VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (54)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 193, hoofdstuk 54                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER HET AANGEZICHT VAN DE AARDE

Het plantenleven moet wel anders zijn, waar de zon niet zoals bij ons op de aarde schijnt, waar ook maan en sterren andere banen volgen, zomer en winter, dag en nacht anders verlopen en waar tropische hitte of poolkoude de overhand krijgen.

De zon stijgt in onze streken schuin omhoog. Ze beschrijft een boog aan de hemel die in de zomer groter, in de winter kleiner is, nooit echter, staat ze, zelfs niet in de tijd van de hoogste zonnestand, loodrecht boven ons in het zenit.

Een heel ander beeld wordt de bewoners van de meer equatoriaal gelegen landen geboden. In de tropen zie je de zon ’s morgens loodrecht omhoog gaan en ’s avonds verdwijnt ze weer loodrecht achter de horizon. Op de tijd van de hoogste zonnestand loopt ze midden langs de hemel, zodat een loodrecht in de aarde gestoken stok ’s middags helemaal geen schaduw werpt, omdat de zon precies in het verlengde ervan staat. Maar ook in de andere jaargetijden stijgt ze hoger dan bij ons en daarom moet haar leven brengende kracht op aarde ook wel groter zijn.

Het oerwoud*
Waar voldoende water voorhanden is of dit nu komt door regelmatige regenval of aan de oevers van rivieren of in moerasgebieden, kan zij een plantengroei tevoorschijn roepen waarvan de weelderigheid alles ver te boven gaat van wat er bij ons is te vinden, zelfs in de vruchtbaarste streken. De grondslag  van het tropische oerwoud vormen de machtige bomen. Reusachtige kruinen waarin natuurlijk ook een zeer gevarieerde dierenwereld  voorkomt, verdringen zich naast elkaar en raken met hun takken verstrikt. Alleen de sterkste kunnen het volhouden en wanneer er eens zo’n boomreus omvalt of breekt, sleept hij krakend alles wat naast en onder hem staat, mee naar beneden. Iedere boom is ook als een tuin, want van onder tot boven is hij bedekt met andere planten, zodat je soms z’n bast niet eens te zien krijgt. Klimplanten trekken zich aan de stammen omhoog. Tussen de stammen heerst de schemer, want nog voor de zon door de bladeren heen gedrongen is, hebben de planten het licht al bijna geabsorbeerd. Daarbij komt nog dat het erg warm en ook heel vochtig is in het oerwoudonderhout zoals in een kas waar je nauwelijks kan ademen wanneer je er nog niet aan gewend bent.

Planten die van de schaduw houden, vormen het onderhout, maar boven in de boomkruin is een tweede plantenwereld ontstaan. De slingerplanten die nog beneden in de grond wortelen, trekken zich rond de boomstammen als touwen omhoog, slingeren zich van tak tot tak en vormen wanneer ze bloeien wonderbaarlijke bloemenslingers. Andere klimmen tot in het hoogste topje waar ze bij het felle zonlicht gekomen een bloemenzee uitstorten van een verkwistende hoeveelheid en kleurigheid. Weer andere tropische oerwoudgewassen wortelen meteen  bovenin de boomkruinen, waar zich in hoeken van takken of holle stammen enz. humus, verzameld heeft. Daar waar bij ons hoogstens mos en paardenstaarten willen groeien, vind je bloeiende planten en grote varens door elkaar. De zon is in staat ook heel andersoortige en veel meer bloemen tevoorschijn te toveren.

Tropische orchideeën zien er vaak als dieren uit. Hun kleuren zijn doordringend en soms eng. Dat komt door de moerasachtige hitte.

De bovenmatig woekerende kracht van de aarde en een veel sterker werkende zon dan bij ons, laten het plantenleven als een vloedgolf naar buiten stromen, zodat een deel tot hoog in de toppen opgetild wordt, daar een tweede overvloedige groene wereld vormend. Deze planten komen met hun wortels niet meer tot op de aardbodem. Zulke planten die als klimplanten van de grond tot in de hoogste boomtoppen opklimmen, noem je lianen. Een natuuronderzoeker heeft de lianen van het tropische oerwoud als volgt beschreven:

‘Wanneer dat mooie woord ‘liaan’ klinkt, licht uit de schemering van de jeugdherinneringen een hele reeks prachtige beelden op, in krachtige lijnen en bonte kleurenpracht. Boven de reusachtige stammen van het oerwoud, die net als pijlers van een grote hal oprijzen, welft zich een loofdak waardoorheen hier en daar ijle zonnestralen breken. Op de woudbodem weelderig groen van varens die van de schaduw houden en de dode stammen van de omgevallen bomen begroeien of machtige struiken en verder nog een woest bruin netwerk van wortels, dat het bijna onmogelijk maakt dat je op die stille duistere bodem nog vooruitkomt. In tegenstelling tot het griezelige midden van het bos, geeft de zoom van het oerwoud een bont beeld van licht. Een wirwar van alle denkbare plantenvormen groeit glooiend omhoog langs het dichtste struikgewas, zich nog verder in de hoogte verheffend, hoger en hoger tot in de kruinen van de woudreuzen, zodat je eigenlijk niets meer ziet van wat zich in die grote hal bevindt. Dat is de echte wereld van de lianen.

Alles slingert, rankt en klimt door elkaar en het oog doet een vergeefse poging erachter te komen welke stammen, welke bladeren, welke bloemen en welke vruchten bij elkaar horen. Hier vlechten en vormen de lianen groene muren en tapijten, daar hangen ze als schommelende slingers of als gordijnen aan de takken die er verstrikt in zitten, naar beneden en op weer andere plaatsen hangen ze gespannen als gevlochten draden tussen de takken, van boom naar boom, gebouwd als zwevende bruggen, ja zelfs als deftige galerijen met spits- en rondbogen. Alleenstaande bomen worden door de ineengevlochten lianen omhuld tot ze een groene zuil zijn en wat nog meer voorkomt: tot het midden van een groene piramide waarboven de kruin zich als een paraplu uitspreidt. Zijn de lianen samen met de bomen die hen tot steun dienden, oud geworden en zijn het loof en het groen verdwenen dan lijken ze wel touwen die tussen aarde en boomkruin gespannen zijn en dan komen die zeldzame vormen tevoorschijn die we aanduiden met de naam ‘bostouw’. Nu eens strak getrokken, dan weer slap en schommelend, richten ze zich op uit de wirwar van woudgroen en gaan door elkaar kruipend, hoog bovenin op in de boomtakken. Sommige van deze bostouwen zien eruit als kurkentrekkers en weer andere zijn als de vingers van een hand uitgespreid, uitgehold, soms tot sierlijke trappen, de beroemde ‘apenladder’ gevormd. De groene slingers, de loofslingers van de lianen zijn hoog bovenaan gesierd met de meest bonte bloemen. En waar bloemen bloeien en vruchten rijpen, ontbreekt het ook niet aan de gasten die deze bezoeken, aan het bonte volk van de vlinders en aan de woudzangers die het liefst verblijven aan de woudzoom met de dooreengevlochten lianen.’

Omdat de zon zich zo zeer aan de woekerende aarde opdringt, worden ook de plantendelen met elkaar verwisseld. De bloeikracht komt tot in de bladeren, wortels, stammen en basten en maakt ze aromatisch. Maar ook bloemen en vruchten hebben heel ander vuur en kostelijk aroma. We krijgen immers de vurigste specerijen uit de tropen.

Dat het beeld van begroeiing van de warme zones van de aarde volkomen verandert, ja zelfs in het tegendeel verandert, als het water ontbreekt dat voor het plantenleven beslist noodzakelijk is, is geheel vanzelfsprekend. De opborrelende krachten trekken zich terug en de zon werkt door haar onbarmhartige kracht verdorrend, verhardend op de aarde. In plaats van de weelderigheid treedt de dorheid, i.p.v. het oerwoud komt de steppe of zelfs de woestijn.

De woestijn
Een woestijn is een gebied waarin zo goed als geen plant meer groeien kan, ongeacht of het een steen- of  zandwoestijn is. In de steppe groeit tenminste nog gras dat tijdens de korte regenperioden toch telkens weer opfrist.

Wanneer er sprake is van woestijnen denk je gewoonlijk aan de Sahara, hoewel er in andere werelddelen dan Afrika genoeg gebieden zijn die deze naam verdienen. Wie zou denken dat de oorzaak van de woestijn steeds de onvruchtbare bodem is, vergist zich zeer, want het is al vaak gebleken dat het aan de mens kan liggen woestijngebied in voortreffelijk cultuurland te veranderen. Steeds kun je van Egypte met zijn kunstmatige bevloeiingssysteem het meest leren, al is het niet het enige voorbeeld in zijn soort. Aan de andere kant is ook menig vruchtbaar gebied door ondoordacht of gewetenloos ingrijpen van de mens pas echt tot woestijn geworden. Waar de mens bv. egoïstisch de wouden omhakte, kwamen wolkbreuken en zo spoelde de vruchtbare bodemlaag weg of de bodem droogde uit, omdat er geen beschermend bladerdak meer aanwezig was. Dan kwam de wind en blies alles weg tot op de kale stenen.

Een steenwoestijn bleef achter.

Veel planten zijn door het woestijnklimaat hoogst merkwaardig veranderd. Ze zijn sterk samengetrokken en hebben of helemaal geen of alleen nog heel kleine bladeren. Wanneer de korte regenperiode voorbij is, staan ze daar als een bladloze struik. Het sterke zonlicht heeft aan vele van hen doornen gegeven, zodat ze ondoordringbaar zijn (doornstruik). Ook groeien er kussenplanten in de woestijn. Ze vomen halfkogelvormige bollen en zijn dikwijls met zeer lange penwortels verankerd. De stam die boven de grond komt is zo dik vertakt en  zo verhard  dat je eerder aan koraalriffen moet denken dan aan een plant. Maar hoe zou ooit een uitgespreide plant met weke stengels en bladeren overgeleverd aan de hete wind en op een diep tot in de zandbodem uitgedroogde aarde, kunnen bestaan?

Veel leren kun je in dit opzicht van de cactussen die zoals bekend, in de steenwoestijnen van Mexico thuis zijn. Die hebben al helemaal geen bladeren meer, maar alleen nog stengeldelen die vlezig geworden zijn, met een leerachtige huid overtrokken. Een cactus heeft zijn bladeren in een verdikte stengel naar binnen getrokken. Daarom is de stengel groen, in sommige gevallen is deze zowaar platgedrukt en heeft een bladvorm gekregen. De geurige en meestal kort levende cactusbloemen schijnen helemaal niet bij de dorre, met stekels bezette stengels te passen. Juist omdat de cactus geen bladeren heeft, moeten zijn bloemen wel meteen op de stam zitten en zo weet je gelijk, wat er tussenin ontbreekt: de bladeren.

Dus doet de cactus hetzelfde als de woestijnomgeving waarin hij leeft, waar de hete lichtdoorstroomde lucht direct op de dode steen drukt en waar geen water deze eenzijdigheid oplost. Maar de cactussen zelf hebben wel veel vocht in hun vlezige stam opgeslagen. Anders zouden ze de droogteperiode nauwelijks overleven. En bovendien heeft een cactus ook veel vuurkracht verzameld. Omdat hij zo langzaam groeit en zo hard is, merk je het nauwelijks. Wanneer dan de bloemen uitkomen zie je pas, hoe het brandt!

Veel zuidelijke planten zijn buitengewoon groot geworden. Daarbij zijn ze echter eenvoudig gebleven, wat je bv. aan de palmen kan zien. Hun machtige palmbladeren, hard als de huid van een hagedis, zijn veel minder doorwerkt dan sommige van onze inheemse planten, bv. de kleinere weidebloemen. Ook hun stam kan niet vergeleken worden met de stam van onze bomen: het zijn starre, onvertakte reusachtige bladeren. Zo kan de tropenzon haar planten groot laten worden, zonder deze zorgvuldiger op te bouwen.

De steppe
Misschien zie je de tegenstelling tussen vochtigheid en droogte wel het meest opvallend in de steppen; want die veranderen met het beginnen van de regentijd in een verbluffend korte tijd helemaal. Dan worden ze groen en overal komen prachtige bloemen uit de eerst zo troosteloze bodem tevoorschijn, zodat je je plotseling in een toverland waant. Maar dit heerlijke duurt niet lang want wanneer de regenloze tijd aanbreekt, verdwijnt alles weer en de dorheid krijgt de overhand. De bolgewassen trekken zich onder de aarde terug en het gras verdort en de zaadplanten sterven ook.

Zo komt het dat een reiziger de Zuid-Afrikaanse hoogvlakte als de meest verschrikkelijke, droogste, meest verbrande, als in een oven gebakken, meest verzengende, meest uitgeputte, meest godverlaten streek waarover de zon ooit heeft geschenen, kon beschrijven, terwijl een ander die in hetzelfde gebied reisde tijdens de regentijd het land als een wonderoord beschreef. Zo is het levenbrengende water in staat de aarde te veranderen!

In de tropen is iedere dag als een korte zomer. Een winter zoals bij ons, komt niet voor, alleen regenperioden, die – al naar gelang van welke kant de wind over zee komt-in verschillende tijden liggen. Je kunt ook zeggen, dat in de tropen het jaar in een dag is veranderd. Is de zon eenmaal achter de horizon verdwenen, wordt het heel snel volkomen nacht. De tropen hebben geen schemer. Bovendien wordt het ‘s nachts in vergelijking tot de dag veel kouder dan bij ons.

De poolstreken
Precies tegenovergesteld is het in de poolstreken, want daar gaat de zon maar eenmaal per jaar op, namelijk in de lente. Ze beschrijft haar baan, zonder onder te gaan, laag over de horizon, tot ze op het middaguur dat tegelijkertijd het midden van de zomer is, haar hoogste stand bereikt. Vanaf dit tijdstip wordt haar baan die dus toch al laag is, nog lager en ze zakt langzaam achter de horizon weg. Een poolnacht duurt zes maanden, net zo lang als de pooldag. Ook maan en sterren, die in de tropen met de zon loodrecht omhoog stijgen, trekken in de poolstreken –alleen ’s winters zichtbaar –in parallelle cirkels boven de horizon. Dat de zon onder zulke omstandigheden maar heel zwak is en niet zo diep in de aarde kan dringen, zal iedereen beamen. We weten toch dat grote landen, zoals het binnenland van Groenland met eeuwig ijs, als rotsblokken bedekt blijven, omdat de zonnewarmte onvoldoend kracht heeft het ijs te doen smelten, ondanks dat de poolzomer door geen nacht onderbroken wordt. Waar het eerste plantenleven zich kan vertonen, blijft het toch heel klein; heel dicht bij de aarde. Een oppervlakkig mos- en korstmosgebied vormt het begin. Ook op de toendra’s komen slechts kleine vertakte gewassen voor. Weliswaar ontbreekt het in deze moerasgebieden niet aan water, maar noch de aarde, noch de zon zijn in staat leven te brengen. Zijn in de tropen de gewassen groot en machtig, de poolgewassen zijn klein en nietig, maar wel heel zorgvuldig gevormd. Ook al zouden ze veel groter zijn, dan zouden ze er nog steeds mooi uitzien.

