VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (20)

.

Om een zinvol Driekoningen te kunnen vieren is het niet per se nodig je ook te verdiepen in een esoterische kant van alles wat vanuit zo’n optiek gezegd kan worden.
Het kan wel boeiend zijn, raadselachtig ook hoe met deze mededelingen om te gaan.
.

(J.Knottenbelt, Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1989)
.

De drie Koningen
.

Wir sind die weisen Könige
Wir waren alte Leute
Es kannten uns nur wenige
Wer aber kennt uns heute?

Wij zijn de wijze koningen
Wij waren oude lieden
Weinigen kenden ons
Maar wie kent ons nu?

(Albert Steffen, ‘Ruf an Abgrund’)

Wie in de adventstijd zijn blik laat gaan over de feesten, die in deze midwintertijd gevierd zullen worden, ziet daar als eerste beeld aan de drempel van de voorberei­dingstijd voor Kerstmis de eerbiedwaardige, stralende gestalte van Sint-Nicolaas in zijn bisschoppelijk gewaad en naast hem, donker en dienstvaardig, Piet, zijn knecht. Dit feest is geen vererend gedenken van een historische persoonlijkheid. Men denkt er nauwelijks aan, dat hij in 270 in Patera in Klein-Azië geboren werd en, toen hij gewassen werd, rechtop in zijn badje ging staan en tot zijn moeder woorden sprak; dat hij in Myra tot bisschop werd gekozen en dat van zijn stoffelijk overschot, toen dit heimelijk naar Bari in Italië werd overgebracht waar het in de kathedraal werd bijgezet, een zoet geurende olie druppelde. Maar wel is hij door alle eeuwen en alle godsdienststrijd heen met onverminderd enthousiasme gevierd als enige protestantse heilige in ons land.

Hij staat daar, vermanend, het geweten wekkend aan het begin van advent, ons een spiegel voorhoudend, opdat we ons bezinnen en reinigen. Voor de kinderen heeft deze imaginatie van de Wachter aan de drempel nog steeds een sterke werking. En naast hem de kleine Wachter, donker, schrikaanjagend met zijn roede en de zak, waarin stoute kinderen mee naar Spanje worden genomen.

Maar ook voor de volwassenen gaat er een zekere betovering van hem uit. Door hem kijken we met meer belangstelling naar elkaar dan anders en wijzen we elkaar als plaatsvervangende ‘Pieten’ op kleine zwakten en tekortkomingen. We doen dat met humor en gebruiken er de versvorm voor, wat veel moeite kost en ons dwingt ons op het woord te bezinnen.

Kijken we verder, naar het Kerstfeest, dan vinden we de drie samenhangende feesten die in de Kerstspelen hun neerslag vinden: aan de vooravond op 24 december het Paradijsspel met zijn lapidaire imaginaties, streng, met een bijna cultisch karakter, episch-dramatisch van stijl. Dan volgt, stralend in teder licht, naïef en vol warmte het geboortespel, dat geheel lyrisch van stemming is en bij het eigenlijke Kerstfeest hoort. Aan het eind van de heilige nachten, op 6 januari, brengen de drie Koningen de dramatische confrontatie met de tegenstandersmachten; ‘hoed u voor het boze’ is het motto in de winter. Het Driekoningenspel werd door Rudolf Steiner zelfs eens het Herodesspel genoemd.

In deze triniteit zijn veel aspecten verborgen: het Paradijsspel wijst naar het verste mensheidsverleden, het geboortespel leeft in het jaarlijks opnieuw te beleven heden (‘hodie, heden is geboren Jezus, zoone Mariae’ zingt de companij*), terwijl de drie Koningen krachten representeren die naar een verre toekomst wijzen. In deze aspecten van de tijd openbaart zich tevens de trichotomie van lichaam, ziel en geest: eerst de schepping van de mens door de Vader, een incarnatieproces, dat in het Paradijsspel nauwkeurig beschreven wordt. God spreekt: ‘Neem ook verstand, waardoor gij leert, dattic u uyt stof heb geformeerd/ Adam wijst op zijn hoofd. Dan: ‘Soo leef dan.’ Hier ademt Adam diep en duidt door het lichte heffen van de bovenarmen, dat de ritmische mens hier wordt aangesproken. En bij ‘gaat steevast op uw voeten staan’ (waarbij hij verbaasd naar beneden kijkt en zijn benen ontdekt) is hij in drie etappes werkelijk in zijn fysieke lichaam getrokken. In het geboortespel, dat volgens de traditie het ‘Christgeburtspiel’ heet, leeft in hoogste vorm het ziele-element.

Oorspronkelijk werd op 6 januari ‘Epiphanias’ gevierd, ‘het feest der Verschijning’, namelijk van de duif, het symbool van de Heilige Geest , die bij de doop in de Jordaan neerdaalde op Jezus. Omdat de diepere zin van dit feest, dat naar de toekomst wijst, niet meer begrepen werd, is het Driekoningenfeest hiervoor in de plaats gekomen en werd in Rome vanaf 354 het verschijnen van de Ster gevierd. Men kan vragen: is er iets nader bekend over deze drie Wijzen, deze ‘Magiërs uit het Oosten’, die we nu de drie Koningen noemen, zoals wij historische gegevens over Sint-Nicolaas hebben? Er zijn vele legenden, tradities zelfs, die elkaar tegenspreken, maar geen vaststaande feiten. Toch zijn er veelzeggende sporen te vinden. Hierop wijst Hans Gsänger in zijn artikel ‘Zaratas’ in ‘Das Goetheanum’ (1972, nr. 1), waaraan ik het volgende ontleen in zoverre het de feiten betreft. Gsänger volgt echter niet een spoor dat zou wijzen op de afkomst of het land van de ‘drie Wijzen’, maar hij gaat behoedzaam na waaruit hun verbinding met dit kind is te verklaren. Hiertoe wijst hij op de voordrachten die Rudolf Steiner over het Mattheus-evangelie [1] heeft gehouden, waarin hij onthult dat het kind dat de Wijzen bezoeken de wedergeboren Zarathoestra is, die omstreeks 6400 jaar voor Christus in Perzië leefde en de inaugurator was van het Perzische cultuurtijdperk. Zijn laatste voorchristelijke incarnatie was in Babylon, waar hij als Zaratas zijn leer verkondigde en in 1522 v. Chr. op 77-jarige leeftijd gestorven is.

Zo ligt het voor de hand dat hier, dus in een vorig leven, de oorsprong is te zoeken van die raadselachtige verbondenheid die hen als ‘drie Koningen’ naar Bethlehem doet tijgen (zoals in het Driekoningenspel gezongen wordt).

Een zekere Xanthos uit Lydië schrijft dat Zaratas de leraar was van de Chaldeeërs in Babylon, waar de joodse profeet Daniël, hoog bejaard, nog leefde. Later zou ook Pythagoras zijn discipel geweest zijn. Dit laatste bevestigt Rudolf Steiner in de tweede voordracht van de genoemde cyclus (2-9-1910).

In het boek Daniël 6:29 staat: ‘Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.’ Deze Kores is Kyros II (Cyrus de Grote). Aan de hand van historische jaartallen wordt het Bijbelse verhaal door Gsänger toegelicht. Na de belegering van Jeruzalem werd Daniël met enige andere uitgelezen kinderen naar het hof van Nebukadnezar ontvoerd, alwaar ze onder streng toezicht van de koning zelf als pages drie jaar lang werden opgeleid tot hoveling.

Dat het hier om inwijdingsbelevenissen ging, heeft Emil Bock in ‘Beitrage zur Geistesgeschichte der Menschheit III’ aangetoond. De opperste kamerheer gaf hun andere namen. Daniël noemde hij volgens de Bijbel Beltsazar, oorspronkelijk Balatsussur, dit is ‘bescherm zijn leven’; in de Vulgata heet hij Baltassar. Daniël werd een meester in de Babylonische wijsheid en bekleedde de hoogste ambten. Op zeer hoge leeftijd was hij nog als een van de drie vorsten van koning Darius in functie. Hij is in Susa begraven en dus niet naar Jeruzalem teruggekeerd toen Cyrus, aan wie de hoge zending van het joodse volk bekend was, bij zijn troonsbestijging de ‘Babyloni­sche gevangenschap’ ophief.

Ook Cyrus zelf werd reeds als klein kind ontvoerd en beleefde een dramatische jeugd, die het karakter van een inwijding had. Hij leefde in Babylon in dezelfde tijd dat Daniël daar de leer van Zaratas ontving.

Pythagoras werd eveneens onder dramatische omstandigheden naar Babylon ont­voerd. Hij bezocht Egypte juist toen Kambyses II daar binnenviel en hem als gevangene naar Babylon meevoerde. Daar werd ook hij leerling van Zaratas. ‘Nur in einer Gestalt, die bedingt war durch einen Körper, wie er im alten Babylon hervor gebracht war, konnte Zarathustra alles dasjenige wieder hervorbringen, was er übertragen konnte auf Pythagoras, auf die hebraïschen Gelehrten und auf die chaldäischen und babylonischen Weisen, die damals im sechsten vorchristlichen Jahrhundert imstande waren, ihn zu hören.’ (voordracht 2-9-1910) Deze leerschool krijgt nog een bijzonder gewicht, als men bedenkt dat zij werd gehouden aan het begin van de toenmalige Michaëls-periode (601-247 v. Chr.)

In de daaropvolgende eeuwen was het in alle landen van Azië waar men de naam van de grote meester, van Zarathoestra, vereerde als Zaratas of Nazarathos, bekend dat hij na zeshonderd jaar weer zou verschijnen, en men wachtte in de geheime leerscholen met innig verlangen op zijn volgende incarnatie.

Zo is er alle reden met Gsänger aan te nemen, dat de genoemde drie – een Pers (Cyrus), een jood (Daniël) en een Griek (Pythagoras), een koning, een onderkoning en een wijsgeer – zeshonderd jaar later als de drie Wijzen uit het Morgenland de reis ondernamen om hun herboren Meester in het Salomonische Jezuskind (het kind uit het Mattheus-evangelie) eer te bewijzen en te aanbidden.**

In de Bijbel worden noch hun namen, noch hun aantal vermeld, noch waar ze vandaan kwamen, alleen dat ze ‘door eenen anderen weg weder naar hun land vertrokken’ (Matth. 2:12). Volgens de traditie komt Balthazar uit Indië, Melchior uit Perzië en Gaspar uit Egypte. Ze representeren dus de drie na-Atlantische culturen. Dit heeft een zeer diepe betekenis; het zijn mysteries die eerst in de schilderkunst geopenbaard zijn. In zijn voordracht van 30 december 1904 (aan de hand van notities afgedrukt in het decembernummer 1988 van de ‘Mededelingen’) wijst Rudolf Steiner erop dat het Driekoningenfeest nog steeds veel minder in de aandacht staat dan het Kerstfeest. Pas in de toekomst zal men de vele symbolen gaan begrijpen, die tot in de vijftiende eeuw toe geheim werden gehouden. Pas in deze eeuw verschijnen de ons welbekende afbeeldingen: ze tonen hoe bijvoorbeeld Balthassar, de oudste, neer­knielt, het teken van zijn waardigheid, zijn kroon, heeft afgelegd en zijn oude hoofd buigt over de voetjes van het Kind, over dat deel van het menselijk lichaam dat naar de toekomst wijst. Hij weet dat de oude culturen zich slechts door de kracht van wat zich later met dit Kind zal verbinden, zullen kunnen vernieuwen. Als representanten van deze culturen hoeven de Wijzen zelf niet uit de betreffende landen te zijn gekomen. Rudolf Steiner zegt dat het wezen van Zarathoestra zelf als de Ster de drie Wijzen naar de geboorteplaats van het Jezuskind leidde, dat de Gouden Ster, de Zoroaster, ze daarheen voerde op hun wegen van de Morgenlandse, Chaldeïsche mysteries naar Palestina.

Volgens Gsänger stamt de traditie dat ze uit Indië, Perzië en Egypte zouden komen uit de Ierse kloosterscholen. In het Westen leeft de sage dat Ierland een aardse rest zou zijn van het Bijbels paradijs, dat is dus een land waarin Lucifer geen macht zou hebben. Maar ook in het Oosten wordt zo’n paradijselijk land genoemd, waar Lucifer geen invloed heeft. Officieel beroepen de Arabieren zich op Ismaël, de zoon van de maagd Hagar, als hun stamvader. Volgens een oudere traditie echter wordt Jaktan als stamvader genoemd, die evenals Jakob twaalf zonen had die nog in harmonie met de kosmos leefden. Hierop duidt nu nog de opstelling van machtige stenen die, evenals in Ierland, naar kosmische aspecten georiënteerd zijn. Uit dit land, naar een van de zonen van Saba later Arabië genoemd, zouden de Magiërs met hun gaven naar Palestina zijn getogen.

Nu wordt ook verteld dat Christian Rosencreutz zich naar dit land begaf om zich daar in een oeroude geestelijke traditie te laten inwijden. In Foenicië, het land van Hieram – Hieram werd door koning Salomo geroepen om de tempel in Jeruzalem te bouwen – werd het komende Christuswezen vereerd als de vogel Foenix, die uit zijn as herrijst en naar het westen vliegt. De koningin van Saba, die Salomo bezocht en in Hieram de grote ingewijde herkende, was voorbestemd later de moeder van de Salomonische Jezus te worden (dit wordt in Albert Steffens tempeldrama ‘Hieram und Salomo’ aangeduid). Zo vonden de drie Wijzen na zeshonderd jaar hun vereerde Meester terug en herkenden zij in diens moeder het paradijselijk wezen uit het land van hun gaven.

Wat is het in een pasgeboren kind dat we instinctief slechts met diepe eerbied benaderen en dat we geneigd zijn met heel ons hart te vereren? Dat hulpeloze wezentje, dat door zijn tegenwoordigheid koninklijk soeverein alles en allen beheerst? Wat is daar aan het werk waardoor het van dag tot dag iets nieuws kan ontwikkelen, als een pas ontkiemde plant? Het wonder is dat een mensenkind niet ‘voltooid’, niet ‘klaar’ de wereld binnenkomt zoals een diertje.

De hersenen zijn nog zeer onvolkomen. Pas na de geboorte ontstaan de fijnere geledingen. Vanuit het hoofd gaat die ontwikkeling dan langzaam over op het verdere lichaam, tot in de voeten, zodat hij leert zich in zijn aardse omgeving te oriënteren, eerst kruipend, dan staande en ten slotte lopend. Nadat de hersenen tot op zekere hoogte gevormd zijn, wordt het strottenhoofd als orgaan ontwikkeld. Waardoor? Het zijn de krachten van de Logos zelf die hier aan het werk zijn en zich eveneens openbaren in de klanken van de taal. En hoe intensief werkt het kind mee als hij het spreken, dat hij om zich heen hoort, tracht na te bootsen, de klanken proeft en beproeft, ze steeds herhaalt en vreugdevol gaat ontdekken! Er is geen periode in het verdere mensenleven waarin zo machtig aan zijn ontwikkeling wordt gewerkt. Vanuit dat ontdekken van de taal, dat hem in verbinding brengt met de mensen om hem heen, kan hij woorden spreken lang voor hij de betekenis ervan begrijpt. En ten slotte ontdekt hij zichzelf en zegt ‘ik’, een aangrijpend moment voor wie dat voor het eerst bij een kind meemaakt. Het is het moment waarop hij zichzelf als tegenover zijn omgeving staand gaat beleven, natuurlijk nog maar vaag bewust. Hierdoor ontkiemt de denkkracht en ook het denken zelf, dat voortkomt uit het spraakvermogen.

In het kleine kind werken reine, kosmische krachten die het kind vormen, nog voor de erfelijkheid zich doet gelden. Samen met deze heilige krachten werkt hij aan zijn eigen hersenen, zijn eigen spraakorgaan. Later pas krijgt hij te maken met de erfelijkheidskrachten zoals zijn lichamelijkheid die te bieden heeft, en gezondheidsverstorende invloeden.

Maar die kosmische krachten werken niet alleen in dat grote mysterie van de eerste drie levensjaren, ze zijn te vinden in de hele mensheidsontwikkeling. Zij hebben de grote culturen geïnspireerd en werken ook door in het persoonlijke mensenleven, bijvoorbeeld in het menselijk organisme als wonder der genezing: een wond gaat ‘vanzelf’ weer dicht, een bot groeit weer aan, een zware beschadiging heelt weer. Men vindt dit vanzelfsprekend, maar het is een zegening van de kosmos. Niet alleen in het lichaam, ook diep verborgen in het zielenleven zijn ze te vinden. Ze worden gewekt als kunstzinnige impulsen, als edelst idealisme, en openbaren zich waar een mens zich op de scholingsweg begeeft van een geestelijke ontwikkeling. In het boeddhisme werden deze kosmische krachten bewust opgeroepen, bijvoorbeeld door het vermogen te staan en te lopen naar binnen te wenden en door de typische oosterse lotushouding; men zou met ons huidige, verharde organisme vergeefs hieraan appelleren. Het woord werd niet gebruikt als communicatiemiddel naar buiten, maar kon als half zoemend gezongen, half gereciteerde mantram (die door het gehele lichaam heen vibreerde) tot een helderziende kracht worden, die de mediterende in verbinding bracht met de wereld waaruit hij deze gave ontvangen had.

Voor de huidige mens echter gaat de weg vanuit het denken. Deze is oneindig moeizamer, maar voert tot een veel bewustere ervaring van de geestelijke wereld. Dan kunnen die schijnbaar verloren gegane krachten worden gewekt en hem boven zichzelf uitvoeren in die sfeer, die boven de hele mensheidsevolutie ‘zweeft’, als het rijk der hiërarchieën, zoals Rudolf Steiner het eens uitdrukte. Van hieruit en vanuit nog hogere sferen stroomden de mensheid ook de oude culturen toe, waarvan de Wijzen de representanten waren. Het waren heilige inspiraties, niet beïnvloed door de macht van Lucifer. Deze heiligste krachten daalden bij de doop van Christus neer in de imaginatie van de duif. Het waren de krachten van het Christus-ik, dat in verbinding stond met de hoogste hiërarchische wereld en zich nu met een menselijk lichaam ging verbinden, met het lichaam van Jezus, waaruit het ik van Zarathoestra zich teruggetrokken had. Dit hoge Mensheids-ik (‘Menschheitsselbst’) heeft zich door de doop met de aardemensheid verbonden.

Ik heb reeds aangeduid dat dit mysterie door de vroege christenheid niet meer werd begrepen. Daarom heeft men in Rome dit feest voor de laatste maal in het jaar 353 gevierd. In het jaar daarop, eveneens op 6 januari, kwam daarvoor het Driekoningen­feest in de plaats. Dit feest is niet verbonden met dat hoge offer van Jezus dat plaatsvond toen hij dertig jaar was, maar met zijn geboorte. Hier wordt de nadruk gelegd op wat Hém geofferd werd: wierook, mirre en goud als de symbolen van de edelste na-Atlantische culturen.

Ook dit is een Epiphanias, een feest van de Verschijning. Ook hier staat het Zonnewezen dat later met de doop zal neerdalen centraal: het is de glans van de Ster, het wezen van de Meester, van Zarathoestra, dat de drie Wijzen leidde. Maar het was geheel doorgloeid, geheel doorstraald door het Zonnewezen van Christus zelf. Zo kon Rudolf Steiner zeggen: ‘Was den Magiern leuchtet ist nichts anderes als die Seele des Christus selbst.’ (Voordracht 30 december 1904)

Door een wijs inzicht werd dit feest op 6 januari ingesteld en sedertdien wordt het daar, aan het eind van de twaalf heilige nachten, gevierd.

driekoningen memlingHans Memling:aanbidding der wijzen, Memlingmuseum, Brugge

*deze zin komt niet voor in de liederen van het geboortespel – wel de strekking

** Rudolf Steiner zegt uitdrukkelijk dat Pythagoras een van de drie Wijzen is geweest.

[1] GA 123
vertaald

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen   jaartafels

.

735-672

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (19)

.

Gerard Reyngoud, vrijeschool Leiden, *dec.1974
.

over de drie geschenken

Een van de vier standaardwerken van Rudolf Steiner ‘Die Geheimwissenschaft im Umriss [1] vermeldt in de inleiding woorden met de volgende strekking:

‘Wij willen hier spreken over zaken die eigenlijk door iedereen benaderd kunnen worden. Wij willen onze omgeving ( mineraal, plant, dier en mens ) zo leren kennen dat het zijn geheim toont. Wie de moeite neemt om op een onbevooroordeelde wijze te leren zien in die omgeving zal het schone, het waarachtige en het goede ontdekken, behoeden en bewonderen. Zo zal hij merken, dat alles in de wereld een openbaar ‘geheim’ heeft , maar dat het verborgen blijft zolang men aan de werkelijkheid voorbij gaat.’

Het Bijbelwoord uit het Johannesevangelie ‘wie oren heeft, die hore’ moet,  dunkt mij, op dezelfde gedachte steunen.

De meesten van ons kennen wel het kerstlied ‘Nu zijt wellekome’ waarin de regels voorkomen:

‘De heilige Drie Koningen uit zoverre land…..’

en verder:

‘Ze offerden ootmoediglijk myrr’, wierook ende goud.

Wij zongen over de wijzen uit het Oosten die mirre, wierook en goud brachten aan het kindje. Hoevelen van ons hebben zich ooit afgevraagd wat dat nu eigenlijk voor geschenken waren. Ik heb me ook wel eens geprobeerd te realiseren wat koningen nu met zulke vreemde geschenken moesten doen. Ik dacht erover na, wist geen antwoord en dan gleed mijn aandacht weer naar iets an­ders toe.

Wie oren heeft, die hore!

Nu wil ik echter een poging wagen om eens met u het een en ander over die geschenken te doordenken.

