeit, Vergeistigen der körperlichen Arbeit, und Interessant machen des Unterrichts in nicht banaler Weise, Beleben – wörtlich genommen -, Beleben, Durchhluten der intellektuellen Arbeit ist.

Maar men moet alles met alles in verband zien. Men moet weten dat men de intellectuele inspanning verlevendigt — letterlijk tot leven brengt — door het onderwijs interessant te maken, op een niet banale wijze; dat is het doorbloeden van de intellectuele bezigheden. En men moet weten dat lichamelijke inspanningen worden vergeestelijkt door euritmie, door uiterlijke activiteit die van zin vervuld is.

Wir müssen die Arbeit nach außen vergeistigen; wir müssen die Arbeit nach innen, die intellektuelle Arbeit, durchbluten! Denken Sie über diese zwei Sätze nach, dann werden Sie sehen, daß der erstere eine bedeutsame erzieherische und auch eine bedeutsame soziale Seite hat; daß der letztere eine bedeutsame erzieherische und auch eine bedeutsame hygienische Seite hat.

We moeten ons werken in de buitenwereld vergeestelijken en ons werken naar binnen, het intellectuele werk, doorbloeden. Denkt u over deze twee zinnen na, dan zult u zien dat de eerste zin een belangrijke opvoedkundige en sociale kant heeft en dat de tweede een belangrijke opvoedkundige en hygiënische kant heeft.

.

Toetsen: alle artikelen

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2800-2628

.

.

.

.

.


.

VRIJESCHOOL – 7e klas voedingsleer (6-4/2)

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 167 winter 1995
.

Over water

In de Tweede Wereldoorlog streek een eskader legervliegtuigen in een stil gedeelte van de Sahara neer om er een groep Australische soldaten af te zetten. Na een kort verblijf trokken ze verder en was de woestijn weer even doods en verlaten als altijd.
Enkele maanden later viel er een korte maar hevige regenbui op deze plaats. En na enige dagen bedekte een tapijt van veelkleurige bloeiende Australische planten de plek, waarop de soldaten via hun kleren en tenten zaadjes uit hun thuisland hadden achtergelaten.
Deze gebeurtenis is een sprekend beeld van de beslissende rol die het water heeft voor het ontstaan van leven op aarde.

Door water gaan niet alleen de aardse krachten werken. Planten groeien tegen de zwaartekracht in en de levensprocessen zijn een radicale doorbreking van de chemische en natuurkundige aardse wetmatigheden. Het zijn letterlijk uitzonderlijke eigenschappen, die het water in staat stellen bemiddelaars voor het leven te zijn.

Gelukkig is onze planeet rijkelijk van water voorzien. Tweederde deel van het aardoppervlak bestaat uit oceanen. En door de vele vormen die het water aan kan nemen, bereikt het ook alle delen van het vasteland. Het stroomt in de rivieren, stijgt als nevel en wolken op en daalt ergens anders weer neer als regen, hagel of sneeuw.

Naast deze uitzonderlijke vormenrijkdom is ook de verhouding van water ten opzichte van warmte uitzonderlijk. Water is de enige stof die bij kou uitzet. Onder de ijskap is het water vloeibaar. Het blijft daardoor stromen en houdt planten en dieren in leven. Daarnaast is er geen enkele substantie die zoveel warmte kan opnemen en net zo langzaam weer afgeeft als water. Daardoor kan bijvoorbeeld de tropenwarmte uit de Golf van Mexico, via de warme golfstroom, voor een milde temperatuur in Europa zorgen. Deze twee unieke eigenschappen scheppen het klimaat op aarde waarin leven mogelijk is.

Water munt uit door het niet hebben van eigen karakteristieken. Het heeft geen smaak, geen reuk, is doorzichtig en is niet basisch of zuur. Daardoor stelt het de stoffen die er in oplossen in staat zelf hun eigenschappen te doen gelden en met elkaar een nieuwe verbinding aan te gaan. Zo begin je te begrijpen dat het water, door zijn beweeglijke, onzelfzuchtige en open aard, bemiddelaar voor het leven kan zijn. 

.

aarde [6-4/1]   lucht [6-4/3 warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2799-2627

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-6)

.
Zie o.a. hier – de woorden in blauw – wat betreft (kinder)ziekten e.d.

Dr. Otto Wolff, arts, Weledaberichten nr. 165, Pasen 1995

.

KOORTS: EEN GENEZEND WARMTEPROCES

Voor veel mensen heeft koorts dezelfde betekenis als ziekte. Deze simpele opvatting van ziekte was inderdaad ongeveer 150 à 200 jaar geleden* tot op zekere hoogte gerechtvaardigd. Tot die tijd heersten nog steeds de grote epidemieën zoals de pest, cholera en tyfus die allemaal met zeer hoge koorts gepaard gingen en waar vele mensen aan stierven. De ziekten komen nu niet meer voor, maar de angst voor koorts is gebleven. Dat deze angst tegenwoordig* niet meer terecht is, blijkt als we naar de ziekten van onze tijd kijken. De huidige “gesels van de mensheid” als kanker, hartinfarct, zenuwziekten e.d. verlopen allemaal zonder koorts! Ofschoon dit een feit is, toch doet men in de praktijk alsof koorts zeer gevaarlijk is: nauwelijks heeft een kind koorts en het krijgt van zijn moeder, en niet van de arts, “profylactisch” een koortsverlagende zetpil.** Door de moderne medicijnen kan een arts nauwelijks nog een patiënt zien die één, twee of zelfs drie weken 40° koorts heeft, zoals oudere artsen dat zeker nog hebben gezien. Dit geldt als een grote verworvenheid van de geneeskunde. Maar is dat alles?

Reeds in de vorige eeuw* werd eensluidend door vele onderzoekers vastgesteld dat mensen die vaak koorts of hoge koorts hadden zelden of nooit kanker kregen. Omgekeerd hadden mensen die nooit koorts kregen de neiging om kanker te krijgen. Ofschoon er veel observaties beschikbaar zijn, heeft men hier niet of nauwelijks notitie van genomen. Bovendien werden reeds in het midden van de vorige eeuw genezingen van kanker door middel van koorts gemeld. Indien men tegenwoordig nauwelijks iets over deze feiten hoort, respectievelijk wanneer het opwekken van koorts bij kanker soms als de “nieuwste ontwikkeling” wordt gepropageerd, dan ligt dit aan een ontbrekend begrip voor deze samenhang.

Hoezo kan koorts, dat wil zeggen een hoge lichaamstemperatuur die immers gevaarlijk kan worden, zelfs genezen? Om deze samenhang te kunnen begrijpen moet men weten dat er zowel “koude” als “warme” ziekten bestaan en dat beide tendensen in ziekelijke vormen kunnen ontaarden, dat wil zeggen gevaarlijk kunnen worden. Wanneer de koorts bijvoorbeeld zijn doel voorbij schiet en een lichaamstemperatuur van meer dan 42° produceert, wat maar zeer zelden voorkomt, dan is dit een levensgevaarlijke situatie; dat zal iedereen duidelijk zijn. Minder bekend is echter dat, het tegendeel, ondertemperatuur, minstens net zo gevaarlijk is, op den duur zelfs veel gevaarlijker. Wat bijvoorbeeld een gemiddelde temperatuur van 36° of zelfs 35° kan betekenen, maar vooral het feit dat het organisme niet meer in staat is de nodige warmte te produceren, ziet men niet en degene om wie het gaat, merkt het ook niet. Integendeel: wanneer er bijvoorbeeld griep heerst, worden de meeste mensen ziek en hebben koorts. Maar degene die geen koorts kan produceren, voelt zich gezond, is het echter niet. In de meeste gevallen is het immuunsysteem te zwak om op bacteriën of virussen te kunnen reageren. Uit het tegenovergestelde optreden van warmte en kou kan de grote verscheidenheid aan waarnemingen uit de vorige eeuw, die werden aangehaald, begrijpelijk worden. Wie geen koorts kan produceren loopt voortdurend gevaar om daarvoor in de plaats het slachtoffer te worden van koude ziekten, zoals boven genoemde, dat zijn de tegenwoordig meest voorkomende ziekten. We kunnen ook zeggen: de degeneratieve ziekten waartoe immers kanker, weefselafzettingen, zenuwziekten en vele andere ziekten behoren.

Het probleem inzicht te krijgen in de wederzijdse beïnvloeding van warmte en kou wordt, in onze tijd met zo veel kortzichtigheid, bemoeilijkt door het feit dat ziekten, gepaard gaande met koorts, zo dramatisch verlopen en degeneratieve, koude ziekten daarentegen lange tijd onopgemerkt blijven. Dat is juist de tragiek van kanker, dat deze in eerste instantie geen klachten veroorzaakt en de ziekte daardoor meestal te laat wordt ontdekt – in tegenstelling tot koorts. Op hetzelfde niveau ligt de afweerzwakte van een organisme wat zich met de ontbrekende mogelijkheid koorts te produceren kan uiten, hetgeen niet op korte maar wel op lange termijn tot chronische, dat wil zeggen koude ziekten leidt.

De tegenwerping dat koorts toch “gevaarlijk” is, ligt voor de hand. Dat kan inderdaad het geval zijn, maar alleen bij extreem hoge koorts en dat op zijn beurt komt weer heel zelden voor. Vooral kinderen hebben het vermogen om snel koorts te krijgen en deze weer even snel te laten zakken. Wanneer men gedurende een dergelijk proces met koortsverlagende middelen ingrijpt, valt er meteen een “verbetering” te constateren en is de hele familie, inclusief de arts opgelucht. Het probleem is echter dat daardoor de afweer van het organisme wordt verzwakt. Ook hiervan zijn veel waarnemingen voorhanden. Stonden vroeger de vooral door bacteriën veroorzaakte ziekten op de voorgrond, tegenwoordig zijn het de door virussen veroorzaakte ziekten. Reeds in de eerste helft van deze eeuw* werden veel dierproeven gedaan waar echter nauwelijks acht op geslagen werd. Infecteert men bijvoorbeeld proefdieren (konijntjes, muizen) met overeenkomstige virussen, dan kan dit voor wel 100% de dood ten gevolge hebben. Worden deze dieren echter onder gelijke omstandigheden bij een binnentemperatuur van 38° gehouden, dan overleven alle dieren dit, in elk geval de meeste van hen; na ongeveer 24 uur zijn deze virussen zelfs verdwenen. Met andere woorden: het natuurlijke middel om virussen af te weren is warmte, respectievelijk koorts.

Wat gebeurt er echter uiteindelijk wanneer dit proces, bijvoorbeeld bij een kind, dat immers door zijn hele wezen snel tot koorts neigt, meermalen wordt onderdrukt? Dan kan de ziekte zich niet goed ontplooien. Het organisme wordt, om in een beeld te spreken, met handen en voeten gebonden om niet tegen de virussen te kunnen vechten. Het gevolg is dat de ziekte chronisch wordt. Dat ligt niet aan de bacteriën of de virussen maar aan de zwakte van het organisme dat, door de ontbrekende gelegenheid zijn immuunsysteem door koorts te versterken, zijn afweerkrachten niet kan ontwikkelen. Dat uit zich niet meteen, maar soms pas na jaren, zelfs tientallen jaren. Daar moet bij elke keer dat men koorts heeft, op worden gelet.

Welke conclusies kunnen hieruit worden getrokken?

De angst voor koorts die men tegenwoordig heeft, past niet in deze tijd en is ongegrond. Dit geldt vooral voor kinderen die uitstekende mogelijkheden hebben om met koorts om te gaan, iets dat de volwassene niet meer kan.
Elke keer dat koorts wordt onderdrukt, vindt er een verschuiving in het evenwicht tussen warm en koud plaats naar koud en derhalve naar chronisch. Daarmee worden dus deze ziekten bevorderd.

Koorts verschuift het evenwicht van de koude zijde weer naar de warme en kan dus juist chronische ziekten genezen. Voorwaarde hiervoor is evenwel dat de samenhangen worden doorzien en dat er kennis is over het verloop van ziekten, ten einde te kunnen beoordelen wanneer er werkelijk gevaar dreigt, wat in onze tijd zelden voorkomt.

*artikel uit 1995
**nu is het ‘het paracetamolletje’, jaren eerder was het ‘het sinasprilletje’.

.

Opvoedingsvragen: over [12] (kinder)ziekte; mazelen; allergie; inenten.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2798-2626

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-3)

.

Kinderen worden weleens ziek. Het is de taak van de ouders, vaak samen met de arts, om het kind weer te genezen. 
Dat is niet de taak van de school – ook m.i. niet die van de vrijeschool. ‘Gezondmakend onderwijs’ is wel een term die daar gebezigd wordt, maar wat ziekte betreft, gaat het er hier meer om dat aan de gezondheid van de kinderen geen afbreuk wordt gedaan, sterker: dat die laatste door het onderwijs wordt bevorderd.

Steiner heeft veel gesproken over de ontwikkeling van kinderen en zijn gezichtspunten vormen een grote basis voor het pedagogisch-didactisch werken op de vrijeschool.
Hij heeft in zijn pedagogische voordrachten ook een paar keer gesproken over de kinderziekten in samenhang met de ontwikkeling van het kind.

Ouders die zich hierin verdiepen kunnen enthousiast zijn voor deze ideeën of ze verwerpen. Dat is hun vrijheid. Evenals het hun vrijheid is om hun kind wel of niet te laten vaccineren. De school mag daarin nooit een stem hebben.
Dat er veel ouders zijn die voor deze ideeën enthousiast zijn, maakt dat er op de vrijescholen minder ingeënte kinderen zijn dan gemiddeld op andere scholen.

Dat leidt er vaak toe, dat de vrijescholen verweten wordt ‘antivax’ te zijn.
Dat is niet terecht. De school hoeft en heeft geen standpunt in te nemen: dat is aan de ouders.

Dat er op deze blog soms artikelen over dit onderwerp verschijnen, is geen propaganda vanuit de vrijeschool, maar dient als voorlichting over hoe er in antroposofische kring over kinderziekten wordt gedacht.

.

Edmond Schoorel, Weledaberichten nr. 165, Pasen 1995

.

DE ZIN VAN KINDERZIEKTES

.

Wat zijn ‘kinderziektes’? Het klassieke rijtje is kinkhoest, waterpokken, rode hond, bof, mazelen en roodvonk. Het zijn ziektes die je in de kindertijd doormaakt, als je er tenminste niet tegen ingeënt bent. Dat ze zich in deze eerste levensfase voordoen, komt doordat ze zo besmettelijk zijn: kom je ermee in aanraking en sta je er voor open, dan heb je het te pakken. Dat je ze na die periode niet meer krijgt, heeft te maken met de vatbaarheid: heb je de ziekte eenmaal doorgemaakt, dan ben je in principe immuun.

Je kunt kinderziektes ook benoemen als ‘alles wat een kind aan infectieziekten krijgt en waarbij het iets doormaakt wat het daarna niet meer hoeft te leren’. Dit is een wat bredere kijk, want het klassieke rijtje gaat al lang niet meer op: er bestaan tegenwoordig allerlei ‘nieuwe’ kinderziektes. Zo is er een pseudo-kink-hoest en zijn er allerlei vlekjesziekten die proberen na te doen doen wat de rode hond eigenlijk van plan was.

Deze pseudo-ziekten – het woord zegt het al – geven een slap aftreksel van de klassieke ziekte. Het is nogal een verschil of je anderhalve dag wat vlekjes hebt of flink aangedaan bent door de rode hond. Dat is kwalitatief een andere ervaring. Blijkbaar laten de kinderziektes zich niet zomaar aan de kant zetten, en is er sprake van een (essentiële) ervaring die een kind daardoor opdoet.

Een infectieziekte laat een kind niet onberoerd, daar blijft iets van achter in het immuunapparaat. Het immuunapparaat is het biologische geheugen en in die zin een uitdrukking van het ik, want je geheugen bepaalt wat en wie je bent. Het antwoord op de: vraag ‘wie ben ik’, wordt dus mede bepaald door de ervaringen op lichamelijk niveau. Wat zijn dan de ervaringen die de kinderziektes geven?

Bof

De kinderziektes verschillen enorm van elkaar, dat kan iedereen zien. Kenmerkend voor de klassieke kinderziektes is dat een kind even niet meer zichzelf is. Dat wat karakteristiek is voor het kind gaat eruit, wat karakteristiek is voor de ziekte komt erin. Een bof-kind bijvoorbeeld is even helemaal de bof: het heeft een onpersoonlijke bolle kop. Lachen, huilen, eten, het doet allemaal zeer. Het contact met de buitenwereld is dus behoorlijk verstoord. Aangedaan zijn de speekselklieren, soms de alvleesklier (buikspeekselklier) en de geslachtsorganen. Een ziekte dus die van buiten naar binnen gaat, over een centraal stuk van de spijsvertering. Anders gezegd, hoe treed ik mijn buitenwereld verterend tegemoet. Het strijdveld van de bof is: sta ik mijn mannetje ten opzichte van de buitenwereld, kan ik dat ‘behapbaar’ maken, heb ik slagkracht genoeg om de buitenwereld te verteren? Kan ik mijzelf tot uitdrukking, tot ontwikkeling brengen, doordat ik de buitenwereld opneem en omvorm, zodat deze tot mijn dienst wordt? De bof is het persoonlijk worden op fysiek niveau. De geslachtsorganen zijn in dit geval het gebied van ‘het later een geslachtsrijp herkenbaar mens worden’.

Kinkhoest

Kijk je naar de kinkhoest, dan krijg je een totaal ander verhaal. Het kind is niet zo erg ziek, maar de ziekte is wel erg hinderlijk: het duurt zes weken en ze hoesten maar door. Een ziekte met drama. En niet alleen voor het zieke kind met z’n indrukwekkende hoest- en stikbuien. Ook voor het gezin, dat uitgeput kan raken door wekenlange gebroken nachten. Niet ‘even flink koorts, snel er vanaf’, maar lang volhouden, geduld hebben, niet boos worden: een lange adem hebben. Vooral emotionele prikkels, zoals lachen, schrikken en huilen, roepen de hoestprikkel op. De kinkhoest is óók verbonden met ‘hoe sta ik in de wereld’ (dat zijn alle kinderziektes), maar nu niet ten opzichte van de fysieke wereld en de vertering, maar ten opzichte van de ademwereld. Het aangedane gebied, de longen, is het gebied waarin wij als mens het meest openstaan voor de buitenwereld. Diezelfde lucht die dan weer binnen, dan weer buiten is: het gaat hier om wisselwerking. Hier is het strijdveld ‘ben ik in staat om dat, wat op mij afkomt en mij beroert, te verwerken en daar iets tegenover te stellen’. Je ziet bij astma- of bronchitiskinderen vaak dat ze na de kinkhoest veel minder of soms helemaal geen last meer hebben: het longgebied is dan echt eigendom geworden.

In principe immuun:

Het immuunsysteem heeft het nodig om af en toe ‘opgefrist’ te worden. Dit gebeurt door in contact te komen met de ziekte. Omdat de kinderziektes steeds minder voorkomen, kan het gebeuren dat een doorgemaakte kinderziekte opnieuw optreedt als je er na (te) lange tijd weer mee in aanraking komt.

Waterpokken

Waterpokken is een betrekkelijk geringe klus. Kinderen zijn er wel heel kriebelig van: letterlijk en figuurlijk. Geen ziekte waarbij je je eens lekker laat vertroetelen, want de hele dag door ben je ongemakkelijk. Alles jeukt, kriebelt en is te warm. Ook hier is het kind geraakt, maar dan heel oppervlakkig: het beroert de huid. Het gaat hierbij om de irriteerbare, prikkelbare buitenkant van de ziel. Dus wat je waarneemt aan de buitenkant voordat het van binnen een indruk maakt. Waterpokken hebben als enige kinderziekte geen complicaties: het blijft totaal aan de oppervlakte. Je leert hier om het grensvlak van de ziel om te werken en van jezelf te maken. Als het kind te open is, kan het leren zich wat meer te sluiten en andersom: is het te gesloten, dan kan het zich wat meer openen. Tenminste, als de ziekte goed doorgemaakt wordt. Nogal wat eczeem-kinderen zijn na de waterpokken een tijd lang van hun eczeem af, óf ze krijgen het juist veel erger.

Roodvonk en mazelen

Roodvonk en mazelen kun je zien als oertegenstellingen binnen de kinderziektes. De kinderziektes geven het beeld van de strijd tussen aangeboren erfelijkheid en meegenomen eigen impuls. Die twee moeten met elkaar zaken gaan doen om te realiseren wat je van plan was op aarde. Mazelen en roodvonk zijn daarvan de duidelijkste polariteiten: twee ziekten met risicovolle complicaties.

De mazelen geven een grofvlekkige uitslag die van boven naar beneden ontstaat. Met een opgezwollen gezicht, een dikke keel, tranende ogen en een loopneus, is het een waterige bedoening. Kenmerkend is de immuundepressie. Na het doormaken van de mazelen ligt het immuunapparaat een beetje stil (dit kan acht weken tot een half jaar duren). Er is dus echt sprake van een onderdrukking: de mazelen maken letterlijk plaats voor iets anders. Roodvonk geeft een fijnvlekkige uitslag die van beneden naar boven ontstaat. Het ziet eruit alsof je verbrand bent (de huid vervelt ook na de roodvonk). Het is een acute, felle ziekte met hoge koorts.

In beide gevallen is er strijd (koorts). Echter bij de mazelen heeft het vloeistoforganisme de overhand, bij roodvonk het warmteorganisme. Het vloei-stoforganisme is de drager van de levensprocessen: het jezelf in stand houden, je weren tegen de invloeden van buitenaf. In die strijd overheerst de erfelijkheid. Bij de roodvonk overheerst juist datgene wat het kind zelf meeneemt. Het warmteorganisme is de drager van de eigen impulsen, van het ik: dat wat iemand zelf maakt van het leven. Dat is te zien aan de getekende koppen: mazelen-kinderen lijken allemaal op elkaar; roodvonk-kinderen zijn juist heel erg zichzelf. Een ouwelijke wijze blik hebben ze soms. De vraag is ‘krijg ik gerealiseerd wat ik in dit lichaam op deze aarde van plan was’. Roodvonk is de wegbereider voor wat je meeneemt van boven.

Vast organisme

Drager van vorm en gestalte (fysiek lichaam).
Mens als verschijning in de ruimte.
Bof.

Vloeistoforganisme

Drager van levensprocessen
(etherlichaam). 
Mens als verschijning in de tijd (ontwikkeling, biografie).
Mazelen.

Luchtorganisme

Drager van zielenroerselen en het vermogen om te bewegen (astrale lichaam) individuele uitingen van de menselijke ziel.
Kinkhoest en waterpokken (of beter: windpokken, zoals ze in Duitsland en België heten)

Warmteorganisme

Drager van wil en intensiteit (ik-organisatie, geest).
Uiting van de zelfbewuste ik.
Roodvonk.

.

Opvoedingsvragen: over [12] (kinder)ziekte; mazelen; allergie; inenten.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2797-2625

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-5)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 192 – 193 van de vertaling*
.

