VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde – alle artikelen

.
[1] Hoe oriënteert men zich
Het ‘Binnenste buiten
‘ over: begint aardrijkskunde ‘klein’ of  ‘groot(s)’. Voorbeeld voor de stad Leiden; kompas; lichaamsoriëntatie met windstreken

[2] Over de eerste aardrijkskunde
Jan Kraamwinkel
over de eerste aardrijkskunde; sympathie wekken voor de aarde; voorbeeld Haarlem; hoe gaat het toe in de klas; over de 4e-klasser

[3]
Over sagen

[3-1] Het Vrouwtje van Stavoren       Friesland
[3-2] Tidde Winninga                           Groningen
[3-3] Het licht van Zeerijp                   Groningen
[3-4] Ellert en Brammert                     Drenthe
[3-5] Waarom de Zwollenaars
blauwvingers genoemd worden          Overijssel
[3-6] De Zwaneridder                           Gelderland (Nijmegen)
[3-7] De basilisk                                     Utrecht
[3-8] De stalknecht                               Noord-Holland
[3-9] Het woud zonder genade           Zuid-Holland
[3-10] De ondergang van
Westerschouwen                                   Zeeland
[3-11] Pater Langslaper                        Noord-Brabant
[3-12] De derde visser                           Limburg
[3-13] De twee broers                            Limburg

[4] 4e klas aardrijkskunde
Pieter HA Witvliet over: een begin van de eerste periode aardrijkskunde met het scheppingslied uit de Edda; kompas; lichaamoriëntatie

[5] Heb je straks een vierde klas?
Pieter HA Witvliet over: het 4e-klaskind; belangstelling voor de wereld; het belang om de vier graansoorten te kennen: tarwe, haver, rogge en gerst; beschrijving van deze planten met afbeelding. Verzamel ze op tijd!

Aardrijkskunde klas 4 t/m 12:

overzicht tevens deel 1 van menskunde door aardrijkskunde’ 
Christoph Göpfert over: om welke ervaringen gaat het die een kind moet hebben over de wereld van nu; aardrijkskunde heeft verbinding met bijna alles: gesteenten, planten, dieren, waar en hoe mensen leven en leefden (geschiedenis); aardrijkskunde moet ook leiden tot meer naastenliefde; wat en waarom – ook menskundig gezien – van wat in de klas behandeld wordt; een overzicht

[2] Van heemkunde naar de eerste aardrijkskunde in klas 4, 5

deel 3 en deel 4 bij klas 6      deel 5 bij klas 7

[6] Gapers
Uit ‘De Kampioen‘ over: gapers; wat zijn het; historie; waar te vinden.

[7] Er wordt een kaart getekend
Erika Buris over: hoe een kaart te tekenen; gezichtspunten; voorbeelden.

[8] Drenthe
Buro biologie Groningen over: op kamp in Drenthe; historie: ijstijden, veenvorming, veenkoloniën, hunebedden.
.
4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

750-686

.

,

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (3-1)

.
Inleiding bij deze verhalen:

HET VROUWTJE VAN STAVOREN
.

Vroeger was Stavoren een rijke stad, in vele landen bekend. De kooplieden dreven er handel tot ver over zee en verdienden er schatten mee. Ze woonden in huizen groot en schoon. Er wordt gezegd, dat velen hun huisdeuren met goud hadden beslagen en dat hun erven met zilveren kettingen waren afgezet. Rijkdom maakt vaak trots, en trots waren dan ook de burgers van Stavoren.

Van allen was één echter de hovaardigste: een weduwe, jong van jaren nog, maar de rijkste onder de rijken. Ze woonde in een huis als een paleis; prachtige tapijten bedekten wanden en vloeren; het blonk er overal van goud, zilver en edelsteen. Ze bezat de meeste schepen, de meeste pak­huizen, de meeste waren. Haar schepen voeren de gehele, toen bekende, wereld rond. Ze kwamen thuis met de kostbaarste schatten, ze voerden de kostbaarste schatten als koopwaar weer mee. Niemand wist, hoe rijk deze Vrouwe van Stavoren wel was, zij zelf wist het ook niet. Ieder vloog op haar wenken, haar wil was wet.

Voor niets hadden de Staverse burgers meer ontzag dan voor rijkdom. Rijk was de Vrouwe van Stavoren dus wel, doch tevreden was ze niet. Dat gaat meer zo.

De kostbaarste schatten bezat zij, de kostbaarste schatten voerden haar schepen regelmatig voor haar aan, toch moesten er, dacht ze, nog mooiere en kost­baardere op de wereld wezen. En ze wou het allermooiste bezitten, dat er op aarde te verkrijgen was. Het allerkostbaarste, dat er op aarde was, dat wou ze. En nooit zou ze rusten, alvorens ze dat had! Ze wou het allermooiste, het allerkostbaarste! Iets, dat zij alléén had, en anders niemand in de gehele stad! Het schoonste goed op aarde! Opdat men haar nog meer ontzag en eer zou bewijzen!

Ze liet haar oudste schipper bij zich komen, een ervaren en bedachtzaam man.
– Ik zal veel goud in uw schip laden, schipper!
– Veel goud, Vrouwe?
– Veel goud, ja! Daar haalt ge mij het kostbaarste voor, dat er op aarde maar te vinden is!
– Het kostbaarste, Vrouwe? Ik vrees, dat is voor geen goud te koop.
– Het kostbaarste, schipper, laat het mij geen tweemaal zeggen! En gij haalt het! Zo wens ik het!

In gedachten zag de schipper enige ogenblikken stil voor zich uit. Toen zei hij: — Ge moest daar een ander voor kiezen, Vrouwe, iemand, die jonger van jaren is.
– Niemand kent de wereld zoals gij, schipper. Gij zijt mijn oudste kapitein en gij hebt dus recht op deze bijzondere opdracht. Ga en zoek mij het schoonste en kostbaarste, wat er op aarde te vinden is. Opdat ik er mij aan verheuge en het mij eer doe door de gehele stad. Aarzel nu niet langer, ga en doe mijn wil. Haar voorhoofd fronste zich, haar vingers tikten driftig op de tafel.
– Het zal geschieden, zoals gij wenst, zei de schipper, hij groette eerbiedig en ging.

Ver zwierf hij met zijn schip weg van Stavoren. Hij bezocht menige stad, be­kende en onbekende, menig koopman sprak hij aan, veel schone, aardse goe­deren stalde men uit voor zijn ogen: heerlijk bontwerk, diep uit het grote Rusland gehaald, prachtige sieraden van goud en zilver, op het kunstigst bewerkt, schone diamanten en tal van andere edelstenen, wedijverend in kleu­ren, fonkelend soms van een diep, geheimzinnig licht, gewaden van de zeld­zaamste stoffen, tapijten met kleuren, zoals zijn ogen er nooit hadden aan­schouwd. Het een was al kostbaarder dan het ander. Toch vond hij niets, dat naar zijn zin was. Zweden, Duitsland, en Rusland bezocht hij. In Riga bleef hij menige dag, maar hij kon niet besluiten iets te kopen. Het was alles heel mooi en heel kostbaar, maar zijn opdracht was, dat hij het mooiste en
kost­baarste moest meebrengen, dat op aarde was te vinden. De kostbaarste schat van de aarde? Veel dacht hij er over na, zijn ogen werden er stil van. Toen keerde hij terug naar een stad, waar hij reeds eerder was geweest: Danzig, de oude bekende. Als hij daar niet vond, wat hij zocht, dan vond hij het nergens meer. De kostbaarste schat van de aarde!

Weer ging hij dagenlang zoekend rond. Schatten legde men hem voor, nooit gezien, en die stellig hun gewicht in goud waard waren. Doch hij schudde steeds het hoofd en ging, zoals hij kwam. De kostbaarste schat van de aarde! Toen kwam hij in een pakhuis, waar men hem lachend tarwe aanbood, prach­tige, roodbruin-glanzende tarwe! Hij lachte niet terug. Zeer ernstig trok zijn gezicht. Hij nam de korrels in zijn hand en bezag ze. Ze waren groot en vast en er lag zo’n schoon licht overheen. Tarwe? De kostbaarste schat van de aarde, tarwe? Eén korreltje zinkt in de aarde en het ligt daar en wacht. God zendt zijn zonneschijn, God zendt zijn regen bij tijden. En het zwelt en het spruit uit en een halm schiet boven de aarde omhoog, de wind doet deze bui­gen en vaster groeien. Gods licht en Gods aarde voeden hem, een aar ontwringt zich aan de omklemming der bladeren en groent en groeit, en geelt in de zomerzon, en vele korrels komen er uit die ene. En de mens voedt zich ermee, hoe moeilijk wordt zonder deze korrels hem het leven! Is dit geen wonder? Is dit niet de kostbaarste schat? Kan een mens van bontmantels leven? Leeft een mens van goud en zilver en edelsteen? Harde, dode dingen zijn het, waarbij de mens zelf de dood vindt.

Nu lachte de schipper, een blijde, gelukkige lach.
— Laadt mijn schip daar vol mee! beval hij.

Voor de wind zeilde hij huiswaarts, de zeilen bol, het hart vol dankbaarheid, dat hij zo goed had gekozen. Is de tarwe geen schat? De aarde zelf brengt haar voort, onder het nijvere werk der handen, onder Gods zegen. Wat is de mens zonder haar? Waai, windje, waai, opdat we spoediger thuis zijn! Hij stond voor op het schip, toen het de haven binnenviel. Hij zag de mensen snel naar de aanlegplaats lopen, één gestalte daartussen herkende hij dadelijk. Hoog en recht was ze, en ze droeg een gewaad, waar de zon schitterende glan­zen op wierp. De Vrouwe!

Hij streek zich voldaan langs zijn zeemansbaard. Hij lachte, de Vrouwe zou voldaan zijn. Hij riep zijn volk de laatste bevelen toe. Snel gleed het schip naar de walkant.

Een hoge stem trilde plotseling door de lucht. De Vrouwe riep! Nog
ver­stond de schipper geen woorden. Maar zijn gestalte werd rechter. Hij nam de muts van zijn haar en riep een heilwoord.

Even was er toen niets dan het geluid van de wind door de touwen, dan het geluid van het water, opslaand tegen de boeg. Toen trilde weer die hoge stem naar hem over het water.
– Wat breng je me, schipper?
– Tarwe, Vrouwe, de heerlijkste tarwe, die ik ooit zag!

Weer was er een stilte. Daarin gleed het schip zijn laatste vaart uit. Een zwarte vogel kruiste de baan tussen de schipper en de Vrouwe van
Sta­voren. Luider klonk nu haar stem, kort en driftig sneed ze door de lucht.
– Versta ik je goed, schipper? Tarwe? Zeg je tarwe?
– Tarwe, ja Vrouwe! Zo heerlijk kocht ik ze nooit! Zo groeit ze nergens in heel ons mooie Friesland!

lneens sloeg er een laaiend gejoel op uit de menigte langs de kant.
– Tarwe! Haha, wat is de Vrouwe er tussen genomen! Hij kocht tarwe, horen jullie lat? De kostbaarste schat, waar ze weken en weken op gewacht heeft!
Hallo,Vrouwe, versier daar Uw kamers mee! Rijg er blinkende kettingen van, Vrouwe! Parels van tarwe, hahaha!
Wit van drift ijlde de Vrouwe nu over de loopplank.
– Spot je, schipper?
Haar ogen schoten vuur, boos en wreed.

– Tarwe, zo is het, Vrouwe. Wie kent er kostbaarder schat? „Geef ons heden ons dagelijks brood”, bidden we toch alle dagen.
Ons dagelijks brood! Ons dagelijks brood!
Ze hijgde van boosheid en teleurstelling. Kwaadaardig stonden de ogen in haar gelaat, wit verwrongen. Tarwe? Ze stampvoette. — Man, waar zit je verstand! Man! Mens! Tarwe, zeg je tarwe?
En dan giftig van drift: — Aan welk boord laadde je dat goedje in? Aan bakboord, zeg je, aan bakboord? Zeil dan onmiddellijk de haven uit en werp het over stuurboord in zee! Geen praatjes, gehoorzaam!
De tegenwerpingen van de schipper vergingen in het gejoel, dat uit de menigte aan de wal opsteeg. Hoera, voor de Vrouwe van Stavoren, hoera! Zo is het goed! Die schipper gooide de naam van onze fiere koopstad te grabbel! De Vrouwe redt deze naam weer. In zee met dat spul! Vooruit nu maar, schipper! Over stuurboord, over stuurboord!

In dit ogenblik ijlde een oude, magere man de loopplank over naar het schip. Alles zweeg plotseling.

— Vrouwe, ging de stem van die man hees en moeilijk, — hoor naar een arm, oud mens! Verspil zo Gods schone gave niet! Geef ze de armen, als ge ze zelf niet wilt hebben! Tarwe is voedsel, Vrouwe, God gaf ze, opdat de mens zal leven. Zo ge iets goeds wilt doen, geef ze dan aan de armen!

Hij keek de Vrouwe van Stavoren smekend aan, maar hij zag niets dan een paar koude, genadeloze ogen.
– Vrouwe? vroeg de oude nog eenmaal.
– Ik spreek niet met bedelaars, kwam het koel bescheid. Meteen, met een bevelend gebaar, beval ze de schipper haar opdracht uit te voeren.

Toen richtte zich ook de bedelaar hoog op, zijn gestalte werd jonger en scho­ner. Zijn stem kreeg een wondersterke, verdragende klank, zodat alle mensen op het schip en aan de wal hem konden horen.

— Gij veracht in uw hoogmoed het graan, riep hij uit, — gij veracht de mens, die in armoede moet leven. Mij noemt ge een bedelaar! Eens — Vrouwe van Stavoren, hoort ge mij? — eens zult ook gij in armoede leven! Eens zult ge rondgaan, bidden om een bete broods, en met u allen, die als gij zijn! Let op mijn woorden! Eens worden zij waar!

Groot en machtig was zijn stem aangezwollen. De menigte zweeg. Ging er angst over de mensen? Wie was deze man? Zijn woorden waren van dreiging zwart. Zag deze man in de toekomst? Of… of… ?

Doch reeds trok de Vrouwe van Stavoren hun aandacht weer. Een smadelijke lach klonk van haar lippen.
— Bedelares? Ik? Man, hoe waag je het zo te spreken?
Heftig rukte zij een kostbare ring van haar vinger af. Fel weerkaatste een grote diamant het zonlicht.
— Bedelares! Ik?
Met een wijde boog wierp ze de ring over boord.
— Bedelares? Ik? Wie kent mijn schatten? Wie telt ze? Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw profetie waar wordt! En nu… van mijn schip af!

Gebiedend strekte ze haar hand uit. Luid bijvalsgejuich steeg op. De mensen verdrongen zich naar de loopplank. Leve de Vrouwe van Stavoren! Zó moet men een bedelaar te woord staan! Zó houdt men de eer van Stavoren hoog! Weg met die man! Over stuurboord te water! Te water! Lijven verdrongen zich, armen rekten zich grijpend. Maar ieder greep vergeefs, ieder drong vergeefs op. De magere, oude man was nergens meer. Hij was op raadselachtige wijze verdwenen. Ze lachten er eerst om. Toen kwam een vreemde stilte over hen. Wat had hij ook weer gezegd? Hoe zag hij eruit, toen die woorden door hem werden gesproken? Vreemde woorden waren het.
Er lag een angstigmakende bedreiging in. Ze voelden een huivering over hun lijf gaan. Sommigen slopen naar huis, anderen stonden zwijgend op de wal en zagen toe, hoe het schip langzaam de haven uitdreef; toen hoorden ze het rammelen van ankerkettingen. Er was geen wind meer. De scheepsvlag hing slap neer. Ze zagen, hoe de tarwe in zee viel. Ze bleven niet lang. De kade werd leeg. Alleen de Vrouwe bleef koud en onbeweeglijk toezien.

Er gingen enige weken voorbij, waarin de Staverse burgers grote gebeurtenissen verwachtten. Maar niets bijzonders geschiedde. Het schip van de Vrouwe van Stavoren voer weer uit, doch met een andere schipper. De oude, ervaren kapitein kreeg zijn ontslag. Een man, die haar opdrachten op zo’n vreemde wijze uitvoerde, kon de Vrouwe niet meer gebruiken. Nog enige tijd sprak men daarna in de stad over het gebeurde en over de voorspelling van die bedelaar, die zo plotseling was verdwenen; daarna zweeg men erover. Schip na schip zond de Vrouwe van Stavoren in zee, zodat op het laatst haar gehele vloot in de vaart was. Ze keerden tegelijk en brachten grote winst. Haar rijkdom verdubbelde zich nog in die dagen. Een enkele keer dacht ze nog weleens aan die bedelaar en aan de voorspelling, die hij gedaan had. Dan speelde een trotse glimlach om haar lippen. Zij een bedelares? Zou er ergens op aarde een koning zijn, die zo rijk als zij was? Zij een bedelares? Zie, hoe haar rijkdom groeide met de dag! Zij een bedelares? Nooit! Nooit! Had ze het niet gezegd: Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw voorspelling uitkomt! .
Ze lacht voldaan en gaf bevel al haar schippers bij haar te laten komen. Ze kwamen en bogen en zagen haar eerbiedig aan, wachtend op haar bevelen.
– Mannen, zei ze, — gij vertrekt heden allen tegelijk. Ik zal uw schepen met goud laten vullen. Gij zeilt allen heen en keert tegelijk terug en brengt mij de schoonste en kostbaarste schatten der aarde.
Even zagen ze elkander tersluiks aan. Groter opdracht was nog nooit in de koopstad gegeven, nooit groter en nooit gevaarlijker ook. Want wat zou er gebeuren, als een storm over hun vloot, over al hun schepen tegelijk, viel?
Het weer is wisselvallig op zee, de gunst van de zeegoden is wisselvallig. De oudste schipper sprak schuchter een woord van waarschuwing tegen de Vrouwe. Maar ze lachte honend. — Zijt ge bang? vroeg ze. — Zijn jullie oude vrouwen geworden? Gaat!

Toen bogen ze en gingen. De vloot zeilde de haven uit. Het was een prachtig gezicht, al die zeilen wit en blinkend tegen de hemel! Trots keek de Vrouwe van Stavoren ze na. Alleen een wolk, laag aan de horizon, blonk nog witter.

Diezelfde avond bereidde de dienstmaagd in de keuken vis voor de Vrouwe van Stavoren. De Vrouwe had een heel grote vis gekocht van een vreemde visser, die hem voor veel geld aanbood. De Vrouwe telde geen geld, als er iets bijzonders voor haar te verkrijgen was. Ze gaf de man nog meer dan hij gevraagd had.

Toen de vis schoon was, zag de dienstmaagd, dat er iets glinsterends op het aanrecht lag. Ze nam het op, het schitterde oogverblindend. Een gouden ring was het, met een grote diamant! Haar ogen gingen van verbazing wijd open. Toen herkende ze. Ook haar mond opende zich. De ring! De ring van de Vrouwe! Die ze in zee wierp! — Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug, dan dat…
— Vrouwe! kreet ze. — Vrouwe!
Ze ijlde naar de kamer, waar de Vrouwe was. Angst puilde uit haar ogen.
— De ring, Vrouwe! De ring! Eer keert deze… ! O, Vrouwe!

Met de ring in de handen bleef de Vrouwe van Stavoren enige ogenblikken zwijgend staan. Ze verstijfde. Buiten loeide een windstoot. Een tweede volgde. Haar wangen trokken wit.
— Ga, zei ze toonloos tegen de dienstmaagd.

Alleen gebleven, moest ze moeite doen om niet door de knieën te zakken. Maar ze vermande zich. Geen zwakheid nu! Wat zou haar kunnen over­komen?

Met moeite zette ze zich en lang zat ze in gedachten. Het bruiste in haar hoofd. Ze verzette zich. Ze wou opstaan, maar ze kon niet. Men meldde haar, dat de avondspijzen waren opgedist. Ze bleef roerloos zitten. De stemmen van de mensen kwamen van heel verre tot haar. Ze speelde met de kwasten van het tafelkleed, een angstig voorgevoel kneep haar de borst samen. — Ik moet wat doen, dacht ze. Maar ze deed niets.

— Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug… En nu was de ring daar!

Ze beet zich op de lippen. Nooit had ze angst gekend, en nu, nu kneep de angst mét haar borst haar keel dicht. Ze ademde moeilijk. Machteloos ging ze naar bed. Die nacht lag ze bibberend wakker als iemand die hoge koorts heeft. Buiten huilde de stormwind. Daar luisterde ze naar. Huilde of lachte de storm? Dreef hij de spot met haar? Ze sloeg de dekens over haar hoofd heen.

Voor de ochtend grauwde was ze reeds weer in de kleren. Ze at en ze dronk niet. Ze wilde naar de haven toe. Het was, of ze daar heen werd gedreven. Ze opende de buitendeur, zwaar van goud, en wilde de stoep afgaan. Een man beklom juist de treden, een bode.

— Vrouwe van Stavoren, Uw gehele vloot is vergaan! De brokstukken drij­ven reeds op de kust aan!
Ze sprak niet. Ze keerde zich woordeloos om en sloot zich in haar kamer op

Sindsdien volgde tegenspoed op tegenspoed. Binnen enkele jaren was de Vrouwe van Stavoren straatarm. Haar haren waren grijs geworden van zorg en verdriet, haar gestalte begon zich te krommen. Ze was nog jong van jaren, maar als een oud vrouwtje ging ze bedelend over de straat.
– Het Vrouwtje van Stavoren! werd haar door onbarmhartige jongens nageroepen.
– Het Vrouwtje van Stavoren, mompelden vele rijken, die haar komen zagen en ze sloten gauw hun deur.

Het Vrouwtje van Stavoren werd een verlatene, een uitgestotene. Echter ook voor vele van haar rijke medeburgers kwam eenmaal de tijd, dat ze hun rijkdom als was in de zon zagen smelten.

— Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods, en met u allen, die zoals gij zijn!
Zo luidde immers de voorspelling van de oude man.
Maar hoe kon dat waar worden? Zonden dan ook deze rijken al hun schepen tegelijk op zee? Werden ook deze schepen door één storm van de aarde geblazen. Neen, deze mensen waren verstandiger, toch trof ook hen het noodlot.
Aan stuurboord was de geminachte tarwe vlak voor de haven in zee
gestort. Er was zoveel, dat een heuveltje rees boven het water. Dat verspreidde de golfslag al gauw, maar het bleef op die plek ondiep. Zand vermengde zich met de tarwe. Een grote bank vormde zich daar. Daar kon geen schip meer overheen. De schepen moesten een omweg maken. Maar het volgende jaar was de zandbank nog groter geworden. Slechts door nauwe geulen konden de schepen nog de haven binnenvaren.

En ziet, en ziet… de een wees het die zomer de ander aan. Groeide daar tarwe in de wateren? Halmen schoten boven de golven op, halmen groenden, halmen bogen op de wind en op de golfslag. Aren wuifden in de wind—
Dat wordt goed, mensen! Ons loopt het mee! Zelfs in de zee groeit voor ons het koren. En we zaaiden het niet eens!

In de zomerzon geelden de aren. Maar er was iets bijzonders mee. Ze bogen zwaarte niet over. Ze stonden rechtop en wiegden rechtop mee in de wind. Vreemde aren waren het, daar groeide vreemde tarwe. Toen men, nieuwsgierig geworden, de aren onderzocht, waren ze alle leeg. Korrelloos rees uit de zee op. — Tarwe, wat is nu tarwe! Hoorden ze hun eigen spottende stem? — Rijg er kettingen van! Leve de Vrouwe van Stavoren, die de eer van onze stad hoog houdt!

Waren dat hun eigen woorden niet? — Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods! Waren dat niet de woorden der voorspelling? Vrees vervulde de stad. Naderde de ondergang nu? De voetstappen klonken doffer in de straten. De zandbank breidde zich snel uit. Geen schip kon op het laatst de haven meer in. De eens zo bloeiende handelsstad was ten dode veroordeeld. De pakhuizen raakten leeg, maar vulden zich niet meer. De beurzen raakten leeg, maar er kwam geen nieuw goud in. De huizen raakten leeg, vele mensen verlieten de stad, en die bleven konden in zulke dure huizen niet wonen. Ze vervielen. De tijd sloopte ze. De armoede waarde rond in de snel vervallende stad. Het verkeer stond stil. Gras groeide tussen de straatstenen.

En op de zandbank buiten de haven wuifden duizenden lege halmen in de wind. „Het Vrouwezand” noemden het de mensen. Ze keken er vaak met duistere ogen naar. Schuld kneep om hun hart. Krijsend vlogen er vaak de meeuwen over.

Meer;    afbeeldingen

Hoe de zandplaat werkelijk ontstaan is

Aardrijkskunde 4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

749-686

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-2)


 .

Opkomst en verval van de adel
.

De macht van het zwaard

De adel dankte zijn bestaan voor­namelijk aan het ontbreken van een sterk gezag in de middeleeuwen. Vorstenhuizen als de Merovingers, de Karolingers, de Capetingers, de Ottonen en de Hohenstaufen wisselden elkaar af. Zelfs een genie als keizer Karel de Grote wist West-Europa maar voor korte tijd tot eenheid te brengen. Onder zijn zwakke opvolgers viel het rijk uiteen in talrijke staten en staatjes. Oorlogen werden met een grote regelmaat gevoerd. Strubbelin­gen waren aan de orde van de dag. Invallen van barbaren kon men steeds weer verwachten. De enige macht die gold, was de macht van het zwaard. En die macht lag bij de adel.

Een besloten groep

De adel is ontstaan uit de militaire stand. De edellieden waren de
be­roepsmilitairen van de middel­eeuwen. Een vrij man die een paard bezat en er in naam van de koning geducht op los hakte, werd al spoedig tot ridder geslagen. Soms ontving hij als beloning voor zijn moedig gedrag een stuk grond. Zo kreeg de adel niet alleen de militaire macht, maar ook de macht van het grootgrondbezit. De adel ontwikkelde zich tot een besloten groep. Edelman werd men door geboorte. Het werd zelfs als een zonde beschouwd, als een gewone burger ernaar streefde edelman te worden. ‘Het zou tot een gruwelijke verwildering van de zeden leiden als de hogere standen vernederd werden tot de lagere en deze opstegen tot de hogere. God heeft zijn volk op aarde in verschillende standen ingedeeld,’ verzekerde Hildegard van Bingen, een vrome abdis die in de middel­eeuwen zeer veel aanhangers telde. Zij was van mening dat eerst het lichaam van een mens werd ge­schapen en daarna pas de ziel. En voor die ziel zocht God de ouders uit die daarbij het beste pasten. Zo kwam een edele ziel altijd terecht in een edelman en een veel lagere ziel moest zich tevredenstellen met een boer. Wie met deze schikking van God niet tevreden was, maakte zich schuldig aan een verschrikkelijke zonde. In dit licht gezien is het begrijpelijk dat de vrome abdis haar eigen klooster vulde met uitsluitend hooggeboren jonkvrouwen…

Internationale broederschap

De broederschap van de edellieden strekte zich uit over alle landen. Dat had in tijden van oorlog soms merkwaardige gevolgen. De overwinnaars spaarden vaak hun adellijke tegenstanders, maar het gewone volk werd zonder mededogen tot de laatste man uitgemoord. Zoiets vonden de edellieden heel gewoon. Toen in 1346 de slag bij Crécy was uitgevochten nodigden de Engelse edellieden die als overwinnaars uit de strijd voorschijn waren gekomen, de gevangen genomen Franse edellieden uit om gezamenlijk te feesten en te drinken!
Een edelknaap werd op 7-jarige leeftijd page en op 14-jarige leeftijd schildknaap. Als hij 21 was geworden kon hij tot ridder worden geslagen. Maar in de latere middeleeuwen gebeurde het vaak, dat een schildknaap niet veel voelde voor het ridderschap. Velen wijdden zich liever aan de wetenschap of de kunst, zoals die in de kloosters werd bedreven. In zo’n geval werd de ridderslag achterwege gelaten en bleef hij zijn leven lang schildknaap. In Engeland kwam dat zó vaak voor, dat de Engelse betiteling voor schildknaap ‘esquire’ aan elke vrije burger werd gegeven.