Wat echter heel vreemd aandoet en het poollandschap de indruk geeft van een troosteloze leegte, is het geheel ontbreken van bomen. Geen boom, geen struik is tot ver in de omtrek te bekennen. Wat een tegenstelling als je aan de tropen denkt! De aarde is hier te zwak om ze omhoog te stuwen; ze kan alleen maar een dunne laag tevoorschijn brengen, die er op sommige plaatsen maar als een dun deklaagje uitziet. Het eerste wat als boomgroei te vinden is,  net als op de hoge bergen, is de wilg. De dwergwilg met zijn  nietige blaadjes en ontelbaar kleine katjes drukt zijn takjes zo dicht tegen de aarde aan, dat zo’n struik je doet denken aan een kussenplant.

Ook de eerste dennen hebben nog een zeer merkwaardige groei. Omdat ze steeds weer stuk vriezen en zich niet opwaarts kunnen strekken, blijven zij eveneens dicht bij de grond, omdat ze zich onmiddellijk boven de grond vanuit een middelpunt vertakken. Pas de punten van de takken komen wat omhoog en die zien er dan uit als kleine boompjes, zodat je de indruk krijgt van een kleine struik, terwijl er toch maar één plant groeit. In het volgend hoofdstuk zal dit stukje aarde nog nauwkeuriger worden beschreven.

De gewassen die geen hout vormen zijn dwergachtig ineengekrompen, de delen zijn verhard, alleen aan het einde meer in de vorm gekomen. Vele vormen kussentjes en bedjes, die niet zelden de vorm van een bol hebben. De zomer tovert dan een overvloed aan bloemen tevoorschijn, waarvan de kleuren onvergelijkbaar zuiver zijn. Ook hier beleeft de reiziger die het meemaakt een wonder. De massale hoeveelheid bloemen zweeft als een tweede stralende laag boven de verharde planten. Vlinders vertonen zich en fladderen boven de in de wind trillende bloemsoorten. Net alsof ze ernaartoe geblazen zijn, komen ons deze arctische bloemen voor. Ze zijn het spiegelbeeld van de heldere poolsterrenhemel. In de verstarde sprieten treffen we de kinderen van de verharde aarde aan. Het is net alsof een scheidslijn getrokken is tussen hemel en aarde, die elkaar wel aanraken, maar niet doordringen kunnen. Ook daarin zie je de tegenstelling tussen poolplant en tropenplant.

 tropen                                                         poolstreken

warmtepool                                                                       koudepool
aarde levend                                                                     aarde dood
planten uitgebreid                                                          planten samengetrokken
plantengroei tot in de lucht opgetild                      plantengroei aan de aard-
bodem gekluisterd
bloeikracht in de plant doorgedrongen                 bloeikracht buiten de plant

Gematigde zones
In de gematigde zones waar wij wonen gaan deze tegenstellingen in elkaar over. Dag en nacht, zomer en winter wisselen elkaar regelmatig af. Hier groeien weliswaar niet de meeste planten, ook niet de grootste die er zijn, maar het leven is rijk afwisselend en de mens kan daar het beste werken.

Voor dit boek ten einde is, moet nog verteld worden hoeveel je kan leren als je een hoge berg beklimt. Iedere berg doet namelijk de hele aarde na. Hoe hoger je komt, des te kouder wordt het en des te zwakker ook het aardeleven. Daarentegen staat dat de hemel met zijn krachten sterker wordt. Het is daarom ook niet zo verwonderlijk dat je op de hoge bergen vaak dezelfde planten vindt als in de poolstreken. Vooral degene die het geluk heeft een hoge berg te beklimmen die in de tropen ligt, heeft gelegenheid alle aardzones aan zijn oog voorbij te laten trekken net zo alsof hij een verkorte reis van noordpool naar evenaar maakt. Vanuit de eeuwige sneeuw komt hij in een gebied van korstmos en mos, dan betreedt hij bossen die zeer lijken op onze gemengde bossen. Al naar gelang de aard van de berg kunnen het ook naaldwouden zijn. Na elkaar komen er dan tropische delen van het plantendek bij, totdat je tenslotte in het dal aangekomen bent.

Maar ook de bergen in ons land (Duitsland) zijn grote leermeesters. Je moet ze alleen weten te bekijken. Zijn de gentianen, alpenroosjes niet net zo gebouwd als de bloeiende planten van de poolstreken? Kussen- en bedplanten tref je in grote hoeveelheden aan en ook hier ligt een tweede laag van reine bloemenpracht over de dwergachtige uitlopers. Bij bomen en struiken ontwikkelen zich de houtige delen bijzonder en deze vleien zich bijna zoals in de poolstreken tegen de bodem of tegen de rotsen.

Zo kun je de aarde met twee reusachtige bergen vergelijken die met hun grondoppervlak omgekeerd tegen elkaar zijn gezet. De toppen zijn de beide polen en op de evenaar komen ze bij elkaar.

*om dit lange hoofdstuk wat overzichtelijk te houden heb ik zelf de kopjes aangebracht

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

60-58

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (53)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 192, hoofdstuk 53                                                                               alle hoofdstukken

 

OVER DE OLIEPALM
Deze stamt uit de warme streken van West-Afrika en is net als de kokospalm en de dadelpalm een vederpalm. Zowel van het vruchtvlees, als ook van het zaad, wordt de olie gebruikt; die van het zaad is waardevoller. De door harde schalen omsloten zaden worden in grote massa’s bij ons ingevoerd en tot spijsolie verwerkt (palmpittenolie). Uit de olie van het vruchtvlees maakt men zeep en kaarsen. De vruchten zien eruit als pruimen en meer dan duizend vormen samen een bal, zoals een groot geworden aardbei. Wanneer we bakken en braden of anderszins vet of olie gebruiken, moeten we er maar eens aan denken dat deze olie misschien in de tropen aan een palm gegroeid is en een verre reis heeft moeten maken.

Palmolie wordt net als andere oliën tot spijsvet verwerkt.

Vanzelfsprekend zijn er naast de kokospalm, dadelpalm en oliepalm nog veel andere palmsoorten die van veel nut zijn voor de mens, wanneer ze hun zaden, vruchten of bladeren, vezels of hun hout schenken. Ja, in veel landen van de tropen zou het leven zonder de palmen bijna onmogelijk zijn.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

59-57

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (52)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 190, hoofdstuk 52                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE DADELPALM
Ook deze palm maakt in de verre woestijngebieden het leven van de mensen mogelijk; te meer daar hij niet, zoals de kokospalm, aan de kust gebonden is. De bedoeïnen nemen gedroogde en daarna geperste dadelvruchten, in schapenleer ingenaaid, mee op hun verre woestijnreizen. Zo blijven de dadels jarenlang goed en vormen dikwijls het enige voedsel van deze sober levende mensen. Het sap dat bij het persen tevoorschijn komt, noemt men ook wel dadelhoning. Net zoals bij onze vruchtbomen, zijn er van de dadel verschillende soorten. De zoete dadels die wij om hun heerlijke smaak heel graag eten, hebben als voedsel minder betekenis. Veel belangrijker zijn echter de soorten met meelachtig vruchtvlees, dat zetmeel bevat. De pit van de dadel is het zaad. De steenharde massa wordt door de kiemende plant langzaam verteerd. De plantkundigen rekenen de dadels tot de bessen.

Ze bevatten geen vet of olie.

Uit de Indische zilveren dadel wordt zelfs palmwijn bereid; maar daartoe moet je de jonge bladeren aansnijden. Uit het merg van de stam van de Aziatische sagodadelpalm kun je zetmeel winnen, maar niemand die zijn palmen goed verzorgd heeft, laat dat toe, want je moet daarvoor heel diep in de boom snijden.

Als wij het grote nut die de dadelpalmen de mens brengt, uitvoerig opsommen, dan moeten we heel veel van wat we tot lof van de kokospalm al gezegd hebben weer noemen.  Ook de stammen van de dadelpalm bevat bouwhout en hout voor ander nuttige doelen. Ze zijn wat dikker dan die van de kokospalm en de bladeren die niet zo groot zijn als die van de kokospalm, worden ook voor die doeleinden gebruikt als waarvoor de kokosbladeren gebruikt worden, dus voor dakbedekking, voor vlechtwerk, om bezems te binden enz. Dus de dadelpalm is wel net zo’n helper en weldoener voor de mens als de kokospalm. Bedenk je dan, dat hij zelfs in de woestijn geplant kan worden als hij met zijn zeer diep grijpende wortels nog maar een beetje water kan vinden- dan begrijp je wel wat zijn betekenis is.

Een Arabisch dichterwoord zegt, dat de dadelpalm met zijn voeten in het water staat en het hoofd naar het vuur van de hemel opheft.

Iedere woestijnreiziger zal hem met vreugde begroeten, wanneer hij na lange, moeilijke dagen, de dadelpalm in de verte ziet verschijnen.

De stammen worden maar tot twintig meter hoog en staan rechterop dan de door de wind gebogen stammen van de kokospalm. Voor het kweken van deze palm is het erg belangrijk te weten, dat deze in tegenstelling tot de kokospalm tweehuizig is. Stuifmeel en vruchtbeginsel zijn over twee bomen verdeeld. Daar vanzelfsprekend de vruchtbare bomen onvergelijkbaar meer waard zijn, maar het stuifmeel toch niet gemist kan worden, laat men maar een paar palmen met stuifmeel staan. Het stuifmeel blijft erg lang goed, ook wanneer het van de boom af is en zo komt het dat de stuifmeelhalmen een belangrijke handelswaar vormen. Ze worden eenvoudigweg bij elkaar gebonden in de palmen gehangen die vrucht kunnen dragen. Met hoeveel vreugde en welgevallen kan een palmboomeigenaar dan de dikke massa dadels aan zijn boom zien rijpen. Een goede dadelpalm draagt per jaar zo’n honderd kilo en is na honderd jaar uitgeput. Dadelpalmen zijn daar waar ze groeien voor de mens net zo onontbeerlijk als voor de noorderling het graan. Zo brengt ieder gebied van de aarde zijn bijzondere gaven voort.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

58-56

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann- leesboek voor de plantkunde (51)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 186, hoofdstuk 51                                                                            alle hoofdstukken

 

OVER DE KOKOSPALM

Het is een tropische palm waarvan men aanneemt dat deze uit de oostkust van Zuid-Amerika stamt. Vandaaruit heeft deze zich in ieder geval zeer verspreid.

De vruchten, de kokosnoten, blijven drijven en de zee vormt geen hindernis; na een half jaar kiemen ze pas. We vinden ze tegenwoordig over de hele tropische wereld verspreid , maar worden het meest verbouwd op de plaats waar deze oorspronkelijk niet inheems waren: de Aziatische eilanden. Natuurlijk heeft de mens bij de verspreiding de hoofdrol gespeeld en toch komt hij ook voor op onbewoonde eilanden. Daarheen kan alleen de zee de zaden hebben gebracht.

De kokospalm is een palmsoort die hoog opgroeit. De slanke stam wordt wel 20 tot 30 meter hoog en de bladeren worden wel 4 tot 5 meter lang. Zeker toch wel een aanzienlijke lengte voor een enkel blad. Je kunt kokospalmen al van verre herkennen aan de meestal wat scheefstaande stammen. Dat doet de wind natuurlijk. De kokospalm is namelijk een uitgesproken kustpalm. Waar hij groeit, waait de wind voornamelijk uit één richting en van de stam van de kokospalm wordt wel beweerd dat deze zo buigzaam is als een roggehalm .

De grote bloembodems die tussen de bladeren tevoorschijn komen, zijn eerst in machtige kapsels gewikkeld. Dan komen ze tevoorschijn en laten zien dat de eerste bloemen alleen maar stuifmeelbloemen zijn. Ze staan dicht opeen gedrongen; talrijk in aantal, op de punt van de bloembodem, terwijl de vruchtbeginsels verder beneden op dezelfde bloembodem te vinden zijn. De kokospalm is dus een eenhuizige plant. Stuifmeel en vruchtbeginsel zitten niet alleen aan dezelfde boom, maar bovendien in één bloem.

Dat moeten we goed in de gaten houden, omdat het, bv. bij de dadelpalm, anders is.

De bloemen van alle palmen zijn gevormd volgens het getal drie en daaraan herkennen we dat de palmen tot de parallelnervigen behoren, al vormen ze een bijzondere groep.

Grohmann 187 kokospalm

Zo tekende de Zwitserse plantkundige Usteri een kokospalm aan de zeekust waar hij ze dikwijls had gezien.

Nu is het bijzonder interessant zo’n vrucht eens nader te bekijken, om daarvan te leren wat de afzonderlijke delen betekenen. Zie de tekening. Het belangrijkste van de hele vrucht is namelijk het reusachtige zaad binnen de steenharde schaal. Deze schaal echter, vormt de binnenste laag van de vezelige vrucht die het zaad  omhult. Nog voor de kokosvrucht verscheept wordt, wordt de vezellaag van de schaal verwijderd, omdat deze namelijk geschikt is voor het maken van nuttige dingen, bv. kokosmatten.

Wanneer de steenschaal van de kokosvrucht kapot wordt gemaakt – je moet er een zaag of een bijl voor nemen – komt eerst de bruine zaaddoos tevoorschijn. Die is flinterdun en bedekt het witte, voedzame vruchtvlees. Iedereen kent het wel, omdat er de kokosvlokjes van gemaakt worden. De palm vormt het natuurlijk als  eerste voedsel voor het kiemende zaad. Wie goed kijkt, kan in het zaadvlees ingebed de kiem zien liggen, daar waar de steenschaal drie grote punten heeft. Het is in deze toestand nog een staafje van een paar centimeter groot. En toch wordt dat nu later de hoge palmboom. Als de kiem groene bladeren zal hebben, heeft hij de voedsellaag van het zaad opgebruikt. In de ruimte die deze voedsellaag omgeeft, zit de kokosmelk. Je kunt die drinken en het smaakt heerlijk.

Grohmann 189 kokosnoot

Vrucht met zaad van de kokosnoot, beide doorgesneden.

De vrucht is zo getekend als ze eruit ziet wanneer de kiem al door de kiemopening van de steenschaal is gebroken. (Een kokosnoot heeft drie van die openingen, omdat er in aanleg drie zaden  waren, waarvan er maar één verder gegroeid is).
De steenschaal van een kokosnoot springt bij het kiemen niet. De kiem heeft in deze fase al een paar schutblaadejes gevormd, als ook het eerste worteltje; vanbinnen in het zaad is een groot rond zuigorgaan gegroeid. Op onze tekening neemt het al bijna de helft van de binnenruimte in beslag. Het wordt steeds groter, tot tenslotte alle voedingsstoffen van het zaad, ook het witte vruchtvlees, opgebruikt zijn. Inmiddels is de kiem zo groot geworden en heeft zoveel worteltjes gekregen dat deze zich nu zelf voeden kan.

de lagen van buiten naar binnen:

de lagen van de vrucht                                       de lagen van het zaad
de leerachtige vruchthuid                                  de dunne zaadhuid, hier
onzichtbaar
de dikke vezellaag                                                 het witte zaadvlees
de harde steenlaag                                                helemaal binnen de kokosmelk

 

De hele vrucht heeft dus twee keer drie lagen en de kiem met het zuigorgaan, de wortel en de uitloper heeft ook drie delen.