ZINLOZE EN ZINVOLLE BEWEGINGEN

Na een soort inleiding op ‘geest buiten ons’ en ‘geest binnen ons’ komt Steiner op de bewegingen die in zijn ogen zinvol, dan wel zinloos zijn.
En wat ons onderwijs betreft: we moeten de kinderen zinvolle bewegingen laten maken.

Blz. 191   vert. 192

Sinnvoll tätig – diese Worte müssen uns auch schon durchdringen, indem wir Erzieher des Kindes werden.

 Zinvolle bezigheid – deze woorden moeten in ons klinken wanneer we kinderen gaan opvoeden.

Wann ist der Mensch sinnlos tätig? Sinnlos tätig ist er, wenn er nur so tätig ist, wie es sein Leib erfordert.

Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt.

Sinnvoll tätig ist er, wenn er so tätig ist, wie es seine Umgebung erfordert, wie es nicht bloß sein eigener Leib erfordert.

Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam.

Dat lijkt mij een interessant criterium: zijn de bewegingen direct op mezelf gericht of op de buitenwereld?
Hier zou je uren over kunnen discussiëren: is je ramen zemen, je auto poetsen, je rozen snoeien, en ga zo maar door, zinvol, c.q. op de buitenwereld gericht?
En ‘op ons zelf gericht’? Moeten we dan denken aan de lichaamscultuur waarvan we kunnen spreken als we kijken naar hoeveel mensen er dagelijks met hun lichaam bezig zijn, gericht op dat eigen lichaam: om het fit, gezond, in vorm, jong e.d. te houden? En is dat ‘zinloos’?

We moeten goed in de gaten blijven houden dat zinvol en zinloos steeds bekeken worden vanuit wat ze voor de geest betekenen.

Alle mogelijke bewegingen die we maken zodat we ons met of in ons lichaam fit voelen: we lopen hard, we fietsen (hard), we gaan naar de sportschool of we zitten thuis op de hometrainer of bewegen mee met ‘Nederland in beweging’, die lichaamscultuur hoort in dit opzicht bij het zinloze.

En dan noemt Steiner voor het eerst een bewegingsvak, nl. de gymnastiek, het turnen.

Darauf müssen wir beim Kinde Rücksicht nehmen. Wir können auf der einen Seite die äußere Leibestätigkeit des Kindes immer mehr und mehr überführen zu dem, was bloß nach dem Leiblichen hin liegt, nach dem physiologischen Turnen, wo wir bloß den Leib fragen: Welche Bewegungen sollen wir ausführen lassen? –

Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden.

We kunnen – nogmaals: zonder veroordeling – stellen dat alle door mij hierboven genoemde activiteiten op het lichaam gericht zijn. 
Wat het ‘turnen’ betreft: dat is vooral de gymnastiek uit Steiners tijd, natuurlijk.

In een encyclopedie uit 1963 wordt ‘gymnastiek’ zo beschreven:

GYMNASTIEK, methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
In de klassieke Griekse cultuurperiode vond het woord gymnastiek zijn oorsprong. De oorspronkelijke betekenis is ‘naakt oefenen’. In de Griekse opvoeding waren nl. drie gebieden te onderscheiden: de grammaticale, de musische en de gymnastische of lichamelijke opvoeding. Hoe breed dit begrip dient te worden opgevat, blijkt uit een opsomming van de oefeningen die eronder vallen: lopen, springen, discus- en speerwerpen, worstelen (samen de klassieke vijfkamp vormend), voorts boksen, pankration (een combinatie van boksen en worstelen), zwemmen en balspelen.

De term gymnastiek komt in de Renaissance op bij de medicus Hieronymus Mercurialis (1530-1606), die in zijn beroemde werk De arte gymnastica (1569) teruggrijpt naar het Griekse opvoedingsideaal. Het spreekt vanzelf, dat de term gymnastiek bij hem dezelfde inhoud heeft als bij de Grieken. Dat is trouwens ook bij Gutsmuths nog het geval in zijn hoofdwerk Gymnastik für die Jugend (1793).

Na Gutsmuths is de term gymnastiek van inhoud veranderd. De inhoud is verengd doordat de lichamelijke opvoeding zelf enger geworden is onder invloed van de rationalistische, mechanistische opvattingen van de 19de eeuw over bewegingsleer, psychologie, en daarmede ook over de lichamelijke opvoeding. Door het werk van mannen als Spiesz, Maul (Duitse gymnastiek), Ling (Zweedse gymnastiek) en hun volgelingen is de term gymnastiek vernauwd tot het gebied van methodisch geordende, opzettelijke, geconstrueerde bewegingen, waarvan de vorm, de richting en de regelmaat nauwkeurig zijn voorgeschreven.

Als in het laatste kwart van de 19de eeuw de reactie komt op de gymnastiekpraktijk van die jaren, en deze zich uit in een op de Angelsaksische opvoeding geïnspireerde spelbeweging, blijft de term gymnastiek toch hoofdzakelijk beperkt tot het eenmaal zo in vaktaal gegroeide begrip. Nog altijd geldt het woord gymnastiek voor methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
Maar sedert de jaren ’20 behoeven dit geen geconstrueerde bewegingen meer te zijn, doch worden daaronder evenzeer verstaan de natuurlijke, doelmatige bewegingen, zoals men die bijv. aantreft in de Oostenrijkse gymnastiek.
Bron: Elsevier De nieuwe WP – 1963

In die jaren 1960 studeerde ik voor mijn onderwijzersdiploma en de ‘extra aantekening gymnastiek’. 
Bij die aantekening ging het om twee aspecten: zelf in staat zijn met alle toestellen om te gaan en daarbij de basisvaardigheden te beheersen en het geven van spel.
Bij het beheersen van die toestellen ging het om een puur individuele prestatie gericht op: lichaamsbeheersing.

Die puur op het lichaam gerichte activiteit rekent Steiner – nog altijd vanuit de geest gekeken – tot de zinloze bezigheden.

In het spel ging het veel minder om het individuele, meer om het sociale: hoe win je met elkaar; is er een plan, een tactiek, naast de techniek van de spelbeheersing.

Wanneer is bij Steiner iets zinvol?

Turnen en euritmie

Zoals we weten maakt hij graag iets duidelijk aan de hand van tegenstellingen en dat doet hij hier ook, wanneer hij de genoemde lichamelijke gymnastiek tegenover een beweging plaats die doortrokken is van zinvolle inhoud, waar het lichaam zich naar richt, dus niet omwille van het lichaam, m.a.w. wat de lichamelijke beweging tot uitdrukking brengt: de lichamelijke beweging in dienst van – hier – de euritmie.

Und wir können die äußere Bewegung des Kindes hinführen zu sinnvollen Bewegungen, zu sinndurchdrungenen Bewegungen, so daß es mit seinen Bewegungen nicht plätschert im Geiste, sondern dem Geiste in seinen Richtungen folgt. Dann entwickeln wir die Leibesbewegungen hinüber nach der Eurythmie.

En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest. Dan richten we de lichamelijke bewegingen op de euritmie.   

Dat alles vat Steiner dan samen en een belangrijke toevoeging is nu, dat het ‘met het lichaam bezig zijn’ opgenomen wordt in het geheel van de activiteiten op school: omdat de mens ritmisch leven moet:

Je mehr wir bloß leiblich turnen lassen, desto mehr verleiten wir das Kind dazu, eine übermäßige Schlafsucht zu entfalten, eine übermäßige Tendenz nach der Verfettung zu entfalten. Je mehr wir abwechseln lassen dieses Hinüberschwingen nach dem Leiblichen – was wir natürlich nicht ganz vernachlässigen dürfen, weil der Mensch im Rhythmus leben muß -, je mehr wir dieses Hinüberschwingen nach dem Leibe wiederum zurückschwingen lassen nach dem sinnvollen Durchdrungensein der Bewegungen wie in der Eurythmie, wo jede Bewegung einen Laut ausdrückt wo jede Bewegung einen Sinn hat: je mehr wir abwechseln lassen das Turnen mit der Eurythmie, desto mehr rufen wir Einklang hervor zwischen dem Schlaf- und Wachbedürfnis; desto normaler erhalten wir von der Willensseite her, von der Außenseite her das Leben auch des Kindes.

Hoe meer we een kind alleen lichamelijk laten turnen, des te meer brengen we het ertoe een bovenmatige behoefte aan slaap te ontwikkelen en een bovenmatige tendens om dik te worden. Toch moeten we de puur lichamelijke bewegingen natuurlijk niet volledig verwaarlozen, want de mens moet ritmisch leven. Hoe meer we afwisselen als in een pendelbeweging tussen het puur lichamelijke bewegen enerzijds en het betekenisvolle bewegen zoals in de euritmie anderzijds, waarbij iedere beweging een klank uitdrukt, waarbij iedere beweging zin heeft, des te meer stemmen we de behoefte aan waken en de behoefte aan slapen op elkaar af. Zo kunnen we ook van buitenaf, via de wil, het leven van het kind in evenwicht brengen.

Het is begrijpelijk dat Steiner hier de tegenstelling gymnastiek – euritmie neemt. Het turnen van zijn tijd was in zijn ogen verworden tot een puur lichamelijke training, terwijl in de euritmie ‘de geest’ een vooraanstaande plaats inneemt.

In de meeste gymlessen die tegenwoordig worden gegeven, is altijd wel een combinatie van ‘training’ en ‘spel’ te vinden.
En de vrijeschoolleerkracht zou in de gymlessen met dit aspect gedegen rekening kunnen houden.

Daß wir allmählich auch das Turnen bloß sinnlos gemacht haben, zu einer Tätigkeit, die bloß dem Leibe folgt, das war eine Begleiterscheinung des materialistischen Zeitalters.

Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijnsel van het materialistische tijdperk.

Sport en darwinisme

Dan volgt er een kwalificatie over sport waarbij het gevaar bestaat dat je al lezend daaronder alle sport rekent.
Steiner vertrekt bij de gymnastiek van die tijd:

Daß wir es gar erhöhen wollen zum Sport, wo wir nicht bloß sinnlose Bewegungen, bedeutungslose, bloß vom Leibe hergenommene Bewegungen sich auswirken lassen, ( )

En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitleven, ( )

Ik heb de zin hier even onderbroken, omdat er nu iets volgt, waar ik nog geen aanknopingspunten bij kan vinden.
Als we naar de gymnastiek als sport – dat heet nu nog steeds turnen – kijken, zien we een grote tendens naar perfectionering, naar een volledige lichaamsbeheersing. En het kijken naar bijv. zo’n perfecte oefening aan de rekstok, kan een gevoel van bewondering oproepen: dat je dat zo kan met je lichaam, maar daarbij is het ook niet moeilijk je voor te stellen dat het hier om mechanische, machine-achtige bewegingen gaat en dan kom je, als je verder denkt waar je dat in het leven nog meer ziet, uit bij de ….dieren. Waar wij als mens een belangrijk deel van ons leven voor moeten trainen, hebben de dieren van nature en doen het a.h.w. nóg mooier, nóg ge-olieder.
Dit komt vooral voor bij individuele prestaties.
En daarbij valt nog iets op: de snelheid.

In het dierenrijk is een lijst te maken van de snelheid van de dieren.
Wanneer we een lijst zouden willen maken van snelle mensen, komen we in de sport terecht: schaatsen, hardlopen, zwemmen, wielrennen, bijv.
Het gaat vaak om honderdsten! van seconden en dan is dit wellicht iets wat we – met Steiner – on-zin – zouden kunnen noemen.
Hoe bewonderingswaardig de prestaties op zich zijn!

( ) sondern auch noch den Widersinn, den Gegensinn hineinlegen – das entspricht dem Bestreben, den Menschen nicht nur bis zum materiell denkenden Menschen, sondern ihn herunterzuziehen bis zum viehisch empfindenden Menschen.

maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens.

Het Duits heeft hier ‘viehisch’ dat vertaald is met ‘dierlijk’. Een synoniem is o.a. ‘beestachtig’ en ook ‘inhumaan’.
Zonder daar nu over uit te weiden, denken we toch snel aan het geweld rond voerbalwedstrijden.

Het is zeker niet zo dat we bij Steiner een zwart-witmening over sport aantreffen.
Wanneer hij in Engeland – Torquay – voordrachten houdt en er wordt gevraagd naar sport, antwoordt hij naar de actualiteit van plaats en tijd:

GA 311

Blz. 139  vert. 139

Nun kommt wieder die Frage, die ja jedesmal bei meiner Anwesen­heit in England, wenn irgendwie von Pädagogik die Rede ist, gestellt wird.

Wie soll man Turnunterricht treiben, und soll man in einer englischen Schule Sport treiben, zum Beispiel Hockey, Cricket und so weiter, und Wie?

Es ist durchaus nicht die Absicht der Waldorfschul-Methode, diese Dinge zu unterdrücken. Sie können schon betrieben werden, einfach weil sie im englischen Leben eine große Rolle spielen und das Kind ins Leben hineinwachsen soll. Nur soll man sich nicht der Illusion hingeben, daß das eine andre Bedeutung hat, als eben diese, daß man das Kind nicht weltfremd machen soll. Zu glauben, daß Sport rür die Entwickelung einen furchtbar großen Wert hat, das ist ein Irrtum.

Nu komt weer de vraag die iedere keer wanneer ik in Engeland ben, wanneer er op de een of andere manier over pedagogie gesproken wordt, gesteld wordt.

Hoe moet je gymnastiekles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe?

Het is absoluut niet de bedoeling van de vrijeschool deze dingen te onderdrukken. Die kunnen natuurlijk gedaan worden, eenvoudigweg omdat ze in het Engelse leven een grote rol spelen en het kind moet zijn plaats in het leven kunnen vinden. Je moet alleen niet de illusie koesteren dat het een andere betekenis heeft dan juist die dat je een kind niet wereldvreemd moet maken. Geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing.

Afgezien van de woorden ‘vreselijk grote’, is er wel degelijk iets van waarde in de sportbeoefening te zien. Er bestaan zgn. ‘foundations’ die voor bijv. kansarme kinderen of sociaal nauwelijks meetellende kinderen die door de sport die ze met elkaar beoefenen, weer zelfvertrouwen krijgen of weer in het sociale worden opgenomen. Die waren er in Steiners tijd niet, dus is het geen wonder dat hij daar niet over spreekt.

Er hat nicht den großen Wert für die Entwickelung; er hat nur einen Wert, weil er eben eine beliebte Mode ist, und man soll durchaus das Kind nicht zum Weltfremdling machen und es von allen Moden ausschließen. Man liebt Sport in England, also soll man das Kind auch in den Sport einführen. Man soll nicht irgendwie sich philiströs gegen dasjenige stemmen, nun ja, was vielleicht philiströs ist.
Und in bezug auf das Eigentliche «wie das gelehrt werden soll», da wird ja außerordentlich wenig zu sagen sein, denn das ergibt sich bei diesen Dingen wirklich mehr oder weniger dadurch, daß man es vormacht und das Kind nachmachen läßt. Da auch noch besondere künstliche Methoden auszusinnen, das wäre doch etwas, was zu wenig sachgemäß wäre.

Die heeft geen grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft waarde omdat het een geliefde gewoonte is en je moet een kind zeer zeker niet tot wereldzonderling maken en het van alles wat ín is, buitensluiten. In Engeland houden ze van sport, dus moet je het kind ook vertrouwd maken met sport. Je moet je niet op de een of andere manier kleinburgerlijk tegen de dingen keren, die misschien wel kleinburgerlijk zijn.
En met betrekking tot het eigenlijke ‘hoe moet je dat aanleren’ is buitengewoon weinig te zeggen, want dat gaat bij deze dingen min of meer dat je het voordoet en het kind het laat nadoen. Om daarvoor nog kunstmatige methoden te bedenken, zou toch iets zijn wat te weinig adequaat is.

Aansluitend volgen nog opmerkingen over het gymnastiekonderwijs die ook weer vanuit een bepaalde hoek belichten wat hierboven – dus in voordracht 13 – aan de orde komt:

Im Turnen, also Gymnastikunterricht – da handelt es sich danim, daß man tatsächlich aus der Anatomie und der Physiologie erfährt, in welche Lage irgendein Glied des Organismus gebracht werden soll, damit es der Leichtigkeit des Organismus dient. Da handelt es

Bij het turnen, dus gymnastiekonderwijs – daar gaat het erom dat je daadwerkelijk uit de anatomie en de fysiologie ervaart in welke positie een lichaamsdeel gebracht moet worden, opdat ’t het gemak van het organisme dient. Daar gaat het

blz.140:

sich darum, daß wirklich auch gefühlt werde, was den Organismus geschickt, leicht, beweglich macht. Und dann, wenn man das fühlt, dann handelt es sich auch nur ums Vormachen. Nehmen Sie an, Sie haben ein Reck. Gewöhnlich werden alle möglichen Übungen daran gemacht. Die fruchtbarste Übung am Reck wird gewöhnlich nicht gemacht. Sie besteht darinnen, daß man am Reck hängt, so einge­häkelt, und dann schwingt, und nun das Reck so erfaßt, wiederum zurück, wiederum erfaßt. Man springt ja nicht, sondern man hängt am Reck, fliegt durch die Luft, macht die verschiedenen Bewegun­gen, faßt das Reck so und so, und dadurch kommt eine Abwechslung in der Konfiguration der Armmuskeln zustande, die tatsächlich auf den ganzen Organismus in gesundender Weise einwirkt.
Man muß studieren, welche Bewegungen, welche inneren Be­wegungen der Muskeln auf den Organismus gesund wirken, und dann bekommt man heraus, welche Bewegungen man lehren soll. Und dann braucht man sie einfach vorzumachen; denn die Methode besteht da eben im Vormachen.

erom dat echt gevoeld wordt wat het organisme handig, licht, beweeglijk maakt. En dan, wanneer je dat voelt, gaat het erom dat voor te doen. Neem eens aan, je hebt een rek. Daaraan worden gewoonlijk allerlei oefeningen gemaakt. De vruchtbaarste oefening wordt gewoonlijk niet gemaakt. Die bestaat uit het hangen aan het rek, aangehaakt en dan zwaaien en dan het rek zo pakken, weer terug, weer pakken. Je spring niet, maar je hangt aan het rek, vliegt door de lucht, maakt de verschillende bewegingen en pakt het rek weer  en daardoor komt er afwisseling in de onderlinge stand van de armspieren tot stand die daadwerkelijk tot in heel het organisme op een gezondmakende manier werkt.
Je moet bestuderen welke bewegingen, welke innerlijke bewegingen van de spieren op het organisme gezondmakend inwerken en dan vind je welke bewegingen je moet aanleren. En dan hoef je die alleen maar voor te doen; want de methode is hier het voordoen.
GA 311/139-140
Op deze blog vertaald/139-140

Een ander aspect waar nog verder op ingegaan moet worden, is Steiners opvatting dat – let wel: overdreven beoefende sport – ‘praktisch darwinisme’ is:

Blz. 193  vert. 192

Übertriebene Sporttätigkeit ist praktischer Darwinismus. Theoretischer Darwinismus heißt behaupten, der Mensch stamme vom Tier ab. Praktischer Darwinismus ist Sport und heißt, die Ethik aufstellen, den Menschen wiederum zum Tiere zurückzuführen.

Overdreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men beweert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.

En waarom is het belangrijk daarbij stil te staan:

Man muß diese Dinge heute in dieser Radikalität sagen, weil der heutige Erzieher sie verstehen muß, weil er sich nicht bloß zum Erzieher der ihm anvertrauten Kinder machen muß, sondern weil er auch sozial wirken soll, weil er zurückwirken soll auf die ganze Menschheit, damit nicht solche Dinge mehr und mehr aufkommen, welche eigentlich auf die Menschheit nach und nach wirklich vertierend wirken müssen. Das ist nicht falsche Askese, das ist etwas, was aus dem Objektiven der wirklichen Einsicht herausgeholt ist, und was durchaus so wahr ist wie irgendeine andere naturwissenschaftliche Erkenntnis.

Men moet dit soort dingen tegenwoordig wel zo radicaal uitdrukken omdat de opvoeder van nu ze moet begrijpen. Hij moet namelijk niet alleen kinderen opvoeden die aan hem worden toevertrouwd, maar hij moet ook sociaal werken, hij moet indirect een werking uitoefenen op de gehele mensheid, opdat er niet steeds meer van die dingen opkomen waar de mensheid werkelijk wel van moet verdierlijken. Dat is geen misplaatste ascese, dat berust op een objectief inzicht — even waar als ieder ander, natuurwetenschappelijk inzicht.

Een schoolvoetbalelftal?

Zoals je bijv. bij het aanleren van de letters een weg gaat van beeld, fantasie naar het kale, abstracte klanksymbool van de letter, waarbij de basis voor deze gedachten gevonden worden in de ‘Algemene menskunde’, zo kun je met deze menskunde ook tot een basis komen waarop je bijv. fundeert dat er op school (in de hogere klassen) ook een schoolvoetbalelftal is. Voetbal is in onze maatschappij niet weg te denken. Lees hierboven nog even het stukje over de sport in Engeland.
Het gaat er niet om de kinderen buiten de leefgemeenschap te plaatsen. 
Als het voetballen op school niet alleen de prestatie dient, maar ook het inzicht, het samen spelen, het sportief spelen, e.d. weten we dat we ons weliswaar  bevinden op het terrein van de beweging die naar het zinloze neigt wat de geest betreft, maar ook dat we ons onderwijs – als we het als vrijeschoolonderwijs geven – in ruime mate een tegenwicht biedt waarbij de bewegingen weer zinvoller zijn. 
Ik ga niet zo ver om te zeggen: geen euritmie, geen voetbal. Maar ik denk er weleens aan.

Apenheul on Twitter: "Dit weekend (7 en 8 april) is Apenheul weer geopend. En het wordt fantastisch weer voor een gezellig dagje uit met je vrienden of familie. Kom je ook slingeren

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

In Rudolf Steiner over euritmie staan opmerkingen over euritmie en turnen uit alle pedagogische voordrachten

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

2796-2624

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Nabootsing in beeld

.

Over het grote belang van nabootsing, over de diepe impact die deze op de ontwikkeling van een kind heeft, sprak Rudolf Steiner zich in diverse voordrachten uit.[1]

De uitspraken die hij daarover deed, staan vrijwel alle op deze blog.
Ik heb in verschillende artikelen foto’s geplaatst van kinderen die nabootsen.