Is goud niet het edelste metaal, dat wij kennen? Komt het niet vaak, vooral in sprookjes, voor als beeld voor stralende wijsheid? Is de koningskroon niet van goud? De zon en het goud en de wijsheid, zijn dat geen beelden die ons helpen duiden, dat één van de koningen het kindje de edelste wijsheid schonk.
Dan de wierook, het sterkst geurende, een enige jaren terug* door de ‘flower power, make love not war, hippies’, opnieuw ontdekte middel om door de geur in een gezamenlijke gevoelsatmosfeer te komen.
Het geurende wordt in het ademritme opgenomen, verwerkt en weer aan de omgeving teruggeschonken. Zo komt de wierook in ons
ademhalingssysteem van longen en bloedcirculatie, waar gevoelens die ons treffen direct merkbaar worden. Gevoelens van schrik en blijdschap, schaamte en opwinding zijn immers als eerste merkbaar in een versnelde of stokkende ademhaling of een plotse­linge rode of bleke gelaatskleur. Zo werkt de wierook in op onze ademhaling en dus op onze gevoelens.
De koning die de wierook schenkt, schenkt het kind de rijkdom van het edelste gevoelsleven.

Ten slotte de mirre, een plant groeiend en bloeiend in de meest barre omstandigheden. In woestijngebieden, waar een verzengende zon al het leven op aarde verschroeit, waar geen zaad ontkiemen kan, daar weet de mirre zich nog te handhaven. Haar taaie vol­harding om leven mogelijk te maken waar al het andere het opgeeft, getuigt van een wilskracht die ontembaar is. De koning die de mirre aanbiedt, schenkt het kind de wil die het in het leven no­dig zal hebben.

De drie wijzen schenken dus wijsheid, gevoelsleven en wil. Hierin zijn terug te vinden het denken, voelen en willen. Wij trachten immers ook in ons onderwijs de denkende, voelende en willende mens op te voeden.

Ook het fenomeen, dat de wijzen uit het Oosten komen is bijzonder boeiend. Wij leven in onze tijd* in een politiek klimaat waar de belangstelling voor geestelijke stromingen uit het veel spiri­tuelere oosten [niet groot is?] Talrijke Guru’s trekken naar het westen met oosterse meditatiesystemen. Vele westerse jongeren trekken naar landen als India om er een leraar te zoeken in geestelijke aan­gelegenheden. Een vreemd fenomeen. Ook de drie koningen kwamen uit het oosten, maar zij aanbaden “het Kind’. Ik geloof, dat daar een sleutel te vinden is om iets van dat ‘openbaar geheim’ te doorgronden.
.

[1] GA 13
vertaald

.

over goud; over mirre

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen   jaartafels

734-671

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (27)

.
Oscar Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, jaartal onbekend
.

AAN DE KERSTBOOM: elektrische verlichting of kaarsen?
.

Degenen die tegenwoordig nog echte kaarsen laten branden in de kerstboom zijn met een lantaarntje te zoeken. De elektrische kaarsverlichting is vrijwel algemeen geworden.

Nu goed, kan men zeggen, dat ligt in de lijn der dingen. Tenslotte is de tijd van kaarslicht, petroleumlamp en gloei­kousje voorbij. Ieder heeft elektrisch licht. Waarom dan kunstmatig zo’n eiland met kaarslicht in stand te houden te midden van een zee van elektrisch licht? Daar zijn we niet mee gebaat. We kunnen de tijd niet meer terugschroeven en ‘weltfremd’ worden. En zeker geldt dit voor onze kinderen die toch in deze moderne wereld moeten leven en geen uit­zonderingspositie moeten gaan innemen. De kerstboom met de echte kaarsen stamt nog uit een wat romantische (ouderwetse) tijd en het is sentimenteel daarnaar terug te verlangen.

Inderdaad, zouden de voorstanders van de echte kaars uit behoudzucht, sentimentaliteit of gebrek aan moed om het nieuwe te aanvaarden, deze kaarsen blijven gebruiken dan voe­ren zij een achterhoedegevecht, waard om verloren te worden.

We kunnen ons echter afvragen of er ook zinvollere ideeën zijn om toch de echte kaars trouw te blijven en daarbij eerst de blik eens richten op wat die kaars in wezen uit wil beelden.

Bezien we de gewone waskaars.  Zijn vlam is bewegelijk, slechts dan brandt hij goed als hij rechtop staat in volle rust. En waardoor kan hij branden? Doordat de kaars zich opoffert. De was, zijn lichaam, gaat op in licht en warmte.

Doet dit niet aan de mens zelf denken?

De mens heeft ook steeds de behoefte om vanuit de aardse zwaarte op te stijgen tot de wereld van de kunst en de ideeën, van warmte en licht. Niet in starheid, maar beweeg­lijk. Doch de weg naar omhoog gaat de mens slechts door zich vele offers te getroosten.

En wat zien we bij de elektrische kaars? Zijn vlam is star en onbeweeglijk, werkt daardoor wezenloos. Deze kaars wordt tijdens het branden niet kleiner en zijn stand is willekeurig, hij kan in alle richtingen branden. Hieruit blijkt wel dat het oerbeeld van de kaars daardoor geheel verloren gaat.  Zo is hij een karikatuur van de echte kaars. Wat een gezicht als men kaarsen omgekeerd aan de kerstboom ziet hangen.

Nu willen we de blik richten op wat het kind beleven kan als we de waskaarsen gebruiken.
Het is de dag voor Kerstmis. De kerstboom staat in de kamer en zal versierd worden.  Allereerst wordt aan de kaarsen ge­dacht. De houders, schoon en glimmend, worden aan de takken bevestigd. Dat moet met overleg gebeuren, omdat de kaarsen niet vlak onder een andere tak mogen branden. Sommige
tak­ken, merken we, zijn te slap, andere te stijf om er een kaars in te zetten. Als alle houders op hun plaats zitten komen de kaarsen erin. Wel ervoor zorgen dat ze goed klem zitten. Is dat gelukt dan moeten de houders vaak nog ‘bijgesteld’ worden, zo lang tot de kaarsen mooi rechtop staan want an­ders branden ze niet goed. Dat vereist soms veel geduld en nauwgezetheid.
Toch kan na een tijdje blijken dat enkele twijgen doorgebogen zijn onder het gewicht. Weer moet hier en daar wat veranderd worden. En ja, eindelijk blijven ze goed staan….. een zucht van voldoening!
Daarna volgt het versieren. Ook dit vereist veel zorgzaam­heid opdat niets te dicht bij de brandende kaarsen komt te hangen.

Dan komt ’s avonds het lang verwachte ogenblik: de kaarsen worden ontstoken. De kamer is slechts verlicht door een kaars waarmee de kerstboomkaarsen aangestoken worden. Elk kind krijgt gedurende de kersttijd natuurlijk een beurt. Wat gewichtig, als je de oudste bent en dit als eerste mag doen, wat heerlijk als je de jongste bent en je wordt op­getild tot bij de hoogste kaarsjes! Ieder leeft mee of het goed gaat!

Langzaam neemt de lichtglans toe totdat de boom daar in volle luister staat. Wat een aandacht en rust was ervoor nodig tot alle kaarsen branden.

Aan het eind van de avondviering worden de kaarsen gedoofd. Het uitblazen geeft veel plezier, het doven met een domper is plechtiger en eist veel aandacht,  want het is beter de pit daarbij niet te raken.

Zo geleidelijk als het licht toenam, zo geleidelijk neemt de lichtglans weer af.

Na verloop van tijd moeten dan de kaarsen vernieuwd worden. En op de laatste avond mogen dan alle kaarsen uitbranden. Het is heel spannend welke kaars of zelfs wie z’n kaarsje het langst blijft branden! Ze gloeien soms nog heel lang na, roodachtig en blauw. Aan de zoldering ontstaan de mooiste schaduwen die telkens veranderen als er weer een kaars dooft. Zo neemt het licht weer afscheid van ons.

De volgende dag wordt alles opgeruimd. De houders worden schoongemaakt, de stompjes van kaarsen, die misschien nog over waren van vorige dagen, gaan bij elkaar. Daar kunnen de kinderen volgend jaar zelf weer nieuwe kaarsen van maken.

Als U dit gebeuren zo meegevolgd en beleefd hebt, merkte U hoeveel gevoelens van zorg, rust, vreugde, eerbied, teleur­stelling misschien, spanning en voldoening er bij de kinde­ren ontstonden. En juist dit leek mij zo’n belangrijk aspect. Maar deze gevoelens moeten dan ook, zoals een plant, de tijd krijgen zich te ontplooien en op te bloeien.
Bij de elektrische kerstboomverlichting is dat echter onmo­gelijk. De stekker gaat in het stopcontact en al die werke­lijk kostbare tijd wordt samengeperst in een onderdeel van een seconde. Daarbij kunnen al die gevoelens niet ontstaan. Ze worden, om bij de plant te blijven, in de kiem gesmoord. Ook alle zorg, nodig bij de gewone kaarsen, is hier overbo­dig. Waar en hoe men de elektrische kaarsjes hangt speelt hoegenaamd geen rol.

Een ander verschijnsel dat bij de elektrische kerstboom­verlichting optreedt, is dat men deze vaak de gehele dag laat branden. Dat dit geen verdieping in het innerlijk teweegbrengt maar juist vervlakking, behoeft geen betoog,

Ligt dit dan niet aan de mensen? Ik meen van niet. Het is, dunkt me, een logisch gevolg van de elektrische verlichting, die slechts imitatiekaarslicht geeft, stenen voor brood. Daardoor is men er innerlijk niet door verzadigd. En wat intuïtief aan kwaliteit gemist wordt, zoekt men in de kwan­titeit. (Wat men aan diepte mist, zoekt men in de lengte)

En zo blijken twee uitersten de elektrische verlichting te begeleiden. Bij het aangaan en doven krijgt het gevoelsleven té weinig tijd zich te ontplooien, bij het voortdurend bran­den daarentegen teveel tijd.

Samenvattend zou ik willen zeggen: de elektrische kerst­boomverlichting geeft veel minder aan het gevoels- en wilsleven van het kind, dan de echte kaarsjes.

De elektrische werking is zeer praktisch in het dagelijks gebruik, maar daar waar het gaat om het vieren van een feest, plechtig of vrolijk, speelt niet het praktisch nut een rol, maar de levende ziel van de mens en die eist een andere benadering. – Trouwens, ook vele volwassenen voelen intuïtief dat de kaars ons iets bijzonders te zeggen heeft en erbij hoort als er iets feestelijks of plechtigs plaatsvindt. Men luistert niet voor niets een diner op met kaars­licht. En waarom dit dan aan de kinderen te onthouden?

Blijft men met deze gedachten de echte kaars trouw, dan levert men geen sentimenteel achterhoedegevecht, maar kan men zich als modern mens bewust een voorvechter voelen (die op de bres staat) voor een gezonde ontwikkeling van de kinderziel: verdieping van het gevoel en versterking van de wil. Juist in deze tijd, die in vele opzichten vervlakkend en verslappend werkt op het innerlijk, kan dit ons een gevoel geven van grote verantwoording en enthousiasme.

 

kerstboomverlichting kaars

 
kerstboomverlichting 2
 

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: Kerstmis         jaartafels
.

733-670

 

 

.

 

 

.

 

 

.

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (18)

.

Hella Krause-Zimmer, Weledaberichten 164, Kerst 1994
.

DE KUNST VAN HET SCHENKEN
.

Kerstmis is in veel landen een feest van gaven, van geschenken. Dit gebruik knoopt aan bij het bezoek van de her­ders, die in de heilige nacht het kind in de kribbe kwamen aanbidden. Vroege wandschilderingen en panelen beeld­den hen nog zonder geschenken af, want het stond immers niet in de Bijbel dat zij geschenken meebrachten naar de stal.

Maar hoe meer de mensen met het kerstverhaal vertrouwd raakten, des te minder konden ze zich voorstellen dat de herders het ‘arme’ kind geen lamme­tje of warme vacht, geen melk of brood zouden hebben gebracht. Daarom zijn er in de kerst­spelen en op de schilderijen uit latere eeuwen geschen­ken te zien.

In wezen is de opwelling van aanbidding en blijd­schap in de harten van de herders een reactie op de goedheid van God, want het kind dat zij aantreffen is een geschenk van de hemel aan de mensheid. En als een echo roert zich in de mense­lijke ziel de wens om ook iets te schenken, ook iets goeds te doen.

kerst herders en koningen

De herders bieden het kind hun gaven aan
(School van Sevilla, 17e eeuw, Londen, Nat.Gallery)

Arm en rijk

De geschenken van de her­ders zijn gaven voor het li­chamelijk welzijn van de Heilige Familie, het zijn zo­gezegd sociale daden. De herders zijn zelf arm; zij we­ten wat behoeftigheid is, zij kennen kou, honger en ge­brek van nabij, en daarom delen zij hun schaarse bezit­tingen met het kind.

Iets heel anders zijn de gaven van de wijzen uit het Morgenland. Beide aan­biddingen treden als gescheiden scènes in de Bijbel op. In het evangelie van Lu­cas wordt gesproken over herders, bij Mattheüs daarentegen over drie wijzen of magiërs, die later koningen werden genoemd. Hun geschenken drukken geen uiterlijke gaven uit, maar hebben een hoge symbolische en kosmische waarde.

De eerste koning schenkt het kind goud. Goud, een heilig metaal, dat uit het aardse waardesysteem is losgemaakt om een hogere waarde uit te drukken.
Goud werd immers voor de vervaardiging van cultische voorwerpen – kruisen en kelken – en als achtergrond bij religieuze afbeeldingen gebruikt.

De tweede koning schenkt wierook: symbool van het gebed en het offer. Met deze gave worden de krachten van het gevoel uitgedrukt. Waarachtig bidden kan een mens immers alleen als hij zijn hart verwarmt en laat spreken; als hij eerbied en overgave ontwikkelt. Elke overgave berust op het spreken van het hart. Als we een bloem bewonderen, dankbaar zijn voor een zonnige dag, als we voor een mens verering voelen, maar vooral als we ons naar God wenden, dan stijgt uit onze ziel als het ware wierook op: een onaardse geur, een ambrozijn, waaraan de hemelse wereld welbehagen heeft.

De derde koning schenkt mirre. Mirre is het symbool van de zelf­beheersing en de innerlijke tucht. De zelfdiscipline is een offer van de wil. Wie dit offer op zich neemt, weigert zijn ambities en wensen de vrije teugel te laten en wil zich op het wezenlijke richten.

kerst herders en koningen 2

Aanbidding door de koningen
(Joos van Cleve, ca. 1485-1540, Praag, Narodni Galerie)

De wijsheid van het gebaar

Men kan hier natuurlijk ook op een an­dere manier naar kijken, maar duidelijk is wel dat het om meer gaat dan om ui­terlijke geschenken: het gaat om het moeizame offer van de eigen persoon­lijkheid. Veelzeggend daarbij is ook dat de koningen buigen voor het kind. Zij, die kennis, macht en rijkdom in hun landen belichamen, zijn bereid te er­kennen. Bij monde van de eerste ko­ning: ‘Onze wijsheid is niets naast jou, Kind. Jij overtreft ons. Jij bent de koning van alle wijzen’.

Zo worden we ons steeds meer bewust, dat in deze scène veel verborgen zit. Maar de grootste wijsheid ligt toch in het dubbele gebaar dat Kerstmis ons voorhoudt: de aanbidding door de her­ders naast de aanbidding door de wij­zen. Het leert ons dat ‘nederig zijn’ al­leen niet genoeg is. Maar alleen ‘ko­ninklijk zijn’ is dat ook niet! Sociale da­den, waarmee de mens aan de wereld werkt en ‘individuele’ daden waarmee hij aan zichzelf werkt, zouden elkaar al­tijd moeten aanvullen.

 

over goud; over mirre

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Boeken van Hella Krause-Zimmer:

Waarom heeft een engel vleugels

In het Duits
.

732-669

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Toscanini

DE MAESTRO
.

Daags voor de tachtigste verjaardag van zijn beroemde vader, in 1947, vroeg iemand aan Walter Toscanini wat de maestro zelf als zijn belangrijkste prestatie beschouwde. ‘Dat begrip kent hij eigenlijk niet,” antwoordde de zoon van de dirigent. “Het belangrijkste ding in zijn leven is altijd datgene waar hij toevallig juist mee bezig is — of hij nu een symfonie inzeept of een sinaasappel schilt.”

Op zijn tachtigste jaar werd Arturo Toscanini nog altijd de grootste musicus ter wereld genoemd, een eretitel die hij steeds opnieuw recht deed wedervaren. In zijn persoon verenigde hij alle eigenschappen die vereist zijn voor het ware artistieke leiderschap, en wel in een zeldzaam harmonische dosering. Dit, gevoegd bij zijn hartstochtelijk perfectionisme, maakte dat vrijwel niemand ongevoelig bleef voor de magische kracht die van zijn vertolkingen uitging. Zeker de orkestleden niet, of ze nu vermoeid, ongedis­poneerd of alleen maar lui waren. En hoe verstrooid de luisteraars er ook bij mochten zitten, ook onder hen waren er maar weinig die aan Toscanini’s betovering ontkwamen. Hij was beroemd tot in de verste uithoeken van de aarde. Een vrouw uit Patagonië maakte eens een vliegreis van ruim drieduizend kilometer voor een staanplaats op een Toscanini-concert in Buenos Aires.

Toscanini is een van de grootste geldmakers in de geschiedenis van de muziekbeoefening geweest. Bij de heropening van de Scala te Milaan, in 1946, deden de plaatsen 15 000 lire per stuk, wat ge­lijkstond met het maandinkomen van een gezin uit de Italiaanse middenklasse. Elke avond was de opera tot de laatste plaats bezet, terwijl meer dan tienduizend mensen de voorstelling via de luidsprekers op het plein vóór de Scala volgden. Men fluistert dat zijn honoraria voor de uitzendingen met het NBC symfonie-orkest in 1937 aanvingen met een bedrag waarvan hij, na aftrek van de belasting, 4000 dollar overhield, en dat voor anderhalf uur optreden. Aan de andere kant wees hij de aanbiedingen uit Hollywood van meer dan een kwart miljoen dollar voor één enkele film, geregeld van de hand (wat niet wegneemt dat hij in de Tweede Wereldoorlog Verdi’s cantate “Hymne der Volkeren”’ gratis dirigeerde voor een film die in opdracht van de regering werd gemaakt. Verleidelijke financiële voorwaarden betekenden niets voor hem, zo lang de zaak zelf zijn sympathie niet had. Publiciteit over zijn persoon was de maestro een gruwel. Dit hield verband met zijn diepgewortelde overtuiging dat hij zelf niets betekende vergeleken bij de muziek die hij dirigeerde. Ook voelde hij zich weinig op zijn gemak als het publiek hem zo dikwijls op het podium terugriep. Dikwijls fluisterde hij al na de derde keer bij het afgaan tegen de concertmeester: “Gaan jullie maar naar huis.”
Het orkest stond dan dadelijk op om te vertrekken, zodat het applaus vanzelf ophield en hij niet meer hoefde te komen bedanken.

Toscanini, die van nature de schuwheid in eigen persoon was, voelde zich nooit méér in zijn nopjes dan wanneer hij, verborgen voor het publiek, in een onzichtbare orkestbak kon dirigeren. Zijn leven lang heeft hij geen enkele redevoering in het openbaar gehouden. Verslaggevers en fotografen konden hem uitermate ergeren. “Ik ben een gewone burger,” protesteerde hij. “Wat doet het er toe hoe ik eruit zie, waar ik woon en wat voor kleur dassen ik draag.”
Vaker nog sprak hij over zichzelf als over un contadino, een boer. Toscanini probeerde nooit zijn nederige afkomst te verheimelijken.

Hij was de zoon van een arme kleermaker in Noord-Italië. Op zijn negende jaar kwam hij op het conservatorium van Parma, waar hij door zijn klasgenoten al spoedig “het genie” gedoopt werd. Toen hij tegen de schoolregels in clandestien een orkestje oprichtte, schaarden zijn makkers zich enthousiast onder zijn lei­ding. Ze werden allemaal disciplinair gestraft.
Daarop volgde een periode met veel schnabbels als cellist in verschillende opera-orkesten, totdat de negentienjarige Arturo in 1886 op een juni-avond in Rio de Janeiro, met één klap de wereld van de roem binnentuimelde.
Een Braziliaanse dirigent was door het gasterende Italiaanse operagezelschap net zo lang gesard tot hij een paar uur voor de eerste opvoering van Aïda zijn stokje neerlegde. Het patriottische publiek jouwde de beide Italiaanse plaatsvervangers achtereen volgens de orkestbak uit. Toen dacht iemand aan de jeugdige cellist die aan boord tijdens de overtocht de zangers bij het instuderen van hun rollen had geassisteerd, en die iets van opera’s scheen te weten. Bij het zien van die baardeloze jongeman, die op de bok stapte en voor de lessenaar ging staan, kwam het publiek tot bedaren. Waarschijnlijk half onbewust klapte hij de partituur dicht op het ogenblik dat hij de eerste inzet gaf. De zaal hapte naar adem. Na het eerste bedrijf was Toscanini de held. In dat zomerseizoen dirigeerde hij in Rio de Janeiro nog achttien opera’s  — allemaal uit het hoofd.

Over de staaltjes van Toscanini’s griezelige geheugen zijn boekdelen volgeschreven. Hij kon een gehele opera tijdens een weekeinde in het geheugen prenten, en zich nog jaren daarna elk detail herinneren. Een hoboïst kwam eens in de pauze bij hem klagen dat er een mankement was aan zijn es-klep. “Maak je niet bezorgd,” zei Toscanini na enkele ogenblikken. “Er komt in de rest van je partij geen es meer voor.”
Eens, toen hij trachtte een zeer weinig bekend kamermuziekwerkje te identificeren, liep hij naar de piano en speelde het hele tweede deel. Hij had de partituur in 62 jaar niet onder ogen gehad.