Een volwassen kokospalm draagt jaarlijks 50 tot 100 vruchten en de vruchtbaarheid van de plant duurt zo’n 70 tot 80 jaar. Weliswaar is een goede bodemvochtigheid een voorwaarde voor een goed gedijen. Een Indisch spreekwoord zegt dat de kokospalm 333-voudig voordeel brengt. Dit nut komt niet alleen vanwege de vruchten. Alleen het hout al, dat keihard is, kan goede diensten bewijzen. Men gebruikt het natuurlijk als goed bouwhout. De bladeren worden gebruikt om daken te bedekken, maar ook om zeilen en matten van te maken. Van de middelnerven worden draagtouwen, ja zelfs kokers gemaakt. De bladnerven gebruikt men, net als bij ons de wilgentenen, om manden van te vlechten. Uit de scheden van de bladstelen kan men touwen, kledingstukken en zeilen maken. De bloemscheden laten zich tot touwtjes, fakkels en lendendoeken verwerken. Maar je kunt de bladeren ook laten rotten en dan uit de vezels borstels, touwen, matten en kussens maken. Jonge scheuten kunnen gegeten worden als ‘palmkool’, wat de palm natuurlijk schade berokkent of je kunt het naar buitenvloeiende sap tot ‘palmwijn’ laten rijpen. Het witte vruchtvlees (kopra) is heel belangrijk voor de winning van plantenvetten. Wanneer de olie uit de voedingslaag is geperst, dient de rest nog als veevoer (melasse).

Door  dit alles kun je wel begrijpen hoe het komt dat de kokospalm in sommige streken op aarde het leven pas mogelijk maakt.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

57-55

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (50)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 184, hoofdstuk 50                                                                    alle hoofdstukken

 

OVER DE PALMEN

Voor iedereen die in de gematigde streken van de aarde woont, is het een indrukwekkende belevenis voor het eerst palmen in de natuur te zien. Om onder palmen te wandelen hoeft men niet eens zo ver te reizen als men wel denkt. Al gauw nadat je de passen van de Alpen achter je hebt, duiken links en rechts van de verkeersweg de eerste van deze ons zo vreemd aandoende boomvormen op; eerst nog een enkele, minder statig en af en toe in de winter kapotgevroren, maar dan toch steeds vaker en indrukwekkender. Met hun eenvoudige stammen en de machtige, waaierachtige bladeren bieden de palmen een prachtige aanblik.

Nu moet wel gezegd worden dat de palmen van het noordelijk Middellandse Zeegebied het nog lang niet halen bij de reuzen in de tropen. Met deze vergeleken, doet de enkele palm uit het noordelijk Middellandse Zeegebied maar dwergachtig aan. Maar deze groeit er en is er inheems. Het is een waaierpalm en die wordt dwergpalm genoemd.

Maar de mens heeft langs de kusten van heel de Middellandse Zee vreemde, uitheemse palmsoorten aangeplant, in zoverre ze in dit klimaat nog groeien konden, omdat ze nu eenmaal een buitenlandse aanblik bieden.

Wanneer je een atlas openslaat waarop de palmgrens is aangegeven op het noordelijk halfrond, dan zie je waar de palmstreken van de aarde beginnen. Het omvat nog net het zuiden van Spanje en Griekenland, waar door de Middellandse Zee een milder klimaat heerst. Zuid-Frankrijk en Noord-Italië, ja zelfs het zuidelijkste, over de Alpen gelegen deel van Zwitserland, zijn buitengewoon ver naar het noorden opgeschoven ‘eilanden’, waarop nog net palmen kunnen groeien.

Maar daar maken ze dan ook de meeste indruk op je, wanneer je uit het palmloze noorden komend, ze voor het eerst ziet. In andere werelddelen wordt de palmgrens eveneens door warme zeestromingen bepaald, die de winter verzachten. In Azië maakt natuurlijk het geweldige Himalayagebergte een einde aan de palmengroei en in Midden-Amerika wordt de palmgrens door de loop van het Rocky Mountainsgebergte in een grote boog naar het zuiden verlegd. Maar ook in veel zuidelijker gelegen streken houdt de palmengroei op, zo gauw de bergen een zekere hoogte hebben bereikt. De hoogte van de palmgrens hangt daar natuurlijk weer af van hoe dicht de betreffende berg bij de evenaar ligt. Het rijkste gebied op aarde aan palmen ligt in het Amazonegebied in Zuid-Amerika en in Zuid-Azië is dat het eilandengebied van Maleisië.

Waarom maken de palmen op ons noorderlingen zo’n merkwaardige indruk? Allereerst komt dat eenvoudigweg door de reusachtige bladeren die we voordien nog niet gezien hadden. Deze bladeren, de waaiers zijn in de meeste gevallen geveerd. Bij sommige palmsoorten zijn ze in ieder geval vingervormig. Dus zijn er vederpalmen en waaierpalmen. De kokospalm en de dadelpalm, net als de oliepalm, die nog besproken zullen worden, zijn vederpalmen. In de jonge toestand zijn palmwaaiers eerst nog sterk gevouwen. Dan komt de wind die ze eenvoudigweg scheurt of het nu een vederpalm of een waaierpalm is. Zo eenvoudig gaat het toe met een palm, ondanks zijn grootte.

Dat zijn wel indrukwekkende beelden, wanneer de wind de machtige bladeren pakt, eraan trekt en plukt, zodat de stammen buigen en de kronen in één richting gebogen worden.

Wanneer je een vederpalm bekijkt, kun je wel op het idee komen dat je een machtig groot geworden varen waarneemt die alleen maar door een stam als een zuil omhoog geheven is, steeds hoger en maar hoger. Dikwijls blijven de afgestorven bladeren of delen daarvan nog aan de stam hangen en alle mogelijke gedierte, zoals ratten, nestelen zich erin, want zo gauw de aarde stammen opricht, ook al zijn het maar eenvoudige palmstammen, dan volgt het dierlijk leven, alsof dat op de aardbodem zelf leeft.

Nu zullen drie, voor de mens bijzonder belangrijke palmsoorten preciezer besproken worden. (kokospalm; dadelpalm; oliepalm)

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

56-54

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- Grohmann – leesboek voor de plantkunde (49)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 179, hoofdstuk 49                                                                          alle hoofdstukken

 

UITHEEMSE VOEDINGSGEWASSEN

De paprika
De paprika, ook Spaanse peper genoemd [de Spaanse peper is een ander soort en is in het dagelijks spraakgebruik niet synoniem met paprika , is ons door zijn rode, scherp smakende vruchten bekend; je kunt paprika ook gemalen als specerij kopen. De paprikaplant is nauw verwant aan de aardappel, wat je het duidelijkst aan de bloem kan zien.
De paprika komt uit het tropische Amerika, wordt echter al lang verbouwd in andere landen. Daarom heeft hij ook zulke verschillende namen. (Spaanse peper). Veel paprika groeit op het eiland waar vroeger veel Franse misdadigers werden gebracht: Cayenne, aan de oostkust van Zuid-Amerika. Daarom is er een spreekwoord: ‘Geh hin, wo der Pfeffer wächst,’ want op het eiland heerst een moordend klimaat. Hoe paprikaplanten, die tegenwoordig in Europa geteeld worden, bv. in Hongarije, eruit zien, weet ieder kind.

De pinda
Pinda’s zijn de vruchten van een vlinderbloemige met geveerde bladeren die tegenwoordig in vele warme en warmere gematigde landen op velden verbouwd worden. Het thuisland is Brazilië. De naam aardnoot komt daarvan dat de plant haar bloemstelen na de bloei geweldig in de lengte strekt, tot onder de grond namelijk. Dus de pinda is een vrucht die in de aarde rijp is geworden. Hoewel het een peulvrucht is, noemt men haar toch, wegens de harde schaal, een noot.
Pinda’s die je pellen kunt om de zaden eruit te halen, moeten eerst gebrand worden. Anders zou je ze niet kunnen eten. Aardnoten worden zowel in Amerika als in Afrika en Indonesië wegens de olie die erin zit op grote schaal verbouwd.
Waarschijnlijk zal de teelt van de olienoten alleen maar toenemen. De olie kan dienen voor de voeding, voor de bereiding van margarine, maar ook voor het maken van zeep. Natuurlijk maakt het uit of je vet of olie neemt die in de felle zon ontstaat, zoals de olijfolie of die je eerst vanonder de grond moet halen.

De olijfboom
De olijfboom die we net als de vijgenboom al uit de bijbel kennen, groeit rond de Middellandse Zee en komt daar ook vandaan. In Zuid-Frankrijk, in Italië, aan de Adriatische Zee, in Griekenland, in het Heilige Land, overal kan men in olijfboomgaarden wandelen. De olijfboom is geen grote en statige boom. Hij heeft bladeren die altijd groen zijn en aan de onderkant zilverkleurig. Je zou ze kunnen vergelijken met wilgenblaadjes en wie voor het eerst in het Middellandse Zeegebied komt en niet goed waarneemt, zou kunnen denken dat hij wilgenbomen ziet, in plaats van  olijfbomen.
Wanneer de wind de bladeren naar een kant blaast, kan de lichte onderkant overal boven komen. De bloemen zien eruit als die van de liguster. Het hout van de boom is erg hard. Dikwijls zie je oeroude olijfbomen met holle stammen en nog maar een paar takken met blad waaraan nog wat olijven-want zo heten de vruchten van de olijboom- rijpen.
Ze zien eruit als kleine pruimen. Ze kunnen de hele winter door geoogst worden, wanneer je ze nodig hebt. De olie wordt uit het vruchtvlees geperst. De kleur van de vrucht die een steenpit bevat, is bijna zwart.
De olijfboom is een ware weldoener voor de mens, in het bijzonder in die streken waar andere vetten en oliën, zoals bv. boter, door de warmte slecht bewaard kunnen worden. Bovendien kan de olijfboom zonder nadeel maanden lang droogte verdragen, ja de goede olie ontstaat pas als de zon op hem brandt. Hoezeer de olijfboom in elke tijd door de mens vereerd werd, blijkt ook uit het feit dat de olijftak al sinds onheuglijke tijden als vredesteken geldt.

De amandel
Amandelen groeien aan grote bomen die familie zijn van onze kersen- en pruimenbomen. Dus de amandelboom is een roosachtige, maar ze wordt wel veel hoger dan zijn familieleden. Hun thuisland is het Middellandse Zeegebied. Bij ons worden amandelen alleen maar onder gunstige omstandigheden rijp. De amandelboom bloeit in de eerste dagen van de lente. De vruchten behoren tot de steenvruchten, maar hier gaat het om de kern. Het vruchtvlees is leerachtig en daarom niet te eten. In plaats daarvan kunnen de zaden gegeten worden. Die zitten in de pit van de vruchten. Het zaad, de amandel natuurlijk, is dan nog omhuld door de schaal. Die kun je er gemakkelijk aftrekken, nadat je de amandel in warm water hebt gelegd. Bij de kraakamandelen is de schaal zo dun, dat je die met de hand kan breken. Sommige bomen dragen bittere amandelen waarin een gevaarlijk gif zit, waarin blauwzuur voorkomt. Daaraan kun je doodgaan en daarom moet je altijd zo weinig mogelijk  bittere amandelen eten. Wanneer je geraspte bittere amandelen kookt, bakt of roostert, verdwijnt het gif en blijft alleen de smaak over waarvoor de bittere amandel gebruikt wordt.

De vijg
Vijgen die we meestal gedroogd  aan een stuk bast geregen, bij elkaar gebonden, kopen zijn de merkwaardigste vruchten die je je kunt voorstellen. De vijgenboom is een kleine boom met grote gelobde bladeren aan breed uitgroeiende takken en twijgen. Je kunt hem al vinden in de beschutte zuidelijke alpendalen, maar vooral in Griekenland en Turkije, waar de vijgen een belangrijk fruit zijn en van waar ze naar ons komen. De vruchten die meerdere keren per jaar geoogst kunnen worden, zitten apart op korte stelen en zijn net peren. Ze bevatten veel suiker.
Een vijg is eigenlijk een vlezig geworden hele bloembodem, waarvan de kleine bloemen verkommerd zijn en naar binnen getrokken, zodat ze door het vruchtvlees omsloten worden. Daarom kun je ze ook niet zien. Wanneer je echter vijgen eet, bemerk je, dat er kleine pitjes in zitten. Wanneer je vijgen in het water weekt, dan zwellen ze en wanneer je ze dan doorsnijdt, kun je de karafachtige vorm van de vrucht herkennen. Tot het opvallende van de vijgenboom hoort ook het witte melksap dat hij bevat.

De rijst
Wat je van rijst moet weten.
Gewoonlijk weet men niet dat meer dan de helft van de totale wereldbevolking hoofdzakelijk rijst eet. Vreselijke hongersnood is het gevolg wanneer in de rijststreken van Zuidoost-Azië de regen brengende moessontijd uitblijft, zodat de rijst verdroogt.
In het warme Azië, maar ook in Afrika en Australië, ja tegenwoordig zelfs in Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk, Hongarije en andere landen met een mild klimaat kun je rijstvelden vinden. Ze moeten tenminste een deel van het jaar onder water gezet worden.
In China waar bijzonder veel mensen dicht opeengepakt wonen, moet het hele gezin op de rijstvelden werken, ook de kinderen; eerst om te planten, dan om te bevloeien en tenslotte om te oogsten. Rijst kan namelijk niet gelijk op het veld gezaaid worden, hij moet in bosjes worden geplant. Maar voordien moet hij op zaaibedden voorgetrokken worden. De rijstplant is een grassoort, een graan en ziet er bijna als haver uit.
In de gebieden waar rijst het hoofdvoedsel vormt, wordt hij ongepeld gegeten. Wij kopen de rijst meestal ‘glanzend’, namelijk nadat het beste, het rijstvlies, verwijderd is, opdat hij er mooier uitziet. Wie alleen van gepelde rijst zou moeten leven, krijgt een vreselijke ziekte, de beri-beriziekte waaraan men tenslotte ten gronde gaat. Het beste geneesmiddel zijn de rijstzemelen.

De rietsuiker
Rietsuiker was tot voor honderd haar, voor zich de bietsuiker in heel Europa uitbreidde, de enige suikersoort. Het land van oorsprong van het suikerriet dat er als riet uitziet en zes meter hoog wordt, is Oost-Indië. Het gedijt alleen in tropisch en subtropisch klimaat. Zeer veel suikerriet wordt tegenwoordig in India, op het eiland Cuba en op Java verbouwd. De machtig hoge riethalmen worden nog voor ze bloeien, met grote messen gekapt, fijngestampt en gekookt. Daar de plant overblijvend is, groeien er steeds weer nieuwe halmen.

