VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (40)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 140, hoofdstuk 40                                                                    alle hoofdstukken

 

OVER DE VOGELWIKKE

Wikken zijn planten die een steun nodig hebben waaraan ze zich kunnen vastklampen. Groeien ze bv. op een graanveld, waar ze dikwijls als onkruid voorkomen, dan grijpen ze met hun spiraalranken weldra de ene na de andere halm. Ze grijpen om zich heen als iemand die in zijn slaap, half dromend naar iets tast. Zouden ze geen steun vinden, dan moesten ze zich wel heel beklagenswaardig op de grond neerleggen. Dus de vogelwikke groeit in de lucht, tussen ander planten in. Ze is geen windeplant, zoals de boon, want die klampt zich niet met haar stengels aan de steun vast, maar wikkelt er ranken  omheen die vrij zweven.

Haar wikkelranken zijn haar handen, waarmee ze haar luchtige bestaan zeker stelt. Als ze het zou kunnen, zou ze lachen, want het is echt een vrolijke vogel. Beweeglijkheid en handigheid heeft ze van de lucht gekregen. Hoe anders zou ze er uitzien, als ze vast op de aarde zou moeten blijven en daar zou moeten staan met een harde stengel. Dat zou je je eens goed moeten voorstellen!

De spiraalranken zijn in werkelijkheid niet anders dan omgevormde bladdelen. Je komt erop wanneer je eens zo’n veervormig wikkelblaadje voor je legt. Zelfs de middennerf loopt in een rank uit en vandaaruit komen naar links en naar rechts de zijranken, net zoals onder de zijblaadjes. Eerst nog zijn de ranken lang naar voren gestrekt, maar zo gauw ze wat aanraken, merkt de plant dat en rolt deze op en wikkelt ze om de steun. Wanneer ze geen steun vinden, worden ze op den duur gewoon als een slakkenhuis opgerold.

De gewone planten merken het licht op en ze draaien zich daar naartoe, zoals je aan kamerplanten die in de vensterbank staan, dikwijls kan zien; rankenplanten echter merken ook nog wanneer ze tegen iets aankomen.

Wanneer ze bloeien hangen ze hun blauwviolette bloempjes als een aar met aan één kant bloempjes, op. Als een kleine zwerm diertjes ziet zo’n aar van de vogelwikke eruit. De aparte bloempjes gaan niet naar boven open, maar naar opzij, zoals een vogeltje zijn kopje wel eens houdt. Ieder bloemblad heeft een andere naam gekregen en deze namen zijn gekozen naar voorwerpen die in de lucht kunnen bewegen. Het grootste is naar boven omgeslagen. Het vormt a.h.w. het gezicht van de bloem en heet vlag.  Een vlag kan in de wind wapperen. Links en rechts daarvan splitsen zich twee kleinere bloemblaadjes af vleugels genoemd worden. Het zijn de vleugels die de vogels door de lucht dragen. De beide onderste bloemblaadjes zijn vergroeid en hebben een bootvorm,  het schuitje.*

Een vogelwikke. Wie dit blad ziet, zal zeggen dat zo’n plant niet zelfstandig kan staan. Zij moet zich vasthouden. Daarom laat ze uit de middennerven van haar veerbladeren ranken uitlopen; zelfs vormt ze de laatste veerblaadjes in wikkelranken om, zoals je duidelijk ziet. Zoveel ranken heeft ze, dat ze overal wel heen zou willen tasten.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, vallen de bloemblaadjes niet als rozenblaadjes naar beneden; ze verwelken eenvoudig en veranderen van kleur, alsof het vogeltje dood is.

Al aan het vijftal bloemblaadjes kun je zien dat de wikke aan de kant van de roosachtigen staat; bij de veernervigen hoort. Ze heeft ook een vijfdelige groene kelk. Verder wijzen de geveerde bladeren van de wikke ook nog op de roos. Maar het verschil tussen een roos en een wikke is nog erg groot. De roos is zelfstandig; de wikke moet steun zoeken bij een ander. Dat komt omdat de roos uit de vaste grond omhooggroeit en dat de stengel van de aarde de kracht ontvangt zich op te richten. Weliswaar wortelt de wikke ook in de aarde, maar dan geeft ze zich helemaal aan de lucht over en laat zich door deze doordringen als geen andere plant. Zo wordt ze wel licht en beweeglijk, maar tegelijkertijd verliest ze de kracht zich op te richten.

Men noemt de planten die aan de vogelwikke verwant zijn en die met hun bloemen en bladeren op haar lijken, peulvruchten of vlinderbloemen. Erwten, bonen, lupine, klaver, brem en de valse acacia behoren tot de plantenfamilie van de vlinderbloemige, net als de linze.

De mens moest maar niet zoals een vogelwikke worden, want ook al is het nog zo leuk zo’n leven te leiden, dan is het toch niet goed, wanneer je een steuntje nodig hebt om overeind te blijven.

 

 

*In het Duits worden hier woorden gebruikt die in het Nederlands  anders zijn.   Het woord ‘Fahne’  (vlag) wordt in dit geval wel vertaald met ‘zwaard’ (zoals ze aan een boot zitten om omslaan te voorkomen.

 

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

45-43

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (39)

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 138, hoofdstuk 39                                                                         alle hoofdstukken

 

DE PLANTENFAMILIE VAN DE LIPBLOEMEN

Behalve de dovenetel zijn er nog erg veel andere lipbloemigen. Je herkent ze behalve aan hun bloeiwijze ook aan hun netelvorm, de vierkante stengel en het kruisgewijs tegenover elkaar staan van de bladeren. Alleen de vorm van de blaadjes kan heel anders zijn dan bij de dovenetel.

De dovenetel is de moeder van de plantenfamilie van de lipbloemigen, omdat zij zo teer is. De vader is de in het wild groeiende rozemarijnstruik uit de warme Middellandse Zeegebieden. Deze statige, tot manshoogte groeiende struik onderscheidt zich door een bijzonder reine en krachtige geur van de naaldvormige bladeren.

Vele lipbloemen zijn lage, zelfs dwergachtige struiken met kleine blaadjes en bloemen. Je hoeft maar aan onze tijm, de echte tijm, te denken. Hoewel deze zo klein is, heeft hij toch houtige stengeldelen, zodat je wel aan een kleine struik moet denken. Wanneer hij hartje zomer op de zonnige berghellingen roodachtig bloeit en je gaat er middenin liggen, dan zoemt en bromt het om je oren. Vele bijen zwermen door de warme lucht en alles is van een zoete vluchtige geur vervuld, die de bloemen en blaadjes in gelijke mate verspreiden.

Veel sterker dan de brandnetel worden deze lipbloemigen door de zon verwarmd. Ze komen ook op drogere plaatsen voor en bloeien later in het jaar. Zo kan de zon ook sterker in de bladeren dringen en een fijne olie, die als een bloem geurt, bereiden; veel fijner en geuriger dan bij de vochtige dovenetel. Maar daarom kunnen de bloemen niet zo groot worden, want de zon werkt zo krachtig in, dat ze de bloeikracht niet pas uit de bloemen, maar al eerder, uit de blaadjes laat komen.

Bij iedere lipbloem moet je je afvragen of hij meer op de dovenetel, dan wel op de rozemarijnstruik lijkt. Die meer op de dovenetel lijken, zijn kruidig en groeien liever in de koelte. Sommige daarvan, bv. het zenegroen en de hondsdraf zijn gewassen van het vochtige voorjaar. Ze geuren bv. helemaal nog niet of zo’n beetje als de dovenetel. De andere lipbloemen zijn de heerlijk geurende, waartoe de dwergstruiken als tijm, lavendel en salie horen. Je vindt ze daar, waar de volle zon hen koesteren kan. Hoe vurig sommige wel zijn, zie je meteen aan de bloemen, want die vormen net woedend geopende muilen, waaruit meeldraden en stempels dreigend naar voren springen, terwijl juist de dovenetel zo’n goedig gezichtje heeft. De pepermunt groeit op een vochtige bodem, soms zelfs in natte sloten. Ze geurt fris en krachtig. Maar aan de verkoelende werking merk je ook dat de plant in het water groeit.

Vergrote bloesem van de rozemarijn.

Hier volgen nog een paar lipbloemige zo, of ze meer op de dovenetel, dan wel op de rozemarijn lijken.

witte dovenetel                                                      rozemarijn
gevlekte dovenetel                                              lavendel
gele dovenetel                                                         tuinsalie
kleine dovenetel                                                     tijm
brunel                                                                         hysop
hondsdraf                                                               echte marjolein
zenegroen                                                                 pepermunt
hennepnetel                                                            wilde marjolein
andoorn                                                                     bonenkruid
veldsalie                                                                    citroenmelisse

Ook wie niet alle planten kent, die hier genoemd worden, zal toch altijd nog uit het overzicht kunnen zien dat onder de lipbloemen vele waardevolle kruiden en ook belangrijke geneeskruiden te vinden zijn. De voor de mens belangrijkste soorten staan aan de kant van de rozemarijn. Ze brengen de sterk in hen werkende zonnekracht op de mens over, wanneer die dat nodig heeft.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

44-42

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (38)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 135, hoofdstuk 38                                                                         alle hoofdstukken

 

DOVE NETELS

In de bouw van de groene spruiten lijkt de dovenetel op de brandnetel. Ook zij heeft de netelvorm met de vier bladrijen en de scherp vierkante stengel. Wie niet precies kijkt, zou de dovenetel misschien wel eens met de jonge brandnetelscheuten kunnen verwisselen, temeer daar ook de bladeren van beide planten op elkaar lijken. Maar toch komt in de bladeren ook duidelijk naar voren, hoe anders de dovenetel is dan de brandnetel, dat ze milder , dat ze een dove netel moet zijn, een netel die iemand niet branden kan. Zo voelt ze aan en zo geurt ze ook.

Je vindt de dovenetelbosjes dikwijls bij tuinhekken en in de buurt van vochtige muren, op plaatsen dus, waar ook brandnetels voorkomen. Maar de dovenetel houdt van schaduw en koelte. In tegenstelling tot de brandnetel, die zich graag laat doorgloeien, vermijdt ze die plaatsen waar de zon genadig brandt. Op droge plaatsen gedijt ze maar slecht en wordt daar eerder kleiner dan groter. Daarom is het vochtige voorjaar haar beste bloeitijd. De dovenetel moet dus toch wel, ondanks alle gelijkenis, anders geaard zijn dan de vurige brandnetel.