Edelman en zakenman

De edelen leefden, materieel gezien, altijd boven hun stand. Hun kastelen kostten handenvol geld en vechten was een dure bezigheid. De edelen persten hun horigen zo veel mogelijk uit. Maar misoogsten kwamen vaak voor en van een kikker kon zelfs een edelman geen veren plukken.
Vaak trok de ridder ten strijde en dan moest hij het bestuur van zijn gebied overlaten aan een rentmeester, een zogenaamde meier. Vele meiers zagen dan hun kans schoon om hun eigen zakken te spekken.
Het belangrijkste bezit van de adel was grond. De waarde daarvan werd minder, toen de steden opkwamen. Geld werd toen steeds belangrijker. De adel leed voortdurend geldgebrek. Dat bracht de ridders ertoe, veldslagen als een zakelijk bedrijf te beschouwen. Waren er veel ridders gevangen te nemen die een hoog losgeld zouden opbrengen, dan was het de moeite waard om zich flink in te spannen…

Ideaal en werkelijkheid

Ridders hadden hun eigen erecode. Wie daartegen zondigde, werd
barbaars gestraft. Een ridder die een paar koeien van een weduwe had gestolen, werd levend gekookt. Ridders die een koopman plunderden, werden ter plaatse opgehangen. Schenders van jonkvrouwen werden met een houten zaag het hoofd afgezaagd.
In oorlogstijd golden andere wetten. Dan waren de ridders die een dorp hadden veroverd en alleen de mannen vermoordden, al zeer barmhartig. De ridder had een hooggestemd ideaal. Maar hij kwam er zelden toe iets van dat ideaal te verwezenlijken. De werkelijkheid trad steeds als een storende factor op. Er zal zelden een tijd zijn geweest waarin ideaal en werkelijkheid zo ver uit elkaar lagen als in de middeleeuwen.

Nieuwe wapens

De macht van de adel berustte op het zwaard. Daarom begon de adel in verval te geraken, toen andere strijdmethoden dan het gevecht van man tegen man hun intrede deden. De kruisboog, het wapen van het gewone voetvolk, werd groter en sterker. De kruisboog werd zo zwaar, dat hij moeilijk meer met met de hand was te spannen. Daar moest een man ‘op gaan liggen’. De pijlen van zo’n zware kruisboog konden dan ook op 200 m afstand een plank van 2 ½ cm doorboren.
De maliënkolders van de ridders waren niet be­stand tegen deze pijlen. Maar het voetvolk schoot bij voorkeur op de paarden van de ridders. Als een paard door een pijl werd getroffen, begon het dier wild te steigeren en wierp zijn ruiter af. Op de grond was  een geharnaste ridder een verloren man. Hij kon in zijn zware, ijzeren harnas nauwelijks een stap verzetten. Zwitsers, die vaak als huurlingen meevochten met de vorst die het meest betaalde, kwamen met een nieuw wapen: de hellebaard. Een hellebaard was ongeveer vier meter lang en had aan het uiteinde een bijl met een haak. Met de haak trokken de Zwitsers de ridders van hun paarden en daarna hakten ze er met de bijl op los. De Zwitsers maakten ook pieken van ongeveer zes meter lengte. Als ze in een rij stonden opgesteld met hun scherpe pieken vooruit, dan bedacht een ridder zich wel even voordat hij daarop los­stormde.

6e klas adel 1

Het buskruit

De uitvinding van het buskruit maakte ten slotte de edellieden helemaal tot hulpeloze ridders. De Chinezen had­den het buskruit uitgevonden en de Mongolen brachten het explosieve kruit bij hun veroveringstochten naar het Westen. Maar het heeft lang geduurd voordat de Europeanen het doeltreffend konden gebruiken. De monnik Barthold Schwarz moest het buskruit (omstreeks 1325) nog eens opnieuw uitvinden.

De eerste schietwapens waren zeker schrikaanjagend, maar doelen wer­den er zelden mee getroffen. Ze waren eerder gevaarlijker voor de schutters dan voor de vijand, want de ‘kanonnen’ sprongen op de meest ongelegen momenten uit elkaar. Om­streeks 1400 was de techniek zover gevorderd, dat men grote kanonnen kon bouwen. Ook van de uitwerking van die kanonnen moet men zich geen al te overdreven voorstelling maken. Ze konden hoogstens zeven schoten per dag afvuren, want alleen al voor het laden had men twee uur nodig…

Tijdens het beleg van een stad of een kasteel had het kanon wel degelijk een belangrijke uitwerking. De muren konden stukgeschoten worden, zonder dat de belegeraars dicht in de buurt van die muren hoefden te komen.
Het handgeweer heeft ook lange tijd nodig gehad voordat het uiteindelijk bruikbaar was. Maar ten slotte kwam het toch zover dat het voetvolk de ridders zonder al te grote moeite kon verslaan. De militaire taak van de ridders werd in Europa overgenomen door de huurlegers, die zich aan de meest biedende vorst verhuurden.

Een noot zonder pit

Het verval van de adel werd bespoedigd door de opkomst van de steden. De stedelingen betaalden de boeren graag goed voor hun producten. Maar de boeren waren horigen, die de opbrengst van het land dat ze bewerkten moesten afstaan aan hun heer. Ze mochten alleen het deel behouden, dat ze nodig hadden voor eigen gebruik.

Als een horige echter naar een stad vluchtte en na een jaar en een dag niet door zijn heer was opgeëist, dan was hij vrij. Het feit dat ‘stadslucht vrijmaakte’, werd nogal eens benut. De steden hielden van orde en rust. Als de edelen in de buurt het een stad lastig maakten, werd vaak steun gezocht bij de vorst. Die zag meestal graag dat de lastige adel wat minder machtig werd. De samenwerking tussen de vorst en de steden werd een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de adel. Frankrijk en Engeland werden goed georganiseerde koninkrijken. Tradities ver­dwenen en werden vervangen door moderne wetgeving De taak van de adel was voorbij. Het ridder-ideaal had geen inhoud meer. Wat er van ovcrbleef was een naam, niet meer. Iemand schreef omstreeks 1450: ‘Een noot zonder pit en een ei zonder dooier.’

Voor 400.000 francs aan ridders…

Froissart,  een Franse middeleeuwse kroniekschrijver, wist over de zakelijke kant van het ridderschap sterke staaltjes te vertellen. In een veldslag tussen 1.800 Engelse en Franse ridders waren na een hele dag vechten slechts drie ridders gesneuveld. Maar er waren al wel 140 gevangenen gemaakt. En dat gebeurde niet omdat ze elkaar ‘om de vreze Gods’ spaarden, zoals een tijdgenoot meende! Froissart verhaalde ook dat eens door een misverstand de Engelsen al hun Franse gevangenen ombrachten. ‘Zie wat een kwaad avontuur die dag,’ schreef Froissart, ‘ze sloegen wel voor 400.000 francs aan Franse ridders dood…’

Leenheren en leenmannen

Strijders te paard

In de maand oktober van het jaar 732 rukte een grote Arabische
strijd­macht Frankrijk binnen. Eerder had­den ze al Spanje en Portugal ver­overd. Het bedreigde Frankrijk werd in die dagen geregeerd door Karel Martel. Een kleinzoon van Karel Martel zou later de beroemde Karel de Grote worden. Karel Martel trok met zijn leger de Arabieren tegemoet. Hij wilde niet alleen het Franse grondgebied bevrijden van de indrin­gers, maar ook het christendom be­schermen. Frankrijk was juist tot het christendom bekeerd en de Arabieren probeerden overal waar ze kwamen hun mohammedaanse godsdienst, de islam, ingang te doen vinden. De legers ontmoetten elkaar in de buurt van Poitiers. Toen Karel Mar­tel de Arabische strijdmacht zag, schrok hij hevig. Alle Arabische strijders zaten te paard, terwijl Karel Martel maar over een kleine ruiterij beschikte. Zijn leger bestond voor­namelijk uit voetvolk. Bovendien bleken de Arabieren een uitvinding te hebben gedaan, die het vechten te paard aanzienlijk gemakkelijker maakte. Ze hadden de beschikking over stijgbeugels!
Met de moed der wanhoop stelde Karel Martel zich te weer. Zijn leger vormde een muur, die ondanks alle stormlopen van de Arabieren
on­neembaar bleek te zijn. Na zware gevechten, die zeven dagen duurden, kwam hij uiteindelijk als overwin­naar uit de strijd te voorschijn. Maar hij had zijn les geleerd! Hij gaf opdracht voortaan te zorgen voor paarden, voorzien van stijgbeugels.

Grond voor geld

Het aanschaffen van paarden, har­nassen en stijgbeugels kostte geld. Maar over geld beschikte men in de middeleeuwen nauwelijks. Men leef­de van de landbouw. Rijkdom werd uitgedrukt in de hoeveelheid land die men bezat. De opbrengst van het land was het ruilmiddel dat als betaling diende.
Karel Martel gaf grote grondge­bieden – ontnomen aan de kerk – in leen voor de kostbare militaire bij­stand die hij van de edellieden vroeg. De opbrengst van de grond mochten ze houden, maar de grond werd niet hun eigendom. Zo ontstond de ver­houding tussen leenheer en leenman.

De middeleeuwse piramide

De middeleeuwse samenleving was opgebouwd als een piramide. Aan de top van de piramide stond de keizer of de koning als de grote leenheer. Onder deze grote leenheer stonden enkele zeer machtige leenmannen, die op hun beurt weer land in leen gaven aan achter-leenmannen. Maar ook deze achter-leenmannen gaven weer grond in leen. De piramide verbreed­de zich steeds verder. De voet van de piramide werd ten slotte gevormd door leenmannen die te arm waren om zelf als leenheer voor andere leenmannen op te treden. Deze opbouw van de middeleeuwse maatschappij wordt het ‘feodale stel­sel’ genoemd. Elk stukje grond, hoe klein ook, had zijn eigen heer. Helaas was die duidelijke opbouw in de praktijk niet zo doorzichtig.

Verwarrende toestanden

Het kwam niet zelden voor dat een en dezelfde leenman van verschillen­de leenheren stukken grond in leen kreeg. Zo hadden de graven van Champagne in Frankrijk maar liefst negen verschillende leenheren. En een graaf in Beieren had zelfs twintig verschillende leenheren. In de prak­tijk leidde dat vanzelfsprekend tot grote moeilijkheden. Een leenman met veel leenheren kon nooit aan al zijn verplichtingen voldoen. Het kwam er dan meestal op neer dat hij één van zijn leenheren beschouwde als opperleenheer. Met zijn verplich­tingen ten opzichte van de overige leenheren nam hij het dan niet al te nauw.
Soms kwam het voor dat een leen­man meer macht bezat dan een leenheer. Dat was bijvoorbeeld het geval met de hertogen van
Normandië. Die waren veel machtiger dan hun leenheren, de koningen van Frankrijk.
Ook in Engeland kende men deze situatie.
De Engelse leenmannen wisten in 1215 hun koning Jan zonder Land een overeenkomst af te dwingen, de ‘Magna Charta’, waarin de
weder­zijdse rechten en plichten nauwkeurig werden omschreven. Sommige leenmannen trachtten hun macht uit te breiden door eenvoudig het gebied van een naburige leenman te veroveren. Talloze kleine oorlogen waren daarvan het gevolg, evenals voortdurende stormlopen op elkaars kastelen.

Een vrijwillige overeenkomst

De verhouding tussen leenheer en leenman is niet te vergelijken met de verhouding tussen meester en knecht. Het was een vrijwillige overeenkomst, aangegaan tussen twee vrije mensen, gesloten ‘te goeder trouw’.
De gedachte die daaraan ten grondslag lag, was al heel oud. Germanen als de Galliërs kenden reeds vóór de middeleeuwen machtige lieden, die een aantal volgelingen om zich heen verzamelden. Die volgelingen werden door hun leider beschermd, terwijl zij op beurt hun leider bij stonden. Bij de Galliërs heette zo’n machtige man ‘senior’, wat ‘de oudere’ betekent. Dat woord ‘senior’ is blijven bestaan als seigneur, sieur of sir.
Een volgeling van een senior heette een ‘vasallus’.Deze naam werd in het middeleeuwse leenstelsel vervormd tot ‘vazal’.

Bescherming en bijstand

Het sluiten van de overeenkomst tussen een leenheer en zijn leenman was een plechtige gebeurtenis. De vazal knielde voor zijn leenheer neer en hief zijn gevouwen handen omhoog. De leenheer omvatte die handen als teken van bescherming en kuste de vazal op de mond als bezegeling van hun overeenkomst. Daarna kreeg de nieuwe vazal symbolisch een geschenk. Vaak was dit een staf, maar het kon ook een kluit aarde zijn, als symbool van de grond die hij in leen kreeg. In de leenovereenkomst beloofde de leenheer zijn vazal met al zijn bezittingen te beschermen. Aan de andere kant beloofde de leenman zijn heer raad bijstand te geven.

Militaire hulp

Die bijstand betekende in de eerste plaats militaire hulp. De leenman moest voor een bepaald aantal soldaten zorgen, als zijn heer in oorlog raakte. Die soldaten moesten op kosten van de leenman met een volledige militaire uitrusting worden geleverd. Een niet geringe verplichting, vooral als de leenman een leenheer trof die nogal oorlogszuchtig was. Om ervoor te zorgen dat de vazal zich niet verplichtte tot iets wat hij toch nooit zou kunnen nakomen, werd in de leenovereenkomst de militaire hulp meestal beperkt tot een aantal dagen per jaar. Vaak kon de leenheer zijn vazal niet langer dan veertig dagen per jaar tot militaire hulp verplichten.

Gratis logeren

Maar behalve tot militaire hulp was de leenman ook tot andere bijstand verplicht. Zo kon de leenheer met zijn hele gezin op het landgoed van zijn vazal neerstrijken en daar gratis kost en inwoning genieten. Ook dit voorrecht was gebonden aan een maximum aantal dagen, om misbruik tegen te gaan. Soms moest de leen­man zijn leenheer met goederen en geld steunen, als de leenheer grote uitgaven moest doen. Dat kwam nog­al eens voor als de leenheer een feest ging vieren. De bruiloft van zijn zoon of dochter was bijvoorbeeld een goede aanleiding tot zo’n feest, dat vaak wekenlang duurde.
Al te inhalige leenheren werden wel eens door hun vazallen ter
verant­woording geroepen. Een historisch voorbeeld daarvan is de opstand van de Engelse edelen tegen hun leenheer koning Jan Zonder Land.

Een kroning uitgesteld

Jagen was de voornaamste sport van de edellieden in de middeleeuwen. Vooral de valkenjacht was zeer ge­liefd. Het jagen met roofvogels was reeds lang voor de middeleeuwen bekend. De oude Chinezen hadden deze vorm van jagen reeds beoefend, evenals de Romeinen. Omstreeks 500 begon de valkenjacht onder de edelen in Duitsland een geliefde sport te worden. Deze sport werd zo’n rage, dat op zekere dag zelfs de kroning van een keizer moest worden uitge­steld, omdat de man toevallig op valkenjacht was. Voor een dergelijke gebeurtenis wenste hij niet voortijdig van de valkenjacht terug te keren… Van 1218 tot 1250 werd het Heilige Roomse Rijk (Duitsland en Italië) geregeerd door de beroemde keizer Frederik II. Deze keizer was behalve een geniaal diplomaat ook dichter en geleerde. Tot de belangrijkste werken die hij schreef, behoort een stan­daardwerk over de kunst van het jagen met valken!

De valk werd een loer gedraaid

De slechtvalk, de soort valk die het meest voor de jacht werd gebruikt, was ongeveer 45 centimeter groot. Hij was een zeer felle jager. Als hij een prooi zag, steeg hij eerst tot grote hoogte op, om zich daarna loodrecht op zijn prooi te laten neervallen. Het africhten van valken voor de jacht was een langdurig werk, waar veel geduld voor nodig was. Eerst moest men de vogel leren zitten. Daarna werd binnen in het valken­huis verder met hem geoefend, met dode vogels als prooi. Bij de oefenin­gen buiten werd de valk aan een lang koord gebonden. Keerde de valk na het veroveren van een prooi vanzelf weer op de hand van zijn meester of meesteres terug, dan was hij klaar voor de jacht. Het africhten van een valk voor de jacht zou heden ter dage een klein fortuin kosten…
Voor de jacht werd de valk een leren kapje over het hoofd getrokken, vaak voorzien van een pluim. Hij was dan opgetuigd. Had hij een vogel gevangen, dan werd voor hem ‘de loer gedraaid’. De loer was een leren kussentje met een stuk vlees er op, dat aan een lange riem werd rondge­draaid. Dat maakte een heel typisch geluid. De valk was zo afgericht, dat hij bij het draaien van de loer terug­kwam naar zijn meester. Behalve met slechtvalken werd ook wel gejaagd met boomvalken, havi­ken en zeearenden.

Jagen met de katapult

De valkenjacht was alleen weggelegd voor edelen. Zo’n jacht ging altijd gepaard met grote feesten. De ge­wone man mocht eigenlijk niet jagen. Het jachtrecht was voorbehouden aan de edelen. Alleen de koning kon het jachtrecht verlenen. Maar dat er werd gestroopt, staat wel vast. Zo’n stro­per gebruikte dan pijl en boog om mee te jagen. Die pijlen schoot hij af met een katapult of met een kruis­boog. Vooral de katapult was een krachtig wapen. Het had een reik­wijdte van zo’n 550 meter. Later werd het gebruik van de katapult en de kruisboog voor de jacht door de kerk verboden. De driehoekige of vierhoekige pijlen ver­oorzaakten verschrikkelijke wonden. Maar dit verbod van de kerk haalde maar weinig uit. De katapult bleef een geliefd wapen, zelfs toen er na 1400 vuurwapens in gebruik kwa­men. De eerste geweren, de haakbus­sen, legden het zowel in trefzekerheid als in reikwijdte af tegen de ouder­wetse katapult.

Burchten en kastelen

Niet hoger dan ’n ruiter kon kijken

Aanvankelijk woonde de leenman in een boerenhoeve op zijn leengoed. Het leven was daar niet altijd even rustig. Rondtrekkende roofridders, gewone dieven of ander gespuis kwamen nogal eens een ongewenst bezoek afleggen. Om zich daartegen te beschermen, ging de leenman zijn hoeve versterken. Hij mocht dat niet doen zonder toestemming van zijn leenheer.
Die leenheer voelde meestal weinig voor onneembare behuizingen in zijn gebied. Meestal kreeg de leenman alleen maar toestemming om zijn hoeve met een gracht te omringen en er een palissade omheen aan te brengen. Zo’n palissade bestond uit dicht naast elkaar geplaatste houten palen, die van boven gepunt waren. De leenheer wilde liever niet dat die palissade te hoog werd opgetrokken. Een ruiter te paard moest erover heen kunnen kijken!
Pas in de jaren na 1200 kreeg de leenman het recht de bescherming te bouwen die hijzelf noodzakelijk achtte.

‘Het huis’
Toen de leenman eenmaal het recht had gekregen zijn woning naar eigen inzicht te beschermen, maakte hij daar een goed gebruik van. Overal in Europa werden in groten getale kas­telen gebouwd.
Het woord ‘kasteel’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘castrum’ of
‘castellum’. Een castrum was een ver­sterkt, vierkant Romeins soldaten-kamp.
In het Nederlands wordt behalve van kasteel ook van ‘slot’ of ‘burcht’ of ‘borch’ gesproken. In dat laatste woord zit iets van ‘geborgen’, in de betekenis van ‘beschermd’.
Het verschil tussen al deze benamingen is moeilijk aan te duiden. In de middeleeuwen zelf werden ze zelden of nooit gebruikt. De
middeleeuwer sprak eenvoudig van ‘het huis’.

Woontorens

De leenman, die eindelijk zo vrij was dat hij mocht bouwen wat hij wilde, wenste al gauw niet meer op een hoeve te wonen. Hij bouwde voor zichzelf en zijn gezin een torenachtig gebouw. Dat gebouw diende als opslagplaats voor zijn voorraden, als zijn woning en als zijn versterkte burcht. In het onderste gedeelte bewaarde hij zijn levensmiddelen en zijn krijgsuitrusting. Vaak had hij ook een cel ingericht voor gevangen genomen dieven. Dat onderste gedeelte had alleen maar een deur en een trap naar boven. Die onderste verdieping was alleen maar bereikbaar via de verdieping erboven Daar had de edelman zijn woonvertrekken ingericht. Boven de woonvertrekken lagen de slaapzalen, onder een plat dak. Vanaf dat platte dak kon, vanachter de borstwering met kantelen, het torenhuis worden verdedigd.
Aanvankelijk werden deze woontorens van hout gebouwd. Hout was in de uitgestrekte bossen voldoende voorhanden en de bouw was niet moeilijk. Wanneer de edelman over voldoende werklieden beschikte, was zo’n woontoren in drie weken gebouwd. Later zou men de woontorens van stukken natuursteen of gebakken stenen gaan bouwen.

De eerste kastelen

De stenen woontorens ontwikkelden zich al spoedig tot wat we zouden kunnen beschouwen als de ‘voorlopers’ van de echte kastelen. Men begon met het graven van een slotgracht. Van de grond die daarbij vrij kwam maakte men een heuvel binnen de gracht. Langs de gracht, aan de binnenkant, plaatste men een palissade. Achter die palissade werden de dienstgebouwen en de stallen opgetrokken. Op het hoogste punt van de heuvel werd de woontoren gebouwd.
Een afbeelding van een dergelijk kasteel komt voor op het beroemde wandtapijt van Bayeux, dat de tocht van Willem de Veroveraar naar Engeland in 1066 weergeeft.
Een nadeel van zo’n bouwwerk was, dat het vanaf de hoogte moest worden verdedigd. De verdedigers konden vaak niet zien wat er vlak beneden hen gebeurde. Maar al te vaak werd de muur van een woontoren onder­graven, zonder dat de verdedigers dat tijdig bemerkten!
Men trachtte later de verdediging van een dergelijk kasteel gemakkelijker te maken, door ook om de woontoren nog een gracht te graven. Maar helemaal afdoende was dat toch niet. Er waren vaak goede zwemmers en duikers onder de belegeraars!

6e klas adel 2

Verschillende ringen van onneembaar hoge muren, voorzien van kantelen, omgeven de machtige burcht van Carcassonne (Fr). Binnen de muren van dit kasteel leefden zoveel verschillende ambachtslieden en knechten met hun gezin, dat het eigenlijk een volledig ommuurd dorp was, geheel het eigendom van de trotse kasteelheer.

Vierkante kastelen

Om het probleem van de verdediging van de ‘woontoren’ op te lossen, begon men eerst nieuwe kleine torens te bouwen, vanwaar uit men de muur van de hoofdtoren kon zien. Daarna werden die torens met de muren verbonden. En zo kwam men uitein­delijk tot een vierkant kasteel met ronde torens op de hoeken. Bij die ontwikkeling hebben de kruis­ridders een belangrijke rol gespeeld. Die zagen in het Heilige Land vele rechthoekige kastelen en dat bracht hen op het idee die manier van bouwen ook in eigen land toe te passen. Soms werd één van de torens op de vier hoeken van het kasteel zwaarder gebouwd. Die toren gold dan als het verdedigingswerk dat tot het laatst toe werd behouden. Die belangrijke toren heette ‘donjon’.

Kastelen veranderden in woningen

Met de komst van de vuurwapens rond 1400 kregen de kasteelheren het bijzonder moeilijk. De muren van de meeste kastelen waren niet bestand tegen het geweld van kanonskogels. Hoewel de muren vaak twee of drie stenen dik waren, was het metselwerk meestal van niet al te beste kwaliteit. Een paar kogels konden soms al grote bressen in de muren slaan. Sommige kasteelheren probeerden hun kastelen te beschermen tegen het opkomend vuurgeweld, door de mu­ren te versterken met wallen van aarde. Maar het was onbegonnen werk. Met het kasteel als versterkte woning was het afgelopen. De adel die nog op de kastelen bleef wonen, paste zijn bewoning aan en zocht vooral naar meer behaaglijk­heid. Zo werd vaak de zuidelijke muur afgebroken om een zonniger  binnenplaats te krijgen. Van dergelijke kastelen waren die aan de Franse rivier de Loire goede voorbeelden.
In het Loiregebied werden vele kastelen gebouwd die zelfs nooit bedoeld waren om ooit als verdedigingswerk te dienen. Het waren van het begin af aan uitsluitend luxe woningen voor rijke edellieden.

Een onaangename hark

Hoe zag zo’n middeleeuws kasteel, toen het nog op de verdediging was ingesteld, er van binnen uit? Er was meestal maar een mogelijkheid om binnen te komen, over een smalle ophaalbrug. Achter die brug lag de poort, voorzien van zware eikenhouten deuren ­met een luikje dat beschermd was door ijzeren tralies. Die enige toegangsweg tot het kasteel was ook het meest kwetsbare deel van het kasteel. Daarom werden aan beide kanten van de toegangspoort torens gebouwd. Die torens waren door muren verbonden met een hoge­re toren daarachter. In die laatste toren was een valhek aangebracht. Dat was een hek met ijzeren staven, die van onderen puntig waren. Was een aanvaller al zover gekomen dat hij zich onder dat hek bevond, dan wachtte hem een onaangename ver­rassing. Het hek werd dan vliegens­vlug neergelaten. Als het valhek vóór de aanvaller viel, had hij meer geluk dan wanneer het iets later naar bene­den kwam. Het hek, verzwaard met dikke houten balken, werd ook wel kenmerkend ‘hark’ genoemd.

Brandend pek

De hark was overigens niet de enige verrassing die onwelkome gasten te wachten stond. De muren die de achterste toren met de beide kleine torens naast de brug verbonden, waren rijkelijk voorzien van kante­len. In de kantelen zaten spleten, waardoorheen pijlen en later kogels konden worden afgeschoten. Tussen de kantelen waren openingen, die in het Nederlands ‘mezekouw’ heetten. Ze werden door de verdedigers ge­bruikt om allerlei onplezierige zaken als huisvuil, brandend pek en koken­de olie over de binnendringers uit te storten. Achter de kantelen was de muur verbreed om er gemakkelijk te kunnen lopen. Dat was de ‘weer­gang’.

De levensbron

De torens bij de brug, de muren naar de grote toren met het valhek en die toren zelf noemde men gezamenlijk het voorwerk van het kasteel. Dat voorwerk diende om de zwakste plaats van het kasteel extra bescherming te geven. Achter het voorwerk lag de binnenplaats met de levens­bron van het kasteel: de waterput. Was de waterput eenmaal in handen van de vijand, dan was het bijzonder moeilijk de verdediging van het kas­teel nog lang vol te houden. Op den duur was het gebrek aan water slopender dan het gebrek aan voedsel! In veel kastelen groeide boven de waterput een lindeboom, om het water in de zomer zo koel mogelijk te houden.

De levendige binnenplaats

Aan de binnenplaats lagen de stallen, de schuren, de koetshuizen en de werkplaatsen voor de ambachtslie­den. Ook de verblijfplaatsen voor de bedienden lagen daar. Vaak groeiden er vruchtbomen en was er een krui­dentuin aangelegd. Die kruiden dien­den niet alleen om het eten wat smakelijker te maken, maar ze waren ook voor de geneeskunde van groot belang.
Het kon op zo’n binnenplaats van een kasteel een lawaai van jewelste zijn. Eigenlijk speelde zich daar het leven af, zoals dat zich ook in de dor­pen afspeelde.
Timmerlieden maakten meubels of vaten. Smeden besloegen de hoeven van de paarden en smeedden zwaar­den of andere wapens voor de
kas­teelheer en zijn ridders. Boeren ver­zorgden het vee. Schildknapen brach­ten hun tijd door met het africhten van valken. Het was één en al leven en drukte op zo’n binnenplaats.

