VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-7)

.

Jörgen Schmit*, WeledaBerichten nr. 157, september 1992

 

SOCIALE KRACHT

.

GEZONDHEID EN ZIEKTE IN DE VORMING VAN DE
SAMENLEVING
.

Hoe groter de mogelijkheden van de mens zijn, des te grotere opgaven kan hij op zich nemen. Hoe geringer deze mogelijkheden zijn, des te kleiner zijn de opgaven. Opgaven zijn er echter in elk geval.
Wij kijken in de wereld en ontdekken opgaven; hierdoor begint onze activiteit. Naarmate de opgaven groter zijn, zijn ook de problemen groter.
Wij hebben instrumenten nodig: wij kunnen alleen landbouw uitoefenen wanneer er genoeg land is, wanneer er huis en hof is, er voldoende dieren en werktuigen aanwezig zijn. Er zijn altijd voorwaarden verbonden aan een taak die wij op ons nemen; dit geldt voor alle werkgebieden. Wij hebben instrumenten voor de realisering en resultaten van het verrichte werk nodig. Daarbij leren wij een grote verleiding kennen, die wij nader willen bespreken.

Materialisme als geestelijke zwakte

Laten we aannemen dat iemand werk op zich neemt maar enigszins zwak is, innerlijk zwak. Wanneer hij geestelijk sterk zou zijn, zou zijn gehele bewustzijnsactiviteit zich binnen een polariteit ontwikkelen: aan de ene kant de ontplooiing van het eigen wezen in scheppende activiteit; aan de andere kant de inzet om taken op zich te nemen en helpend in de wereld te staan.

Nu is iemand echter enigszins zwak en klampt zich daardoor vast aan de middelen, de werktuigen en de producten. Deze ervaart hij om zo te zeggen als een verlengstuk van zijn eigen werkzaamheden, als iets van hem; hij wil ze voor zichzelf hebben. Deze neiging is in eerste aanleg in alle mensen aanwezig en zeker een teken van geestelijke zwakte. Wanneer iemand geestelijk sterk is, weet hij: dit is een instrument, een noodzakelijk middel, maar waar het om gaat is het ‘doen’.
Het gehele kapitalistische liberalisme is op geestelijke zwakte gebaseerd. We moeten dat onder ogen zien: materialisme, iedere vorm van materialisme is geestelijke zwakte. Ook wij zijn door deze zwakte getroffen. Wij vinden niet de noodzakelijke kracht in onze scheppende bezigheden, maar klampen ons vast aan de producten, het eigen lichaam, aan het geld. Wij zijn in eerste instantie zwak; de geestelijke kracht kan slechts langzaam groeien. Dan gaat onze aandacht uit naar ontplooiing van ons wezen en naar het waarnemen van behoeften, het op ons nemen van taken.

Oefengebieden: het wezen van de vrijheid en het wezen van de behoefte

Er liggen twee heel verschillende oefengebieden voor ons. Aan de ene kant het wezen van de vrijheid, van de sterk scheppende activiteit die het gebied omvat van het intiemste denken tot het zich uiten in het spreken en in de activiteit van de ledematen. De vraag is: wordt dit wezen van de vrijheid gerealiseerd, of komen wij terecht in de afhankelijkheid van uiterlijke machten die ons bepalen?

Aan de andere kant de behoeften en de wederzijdse hulp. Ik neem behoeften waar en probeer hieraan tegemoet te komen. Dat is de werkelijke situatie: wij zitten op aarde allemaal in hetzelfde schuitje, alle mensen. Illusie, onwaarheid, geestelijke zwakte, treden op waar iemand zich vastklampt, iets voor zichzelf wil behouden. Zwakte is altijd te begrijpen, maar is ook iets dat geleidelijk kan worden overwonnen door geestelijke kracht – door liefde! Liefde tot de medemens aan wiens behoefte je tegemoet komt enerzijds, en anderzijds liefde tot de daad die wordt gerealiseerd als een uitdrukking van het eigen wezen.