Iedereen kent de witte dovenetelbloempjes die als duifjes tegen elkaar gevlijd in de bladoksels huizen, in iedere oksel een kleine zwerm. Je zou nog kunnen denken dat de naam in het Duits: Taubenessel, iets met de duifjes van doen heeft. Ieder bloempje komt uit een trechtervormig groen kelkje met vijf in een lange punt toelopende tanden. Trek je er een uit, dan kun je de zoete nectar eruit zuigen die onder in het bloemenbuisje zit. Die vormt de dovenetel voor de hommels, want de hommels beschouwen de dovenetelbloempjes als hun honingpotjes en zonder de hommels, deze goedmoedige brommers, zou je de dovenetel niet kunnen begrijpen. Ze zijn namelijk zeer op elkaar gesteld, de dovenetel en de hommel. De hommel als zich vrij bewegend dier heeft het goed; ze kan gemakkelijk naar de dovenetel gaan en haar een bezoek brengen; de dovenetel echter is aan haar plaats gebonden. Zo blijft er voor haar niets over, dan zich met verlangen naar de hommel uit te strekken. Dat doet de dovenetel dan ook met haar vele bloempjes. Van alle kanten kunnen de hommels komen, dus moet de dovenetel ook haar bloemen naar alle kanten heen richten. Zij zou de hommel wel het liefst willen omhullen, omvatten. Met haar bovenlip, die als een dak gevormd is, omsluit ze de rug van de hommel. Stuifmeeldraden en stijlen zijn zo geplaatst dat ze zich gebogen in het bloemdak van de bovenlip vlijen. Zo moet de zuigende hommel zowel de vier meelbosjes als ook de in tweeën gespleten stamper aanraken. Je hoeft alleen maar eens te kijken hoe een hommel, om bij de nectar te komen, zich bij een dovenetelbloem naar binnenwerkt. In het bloemenbuisje van de dovenetel past de kop en de zuigmond van de hommel precies. Maar de dovenetel komt ook de pootjes van de hommel te hulp. Ze vormt namelijk met haar onderlip twee klepjes waaraan de hommel zich bij het zuigen vasthoudt. Zo past de hommel dus prachtig in de dovenetel en de hommel gedraagt zich er ook naar, want ieder deel van het insectenlijfje  vindt wel een plekje zoals in een huisje dat van hem is. Dat komt natuurlijk vast, omdat de dovenetel met haar bloeiwijze zo verlangend de hommel tegemoetkomt.

Bloemen die zo gevormd zijn als de dovenetel worden lipbloemen genoemd, want ze vormen een kleine bloemenmond met twee lippen, een boven- en een onderlip. Met haar talrijke mondjes spreekt de dovenetel naar alle kanten haar hoop uit dat er een hommel komt, om haar te bezoeken. Alle bloemen spreken met hun insecten, alleen is de taal der bloemen anders dan de mensentaal. Je hoort ze niet met je oren, maar je begrijpt het wel, als je naar de vormen kijkt.

De brandnetel kan deze taal niet spreken, omdat het geen insectenbloeier, maar een windbestuiver is. Zij heeft het sterke vuur in haar bladeren en ze behoedt dat streng, zodat er niets naar buiten lekt. Bij de dovenetel, deze zachtaardige goedmoedige plant, komt het wel naar buiten en je kunt het zien, want er zijn bloemen door gekomen. Maar alles wat de dovenetel in zich draagt, kan nog niet aan de oppervlakte zijn gekomen, iets moet toch zijn achtergebleven, want anders zouden de bladeren niet net als bloemen kunnen geuren. En wat zouden de bladeren nog meer naar bloemen geuren, als de dovenetel wat meer van de zonnegloed hield en minder van de koelte en het vocht. Zo kan de zonnekracht nog niet volledig doordringen en daarom blijft de geur van het blad nog wat onbestemd en wat muf.

De brandnetel heeft de breekbare, puntige brandharen op haar bladeren staan. Ze ‘prikt’ wanneer je  haar aanraakt, zoals een insect met haar fijne angel. Dat doet de dovenetel niet. Door haar verlangen naar de hommel zijn haar brandharen niet bij haar gebleven, maar bij het insect terechtgekomen. Ze zijn in het achterlijf van de diertjes terechtgekomen en vliegen nu mee door de lucht, want de hommels zijn die andere die zich vrij bewegende helft van de dovenetel. Het is heel duidelijk dat een niet-brandende, een dove netel, achterblijft. Alleen de vorm van de netel bleef.

Zo hangen planten onderling samen en zo hangen ze met de insecten samen. Een wonderlijke wereld van ontmoetingen en van overgave aan elkaar!

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

43-41

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (37)

.
Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 132, hoofdstuk 37                                                                     alle hoofdstukken

 

OVER DE BRANDNETELS

De brandnetel is een sterke en tegelijkertijd ook een weldoende plant. Ook al maakt ze eerst geen innemende indruk op ons en al heeft ze niets waarmee ze zich aan ons wil opdringen, toch kun je haar vereren. Je vindt haar dikwijls op stortplaatsen, want waar de mens de bodem in het ongerede heeft gebracht, komt zij en bedekt de plaats met haar donkere bladeren. Ze doortrekt de grond met haar kruipende wortelstokken en van tijd tot tijd stuurt ze een bladuitloper naar boven. Zelfs in de allerslechtste grond heeft zij  nog kerngezonde en mooi gevormde bladerscheuten en ook daar waar weinig zonlicht komt, houdt ze toch haar volle groen. Alleen een sterke plant kan zulke eigenschappen hebben.

Het liefst groeit de brandnetel in de nabijheid van de mens. Zij volgt hem, tot aan eenzame berghutten toe; ja zelfs al lang verlaten nederzettingen herken je nog aan de brandnetels die er groeien. Je vindt ze nog bij ruïnes en vroegere geologische vindplaatsen. In de vrije natuur daarentegen komt de brandnetel veel minder vaak voor.

Je hoeft een brandnetel maar eens goed te bekijken om te zien hoe mooi ze toch eigenlijk is. Haar bladeren staan in rijen van vier geordend, steeds twee tegenover elkaar. Het volgende blad vormt met het vorige een kruis. Heel duidelijk zie je de plaatsing van het blad, wanneer je een scheut van bovenaf bekijkt. Ieder blad van deze strikt gevormde plant is in een punt uitgetrokken en heeft een scherp getande rand.

Wie naar deze bladeren kijkt, wordt tot voorzichtigheid gemaand, want ze zijn met fijne glasachtige haren bezet, met brandharen. Die breken bij aanraking af en prikken in de huid, zodat bijtend vocht in de kleine wondjes komt. Dat doet wel pijn, maar heeft geen schadelijke gevolgen, terwijl er in vreemde landen brandnetelsoorten zijn, die iemand tegelijkertijd vergiftigen, wanneer ze branden. Dan heeft onze brandnetel maar een onschadelijk vuur!

Wanneer de netelscheuten groot geworden zijn, bloeien ze ook. Maar de bloempjes zijn heel onaanzienlijk en sierloos. De brandnetel is een windbestuiver, zoals berk en eik en daarom kunnen haar bloemen ook zonder bonte kleur zijn of dat ze geen zoete geur verspreiden of nectar geven. Het zou ook tegen de natuur van de brandnetel zijn om opvallend mooi tevoorschijn te komen; ze wil alle kracht terughouden, want alleen zo kan ze het beste aan een gezonde bodem bijdragen. Dus het is helemaal geen zwakte dat de brandnetel, i.p.v. vurige bloemen die je eigenlijk bij haar zou kunnen verwachten, maar onaanzienlijke groene pluimpjes uit haar oksels laat hangen. De ene bos brandnetels heeft alleen maar stuifmeelbloesems, de andere alleen maar stamperbloesems, omdat de brandnetel een tweehuizige plant is. Wanneer je in de morgen naar een bloeiende brandnetelbos kijkt die stuifmeelbloesems heeft, kun je een merkwaardig schouwspel waarnemen. Van tijd tot tijd kun je zien, hoe een klein stuifmeelwolkje wegvliegt. De stuifmeelbloesem klapt namelijk, net een kleine ontploffing, en slingert zo het poederdroge stuifmeel met een plofje de lucht in.

Pas wanneer je de goede trekken van de brandnetel hebt leren kennen, kan je begrijpen, waarom ze er zo onaanzienlijk uitziet en niemand moet het haar kwalijk nemen, dat ze maar een netel is. Ze herstelt toch maar mooi wat de mens bedorven heeft! Zoals op de bodem, zo werkt ze ook op de mens genezend. Je kunt uit de jonge scheuten die er in de lente zijn, een goede soep maken. Dan gaat de reinigende kracht ook in je bloed over en werkt daar gezondmakend.

In de hoekige vierkante stengel zitten nuttige vezels. Wanneer je een oude brandnetelstengel vaak heen en weer knikt, komen ze naar buiten. Je kunt ze met de hand tot een vaste draad samendraaien. Vroeger werden de brandnetels als vezelplanten verbouwd, gesponnen en geweven, want neteldoek is een voortreffelijke weefstof. Zo veelzijdig zijn de goede, nuttige eigenschappen van de plant. Tenslotte moet er nog iets tot eer van de brandnetel naar voren worden gebracht.

Het heeft er weer mee te maken dat ze geen bloemen heeft, hoewel ze zoveel vuur in zich draagt: ze houdt dat terug en wil het niet naar buiten verspillen. Wanneer er echter rupsen van haar bladeren vreten – en twee van onze mooiste dagvlinders, de kleine vos en de dagpauwoog leggen hun eieren  op brandnetels – dan nemen deze met hun voeding ook de vuurkracht in zich op. Wanneer de rupsen dan volgroeid zijn en zich hebben verpopt, kruipen de kleurige vlinders tevoorschijn.

Nu zien we tenslotte toch nog hoe de brandnetel aan kleurige bloemen komt. Ze zitten alleen niet aan de plant vastgegroeid, maar fladderen als vlinders rond in de lucht. De poppen van de kleine vos en de dagpauwoog zijn eigenlijk de knoppen van de brandnetel, want wat de plant niet afmaakt, dat zet de vlinder door haar ontwikkeling voort.

Iedere keer als we zo’n vlinder zien, moeten we ook aan de brandnetel denken.

De brandnetel zou je met de mens kunnen vergelijken die altijd goed wil doen, zonder dat te laten merken, omdat hij geen eer en roem wil oogsten. Ja, het is zelfs mogelijk dat hij niet voor vol wordt aangezien of geminacht, net zoals de brandnetel, of ten achter wordt gesteld bij menige opschepper. Wie zulke mensen goed kent, moet van hen, net als van de brandnetel, zeggen dat ze waard zijn te worden vereerd.

Bladeren van de grote en kleine brandnetel.

Terug naar de inhoud.

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

42-40

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (36)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 125, hoofdstuk 36                                                                         alle hoofdstukken

.