Momenteel beschik ik over de volgende foto’s, maar zou die reeks graag uitbreiden. Dus stel ik sprekende voorbeelden zeer op prijs. Je kan ze sturen naar: vspedagogie@gmail.com

(start video door op afbeelding te klikken)

[1] Inhoudsopgave van de vindplaatsen

Meer over nabootsing op deze blog

Menskunde en pedagogie:

Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2795-2623

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/24)

.

slangendrager met slang

In de slangendrager zagen de oude Grieken vooral de god van de geneeskunst, Asklepios die zijn in tempels en andere heiligdommen vereerden.
Aaklepios was een zoon van de lichtgod Apollo. Toen deze op een keer de knappe prinses Coronis, de dochter van de Tessalische koning Phlegyas aan de oever van de zee zich baden, werd hij verliefd op haar. Coronis beantwoordde de liefde van de god en gaf zich geheel aan hem.
Spoedig daarna moest Apollo zijn geliefde verlaten om naar Delphi terug te keren. Hij liet bij de prinses echter zijn boodschapper achter, een witte raaf die op haar moest passen. Coronis vond niet de kracht de god die ver van haar vandaan verbleef, trouw te blijven. Ze werd verliefd op een sterfelijk mens, op Ischys, een vreemdeling. Dat bleef voor de raaf niet verborgen. In de hoop rijkelijk beloond te worden, vloog hij naar Delphi, naar zijn meester en vertelde hem over de ontrouw van zijn geliefde.
Apollo werd meteen boos op de raaf als overbrenger van het slechte bericht, omdat hij bij de vreemdeling niet diens ogen had uitgepikt. En in plaats van een beloning waarop de raaf zo gehoopt had, veranderde Apollo zijn witte veren in zwarte. Sinds die tijd hebben alle raven zwarte veren en ze staan bekend als onheilsboden. 
Daarna richtte de woede van de god zich tegen de ontrouwe Coronis. Hij liet de straf over aan zijn zuster Artemis die afgunstig de eer van haar broer bewaakte en ze doodde Coronis met een pijl omdat ze in gebreke was gebleven.
Het lichaam van de prinses lag op een brandstapel en de vlammen laaiden al omhoog toen Apollo aan het kind dacht dat zij van hem ontvangen had en in haar schoot droeg. Hij haastte zich daarheen en trok het uit de vlammen waarin het geboren was. Dat zou in Epidauros zijn gebeurd, waar later het beroemde heiligdom van Asklepios gebouwd werd.
Apollo bracht het kind dat hij Asklepios noemde, naar Chiron, de wijze kentaur die in het bosgebergte van Pelikon huisde,  (→ sterrenbeeld Kentaur) zodat deze hem zou kunnen opvoeden. Chiron voedde de godenzoon op alsof het zijn eigen kind was. Hij ontmoette in hem een leergierige leerling aan wie hij alle kennis die hij in zijn  lange leven vergaard had, kon bijbrengen. Voor alles was dat de kennis over de verschillende geneeskruiden en hoe die bij ziekten konden helpen, wat de jonge Asklepios bijzonder interesseerde. De aanleg daarvoor had hij van zijn vader Apollo en spoedig was hij zo ver dat hij van zijn leermeester niets meer kon leren en hem zelfs in de kunst van het genezen overtrof.
Door zijn genezingen werd Asklepios in Griekenland spoedig bekend en beroemd, zodat men hem als vader van de geneeskunst beschouwde. Maar hij kon niet alleen zieken genezen, maar zelfs gestorven mensen weer in het leven terughalen. Van de godin Athena had hij twee glazen bloed van de Gorgo Medusa gekregen. Met het bloed uit haar linker zijde dat in het ene glas zat, werden de doden weer tot leven gewekt en met het bloed uit haar rechter zijde dat in het andere glas zat, kon een leven onmiddellijk worden gedoofd. Onder andere zou hij koning Tyndareos, Glaukus en Hippolytos, een zoon van Theseus weer tot leven hebben gewekt.
Deze macht over leven en dood werd Asklepios tot noodlot, want de goden konden niet lijdzaam toezien hoe iemand ingreep in wat op hun terrein hoorde. Hades, de heerser van het dodenrijk, klaagde Asklepios aan bij godenvader Zeus, dat hij de zielen uit zijn rijk wilde ontvoeren. Als behoeder van de kosmische harmonie moest Zeus wel ingrijpen. Met een dodelijke bliksemstraal deed hij Asklepios als straf voor zijn vermetelheid ter aarde storten. Tegelijkertijd plaatste hij hem aan de sterrenhemel als slangendrager om Apollo te verzoenen. 
De Grieken bouwden op de plaatsen waar hij werkzaam was geweest, heiligdommen waarvan de belangrijkste Epidauros, Kos, Knidos en Pergamon werden. Elk van de heiligdommen werd tegelijkertijd een therapeuticum waar zieken werden genezen. Iedere zieke moest zich eerst reinigen, baden en zalvingen ondergaan, mocht drie dagen geen wijn drinken en moest vasten. Daarna brachten de priesters hem in slaap in een daarvoor bestemde ruimte in de tempel, de tempelslaap, een genezende slaap. Plutarchus heeft ons meegedeeld dat de god geworden Asklepios zich in deze genezingsslaap aan de zieke vertoonde. Dat gebeurde vaak in de vorm van een slang die dan in een jongeling veranderde, zoals dat in beelden later tot uitdrukking is gebracht. Ook hoorde de zieke in die slaap vaak de naam van zijn ziekte die hij aan de priesters doorgaf zodat die een therapie konden vaststellen of hij ervoer in beelden onmiddellijk het geneesmiddel dat hem weer gezond zou kunnen maken.
In de heiligdommen van Asklepios, vooral dat in Epidauros, werden slangen gehouden die als heilig beschouwd werden. Op antieke beeldwerken draagt Asklepios soms een staf die door een slang omslingerd wordt. Deze staf staat bekend als ‘esculaap’, als symbool voor het beroep van arts.
Aesculapius is de naam die de Romeinen aan Asklepios hebben gegeven die ook door hen als god van de geneeskunst werd vereerd.

.

          Zo                                                           z                                                        zw
juni 1    1°°u*                                      juli 1  1°°u*                                  aug. 1  1°°u*
       15  24°°u*                                         15 22°°u*                                        15 20°°u*
*zomertijd

Het sterrenbeeld Slangendrager met slang komtt in juni tussen oost en zuidoost op, bereikt in juli in het zuiden het hoogste punt boven de horizon -beeld boven- en daalt in augustus naar het zuidwesten af, dan om 22°°u* 

Namen van de sterren:

Ras Alhague (Arabisch) = afgeleid van ‘hoofd van de slangendrager’.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2794-2622

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-4)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 189-192 van de vertaling*

.

Uit alles wat Steiner in deze voordracht heeft gezegd [13-1; 13-2; 13-3] wil hij een conclusie trekken die voor ons als vrijeschoolleerkrachten meer inzicht moet geven in wat we met de kinderen doen, bijv. bewegen.

Blz. 189  vert. 189

Nun folgt aber daraus für die Behandlung des Menschen allerlei.

Nu heeft dit allerlei consequenties voor het omgaan met de mens.

Wenn der Mensch, sagen wir, körperlich arbeitet, so hewegt er seine Glieder, das heißt, er schwimmt ganz und gar im Geiste herum. Das ist nicht der Geist, der sich in ihm schon gestaut hat; das ist der Geist, der draußen ist. Ob Sie Holz hacken, ob Sie gehen, wenn Sie nur Ihre Glieder bewegen, indem Sie Ihre Glieder zur Arbeit bewegen, zur nützlichen oder unnützlichen Arbeit bewegen, plätschern Sie fortwährend im Geiste herum, haben es fortwährend mit dem Geiste zu tun.

Wanneer iemand bijvoorbeeld lichamelijk werk verricht, dan beweegt hij zijn ledematen, dat wil zeggen hij zwemt helemaal rond in het geestesgebied. Dat is niet de geest die in hemzelf gestuwd is, maar de geest buiten hem. Of u nu hout hakt, loopt of hoe dan ook uw ledematen beweegt voor een bezigheid, nuttig of nutteloos, voortdurend spartelt u dan rond in het geestesgebied, u heeft voortdurend van doen met het geestelijke.

Hier ligt verwarring op de loer: immers als we aan de tegenstelling hoofd – ledematen denken, gaan we er bijna automatisch vanuit dat het hoofd – rustpool – het geestelijk werk verricht: nadenken, studie e.d. en dat de ledematen – bewegingspool – het fysieke werk doen. We zijn in dit opzicht vertrouwd met de tegenstelling ‘hoofdwerk – handwerk’.

Die tegenstelling:

Blz. 189  vert. 190

Das ist sehr wichtig.

Die is heel belangrijk.

Ook denken en leren e.d. is geestelijk werk, maar hierbij hebben we te maken met de geest in ons, niet buiten ons zoals bij de ledematen.

Und wichtig ist ferner, sich zu fragen: Wenn wir nun geistig arbeiten, wenn wir denken oder lesen oder dergleichen, wie ist es dann? – Ja, da haben wir es mit dem Geistig-Seelischen zu tun, das in uns drinnen ist. Da plätschern nicht wir mit unseren Gliedern im Geiste, da arbeitet das Geistig-Seelische in uns (  )

En verder is het belangrijk dat we ons afvragen hoe het nu is wanneer we geestelijk werk verrichten, wanneer we denken of lezen of iets dergelijks. Hoe is het dan? – Ja, dan hebben we te maken met de geest en ziel die binnen in ons zijn. Dan spartelen we niet meer met onze ledematen rond in de geest, dan werkt het geestelijke in ons ( )

En uit de 2e voordracht weten we al dat dit denkwerk, deze spiegelende activiteit, een ‘oude’, een ‘verleden’-activiteit is die de zenuwen nodig heeft, deze materie waaruit het leven voor een groot deel verdwenen is (als we dit vergelijken met het bloed, dat in die voordracht aan de wil, aan de ledematen wordt verbonden.)

Als we de kinderen zonder enige fantasie leren lezen – dit is vanuit een iets andere optiek al aan de orde gekomen [voordracht 4 waarin ik naar deze video (tijd 4.44) verwees) is dat een vorm van geestelijk werk – Steiner vervolgt:

da arbeitet das Geistig-Seelische in uns und bedient sich fortwährend unseres Leiblichen, das heißt, es kommt ganz in uns in einem leiblich-körperlichen Prozeß zum Ausdruck.

dan werkt het geestelijke in ons en maakt daarbij ook voortdurend gebruik van ons lichaam, dat wil zeggen: het komt volledig tot uitdrukking in een lichamelijk proces.

In dit artikel bij de 1e voordracht sta ik stil bij de uitdrukking die Steiner in GA 294 gebruikt:het allerfysiekst Daarvan spreekt hij wanneer we de kinderen leren lezen.
En hier vinden we a.h.w. een vervolg daarop:

Da wird fortwährend drinnen durch dieses Stauen Materie in sich zurückgeworfen.

In ons wordt voortdurend door dat stuwingsproces materie in zichzelf teruggeworpen.

Over deze ‘stuwing’ gaat het in het voorafgaande in de voordracht.

Voor de vrijeschoolleerkracht is dit een van de wezenlijke gezichtspunten waarmee deze moet werken:
benader ik het kind via het hoofd of via de ledematen:

Bei der geistigen Arbeit ist unser Leib in einer übermäßigen Tätigkeit; bei der körperlichen Arbeit ist dagegen unser Geist in einer übermäßigen Tätigkeit.

Bij geestelijke inspanning [ik vul nu even ‘zwart-wit’* in abstract, intellectueel leren (lezen)] is ons lichaam overmatig actief, bij lichamelijke inspanning [gymnastiek, rennen, klimmen, in touw slingeren, bijv.] daarentegen onze geest.

Wir können nicht geistig-seelisch arbeiten, ohne daß wir fortwährend mit unserem Leib innerlich mitarbeiten.

We kunnen niet met onze geest en ziel werken zonder dat we innerlijk steeds met ons lichaam meedoen.

Wenn wir körperlich arbeiten, da ist höchstens, indem wir uns durch die Gedanken die Richtung zum Gehen geben, durch die Gedanken orientierend wirken, unser Geistig-Seelisches im Inneren beteiligt; aber das Geistig-Seelische von außen ist beteiligt. Wir arbeiten fortwährend in den Geist der Welt hinein. Wir verbinden uns fort während mit dem Geiste der Welt, indem wir körperlich arbeiten.

Wanneer we lichamelijke inspanning verrichten, dan hebben geest en ziel binnen ons daar hoogstens in zoverre deel aan, dat we met onze gedachten de richting van ons lopen bepalen, dat we onze gedachten ter oriëntering gebruiken. Maar de geest en ziel buiten ons zijn er actief bij betrokken. We werken voortdurend tot in het geestelijke van de wereld. We verbinden ons voortdurend met het geestelijke in de wereld wanneer we lichamelijk werk verrichten.

Körperliche Arbeit ist geistig, geistige Arbeit ist leiblich, am und im Menschen.

Lichamelijk werk is geestelijk, geestelijk werk is lichamelijk, aan en in de mens.

Het is begrijpelijk dat we deze tegenstelling die Steiner een paradox noemt, goed moeten kennen, want daarvan hangt veel af wat betreft hoe wij met de kinderen omgaan als we ze iets willen aanleren.

Dieses Paradoxon muß man sich an eignen und es verstehen, daß körperliche Arbeit geistig und geistige Arbeit leiblich ist im Menschen und am Menschen. Der Geist umspült uns, indem wir körperlich arbeiten. Die Materie ist bei uns tätig, rege, indem wir geistig arbeiten.

Deze paradox moet men zich eigen maken; men moet begrijpen dat lichamelijk werk geestelijk en geestelijk werk lichamelijk is in de mens en aan de mens. De geest omspoelt ons wanneer we lichamelijk werk doen. De materie is actief in ons bezig wanneer we geestelijk werk doen.

En dit alles is ook meteen een handvat voor hoe je de les indeelt; ook m.i. een kwestie van hygiëne, zelfs:

Diese Dinge muß man wissen in dem Augenblick, wo man verständnisvoll denken will über Arbeit, sei es nun geistige oder leibliche Arbeit, über Erholung und Ermüdung. 

Deze dingen moet men weten, wil men begrip kunnen hebben voor inspanning, geestelijk dan wel lichamelijk, voor ontspanning en vermoeidheid.

Blz. 191 vert. 191

Hij gaat daar verder op in, voor de volwassene. Maar je kan je ook wel afvragen: hoe is dat voor kinderen, wanneer we ze in de klas en op het plein veelvuldig laten bewegen. Zou dat voor hen ook gelden?

Man kann nicht verständig denken über Arbeit und Erholung und Ermüdung, wenn man nicht das wirklich verständig durchschaut, was wir eben besprochen haben. Denn denken Sie einmal, meine lieben Freunde, ein Mensch arbeite zuviel mit seinen Gliedern, er arbeitet zuviel körperlich, was wird denn das für eine Folge haben? Das bringt ihn in eine zu große Verwandtschaft mit dem Geiste. Es umspült ihn ja der Geist fortwährend, wenn er körperlich arbeitet. Die Folge davon ist, daß der Geist über den Menschen eine zu große Gewalt gewinnt, der Geist, der von außen an den Menschen herankommt. Wir machen uns zu geistig, wenn wir zuviel körperlich arbeiten. Von außen machen wir uns zu geistig.

Deze dingen moet men weten, wil men begrip kunnen hebben voor inspanning, geestelijk dan wel lichamelijk, voor ontspanning en vermoeidheid. Men kan niet verstandig denken over inspanning, ontspanning en vermoeidheid, wanneer men met zijn verstand niet werkelijk begrijpt wat we zojuist hebben besproken. Want, beste vrienden, werkt een mens te veel met zijn ledematen, te veel lichamelijk, wat voor gevolg zal dat hebben? Dat maakt hem te zeer verwant met het geestelijke. Immers, het geestelijke omspoelt hem voortdurend wanneer hij lichamelijk werk doet. Het gevolg is dat het geestelijke de mens te zeer in de macht heeft, althans, de geest die van buitenaf naar de mens toestroomt. We worden te geestelijk wanneer we te veel met ons lichaam werken. Van buiten maken we onszelf te geestelijk.

We zijn gewend wanneer we willen verklaren waarom een mens moet rusten na gedane (lichamelijke) arbeid, te zeggen dat hij moe geworden is; zijn energie verbruikt heeft en dat een maaltijd en de slaap dat weer herstelt.
Ik heb zelf de ervaring wanneer ik een dag heb gewandeld, dat ik die nacht diep, lekker slaap en de volgende morgen (meestal) fris en uitgerust opsta.
Ik krijg niet de indruk dat ik veel langer moet slapen dan anders en de verdere gevolgen die Steiner beschrijft, heb ik nog niet zo ervaren.

Die Folge davon ist: wir müßen uns zu lange dem Geiste übergeben, das heißt, wir müssen zu lange schlafen. Arbeiten wir zuviel körperlich, so müssen wir zu lange schlafen. Und zu langer Schlaf fördert wiederum zu stark die leiblichc Tätigkeit, die vom Brust-Bauch- System ausgeht, die nicht vom Kopfsystem ausgeht. Sie wirkt zu stark das Leben anregend, wir werden zu fiebrig, zu heiß. Das Blut wallt zu sehr in uns, es kann nicht verarbeitet werden in seiner Tätigkeit im Leibe, wenn wir zuviel schlafen. Demnach erzeugen wir die Lust, zuviel zu schlafen, durch übermäßige körperliche Arbeit.

Het gevolg is nu dat we ons te lang aan de geestelijke wereld moeten overgeven, dat wil zeggen, dat we te lang moeten slapen. Werken we te veel met ons lichaam, dan moeten we te lang slapen. En een te lange slaap bevordert weer te sterk de lichamelijke activiteit die uitgaat van het borst-buikstelsel, niet die van het hoofdstelsel. Dit maakt te levendig, we worden te koortsig, te heet. Het bloed kookt te veel in ons en de activiteit van het bloed kan in het lichaam niet verwerkt worden wanneer we te veel slapen. Desondanks krijgen we zin om veel te slapen door overmatige lichamelijke inspanning.

Nu komt Steiner op nog een groot verschil wat het bewegen betreft: de zinvolle en de minder zinvolle of zelfs zinloze beweging.
Steiners voorbeelden van ‘een trage’ (lees lui mens) en een ijverig mens vind ik iets minder geslaagd, omdat iemand die niet zo vlug is, ook zinvolle handelingen kan verrichten. M.i. is het duidelijker wanneer je naar de handelingen kijkt. 

De vraag die hier boven zweeft, is natuurlijk: wat zijn zinloze en zinvolle bewegingen. Ik zou daar niet zomaar een antwoord op kunnen geven. Steiner wordt er hieronder concreter over (blz. 192)
Het verschil betekent in ieder geval:

Als we ons niet te veel storen een ‘de trage’ en de ‘ijverige’ lezen we wel iets over de zinvolle en niet-zinvolle beweging:

Aber die Trägen, die schlafen doch so gerne und schlafen so viel; woher kommt denn das? Ja, das kommt davon her, daß der Mensch eigentlich gar nicht die Arbeit unterlassen kann. Er kann sie gar nicht unterlassen. Der Träge hat seinen Schlaf nicht davon, weil er zuwenig arbeitet, denn der Träge muß ja auch den ganzen Tag seine Beine bewegen, und irgendwie fuchtelt er doch mit seinen Armen herum. Er tut auch etwas, der Träge; er tut eigentlich, äußerlich angeschaut, gar nicht weniger als der Fleißige, aber er tut es sinnlos.

Maar nu zult u zich afvragen: hoe is dat met die trage mensen die toch zo graag en zo veel slapen? Hoe komt dat dan? Ja, dat komt doordat de mens eigenlijk nooit stopt met zich in te spannen. Hij kan dat ook niet. Dat trage mensen slaap hebben komt niet omdat ze zich te weinig inspannen; ook zij moeten de hele dag hun benen bewegen en op de een of andere manier laten ze hun handen ook nog wapperen. Ze doen wel wat, uiterlijk gezien niet eens minder dan ijverige mensen, maar zinloos.

Dus: zinvolle handelingen – op de buitenwereld gericht – en zinloze activiteiten. Die laatste zouden de mens slaperiger maken.

Der Fleißige wendet sich an die Außenwelt; er verbindet mit seinen Tätigkeiten einen Sinn. Und das ist der Unterschied. Sinnloses SichBetätigen, wie es der Träge tut, das ist dasjenige, was mehr zum Schlaf verleitet, als sinnvolles Sich-Betätigen.

Een ijverig iemand richt zich op de buitenwereld; voor hem heeft zijn handelen zin. Dat is het verschil. Zinloze activiteiten zoals langzame mensen ze hebben, maken iemand meer slaperig dan zinvolle activiteiten.

De reden is gelegen in:

Denn sinnvolles Sich-Betätigen läßt uns nicht nur im Geiste herumplätschem, sondern indem wir uns sinnvoll bewegen mit unserer Arbeit, ziehen wir den Geist auch allmählich hinein. Indem wir die Hand ausstrecken zu sinnvoller Arbeit, verbinden wir uns mit dem Geiste, und der Geist braucht wiederum nicht zuviel unbewußt arbeiten im Schlafe, weil wir bewußt mit ihm arbeiten.

Want door zinvol bezig te zijn, dartelen we niet alleen rond in de geesteswereld, maar door zinvol te bewegen bij ons werk nemen we ook het geestelijke geleidelijk in ons op. Wanneer we onze handen uitsteken om zinvol werk te doen, dan verbinden we ons met het geestelijke en dan hoeft de geest niet zoveel onbewust meer te werken in de slaap, omdat wij bewust met hem werken.

Blz. 192  vert. 192

Also nicht darauf kommt es an, daß der Mensch tätig ist, denn das ist auch der Träge, sondern darauf kommt es an, inwiefern der Mensch sinnvoll tätig ist.

Het komt er dus niet op aan dat men bezig is, want dat is iedereen, maar het gaat erom in hoeverre men zinvol bezig is. [de vertaling heeft hier voor ‘Träge’ -iedereen – gekozen en dat lijkt mij juist(er).
**GA 293/189-192

Steiner wordt nu concreter wat zinloos en zinvol betreft.
Dat heeft ook gevolgen voor de pedagogie.

Daarover in het volgend artikel.

***deze opmerking vraagt om allerlei nuances wat betreft de verschillende vakken.
Dat probeer ik later in een nieuw artikel.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2793-2621

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de intelligentie van de handen [5-2]

.

Op deze blog plaatste ik in 2013 een vertaling van een artikel van E-M. Kranich: ‘De intelligentie van de handen‘ dat verscheen in het blad van de Duitse vrijescholen ‘Erziehungskunst’.
In de afgelopen 10 jaar is er nog weer meer bekend geworden over de samenhang van ‘ledematen en breinactiviteit.
In 2013 verscheen ook een studie over ‘hoe breinvriendelijk het vrijeschoolonderwijs‘ is. 

‘De intelligentie van de handen’ is het thema van Erziehungskunst van juli 2022

.

Henning Kullak-Ublick, Erziehungskunst Juli 2022

.

het hoofd heeft handen en voeten nodig
.