Het werk wordt echter belast door het feit dat we er loon, een betaling voor willen hebben. Wanneer we naar de twee kanten van de menselijke activiteit kijken, weten we één ding zeker, dat arbeid, voortkomend uit een dergelijke innerlijke overtuiging, nooit kan worden betaald, noch met één euro noch met een miljard. Ze is niet te betalen; datgene waarin een wezen zich uitdrukt kan niet worden betaald. Toch heeft ieder mens behoeften die in voldoende mate moeten worden bevredigd: voedsel, kleding, huisvesting.

De verslaving van de arbeid

Hierbij zien wij een wereldhistorische samenhang. Eens bestond er een grote hoeveelheid slaven en waren er anderen die over hen heersten. De slaven konden worden verkocht op de markt – als mensen, lichamen, arbeidskrachten. Pas in de 19e eeuw werd de slavernij afgeschaft. Hoewel wereldhistorisch overwonnen, leeft de slavernij tegenwoordig nog steeds voort. Vooral in de Middeleeuwen bestond er (om zo te zeggen) nog lijfeigenschap als een mildere vorm van slavernij. De lijfeigene kon door zijn heer niet meer worden verkocht, maar was gebonden. Hij mocht niet reizen waarheen hij wilde en moest bepaalde werkzaamheden uitvoeren en pacht betalen.

Laten we deze halve en de volledige slavernij in hun verhouding tot het wezen van de arbeid nader bekijken. In de situatie van volledige slavernij wordt de mens tot ding en als waar verkocht; er vindt geen ontmoeting plaats. In de situatie van de lijfeigenschap wordt de mens half tot voorwerp gemaakt. De lijfeigene werkt op de boerderij en op het land en de grondbezitter neemt de producten. Wat is de volgende stap?

De slavernij en de lijfeigenschap zijn overwonnen. Maar de bevrijding is nog niet voltooid. Nog steeds verschijnt het wezen van de arbeid niet als een ontmoeting van twee elkaar helpende wezens. Dit ‘tegemoetkomen aan de behoeften’ wordt betaald, tot waar gemaakt en verkocht. Dat is het laatste restant van de slavernij; niet de mens wordt verkocht, maar de arbeid.

De weg naar de toekomst leidt tot bevrijding van de arbeid opdat de motivatie zichtbaar wordt: wederzijdse hulp realiseren, voor de andere mens werken, de opgaven in de wereld op zich nemen en in deze activiteiten tegelijkertijd het eigen wezen tot uitdrukking brengen; ontplooiing van ons wezen in wederzijdse hulp. Dan ontstaat arbeid.

De bevrijding van de arbeid en van het innerlijk wezen van de mens zal naar de toekomst toe slechts langzaam plaatsvinden. Met een revolutionair, radicaal proces komen wij hierbij niet verder. Het is eerder iets groots dat zich in het macro-sociale gebied afspeelt, wat zich stap voor stap moet voltrekken. Het begin van dit proces ligt echter in het micro-sociale gebied. Wij kunnen individueel een innerlijke houding ontwikkelen waarin wij de arbeidsdeling en de betaling in gedachten loskoppelen. We zeggen dan tegen onszelf: ik doe wat ik doe omdat ik het graag doe en omdat ik de ander wil helpen. Het loon beschouw ik niet als een betaling voor mijn werk; ik neem het aan omdat ik een financiële basis nodig heb voor voeding, kleding, huisvesting enzovoorts. In ons eigen bewustzijn, in ons eigen micro-sociale gedrag begint de overwinning van deze zwakte.

In de huidige tijd vindt er een grote geestelijke strijd plaats om het ik van de mens. Het is een strijd om de individualiteit die zich gedurende de levensloop in het lotsverband tezamen met andere mensen ontplooit. Het gaat erom dat de mens wakker wordt voor het bewustzijn dat er diep in hem een wezen zetelt waarvoor al het aardse ‘materie’ en ‘stof’ is. In het lotsverband met andere mensen bevinden wij ons op een moeilijke weg, we gaan door misverstanden, ziekten en catastrofen heen. Maar de geestelijke individualiteit baant zich een weg. De belangrijke opgave van deze tijd is dit diepste innerlijke ik-wezen in onszelf en in de medemens te ontdekken in de levensloop en in de ontmoeting.