WAT JE AAN DE BLADEREN VAN DE BOTERBLOEM KAN ZIEN

Wanneer de gele boterbloemen, ook wel eens hanenvoeten genoemd, bloeien, zijn de weiden op hun mooist. Je kan dan bossen bonte bloemen plukken waarin geen kleur ontbreekt. En wat lichten ze mooi teer op. Vooral wanneer er klokjes bijzitten, steekt het volle geel van de boterbloem bij het blauwe en violet prachtig af.

De vele verschillende boterbloemsoorten die er zijn, komen op even zo vele andere plaatsen voor; sommige in de bergen, zoals bv. de alpenboterbloem; andere meer op moerasachtige bodem of zelfs in het water, zodat alleen de bloemen maar boven water uitkomen, zoals bij de golvende waterranonkel.

Het meest voorkomend is toch de scherpe boterbloem. Hij is één van onze bekendste weidebloemen. Wanneer hij in volle bloei staat, zie je dikwijls het groen van de weide niet meer, zoveel eigele boterbloemschoteltjes als daar staan. Scherpe boterbloem heet de plant omdat de bladeren een scherpe smaak hebben en omdat ze iets giftig zijn.

Je kunt heel veel leren, wanneer je de bladeren aandachtig bekijkt. De onderste zien er namelijk heel anders uit dan de bovenste, zodat je een interessante trap krijgt, wanneer je ze in volgorde bekijkt. Om te beginnen wordt het al meteen duidelijk, waar de naam “hanenvoet” vandaan komt, want deze handvormig gedeelde bladeren met hun punten lijken veel op de poten van een haan. Meestal zijn ze met een donkerbruine tekening versierd.

De onderste bladeren zijn kleiner en hebben een bijna ronde omtrek. Maar de volgende al, die aan erg lange stelen zitten, vormen duidelijk vijfhoeken. Het blad is in vijf hoofdpunten opgedeeld, die ook weer in kleinere spitsen verdeeld zijn. Dan volgen de bladeren die aan de stengel zitten. Ze zien er  bijna nog net zo uit als de voorafgaande, zij het dat ze aan kortere stelen zitten. Hoe dichter de blaadjes de bloem naderen, des te eenvoudiger en kleiner worden ze en des te spitser lopen de punten toe. Uiteindelijk is er nog één enkele, zeer dunne straal over. Wanneer je niet zou weten  dat het bovenste en het onderste blad van de boterbloem aan een en dezelfde stengel groeien, dan zou je nauwelijks geloven dat ze bij elkaar horen.

Volgorde van de blaadjes van de scherpe boterbloem.

Zo’n verandering  van de stengelbladeren, zoals je aan de scherpe boterbloem kan zien, vind je ook bij veel andere boterbloemsoorten, al naargelang waar ze groeien. De goudgele boterbloem bv. groeit bijzonder graag op vochtige plaatsen, op vochtige weiden of aan de rand van het bos. Bovendien is hij de eerste boterbloemsoort van de lente die al zeer vroeg in bloei komt. Daarom moet hij zich behoorlijk inspannen, de rondachtige blaadjes die het eerst komen, in echte boterbloemblaadjes te veranderen. Hij moet eerst een paar pogingen doen en wanneer het hem dan eindelijk is gelukt, komt meteen de zon en wil bloemen maken. Ze splitst de stengelbladeren terdege, zodat ze een stralend karakter krijgen. Nog veel meer dan bij de scherpe boterbloem zijn daarom bij de gulden boterbloem de stengelblaadjes anders dan de wortelbladeren en hier kun je je nog meer verbazen over het feit dat er zoveel verschillende bladvormen aan één plant kunnen voorkomen.

Dat de onderste bladeren zo rondachtig zijn en dat ze van die brede vlakken hebben, komt door het vocht van de bodem. Aan de moerasdotterbloem, die zeer verwant is aan de boterbloem, zie je heel duidelijk, hoe de bladeren worden, wanneer er veel water in binnendringt. Dan wordt de hele plant plomp en log. Ze krijgt vlezige bladeren uit één stuk en dikke stengels die zich tenslotte  op de natte grond ter ruste leggen.

Wanneer daarentegen een plant recht de hoogte inschiet en een slanke vertakte stengel vormt, zoals bij de boterbloem, dan kan de lichtdoorstraalde lucht diep in de stengelblaadjes doordringen, deze klieven en in stukken scheuren en ze vormen geven die als bliksemstralen wegschieten. Aan de boterbloem kun je dit alles zien. Maar de bladeren zijn aan de boterbloem ook het voornaamste. Je kunt je ook wel indenken dat de zon er weinig moeite mee heeft zo’n lenteplant te veranderen. De boterbloem heeft er immers zelf ook veel plezier in. Hij vindt het leuk steeds nieuwe bladvormen te ontwikkelen. Dat zie je ook duidelijk aan de vele familieleden van de boterbloem die hun veranderkunst zelfs op de bloemen uitleven. De boterbloem heeft nog een regelmatiger bloem met een vijfdelige kroon en net zo’n kelk; bij andere boterbloemsoorten echter, zoals bv. de ridderspoor en de monnikskap, weet je op den duur niet meer wat nu eigenlijk de kelk en wat nu de kroon is, zo zeer is alles veranderd. Het zijn kloeke veranderingskunstenaars, deze planten.

Goudgele boterbloem. Hij is de eerste boterbloem die in de lente bloeit. De onderste bladeren zien er heel anders uit dan die aan de stengels zitten.

Sommige hebben weer bloemen die er bijna zo uitzien als diertjes met staarten, zoals kikkervisjes of zoiets, die zich alleen niet kunnen bewegen, omdat ze aan een bloemsteel vastzitten. Dat is zo bij bv. de ridderspoor en bij veel akelei-achtigen. Ook de akelei is een boterbloemachtige. Je kunt al snel zien dat ze familie zijn aan de drie blaadjes van de bloemstengeltjes. Ze hebben niet eens een steel. Alleen de niet-bloeiende plantjes hebben bladstelen. Dan hoef je er ook niet meer verbaasd over te staan dat de bloem van de bosanemoon niet eens een groene kelk heeft, want de groene stengelblaadjes hebben die al voor zichzelf genomen. Wanneer je goed kijkt kun je veel begrijpen.

Twee blaadjes van de dotterbloem. Zij zien eruit als grote lappen, want de plant wortelt in een moerasachtige bodem. Zo worden de bladeren dik en vormloos.

Anemonen

Sag, woher kommen
die schönen, die frommen,
die tausend und aber Millionen
weissgekleidter Anemonen.

‘Wir sind die Kindlein, die abgeschieden
so frühe hienieden;
nun wohnen wir oben
im Vaterhause da droben.”

Was tut ihr nun hier
im Waldesrevier,
ihr lieblichen Kleinen,
beim Frühlingserscheinen?

‘Drum dürfen wir fort,
jedes an seinen Heimatort;
auf  Ostern, da wird Vakanz gegeben,
drei Wochen lang welch ein Freudenleben!’

‘Und drum sind wir hier
im Waldesrevier
alle weissgekleidet. M:agdlein wie Söhnlein
mit goldenen Krönlein.’

von den schwäbischen Bauerndichter CHRISTIAN WAGNER

blad van monnikskap                                               blad van ridderspoor

Al mogen de boterbloemen dan nog zulke grote bladkunstenaars zijn en al mogen ze zelfs hun bloemen als tovenaars veranderen, zo gauw ze uitgebloeid zijn, is het met ze gedaan. Ook al zouden de weiden niet gemaaid worden, ze moeten afsterven, want ze hebben al hun kracht gegeven aan het vormen van blad; voor echte vruchten blijft niets meer over. Wanneer de bloem uitgevallen is, kan de scherpe boterbloem alleen maar een klein stekelbolletje aan zijn bloemstelen omhoog houden. Dat zijn de zaadbestanddelen van de boterbloem die uit de vele vruchtbeginsels van de bloemen zijn ontstaan.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

41-39

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (35)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 122, hoofdstuk 35                                                                            alle hoofdstukken
.

OVER DE VIOOLTJES

De viooltjes behoren ook tot de plantjes waarvan we het meest houden, hoewel ze zo klein zijn. Dat komt vast en zeker, omdat ze tot de eerste lentebloemen horen  die, na een jaargetijde zonder bloemen, de nog winterse grauwe velden sieren. Ze bloeien al in maart!

Maar de viooltjes hebben nog andere eigenschappen om van te houden. De bloemen zijn, ondanks dat ze zo klein zijn, zo krachtig van kleur, dat er zelfs een kleur naar genoemd is: vioolblauw: het violet en de geur is sterk en diep doordringend. Hoe blij worden we er niet van, wanneer we de eerste blauwpaarse kleurvlekjes buiten ontdekken! Wanneer we de viooltjes vinden, dan weten we het zeker: nu kan het lente worden.

Voordat de bloemen verschijnen, vind je de kleine, rondachtige blaadjes beneden op de grond, eerst nog als een toetertje opgerold. Dan breekt de dag aan, waarop het eerste viooltje uit de groene blaadjes naar buiten kijkt. En dat alles komt door de levenwekkende voorjaarszon.

De aarde ligt, al lang vóór er viooltjes zijn, voor zich heen te dromen. Ze verlangt naar de voorjaarshemel. Wanneer wij dromen, blijven onze dromen in ons innerlijk. Ze kunnen ons gelukkig maken, maar ook bang, al naar gelang ze zijn. Wanneer de aarde echter droomt, komen er bloemen te voorschijn. Iedere lentebloem is een andere droom van de aarde. Eerst zitten de dromen nog in de aarde, maar daarna komen ze aan de oppervlakte; en je ziet ook waarvan de aarde droomt. Ze droomt van de blauwe voorjaarshemel; van het leven in de lentezon en van de lentegeuren.

Precies dat heeft de dichter Eduard Mörike beschreven:

Früling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte.
Süsse, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen. –
horch! von fern ein leiser Harfenton!
Dich hab ik vernommen!

Opdat er bloemen uit die verlangende dromen van de aarde kunnen komen, moet de zon meehelpen. Zij vormt daarom de groene blaadjes. Echt diep kan de zon in het voorjaar nog niet in de aarde doordringen, want ze komt in dit jaargetijde nog niet hoog aan de hemel. Maar het is wel genoeg voor die kleine ronde blaadjes en voor die dwergachtige bloempjes. Maar die dragen het wel in zich! Kleur en geur lijken op één punt samengekomen.
Heel dicht worden de viooltjes bij de aarde gehouden. Weer heel anders dan bv. bij de sneeuwklokjes, lenteklokjes of de sterhyacint die er ook blauw uitziet, want de viooltjes hebben geen bol; ze hebben alleen maar korte, ondergrondse wortelstokken. Daarom bloeien ze ook niet zo trots en prachtig als een tulp. Aan hun veernervige blaadjes zie je, dat ze niet met de tulp, maar met de roos verwant zijn. De kleine violen hebben een echte groene kelk en vijf kleurige bloemblaadjes. Een daarvan is naar achter omgestulpt en veranderd in een blad dat nectar kan bevatten. Ook de geur van het viooltje is verwant aan die van de roos. Daarom zijn ze ons zo vertrouwd.