De voeten van Lisa verbazen zich sinds deze op blote voeten uit de auto is gestapt. Ze voelen iets koels, vettigs, vochtigs, zachts, op de een of andere manier iets ongewis. Dan vaster, puntiger, naaldachtig, warmer, steenachtig, dan weer zachter, droog, oneffen, ruw, warm, scherper omlijnd, a.h.w.
Onnoembaar vele contacten. En dan: ‘Oeps’, heet!’ en het hoofd geeft het signaal aan Lisa: ‘Lopen! Snel! Weg! Daar is het zachter, koel en nat…’
De voeten van Lisa hebben haar over de weg van de parkeerplaats over de bodem van het bos verteld, over de hete zomer en over het natte zand bij eb. Natuurlijk weet ze alleen wat haar voeten zeggen, omdat ze daarvoor begrippen heeft, maar zonder de informatie van haar voeten zou ze de vele begrippen niet eerst hebben kunnen vormen. Om te begrijpen heeft ze die nodig.

Lisa heeft ook nog twee handen en die behoren zonder twijfel tot de grootste wonderwerken van de evolutie.  Alleen degene die de hand begrijpt, kan de mens begrijpen. De tastzin, warmtezin, evenwichtszin en ‘kinesthetische zin‘, waarmee wij onze eigen bewegingen gewaarworden, zagen we al leren bij wat Lisa’s  voeten deden. In haar handen werkt dat nog veel diepgaander: omdat ze daarmee de wereld meteen voelt en actief vormgeeft, ontstaat er….intelligentie.

Wat vertelt dit meest gedifferentieerde bewegingsorgaan dat er eigenlijk bestaat, over ons zelf? Wat bij het schouderblad met de bovenarmbeenderen begint, wordt elleboog, met de ellepijp en spaakbeen die tot in het handgewricht in steeds fijner gedifferentieerde vingerkootjes verdeeld raken. Door de vele gewrichten, pezen en spieren zijn de armen en pas echt de handen niet tot enkele bewegingen beperkt, maar deze kunnen zich pas echt vrij bewegen. Het verschil met de dieren is dat wij onze duim over de andere vingers heen kunnen bewegen en zo kunnen wij niet alleen voorwerpen krachtig beetpakken, maar ook voorzichtig vastpakken en behandelen.

Als zuigeling al tastte Lisa met haar handjes om zich heen en ervoer daarbij de grens tussen zichzelf en de wereld. Ze leerde met haar vingertjes steeds genuanceerder te voelen wat deze over de aard van de dingen te vertellen hebben. Stap voor stap gaf de tastzin haar een bewustzijn van de wereld die om haar heen is. En terwijl haar ouders haar met hun handen vasthielden, op ontelbare manieren aanraakten, aankleedden, streelden of optilden, was er steeds een ontmoeting met haar ‘Ik’, dat bij al deze aanrakingen aanwezig en actief was. Tastend ervoer Lisa dat er een wereld is en zijzelf.

Slaapt u nog of breit u al?

De werkwijze van het moderne hersenonderzoek geeft in beeld gebracht er een gedifferentieerd beeld van hoe nauw het gebruiken van onze handen, van onze fijne motoriek en de ontwikkeling van de hersenen met elkaar verweven zijn. Als ‘neuroplastisch orgaan” ontwikkelen de hersenen zich in overeenstemming met alles wat wij met ons gevoel of lichamelijk doen, steeds verder. 
Italiaanse onderzoekers konden al na twintig minuten wat pingelen op een piano neurale veranderingen zien bij hun proefpersonen. En nadat twaalf personen die nog geen les hadden gekregen tien dagen lang, steeds 35 minuten hun tweehandige vingervlugheid op een keyboard hadden geoefend, vormden zich tussen hun linker- en rechterhersenhelft nieuwe verbindingen, zodat de rechtshandigen links en de linkshandigen rechts handiger werden. Beide helften werkten van toen af beter samen.

Op de vrijescholen leren de kinderen in de eerste klas al breien, in de tweede haken. De handen ontwikkelen bij deze activiteit een buitengewone intelligentie, omdat die uiterst gecompliceerde fijn-motorische bewegingen van de rechterhand precies afgestemd moeten worden op die van de linker zodat de ene steek op de andere volgt en er op het eind een mooi regelmatig breiwerk ontstaat. De handen worden intelligent. Eerst is er de wil om met de handen uit te voeren wat de leerlingen als eerste zich voorstellen, wat ook weer met tussenstappen op de hersengebieden, zoals de prefrontale cortex zijn invloed heeft, waar ons kennen complexe samenhangen vertoont. Wanneer een kind bij het breien leert om de gecompliceerde bewegingen van de rechterhand op de bewegingen van de linker af te stemmen, werkt het tegelijkertijd aan zijn wil en aan zijn hersenstructuren.

Rudolf Steiner beschreef deze samenhang een halve eeuw voor deze empirisch kon worden vastgesteld, op deze manier: ‘

Wanneer je weet dat ons intellect niet alleen maar gevormd wordt door direct met intellectuele vorming te beginnen, wanneer je weet dat iemand met onhandige vingers, niet zo’n goed intellect heeft, weinig beweeglijke ideeën en gedachten, terwijl degene die zijn vingers handig kan bewegen, in kan gaan op het wezenlijke van de dingen, dan zal je niet onderschatten wat het betekent de uiterlijke mens te ontwikkelen met het doel dat door met de uiterlijke mens dingen te doen, het intellect als gevolg zich ontplooit. [GA 301 blz. 80, op deze blog vertaald]

Zoals bij pianospelen is het oefenen van een nieuwe techniek een uiterst moeilijk proces dat vooral in het begin een hoge mate van aandacht vereist. 
Lisa moest zich eerst een voorstelling maken van wat ze wil doen en hoe ze daarbij haar handen moet bewegen. Haar voorstelling moet ze dan met haar wil tot in de vingertoppen brengen. Terwijl ze dat doet, tast en voelt ze zorgvuldig wat haar vingers tevoorschijn toveren – schoolt zo ook haar tast- en bewegingszin. Als Lisa al breiend een complexe samenhang creëert, werkt ze tegelijkertijd intensief aan haar wil en aan haar hersenstructuur.

Internet als neuronaal netwerk

Een blik op een heel ander net maakt het belang van de vakken handenarbeid en handwerken voor de toekomst van de kinderen van nu nog duidelijker: het internet heeft zich als een reusachtig neuraal netwerk over de hele wereld verspreid en verovert steeds meer gebieden van ons leven. Met tot op het minimale gereduceerde vinger- en ogenbewegingen kunnen wij in delen van seconden op een wel haast onuitputtelijke bron aan informatie teruggrijpen.
Concentratie wordt overbodig, omdat wij bij ieder trefwoord een enorm aanbod aan associaties – links – aangeboden krijgen die vandaaruit weer naar iets anders leiden enz. Ook dat werkt onmiddellijk door op ons brein, op ons kunnen, op onze wil, omdat vermogens die we niet benutten, verkommeren.

Het kenmerkende van het wonderbouwwerk hersenen is dat het door onze activiteit gevormd en verder ontwikkeld wordt. Terwijl Lisa breit, worden de complexe processen in haar hersenen afgedrukt die ze eerder zich heeft voorgesteld en met haar handen uitwerkt. Ze smeedt aan haar intelligentie en kan op volledig onverwachte situaties in het leven erop vertrouwen dat ze de samenhangen kent en vorm kan geven. Of ze deze intelligentie gebruikt bij natuurwetenschap of het doorzien van ecologische of economische samenhangen of voor andere mensen, is niet zo wezenlijk. Belangrijk is dat ze daadwerkelijk leert hoe je intelligent wordt. 
De intelligentie van de handen wordt voor de generatie van de ‘digital natives’ [jongeren die van kinds af aan zijn opgegroeid met online technologie. Geboren in het digitale tijdperk van computers, videospelletjes en het internet, zijn zij de ‘native speakers’ van de digitale taal.] een vraag voor het leven. Die vraag helpt hen, midden in de niet ophoudende informatiestroom, een actief middelpunt te creëren. Die vraag verbindt ons hoofd met de werkelijkheid en laat het gezond worden.

Het mooie breiwerk ontstaat omdat Lisa het steek voor steek opbouwt. Ze wil – en leert als beloning, denken.
In de »Anthroposophischen Leitsätzen«[GA 26] [Kerngedachten van de antroposofie] die Rudolf Steiner ons naliet, schreef hij kort voor zijn dood:

183 In het natuurwetenschappelijke tijdperk dat rond het midden van de negentiende eeuw begint, glijdt de cultuuractiviteit van de mensen geleidelijk af, niet alleen naar de onderste gebieden van de natuur maar onder de natuur. De techniek wordt ondernatuur.

184 Dat vereist dat de mens innerlijk een geestelijk inzicht ontwikkelt, waarmee hij zich even hoog in de bovennatuur verheft als hij met zijn ondernatuurlijke technische activiteit onder de natuur wegzinkt. Daardoor schept hij in zijn innerlijk de kracht om niet weg te zinken.’

De voor een deel remmende werkingen van (on-)sociale media zijn een tamelijk sterke aanduiding van dit potentiële wegzinken van de cultuur.

Het versterken van een actief innerlijk geestelijk inzicht’ begint zonder twijfel door het ernstig nemen van ons lichaam voor het inleven, begrijpen, ervaren van de wereld doordat wij met name onszelf eerst als zelfverantwoordelijk handelende, meevoelend en denkende mens (subject) kunnen zien.

Het is interessant dat ook het moderne cognitieonderzoek in toenemende mate spreekt over ‘embodied cognition’ [‘Belichaamde cognitie’ is de theorie dat vele kenmerken van cognitie, al dan niet menselijk, worden gevormd door aspecten/eigenschappen van het gehele lichaam van het organisme] dus de betekenis van het lichaam voor een begrijpen van de wereld dat op handelen betrokken is.
De psychiater en filosoof Thomas Fuchs heeft het in een zeer lezenswaardig boek ‘Verteidigung des Menschen‘ [verdediging van de mens] zelfs over het nieuwe paradigma van een ‘humanisme van de actieve, belichaamde geest’. 
De intelligentie van de handen, eigenlijk ons hele lichaam, is tot een existentiële vraag geworden die niet alleen maar voor het begrijpen van het leren, maar voor ons mensen zelf steeds belangrijker wordt.
Alleen als een belichaamd wezen kunnen we onze vrijheid winnen.

Deze tekst verscheen in een eerste versie van het boek »Jedes Kind ein Könner« von Henning Kullak-Ublick, Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 2017.

Auteur: Henning Kullak-Ublick, *1955, Waldorfpedagoog und auteur,Lid van de Haager Kreises – Internationale vergadering voor Steiner Waldorfpedagogiek – en spreker toezichthouder van de Freunde der Erziehungskunst Rudolf Steiners e.V.

.

Rudolf SteinerAlgemene menskunde

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2792-2620

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304A

 ANTHROPOSOPHISCHE MENSCHENKUNDE UND PÄDAGOGIK

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

ANTROPOSOFISCHE MENSKUNDE EN PEDAGOGIEK

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven.

voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923
is uitgegeven bij uitgevrij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]

(Eigen inhoudsopgaven)

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt, is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)

Je kan direct doorlinken naar de pagina. Woord met bredere s p a t i e.
(wordt aan gewerkt)

Blz. 77 e.v.: kloof tussen geest en praktijk van het leven; autoriteit van de (natuur)wetenschap;
Blz. 78: het kind wordt niet bereikt;
Blz. 79: geest ten grondslag aan lichaam; experimenteren; afstomping leerkracht;
Blz. 80: psychologie en ethiek; psychologie zonder ziel;

Blz. 77

Voordracht 4, Dornach 1 juli 1923   (deel 2 van 2)

WARUM EINE ANTHROPOSOPHISCHE PÄDAGOGIK?

Gestern abend versuchte ich zu zeigen, wie die tiefe Kluft, welche zwischen unserem ganz theoretisch gewordenen Geistesleben und der Lebenspraxis ist, den Zugang zu einer wirklichen pädagogischen Kunst für den Menschen der Gegenwart verhindert. Man nimmt die Dinge, die mit dieser Zeiterscheinung zusammenhängen, gewöhnlich nicht ernst genug, weil sie sich eigentlich gar nicht dem Verstande mitteilen, son­dern weil sie sich mitteilen im Verlaufe des Lebens dem Gemüte. Unsere Zeit ist aber so sehr geneigt, immer die Kundgebungen des menschlichen Gemütes, der menschlichen Empfindungen verstummen zu machen vor den Ansprüchen des Verstandes. Alles was den Menschen der Gegenwart so stark zwingt, die Wissen­schaft der Gegenwart, die eigentlich nur eine Naturwissenschaft ist, keine Seelen- und keine Geisteswissenschaft, als eine unbeschränkte, unfehlbare Autorität anzuerkennen, besteht eigentlich darin, daß der Mensch heute immerzu seinen Verstand zum Richter einsetzt gegenüber allem, was sonst aus der vollen Menschheit herauskommt. Der Lehrer aber, der ja auch herauswächst aus dem, was die ganze heutige Bildung geben kann über das Geistesleben, der also in seinen Empfindun­gen, in seinen Gefühlen, in der Schule wiederum aus demjenigen Schul­leben heraus wirken muß, das er durchgemacht hat, der fühlt schon, wenn er mit seinen Kindern zusammen ist, in seiner Seele, wie stark, wie intensiv der gestern abend angedeutete Abgrund wirkt.
Der Lehrer hat zunächst verschiedenes aufgenommen über die menschliche Seele, über die Art und Weise, wie die menschliche Seele wirkt. Darnach haben sich seine eigenen Empfindungen, ja seine Willensimpulse gestaltet. Namentlich aber hat sich darnach gestaltet die ganze Lebensstimmung, mit der er sein Lehramt antritt. Und dann muß er aus dem, was ihm heute ganz theoretisch über den Geist in seine Seele hineinergossen ist, wirken.
Man sage nicht: Ach was, Theorie! Man wirkt aus seinem vollen

Gisteravond probeerde ik te laten zien, hoe de diepe kloof die bestaat tussen ons geestesleven dat in zijn totaliteit zo theoretisch is geworden is, en de praktijk van het leven, de ingang naar een werkelijk pedagogische kunst voor de mens van deze tijd blokkeert. Men neemt de dingen die hiermee samenhangen meestal niet serieus genoeg, omdat die eigenlijk helemaal niet doordringen tot het verstand, maar omdat ze in het verloop van het leven tot het gevoel gaan spreken. Onze tijd is echter zo geneigd om maar steeds de signalen van de menselijke ziel, van het menselijk beleven te doen verstommen i.p.v. ze op het niveau van het menselijke verstand te tillen. Alles wat de mens van nu zo sterk dwingt om de wetenschap van nu, die in feite maar een natuurwetenschap is, geen wetenschap van ziel en geest, als een grenzeloze en onfeilbare autoriteit te erkennen, bestaat er eigenlijk uit dat de mens tegenwoordig steeds maar weer zijn verstand laat oordelen over alles wat de totale mensheid voortbrengt. De leerkracht echter die ook opgroeit met wat nu de algemene ontwikkeling geven kan wat het geestesleven betreft, die dus in al zijn belevingen, zijn gevoelens, op school weer moet werken met wat hij op school ervaren heeft, voelt, wanneer hij op school is samen met de kinderen, hoe sterk, hoe krachtig de afgrond waarover het gisteravond ging, van invloed is. De leerkracht heeft al van alles in zich opgenomen over de menselijke ziel, over de manier waarop die actief is. Dat vormde zijn eigen gevoelens, en ook zijn wilsimpulsen. En vooral zijn hele levensopvatting is daardoor gevormd, en daarmee begint hij zijn beroep van leerkracht. En dan moet hij werken met wat er in deze tijd allemaal als theorie in zijn gevoel terechtgekomen is. Er wordt niet gezegd: Wat nou, theorie! Men werkt helemaal vanuit zijn 

Blz. 78

menschlichen Herzen heraus, wenn man in der Schule steht: – Meine sehr verehrten Anwesenden, das ist abstrakt ganz richtig. Das kann man auch abstrakt in Worten aussprechen. Aber geradeso wie niemand sagen kann: Ich will mich ins Wasser hineinbegeben und trocken bleiben -, weil das ein innerer Widerspruch ist, ebensowenig kann heute dasjenige, was man auch in den Lehrerbildungsanstalten über die Seele, über den Geist durchmacht, so für die Seele wirken, daß diese Seele einen frischen, einen vollen Zugang zu den Kinderseelen hat. Denn wie man naß werden muß, wenn man ins Wasser hineinspringt, so muß man seelenfremd, geistfremd werden, wenn man sich die heutige Schulbildung aneignet.
Das ist eine Tatsache. Und gerade denjenigen, die die pädagogische Kunst üben wollen, müßte es heute eigentlich die erste Angelegenheit sein, diese Tatsache in ihrer vollen menschlichen Bedeutung zu durch­schauen.
Wenn der Lehrer mit dem, was er heute angeregt hat an Menschheitsgefühl, an Wille, mit den Menschen zu wirken und zu tun, aus seinen eigenen Bildungsstätten herauskommt und das nun anwenden will auf den werdenden Menschen, auf das Kind, dann fühlt er, als wenn das alles, was er in einer so theoretischen Weise sich angeeignet hat, was sein Herz nicht warm, seinen Willen nicht tatkräftig im Geiste gemacht hat, als wenn das alles ein Herumflattern um das Kind herum wäre, nicht etwas, was den Zugang zum Kind findet.

menselijke hart als men op school is: – zeer geachte aanwezigen, dat is abstract helemaal juist. Dat kun je ook abstract met woorden uitspreken. Maar zoals niemand kan zeggen: ik ga te water en wil droog blijven – omdat dit innerlijk met elkaar in tegenspraak is – net zomin kan vandaag de dag datgene wat men ook in onderwijsopleidingen over de ziel, over de geest ervaart, zo op de ziel werken dat deze een frisse, een volledige toegang tot de ziel van de kinderen krijgt. Want zoals je nu eenmaal nat moet worden, wanneer je in het water springt, zo moet je met je ziel en geest vervreemd raken, wanneer je je de huidige opleidingsvorming eigen maakt. Dat is een feit. En juist voor degenen die de pedagogische kunst willen uitoefenen, zou het tegenwoordig eigenlijk juist de eerste aangelegenheid moeten zijn, dit feit in zijn volle menselijke betekenis, te doorzien.
Wanneer de leerkracht met wat er vandaag aan stimulans in hem ontstaan is voor het meevoelen met de mensheid, voor de wil om met mensen te werken, te handelen, en wanneer hij dan zijn eigen opleidingsinstituut verlaat en dat dan wil toepassen op het kind, dan voelt hij alsof alles wat hij op zo’n theoretische manier zich eigen heeft gemaakt, wat zijn hart niet verwarmd heeft, geestelijk zijn wil niet daadkrachtig gemaakt, wat maar zo’n beetje wat ronddartelen om het kind is, niet iets is waarmee het kind bereikt wordt.

Und so geht eigentlich der Lehrer in die Klasse hinein, indem er, man möchte sagen, eine Scheidewand um sich aufrichtet, durch diese Scheide­wand nicht hindurchdringt bis zu den Seelen der Kinder, und nun gewissermaßen sich in der Luft betätigt, die außerhalb der Kinder ist, nicht mitfolgen kann in seiner Seele dem eingezogenen Atem, durch den die Luft in das Innere der Kinder kommt. Er fühlt sich außerhalb des Kindes stehend, gewissermaßen herumplätschernd in einem unbestimm­ten theoretischen Elemente außerhalb des Kindes.
Und wiederum, wenn der Lehrer alles das, was er heute durch unsere ausgezeichnete Naturwissenschaft lernt, das ihn in einer so gediegenen Weise hineinführt in die äußeren Naturdinge und Naturtatsachen, wenn er das alles nun in seinen Verstand, in seinen Kopf aufgenommen hat, dann fühlt er, daß er mit diesem erst recht nicht an das Kind herankommt,

En eigenlijk gaat de leerkracht zo de klas binnen alsof hij een scheidingsmuur opgericht heeft waardoor hij de ziel van de kinderen niet bereiken kan en in zekere zin in het luchtledige bezig is dat rondom de kinderen zich bevindt en in zijn ziel kan hij de inademing niet meebeleven waardoor de lucht in het kind binnenkomt. Hij voelt dat hij buiten het kind staat, in zekere zin maar wat doend buiten het kind om vanuit een vaag theoretisch aspect. En dan, wanneer de leerkracht alles wat deze tegenwoordig door onze geweldige natuurwetenschap leert, die hem op een zo gedegen manier bij de uiterlijke dingen in de natuur en bij de natuurfeiten brengt, dat met zijn verstand, met zijn hoofd in zich opgenomen heeft, dan voelt hij dat hij hiermee al helemaal het kind niet bereiken kan,

Blz. 79

denn das sagt ihm etwas über die Leiblichkeit des Kindes. Aber die Leiblichkeit, die Körperlichkeit, wir verstehen sie nicht, wenn wir nicht durch sie hindurchdringen zu dem Geist. In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig. Und so kommt es, daß der Mensch, der heute an das Kind herankom­men will mit pädagogischer Kunst, äußerlich experimentierend an dem Leibe herumprobiert: Wie muß man den Leib behandeln, damit das Gedächtnis in der richtigen Weise ausgebildet wird? Wie muß man den Leib behandeln, damit die Aufmerksamkeit in der richtigen Weise geübt wird? – und so weiter.
Und da fühlt sich dann der Lehrer so ungefähr, wie wenn man jemandem, den man ins Licht führen wollte, zunächst vollständig die Augen verdeckende Brillen vor die Augen setzte. Wie etwas Undurchsichtiges wird die Menschenleiblichkeit selber durch diese Naturwissenschaft. Und so fühlt sich der Lehrer mit aller Natur­wissenschaft gerade nicht fähig, an das durchgeistigte natürliche Leben des Kindes heranzukommen.
Das wird heute noch nicht in der allgemeinen Zivilisation verstandesmäßig erörtert. Wo wird heute so gesprochen, wie ich eben jetzt gesprochen habe, über die Fremdheit, mit der wir um das Kind herumgehen, ohne eine wirkliche Menschenkenntnis, mit einer ausgezeichne­ten Naturerkenntnis, wo wird so gesprochen?

want dat zegt hem iets over de fysieke kant van het kind. Maar dat lichamelijke begrijpen we niet wanneer we daar niet doorheen kunnen komen tot bij de geest. Aan al het lichamelijke, het levende ligt iets geestelijks ten grondslag.
En zo komt het dat de mens die tegenwoordig met pedagogische kunst het kind wil benaderen, dat uiterlijk experimenteel fysiek wil doen. Hoe moet je lichamelijk te werk gaan zodat het geheugen op de juiste manier gevormd wordt. Of de aandacht op de juiste manier beoefend. Enz.
En dan heeft de leerkracht zo’n beetje het gevoel als iemand die men in een lichte ruimte wil brengen, maar die dan eerst een bril op moet zetten die de ogen helemaal afsluit. Door de natuurwetenschap wordt het lichamelijke van de mens zelf iets ondoorzichtigs. En daardoor voelt de leerkracht met al die natuurwetenschap zich toch niet in staat het natuurlijke leven van het kind waardoorheen de geest zich uit, te bereiken.
Vandaag de dag komt dat in de algemene beschaving met het nuchtere verstand nog niet naar buiten. Waar wordt er tegenwoordig zo gesproken als ik nu doe over dat niet-vertrouwde gevoel waarmee we met het kind omgaan, zonder een echte menskunde, met een voortreffelijke kennis van de natuur, waar hoor je dit?