Strenge straffen

De geluiden van al deze bedrijvig­heden zullen zo nu en dan wel eens onderbroken zijn door het kermen van gevangenen, die opgesloten zaten in de kelder van de hoofdtoren, de donjon. De leenman kreeg van zijn leenheer ook altijd het recht om de rechtspraak in zijn gebied te verzor­gen.
De straffen waren in de middel­eeuwen niet bepaald zachtzinnig. Afhakken van handen, uitsteken van ogen, geselen en brandmerken waren heel gewoon. Voor het afdwingen van bekentenissen werden gruwelijke foltermethoden gebruikt. Wie een gloeiende ijzeren staaf kon beetpak­ken zonder brandblaren te krijgen, bewees daarmee zijn onschuld. Wie in het water werd gegooid en zonk, leverde daarmee ook het bewijs van zijn onschuld. Meestal had het arme slachtoffer daar maar weinig aan…

Stormrammen en evenhogen

Om een kasteel tot overgave te dwingen, hadden de belegeraars de beschikking over een aantal vernuf­tige wapens. Met een stormram, een grote zware balk, konden ze poorten en muren rammeien. Vaak lukte het hun daarmee bressen in de muren te slaan. De zware stenen waaruit de muren waren opgetrokken, bleken vaak minder sterk te zijn dan ze eruit­zagen.
Behalve de stormram, hadden de belegeraars ook de gevreesde
‘even-hoog’. Dat was een vierkante houten gevechtstoren, die op wielen naar de kasteelmuur werd gereden. Was hij daar aangekomen, dan werd uit die toren een valbrug geklapt. Over die brug konden de aanvallers de muren van het kasteel bereiken. Vanzelf­sprekend moest de toren even hoog zijn als de muren van het kasteel. Vandaar de naam ‘evenhoog’.

Katten en katapulten

Om wapens als de evenhoog te kunnen gebruiken, moest eerst een andere hindernis worden overwon­nen: de slotgracht. Die dempte men plaatselijk, meestal met takkenbos­sen.
Natuurlijk zaten de bewoners van het kasteel dan ook niet stil. Ze bescho­ten de aanvallers met pijlen. Om zich tegen de pijlen te beschermen, bouw­den de belegeraars ‘katten’. Dat waren afdaken van hout of van twijgen, die gemakkelijk verplaats­baar waren en die bescherming boden tegen pijlen.
Intussen werden ook de katapulten in stelling gebracht. Een bijzonder grote katapult was de ‘blijde’. Daarmee werden zware stenen binnen de muren van het kasteel geslingerd en ook wel bossen brandend stro of kadavers. Met dat laatste probeerde men te bereiken dat er op het kasteel besmettelijke ziekten zouden uit­breken…

Het jaargetijde als voornaamste bondgenoot

Een belegering vloeide vaak voort uit een verschil van mening tussen de leenman en zijn leenheer. Maar ook twisten tussen vazallen onderling, wat vaak leidde tot een belegering. Men moet zich van een dergelijke belegering niet al te veel voorstellen. Het gebeurde maar zelden dat een groot leger zijn kamp voor de kasteelmuren opsloeg. Meestal waren het maar enkele tientallen strijders waaruit de krijgsmacht van een ridder bestond. Ook de kasteelheer beschikte vaak over niet meer dan tien of twintig verdedigers.

Het voornaamste wapen van de aanvaller was uithongering van het kasteel. De kasteelheer vond daarom zijn voornaamste bondgenoot in het jaargetijde. Het was in de winterkou vrijwel niet doenlijk om een open kamp buiten de kasteelmuren in stand te houden. Meestal vertrok een belegeraar dan ook voordat de winter inviel. In de komende lente zou hij, als hij tenminste niet wijzer was geworden, het nog wel eens pro­beren…

Het leven op een kasteel

Weinig comfort

Voor 1200, toen de kastelen nog voornamelijk bestonden uit
woon­torens, was het leven op een kasteel allesbehalve aangenaam. De kasteel­heer woonde met zijn gezin in een vaak veel te kleine, tochtige ruimte, waar hoogstens een paar kisten ston­den om op te zitten. Die kisten dienden ook als opbergruimte voor alles en nog wat. Als een vijand zo’n woontoren had veroverd en de kreet klonk: ‘Breek de kisten maar open!’ dan kon het plunderen beginnen. Soms lieten kasteelheren aan een van die kisten een opstaande leuning maken. Dat was dan het gemak dat de kasteelheer zichzelf gunde. Mocht een gast op de kist met leuning gaan zitten, dan betekende dat een gewel­dige eer.

Eén groot bed

In het woonvertrek stond ook een grote bak, die als bed moest dienen. Tegen de nacht kroop de kasteelheer met zijn hele gezin in dat bed. En de nacht begon al vroeg, want men beschikte nauwelijks over verlichting. Ook overdag baadde het vertrek niet in het licht. Grote vensters kende men niet. Zoiets was uit het oogpunt van verdediging veel te gevaarlijk. De woontoren was in de eerste plaats een versterkt huis en aan de verdediging werd bij alles de voorrang gegeven. De smalle spleten die als schietgaten dienden, moesten tevens het licht verschaffen.
Voor het naar bed gaan werd de avond meestal doorgebracht met het vertellen van verhalen. Verhalen over de heldendaden die men had beleefd of die men ter plaatse verzon. Soms was er ook wel een kapelaan die wat voorlas uit een ridderroman. Gewoonlijk was men zelf de kunst van het lezen niet machtig. Veel boeiender werd het wanneer rondzwervende zangers langskwamen. Dan schuimde het bier overvloedig in de bekers en volgde het ene heldhaftige verhaal na het andere. Na zo’n geslaagde avond konden de gasten gaan slapen mét het gezin in het ene grote bed. Als het wat al te vol werd in dat bed, dan werden er wel een paar kinderen in het stro op op de vloer gelegd.

Dansende beren

Ook voor de kinderen betekende een dergelijk bezoek een plezierige avond. De zangers brachten vaak potsenmakers en jongleurs mee. Het woord ‘jongleur’ is afgeleid van het Latijnse woord ‘ioculator’. De middeleeuwer maakte daar ‘gokelaer’ van, een woord dat als ‘goochelaar’ nog steeds bestaat. De jongleurs haalden voor de verbaasde gezichten van de kinderen allerlei goocheltoeren uit. De potsenmakers zorgden voor de ene grap na de andere. Soms was er in een rondtrekkend gezelschap een berengeleider, die een beer kon laten dansen. Aan het slot van de avond werd dan vaak een bediende met honing ingesmeerd. Daarna werd de beer op hem losgelaten. De arme man kronkelde zich van angst in allerlei bochten, als de beer hem tussen zijn sterke klauwen hield en met zijn ruwe tong schoonlikte. Dan was het schater­lachen niet van de lucht.

Wat er ter tafel kwam

Als er gegeten moest worden, werden eenvoudig twee houten schragen uit een hoek gehaald, een plank erover gelegd en de tafel was klaar. Vlees vormde het voornaamste voedsel. Men beschikte vaak over een spit waaraan een volledige os kon worden gedraaid. Behalve vlees kwam ook eigen gebakken brood ter tafel en soms wat knollen en groenten. Met een mes werd een stuk vlees afge­sneden en op een dikke plak brood gelegd. Dat stuk brood noemde men ‘telloor’. Bier moest ervoor zorgen dat alles gemakkelijk naar binnen gleed.
Melk werd zelden gedronken. Het werd als een zeer ongezonde drank beschouwd. Vooral voor de tanden en het tandvlees zou melk bijzonder slecht zijn. Wie melk had gedronken, moest dan ook ogenblikkelijk zijn mond spoelen! Als iedereen genoeg had gegeten, werd de tafel in de meest letterlijke zin ‘opgeheven’. De plank en de schragen werden weer in de hoek gezet.

Tafelmanieren

Toen de kasteelheren in plaats van woontorens hun stenen kastelen gingen bewonen en wat meer woonruimte kregen, nam ook het comfort toe. Ze kregen de beschikking over verschillende zaken, waarvan sommige zelfs door een schouw verwarmd konden worden. Zo’n verwarmd vertrek noemde men een ‘kemenade’.
Met de grotere welstand van de ridders werden ook hun manieren wat verfijnder. Zo deden bijvoor­beeld de eerste tafelmanieren hun intrede. Men mocht nog wel zijn mond aan het tafellaken afvegen, maar niet zijn tanden. Ook behoorde het niet tot de goede manieren om ontstoken ogen met het tafelkleed schoon te maken.
Op het hoofd krabben tijdens het eten werd oogluikend toegestaan, als het maar niet zo gebeurde dat een ander er hinder van had. Het getuig­de evenmin van goede smaak om zijn benen al op tafel te leggen, terwijl een ander nog niet met zijn maaltijd klaar was. Daarmee wachtte de wel­opgevoede middeleeuwer tot iedereen genoeg had gegeten. Men kon dan gezamenlijk die gemakkelijke hou­ding aannemen om nog wat gezellig na te praten.

Vruchten voor, zoet na

Later kwam er ook meer dan alleen vlees op tafel. Vooral ’s zomers werd vis een geliefd gerecht. Karpers en palingen bijvoorbeeld, pas gevangen in de slotgracht. De groenten werden uitgebreid met spinazie, sla, prei, bieten en radijs. Zelfs verschenen er vruchten op tafel.
De kasteelvrouwe kon kiezen uit appels, peren, aardbeien, bramen, druiven, pruimen, perziken, kersen en kastanjes. Vruchten werden in de middeleeuwen altijd vóór de maaltijd gegeten. Na het eten kwam de zoetig­heid aan bod, in de vorm van taarten en pasteien.

Het vlees, dat na het slachten werd gezouten of gerookt, werd in de winter op smaak gebracht met sterke kruiden of sauzen. Ook vis begon men te drogen en te roken. Hoewel de maaltijden van de middel­eeuwer steeds afwisselender werden, was het voedsel naar moderne be­grippen lang niet ‘gezond’. Het feit dat de middeleeuwer in het algemeen geen hoge leeftijd bereikte, is misschien toe te schrijven aan zijn voedingsgewoonten. Iemand die veertig jaar werd, was oud en vijftig jaar haalden alleen de zeer sterken.

Zoute en kruidige dranken

Na de maaltijd werd met gulle hand bier geschonken of wijn. Soms hield men een wedstrijd wie de meeste wijn kon drinken zonder ‘onder tafel te raken’. De wijn, meestal uit de Rijnstreek of uit de omgeving van Bordeaux, werd rijkelijk voorzien van kruiden. Om de dorst te prik­kelen, voorzag men de wijn behalve van kruiden ook van een flinke dosis zout.
Van ridder Jan van Blois is bekend dat hij een stel zilveren lepels bezat die speciaal waren gemaakt om zout aan zijn wijn toe te voegen. Hij stierf jong…

Een wat zoetere drank was mede. Die werd bereid uit honing en behalve om zijn smaak werd deze drank ook genuttigd om zijn geneeskrachtige werking.

Het kleinste kamertje

Mocht men na al het eten en drinken aan zijn natuurlijke behoeften willen voldoen, dan kon men zich terug­trekken in het ‘kleinste kamertje’. Dat kleinste kamertje was niet veel meer dan een uitholling in de buiten­muur, waar een zitgelegenheid was gemaakt. Onder de zitting was een opening die rechtstreeks uitkwam op de slotgracht.
Behalve voor de natuurlijke behoef­ten van de bewoners werd die ope­ning ook gebruikt voor alles wat men maar kwijt wilde. Huisvuil en gebroken serviesgoed verdween er even­eens doorheen in de slotgracht.

Zang en spel

De zangers van heldenliederen, die met hun potsenmakers en dansende beren de woontorens hadden bezocht, verdwenen. Ze maakten plaats voor minstrelen en troubadours, die een veel fijnzinniger kunst brachten.
De zeer beschaafde Eleanora, hertogin van Aquitanië (1122-1204), had een grote voorliefde voor troubadours. Ze verzamelde hun liederen en hield vele troubadours in vaste dienst aan haar hof. Het feit dat haar grootvader zelf een beroemd troubadour was geweest, zal daar niet vreemd aan zijn geweest. De minneliederen van de troubadours brachten haar er zelfs toe een ‘minnehof’ in te richten naar het voorbeeld van een gerechtshof. Haar ‘minnehof’ behandelde uitsluitend liefdeszaken.
Ridders of de geliefden van ridders die misdaden uit hartstocht hadden begaan, konden op haar grootste medeleven rekenen… Niet alleen de zang, ook het spel onderging een verfijning. Het oude kaartspel bleef bestaan, maar daar­naast deden moeilijker spelen als schaken en dammen hun intrede. Ook triktrak werd vaak gespeeld. Die ‘bordspelen’ waren door de kruisrid­ders uit het Oosten meegenomen. Maar niet elke ridder had er genoeg geduld voor. ‘De wijste man,’ schreef een tijdgenoot, ‘verliest bij het spelen zijn geduld.’

6e klas adel 3

Met een vernuftig uitgedachte katrol hijst een meisje de minstreel Kristan van Hamnle tot bij het raam van haar kamer.

‘Neem geen vrouw om haar schoonheid’

De minneliederen die de troubadours zongen, hadden zelden of nooit betrekking op de liefde tussen een ridder en zijn eigen vrouw. Het was altijd een verre geliefde waarover werd gezongen, een toevallige ont­moeting met een beeldschone en onvergetelijke jonge vrouw.
De verhouding van de kasteelheer tot zijn eigen vrouw was veel zakelijker. In de eerste plaats mocht hij niet trouwen zonder toestemming van zijn leenheer. En de leenheer waakte er zorgvuldig voor dat zich niet te veel macht kon samentrekken, door­dat bijvoorbeeld zijn leenman trouw­de met de dochter van een andere belangrijke leenman in zijn gebied. En in de tweede plaats zag de leenman zelf zijn vrouw ook meer als een gewaardeerde arbeidskracht dan als een aanbiddelijk wezen. ‘Als je een vrouw trouwt,’ schreef een kas­teelheer aan zijn zoon, ‘denk dan aan je eigen welzijn. Neem er geen om haar schoonheid of om haar boeken­wijsheid, want die zijn dikwijls be­drieglijk van aard.’
Vrouwen stonden altijd onder toe­zicht. In hun jeugd stonden ze onder toezicht van hun vader en als ze getrouwd waren onder toezicht van hun man, aan wie ze absolute ge­hoorzaamheid verplicht waren. Ze konden in de latere middeleeuwen wel een leen erven, maar besturen mochten ze die niet. Het besturen van een leen was vooral een militaire aangelegenheid en daar waren vrou­wen nu eenmaal niet geschikt voor. Vrouwen moesten zich beperken tot spinnen, naaien en borduren. Als er gasten waren en er werd feestgevierd, dan mochten de vrouwen dansen en zingen. Maar verder werd van hen verwacht dat ze zich rustig en inge­togen gedroegen.

Van page tot schildknaap

Ook wat de opvoeding van de kin­deren betrof, had de vader het voor het zeggen. De opvoeding was streng en hardhandig. De roede werd zeker niet gespaard. Een jongen moest al vroeg leren paardrijden, vechten en met wapens leren omgaan. Het paardrijden werd in de eerste jaren van zijn leven beoefend op de ruggen van de bedienden. Maar als hij een jaar of vijf was, werd hij door zijn vader op een echt paard vastgebonden. Hij moest dan vaak dagmarsen meemaken en ’s nachts werd hij in een koude, vochtige stal te slapen gelegd. Daar werd hij, volgens de opvatting van die tijd, alleen maar sterker van.
Was hij zeven jaar geworden, dan werd hij bij een bevriende leenman op een ander kasteel in de leer gedaan. Dan was hij page geworden. Zijn leermeester bekwaamde hem in allerlei sporten en bracht hem de beginselen bij van de verschillende vechttechnieken. Zo mocht hij opgehangen poppen met zijn lans doorsteken. Mislukte dat, dan viel de page in een bak met water die onder de pop stond.

Op zijn veertiende jaar mocht de page zich schildknaap gaan noemen. Dan kreeg hij zijn eerste zwaard. Dan ook kreeg hij toestemming zijn heer te vergezellen naar veldslagen en toernooien. Het verzorgen van de wapenrustingen en de paarden was daarbij zijn voornaamste taak. Maar hij mocht ook de gasten voor zijn heer ontvangen, hen aan tafel
bedienen en hen uitgeleide doen. Als hij op die manier zijn heer vele jaren trouw had gediend, werd hij tot ridder geslagen en dan was hij volwassen geworden.
Niet alleen de jongens, ook de meisjes werden al vroeg van het kasteel weggestuurd om hun opvoeding elders te ontvangen. Zij kwamen eerst in dienst als kameniersters en werden later onderwezen in de kookkunst en naaldkunsten, als voorbereiding op het huwelijk.

Ridderlijkheid en hoofse liefde

Voor de strijd geschapen

Was de jonge edelman eenmaal tot ridder geslagen, dan wachtte hem een avontuurlijk leven. Hij kon dan zelf ten strijde trekken en deelnemen aan toernooien. Voortaan zou iedereen die hem belaagde, met zijn zwaard kennismaken. Vechten zou een van de belangrijkste bezigheden in zijn leven worden.

De jonge ridder had plechtig beloofd het geloof in Christus te verdedigen en weduwen, wezen en verdrukten te beschermen. Hij had gezworen zijn heer in de strijd te volgen. Hij zou zijn eigen leengoed verdedigen tegen roofridders en dieven. Er was voor een rechtschapen ridder, die niet de laffe dood in het bed wilde sterven, genoeg om voor te vechten.

Het onhandige harnas

De ridder beschikte over drie belang­rijke wapens: zijn zwaard, de lans en de strijdbijl. Het zwaard zwaar en zó groot, dat hij beide handen nodig had om er ‘rake klappen’ mee uit te delen. De lans diende om zijn tegenstander uit het zadel te stoten. En met de bijl doorkliefde hij de helm van de vijand.
Zo’n helm had een vizier dat open en dicht geklapt kon worden. Kleine oogspleten maakten het mogelijk te kijken. Verder droeg de ridder een maliënkolder over een leren buis. Een maliënkolder kon bestaan uit meer dan 40.000 kleine ijzeren ringen. Het beschermde de ridder, tot op zekere hoogte, tegen de slagen die hem met een zwaard werden toegebracht. Een harnas bood meer bescherming. Zo’n harnas bestond vaak uit 200 of meer stukjes plaatijzer. Een smid had aan het maken van zo’n harnas zeker drie jaar werk. Als het klaar was woog het ongeveer 60 kilo!
Eigenlijk was een harnas een onding. Als de zon erop scheen, zat de ridder letterlijk in een oven. Viel hij onver­hoopt van zijn paard, dan was hij overgeleverd aan de genade van zijn aanvaller.
In zijn zware ijzeren harnas kon hij nauwelijks een stap verzetten. Toch liet de ridder zo’n kostbaar harnas maken. Het verschafte hem het aanzien van een voorname edelman. Voor het gewone volk was een harnas onbetaalbaar.

Heraldieke herkenningstekens

De helm bedekte het hele gezicht van de ridder. Een bezwaar daarvan was, dat hij op het strijdtoneel niet meer herkenbaar was. En omdat elke ridder toch wel wilde weten met wie hij de strijd aanging, werden op de wapenrustingen herkenningstekens aangebracht. Deze herkenningstekens zouden zich ontwikkelen tot de heraldiek.
Dat de heraldieke tekens het eerst op het wapenschild verschenen, was niet toevallig. Het schild had van oudsher symbolische betekenis. Een Frankische koning kreeg zijn macht, doordat hij op een schild werd verheven. En elke edelman nam als enigszins mogelijk was, zijn schild, gebroken of niet, mee in zijn graf.
De meeste schilden waren langwerpig liepen uit in een punt. De oudste schilden waren van hout, bekleed met leer. Later werden ze gemaakt van metaal en kregen ze een bolle oppervlakte. Er werd erg veel zorg aan besteed en door regelmatig poetsen werd het oppervlak glad en glanzend gehouden.

Middeleeuwse schrijvers omschrijven ze als: ‘schilden, schitterend van edelstenen en in verschillende kleuren geschilderd’. De schilden die van edelstenen schitterden, werden echter alleen gebruikt tijdens toernooien of steekspelen. Ze waren betrekkelijk klein in vergelijking met de schilden die in een echte oorlog werden gebruikt.

Schild als herkenningsteken

In het begin veranderden de heral­dieke tekens nogal eens tijdens het leven van een ridder. Als hij bijvoor­beeld meende aanspraak te kunnen maken op het landgoed van een andere leenman, dan nam hij alvast de tekens van die leenman in zijn eigen schild op. Later hield een ridder zich tijdens zijn leven aan één voorstelling op zijn schild. Iedereen kon dan zien, ‘wat die ridder in zijn schild voerde’. Nog later werd het heraldieke teken een symbool voor een heel geslacht. De figuren begonnen zich te ontwik­kelen volgens vaststaande regels voor vorm, stand, kleur en aantal figuren.

Kleurige helmen

Behalve op de schilden werden ook heraldieke tekens aangebracht op de helmen. Meestal waren die helmen groot genoeg om ze in kleuren met leeuwen of vogels te beschilderen. Helmtekens zijn echter veel later erfelijk geworden dan schildtekens. Op de helm leefde de middeleeuwer zijn gevoel voor bonte kleurenpracht vrijer uit dan op het schild. Als men aanneemt dat het schild de familie­naam van de ridder droeg, dan symboliseerde de helm zijn voor­naam.

Wanneer de ridder stierf, kreeg zijn helm een plaats boven zijn graf. Dat heeft ertoe geleid dat er prachtige helmen zijn vervaardigd, soms zelfs van goud en versierd met edelstenen. Die werden in de kerk op het graf van de ridder gelegd, al waren ze op het slagveld nooit gedragen.

Levendige toernooien

Om zich te oefenen voor de strijd op het slagveld, hielden de middeleeuwse ridders vaak toernooien. Tenslotte moesten ze ‘in vorm’ blijven. De vroegste toernooien kunnen het beste beschouwd worden als grote militaire oefeningen. Honderden ridders bevochten elkaar in zo’n toernooi volgens de regels van de krijgskunst. Wie verloor moest met zijn overwinnaar onderhandelen over het losgeld voor zijn paard, zijn wapen­rusting en zichzelf. En dat kon vaak een dure geschiedenis worden. Rond­zwervende ridders, die wisten wat vechten was, konden op zo’n manier vaak een fortuin verdienen. In die toernooien ging het niet bepaald zachtzinnig toe. Er vielen harde klappen en talloze ridders moesten het toernooiveld verlaten met diepe wonden. Soms stikte een ridder, als hij ongelukkig kwam te vallen, in het stof dat door de oogspleten in zijn helm drong. Er is wel eens beweerd dat er tijdens de toernooien meer ridders zijn gesneu­veld dan in veldslagen…

Elegante steekspelen

Na 1300 veranderden de toernooien in de veel sierlijker steekspelen. Dat waren spiegelgevechten vol hoofse manieren en… hoofse liefde. Als een edelman een steekspel wilde houden, zond hij een heraut naar een andere edelman om hem uit te dagen. De heraut overhandigde daarbij een handschoen. Het aannemen daarvan betekende het aannemen van de uitdaging. Er was maar zelden een ridder die weigerde. De twee ridders moesten daarna elk twee kamprechters benoemen. Die kamprechters stelden tijd en plaats van het steekspel vast. Waren de kampende ridders beroemd, dan kon men op veel publiek en grote feesten rekenen. En er waren altijd genoeg ridders te vinden die het steekspel met bijgevechten wilden opluisteren. De dag voor de strijd begon werd er een helmschouw gehouden. De hel­men van de deelnemende ridders werden tentoongesteld en de he­rauten vertelden aan wie de helmen behoorden. Elke deelnemer moest te goeder naam en faam bekend staan. Was dat niet het geval, dan werd zijn helm op de grond gegooid en hij mocht dan verder niet aan het steek­spel deelnemen. Vanzelfsprekend werd zo’n helmschouw besloten met een groot eet- en drinkfeest. De volgende dag trokken de ridders naar het strijdperk. Dat strijdperk was afgeperkt met palen. Achter de palen waren de tribunes voor de toeschouwers opgericht. De toe­schouwers bestonden voor een groot deel uit vrouwelijke bewonderaars van de ridders.
De ridders kwamen door tegenover elkaar liggende ingangen binnen. Ze groetten de dames op de tribune en boden hun wapens ter keuring aan bij de kamprechters. De wapens bestonden uit een lans en een zwaard. De toernooilansen hadden stompe punten en ze waren gemaakt van niet al te taai hout. Ook het toernooizwaard had een speciale behandeling gekregen. Het was zo bot mogelijk gemaakt.

Als het trompetgeschal drie maal had geklonken, reden de ridders op elkaar in. Tot de spelregels behoorde, dat men elkaar niet in de rug mocht aanvallen. Men mocht elkaar ook niet onder de gordel stoten en ook het paard van de tegenstander moest worden ontzien. Brak een ridder een lans, dan mocht een page hem een nieuwe brengen.

Verliezer was degene die het eerst het ‘in het zand beet’. Door het openen van zijn vizier kon een ridder kenbaar maken, dat hij de strijd opgaf.

6e klas adel 4

Op een toernooiveld was een baan afgeperkt, waarop de ridders te paard streden, het zogenaamde strijdperk. In het midden van het strijdperk liep over de hele lengte een hek of houten muur, waarlangs de ridders op elkaar afstormden. De toernooilansen waren van speciaal, gemakkelijk breekbaar hout gemaakt, om al te grote ‘schade’ te voorkomen. Toch kwam het wel voor dat ridders dodelijk gewond uit het strijdperk werden gedragen. Er is zelfs een koning geweest, die tijdens zo ’n toernooi het leven liet: een splinter van een gebroken lans kwam door een van de spleten van zijn helm en drong in zijn hoofd.

Hoofse liefde

De hoofse liefde speelde in die steekspelen een grote rol. Soms droeg een ridder aan zijn helm de sluier van zijn geliefde of zelfs haar hemd. De dames zelf gooiden in hun opwinding vaak bloemen of hun sluier op het toernooiveld.
Deze eerlijke steekspelen leidden ook wel eens tot overspel en dan kon het gebeuren dat bij een volgend steek­spel werd gevochten op leven en dood.
Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de kerk sterk tegen deze steekspelen was. Wie tijdens een steekspel sneuvelde, hoefde er niet op te reke­nen dat hij in gewijde grond werd begraven.
Het kerkelijk verbod haalde echter weinig uit. De middeleeuwse ridder had een grote behoefte aan het vertonen van edele moed.

Een onbereikbare geliefde

In de hoofse liefde stond de vrouw op een voetstuk. Vaak was ze getrouwd en dus onbereikbaar. De vrouw was het reine en milde idool van de ridderwereld: ‘een roos in de tuin der verrukking’.

Deze hoofse liefde, de romantische en onwerkelijke liefde, vinden we terug in de middeleeuwse literatuur. Een van de verhalen uit die tijd vertelt van twee gevangen ridders, die allebei dezelfde vrouw aanbaden. Van die vrouw hadden ze slechts een glimp door de tralies opgevangen. De twee ridders, die familie van elkaar waren, leefden in de gevangenis en nog vele jaren na hun vrijlating in vijandschap. En dat alleen vanwege hun geliefde, die ze niet kenden en maar één keer hadden gezien. De twee ridders bleven echter hard­nekkig hun verre geliefde vereren. Toen de vrouw vernam dat er twee ridders naar haar hand dongen, scheen haar dat nauwelijks te be­roeren. Tussen de twee ridders kwam het ten slotte tot een gevecht op leven en dood. De overwinnaar mocht zich in de gunst van de edele jonkvrouwe verheugen.

Een onvervulbaar ideaal

Het middeleeuwse ridderideaal in zijn zuiverste vorm komen we tegen in de verhalen over koning Arthur en zijn Ridders van de Ronde Tafel. Deze verhalen zijn ontstaan uit de Brits-Keltische traditie en ze werden mondeling overgedragen. In de twaalfde eeuw verwierven de avon­turen van koning Arthur en zijn ridders zich een plaats in de litera­tuur.
De ridders waren verenigd in de Tafelronde van koning Arthur. Ze kwamen op voor de armen en ver­drukten. Het zoeken naar de Heilige Graal staat in vele verhalen centraal. In deze graal zou Jozef van Arimathea het bloed van de gekruisigde Christus hebben opgevangen. Een van de ridders was Sir Lancelot. Hij zou de graal echter nooit in handen krijgen, vanwege zijn onkuise liefde voor Geneviève, de vrouw van koning Arthur. De ideale ridder, de zuivere en vrome Galahad, zou ten slotte de graal veroveren. Hij stierf echter zonder ooit de liefde van een vrouw te hebben gekend.