Niet minder verbluffend was Toscanini’s fenomenale gehoor. In een fortissimo met honderd bolgeblazen wangen en zagende strijkstokken wist hij de kleinste onoplettendheid bij een verafgezeten tweede viool of contrabas onmiddellijk te signaleren. De orkestleden moesten alle hoop laten varen om bij hem ongestraft te kunnen smokkelen. Ook al gaf de maestro niet dadelijk zijn commentaar ten beste, dan kwam na verloop van tijd onherroepelijk een opmerking zoals: “Vorige donderdag hebt u in de vijfde maat een zestiende rust vergeten,” of: “U hebt die fout verleden jaar óók gemaakt, dacht u soms dat ik het niet zou horen?”

Toscanini’s verbeten strijd om artistieke volmaaktheid dreef hem van het ene concertpodium naar het andere. Het onnozelste voorval ontketende een bliksemsnelle reactie — de maestro nam op staande voet ontslag, en prompt volgde een donderende tirade dat “het tegenwoordige tijdperk blijkbaar geen musici meer opleverde die de grote componisten recht kunnen laten wedervaren”. Vrijwel nooit produceerden zijn orkesten die smetteloze ideaalklank die hem zelf steeds in de oren klonk.

Was hij ontevreden over een repetitie of een uitvoering, dan hulde hij zich in een ijzig stilzwijgen, reed naar huis en wenste niet te eten. Als het heel erg slecht geweest was, achtte hij het vanzelfsprekend dat zijn gezin met hem mee vastte. Eens schold hij zijn NBC-orkest uit voor een troep schooljongens en een stelletje halve garen, brak de repetitie af en rende drijfnat van het zweet de studio uit zodat hij een zware kou opliep. “De Baas hééft het weer,” grinnikte een orkestlid. “Wat was-ie kwaad!”

Wanneer hij te maken kreeg met onverschilligheid of middelmatigheid of met onbescheiden mensen, kon hij ontzettend grof worden, zoals in het geval van de beroemde zangeres die op een repetitie zijn aanmerkingen beantwoordde met de mededeling dat zij de ster was en niet hij. De maestro bekeek haar met soevereine minachting. “Dame,” zei hij sarcastisch, “sterren zijn er aan de hemel. Hier beneden hebben we alleen goede en slechte muzikanten, en u hoort kennelijk tot de slechte.”

Aan de andere kant zag hij tekortkomingen graag door de vingers wanneer hij de echte muzikale vonk bespeurde. Een sopraan die om haar prachtige stem bijzonder geliefd was, beging bij haar eerste repetitie met Toscanini een paar slordigheden. Dadelijk riep hij haar toe: “U bent de slechtste muzikant van de hele wereld!” Maar vrijwel in één adem voegde hij eraan toe: “Maar u zingt als een engel.”

Als de maestro op het podium was gestapt om met repeteren te beginnen, vlamden zijn diepliggende, bijziende ogen terstond op. Het stokje striemde door de lucht als een zweep. Dan onderbrak een schril “Nee, nee, nee, nee!” de eerste maten van een stuk dat de orkestleden, naar hun eigen mening, wel konden dromen.

Toscanini hield ervan iets uit te beelden, hij deed dat liever dan mondeling uitleggen. Hij gooide bijvoorbeeld een zakdoek op om aan te duiden dat hij een luchtige, zwevende klank wilde hebben. Om een zangerig effect te krijgen, poseerde hij als een moeder die een baby in haar armen in slaap wiegt. In een Newyorks orkest verlangde hij eens van een bepaalde instrumentengroep een afstand-effect”, alsof de muziek vanuit de verte klonk. “Niet al te ver,” lichtte hij toe, “zo in de buurt van Brooklyn.”

Op een vergissing van het orkest reageerde Toscanini als een bezetene. Hij balde dan zijn vuisten, brak zijn stokjes, scheurde de muziek in stukken en vertrapte zijn horloge of zijn onmisbare bril. Eens, nadat een prachtig horloge dat hem ten geschenke was gegeven, het had moeten ontgelden, gaven de orkestleden hem een Ingersoll cadeau, een stevige knol van een uurwerk, met de inscriptie: “Voor de repetities.” Geluidstechnici hebben buiten medeweten van de maestro wel eens opnamen van zijn repetities gemaakt, die in muziekkringen furore maakten. Zij die deze opnamen kennen, hebben zich verbaasd afgevraagd hoe iemand Toscanini’s aanwijzingen ooit heeft kunnen verstaan, laat staan opvolgen, in dat heetgebakerde Engels-Frans-Duits-Italiaanse koeterwaals. Buiten de repetities beheerste Toscanini deze vier talen volkomen.

De tiran van het podium was in zijn vrije tijd de goedhartigheid zelf. Hij deed veel aan liefdadigheid, maar probeerde zoveel mogelijk anoniem te blijven, dan hoefden de mensen hem niet te bedanken. Toch is bekend geworden dat hij na de Tweede Wereld oorlog 30 000 paar schoenen naar Italië liet sturen. Hij stichtte een pensioenfonds voor de leden van het symfonieorkest van Los Angeles, door zijn gage voor een concert met dit orkest aan de leden te schenken; hij declareerde zelfs zijn reiskosten niet. In 1944 kreeg hij een briefkaart van een jongetje uit Brooklyn met een verzoek om de “Eroïca-symfonie van Beethoven” te spelen, omdat zijn vader, die in Italië gesneuveld was, daar zoveel van had ge­houden. Toscanini zette de symfonie dadelijk op het programma, en trachtte bovendien “Jimmy” per advertentie op te sporen, wat helaas niet gelukte.

Toscanini was voor zichzelf al even precies als in zijn geliefde muziek. Niemand kon beweren dat hij hem ooit in hemdsmouwen gezien had. Op de concerten droeg hij celluloid boorden die bij het overmatige transpireren niet konden omvallen. Gewoonlijk knapte hij zich in de pauze grondig op, en verkleedde zich; eenmaal voerde hij in Londen die poetsbeurt zelfs aan als excuus om niet in de koninklijke loge te hoeven verschijnen.

Ondanks het feit dat hij driemaal in zijn leven een vrij lange periode in de Verenigde Staten heeft doorgebracht, is zijn smaak maar op enkele punten door Amerika beïnvloed geweest, waaronder de Mickey-Mousefïlms waarvoor hij een zwak had, en de jazz, die hem bepaald boeide. Tijdens een goodwillreis van het NBC-orkest naar Zuid-Amerika organiseerden een stuk of wat eerste houtblazers geregeld in het geheim swingconcerten aan boord. Toen de maestro eens toevallig in hun buurt kwam, spitste hij de oren. Kort daarna werden zij opgecommandeerd om in Toscanini’s luxehut te komen; hij wilde dat wel eens horen.

De maestro bleef echter weinig in zijn schik met de experimentele wanklanken die moesten doorgaan voor “moderne muziek ” en die hij stuitend voor het oor noemde. Verstokte nieuwlichters die de oude heer om zijn conservatisme meenden te moeten hekelen zouden er intussen goed aan hebben gedaan te bedenken hoe moedig Toscanini zich destijds inzette voor de muziek die in zijn eigen jeugd “nieuw” was: die van Wagner, Verdi, Brahms, Puccini, Debussy, Ravel — nu algemeen erkende klassieken.

In april 1954 dirigeerde Toscanini zijn afscheidsconcert met het symfonie-orkest van de NBC in de Carnegie Hall in New York. Nauwelijks drie jaar later, kort voor zijn negentigste verjaardag, klopte de dood aan bij de oude maestro. Twee generaties van muziekliefhebbers hebben getracht de oorzaak van zijn magische kracht als dirigent te doorgronden. Volgens sommigen moet ze worden toegeschreven aan een uitzonderlijke combinatie van ritmische precisie en souplesse in gebaren, volgens anderen aan zijn hypergevoelige oren, of aan zijn fenomenale geheugen. En toch, elk van deze kwaliteiten kan men ook bij andere dirigenten aantreffen.

Met ontwapenende openhartigheid placht Toscanini zelf toe te geven dat geen enkele andere dirigent met hem te vergelijken was, maar tegelijk hield hij staande dat de artistieke maatstaven die hij aanlegde, regel behoorden te zijn en geen uitzondering. “Het is niet waar dat ik de beste dirigent van de wereld zou zijn,” zei hij met een knipoog. “Het nare is: ik ben de enige goede.”

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

731-668

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (6-1)


 .

DE KRUISTOCHTEN

Een welbespraakte paus

Op 27 november 1095 schalde uit tienduizenden kelen een strijdlustige kreet tegen de grauwe stadsmuren van Clermont-Ferrand. Het was de kreet ‘Deus lo volt!’ (God wil het). Het was de leuze die bijna twee eeuwen lang het lot van heel Europa en Klein-Azië zou bepalen. Clermont-Ferrand lag in het hart van Frankrijk. De stad was tevens het middelpunt van de westerse christe­lijke wereld. Tienduizenden Fransen en buitenlanders waren naar de stad gestroomd. Zó groot was de mensen­massa, dat de stad te klein was voor allen. De menigte moest zich buiten de poorten verzamelen. Bisschoppen stonden naast paters, graven naast boeren en burgers naast lijfeigenen. Daar, in het open veld, hield paus Urbanus II een gloedvolle preek. De paus was een kleine, tengere man. Maar hij bezat de gave van het woord. Welbespraakt wist hij de menigte op te zwepen. ‘Deus lo volt!’ was de leuze, waarmee paus Urbanus II de aanwezigen opriep voor de strijd ter bevrijding van het Heilige Land.

Maar deze boodschap was niet alleen bestemd voor de menigte bij Clermont-Ferrand. Over de hoofden van de verzamelde toehoorders heen riep de paus de gehele westerse christenheid op tot de strijd tegen de muzelmannen en de bevrijding van Jeruzalem. Iedere christen afzonder­lijk riep hij op, zijn aardse goederen in de steek te laten. Ieder moest op zijn kleding een rood kruis naaien en het zwaard opnemen. De paus stelde daar tegenover: ‘En als u vraagt hoe God u voor deze moeite zal belonen, dan beloof ik u: ieder die het kruis draagt en boete doet, zal voortaan vrij zijn van zonden.’

Voor wie bang mocht zijn in de komende Heilige Oorlog het leven te laten, voegde de paus er nog aan toe: ‘Op welke plaats, op welk ogenblik en op welke manier hij het aardse leven ook zou verliezen, hij zal het eeuwige leven verwerven.’ Maar paus Urbanus II beloofde meer dan alleen geestelijke beloningen. Hij stelde ook tastbare beloningen in het vooruitzicht: ‘Het Heilige Land vloeit over van melk en honing, zoals het paradijs.’

Wie nóg mocht twijfelen om aan de oproep van de paus gevolg te geven, moest bijna wel zwichten voor de laatste belofte, dat iedere deelnemer opschorting van zijn schulden en ook vrijstelling van belastingen zou krij­gen. En ten slotte zouden alle deel­nemende horigen en lijfeigenen voort­aan vrij zijn! De opgezweepte me­nigte herhaalde geestdriftig de leuze van de paus: ‘God wil het!’

Verschillende drijfveren

Waarom kwam de paus helemaal uit het verre Rome naar Clermont-Ferrand? En waarom reageerde het volk zo geestdriftig op zijn oproep? Om dat te begrijpen, moet men iets weten van de innige verbondenheid tussen de middeleeuwse Europeanen en de kerk. Enerzijds werd Europa innerlijk verdeeld door de veelvuldige oorlogen tussen vorsten en volkeren. Maar de Europese volkeren waren anderzijds innerlijk sterk verbonden door het geloof in Christus. De katholieke kerk en de paus hadden van Europa een bolwerk van de christenheid gemaakt. De Europeaan uit die tijd, die niet kon lezen of schrijven, had een heilig ontzag voor de ontwikkelde priesters. Van zijn geboorte af was hem ingeprent, dat het geloof zijn hoogste goed was. En dat geloof werd bedreigd! Die bedreiging kwam van de muzelmannen of moslims, de volkeren in het Midden-Oosten die aanhangers waren van het mohammedaanse ge­loof, de islam. Van de stichter van hun geloof, de profeet Mohammed, had­den ze de opdracht gekregen de hele wereld te winnen voor de islam. Het is duidelijk dat de Europese christen­heid zich daartegen verzette. De bedreiging van de muzelmannen vormde de voornaamste drijfveer van de Europeanen om zich gedurende de 12e en 13e eeuw in een gigantisch en onoverzichtelijk avontuur te storten. De toespraak van paus Urbanus II gaf de stoot tot de eerste van een reeks van acht massale veldtochten tegen de muzelmannen. Deze ‘kruis­tochten’ zouden tussen 1095 en 1270 de grootste bewegingen in de wereld­geschiedenis veroorzaken. Geestelijkheid, adel en volk stonden in Clermont-Ferrand aan de vooravond van een woelige periode. Het zou een tijdvak worden waarin onder de banier van het christenkruis in vlammend rood, heldendom en gru­weldaden dicht bijeen lagen. Een tijd waarin godsdienstige vervoering vaak uitmondde in zinloze slachtpartijen. Maar niet alleen de bedreiging van de eigen godsdienst door de ‘barbaarse’ islam was de drijfveer tot het deel­nemen aan de kruistochten. Velen die de barre tocht naar het Heilige Land maakten, werden door minder hoog­staande motieven gedreven. Er waren misdadigers bij, die aan de arm van de wet probeerden te ont­komen. De paus had hen vergeving van zonden toegezegd. Er waren ook avonturiers bij, belust op buit. Ver­der waren er ridderzonen zonder veel toekomst in het voorvaderlijk kas­teel, dat het eigendom zou worden van de oudste zoon. De paus had hen de ‘melk en honing’ van het Heilige Land beloofd.
Verder waren er boerenzoons bij zonder akkers, lijfeigenen en hori­gen, die aan de hele of halve slavernij wilden ontkomen. De paus had im­mers gezegd dat ze vrij zouden worden!
Zo zochten velen, gedreven door andere dan godsdienstige motieven, hun toevlucht onder de banier van het kruis. Ze hoopten een nieuwe toekomst te kunnen opbouwen.

Een oplaaiende oude strijd

De strijd tegen de muzelmannen was niet nieuw. Al eerder hadden de aanhangers van de islam Europa aan de zuidelijke en oostelijke grenzen in de tang genomen. Al eeuwenlang waren de Europese vorsten bezig de muzelmannen op verschillende fron­ten terug te dringen. In Spanje ging de strijd tegen de Moren, op Sicilië en in Italië tegen de Saracenen en in het oosten tegen de Turken. De herovering van Spanje op de Moren werd aangeduid met het Spaanse woord ‘reconquista’. De reconquista werd ingezet met de overwinning op de Moren bij de Franse stad Poitiers in het jaar 732. Maar daarna was geen enkele macht in Zuidwest-Europa sterk genoeg om de Moren te verdrijven. Pas in 1031 werd de reconquista nieuw leven ingeblazen. Kleine delen van Spanje werden heroverd. Maar door onder­linge verdeeldheid van de kleine christelijke rijkjes in Noord-Spanje kwam de reconquista weer tot staan. Pas 100 jaar later moesten de Moren weer enkele delen van Spanje prijs­geven. Maar het duurde tot 1275, voordat de Moren alleen nog maar het zuidoostelijke deel van Spanje bezet hielden, met de stad Granada als laatste bolwerk.

In het zuiden van Italië werd de strijd tegen de oprukkende muzelmannen gevoerd door Normandiërs, die uit Frankrijk waren overgekomen. De Normandiërs dreven de mohamme­daanse Saracenen de zee in. Daarna veroverden de Normandiërs het eiland Sicilië. De Saracenen hadden daar lange tijd een vlootbasis gehad. Van­daar uit beheersten ze vrijwel de hele westelijke Middellandse Zee. De Saraceense schepen vluchtten de open zee op, maar daar werden ze door de Italiaanse vloot verslagen.

Het bedreigde christendom in Oost-Europa

Aan de Duitse oostgrenzen drong reeds eeuwenlang een andere vijand langzaam maar zeker naar het westen. Het waren geen muzelmannen, maar heidense Slavische stammen. De Duitse boeren die meer land wilden hebben, besloten dat zelf te vero­veren. Gewapenderhand namen ze grote delen land in het oosten in bezit en verdreven de Slavische stammen. Nieuwe steden en vorstendommen ontstonden en nieuwe kerken werden gebouwd. De katholieke kerk werd steeds meer een strijdende kerk. In het zuidoosten worstelde het chris­tendom tegen de ondergang. Het keizerrijk Byzantium, met als hoofd­stad Constantinopel, vormde het overblijfsel van het eens zo machtige Romeinse keizerrijk. Byzantium was in de loop van de eeuwen min of meer los van de rest van Europa uitge­groeid tot een welvarend rijk. In 1054 hadden de katholieke Byzan­tijnen zich losgemaakt van de rooms-katholieke kerk. Daardoor was de christenheid verdeeld in een westerse christenheid onder leiding van de paus van Rome en een oosterse christenheid onder leiding van de aarts-patriarch van Constantinopel.
Het spreekt bijna vanzelf dat de paus van Rome naar middelen zocht om de oosterse christenen weer binnen de rooms-katholieke kerk te krijgen. Van 1081 tot 1118 was Alexius keizer van Byzantium. Tijdens zijn regering werd een deel van het Byzantijnse gebied in Klein-Azië veroverd door de Turken. Het door de christenen als Heilige Stad beschouwde Jeruza­lem in het Heilige Land (Palestina) was een bolwerk van de muzelman­nen geworden. Pelgrims die vanuit alle delen van Europa eeuwenlang ongehinderd Jeruzalem en het Heili­ge Graf hadden bezocht, werden door de mohammedaanse Turken verdreven.

Keizer Alexius zag geen kans het alleen op te nemen tegen de Turken. Hij vroeg steun aan de paus van Rome. Die wilde wel helpen, temeer omdat hij hoopte met deze steun de oosterse christenen terug te winnen voor zijn kerk. Verschillende pausen smeedden plannen voor een veldtocht om Jeruzalem te bevrijden van de muzelmannen.
De welbespraakte paus Urbanus II was degene die de plannen uitwerkte. Hij riep iedereen in Europa op tot een kruistocht. De strijd in het Heilige Land moest de genadeslag toebrengen aan de oprukkende islam en de hele christenheid voorgoed in veiligheid stellen.

De Eerste Kruistocht

De jammerlijke kruistocht van het volk

De paus had verwacht, dat de vorsten van Europa zich eensgezind en onver­wijld met hun legers op weg zouden begeven naar het Heilige Land. Het waren echter niet de ridders, maar de armsten van de armen die als eersten een rood kruis op hun schamele kleding naaiden. Ze werden daartoe aangezet door slimme volkspredikers als Peter de Kluizenaar, die meestal meer belangstelling hadden voor hun geldkist dan voor hun bijbel. Het eerste kruisleger bestond uit horigen en lijfeigenen, bedelaars en dagdieven, schavuiten en verarmde boeren. Hun primitieve bewapening bestond voornamelijk uit knuppels en dorsvlegels en hun proviand uit geroofd vee en gestolen wijn. Op 12 april 1096 vertrok Peter de Kluize­naar met ongeveer 10.000 man uit Keulen. Dat aantal zou onderweg aangroeien tot 20.000. Hun spoor door de Europese landen leek op dat van een aanzwellende zwerm sprink­hanen.
De eerste vorst die de horde bande­loze mannen aan zijn grenzen zag verschijnen, was koning Columbanus van Hongarije. Vol wantrouwen ver­leende hij het leger havelozen de doortocht. Maar hij liet Peter de Kluizenaar uitdrukkelijk beloven, dat zijn mannen niet zouden plun­deren. Maar een ruzie over de ver­koop van een paar schoenen liep uit op een ware veldslag. De stad Semlin werd geplunderd en 4.000 Hongaren, geloofsgenoten van de kruisvaarders, werden gedood.
Daarna werd een deel van het volks­leger het werktuig van meedogenloze roofridders. Deze eerloze ridders, die zich bedreigd voelden door rijke handeldrijvende joden, ontketenden een wrede jacht op de joden. Ze maakten de onontwikkelde kruis­vaarders wijs, dat de joden een even grote bedreiging voor het christen­dom vormden als de muzelmannen. De joden hadden immers Christus zelf vermoord en dat was veel erger dan wat de mohammedanen deden tegenover de christenen. Joden werden als wild opgejaagd, bij hon­derden afgeslacht en hun bezittingen werden geroofd.

Op Byzantijns gebied aangekomen, vergrepen de kruistochtbenden zich aan de bewoners, die ze eigenlijk als bondgenoten moesten beschouwen. De stad Belgrado werd platgebrand achtergelaten. Ten slotte hakten By­zantijnse troepen, op wraak belust, op de horden in. Peter de Kluizenaar raakte daarbij niet alleen een flink gedeelte van zijn volksleger kwijt, maar hij verspeelde bovendien de hem zo dierbare geldkist… Keizer Alexius van Byzantium, die van de pauselijke oproep tot strijd tegen de muzelmannen had gehoord, had door ridders geleide huurtroepen verwacht. In plaats daarvan zag hij ongeregelde benden onder de muren van Constantinopel hun tenten op­slaan en de omgeving onveilig maken. Hij liet de ongewenste bondgenoten ijlings met zijn schepen naar de overkant van de Bosporus brengen. De Bosporus was de smalle zeestraat die Constantinopel scheidde van Klein-Azië, waar de mohammedaan­se Turken heer en meester waren. Zo leverde keizer Alexius de kruisvaar­ders uit aan de muzelmannen…

Hinderlaag

In Klein-Azië werd het volksleger een prooi van de Turken. De restanten van het nauwelijks bewapende bede­laars- en plunderaarsleger liepen in een hinderlaag. Vrijwel alle kruisvaarders werden afgeslacht tijdens een nachtelijke achtervolging. Peter de Kluizenaar, de geslepen schurk in monnikspij, was geen getuige van de ondergang van de volkskruistocht. Hij was wijselijk naar Constantinopel teruggegaan om keizer Alexius om hulp te vragen.