Und weil nicht so gespro­chen wird, lädt sich das alles, was so in Worte gekleidet werden kann, in Gefühlen und Empfindungen ab. Und der Lehrer geht fast jede Stunde mit einem ganz kleinen Quantum von unbefriedigter Empfindung aus seiner Klasse heraus. Und diese kleinen Quanten von unbefriedigter Empfindung verhärten ihn, die machen ihn nicht nur lcirrderfremd, son­dern weltfremd, die lassen sein eigenes Gemüt kalt und nüchtern werden. So sehen wir, wie Frische und Leben und Beweglichkeit gerade aus jenem intimen Verkehr des Menschen mit dem Menschen schwindet, der zur Offenbarung kommt in dem Verkehr zwischen dem erwachsenen Lehrenden und Erziehenden und dem zu erziehenden, dem heranwach­senden Kinde. Diese Dinge muß man mit dem Gemüte auch verstehen, weil heute der Verstand, der nur an den äußeren Naturerscheinungen geschult ist, ich möchte sagen, noch zu grob ist, um diese intimen Dinge in all ihrer Feinheit zu begreifen.

En omdat er niet zo gesproken wordt, vlakt alles wat zo in woorden gekleed kan worden, af in gevoel en gewaarwording. En de leerkracht gaat bijna ieder uur met een beetje ontevreden gevoel z’n klas uit. En dat doet hem verharden, dat werkt niet alleen vervreemdend naar het kind, maar ook naar de wereld, maakt dat zijn eigen gevoel koud en nuchter wordt. Zo zien we hoe de frisheid, het leven en de beweeglijkheid met name uit de vertrouwde omgang van mens tot mens verdwijnt, wat tot uiting komt in de omgang tussen de volwassen leerkrachten en opvoeders en het opgroeiende kind dat opgevoed moet worden. Deze dingen moet je ook met je gevoel begrijpen, omdat tegenwoordig het verstand dat alleen door de natuurverschijnselen geschoold is, nog te grofstoffelijk is om deze innerlijke dingen in al hun verfijndheid te begrijpen.

Blz. 80

Und so sehen wir, daß alte Forderungen immer und immer wirderholt werden, wenn von pädagogischer Kunst gesprochen wird. Sie wissen ja wie die Pädagogik auf der einen Seite hergeleitet wird aus der Psycholo­gie, aus der Seelenkunde, und Sie wissen, wie auf der anderen Seite die Pädagogik hergeleitet wird aus der Ethik, aus der Erkenntnis der sittli­chen Menschenpflichten. Überall kann man, wo von pädagogischer Kunst geredet wird, heute hören, wie auf diesen zwei Grundsäulen begründet werden soll die pädagogische Kunst: auf einer Seelenkunde und auf einer Sittenkunde. Aber wir haben ja nur dasjenige, was Zwi­schen den beiden drinnen steht. Es gibt sich der Mensch einer schier unbegrenzten Illusion hin, wenn er glaubt, daß heute eine wirkliche Seelenkunde vorhanden sei. Immer wieder muß erinnert werden an das Wort, welches schon im 19. Jahrhundert geprägt worden ist: Seelen­kunde ohne Seele, weil die Menschen einfach nicht mehr zum Seelischen durchdringen. Was ist denn unsere heutige Seelenkunde? Es wird para­dox klingen, wenn ich zum Ausdruck bringe, was eigentlich unsere heutige Seelenkunde ist. Die Menschen haben aus ursprünglichen Instinkten heraus, aus einer in aller Menschheit in Urzeiten ausgebreite­ten hellsichtigen Erkenntnis der Geschichte, die primitiv bildlich, mythisch war,

En zo zien we dat oude vragen steeds weer herhaald worden als er over pedagogische kunst gesproken wordt. U weet natuurlijk dat de pedagogie enerzijds afgeleid wordt van de psychologie en anderzijds hoe de pedagogie afgeleid wordt van de ethiek, van de kennis over de morele plichten van de mens. Overal kan je als er over pedagogische kunst gesproken wordt, in deze tijd vernemen, hoe die pedagogische kunst op deze twee basispijlers moet rusten: op psychologie en ethiek. Maar we beschikken alleen over wat er zich tussen deze twee bevindt. De mens geeft zich aan een bijna onbegrensde illusie over, wanneer hij denkt dat we in deze tijd een echte psychologie hebben. Iedere keer moet weer in herinnering geroepen worden wat al in de 19e eeuw zijn stempel ging drukken: een psychologie zonder ziel. De mensen dringen eenvoudigweg niet meer tot de ziel door. Hoe staat het met de huidige psychologie? Als ik ga zeggen hoe het er met de huidige psychologie voorstaat, klinkt dat paradoxaal.
De mensen hebben vanuit een oorspronkelijk instinct, vanuit een brede helderziende kennis die de gehele mensheid in oertijden had van de geschiedenis die in primitieve beelden, in mythen

die aber trotz ihrer Primitivitat, trotz ihres mythischen Charakters eben in das Seelische hineindrang, eine Seelenkunde gehabt, sie haben gefühlt und empfunden, was das Seelische ist. Und in jener alten Zeit sind Worte geprägt worden, die sich auf das Seelische bezie­hen: Denken, Fühlen und Wollen. Aber heute haben wir nicht mehr jenes innere Leben, das uns diese Worte, Denken, Fühlen und Wollen, wirklich belebt. Was zeigt uns Anthroposophie gegenüber dem Denken? Nun, das Denken stattet uns als Menschen eben mit Gedanken aus. Aber die Gedanken, die wir im gewöhnlichen Leben heute innerhalb unserer gegenwärtigen Zivilisation haben, diese Gedanken zeigen sich uns so, wie wenn wir einem Menschen, den wir antreffen, nicht von vorne ins Antlitz sähen, sondern wie wenn wir ihn nur von hinten anschauten. Es ist ja nur die Rückseite desjenigen, was im Denken lebt, wenn wir so von Gedanken sprechen, wie wir heute innerhalb unserer Kulturzivilisation von Gedanken sprechen. Warum?

die ondanks dat, ondanks het mythische karakter toch doordrongen tot de ziel, een psychologie gekend, ze hebben gevoeld en ervaren wat ziel is. En in die oude tijden hebben zich woorden vastgezet die betrekking hebben op de ziel: denken, voelen en willen. Maar nu beschikken wij niet meer over dat innerlijke leven dat die woorden denken, voelen en willen werkelijk met realiteit vult.
Wat laat antroposofie wat het denken betreft, zien? Wel, het denken voorziet ons van gedachten. Maar die gedachten die wij in het dagelijks leven vandaag de daag in onze huidige beschaving hebben, die vertonen zich zo alsof we een mens die we ontmoeten, niet van voren in het gezicht zien, maar van achteren. Wanneer we over gedachten spreken zoals we dat nu in onze cultuur doen, hebben we het over de achterkant van wat er in het denken leeft. Waarom?

Blz. 81

Wenn Sie einen Menschen vor sich haben und Sie schauen ihn von hinten an, dann haben Sie eine gewisse Gestaltung. Aber Sie lernen ihn nicht erkennen von derjenigen Seite, in der er seinen eigentlichen physio­gnomischen Ausdruck hat. Sie lernen ihn nicht erkennen von der Seite, in der er nach außen offenbarend sein Seelenleben lebt. Wenn Sie die Gedanken so kennenlernen, wie es dem heutigen naturwissenschaftli­chen Zeitalter möglich ist, so lernen Sie das innere Menschenwesen von hinten kennen. Schauen Sie die Gedanken von der anderen Seite an, dann behalten die Gedanken Leben, dann sind die Gedanken Kräfte.
Und was sind denn diese Gedanken? Sie sind diejenigen Kräfte, die die Wachstumskräfte des Menschen sind. Nach außen sind die Gedanken abstrakt, nach innen, nach dem Menschen hin, sind dasjenige, wodurch das ganz kleine Kind größer wird, wodurch es aus seinen unbestimmten Gliedmaßen heraus bestimmte macht, die Gedankenkräfte Nach außen sehen wir nur tote Gedanken, wie dasjenige, was der Mensch nach rückwärts zeigt, nicht sein lebendiges Wesen offenbart. Wir müssen uns sozusagen auf die andere Seite des Gedankenlebens begeben, dann offenbart sich uns im Gedankenleben dasjenige, was von Tag zu Tag, indem das Kind seinen unbestimmten Gesichtsausdruck immer mehr und mehr zum Ausdruck seiner Seele macht, 

Wanneer er een mens voor je staat en u kijkt van achter naar hem, zie je een bepaalde gestalte. Maar je leert hem niet kennen van de kant waar hij zijn eigenlijke fysionomische uitdrukking heeft. Je leert hem niet kennen van de kant waar hij naar de buitenwereld zich uitend, zijn gevoelsleven vertoont. Wanneer je de gedachten zo leert kennen als dit in de huidige natuurwetenschappelijke tijd mogelijk is, leer je het innerlijke wezen van de mens vanaf de achterkant kennen. Kijk je vanaf de andere kant naar de gedachten, dan blijven die levend, dan zijn gedachten krachten. Want wat zijn deze gedachten? Het zijn die krachten die voor de mens groeikrachten zijn. Naar buiten toe zijn de gedachten abstract, naar binnen toe, naar het menselijke toe, zijn het krachten waardoor het heel kleine kind groter wordt, het zijn gedachtekrachten waardoor het vanuit zijn ongecoördineerde ledematen gecoördineerde vormt. Naar buiten toe zijn we alleen dode gedachten, zoals dat wat de mens naar achter laat zien, niet zijn levende wezen t0t uitdrukking brengt. We moeten ons naar de andere kant van het gedachteleven begeven, dan komt voor ons in het gedachteleven tot uitdrukking wat van dag tot dag, als het kind zijn ongevormde gezichtsuitdrukking steeds verder tot uitdrukking van zijn ziel brengt,

von innen nach au­ßen wirkt, was in den Blick übergeht, den Blick warm und feurig macht, was in die gerade ja noch im Leben vor sich gehende Formung der Nase übergeht, was aber auch die ganzen ungeordneten Bewegun­gen des Kindes zu geordneten macht, was innerlich lebt und sich regt, was wirkt und lebt in der ganzen Zeit, solange der Mensch überhaupt wächst.
Und wenn man anfängt also anthroposophisch das Gedankenleben anzuschauen, so ist es wirklich so, wie wenn man einen Menschen, den man bisher nur von hinten kennengelernt hat, nun beginnt von vorne anzuschauen. Alles Tote wird lebendig, das ganze Gedankenleben wird lebendig, wenn man anfängt, es nach innen hin anzuschauen.
Das hat man früher zwar nicht so erkannt, wie es heute der Anthropo­sophie möglich ist, aber man hat es gefühlt, man hat es mythisch zum Ausdrucke gebracht. Heute kann man es erkennen. Daher kann man es auch in die Lebenspraxis überführen. Daher kann man eine Kunst daraus

van binnen naar buiten werkzaam is, wat in de blik overgaat, de blik warm en vurig maakt, wat bijv. in het leven overgaat in de vorming van de neus, wat ook de heel chaotische bewegingen van het kind tot geordende maakt, wat innerlijk leeft en actief is, wat werkzaam is en levend, de hele tijd wanneer de mens groeit.
En wanneer je dus antroposofisch het gedachteleven begint waar te nemen, dan is het werkelijk zo alsof je de mens die je tot dan toe alleen maar van achter hebt leren kennen, nu van voren begint te zien.
Vroeger wist men dit niet zoals dit nu door de antroposofie mogelijk is, maar men voelde het, men bracht het mythisch tot uitdrukking. Tegenwoordig kun je het weten. En van daaruit kan je het in praktijk brengen. Vandaar dat je, wanneer je met het kind iets moet doen, er een kunst van kan maken

Blz. 82

machen, wenn man das Kind zu behandeln hat, wenn man richtig lebendig in diese Dinge eindringt.
Kennt man das Denken nur von seiner hinteren, von seiner toten Seite, dann kann man das Kind nur verstehen; lernt man das Denken von seiner vorderen, von seiner lebendigen Seite kennen, dann kann man dem Kinde so gegenüberstehen, daß man es nicht nur versteht, sondern daß man alle seine Regungen miterlebt, daß man Liebe hineingießt in alles, was das Kind darlebt. Von all dem ist ja nichts Lebendiges geblieben. Unsere heutige Zivili­sation hat nur das Wort Gedanke, nicht mehr die Sache. Wir sprechen ja nicht mehr von dem Inhalte der Seelenkunde; wir haben uns nur gewöhnt, die alten Worte weiter zu gebrauchen, und die Worte haben ihren Inhalt verloren. Noch mehr aber als für das Gedankliche hat in unserer Zeit die Sprache den Inhalt verloren für das Gefühlsmäßige oder gar für das Willensmäßige. Die Gefühle dringen aus dem Unterbewußten des Men­schen herauf. Der Mensch lebt in ihnen. Aber er schaut nicht in diese unterbewußten Tiefen hinunter; oder wenn er es tut, sieht er hinunter psychoanalytisch, dilettantisch.

als je op een goede manier in deze dingen doordringt.
Wanneer je het denken alleen maar ‘van achter’ kent, van zijn dode kant, dan kan je het kind alleen maar begrijpen; leer je denken vanuit de ‘voorkant’ dan kan je het kind zo benaderen dat je het niet alleen begrijpt, maar dat je alles van zijn beleven meebeleeft, dat je met liefde vult, wat het kind ons laat zien.
Van dat alles is niets sprankelends overgebleven. Onze beschaving heeft alleen het woord ‘gedachte’, niet meer die relatie. We hebben het niet meer over de inhoud van de psychologie; we hebben het tot gewoonte gemaakt verder de oude woorden te gebruiken en die woorden hebben hun inhoud verloren.
Maar nog meer dan voor het gedachteleven heeft de taal in onze tijd inhoud verloren wat het gevoel of juist wat de wil betreft. De gevoelens komen vanuit het onderbewuste in de mens naar boven. De mens leeft erin. Maar hij neemt die onderbewuste diepte niet waar; of wanneer dat al gebeurt, doet hij doet psycho-analytisch, amateuristisch.

Er wird nicht gewahr, was da als Seeli­sches in den Untergründen lebt, wenn er Gefühle hat. Auch für die Gefühle sind nur die Worte geblieben, und erst recht für das Wollen.
Wir müßten heute, wenn wir das bezeichnen wollten, was wir wissen von diesen Dingen, eigentlich gar nicht vom Willen reden, denn Wille ist für die heutige Zivilisation nur ein Wort; wir müßten sagen, wenn wir den Menschen sehen, er fängt an, seine Hand zu bewegen, seine Hand nimmt die Schreibfeder, die Schreibfeder wird über das Papier geschleift: wir müßten die äußeren Tatsachen der Bewegung beschreiben. Das ist heute noch so. Was da drinnen als Wille steckt, wird ja nicht mehr erlebt, das ist nur ein Wort.
Zu diesen Worten, aus denen das heute besteht, was man Seelenkunde nennt, wiederum die Sache zu finden, wiederum die Vorgänge zu finden, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Daher kann die Anthroposo­phie eine wirkliche Menschenerkenntnis liefern, während heute für unsere gegenwärtige Zivilisation das, was nur in Worten erlebt ist, sich wie ein Schleier hinbreitet über die wirkliche Tatsache der Psychologie.

Hij wordt, als hij gevoelens heeft, niet gewaar wat er aan gevoelens in de diepte leeft. Ook voor de gevoelens zijn de woorden overgebleven en dat geldt met name voor de wil.
Tegenwoordig zouden we wanneer we willen aangeven wat we van deze dingen weten, eigenlijk niet eens van ‘willen’ moeten spreken, want wil is voor de huidige beschaving alleen maar een woord. Wanneer wij de mens zien als die zijn hand beweegt, die hand pakt een pen, die beweegt zich over het papier: we zouden alleen de uiterlijke feiten over de beweging beschrijven. Dat is tegenwoordig nog zo. Wat van binnen aan wil aanwezig is, wordt niet meer ervaren, dat is slechts een woord. Om bij die woorden waaruit nu de psychologie bestaat, weer de relatie te vinden, weer de processen te vinden, dat is de opdracht van de antroposofie. Daarom kan de antroposofie een echte menskunde brengen, terwijl tegenwoordig voor onze beschaving, wat alleen maar in woorden wordt ervaren, zich als een sluier over de werkelijke feiten van de psychologie drapeert.

Blz. 83

Und interessant ist es, daß der eben verstorbene Fritz Mauthner eine «Kritik der Sprache» geschrieben hat, weil er gefunden hat, wenn die Menschen heute von seelischen Dingen, von geistigen Dingen sprechen, so haben sie doch bloß Worte. Fritz Mauthner hat nur den Fehler gemacht, daß er nur darauf aufmerksam gemacht hat: Die Gegenwarts­menschen haben bloß Worte, sie haben nicht Sachen, wenn sie über die Seele sprechen, und daß er nicht aufmerksam darauf gemacht hat, daß wiederum die Sachen gefunden werden müssen, weil bloß die Worte vorhanden sind.
Natürlich ist Mauthners «Kritik der Sprache» für die Naturwissen­schaft ein Unsinn, denn ich möchte einmal wissen, wenn einer ein heißes Bügeleisen angreift, ob er nicht die Tatsache vom Worte unterscheiden kann! Wenn er bloß ausspricht: Das Bügeleisen ist heiß, so brennt es nicht; wenn er es anrührt, da brennt es. In bezug auf alles Naturwissen­schaftliche weiß der Mensch – allerdings vielleicht nicht, wenn er durch Theorien ruiniert ist -, aber wenn er im vollen Leben steht, weiß er die Sachen von den Worten zu unterscheiden. Für die Psychologie hat das aufgehört. Die Menschen haben nur noch die Worte. Und solch ein Mensch wie Fritz Mauthner, der nun in dieser Beziehung ehrlich zu Werke gehen will, sagt: Verbannen wir doch überhaupt das Wort Seele.

Interessant is dat de onlangs overleden Fritz Mauthner een ‘Kritiek op de taal’ heeft gespreven, omdat hij ontdekt had, dat wanneer de mensen tegenwoordig over psychologische zaken, over geestelijke onderwerpen spreken, toch alleen maar woorden gebruiken. Fritz Mauthner maakte alleen de fout door erop te wijzen dat de mens van nu alleen de woorden heeft, niet de zaken zelf, als ze over de ziel spreken en dat hij er niet op heeft gewezen dat die dingen weer gevonden moeten worden, omdat er nu juist slechts woorden zijn. Natuurlijk is Mauthners ‘Kritiek op de taal’ voor de natuurwetenschap onzin, want ik zou weleens willen weten, wanneer iemand een heet strijkijzer pakt, of die dan niet de daad van het woord kan onderscheiden! Wanneer hij alleen maar zegt: ‘Het strijkijzer is heet’, dan brand je je er niet aan; als je beetpakt wél. Wat de natuurwetenschap betreft weet de mens – misschien niet als hij door theorieën bedorven is – wanneer hij vol in het leven staat, de zaken wel van de woorden te scheiden.
Wat de psychologie aangaat, is dat voorbij. De mensen hebben alleen de woorden nog. En zo iemand als Fritz Mauthner die wat dit betreft eerlijk te werk wil gaan, zegt: laten we het woord dan maar in de ban doen.

Wir sehen, daß da innerlich etwas zum Vorschein kommt, das sich dann äußerlich offenbart. Sprechen wir also nicht von Seele, sondern, so meint Fritz Mauthner, sprechen wir, so wie man vom «Gewissen» spricht oder von «Geschwistern», von «Geseel», damit gar nicht mehr der Irrtum hervorgerufen werde, daß man es da mit etwas Realem zu tun hat, wenn man von der Seele spricht. Für die Gegenwartszivilisation hat Mauthner vollständig recht. Aber was wir brauchen, ist, wieder einzudringen in dasjenige, was Seele ist, für die Worte wiederum einen Inhalt zu bekommen.
Es ist trostlos, wie herumgeplätschert wird in diesen bloß in Worten lebenden Seelenerkenntnissen – wenn man da von Erkenntnissen spre­chen will -, wie da nicht berührt wird das Seelische, und wie daher die Leute sich den Kopf zerbrechen: Wirkt das Seelische auf den Körper? Wirkt der Körper auf das Seelische? Oder verlaufen beide Erscheinun­gen nur parallel miteinander? In solchen Dingen ist heute keine Einsicht

We zien dat er innerlijk iets tevoorschijn komt, wat zich dan uiterlijk vertoont. Als we niet over ziel spreken, maar, aldus Fritz Mauthner, spreken alsof we over ‘geweten’ spreken [Mauthner neemt Duitse woorden die met -Ge-beginnen  Gewissen, Gebrüder (broers of over Geseel],  ‘geziel’, zodat de vergissing niet meer gemaakt wordt, dat men het over iets realistisch heeft, als men over de ziel (Seele) spreekt. Wat de huidige beschaving betreft, heeft Mauthner helemaal gelijk. Maar wat we nodig hebben, is dat we weer doordringen tot wat ziel is, dat we voor de woorden weer inhoud verkrijgen.
Het is troosteloos hoe oppervlakkig er alleen maar met woorden wordt omgesprongen als het gaat om het levende kennen van de ziel – als je al van kennis wil spreken – hoe men niet komt bij dat wat ziel is en dat daarom de mensen het hoofd breken over: hoe werkt de ziel op het lichaam? Werkt het lichaam door op de ziel? Of verlopen beide verschijnselen parallel aan elkaar? Hier is tegenwoordig geen inzicht in,
.