De bij ons zo veel verbouwde bietsuiker is een suiker die uit een knol, dus een wortel wordt gewonnen. Rietsuiker daarentegen is een stengelsuiker, die door de tropenzon boven de aarde gevormd wordt. Tegenwoordig neemt het gebruik van rietsuiker t.o.v. bietsuiker weer toe.*

De banaan
Bananen zijn de vruchten van een plant die er bijna als een palm uitziet, maar er toch geen is. Iedereen heeft wel eens een bananenstruik op een plaatje gezien. De machtige grote bladeren die door de storm verfomfaaid zijn, reiken tot aan de wortelstok naar beneden met hun stelen. Deze stelen die men ook bladscheden noemt, zitten om en om over elkaar heen en vormen een schijnstam. Je moet de bananenplant dus als een reusachtig kruid beschouwen.
De vruchten die je tot de bessen moet rekenen, hangen in dikwijls loodzware trossen naar beneden tussen de bladeren. Ook al  worden bananen tegenwoordig in alle warme landen verbouwd, hun land van herkomst is waarschijnlijk Zuid-Azië. Zoals bij zoveel andere voedingsgewassen die de mens al sinds onheuglijke tijden cultiveert, zijn ook bij de banaan de zaden verkommert, zodat men de plant door stekken moet vermeerderen.

De ananas
Ananasvruchten zien eruit als reuze dennenappels die echter heerlijk ruiken en lekker smaken door hun sappige vruchtvlees. Maar ze groeien niet aan bomen, maar aan een kort stammetje dat maar tot kniehoogte boven de grond uitsteekt. De plant waaraan zulke merkwaardige vruchten groeien, bestaat uit een bos grote , harde, stugge bladeren die op riemen lijken. Hun thuisland is Midden-Amerika, maar ze worden tegenwoordig in veel warme landen verbouwd.
De botanici noemen een vrucht, zoals de ananas, een samengestelde vrucht, omdat deze uit vele aan elkaar gegroeide vruchtjes bestaat, net zoals de schubben van een grote dennenkegel, maar dan bovendien nog vlezig en geurig.
Boven de vrucht groeit de plant dan nog als een bladerstruik een beetje verder, een afdakje vormend. Je kunt ze afsnijden en weer wortel laten schieten.

De katoen
Toen deze nog minder bekend was, waren er plaatjes waarop je kon zien, hoe eruit de bloem van een plant een heel klein schaap tevoorschijn kwam. Wol kan, zo dachten velen, toch alleen maar van een schaap komen!
Tegenwoordig wordt katoen bijna in alle warme streken van de aarde verbouwd en iedereen heeft weleens een foto gezien waarop de witte draden door vlijtige handen worden geplukt. De oogst kan slecht machinaal gebeuren, omdat de vruchtdozen met de draden niet allemaal op dezelfde tijd openspringen. Die draden zijn de plantenharen van de zaden. Ook de katoenplant wordt in struikvorm gekweekt, zodat ze makkelijker geoogst kan worden. De bladeren zijn 5- of 6-lobbig. De bloemen zijn gele malvebloemen. De vruchten zijn doosjes ter grootte van een walnoot. De meeste katoen wordt tegenwoordig in Amerika, daarna in India en Egypte verbouwd.

*De suiker tussen oost en west [1]    [2]

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

55-53

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (48)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 174, hoofdstuk 48                                                                             alle hoofdstukken

 

SPECERIJEN EN GENOTMIDDELEN

De kaneel
Is de bast van de kaneelboom die in Sri Lanka in het wild groeit en ook verbouwd wordt. De jonge stammetjes worden geschild. Dan wordt de buitenste laag die bitter smaakt, verwijderd. Het andere wordt gedroogd, waardoor het zich oprolt en ook de bekende bruine kleur krijgt.

Het laurierblad
Is het gedroogde blad van de laurierstruik of –boom. Zijn loof is altijd groen, leerachtig en dat kun je aan het gedroogde blad ook nog zien, licht gegolfd. Het moederland van de laurier is het Middellandse Zeegebied en van oudsher werden overwinnaars met laurierkransen gekroond. De plant is familie van de kruidnagelboom.

De muskaatnoot
Het is het grote zaad van de muskaatboom, die voorkomt op de Molukkeneilanden, dus niet zo ver van het thuisland van de kaneel, waarvan hij ook familie is. De vruchten hebben leerachtig vruchtvlees en worden desondanks door de inheemse bewoners gegeten.
De binnenste laag die om het zaad heenzit, ziet er oranjekleurig uit. Die wordt de zaadmantel genoemd en daaruit bereidt men een andere specerij. Tegenwoordig wordt de muskaatnoot* wegens de hoge waarde ervan in veel tropische landen verbouwd.
*(in het Nederlands komen de namen nootmuskaat en notemuskaat voor)

Ten slotte moet als naaste familie van deze drie specerijplanten ook de kamferboom genoemd worden. Hij stamt uit China en Japan, gedijt echter net zo goed in andere warme landen. De sterke en enigszins bedwelmende kamfer zit in alle delen van de boom. Behalve in medicijnen wordt de kamfer ook gebruikt om motten te verjagen.

De kruidnagel
Kruidnagels zijn de gedroogde bloemknoppen van de kruidnagelboom. Zij moeten al voor de bloei geoogst worden, opdat de welriekende olie behouden blijft. Je kunt de knoppen makkelijk herkennen, wanneer je een nagel in water week maakt.
Het thuisland van dit specerij zijn eveneens de Molukkeneilanden. Rond het jaar 1769 gelukte het een Fransman ze ook op andere tropische eilanden te verbouwen. De kruidnagelolie wordt eveneens uit de bloemknoppen gewonnen.
De eucalyptusboom is sterk verwant aan de kruidnagelboom. Het is een Australische boom en de hoogste loofboom op de wereld. Hij kan 150 m hoog worden. De eucalyptusolie waarvan ieder de smaak kent door de eucalyptusbonbons, wordt uit de bladeren gewonnen.

De peper
Deze komt van een klimplant die in Oost-Azië thuis is, tegenwoordig wordt hij echter ook in andere landen in de tropen verbouwd. Men kweekt ze als bonen op  staken. De onaanzienlijke bloesems hangen in lange trosjes naar beneden en worden later tot weliswaar kleine, maar scherp smakende vruchtjes. Wanneer deze onrijp worden geoogst en gedroogd, krijg je de zwarte peper. Witte peper zijn alleen de zaadjes van de rijpe vrucht. Maar ook geschilde zwarte peper is wit.

De citroen
De citroenen waarvan men de vruchten zowel vanwege hun zuur sap als ook vanwege de aromatische schil zo graag gebruikt, worden in verschillende landen aan de Middellandse Zee, vooral op Sicilië, op grote plantages, verbouwd. Het blad is, net als bij de zusterbomen, de sinaasappel, de mandarijn-en de pompelmoesboom altijd groen en donker van kleur. Een gedicht van Goethe begint zo:

Kennst dus das Land, wo die Zitronen blühn,
im dunklen Laub die Gold-Orangen glühn,
ein sanfter Wind vom blauen Himmmel weht,
die Myrthe still und hoch der Lorbeer steht?

Ken je het land waar de citroenen bloeien,
in ’t donkere loof de gouden sinaasappels gloeien,
een zachte wind waait van de blauwe lucht,
de mirte stil en hoog de laurier daar zucht?

Zo drukt de dichter het verlangen uit naar een land waar zulke heerlijke vruchten groeien. Tegenwoordig worden citroenen, appelsienen en pompelmoezen allang in veel andere warmere landen verbouwd. Het specerij citronaat wordt vooral uit de dikke schil van de citroen gewonnen door deze te koken in suiker.

De gember
Gember komt van de gedroogde wortelstokken van een plant die op een orchidee lijkt die in vele tropische landen gekweekt wordt. Men weet niet waar deze oorspronkelijk vandaan komt. Het scherp ruikende, brandende specerij doet een aangenaam warmtegevoel in de maag ontstaan. Je kunt gember ook in een krachtige suikeroplossing gekookt, als gekonfijte gember kopen.

De vanille
De vanille is een plantendeel waarvan je in het begin helemaal niet geloven zou, dat het zo heerlijk kan ruiken. Het zijn de lange, onrijp geoogste peulvruchten van een tropische orchidee, die op bomen groeit. De geur ontstaat pas bij het drogen. De vanilleplant is een klimplant uit het tropische Zuid-Amerika. Wanneer ze hoog genoeg geklommen is, vergaat ze aan de onderkant en groeit dan in de boomkronen als overplant verder als een plant met luchtwortels. Als ze gekweekt wordt, gebeurt dat op staken. Ze wordt nu in bijna alle tropische landen verbouwd. Vanillebloemen zien er onopvallend groen uit.

De cacao
De cacao, waarvan de kinderen zo houden en waarvan, zoals je wel weet, ook de chocolade wordt gemaakt, is een geschenk van het tropische Zuid-Amerika. De cacaoboom bereikt een hoogte van 15 meter,  gedijt alleen in een warm-vochtig klimaat en op een zeer voedingrijke bodem. Hij is een uitgesproken oerwoudboom. Dientengevolge kan hij niet overal verbouwd worden. Tegenwoordig wordt de meeste cacao niet in het thuisland van de boom, maar in het tropische West-Afrika geoogst.
De vruchten hangen in bosjes en komen direct uit de stam. Ze zien er bijna als augurken uit, zijn geel of rood van kleur en ongeveer 20 cm lang. In elke vrucht liggen in 5 rijen 40 tot 50 grote zaden geordend. Cacao wordt alleen uit deze zaden gewonnen. Zoals ze geoogst worden zijn ze niet te genieten, want ze smaken zo bitter als gal. Laat men ze echter, nadat het vruchtvlees verwijderd is, een paar dagen lang op hopen liggen, dan verliezen ze de bittere smaak. Pas dan worden ze verder getransporteerd voor bewerking.

Net als koffiebonen moeten cacaobonen eerst geroosterd worden en dan gemalen. De brij bevat een waardevol vet: de cacaoboter. Er kan zeep van gemaakt worden, maar ook in medicijnen verwerkt, omdat het al smelt bij de temperatuur van het bloed. Pas als het vet uitgeperst is, kan de cacao gekookt worden en kan er chocola uit gemaakt worden.

Je ziet hieraan, wat er allemaal nodig is en hoeveel mensen ijverig moeten werken, opdat wij cacao kunnen drinken of chocola kunnen eten. Voor de chocola moeten aan het cacaomeel nog suiker, of vanille of melk of alle mogelijke andere lekkernijen toegevoegd worden, zodat het water je in de mond loopt. Een deel van de cacaoboter wordt ook weer toegevoegd. In cacao zit ook wat van het gif dat in koffie zit, cafeïne.

Toen de veroveraars naar Zuid-Amerika kwamen, werd hun door de inboorlingen een schuimende drank aangeboden die ze chocola noemden. Zo lang kunnen de mensen deze drank al klaarmaken.

Cacaobonen dienden bij de inboorlingen bovendien als munten.

De koffie
Koffiebonen zijn de zaden van de koffiestruik. De plant stamt uit Abbessinië, waar ze tegenwoordig in de oerwouden van het hoogland nog in het wild voorkomt. Later is ook een andere soort uit Liberia als cultuurplant in gebruik gekomen. In de vruchten die er als kersen uitzien, zitten steeds twee bonen zo bij elkaar, dat de vlakke zijden, waar gleuven inzitten, naar elkaar zijn toegekeerd. De koffiebessen worden allereerst op hopen gegooid en net zolang omgeharkt tot het vruchtvlees verrot is. Dan wordt het zilveren huidje verwijderd. De zogenaamde ruwe koffie ziet er nog niet bruin uit, maar witachtig groen. Die heeft ook nog geen geur. Die ontstaat pas bij het branden. In koffie zit een sterk vergif voor het hart, de cafeïne. Omdat er maar weinig inzit, vergiftig je jezelf niet, wanneer je koffie drinkt, maar je voelt je opgewekt.
De koffieplant is eigenlijk een hoge, slanke boom met afstekende takken, die echter, in cultuur gebracht, gesteund moet worden, zodat je beter kan oogsten. Daarom spreekt men gewoonlijk van koffiestruiken. Ze moeten door ‘schaduwbomen’ voor de felle tropenzon beschermd worden. Het altijd groene blad lijkt op dat van de laurierboom. Tegenwoordig wordt de meeste koffie in het hete Amerika en op de Soenda-eilanden gekweekt.*

De thee
Thee, ook wel Chinese of zwarte thee genoemd, zijn de opgerolde en gedroogde jonge blaadjes van de theestruik. Pas in de 17e eeuw, ongeveer gelijk met de koffie, kwam de thee uit Oost-Azië waar hij van oudsher gewaardeerd werd, naar Europa en sindsdien wordt hij, vooral in Rusland en Engeland genoten. Zeer goede thee wordt er op het eiland Sri Lanka verbouwd.
Eigenlijk is de theeplant, net als de koffie, een boom, maar ook deze wordt tegen de oogsttijd laag gehouden. Het loof is altijd groen en de bloemen zien er bijna als rozen uit, maar toch behoort de theestruik tot de malvegewassen. De blaadjes worden na de oogst bij elkaar gegooid en moeten dan  gisten. De gisting moet op bekwame wijze tot stand worden gebracht, want hiervan hangt het latere aroma af. Pas bij deze gisting wordt de kleur van de theebladeren wat zwart. In de oude theelanden, in ’t bijzonder China en Japan, is de smaak voor goede thee veel meer ontwikkeld dan bij ons. Een heel fijn soort mocht vroeger alleen in koningshuizen worden gedronken. Ook de thee bevat een gif dat aan de cafeïne verwant is en waarop de stimulerende werking berust. Waar thee gedronken wordt, moeten goede gesprekken worden gehouden.**

De tabak
De tabak komt al in het reisdagboek van Columbus voor. Daar staat dat de inboorlingen de merkwaardige gewoonte hadden, de bladeren van een plant als een geweerpatroon op te rollen en de rook ervan op te snuiven. Tegenwoordig zouden we natuurlijk zeggen dat deze mensen sigaretten rookten. Hoe de planten eruit zien, weet tegenwoordig ieder kind, omdat ze overal verbouwd worden. Hun thuisland is het tropische Amerika. Omdat ze éénjarig zijn, kunnen ze ook in de gematigde zones gemakkelijk verbouwd worden. De tabak wordt van de bladeren gemaakt. Men moet ze eerst zorgvuldig drogen en dan weer natmaken en ‘fermenteren’. Voor dit doel wordt de tabak op hopen gelegd, tot er een gisting ontstaan. Daarbij worden de bladeren bruin. Het in de tabak voorkomende vergif, de nicotine, is zeer gevaarlijk en schadelijk. 0,05 gram al zou een mens kunnen doden.***

*De koffie tussen oost en west  [1]  [2]
**De thee tussen oost en west  [1]  [2]  [3]
***De tabak tussen west en oost   [2]  [3]  
 nr. 1 niet oproepbaar

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

54-52

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (47)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 173, hoofdstuk 47                                                                             alle hoofdstukken

 

WAT WE UIT ANDERE LANDEN BETREKKEN

Er moet nu eens aandacht aan die planten worden besteed die de uitheemse specerijen en genotmiddelen aan ons leveren of het nu bladeren, bloemen of vruchten, zaden, bast of wortels zijn. Dikwijls is het niet meer te zien welk deel van de plant gebruikt wordt, omdat we de specerij gesneden, fijn gehakt of zelfs gemalen kopen.

Het drogen alleen al maakt ze onherkenbaar.