Individualiteit, de staat en de motivatie tot helpen

We moeten drie verschillende basiskwaliteiten ontwikkelen. We beginnen met het wezen van de vrijheid: bij het individu met al zijn kwaliteiten en belemmeringen die geoefend, respectievelijk overwonnen moeten worden. Loodzware lasten in mijzelf; dwang van buitenaf. De individualiteit op weg naar de vrijheid heeft altijd iets scheppends in zich. Energie en activiteit zijn voorwaarden voor vrijheid. Het individu is scheppend, is actief, gaat stap voor stap voorwaarts. Deze oefenweg begint in het micro-sociale gebied, bij ieder individu en wordt voortgezet op meso-sociaal gebied, dat wil zeggen in samenwerking en coöperatie en – wanneer het gelukt- verheven naar het niveau van de grote bloei van het vrije geestesleven, het macro-sociale gebied. De tweede basiskwaliteit is anders van aard. Het waarnemen van gelijke rechten is geen scheppende activiteit of wederzijdse hulp, maar is ontmoeting. We ontmoeten elkaar en besluiten bepaalde afspraken te maken waar we ons aan willen houden. Wanneer het om mensen gaat, wordt dit al moeilijk. Nog veel moeilijker wordt de verwerkelijking van gelijke rechten op het niveau van de staat. We hebben gekeken naar de wezenlijke rechten van de staat. Daartoe behoort zeker niet alles wat deze zich heeft toegeëigend. Door veel te veel op zich te nemen is de staat ziek geworden. Hij moet dus afslanken. Maar ook dat is niet voldoende, want de verworven vermagering mag niet blijvend zijn; ze moet steeds opnieuw ontstaan, want ook doelmatige en echte afspraken en wetten brengen, wanneer ze onveranderd en gefixeerd blijven bestaan, een nieuwe ziekte met zich mee die tot de dood leidt. Het wezen van de staat moet steeds opnieuw vanuit de ontmoeting worden opgebouwd. De derde basiskwaliteit is weer anders. Het is de motivatie tot wederzijdse hulp: de opgaven in de wereld en de behoeften van anderen waar te nemen en zich daarvoor in te zetten. Laten we het feit dat wij hiertoe in staat zijn vergelijken met de eerste basiskwaliteit. Aan de ene kant treffen we de vrije individualiteit die zich vanuit zijn diepste kern ontplooit, aan de andere kant het tegenovergestelde: ik zie in de wereld buiten mij een opgave en span me ervoor in. In het midden gebeurt noch het een noch het ander: er vinden ontmoetingen plaats.

We zien dus drie basiskwaliteiten die van elkaar verschillen; het zijn sociale vaardigheden die elkaar wederzijds oproepen. De een kan de ander niet vervangen. Wanneer iemand ontplooiing van zijn vrijheid nastreeft zonder zich te bekommeren om de behoeften van anderen en dus alleen aan zijn eigen ontplooiing werkt, is er op geen enkele manier sprake van ontmoeting, waardoor de ontplooiing uit zijn samenhang valt, onwaar is. Ook wanneer iemand de eerste twee genoemde vaardigheden oefent – ontplooiing van vrijheid en ontmoeting- maar de behoeften van anderen niet waarneemt, is er geen samenhang. Op de ware weg van de mens moeten alle drie de basiskwaliteiten worden ontwikkeld. Ze moeten worden gescheiden, zelfstandig worden gevat omdat ze sterk verschillen, en elke kwaliteit moet op alle drie de niveaus worden beoefend: op micro-sociaal, meso-sociaal en macrosociaal gebied.

Nu kan zich een moeilijke vraag voordoen. Hoe lang moet ik een vermogen op kleine schaal oefenen, voordat ik ermee naar buiten kan treden. Uiteraard moet er tegelijkertijd op alle drie niveaus worden gewerkt. Ik kan meteen en tegelijkertijd beginnen met het oefenen van alle drie de basiskwaliteiten. Wanneer ik echter het micro-sociale gedrag verwaarloos, dan ontbreekt de substantie. Zo komt het niet zelden voor dat de grote doelstellingen wel worden gezien, bijvoorbeeld de verbetering van de situatie in de derde wereld, maar dat men tezelfdertijd de naaste medewerkers tiranniseert. In dat geval zijn de eisen met betrekking tot hetgeen er moet gebeuren in de derde wereld – ook wanneer het inhoudelijk gezien juist is – louter frasen!