De botanici noemen het viooltje viola, dat betekent zo veel als viool, omdat het viooltje iets te maken heeft met het luisteren en het klinken; met de viooltoon en de harpklank in het voorjaar. Dat komt eigenlijk omdat de viooltjes de kleine oren van de aarde zijn, waarmee zij dromend luistert naar wat er in de voorjaarshemel gebeurt,

Wat ze daar luisterend hoort, zie je dan de komende zomer wanneer ze een grote hoeveelheid bloemen het licht doet zien. Met iedere soort geeft ze een nieuw geheim prijs – maar alleen aan diegene die wijs genoeg is, om het te begrijpen.

Als de viooltjes uitgebloeid zijn, groeien ze nog een poosje verder, net als andere planten. Ze vormen zaden en krijgen uitlopers. Zulke vruchten als de roos kunnen ze niet vormen; daarvoor hebben ze de tijd niet. Het zusje van het viooltje is het driekleurige viooltje. Die is wel wat groter en heeft langere stengels. De kracht die bij het viooltje in het blad zit en de groene blaadjes vormt, komt bij het driekleurig viooltje tot in de bloem! Daarom zijn de driekleurige viooltjes niet alleen oortjes, maar hele gezichtjes, met een heel mooi velletje. Aan het akkerviooltje kan je de verwantschap met het viooltje ook nog zien, maar de mens heeft daaruit het tuinviooltje gekweekt met die wonderlijk fluweelachtige, bontgekleurde bloemblaadjes.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

40-38

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (34)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 121, hoofdstuk 34                                                                        alle hoofdstukken

.

WONDERLIJK GEHEIM IN DE ROZENKELK

Je moet de rozen onderzoeken, wanneer je het geheim wil ontdekken; aan menige zal je vinden dat de vijf kelkblaadjes niet gelijk zijn, maar klaarblijkelijk zonder regelmaat getand zijn.
Al in oudere tijden heeft een natuuronderzoeker het volgende gedichtje in het Latijn geschreven. Vertaald luidt het ongeveer zo:

vijf broeders zijn het
twee van hen dragen een baard
twee van hen zijn zonder baard geboren
één van de vijf
heeft zijn baard maar aan één kant

De vijf broeders zijn vanzelfsprekend de blaadjes van de rozenkelk, de baarden de tanden. Om de wetmatigheid die erin verborgen zit beter te leren kennen, zijn op de tekening de aparte blaadjes genummerd. Blaadje 1 heeft aan beide kanten een baard, net als blaadje 2. Blaadje 3 is maar aan één kant van een baard voorzien; de andere kant is glad. Het 4e en 5e blaadje hebben geen baard; het vijfde is het kleinste van allemaal.
De natuuronderzoekers hebben onderzocht welke wetmatigheid zich achter deze schijnbare onregelmatigheid zou kunnen verbergen en ze hebben ook wat gevonden.
Ze hebben namelijk in de rozenkelk de wetmatigheid van de vijfster ontdekt.
Op onze tekening hebben we bij de vijfster getallen gezet, zoals wanneer je die zou opschrijven als je van één hoek uitgaand, de sterlijnen zou volgen. Ga je echter buiten de sterlijn om, dan krijg je de rij: 1, 4, 2, 5, 3. Wanneer je dan deze vorm met de rozenkelk vergelijkt, dan zie je meteen dat er een vijfster in
verborgen zit.

Het blad 1 heeft nog tandjes , blad 5 niet en blad 3 heeft ze maar aan één kant, daar waar de vijfsterlijn loopt. Waar deze naartoe gaat, namelijk het vierde blad, vind je geen tandjes meer.
Net zoals in de rozenkelk vind je ook in de plaatsing van de groene stengelblaadjes van de roos een vijfster, alleen is deze daar niet zo gemakkelijk te ontdekken, omdat de blaadjes aan de stengel niet in één vlak staan. De plant kan niet rekenen en toch is ze volgens verborgen getalwetten opgebouwd.
Zoals de zesster het hemelgeheim van de tulp is, zo toont ons de vijfster het geheim van de roos. Ja, zelfs de eenvoudigste rozenkelk kan het ons leren: kosmische wetten vormen de planten!

roos en tulp

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

39-37

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (33)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 119, hoofdstuk 33                                                                       alle hoofdstukken
.

DE ROOS

Wat spreidt deze haar veernervige blaadjes zorgvuldig uit en hoe ze die uit verschillende blaadjes samenstelt. Ieder blaadje heeft een apart steeltje en alle randjes zijn van tandjes voorzien. Ze neemt er dan ook de tijd voor, de roos. Voor ze haar bloemknoppen laat komen, moeten er eerst langere bladscheuten gegroeid zijn en tussen de stengelbladeren en de bloembladeren staat een groene kelk, die er heel anders uitziet dan de stengelblaadjes. Nooit kan het bij de roos voorkomen dat stengelblaadjes en bloemblaadjes door elkaar gehaald worden. Alleen al doordat de roos een houtachtig gewas is, kun je weten dat ze doortrokken is met aardekracht. De aarde helpt mee, wanneer de roos haar stekelige twijgen in bevallige bogen naar alle richtingen laat gaan. Aan het puntje neigen ze zich weer naar de aarde. En wie eens geprobeerd heeft een wilde rozenstruik uit de grond te trekken, zal gemerkt hebben, hoe stevig  ze met de aarde is verbonden door haar wortels. Onder de grond zit nog eens een boompje, maar dan omgekeerd. Blad van de heggenroos, een tuinroos en van de appelboom.

Alles wat de roos doet, doet ze samen met de aarde. Wanneer de aarde in de lente groen gaat worden, begint ook de roos uit te lopen. Wanneer de aarde overvloedig ranken en loten doet groeien, laat ook de roos haar uitlopers krachtig groeien en woekeren en als tenslotte het uitlopen overgaat in het verrukkelijke bloeien, zie je ook dat de rozenknoppen opengaan. Is dan de tijd aangebroken dat de aarde aan struiken en bomen vruchten laat rijpen, dan begint ook de roos haar vruchten, de rozenbottels, te laten rijpen. Wanneer de nachtvorst het plantenleven al verlamd heeft, zie je de rode roosvruchten nog aan de kale bladerloze takkengeraamten gloeien. Zo gaat de roos samen met de aarde. Ze heeft de hele zomer nodig, vanaf de lente tot in de late herfst, tot ze alle stadia van haar ontwikkeling doorlopen heeft. De edele roos is met de aarde verbonden; de trotse tulp zou echter het liefst een rein hemelgewas zijn. Kijk je in haar zesdelige bloembekleedsel, dan zie je zes meeldraden, die daar in een prachtige ordening staan, zoals een ster. Wanneer het erg warm is, spreiden ook de bloemblaadjes zich nog tot een ster uit. De zesster is het hemelse geheim van de tulp. Je wordt dat het duidelijkst gewaar als je naar haar kijkt; ze zou de heerlijkheid van de hemel willen verkondigen, terwijl de roos een getuige is van de schoonheid van de aarde. Zo staan ze naast elkaar, deze twee gewassen.

SAMENVATTING

                      TULP                                                                               ROOS

waterig bolgewas                                                       plant met houtige wortelstok wortelen vlezig, onvertakt                                       wortels boomachtig vertakt voorjaarsplant, komt snel in bloei                         zomerplant, vormt voor ze
bloeit eerst langere bladscheuten 

bladeren eenvoudig, parallelnervig                      bladeren veernervig en
samengesteld

bloembekleedsel enkel                                            dubbel bloembekleedsel zesster                                                                         vijfster

.

over poëzie waar bij de roos een rol speelt

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

38-36

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (32)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

‘blz. 117, hoofdstuk 32                                                                        alle hoofdstukken
.

EERLIJK DUURT HET LANGST

De plantenfamilie waartoe ook de tulp behoort, is naar de lelie genoemd. Veel leliegewassen hebben bollen, die eigenlijk alleen maar bij parallelnervigen voorkomen. Lelie, vuurlelie, als ook madonnalelie, hyacint, keizerskroon, Turkse lelie, druifhyacint, geelster en nog vele andere trotse bloemen zijn sterk verwant aan de tulp, wat je al aan de bouw van de bloem kan zien, ook al zijn de bollen van binnen niet altijd hetzelfde gebouwd als bij de tulp.

Tenslotte moet er ook nog over die leliegewassen gesproken worden, waarvoor je je neus optrekt, wanneer je ze ruikt, of waarvan je tranen in je ogen krijgt. Niemand zal er een boeket van maken of ze  voor de sier in de kamer zetten. Toch worden ze hoog aangeslagen, alleen om heel andere redenen dan lelies en tulpen.

De koningin van deze merkwaardige groep van leliegewassen, dit in kwade reuk staande gezelschap, is de ui. Maar er zijn allerlei familieleden die net zo zouden willen zijn, bv. de knoflook, de prei en de onschuldige kleine bieslook, die half en half al weer op een andere lelie lijkt.

Wat is er bij deze keukenkruiden van de trotse lelie geworden? Wat is er met hen gebeurd, dat je ze niet eens bloemen kan noemen? We hebben helemaal geen reden om laatdunkend op ze neer te kijken, want juist zoals ze zijn dienen ze ons op hun best. Juist zo worden ze voor ons tot weldoeners, meer, dan wanneer ze gewone bloemen zouden hebben.
Ze hebben namelijk de gloed van hun bloem binnenin zich gehouden, daarom zie je die niet van buiten, maar ruik je en proef je deze. In plaats van in de bloemen werkt het door in de bollen, bladeren en stengels. Het kan scherp en bijtend ‘geuren’, omdat er zwavel in de stoffen zit. Maar omdat de bolgewassen waterige planten zijn, wordt de scherpe smaak wat gedempt en tegelijkertijd begint het wat te stinken. Wanneer je vuur in water dompelt, gaat het uit en wanneer in de plant zwavel uit de waterige delen vrij komt, ruikt het naar uien. En het bijt ook nog.

Nu is het heel duidelijk, dat wanneer een plant  in de bladeren of zelfs in de bol al zoveel van haar bloeikracht verbruikt, dat dan daar bovenin, in de bloemen iets moet ontbreken. Ook bij de uien is voor boven niet veel meer overgebleven. Natuurlijk hebben uien bloemen, tot kogels samengetrokken, maar heel kleine, groenachtig, zo alsof ze uitgeloogd zijn.