Blz. 84

vorhanden, daher wird in einer ganz äußerlichen Weise herumdiskutiert.
Wenn man sich aber angewöhnt, in einer solch äußerlichen Weise über die Dinge herumzudiskutieren, dann verliert man den herzhaften Sinn, das enthusiastische Gemüt, das man als pädagogischer Künstler in die Schule hineintragen soll, ja, das man aus der Lebendigkeit der Zivilisa­tion heraus schon haben soll, wenn man als Eltern dem heranwachsen­den Kinde gegenübersteht.
Und so sagen wir: Pädagogische Kunst soll sich gründen auf die eine Säule, auf die Psychologie, auf die Seelenkunde. Aber wir haben keine Seelenkunde in der gegenwärtigen Zivilisation. Und was das Schlimmste ist, wir sind, weil wir keuchen unter der Autorität der bloßen Naturwis­senschaft, nicht ehrlich genug, uns das einzugestehen. Wir reden immer­fort vom Seelischen und haben es nicht mehr. Wir tragen diese Lebenslüge in die intimsten menschlichen Beschäftigungen hinein. Wir haben auf der anderen Seite den guten Willen, das soll voll anerkannt werden, bei allen denen, die heute von Erziehungs- und Unterrichtsidealen sprechen, die so reichlich die Welt mit Reformgedanken auf diesem Gebiete versehen. Aber wir haben nicht den großen Mut, uns zuzugeste­hen, daß wir erst zu einer wirklichen menschlichen Seelenkunde vor­dringen müssen, bevor wir heute den Mund aufmachen dürfen, um über Erziehungsreformen, über Erziehungskunst zu sprechen.

vandaar dat er heel oppervlakkig over wordt gediscussieerd.
Wanneer er echter een gewoonte ontstaat om zo oppervlakkig over deze dingen te discussiëren, gaat verloren wat van harte zou moeten gaan: het enthousiaste gevoel dat je als pedagogisch kunstenaar mee de school in moet nemen, waarover je vanuit een krachtige beschaving al zou moeten beschikken wanneer je als ouder te maken hebt met het opgroeiende kind.
En dus zeggen wij: pedagogische kunst moet met zijn basis rusten op de ene pijler, op de psychologie, op de kennis van de ziel. Maar die hebben we in onze huidige beschaving niet. En wat het ergste is, we zijn, omdat we zuchten onder de autoriteit van alleen maar natuurwetenschap, niet eerlijk genoeg om dit toe te geven. We praten maar over de ziel en die hebben we niet meer. We brengen die levensleugen in de meest intieme menselijke relaties in. Aan de andere kant zien we de goede wil, dat moet ook duidelijk gezegd worden, bij ieder die nu over opvoedings- en onderwijsidealen spreekt, die de wereld zo rijkelijk voorzien van vernieuwingsgedachten op dit gebied. Maar we hebben niet de grote moed te onderkennen dat we eerst vertrouwd moeten raken met een echte menselijke psychologie, waar we vandaag onze mond voor open durven doen om over opvoedingsvernieuwing, over opvoedkunst te spreken.

Denn wir entbehren – zunächst müssen wir es einsehen – der einen Grundsäule einer wirklichen Einsicht in das Seelenleben. Wir haben vom Seelenleben die Worte, die in grauen Vorzeiten geprägt worden sind, wir haben aber nicht mehr ein Erlebnis von der lebendigen Seele. Und die andere Grundsäule ist die Summe der Sittengebote. Hat man aber auf der einen Seite eine Psychologie in Worten, eine Psychologie ohne Seele, so hat man auf der anderen Seite eine Sittenlehre ohne göttliche Geistigkeit. Gewiß, den Leuten sind vielfach die alten Reli­gionslehren traditionell erhalten. Aber dasjenige, was die alten Reli­gionslehren haben, das lebt ja gerade so in den Menschen der Gegenwart, wie die in Worten totgewordene Seelenkunde lebt. Die Menschen bekennen sich zu dem, was ihnen als Dogmen oder als anderer religiös-geistiger Inhalt gegeben wird, weil das den alten Gewohnheiten ent­spricht, weil man hineingewachsen ist im Laufe der geschichtlichen

We missen – dat moeten we echt inzien – die ene pijler van een werkelijk inzicht in de ziel. We hebben woorden over de ziel die in een grijs verleden tot uitdrukking zijn gekomen, maar de levende ziel beleven we niet meer.
En die andere pijler is het totaal aan morele geboden. Maar als je enerzijds een psychologie hebt van woorden, een psychologie zonder ziel, dan heb je aan de andere kant een ethiek zonder iets goddelijk-geestelijks. Zeker is het zo dat de mensen nog in groten getale de godsdiensten traditioneel in ere houden.
Maar wat in die oude godsdiensten zit, leeft in de mens van nu, net zo als de in woorden gestorven psychologie. De mensen geloven wat hen als dogma’s of andere religieus-geestelijke inhoud aangeboden wordt, omdat het klopt bij de oude gewoontes, omdat men in de loop 

Blz. 85

Entwicklung der Menschheit in das, was so gegeben wird. Aber der lebendige Inhalt fehlt.
Und so haben wir eine Psychologie ohne Seele, so haben wir eine Ethik ohne göttlich-geistige Verbindlichkeit. Die Menschen sprechen zwar noch, wenn sie theoretisch sprechen, oder wenn sie ihre Gemütsbe­dürfnisse befriedigen wollen, in den Worten, die geblieben sind aus jenen alten Sittenlehren, durch die der Mensch die Absichten der Götter ausführen wollte, indem er ein sittliches Leben auf Erden führen wollte; die Menschen sprechen noch in Worten, die in jenen Zeiten geprägt worden sind, wo der Mensch gewußt hat: Was er in seinem sittlichen Leben auswirkt, das sind Kräfte wie die Naturkräfte, und die göttlic-geistigen Wesenheiten sind es, die diesen ethischen Impulsen, diesen sittlichen Kräften Realität geben. Das sagt der Mensch heute noch vielfach, indem er gewohnheitsmäßig in den Worten, die ihm frühere Religionen überliefert haben, lebt, aber indem er nicht mehr aufschauen kann zu der lebendig-göttlichen Geistigkeit, die den sittlichen Impulsen ihre Realität gibt.
Oh, meine lieben Freunde, wenn der Mensch heute ehrlich ist, ver­steht er denn noch dasjenige, was zum Beispiel in den Briefen des Paulus enthalten ist, wo ja geredet werden kann, daß der Mensch die Erwec­kung des lebendigen Christus in sich braucht, damit er nicht stirbt?

van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid gewend is geraakt aan wat er op die manier aangeboden werd. Maar de levende inhoud ontbreekt.
En zo hebben we een psychologie zonder ziel, zo hebben we een ethiek zonder dat die ons vanuit het goddelijk-geestelijke iets doet. Weliswaar spreken de mensen nog, als ze het er theoretisch over hebben of als ze hun zielenroerselen willen bevredigen, met woorden die overgebleven zijn van die oude ethiek waarmee de mens de bedoelingen van de goden wilde uitvoeren als hij een moreel leven op aarde wilde leiden; de mensen spreken nog met woorden die in die tijden zijn gebruikt waarin de mens wist: wat er in zijn morele leven naar buiten komt, zijn krachten zoals de natuurkrachten en het zijn de goddelijk-geestelijke wezens die deze ethische impulsen, deze morele krachten werkelijkheid verlenen. Dat zegt de mens van nu ook nog vaak als hij vanuit de gewoonte met de woorden die vroegere godsdiensten overgeleverd hebben, leeft, maar waarbij hij niet meer op kan kijken naar de levend-goddelijke geestelijke wereld die de morele impulsen tot werkelijkheid laat komen. Wanneer de mens vandaag de dag eerlijk is, begrijpt hij dan nog wat bijv. in de brieven van Paulus staat, waar gesproken wordt dat de mens de opwekking van de levende Christus in zichzelf nodig heeft opdat hij niet sterft?

Kann ein Mensch heute im vollen Umfange des Wortes fühlen, daß Unsittlichsein, keinen inneren Seelenzusammenhang haben mit den sitt­lichen Pflichten, ebenso etwas zu tun hat mit Tod und Leben der Seele, wie Gesundheit und Krankheit etwas zu tun haben mit Tod und Leben des Körpers? Versteht man heute noch geistig, daß die Seele sich nicht das Leben im Geiste, sondern den Tod im Geiste erwirbt, wenn sie nicht sich eingliedert in die Kräfte des sittlichen Lebens? Ist das noch ein lebendiges Wort, wenn Paulus davon spricht: Wenn ihr nicht habet das Wissen, die Erkenntnis von der Auferstehung Christi, so ist euer Glaube, eure Seele tot. Und indem ihr durch den Tod des Physischen geht, wird eure Seele angesteckt von dem Sterben des Physischen und fängt selber an, im Geistigen zu sterben? – Ist davon ein Verständnis vorhanden, ein inneres lebendiges Verständnis?
Und was das noch Schlimmere ist – wiederum hat unsere Zivilisation

Kan een mens van deze tijd in de volle omvang van het woord voelen dat immoraliteit geen innerlijke samenhang in de ziel kan hebben met de morele plichten, dat dit net zo te maken heeft met dood en leven van de ziel als gezondheid en ziekte te maken hebben met dood en leven van het lichaam? Begrijpt men tegenwoordig nog vanuit de geest dat de ziel niet het leven in de geest verwerft, maar de dood, wanneer deze geen deel wordt van de krachten van het morele leven? Is het woord nog levend als Paulus zegt: wanneer je niet weet dat Christus opgestaan is uit de dood, dan is je geloof, je ziel dood. (1. Kor. 15, 14.) En wanneer je door de dood van het fysieke heengaat, wordt je ziel dan meegenomen door het sterven van het lichaam en sterft die dan zelf in de geest? Heb je daar weet van, een innerlijk levend weten?

En wat nog erger is – en ook hier ontbreekt het onze beschaving

Blz. 86

nicht den Mut, sich diesen Mangel an innerem lebendigem Verständnis zu gestehen. Sie gibt sich zufrieden mit einer Naturwissenschaft, die nur vom Tod reden kann, die nicht von dem Leben der Seele reden kann, und hält aus bloßer Gewohnheit dasjenige aufrecht, was sich auf die Unsterblichkeit der Seele, auf die Auferstehung des Christus auf Erden bezieht. Und ist nicht selbst in die Theologie dieser materialistische Geist eingezogen? Sehen wir uns die modernste Form der Theologie an. Dasjenige, was die Menschen begreifen sollen: daß das Christus-Ereignis so in der irdischen Weltgeschichte drinnensteht, daß da ein Geistiges geistig beur­teilt werden muß, daß man nicht die Auferstehung nach dem Sinne der Naturwissenschaft verstehen kann, sondern nur nach dem Sinne einer Geisteswissenschaft, diese Einsicht haben die Menschen verloren, haben auch die Theologen verloren; sie sprechen nur von dem Menschen Jesus und können nicht mehr zu einem lebendigen Begreifen von dem leben­dig auferstandenen Christus gelangen, und verfallen im Grunde genom­men dem Verdikt des Paulus: So ihr nicht wisset, daß der Christus auferstanden ist, so ist euer Glaube tot. – Selbst der Glaube der modern­sten Theologie ist tot nach den eigenen Worten des Paulus.

aan moed dit gebrek aan innerlijk levend besef toe te geven. Ze is tevreden met een natuurwetenschap die alleen maar over de dood kan spreken, die niet over het leven van de ziel kan spreken en die vanuit de gewoonte voor ons overeind houdt wat betrekking heeft op de onsterfelijkheid van de ziel, op de opstanding van Christus op aarde. En is deze materialistische geest niet ook in de theologie terecht gekomen?
Laten we eens naar de modernste vorm van theologie kijken. Wat de mensen moeten begrijpen is: dat de daad van Christus zo’n plaats in de wereldgeschiedenis inneemt dat er iets geestelijks, geestelijk beoordeeld moet worden, dat men de opstanding niet begrijpen kan met de inhoud van de natuurwetenschap, maar alleen met de inhoud van de geesteswetenschap, dat inzicht hebben de mensen verloren, dat zijn ook de theologen kwijtgeraakt; zij spreken alleen over Jezus als mens en kunnen niet tot een levend begrijpen komen van de opgestane Christus en vallen dan in de grond van de zaak terug, op de boodschap van Paulus: als je niet beseft dat Christus opgestaan is, dan is je geloof dood. Zelfs het geloof van de modernste theologen is volgens dit woord van Paulus, dood.

Wenn es uns aber nicht gelingt, ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre in dem Menschen durch jene Pädagogik, von der in der Anthroposophie gesprochen wird, den lebendigen Christus innerlich zu beleben, dann tritt der Mensch in das spätere Leben hinaus, ohne mehr sich ein Verständnis für diesen lebendigen Christus erwerben zu können. Dann muß er entweder ein Leugner des Christus werden oder ein solcher, der innerlich nicht ganz wahr ist, indem er den Christus traditionell festhält, aber eigentlich gar nicht die inneren Seelenmittel hat, um zu begreifen, wie durch das, daß der Christus auferstanden ist, indem der Mensch es miterlebt, indem es der Erzieher mit dem Kinde miterlebt, wie da der lebendige Christus im Herzen, in der Seele erweckt wird. Da kann er erweckt werden, und dadurch kann der Seele die Unsterblichkeit durch ihre Verbindung mit dem Christus gegeben wer­den. Da muß man aber erst ein geistiges Verständnis für die Unsterblich­keit haben. Da muß man erst dazu kommen, sich sagen zu können: Ja, wenn wir bloß die Natur anschauen, dann kommen wir zu Naturgesetzen,

Wanneer het ons echter niet lukt om ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar in de mens door die pedagogie waarover de antroposofie spreekt, de levende Christus innerlijk tot leven te wekken, dan gaat de mens later het leven in zonder zich meer een begrip voor deze levende Christus te kunnen verwerven. Dan moet hij ofwel een ontkenner van de Christus worden of iemand die innerlijk niet helemaal eerlijk is wanneer hij vanuit de traditie aan Christus vasthoudt, maar eigenlijk helemaal niet de innerlijke mogelijkheden van de ziel heeft om te begrijpen hoe door het feit dat Christus is opgestaan – als de mens dat meebeleeft, als hij dat als opvoeder met het kind meeleeft – hoe dan de levende Christus in het hart, in de ziel gewekt wordt. Daar kan hij worden gewekt en daardoor kan de ziel de onsterfelijkheid worden gegeven door de verbinding met de Christus. Maar dan moet je wel eerst een geestelijk besef krijgen van de onsterfelijkheid. Dan moet je eerst in staat zijn om te kunnen zeggen: wanneer we alleen maar naar de natuur kijken, dan ontdekken we de natuurwetten,

Blz. 87

die uns lehren, wie einstmals unsere Erde dem Wärmetod verfallen wird, wie einstmals alles auf Erden ersterben wird. Aber haben wir nicht den Einblick in die lebendige göttliche Geistigkeit, dann müssen wir glauben, daß unsere sittlichen Ideale mitsterben mit dem Wärmetod der Erde, daß sich alles in einen großen Friedhof verwandelt. Haben wir die Einsicht in die lebendige Geistigkeit, dann wissen wir, daß dasjenige, was als sittliche Impulse aus unserer Seele quillt, aufgenommen wird von der göttlichen Geistigkeit. Wie von uns der Sauerstoff der Luft aufge­nommen wird zu unserem Leben, so wird das, was wir sittlich tun, von der in der Welt lebenden göttlichen Geistigkeit aufgenommen und unsere Seele selber hinausgetragen über den Untergang der Erde in andere Welten hinein.
Das aber muß man lebendig aufnehmen können in seine Anschauung, in sein ganzes Seelenleben, wie man heute aufnimmt die Lehre von den Röntgenstrahlen, die Lehre von der Telephonie, die Lehre von dem Magnetismus und der Elektrizität; an die glaubt man, weil man innerlich lebendig damit lebt durch die äußeren Sinne. Man muß, damit man das richtige lebendige Verhältnis dazu hat, in diesen Dingen drinnen auch lebendig leben, sonst ist man in diesen Dingen wie ein Künstler, der weiß, was schön ist, der in trockenen abstrakten Verstandesbegriffen alles beisammen hat, was ein Kunstwerk schön machen soll, der aber keine Farben behandeln kann, der niemals den Lehm kneten kann und so weiter.

die ons voorhouden dat eens onze aarde de warmtedood deelachtig wordt, hoe ooit alles op aarde zal sterven. Maar als we geen inzicht hebben in de levende, goddelijke geest, dan moeten we wel aannemen dat onze morele idealen met de warmtedood van de aarde ook ten gronde zullen gaan, dat alles veranderd zal worden in één groot kerkhof. Als we inzicht hebben in de levende geest, dan weten we dat alles wat als morele impulsen uit onze ziel opborrelt, door de goddelijke geest wordt opgenomen. Zoals door ons de zuurstof van de lucht wordt opgenomen opdat we leven, zo wordt dat wat wij moreel doen, door de in de wereld levende goddelijke geest opgenomen en onze ziel zelf wordt opgenomen buiten de ondergang van de aarde, in andere werelden. Dit echter, moet je in je op kunnen nemen in je opvattingen, in je hele zielenleven, zoals je ook nu de kennis van de röntgenstralen, de kennis van de telefonie, van het magnetisme en de elektriciteit in je opneemt; daar geloven de mensen in omdat ze daar innerlijk-levend mee omgaan door de uiterlijke zintuigen. Je moet, wil je daar een innerlijke verbinding mee hebben, met deze dingen ook innerlijk wakker leven, anders ben je met deze dingen als een kunstenaar die weet wat mooi is, die op droge, abstracte verstands-begrijpelijke manier alles op een rijtje heeft wat een kunstwerk mooi moet maken, maar die niet met kleur kan omgaan, die in de verste verte geen klei kan kneden enz.

Wollen wir herankommen an den lebendigen Menschen, so müssen wir die Kräfte zu diesem Herankommen suchen in der lebendi­gen Geistigkeit selbst. Unserer gegenwärtigen Zivilisation fehlt aber die Geistigkeit. Das soll die zweite Säule der pädagogischen Kunst sein. Und so stehen wir heute als pädagogische Künstler vor dem Menschen mit einer bloßen naturwissenschaftlichen Gesinnung. Auf der einen Seite ist uns entfallen in eine bloße Summe von Worten die Seelenwelt, auf der anderen Seite ist uns entfallen wiederum in einer bloßen Summe von Worten die geistige Welt, die sittliche Welt, die höchstens noch in einer Summe von Zeremonien vorhanden ist. Wir wollen pädagogische Kunst auf Seelenkunde und Ethik gründen und haben nur eine Seelenkunde ohne Seele, eine Ethik ohne göttlich-geistige Verbindlichkeit. Wir wol­len vom Christus sprechen und müßten gerade, um richtig von Christus

Willen wij bij die wakkere mens komen, dan moeten wij de krachten zoeken die dat mogelijk maken in de dynamische spiritualiteit zelf.
In onze huidige beschaving ontbreekt echter die spiritualiteit. En dat zou de tweede pijler van de pedagogische kunst moeten zijn.
En in deze hoedanigheid staan wij vandaag als pedagogisch kunstenaar voor de mens met alleen maar de natuurwetenschappelijke opvatting. Aan de ene kant is ons door een optelsom van woorden de zielenwereld ontvallen, aan de andere kant is opok met een optelsom van woorden de geestelijke wereld, de morele wereld die hooguit nog uit een hoeveelheid plechtige handelingen bestaat.
Wij willen pedagogische kunst de basis geven van psychologie en ethiek en we hebben slechts een psychologie zonder ziel, een ethiek zonder dat het goddelijk-geestelijke ons raakt. We willen over Christus spreken en zouden om dat goed te kunnen doen,

Blz. 88

sprechen zu können, ein Seelisches haben, müßten, um richtig von ihm sprechen zu können, ein Göttlich-Geistiges haben. Denn haben wir beide nicht, so sprechen wir nur von dem Menschen Jesus, das heißt Von dem, der im physischen Leibe unter den Menschen gewandelt hat, wie andere Menschen herumwandeln. Will man den Christus erkennen, will man aus der Christus-Kraft heraus auch in der Schule wirken, dann braucht man nicht eine Seelenkunde in Worten, nicht eine Ethik in Worten, dann braucht man die lebendige Einsicht in das Leben und Wirken des Seelischen, dann braucht man die lebendige Einsicht in das Weben und Wirken der ethischen Kräfte in dem Sinne, wie die Naturkräfte wirken, als Realitä­ten, nicht bloß als konventionelle Gebote, denen man sich fügt aus Gewohnheit, sondern als Kräfte, in denen man leben will, weil man weiß, daß man stirbt im Geiste, wenn man nicht darinnen lebt, so wie man stirbt im Leibe, wenn einem das Blut erstarrt.
Diese Anschauungen in aller Lebendigkeit, sie mussen eben Lebensgüt werden gerade für die pädagogische Kunst. Sie müssen als etwas, was belebt, was innerlich bewegt, was aus einem Toten ein Lebendiges bildet, dasjenige durchdringen, was der Lehrer in seinem Gemüte zu tragen hat, wenn er erziehen, wenn er unterrichten will.

een ziel moeten hebben, zouden om goed over hem te kunnen spreken iets goddelijk-geestelijks moeten hebben. Want als we die twee niet hebben, dan spreken we alleen maar over Jezus als mens, d.w.z. alleen over degene die in een lichamelijke gestalte onder de mensen geweest is, zoals andere mensen onder elkaar zijn.
Wil je Christus leren kennen, wil je vanuit een christuskracht ook in de school werkzaam zijn, dan heb je geen psychologie van woorden nodig, niet een ethiek van woorden, dan heb je het wakkere inzicht nodig in hoe de ziel leeft en actief is, dan heb je inzicht nodig in de stromend-levende activiteit van de etherkrachten, in die zin zoals de natuurkrachten actief zijn, als werkelijkheid, niet alleen als conventionele geboden, waar men zich uit gewoonte naar voegt, maar als krachten waarin je leven wil, omdat je weet dat je in de geest sterft, wanneer je daar niet in leeft, zoals je sterft in je lichaam, wanneer je bloed zou stollen.
Deze gezichtspunten, in al hun vitaliteit, moeten een kwaliteit worden van het leven, m.n. voor de pedagogische kunst. Die moeten, als iets wat enthousiasmeert, iets wat innerlijk in beweging brengt, wat uit iets doods iets levends maakt, doordríngen wat de leerkracht in zijn ziel met zich mee moet dragen, wanneer hij opvoeden, lesgeven wil.