De adel werd kruisdrager

De volkskruistocht, die in 1096 een jammerlijk einde vond, wordt niet tot de officiële kruistochten gerekend. Die begonnen pas, toen goedbe­wapende soldaten onder leiding van edelen en hoge geestelijken de veld­tocht naar het Heilige Land onder­namen.

De Eerste (officiële) Kruistocht was een goed voorbereide militaire onderneming, maar werd toch niet geleid door staatshoofden. Noch de Engelse koning, noch de Franse koning, noch de keizer van het Duitse rijk behoor­den tot de kruisdragers. Het waren wel hun leenmannen, die hun wapen­rusting tooiden met het vlammend rode teken van de kruisvaarders. De kerkelijke leider van de veldtocht was de bekwame en betrouwbare Franse bisschop Adhémar. Onder zijn opperbevel schaarden zich ver­schillende ridderlegers uit voorname­lijk Franse leengebieden. De ridders die het bevel voerden waren de krijgshaftige Godfried van Bouillon (uit de Ardennen) en Robert van Vlaanderen. Maar ook graven en hertogen met een meer bedenkelijke reputatie waren van de partij: de wrede Raymond van Toulouse, de opschepperige Bohemund van Tarente, de drankzuchtige Robert van Normandië en de onbetrouwbare Boudewijn van Boulogne.

Het dubbele spel van keizer Alexius

Vier legergroepen rukten op korte afstand van elkaar op naar Constantinopel. Met Kerstmis 1096 kwamen ze in de stad aan. Keizer Alexius liet de legeraanvoerders zweren, in ruil voor goud en juwelen, dat ze de te bevrijden steden opnieuw onder Byzantijnse heerschappij zouden plaatsen. In de maanden die volgden, verzamelden zich in Constantinopel ongeveer 100.000 kruisvaarders, tegen Pasen 1097 liet keizer Alexius de kruislegers de Bosporus over­varen. Voor hen lag Klein-Azië, vijandig door de wrede Turken, het broeierige klimaat en de dorre natuur. De gelederen raakten verdeeld door op macht en buit beluste legeraan­voerders. Die verdeeldheid werd nog versterkt door de taalverschillen tus­sen de groepen kruisvaarders uit de verschillende delen van Europa. Het humeur van de soldaten werd er niet beter op, toen al snel de proviand opraakte.
De kruislegers rukten op naar Niceae, de hoofdstad van de Turken. Niceae was vroeger een Byzantijnse stad geweest en lag aan het Meer van Ascane. De stad vormde de toegangs­poort tot de eeuwenoude hoofdweg door Klein-Azië.
De Turkse sultan die Niceae bezet hield, had de gemakkelijke afslach­ting van het armzalige volksleger nog vers in het geheugen. Daardoor onderschatte hij de dreiging van de legers van de kruisridders. Toen de hongerige kruisvaarders de muren van Niceae bereikten, vocht de sultan ergens anders een veldslag uit.
Ge­waarschuwd kwam hij snel terug, maar zijn wanhopige poging tot ontzet van de stad werd in bloed gesmoord. De kruisridders bleven de stad belegeren.

Maar de belegerde Turken hielden vol en lieten zich bevoorraden door een poort, die aan het Meer van Ascane was gebouwd. Keizer Alexius, die van boodschappers van het beleg van Niceae had gehoord, stuurde een vloot om de waterweg naar de stad af te grendelen. De keizer speelde daar­mee dubbel spel. Hij wilde de stad in handen krijgen en daarom wilde hij plundering voorkomen. De admiraal van de Byzantijnse vloot onderhandelde in het geheim met de Turken. Hij beloofde hun een vrijge­leide en zelfs geschenken, als ze de stad ontruimden. Daarna spiegelde hij de kruisridders voor, dat ze de muren met zonsopgang moesten be­stormen. Niceae zou dan rijp zijn voor overgave.

Maar ’s morgens vroeg bleek boven de stad reeds de Byzantijnse vlag te wapperen. De Byzantijnse admiraal vertelde de verbaasde kruisridders, dat hij bij verrassing de stad door de poort aan het meer had genomen. Het duurde niet lang of het dubbele spel lekte uit. Maar de overwinning had slechts weinig slachtoffers gekost en aan het voedselgebrek was een einde gekomen. Daarom wonden de kruisvaarders zich niet zo erg op over het vreemde spel van de Byzantijnen. Maar vele ridders voelden zich toch wel zó bedrogen, dat ze hun eed aan keizer Alexius dat de veroverde steden Byzantijns zouden worden, niet meer serieus namen.

De hongertocht naar Antiochiè

De kruislegers trokken verder. Ze wisten niet dat de Turken een reusachtig leger hadden samengetrokken en op wraak uit waren. Plotseling dreigde een vloedgolf van 150.000 Turken de legers van Bohemund en Raymond te overspoelen. Net op tijd viel het leger van bisschop Adhémar de Turken in de rug aan en joeg hen op de vlucht.
De kruislegers veroverden de stad Edessa. Daar bleef Boudewijn van Boulogne achter als ‘graaf var Edessa’, met een garnizoen om de stad zonodig te kunnen verdedigen.

Verder trokken de kruislegers

De Turken pasten de tactiek van de verschroeide aarde toe. Ze brandden alle dorpen en akkers plat, zodat de kruislegers in de verre omtrek geen kruimel voedsel konden vinden. Bij een genadeloos brandende zon teis­terden honger, dorst en ziekte de uitgeputte kruislegers. De soldaten pelden het weinige overgebleven graan tussen hun vingers en aten het rauw op. Veel buit en wapenrusting werden weggeworpen. In de bergen die de legers moesten oversteken, werd de lijdensweg een ware martelgang. Vermoeide ruiters en lastdieren stortten in diepe ravijnen. Dodelijk vermoeid bereikten de weinige overgebleven manschappen in 1097 de stad Antiochië. Voor de stadsmuren van soms 18m hoog, waarboven 400 schitterende torens blonken in de zon, sloegen de kruisvaarders hun tenten op. Tijdens het zeven maanden
durende beleg van de stad werden de gelederen nog meer uitgedund door honger, ziekte en dood. Op 2 juni 1098 viel de stad door verraad. Een inwoner van Antiochië die vroeger christen was geweest, liet de kruisridders de stad binnen. Even flakkerde de geestdrift van de sol­daten op, toen ze eindelijk de stad konden binnentrekken.

Het wonder van de lanspunt

Maar nauwelijks hadden de kruis­legers bezit genomen van Antiochië, of er naderde een groot Turks leger. Toen werden de belegeraars op hun beurt belegerd. De voedselvoorraad slonk met de dag. Op de rijpaarden na werden alle dieren geslacht, zelfs de trouwe pakezels. De situatie was vrijwel hopeloos toen een pelgrim, Peter Bartholeus, be­weerde dat hij in een visioen de apostel Andrea had gezien. Die zou hebben verteld, dat de lans die de zijde van Christus had doorboord, begraven lag onder de kerk van Antiochië, die de Turken als paardenstal hadden gebruikt. Dit relikwie maakte zijn eigenaar onoverwinnelijk!
Het ‘wonder’ voltrok zich. De lanspunt, waarschijnlijk heimelijk in de grond gestopt, werd gevonden. De kruisvaarders waanden zich toen onoverwinnelijk, rukten de poort uit en versloegen de Turken. Niet langer bedreigd, sloegen de overwinnaars aan het plunderen. Toen bovendien de onbaatzuchtige opperbevelhebber bisschop Adhémar aan een besmettelijke ziekte bezweek, was het met de discipline van de legers helemaal gedaan.

Het beleg van Jeruzalem

Bohemund van Tarente en Raymond van Toulouse betwistten elkaar het bezit van Antiochië, een strijd die door Bohemund werd gewonnen. Andere, meer gewetensvolle ridders hadden de grootste moeite hun soldaten zover te krijgen dat ze verder trokken. Eindelijk trokken in januari 1099 Godfried van Bouillon en Raymond van Toulouse aan het hoofd van hun morrende troepen zuidwaarts. De ridders wilden Jeruzalem zien en veroveren. Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus, werd met een nachtelijke aanval ingenomen en van de Turken bevrijd. Op 7 juni 1099 stonden de kruislegers ten slotte aan de poorten van Jeruzalem, de Heilige Stad. Het aantal overgebleven kruisvaarders bedroeg nog slechts 12.000 man. Jeruzalem werd niet bezet gehouden door de Turken, maar door een mohammedaans volk uit Egypte. De sultan van Jeruzalem had tot in de verre omtrek het vee laten weghalen, de akkers laten afbranden en de waterputten laten vergiftigen. Slechts één bron was overgebleven. Omdat die bron maar één keer per drie dagen water gaf, vertrapten de dorstige kruisvaarders elkaar om tenminste te kunnen drinken.
Godfried van Bouillon liet een vloot naar Palestina komen, die touwen en onderdelen van gevechtstorens op het strand afleverde. Het zware materiaal werd  over een afstand van 60 km op de ruggen van gevangenen naar Jeruzalem gevoerd. De kruislegers bereidden zich voor op de bestorming van de stad. Op 8 juli 1099 trokken de kruisvaarders ongewapend, met ontblote hoofden en barrevoets om de muren van de Heilige Stad. In hun processie voerden ze banieren, kruisen  en relikwieën mee! Vanaf de hoge muren werden ze bespot door de muzelmannen…

De bevrijding van de Heilige Stad

De aanval werd ingezet in de nacht 12 op 13 juli 1099. Een regen van pijlen en stenen en vuur daalde neer op de kruisridders. Enorme met natte huiden beschermde houten gevechtstorens werden tot vlak tegen de hoge muren gereden. Tientallen zwaar bewapende ridders bemanden deze torens. Na twee dagen van verbeten strijd slaagde een ridder erin vanaf een gevechtstoren op de stadsmuur te springen. Met zijn lange zwaard woest in het rond zwaaiend, sloeg hij een gat in de opeengehoopte verdedigers. Andere ridders volgden zijn voorbeeld, onder wie hun aanvoerder, de dappere Godfried van Bouillon. Langzaam vochten de ridders zich een weg door de fel strijdende muzelmannen, in de richting van de poort. Een ridder deed een uitval naar het mechanisme waar­mee de zware deuren werden ge­opend. Hij werd neergestoken door vele zwaarden en van de muur geworpen. Andere ridders vormden daarop een menselijke muur rond de deuren en begonnen aan de zware wielen te draaien. Langzaam en kreunend weken de deuren vaneen. Van buiten de poort glipte een soldaat naar binnen. Daarna weer twee. Toen zwaaiden de deuren wijd open en de kruislegers stroomden de stad binnen. Het was 15 juli 1099. Jeruzalem was veroverd!

6e klas kruistochten 1

Gebrek aan manieren

Het Byzantijnse hof was onthutst over het gebrek aan manieren van de westerse ridders. De hovelingen vonden hen ‘grof van natuur, onbeschaamd, geldziek en niet in staat weerstand te bieden aan hun ongebreidelde fantasie’. Bovendien vonden ze de ridders de ‘grootste kletskousen ter wereld.’

De ridders drongen van de vroege ochtend tot de late avond het keizerlijk paleis binnen en bekommerden zich niet in het minst om de strenge regels aan het hof. Ze maakten het de keizer lastig met hun eindeloze gesprekken en ‘achtervolgden hem tot in zijn slaapvertrekken met hun verzoeken om geld en gunsten….’

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

730-667

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-3)

.

Paus Gregorius VII  1025-1085
.

Dertig jaar lang had Hildebrand Bonizo een grote rol gespeeld bij het invoeren van belangrijke hervormingen binnen de kerk. Toen werd hij tot paus gekozen. Hij koos de naam Gregorius VII. Hij was een van de werkelijk dramatische figuren uit de geschiedenis. Hij gaf het pauselijke ambt een aanzien, dat het nooit eerder had gehad. Hendrik III, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, ging voor hem op de knieën tijdens de historische ontmoeting in Canossa. Gregorius bewerkstelligde dat de Paus het onbetwiste gezag binnen de kerk kreeg.

Hildebrand was de zoon van een arme Longobardische timmerman. Op zijn dertigste was hij al opgeklommen tot de positie van kapelaan van paus Gregorius VI. Er bestond in die tijd weinig eerbied voor het pausschap. De pausen werden gekozen door de geestelijken en de bevolking van Rome. Ze waren vaker slimme politici dan vrome Er was dringend behoefte aan hervor­mingen.
Verbeteringen kwamen er pas nadat de grote keizer Hendrik III zich ermee was gaan bemoeien.
De keizers hadden vage, maar erkende rechten, wanneer bij pauselijke verkiezingen beslissingen genomen moesten worden. Gregorius VI was een man, maar hij had voor het verwerven van de pauselijke zetel duidelijk een aardig bedrag neergeteld. Hendrik III gaf in 1046 het bevel om hem te onttronen. De keizer installeerde vervolgens een viermanschap, dat een begin moest maken met de hervormingen in de kerk. De belangrijkste van hen was Leo de IX (1049-1054). Hij koos nieuwe kardinalen en bracht Hildebrand, die nog maar aartsdiaken was, binnen het pauselijke bestuur. Leo hield jaarlijkse vergade­ringen in Rome. Daar werden besluiten uitgevaar­digd, die door provinciale synoden werden be­krachtigd en uitgevoerd. Hij probeerde ook de invloed van Rome uit te breiden tot Zuid-Italië. Daar hadden Normandische avonturiers nieuwe staten gesticht, in gebieden die eens het bezit van Constantinopel waren geweest. In 1059 sloot paus Nicolaas II met de Normandiërs een overeenkomst. In ruil voor militaire be­scherming schonk hij de Normandiërs de gebie­den die ze ingenomen hadden, gebieden die vol­gens de feodale wet aan het rijk toekwamen. Op aanraden van Hildebrand voerde paus Nico­laas II ook een nieuw systeem in bij de pauselijke verkiezingen. De paus werd gekozen door het col­lege van kardinalen. De politici van Rome werden uitgesloten en er kwam een einde aan de rol van de keizer als scheidsrechter. Binnen tien jaar hadden de pausen hun keizerlijke beschermers terzijde geschoven.
Maar de hervormingsbeweging had zijn vijanden. Hendrik III stierf in 1056. Daardoor kregen de pausen in Italië de handen vrij, maar ze verloren veel belangrijke steun in Duitsland. Paus Alexander II (1061-1073) probeerde hervormingen te bereiken door de diplomatieke weg te bewandelen. Hildebrand ergerde zich daaraan. Toen de oude paus stierf, werd Hildebrand door het Romeinse volk tot paus uitgeroepen. Hij werd door het conclaaf inderdaad gekozen. Het systeem van de vergaderingen in Rome en de provinciale synodes werd weer in ere hersteld. Er werden duidelijker besluiten uitgevaardigd tegen misstanden, zoals het negeren van het celibaat. In 1075 dreigde Gregorius met de kerkelijke ban voor elke leek, die een priester de tekenen van zijn ambt zou verschaffen. Hiermee tergde hij de Duitse koning.
De bisschoppen speelden een belangrijke rol in de regering. Ook waren ze vaak grootgrondbezitters. Bij hun inwijding ontvingen ze een ring en een staf van de keizer, als symbool van hun trouw. De 25 jaar oude Hendrik IV hoopte, dat hij Italië weer onder Duits bestuur kon brengen. Hij installeerde een nieuwe aartsbisschop van Milaan. De paus dreigde hem in de ban te zullen doen. In antwoord op dat dreigement riep Hendrik IV de Synode van Worms bijeen. Daar werd besloten dat Gregorius ‘niet langer paus was’. Gregorius deed Hendrik in de ban en verklaarde, dat hij was onttroond en dat Hendriks onderdanen niet langer tot gehoorzaamheid verplicht ware. Duitse opstandelingen vroegen de paus een nieuwe koning te kiezen.
In januari vertrok de paus naar het noorden.
Hij rustte onderweg uit in Canossa. Hendrik kwam daar naar hem toe als boeteling. Gregorius besefte, dat wanneer hij de koning vergiffenis zou schenken, hij daarmee zijn politieke positie in Duitsland zou verzwakken. Hij zag ook in, dat hij geen verraad kon plegen ten opzichte van zijn her­derlijke plicht om boetelingen genade te schen­ken. Hij hief daarom de ban op en Hendrik IV keerde naar Duitsland terug om de rebellen te bestrijden. Gregorius gaf het bevel dat beide par­tijen hem als scheidsrechter moesten aanvaarden. Toen Hendrik dat weigerde, werd hij weer in de ban gedaan en onttroond. Hendrik wees de aarts­bisschop van Ravenna aan als paus Clemens III. Drie jaar later rukte Hendrik III met zijn leger op naar Rome. Hij installeerde Clemens in de Sint Pieterskerk. De nieuwe paus kroonde hem tot kei­zer. Gregorius vluchtte naar het kasteel van St. Angelo. Hij was diep vernederd en riep de hulp in van de Normandische leider Robert Guiscard. Het leger van de Normandiërs redde de paus. Rome werd op een verschrikkelijke manier geplunderd. De Romeinen, die hun paus lang trouw waren gebleven, keerden zich tegen hem. Gregorius werd gedwongen samen met zijn Normandische ‘beschermers’ te vertrekken. Hij stierf nog hetzelfde jaar. Op zijn sterfbed sprak hij de woorden: ‘Ik heb de eerlijkheid liefgehad en de zonde gehaat… daarom sterf ik nu in balling­schap’

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

729-666

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-2)

.

 

OTTO I DE GROTE 912-973
.

Otto I werd door zijn tijdgenoten beschouwd als de grote voorvechter van een christelijk Europa. Hij was vanaf 936 koning van Duitsland en vanaf 962 keizer van het Westen. De staat die hij sticht­te, was twee eeuwen lang de grootste macht van het Europese vasteland. Zijn kroning tot keizer riep herinneringen op aan Karel de Grote. Het Heilige Roomse Rijk, dat door Otto werd gesticht, bleef tot 1806 bestaan.

Otto was de zoon van Hendrik, de hertog van Saksen. Dat was de noordoostelijke provincie van het Duitse Rijk, die grensde aan het gebied van de nog heidense Slaven. Hendrik werd in 919 tot koning van het Duitse Rijk gekozen. Hij legde de basis voor het succes van zijn zoon. Hij had een samenwerking tot stand gebracht tussen de andere grote Duitse hertogen van Frankenland, Lotha­ringen, Beieren en Zwaben. Hij kon daar alleen in slagen, door hun grote onafhankelijkheid te ver­zekeren. De eerste jaren van Otto’s koningschap werden gekenmerkt door vele opstanden. De jonge koning was al een geharde veldheer ge­worden tijdens de vele veldtochten van zijn vader tegen de Slaven. Hij had sterke zenuwen en was een geslepen politicus. Voor zijn vijanden kende hij geen genade. De hertog van Beieren werd ont­troond en verbannen, de hertog van Frankenland sneuvelde tijdens een veldslag. Hij verleende zijn aanvankelijk in ongenade gevallen broer gratie en schonk hem Beieren.
Aan de grenzen in het noordoosten voerden twee trouwe graven, Gero en Hermann Billung, gena­deloze oorlogen tegen de Slaven. Zelf wist Otto te bereiken dat Boleslav I van Bohemen zich moest overgeven.

In de vijftiger jaren van de 10e eeuw brak er een moeilijke tijd voor hem aan. Er was een opstand, waarbij zijn zoon uit het huwelijk met zijn overle­den eerste vrouw betrokken was. Gelijktijdig werd het zuiden van het Duitse Rijk geteisterd door het nomadenvolk van de Magyaren. Op 10 augustus 955 slaagde Otto erin hen te vernietigen. Dat was tijdens een lange en bloedige veldslag op het Lechfeld in de buurt van Augsburg. Zijn troe­pen riepen hem uit tot keizer en Europa eerde hen: als grote beschermer. De Magyaren trokken zich terug op de hoogvlakten van Hongarije. Maar alweer doemden er problemen op, ditmaal in het zuiden. In 951 had Adelaide, de koningin van Italië, hem om hulp gevraagd tegen de ambitieuze markies Berengar. Otto stuurde de herto­gen van Beieren en Zwaben om haar te helpen. Maar hij was bang dat er een nieuw machtsblok zou ontstaan en trok daarom uiteindelijk zelf tegen Berengar ten strijde. Hij trouwde met Adelaide en werd tot koning van Lombardije gekroond. Tien jaar daarna nam de macht van Berengar weer verontrustende vormen aan. Op ver­zoek van paus Johannes XII rukte Otto naar Rome op. Daar werd hij op 2 februari 962 tot kei­zer gekroond. Otto en de paus ondertekenden de Privilegium Ottonianum. Daarin werden de pau­selijke privileges vastgelegd en het gaf, naar Otto geloofde, de keizer bepaalde rechten in pauselijke aangelegenheden. Maar binnen een jaar smeedde de sluwe paus tegen de keizer een complot. Otto was woedend en zette hem af. Johannes was al paus sinds zijn zeventiende jaar en hij was berucht om zijn liederlijke levensstijl. Maar de Romeinen beschouwden het pausschap als iets waarover alleen zij konden beslissen. Ze kwamen meermalen in opstand en Otto was daardoor gedwongen een streng regime te hand­haven. Daarna marcheerde hij naar Zuid-Italië, dat een provincie was van het Byzantijnse keizer­rijk.
Otto was wijzer dan vele van zijn voorgangers. Hij kwam al snel tot het besef, dat zijn opmars een dure onderneming zou worden. Daarom be­gon hij de diplomatieke weg te bewandelen. In 972 werd zijn 16-jarige zoon Otto (de latere keizer Otto de Tweede) uitgehuwelijkt aan een Byzantijnse prinses. Met Pasen van het volgende jaar was de keizer voorzitter van een schitterende ver­gadering in Quedlinburg. Die werd bijgewoond door Boleslav II, koning van Bohemen en gezan­ten uit Kiev, Denemarken, Polen, het Hongarije van de Magyaren en Constantinopel. Otto was ooit door de Byzantijnse keizers be­schouwd als een landveroverende barbaar. Hij werd nu door hen erkend. De Slaven bedelden om zijn gunst. Hij vestigde in Maagdenburg de zetel van het Heilige Roomse Rijk. Hij verbreidde vandaaruit het christendom naar het oosten. In het Duitse rijk waren de bisschoppen de gewillige die­naren van de regering (velen hadden een familie­band met de keizer). In ruil voor gulle schenkin­gen bestuurden ze de kerk, maar erkenden steeds de hoogste macht van de keizer. De keizer was tot zijn dertigste analfabeet. Hij kende vrijwel niets van de Slavische en Romaanse talen. Toch had hij een staat opgebouwd, die reik­te van Rome tot aan de Baltische Zee en van de Rhône tot aan de Elbe. Hij had een paus afgezet en zijn eigen kandidaat aangesteld. Voor zijn tijd­genoten was het duidelijk, dat de toekomst van het Latijnse christendom in Duitse handen lag. Toch leidde deze keizerlijke droom tot onnodige avonturen op Italiaans grondgebied. Daardoor werd de aandacht van de Duitse leiders van belangrijker zaken afgeleid. Tijdens de regering van Hendrik IV veranderde de medewerking van de kerk in openlijke vijandschap. De spanningen binnen de zorgvuldig tot stand gebrachte burger­lijke en kerkelijke regering liepen zo hoog op, dat het systeem er bijna door werd vernietigd.