Zo staat het met de uien zoals het zo vaak bij  de mens kan zijn. Wie niet aan de buitenkant glanzen en stralen wil, loopt het gevaar, geminacht te worden. Voor een keukenui zouden zeker geen 13000 gulden verkwist zijn, terwijl een gezonde ui toch zeker niet minder waard is dan een mooie tulp.

 

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

37-35

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (31)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 114, hoofdstuk 31                                                                           alle hoofdstukken

.

OVER DE TULP

Zij is een lentebloem. Ja, je kunt haar zelfs al lang voor het buiten lente is, in de kamer tot bloei laten komen. Deze eigenschap heeft de tulp nog met andere bolgewassen gemeen, zoals bv. met de hyacint. De reden, waarom dat kan, is dat ze niet helemaal vanaf het begin moet beginnen om te kunnen bloeien, zoals het geval zou zijn, wanneer ze eerst uit het zaad zou moeten kiemen. Het eerste wat we moeten doen, is eens goed naar de tulpenbol kijken.

Aan de buitenkant zit een leerachtige bruine schil en daarbinnen zitten de witte schillen of bolrokken. Helemaal beneden echter zit de bolschijf. Zo gauw de bol uit begint te lopen, groeien daar worteltjes. Maar ook aan oude bollen die opgegraven worden omdat ze uitgebloeid zijn, kun je worteltjes zien. De bolschijf is de basis van de bol die alleen in plaats van in de lengte in de breedte gegroeid is. Het duidelijkst zie je dat natuurlijk, wanneer je een bol in de lengte doorsnijdt zoals op het tekeningetje getoond is.

Doorgesneden tulpenbol. De stengel is aan de onderkant sterk verbreed (bolschijf). Je ziet hoe de vlezige, witte rokken er als bladeren aan vast zitten. Ook zie je de jonge bol van het komende jaar al. Meestal zit er nog een tweede in.

Bovenaan de bol komt de bloemsteel naar buiten en beneden is er al een jonge bol, een dochterbol, zoals men zegt, of een bijbol of klister, gevormd, want elk jaar hernieuwd de bol zich uit zichzelf. Spoedig wordt de dochter zo groot als de moeder.

Iedere tulpenbol, zowel de oude als de nieuwe, bestaat uit rokken. Deze rokken zijn niet anders dan de ondergrondse, vlezig geworden bladeren, die niet groen worden, omdat ze niet in het licht komen. Dus een bol is niet een soort wortel; het is niets anders dan een sterk veranderde scheut met een kort stammetje en schaalvormige bladeren. De wortels zitten helemaal onderaan. Wanneer de bol uitloopt en groene bladeren en een bloem voortbrengt, komt uit de ondergrondse, veranderde plant een tweede, groene, niet veranderde plant te voorschijn. Dat is het geheim van de tulpenbol.

De tulp heeft echt veel haast, wanneer ze in de lente uit de bol schiet. Zo snel mogelijk wil ze tot bloei komen. Daarom zijn ook haar plantendelen maar eenvoudig gevormd; haar stengelbladeren hebben de vorm van tongen en ook de bloemblaadjes zijn niet veel kunstzinniger. De tulpen vormen niet eens groene kelkbladeren; daarom noemt men haar bloembekleedsels eenvoudig. Eerst lijkt het wel, in de knop namelijk, alsof de tulp een groene kelk heeft; maar dan blijkt dat het maar bloemblaadjes zijn die in ’t begin nog geen kleur hadden. Pas wanneer de tulp opengaat is er kleur gekomen. Het lijkt dan wel alsof de tulp gloeit.

Dikwijls is er een interessante vergroeiing te zien. Er zijn soms tulpen waarbij de bovenste stengelbladeren helemaal of voor de helft kleur gekregen hebben. Soms hebben ze ook wel bonte randen. Bij weer andere vergroeiingen is een bloemblad voor een deel nog groen gebleven. Aan zulke opzienbarende feiten kun je aflezen dat de tulp blad en bloemblad nog niet echt onderscheiden kan. Bij de roos zul je zulke vergissingen niet kunnen waarnemen. De roos is dan ook een meer volkomen plant dan de tulp. Laten we nu de vraag eens stellen hoe de tulp zich tot de aarde verhoudt! Zij haast zich snel naar het bloemstadium om spoedig daarna weer onder de grond te verdwijnen.

Maar er bestaat toch nog een groot verschil tussen de ondergrondse delen van de tulp en die, laten we zeggen, van de bomen. Bomen hebben onder de grond alleen hun houtachtige wortelstokken; de tulp heeft haar bladachtige bol onder de grond. Ja, ze is door en door waterig en nergens heeft ze een houtachtig deel. Ze neemt wat van het grondwater voor zich alleen en sluit het door haar taaie huid af, zodat je haar uit de grond kan nemen en bewaren. Bij een roos zou dat niet gaan. Zo spreekt de tulp: Ik wil mijn bol voor mij alleen hebben.

Als ze dan uit de aarde omhoog geschoten is en gebloeid heeft, zou ze toch eigenlijk een vrucht moeten vormen, zoals de roos de rozenbottel. Dat speelt ze echter niet klaar. Ze omhult haar zaden snel met een droog zaadkapsel en stuurt dat, wat vruchtachtig is, naar haar bol, tot die sterk en vlezig wordt. Zo is de bol ook gelijktijdig een vrucht die in plaats van in de bloem, in de grond zit. Wanneer de tulp in het voorjaar dan weer kiemt, verteert ze het voedsel dat ze zelf in de bol opgeslagen had, terwijl toch de echte vruchten voor de andere schepsels van de aarde zijn, voor dier en mens en niet voor de plant zelf. Zo beschouwd is een bol geen echte vrucht.

Wanneer je een rijpe tulpenbol in de lengte doorsnijdt en het binnenste met een vergrootglas bekijkt, dan kun je iets merkwaardigs zien. In het hart van de bol zit als kiem al de bloem van het komende jaar, en heel klein en samengetrokken ook de stengelbladeren. Ook al zijn alle delen er slechts in aanleg: de bloemblaadjes zonder kleur, meeldraden en stamper nog vaag, ze zijn er toch maar. De stengel hoeft zich alleen maar te strekken, de delen groter te worden en de bloem kan zich ontvouwen, want heel de winter al sluimert ze opgesloten in de vlezige bolrokken. De tulp hoeft niet eerst te wachten zoals de roos, tot ze lange bladscheuten gevormd heeft om te kunnen bloeien. Dat is een groot verschil tussen beide planten.

De tulp is geen inlandse plant. Ze stamt uit het steppengebied van het oosten. Bij ons komt wel een in het wild groeiende, zeer mooie slanke en geelbloeiende tulpensoort voor: de bostulp, maar waarschijnlijk is zij ook een, zij het lang geleden, verwilderde uitheemse soort.

In de jaren 1634 tot 1640 heeft zich in de Hollandse stad Haarlem een ware rage op het gebied van tulpenliefhebberij ontwikkeld. In boeken werden meer dan 500 verschillende soorten opgetekend, die ook op tulpenbeurzen verhandeld werden. Voor de zeldzaamste soorten werden duizelingwekkend hoge prijzen betaald en niet alleen geld, maar ook paard en wagen, huizen, ja grote en waardevolle schepen werden voor één enkele zeldzame tulpenbol geboden en gegeven. De hoogste prijs die toen voor een enkele tulpenbol betaald werd bedroeg niet minder dan 13000 Hollandse guldens. Toen die tulpenwaanzin zo gevaarlijk geworden was, dat ze al veel ongeluk aangericht had, moest de handel tenslotte verboden worden met dreiging van hoge straffen.

Al komt ons de dwaasheid wegens een bol die je niet eens kunt eten en alleen maar een mooie bloem voortbrengt, tegenwoordig toch wel onbegrijpelijk voor, dan is die wel een bewijs voor de plant in kwestie dat ze een schoonheid is.

De afkomst van het woord tulp gaat via het Frans ‘tulipa(n)’ terug op het Turkse woord tulband, op welk hoofddeksel tulpen zouden lijken als ze in bloei staan.
(bron Trouw)

.

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

.

36-34.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (30)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

.
blz. 113, hoofdstuk 30                                                                        alle hoofdstukken
.

OVERZICHT

van enige kenmerken van parallel- en veernervige bladeren:
parallelnervig                                                     veernervig
                                              bloei
meestal volgens het getal                       meestal volgens het getal
drie gevormd.                                           vier gevormd
Eenvoudige   bloemhulsels                   dubbele bloemhulsels (kelk en kroon)

                                         bladeren
parallelnervig                                             veernervig
nooit samengesteld, meestal                  Dikwijls samengesteld of
zonder bladsteel en met                           gedeeld, met een bladsteel
gladde rand                                                 en getande, gezaagde randen

                                           stengel
kruidachtig, niet verhout,                       vaker verhout of stammen
dikwijls eenvoudig.                                   takken en twijgen vormend
Palmachtigen hebben
stammen

                                           wortel
vleesachtige wortelstokken                    taaie wortelstokken
vormend

                                        kiemplantjes
met maar één, meestal                           dikwijls met twee, vaak
puntig kiemblad (eenzaad-                    brede kiemblaadjes
lobbig) vaak geen kiemblad                   (tweezaadlobbig)

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

.

35-33

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (29)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 110, hoofdstuk 29                                                                            alle hoofdstukken
.