In deze verhalen wordt tevens het onbereikbare van het ridderideaal geschetst. Het was voor een ridder ondoenlijk tegelijkertijd zijn heer, zijn God en zijn geliefde te dienen. Een parodie op het ridderideaal verscheen van de hand van de Spaan­se schrijver Cervantes: de roman Don Quichot.

Boeren in de greep van de edelen

Grond is macht

De middeleeuwse edellieden ontleen­den hun macht aan het bezit van grond. De grond bracht de producten op waarmee ze in hun levens­onderhoud konden voorzien en waar­mee ze handel konden drijven. Die handel moest hen het geld verschaf­fen voor de bouw van de kastelen, voor hun kostbare wapenrustingen en voor alles wat ze nodig hadden om ten strijde te trekken. Het grondgebied van zo’n groot­grondbezitter of heer heette een heerlijkheid of domein. Een heerlijk­heid kon vele dagreizen groot zijn. Middenin een heerlijkheid stond de hoeve van de heer zelf, de hofhoeve of de vroonhoeve geheten. Grote heerlijkheden hadden vaak meer dan één vroonhoeve. De vroonhoeve werd soms tijdelijk bewoond door de landheer zelf, maar meestal was het beheer daarover in handen van een plaatsvervanger, een meier.

De boeren baadden in zweet

De heerlijkheid werd bebouwd door boeren. Elke boer had een stuk grond dat hij, onder bepaalde voorwaar­den, mocht bewerken. Die voorwaar­den kwamen er voornamelijk op neer dat de boer afstand moest doen van het grootste deel van de oogst. Dat deel van de oogst moest dan als pachtsom worden betaald aan de landheer.
De boeren woonden in groepjes bij elkaar in vaak armzalige hutten. Het enige licht in een dergelijke hut kwam door de open deur of door het rookgat dat boven de stookplaats was aangebracht. De vloer bestond uit aangestampte leem. Het hele boerengezin, samen met de huis­dieren, legde zich ’s avonds op de vloer te slapen. Voor bedden was er geen plaats.
De wollen kleren die de boeren droegen, werden dag en nacht aange­houden. Pas wanneer ze als lompen van hun lichaam vielen, was het tijd geworden iets anders aan te trekken. Zich wassen deed men zelden. De boer baadde zich alleen in zijn eigen zweet.

Melaatsheid was een ziekte die onder de boeren nogal eens voorkwam. Maar waarschijnlijk was die melaats­heid niets anders dan een hardnekkig soort eczeem. De boeren vormden in de middeleeuwen het grootste deel van de bevolking.

Het recht van de dode hand

De boeren waren horig aan de landheer. Dat wil zeggen dat ze, samen met het stuk land dat ze bewerkten, aan de landheer toebe­hoorden. De horigheid is voortgekomen uit de lijfeigenschap. De lijfeigene was persoonlijk aan zijn heer gebonden. De lijfeigenschap was een vorm van slavernij. De horigen hadden behalve hun vele plichten ook enkele rechten. Een landheer mocht hen niet zonder meer van hun stuk land verjagen. Ze hoorden bij ‘de kluit aarde’ die ze bewerkten. Daar stond weer tegen­over dat de horigen niet hun stuk land mochten verlaten. Het wereldje van de boer bestond dan ook vaak alleen maar uit zijn directe omgeving en het dichtstbij zijnde dorp. En als hij, door een wilde drang gedreven, er eens op uittrok, dan werd hij snel door de machtige arm van zijn landheer teruggehaald. Hij kon dan op een fikse straf rekenen.

Een horige kon met zijn stuk land worden verkocht, geruild of
wegge­geven. Een van de meest ingrijpende rechten die een landheer had, was ‘het recht van de dode hand’. Als een horige stierf had hij ‘een dode hand’ en daarmee kon hij niets geven. Het betekende dat het recht om op het stuk land te wonen en de schamele bezittingen die hij had na zijn dood niet vervielen aan zijn nabestaanden, maar aan de landheer. Dit onmenselijk recht werd in de latere middeleeuwen enigszins ver­zacht. De heer nam toen meestal genoegen met het beste schaap uit de nalatenschap of de mooiste koperen pan.

Weinig horige romantiek

Aan een huwelijk tussen horigen kwam weinig romantiek te pas. Een horige was niet vrij in de keuze van zijn vrouw. Hij mocht geen meisje kiezen dat op een andere heerlijkheid woonde. Daar zou de landheer van die andere heerlijkheid nooit toestemming voor geven. De kinderen die dat meisje kreeg, zouden hem dan immers als werkkrachten ontgaan. Een enkele keer kon in zo’n geval een minnelijke schikking tussen de land­heren getroffen worden. Dan werd overeengekomen dat het ‘broed’ uit een dergelijk huwelijk eerlijk zou worden verdeeld. Naar de mening van het echtpaar zelf werd niet gevraagd…

Ongetrouwde meisjes en weduwen waren op een heerlijkheid renteloos kapitaal en een doorn in het oog van de landheer. Bij tijd en wijle gaf de landheer zijn meier dan ook opdracht daar iets aan te doen en voor die vrouwen een geschikte man te zoe­ken.

De huwelijksplechtigheid tussen hori­gen was uiterst sober. Meestal gaf men elkaar een muntstuk, met de belofte dat men elkaar trouw zou blijven tot in de dood. De aanwezige getuigen zorgden er wel voor, dat die belofte ook werd nagekomen. De beperkte keuze voor de trouwlus­tige horige werkte vanzelfsprekend inteelt in de hand. En hoewel de kerk het huwelijk tussen twee bloedver­wanten verbood, moest om prak­tische redenen nogal eens wat door de vingers worden gezien. De gevolgen daarvan bleven niet uit. Het aantal geestelijk gestoorde of mismaakte kinderen dat werd geboren, was groot.

‘Kippen die zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen’

De boer betaalde de pachtsom voor zijn stuk land in natura. Het was meestal de meier die voor het innen van de pacht moest zorgen. Dat was een moeilijk werk, omdat de hoogte van de pacht meestal tot stand kwam in mondeling overleg. Er bestond geen enkele waarde-eenheid. Zo kon de pacht voor het ene stuk land twee potten honing en vier kazen zijn, voor het andere stuk land vijf korven met eieren en voor weer een ander stuk land twee schepels koren en een aantal ponden wol. Slimme boeren probeerden die le­veringen natuurlijk zoveel mogelijk naar eigen hand te zetten. Als hij kippen moest leveren, dan zocht hij de oudste en de taaiste kippen uit. De meier moest dat zien te vermijden door de pacht zeer nauwkeurig te omschrijven. ‘De kippen moeten nog zo jong zijn dat ze over een heg kunnen vliegen.’

Alle slimheid ten spijt waren de vele verplichtingen echter een zware last voor de boeren. De klacht van de boeren was dan ook: ‘Een boer drinkt nooit de wijn van zijn eigen druiven, noch smaakt hij een goed stuk voedsel. Zijn vette ganzen en kippen, zijn koeken van blank meel, het is alles voor de heer. Hij mag al blij zijn als hij een stuk zwart brood overhoudt.’

Het drieslag-stelsel

Als de oogst mislukte, dan woog de pacht dubbel zwaar. En de oogst mislukte nogal eens. De lichte ploeg waarmee de boeren werkten, die ze zelf moesten voorttrekken, was alleen maar in staat de bovenste laag aarde om te woelen. Een beetje droogte of lichte vorst waren dan meestal voor het pas gezaaide graan noodlottig. Van bemesting had de boer uit de vroege middeleeuwen nog nooit gehoord.

Later trad wel enige verbetering in. Tijdens de regering van Karel de Grote begonnen de boeren steeds meer het drieslagstelsel toe te passen. Dat drieslagstelsel was erop gericht de uitputting van de grond tegen gaan. Het ene jaar verbouwde de boer op een akker wintergraan, het volgende jaar zomergraan en het derde jaar liet hij de akker braak liggen om de grond rust te gunnen. Nog later ging hij op die braak liggende akker spurrie en klaver verbouwen. Die gewassen putten de grond niet uit, maar zorgden juist voor nieuwe voedingsstoffen in de bodem.
Later werden de akkers bemest met stro en na 1200 ging men bemesten met veemest. De Romeinen hadden dit al eerder toegepast, maar het werd door de kloosterlingen opnieuw ont­dekt. De ploegen werden zwaarder en maakten de voren dieper, wat ook gunstiger gevolgen had voor de af­watering van het land.

Handdiensten

Behalve het betalen van pacht moest de boer ook handdiensten verrichten voor zijn landheer. Hij moest een aantal weken per jaar op het kasteel of op de hofhoeve werken. Boven­dien moest hij zijn heer helpen bij het aanleggen van wegen en bruggen. Hij was verplicht zijn graan te laten malen door de molen van zijn heer. Voor het bakken van zijn brood en het brouwen van zijn bier gold hetzelfde. Ook daarvoor was hij verplicht gebruik te maken van de bakkerij en de brouwerij van zijn landheer. Alles natuurlijk tegen be­taling in natura.
Daar stond tegenover dat hij hout voor zijn stookplaats mocht
sprok­kelen en eikels voor zijn varkens mocht halen uit de bossen van de heerlijkheid. Al deze rechten en plichten verschilden van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Kerkelijk begrip

Behalve de edellieden bezat ook de kerk grote grondgebieden. Op hun grondgebieden werkten eveneens horigen. Meestal werkten de horigen daar onder gunstiger omstandig­heden. De kerk was echter de enige die van de horigen mocht verlangen dat ze ook op zondag werkten en daar werd een druk gebruik van gemaakt!
Toch waren de huishoudingen van de kloosters beter georganiseerd dan die van de kastelen. Bij een misoogst stond de honger niet direct voor de deur, omdat de monniken meestal wel voorraden hadden aangelegd.

‘Leg een boer als boetedoening niet zoveel vastendagen op als een edel­man,’ adviseerden de bisschoppen. En de kloosters hielden zich gaarne aan dat advies, want ze wisten dat een boer met een lege maag maar slecht kon werken. Er was een zeker begrip van de kerk voor de boeren. Het feit dat de lagere geestelijkheid er niet veel beter aan toe was dan de boeren, droeg zeker bij tot dat begrip…

Hongerige pastoors

De pastoors moesten zichzelf en hun kerkjes instand houden van de ‘tiende penning’, die de horigen verplicht waren aan de kerk te betalen. De horigen betaalden deze kerkelijke belasting met grote tegenzin. Het kwam dan ook vaak voor dat de pastoor ‘met zijn mond open liep van de honger’.
Vaak probeerde de pastoor nog wat bij te verdienen door wat extra missen op te dragen of door een handel in wijwater te beginnen.
Wij­water heette een uitstekend middel te zijn tegen pijn en allerlei kwalen, zowel bij mens als dier. De meeste pastoors waren getrouwd. Zonder vrouw zouden zij ‘door honger en dorst en naaktheid zijn omgekomen’. Ook de landheer had nog wel eens een bijverdienste voor een pastoor. Als hij een groot feest gaf, mocht de pastoor komen om te bedienen. Het voedsel dat overbleef, ontving hij dan als een vorstelijke beloning…

Het mei-feest

De boeren werkten hard. Hun werk was gebonden aan de seizoenen. Als de eerste lenteregens de grond zacht hadden gemaakt en de laatste sporen van de vorst waren verdwenen, dan kon de boer gaan zaaien. Hij zaaide graan in zijn eigen grond en in de akkers van de landheer. Hij dreef het vee naar buiten, de frisse weiden in. De bossen werden afgestroopt om de jonge wolven die het vee konden bedreigen, dood te knuppelen. Als de koeien weer melk gingen geven, begon de boerin kaas en boter te maken. De eieren werden ingeza­meld om die met Pasen aan de landheer aan te bieden. In de paas­nacht brandden overal grote paas­vuren.
Maar in mei was het voor de boeren pas echt feest. Dan werd de meiboom geplant, waar iedereen omheen dans­te. Daarna trok men in processie langs de akkers om Gods zegen over het gezaaide af te smeken. Vóór die feesten had de boer zijn heggen geknipt en zijn erf keurig opgeruimd.

Zomerse drukte en winterse rust

De zomer is altijd de drukke tijd voor de boeren geweest. Dan werkte men van zonsopgang tot zonsondergang. Het werk was zwaar en werd zwaar­der naarmate de zomer vorderde. De akkers moesten gewied worden, de schapen gewassen en geschoren. In juni begonnen de wijnboeren in Frankrijk al met de eerste druiven­oogst. Een maand later begon men elders in Europa het hooi te oogsten. In augustus maaide men het graan. In de hele maand augustus had men nauwelijks tijd om te eten. Tijdens de hitte van de zomer was menige boer de uitputting nabij. In de herfst kon hij weer wat op adem komen. Dan werd het voedsel voor de winter opgeslagen. Het fruit werd van de bomen geschud en de peulvruchten uit de tuin werden geplukt. Het vee werd geslacht of verkocht. Zelden had een boer wintervoer genoeg om zijn hele veestapel aan te houden. Het koren werd gedorst. De druiven werden met blote voeten geperst en het sap werd in tonnen opgeslagen om te gisten. De winter bracht de boer enige rust. Dan werden de noodzakelijke op­knapbeurten gegeven aan huis en stallen. De vrouwen weefden en maakten nieuwe kleren. Soms moes­ten ze bedienen op de grote feesten die de landheer gaf. De kerstdagen brachten kerkelijke feesten met zich mee en vaak een kerstmaaltijd, aangeboden door de landheer. In februari was het dan alweer tijd geworden om de grond te bemesten en de ploeg te slijpen voor het voorjaar.

Waar was de baron?

De boeren leerden hun land steeds beter bewerken en hun oogsten wer­den steeds groter. Na 1200 was het zelfs zo dat ze, als ze de pachtsom aan de landheer hadden betaald en de tiende penning aan de kerk hadden afgedragen, nog wat van hun oogst overhielden. Dat overige verkochten ze op de markten van de dorpen en de opkomende steden in de buurt. De boer kreeg de beschikking over geld. Met dat geld kon hij bij de landheer bepaalde vrijheden kopen. Hij kon met de landheer overeen­komen dat de herendiensten en de pachtsom niet langer meer in natura hoefden te worden betaald, maar in de vorm van geld. Meestal was de landheer, die altijd om geld verlegen zat, daartoe gaarne bereid. De land­heer besefte niet, dat hij daarmee zijn eigen graf groef.
De boer, die steeds meer tijd kreeg toen hij van de lastige herendiensten was verlost, kon steeds meer produ­ceren. Hij kon dus ook steeds meer geld verdienen. De opkomende ste­den namen zijn producten voor steeds hogere prijzen af. Daardoor daalde de waarde van het geld. De landheer, die met een vaste afkoop­som genoegen had genomen, ontving elk jaar minder, in waarde uitge­drukt. Het betekende voor de adel een ramp.

Landheren vervielen tegen 1300 tot armoede en menige landheer moest zelf op het land gaan werken. Het volk zag dat met plezier. ‘Toen Adam spitte en Eva spon, waar was toen de baron?’ riepen ze spottend.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas geschiedenis

748-685

.

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Franciscus

.

DE MINDERBROEDER VAN ASSISI

Bijna acht eeuwen geleden werd in een stad tussen de heuvels van Italië een der grootste geesten geboren die ooit in een menselijk lichaam heeft gewoond. Ook nu nog is hij uw vriend en de mijne, en het evangelie dat hij predikte is nog even zuiver als het gezang van vogels. Andere heiligen maken ons soms stil van eerbied door hun bovenmenselijke heiligheid, maar Franciscus van Assisi is zo zuiver menselijk als een mooi kind. Men noemde hem Poverello (Kleine arme man), maar hij was zo rijk in de dingen van de geest dat handelsmagnaten zich bedelaars voelden in zijn aanwezigheid.

Giovanni Bernardone — zo luidde zijn doopnaam — werd in 1181 of 1182 geboren in Assisi, in Midden-Italië. Zijn vader, Pietro Bernardone, een welvarend koopman, noemde hem Francesco, afgekort Cecco. Cecco ging net zo ongaarne naar school als de meeste jongens die meer van pretmaken houden, en kreeg maar weinig onderwijs, zelfs voor die tijd. Omdat hij bestemd was voor de handel, liet zijn vader hem de hele dag werken achter de toonbank en leerde hem hoe hij voordelig zaken kon doen. Maar als het avond werd, was hij de aanvoerder van de vrolijkste pretmakers onder zijn leeftijdgenoten. Kwistig was hij met geld voor al zijn vrienden, royaal schonk hij wijn voor hen. Hij was niet te verzadigen op het punt van mooie kleren. Pietro Bernardone schudde zijn hoofd, maar hield Cecco’s toelage desondanks niet in. Want uit die buitensporigheden maakten de bankiers op, dat hij zo rijk was dat hij zich een verkwistende zoon kon permitteren. Toen in 1203 de andere jonge mannen van Assisi opmarcheerden naar een van die plaatselijke oorlogen die destijds zo gewoon waren, ging de jonge Bernardone mee. Al in het begin van de campagne werd hij gevangen genomen. Na een jaar werd hij vrijgelaten, maar hij werd ernstig ziek, herstelde, nam weer dienst, werd weer ziek en herstelde weer. Maar zijn vroegere leefwijze had de bekoring voor hem verloren. Een geheel nieuwe aandrang begon zich in hem te openbaren. Terwijl hij op een avond door de straten zwierf, bleef hij als getroffen staan luisteren naar iets dat hij niet kende. Zijn makkers liepen hem vrolijk voorbij. Buiten de stad, op een heuveltje, viel hij op zijn knieën en bad.

Het keerpunt van zijn leven naderde. Toen Franciscus eens buiten de stad reed, werd hij aangesproken door een melaatse bedelaar. Als er iets was waar deze kieskeurige jongeman niet tegen kon, dan was dat melaatsheid. Zijn hoofd afwendend, tastte hij naar zijn beurs. Toen begon plotseling een fel wit licht in zijn hart te schijnen. Want de ongelukkige stakker had geen behoefte aan aalmoezen. Verschrikkelijker dan de ziekte moest de eenzaamheid zijn van deze onbeminde medemens. Franciscus sprong van zijn paard, liep op de melaatse af en omhelsde hem. Hierna dwong hij zichzelf, voortdurend het ziekenhuis voor melaatsen te bezoeken. Weldra besteedde hij zijn hele toelage om het ziekenhuis in stand te helpen houden.

Op een dag in 1206, toen Franciscus 25 jaar was, werd hij naar de stad Foligno gestuurd om op een jaarmarkt goederen te verkopen. Hij pingelde en marchandeerde, zoals hij dat had geleerd, om zoveel mogelijk winst te maken. Hij kreeg een bod op zijn paard en verkocht ook dat, als een uitgekookt zakenman. Te voet aanvaardde hij de thuisreis, niet wetend dat hij de laatste zakelijke transactie van zijn leven had afgesloten.

Want terwijl hij daar liep te midden van de rijpende wijngaar­den, beving hem een grote afkeer tegen alle manieren van geld verdienen. Bezit, zo ontdekte hij, veroorzaakte alle ruzie en slecht­heid die de wereld bezoedelden. Al peinzend over deze dingen bleef hij staan bij de kapel van San Damiano en knielde neer te midden van de bouwval. Ginds in de stad was de welvaart god. Maar Gods huis, hier op de vredige heuvel, was een ruïne. Nie­mand zorgde ervoor, behalve een oude priester, even arm als de duiven die onder het dak nestelden. En het leek Franciscus alsof hij de stem van Christus hoorde zeggen: “Herbouw mijn kerk.”

In latere tijden zouden de mensen bitter twisten over de vraag, of Christus slechts had bedoeld: “herstel deze kapel” of “hervorm de Kerk.” Maar Franciscus was een simpele ziel die zich niet ver­diepte in bovenzinnelijke vragen. Hij schudde de oude priester van de kapel wakker en bood hem het geld aan dat hij in Foligno had verdiend. Bij het zien van dit “manna” was de priester met stomheid geslagen, maar hij vond het toch raadzamer het te weigeren. Wel deelde hij zijn karig maal met de jonge zonderling, en gaf hem onderdak.

Toen Pietro Bernardone ontdekte waar zijn zoon was en wat hij wilde doen met het geld, haastte hij zich samen met de bisschop naar de kapel. Zachtzinnig wees de bisschop Franciscus erop, dat het niet zijn geld was en hij het dus niet mocht weggeven. Daarop gaf Franciscus het allemaal terug en trok op de koop toe nog de kleren uit die hij van zijn vaders geld had gekocht. Van nu af aan zou de wereld zijn enige thuis zijn, en alle mensen zijn broeders. Nooit zou bezit iets voor hem betekenen. Zijn zelfverloochening had niets van een starre godsdienstige discipline ter wille van persoonlijk heil. Hij probeerde slechts zichzelf te bevrijden om in navolging van Christus te kunnen leven. Maar hij voelde niets voor het leven van een monnik, ver van Gods schepping. Beter was het leven van een kluizenaar — dan kon hij de hemel zien en de vogels hun ochtendlied horen zingen, en de gezegende lucht van de vrijheid opsnuiven.

Dus ging hij in lompen op weg om te bedelen, niet om eten of geld — maar om stenen, om San Damiano te herbouwen. Als hij geld kreeg, kocht hij er stenen voor en droeg ze op zijn rug naar de vervallen kapel. En nu kwamen vrijwilligers hem helpen. Als hij het woord Gods predikte, stond hij niet op een preekstoel maar blootsvoets te midden van zijn medemensen, nog armer dan zij -hun “arme Cecco”. Hij had geen belangstelling voor de zwakheid van de mensen, maar voor hun kracht, niet voor de lelijkheid maar voor de schoonheid van het leven. Uit een boordevol hart hief hij lofliederen aan.

Zijn eerste volgeling was een rijke man die, tot woede van zijn erfgenamen, al zijn bezittingen verkocht en het geld aan de armen schonk. De volgende was een vooraanstaand rechtsgeleerde, die zijn leven voortaan geheel aan God wijdde. Deze drie stichtten de kleine gemeenschap van “De Mindere Broeders van Assisi.” Zij leefden niet volgens vaste orderegels zoals in de kloosters. Hun enige regel was wat Christus had gezegd tegen de Apostelen: Gaat en predikt; geneest zieken, reinigt melaatsen. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet. Voorziet u niet van goud of zilver in uw gordels, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf.

Al gauw groeide het aantal Franciscanen aan tot twaalf. Franciscus wilde niet dat zij een comfortabel huis accepteerden dat hun werd aangeboden. De minderbroeders huisden in hutten nabij het melaatsenhuis. Voor hun dagelijks brood waren zij afhankelijk van wat ze konden verdienen als dagloner of knecht op een boerderij, in wijngaarden of in steden. Als er geen werk was moesten ze bedelen om voedsel. Hoewel de anderen hem Vader Franciscus noemden, liet hij hen elkaar frater of broeder noemen, volgens een godsdienstige gewoonte van die tijd. En sinds die tijd zijn alle Franciscanen broeders geweest, maar geen monniken. In groepjes van twee tot vier trokken de broeders de wereld in om te prediken. Zij hielden hun ogen niet strak gericht op een gebedenboek; vaak hieven zij hun gezicht ten hemel en zongen. Als ze met elkaar praatten, spraken ze vaak over de bloemen langs de weg en de zang van de leeuwerik, over bergpanorama’s en zuivere bronnen. Maar hun werk lag in de steden, zoals Franciscus hen vermaande. Daar toefden de zielen die gered moesten worden; daar zuchtten de mensen in slaafse gebondenheid aan bezit en stand.

Maar zodra zij Assisi verlieten, waar men hen begreep, werden de Franciscanen bejegend met spot en schimp. Het volk hield hen voor landlopers die zich voordeden als heilige mannen; de rijken verdachten hen van gevaarlijk radicalisme en de priesters vreesden dat ze ketters waren. Menigmaal werden ze met stenen bekogeld en uit een stad verdreven. Bisschoppen weigerden hun toestem­ming tot preken te geven.

Franciscus, die nooit de priesterwijding ontving, begreep nu wel dat hij niet verder kon gaan zonder de pauselijke goedkeuring en hij ging op weg naar Rome. Hij werd voorgesteld in het Vaticaan en bleek even onweerstaanbaar als een kind en even vasthoudend als hij zijn zin wilde doordrijven. Paus Innocentius III gaf de Minderbroeders het recht tot preken en hij beloofde hun verdere gunsten als het goed ging. Hierop maakte Franciscus zich haastig uit de voeten; gunsten wilde hij niet. Opgewekt en blij togen de Franciscanen weer op pad. De mare van de Poverello snelde nu voor hem uit. Vaak werd hij begroet door een menigte die wuifde met groene takken en zong, terwijl de kerkklokken luidkeels beierden van vreugde.

Franciscus zelf voelde vaak de behoefte om weg te glippen naar de natuur. Dan zocht hij een eenzaam bosje op of zat alleen op een
heuvel. Het dierbaarst was hem een klein eilandje, waar slechts de kabbelende golven hem konden vinden. Hij voelde zich verwant met de hele natuur. Hij sprak over “Broeder Haas” en “zuster Zwaluw”, en dat meende hij ook. De aanblik van dieren die werden gekooid of weggevoerd naar de slachtbank kon hij niet verdragen en hij deed altijd een goed woordje voor hen; zo spaarde hij het leven van duiven en lammeren, konijnen en fazanten. Volgens de legende toonden de dieren des velds en de vogelen des hemels hun dankbaarheid door bij hem te blijven en zich door hem te laten vertroetelen.

Het verhaal gaat dat hij eens, in Gubbio, hoorde dat een wolf de bewoners terroriseerde. Hij zocht het dier op en sprak als volgt tegen hem: “Broeder Wolf, je hebt mensen gedood, die gemaakt zijn naar Gods beeld. Hiervoor verdien je te worden gehangen als een misdadiger. Maar ik zou graag vrede met je sluiten. Als jij je slechte begeerten wilt verzaken, beloof ik je dat de mannen van Gubbio geen jacht meer op je zullen maken met honden en eten voor je klaarzetten. En nu moet je het mij beloven.” In vanaf die dag werd de wolf zelfs het troeteldier van de kinderen van Gubbio en deed nooit meer kwaad.

Op de avond van Palmzondag in 1212, terwijl Franciscus en zijn Broeders in gebed verdiept waren, zagen zij hoe een toorts snel naar hen toe werd gedragen door het bos — de brengster was een achttienjarig meisje dat zich aan de voeten van Franciscus wierp. Hij herkende het meisje, Clara, de dochter van een edelman uit Assisi. Zij hunkerde ernaar, zich te wijden aan een vroom leven, maar zij werd gedwongen tot een huwelijk en zij smeekte Franciscus, haar te verbergen. Door dit te doen maakte hij zich schuldig aan ontvoering en stelde hij zich en de Broeders bloot aan een schandaal dat hun ondergang kon worden. Toch aarzelde hij niet. Zelf knipte hij haar haren af; op grond van een machtiging die de paus hem had verleend nam hij haar op in zijn orde. Daarna vond hij onderdak voor haar bij de Benedictijnen en toen Clara’s zuster en weldra andere vrouwen en meisjes zich bij haar voegden, werd de orde van de Arme Clarissen gesticht, de zusterorde van de Minderbroeders van Assisi.