Daarom zou niemand specerijen moeten gebruiken en ervan genieten, zonder zich af te vragen, waar ze vandaan komen en wat het zijn!

Van sommige weet tegenwoordig niemand meer, waar hun moederland is, omdat ze al zo lang door de mens verbouwd worden. Van andere weet men het precies en altijd is het weer interessant het te weten. Al voor de ontdekking van Amerika werden specerijen over de landweg van Indië naar Europa gebracht. De weg was lang en gevaarlijk en daarom waren de specerijen duur. Daarom werden er vele pogingen ondernomen om over zee naar het wonderland Indië te komen. Iedereen weet dat daardoor Amerika is ontdekt. Sindsdien zijn er bij de specerijen en de genotmiddelen van de oude wereld, ook nog die van de nieuwe wereld gekomen, waarvan de tabak het allereerst genoemd moet worden. Je zou ook cacao en tomaten kunnen noemen. Zoals bekend komt ook de aardappel – die we noch een specerij, noch een genotmiddel kunnen noemen, want het is een voedingsmiddel – uit Amerika. Toch zijn ook veel specerijen, voedings– en genotmiddelen die tegenwoordig in Amerika verbouwd worden, pas later daar ingevoerd.

Want ieder mens die specerijen of genotmiddelen uit andere landen gebruikt, zou moeten weten, wordt nu verteld. (hoofdstuk 48)

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

53-51

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 1e klas (1) -Temperament (1)

.
1e klas: rekenen: alle artikelen;  1e klas: alle artikelen

 

Optellen:


FLEGMATISCH EN CHOLERISCH

 

PEDAGOGIEK

De pedagogiek is de wetenschap van de ontwikkeling van een kind tot aan zijn volwassenheid. Pedagogiek is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia, wat letterlijk ‘kinderleiding’ betekent. De wetenschap bestudeert de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de praktijk van het opvoeden verstaan. Ook wordt de opvoeding van moeilijk opvoedbare kinderen onderzocht. Ze leven in een moeilijke situatie of het dreigt verkeerd te lopen.

TEMPERAMENT EN REKENEN
(Er wordt ook wel gesproken over “rekenen IN, of MET temperamenten”.)

Het gaat in ieder geval over de 4 rekenbewerkingen:
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
en over “de” 4 temperamenten: het flegmatische, melancholische, sanguinische en het cholerische.

Ik ga hier voorbij aan de vraag of de kinderen van vandaag de dag zich nog net zo in hun temperament uiten als in Steiners tijd.

Ik ga er bij de volgende bespreking vanuit dat er in een klas voldoende te onderscheiden temperamentstypen zijn om ermee te rekenen op de manier waarop Steiner dat uiteenzette.

Het is met veel van Steiners pedagogische aanwijzingen zo, dat je ze wel kunt “leren” achter je bureau, maar dat ze in de praktijk van het lesgeven pas duidelijk worden.

HET FLEGMATISCHE EN CHOLERISCHE TEMPERAMENT

OPTELLEN

Wie zich verdiept in de opmerkingen van Steiner, zoals die vanuit een stenogram zijn vastgelegd in GA 295, zoekend naar aanwijzingen over het rekenen, ziet ook verschillende vormtekeningen staan.

VORMTEKENINGEN

De bestudering van deze tekeningen biedt een onverwachte sleutel tot het begrijpen van de rekenopgaven zoals die aan de verschillende temperamenten worden gesteld.

De vormtekening voor het flegmatische temperament

Deze b.v.

vormtekening flegmaticus1

Steiner:
Durch Zeichnen und Auslöschen ist das phleg­matische Kind aus seinem Phlegma herauszu­reißen.

“(..)Door tekenen en uitvegen kan men het flegmatische kind uit zijn flegma losrukken”.
GA 295/36
Vertaald/36

Met dit gegeven kun je er heel wat zelf bedenken. Het gaat er telkens om dat er iets uit te gummen valt.

Uiteraard kun je ook op een grote plaat werken die geverfd is met schoolbordenverf, zodat er met bordkrijt gewerkt kan worden en een doekje om weg te vegen.

(Dit geeft wel wat meer stof en als er een of meerdere astmatische kinderen in je klas zitten, is het af te raden). De ouderwetse lei met de griffel is ook heel geschikt.

Deze heb ik ooit zelf eens gebruikt:
Het kind krijgt de opdracht een cirkel te tekenen:

tekening flegmaticus A

Nu moet het 4 puntjes zetten: midden boven, midden onder, midden links en midden rechts:

tekening flegmaticus B

tekening flegmaticus C tm F

Vervolgens probeer je het kind zich te laten voorstellen wat er gebeurt als dit een bal zou zijn die je aan alle kanten gaat indrukken. (C)
En nog eens (D) en weer (E) enz., totdat F uiteindelijk overblijft.

Het wil wel eens voorkomen dat dit nog lukt:

tekening flegmaticus G

Wanneer je naar deze vormtekening kijkt met in je achterhoofd “rekenen”, valt meteen op:

VAN HET GEHEEL NAAR DE DELEN:

De rekenopgave voor het flegmatische temperament:

Steiner:
Wir gehen aus von der Summe, nicht von den Addenden! ( )  Diese Summe teilen wir jetzt ab in Addenden, in Teile oder in Häufchen.

We gaan uit van de som, niet van de delen. De som verdelen we nu in delen, in hoopjes die bij elkaar opgeteld moeten worden.
GA 295/41
Vertaald/41

Zoals in de tekening het geheel verdeeld wordt in delen, zo in het rekenen. Het geheel is: de som.

Die moet verdeeld worden in aparte brokjes.

Steiner neemt het getal 27 als som. En verdeelt die in 12 + 7 + 3 + 5

tekening flegmaticus 2

Als vormtekening zou dit er zo uitzien:

Steiner gebruikt bessen of vlierbessen om mee te rekenen.

Ik heb dat nooit een erg geslaagde keuze gevonden. Bessen gaan stuk ( of als ze lekker zijn, worden ze opgegeten).

Ik heb ze dan ook nooit gebruikt. Wel brachten de kinderen allerlei dingen mee om mee te rekenen: steentjes, damschijven enz. Zo lang het niet van de tafeltjes rolt en kapot gaat, kan er veel.

MET LEERLINGEN VOOR DE KLAS

Een levendig tafereel wordt het, wanneer je een groepje kinderen voor de klas laat komen en deze in een kring zet.
Het flegmatische kind moet het aantal tellen.
(Doordat de kinderen in een kring staan, moet hij goed wakker zijn voor waar hij begint, anders telt hij een kind dubbel.)
Wanneer dat gelukt is, mag hij de klasgenoten in groepjes ergens in het lokaal neerzetten.
Stel dat er 13 kinderen voor de klas staan. En dat die na een poosje ergens in groepjes door het lokaal zijn verdeeld.
Dan moet het kind zeggen wat hij heeft gedaan. Welk(e) kind(eren) het eerst zijn weggebracht, welke daarna enz. Hierbij moet het kind dus a.h.w. zijn eigen handelen beschouwen.
Hij moet “in de wereld” kijken. Daar staan die kinderen.
Uit zijn wat introverte levenshouding nu “eruit”.
Ik: “hoeveel kinderen stonden hier (als groep)?” Kind: “13″.
Ik: “In welke groepjes heb je die weggebracht-hoeveel zaten er in elk groepje?”
Kind: “In 2 en 3 en 5 en 3″.
Ik”: “Ja, deze 13 zijn 2 en 3 en 5 en 3. Nu jij: die 13 zijn: “kind wijst naar de groepjes in de hoeken van de klas:” 2 en 3 en 5 en 3.”

Ik vind het nog steeds een geniale vondst van Steiner dat dan het cholerische kind moet komen.
Maar even terug naar het vormtekenen.

De vormtekening voor het cholerische temperament

Heeft deze voor het cholerische kind, als een soort gebaar in zich, wat het cholerische kind rekenend moet doen?

In GA 295 op blz. 35 en in de vertaling op blz. 35 staan 2 oefeningen:

tekening cholericus 1

Over deze tekeningen zegt Steiner niets, maar het lijkt mij een zinvolle tekening: de cholericus is als extravert type intens in de wereld aanwezig.
Je hoeft als leerkracht maar te zeggen: “vandaag gaan we…” en hij of zij staat al naast de stoel. Je wenst je weleens dat zo’n kind wat “meer bij zichzelf blijft”. zich weet te beheersen in zijn impulsen. Dat kun je wel zeggen, maar daar heeft het kind geen boodschap aan: daar kan het niets mee.

Geheel tegengesteld aan het flegmatische kind, dat, volgens de ouders “niet vooruit te branden” is, hoor je over de cholericus: :”die wil altijd wat doen!”

Als “gebaar” zie je hem “in de wereld”.
Of, zoals dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

tekening cholericus 3

waarbij dit “verdeeld in de wereld” moet worden “omhuld”. Het moet in het midden komen.

Maar: dit tekeningetje:

tekening cholericus 2

tekening cholericus 4

is ook:

En dat is:

tekening cholericus 5

Dus: voor het flegmatische kind: 13=2 + 3 + 5 + 3.

Voor het cholerische kind komt nu het omgekeerde.

De rekenopgave voor het cholerische temperament

Nu vervolgt Steiner:

Dann werde ich mir, weil ja der Vorgang zurückverfolgt werden kann, cholerische Kin­der aufrufen und werde die Holunderkügelchen wieder zusammen­werfen lassen, aber so, daß es geordnet ist gleich 5 und 3 und 7 und 12 sind 27. Also das cholerische Kind macht den umgekehrten Vorgang.

En omdat dit procedé immers omgedraaid kan worden, zal ik cholerische kinderen een beurt geven en ik zal de vlierbesjes weer op een hoop laten gooien, maar wel zo dat het geordend* verloopt: (Steiner werkt dus met 27: 5 en 3 en 7 en 12=27).

*in het Duits staat hier ‘geordnet – wat ook wil zeggen: gerangschikt. Een vertaling met (omgekeerde) volgorde was m.i. iets nauwkeuriger geweest)

In mijn eigen voorbeeld:  13 = 2 + 3 + 5 + 3, staan de groepjes dus verdeeld in de klas.
Ik roep een cholerisch kind.   “Je hebt gezien dat zij/hij  (het fleg­matische kind) de kinderen van dit groepje dat hier stond,  in de klas heeft weggebracht, jij mag ze weer hier brengen.”

Het is altijd weer verrassend om te zien hoe de cholericus weg wil stormen! Dat zal hij wel even klaren! En dan: de nog grotere verrassing wanneer hij hoort:   “Stop, kom terug! Je mag ze weer hier brengen, maar zo, dat die het laatst zijn weggebracht, nu het eerst worden teruggebracht en zo verder.” Eens zei een meisje, een echte doorzetster:
”Maar dan moet ik eerst nadenken!”
En dan, wat een cholericus zo slecht lukt: hij denkt, voor hij gaat doen! Een grandioos ogenblik. Hier voltrekt zich iets unieks – hij vervult de woorden van Gezelle:   ‘Denkt aleer gij doende zijt…’

Dat, wat als vermaning vaak zou kunnen klinken: “Denk toch eens na, voor je wat doet!”, komt hier uit het kind zelf.

Het cholerische kind brengt nu eerst het groepje van 3 terug-(dat het flegmatische kind als laatste had weggebracht); vervolgens het groepje van 5, van 3 en als laatste van 2, (dat is dus het groepje dat het flegmatische kind als eerste had weggebracht.)

Het cholerische kind doet dus precies het tegenovergestelde: hij maakt van de delen weer een geheel.
Als dat klaar is, vraag ik: “Wat heb je gedaan?”.
Kind: “groepje van 3, 5, 3, 2.”
Ik: “Hoeveel zijn dat er.”
Kind: “3 + 5 + 3 + 2 = 13”

Als je denkt dat die groepjes in de 4 hoeken van het lokaal stonden en je laat de cholericus de kinderen  weer in een kring zetten, dan heb je de vormtekening gedaan.

We kunnen zeggen dat het flegmatische en cholerische kind de andere klas­genoten leren optellen;  beide vormen komen van  ‘t begin af aan voor: 10=..+..+.. enz. en ..+..+..+..=10.

Nu doet zich de vraag voor: maken alle kinderen de flegmatische vormtekening – dus bieden we deze klassikaal aan?

TEMPERAMENTSVORMTEKENINGEN ZIJN ‘THERAPEUTISCHE’ OEFENINGEN

Mijn antwoord luidt: Die bieden we niet klassikaal aan! Temperamentsvormtekeningen zijn ‘therapeutische’ oefeningen.  Ze zijn specifiek voor dit temperament.

Wanneer ik de cholericus wil helpen zijn ongebreidelde drang om zich in de wereld te manifesteren, te beheersen, moet ik hem geen oefening geven die dit manifesteren juist ondersteunt: van het geheel naar de delen – vanuit jezelf de wereld in.

En de flegmaticus die ik juist zo graag  ‘in de wereld’ wil brengen, geef ik geen voedsel met als gevolg een groter vermogen zich in zichzelf op te sluiten: van de delen naar het geheel – een nog sterkere verdichting,  af­sluiting voor de wereld.

Geldt dit ook voor de rekenopgave(n)?

Zoals ik deze voor de klas uitvoerde in mijn voorbeeld,  laat ik geen ander temperament aan de beurt komen dan het flegmatische en het cholerische.

Maar wanneer we aan onze tafeltjes gaan oefenen met kastanjes o.i.d.  (als de voorwerpjes maar niet te klein zijn of weg kunnen rollen), doen alle kinderen mee – iedereen moet tenslotte leren rekenen en alle bewerkingen kunnen maken. De beurten geef ik wel speciaal aan de flegmatische en cholerische kinderen: zij voeren zo veel mogelijk hun eigen ‘beweging’ uit .
Alle kinderen doen dus mee, maar ik accentueer per temperament de opdracht.

Dat Steiner de ontwikkeling van het morele besef koppelde aan het rekenen van het ” geheel naar de delen”, laat ik hier voorlopig buiten beschouwing.
Het werken vanuit het geheel: 10  =    geeft heel veel mogelijke antwoorden. En zo is het mooi te zien hoe de jonge kinderen die voor het eerst kennis maken met “rekenen” naar hartenlust kunnen fantaseren, wanneer ze hun eigen sommen maken.

tekening cholericus 6

Zo was er een meisje die dit maakte van de damstenen op haar tafeltje:

Gevraagd welke som dit was, antwoordde ze: 12=6 + 4 +2.

tekening cholericus 7

Toen de kinderen aan het eind van de les hun “mooiste” som in hun schrift mochten schrijven en tekenen, deed zij dit:

Wanneer de opdrachten zonder voorwerpen gemaakt kunnen worden, dus uit het hoofd, ga ik er langzaam, maar zeker toe over alle kinderen beide optelsommen te vragen:  9=..+.. en ..+..= 9, waarbij ik langzaam van de meer-dan-twee-antwoorden overga naar …=..+..,  om dat tenslotte te laten uitmonden in het uit het hoofd leren (als een tafel) van

5 = 1 + 4
2 + 3
3 + 2
1 + 4

waarbij  ik opnieuw het fleg­matische kind extra beurten geef en het cholerische, als een soort echo laat herhalen:  1 + 4 = 5.  2 + 3 = 5,  enz.