OVER DE PARALLEL- EN VEERNERVIGEN

Heeft men een bloemplant voor zich, dan is het òf een parallelnervige, òf een veernervige. Zo heten namelijk de twee grote groepen van het bloemplantenrijk. Je kunt meestal herkennen tot welk van de groepen een plant behoort, wanneer je naar de nervatuur kijkt. Bij de parallelnervigen lopen de nerven bijna evenwijdig en je kunt ook geen duidelijke middennerf vinden, van waaruit de dunnere zijnerven lopen, zoals bij een boom de takken vanaf de stam. Bijzonder duidelijk herken je het verloop van de nerven, wanneer je de bladeren aan de achterkant bekijkt. Wanneer je zo’n blad scheurt, loopt de scheur  met hoeken van de ene naar de andere kant, terwijl ze bij de parallelnervigen mooi in de lengte verloopt.
De nerven van de netaderigen lopen dikwijls aan de rand van het blad weer in elkaar over. Dan is het hele net op elkaar aangesloten, zoals bij onze aderen; om die redenen spreekt men ook wel van planten met bladaders i.p.v. met bladnerven.

veernervig blad                                                               parallelnervig blad

Wat hiervoor gezegd is, geldt eigenlijk alleen maar voor de hoofdnerven-of -aderen. Door kleine adertjes zijn ook de nerven van de parallelnervigen met elkaar verbonden.
Je mag je beslist niet alleen op de bladnerven verlaten als je precies weten wil of je met een parallelnervige of wel met een netaderige te maken hebt. Zo zien bv. de bladeren van de weegbree eruit alsof deze een parallelnervige is, maar dat is hij niet. Anderzijds ziet het er bij sommige parallelnervigen zo uit alsof ze een grotere middennerf hebben, terwijl dat alleen maar een soort knik is, die het blad in een linker- en rechterhelft verdeelt. En sommige parallelnervigen hebben een versterkte middennerf.
Waarnaar moet je dan nog meer kijken om de twee groepen bloemplanten goed te leren kennen? Het gaat om de blik op het geheel, niet alleen om de bladeren. Je hoeft je maar te herinneren wat we al eerder besproken hebben over de bloeiwijze en de wetmatigheden. De bloemen van de parallelnervigen zijn meestal zesdelig en hebben geen groene kelken, zeiden we; de bloemen van de netaderigen zijn meestal vijfdelig en hebben  groene kelken. Maar ook hier zijn, zoals overal in de levende natuur, uitzonderingen. Een voor de mens heel bijzondere plantenfamilie die we spoedig zullen leren kennen, de kruisbloemigen, vormen zo’n uitzondering, want bij hen zijn alle bloemen naar het getal vier opgebouwd. Tenslotte kan, wat de bladeren betreft, nog wel een ander verschil genoemd worden: de bladeren van de parallelnervigen zijn meestal veel eenvoudiger, zoals je al aan de knol of bolgewassen of aan de grassen kan zien. Ze hebben zelden een bladsteel en zijn nooit uit verdeelde blaadjes samengesteld; ook zijn de bladranden glad en niet zoals bij de netaderigen gezaagd of gekarteld of getand. Daarentegen komen bij de netaderigen veel planten voor met onderverdeelde bladeren (roos, tomaat) en wanneer er een bladsteel is, dan is deze heel duidelijk te onderscheiden van de blaadjes zelf, veel meer dan bij de parallelnervigen.
Wanneer je alles overziet, wat over het verschil tussen parallelnervigen en veernervigen is gezegd, dan moet je constateren dat de netaderigen of veernervigen de meer volmaakte planten zijn.

Een populierenblad dat al enige tijd in de modder heeft gelegen. Het grootste deel van het blad is verteerd, daarom zie je de fijnste nerfjes des te duidelijker, vooral als je nog een vergrootglas te hulp neemt.

Opsomming van een enige parallelnervigen en veernervigen

parallelnervigen                                      veernervigen
tulp                                                                       rozen, roosachtigen
lelie                                                                       boterbloem
sneeuwklokje                                                    anjelier
lelietje-van-dalen                                           klaver, lupine
orchideeën                                                         aardappel, tomaat
looksoorten                                                       dovenetel, brandnetel
krokus                                                                 salie, tijm
herfsttijloos                                                      koolsoorten
hyacint                                                                viooltje
iris                                                                       primula’s
biezen en rietgras                                           paardenbloem
fonteinkruid                                                     campanula’s
grassen en granen                                          alle bomen en struiken

NAALDBOMEN

De naaldbomen vormen een groep op zich. We moeten ze wel tot de bloeiende planten rekenen; omdat ze hun zaden, of die nu zacht of hard of droog zijn, nog niet ergens instoppen, maar eenvoudig in de kegels leggen, noemt men ze wel naaktzadigen. Natuurlijk zijn de bedektzadigen (parallel- en veernervig) een trap volmaakter.
Grohmann 20,  21,  22

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde
.

34-32

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (28)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde”.

blz. 106, hoofdstuk 28                                                                      alle hoofdstukken

 

.

HOE BLOEMPLANTEN FAMILIE VAN ELKAAR KUNNEN ZIJN.
OVER DE AARDAPPEL EN DE TOMAAT

Wie de bloemplanten zou willen indelen, moet zien te ontdekken hoe ze familie van elkaar zijn. Sommige lijken op elkaar als broer en zus; andere staan niet zo dicht bij elkaar. Het makkelijkst laten die planten zien van wie ze familie zijn, wanneer je hun bloeiwijze precies onderzoekt; maar ook aan bladeren, stengels, vruchten en zaden kun je veel herkennen. Zo wordt bv. de verwantschap van de aardappel en de tomaat niet alleen zichtbaar door de bloei, maar ook door de vruchten en de vormen van het blad.

Voor ons kan het om het even zijn hoe de aardappel bloeit en hoe de vruchten eruitzien, want we oogsten alleen maar de onderaardse knollen; bij de tomaat willen we daarentegen dat er juist veel heerlijke rode vruchten aan de bloemdelen groeien en dat die goed tot hun recht komen. Zo zie je dat de ene keer bloem en vrucht voor de mens niet van belang zijn of dat die juist de hoofdzaak zijn.

De plantenkundige bekijkt ze in beide gevallen met evenveel interesse: beide planten moeten familie van elkaar zijn, zegt hij, wanneer hij de overeenkomst in de bloeivorm ontdekt. Het is toch net alsof er kleine aardappelbloempjes aan de tomaat groeien, hoewel de tomaten een gele, de aardappel een witte of paarse bloemkleur hebben. In beide gevallen bestaat de bloemkroon uit vijf puntige, waaiervormige blaadjes en de bundeltjes meeldraden vormen in het midden een geel kegeltje. Maar ook de vruchten van de aardappel en de tomaat lijken erg veel op elkaar, want, zoals je in de herfst kunt zien, groeien er aan de aardappel kleine tomaten; alleen deze blijven groen en je kunt ze niet eten, omdat er gifstoffen in zitten. Toch moet er verwantschap bestaan  tussen tomaat en aardappel. Is je oog daar eenmaal op gevallen, dan vind je de verwantschap ook in de vormen van het blad. Maar toch. Wat zijn plantenbroer en –zus in ander opzicht verschillend.

De boer heeft niets aan de tomaatachtige vruchtjes van de aardappel. Die worden weggegooid. Voor degene die allerlei soorten wil kweken, zijn ze natuurlijk wel van nut. Hij laat ze rijp worden om het zaad te winnen, dat erin zit. Dat zaait hij uit, net zoals anders met de tomaten gebeurt. Zo krijgt de kweker nieuwe aardappelplanten. De boer daarentegen vermenigvuldigt zijn aardappelen op een heel andere manier. Hij neemt speciaal daarvoor uitgezochte knollen-de pootaardappelen, of poters – en plant die in de grond. Uit elk oog ontspruit nu een jonge loot. Gewoonlijk worden de pootaardappelen zelfs in stukken gesneden, als elk stuk maar een oog heeft. Dat kan de tuinman met zijn tomatenplanten helemaal niet doen, want de tomaat heeft geen onderaardse knollen. De stekken moeten uit zaden getrokken worden en midden mei, wanneer het gevaar van nachtvorst voorbij is, kunnen ze uit het kweekbed in de koude grond worden gepoot.

De tomaat houdt van licht en warmte. Hoe zonniger een jaar is, des te meer heeft ze het naar haar zin en des te mooier worden haar vruchten. Is het eenmaal zo ver, dat ze overvloedig in het blad schiet, dan verschijnt het ene blad na het andere, het houdt niet op en iedere keer komt in de buurt van een blad ook een bloemtrosje tevoorschijn. Zou de tomaat zo kunnen groeien als ze wil, dan zou bovendien uit iedere bladoksel ook nog een zijtakje komen. Maar de tuinman wil niet dat de plant helemaal overwoekerd wordt door blad, daarom laat hij maar één, hooguit twee sterke stengels groeien. Die okselloten, of wilde loten, zoals hij ze noemt, worden afgebroken. Je gelooft helemaal niet in hoe korte tijd zo’n wilde loot weer een zelfstandige tak wordt, als je hem laat staan. Het liefst zou de tomaat grenzeloos woekeren. Dat zie je ook al aan de gevederde blaadjes, want ze laat tussen die veerblaadjes weer kleine blaadjes uit de middennerf komen. Zo woekert de tomaat naar omhoog in het licht en vormt haar vruchten die toch weer niets anders zijn dan reusachtige grote bessen.

Het aardappelblad (onder) en het tomatenblad (boven) zijn verwant. Beide bladeren bestaan uit geveerde blaadjes, waarbij die van de tomaat nog eens geveerd zijn. Bovendien komen bij beide bladeren tussen de grote ook nog kleine uit de middennerf.

Ook de aardappel heeft de drang tot woekeren in zich; alleen hij woekert niet boven, maar onder de grond. Nog vóór de stengel de aardekorst doorbroken heeft, laat hij naar alle kanten zijscheuten groeien. Dat zijn de ondergrondse uitlopers, waaraan de aardappelen groeien. Wie namelijk zou denken dat de aardappelknollen wortelvormen zijn, vergist zich behoorlijk. Ondergronds kruipend en dik geworden stengeldelen: dat zijn de aardappelknollen. De voedingsstoffen (koolhydraten) die de bladeren in het zonlicht vormen, stromen ’s nachts in de ondergrondse knollen. Is het een wonder dat deze zo dik opzwellen? Ze schuwen het daglicht, deze koddige kobolden en ze willen in het donker woekeren. Wat leuk als ze er in de late herfst toch uit moeten. Dat ze werkelijk niets anders zijn dan verdikte stengels zie je daaraan dat ze ogen hebben, zoals een stengel en dat uit deze stengels scheuten komen, meestal in de kelder. Ook kun je nog zien dat de knollen groen kunnen worden, wanneer ze toevallig boven de grond uitkomen en door het zonlicht worden beschenen – soms komt het door de harde regen die de knollen blootspoelt. Dan gaan de knollen zich gedragen als plantendelen die boven de grond staan.

Aardappel en tomaat zijn broer en zus, in bloei, blad en vruchten, zo op elkaar lijkend en toch zo verschillend, ja zelfs tegenovergesteld, wanneer je hun manier van leven met elkaar vergelijkt!

Het is een groot verschil of wij vruchten eten die in het licht rijp geworden zijn, of knollen van een plant waarvan de stengels zich in de grond verstoppen.

Rätsel

Es hat keine Ohren,
der Dummkopf,
und die Haare
sind ihm ausgegangen.
Er hat viele Augen
und kann doch nicht sehen,
der arme Kerl!
Im Winter kommt er ins Haus,
aber er kommt nicht wieder heraus.

raadsels

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde
.

33-31

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (27)

..