Maar daarbuiten in de wereld was men niet zo vlug als de heilige op zijn sandalen; Franciscus voegde zich bij de Vijfde Kruistocht naar Egypte om het Woord aan de Saracenen te verkondigen. Die Kruistocht was schitterend begonnen. De hertog van Oostenrijk, de koning van Hongarije, Jan van Brienne, de tempelridders, de ridderschap van Italië, de Venetiaanse kooplieden met hun schepen, zij allen waren present, met een vertegenwoordiger van de paus als oppercommandant. Maar er ontstond jaloezie; de soldaten lieten zich niet commanderen door een priester en het voornaamste doel van de pauselijke oppercommandant bleek, een enorme som geld los te krijgen van de sultan. Franciscus gruwde van de ledigheid van de Kruistocht. De Venetianen waren slechts uit op winst, de Tempeliers op bloed aan hun  zwaard, de gewone soldaten op buit.
Daarom drong Franciscus, tot woede van de Kruisvaarders, erop aan dat het vredesaanbod van de sultan, waarbij het Heilige Land teruggegeven zou worden aan de christenen, aanvaard zou worden. Maar op 29 augustus 1219 gaf de pauselijke commandant ongeduldig het sein tot de aanval en de christenen werden volkomen verslagen. Ongewapend, blootsvoets leidde Franciscus zijn groepje broeders over het brandend hete zand naar een vijand in overwinningsroes, die hem aanviel met stokken en stenen. Hij werd ten slotte voor Malik al-Kamil, sultan van Egypte en Syrië, Steun van Allah en Verdediger van het Geloof, gebracht, die meer angst inboezemde dan 50 wolven van Gubbio.
Wat was het dat Franciscus in staat stelde, het beest in dieren in dieren en mensen te temmen? Wij weten slechts dat hij drie keer predikte voor de opgetogen en eerbiedige, ongelovige vorst. Misschien stuurde de sultan Franciscus ongedeerd terug naar het christelijke kamp in de hoop, dat deze vrome kluizenaar betere christenen zou maken van de Kruisvaarders. Met toestemming van de sultan bezocht Franciscus het Heilige Graf, Nazareth en Bethlehem -,  hij was de enige van de mannen van de Vijfde Kruistocht die het doel bereikte. Zou het in Bethlehem zijn geweest dat Franciscus zijn merkwaardigste inval kreeg? Want toen hij terug was in Greccio, Kerstmis 1223, liet hij een miniatuurstal bouwen; deze vulde hij met stro en hij liet houtsnijders geschilderde figuurtjes maken van het Heilige Kind en de Moeder, van de os en de ezel,  van schaapherders en donker getinte Oosterse koningen. Zo verhief Franciscus Kerstmis — tot die tijd alleen een bijzondere Heilige Mis – tot een feest van liefde, met aanbidding van het Kind Jezus stralend als een gouden kaars in het middelpunt.

Intussen groeide het aantal Minderbroeders. Sommige bekeerlingen drongen aan op een meer praktische wijze van leven. Waarom moesten zij langs de wegen zwerven en in de stad kunsten maken als potsenmakers? Waarom moesten zij leven in hutten? Waarom mochten zij geen geld aannemen voor liefdadige doeleinden en waarom mochten zij niet de priesterwijding ontvangen? Waarom konden zij geen Regel aannemen, een gedragslijn, en hun organisatie officieel grondvesten? Sommige van de fraters betoogden met klem dat Franciscus te simpel was om de orde alleen te leiden.
Ook de Kerk was bezorgd. Er waren nu al 1200 Franciscanen; morgen konden het er 12 000 zijn. De enige manier om de onwaardigen te verwijderen, was hen te organiseren volgens de beproefde kloosterregels. Zelfs Franciscus begreep dat er iets gedaan moest worden; mensen die hij nauwelijks ooit had gezien, in wier harten hij niet kon lezen, wier handelingen hij niet kon voorspellen, noemden zich maar Franciscanen. Er zat niets anders op dan de paus te vragen, de Franciscanen een Regel toe te staan en een officiële raadgever aan te wijzen.
Toen liet Franciscus de Kerk zijn orde organiseren – zelf trok hij zich terug. Hij pakte broeder Pietro bij de hand en stelde hem ­aan tot vader van de orde. “Mijn gezondheid zal mij niet toestaan, zo goed voor jullie te zorgen als dat zou moeten,” zei hij. In werkelijkheid was hij moe. Zijn lichaam was uitgeput door voortdurende ontberingen en armoede. Een gevreesde ziekte had hem overvallen en vreemde wonden verschenen op zijn handen voeten. Ze zagen eruit alsof nagels waren geslagen door zijn twee handen en voeten — de “stigmata”, of merktekenen van de Kruisiging, riep de Broeder vol eerbied.

Franciscus sprak nooit over zijn lijden. In plaats daarvan                 componeerde hij op zijn ziekbed een lied. Hij noemde het zijn Hymne aan de Schepping en hij zong het verzaligd steeds en steeds weer; de Broeders moesten het ook leren en om zijn bed staan en voor hem zingen. Dit was die hymne:

Allerhoogste, almachtige genadige Heer!
U zij alle lof, roem en eer en iedere zegening!
Geloofd zij Gij, Heer, met al Uw schepselen,
vooral onze edele broeder zon;
hij schept de dag en door hem geeft Gij ons licht.
Schoon is hij, stralend met grote glans:
Uw beeld weerspiegelt hij, Allerhoogste.
Geloofd zij Gij, o God, voor onze broeder wind,
voor de lucht, voor de wolken, voor goed en voor alle weder, waarmee Gij Uw schepselen in stand houdt.
.

Franciscus

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

747-684

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (10)

In deze rubriek is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, te analyseren.


opspattend grind‘Zingen, dat is beter dan muziekonderwijs’

betoogt Evert Bisschop Boele, lector aan het Prins Claus Conservatorium.

‘Muziek is te veel een zaak van experts geworden. Terwijl iedereen kan zingen. Investeer daar dan ook in.’

Jarenlang heeft Nederland geïnvesteerd in het marginaliseren van muziekles op de basisschool. Muziek is inmiddels opgeslokt door een abstract en amorf ‘leergebied kunst­zinnige oriëntatie’ waarin het gaat om ‘gevoelens en emoties uitdruk­ken’, ‘communiceren’ en ‘reflecte­ren’. En, oh ja, om ‘enige kennis’. De invulling daarvan wordt geheel over­gelaten aan de school en de onder­wijzers, die ondertussen met Cito-scores en Pisa-resultaten om de oren worden geslagen. Ook op vele peda­gogische academies is het vak mu­ziek gemarginaliseerd. En de resulta­ten in het basisonderwijs zijn ernaar.

[PHAW]: Het is wel jammer en ook een tekort dat de vrijescholen hier niet worden genoemd. Wat ik hierover verder wil zeggen, vind je hier.

Maar het tij keert. Vrijdag* maakte minister Bussemaker (onderwijs) be­kend dat er 25 miljoen uitgetrokken wordt voor verbetering van het mu­ziekonderwijs op basisscholen. Joop van den Ende levert nog eens 25 mil­joen en ook het Oranje Fonds springt bij. Fantastisch nieuws, zeker waar de minister meldt dat met het extra geld ook de deskundigheid van de onderwijzers wordt bevorderd. De minister zegt: “Ze missen vaak het zelfvertrouwen om bijvoorbeeld te zingen voor en met de klas”.

Specialisme

Inderdaad, de kern van het probleem is dat we van muziek, het wonder­baarlijke en vanzelfsprekende ver­schijnsel dat in het dagelijks leven van vrijwel iedereen zo’n belangrijke rol speelt, een specialisme hebben gemaakt. Muziek wordt het liefst overgelaten aan de expert – en dus niet aan de juf of meester zelf. Dat is trouwens een algemeen maatschap­pelijk verschijnsel. Het Vocalisten Concours in Den Bosch, maar ook ‘The Voice of Holland’, leren ons dat alleen de besten door mogen. En ‘Holland’s Got Talent’ leert ons wat we doen met de minder getalenteer­den: uitlachen en afzeiken.

Dat moet veranderen. Ik geef de mi­nister graag drie adviezen. Ten eer­ste: investeer niet in muziekonder­wijs, investeer in zingen, de toegan­kelijkste vorm van muziek maken. Iedereen kan het, iedereen doet het: in voetbalstadions, op verjaardags­feestjes, onder de douche. Vroeger stond niet ‘muziek’ maar ‘zingen’ op het rooster. Misschien moeten we daar eerst naar terug. Pas als er in de klas weer luidkeels en met plezier gezongen wordt, kunnen we nadenken over instrumenten in de klas, over componeren en improviseren, over ‘reflecteren’ en ‘enige’ kennis. Ten tweede: zet niet alleen in op wat de minister “eigentijdser muziekonderwijs” noemt. Zingen kan bevolkingsgroepen en generaties verbinden, en dat is hard nodig in onze samenleving. Daarvoor is een gezamenlijk te zingen repertoire onontbeerlijk. Repertoire moet zichzelf voortdurend aanpassen aan de tijd, maar we leven ook in het verlengde van onze voorgangers. Als de kinderen met Sint- Maarten de de deuren langsgaan, schept het een band als niet alleen de ‘Sint-Maartens-Blues wordt gezongen, maar we elkaar ook herkennen in de koeien die staarten hebben en de meisjes die rokjes aan hebben. Anachronistisch, zeker, maar zonder anachronismen wordt ons bestaan wel érg a-historisch

Kunstenaars in de klas

En ten derde: leer de juffen en meesters weer zingen. Niet door lessen zangtechniek en notenlezen, maar door ze te leren vertrouwen te hebben in zichzelf als muzikale persoonlijkheid. Zodat ze weer het gevoel krijgen dat ze mógen zingen in de klas. Dat moeten ze leren op de pedagogische academie. Dus, minister, stop even met investeren in het brengen van ‘kunstenaars in de klas’ sleutel eerst aan het échte probleem. Zorg dat muziek – en vooral zingen – op de pedagogische academies de ruimte krijgt. Want daar begint het! Als we dan over tien jaar merken dat onze scholen weer zingende scholen worden, hebben we een enorme eerste stap gezet.

(Bron: dagblad Trouw, *29-10-2014)

.

Die ‘zingende scholen’ bestaan al: de vrijescholen. En al hééééél lang. Zo lang, dat sommigen menen dat het leerplan ‘dan wel achterhaald’ zal zijn.

Maar, door de ogen van Evert Bisschop Boele, duurt het nog minstens tien jaar eer ‘het onderwijs’ het niveau van het vrijeschoolmuziekonderwijs zal hebben benaderd.

Zo’n krantenberichtje maakt het weer heel concreet: de juffen en meesters zijn nog geen ‘kunstenaars’. 

Vrijeschooljuffen- en meesters hebben wél de opdracht het te worden:

Steiner:

‘Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar wanneer hij, wat hij moet ontwikkelen, moet vormen, begrijpt, zoals de schilder alleen schilderen kan wanneer deze de kwaliteit, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan wanneer hij het wezen van zijn materiaal kent, enz.
Wat voor de kunst in het algemeen geldt, die met concrete materie werkt, zou dat niet opgaan voor die kunst die met de edelste materie werkt die de mens maar in handen krijgt: de mens zelf- hoe die wordt en zich ontwikkelt.’
GA 308/9  
Vertaald: ‘De wordende mens‘ blz. 21/22

‘Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.’

‘Opvoeding en onderwijs moeten tot een ware kunst worden.’
GA 294/11    
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12

‘Alleen uit echte menskunde kan een echte onderwijs- en opvoedkunst ontstaan.’
GA 297A/50  
Op deze blog vertaald

( ) ‘Maar dat doen we ook met het muzikale, zodat het kind er van het begin af aan aan went een of ander instrument te bespelen. Daardoor kan het kunstzinnig gevoel in het kind opgewekt worden.’
GA 294/11
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12


Muziek
: alle artikelen

Opspattend grind  [7]  [24]   [26]  [66]
Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; alle beelden

746-683

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (4)

.

Pieter HA Witvliet
.

fabel en legende
.

De vertelstof van de 2e klas bestaat uit de fabel en de legende.

Hier vind je een uitgebreide beschrijving over het wat en hoe van het vertellen van een fabel.

Er kunnen allerlei aanleidingen zijn waarom je het nodig vindt nu juist DIE fabel te vertellen. Het kan zijn dat een kind of meerdere kinderen iets doen wat minder wenselijk is. Hoe verander je dat. Door het beeld, de inhoud van de fabel.

Je kunt bv. plotseling ontdekken dat sommige kinderen, om iets voor elkaar te krijgen, het instrument van de ‘mooi-praterij, het gevlei, hanteren. Andere kinderen trappen daarin, wat niet fijn is.

Belangrijk is dus dat ‘VOORAF”. Voor de kinderen moet dit ‘iets’ vertrouwd of bekend zijn; iets wat ze zelf weleens gedaan of gedacht hebben; iets wat ze in hun omgeving hebben zien gebeuren. Je kunt ook rustig vragen: ‘Wie heeft er weleens …….’ Voor een leerkracht buitengewoon leerzaam.

Nadat er dan een tijdje van alles geklonken heeft, zeg je bv. ‘Luister eens naar dit verhaal’ en je vertelt de fabel.

Daarna niets meer; dus vooral niet: DE MORAAL

Die ontstaat vaak in het kind zelf om soms pas na jaren tevoorschijn te komen.

In ‘De vos en de raaf‘ worden de vleierij* en de gevolgen daarvan prachtig weergegeven.

Veel fabels zijn van Aesopus; om begrijpelijke redenen ook wel toegeschreven aan Phaedrus en Jean de la Fontaine.

Ik maakte er zelf onderstaand rijm van en reciteerde en speelde de fabel tot deze goed gekend werd en alle kinderen voldoende de rolletjes hadden kunnen spelen; met eenvoudige verkleedmiddelen.

Later kregen de kinderen deze tekst, met hoofd- en kleine letter.
Dit om ze half op weg in de 2e klas nog eens goed het verschil in vorm onder ogen te brengen. Heel bewust schreef ik deze blokletters niet; ik begon in de 1e klas met een verbonden schuinschrift dat het handschrift bleef (tot ergens in de 6e klas de kinderen behoefte kregen aan een ‘eigen’ vormgeving van hun handschrift).

De versie van Phaedrus:

De Vos en de Raaf

Een raaf stal uit het open venster eens een kaas. En zette zich voor ’t feestmaal in een hoge boom. Dat zag de vos, die naderde met zulke woorden: ‘Hoe heerlijk straalt, o raaf, uw vederkleed; waart ge niet stom —- geen vogel kon zich met u meten.” Doch als de dwaas zijn stem nu wil verheffen, Omlaag valt uit de snavel dan de kaas, die sluw de vos met greet’ge tanden opvangt. Nu eerst jammert, maar te laat, de raaf om zijn bedrogen domheid.

mijn versie:

DE VOS EN DE RAAF
de vos en de raaf

EEN RAAF OP ZIJN GEMAK GEZETEN,
een raaf op zijn gemak gezeten,

WILDE VAN DE KAAS GAAN ETEN
wilde van de kaas gaan eten.

DAAR KWAM EEN VOS OVER HET PAD
daar kwam een vos over het pad,

DIE WEL ZIN IN IETS LEKKERS HAD.
die wel zin in iets lekkers had.

TOEN ZAG HIJ MIJNHEER RAAF EN ZEI:                           (zacht voor zich                                                                                                    heen)
toen zag hij mijnheer raaf en zei:

DAT HAPJE IS WEL WAT VOOR MIJ.”
“dat hapje is wel wat voor mij.”

“WELKE VOGEL IS ZO GAAF,
“welke vogel is zo gaaf,

O, BENT U HET MIJNHEER RAAF.
o, bent u het mijnheer raaf.

WAT ZIT U SIERLIJK OP UW TAK;
wat zit u siérlijk op uw tak;

HOE SCHOON IS TOCH UW VERENPAK.
hoe schoon is toch uw verenpak.

WAT ZIJN UW POTEN SLANK
wat zijn uw poten slank

EN DAN UW HALS, ZO RANK.
en dan uw hals, zo rank.

EN UW VLEUGELS ZIJN VOORWAAR
en uw vleugels zijn voorwaar

NOG STERKER DAN VAN EEN ADELAAR,
nog sterker dan van een adelaar.

NOOIT ZAG IK ZO’N DIER
nooit zag ik zo’n dier,

ZO PRACHTIG, JA ZO FIER.”
zo prachtig, ja zo fier.”

ZO SPRAK DE VOS.
zo sprak de vos.

MET ZIJN GEVLEI
met zijn gevlei

MAAKTE HIJ DE RAAF HEEL BLIJ.
maakte hij de raaf heel blij.

“ALS UW STEM ZO MOOI IS ALS UW VEREN,
“als uw stem zo mooi is als uw veren,

MOET MEN U ALS KONING WEL VEREREN”,
moet men u als koning wel vereren.”

“KRA, KRA,” KRASTE DE RAAF.
“kra, kra,” kraste de raaf.

DE KAAS VIEL NAAR BENEDEN
de kaas viel naar beneden

RECHT IN DE VOSSENBEK.
recht in de vossenbek.

HIJ RIEP TEVREDEN:
hij riep tevreden:

“EEN STEM HEB JE, ZOALS IK HOOR,
“een stem heb je, zoals ik hoor,

MAAR HERSENS NIET!”
maar hersens niet!”

EN GING ER MET DE KAAS VANDOOR,
en ging er met de kaas vandoor.

*UVoor vlijen/vleien zie: (4)

Ik heb wat zinnen in de fabel ingelast die het vleien benadrukken. Het is enig om te ervaren hoe snel de kinderen deze zinnen schitterend ‘slijmerig’ kunnen verwoorden.

Voor meer over deze fabel.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

illustraties

745-682

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (7-1)

.

Monniken en kloosters
.

Ketters en monniken

De tegenstelling tussen het ideale leven van de christen en de harde werkelijkheid van de middeleeuwen heeft het katholieke geloof geen goed gedaan. Van pausen en bisschoppen verwachtte het volk, dat ze het goede voorbeeld zouden geven. Helaas kwam daar meestal maar weinig van terecht.

Vooral lagere geestelijken, die niet zelden een zeer sober leven moesten leiden, was de praalzucht van de hoge geestelijkheid een doorn in het oog. Uit hun gelederen, aangevuld met goedwillende christenen uit het volk, ontstonden bewegingen, die het christendom zijn waarde moesten teruggeven. Sommige van die bewe­gingen gingen in tegen het woord van de paus. De aanhangers werden al snel bestempeld als ‘ketters’ en be­landden op de brandstapel. Maar andere bewegingen toonden juist respect voor het woord van de paus. Ze verenigden zich in klooster­orden en leidden een eenvoudig en vroom leven. De paus kon de leden van deze orden, de monniken, niets anders dan zijn zegen geven, vaak echter met tegenzin. Want de monniken leefden volkomen anders dan de pralende kerkleiders en dat kon het volk niet ontgaan…

Het ideaal van de monniken

De monnik Bruno van Keulen, die de Karthuizer Orde stichtte, heeft het doel en het ideaal van de monniken duidelijk omschreven: ‘Ik leid het leven van een kluizenaar, ver van de oorden van de mensen, met mijn broeders in de godsdienst, in heilige afwachting van de komst des Heren. Opdat wij, wanneer Hij klopt, Hem onmiddellijk kunnen opendoen.’
De kloosterlingen wilden terug naar het eenvoudige leven, zoals Jezus dat had geleefd. Een leven dat gericht was op de medemens, gevuld met studie en bezinning. De wereld van uiterlijke schijn en het eigen lichaam mochten daarbij geen enkele rol spelen.
De rol van de monniken in de middeleeuwen was veelzijdig. Ze verzorgden zieken, hongerigen, reizigers, eenzamen, weduwen en wezen. Ze hielden zich bezig met verschillende wetenschappen en schreven talloze boeken. De kloosters waren de bol­werken van het middeleeuwse denken en weten, voordat er universiteiten bestonden. De kloosters vormden voorts een opvangcentrum voor kin­deren uit overcomplete adellijke ge­zinnen. De edelman die niet genoeg bezat om al zijn kinderen tevreden te stellen, stuurde een deel van zijn kroost naar het klooster. Op die manier werden zowel het bezit als de eer van de familie behouden… Verder vervulden de monniken de voor ons minder begrijpelijke ‘peni­tentie’-functie. Al dan niet tegen betaling baden ze voor het zielenheil van de mensheid. Het gaf de middel­eeuwer een geruststellend gevoel, dat er mensen waren die de gehele dag en een deel van de nacht voor hun zielenheil tot God baden!

De oudste kloosters

De eerste kloosters ontstonden in Egypte, toen dat nog Romeins gebied was. Volgens de legende ontvluchtte omstreeks het jaar 250 een rijke christen, genaamd Paulus, zijn prachtlievende omgeving. Hij trok de woestijn in, om daar een leven van ontbering en zuiverheid te leiden. In het jaar 349, dus bijna een eeuw later, ging een priester op zoek naar Paulus. Hij vond hem, gezond en gelukkig, in de onafzienbare zand- en gruismassa. ‘Leeft de wereld nog?’ zou de oude en grijze Paulus hem gevraagd hebben. Toen de priester Paulus enige tijd later opnieuw wilde bezoeken, vond hij hem dood in het zand, de armen opgeheven. De priester, Antonius geheten, be­sloot het voorbeeld van de oude Paulus te volgen. Hij bracht vele kluizenaars in Noord-Egypte samen. Iedere monnik had zijn eigen kleine woonruimte: een soort cel. Gezamen­lijk zorgden de monniken voor hun schamele kleding en het weinige voedsel dat ze nodig hadden. Hun doel was: eenzaamheid, gebed en beschouwing. Ze wilden hierbij zo weinig mogelijk worden afgeleid. Er ontstonden ook andere kloosters in het Romeinse rijk. Zo kreeg een ruwe soldaat, Pachomius, spijt van zijn bloedige verleden en hij besloot als monnik Christus te gaan dienen. Maar zijn ideeën over het klooster­leven weken sterk af van die van Antonius. Hij vond dat hard wer­ken het ideaal moest zijn van een goed christen. De volgelingen van Pachomius verkeerden veel meer tus­sen de overige gelovigen. De Griekse bisschop Basilius nam het voor deze monniken op. Hij stelde zijn weelderige landgoed ter beschik­king van de monniken en verklaarde ‘De beste lofprijzing van deze plaats is, dat ze zeer geschikt is om elke fruitsoort voort te brengen en de zoetste voor mij: de rust.’ In de jaren 300-500 drongen de idealen van de verschillende klooster­lingen door tot West-Europa. Het kloosterleven zou in duizenden
ge­meenschappen een ongekend hoogte­punt bereiken.

In dit stukje tekst zit een tegenstrijdigheid: Antonius leefde van 251 tot 356 en was vanaf 285, 70 jaar in de woestijn.
.

De harde regels van Benedictus

Rond het jaar 480 werd in het Italiaanse stadje Nursia een man geboren, die de ‘Vader van het Westerse kloosterleven’ zou worden. Het was Benedictus, die bij gebrek aan een achternaam ‘Benedictus van Nursia’ werd genoemd. De jonge Benedictus koos een leven van een­zaamheid en tucht. In 520 trok hij zich met enige volgelingen terug op het topje van een berg, de Monte Cassino. Met de stenen van de ruïne van een Apollo-tempeltje bouwden de monniken, die zich Benedictijnen noemden, een klein klooster.
Het leven van de Benedictijnen was tot in de kleinste bijzonderheden geregeld. Gezangen werden volgens een vast rooster gezongen. De nacht werd doorgebracht in grote slaap­zalen. Het voedsel was karig: vlees mocht alleen door zieken en zwakken worden gegeten. De grootste deugden voor de monniken waren ontbering, gehoorzaamheid en naastenliefde. Benedictus stelde zelf de harde kloos­terregels op, samengevat in de ‘regel van Benedictus’: kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Niemand mocht iets bezitten. Iedere monnik moest zwijgen, altijd het hoofd gebogen houden, met de ogen neergeslagen en de begane zonden in gedachten hou­den. Het nemen van een bad was geoorloofd voor zieken, maar voor gezonden moest het een uitzondering blijven. De abt (het hoofd van de kloosterlingen) moest de monniken tuchtigen, maar met mate. ‘In zijn ijver de roest te verwijderen, mag hij de schaal niet breken,’ vond Benedictus. Ten slotte stelde hij, dat wijn geen drank was voor monniken. ‘Maar omdat de monniken daarvan tegenwoordig niet te overtuigen zijn, moet er in ieder geval matig gedron­ken worden…’

De eerste levensbehoefte

In de loop van de volgende eeuwen ontstonden door heel Europa vele kloosters. Maar in vele kloosters leidden de monniken hetzelfde ple­zierige leven als vele kerkelijke lei­ders. Het ideaal dreigde verloren te gaan. Tijdens de regering van Karel de Grote werd getracht het oude ideaal te herstellen. In 817 werd bepaald, dat alle kloos­terlingen volgens de harde regels van Benedictus van Nursia moesten leven. Enige tientallen jaren hielden monniken zich aan deze regels. Maar daarna ging het met de hoge idealen in de kloosters weer bergafwaarts. Vele kloosters werden schatkamers vol goud en andere rijkdommen. De eerste levensbehoefte van talloze monniken bestond uit een goed gevulde wijnkelder…

De Orde van Cluny

In 909 werd in Bourgondië de abdij van Cluny gesticht. Die abdij werd bewoond door monniken die zich verzetten tegen de slechte naleving van de kloostergeloften en de groeiende zedeloosheid onder de christenen. Vooral tijdens het bewind van abt Odillo (994-1049) was de invloed van de monniken, Cluniacensers genaamd, op andere kloosters en eigenlijk op de gehele christenheid enorm groot.

De monniken van Cluny streefden ernaar volledig onafhankelijk te zijn van welke wereldlijke macht dan ook. De abt, die alle kloosters van de orde onder zijn gezag had, was slechts aan de paus ondergeschikt. De kloosterlingen herstelden kloostertucht en onderwierpen zich in volledige gehoorzaamheid aan de kerk. Hun enige doel was, zo vroom mogelijk te leven. Ze verzetten zich tegen de afkoop van zonden door sommige monniken van bedenkijk allooi. De verkoop van kerkelijke functies en de aanstelling van priesters door edelen en vorsten verafschuwden de monniken. Ook het openlijk of stiekem samenleven van vele priesters met vrouwen werd door de Cluniacensers aan de kaak gesteld.
De Orde van Cluny vormde eigenlijk een grote hervormingsbeweging. De orde zélf verviel spoedig, maar gaf wel aanleiding tot het ontstaan van andere kloosterorden.

De Orde van de Cisterciënzers

In 1098 verliet de abt van het Cluniacenser klooster in het Franse plaatsje Molesme met 21 monniken zijn kloostergemeenschap. De abt, Robert van Molesme, keerde zich tegen de wereldse levenswijze van de monniken. In het verleden hadden juist zijn ordegenoten zich verzet tegen het verwilderde, zedeloze kloosterleven. Maar in de afgelopen twee eeuwen waren de Cluniacenser monniken in dezelfde slappe, wereld­lijke en zedeloze houding vervallen. Robert van Molesme begaf zich naar het Franse stadje Citeaux, in het Latijn Cistercium genoemd. Hij stichtte er een nieuw klooster en een nieuwe orde: de Orde van de Cister­ciënzers. Een halve eeuw later telde deze orde reeds 350 kloosters, een eeuw later ongeveer 670.

Bernardus van Clairvaux

De belangrijkste leider van de Cister­ciënzers zou Bernardus van Clair­vaux worden. Hij zette zich heftig af tegen de slappe Cluniacensers en vroeg spottend of ‘de verlossing moest komen van zachte gewaden en een weelderig leven. Wordt de ziel soms gevoed door de braadpan?’
De moeder van Bernardus van Clairvaux was een edelvrouwe: gemalin van de ridder van Chatillon. Kort voor de geboorte van haar derde kind kreeg ze een droom. Een witte hond blafte zonder ophouden. Een droomuitlegger vertelde haar: ‘U zult een zoon baren, die als een trouwe hond het huis van God zal bewaken en blaffen tegen de vijanden van het geloof. Uw zoon zal een uitmuntend spreker worden en de geneeskracht van zijn tong zal velen tot heil strekken.’
Toen Bernardus werd geboren, was het 1090 en zijn wieg stond in Fontaines, vlak bij Lyon. Hij be­zocht de kloosterschool en studeerde letteren. Op zijn 22e jaar trok Ber­nardus zich met 30 metgezellen terug in het nieuwe klooster van de Cister­ciënzers in Citeaux. Onder de scha­mele pij droegen de monniken een grof en hard onderkleed. Het voedsel was uiterst eenvoudig: grof brood, kool en bonen. De jonge Bernardus hield er voor de rest van zijn leven een maagkwaal aan over. In 1115 stichtte Bernardus met 12 monniken een nieuw klooster te Clairvaux, waaraan hij zijn naam zou ontlenen. De abdij was een en al grimmige eenvoud. De vloer van de eetzaal was niet van hout, maar bestond uit aangestampte leem. De bedden hadden geen poten, zodat ze op doodskisten leken. In de klooster­kerk werd elke verlichting geweerd.
De kamer van Bernardus leek meer op een hondenhok dan op een verblijf voor een mens.
Dertig jaar lang leefde Bernardus in Clairvaux. Hij had een sterk
recht­vaardigheidsgevoel en bezat grote overtuigingskracht. Hij stelde
be­driegerijen op de jaarmarkten aan de kaak en sprak schande van de uit­buiting van de boeren door de edelen. Tijdens een hongersnood organiseer­de hij een graanuitdeling onder het volk. Het graan haalde hij uit de overvloedige graanschuren van de graaf!
Het volk vereerde hem. Gekroonde hoofden vroegen hem om raad. In 1147 riep hij de gehele Westerse christenheid op tot de tweede kruistocht. Als Sint-Bernardus ging hij na zijn dood in 1153 de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk in.