1e klas rekenen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

Menskunde: Over temperamenten   nr.15

 

52-50

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (46)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 171, hoofdstuk 46                                                                          alle hoofdstukken

 

OVER DE GENEESKRACHTIGE PLANTEN

Al lang voor de mens geleerd had, de planten in te delen in families of het zelfs al belangrijk vond hun overeenkomsten te ontdekken, bestond er al een wetenschap van de geneeskrachtige werking van planten. Veel van wat we nu over de genezende werking van planten weten, danken we aan de overgeleverde wijsheid uit oude tijden. Veel van deze wijsheid is echter in de loop van de tijd ook vergeten en die moet daarom eerst weer ontdekt worden.

Dat planten kunnen genezen, komt omdat ze op een zeer wonderlijke manier met de mens verwant zijn, iedere geneesplant met een bepaald deel of orgaan van de mens. De geneeskunst bestaat eruit, deze verwantschappen te ontdekken en goed toe te passen. Alleen dan kunnen de krachten van de planten zegenrijk op de mens werken en weer orde in het organisme brengen. Zelfs vergif kan een goed geneesmiddel zijn. De geneeskunst bestaat in het kennen van de samenhang van menselijke ziekten  en de geneesplanten.

Wonderbaarlijk is het dat zelfs de dieren een goed gebruik kunnen maken van de geneeskruiden, ja, ze hebben, wanneer hun iets ontbreekt, zelfs een nog beter gevoel, welke plant helpen kan, dan de mens. Niemand heeft hun dat geleerd, maar wanneer ze ziek worden, ontwaakt in hen het juiste verlangen en zij zoeken zelf hun medicijn. Men noemt deze wijsheid, waarvan de dieren zelf niet weten dat ze die bezitten, instinct.

Weidedieren laten ook die planten staan die vergiftig zijn en hun schade zouden kunnen berokkenen. Hooguit huisdieren die al lang door mensen verzorgd worden, kunnen deze wonderlijke vermogens verliezen; wilde dieren laten het voor hen schadelijke voedsel staan.

De mens heeft dat zekere gevoel voor wat hem kan helpen, als hij ziek is, niet meer. Daarom heeft hij in de loop van de tijd veel ervaringen opgedaan en daarmee zijn wetenschap van de geneeskrachtige planten gevormd. Die middelen die je ook zonder arts gebruiken kan, noem je huismiddelen. In ieder gezin zou je een kleine apotheek met deze goede helpers moeten hebben, want zij brengen de zegen van de natuur in de huizen van de mens.

Iedere moeder weet bv. dat thee van de venkelzaden de buikpijn verdrijft bij kleine kinderen en hoeveel andere zaden, kruiden, wortels en vruchten heeft de natuur niet voor de zieke klaargemaakt!

De goede lindebloesem kun je zelf verzamelen. Wat geeft het een diepe voldoening wanneer je er in de winter iemand mee kan helpen. Je geeft hem lindebloesemthee en hij begint meteen te zweten.

Wie op het platteland woont, weet dat er overal kruidenverzamelaars zijn. Dikwijls zijn het oude mensen die hun kruiden echter precies kennen; ze zorgvuldig drogen in de schaduw, zodat de zon met haar felle licht de genezende stoffen niet vermindert en ze daarna in de apotheek brengen. Een kruidenverzamelaar moet ook precies weten wanneer de planten verzameld moeten worden. Wanneer het om de bladeren gaat, moet er al voor de bloeitijd geplukt worden, omdat anders de krachten door de bloem worden verbruikt.

Wortels worden gewoonlijk in de winter of het vroege voorjaar gedolven. Bloemen moeten soms geplukt worden, als ze nog gesloten zijn en de wonderbaarlijk fijne stoffen nog niet vervlogen zijn.

Sommige geneesplanten, zoals bv. de salie en de pepermunt worden ook in tuinen en zelfs op velden gekweekt.

Wat ruikt het toch lekker als je met je hand over die planten strijkt. En nog veel lekkerder ruikt het, wanneer je in de bergen, waar veel geneeskruiden groeien, gaat wandelen. Ieder kruid geurt anders, zodat je je er heel goed door gaat voelen en ieder kruid kan de mens helpen, als je het maar goed weet toe te passen. Zouden we niet dankbaar moeten zijn voor zoveel goede gaven?

Het is wel zo, dat er ook veel gifplanten onder zijn. Een arts verstaat de kunst juist daaruit de meest werkzame medicijnen te bereiden.

Je moet ook niet vergeten dat veel geneeskrachtige planten uit andere landen komen.

Hoe oud de wijsheid van de geneeskrachtige planten al is, kun je aflezen aan het feit dat veel planten naar menselijke organen zijn genoemd, bv. longkruid, levermos, ogentroost, pestwortel (groot hoefblad). Ook smeerwortel duidt op een geneesmiddel.

We leren de natuur van een heel andere kant waarderen en van haar houden, wanneer we dit allemaal weten en het goed overdenken!

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

51-49

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (45)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

‘blz. 168, hoofdstuk 45                                                                             alle hoofdstukken

 

OVER DE HERFSTTIJLOOS

Wanneer de zomer al sterk ten einde loopt en de zon alleen nog schuin op de aarde valt, omdat ze een veel kleinere baan langs de hemel bestrijkt, dan bloeien de bleek-lilagekleurde herfsttijlozen op de weiden. Je ziet het de bevallige bloemkelken aan, dat ze het laatste zijn wat de zon uit de aarde weet te lokken. Bleek en zwak als ze zijn, kunnen ze door de wind makkelijk geknikt worden.

Wil je een herfsttijloos plukken, dan trek je vaak de lange bloemenbuis, waarin de bloem naar onderen toe overgaat, er ook uit. Diep beneden in de grond zit de knol en wanneer je die uit wil graven, merk je pas, hoe diep die zit en hoe kouder de winter in een streek is, des te dieper zitten de knollen van de herfsttijloos, zodat je ze wel als thermometer voor de gemiddelde  winterkoude kan beschouwen.

Wat iemand het meest merkwaardig mag lijken is, dat je geen groene bladeren kan vinden, wanneer de herfsttijlozen bloeien. Alleen de vale bloemen flakkeren als koude vlammetjes op de herfstige weiden.

Loop je echter het volgende voorjaar over diezelfde weide, dan vind je sappige groene planten met grote bladeren die er als tulpen uitzien en vele mensen weten niet dat dit de bladeren van de herfsttijloos zijn en ze zijn verbaasd dat er zoveel tulpen op een weiland groeien. Je wordt in je vergissing nog versterkt wanneer je de sappige groene hulsels opmerkt die erg op een  tulpenknop lijken. Tevergeefs zou je echter wachten tot ze opengaan, want het zijn geen bloesemknoppen, maar de zaaddozen van de herfsttijloos, die uit de bloemen van vorig jaar ontstaan zijn en die nu rijp worden.

Bij de herfsttijloos gaat namelijk alles veel langzamer, omdat ze in een tijd bloeit, waarin de zon bijna geen kracht meer heeft.

Tussen de bloeitijd en het rijp worden van de zaden komt de winter, zodat de plant daardoor in twee helften uit elkaar wordt getrokken. Daarom heet ze ook tijloos=tijdloos.

Al wanneer je de matte herfsttijloos met de stralende krokus vergelijkt, waarop ze uiterlijk zo lijkt, kun je het verschil waarnemen. De krokus bloeit in het voorjaar, wanneer de zon krachtiger wordt; de herfsttijloos daarentegen, wanneer de zon sterk afneemt. Zo is de krokus krachtig en stralend, de herfsttijloos bleek en vemoeid.

Wanneer je de herfsttijloos met de tulp vergelijkt, kom je nog op een andere tegenstelling, die ook met de bloeitijd samenhangt. Bij de in het voorjaar bloeiende tulp gaat alles te snel, want die haast zich om in bloei te komen; bij de herfsttijloos daarentegen gaat alles veel te langzaam. Ze strekt in de herfst alleen haar langgerekte bloemkelk uit de knol de hoogte in. De bloemkelk is zesdelig, precies zoals bij de tulp en de zes meeldraden zitten binnen in de bloem aan de bloemkroontop vast.

Met de stempel van de herfsttijloos is wat merkwaardigs. Er zijn er drie. Ze hebben de vorm van een draad; ze lopen door de dunne, ondergrondse bloembuis naast elkaar omhoog en pas boven in het licht ontstaat er een vertakking. Terwijl bovenaan de bloemkroon en de meeldraden al bloeien, zit het vruchtbeginsel nog beneden in de knol, dat is in zijn ontwikkeling ver achter gebleven en pas in deze tijd ontstaat het. Daarom kan het nog niet meekomen. Je moet wel goed in de gaten houden dat het lange, bijna draadvormige gedeelte, wat de bloem boven de aarde met de knol onder de aarde verbindt, geen bloemsteel is, maar veel eerder de geweldig in de lengte getrokken en aan het ondereind vastgehouden bloembuis is.

Zo diep zit de herfsttijloos in de grond en zo lang is de bloembuis, tot deze in de knol eindigt.

Ook blad en stengel zijn tijdens de bloeitijd nog zeer onderontwikkeld. Pas na de winterrust worden ze in de hoogte gestuwd, door de zon gegrepen en volledig in de hoogte getrokken. Met hen samen komt ook het vruchtbeginsel mee omhoog, zodat dat vanaf nu tot de grote, uit de drie hulsels bestaande zaaddoos, kan uitgroeien. Bovenop deze zaaddoos zie je zelfs nog de verdroogde resten van de drie stempeldraden hangen en vaak herken je ook de resten van de bloem. Omdat het vruchtbeginsel van de herfsttijloos bovenstandig is, hangen deze natuurlijk onder de zaaddoos.

Je kunt goed begrijpen dat de herfsttijloos giftig moet zijn en het voer bederft als deze veel voorkomt. Zoals de paddenstoel laat ze zich ook te weinig door de zon doorstralen. Ze zou wel een tulp willen zijn, maar ze blijft halverwege steken, omdat alles veel te langzaam gaat.

Met de herfsttijloos eindigt het bloemenjaar. Weliswaar vind je nog asters en dahlia’s in de tuinen; op de weiden bloeit hier en daar het laatste duizendblad; op de hellingen nog wat wilde cichorei, maar de herfsttijlozen zijn toch de enige bloemen die met hun ontwikkeling pas beginnen. Daarvan kun je wel treurig worden, want spoedig zullen we geen bijen meer horen zoemen, geen vlinder die meer van bloem naar bloem dartelt. Maar de aarde heeft een goed geheugen. Het volgend jaar zal ze ons weer opnieuw blij maken en geen enkele van de talrijke schepsels vergeten zijn. In zaden, in ondergrondse wortelstokken, bollen en knollen bewaart ze onzichtbaar, wat uiterlijk verwelkt. Na de winterrust zal het de herfsttijloos weer te binnenschieten dat ze nog geen bladeren en stengels gevormd heeft en dat in het vruchtbeginsel geen zaden kunnen ontstaan, wanneer dat onafgemaakt onder de grond in de knol blijft. Haastig haalt ze alles in, waar ze in de herfst niet meer aan toegekomen is. En omdat het dan lente is, verschijnt ze op de aarde als haar zuster, de tulp.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

50-48

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (44)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 164, hoofdstuk 44                                                                         alle hoofdstukken

 

OVER DE PAARDENBLOEM

Habt ihr von dem lustige Ding gehört?
Kaum hat er die Sonne ausgelöscht,
da schickt er schon die Sterne fort.
Und nun – o weh – ist ihm die Milch
bitter geworden!

Deze plant is alle kinderen goed bekend; niet alleen door de heerlijk stralende zonnebloem, maar ook, omdat je van de holle stelen veel kan maken: kettingen, waterleidingen enz. De bloemen van de paardenbloem verschijnen al in mei, waardoor de plant ook wel meibloem genoemd wordt. Iets later hebben ze zich dan in de witte lantaarns, of zoals sommigen ook wel zeggen, in blaasbloemen veranderd, want wanneer je er tegen blaast, vliegen de vele vruchtjes van de paardenbloem. Aan ieder parachuutje hangt een klein zaadje.

De tuinlieden houden veel minder van de paardenbloem dan de kinderen, want hij groeit snel en vaak op plaatsen waar hij niet gewild wordt; hij verbreidt zich in de wijde omtrek, zodat je niet te weten komt waar ze eigenlijk vandaan komen. Dat doet broeder wind natuurlijk, want hij draagt het parapluutje verder. Wanneer je een paardenbloem uit de grond wil trekken, houd je gewoonlijk alleen de bladeren in je hand en de lange penwortel die erg diep in de grond zit, blijft steken. Dus heb je er niets aan gehad; dat heb je alleen als je de schop te hulp neemt. Iedereen weet dat de paardenbloemsteel, maar ook de bladeren en de wortel een wit melksap bevatten. Wanneer je een bloem afplukt, druppelt het eruit. Het smaakt bitter en je krijgt er vlekkerige vingers van.

De paardenbloem behoort tot de samengesteldbloemigen. Die naam betekent dat het bloemknopje uit vele aparte bloempjes is samengesteld, zoals bv. een boeket. Eerst zie je niet dat de bloem bestaat uit allemaal kleine bloempjes. Je denkt dat het allemaal kleine bloemblaadjes van die stralende zonnebol zijn. Maar dat is niet zo, want als je een zogenaamd bloemblaadje losmaakt, zie je dat het van onderen een klein buisje vormt. Van boven is het buisje opengespleten en tot een soort tong of straal geworden. Omdat er in het buisje meeldraden, stijl en stempel te vinden zijn en er aan de onderkant zelfs een klein vruchtbeginsel zit, moet je het geheel toch als een, zij het heel kleine, maar volledige bloem beschouwen. Onopvallende kelkbladeren hebben deze aparte bloempjes niet. Hun kelk hebben ze gemeenschappelijk, zodat de bloem als geheel een grote kelk heeft gekregen. Die is groen en heet de gemeenschappelijke kelk van het bloemhoofdje. Zo is het bij alle samengesteldbloemigen. Bij de paardenbloem zitten op de plaats waar de aparte bloempjes zitten en waar eigenlijk de kelk had moeten zijn, fijne haarkroontjes. Die worden later groter en ontwikkelen zich tot de parachuutjes.

Hoe komt zo’n bloemenhoofdje nu eigenlijk tot stand.

Rechts een lintbloempje van het paardenbloemhoofdje. In het midden het hoofdje, nadat het zich gesloten heeft. Bovenaan komen de samengevouwen veerkroontjes van de parachuutjes er al uit. Links op het plaatje is getekend hoe het hoofdje er uitziet, wanneer het omgestulpt is en wanneer de groene kelkblaadejs teruggeslagen zijn. Nog één parachuutje staat op de kale bloembodem. De andere zijn al door de wind weggeblazen.