6e klas Otto 1Dit is waarschijnlijk een mythisch tafereel; Otto I gooit op Jutland een speer. volgens de overlevering zou de noordelijke grens van zijn rijk komen te liggen waar de speer neerkwam.

6e klas Otto 1  2Het rijk van Otto I. De grote kracht ervan was, de harmonie tussen de twee grote koninkrijken Italië en Duitsland.
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis
.

728-665

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (5-1)

.

 .

DUITSLAND, HET HEILIGE ROOMSE RIJK
.

De gekozen koning

Met de dood van Lodewijk het Kind in 911, de laatste telg uit het geslacht van de Karolingers, dreigde het Duit­se rijk geheel uiteen te vallen. Om verdere versnippering te voorkomen, werd besloten om voortaan bij de dood van een koning het rijk niet meer onder zijn zoons te verdelen. De zoons zouden onder elkaar één op­volger kiezen, die koning werd. De eerste op deze manier gekozen Duitse koning was Koenraad van Frankenland (911 – 919). Tijdens zijn regering kregen de Duitsers te kam­pen met invallen van woeste stammen uit het oosten. Eenheid en gezamen­lijk optreden waren hard nodig om de vijanden te kunnen weerstaan. Maar Koenraad I was geen krachtige figuur en hij wist die eenheid niet te bereiken. In zijn rijk heersten wan­orde en verdeeldheid, omdat vele hertogen – allemaal van koninklijke afkomst – dongen naar de positie van koning. In plaats van zich in te zetten voor de eenheid van het rijk, sticht­ten de hertogen aparte rijkjes. Van het bestuur van de koning trokken ze zich maar weinig aan.

De keizerskroon als ideaal

Op zijn sterfbed in 919 benoemde Koenraad I een van zijn grootste tegenstanders, maar tevens de be­kwaamste, tot zijn opvolger. Het was Hendrik I. Toen Hendrik het bericht ontving van zijn benoeming tot koning van Duitsland, was hij juist op de valkenjacht. Jagen met valken was de grote liefhebberij van deze koning. Daarom ging hij de geschie­denis in als Hendrik de Vogelaar. Zijn zoon Otto de Grote volgde hem in 936 op. Otto bestreed met veel succes de invallende Hongaren, Slaven en Vikingen. Hij wist zelfs zijn rijk met grote delen van Italië uit te breiden. Otto’s grote ideaal was, net als zijn grote voorganger Karel de Grote de keizerskroon te mogen dragen. Handig gebruik makend van de hulp die de paus hem eens vroeg, wist hij dit ideaal te verwezenlijken. Zijn kleinzoon Otto III, die regeerde van 983 tot 1002, had nog grotere idealen. Hij probeerde in het grote Duitse rijk de glorie van het oude Romeinse rijk te laten herleven. Daarom bemoeide hij zich vooral met de Italiaanse rijksdelen. Hij bracht er met behulp van zijn Duitse ambtenaren orde en rust. Zo kwam er een einde aan een lange periode van wanorde in het oude moederland van de Romeinen.

Otto III herstelde ook de positie van de paus, die in de 10e eeuw een man zonder gezag was geworden. Hij bezorgde het hoofd van de katholieke kerk zelfs veel wereldlijke macht. Het zou latere Duitse keizers voor grote problemen stellen. De voortdurende strijd tussen de keizer van Duitsland en de paus van Rome zou als een rode draad door de geschiedenis van het middeleeuwse Duitsland lopen…

Frederik Barbarossa

Ondanks verwoede pogingen van de elkaar opvolgende Duitse vorsten, bleef het herstel van de koninklijke macht een visioen. Soms waren er lange of kortere periodes waarin het leek dat er eindelijk één sterk Duits­land was ontstaan. Maar dan volgde weer een tijd waarin de hertogen meer tegen elkaar vochten, dan ge­zamenlijk tegen een gemeenschap­pelijke vijand. Zo volgden de keizers elkaar op.

In het jaar 1152 was van eenheid binnen de Duitse rijksgrenzen geen sprake. Heerszuchtige hertogen voerden voortdurend oorlog met elkaar. Het volk betaalde de prijs van de ellende en leed onder plundering en brandstichting. In dat jaar kwam de toen 30-jarige Frederik I op de Duitse troon. Om zijn vurig rode baard noemden zijn Italiaanse onderdanen hem Frederik Barbarossa (Roodbaard).

Het Heilige Roomse Rijk

Frederik Barbarossa wist de hertogen tot meer eendracht te bewegen. In zijn eigen hertogdom Zwaben ver­stevigde hij zijn macht en hij kwam zoveel mogelijk tegemoet aan vele eisen van zijn hertogelijke leenman­nen. Daar stond tegenover dat ze hem als de leider van het Duitse rijk aanvaardden. Zelfs in het altijd oproerige Italië, dat door de hoge Alpen van de rest van het Duitse rijk werd gescheiden, stelde Frederik Barbarossa orde op zaken. Dit be­tekende voornamelijk, dat de paus als wereldlijk heerser de nodige veren moest laten.

Keizer Frederik I, uit het geslacht van de Hohenstaufen. wordt beschouwd als de stichter van wat genoemd wordt het ‘Heilige Roomse Rijk’. Met ‘Heilig’ wordt bedoeld, dat het rijk beschouwd kon worden als de vaandeldrager van het christendom in Europa. Met ‘Rooms’ wordt be­doeld dat de stad Rome als het middelpunt van het rijk werd be­schouwd. Overigens doet de naam ‘Heilige Roomse Rijk’ niet ver­moeden, dat de verhouding tussen keizer en paus in dit rijk bepaald slecht was.

Tot 1268 de Hohenstaufen

De opvolgers van Frederik Barbaros­sa bouwden het Duitse rijk nog verder uit. Ze beschouwden echter niet langer Duitsland als hoofdland, maar het beschaafder Italië. Ze be­stuurden een machtig rijk, waarin kunsten en wetenschappen bloeiden en op een hoog peil kwamen te staan. De strijd tussen keizer en paus bereikte tijdens de regeringsperiode van Frederik II (1218 – 1250) opnieuw een hoogtepunt. ‘Moge de hemel jubelen en de aarde zich verheugen,’ schreef de paus bij de dood van de keizer in 1250. De paus was toen naar Frankrijk gevlucht, omdat hij Rome na een verloren veldtocht tegen Frederik II had moeten verlaten. Ook de nazaten van Frederik II werden door de elkaar opvolgende pausen steeds fel belaagd. Koenraad IV stierf al in 1254. Zijn opvolger Manfred sneuvelde in 1266. De 15-jarige Konradijn kwam toen op de troon. Hem was geen lange regerings­periode beschoren, noch een lang leven. Nog geen twee jaar later werd Konradijn door een aanhanger van de paus gevangengenomen en ont­hoofd. Met de dood van deze laatste Hohenstauf kwam er een einde aan het Heilige Roomse Rijk.

De legende van Barbarossa

Keizer Frederik Barbarossa, de grondlegger van het Heilige Roomse Rijk, stierf tijdens een kruistocht. Toen hij in Klein-Azië op 10 juni 1190 de rivier Calycadnus wilde oversteken, werd hij door de stroom meegesleurd en verdronk hij jammer­lijk. De plotselinge dood van hun keizer stelde het geloof van de Duitse kruisridders danig op de proef. De meesten keerden geschokt naar huis terug.
In Duitsland ontstond de legende dat de geliefde keizer helemaal niet dood was (men had zijn lijk nooit terug­gevonden). Hij zou zich hebben teruggetrokken in het binnenste van de Kyffhäuserberg in het Duitse Thüringen. Zelfs in onze 20e eeuw zou hij daar nog steeds peinzend aan een grote stenen tafel zitten. Zijn rode baard groeit en groeit. Pas als de stenen tafel geheel door de baard is omwikkeld, zal de keizer definitief uit zijn mijmeringen ontwaken. Hoog rond de spitsen van de berg cirkelen zwarte raven. Zodra deze grote zwarte vogels door adelaars worden verjaagd, zal de keizer zijn onderaardse burcht verlaten. Slechts zelden is het stervelingen gelukt tot de oude keizer door te dringen. De keizer ontwaakte dan en vroeg of de raven nog steeds rond de berg vlogen. Als dit bevestigend werd beantwoord zuchtte de keizer diep en zei: ‘Het zal nog eeuwen duren voor ik weer onder mijn volk mag verschijnen. Mijn vermoeide ziel slaapt weer in. Ik heb nog honderden jaren de tijd…’

Hoe Duitsland weer een keizer kreeg

De vergevensgezinde Otto de Grote

Keizer Otto I, die als Otto de Grote de geschiedenis zou ingaan, liet zich in 936 de koningskroon op het hoofd drukken door de aartsbisschop van Mainz. Het levensdoel van Otto I was, keizer te worden over een machtig rijk, zoals vroeger Karel de Grote. Net als zijn grote voorbeeld was hij vergevensgezind tegenover ieder die hem te na kwam. Maar hij was ook mateloos eerzuchtig en vaak driftig in zijn optreden. Dikwijls nam hij be­slissingen zonder er eerst goed over na te denken. Dit leverde hem vele vijanden binnen zijn rijksgrenzen op. Nauwelijks was Otto I koning ge­worden, of een aantal hertogen kwam tegen hem in opstand. Zijn broer Hendrik, die liever zelf tot koning was gekozen, steunde de opstandelingen. Maar uiteindelijk moest Hendrik het onderspit delven. De koning vergaf zijn broer het verraad en benoemde hem zelfs tot hertog van Lotharingen, een wel­varend deel van het rijk. Maar twee jaar later nam de ondank­bare Hendrik opnieuw deel aan een samenzwering, toen tegen het leven van zijn broer. De plannen om de koning te vermoorden mislukten en Hendrik werd samen met zijn kor­nuiten opgepakt. Alle opstandelingen werden ter dood gebracht. Maar Hendrik werd voor de tweede maal door zijn broer gespaard. Na een gevangenschap van zes lange jaren werd Hendrik weer in genade aan­genomen. Als hertog van Beieren bleef hij verder trouw aan zijn broer.

De Hongaren verslagen

Het oostelijk deel van het rijk van Otto de Grote werd voortdurend aangevallen door woeste stammen, voornamelijk heidense Slaven en Hongaren. In de slag bij Lechfeld (955) wist hij de Hongaren definitief te verslaan.

Slimme zet met de bisschoppen

Koning Otto de Grote begon genoeg te krijgen van de opstanden van de hertogen, waarmee zijn voorgangers ook al het nodige te stellen hadden gehad. Hij bedacht een slim plan. Als de op macht beluste hertogen zich dan niet wilden onderwerpen aan hem, de leenheer, dan zou hij gehoorzamer leenmannen aanstellen. Die gehoorzamer vazallen vond de koning in… de Duitse bisschoppen. Op de bisschoppelijke belofte dat ze als leenman hun koning trouw zou­den zijn, begon Otto de kerkvorsten meer land te schenken dan ze reeds bezaten. De bisdommen kregen gra­felijke rechten. Dit betekende dat de bisschoppen voortaan zelf in hun steeds groter wordende gebieden de rechtspraak mochten regelen en… belastingen mochten heffen. De bisschoppen hadden wel oren naar deze uitbreiding van hun macht. En Otto de Grote stelde tot zijn volle tevredenheid vast, dat de bisschop­pen bijzonder trouwe leenmannen waren: trouwer dan de hertogen! Een bijkomend voordeel was, dat de bisschoppen niet mochten trouwen, zodat ze hun leen niet erfelijk konden maken. De Duitse keizer kon dus steeds aan iemand die hem welgezind was een bisdom in leen geven.

Bisdommen te koop…

Door de maatregel van Otto de Grote waren de Duitse bisschoppen voort­aan niet alleen verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de gelovi­gen, maar ook de wereldlijke bestuurders van hun machtige bisdom­men. Want de slimme Otto be­noemde de bisschoppen vanzelf­sprekend niet meer om hun kwaliteit als geestelijken, maar om hun ge­schiktheid als heersers en hun trouw als leenmannen.
Otto paste op grote schaal vriendjes­politiek toe. Hij zette een van zijn broers op de aartsbisschoppelijke zetel van Keulen. Een van Otto’s zonen werd aartsbisschop van Mainz en een oom bracht het tot aartsbis­schop van Trier.
Anderen kregen de hoge kerkelijke positie, als zij Otto I geldelijke steun gaven. Otto bood bisdommen te koop aan!

Otto de Grote tot keizer gekroond

Otto’s hoogste levensdoel was het inruilen van zijn ‘eenvoudige’ koningskroon voor de begeerde kei­zerskroon. Hij deed een poging hier­toe, toen hij in 950 aanspraken kon laten gelden op de Italiaanse troon. Een verre nazaat van Karel de Grote overleed als koning van Italië. De macht werd daarop overgenomen door een leenman, die de weduwe van de koning gevangen zette. Otto de Grote verzamelde zijn legers en trok in 951 over de Alpen naar Italië. Hij versloeg het leger van de tiran­nieke leenman en bevrijdde de koningin. Toen hij met haar trouwde, werd hij uitgeroepen tot koning van Italië.

Otto de Grote bezat toen een rijk van de Oostzee in het noorden tot de Middellandse Zee in het zuiden. Naar hij zelf vond, was dat rijk groot genoeg voor een keizer in plaats van een koning. Maar de paus weigerde Otto tot keizer te kronen. Otto had geen tijd om de paus tot andere gedachten te brengen. Hij moest met zijn leger naar Duitsland terug, om zich met de strijd tegen de Hongaren te bemoeien. In 961 trok Otto de Grote voor de tweede maal over de Alpen zuidwaarts. Die keer was hij door de paus te hulp geroe­pen. Otto smeedde het goud voor de keizerskroon toen het heet was en stelde de paus zijn voorwaarden. Op 2 februari 962 kroonde de paus hem tot keizer van het Duitse rijk. Daarna werd het gebruikelijk dat de gekozen Duitse koning door de paus tot keizer werd gekroond, maar dat gebeurde niet altijd.

Ruzie om de Duitse bisschoppen

‘Naar Canossa gaan wij niet!’

Op 14 mei 1872, riep de Duitse staatsman Bismarck in de Rijksdag, het Duitse parlement, uit: ‘Nach Canossa gehen wir nicht!’ Hij had op dat ogenblik ernstige problemen en het zag ernaar uit, dat hij een zware politieke nederlaag zou moeten lij­den. Maar Bismarck wilde zich in geen geval onderdanig in het stof wentelen en zich ten aanschouwen van de wereld laten vernederen. Vandaar zijn uitroep: ‘Naar Canossa gaan wij niet!’

De Duitse kanselier doelde daarmee op de vernedering, die de Duitse koning Hendrik IV (1056 – 1106) acht eeuwen eerder had moeten onder­gaan tegenover paus Gregorius VII op het Italiaanse kasteel van Canossa. Deze gebeurtenis in Canossa heeft op de mensheid door de eeuwen heen een grote indruk achtergelaten.

De investituur-strijd

De strijd tussen de Duitse koning en de paus van Rome vormde het hoogtepunt in de strijd rond de ‘investituur’: het recht tot benoeming van de bisschoppen. Keizer Otto de Grote was al omstreeks 950 begonnen met het benoemen van de bisschop­pen, om zuiver politieke redenen. Hij had de bisdommen grafelijke rechten gegeven, waardoor de bisschoppen grote delen van het Duitse rijk bestuurden als wereldlijke heren. Dat die bisschoppen vaak onaanvaard­baar waren voor de kerk, kon zowel Otto de Grote als zijn opvolgers weinig schelen. De bisschoppen waren trouwe leenmannen en zorgden voor voldoende belastingopbrengst. Maar al gauw kwam het voor, dat iemand die bisschop wilde worden, de Duitse vorst een grote som geld aanbood.
De vorst nam dan de vrijheid zich te laten omkopen…
Vele Duitse bisschoppen hielden zich niet aan hun celibaatsverplichting. wat betekende dat ze er vaak vrou­wen en kinderen op na hielden. Een strijd tussen kerk en vorst over deze kwestie kon niet uitblijven. Van het begin af had de paus zich tegen deze misstand verzet. Maar hij kon in Duitsland maar weinig uitrichten, omdat de regerende vorsten gewoonlijk over voldoende machtsmiddelen beschikten om de paus te weerstaan.

Gregorius VII nam maatregelen

In 1073 werd de pauselijke troon bezet door Gregorius VII. Hij was een krachtige en intelligente monnik. Hij nam zich voor zijn kerk volledig onafhankelijk te maken van welke wereldlijke heerser ook. Elke be­moeienis van niet-geestelijken, zoals van de Duitse vorst, wees hij beslist van de hand. De paus was zelfs van mening, dat de minste priester nog belangrijker was dan de machtigste koning. De paus verklaarde ook waarom hij dit vond: ‘Een priester kan iemand op zijn sterfbed nog de eeuwige zaligheid bezorgen. Een leek kan dit nooit, hoe hoog zijn maatschappe­lijke positie ook is.’ Maar de Duitse koning trok zich van de paus niets aan en hij ging zijn eigen gang. Aanvankelijk wist de paus niet welke maatregelen hij moest nemen. Pas toen Hendrik IV in 1076 door een opstand in zijn rijk in moeilijkheden kwam, greep de paus zijn kans. Hij wees de Duitse bisschoppen op hun celibaats­verplichtingen en verbood de Duitse vorst om nog langer bisschoppen te benoemen. Elke bisschop, die het met dit pauselijk bevel niet eens was, werd onmiddellijk in de ban gedaan!

Hendrik IV in de ban

De openlijke uitbrander van de paus wekte bij Hendrik IV wrevel op. Woedend riep hij zijn Duitse bis­schoppen bijeen. Met hen nam hij de beslissing, die ‘valse monnik’ in Rome te verzoeken de pauselijke stoel te  verlaten. Prompt sprak Gregorius VII de banvloek uit over de drieste Hendrik.

Drie dagen en drie nachten

De macht van de paus was zó groot geworden, dat Hendrik IV door die banvloek zijn troon in gevaar zag komen. Er zat niets anders op dan te proberen de paus tot andere gedach­ten te brengen. Hij besloot de paus te smeken de ban op te heffen. Volgens de overlevering liet de paus de Duitse koning drie dagen en drie nachten in vorst en sneeuw voor de slotpoort van de burcht te Canossa staan. Toen pas was de heilige vader voldoende overtuigd van de geloof­waardigheid van de boetedoening van Hendrik IV. Hij hief de banvloek op.

In het tuinhuis

Ondanks de geweldige vernedering die Hendrik IV voor de ogen van zijn volk en de wereld moest ondergaan, verloor de koning niet zijn aanzien. Zijn tijdgenoten beschouwden het als een normale en eervolle zaak, dat de vorst boete deed om van zijn ban­vloek af te komen. Dat hij daarvoor drie etmalen op zijn blote voeten in de sneeuw moest blijven staan, werd door velen niet echt geloofd. Dit ongeloof is waarschijnlijk terecht geweest. Het verhaal werd zo goed als zeker in de wereld gebracht om de paus gunstig te stemmen. Ook staat vrijwel vast, dat Hendrik IV in het behaaglijke tuinhuis van het kasteel verbleef. Intussen onderhandelden zijn raadsheren met die van de paus over de voorwaarden die tot ophef­fing van de banvloek zouden moeten leiden. Uiteindelijk werden de paus en de koning het met elkaar eens.