Grijze en witte monniken

De Cisterciënzers, onder leiding van Bernardus van Clairvaux, hadden hun orde uitstekend georganiseerd. Deze goede organisatie zorgde voor een bijzonder snelle verbreiding van de orde. Alle kloosterlingen moesten gehoorzamen aan de ‘regel van Benedictus’.
Daarnaast waren de kloosters zo goed als zelfstandig. Binnen de kloosters leefden twee groepen mon­niken zo goed als gescheiden van elkaar. Het waren de grijze mon­niken en de witte monniken, zo genoemd naar de kleur van hun pij. De grijze monniken zorgden voor landbouw en ontginning van gebie­den en de witte monniken hielden zich bezig met studie en gebed. De Cisterciënzer kloosterorde schreef voor, dat de kloosters op afgelegen plaatsen moesten worden gebouwd. Ook dat was een oorzaak van de snelle verbreiding. Landbezitters maakten graag het edele gebaar een stuk onbewoonbare woestenij aan de orde te schenken. De Cisterciënzer monniken speelden daardoor een belangrijke rol in de ontginning van Europa.

.

Schiermonnikoog dankt zijn naam aan deze grijze monniken: schier=grijs; oog=eiland
.

Andere orden

Niet alleen bij de Cisterciënzers kwam het verlangen naar ware vroomheid en eenvoud tot uitdruk­king. Ook de monniken van de Karthuizer Orde wilden eenzaam leven. In de kloosters verbleven de Karthuizer monniken in kleine cellen met een tuintje. Ze spraken niet tegen elkaar en brachten de dag door met werk en gebed.

De Franciscaner monniken waren van een heel ander slag. De stichter van de Franciscaner Orde werd in 1182 geboren in het Italiaanse Assisi als zoon van een schatrijke koop­man. Tot grote ergernis van zijn vader keerde de jongeling, Francis­cus, zich spoedig af van het welvaren­de leventje. ‘Bewogen door een innerlijke stem’ besloot Franciscus van Assisi de vele vervallen kerkjes in zijn omgeving weer op te bouwen. Het benodigde geld vergaarde hij door handenarbeid te verrichten en te bedelen onder het volk. Na verloop van tijd besloot Francis­cus in volstrekte armoede het leven van Christus na te volgen. Barrevoets en gehuld in een grauwe pij trokken Franciscus en zijn volgelingen door de dorpen en stadjes van Italië. In het jaar 1221 waren er al 3000 Francis­caner monniken, die bedelend en predikend door Italië trokken. Van Franciscus zelf wordt beweerd, dat hij niet alleen de mensen, maar zelfs de dieren het evangelie verkondigde. Er zijn afbeeldingen van hem ge­maakt, waarop hij voor de vogeltjes predikt…

De Franciscanen maakten het de gevestigde kerkelijke leiders lang niet gemakkelijk. De monniken weiger­den demonstratief en openlijk elke vorm van bezit. En dat, terwijl de kerk de rijkste instantie van de christenheid was! Maar het was de paus vanzelfsprekend onmogelijk de Franciscanen van ketterij te beschul­digen. Als de arme Franciscanen niet deugden, wie dan wel? In de kerk van Assisi bevindt zich een schildering, waarop Franciscus een wankelende kerk ondersteunt. Men zegt dat de schilder daarmee een droom van de paus heeft vastgelegd. Toch aarzelde de paus, toen hij de Franciscanen zijn zegen moest geven: zo vreemd en bijna gevaarlijk kwam deze troep armoedzaaiers hem voor..

De brief in de regen

Bernardus van Clairvaux had veel kritiek op de monniken van Cluny. Hij legde die kritiek vast in de ‘brief in de regen’. Die brief werd zo genoemd, omdat volgens de legende op deze brief die onder de blote hemel werd ge­schreven, geen druppel viel terwijl het zwaar regende.
Bernardus had vooral grote bezwaren tegen de weelde waarin vele monniken leefden: ‘Het eeuwig geween en ge­krijs in de hel voor ogen houdend, zal men geen verschil zien tussen de strozak en het veren bed.’
Over het eten van de dikke monniken zei hij: ‘Ze eten dikke vissen, als vlees eten niet mag. Hoeveel recepten zijn er al om eieren klaar te maken?’
Ook de kerkgebouwen konden geen genade vinden in de ogen van Bernardus: ‘De kerken met hun de kijklust prikkelende beschilde­ringen belemmeren al­dus de zielsaandoening!’

6e klas kloosters 1

Karthuizer monniken bij hun klooster in Pavia, geschilderd begin van de 15 e eeuw.

6e klas kloosters 2

De koopmanszoon Franciscus van Assisi, die op jeugdige leeftijd afstand deed van al zin aardse goederen en besloot bedelmonnik te worden.

 

Franciscus

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

 

.

744-681

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30)

.
Hella Krause-Zimmer, *Das Goetheanum, *51-52/2002
.

De zuilen/pijlers van de geboorte
.

De afbeelding van twee madonna’s op een terracottategel
.

Talrijk waren de reacties van lezers op de artikelen en boeken van de op 11 april van dit jaar* gestorven schrijfster Hella Krause-Zimmer. Zo kreeg Krause-Zimmer rond kerst 2001 een brief van Rose Marie Egger Kreutz met een foto van een reliëftegel met de voorstelling van 2 madonna’s met het kindje Jezus, die de afzendster in een landhuis in Toscane ontdekte.
Aangespoord door deze ‘verrassende vondst […] tot in detail’, zoals Krause-Zimmer in maart 2002 aan Egger Kreutz schreef, ontstond een kleine bijdrage aan ‘das Goetheanum’.* Een paar vragen: uit welk materiaal, met welke techniek de tegel was gemaakt en waar deze vandaan kwam, stelde Krause-Zimmer wel aan Egger Kreutz, maar deze kon die helaas niet beantwoorden. Het manuscript schijnt niet af te zijn.

.

Op heel bijzondere wijze en met een verrassende rijkdom aan kennis is het thema van de 2 Madonna’s op een tegel bij elkaar gezet, die uit Ligurië (Italië) komt – men weet echter niet waar die vandaan komt. Ze bevindt zich in Italië in privébezit.

De twee Maria’s die om het hoofd een aura hebben, zitten gelijkwaardig naast elkaar en houden hun kleine Jezuskind op schoot. Ze zijn met zorg, vaste hand en schoonheid uitgewerkt. Aannemelijk is dat de tegelmaker – of hij nu meer vakman of meer een beeldhouwer was – volgens een voorbeeld gewerkt heeft, misschien naar een altaar in zijn omgeving.

Het thema van de twee Maria’s is zelden zo uitgebeeld ‘to the point’ als bij dit kleine reliëf en het eventuele voorbeeld. Bij alle uniformiteit is naar een subtiel, maar duidelijk onderscheid gestreefd.

De rechter Maria met een jeugdig open gelaat, maar met bescheiden geloken ogen, is eenvoudig gekleed, een doek bedekt haar hoofd. Haar naar beneden gerichte blik rust op haar jongetje dat op haar bovenbeen zit en er zeer kinderlijk uitziet. Ze steunt het met haar linkerhand en met haar rechter omvat ze zijn voetje. Het kind zelf heeft iets in zijn beide handjes, wat op een granaatappel lijkt. De Moeder van dit zo liefdevol vastgehouden kindje zit op een troon, geflankeerd door engelen en zingende engelen houden een kroon boven haar hoofd. De uitdrukking op haar gezicht zou je, in vergelijking met de andere Maria, verinnerlijkt kunnen noemen.

Door bogen verbonden:
De eenvoudige en de aristocratische madonna

De linker Maria oogt strenger – met de rechte neus, de enigszins starre blik die niet op het kind rust. Haar hoofd is niet met een doek bedekt. Hier zie je ook geen engelen, niet bij de troon en ook wordt deze Maria niet door engelen gekroond. Haar gewaad is voller, rijker en er zit een opvallend voorname boord aan. Haar kindje staat en wordt door haar linkerhand maar weinig gesteund. Het is soevereiner en minder kind dan het andere knaapje. Hij houdt geen granaatappel vast, maar hij houdt zijn rechterhand tegen zijn eigen borst en houdt met de andere hand de rijke zoom van Maria’s mantel vast. De Moeder houdt hem een bloem of een vrucht voor. Ook hij heeft, net als zijn Moeder, zijn ogen open, de oogleden niet geloken.

Je zou kunnen zeggen dat de rechter ‘eenvoudige’ Madonna een ietwat boerse inslag heeft, terwijl de linker met haar scherpere, fijn uitgewerkte trekken eerder aristocratisch lijkt.

Door de inspanning van de meester kunnen we de beide Madonna’s onderscheiden in die zin, dat we in de engel-Maria en haar kinderlijke jongetje de Madonna uit het Lucasevangelie kunnen herkennen en in de strengere, uiterlijk rijker geklede linker Moeder de ‘Mattheüs-Maria’. Met andere woorden, het Kind aanbeden door de engelen en de herders hier en het Kind van de aanbidding der koningen, daar.

Bij deze karakterisering past ook de granaatappel, want deze is het symbool van de dood en het ‘Kind uit Lucas’ is hij die op Golgotha zal sterven.

De Maria’s zijn gescheiden door een zuil en verbonden door een dubbele boog die op de zuilen rust. Boven de bogen zweeft de duif van de Heilige Geest.

Op veel voorstellingen van de oudere christelijke kunst is een zuil te zien. Bij de scène van de verkondiging staat deze tussen Maria en de engel Gabriël die haar de onbevlekte ontvangenis aanzegt. Bij de beelden van de geboorte ligt het kindje aan de voet van de zuil. Zo vertoont de zuil zich als een metafoor, als een uitdrukking van het nederdalen en het overeind staan op het aardoppervlak: de geboorte.
De geboortezuil, evenals de daarboven zwevende Heilige Geest die het tot stand brengt, valt de beide Maria’s ten deel.
Op voorstellingen is ook vaker links en rechts van de zuil een arcade te zien. Wat deze dubbele rondboog moet vertellen, laat onze meester open en zonder verhulling zien: de 2-voudige geboorte; de twee Jezuskinderen; de twee Maria’s.

twee Jezuskinderen

Een kleine tegel, misschien voor een huisaltaar gedacht – vol verwondering staan wij ervoor en vragen ons af, hoe dat hier zo duidelijk benadrukte weten over de twee Kinderen en hun Moeders tot de kunstenaar en zijn opdrachtgever gekomen is, ondanks de toen zo machtige kerk. De woordelijke traditie is zo tegengehouden dat de christenen heden ten dage daarvan nauwelijks iets weten.

Rudolf Steiner heeft langs de weg van geesteswetenschappelijk onderzoek naast de documenten en tradities dit geheim weer ontdekt. Alleen daardoor en ook sindsdien kun je ontdekken dat in de beeldende kunst dit thema eens rijkelijk aanwezig was; honderden voorbeelden, verspreid over heel Europa zijn als rest nog aanwezig en getuigen ervan.

De kleine tegel sluit als een van de nieuwste vondsten aan bij de grote groep van deze getuigen.

.

Ongeveer 200 voorbeelden worden besproken en met foto’s gedocumenteerd in het boek: ‘Die zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst‘ van Hella Krause-Zimmer; voor een deel ook in ‘Herodes und der Stern von Bethlehem’
(beide niet vertaald)

Er bestaat wel een Nederlandse uitgave met de titel ‘De twee Jezuskinderen in de beeldende kunst’ van Hans Lap Stolp (zie reacties)

zie ook: De twee kerstkinderen: theologisch probleem

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis

Jaartafels

.

743–680

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Einstein

.

HIJ BRACHT DE KOSMOS IN KAART

.

De constructie van de atoombom is waarschijnlijk de belangrijkste gebeurtenis in de moderne geschiedenis. Ze heeft ons begrip van de oorlog radicaal gewijzigd en is de grondslag geworden waarvan de nuchterste conceptie van wereldstrategie moet uitgaan. En toch is de man, die hier in eerste instantie aansprakelijk voor was, een groot deel van zijn leven een vooraanstaand pacifist geweest, wiens denkbeelden door velen als fantastisch en wereldvreemd werden beschouwd. Het was een brief van Albert Einstein aan Franklin D. Roosevelt die er de stoot toe heeft gegeven dat Amerika de atoombom ging ontwikkelen.

Einstein

Het was Einsteins “Speciale Relativiteitstheorie” die de basis heeft gelegd voor het vrijmaken van de atoomenergie.

Zijn hele leven is Albert Einstein achtervolgd door dingen die hij nooit had begeerd — publiciteit, roem, aanbiedingen van geld en macht. Hij is veel misverstaan en er is veel twistgeschrijf om hem geweest. Honderden geleerden hebben een groot deel van hun loopbaan besteed aan het verklaren, of aan pogingen tot weerlegging, van zijn ontdekkingen. Ofschoon hij geloofde in de vrijheid van het individu en in de democratie, heeft men hem beurtelings uitgemaakt voor een “bolsjewiek” en een “werktuig van Wall Street”. Ofschoon hij een onwankelbaar godsvertrouwen bezat, werd hij aangevallen om zijn atheïsme.

Tot grote verbazing van de slechts het wetenschappelijk onderzoek dienende natuurkundige werden hem bedragen tot bijna een ton geboden voor het aanbevelen van allerlei producten, van likdoornpleisters tot auto’s. Zijn borstbeeld prijkt in bibliotheken universiteiten overal ter wereld, en in Duitsland is een monument voor hem verrezen. Hij is de enige Amerikaanse staatsburger geweest aan wie het presidentschap van een ander land is aangeboden. Dit alles speelde zich af rondom een man die niet meer vroeg dan in stilte te mogen denken en werken. “Ik ben gelukkig omdat ik van niemand iets verlang,” zei hij eens. “Maar natuurlijk vind ik het prettig als ik bij mijn collega’s waardering vind.”

Toen in 1933 de nazi’s in Duitsland aan de macht waren gekomen, verliet Einstein zijn geboorteland en trok naar de Verenigde Staten. Daar werd hij opgenomen in de staf van het Instituut voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek in Princeton, New Jersey. Hij was gelukkig in Princeton; hij vond er de rust waarnaar hij altijd had verlangd. De buren vonden het niet gek dat hij met lange haren liep omdat hij er een hekel aan had naar de kapper te gaan, of dat hij gemakkelijk zittende kleren droeg — een wijde pullover en een slobberig hangende broek.

Van het eerste ogenblik af dat hij zijn intrede deed in het Instituut, is Einstein meer dan louter waardering om zijn vakkennis ten deel gevallen. Mannen van wetenschap, gewoonlijk gereserveerd in hun uitingen, gebruikten onbeschroomd woorden als “bijna een heilige”, “nobel”, “beminnelijk”, wanneer zij het over hem hadden. “Zelfs in een gedachtewisseling over theoretische fysica,” zei een wiskundige, “straalt hij humor, warmte en vriendelijkheid uit.” Toch bleef Einstein, na bijna een halve eeuw een beroemdheid te zijn geweest, voor iedereen behalve zijn vrienden en naaste buren een teruggetrokken figuur.

Iedere werkdag ’s ochtends om half elf trok hij een oude zwarte jas aan — en ’s winters zette hij er nog een zwarte gebreide muts zoals zeelui wel dragen, bij op — stapte zijn houten huis uit en wandelde de ruim twee en een halve kilometer naar het Instituut. Zijn lange, onverzorgde haren en zijn druipsnor waren wit. Zijn ogen stonden, hoewel ze u geduldig en met vriendelijke belangstelling aankeken, dikwijls vermoeid en waren rood omrand. Hij sprak zacht, zijn Engels gekleurd met een licht Duits accent.

In zijn ruime, gerieflijke werkkamer met het riante uitzicht op een stukje bos, placht hij zich onmiddellijk te zetten aan de verdere uitwerking van zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld, waarop hij zich gedurende meer dan drie decenniën geheel concentreerde. Deze theorie verbindt de twee grote krachten van ons fysisch heelal, gravitatie en elektromagnetisme, en toont derhalve de onderlinge relaties aan die er tussen alle bekende natuurkundige verschijnselen bestaan.
Hij ging achterovergeleund in zijn stoel zitten en begon in een klein, keurig handschrift te schrijven op de grote blocnote die hij op een knie in evenwicht hield. Wanneer hij met een probleem vastliep, bleef hij er, nu en dan een lok haar om een vinger windend, net zo lang kalm en geduldig over zitten peinzen tot hij weer verder kon gaan. Elk van zijn theorieën was het resultaat van maanden en jaren onvermoeibaar werken aan wat hij noemde “gedachte-experimenten”.  Potlood en papier vormden zijn wetenschappelijke uitrusting; zijn geest was het laboratorium. Hij kon op dwaalsporen raken, verkeerde conclusies trekken — hij gaf het nooit op.

Het juiste antwoord, voelde hij, moest kunnen worden gevonden, omdat “God wel een raadsel, maar nooit boosaardig is.”
Einstein was diep overtuigd van de eenvoud en logica van het ordenend beginsel in de natuur. “Een soort geloof heeft mij er mijn hele leven voor behoed moedeloos te worden tegenover de grote moeilijkheden waarop ik bij mijn onderzoekingen stuitte.”
Wanneer hij zijn eigen conclusies op hun juistheid toetste, vroeg hij zich af: “Zou dit de manier kunnen zijn waarop God de wereld heeft geschapen?” Als creatief wetenschappelijk werker zag hij van een ontdekking zowel de “schoonheid” als de “juistheid”.
Evenals vele grote mannen was Einstein bescheiden en verlegen. Toen hij in Washington op een vergadering over Palestina binnenkwam, rees iedereen overeind om hem toe te juichen. Van zijn stuk gebracht, fluisterde hij een vriend toe: “Ze moesten maar eerst eens afwachten wat ik zal zeggen.”
Op een diner te zijner ere putte de ene spreker na de andere zich uit in loftuitingen op zijn genie. Einstein wist niet waar hij zich bergen moest. Ten slotte wendde hij zich tot de schrijfster Fannie Hurst en bracht haar op de begane grond terug met de nuchtere mededeling: “Weet u, ik draag nooit sokken.”

Op een aanbod president van Israël te worden antwoordde Einstein met zijn gewone bescheidenheid dat hij zich onbekwaam achtte voor het vervullen van een functie, die veelvuldig contact met mensen inhield. Het leek hem beter, zei hij, de studie voort te zetten van de stoffelijke natuur, waarvan hij “enige kennis” bezat. Einstein heeft nooit met hart en ziel tot een bepaalde maatschappelijke groep behoord. Hij stelde zich niet gemakkelijk voor andere mensen open. Dit was niet een uitvloeisel van zijn werk, maar lag veeleer in ’s mans aard. Deze terughoudendheid sprak reeds uit de eerste foto’s die er als kind van hem waren genomen.

Hij werd op 14 maart 1879 geboren te Ulm in Duitsland, maar bracht zijn eerste jeugdjaren door in München. Door zijn stille verlegen aard had hij weinig omgang met andere kinderen. Het duurde zo lang voor hij leerde spreken, dat zijn ouders vreesden dat hij achterlijk was. Zijn onderwijzers vonden hem een buitenbeentje. Hij had weinig vriendjes en deed niet mee met spelletjes. Zijn manier om zich te vermaken bestond in het componeren van kleine godsdienstige gezangen op de piano, om ze op eenzame wandelingen voor zich heen te neuriën. Zo tegen zijn twaalfde jaar had hij zich reeds op eigen houtje aan de studie van wiskunde en natuurkunde gezet. Op school kon hij echter lang niet in alle vakken goed meekomen. Ofschoon hij uitblonk in wiskunde en fysica, had hij geen aanleg voor talen. Hij wilde in Zwitserland verder studeren, maar zakte voor het toelatingsexamen tot de polytechnische school te Zürich. Een jaar later probeerde hij het nog eens en slaagde.

De eerste twee jaar na beëindiging van de studie had Einstein drie baantjes bij het onderwijs, raakte ze alle drie weer kwijt, leefde van de hand in de tand en trouwde met Mileva Marec, die eveneens natuurkunde had gestudeerd en hem twee zoons schonk.
In 1902 — hij was toen 23 — kreeg Einstein een betrekking als inspecteur bij het Berner octrooibureau. Het baantje vergde niet al te veel van zijn krachten en hij kon zich aan zijn eigen studie blijven wijden. Hij had zich de opgave gesteld tijd met ruimte, massa met energie te verbinden. Soms wanhoopte hij aan de mogelijkheid van slagen, en uitgerekend op de dag voordat hij het juiste bewijs vond, zei hij tegen een collega-inspecteur: “Ik geloof dat ik het maar opgeef.”

Op 26-jarige leeftijd stuurde hij, in de wereld der natuurwetenschappen nog een volslagen onbekende, zijn “Speciale Relativiteitstheorie” naar een wetenschappelijk tijdschrift. Hij vatte zijn theorie samen in wat nu de beroemdste vergelijking op het gebied van de natuurwetenschap is: E = mc2; globaal uitgedrukt: energie is gelijk aan massa maal het kwadraat van de lichtsnelheid. De vergelijking toonde aan dat, indien alle energie, opgehoopt in honderd gram van welke materie ook, kon worden vrijgemaakt, dit een kracht zou opleveren, overeenkomend met de explosiekracht van ruim drie miljoen ton TNT. Ofschoon de theorie een omwenteling teweeg bracht in de voorstelling, die de mens zich van het heelal had gevormd, beseften slechts weinig fysici op dat ogenblik de wereldschokkende betekenis ervan. Jarenlang was E= mc2 een onderwerp voor levendige discussies; na de ontploffing van de atoombom op Hirosjima was het grimmige werkelijkheid geworden.

Einstein deed meer dan de theoretische basis leggen voor de vervaardiging van de atoombom. Tegen het einde van de jaren dertig wisten vele geleerden dat de nazi’s er koortsachtig naar streefden tot ontwikkeling van de atoomkracht te komen. De Amerikaanse geleerden trachtten bij de militaire autoriteiten van de V.S. belangstelling te wekken voor een soortgelijk project, maar vonden weinig gehoor. Zij deden toen een beroep op Einstein om zijn invloed aan te wenden. Op een avond in 1939 stelde hij de brief op die een van de belangrijkste documenten van de Amerikaanse geschiedenis zou worden. “Recente onderzoekingen,” schreef hij aan president Roosevelt, “wekken de verwachting dat het element uranium in de naaste toekomst zal kunnen worden omgezet in een nieuwe en belangrijke bron van energie……Van deze nieuwe energie zou ook gebruik kunnen worden gemaakt voor de constructie van bommen.”
President Roosevelt machtigde onmiddellijk het Manhattan-Project de ontwikkeling van de atoombom ter hand te nemen, en de Verenigde Staten waren begonnen met de noodlottigste bewapeningswedloop die de geschiedenis te zien heeft gegeven.

Einstein bleef aan het werk met dezelfde voortvarendheid die hij 50 jaar had gedemonstreerd. Zijn Algemene Theorie van het Magnetische Veld was het resultaat van 35 jaar ingespannen arbeid. De kwintessens ervan is samengevat in vier vergelijkingen, die slechts twee regels van deze bladzijde zouden beslaan. In deze reeks vergelijkingen verbond hij de natuurkundige wetten die de krachten van licht en energie beheersen met de geheimzinnige zwaartekracht waaraan alle stoffelijke dingen zijn onderworpen.
Einstein geloofde dat zijn theorie “in hoge mate overtuigend” was, maar kon niet met zekerheid zeggen dat ze juist was.

Albert Einstein is op 18 april 1955 in Princeton gestorven. Hij was toen 76 jaar, en tot het laatst heeft hij zich ingespannen om nog meer geheimen van tijd en ruimte te ontraadselen. De kans op mislukking heeft hem nooit ontmoedigd. Hij wist dat de mens nooit de werkelijkheid zal kunnen doorgronden en dat “de schoonste ervaring die wij kunnen opdoen de belevenis van het mysterie is.”

8e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

Einstein wordt door Rudolf Steiner in verschillende voordrachten genoemd, m.n. om zijn relativiteitstheorie.

( )um einmal die ganze Relativitätstheorie in ihrer Berechtigung und Unberechtigung darzustellen. Ich glaube, die Leute sollten doch einmal einen Begriff bekommen von folgendem: Nicht wahr, man kann doch ein Problem der Relativitätstheorie so behandeln: eine Kanone wird in Freiburg i. Br. abgeschossen, man hört sie in einiger Entfernung, man kann die Entfernung berechnen. Man geht jetzt dazu über, zu berechnen, wie die Zeit sich ändert, wenn man sich dem Schall entgegenbewegt oder vom Schall weg. Die Fortpflanzungszeit wird verlängert, wenn Sie von Karlsruhe nach Frankfurt sich bewegen. Dann, wenn Sie sich nach der anderen Rich­tung bewegen, wird die Zeit verkürzt, bis Sie zu null kommen, wenn Sie die Kanone in Freiburg selber hören. Sie können über Freiburg hinausgehen, dann müssen Sie dazu kommen, die Kanone zu hören, bevor sie losgeschossen wird. Das ist der Grundfehler, der darin steckt.

Om nu eens de hele relativiteitstheorie recht te doen, maar ook om aan te tonen waar ze niet terecht is. Ik geloof dat de leerlingen toch een keer een begrip moeten krijgen van het volgende: Je kan een probleem van de relativiteitstheorie zo behandelen: in Freiburg i.B. wordt een kanon afgeschoten, op een bepaalde afstand hoor je dat; die afstand kan je berekenen. Nu ga je berekenen hoe anders de tijd wordt, wanneer je in de richting van de knal gaat of ervandaan. De geluidsvoortplantingstijd wordt langer als je van Karlsruhe naar Frankfurt gaat. Als je de andere kant op gaat, wordt de tijd korter, tot aan 0 toe, wanneer je het kanon in Freiburg zelf hoort. Je kan Freiburg dan voorbij gaan, dan zou het moeten gaan gebeuren het kanon eerder te horen dan het afgeschoten is. Dat is de basale fout die erin zit.
GA 300C/159
Niet vertaald

Ook op andere plaatsen: gebruik daarvoor deze zoekmachine

742-679

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel

.
Klaus Hünig, Leherrundbrief dec. 1996

.

GATTERCOMPAS
.

Een aantal taalkundig-astronomische opmerkingen bij het Oberuferer driekoningenspel.

In de eerste zinnen die koning Melchior spreekt in het begin van het driekoningenspel uit Oberufer, komen o.a. de woorden ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’ voor.
Uit de vragen van collega’s weet ik dat er onzekerheid bestaat over wat daarmee wordt bedoeld. De volgende bijdrage is een poging hierin wat helderheid te verschaffen.

Allereerst helpt een blik in het boek van Helmut Sembdner, ‘De Oberuferer kerstspelen’ [1]. Hierin wordt de tekst van Schröer met andere, nauw verwante teksten bekeken wat veel verrassende ophelderingen over onleesbare stukken tekst oplevert, niet alleen voor het driekoningenspel. Rudolf Steiner zei bij zijn laatste begroetingstoespraak bij de opvoeringen in Dornach, dat hij de tekst van Schröer had willen bewerken om de echte bewoordingen weer in ere te herstellen, waaraan hij echter niet meer toekwam. [2]
Het is nu de verantwoording van iedere ‘kompanij’ om, waar in de loop der eeuwen de mondelinge traditie onbegrijpelijke tekst tot gevolg had – die al in de tijd van Schröer door de boeren uit Oberufer niet meer begrepen werd, tekstveranderingen door te voeren of ook niet.