Daarbij moet de zon krachtig meehelpen anders gaat het niet. Maar de aarde begint, daar zwelt het op alsof er een boomstammetje gevormd moet worden. Maar zover komt het niet, want nauwelijks is de aarde begonnen of de zon komt ook al en vormt snel een bloem. Zo wordt het geen boomstam, maar een grote bloembodem, waarop vele kleine aparte bloemen kunnen groeien. Eigenlijk is het net een klein weiland, zo’n bloemhoofdje van een paardenbloem; omdat de zon deze van de aarde afgesneden heeft, hoeven er niet eerst groene blaadjes gevormd te worden-er kunnen meteen bloemen op groeien.

Een groot blad en een klein paardenbloempje dat op een karige bodem gegroeid is. Beide in dezelfde verhouding.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, sluiten de paardenbloemhoofdjes zich. Dat doen ze ook wel daarvóór, bv. ’s avonds of bij slecht weer, nu blijven ze echter langere tijd dicht, omdat zich een innerlijke verandering voltrekt. Vanboven steekt er alleen nog maar een verwelkte kuif uit, die je eruit kunt trekken. Die valt er later vanzelf af. In deze toestand zijn de paardenbloemkopjes meestal naar de aarde gericht, alsof ze helemaal aan het vergaan zijn, maar een nieuwe kracht, namelijk die de zaden laat rijpen, doet ze weer oprichten. Spoedig schuiven de veerkroontjes van de parachute van boven uit de bloem naar buiten en wanneer ze zich uitbreiden als de gemeenschappelijke kelk teruggeslagen wordt en de hele bloem zich uitstulpt, zijn de blaasbloempjes klaar.

De bloembodem is nu een kleine aardbol geworden en daarboven welft zich een kleine sterrenhemel met talrijke fijnste sterretjes. Dat zijn de parachuutjes. Zolang hij bloeit doet de paardenbloem de zon na, want de zon heeft hem uit de aarde gehaald; wanneer hij echter vrucht draagt en het al warmer is, dan wordt hij een spiegelbeeld van de sterrenhemel en zo dat het niet mooier en regelmatiger kan.

In de lente, wanneer de paardenbloem zijn blaadjes vormt, is er in de bodem nog veel vochtigheid voorhanden. Dus worden ook de blaadjes week en buigzaam en de zon kan er naar hartenlust aan plukken. Zij snijdt er de grotere en kleinere punten aan, die zo scherp zijn als leeuwentanden. Maar nergens heeft de paardenbloem stengels. Hij laat zijn bladeren op de aarde. Niet eens zijn bloemen zet hij op echte stengels of stelen. Wat er als een bloemsteel uitziet, wat is dat dan? Een gat, een holte met een huidje eromheen. Die holte vergeet de paardenbloem te vullen, zoals hij ook de middennerven van z’n bladeren vergeet te vullen, want ook die zijn hol. Zo komt het dat de paardenbloem over het algemeen een weke plant is, die slechts uit bladeren opgebouwd is, tot in de bloem toe.

Je kunt je goed voorstellen wat de paardenbloem moet overkomen, wanneer hij vergeet stengels te vormen: hij moet gewoon blijven zitten. Wanneer de zon niet te hulp kwam om de bloemknop uit de aarde los te maken, dan leverde hij maar een treurige aanblik; want wanneer je de grote penwortel ziet, zou je toch denken dat er een grote omhoog strevende plant zou moeten groeien. Maar nee, het wordt alleen een paardenbloem.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

49-47

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (43)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 154, hoofdstuk 43                                                                         alle hoofdstukken

 

EEN FAMILIE VAN SPECERIJKRUIDEN EN GIFPLANTEN

Niet aan alle planten die familie van elkaar zijn, kun je dit aan de buitenkant zien; maar aan die we nu bespreken, de schermbloemigen, zie je het duidelijk. Peterselie, venkel, anijs, koriander, kervel, kummel, dille, lavas en selderij zijn kruiden waarvan iedereen de naam weleens gehoord heeft. Dille en venkel bv. maken de sla pittig en lekker van smaak; ook om augurken in te maken worden ze gebruikt. Nu eens zijn het de bladeren die men neemt, dan weer de droge vruchtjes, zoals bv. bij de kummel en koriander. Maar ook kunnen sommige wortels gegeten worden, bv. die van selderij en pastinaak. Zelfs van de peterselie kan men de wortels als groente gebruiken. De belangrijkste groente echter, uit de familie van de schermbloemigen is de wortel of peen. Wanneer je eenmaal weet tot welke plantenfamilie deze behoort, dan proef je ook, dat deze verwant moet zijn met de bovengenoemde kruiden, zelfs wanneer je nog niet hebt gezien hoe de gele peen bloeit en de andere genoemde planten dat doen.

Wanneer je de bladeren met elkaar vergelijkt, zie je dat de overeenkomst zo opvallend is, dat je je niet kunt vergissen. Sommige lijken zo op elkaar dat je eerst moet leren ze van elkaar te onderscheiden. Dat ze familie van elkaar zijn, zie je bij de eerste oogopslag; ook als je nog geen groot plantkundige bent. Tot de familie van de schermbloemigen behoren ook vele giftige planten.

Sommige zijn heel gevaarlijk, zoals de scheerling; andere zijn weliswaar minder giftig, maar toch altijd nog zo schadelijk, dat ze als voedsel voor de mens niet gebruikt kunnen worden. De scheerling, ook wel gevlekte scheerling genoemd, omdat ook de zeer giftige waterscheerling bestaat, kun je aan de holle bladstelen herkennen, de roodgevlekte stengels die er bijna zo uitzien, alsof die met bloed besprenkeld zijn en aan de geur die aan muizen doet denken. De eivormige vruchten hebben golvende ribben. Natuurlijk kunnen hier niet alle giftige schermbloemigen beschreven worden, alleen de honds- of wilde peterselie moet op z’n minst genoemd worden, omdat deze overal voorkomt.

De giftige hondspeterselie.

Zolang de schermbloemigen nog geen bloemen, maar alleen bladeren hebben, kun je ze makkelijk met varens verwisselen, want allebei de planten doen zich kennen als dragers van grote, in eindeloos vele punten verdeelde bladeren. Zo gauw er echter bloemen tevoorschijn komen, kan er geen twijfel meer bestaan over welke bladeren bij een varen en welke bij een schermbloem horen, want een varen bloeit, zoals we al weten, helemaal niet.

Bladeren van de adelaarsvaren

Blad van het knolribzaad, een schermbloemige

Een overbekende schermbloem is het zevenblad. Hij groeit in de tuin als een moeilijk uit te roeien onkruid, omdat hij niet zoals de meeste schermbloemen een penwortel, maar een kruipende wortelstok heeft. Zijn bladeren die een erg goede wilde groente vormen, als ze jong geplukt worden, zijn niet zo fijn geleed en gesplitst als bij de meeste andere schermbloemigen.

Zevenblad.

De schermbloemen heten naar hun bloemen, de schermen. Een scherm is het, wanneer veel bloemstelen vanuit één punt wegstralen, ja, de schermbloemigen hebben zelfs meestal samengestelde schermen, wat betekent dat iedere schermbloemstraal aan de top nog eens een kleine schermbloem vormt. Het is duidelijk dat een samengestelde scherm dan erg veel stralen moet hebben en daarom ook erg veel kleine bloemen en vruchten. Ze spreiden zich uit als een paraplu en daarom worden ze schermbloemen genoemd. Elk bloempje apart heeft vijf blaadjes, vijf meeldraden en twee stijlen in het midden. De groene kelk is meestal zo klein dat je hem eerst moet zoeken. Onder het bloembekleedsel bevindt zich het vruchtbeginsel. Dit springt of valt bij het rijp worden in twee droge zaden uiteen. Nooit kan een schermbloem een vlezige vrucht voortbrengen, al is het nog zo’n kleine. Bij sommige schermbloemen zijn de bloemen zo klein, dat je in het begin helemaal niet merkt, dat ze al open zijn. Dat is zo bv. bij de dille en de lavas. Alleen omdat er in een scherm zoveel bij elkaar staan, maakt dat ze opvallen. Maar de insecten hebben het wel door. Dat komt omdat de bloemen geuren en ook zoete nectar afscheiden. Alle mogelijke kevertjes, maar ook vliegen kruipen rond op de schermen en lurken en nippen. Niemand wordt van deze gedekte tafel buitengesloten, omdat het ook helemaal geen kunst is, er te komen en het honingpotje te vinden. De schermbloemen doen het dus anders dan de narcissen, rozen en lelies. Zij maken uit zeer veel heel kleine aparte bloempjes, één grote bloemschaal, die er dan uitziet als één grote bloem.

Dikwijls zijn de aparte bloempjes net schijfjes, soms is het schijfje gebogen, naar boven of naar beneden. Bij de lavas, waarbij het bloempje bovendien opvallend klein is, wanneer je het afmeet aan de manshoge plant, is het scherm net een hoepel. Iedere schermbloem doet het net weer even anders en toch zijn alle schermbloemen  naar één patroon opgebouwd.

Bij de wilde peen die ’s zomers bijna overal op de weilanden groeit, kun je nog iets bijzonders waarnemen. Om te beginnen zit er precies in het midden een aparte zwarte bloem, die echter nooit opengaat en ten tweede sluit het scherm zich, zodra de bloeitijd voorbij is en de zaden rijpen, doordat de stelen van de schermbloem boven het midden van het scherm zich samenbuigen.
Dus doet de wilde peen het net zo met zijn scherm als vele andere planten het met hun bloemen doen, wanneer die zich na de bloeitijd weer sluiten. Je kunt daaraan zien, dat hoewel een schermbloem uit vele kleine bloemen bestaat, deze toch eigenlijk net één grote bloem is. De insecten die ernaar toe komen denken dat ook.

En toch – ook al komen er in een schermbloem zeer veel bloempjes voor – het is toch geen echte bloem. Ja, veel schermbloemen  zien er zelfs verkommerd uit.

Pastinaak.

Een botanicus moet zich wel afvragen of een bloeiplant die zulke mooie bladeren kan vormen, dan toch niet ergens wat verborgen heeft, wat aan de bloemen ontbreekt. De bloemkleuren van de schermbloemen zijn ook al niet zo mooi, zo opvallend en stralend of zelfs verblindend zoals bij veel andere planten. Meestal zijn ze eenvoudigweg witachtig; ze kunnen ook wel roodachtig, geelgroen of groenachtig zijn. Soms zijn de bloempjes die aan de rand staan wat groter. Dat is bv. al heel goed te zien bij de berenklauw, die tot in de herfst op de weiden te vinden is. Je denkt dan dat zo’n schermbloem het liefst uit de vele bloempjes een bloem zou willen vormen, maar dat lukt de schermbloemen toch niet en steeds dringt de vraag zich op, waar hebben de schermbloemigen hun bloeikracht verstopt. Je kunt er niets van zien; maar wanneer je bedenkt dat de kruidige geur minder in de bloemen, dan wel in de bladeren, in de stengel, ja, zelfs  zoals bv. bij de selderij, bij de peen en de peterselie, tot in de penwortel terechtkomt, dan kom je erop dat deze kruidige geur of smaak misschien toch niet anders is dan de omgevormde bloeikracht. Hoe verder het kruidige naar beneden tot in de wortel doordringt, des te zoutachtiger wordt het, omdat in de aarde het zout thuis is.

Chaerophyllum hirsutum (geen Nederlandse naam)

Nu voelen we ook aan, waarom de schermbloemen weliswaar kruidig geuren, waarom ze echter geen bloemgeuren hebben. De kracht van het geuren is naar beneden getrokken, daarom is er van boven te weinig van en daarom zijn ook de kleuren zwakker. De stoffen die in de zaadvruchten, in de bladeren, stengels en wortelstokken van de schermbloemige verborgen zijn, worden etherische olie genoemd; ook hars en balsemstoffen zitten in de schermbloemige.

Men moet de planten eerst fijnwrijven, kauwen, koken of ze eenvoudig als kruid gebruiken, wanneer je de krachtige geur tevoorschijn wil laten komen. Het is bij sommige planten net als bij sommige mensen: hoe dikwijls denk je niet dat iemand weinig in zich heeft en dan merk je dat hij met de allerbeste eigenschappen bedeeld is; alleen zitten die wat dieper verborgen en daarom vallen ze niet zo op.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

48-46

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (42)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 149, hoofdstuk 42                                                                  alle hoofdstukken

 

OVER DE KOOL EN DE PLANTENFAMILIE VAN DE KRUISBLOEMIGEN


De kool moet toch wel een merkwaardige plant zijn die zich zo kan veranderen, dat ze ons in zoveel verschillende gedaanten tegemoet kan treden. De mens heeft met zijn kunnen, haar ertoe gebracht dat ze dan eens dit deel, dan dat weer uitbundig vorm geeft, want uit zichzelf zou de koolplant niet die gedaante aannemen die je op het land of in de tuin aantreft. Maar aan de andere kant zou de mens met zijn pogingen tot telen geen succes hebben gehad, wanneer de kool niet de aanleg om te kunnen veranderen al in zich droeg.

Ze laat zich vet mesten, die koolplant. Als ze een zekere grootte bereikt heeft, groeit ze plots niet meer zo verder als een gewone plant.

Bij de koolrabi, bv. wordt de groei opgestuwd tot in de stengel, zodat deze zwelt tot een kogel, i.p.v., zoals het eigenlijk hoort, lang te worden. Weliswaar komt het ook bij andere planten voor, dat ze dik en rond worden, bv. bij de pompoen, wanneer echter een plant het klaarspeelt op alle mogelijke plaatsen dik te worden, maar niet daar, waar je het verwachten zou, namelijk in de vrucht, dan moet je dat toch al als een hoogst merkwaardige zaak beschouwen.

Je hoeft alleen maar op te sommen, welke plantendelen er zijn en dan eens na te denken wat voor plant het wel worden moet, wanneer de groeikracht daarheen gestuurd wordt; dan krijg je steeds een andere koolsoort. Het is dus een echte duivelskunstenaar, deze kool. Wanneer de penwortel groot en machtig wordt, ontstaat de koolraap; wordt de stengel dikker, dan krijg je de koddige koolrabi, waaraan blaadjes zitten, precies zoals aan een steel, ja, je herkent zelfs dat ze in een spiraalvorm geordend zijn. Gaat de woekerende kracht in de bladeren zitten, zodat deze zich krullen, omdat het gladde, rechte oppervlak niet meer voldoende is, dan ontstaat de boerenkool, waarover eerst de vorst gegaan moet zijn, wil ze lekker smaken. Ontwikkelt de knop aan het eind van de stengel zich tot geweldige grootte, dan wordt die tot kool: de witte of rodekool of tot savooiekool. Maar daarmee zijn alle mogelijkheden nog niet uitgeput. De koolplant heeft in de oksels van het stengelblad ogen, waaruit weer zijscheuten spruiten, wanneer de plant die wil vormen. Deze ogen kunnen groot en overdadig worden, als roosjes. Daar hebben we dan de spruitjes. Nu denk je misschien dat er geen verdere mogelijkheid tot verandering is, maar je kunt er nog een noemen: de bloemkool.
Die ontstaat wanneer de bloeiwijze dik en vlezig wordt, i.p.v. zich te strekken. Breek je stukjes van de bloemkool af, dan zie je de vertakkingen, en ook de ontelbare bloemknopjes zijn aan de oppervlakte duidelijk te herkennen. Wanneer de bloemkool niet op tijd afgesneden wordt, dan kan het gebeuren dat hij in de hoogte schiet, in het licht komt en zich omvormt tot een bloemstruik die op een bezem lijkt. Om dit te voorkomen, moet men de groene koolbladen naar binnen buigen, zodat deze de bloemkool toedekken en geen zonneschijn doorlaten. Zo blijft hij wit en vlezig.