Wir sprechen heute von der Seele, ob wir Gebildete oder Ungebildete sind, in toten Worten, das heißt, wir leben nicht in dem seelischen Leben, wir plätschern herum um das Kind, denn wir haben keinen Zugang zu seiner Seele. Wir leben heute in den toten Worten, wenn wir vom Geiste reden. Wir suchen mit allen möglichen experimentellen Mitteln an den Leib des Kindes heranzudringen. Er bleibt uns finster und stumm, weil hinter allem Leiblichen das Geistige ist. Aber das Geistige müssen wir in Lebendigkeit ergreifen, wenn wir es in Kunst überführen sollen, wenn es nicht bloß in abstrakten Gedanken erfaßt werden soll, die keine Wirkungskraft haben.
Geradeso wie überall gehört werden kann, die pädagogische Kunst ist auf den beiden Grundsäulen zu errichten, der Ethik auf der einen Seite, der Seelenkunde auf der anderen Seite, so hört man heute vielfach herbe Zweifel darüber äußern, wie eigentlich das Kind erzogen werden soll. Man weist darauf hin, frühere Zeiten haben das Kind so erzogen, daß sie

We spreken tegenwoordig over de ziel – of we opgeleid zijn of niet – met dode woorden, d.w.z. wij leven niet in het zielenleven, van ons uit doen we maar zo’n beetje met het kind, want we hebben geen toegang tot zijn ziel. We hebben alleen lege woorden wanneer we over de geest spreken. We proberen met alle mogelijke experimentele middelen tot het leven van het kind door te dringen. Dat blijft voor ons duister en gesloten, omdat achter al het lichamelijk-levende het geestelijke staat. Maar de geest moeten we op een actieve manier in ons opnemen, als we die naar de kunst willen overbrengen, als we die niet in abstracte gedachten willen begrijpen die geen actieve kracht hebben. Juist omdat je overal kan horen dat de pedagogische kunst gebouwd moet worden op twee pijlers, die van de ethiek aan de ene kant en die van de psychologie aan de andere kant, hoor je ook vaak de diepe twijfel over hoe het kind opgevoed moet worden. Er wordt op gewezen dat in vroegere tijden het kind zo opgevoed werd, 

Blz. 89

schon im Kinde den erwachsenen Menschen gesehen haben. Man hat recht. Wie haben die Griechen noch ihre Kinder erzogen? Sie haben eigentlich nicht viel Rücksicht darauf genommen, wie die Kinder, da sie noch Kinder waren, sich eigentlich darlebten. Hat man gesehen, daß sie nicht richtige erwachsene Griechen werden konnten, so setzte man sie ja in älteren Zeiten sogar aus. Das Kind als solches hatte überhaupt nicht eine Bedeutung, nur der erwachsene Mensch hatte eine Bedeutung. Und indem man das Kind erzog, handelte es sich darum, den erwachsenen Menschen nur zu berücksichtigen, alles am Kinde zu machen, was nur den erwachsenen Menschen berücksichtigt.
Heute ist man angelangt in einer Zivilisation, wo, wenn man es so ausdrücken darf – diejenigen, die auf diesem Gebiete Erfahrungen haben, werden das schon wissen -, wo die Kinder nicht mehr mitma­chen, wenn man sie nicht berücksichtigt, wo die Kinder innerlich sich sträuben, wenn man beabsichtigt, sie eigentlich nicht gelten zu lassen, sondern nur den Erwachsenen berücksichtigen will.

als zag men in het kind een volwassene. Daar heeft men gelijk in. Hoe hebben de Grieken hun kinderen nog opgevoed? Die hebben er eigenlijk niet veel rekening mee gehouden hoe de kinderen, omdat ze nog kind waren, leefden. Als ze ontdekten dat die geen gezonde volwassenen konden worden, dan zette men ze in die tijden buiten de gemeenschap. Het kind als zodanig was niet van betekenis, dat was alleen de volwassene. En als men het kind opvoedde, ging het erom alleen rekening te houden met de volwassene; alles met het kind te doen vanuit de volwassene.
Tegenwoordig zijn we in de beschaving zo ver dat, wanneer je het zo mag zeggen – degene die op dit terrein ervaringen hebben opgedaan weten dat wel – de kinderen niet meer meemaken dat er geen rekening met hen wordt gehouden, waar de kinderen innerlijk in opstand komen wanneer men de bedoeling heeft ze eigenlijk niet mee te laten tellen, alleen maar naar de volwassene te kijken.

Daher treten heute die Zweifel auf: Soll man so erziehen und unter­richten, daß man vor allem das Kind in der unmittelbaren Gegenwart als Kind behandelt, daß man das Kind unmittelbar ansieht, und nun dem Kinde eine solche Erziehung, einen solchen Unterricht angedeihen läßt, daß das Kind sich dabei befriedigt fühlt, oder soll man mehr Rücksicht darauf nehmen, in dem Kinde das zu erwecken, was das Kind einmal als Erwachsener sein muß? Ja, sehen Sie, solche Fragen treten auf, wenn man nur noch in der Lage ist, den Menschen von außen zu beachten, wenn man gar nicht mehr darauf kommt, in das menschliche Innere hineinzuschauen. Freilich, wenn man mit einem Verstande, der entweder schon an experimenteller Psychologie herangebildet ist, oder schon nur die Gesinnung hat, die dann zu experimenteller Psychologie kommt, wenn man mit einem solchen Verstande erzieht, ja, dann kommt man eben nicht an das Kind heran. Denn das Kind trägt noch nicht sein seelisches Sein an der äußeren Oberfläche, daß man es nur zu verstehen hat. Beim Erwachse­nen genügt es, wenn wir ihn bloß verstehen. Beim Kinde genügt es nicht, wenn wir es bloß verstehen. Mit dem Kinde müssen wir innerlich zusammenleben können. Wir müssen so das Menschliche lebendig in uns

Vandaar dat er nu die twijfel is: moet je zo opvoeden en onderwijzen dat je boven alles het kind in de huidige tijd als kind behandelt, dat je het direct ziet en het kind dan zo’n opvoeding geeft, zo’n onderwijs, dat het kind zich daarbij goed voelt, of moet je er meer de nadruk op leggen in het kind wakker te roepen wat het eens als volwassene moet zijn?
Dit soort vragen komt op, wanneer je alleen nog maar in staat bent om uiterlijk naar de mens te kijken. wanneer je er helemaal niet meer opkomt, in het innerlijk van de mens te kijken. Inderdaad, wanneer je met denkbeelden die of al door experimentele psychologie gevormd zijn of dat je door de overtuiging die je al hebt tot experimentele psychologie komt, wanneer je met die overtuiging opvoedt, dan bereik je echt het kind niet. Want het kind heeft wat het als gevoelswezen is, nog niet aan zijn buitenkant, dat je dat zomaar kan begrijpen. Voor de volwassene is het voldoende dat we hem simpelweg begrijpen. Voor een kind is dat niet voldoende. Met het kind moeten we innerlijk kunnen samengaan. We moeten het menselijke zo actief in ons

Blz. 90

aufgenommen haben, daß wir mit dem Kinde lebendig zusammenleben können. Bloßes Verstehen des Kindes nützt gar nichts. Aber wenn wir das können, wenn wir innerlich lebendig mit dem Kinde leben können, dann besteht für uns der Widerspruch nicht mehr, das Kind als Kind zu erziehen, oder den Erwachsenen im Kinde zu erziehen; dann wissen wir lebendig, daß wir dasjenige, was wir an das Kind heranbringen wollen, so heranbringen müssen, wie es das Kind selbst will, und dennoch den Erwachsenen im Kinde erziehen. Will denn das Kind in seinem innersten Wesen ein Kind sein? Dann würde es ja nicht mit der Puppe spielen, um nachzuahmen, wie der erwachsene Mensch zu dem Kinde eine Beziehung hat, dann würde ja das Kind nicht mit größter Freude, wenn irgendwo eine Werkstätte in seiner Nähe ist, mit den Arbeitern mitarbeiten in seiner Art, das heißt, mitspielen, aber das Spiel ist ihm ja rechter Ernst. Das Kind lechzt ja nur darnach, auf seine Art schon die Kräfte zu entwickeln, die die Erwachsenen entwik­keln, aber eben auf seine Art.
Verstehen wir den Menschen und verstehen wir dadurch auch das Kind, dann kennen wir auch die Art und Weise, wie das Kind in sein Erwachsensein hineinstrebt, nur daß es statt des wirklichen Kindes nun die Puppe nimmt.

hebben opgenomen, dat we met het kind actief samen kunnen leven. Het kind alleen maar begrijpen heeft helemaal geen zin.
Maar als we dat kunnen, als we innerlijk actief met het kind kunnen leven, bestaat voor ons die tegenspraak niet meer om het kind als kind op te voeden of de volwassene in het kind op te voeden; dan weten we, wakker, dat we wat we het kind mee willen geven, dat zo moeten doen als het kind het zelf hebben wil en dan toch de volwassene in het kind opvoeden. Wil het kind in zijn diepste wezen kind zijn? Dan zou het niet met poppen spelen om de volwassene na te bootsen, zoals de volwassene een band heeft met het kind; dan zou het kind niet met het grootste plezier, wanneer er ergens een werkplaats in zijn omgeving is, met de mensen die er werken, meewerken, op zijn manier, d.w.z. meespelen, want het spel is hem ernst. Het kind hunkert er alleen maar naar om op zijn manier al die krachten te ontwikkelen, die de volwassenen ontwikkelen, maar dan wel op zijn manier. Wanneer we de mens begrijpen en daardoor ook het kind, dan weten we ook de manier hoe het kind naar zijn volwassen-zijn streeft, maar dat het i.p.v. een echt kind, nu een pop neemt.

Wir wissen dann auch in bezug auf alles das, was wir heranzuerziehen, heranzuunterrichten haben, wie wir dem Kinde die größte Freude machen, wenn wir in der richtigen Weise in ihm den Erwachsenen erziehen, aber nicht auf unsere nüchterne, trockene Weise, wo uns selber die Arbeit zuwider ist, wo wir ächzen unter der Arbeit, sondern wenn wir in der richtigen Weise in ihm den Erwachsenen erziehen, so, daß die Arbeit innerlich wie ein zweiter Mensch entsteht, was beim Kinde macht, daß die Arbeit noch in das ernste Spiel hineinergossen ist. Wenn wir dies verstehen, innerlich lebendig verstehen, nicht in abstrakten Begriffen, dann lernen wir, überhaupt einen solchen Zweifel nicht mehr zu haben, ob wir nun den Erwachsenen im Kinde erziehen sollen, oder ob wir im Kinde das Kind erziehen sollen, dann schauen wir in dem jungen Kinde, wie der Keim des Erwachsenen in ihm ist. Aber wir reden jetzt mit diesem Keim des Erwachsenen nicht, wie wir mit einem Erwachsenen reden, wir reden eben, wie wir mit einem Kinde reden.
Dadurch ist es so, daß wenn wir nicht an die Menschennatur herankommen,

We weten dan ook wat betreft alles wat wij bij het opvoeden, het onderwijsgeven moeten doen, hoe wij het kind het grootste plezier kunnen doen wanneer we op de juiste manier de volwassene in hem opvoeden, maar niet op onze nuchtere, droge manier waarbij ons het werk zelf tegenstaat, waar we kreunen onder het werk, maar wanneer we op de goede manier in hem de volwassene opvoeden, zodat het werk innerlijk als een tweede mens ontstaan, wat bij het kind maakt dat het werk nog in het serieuze spel besloten ligt. Wanneer we dit begrijpen, innerlijk actief begrijpen, niet in abstracte begrippen, dan leren we die twijfel helemaal niet meer te hebben of wij nu de volwassene in het kind moeten opvoeden of dat we het kind in het kind moeten opvoeden, dan zien we in het jonge kind hoe de kiem van het volwassen-zijn in hem aanwezig is. Maar met deze kiem spreken we niet zoals we met een volwassene spreken, we spreken hoe we met een kind praten.
Daardoor komt het, dat wanneer we de natuur van de mens niet bereiken,

Blz. 91

sich uns überall auf der einen Seite die Begriffe hinstellen, die eigentlich nur Worte sind, und auf der anderen Seite die anderen Begriffe, die eigentlich nur Worte sind. Darüber soll eben gerade die Anthroposophie hinwegführen. Sehen Sie, man streitet heute über Mate­rialismus und Geistigkeit. Man sagt: Ja, den Materialismus muß man überwinden, man muß wieder zur Geistigkeit kommen. Aber Anthro­posophie ist etwas, für das überhaupt der Begriff der Materie, wie er heute in den Menschen spukt, allen Sinn verloren hat. Denn lernt man die Materie wirklich kennen, dann fängt sie an, bildlich gesprochen, durchsichtig zu werden und löst sich ganz in Geist auf.
Lernt man den Geist wirklich kennen, dann fängt er an, nicht bloß das abstrakte tote Gebilde zu sein, das heute der intellektualistische Mensch in sich hat, sondern ein innerlich Tätiges zu werden. Der Geist fängt an, selber die Summe der Wachstumskräfte zum Beispiel in dem werdenden Menschen zu sein. Alles wird innerlich regsamer und tätig. Der Geist wird schöpferisch, wird so dicht wie die Materie.Lernt man die Materie richtig kennen, so verwandelt sie sich in Geist. Lernt man den Geist richtig kennen, verwandelt er sich vor unserem Seelenauge in Materie, die dasjenige ist, was der Geist in seiner Schöpfer­kraft nach außen hin offenbart. Und die Worte Materie und Geist, einseitig gebraucht, hören auf einen Sinn zu haben. 

we aan de ene kant overal de begrippen vinden die eigenlijk alleen maar woorden zijn en aan de andere kan de andere begrippen die eigenlijk ook maar woorden zijn. En juist de antroposofie moet ons daarboven uithelpen. Er bestaat nu een dispuut over materialisme en geest. Men zegt: het materialisme dient overwonnen te worden, men moet weer naar de geest toe. Maar voor de antroposofie is het begrip van de materie zoals dat nu in de mens rondspookt, iets waarvoor deze alle zin verloren heeft. Want wanneer je de materie werkelijk leert kennen, begint deze, beeldend gesproken, doorzichtig te worden en lost helemaal in de geest op.
Wanneer je de geest werkelijk leert kennen, dan begint deze, niet alleen de abstract dode structuur te zijn, die de huidige intellectualistische mens in zich opgenomen heeft, maar dan begint die innerlijk actief te worden. De geest begint zelf als bijv. het totaal aan groeikrachten in de wordende mens te zijn. Alles wordt innerlijk actiever en beweeglijker. De geest wordt scheppend, wordt zo dicht als de materie.
Wanneer je de materie goed leert kennen, verandert deze in geest. Leer je de geest goed kennen, dan verandert deze zich voor ons zielenoog in materie die datgene is wat de geest in zijn scheppingskracht naar buiten toe laat zien. En de woorden materie en geest, eenzijdig gebruikt, verliezen hun zin.

Wenn wir aber anfangen, aus einer solchen Gesinnung heraus zu sprechen, dann reden wir vielleicht auch noch von Materie und Geist, weil die Worte einmal geprägt sind, aber wir reden ganz anders, indem wir das Wort Materie oder Stoff aussprechen, weil wir es gefühlsmäßig anders färben, wenn wir diese anthroposophische Erkenntnis haben, die ich gerade charakte­risiert habe.Das Wort Materie und Stoff bekommt einen anderen, geheimen Klang. Dieser geheime Klang aber wirkt dann auf das Kind, nicht der Inhalt des Wortes Materie.
Fühlen Sie einmal, wie in dem vollergriffenen Worte das menschliche Gemüt darinnen lebt! Nehmen Sie einen Menschen wie Fritz Mauthner, der gefühlt hat, daß eigentlich für das Seelenhafte nur noch Worte da sind, der wollte, daß man von «Geseel» sprechen soll. Nun, darüber lacht man vielleicht. Aber nehmen Sie an, dieselbe Methode setze man fort in das religiös-ethische, sittliche Gebiet hinein, wo unsere Taten

Wanneer we echter beginnen vanuit zo’n houding te spreken, dan spreken we misschien ook nog over materie en geest, omdat de woorden nu eenmaal die vorm hebben gekregen; we praten heel anders als we het woord materie of stof uitspreken, omdat we het gevoelsmatig anders kleuren, wanneer we deze antroposofische kennis hebben die ik net gekarakteriseerd heb. Het woord materie en stof krijgt een andere, unieke klank. Deze unieke klank echter werkt dan op het kind, niet de inhoud van het woord materie.
Voel eens hoe in dat volkomen begrepen woord het menselijk gevoel actief is! Neem eens een mens als Fritz Mauthner die gevoeld heeft dat er voor de ziel eigenlijk alleen maar woorden zijn, hij wilde over ‘Geseel’ spreken [zoiets dus als van ziel ‘geziel’ maken, -voel, ge-voel]. Misschien lacht men erom. Maar neem eens aan dat dezelfde methode voor het religieus-ethische, morele gebied gevolgd wordt, waar onze daden

Blz. 92

wirken, und ein Mensch macht aus derselben Gesinnung heraus eine Wortbildung – was kommt heraus? «Getue!» Sehen Sie, nach demselben Sprachgesetze wie das Wort Geseel habe ich Getue gebildet. Über das Wort Geseel wird man höchstens lachen; das Wort Getue empört. Denn wenn unser ganzer Handlungsinhalt ein Getue wird, so wird er etwas, was eigentlich empörend ist. Dies rührt nicht her von dem Inhalt des Wortes, dies rührt her von dem, was wir empfindend erleben beim Worte. Wir erleben empfindend ganz etwas anderes, wenn es sich darum handelt, Worte zu bilden, die ins Innere der Seele hineinführen: Geseel, oder ob es sich darum handelt, Worte zu bilden, die das bezeichnen, was den Menschen hinaus in die Außenwelt führt, was den Menschen dahin führt, wo die Taten des Menschen selber Naturereignisse werden. Spricht man da von Getue, dann wird die Sache empörend.
Aber jetzt bedenken Sie, wie auf der einen Seite die Worte so ineinanderlaufend liegen. Man spricht mit derselben Neutralität Stoff, Geist, Leib, mit derselben Neutralität Seele, man spricht mit derselben Neutralität Gehirn, die zwei Beine und so weiter. Es ist ja sozusagen geradezu das Ideal naturwissenschaftlicher Erkenntnis, daß wir alles ohne menschlichen Anteil sagen.
Wenn wir aber zu Worten kommen, die ohne menschlichen Anteil sind, dann werden die Worte tot.

werkzaam zijn en een mens maakt vanuit diezelfde houding een woordvorm – welke is dat dan? ‘Getue’! [van tun = doen; het ‘gedoen’]. Volgens dezelfde taalwet waarmee het woord ‘Geseel’ is gevormd, heb ik ‘Getue’ gevormd. Over het woord Geseel zal men hooguit lachen; het woord Getue roept ergernis op. Want wanneer alle inhoud van ons handelen Getue wordt, wordt dat iets wat eigenlijk ergernis oproept. [In het Duits is het iets van ‘heisa, wi zouden kunnen denken aan ons ‘gedoe’] Dat komt niet door de inhoud van het woord, maar door wat wij erbij beleven. We beleven er heel iets anders bij als het erom gaat woorden te vormen die naar het innerlijk van de ziel leiden: Geseel of dat het erom gaat woorden te vormen die beschrijven wat de mens naar de buitenwereld voert, wat de mensen brengt naar waar de daden van de mens zelf feiten worden. Als je daarbij over Getue spreekt, wordt het irritant. Maar bedenk nu eens hoe het aan de ene kant met de woorden is die zo achter elkaar gesproken worden. Men spreekt met dezelfde neutraliteit over stof, geest, lichaam, met dezelfde neutraliteit over ziel, over brein, over onze twee benen enz. Dat is om zo te zeggen toch het ideaal van de natuurwetenschappelijke kennis om alles te benoemen zonder het aandeel van de mens erin.
Maar als we dan bij woorden komen zonder een aandeel van de mens daarin, dan gaan die woorden dood.

Die abstrakten naturwissenschaftlichen Worte werden tot, wenn wir nicht mehr den menschlichen Anteil in sie hineingießen. Wir sprechen zum Beispiel in der Physik von einer Lehre vom Stoß. Wir können höchstens noch eine mathematische Formel aufschreiben, die wir aber auch nicht verstehen, wenn wir vom Stoß sprechen, ohne jene lebendigen Empfindungen, die wir haben, wenn wir selber stoßen. Dadurch bekommt allein das Wort Leben, daß wir wiederum das Menschliche in unsere Zivilisation hineintragen.
Dieses Menschliche hineintragen in unsere Zivilisation, das möchte Anthroposophie. Geht man durchs Leben lässig, gleichgültig, indem man einfach die äußeren Ereignisse durch die Technik ablaufen läßt, die ein Kind der so großartig fortgeschrittenen Naturwissenschaft ist, so geht es noch. Kommt man aber in diejenigen Gebiete herauf, wo der Mensch dem Menschen helfen soll als Arzt, als Lehrer, als Erzieher, dann geht es nicht. Dann wird die Notwendigkeit empfunden, wirkliche,

De abstracte natuurwetenschappelijke woorden worden levenloos als we niet het aandeel dat de mens erbij heeft, eraan toevoegen. We spreken bijv. in de fysica over een leer van de stof. Wij kunnen hooguit nog een wiskundige formule opschrijven, die we echter ook niet begrijpen wanneer we over stof spreken zonder de intense gewaarwording die we hebben als we ons eraan stoten. Er komt alleen leven in de woorden wanneer we weer het menselijke in onze beschaving brengen.
En dat wil de antroposofie. Ga je gewoontjes, onverschillig door het leven als je simpelweg de zichtbare resultaten van de techniek, die een kind is van de geweldig ontwikkelde natuurwetenschap, op z’n beloop laat, dan gaat het nog wel.
Kom je echter op dat gebied waar de mens de andere mens moet helpen als arts, leerkracht, opvoeder, dan gaat dat niet. Dan voel je de noodzaak, echte,

Blz. 93

lebendig gefühlte, gewollte Menschenerkenntnis zu haben, diese in der pädagogischen Kunst – man braucht sie nicht umzuwandeln – sich selber offenbaren zu lassen.
Deshalb ist es nicht irgendein Eigensinn, von dem wir sprechen, sondern es ist innere Zivilisationsnotwendigkeit, erst zu einer Men­schenkunde zu kommen, und dann von dem zu sprechen, was man braucht, um die heute noch unbewußten oder unterbewußten Erzie­hungsforderungen zu erfüllen.
Und wenn sich noch so viele Erziehungs-Reformvereine bilden, sie helfen nichts, wenn ihnen nicht vorangehen diejenigen Vereinigungen, diejenigen Menschengemeinschaften, die erst wiederum hinarbeiten auf eine lebendige Menschenerkenntnis, das heißt auf eine Seelenkunde mit einer wirklichen Seele, auf eine Sittenlehre mit einer wirklichen göttlich-geistigen Verbindlichkeit.

diep gevoelde, gewilde menskunde te hebben, deze in de pedagogische kunst – je hoeft die niet om te werken – zelf tot uiting te laten komen.
Daarom is het niet een of andere eigenzinnigheid waar we over spreken, maar over wat in de beschaving erg nodig is en dat is een menskunde te krijgen en er dan over te spreken wat we nodig hebben om de onbewuste of onderbewuste opvoedingseisen te vervullen.
En ook al worden er nog zoveel verenigingen voor opvoedingsvernieuwing gesticht, die helpen niets als deze niet worden voorafgegaan door verenigingen, mensengemeenschappen die allereerst aan een menskunde werken die leeft, d.w.z. een psychologie met een echte ziel, een ethiek met een echte goddelijk-geestelijke binding.

Diese Vereinigungen müssen das Banner vorantragen. Dann mögen hinten nachfolgen diejenigen, die wiederum auf den beiden Grundsäulen bauen wollen, die pädagogischen Vereinigungen, die da bauen wollen auf dem, was erst erbaut werden muß auf den Grundfesten einer realen Seelenkunde, einer realen Ethik, einer Seelenkunde, die nicht bloß in Worten redet, und einer Ethik, die weiß, daß dasjenige, was der Mensch sittlich vollbringt, in der göttlich-geistigen Welt verankert ist. 

Deze verenigingen moeten met de banier vooroplopen. Dan kunnen daarachter de mensen volgen die weer op de beide grondpijlers willen bouwen, pedagogische verenigingen die willen bouwen op wat pas gebouwd kan worden op het fundament van een echte psychologie die niet alleen maar met woorden spreekt en een ethiek die weet dat wat de mens ethisch doet, in de goddelijk-geestelijke wereld ligt verankerd.

.

Rudolf Steiner: pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2791-2619

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – voedselallergie (4-8)

.