Opnieuw naar Canossa

De gang naar Canossa maakte aan de banvloek een einde. Voor het ogen­blik had de paus gewonnen, maar de misstanden waren daarmee zeker niet verdwenen. De Duitse koning bleef zich heimelijk tegen de paus verzetten.
Toen Gregorius VII genoeg kreeg van Hendriks onwil, deed hij hem in 1180 opnieuw in de ban. Die keer miste het uitspreken van de banvloek de ge­wenste uitwerking. Het lag er voor iedereen te dik bovenop, dat de paus de Duitse vorst uitsluitend om poli­tieke redenen uit de kerk had gezet. Hendrik IV zelf reageerde laconiek op de tweede pauselijke banvloek, die over zijn hoofd was gekomen. Hij trok met een leger naar Italië. In 1084 veroverde hij Rome en zette de lastige paus af. Een van Hendriks Italiaanse leenmannen werd op aandringen van de Duitse koning tot paus gekozen. De eerste daad van de nieuwe paus, die zich Clemens III noemde, was het kronen van Hendrik IV tot keizer…

Het Concordaat van Worms

Op 23 september 1122 verklaarde de volgende vorst, Hendrik V, dat hij verder afzag van bemoeienissen met kerkelijke zaken. De benoeming van geestelijken op belangrijke posten werd voortaan uitsluitend overge­laten aan de kerk. Deze koninklijke beslissing wordt het ‘Concordaat van Worms’ genoemd. Maar toch bleef de Duitse vorst enige invloed uit­oefenen op de bisschopsbenoemin­gen. Want als de geestelijken het over een benoeming niet eens konden worden, had de koning het recht om zelf te beslissen. Toch kan worden gesteld, dat met het Concordaat van Worms een einde kwam aan de lange investituurstrijd.

Een geleerde op de keizerstroon

Opgevoed door de paus

Op tweede kerstdag 1194 werd in het Zuid-Italiaanse stadje Jesi de zoon geboren van de Duitse keizer Hendrik VI. Hendrik VI was op 20-jarige leeftijd getrouwd met de 10 jaar oudere Constanza, een Normandische prinses uit Sicilië. Na negen kinderloze jaren was er einde­lijk een zoon gekomen, die aanvan­kelijk de naam van Konstantijn kreeg. Pas later zou de jonge prins de naam aannemen van zijn beroemde grootvader: Frederik. In 1196, toen Frederik 2 jaar oud was, werd hij al gekozen tot koning van Sicilië. Hendrik VI stierf toen zijn zoontje pas 3 jaar was. Moeder Constanza maakte van de dood van haar echtgenoot gebruik om de prins een Italiaanse opvoeding te geven. Wat haar betrof, zou haar zoon het rijksdeel ten noorden van de Alpen hebben opgegeven en zich uitsluitend hebben beziggehouden met Italië. Toen de kleine Frederik 4 jaar oud was, liet zijn moeder hem tot koning van Sicilië kronen. Enige maanden later stierf Constanza. Op haar sterf­bed vertrouwde ze haar zoon toe aan de zorgen van de kerk en de paus.

Buitengewoon goed verstand

Frederik beschikte over een buiten­gewoon goed verstand en hij was bijzonder leergierig. Hij studeerde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Zelfs de moeilijkste leerstof nam hij snel in zich op. Als kind leerde hij Frans, Duits, Italiaans, Latijn, Grieks en Arabisch. Hierdoor kon hij zich met al zijn onderdanen in hun eigen taal onderhouden.
De knapste Italiaanse professoren werden uitgezocht als leermeesters van de veelbelovende jongeman. Ze verbaasden zich keer op keer over de geweldige intelligentie van de prins. Frederik rijpte al snel tot een man, die begreep dat hij alleen op zichzelf kon vertrouwen. Hij verachtte de meeste leden van zijn hofhouding, die steeds in zijn nabijheid te vinden waren om te proberen bij hem in de gunst te komen.

Grote aantrekkingskracht op vrouwen

De enige wezens die Frederik ver­trouwde, waren dieren. Zijn paarden, honden en vogels behandelde hij als vrienden. Ondanks de vele uren die hij besteedde aan studie, ontwikkelde hij zich tot een lichamelijk sterke man, die uitblonk in paardrijden, schermen en boogschieten. Hij was een hartstochtelijk jager, die zowel met de speer en met pijl en boog, als met valken jaagde. Niet alleen door zijn hoge afkomst, maar ook door zijn krachtige ver­schijning oefende Frederik grote aan­trekkingskracht uit op vrouwen. Hij trouwde verschillende malen en had talloze minnaressen. Reeds op 16-jarige leeftijd werd hij vader. Zijn oudste zoon Hendrik zou hem later het leven zuur maken. Hendrik sloot zich namelijk aan bij opstan­dige hertogen in het rijk van zijn vader. Frederik moest zijn zoon gevangen laten zetten. Na vele tien­tallen jaren als een vogel in een vergulde kooi gevangen te hebben gezeten, pleegde Hendrik zelfmoord. Frederik liet daarbij niets van zijn gevoelens blijken. Want behalve be­minnelijk voor zijn omgeving kon hij ook meedogenloos wreed en hard zijn voor wie zich tegen zijn gezag verzette.

Geleerde en jager

Keizer Frederik II regeerde zijn grote Duits-Italiaanse rijk vanuit zijn pa­leis in de Siciliaanse stad Palermo. Hij verzamelde een grote kring van dichters en geleerden om zich heen. Samen met kunstenaars en geleerden bracht hij de tijd door met studie en wijsgerige gesprekken. Op die manier droeg Frederik II belangrijk bij aan de wetenschappelijke ontwikkeling in die tijd. Frederik zelf met zijn bril­jante geest en grote kennis werd in heel Europa als een groot geleerde beschouwd.
Door zijn grote voorliefde voor de valkenjacht bestudeerde de keizer diepgaand het leven van de vogels. Al zijn kennis over vogels legde hij vast in zijn boek ‘Over de Kunst van het Jagen met Vogels’. Uit alle hem bekende streken liet hij zich valken toesturen en richtte die zelf af. Frederik was door de valkenjacht gegrepen. Hij kon zich niets mooiers voorstellen dan een valkenier, die tien vogels de vrijheid gaf om te jagen en ze allemaal te laten terug­keren met buit. De geheimzinnige macht die de vogels hiertoe dwong, boeide Frederik mateloos. Hij koes­terde grote verachting voor jagers, die hun prooi met vallen en netten vingen.

Soldaat en toernooiridder

De Duitse keizer Frederik II, de geleerde op de keizerstroon, was een gevreesd soldaat. Hij zag niet veel nut in het deelnemen aan riddertoernooien. Maar als hij zich in het strijdperk begaf, toonde hij zich een geducht tegenstander, die alle andere ridders in het stof liet bijten. In de vele oorlogen die hij als keizer moest voeren, gedroeg hij zich als een dapper strijder. Frederik II ontzag zich niet, in de voorste linies te vechten. Hij was goed geoefend en wist altijd heelhuids uit de strijd te komen.
Hij bezat een ongelooflijk uit­houdingsvermogen. Voor vele leden van zijn hofhouding, die tijdens de strijd of de jacht niet van zijn zijde mochten wijken, was dit een verschrikking.
Een geschiedschrijver vertelde, dat Frederik II nog twee jaar voor zijn dood 24 uren achtereen te paard kon zitten, zonder zichtbaar vermoeid te raken. Eerst was hij in alle vroegte op de valkenjacht gegaan, waarna hij ’s middags slag leverde tegen de Lombarden bij Parma. Hij verloor de strijd en reed in de nacht terug naar zijn verblijf in Cremona. Bij het ochtendgloren begon hij daar onmiddellijk met het hergroeperen van zijn verslagen troepen. Ook werd van Frederik II verteld, dat hij eens in volle wapenrusting te paard een rit maakte van 140 kilo­meter. Aan het einde van die lange tocht rustte hij niet uit, maar nam onmiddellijk de stad Vicenza in. De verdedigers van die stad waren volle­dig verrast, omdat ze niet konden geloven dat Frederik II en zijn leger zich zó snel konden verplaatsen. De barre tocht had twee dagen en twee nachten geduurd.

Een krijgslist

De intelligente Frederik II nam bij veldslagen en belegeringen van steden of burchten vaak zijn toevlucht tot listen. In 1237 veroverde hij de stad Cortenuova door te doen alsof hij met zijn legers de aftocht blies. Maar in werkelijkheid gingen de keizerlijke troepen in hinderlaag. De verraste vijanden liepen erin en werden bij duizenden gevangen gemaakt. Daar­op maakte Frederik II als een zege­vierend Romeins veldheer zijn in­tocht in de stad, met veel pracht en praal en de gevangenen in triomf met zich meevoerend.

Frederik op kruistocht

Hoewel keizer Frederik weinig zin had om een kruistocht naar het Heilige Land te ondernemen, kwam hij er toch niet onderuit. Tijdens zijn huwelijksplechtigheid in 1215 had hij de gelofte afgelegd dat hij Jeruzalem van de muzelmannen zou bevrijden en de opvolgers van paus Innocentius waren dat niet vergeten. Steeds weer wist Frederik de datum van vertrek uit te stellen. In 1219 was het bijna zover geweest, maar de keizer had de veldtocht afgelast. Toen hij in 1227 opnieuw de voorgenomen kruistocht niet liet door­gaan omdat in zijn leger de pest was uitgebroken, werd Frederik door de paus in de ban gedaan. Maar in zijn hart hoopte de paus, dat de Duitse keizer helemaal niet op kruistocht zou gaan. Want als Frederik niet vóór 1229 ten strijde zou trekken tegen de muzelmannen, dan mocht de paus het koninkrijk Sicilië bij zijn kerkelijke staat trekken. Dat was nu eenmaal zo afgesproken… Frederik II besloot toen eindelijk om toch maar te gaan en in 1228 vertrok hij naar Palestina. Zijn faam snelde de keizer vooruit. De muzelmannen hadden groot ontzag voor de mach­tige keizer. De geruchten wilden, dat hij met een onvoorstelbaar groot en goed bewapend leger zou verschijnen. Maar in werkelijkheid had Frederik II een bescheiden krijgsmacht van 1000 ruiters en 10.000 man voetvolk. De Duitse keizer durfde niet op de kracht van zijn leger te vertrouwen, ook al omdat de paus monniken met het leger had meegestuurd, die probeerden de manschappen tegen hun in de ban verkerende keizer op te zetten. Frederik II besloot dan ook om het niet op een veldslag met de muzelmannen te laten aankomen…

De diplomatieke gaven van de keizer

Frederik II vertrouwde liever op zijn diplomatieke gaven. En niet ten onrechte, want zonder enige strijd kreeg hij van de sultan van Jeruzalem gedaan, dat die de stad openstelde voor de christenen. Ook andere heilige plaatsen, zoals Nazareth en Bethlehem, waren voortaan vrij toe­gankelijk voor de Europeanen. Een keizer die in de ban was gedaan, had kans gezien bij de muzelmannen zijn zin te krijgen zonder bloed te laten vloeien!
Met de sultan van Jeruzalem, met wie de Duitse keizer de overeenkomst had gesloten, kreeg Frederik II een bijzonder vriendschappelijke ver­houding. Door zijn kennis van de Arabische taal won de keizer de harten van alle muzelmannen. Hij werd door zijn moslimvrienden de ‘sultan van de christenen’ genoemd en genoot onder hen een ongekende populariteit. De paus kon het succes van de Duitse keizer slecht zetten. Maar hij kon er niet onderuit de keizer in 1229 van de banvloek te ontheffen in ruil voor Sicilië.

Frederiks dierentuin

Frederik II had een zwak voor mooie en bijzondere dingen. Hij hield ervan met zijn vaak bijzonder kostbare bezittingen te pronken. Zijn hof­houding in Palermo leek dan ook sterk op die van een oosterse sultan. Terwijl hij baadde in weelde en overvloed, keken de arme Siciliaanse boeren hun ogen uit. Soms reed de keizer uit, gevolgd door een volledig dierenpark, met beesten die men nog nooit had gezien. De keizer bezat luipaarden, leeuwen, panters, apen, beren, vele verschil­lende honden, kleurrijke pauwen, uilen, adelaars, buizerds, papegaai­en, struisvogels en olifanten, waar­onder een witte. De stoet werd gesloten door een giraffe.

6e klas Frederik II

Een afbeelding van Frederik II aan het begin van het boek ‘Over het jagen met vogels’, dat bewaard wordt in de bibliotheek van het Vaticaan in Rome

Frederiks harem

De keizer hield er niet alleen talloze dieren op na. In zijn paleis bevond zich ook een groot aantal Saraceense meisjes, bewaakt door oosterse lijf­wachten. Volgens Frederik waren al die meisjes nodig om te zingen, te dansen en fijn handwerk te doen. Maar zijn hofhouding wist wel beter…
Tot de buitenissige hofhouding van de keizer behoorde voorts een mu­ziekkorps, bestaande uit gevangen­genomen Noord-Afrikaanse negers.

De dood van de keizer

In december 1250 werd Frederik II tijdens het beleg van Parma plotse­ling overvallen door dysenterie. Hij kreeg hevige koortsen en begreep dat zijn leven ten einde liep. Ten slotte stierf hij in de armen van zijn lievelingszoon Manfred. Volgens de legende zag een monnik, die aan zee in gebed was verzonken, op het ogenblik van diens sterven de keizer in volle wapenrusting en ge­volgd door 5.000 ruiters de vulkaan de Etna inrijden… Het volk kon en wilde niet geloven dat de geliefde keizer echt dood was. Nog tientallen jaren lang werden bedriegers die zich uitgaven voor de keizer, aanvankelijk geloofd.
Het lichaam van keizer Frederik II werd bijgezet in een enorme, donker­rode graftombe in de kathedraal van Palermo, naast het graf van zijn vader Hendrik VI en zijn moeder Constanza.

Slag bij Lechfeld

Vooral de sterke Hongaren, die het Otto’s vader Hendrik I al lastig hadden gemaakt, maakten het Duitse rijk onveilig. Otto besloot de Hongaren voor eens en voor altijd een lesje te geven. Met een legermacht van 100.000 man waren de plunderende Hongaren in 955 het rijke Beieren binnen gevallen. Otto de Grote verzamelde de legers van al zijn hertogen en wist samen met zijn broer Hendrik de Hongaarse horden bij Lechfeld te verslaan. De zegevierende Duitse soldaten waren zó geestdriftig over de knappe wijze waarop hun koninklijke aanvoerder de overmachtige vijand had weten te verslaan, dat ze nog op het slagveld een grote parade organiseerden. Bij de stad Augsburg, omringd door de duizenden lijken van gesneuvelde Hongaren krijgsbroeders, bejubelden ze hun gevierde koning. In alle landen van de christenheid werd Otto de Grote om dit wapenfeit als held geëerd Alle vorsten van Europa zonden gezantschappen naar het Duitse hof, om toch vooral op goede voet te komen met deze machtige vorst!

De geruchten over keizerin Constanza

Keizer Frederik II heeft in een van zijn geschriften het plaatsje Jesi zijn “Bethlehem’ genoemd. Zijn moeder, die hem daar ter wereld bracht, stelde hij op één lijn met de ‘Goddelijke Moeder’ die de Heiland baarde.
In werkelijkheid was de sfeer waarin hij werd boren weinig heilig. De onderdanen van Hendrik VI waren na het negen jaar lange onvruchtbare huwelijk van hun koning ervan overtuigd geraakt dat er geen opvolger meer zou worden geboren. Daar kwam nog bij. dat keizerin Constanza 10 jaar ouder was dan Hendrik VI en de veertig reeds naderde. Toen ze toch zwanger werd, deed het verhaal de ronde dat zij in haar slaap door de duivel was bevrucht….
Een ander verhaal wilde dat Frederik een zogenaamd ondergeschoven kind was, dat Constanza niet zelf ter wereld had gebracht. Toen Constanza dit ter ore kwam, wilde ze bewijzen,  dat ze wel degelijk de moeder was. Ze ging naar de markt en liet daar aan iedereen haar volle borsten zien, terwijl de jonge Frederik dronk. Daarmee was het gerucht ontzenuwd….

..

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

..

727-664

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-3/2)

.

Karel de Grote 742-814
.

‘Wanneer ik de bedoeling van de paus had gewe­ten, dan had ik nooit een voet in deze kerk gezet.‘
Volgens de overlevering deed Karel de Grote, koning der Franken, deze uitspraak na een Kerstmis in Rome in 800. Tijdens deze mis werd hij door de paus tot keizer van het Westen gekroond. Door Karels toedoen was de paus niet langer in de macht van de Byzantijnse keizers in het Oosten. Hij had de kerk van Rome onverbrekelijk met Europa verbonden.

De Franken hadden heel wat bereikt. Op het hoogtepunt van de Romeinse macht waren ze niet meer dan een barbaars volk. Ze leefden in het Rijndal, net buiten de grens van het Romeinse Rijk. Terwijl de macht van de Romeinse keizers afnam, breidden de Franken hun gebied uit. Clovis, de eerste koning van de Franken, versloeg de Romeinse legioenen bij Soissons. In 486 maakte hij een einde aan de Romeinse heerschappij over het grootste deel van Gallië. Clovis nam het christelijke geloof aan. Ook bekeerde hij zijn volk tot zijn nieuwe geloof. Hij legde de grondslag voor de dynastie van de Merovingers, die het rijk van de Franken meer dan 250 jaar zouden rege­ren. Aan het eind van die periode hadden de Me­rovingers alleen nog de koninklijke titel. De echte macht was in de verschillende gebieden van het rijk overgegaan in handen van hofmeiers. Een van hen was Karel Martel. Hij verdiende een blij­vende plaats in de geschiedenis door bij Tours de Arabieren te verslaan en hun opmars in Europa tot staan te brengen. Zijn zoon en opvolger Pippijn de Korte, onttroonde de Merovingers en riep zichzelf in 751 uit tot koning van de Franken. Hij kreeg daarvoor de toestemming van de paus, omdat die zijn steun nodig had in de strijd tegen de Longobarden, een ander barbaars volk dat gebieden in Italië bezet hield. Ze bedreigden het ge­bied van de kerkvorst. Pippijn stierf in 768. Zijn twee zoons, Karel en Karloman, erfden het rijk. Dit omvatte het grootste deel van het huidige Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Zwitser­land en Oostenrijk. Karel werd de enige heerser, omdat zijn broer in 771 overleed. Het werk van Pippijn werd door zijn zoon Karel voortgezet. Hij breidde zijn rijk uit met het koninkrijk Lombardije in Noord-Italië, Beieren en Saksen. Ook werd hij koning over de Avaren en Slaven.

De Franken ondernamen ook een poging om Spanje aan hun rijk toe te voegen. In 778 beleger­den ze Saragossa. Ze slaagden er niet in de stad in te nemen en trokken zich terug. Op de terugweg gingen ze dwars door de Pyreneeën. Daar werden ze aangevallen door de Basken. De legeraanvoer­der Roeland sneuvelde. Hij werd later onsterfelijk in het heldendicht het Roelandslied. Karel maakte zijn plannen voor de vele veldslagen en het in stand houden van zijn legers altijd alleen. Daarbij stond hij ook nog vaak aan het hoofd van zijn van zijn strijdmacht. Ook het bestuur over zijn immense rijk voerde hij vrijwel alleen uit. Karel beschikte in tegenstelling tot de Romeinse keizers niet over ambtenaren. Het rijk was niet in provincies onderverdeeld, er waren geen wegen en goede verbindingsmogelijkheden en er was geen algemene wetgeving. Het centrale bestuur was Karels hof. Dat bestond uit zijn familie en een kleine groep wereldlijke leiders. Alle gebieden behielden hun eigen wetten en werden bestuurd door een plaatselijke edelman en een bisschop. Ze kregen hun instructies van twee koninklijke boodschappers, een kerkelijke en een bestuurlijke. Ongeveer eens per jaar ontmoetten Karel en zijn hof de plaatselijke bestuurders in een algemene vergadering. Daar werden niet alleen de burgerlijke, maar ook de godsdienstige en militaire aangele­genheden besproken.

Hoewel het bekend is dat Karel ruwe manieren had en een slechte opleiding had gekregen, hongerde hij naar kennis. Hij liet geleerden uit alle delen van zijn rijk aan zijn hof in Aken wonen. Om het onderwijs in zijn rijk te stimuleren en de godsdienstbeoefening te verbeteren, stichtte hij scholen, in het bijzonder in de kloosters en kerken. Die inspanningen leidden tot de zogenaamde Karolingische Renaissance, die niet alle­en belangstelling voor scholing omvatte, maar ook nieuwe kunstvormen en een nieuwe architectuur.

Het rijk van Karel de Grote had een enorme omvang bereikt. Het bevatte ook een deel van het vroegere West-Romeinse Rijk. Daardoor werd het de rivaal van het Byzantijnse Rijk, dat in plaats van het Oost-Romeinse Rijk was gekomen.
Byzantium bezat nog een aantal gebieden in Italië, hoe­wel het grootste deel in handen van de barbaren was. Ook beweerden de Byzantijnen zeggenschap te hebben over de paus en de Kerkelijke Staat, Maar de pausen gaven de voorkeur aan de Fran­ken. Dat kwam omdat ze voor een deel werden beschouwd als betere beschermers en voor een deel omdat de Westerse Kerk een andere mening had over een aantal leerstellingen die door de orthodoxe bisschoppen waren aanvaard. In 799 vluchtte paus Leo III naar het hof van Karel de Grote om aan zijn vijanden te ontsnappen. Karel liet hem veilig naar Rome terugbrengen. Het jaar daarna kwam Karel zelf naar Rome. Daar werd hij met veel pracht en praal ontvangen. Tijdens de kerstmis werd hij door de paus tot keizer gekroond. Na een lange strijd werd hij in 812 door de Byzantijnen als keizer erkend. Ze gaven daarmee ook hun rechten op Rome en de paus op. Karels rijk bleef na zijn dood nog maar één generatie bestaan. Daarna versplinterde het in kleinere delen. Toch had het een diepgaande invloed op het Middeleeuwse en tegenwoordige Europa. Want Karel de Grote gaf de Europeanen een gemeenschappelijke erfenis, die was gebaseerd op Romeinse, christelijke en barbaarse grondvesten. Hij was de eerste, die binnen de regering de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten samenbracht. Hij zorgde voor een politieke traditie waardoor later Duitsland en Frankrijk zijn ontstaan.
.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

.

726-663
.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Nansen

.

DE REUS DIE MILJOENEN LEVENS REDDE
.