Voor het nodige inzicht biedt het boek van Sembdner een solide basis.

Wat Schröer zegt, klinkt bij Sembdner zo:

Mein gatter compas und alle instrument
bring her du pagi jetz und behend
des himels gloria auch nit vergiss
es scheint ein stern der nie gewesen ist:
wie Venus mit der sonnen sich consamaniert
auch etwas anders ist vor mir:….
[door Schröer veranderd in:
äuget was anders sich itzt vor mir….]
(cursief en vet door de schrijver)

De vertaling van mevrouw Bruinier luidt:

Myn gattercompas end instrumenten goet,
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
der heemlen gloria reickt boven dien
gins blinckt een star ao noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staot iet veurt oogh als nimmer te veuren:

Nu bestaat er een in 1693 waarschijnlijk in Pressburg gedrukte tekst van een kerstspel, die op veel plaatsen bijna letterlijk hetzelfde is als de tekst van het Oberuferer herders- en driekoningenspel en dat hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel heeft met de traditionele mondeling overgeleverde en geschreven spelen. [3]
Daarin luidt de betreffende passage:

Mein Quadrant/Compass und all Instrument/
Bring her du Bashi jetzo behend/
Des Himmels Globi auch nit vergiss/
Es scheint ein Stirn so niegewiss/
Wie Venus mit der Sonn sich conjungiret/
Darneben etwas anders doch ist formiret/….

Met de woorden ‘gatter, compas en ‘hemel-gloria’ wil Melchior een aantal astronomische instrumenten hebben, die in de tijd voor de ontdekking van de telescoop in de 17e eeuw. dus vóór Galileï en Kepler, tot de standaarduitrusting van een astronoom (of astroloog – dat was toch nog één) behoorden en hij gebruikt een paar namen uit het Latijn stammende vakjargon: (conju[n]giren: van planeten: een conjunctie hebben, d.w.z. dicht bij elkaar staan en formiren: vormen.

Hoe kwam nu ‘gatter’ uit ‘kwadrant’ en uit ‘Himmels Globi’ de ‘heemlen gloria’? Dat is gemakkelijk te verklaren: wat een kwadrant (Latijn voor quadrare, in vieren delen, vierhoekig maken) en wat Globi (meervoud voor het Latijnse globus, bollen) waren, wisten de boeren uit Oberufer niet, alleen al omdat ze in de regel geen Latijn kenden. Wel kenden ze het woord ‘gatter’ en ‘gloria’ was hun uit de godsdienst wel vertrouwd. Zo pasten ze de hun onbekende woorden aan, aan daarop lijkende woorden die wél vertrouwd klonken  en die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Zulke aanpassingen die met het begrip volksetymologie worden beschreven, komen in bijna alle talen voor. Het is buitengewoon stimulerend ze te onderzoeken.

Wat was er nu met de genoemde apparaten? Waarvoor dienden ze en hoe zagen ze eruit?

kwadrant in 2 andere standen

Een kwadrant is, zoals zijn Latijnse naam al zegt, een kwart van een cirkel, in de praktische uitvoering meestal een  kwart cirkelschijf. Op het gebogen deel – dus op het kwart van de cirkelomtrek – bevindt zich een getallenschaal van 0 tot 90 en in het middelpunt van de cirkel een draad met een gewicht, een schietlood dus, of een arm die kan draaien, de alhidade: vizierlineaal (een woord uit het Arabisch, zoals zo veel astronomische begrippen)

Met het loodkwadrant wordt zo gemeten: wanneer langs één van de beide rechte kanten van het kwadrant – dus langs de straal van de cirkel – een punt tussen horizon en zenit gepeild wordt, geeft het loodrecht naar beneden hangende schietlood op de schaal de hoogtehoek aan, d.w.z. de hoek die de straal van de blikrichting naar de horizon en die naar het ruimtepunt met elkaar vormen. Wanneer dat punt op de horizon ligt, is de hoek 0′, ligt deze in het zenit, dan is hij 90′. Met het loodkwadrant wordt dus de hoek gemeten die een ster maakt met de horizon.

De kwadrant met de vizierarm kan onafhankelijk van de horizon gebruikt worden, bv. om de hoek tussen 2 sterren te meten. Daarbij wordt tegelijkertijd gepeild langs de vizierarm en langs de zijde van het kwadrant, waartoe het apparaat in de regel vrij draaibaar op een standaard gemonteerd is en de meting door twee waarnemers tegelijk uitgevoerd kan worden. In plaats van een kwadrant heeft men ook dikwijls de handzamere sextant gebruikt die precies zo geconstrueerd is, maar als basis een zesde van een cirkel heeft (niet te verwarren met de pas in de 18e eeuw uitgevonden en tegenwoordig nog gebruikte spiegelsextant).

Het is niet zo moeilijk om met behulp van een passer, gradenboog en liniaal uit karton of triplex een kleine loodkwadrant te maken. Een zevendeklasser zou hiertoe eigenlijk de gelegenheid moeten krijgen in de geschiedenis- of meetkundeperiode. Kwadranten waren in het tijdperk van de veroveringen onontbeerlijk voor de navigatie..

driekoningenspel gatter

Met een kompas – in de zin van een oud astronomisch apparaat – wordt niet, zoals men zou kunnen denken, een magneetkompas, maar een passer bedoeld. In het Engels is het duidelijk: passer is in die taal: a pair of compasses. Waar deze bij gebruikt werd, wordt pas duidelijk wanneer je de Himmels Globi, dus de hemelgloben bekijkt. Ze waren in de regel zo gemaakt dat de sterrenbeelden in spiegelbeeld afgebeeld werden, omdat men de hemelbol als van buitenaf bekeek en ze hadden aan de buitenkant een horizontale ring, die de positie van de horizon aangaf. Wilde men de afstand tussen twee sterren aan de hemelboog markeren, dan mat men eerst hun hoekafstand, bv. met behulp van een kwadrant, bracht deze hoek over op een steekpasser waarvan de lengte van de benen precies overeenkwam met de bolradius van de hemelglobe en zo kon men met de passerpunten deze afstand zuiver op de bovenkant van de hemelglobe overbrengen. Nu is het ook niet meer zo verwonderlijk waarom men op oude prenten de astronoom zo vaak met de passer in de hand voor een hemelglobe afgebeeld ziet.

Blijft nog het raadsel wat zich verbergt achter de woorden alle instrumenti – vertaald in – end instrumenten goet. Waarschijnlijk een kijker, die men echter niet mag verwarren met een verrekijker omdat er geen lenzen inzaten en misschien een jakobsstaf. De eerste is sinds de oudheid, de laatste sinds de 13e eeuw bekend.
Met een kijker, bv. een eenvoudige rol karton, kun je ook zonder de lichtconcentratie van lenzen het zicht op de hemel aanzienlijk verscherpen, omdat het oog zich fixeert op een klein stukje hemel.
Een jakobsstaf is een staf met een gradenschaal waarop een kortere dwarsstaf verschoven kan worden.

Peilt men 2 punten en verschuift men de dwarsstaf tot de punten precies met het einde samenvallen, dan kan men op de schaal van de hoofdstaf de hoek tussen de 2 punten aflezen.

Wat kun je van het bovenstaande nu gebruiken in het driekoningenspel?

Dat moet iedere ‘kompany’ zelf beslissen. Maar je kunt je afvragen hoe het staat met het bewustzijn waarnaar we ook op school vanuit de antroposofie streven, wanneer onbegrijpelijk verbasterde woorden alleen maar gebruikt worden om niet met een geliefde traditie te breken.

Klaarblijkelijk is aan het begin van deze traditie meteen al met een eerdere traditie gebroken, waardoor het tot onbegrijpelijke woordverbasteringen kwam.

De vraag hoeveel en welke astronomische instrumenten de page moet brengen, moet met veel inlevingsvermogen beantwoord worden. Een kerstspel is geen tentoonstelling. Vermoedelijk is een mooie, een koning waardige kijker genoeg, zoals tot nog toe bij de speltraditie in onze scholen gebruikelijk is.
.

[1] Helmut Sembdner, Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext
[2] blz.179
[3] blz.35

In de tekst van het driekoningenspel waarover ik beschik, staan de woorden ‘gatter’ en ‘kompas’ aan elkaar geschreven. Uit bovenstaande blijkt dat er eigenlijk een spatie of komma tussen hoort: het zijn 2 instrumenten.

Voor meer informatie over de instrumenten

.

Kerstspelen: alle artikelen   w.o.  Driekoningenspel

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen

.

741-678

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (29)

. 
De Gelderlander, 22-12-1993

.

Jezus kwam ter wereld, maar waar is onzeker

.

„Het gebeurde in die dagen…” Het kerstverhaal volgens Lucas is op kerstavond in overvolle kerken het meest gebruikte Bijbelgedeelte.

Het verhaal wordt gretig opgesierd. In een kerstspel houden hardvoch­tige herbergiers de deuren voor Jozef en Maria gesloten. Jezus wordt geboren in een stal waar een ijzige wind door de kieren giert.

Met de oorspronkelijke Bijbeltekst heeft dit alles weinig van doen. Met de werkelijke toedracht van de geboorte van Christus nog minder. Kerkhistorici achten het zeer on­waarschijnlijk dat herbergiers Ma­ria en Jozef onderdak weigerden. Jozef kwam uit Bethlehem en heeft daar beslist familieleden gehad die hem en zijn zwangere vrouw in huis zouden hebben opgenomen. Het is waarschijnlijker dat alle ka­mers in herbergen in verband met de volkstelling waren bezet.

In het begin van onze jaartelling was het in Bethlehem gebruikelijk dat zich onder het woonhuis een stal voor het vee bevond. De krib­ben waren toen net als nu uit steen gehouwen. Het zal ook buiten de stal niet koud zijn geweest. De herders weidden hun schapen in het open veld. Er moet voor deze dieren voldoende te eten zijn ge­weest. Geleerden menen daarom dat Jezus in het begin van de herfst ter wereld is gekomen: na de oogst eind augustus trokken de herders met hun schapen naar de velden met korenstoppels.

Waar de geboorte van Jezus zich heeft voltrokken, kunnen de Bijbelonderzoekers na 2000 jaar niet meer achterhalen. Lucas is de eni­ge evangelist die gedetailleerd over de geboorte schrijft. Mattheüs, wiens beschrijving van het leven van Jezus veel overeenkomsten met die van Lucas vertoont, meldt niets over herbergiers, een kribbe en herders, maar biedt wel het verhaal van de drie wijzen uit het Oosten, die overigens waarschijn­lijk koning noch wijs waren. Ook het geboortejaar van Jezus is niet precies bekend. Keizer Augus­tus heeft twee volkstellingen laten houden: in 8 voor Christus en in 6/7 na Christus. In het eerste jaar was Quirinus nog geen landvoogd van Syrië en in het tweede was de wrede koning Herodes al overle­den. Sterrenkundigen hebben hun eigen berekeningen gemaakt. In het jaar 7 voor Christus ontmoetten de planeten Jupiter en Saturnus elkaar aan de zuidelijke sterrenhemel. Deze ‘Kerstster’ moet de drie wijzen van Jeruzalem naar Bethlehem hebben geleid. In het jaar 2238 zal zich hetzelfde ver­schijnsel voordoen.

Dat Jezus op 25 december is gebo­ren, is nagenoeg uitgesloten. De datum van het kerstfeest heeft een heidense oorsprong. Bij het ingaan van de winter werd het feest van de zonnegod gevierd. De protes­tantse predikant Thomas Gandow heeft een andere theorie: hij legt een verband met het joodse feest van de tempelwijding. In onze om­geving wordt pas sinds de negende eeuw op 25 december het kerstfeest gevierd. De oosterse kerken vieren Kerstmis op 6 januari, als de rooms-katholieke kerk het feest van de Verschijning des Heren (Driekoningen) viert.

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

740-677

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (28)

.
Nadere gegevens ontbreken.

.

Om mij de duisternis
Somber en groot
Alles, wat leven is
Speurt nu de dood

Buiten de dreigende,
Donkere nacht.
Zwarte en zwijgende
Groot is uw macht

Diep in ons hart leeft
Stralend een ster.
Alles, wat leven heeft
Ziet haar van ver.

Lichtende Geesteskracht
Goddelijk Kind,
Gij hebt de sterkste macht
Gij overwint

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

.

739-676

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-2)

 .

De Tweede, Derde en Vierde Kruistocht

De nieuwe staatjes van de kruisridders

Na de bevrijding van Jeruzalem boden de ridders de dappere Godfried van Bouillon de koningskroon van de stad aan. Maar hij weigerde die met de woorden: ‘Ik kan geen gouden kroon dragen, waar Christus een doornenkroon droeg.’ Hij nam ge­noegen met de eretitel ‘Beschermer van het Heilige Graf’. Godfrieds neef Boudewijn van Boulogne had minder gewetensbe­zwaren. Hij ruilde zijn pas veroverde graafschap Edessa in voor Jeruzalem en aanvaardde wél de koningskroon. Boudewijn was niet de enige die zo gemakkelijk zijn eed aan keizer Alexius schond. Terwijl de meeste kruisridders met hun soldaten de reis naar huis aanvaardden, bleven zo’n 300 soldaten met hun aanvoerders achter in het Heilige Land. Ze stichtten staatjes in de veroverde gebieden. Bohemund van Tarente had zich Antiochië toegeëigend en Raymond van Toulouse werd de heer van Tripoli. Godfried van Bouillon was van plan naar huis te gaan, maar hij stierf in 1100, na een veldtocht tegen de stad Damascus.

De aansporing van Bernardus van Clairvaux

De muzelmannen berustten niet in de verovering van hun gebieden door de Europese ridders. Ze zonnen op wraak. Hun krachtigste leider, sultan Zengi, veroverde in 1144 Edessa. Dat was de zwakste, maar tevens de voornaamste voorpost van de kruis­vaarders. Dit wapenfeit werd aan­leiding voor het ondernemen van de Tweede Kruistocht (1147-1149). Deze veldtocht zou de glorie van de Eerste Kruistocht allerminst voort­zetten.
De in West-Europa thuisgekomen ridders hingen liever de held uit dan opnieuw de wapens op te nemen. In plaats van opnieuw de lange reis te ondernemen, reageerden ze lauw op de val van Edessa.

Maar toen kwam Bernardus van Clairvaux tussenbeide. Hij was een geestelijke, die aan alle Europese hoven in hoog aanzien stond. Hij besloot koningen en keizers af te reizen. Welbespraakt en vurig pleitte hij voor een nieuwe veldtocht tegen de moslims. Voor de eerste maal schaarden gekroonde hoofden zich onder de banier van het kruis. Lodewijk VII van Frankrijk maakte zich reisvaardig en vertrok met een groot leger van 70.000 man en begeleid door zijn gemalin Eleonora naar het Heilige Land. Vanuit het Duitse rijk vertrok Koenraad III met eveneens 70.000 man.

6e klas kruistochten 2

Bernardus van Clairvaux onderwijst zijn volgelingen. Deze invloedrijke geestelijke wist zowel de koning van Frankrijk als de Duitse keizer in 1146 te bewegen om de Tweede Kruistocht te ondernemen.

Veldtocht vol fouten

Aanvankelijk volgden de nieuwe legers dezelfde route als van hun voor­gangers. Maar na Constantinopel weken ze van de oude route af. Eerst marcheerden ze een stuk langs de kust van Klein-Azië en toen scheepten ze zich in en voeren naar Palestina. Het lot was de kruisvaarders die keer slecht gezind. Het leger van Koenraad III werd vernietigend verslagen. Lodewijk VII verging het al niet veel beter. Hij liet zich in Antiochië feeste­lijk onthalen door Bohemund. Maar hij beging de fout zijn vrouw aan de bescherming van Bohemund toe te vertrouwen. Prompt begon Bohe­mund haar het hof te maken. Nadat hij met zijn troepen verder was getrok­ken, beging de onwetende Lodewijk VII zijn tweede, nog grotere blunder. In plaats van het beleg te slaan voor Edessa, waarvoor hij eigenlijk was gekomen, viel hij de stad Damascus aan. Het was de stad die Godfried van Bouillon het leven had gekost. Maar de bewoners van Damascus haatten de Turken zo erg, dat ze eerder als bondgenoten dan als vij­anden beschouwd moesten worden. Lodewijk verspilde zijn krachten dus tegen de verkeerde vijand. Damascus werd manmoedig en met succes ver­dedigd. Lodewijk moest het laten afweten. Hij moest genoegen nemen met de verschroeide akkers rond de stad. Kort daarop hoorde hij dat Bohemund in Antiochië zijn vrouw Eleonora had ingepalmd. Verslagen trok Lodewijk VII met de resten van zijn legers terug naar Frankrijk en liet daar zijn huwelijk ontbinden…

Zegevierende Turken

De Turken, die de mislukking van de Tweede Kruistocht uiteraard met genoegen hadden aanschouwd, grepen hun kans en sloegen terug. De zoon van sultan Zengi veroverde Antiochië en alle steden in het noorden van Klein-Azië. In 1174 greep de Turkse generaal Saladin de macht. Nog in hetzelfde jaar nam hij Damascus in. Daarna rukte hij op naar Jeruzalem.
Koning Boudewijn van Jeruzalem, die in 1185 aan melaatsheid stierf, wist de stad tot aan zijn dood te behouden. Maar daarna kon de stad de sterke legers van Saladin niet veel langer weerstaan. Op 2 oktober 1187 wapperde Saladins banier op de muren van de Heilige Stad.

Een schok door Europa

De val van Jeruzalem voer als een schok door Europa. De paus ver­maande de Europese vorsten hun onderlinge twisten bij te leggen en spoorde hen aan tot de Derde Kruis­tocht (1189-1192). Ditmaal trokken niet twee, maar drie vorsten hun harnas aan. De Duitse keizer Frederik Barbarossa bracht een gigantisch leger op de been. De Franse koning Filips II Augustus deed hetzelfde, gevolgd door koning Richard Leeuwenhart van Engeland. Keizer Frederik Barbarossa (met de rode baard) trok dwars door Europa en kwam als eerste in Klein-Azië aan. Bij dit leger bevond zich ook graaf Willem I van Holland. Zijn eerste krijgsverrichtingen waren zeer suc­cesvol. Maar toen sloeg het noodlot opnieuw toe: op 10 juni 1190 ver­dronk de keizer in de rivier de Calycadnus. Ontmoedigd maakte een belangrijk deel van het Duitse leger rechtsomkeert.

Het verdrag met Saladin

Richard Leeuwenhart was fortuin­lijker. Samen met de Franse koning Filips II Augustus scheepte hij zich in Zuid-Frankrijk in en voer over de Middellandse Zee naar Palestina. Onderweg veroverde hij het eiland Cyprus. Aangekomen in het Heilige Land (in 1191) kregen de Engelse en Franse koning een heftige ruzie, als gevolg van de vele oorlogen die Frankrijk en Engeland de afgelopen jaren met elkaar hadden gevoerd. Filips II Augustus besloot met zijn krijgsmacht terug te keren naar Frankrijk.
Het kon Richard niet deren. Moedig trok hij met alleen zijn Engelse soldaten verder. De gehele westerse wereld, maar ook de mohammedaanse wereld weergalmde van Richards dapperheid, die vaak aan roekeloos­heid grensde. In 1192 veroverde hij Jaffa, maar Jeruzalem zou een visioen aan de horizon blijven. Richard Leeuwenhart ontving alarmerende be­richten uit zijn land en besloot naar Engeland terug te keren. Maar voor­dat hij zich inscheepte, wist hij een overeenkomst te sluiten met Saladin. Pelgrims mochten weer ongehinderd het Heilige Graf bezoeken. De over­eenkomst gold voor drie jaren. Onderweg werd Richard Leeuwen­hart twee jaar gevangen gehouden door hertog Leopold van Oostenrijk, die hij vroeger eens beledigd had. In 1194 keerde Richard in Engeland terug.

Een paus met grote plannen

In 1198 werd Innocentius III, toen 37 jaar oud, tot paus gekozen. De bezetting van de Heilige Stad door de mannen van Saladin was een doorn in het oog van de jonge paus. Bovendien was hij bezeten van het verlangen, machtiger te zijn dan wie ook in Europa.
Hij besloot de gekroonde hoofden van Europa tot een nieuwe kruistocht aan te zetten, om tijdens hun af­wezigheid zijn macht voor eens en altijd te vestigen. Hij begon met de geliefde riddertoernooien voor de periode van vijf jaar te verbieden. Wat hij verwachtte, gebeurde. De ridders werden ongedurig en zochten actie. De geslepen paus Innocen­tius III wist die dadendrang om te zetten in het organiseren van de Vierde Kruistocht (1202-1204). De paus vond een gretige geldschieter voor de legers in de heerser van het machtige Venetië, de doge Dandolo. Venetië zou in ruil voor de helft van de veroveringen en een fors bedrag de schepen leveren voor de overtocht en bovendien 34.000 man een jaar lang van voedsel voorzien. De vloot zou naar Egypte varen en de muzelman­nen daar in het hart van hun rijk treffen.

Wat de paus niet besefte, was dat de sluwe doge andere plannen voor had met de kruisvaarders. Evenals Pisa en Genua had de stad Venetië aan de voorgaande kruistochten een bloeien­de handel met de christelijke staatjes in Palestina overgehouden. De doge besloot de rijpende plannen voor een volgende kruistocht te benutten tot meerdere glorie van zijn stad. Venetië onderhield zeer winstgevende handelsbetrekkingen met Egypte en de doge was zeker niet van plan die te verspelen.
De kruisvaarders konden het vereiste bedrag voor de schepen en de over­tocht niet bij elkaar krijgen. Daar­door kon de doge de kruisvaarders zover krijgen, dat ze koers zetten naar Constantinopel. Dat was bij­zonder slim van hem, want die stad was reeds eeuwenlang de grote con­current op de markt in het Oosten. In 1203 bestormden de kruislegers Constantinopel. Ze herstelden er de macht van keizer Isaac, die enige jaren terug was verjaagd door zijn broer Alexius III. Maar nog geen jaar later kregen de kruisridders laaiende ruzie met de keizer en stuurden hem zijn keizerrijk uit.
De ridders verdeelden daarna het Europese deel van Byzantium in vele vorstendommen. Een kwart van het rijk, met de stad Constantinopel, werd geschonken aan Boudewijn van Vlaanderen, een van de belangrijkste aanvoerders. Hij werd de eerste keizer van het nieuwe rijk, dat ‘het Latijnse keizerrijk’ ofwel ‘Romania’ werd genoemd.
De macht van Constantinopel was gebroken. De Venetiaanse doge had zijn zin gekregen. Venetië kon onbe­lemmerd de vruchten plukken van de handel met het Oosten. De Vene­tiaanse schepen waren de meesters van de Middellandse Zee. Paus Innocentius III zag maar weinig van zijn idealen terechtkomen. En Jeruzalem was vergeten…

De laatste kruistochten

Graaf Willem I

Een Hollandse graaf was voorbe­stemd om tijdens de Vijfde Kruis­tocht (1217-1221) een opvallende rol te spelen. Het was graaf Willem I. Hij was het voorbeeld van een dappere middeleeuwse vechtridder. Hij had al eerder, onder bevel van de Duitse keizer Frederik Barbarossa, aan een kruistocht deelgenomen. Op de terugweg was hij in Franse ge­vangenschap geraakt. Toen hij later in Holland terugkeerde, nam hij maar al te graag de uitdaging van een nieuwe kruistocht aan.

Rondtrekkende predikers

In 1215 werd tijdens een kerkvergadering in het pauselijk paleis te Rome opgeroepen tot een volgende kruistocht. Meer dan 1000 afgezan­ten van vorsten, bisschoppen en andere belangrijke figuren waren bij deze kerkvergadering aanwezig. Paus Innocentius III verwachtte dan ook niet anders, of alle Europese vorsten zouden eendrachtig voor altijd een einde maken aan de overheersing van het Heilige Land door de muzelman­nen.
Maar het  pakte  anders  uit.  De vorsten zaten niet bepaald te trap­pelen van ongeduld om hun paleizen en koninkrijken te verlaten. Ze had­den het te druk met hun onderlinge ruzies en waren bang dat hun vijan­den hun afwezigheid zouden aan­grijpen om hun tronen te bezetten. Daarop beval de paus dat Europa overstroomd moest worden door pre­dikers, die het volk moesten op­roepen tot de strijd tegen de muzel­mannen. Welsprekend en geestdriftig trokken de predikers rond om te zorgen voor een massale deelname. Sommigen kregen in de overvolle kerken visioenen van in de lucht zwevende kruisen: een ‘teken van God…’

Het Portugese avontuur

Ten slotte beantwoordden twee mach­tige Europese vorsten de oproep van de paus: Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk. Ook graaf Willem I van Holland scheepte zich met duizenden Friezen, Hollan­ders en Vlamingen in en zeilde langs de Europese kust naar het zuiden. Hij wilde door de Middellandse Zee naar Palestina varen.
Maar het lot besliste anders. Storm­winden sloegen de schepen van graaf Willem uit de koers. De vloot, waarbij zich inmiddels ook Engelse schepen hadden gevoegd, vluchtte een Portugese rivier op. Voor de Portugese koning Alfonsus II kwa­men de kruislegers als een geschenk van de hemel. Al jaren vocht hij een verbeten strijd tegen de Moren. Maar nooit was het hem gelukt hen uit hun versterkingen te verjagen. De koning haalde de kruisridders over hem te helpen bij zijn strijd. Willem I voer daarop met zijn vloot naar de zwaar verdedigde vestingstad Lissabon, die bezet werd gehouden door de Moren. De kruisvaarders bestormden het bolwerk met zoveel vuur, dat de belegerden zich over­gaven. Graaf Willem beloofde de Moren een vrije aftocht. Maar toen de Moren de vesting verlieten, stort­ten de Friese en Vlaamse troepen zich op hun ongewapende tegenstanders en slachtten hen af. De Portugese koning had zijn doel bereikt en verplaatste zijn hof naar Lissabon, dat daarna de hoofdstad van zijn rijk bleef. Uit dank bood hij de kruisridders land aan. Velen aan­vaardden dit en waren verloren voor de goede zaak. Het leger van graaf Willem onderging hierdoor een ge­voelige aderlating. Bovendien had hij op het slagveld al de nodige verliezen geleden. Daarom vroeg hij paus Innocentius III hem te ontheffen van zijn kruisvaart en hem toe te staan in plaats daarvan strijd te voeren tegen de Moren in Portugal en Spanje. De paus weigerde.

Graaf Willem maakte zich kwaad

Graaf Willem van Holland over­winterde in Lissabon. In het voorjaar voer hij verder. Andreas II van Hongarije en Leopold VI van Oostenrijk waren inmiddels in Egyp­te aangekomen. Ze hadden besloten de sterke stad Damiate aan te vallen. Toen graaf Willem aankwam, was met de belegering net een begin gemaakt. Vooral dank zij de inzet van de energieke Willem I en zijn trouwe mannen, viel Damiate in november 1218.
Daarop stelde de Egyptische sultan voor, Damiate te ruilen voor Jeruza­lem. Veel kruisvaarders waren inge­nomen met dat voorstel. Het zou betekenen dat ze zonder verdere strijd de Heilige Stad konden binnen­trekken. Maar een pauselijke af­gezant verijdelde de inruilplannen. Niet door onderhandeling, maar door strijd moest Jeruzalem aan de muzel­mannen worden ontnomen! Graaf Willem I kon geen begrip opbrengen voor dit pauselijke standpunt. Woe­dend keerde hij met zijn Friezen, Hollanders en Vlamingen terug naar huis.

De resterende kruislegers rukten ver­der Egypte in, maar werden daar verrast door de jaarlijkse over­stroming van de Nijl. Hun legerkamp veranderde in een eiland, omgeven door brede stromen. Schaakmat ge­zet door deze speling van de natuur moesten ze zelfs het veroverde Damiate prijsgeven. Ze besloten geen verdere verliezen te maken en bliezen de aftocht.