Katja Madrigal, met medewerking van Aart van der Stel, huisarts,
WeledaBerichten nr. 173, zomer 1997

.

Voedselallergie
.

Je geeft je kind iets onschuldigs als een glas melk en na enige tijd heeft het last van hevige diarree of van een merkwaardig eczeem. Voedselallergie is een vorm van overgevoeligheid die je vooral bij heel jonge kinderen ziet. Gelukkig is er wel wat aan te doen. En kijk je naar de achtergronden, dan blijkt al de narigheid soms ook een positieve kant te kunnen hebben.

Als je allergisch bent, ben je overgevoelig voor een bepaalde stof. Je lichaam reageert er heftig op, alsof het om een vijandige indringer gaat. Voedselallergie is een van de vele allergievormen waardoor de huidige mens wordt geplaagd. Vooral baby’s en peuters tot drie jaar hebben er last van: meestal krijgen ze flinke diarree of eczeem na het eten of drinken van bepaalde voedingsmiddelen. Het eczeem is ook bekend onder de naam dauwworm en kan optreden in een droge vorm (jeukende schilferplekken en pukkeltjes) of in een natte vorm (rode, jeukende zwellingen met afscheiding).

In de meeste gevallen zijn het melk en melkproducten waar een kind met voedselallergie slecht tegen kan. Maar ook eieren, pinda’s, vlees en vis, en in mindere mate citrusvruchten en chocola kunnen problemen veroorzaken. Waarom worden deze voedingsmiddelen door de ene baby zo slecht verdragen, terwijl de andere nergens last van heeft?

De overvolle brievenbus

Allergie is een uitdrukking van hevige afweer tegen iets dat van buitenaf komt. Het wijst op een verstoring in het omgaan met prikkels en indrukken. Je kunt dit vergelijken met een brievenbus waar dagelijks een enorme hoeveelheid papier in terechtkomt: reclamedrukwerk, de krant, het wijkblad, gevraagde en ongevraagde post. De meeste mensen sorteren bij het leeghalen een hoop die meteen weg kan, en daarnaast een stapeltje dat ze willen inkijken. Ze kiezen dus direct welke informatie ze uit het aanbod gaan gebruiken, en welke ze opzij willen leggen.

Bij mensen met aanleg voor allergie kan dit vermogen om te selecteren minder zijn ontwikkeld. Zij maken dan weinig onderscheid in alles wat van buiten komt, maar laten de totale lading aan indrukken ‘ongecensureerd’ binnen. Vervolgens zien ze geen andere mogelijkheid om zich ervan te bevrijden dan met heftige lichamelijke afweerreacties. Het is alsof ze begraven zijn onder een hoop ongewenste post, en daar alleen nog maar uit kunnen komen door wild om zich heen te slaan.

Je binnenwereld afschermen tegen datgene wat zich buiten je afspeelt en niet bij jou past, lukt beter naarmate je ouder wordt. Dan leer je jezelf als persoon te ervaren en bewuste keuzes te maken. Dit kan verklaren waarom allergieën op jeugdige leeftijd zoveel meer voorkomen dan later. Heel jonge kinderen zijn nog helemaal overgeleverd aan hun omgeving en daar zijn ze ook helemaal op ingesteld. Melk is na de moedermelk in feite hun eerste diepgaande kennismaking met de wereld. Als je vanuit deze benadering kijkt is het minder verwonderlijk dat juist melk bij kinderen met aanleg voor allergie problemen oplevert.

Grensvlak

Wie niet tegen aardbeien kan, wordt bijna zelf een aardbei: je huid ziet er door de uitslag dan net zo rood en gespikkeld uit. Net zo wordt een baby die niet tegen melk kan als het ware vloeibaarder door diarree te krijgen.

Alle voedselallergieën uiten zich aanvankelijk door diarree, in een later stadium door eczeem. Kenmerkend is verder dat allergieën zich altijd afspelen aan het grensvlak van het lichaam en zijn omgeving, namelijk de huid. Ook slijmvlies in bijvoorbeeld neusholtes, longen en het maag-darmstelsel kun je immers zien als huid die met de holtes mee naar binnen is gegaan en een andere vorm heeft gekregen. Ook dit wijst erop dat het gaat om een problematiek die te maken heeft met toelaten en grenzen stellen. Kun je hier nog niet zo goed mee omgaan, dan is een mogelijke lichamelijke reactie dat je organen in hun functioneren als het ware overdrijven. Bij diarree en nat eczeem bijvoorbeeld wordt het oneigene eruit ‘gespoeld’; bij droog eczeem maken de extra huidschilfers de huid als lichaams-begrenzing dikker.

Voedselallergie kan wel hinderlijk zijn, maar leidt gelukkig alleen in zeldzame gevallen tot echt grote problemen. Er zijn goede vervangende producten die je je kind kunt geven als het allergisch reageert op melkproducten en andere dierlijke eiwitten. Bovendien, als het opgroeit gaat de allergie in de meeste gevallen over of wordt op z’n minst een stuk minder heftig. Door een antroposofisch arts wordt ook wel het middel Lac Vaccae D30 voorgeschreven: een van de geneesmiddelen die aanleren om aardse substanties beter te verteren.

Om je allergische kind te ondersteunen bij het leerproces dat het doormaakt, is het belangrijk het te beschermen tegen een overdaad aan (nieuwe) indrukken. Bijvoorbeeld met een duidelijke, vaste dagindeling en een rustige plek waar het zich kan terugtrekken als er eens veel drukte in huis is. Ook helpt het als zijn omgeving zoveel mogelijk opgeruimd blijft, zodat die steeds dezelfde vertrouwde aanblik biedt. Totdat je kind daar zelf toe in staat is, is het raadzaam voor hem te selecteren wat het op een dag zoal te zien, te horen en te voelen krijgt. Daarmee geef je steeds een voorbeeld, en na verloop van tijd leert het kind zelf te kiezen.

Aangeboren aanleg

Aanleg voor allergie is een aangeboren gevoeligheid; het zit in je genen of niet. Maar of je ook daadwerkelijk last van allergische reacties krijgt, op welke leeftijd dat gebeurt en in welke vorm, ligt niet bij voorbaat vast. Wel lijkt het erop dat allergische problemen in onze huidige tijd vaker voorkomen dan vroeger, toen kinderen over het algemeen veel minder indrukken te verwerken kregen. Overigens heeft deze problematiek ook een andere, positieve kant. Kinderen met aanleg voor allergie zijn over het algemeen fijnzinnig, en hebben dikwijls een bijzonder groot inlevingsvermogen. Hebben zij de draai naar binnen eenmaal gemaakt en geleerd om met alles wat er van buitenaf op hen afkomt om te gaan, dan blijkt die grote gevoeligheid een rijk bezit, waarmee ze zichzelf en anderen veel te bieden hebben.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

2790-2618

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

Jörgen Schmit*, WeledaBerichten nr. 157, september 1992

SOCIALE KRACHT

.

GEZONDHEID EN ZIEKTE IN DE VORMING VAN DE
SAMENLEVING
.

Hoe groter de mogelijkheden van de mens zijn, des te grotere opgaven kan hij op zich nemen. Hoe geringer deze mogelijkheden zijn, des te kleiner zijn de opgaven. Opgaven zijn er echter in elk geval.
Wij kijken in de wereld en ontdekken opgaven; hierdoor begint onze activiteit. Naarmate de opgaven groter zijn, zijn ook de problemen groter.
Wij hebben instrumenten nodig: wij kunnen alleen landbouw uitoefenen wanneer er genoeg land is, wanneer er huis en hof is, er voldoende dieren en werktuigen aanwezig zijn. Er zijn altijd voorwaarden verbonden aan een taak die wij op ons nemen; dit geldt voor alle werkgebieden. Wij hebben instrumenten voor de realisering en resultaten van het verrichte werk nodig. Daarbij leren wij een grote verleiding kennen, die wij nader willen bespreken.

Materialisme als geestelijke zwakte

Laten we aannemen dat iemand werk op zich neemt maar enigszins zwak is, innerlijk zwak. Wanneer hij geestelijk sterk zou zijn, zou zijn gehele bewustzijnsactiviteit zich binnen een polariteit ontwikkelen: aan de ene kant de ontplooiing van het eigen wezen in scheppende activiteit; aan de andere kant de inzet om taken op zich te nemen en helpend in de wereld te staan.

Nu is iemand echter enigszins zwak en klampt zich daardoor vast aan de middelen, de werktuigen en de producten. Deze ervaart hij om zo te zeggen als een verlengstuk van zijn eigen werkzaamheden, als iets van hem; hij wil ze voor zichzelf hebben. Deze neiging is in eerste aanleg in alle mensen aanwezig en zeker een teken van geestelijke zwakte. Wanneer iemand geestelijk sterk is, weet hij: dit is een instrument, een noodzakelijk middel, maar waar het om gaat is het ‘doen’.
Het gehele kapitalistische liberalisme is op geestelijke zwakte gebaseerd. We moeten dat onder ogen zien: materialisme, iedere vorm van materialisme is geestelijke zwakte. Ook wij zijn door deze zwakte getroffen. Wij vinden niet de noodzakelijke kracht in onze scheppende bezigheden, maar klampen ons vast aan de producten, het eigen lichaam, aan het geld. Wij zijn in eerste instantie zwak; de geestelijke kracht kan slechts langzaam groeien. Dan gaat onze aandacht uit naar ontplooiing van ons wezen en naar het waarnemen van behoeften, het op ons nemen van taken.

Oefengebieden: het wezen van de vrijheid en het wezen van de behoefte

Er liggen twee heel verschillende oefengebieden voor ons. Aan de ene kant het wezen van de vrijheid, van de sterk scheppende activiteit die het gebied omvat van het intiemste denken tot het zich uiten in het spreken en in de activiteit van de ledematen. De vraag is: wordt dit wezen van de vrijheid gerealiseerd, of komen wij terecht in de afhankelijkheid van uiterlijke machten die ons bepalen?

Aan de andere kant de behoeften en de wederzijdse hulp. Ik neem behoeften waar en probeer hieraan tegemoet te komen. Dat is de werkelijke situatie: wij zitten op aarde allemaal in hetzelfde schuitje, alle mensen. Illusie, onwaarheid, geestelijke zwakte, treden op waar iemand zich vastklampt, iets voor zichzelf wil behouden. Zwakte is altijd te begrijpen, maar is ook iets dat geleidelijk kan worden overwonnen door geestelijke kracht – door liefde! Liefde tot de medemens aan wiens behoefte je tegemoet komt enerzijds, en anderzijds liefde tot de daad die wordt gerealiseerd als een uitdrukking van het eigen wezen.

Het werk wordt echter belast door het feit dat we er loon, een betaling voor willen hebben. Wanneer we naar de twee kanten van de menselijke activiteit kijken, weten we één ding zeker, dat arbeid, voortkomend uit een dergelijke innerlijke overtuiging, nooit kan worden betaald, noch met één euro noch met een miljard. Ze is niet te betalen; datgene waarin een wezen zich uitdrukt kan niet worden betaald. Toch heeft ieder mens behoeften die in voldoende mate moeten worden bevredigd: voedsel, kleding, huisvesting.

De verslaving van de arbeid

Hierbij zien wij een wereldhistorische samenhang. Eens bestond er een grote hoeveelheid slaven en waren er anderen die over hen heersten. De slaven konden worden verkocht op de markt – als mensen, lichamen, arbeidskrachten. Pas in de 19e eeuw werd de slavernij afgeschaft. Hoewel wereldhistorisch overwonnen, leeft de slavernij tegenwoordig nog steeds voort. Vooral in de Middeleeuwen bestond er (om zo te zeggen) nog lijfeigenschap als een mildere vorm van slavernij. De lijfeigene kon door zijn heer niet meer worden verkocht, maar was gebonden. Hij mocht niet reizen waarheen hij wilde en moest bepaalde werkzaamheden uitvoeren en pacht betalen.

Laten we deze halve en de volledige slavernij in hun verhouding tot het wezen van de arbeid nader bekijken. In de situatie van volledige slavernij wordt de mens tot ding en als waar verkocht; er vindt geen ontmoeting plaats. In de situatie van de lijfeigenschap wordt de mens half tot voorwerp gemaakt. De lijfeigene werkt op de boerderij en op het land en de grondbezitter neemt de producten. Wat is de volgende stap?

De slavernij en de lijfeigenschap zijn overwonnen. Maar de bevrijding is nog niet voltooid. Nog steeds verschijnt het wezen van de arbeid niet als een ontmoeting van twee elkaar helpende wezens. Dit ‘tegemoetkomen aan de behoeften’ wordt betaald, tot waar gemaakt en verkocht. Dat is het laatste restant van de slavernij; niet de mens wordt verkocht, maar de arbeid.

De weg naar de toekomst leidt tot bevrijding van de arbeid opdat de motivatie zichtbaar wordt: wederzijdse hulp realiseren, voor de andere mens werken, de opgaven in de wereld op zich nemen en in deze activiteiten tegelijkertijd het eigen wezen tot uitdrukking brengen; ontplooiing van ons wezen in wederzijdse hulp. Dan ontstaat arbeid.

De bevrijding van de arbeid en van het innerlijk wezen van de mens zal naar de toekomst toe slechts langzaam plaatsvinden. Met een revolutionair, radicaal proces komen wij hierbij niet verder. Het is eerder iets groots dat zich in het macro-sociale gebied afspeelt, wat zich stap voor stap moet voltrekken. Het begin van dit proces ligt echter in het micro-sociale gebied. Wij kunnen individueel een innerlijke houding ontwikkelen waarin wij de arbeidsdeling en de betaling in gedachten loskoppelen. We zeggen dan tegen onszelf: ik doe wat ik doe omdat ik het graag doe en omdat ik de ander wil helpen. Het loon beschouw ik niet als een betaling voor mijn werk; ik neem het aan omdat ik een financiële basis nodig heb voor voeding, kleding, huisvesting enzovoorts. In ons eigen bewustzijn, in ons eigen micro-sociale gedrag begint de overwinning van deze zwakte.

In de huidige tijd vindt er een grote geestelijke strijd plaats om het ik van de mens. Het is een strijd om de individualiteit die zich gedurende de levensloop in het lotsverband tezamen met andere mensen ontplooit. Het gaat erom dat de mens wakker wordt voor het bewustzijn dat er diep in hem een wezen zetelt waarvoor al het aardse ‘materie’ en ‘stof’ is. In het lotsverband met andere mensen bevinden wij ons op een moeilijke weg, we gaan door misverstanden, ziekten en catastrofen heen. Maar de geestelijke individualiteit baant zich een weg. De belangrijke opgave van deze tijd is dit diepste innerlijke ik-wezen in onszelf en in de medemens te ontdekken in de levensloop en in de ontmoeting.

Individualiteit, de staat en de motivatie tot helpen

We moeten drie verschillende basiskwaliteiten ontwikkelen. We beginnen met het wezen van de vrijheid: bij het individu met al zijn kwaliteiten en belemmeringen die geoefend, respectievelijk overwonnen moeten worden. Loodzware lasten in mijzelf; dwang van buitenaf. De individualiteit op weg naar de vrijheid heeft altijd iets scheppends in zich. Energie en activiteit zijn voorwaarden voor vrijheid. Het individu is scheppend, is actief, gaat stap voor stap voorwaarts. Deze oefenweg begint in het micro-sociale gebied, bij ieder individu en wordt voortgezet op meso-sociaal gebied, dat wil zeggen in samenwerking en coöperatie en – wanneer het gelukt- verheven naar het niveau van de grote bloei van het vrije geestesleven, het macro-sociale gebied. De tweede basiskwaliteit is anders van aard. Het waarnemen van gelijke rechten is geen scheppende activiteit of wederzijdse hulp, maar is ontmoeting. We ontmoeten elkaar en besluiten bepaalde afspraken te maken waar we ons aan willen houden. Wanneer het om mensen gaat, wordt dit al moeilijk. Nog veel moeilijker wordt de verwerkelijking van gelijke rechten op het niveau van de staat. We hebben gekeken naar de wezenlijke rechten van de staat. Daartoe behoort zeker niet alles wat deze zich heeft toegeëigend. Door veel te veel op zich te nemen is de staat ziek geworden. Hij moet dus afslanken. Maar ook dat is niet voldoende, want de verworven vermagering mag niet blijvend zijn; ze moet steeds opnieuw ontstaan, want ook doelmatige en echte afspraken en wetten brengen, wanneer ze onveranderd en gefixeerd blijven bestaan, een nieuwe ziekte met zich mee die tot de dood leidt. Het wezen van de staat moet steeds opnieuw vanuit de ontmoeting worden opgebouwd. De derde basiskwaliteit is weer anders. Het is de motivatie tot wederzijdse hulp: de opgaven in de wereld en de behoeften van anderen waar te nemen en zich daarvoor in te zetten. Laten we het feit dat wij hiertoe in staat zijn vergelijken met de eerste basiskwaliteit. Aan de ene kant treffen we de vrije individualiteit die zich vanuit zijn diepste kern ontplooit, aan de andere kant het tegenovergestelde: ik zie in de wereld buiten mij een opgave en span me ervoor in. In het midden gebeurt noch het een noch het ander: er vinden ontmoetingen plaats.

We zien dus drie basiskwaliteiten die van elkaar verschillen; het zijn sociale vaardigheden die elkaar wederzijds oproepen. De een kan de ander niet vervangen. Wanneer iemand ontplooiing van zijn vrijheid nastreeft zonder zich te bekommeren om de behoeften van anderen en dus alleen aan zijn eigen ontplooiing werkt, is er op geen enkele manier sprake van ontmoeting, waardoor de ontplooiing uit zijn samenhang valt, onwaar is. Ook wanneer iemand de eerste twee genoemde vaardigheden oefent – ontplooiing van vrijheid en ontmoeting- maar de behoeften van anderen niet waarneemt, is er geen samenhang. Op de ware weg van de mens moeten alle drie de basiskwaliteiten worden ontwikkeld. Ze moeten worden gescheiden, zelfstandig worden gevat omdat ze sterk verschillen, en elke kwaliteit moet op alle drie de niveaus worden beoefend: op micro-sociaal, meso-sociaal en macrosociaal gebied.

Nu kan zich een moeilijke vraag voordoen. Hoe lang moet ik een vermogen op kleine schaal oefenen, voordat ik ermee naar buiten kan treden. Uiteraard moet er tegelijkertijd op alle drie niveaus worden gewerkt. Ik kan meteen en tegelijkertijd beginnen met het oefenen van alle drie de basiskwaliteiten. Wanneer ik echter het micro-sociale gedrag verwaarloos, dan ontbreekt de substantie. Zo komt het niet zelden voor dat de grote doelstellingen wel worden gezien, bijvoorbeeld de verbetering van de situatie in de derde wereld, maar dat men tezelfdertijd de naaste medewerkers tiranniseert. In dat geval zijn de eisen met betrekking tot hetgeen er moet gebeuren in de derde wereld – ook wanneer het inhoudelijk gezien juist is – louter frasen!

De gezichtspunten die daarbij in aanmerking moeten worden genomen moeten nu nog worden aangeduid. Er bestaat op micro-sociaal gebied een fenomeen wat ik ‘het juiste ogenblik’ zou willen noemen. Iedereen heeft dit in zijn leven wel eens waargenomen. Wanneer ik bijvoorbeeld een conflict met een ander mens heb, dan stapelt zich alles zodanig op dat ik het niet meer uithoudt en op een directe manier tot oplossing wil komen -en dan wordt het nog moeilijker! Waarom? Omdat ik het juiste ogenblik niet heb afgewacht! Het is niet voldoende om in gedachten de goede ”oplossing te hebben gevonden, te weten wat er gedaan zou moeten worden, wanneer dit niet op het juiste ogenblik gebeurt.

Het juiste ogenblik

Zo zijn er ook historische uren, vruchtbare momenten in de wereldgeschiedenis waarin iets gerealiseerd kan worden, indien het wordt opgepakt. Na de Eerste Wereldoorlog was er in Duitsland een chaos, een economische noodsituatie, regeringsmisère. Alles was open. Daarin plaatste Rudolf Steiner de driegeledingsimpuls omdat in een dergelijke situatie, waarin alles stroomt, het alleen aankomt op het bewustzijn van de mogelijkheid van de mensen tot vormgeven. Indertijd was dat het juiste ogenblik, was er een mogelijkheid om met een grote actie in te grijpen. Rudolf Steiner deed een uiterste poging om op dat ogenblik te doen wat essentieel was, namelijk de mensen bewust te maken van het feit dat het bij een nieuwe ordening van de sociale verhoudingen niet gaat om een kant en klaar model, maar om drie functies. De driegeledingsgedachte is geen utopie! Het enige wat behoeft te worden ontdekt zijn de krachten die een bepaalde richting aangeven, wetmatigheden die onder het oppervlak aanwezig zijn. Ze bestaan reeds, maar worden toegedekt doordat ze vanuit het verleden belast zijn en door ziekteverschijnselen. Het is niet zo eenvoudig als een model waarbij alles in het systeem wordt ondergebracht -geestesleven, rechtsleven, economisch leven- en dan uitstekend functioneert. Nee, er zou niets functioneren wanneer men eenvoudig een uitgedacht driegeledingsmodel in zou voeren en de mensen de drie vaardigheden niet ontwikkeld hebben en in de praktijk brengen.

Wanneer men zwak, krachteloos en innerlijk slap is, wenst men dat de driegeleding wordt ingevoerd. Deze idee kan echter niet centraal worden ingevoerd, maar moet door iedereen zelf worden gerealiseerd. Dat is het geweldige van deze idee. De driegeledingsimpuls was niet altijd op zijn plaats. Nu in de twintigste eeuw, past deze idee wel. Het gist onder het oppervlak en men wil niet zien wat er naar boven komt en zich uit in ziekteverschijnselen van het sociale organisme. Het is immers ook in het individuele leven van de mens zo, dat men ziek wordt wanneer men leed te verduren heeft. In ziekte uit zich een eenzijdigheid, wordt datgene zichtbaar wat zijn samenhang heeft verloren. De ziekte kan aanleiding zijn om wakker te worden. Iets dergelijks geldt ook voor de macrosociale verhoudingen. De ziekteverschijnselen in groter verband betreffen onszelf en tonen ons eigen ziektebeeld. Aan dit ziektebeeld moeten we echter wakker worden voor het ware wezen en moeten we de noodzakelijkheid van de drie verschillende vaardigheden inzien.
.

*Jörgen Smit was vanaf 1975 tot het einde van zijn leven bestuurslid van de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft in Dornach. Op 10 mei 1991 is hij in het 75e jaar van zijn werkzame leven na een kortstondige ziekte overleden. Door zijn vrijlatende maar steeds impulserende manier van werken heeft hij vooral bij de jongere generatie wezenlijke idealen gewekt. Als waardering van zijn levenswerk volgen hieronder de wezenlijkste passages uit een van de voordrachten die hij hield tijdens de jeugdconferentie van 8 tot 15 juli 1989 in het Goetheanum in Dornach.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2789-2617

.

.

.

.