Buiten Noorwegen is Fridtjof Nansen bijna vergeten. Ten onrechte. Hij was een der reuzen van zijn tijd. Hij was een poolvorser wiens expeditie werd geprezen als “het grootste wapenfeit van de negentiende-eeuwse mens”. En in de twintigste eeuw verrichtte hij een der grootste daden van menslievendheid die de wereld ooit gekend heeft: door zijn inspanningen werden miljoenen als gevolg van de oorlog van huis en haard verdreven vluchtelingen gered en werden hele volkeren naar elders overgebracht. Toen hij in 1930 stierf werd van hem gezegd dat hij meer mensenlevens had gered en het bestaan voor meer mensen draaglijk had gemaakt dan enig ander in de geschiedenis.

Hij blonk zijn leven lang uit, zelfs in fysiek opzicht. Hij was 1 meter 88 lang, had blond haar en blauwe ogen, was zo sterk als een paard en deed denken aan een Viking-god uit de oudheid. Hij had een hartstocht voor de wildernis en voor de ongereptheid van eenzame plaatsen, en hij had een hekel aan steden — “waar de mensen net zo lang tegen elkaar aan wrijven tot zij stuk voor stuk ronde, gladde nummers zijn geworden.”

Zijn jeugd bracht hij door op een boerderij aan de rand van het prachtige Nordmarka-woud. Zijn vader, een welvarende advocaat uit Oslo, stond hem toe wekenlang alleen in dat woud rond te zwerven en de met bomen bedekte bergen daarachter te doorvorsen. Hij leerde dat het beter is weinig te verlangen dan veel te verdienen. Terwijl hij hier eindeloos dieren en planten verzamelde en classificeerde werd Fridtjofs interesse in de natuur­wetenschappen en in de exploratie van het onbekende gewekt – een speurzin die hem tot een groot zoöloog en oceanograaf zou maken. Later, toen hij in Bergen — de bakermat van de Noorse wereldscheepvaart — aan zijn doctoraal werkte, vernam hij dat er grote behoefte bestond aan nauwkeurige weervoorspellingen in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan. Deze wetenschap kon uitsluitend worden verkregen door het vrijwel ontoe­gankelijke binnenland van Groenland in kaart te brengen. Zo begon Nansens eerste grote avontuur.

Vanuit enkele eenvoudige Deense nederzettingen in de westelijke havens van Groenland hadden diverse expedities, waaronder een onder leiding van Peary, gepoogd de grote ijskap over te steken. Maar zij hadden allen moeten terugkeren nog voor zij halverwege waren. Er bevonden zich geen nederzettingen aan de oostzijde. Een verheven bergwand omrandde die kust en van deze muur gleden reusachtige gletsjers in het water. Kilometers in het rond was de zee een malende, ziedende nachtmerrie van heen en weer geslingerde ijsblokken. Ontoegankelijk, zeiden de experts. Nansen echter ontvouwde een stoutmoedig plan: hij zou Groen­land van oost naar west oversteken. In geval van een catastrofe zou er geen basis zijn om op terug te vallen, maar Nansen was vol vertrouwen. “Als wij weten dat wij niets achter ons hebben,” zei hij, “zijn wij wel gedwongen vooruit te gaan.”

Het voorstel kreeg veel publiciteit en werd vrijwel unaniem verworpen. Maar een Deense koopman werd overgehaald de expeditie te financieren en drie Noorse sportlieden benevens twee Laplandse gidsen boden aan om mee te gaan. Er volgde een perio­de van intensieve voorbereidingen. Nansen vond allerlei dingen uit en bouwde ze met eigen handen, zoals de Nansen-slede die van brede, buigzame lopers was voorzien om de schokken te ab­sorberen wanneer zij over ruw ijs werd voortgesleept. Hij trachtte alle denkbare gebeurlijkheden te voorzien en stelde eigenhandig elk onderdeel van zijn uitrusting in de winterse sneeuwbuien van Noorwegen op de proef.

In de zomer van 1888 bracht een robbenjagersvaartuig het gezelschap naar een punt in de nabijheid van de spookachtige oostkust van Groenland. Wekenlang hield het pakijs het schip 50 mijl van de kust. Maar op 17 juli opende het ijs zich en kon het schip zich tot negen mijl van de kust wurmen, waarna met twee roeiboten zes jonge avonturiers werden neergelaten. Zij hadden twaalf dagen nodig om de kust te bereiken! Soms vroren de boten vast in het drijfijs, soms werden zij zover meegevoerd dat de mannen het land uit het gezicht verloren. Vaak werden zij door golven besprongen en heftig op en neer geslingerd; er was dan weer een ijsberg met een gewicht van duizenden tonnen van de gletsjer afgebroken en in zee gestort. Toen zij zich eindelijk een weg naar het land hadden gebaand, roeiden zij meer dan twee weken langs de kust om een doorgang door de fantastisch verstrengelde bergen en ijsmassa’s te vinden. Eindelijk vonden zij een opening en begonnen zij zich langs de 1800 meter hoge bergwand omhoog te klauwen. Zes dagen later stonden zij op de top van de ijskap.
De zes mannen hadden zeer te lijden van de bittere koude en van sneeuwblindheid. Op een keer werden zij drie dagen in hun tent vastgehouden door een storm waar niemand tegenop kon. Hun baard en hun haren vroren vast aan hun parka’s van Eskimo-vachten, zodat zij soms moeite hadden hun mond open te krijgen. “Goeie hemel,” merkte een der mannen op, “en dan te bedenken dat er mensen zijn die zich vrijwillig aan zo’n verschrikking onderwerpen!”

Toch verliep alles in feite volgens Nansens zorgvuldig opgestelde plannen. Hij hees de zeilen van de skisleden en in zes weken be­reikten zij Godthaab aan de westelijke rand van Groenland.

Nansen keerde naar Noorwegen terug om de tijdens de expeditie verzamelde wetenschappelijke gegevens te publiceren. Op zijn 28e was hij beroemd en de held van de jeugd van alle landen. Maar zijn overwinning had “niets van het onverwachte” en weldra smeedde hij plannen voor een nieuw avontuur.

De noordpool was evenals de oceaan die zich honderden kilometers eromheen uitstrekte, bedekt met een omvangrijk ijsveld.
Alle noordpoolvorsers waren met hun schepen tot aan dit ijs gevaren en hadden vervolgens gepoogd te voet de pool te bereiken. Men meende dat het fataal zou zijn een schip door het ijs te laten insluiten en vastvriezen. Maar op een keer had Nansen bij Groenland vanaf het schip van een robbenjager een stuk drijfhout op een ijsschots waargenomen. Groenland had geen bomen; er moest dus een constante stroming bestaan die de gehele ijskap van Siberië naar Groenland voerde, waar zij in de warmere wateren in stukken uiteenviel. Als drijfhout over de Noordelijke IJszee kon reizen, waarom dan geen schip?

Nansens plan begon vaste vorm aan te nemen. Hij zou een schip vast laten lopen in het ijsveld ten noorden van de Siberische eilanden en het daar laten invriezen. Binnen drie à vijf jaren moest het dan bij Groenland weer te voorschijn komen. Met een beetje geluk zou het zich over de pool bewegen of er althans dicht langs gaan. Opnieuw trof hij zorgvuldig zijn voorbereidingen. Zijn vaartuig van 400 ton was van een nieuw ontwerp; de zware houten romp had een zodanige ronding dat het ijs het schip niet zou kunnen fijnknijpen, maar het omhoog zou duwen. Nansens vrouw Eva doopte het schip Fram, het Noorse woord voor “Voorwaarts”; terugkeer zou immers onmogelijk zijn.

In september 1893 stuitte de Fram met Nansen en twaalf uitge­lezen geleerden en zeelieden aan boord op het pakijs ten noordwesten van de Bering-Straat. Toen de ijsmassa’s het schip hadden ingesloten en het in de tang begonnen te nemen, wankelde en kreunde de Fram, maar geleidelijk rees het schip omhoog en kwam het tot rust op het ijs — zoals Nansen had gehoopt “als een bal op een presenteerblaadje”. De bemanning van het schip verdiepte zich in de zorgvuldig uitgekiende werkzaamheden: registratie van de temperatuur, het verrichten van dieptelodingen onder de ijsvloer en het verzamelen van monsters van de oceaanbodem. Aan het eind van het eerste jaar bleken zij 302 kilometer te zijn afgedreven. In dat tempo zou het hun bijna vier en een half jaar kosten om over de top van de wereld te reizen en Spitsbergen te bereiken — de noordelijkste buitenpost van Noorwegen.

Al vroeg in het tweedejaar werd het duidelijk dat de Fram de pool zou missen. Nansen maakte toebereidselen om het tweede deel van zijn plan ten uitvoer te leggen. Met een metgezel en drie hondensleden zou hij het schip verlaten en zo ver mogelijk naar het noorden doorstoten. Het tweetal zou het schip nooit meer kunnen terugvinden. Maar, zo meende Nansen, door kajaks op de sleden mee te nemen zouden zij zowel over ijs als in open water kunnen reizen en weer land kunnen bereiken. En zo verlieten hij en Hjalmar Johansen op 14 maart 1895 de Fram op 664 kilometer ten zuiden van de pool. Hun reis naar het noorden was een der zwaarste welke ooit door mensen is overleefd. Het poolijs was een eindeloze opeenvolging van troggen en ijskammen, alsof de zee plotseling was bevroren op het hoogtepunt van een woedende storm. De sleden en de honden over 6 meter hoge ijswallen te voe­ren was een worsteling die het uiterste van hun krachten vroeg. Op 8 april beklom Nansen de top van een ijsrichel en plantte er de vlag van Noorwegen. Hij deed een waarneming: 86 graden 14 minuten Noorderbreedte — 300 kilometer noordelijker dan enige poolvorser ooit was gekomen. De zomer was nu in aantocht en het ijs dreef sneller naar het zuiden af dan zij zich naar het noorden worstelden. En dus moesten zij terugkeren. Hun reis werd nu nog zwaarder. Zij werden doorweekt door smeltend ijs en sneeuwstormen en hun voorraad proviand slonk voortdurend. Op een keer geraakten hun kajaks met al hun uitrusting op drift zodat Nansen 180 meter door het ijskoude water moest zwemmen om ze te redden. Op een enkele na stierven alle achtentwintig honden aan uitputting. Zij deden er vier maanden over om de eilandengroep te bereiken die als Frans Jozefsland bekend staat — het eerste land dat zij in twee jaar onder de voeten kregen.

De ontdekkingsreizigers bereidden zich nu voor op hun derde poolwinter. Zij bouwden muren van steen en mos en een dak van drijfhout en walrushuiden. Om aan proviand te komen doodden zij negentien ijsberen. Als brandstof sloegen zij walrusspek op.
En toen sloot de poolnacht zich over hen. In latere jaren gaven de mannen in het openbaar slechts twee ongemakken toe die hen tijdens die negen maanden in de kleine hut hadden geplaagd. Johansens probleem was: “Elke keer als ik snurkte gaf hij mij een schop.” Nansens klacht: “Maar het hielp nooit.”

Toen de lente aanbrak gingen zij opnieuw op weg naar het zuiden. Buiten medeweten van Nansen had een Engelse expeditie, onder leiding van Frederick Jackson, Frans Jozefsland geëxploreerd en 150 kilometer verderop overwinterd. Op een dag zag de verblufte Jackson een morsige gestalte van achter een ijsheuvel opduiken en op hem toe rennen. “Goede hemel, wat ben ik blij u te zien,” stamelde hij ten laatste.
Met Jacksons schip bereikte het gezelschap in augustus 1896 Noorwegen. Een week daarna kwam de Fram de haven binnen; iedereen aan boord was gezond en wel.

Nansen werd verwelkomd als de grootste noordpoolvorser in de geschiedenis. Hij had zijn theorie van de polaire zeestroom bewezen; hij had het spits afgebeten van een nieuwe, efficiënte methode van poolonderzoek. Waar hij ook ging werd hij door juichende menigten begroet en gehuldigd. Maar het leven in de openbaar­heid drukte hem. Hij voelde dat “zijn ziel werd weggespoeld, vertreden door vreemde mensen, zodat een man gedwongen wordt zich te verschuilen om zichzelf terug te vinden.” Alleen in de natuur kon hij vrede vinden, en hij wenste nu met vrouw en kinderen in eenvoud te leven en naar zijn laboratorium terug te keren.

Maar zijn grootste avonturen had hij nog voor de boeg.

In 1905 maakte het opkomende nationalisme een einde aan de negentigjarige unie tussen Noorwegen en Zweden. Nansen werd leider van de Noorse afscheidingsbeweging. Zweden had 60 00o soldaten; Noorwegen slechts 4000. Het scheen een dwaas moment om zelfstandigheid te vragen, maar Nansen had een les uit zijn avonturen getrokken: “Er is altijd een manier om de dingen te doen die gedaan moeten worden.” Hij reisde naar Kopenhagen en naar Londen, sprak met hoofdredacteuren en politici en pro­duceerde met ongelooflijke energie artikelen en lezingen. In het buitenland wist men maar weinig van Noorwegen, maar Nansens naam opende alle deuren. Zijn stoere ernst en zijn heldere argu­menten leidden tot de tussenkomst van Denemarken en andere staten, en Zweden stemde toe in een vreedzame regeling.

De Eerste Wereldoorlog bracht Noorwegen in een gevaarlijke positie. De voor zijn voortbestaan noodzakelijke import- en exporthandel werd verstoord en de nationale economie bijna vernietigd. Nogmaals werd Nansen van zijn wetenschappelijke bezigheden weggeroepen. Hij reisde heen en weer tussen Washington, Londen en andere steden om geduldig de overeenkomsten uit te werken die Noorwegen voor verhongering moesten behoeden. Zelfs de vrede van Versailles bracht hem geen rust. Een der eerste problemen waarvoor de nieuwe Volkenbond zich gesteld zag was de repatriëring van de krijgsgevangenen. Maar Ruslands communistische regering wilde niet onderhandelen met de “vijandige” Volkenbond en trok zich weinig aan van de gevangenen die in Siberische kampen stierven, of zelfs van de Russen die in het buitenland werden vastgehouden. De Volkenbond deed wat Noorwegen al zo lang gewend was te doen: hij deed een beroep op Nansen.
Nansen begaf zich zonder verwijl naar Moskou. Tsjitsjerin, de volkscommissaris van Buitenlandse Zaken, weigerde hem te erkennen als vertegenwoordiger van de Volkenbond. Goed, zei Nansen, beschouw mij dan maar als de persoonlijke vertegenwoordiger van de betrokken landen. Er waren geen transportmogelijk heden voor gevangenen, zei Tsjitsjerin. Waarop Nansen hem een gedetailleerd plan voor hun transport voorlegde. Ten slotte gaven de Russen toe en werden er 427 000 gevangenen bevrijd. Volkenbondsexperts hadden berekend dat de repatriëring per gevangene meer dan 700 gulden zou vergen; Nansen deed het voor dertig.

Opnieuw trachtte hij terug te keren naar zijn arbeid als hoogleraar in de oceanografie aan de universiteit van Oslo. Maar opnieuw kwam er een politiek S.O.S. Anderhalf miljoen vluchtelingen voor de communistische revolutie werden her en der door Europa gestuurd en vluchtten van het ene land naar het andere. Als Hoge Commissaris voor het Vluchtelingenwezen van de Volkenbond zorgde Nansen ervoor dat de Witrussen zich konden vestigen in Frankrijk, Bulgarije, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Palestina en de Verenigde Staten. Om de ontwortelde mensen voor zichzelf te kunnen laten zorgen, zorgde hij voor baantjes, gereedschappen, zaden en nieuwe industrieën. De actie van de Volkenbond werd ten zeerste belemmerd door het feit dat de vluchtelingen als regel geen paspoorten hadden. Nansen loste dat probleem op door zelf paspoorten voor hen uit te schrijven die na verloop van tijd door 52 regeringen werden erkend. Dit Nansenpaspoort was niet van een nationaal embleem voorzien, doch van het  vastberaden profiel van Fridtjof Nansen.

Terwijl hij nog bezig was de Russische vluchtelingen te helpen werd er opnieuw een beroep op hem gedaan, ditmaal door de slachtoffers van de Grieks-Turkse oorlog. Een bij het vredesverdrag getroffen grensregeling bracht honderdduizenden Grieken en Armenen onder een hun niet welgezind Turks regime, hetgeen een lawine van vluchtelingen ontketende. Nansen zag in dat slechts  de overbrenging van de Grieken naar het Europese vasteland de basis voor een duurzame vrede zou kunnen leggen. Hij stelde de overdracht voor, en hij voerde haar ook uit. Na acht jaren van moeizaam onderhandelen vond een half miljoen Turken een tehuis in Klein-Azië en werden anderhalf miljoen Grieken in hun eigen vaderland aan land geholpen.

En toen kwam de verschrikkelijke Russische hongersnood van 1922. Dertig miljoen boeren aten boomschors, bladeren en zelfs gezouten mensenvlees. Er waren epidemieën in aantocht die een bedreiging voor geheel Europa vormden. Nansen was nu zestig, maar hij aarzelde niet. Toen de Volkenbond, die Rusland wantrouwde, hem fondsen weigerde, reisde hij door Europa en Amerika om door middel van lezingen zoveel mogelijk geld bijeen te brengen. Herbert Hoovers American Relief Administration redde het grootste deel van de slachtoffers, maar het was door Nansens persoonlijke inspanningen dat een miljoen mensen te eten kregen. Hij nam zelf de leiding over de keukens en assisteerde persoonlijk met de nederigste details van het koken en het opdienen van het voedsel. Miljoenen gezinnen in de gehele wereld zegenden hem voor het behoud van een dierbaar familielid.

Fridtjof Nansen was in Genève een vertrouwde, patriarchale figuur geworden. Als Noors gedelegeerde bij de Volkenbond toonde hij zich een nerveus maar oprecht spreker die voortdurend aandrong op hulpverlening aan Russen, Armeniërs en hier of daar gestrande Grieken. Hij was zulk een vurig voorvechter van de kleine naties dat de afgevaardigden elke september als de Assemblée bijeenkwam tegen elkaar fluisterden: “Laten wij hopen dat Nansen niet opnieuw een kleine natie heeft ontdekt.” In typerende Nansen-stijl gaf hij het geld weg dat hij in 1922 won met de Nobelprijs voor de Vrede. Een deel ervan bestemde hij voor de herplaatsing van Griekse vluchtelingen.

Nansen droomde reeds lang van een nieuwe ontdekkingstocht – misschien een zeppelinreis over de noordpool. Maar zijn heldhaftige inspanningen hadden hem uitgeput. Op een zonnige namiddag in mei 1930 zat hij voor zijn huis bij Oslo over het pijnbomenbos naar de bergen te turen. Plotseling boog hij het hoofd in zijn handen en was dood. Zijn grafschrift had hij zelf reeds uitgesproken in 1926 toen hij de studenten van de St. Andrewsuniversiteit in Schotland toesprak: “Laat mij u een geheim verklappen over de zogenaamde successen die ik in mijn leven behaald heb: ik heb altijd mijn schepen verbrand en de bruggen achter mij vernietigd. Dan is er geen andere keuze dan Voorwaarts!”

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

725-662

.

.

VRIJESCHOOL – Gymnastiek – (1-2)

.

Bea Hunfeld, vrijeschool Eindhoven, nadere gegevens onbekend)

.
OVER DE GRIEKSE VIJFKAMP EN DE BOTHMEROEFENINGEN
.

De Griekse vijfkamp had tot doel bij te dragen tot een harmonische ont­wikkeling van de mens die ze beoefende en je zou het als een oefenweg kunnen beschouwen. Er was dus geen sprake van jacht naar records. De spelen werden gehouden ter ere van de goden en de mens hoopte door beoefening ervan het contact met de goden levend te houden en de goede eigenschappen van de goden te kunnen verwerven. Want niemand die de speer beter richtte dan de oppergod Zeus en de discus probeerde men zo te wer­pen als de zonnegod Apollo.

Wat was en is nu nog de waarde van deze vijf oefeningen?

Door de loop probeerde men een evenwicht tussen zwaar en licht te ver­krijgen. De mens bevindt zich tussen hemel en aarde en het is goed als hij met twee voeten stevig op de grond staat zonder te veel aan de zwaar­te toe te geven, maar aan de andere kant zijn hoofd hoog draagt, zon­der zijn neus in de wolken te steken.
Dus licht en donker ofwel licht en zwaar of dat wat van boven komt en dat wat van beneden komt moet in harmonie met elkaar zijn. En de loop kan een hulpmiddel hiervoor zijn.
Sommigen van u hebben misschien zelf wel eens ervaren dat je na wat training (waardoor je ook een goede regeling van je ademhaling krijgt) het gevoel kunt krijgen: zoals ik nu loop zou ik het heel lang vol kunnen houden. Dan heb je een evenwicht bereikt.
En vanaf de puberteit kun je dat de jonge mensen in een duurloop laten ervaren, terwijl de loop op de kortere afstanden in alle klassen beoefend wordt.

Door de sprong wilde de Griek leren zijn impulsen te beheersen. Daarom had hij halters in zijn handen. Deze tamelijk zware gewichten zwaaide hij als hij op ’t hoogste punt van zijn sprong was, nog eens naar achteren om zichzelf daarmee nog wat verder te doen neerkomen. Men schijnt op deze manier vroeger erg ver gesprongen te hebben. Pogingen om deze techniek terug te brengen zijn mislukt, maar wel maakt onze hedendaagse verspringer in de lucht nog allerlei bewegingen om zijn afstand te vergroten.

En het springen in het algemeen, ook in de gymzaal met toestellen, is iets wat grote concentratie en beheersing vraagt.

Het derde onderdeel was het worstelen. Wie kan er goed worstelen? Niet alleen iemand die veel kracht bezit, maar iemand die behalve kracht ook een goed aanvoelingsvermogen heeft en bovendien zijn hoofd erbij houdt. Dus door het worstelen beoogde men een harmonisch samengaan van het denken, voelen en willen. Dit is een streven dat je niet alleen bij de gymnastiek terugvindt, maar als een rode draad door alle vakken van de vrijeschool loopt.