In ieder deel van de koolplant kan de groeikracht zich stuwen. Iedere keer komt er een andere koolsoort uit tevoorschijn en dan kun je geen andere mogelijkheid meer bedenken.

bloeiwijze                                                                 bloemkool
stengel                                                                       koolrabi
bladeren                                                                   boerenkool
ogen                                                                           spruitjes
stengelknoppen                                                    rode, witte, savooiekool
penwortel                                                                koolraap

In tuinen bij boerderijen waar ze voor de zaadvorming blijven doorgroeien, kun je de koolplanten, bv. de koolrabi, dikwijls bloeiend aantreffen, want in het tweede jaar breekt de bloemsteel door. Die draagt zwavelgele kruisbloemen. En aan de bloemen en ook aan de typische bloeiwijze kun je de kool en zijn bijna ontelbare familieleden makkelijk herkennen. Men noemt deze plantenfamilie de kruisbloemigen, want ze hebben alle, vier in een kruis staande bloemblaadjes, bovendien een kelk van vier blaadjes en een eenvoudig bovenstandig vruchtbeginsel. Wie de bloeiwijze en de stand van de vrucht van een koolplant eens goed heeft bekeken, die zal ook gemakkelijk andere kruisbloemigen aan de manier waarop ze bloeien herkennen, want ze zijn allemaal gelijk. Ze bloeien van boven verder, terwijl eronder de vruchten, de peulen namelijk, al rijp worden. Ze komen naar alle kanten te staan, zoals de kaarsen op een luchter. Of ze nu lang en als een rolletje gevormd zijn, zoals bij de kool of bladvormig, zoals bij de judaspenning of klein en hartvormig zoals bij het herderstasje, de plaatsing bij deze manier van bloeien is steeds dezelfde. Een volgroeide stengel is er vanonder tot boven mee bezet. Wanneer je nu bedenkt dat in iedere peul heel veel zaden zitten, dan kun je wel uitrekenen, hoe ontzettend veel zaden een enkele plant kan voortbrengen. Sommige kruisbloemigen vormen zaden als zand aan de zee. Zo is bv. van het herderstasje uitgerekend, dat één plant wel 60.000 zaden kan voortbrengen. Daarom kunnen de kruisbloemigen zich zo geweldig uitbreiden en als akkeronkruid zo lastig worden, zoals bv. de knopherik en de herik.

Grohmann 151 kruisbloemige

Links bloei en vruchten zoals ze bij veel kruisbloemigen voorkomen. De stengel bloeit boven door, terwijl onder de vruchten al rijp worden. Rechts de vruchtjes van het herderstasje; daaronder van de witte krodde.

Vlezige vruchten vormen de kruisbloemigen in hun bloemen niet. De kool wordt al eerder vrucht, in de stengel, in het blad, in de wortel of in de onontwikkelde bloeiwijze. Daardoor wordt hij groente. Al naar gelang over welke koolsoort het gaat, is de plaats waar het tot vruchtvorming komt, een andere.

Ook al zijn nu alle koolsoorten opgenoemd dan zijn daarom lang niet alle nuttige planten uit de familie van de kruisbloemigen met name genoemd. We zouden de rammenas en het radijsje als broertjes van de koolraap ten tonele kunnen voeren; want zoals bij de koolraap, is ook bij deze de penwortel verdikt. Je proeft gelijk dat ze iets met de kool hebben te maken, want die wat bijtende, scherpe smaak, kennen we, zij het veel zwakker, ook van de koolbladeren. Dezelfde scherpte hebben ook de bladeren van de waterkers, die eveneens tot de kruisbloemigen behoort. Bij andere kruisbloemigen is het de mens om de olie te doen; zo wordt het koolzaad verbouwd omdat er in zijn zaden een waardevolle olie zit. Ook het mosterdplantje levert ons waardevolle zaden. We stellen ze op prijs wegens de scherpe smaak, niet wegens de vette olie.

Het is de kracht van de zwavel die aan veel kruisbloemigen de scherpe smaak geeft, al komt deze bij de rammenas dus het meest in de wortel tevoorschijn of zoals bij de waterkers in de blaadjes of bij de mosterd in het zaad. De chemici hebben aangetoond dat in alle scherp smakende kruisbloemstoffen zwavel zit. Bij het koolzaad komt het zwavelachtige heel zuiver en prachtig licht in het zwavelgele bloeien te voorschijn, terwijl de rammenas en het radijsje wat witachtig bloeien, omdat deze alle zwavelkracht samengebald hebben in de penwortel. Bij de plomp woekerende, waterige koolplant is de kracht van de zwavel alleen zwak aanwezig. Het is net of je gloeiend ijzer in koud water dompelt. Dan brandt het niet meer. Toch kun je de zwavelstof steeds wel proeven en je neemt het altijd waar wanneer je kool kookt. Wanneer er kool in de kelder ligt te vergaan, zodat die begint te rotten, kan er zo’n stank ontstaan dat je die bijna niet verdragen kan. Ook deze stank komt alleen door de zwavel die de koolbladeren bevat.

Een paar kruisbloemigen tenslotte, doen het toch weer anders dan de hier genoemde voedingsgewassen. Zij willen i.p.v. de naar binnen werkende zwavelkracht liever lekker ruikende bloemen hebben. Zo behoren de muurbloem en de violier, twee van onze mooiste sierplanten, tot de familie van de kruisbloemigen. Geen mens die het niet van tevoren al weet, zou op het idee komen dat ze familie van de kool en de rammenas zijn, als je ze niet aan de bouw van de bloem of aan de plaats van de vrucht zou herkennen. Zo heeft iedere plant haar eigenaard en haar bijzondere voordelen. De een wil die van de buitenkant laten zien, de ander laat die in haar stoffen werkzaam worden; maar geen van tweeën is daarom minder dan de ander, omdat die het niet precies zoals die ander doet.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

47-45

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (41)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 143, hoofdstuk 41                                                       alle hoofdstukken

 

DE GRASSEN EN ONS BROODGRAAN

Kruiden en bloemen, bomen en struiken zouden niet voldoende zijn het lichaam van de aarde volledig te bedekken; het gras, de weide moet eroverheen liggen om haar voor kaalheid te behoeden, zoals het vel van een dier.

Iedere grashalm die tevoorschijn komt, is het antwoord van de aarde op een zonnestraal. Wil je op een schilderij het gras aangeven, dan heb je al aan een paar streepjes genoeg, als ze maar naar de zon wijzen, want het gras heeft nergens een breed vlak; alleen lijnen, want het stengelachtige overheerst. Bijzonder opvallend is het dat de grassen geen bloemen hebben. Wel zie je aren en pluimen op de slanke halmen in de wind wiegen, maar niemand heeft ooit een grashalm gezien, die een kleurige bloem droeg, al was die nog zo klein. In deze eigenaardigheid van de grassen ligt een diep natuurgeheim besloten, wat voor de mens van de allergrootste betekenis is. Gras groeit onverstoorbaar. Het groeit haast het hele jaar door, zonder dat het een bijzondere verzorging nodig heeft en waar een kale plek ontstaan is, groeit het spoedig weer. Na het maaien van een weiland spruit het opnieuw uit de wortelstokken tevoorschijn. Het kweekgras heeft zelfs ondergrondse uitlopers naar alle kanten, zodat je de grond grondig moet omwerken, wanneer je het daar niet hebben wil.

Het moet wel een zeer sterke levenskracht zijn die de zon in de aarde doet stralen, wanneer zij de grassen laat ontstaan en deze kracht zou voldoende zijn om heerlijke bloemen te kunnen dragen. Maar de aarde wil niet dat er bloemen aan de grashalmen groeien; zij laat de bloemen ongevormd en gebruikt de kracht voor iets anders. Alleen wat stengelachtig is laat zij ontspruiten. Daarom zijn ook de bladeren van het gras zo smal en spits.

Hoe sterk de kracht van de stengel is, kun je aan de grasbladeren heel duidelijk zien. Probeer je er namelijk een vanaf te trekken, dan breekt deze niet waar je denkt dat hij begint, maar je trekt eerst nog de lange bladschede mee, waarin de stengel zat. Dikwijls is de bladschede veel langer dan het eigenlijke blad. Daaraan kun je zien dat het blad eerst nog een poosje bij de stengel blijft, voordat deze dan daarvan loskomt. In de bladschede is de stengel zacht en sappig gebleven. Het zachtst is hij onmiddellijk boven de knoop. Daar scheurt hij ook het makkelijkst. De grashalm heeft net zoveel bladeren als er knopen zijn, want de knoop is de plaats waar een blad ontspringt.

Grohmann 144 gras

Ook de pluimen en de aren bestaan uit louter stengeldelen. Dikwijls steken de twijgjes ver de lucht in, zoals bv. bij het trilgras; soms, zoals bv. bij het vossenstaartgras zijn deze echter tot rolletjes of in dichte kluwen samengetrokken. Ieder van de ontelbare grassen doet het iets anders.

Het geraamte van de graspluimen en –aren is eigenlijk niet anders dan een bloemsteelverzameling. Elk daarvan zou een bloem willen ontvangen. Maar daarvan komt  niets; het lijkt wel of er iets ontbreekt. Er zit alleen kaf, dat zijn de kelkblaadjes van de bloem die verkommerd is, aan de bloemsteeltjes en daartussen hangen de meeldraden aan lange en zeer dunne draadjes naar omlaag. De wind kan ze makkelijk heen en weer bewegen, zodat het stuifmeel eruit valt. De stempels van het vruchtbeginsel lijken op heel kleine veertjes. Dit alles kun je bestuderen wanneer je grassen, bekijkt wanneer ze bloeien. Natuurlijk moet de aarde de bestuiving van de grassen door de wind laten verrichten, wanneer zij wil, dat er bloemen ontstaan, want noch vlinders, noch bijen, noch andere insecten bezoeken de grasbloempjes.

Grohmann 145 gras

Verschillende grassoorten. Van links naar rechts: riet; bochtige smele, een bosgrassoort; kropaar, overal voorkomend; struisgras; boskortsteel; pijpenstrootje, op vochtige, drassige plaatsen te vinden, de lange, bladerloze halm is hier verkort; raaigras.

Voor nu het grote natuurgeheim verklapt wordt dat samenhangt met dat de grassen geen bloemen hebben, moet nog vermeld worden, dat ook onze gezamenlijke graansoorten, tarwe, rogge, gerst, haver en gierst, ja zelfs de uit het westelijke deel van de aarde stammende mais en ook de rijst, die aan zoveel miljarden mensen voedsel schenkt, tot de familie der grassen behoren. Al in oertijden zijn de graansoorten uit wilde grassen gekweekt. Dat was een grote kunst die niemand meer beheerst, omdat niemand meer zo diep in de natuurkrachten schouwen kan, als die wijzen, die de aanwijzingen hebben gegeven tot de veredeling van de grassen tot granen.

Bosgierstgras; gierst en rijst.

Wat is het toch mooi wanneer de wind over de weiden strijkt, zodat de halmen beven of wanneer de korenvelden heen en weer wiegen, zodat de aren neerbuigen en zich weer oprichten. Dan is het net of je aan een zee staat, waar de ene golf de andere volgt. Ook hier is het de wind die het stuifmeel uit de aren schudt en het dan over de velden draagt in de vroege morgenstond. Of je iets fijns hoort klinken. En wanneer de weiden gemaaid worden en het hooi geurt fris, wie zou daarvan niet met dankbaarheid vervuld worden! Wanneer het vee naar de stal terugkeert, ruikt het er nog naar.

De graankorrel is het zaad en eveneens ook de hele vrucht van de korensoort. Je kunt de korrels in de aarde leggen, dan groeien daaruit nieuwe planten; je kunt ze echter ook malen en brood bakken, dan voeden ze ons. Bij de wilde grassen is de vrucht maar klein en nog van weinig nut; er moesten eerst soorten met grotere en voedzamere korrels ontstaan.

Wanneer het goed tot je doorgedrongen is, wat het eigenlijk betekent dat zulke levenskrachtige planten als de grassen, met die niet klein te krijgen groeikracht, geen bloemen vormen, dan begrijp je ook, hoeveel kracht er nog over moet blijven. Die slaan ze op in hun vrucht en wij kunnen daarvan eten. Wat ons doet groeien, is dus eigenlijk kiemkracht. Wat zouden we anders als dagelijks brood moeten eten, wanneer aan de grassen niet onthouden was, de bloem te vormen, het mooiste wat de plant draagt,

Dat moet de graanplant missen, opdat wij ons kunnen voeden. Een groots geschenk van de aarde is de jaarlijkse graanoogst en wat moeten we daarvoor dankbaar zijn!

En hoeveel zegen geeft de zon wanneer gedurende de vele zomerdagen de vruchten rijp worden en de aren geelbruin. Waarlijk het past de mens dit godsgeschenk te achten en te vereren!

tafelspreuk*

aarde droeg het in haar schoot,
zonlicht bracht het rijp en groot,
zon en aarde, die ons dit schenken.
dankbaar zullen wij aan u denken

Spruch vor Tisch

Erde, die uns dies gebracht,
sonne, die es reif gemacht,
liebe Sonne, liebe Erde,
euer nie vergessen werde!

CHRISTIAN MORGENSTERN

Wij eten het brood en nemen de voedende kracht van het koren in ons bloed op. Daar wordt het veranderd. Tenslotte wordt dat toch nog tot bloemen, tot rode rozen. Die heeft de mens in zijn bloed. Hoe edeler en reiner hij is, des te mooier bloeien de rozen in zijn bloed.
In het Duits zijn Blut en Blüte=bloed en bloem, dezelfde woorden. Je kunt de bloemen in het bloed wel niet met  lichamelijke ogen zien, maar ze zijn toch aanwezig.

Tenslotte echter moet ook het gewone gras niet vergeten worden dat het vee op de wei vindt en dat ook in de voerbak gelegd kan worden. Ook de kracht hiervan wordt in het dierenlijf veranderd. Deze wordt tot melk en tot vlees, die ons tot voedsel dienen.

De natuur heeft er ook nog voor gezorgd dat onze korensoorten op de akkers niet helemaal zonder sier staan. Korenbloem, klaproos, bolderik en vele andere mooie bloemen worden bij het zaaien meegezaaid. Zo krijgt het graan tenminste als onkruid er nog bij wat het zelf moet missen. De aarde streeft ernaar de tegenstellingen uit te wissen en het nergens aan schoonheid te laten ontbreken.

Rätsel

Die Getreide stritten dereinst miteinander,
welches vor den andern seine Ähren
bräunen und reif werde lassen sollte.
Da liess sie Gottvater nacheinader
ihre Namen in den Wald hineinrufen
und sagte es ihnen durch das Echo,
welches den Angang machen sollte.

*er bestaan vertalingen met kleine afwijkingen

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen– waaronder 5-5 over tarwe

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

46-44

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.