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’


blz. 102, hoofdstuk 27                                                                          alle hoofdstukken

 

DE APPELBOOM

Wat een ander gevoel krijg je, wanneer je in plaats van naar een linde, een wilg of de woudbomen, naar een appelboom kijkt. De appelboom is onze belangrijkste fruitboom. Het is net of je de zware vruchten in je hand voelt en de wonderbaarlijke ronding aftast. Zoals de appelboom nu in tuinen of boomgaarden staat, is hij geworden door menselijke zorg, want wanneer hij in de natuur staat, aan zichzelf overgelaten, blijft hij in een toestand waarin hij vruchten geeft die niet te eten zijn. De vruchten van de houtappel, zo wordt de wilde appel wel genoemd, zijn maar twee tot drie centimeter groot en smaken wrang en zuur.
De appelboom is een echte wonderboom, omdat hij naast de kostelijke vruchten ook nog de prachtige bloesem geeft en je kunt er een in je tuin zetten, alleen al omdat hij in de lente helemaal met bloesem bedekt is, zoals een sierboom. Wanneer hij daar in volle pracht staat, zie je duidelijk dat hij familie is van de roos, want de bloesem lijkt erg veel op die van de kleine struikroos. Ze hebben vijf enigszins rode bloemblaadjes en een vijfdelige kelk die groen is. De vijfster die de roos in zich draagt, heeft de appelboom ook nog in zijn vrucht, in het klokhuis. Je vindt hem door een appel door te snijden. Roos en appel behoren namelijk tot dezelfde familie, die van de roosachtigen. De roos geeft de bloem een bijzondere vorm; de appel de vrucht. Ook onze andere fruitbomen, zoals de peer, de kers , de pruim, de perzik, de abrikoos, de kwets en de mispel, tenslotte ook de amandel en de sleedoorn, zijn roosachtigen. Framboos en braam lijken meer op de roos, zoals je aan de bladeren al kan zien. Bovendien groeien ze als struik en hebben doornen zoals de roos.
Een belangrijk verschil tussen de roos en de appel is, dat hoewel ze heerlijk geurt, de roos geen nectar voortbrengt. De bijen bezoeken de roos alleen maar om het voedselrijke stuifmeel te halen. Bij de appelbloesem is dat anders. Deze geeft rijkelijk nectar en daaraan kun je zien, hoeveel sappiger de appelboom moet zijn, ondanks zijn roosachtige bloesem. Anders zou hij ook niet die sappige vruchten kunnen dragen. Zelfs de schors heeft iets vruchtachtigs. Dat weten de hazen bv., zij komen ‘s winters om aan de jonge stammetjes te knagen, tot verdriet van de kwekers.

De blaadjes van de roos  zijn uit verschillende deeltjes samengesteld; de blaadjes van de appelboom zijn eenvoudig. Je kunt de groene blaadjes van een edele roossoort met groot genoegen bekijken. De roos is nu eenmaal een kunstenares. De appelboom doet voor zijn blad niet zoveel moeite. Het is tegen zijn natuur om een mooie plant te worden. Hij wil liever in zijn bestaan nuttig zijn door het dragen van gezonde vruchten. De roos verkwikt de ziel; de appelboom het lichaam.
Alleen al als je zijn groeivorm bekijkt, kun je belangrijke ontdekkingen aan de appelboom doen. Hij is in zekere zin een bescheiden boom. Zijn stam is kort, zijn kruin eerder breed dan hoog. Hoe klein lijkt hij niet als je hem met de oerbomen van een bos vergelijkt: beuken, essen en abelen. Maar zo kan hij zich wel beter laten doorstromen met de levenssappen van de aarde. De kracht daarvan komt tot in de appels die daardoor groot en zwaar worden, zodat wij erin kunnen bijten dat het knapt.

De appelboom heeft twee verschillende levens. Eerst komt de bloeitijd. Het is al voldoende wanneer de lentezon op de twijgen schijnt om de bloesem tevoorschijn te toveren, want de knoppen werden al vroeger in het voorjaar gevormd. Willen de vruchten gedurende de zomer groeien, dan moet de zonnekracht veel verder doordringen en de aardekrachten aanvuren. De zon moet de vruchten natuurlijk ook zelf bestralen opdat ze rijp worden. Ze moeten rode wangen krijgen.

Natuurlijk kunnen de appelbloesems geen gewone rozen zijn wanneer ze appels moeten worden. De appelboom richt zich tot de aarde en zegt: ‘Neem deel aan het vormen van mijn bloesem.’ En de aarde begrijpt dit en geeft de appelbloesem een diepe bloembodem. Daarin zakt dan de stamper, zoals wanneer hij wat in de grond zou zakken, want de bloembodem  is eigenlijk een stukje aarde! De appelboom heeft dus een onderstandig vruchtbeginsel. Na de bevruchting door de bijen laat de aarde deze bloembodem verder uitdijen en tot vruchtvlees opzwellen; uit de stamper ontstaat het perkamentachtige klokhuis met de zaden, de pitten zijn dat. We zien dus dat het waar is, dat de appel geen gewone vrucht is, zoals een kers of een sleedoorn.

Hij is een eetbare en sappig geworden bloembodem, een schijnvrucht, zoals de botanici zeggen.

Wie een appel eet, eet eigenlijk een klein aardbolletje.

 Am Kamin

 Kennst du die hohe Wissenschaft,
Der Bäume Geist, des Holzes Kraft?
Wenn nicht, so laß uns am Kamin
Andächtig lauschend niederknien!

Das Buchenholz brennt hell und rein,
Doch muß ein Jahr verstrichen sein,
Seit man im Wald den Baum gefällt,
Zersägt und mit dem Beil gespellt.

Noch länger braucht ein Eichenscheit
An Zeit, bevor es brennbereit.

Allein der Hölzer Königin,
Gleichviel, ob trocken oder grün,
Das ist die Esche; denn ich weiß:
Sie brennt geduldig, hell und heiß.

Das Birkenholz brennt auf der Stell’,
Sein heller Geist verzehrt sich schnell,
Schnell sinkt die Flamme überm Rost
Und dunkelt hin und ist verglost.

Von der Kastanie meinen sie,
Daß sie zu höchster Glut gedieh’,
War’ nur die Zeit gehörig lang,
Seit sie im Park darniedersank

Allein der rechten Flammen Speis’,
Dem Eschenholz sei Lob und Preis!
Gleichviel, ob trocken oder grün:
Es ist der Hölzer Königin.

Das Pappelholz mit bitt’rem Rauch
Reizt deinen Hals, die Augen auch.
Wie modrig Holz die Ulme brennt,
Gehemmt von fremdem Element.
Selbst ihre Flamme phosphorhaft
Scheint taub und kalt, ohn’ Geisteskraft.

Kein Holzscheit sich vergleichen kann
Mit meiner Esche. Schau dir’s an!
Für einer Königin Gelaß
Ein festlich Feuer wäre das:
So hell, wie heiß und abendlang
Mit Flammenknacken und Gesang.

Vom Apfelbaum das kleinste Scheit,
Es füllt mit Duft die Räume weit.
Geht auch der Winter ins Gericht,
Du schließt den Blick und siehst ihn nicht.
Das Holz, vom Hagedorn beschafft,
Durchsüßt geheim des Brotes Kraft.
Backstuben duften wunderbar
In Irland, wo es Sitte war.

Allein das Eschenholz ist wert,
daß es der Flamme Großmacht nährt
Und aller Geister Herrlichkeit
Aufopfernd seine Scheiter weiht!
Es bleibt, ob trocken oder grün,
Mir Holz der Hölzer im Kamin.

                                                                               Naar een Engels volkslied

 Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde
.

32-30

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (26)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 97, hoofdstuk 26                                                                           alle hoofdstukken

 

DE EIKENBOMEN

De eik staat als een toonbeeld van mannelijke kracht voor ons. Hij heeft hout zo hard als steen, knoestige takken, donker loof en bereikt ook een buitengewoon hoge leeftijd. Daar staan ze, als standbeelden, deze oeroude eikenbomen en wat een tegenstelling met bv. de berk! De berk wil jong blijven en is in haar jeugd ook het mooist; een eik daarentegen komt er pas op hoge leeftijd aan toe zijn bijzondere karakter in zijn stam en kruin uit te drukken. Jonge eikenbomen wekken nog niet de indruk zo’n enorme kracht te hebben, als ze later doen. De twee eikensoorten die bij ons voorkomen, de zomereik en de wintereik, verschillen van elkaar, doordat bij de wintereik de geweldige stam vanaf de wortel tot in de top doorloopt, terwijl deze bij de zomereik meestal in drie of vier stammen opgedeeld wordt. Bijna rechthoekig buigen de zijtakken naar opzij, wanneer de kruin gevormd wordt. Hoekig gebogen en gedraaid doen ze je soms geloven, alsof ze in woede gevormd zijn. Trots weerstaan de eiken de wildste herfststormen.

Laat de dichter Gottfried ons vertellen, hoe hij een storm in het eikenbos meegemaakt heeft. In zijn ‘woudliederen’ zegt hij:

Arm in Arm und Kron’ an Krone steht der Eichenwald verschlungen,
Heut hat er bei guter Laune mir sein altes Lied gesungen.
Fern am Rande fing ein junges Bäumchen an sich sacht zu wiegen,
Und dann ging es immer weiter an ein Sausen, an ein Biegen;
Kam es her in mächt’gem Zuge, schwoll es an zu breiten Wogen,
Hoch sich durch die Wipfel wälzend kam de Sturmesflut gezogen.
Und nun sang und pfiff es graulich in den Kronen, in den Lüften,
Und dazwischen knarrt und dröhnt es unten in den Wurzelgrüften.
Manchmal schwang die höchste Eiche gellend ihren Schaft alleine,
Donnernder erscholl nur immer drauf der Chor vom ganzen Haine!
Einer wilden Meeresbrandung hat das schöne Spiel geglichen;
Alles Laub war weisslich schimmernd nach Nordosten hingestrichen.

Arm in arm en kroon aan kroon, staat het eikenbos verstrengeld;
vandaag zong het, in goede stemming, zijn oude lied voor mij.
Ver aan de rand begon een jonge boom zachtjes te wiegen,
en toen ging het maar door met een ruisend, buigend geluid;
toen het met een machtige vaart kwam, zwol het aan tot brede golven,
die hoog door de boomtoppen rolden, de stormvloed kwam.
En nu zong en floot het afschuwelijk in de kruinen, in de lucht,
en daartussen kraakte en brulde het in de wortelkluizen.
Soms zwaaide de hoogste eik in zijn eentje zijn stam schel heen en weer,
alleen het koor van het hele bos weerklonk steeds donderender!
Het prachtige schouwspel leek op een woeste oceaanbranding;
alle bladeren, glinsterend wit, werden naar het noordoosten geblazen.
Zo speelt Pan de Oude zijn oude viool, luid en zacht,
en onderwijst hij zijn bossen in de oeroude wereldse gebruiken.
In de zeven noten dwaalt hij onophoudelijk op en neer,
in de zeven oeroude noten die alle liederen omvatten.
En de jonge dichters en de jonge vinkjes luisteren zwijgend,
gehurkt in de donkere struiken, en nemen de melodieën in zich op.