De gezichtspunten die daarbij in aanmerking moeten worden genomen moeten nu nog worden aangeduid. Er bestaat op micro-sociaal gebied een fenomeen wat ik ‘het juiste ogenblik’ zou willen noemen. Iedereen heeft dit in zijn leven wel eens waargenomen. Wanneer ik bijvoorbeeld een conflict met een ander mens heb, dan stapelt zich alles zodanig op dat ik het niet meer uithoudt en op een directe manier tot oplossing wil komen -en dan wordt het nog moeilijker! Waarom? Omdat ik het juiste ogenblik niet heb afgewacht! Het is niet voldoende om in gedachten de goede ”oplossing te hebben gevonden, te weten wat er gedaan zou moeten worden, wanneer dit niet op het juiste ogenblik gebeurt.

Het juiste ogenblik

Zo zijn er ook historische uren, vruchtbare momenten in de wereldgeschiedenis waarin iets gerealiseerd kan worden, indien het wordt opgepakt. Na de Eerste Wereldoorlog was er in Duitsland een chaos, een economische noodsituatie, regeringsmisère. Alles was open. Daarin plaatste Rudolf Steiner de driegeledingsimpuls omdat in een dergelijke situatie, waarin alles stroomt, het alleen aankomt op het bewustzijn van de mogelijkheid van de mensen tot vormgeven. Indertijd was dat het juiste ogenblik, was er een mogelijkheid om met een grote actie in te grijpen. Rudolf Steiner deed een uiterste poging om op dat ogenblik te doen wat essentieel was, namelijk de mensen bewust te maken van het feit dat het bij een nieuwe ordening van de sociale verhoudingen niet gaat om een kant en klaar model, maar om drie functies. De driegeledingsgedachte is geen utopie! Het enige wat behoeft te worden ontdekt zijn de krachten die een bepaalde richting aangeven, wetmatigheden die onder het oppervlak aanwezig zijn. Ze bestaan reeds, maar worden toegedekt doordat ze vanuit het verleden belast zijn en door ziekteverschijnselen. Het is niet zo eenvoudig als een model waarbij alles in het systeem wordt ondergebracht -geestesleven, rechtsleven, economisch leven- en dan uitstekend functioneert. Nee, er zou niets functioneren wanneer men eenvoudig een uitgedacht driegeledingsmodel in zou voeren en de mensen de drie vaardigheden niet ontwikkeld hebben en in de praktijk brengen.

Wanneer men zwak, krachteloos en innerlijk slap is, wenst men dat de driegeleding wordt ingevoerd. Deze idee kan echter niet centraal worden ingevoerd, maar moet door iedereen zelf worden gerealiseerd. Dat is het geweldige van deze idee. De driegeledingsimpuls was niet altijd op zijn plaats. Nu in de twintigste eeuw, past deze idee wel. Het gist onder het oppervlak en men wil niet zien wat er naar boven komt en zich uit in ziekteverschijnselen van het sociale organisme. Het is immers ook in het individuele leven van de mens zo, dat men ziek wordt wanneer men leed te verduren heeft. In ziekte uit zich een eenzijdigheid, wordt datgene zichtbaar wat zijn samenhang heeft verloren. De ziekte kan aanleiding zijn om wakker te worden. Iets dergelijks geldt ook voor de macrosociale verhoudingen. De ziekteverschijnselen in groter verband betreffen onszelf en tonen ons eigen ziektebeeld. Aan dit ziektebeeld moeten we echter wakker worden voor het ware wezen en moeten we de noodzakelijkheid van de drie verschillende vaardigheden inzien.
.

*Jörgen Smit was vanaf 1975 tot het einde van zijn leven bestuurslid van de Allgemeine Anthroposofische Gesellschaft in Dornach. Op 10 mei 1991 is hij in het 75e jaar van zijn werkzame leven na een kortstondige ziekte overleden. Door zijn vrijlatende maar steeds impulserende manier van werken heeft hij vooral bij de jongere generatie wezenlijke idealen gewekt. Als waardering van zijn levenswerk volgen hieronder de wezenlijkste passages uit een van de voordrachten die hij hield tijdens de jeugdconferentie van 8 tot 15 juli 1989 in het Goetheanum in Dornach.

.

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2676

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.