Frederik II, de diplomatieke kruisvaarder

Wat met het wapengekletter van de Vijfde Kruistocht niet bereikt werd, zou de Duitse keizer Frederik II von Hohenstaufen langs diplomatieke weg wel bereiken. Toen Frederik II in 1215 trouwde, zwoer hij in aanwezig­heid van de paus (Innocentius III) dat hij het Heilige Land zou veroveren. Innocentius III overleed in 1216 en zijn opvolger Honorius III was de eed aan zijn voorganger gedaan weliswaar niet vergeten, maar hij viel er Frederik II ook niet erg mee lastig. Hij had tenslotte al een aantal malen op het punt gestaan om te vertrekken. Honorius III werd in 1227 opgevolgd door de energieke Gregorius IX en deze nieuwe paus zou Frederik II direct aan zijn eed herinneren. In 1227 werd er een kruisleger door Frederik II uitgerust. Maar twee dagen na het uitvaren legde de vloot weer aan in Zuid-Italië, omdat de pest aan boord uitgebroken zou zijn! Een woedende paus Gregorius geloofde daar geen snars van en hij deed Frederik II onmiddellijk in de ban. Het was misschien de beste manier om hem juist wél op kruis­vaart te sturen. In 1228 trok Frede­rik II aan het hoofd van een sterk leger naar Jeruzalem. Het sterke leger hoefde niet in actie te komen, want op 11 februari 1228 sloot keizer Frederik II vrede met de muzelman­nen, zonder enige voorafgaande strijd. Christelijke pelgrims mochten de steden Bethlehem, Nazareth en Jeruzalem ongehinderd betreden. Paus Gregorius misgunde Frederik II zijn succes en hij was woedend omdat er geen strijd geleverd was. Hij kon er echter niet onderuit om de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen. In 1244 sloten de muzelmannen de Heilige Stad opnieuw voor de christe­nen en die keer voorgoed.

De jammerlijke veldtocht van Lodewijk de Heilige

Het heilig vuur, waarmee Europa de muzelmannen te lijf ging, begon steeds lager te branden. Alleen de Fransen bleken nog in staat tot voldoende godsdienstige geestdrift te kunnen komen om een kruistocht te ondernemen. Lodewijk IX de Heilige wist een machtig leger te verzamelen. In 1248 scheepte hij zich in. Zijn metgezel tijdens de Zevende Kruis­tocht (1248-1254) was de graaf van Vlaanderen.
Via het eiland Cyprus voer de kruisvloot naar Damiate, dat in 1249 werd bezet. Maar de ontberingen en ziekte in het verre, hete land sloopten het trotse leger, tot de restanten nog maar nauwelijks een strijdmacht genoemd konden worden. Het uit­gedunde leger leed een gevoelige nederlaag. Lodewijk IX en zijn ridders werden gevangengenomen. Pas na betaling van een kolossaal losgeld werden ze vrijgelaten. De muzel­mannen verwachtten, dat de Euro­peanen zo snel mogelijk hun paleizen, burchten en garnizoenen zouden op­zoeken. Maar de Franse koning wist van geen opgeven. Met een handjevol getrouwen begaf hij zich naar het noorden van Klein-Azië, waar hij vier jaren lang op versterkingen wachtte.
Versterkt met nieuwe manschappen bouwden de Fransen de steden aan de kust van Klein-Azië uit tot sterke forten. Maar voor een hernieuwde aanval op de muzelmannen had Lodewijk IX een bondgenoot nodig.
Hij onderhandelde met Mongoolse ruiters, die zich op korte afstand ophielden. De Khan van de Mongolen was een gezworen vijand van de muzelmannen. Maar de pogingen om samen met de Mongolen tegen de muzelmannen op te trekken, liepen op niets uit. Teleurgesteld keerde de Franse vorst in 1254 het Heilige Land de rug toe.

Het rampzalige einde

Toen Lodewijk de Heilige de terug­tocht naar Frankrijk aanvaardde, bleven vele steden aan de kust van het Heilige Land bolwerken van de chris­tenheid. Veel soldaten waren al tij­dens vorige kruistochten achterge­bleven en vormden samen met andere bewoners van de steden militaire garnizoenen, die de steden verdedig­den. Die oorspronkelijke bewoners waren van oorsprong christenen door hun Byzantijnse verleden, maar ze waren als slaven door de muzel­mannen in de islam opgevoed. Ze werden mammelukken genoemd. Toen er door het uitblijven van nieuwe kruislegers geen nieuwe ver­sterkingen voor de Europeanen kwa­men, zagen de mammelukken hun kans schoon. Ze grepen de macht en vestigden hun eigen islamitische staat in Klein-Azië. De ene na de andere stad viel in hun handen. De ontgoochelde Lodewijk de Heilige waren deze verliezen een doorn in het oog. In 1270 besloot hij het nog een keer te proberen. Hij rustte een sterke vloot uit en was van plan naar Palestina te varen. Maar zijn broer, Karel van Anjou, die koning van Napels was, riep eerst de hulp van Lodewijk in voor een gevecht op een ander front. Aan de overkant van de Middellandse Zee, in Noord-Afrika, lag het Moorse bolwerk Tunis. De Tunesische vloot vormde een voort­durende bedreiging voor de handel van het welvarende Napels. Lodewijk gaf gevolg aan het verzoek van zijn broer en voer eerst na Tunis. Het zou het rampzalige einde worden van de Achtste Kruistocht eigenlijk nog voordat deze werkelijk begonnen was. Want tijdens het beleg van Tunis brak onder de deelnemers de gevreesde pest uit. De ongelukkige koning Lodewijk IX de Heilige stierf en velen met hem. Met deze tragische dood kwam tevens het einde van de kruistochten. Het heilige vuur was gedoofd…

De laatste schermutselingen

Nog steeds bleven ijveraars langs de Europese paleizen en steden trekken om op te wekken tot massale strijd tegen de moslims. Vele plannen werden gesmeed, geen ervan werd uitgevoerd.
De grote kruistochten maakten plaats voor kleine veldtochtjes in de 14e en 15e eeuw. Af en toe werd een Turkse stad veroverd. Na korte tijd viel zo’n stad weer onder het Turkse geweld en werd het garnizoen tot de laatste man over de kling gejaagd. Vooral de Hongaren probeerden vertwijfeld de Turkse opmars naar Europa te stui­ten. Maar ze moesten zich voor de woeste horden terugtrekken. In 1453 werd op de muren van Constantinopel de gevreesde Turkse banier geplant. Ze gaven de stad de nieuwe naam Istanboel en zouden haar nooit meer prijsgeven…

6e klas kruistochten 3

De gevolgen van de kruistochten

De werkelijke winnaars

Na bijna twee eeuwen van strijd aan de oostelijke oevers van de Middel­landse Zee hadden de muzelmannen zich steviger dan ooit genesteld in heel Klein-Azië. De kruistochten hadden vrijwel niets opgeleverd. In­tegendeel, zelfs Constantinopel werd voortdurend bedreigd en werd uitein­delijk door de Turken ingenomen. Wat er aan winst kon worden binnen­gehaald, lag thuis, in de verschillende landen van Europa. Vele vorsten hadden met groot genoegen de grootste herrieschoppers zien weg­trekken naar het Heilige Land en nooit meer zien terugkomen. De afstand tussen de edelen en het volk werd kleiner. In ruil voor geld voor hun kruislegers, hadden de edelen gul gestrooid met privileges aan de steden en de kooplieden. Het volk kreeg medezeggenschap. De macht van de adel begon te tanen. Vooral de handel behaalde winst door de kruistochten. Reeds vóór het begin van de kruistochten bestond er een bescheiden handel met het Oos­ten. Maar de oorlog met de Turken had de handelswegen afgesneden. Geen wonder dat rijke handelssteden als Venetië, Genua en Pisa zich haastten om de kruisvaarders te hel­pen met geld en schepen. Niet die kruisvaarders, maar de kooplieden kwamen als overwinnaars uit de strijd. Ze konden weer specerijen, tapijten, parfums, zijde, edelstenen, aardewerk, goud, ivoor en suiker ver­handelen door heel Europa. De kruisridders hielden de aanvoerwegen en de havens wel open…

Winst voor bouwmeesters en kunstenaars

De zijde, die tijdens en na de kruistochten naar Europa werd gevoerd, werd al snel een status­symbool. De in Europa onbekende dierenfiguren die in de oosterse zijde waren geweven, vormde een wat verwarrende inspiratiebron voor de beeldhouwers van de kerken. De gehele bouwkunst in Europa onderging de invloed van wat de kruisridders in het Heilige Land aan moois hadden gezien. Zo ontstond in Frankrijk een bouwkunst, die zich kenmerkte door langgerekte bogen en hoge gewelven, zoals die door muzelmannen al eeuwen werden toegepast. Die Franse bouwkunst zou zich ontwikkelen tot de meest grootste die Europa heeft gekend: de gotiek. In bijna alle grote steden van Europa werden aan het einde van de kruistochten enorme kathedralen in gotische stijl gebouwd.

Winst voor de wetenschap

De kruistochten hadden zelfs gevolgen voor het gedrag van de ridders en hun grove manieren. Het contact met de oosterse beschavingen werkte polijstend en verfijnend. Het rauwe krijgslied verstomde en maakte plaats voor dichterlijke gezangen vechtjasmentaliteit werd verdrongen door ridderlijkheid. De hang naar meer beschaving ging gepaard met hoofse manieren. De romantiek bloeide op in de dichtkunst. De wijsbegeerte en de kennis van de muzelmannen begonnen naar Europa door te sijpelen.
De oosterse aardewerktechniek werd in Spanje en Italië overgenomen. Het Europese aardewerk was altijd grof geweest en overtrokken met grauw zoutglazuur. Het met kleurrijk tinglazuur  overtrokken aardewerk van de moslims zou Europa in komende eeuwen veroveren. Het papier, een Chinese uitvinding, werd door de Moren naar Spanje en Sicilië gebracht. Vandaar vond het zijn weg door de hele westerse wereld. Het schrijven van boeken werd op grote schaal ter hand genomen en maakte de weg vrij voor de drukkers. Alle kunsten en wetenschappen in Europa wonnen door het contact met het Oosten. De kruistochten vormden de bloedige botsing tussen twee godsdiensten. Maar ze verlosten het Westen uit een isolement.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

738-675

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Lincoln

DE PALENSPLIJTER

Lincoln

Vijf gebeurtenissen, die naar tijd en plaats slechts in een ver verwijderd verband met elkaar stonden, hebben Abraham Lincoln tot president der Verenigde Staten gemaakt. Noch door zijn karaktereigenschappen en welsprekendheid, noch door zijn politieke wijsheid was Lincoln in het uur van het grootste gevaar aan het hoofd van zijn volk komen te staan, indien toevallige omstandigheden daar niet toe hadden meegewerkt.

Welke omstandigheden? Een uitnodiging om een lezing te komen houden tegen een honorarium van tweehonderd dollar. Het feit dat een jongeman zakte voor zijn toelatingsexamen voor Harvard. De onverwachte zin voor publiciteit, die een politicus in Decatur, Illinois, aan den dag legde. Een drukker die zijn belofte niet nakwam. En ten slotte een nachtelijke politieke samenzwering in een hotelkamer. Indien dit alles nogal ongerijmd lijkt en geheel verschillend van de algemeen aanvaarde historische versie, laten wij dan de gebeurtenissen zelf eens bezien — die toen schuilgingen achter de politieke opwinding van die dagen en nu verbleekt zijn omdat zij al zoveel jaren achter ons liggen – en vaststellen hoe Lincoln nu eigenlijk aan de macht is gekomen.

Eerst dienen wij kennis te maken met een mismoedig man in zijn kale advocatenkantoor in Springfield, Illinois. Dat was in de herfst van 1859. Lincoln was toen 50. Meer dan twintig jaar had hij het beroep van advocaat uitgeoefend, waarmee hij ongeveer 3000 dollar per jaar verdiende, hoewel het kantoor nog niet lang geleden aan enige zaken goed had verdiend. Zijn aardse bezittingen bestonden uit het huis, waarin hij woonde, 80 hectare land in de districten Crawford en Tama, in de staat Iowa, en wal bouwgrond en nog wat kleine percelen in de buurt van Council Bluffs, Iowa, die hij met een wissel had betaald. Zijn inkomen in geld was niet groot, en zijn kredietwaardigheid evenmin.
Onder zijn confrères begon men over hem te praten als kandidaat voor het presidentschap. Hijzelf kwam daartegen op. Waarom,  vroeg hij, zou de Republikeinse Partij hem in overweging nemen, terwijl men vooraanstaande figuren als William H. Seward uit New York of Salmon P. Chase uit Ohio had? Niettemin wilde hij zelf wel president worden en nam daarvoor merkwaardig ge­noeg zijn toevlucht tot het houden van lezingen, misschien als middel om bij het publiek bekend te worden. Bovendien had hij het extra inkomen nodig en hij had dus wel belangstelling voor een aanbod van tweehonderd dollar plus onkosten voor een lezing in de Plymouth-kerk te Brooklyn. Het aanbod was nog om een andere reden aantrekkelijk. Het zou hem in de buurt van zijn oom Robert brengen, die in de herfst naar Cambridge was gegaan in de hoop op Harvard toegelaten te worden. Maar op het toelatingsexamen was Robert op vijftien van de zestien onderwerpen gezakt en was toen naar de Philips Exeter Academie in New Hampshire gegaan. Lincoln was benieuwd hoe zijn zoon het maakte en de lezing gaf hem een goede gelegenheid hem te bezoeken.
Nadat men de Plymouth-kerk voor Lincoln had besproken, vernamen de organisatoren dat hij zou spreken over een politiek onderwcrp en zij kozen toen een andere plaats van samenkomst, het Cooper Union-gebouw in het hartje van New York, dat meer mensen kon bevatten. Hoewel het op die 27ste februari een stormachtige avond was, kwamen er ongeveer vijftienhonderd mensen en met een toegangsprijs van 25 cent kwam men tot een recette van 367 dollar. De Newyorkers hadden al dikwijls over die lange advocaat uit het westen gehoord en waren benieuwd hem te zien.
Zelfs Lincolns vrienden maakten zich zorgen over de indruk die hij zou maken. “Maar,” aldus een van hen die de lezing bijwoon­de, “hij hield het enorme gehoor geboeid met zijn logica en aan het eind kreeg hij een oorverdovend en langdurig applaus.” De volgende dag drukten de Newyorkse kranten de volledige redevoering af, met het gevolg, dat in heel Nieuw-Engeland de Repu­blikeinse leiders een dringend beroep op Lincoln deden om langs zijn reisroute naar Exeter spreekbeurten te komen vervullen. In de daaropvolgende week gaf hij elf lezingen in Connecticut, Rhode Island en New Hampshire en maakte daarbij, gezien de latere gebeurtenissen, een onuitwisbare indruk. Robert Lincoln zou later altijd beweren, dat, indien hij niet gezakt was voor het toelatingsexamen voor Harvard, zijn vader die winter waarschijnlijk niet naar New York en Nieuw-Engeland zou zijn gekomen en misschien nooit president zou zijn geworden.

Laat ons nu terugkeren naar Springfield, waar Lincoln voor het eerst begon te geloven dat een kandidaatstelling voor het presi­dentschap tot de mogelijkheden behoorde. Seward, de eminente en populaire Republikeinse leider, had zich in Illinois reeds een sterke positie verworven. Daarom begon Lincoln aan invloedrijke werkers voor de partij brieven te schrijven. Hij wist dat hij geen kans zou hebben, tenzij hij op de Nationale Conventie van de partij zijn eigen staat achter zich had. Hij schreef Norman B. Judd aan, die Noord-Illinois vertegenwoordigde in het nationale partijbestuur, en vroeg hem: “Kunt u mij vanuit uw hoekje van de wijngaard een handje helpen?” Judd deed het zo goed, dat hij gedaan kreeg dat de Nationale Conventie in Chicago werd gehouden.

Lincoln had een andere goede vriend in Richard J. Oglesby uit Decatur, die een voor de grensstreek in de jaren ’60 zeldzaam gevoel voor publiciteit bezat. De vergadering voor de staat Illinois zou in Decatur worden gehouden en Oglesby stelde zich ten doel, de afgevaardigden hun steun aan Lincoln te laten geven.
Oglesby had gehoord, dat Lincoln in zijn jeugd in de buurt vau Decatur samen met John Hanks, die nog altijd in de streek woonde, palen had gespleten. Hij ging Hanks dus opzoeken en vroeg hem of er nog enkele van die palen in gebruik waren. Hanks herinnerde zich dat zij een omheining hadden gemaakt op een boerderij een kilometer of vijftien ten westen van de stad, van gespleten acacia- en notenboomstammetjes. Oglesby nam de oude John Hanks daarop mee in zijn sjees en reed naar de boerderij, waar zij ontdekten dat de omheining nog altijd dienst deed. Zij namen er twee gespleten stammetjes uit, sjorden die vast op de sjees, namen ze mee naar Decatur en verstopten ze in Oglesby’s schuur. Een week later stond Oglesby op het juiste ogenblik in de vergadering op en deelde mee dat een vroegere Democraat de vergadering iets kwam aanbieden. Daarop verscheen de oude John Hanks ten tonele met de stammetjes die hij en Lincoln in 1830 hadden gespleten. Er was een bord aan bevestigd met:

ABRAHAM LINCOLN
DE PALENSPLIJTER
KANDIDAAT VOOR HET
PRESIDENTSCHAP IN 1860

De vergadering werd wild enthousiast. Seward en zijn aanhang leden een verpletterende nederlaag en op staande voet zegde Illinois officieel zijn steun toe aan Lincoln. En dat niet alleen; John Hanks en zijn palen werden een vaste verschijning op alle politieke vergaderingen. “Abraham Lincoln, de palensplijter” werd een nationale politieke leuze.

Maar er wachtten nog twee beslissende gebeurtenissen in dit spel van het lot. De Nationale Conventie van de Republikeinse Partij kwam op woensdag 16 mei 1860 in Chicago bijeen. Op donderdag werd het kiesprogramma aangenomen. Die avond zou de partijkandidaat worden benoemd. Over het resultaat scheen geen twijfel mogelijk. Seward was de eerste keuze. Proefstemmingen onder de passagiers van vier treinen, die de stad binnenliepen, gaven Seward 860 stemmen, Lincoln 144 en alle anderen samen 288. De stemming van de afgevaardigden scheen louter een formaliteit en op die donderdagavond nam iedereen als vaststaand aan, dat Seward kandidaat en daarna president zou worden.
Maar de tellijsten, die de drukker beloofd had tegen negen uur af te leveren, kwamen niet opdagen. Na enige tijd werden er boodschappers uitgestuurd om ze te gaan halen. Na een half uur waren die nog niet terug, de afgevaardigden werden rusteloos en ten slotte kwamen er twee met het voorstel, de vergadering tot de volgende ochtend tien uur te verdagen. Aldus werd besloten en zo werd een onbekend en onbetrouwbaar drukkertje een werktuig van het lot. Want in die nacht veranderde de loop der geschiedenis.

Toen de vergadering verdaagd was, gingen Lincolns vrienden koortsachtig aan het werk. Hun redenering was, dat Seward, indien hij benoemd werd, Pennsylvania, Indiana en Illinois niet zou kunnen winnen en zonder ten minste twee van die staten plus New Jersey zou de Republikeinse zaak verloren zijn.

Dit argument sloeg in bij vele weifelende afgevaardigden. Maar men had hele groepen nodig, niet alleen individuele stemmen en de nacht vorderde. In afzonderlijke hotelkamers begonnen twee van Lincolns politieke agenten de strijd om hele staatsdelegaties. Lincoln, die zich in het op 250 kilometer afstand gelegen Springfield bevond, moet iets vermoed hebben, want hij zond hun een boodschap: “Doe niets dat mij bindt.” De onderhandelaars waren verbijsterd. Eerst werden ze nijdig, maar toen besloten zij snel: “Wij doen alsof wij die boodschap nooit ontvangen hebben.”
In de tijd die hen nog van de dageraad scheidde, maakten zij twee afspraken. In ruil voor twee posten in het kabinet beloofden  Pennsylvania en Indiana hun stemmen op Lincoln te zullen uitbrengen.
Toen de vergadering de volgende ochtend weer bijeenkwam, had Seward een flinke voorsprong in de eerste ronde, terwijl verscheidene staatsdelegaties voor eigen kandidaten stemden. In de tweede ronde gingen Pennsylvania en Indiana als eersten naar Lincoln over. In de vierde ronde kwam Ohio zich bij hen voegenm rn toen was het pleit beslist. Van de 466 stemmen, uitgebracht in de laatste ronde, waren er 354 voor Lincoln. Met zijn benoeming als Republikeins kandidaat was het presidentschap voor hem verzekerd, want de Democraten, hopeloos verdeeld over de kwestie van de slavernij, hadden drie afzonderlijke kandidaten aangewezen.
In november werd Lincoln tot president gekozen, met veertig percent van het totale aantal stemmen.
Zo had een vreemde reeks op zichzelf staande gebeurtenissen tot gevolg dat hij in het Witte Huis kwam. Maar was het wel toeval? Was het louter een kwestie van politieke intrige? …. Of móést het zo zijn? Is het niet mogelijk, dat op die beslissende dag de hand van het lot op Abraham Lincolns schouder rustte?

Meer over Lincoln

Zie ook: Trevithick;    Stephenson

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

737-674

.

,

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Oudjaar (2)

(voor kinderen van 5 – 8)
Voorleestijd ca 9 min.

De oudejaarsnacht
.

Het was de laatste dag van het jaar. Een dikke laag sneeuw lag over de wegen en velden. Er was een kleine jongen onderweg; hij droeg nieuwe schoenen en had een grijze das en een rode puntmuts. Hans heette hij.
Op zijn rug droeg hij een kleine rugzak. Zijn moeder had daarin een kerstbrood en een driekoningenkaars gepakt. Ze had hem op het hart gedrukt zich goed te gedragen. Hans moest zijn grootmoeder en grootvader opzoeken. Hij moest vooral niet vergeten netjes te groeten en te bedanken en ze een vrolijk en gezegend Nieuwjaar te wensen. Ja, daar zou hij aan denken.

De dagen in de winter zijn maar kort; de sneeuwwolken hingen zwaar in de lucht; en al spoedig vielen de sneeuwvlokken naar beneden, stil en dicht bij elkaar, zoals het dons van een dekbed.
Toen Hans een stukje gelopen had, bedacht hij, dat hij een kortere weg kon nemen over een bospad.
De sneeuw viel in steeds grotere vlokken en tussen de bomen begon het al donker te worden. Voor Hans het wist, was het nacht geworden. De weg was dichtgesneeuwd; hij kon hem niet meer vinden.
Had hij maar lucifers bij zich gehad, dan had hij de kaars kunnen aansteken en zo misschien via zijn voetsporen de weg weer terug vinden. Nu wist hij niets beters te doen, dan onder een boom te gaan zitten en te wachten tot de sterren en misschien zelfs de maan te voorschijn zouden komen.
Hoe lang hij daar gezeten had, wist alleen de duisternis. Hij was al bijna helemaal ingesneeuwd, toen hij plotseling in de verte een licht zag. Moeizaam stond Hans op en ging op het licht toe en na korte tijd stond hij voor een groot vuur. Nog nooit had hij een vuur zo helder zien branden. Om het vuur zaten twaalf grote mannen, die wijde mantels droegen,
Ze zaten daar stil en ernstig, bijna als koningen en staarden in de vlammen. En enkele droeg een kroon van ijs op het hoofd of kronen van dennenappels; weer anderen hadden kransen van groene bladeren of korenaren.
Hij die de oudste leek, hield een stok in zijn hand en pookte in het vuur. Hij wendde langzaam het hoofd om en vroeg: ‘Ken je ons?’ ‘Dat dacht ik wel,’ antwoordde Hans. Want hij begreep dat de wijze mannen die hij hier zag, de twaalf maanden van het jaar moesten zijn. De oudste die de stok vasthield, dat was zeker december. Daarom droeg hij ook een donkere mantel.
‘Vertel ons dan wie we zijn’, moedigde de grijsaard hem aan terwijl hij het vuur aanwakkerde. En Hans zei het versje op dat grootvader hem geleerd had:

Geef januari een sneeuwtapijt,
dan zijn we gauw de winter kwijt.

Is februari kil en nat,
hij brengt ons koren in het vat.

Nooit is maart zo zoet,
of ’t sneeuwt op de boer zijn hoed.

Als april blaast op zijn horen,
is ’t goed voor hooi en koren.

Veel onweer in mei,
dan zingt de boer joechei.

Juni meer droog dan nat,
vult met goede wijn het vat.

Wil september vruchten dragen,
dan in juli hitte om te klagen.

Geeft augustus zonneschijn,
zeker krijgen we goede wijn.

Septemberregen op het zaad,
komt het boertje wel te staad.

Oktober met groene blaân,
duidt een strenge winter aan.

als ’t in november ’s morgens broeit,
wis dat de storm dan ’s avonds loeit.

December veranderlijk en zacht,
geeft een winter waar men om lacht.

De grijsaard met de stok knikte goedkeurend.
‘Omdat jij ons kent’, sprak hij, ‘kennen wij jou ook’.

‘Je bent precies op tijd gekomen, want in deze nacht waarin het oude jaar voorbij is, kan jij ons helpen. Zie je hoe klein ons vuur geworden is? Let nu goed op wat er gebeurt, als ik de stok aan broeder januari reik. Kruip gauw onder zijn mantel, dan zul je zien hoe het nieuwe jaar uit de sterren neerdaalt. Haast je dan en bezorg ons nieuw vuur met je kaars, want weldra zal het oude vuur uitgaan.’

Toen de oude man dit gezegd had, klonk er in de lucht een geluid. Het was of machtige klokken luidden. Het geluid kwam van ver weg en van dichtbij. Het leek wel over alle landen en alle rijken op aarde te weerklinken. December richtte zich op, hief zijn stok op en riep met luide stem: ‘Nu broeders, gaat de staf van hand tot hand. Terwijl de nieuwjaarsklokken klinken over het land.
Zegene God die in de hemelen troont, nu alles wat op aarde woont. ‘

Terwijl hij sprak was Hans onder de mantel van januari gekropen die hem omhulde als een grote witte nevel. Boven hem straalden en glinsterden de sterren en beneden hem bewogen de zaadjes en de kiemen in de aarde.

Er kwam een klein volkje aangelopen; ze droegen lantaarns in de hand. ‘hier komen wij met het nieuwe jaar!’, zeiden ze.
En werkelijk, toen Hans goed keek, zag hij dat alle wortels kleine gezichtjes hadden. het leek wel of de aardmannetjes en de elfjes bruiloft vierden. Hans was zo verbaasd over dit alles, dat hij bijna zijn opdracht vergat. Maar toen zag hij dat zijn eigen driekoningenkaars al brandde. Een van de aardmannetjes had hem aangestoken. Hans hield zijn hand voor de kaarsvlam om hem te beschermen en sloop onder de mantel van januari vandaan.
Van het vuur was nog slechts een klein beetje gloed over. Nu reikte december de staf aan zijn broeder januari. Deze nam het licht dat Hans in de hand hield en stak daarmee het nieuwe vuur aan. De vlammen sloegen hoog op, het licht was zo overweldigend dat Hans zijn handen beschermend voor zijn ogen moest houden.
Toen hij weer opkeek, was het vuur er niet meer en de twaalf maanden waren ook verdwenen. Maar de hemel was opgeklaard en boven de boomtoppen stond een volle ronde maan. Hans stond op en ging weer op weg. In het maanlicht was het makkelijk de sporen in de sneeuw te volgen tot aan de weg; en daar was het huis van zijn grootouders al. In het donker was hij het voorbij gelopen.

‘Gelukkig nieuwjaar’, wenste Hans, toen hij over de drempel de warme kamer binnenging. De oude mensen waren verbaasd en verheugd hem te zien, want grootvader wilde juist het bos in gaan om Hans te zoeken. Grootmoeder maakte op de kachel warme melk met kandij, maar Hans was zo moe dat hij nauwelijks kon drinken.

‘Laten we hem liever in bed stoppen’, meende grootmoeder.
‘Het kerstbrood is geloof ik nog wel heel’, mompelde Hans, ‘maar de driekoningenkaars is al bijna op, want daarmee heb ik nieuw vuur voor de twaalf maanden gehaald.’

Daarop viel hij in een diepe slaap.

Uit: ‘zo zijn de sterren ontstaan’ – Dan Lindholm
Uitg. Christofoor  – uitverkocht
.

Oudjaar: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

736-673

.

.

.