Automatisch vertaald

Met zulke treffende woorden kan een dichter de eikenboom beschrijven. Echt waar, zo staan ze in de storm!

Geen wonder dat de eik eens aan een oorlogsgod gewijd was! Hij staat daar als een rots en alleen door zo langzaam en volhardend te groeien, kan hij zijn sterkte verkrijgen. Wanneer andere bomen al bijna hun lentekleed hebben, zijn de eiken nog steeds kaal. Laat lopen ze uit – de zomereik 10 tot 14 dagen eerder dan de wintereik – en in de herfst houden ze hun blad zo lang vast, dat het verdord en bruin aan de takken hangt. De wind ruist en ritselt er doorheen; zij nemen de tijd, deze sterke bomen! Wanneer de bladeren tenslotte uitkomen, is ook de bloeitijd daar. Maar een eik moet minstens dertig jaar oud zijn, wil hij voor het eerst bloeien.

Omdat de eik zo van storm houdt, wil hij ook door de wind bestoven worden. Geen vlinder, geen bij die iets met de bloesem van deze knorrepot te maken wil hebben en je kunt het je toch ook niet voorstellen dat op een eik zoiets als kleurige en geurige bloesem zou groeien, want wie zo mateloos sterk is, heeft weinig zin van die tere vormen als bloemblaadjes zijn, tevoorschijn te brengen. We moeten de eik wel proberen te begrijpen, dan kunnen we zijn wezen ook doorgronden.

Menigeen zal er nog wel niet op gelet hebben hoe een eik eigenlijk bloeit en het is geen wonder, want de bloesems van de eik zijn erg klein en onaanzienlijk. De stuifmeelkatjes hangen in losse katjes meteen onder de jonge blaadjes en de stamperkatjes staan op steeltjes. Ze zien er bijna als gewone knoppen uit.

Uit de stamperbloesems komen later natuurlijk de eikels met de dekseltjes, waar ze in zitten en net zoveel eikels als er later aan een stengeltje zitten, waren er stamperbloesems.

Klaterend vallen de vruchten door de bladeren, wanneer ze rijp zijn geworden en waar ze terechtkomen blijven ze liggen.

Nu zou het voor de eik niet zo best zijn, wanneer zijn plompe vruchten daar zouden blijven liggen, want hoe zou hij zich moeten verspreiden als hij zijn vruchten zomaar als stenen onder zich laat vallen. Die komen niet van hun plaats en toch moeten daaruit nieuwe bomen groeien die licht en lucht nodig hebben. Maar de eik heeft een ijverige helper die hem terzijde staat en de zaden wegbrengt: de gaai*. Zoals je al aan de naam ziet (Duits: Eichelhäher), zijn de eikels het voedsel van deze weliswaar prachtige, maar eveneens wat ruwe vogels. Dikwijls zie je er een zitten met een eikel in zijn snavel. Maar hoeveel eikels er in het najaar ook zijn, de gaaien kunnen ze onmogelijk opvreten. Zomaar laten liggen, willen ze ook niet en dus proberen ze er wat te verstoppen. Ze staan daarbij op de grond, boren met hun krachtige snavel een gat en doen daar de eikels in. Misschien is het de bedoeling van de gaai, deze later weer op te graven, maar tegen die tijd is hij dat al lang vergeten. Bovendien is de gaai een heel slechte botanicus. Hij weet namelijk niet, dat de eikel een vrucht is, die eenmaal verstopt, lustig begint te kiemen. Zo wordt de gaai zonder dat hij het weet, een bosbouwer die eiken aanplant.

Het is met de eik en de gaai net zoals met de bloemen en insecten, waarbij je de plant ook niet begrijpen kan, zonder het insect dat erbij hoort. De eik voedt de gaai en deze plant overal bomen. Hoeveel eiken van onze bossen zouden de gaaien hebben geplant? De wijze natuur heeft aan de eik deze slordige vogel als helper gegeven, omdat hij door zijn slordigheid nu juist zo nuttig is. Dus is bij de gaaien de slordigheid een goede eigenschap. Dat is wel even anders dan bij de mensen.

Natuurlijk zijn de gaaien niet de enige liefhebbers van eikels. Vroeger werden er wel kudden zwijnen in de eikenbossen gedreven om de waarde van het woud te schatten naar hoeveel zwijnen het voeden kon.

Nu zouden we de eikenboom werkelijk tekort doen, wanneer we zouden zeggen dat hij, omdat hij zo ruw is, niet iets zoets of vruchtachtigs zou hebben. Veel eerder is het bij de eik  zoals bij menige sterke en ruwe kerel: naar buiten toe willen ze het niet zo graag laten merken, dat zou tegen hun natuur zijn, maar van binnen zit ergens wel iets zachtaardigs.  Maar er moet eerst wat bijzonders gebeuren, wil dat zichtbaar worden.

Bij de eik moeten de galwespen een gaatje in de onderkant van het blad prikken en er een eitje in leggen. De eik gedraagt zich tegenover het kleine larfje hoogst merkwaardig. Hij begint het plotseling te verzorgen en hij bouwt er een bijzonder woonkamertje voor. Je vindt zulke larvenhuisjes in de herfst zeer vaak aan de eikenbladeren. Ze zijn zo groot als een kers en worden galappeltjes genoemd, omdat ze er bijna net zo uitzien als kleine appeltjes die rode wangen hebben gekregen. In iedere galappel zit een larfje dat daar behaaglijk van haar bestaan geniet en groeit, want de eik scheidt voortdurend stoffen af die zoet zijn en waarvan de larve groot wordt, tot ze volgroeid is. Zo veel zorgzaamheid hadden we van de eik, na alles wat we over hem hebben gehoord, toch niet verwacht. Maar er moet dan wel eerst iets bijzonders gebeuren.

Ook uit de barsten in de schors scheidt de eik zoete stoffen uit. Dan komen de vliegende herten en likken deze op. Ze vechten met hun geweien om de beste plaats, zodat je het soms heel zacht hoort knarsen. Wie te lomp is, wordt eraf gestoten en valt als een eikel naar beneden.

Je zou dus kunnen zeggen dat de eik tweeërlei soort vruchten heeft. De ene, de eikels namelijk, zijn de zaadvruchten, die de hemel door zijn scheppingkracht geeft, opdat de eik zich verspreiden kan; de andere echter, de galappeltjes kunnen alleen ontstaan wanneer er galwepen aan te pas komen. Dan wordt de eik plotseling teder en zorgzaam als een moeder.

Weer stoten we op een hoogst interessante samenhang in de natuur, want de kracht die hier een vrucht wekt, moet van buiten komen, in de gedaante van een dier en de vruchten die worden gevormd, groeien helemaal op de verkeerde plaats, aan de onderkant van het blad! Waar bij de echte vruchten de zaden zijn, vind je bij de galappels de insectenlarven. Zo erg maakt de galwesp de eik in de war.

Vroeger werden de galappels benut om inkt te maken: de ijzer-gal-inkt. In de galappeltjes zit namelijk een zeer wrang smakende stof, de looistof. Al wanneer je een galappeltje met een mes doorsnijdt, zodat het sap met het ijzer in aanraking komt, krijgt dit een blauw-zwarte kleur. Maar ook in de eikenschors zit veel looistof. Daarom kun je het als run, de looistof, goed gebruiken. Het zorgt voor het looien van dierenhuiden. Het zorgt ervoor dat het leer niet vergaat en trekt het samen. Natuurlijk ontstaat de golvend-bochtige samengetrokken vorm van het eikenblad door de samentrekkende kracht van de eik.

 Rätsel

Welches Tier hat nur vorne
der liebe Gott gemacht,
und hinten macht es
ein Bäckermeister?
Das Ganze springt
auf das erste hinauf.
das andre, denkt euch,
hört zweimal auf!

0-0-0

(niet bij Grohmann:)

Stormwind huilt over ’t heideland,
Jaagt over velden en akkers.
Wuivende wilg aan de waterkant
Fluistert, buigt u o makkers,
bukt u, ritselt de ranke berk.
Ruisend buigen de bomen.

Doch de eik staat trots en sterk,
hei – laat de vlagen maar komen,
zingt ook de stormwind zijn zegelied,
kraken ook takken en twijgen –
Fier sta ik pal en ik sidder niet,
nooit zal mijn kruin zich nijgen!

Stormwind raast voort met woest geweld
ver over bos en weide.
Doch de reus ligt neergeveld op de eenzame heide.

(herkomst onbekend)

*

De gaai is zo Vlaams als het maar kan.
Een aantal jaar geleden ontnamen ornithologen de gaai zijn voorvoegsel ‘Vlaams’. Hun argument was dat de vogel oorspronkelijk niet uit Vlaanderen komt. Ze maakten echter een denkfout; de naam verwijst helemaal niet naar de etnische afkomst van de gaai. Taalkundig gezien is hij zelfs familie van de flamingo.
Al in de 14de eeuw trokken Vlaamse lakenhandelaren door Europa om hun vaak kleurrijke stoffen aan de man te brengen. De reizende handelslieden drongen door tot diep in Spanje, waar ze bekend kwamen te staan als Vlamingen, Flamencos. Als vanzelfsprekend werden de vlammend gekleurde stoffen die ze verkochten aan hun herkomst gekoppeld. Vlaams werd synoniem voor bont en kleurrijk.
Vervolgens kwamen de zigeuners naar Andalusië. In hun Spaanse benaming gitanos klinkt een verwijzing naar hun mogelijk Egyptische wortels. Hun afkomst is echter diverser. Ook vanuit het noorden kwamen reizende volken naar Spanje en in navolging van de rondtrekkende handelaren werden ze met Vlaanderen geassocieerd. Ze ontwikkelden een muziekstijl waarin allerlei invloeden weerklonken. Bij hun opzwepende dansen trokken de zigeuners hun mooiste kleren aan, de vrouwen droegen felgekleurde jurken. De baile flamenco is letterlijk de Vlaamse dans. Geen wonder dat ondertussen ook een vogel met prachtige roze en oranje veren het predicaat Vlaams binnensleepte: de flamingo.
Vanuit dit oogpunt bezien is het een groot onrecht dat de gaai met zijn kleurrijke verenpak niet langer als Vlaams door het leven mag gaan. Hij is een van de meest bontgekleurde vogels die in onze omgeving voorkomt en met voorsprong de meest Vlaamse van alle gaaien. Het wordt hoog tijd de naamswijziging ongedaan te maken. Flip van Doorn – Trouw -24 sept. 2016

grohmann-bij-de-eik

terug naar de inhoud

eik

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

.

31-29

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.