Het vierde onderdeel was het discuswerpen. Het is een daad van het
mid­dengebied. Wie ooit een discus geworpen heeft, herinnert zich misschien hoe belangrijk het moment van loslaten is. Het doel hiervan was en is: te leren iets zoveel van je zelf mee te geven, iets zo te sturen dat het zelfstandig een goede baan beschrijven kan. Als je een discus te veel of te weinig van jezelf meegeeft, wordt het een waardeloze worp. (Als ideale baan gold voor de Griek de baan van de zon, door Apollo be­werkstelligd).

Het discuswerpen als atletisch onderdeel doen we op de vrijeschool vooral in de 10e klas.

Het laatste en vooral voor deze tijd belangrijke onderdeel is het speerwerpen. 
In de tijd van de Grieken was de speerworp eigenlijk iets dat tot de vermogens van de Goden behoorde; nu is het iets dat wij moeten ontwikkelen.
Want waar heeft een speerworp mee te maken?
Met de kracht van het ik om een eigen doel te kiezen.
Het speerwerpen als atletisch onderdeel beoefenen we in de vrijeschool vooral in de 11e en 12e klas.

Toen Dr. Steiner in 1922 aan Graf von Bothmer vroeg om de gymnastiek voor de vrijeschool te ontwikkelen, is Bothmer uitgegaan van die men­selijke vermogens die de Griek zich door de vijfkamp eigen wilde maken. Bothmer beschouwde het als zijn taak om de mens, die een deel van de kosmos is, de krachten en de wetten van de kosmos te doen leren kennen.
Aan de loop (evenwicht tussen zwaar en licht) ontwikkelde hij die oefe­ningen die vooral in de onderbouw gedaan worden en in de oefeningen van de vijfde klas als spel tussen licht en zwaar “zijn meest duidelij­ke” uitwerking vinden.

De sprong (het beheersen van de impulsen) komt ook vooral in de onder­bouw in zijn kringspelen en later als ritmisch springen terug.
De waarde van het worstelen (evenwicht tussen denken, voelen en willen) laat hij al zijn oefeningen doordringen, maar treedt het duidelijkst in de bovenbouwoefeningen naar voren.
Hij doet dat in de vorm van de drie dimensies, die wij niet als abstracte richtingen beleven, maar als mens inhoud geven. Zo heeft het vlak dat het onder van het boven scheidt met ons voelen te maken, het vlak dat het links van het rechts scheidt met het denken, en het vlak dat het voor van het achter scheidt met het willen.

We kunnen ons hier allemaal wel iets bij denken, bijvoorbeeld wordt een stap naar voren toch als een wilsdaad gezien, omarm je iemand in het boven- ondervlak en hoort het wikken en wegen (handen die links en rechts op en neer gaan) toch tot het denken.

Van het discuswerpen (een beweging van het middengebied) leidt hij
ver­schillende oefeningen af, vooral voor de 10e klas.

Van het speerwerpen (vanuit het ik je doel kiezen) zijn eigenlijk alle oefeningen vanaf de 4e klas-, waarin het kind zich als individu tegen­over de wereld geplaatst voelt, tot en met de 12e klas doordrongen.

In de lagere klassen begin en eindig je altijd een oefening heel duide­lijk, met ik sta. (de ik—lijn wordt door de recht opstaande stand van onze wervelkolom mogelijk en is dus typisch menselijk). En in de bovenbouw krijg je bovendien dat alle oefeningen zeer doel­gericht zijn. In de 9e klas verlaat je de kringopstelling en is elke oefening een beweging naar een doel.

Ik ben mij ervan bewust dat dit allemaal theorie blijft als u de oe­feningen niet kent, maar misschien kunt u het volgende eens proberen: u gaat staan met uw armen zijwaarts, de handpalmen naar beneden gericht. Als u nu de handpalmen langzaam naar boven draait, kunt u misschien iets van het verschil tussen het zware en het lichte voelen.

Onze tijd geeft ons behalve de Griekse vijfkamp en de bothmeroefeningen ook nog het turnen en het spel en vele andere dingen als hulpmiddel tot de ontplooiing van onze kinderen. Hierover zal ik een andere keer schrijven.
..

Gymnastiek: alle artikelen

Spel (en sport): alle artikelen

Menskunde – en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.
724-661

.

.

VRIJESCHOOL – Gymnastiek – (1-1)

.

DE VIJFKAMP

.

Gevarieerde beweging als oefening
.
Sport is een belangrijke vorm van vrijetijdsbesteding. Heel wat mensen gaan wekelijks naar de sportvelden om actief sport te bedrijven. Sport kan meer zijn dan een vorm van ontspanning of het lenig maken van ‘vergeten’ spieren.

Michaëla Klinkenberg schreef over de Griekse vijfkamp. Een sportieve bezigheid die activerend kan werken op creatieve vermogens.

.

Michaëla Klinkenberg, Jonas 22, 25-06-1982

vijfkamp 1

In Jonas nummer 20* werd ingegaan op een vorm van sport, die al een aantal jaren een modeverschijnsel is: het hardlopen.
Ruim 2500 jaar geleden vormde dezelfde sport de basis van de grootse culturele bloei in het oude Griekenland. Maar het was niet de enige bewegingsdiscipline die bijdroeg tot deze bloei. Ik heb in het betreffende artikel beschreven hoe het hardlopen als bewegings­oefening bijzonder geschikt is om de creativiteit te activeren. Toch zal – voor degenen die dat niet al uit eigen ervaring kennen – uit de beschrijving ook zijn gebleken, dat we bij het hardlopen met een eenvoudige en daar­door beperkte, ja zelfs eenzijdige ontplooiing van onze mogelijkheden te maken hebben. Wij zijn tot een veel gevarieerdere beweging in staat en hebben daar zowel lichamelijk als psychisch behoefte aan.
Ook de gymnast in het oude Griekenland be­sefte dit. Van de verdere gymnastische oefe­ningen die door hem werden geleid, kreeg met name één oefening veel aandacht: het worstelen. Juist bij het worstelen hebben we met kwaliteiten te maken, die een tegenwicht vormen ten opzichte van het hardlopen. Ik zal daar later op terugkomen.
De Griekse gymnast ging echter nog verder. Door de andere oefeningen toe te voegen, springen, discus- en speerwerpen, verenigde hij het hardlopen en worstelen in een totaliteit van vijf disciplines, die tezamen alle mogelijkhe­den van de mens omvatten.
Zo ontstond een unieke reeks van elkaar aanvullende oefenin­gen die in onze huidige atletiek in deze samen­stelling niet meer voorkomt: de zogenaamde Griekse vijfkamp. Uniek, doordat hij vrijwel alle specialisatie in één richting uitsluit maar ook doordat hij in vijf grote stappen vorm­geeft aan een gezonde lichamelijke en gees­telijke ontwikkeling. De beoefening van deze vijfkamp heeft hierdoor een belangrijke har­moniserende, hygiënische en opvoedkundige waarde.
Ook met betrekking tot onze creatieve uiting kan de totaliteit van de vijf oefeningen van belang zijn. Zij vormen bijvoorbeeld een goe­de voorbereiding voor de acteur, die op het toneel een veelzijdige uitingswijze moet be­heersen. Hij drukt zich immers zowel door het spreken als door zijn manier van lopen, de taal van zijn gebaren en zijn mimiek uit. De toneelspeler gebruikt eigenlijk heel duide­lijk alle mogelijkheden, die de mens in het leven ook heeft om zich te uiten. In de ande­re kunsten is dit niet zo expliciet het geval. Maar zoals met name voor de toneelkunst de vijfkamp een directe praktische voorberei­dingsvorm is (en als zodanig door sommige toneelgroepen wordt gebruikt), biedt de to­taliteit van de vijf oefeningen ook een goede voorbereiding voor iedere creatieve uitings­wijze, die niet in eenzijdigheid wil vervallen.
.
Worstelen

Op oude Griekse vazen is het worstelgevecht in grote veelvuldigheid afgebeeld. Vaak zien we de volgende karakteristieke situatie: twee mannen staan tegenover elkaar, houden elkaar aan de armen vast en hellen zo ver voorover, dat hun voorhoofden elkaar (bijna) raken. Hun blik is naar binnen gekeerd, hun hoofd vaak klein en bijna nietig ten opzichte van de geweldige schouders, rug en bovenbenen; daarentegen zijn onderbenen, voeten en ar­men weer spichtig (op de oudere vazen zijn deze verschillen veel duidelijker dan op de nieuwere, die steeds meer de gewone lichame­lijke verhoudingen weergeven). Dit is de eer­ste greep waarmee de twee tegenstanders el­kaar ontmoeten; zij schijnen nu samen een onwrikbaar geheel te vormen. Hun aandacht is afgewend van alles wat om hen heen ge­beurt en concentreert zich volledig op kracht en intenties van de ander. Het doel is immers krachtiger, sneller en handiger te zijn dan hij en hem door middel van een tweede greep uit zijn stand te krijgen, ja zo mogelijk in de lucht te heffen. Is dat eenmaal bereikt, dan is de tegenstander zo goed als verloren; het aanraken van de aarde met enig ander li­chaamsdeel dan de voet betekent de neder­laag. We kunnen ons binnen de sport nauwe­lijks een sterkere ontmoeting van twee men­sen voorstellen. De tegenstander heeft im­mers dezelfde bedoeling, zodat het neerkomt op een meten van elkaars krachten. Niet alleen van de fysieke kracht: initiatief­kracht, durf, de ander verrassen of te snel af zijn, zijn zeker even belangrijk. Daarvoor is echter aanvoelingsvermogen nodig en de vaar­digheid zich in de ander te verplaatsen. Deze twee kwaliteiten vinden we terug in de merk­waardige lichamelijke tegenstelling, die op de oudere vazen zichtbaar is: de krachtige bo­venbenen, billen en schouders drukken stevig­heid en ‘standvastigheid’ uit. De spichtige armen en voeten die elkaar evenals het kleine hoofd raken, geven het fijngevoelige opgaan in de ander weer.

vijfkamp 3

Een ontmoeting met de medemens, een meten van de eigen krachten en daardoor een ontmoeting met zichzelf, zo kun je de worsteloefening typeren. Ik zou het ook een bij uitstek ‘menselijke’ oefening willen noemen, in tegenstelling tot het hardlopen. Bij het sprinten bewegen de ledematen zich immers maximaal, waardoor juist een intensieve lichamelijke verbinding met de omgeving tot stand komt. Bij het rustiger hardlopen voltrekt zich deze verbinding meer door een waarnemend opgaan in de omgevende natuur. De worstelaar echter staat onwrikbaar tegen­over zijn ‘tegenstander’ en richt zijn aan­dacht naar binnen in het innerlijk van de an­dere mens.

Sprong

De tegenstelling tussen hardlopen en worste­len is zo groot, dat zich tussen beide oefe­ningen een afgrond bevindt die niet gemakke­lijk te overbruggen is. Deze overbrugging werd bij de oude Grieken bereikt door een derde oefening: de sprong.
Inderdaad zijn we door het springen in staat twee gescheiden werelden te verbinden, bijvoorbeeld de beide oevers van een stroom, de beide kanten van een ravijn of twee landstroken, die door een muur of heg gedeeld zijn. Wij verheffen ons bij het springen immers een tijdlang in de lucht en we hoeven ons er niet over te be­kommeren hoe de aarde er onder ons uitziet. Dat dit op het eerste gezicht meer aan vlie­gen doet denken dan het hardlopen (de relatie tussen vliegen en hardlopen werd in het vori­ge artikel beschreven*) lijdt geen twijfel. Maar tegenover dit korte zweven in de lucht staat een zo intensieve verbinding met de aarde als bij geen andere oefening het geval is. Tij­dens het zweven overwinnen wij weliswaar voor enkele ogenblikken de zwaartekracht, maar dat is slechts mogelijk door ons voor en na het zweven, dus aan het begin en eind van de sprong, des te sterker aan de zwaarte over te geven.
Ieder die wel eens een sprong uit de stand heeft gemaakt, zal zich de enorme inspan­ning herinneren die hiervoor nodig is. Dit hangt samen met het feit, dat we bij deze be­weging door de knieën moeten en de praktijk wijst uit dat de meeste mensen dit niet ge­wend zijn of niet zo graag doen… Bij het door-de-knieën-gaan moeten we onszelf im­mers loslaten, ons een stuk laten vallen – iets wat we over het algemeen niet positief erva­ren. Voor de sprong echter is het een nood­zaak, en de vaart die bij dit vallen ontstaat, moeten we razendsnel gebruiken om ons met alle energie af te zetten tegen de aarde en ons zo boven onze zwaarte te verheffen: wij zweven. Zoals we bij het vallen het gevoel hebben dat we onszelf verliezen, beleven we het verheffen boven de eigen zwaarte als een boven onszelf uitgroeien. Dit ervaren we juist wél positief. Het gaat gepaard – wanneer de sprong ons lukt – met een gevoel van bevrij­ding, van vreugde. Onze taal kent de beeld­spraak ‘een vreugdesprong maken’, waarvan de bijbehorende stemming ons allen bekend is. Maar dit bevrijdende gevoel is slechts van korte duur. De zwaarte gaat weer overheer­sen en we belanden met een des te grotere kracht op de grond. Om hierbij niet kwalijk te vallen is het soepel door-de-knieën-gaan nóg eens van belang.

We hebben bij de sprong dus te maken met een spel van zwaar en licht. Deze twee pola­riteiten worden door het springen verbonden. De oude Griekse atleten schonken hieraan bijzonder veel aandacht. Zij namen stenen of loden gewichten in de hand, deden hier bin­nenshuis allerlei zwaai-oefeningen mee en leerden zo het omgaan met zwaar en licht uitstekend beheersen. Daardoor waren zij ook in staat met deze gewichten in de hand te springen, uit de stand maar ook met een aanloop. De gewichten werden niet wegge­gooid tijdens de sprong maar hielpen de at­leet het hele proces sterker te beleven en te beheersen, vooral ook het neerkomen op de grond. Het bewaren van het evenwicht was hierbij een vereiste en vergde een niet ge­ringe techniek.
Door de vaasschilderingen wordt ons duidelijk op welke soepele manier de oude Grieken deze moeilijke sprong uit­gevoerd moeten hebben. De soepelheid en de veerkracht die bij het springen ontwikkeld worden, hebben hun li­chamelijke uitdrukking in de knie – het or­gaan dat bij de sprong van essentieel belang is. De knie maakt soepelheid en veerkracht mogelijk doordat het een verbindend or­gaan is (een gewricht) en bovendien een be­middelende positie heeft: het bevindt zich in het midden tussen onder- en bovenbeen, twee lichaamsdelen die een zeer verschillen­de tendens uitdrukken. Het bovenbeen is fors en zwaar en sluit aan op de nog massie­vere romp. Het onderbeen daarentegen is slank en bergt onzichtbaar al de spreidende tendens in zich (namelijk in de twee botten) die in de lichte voet en ten slotte in de tenen steeds meer zichtbaar wordt. We herkennen hierin de zware, geconcentreerde pool en de lichte, gespreide pool waar we bij de sprong mee te maken hebben.

Het ligt nu voor de hand dat deze twee polen bij het springen ook psychisch een rol spe­len. Inderdaad hebben we voor de uitvoering van de sprong een grote geestelijke concentratiekracht nodig en tegelijkertijd de moed tot innerlijke explosiviteit, zich weggeven, zich ontplooien. De snelle afwisseling van deze twee zo verschillende innerlijke activiteiten tijdens het springen bewerkt ook een innerlijke soepelheid. Zo wordt begrijpelijk, dat de op de omgeving gerichte stemming die bij het hardlopen ontstond door middel van de sprong geconcentreerd kan worden zodat de zelfbeheersing en initiatiefkracht zich kunnen ontwikkelen, die nodig zijn om nu de tegenstander in de worstelkamp tegemoet te treden.

Discus- en speerworp

Maar het worstelen kan geen eindpunt zijn.
We zijn daarbij zo sterk naar binnen gekeerd, dat onwillekeurig de behoefte in ons gewekt wordt onze krachten nu weer aan de buiten­wereld te meten. Vooral na een overwinning zal de behoefte ontstaan deze aan de buiten­wereld mee te delen en om ons heen naar nieuwe tegenstanders uit te kijken. Dit innerlijke gebaar gaf de Griekse gymnast vorm in een volgende oefening: de discusworp. Hier­bij is inderdaad sprake van een zich uitbrei­den over de omgeving. Als we op het veld staan en de discus horizontaal in de hand houden (de beginhouding) kunnen we de kleine, ronde schijf als een concentraat bele­ven van de aardschijf waar we zelf op staan. De metalen of stenen schijf is immers ook een stuk van de aarde, dat we door de worp weer teruggeven aan de ons omgevende na­tuur. We nemen hiervoor de schijf eerst mee in een spiraalvormig naar binnen gaande be­weging van het lichaam en slingeren hem ver­volgens door de kracht van de teruggaande draai van ons af. Bij het naar binnen gaan ne­men we de omgeving in ons bewustzijn mee naar binnen; bij het terugdraaien en de worp breiden we ons met het bewustzijn weer over de omgeving uit. We oefenen dus een sterk concentrerende en daarna ontplooiende be­weging.

vijfkamp 2

Dit herinnert sterk aan de sprong en we kunnen de discusworp ook als een metamor­fose van de sprong ervaren. Bij de laatste werpen we als ’t ware onszelf en leren daar­bij omgaan met onze eigen kracht en zwaarte; bij de discusworp werpen we een stuk van de ons omgevende natuur en leren daardoor de omgeving beheersen. Dat wij hierbij tot gevaar voor deze omgeving worden is eigen­lijk impliciet aan de oefening. Bij de sprong moesten we onszelf, bij het worstelen slechts één tegenstander overwinnen en nu de hele ruimte om ons heen.
Ditzelfde geldt nog sterker voor het speer­werpen. De speer heeft een langgestrekte vorm en is bovendien van een scherpe punt voorzien. Hierdoor nodigt hij uit tot het werpen in een bepaalde richting en nog sterker, tot het treffen van een uitgekozen doel. Maakte het lichaam van de discuswerper tij­dens de concentratie nog een rondende be­weging door, de speerwerper heeft een der­mate gestrekte houding, dat zijn concentratie zich lichamelijk beperkt tot wat achteroverhellen.

vijfkamp 4
Op de Griekse vaasschilderingen – vooral weer op de oudere – vertoont de
li­chaamshouding van de speerwerper overeen­komsten met die van de sprinter. Goed her­kenbaar is dit op de grote, panantheneïsche prijsamfoor in het Leids Oudheidkundig Mu­seum: van de linkerhand zijn – zoals bij oudere afbeeldingen van de sprinter – de vingers gestrekt en van elkaar; de werpende rechterhand heeft twee gestrekte vingers door de lus van het touwtje, dat de Grieken om hun speer wonden om hem een draai tij­dens de vlucht te geven. Inderdaad is er overeenkomst tussen hardlo­pen en speerwerpen en ik zou het laatste weer een metamorfose van het eerste willen noemen. Zoals de gevoeligheid van de voet ons door het hardlopen op passieve wijze met de natuur verbindt en onze waarneming hierbij ontwaakt, komt door de speerworp een actieve verbinding met de omgeving tot stand, die uitgaat van de alles overziende blik en gestuurd wordt door de fijngevoelige han­den.
Het hardlopen kunnen we karakteriseren als een ontwaken, het springen als een leren om­gaan met jezelf; door het worstelen verbin­den we ons met een medemens, door de discusworp leren we onze omgeving beheersen. Wanneer we nu tot slot de vijfde oefening uitvoeren hebben we alle genoemde eigen­schappen ter beschikking en staan we in vol­ledige wakkerheid en zelfbeheersing tegen­over het doel, dat we door de speerworp wil­len bereiken. De voorbereiding van de eigen­lijke worp is uiterlijk summier: hij bestaat slechts uit een achteroverhellen van het li­chaam, waarbij de Griekse atleet ook om­keek. Dit achteroverhellen en omkijken drukt uit wat er innerlijk als voorbereiding plaatsvindt, namelijk het herinneren van de vier stappen, die in de vorige oefeningen ge­daan werden. Je zou het speerwerpen in deze zin ook als herinneringsoefening kunnen ka­rakteriseren. Tegenover de geringe uiterlijke activiteit staat dus een grote innerlijke activiteit, die nu gericht wordt op het treffen van het doel. Het is nu zaak om een richting te kiezen, om het doel te herkennen dat bin­nen ons bereik ligt, en om te bewijzen dat de lange voorbereiding niet voor niets is geweest. Door het speerwerpen leer je richting en zin geven aan je handelen

Hiermee is de ontwikkelingsgang, die de Griekse vijfkamp uitdrukt, afgerond. Het is in eerste instantie een reeks lichamelijke oe­feningen, waarvan iedere oefening niet alleen een ander gebied van het lichaam, maar ook een ander gebied van de ziel aanspreekt, zo­dat hij de mens in zijn totaliteit omvat.
Bo­vendien blijkt de reeks zo opgebouwd te zijn dat door een ontwaken vanuit de omgeving een tot zichzelf komen en tot slot een hante­ren van de eigen invloed op de omgeving een natuurlijke ontwikkelingsweg wordt gegaan. In deze zin lijkt mij de vijfkamp ook in onze tijd van betekenis, met name in pedagogie, therapie en kunst.

*op deze blog niet gepubliceerd

.

vijfkamp [2]

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.

723-660

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (4-4)

.

DE KAROLINGISCHE RENAISSANCE|

.

De levensbeschrijving door de monnik Einhard

Het is altijd moeilijk om af te gaan op wat een man in zijn mateloze bewondering voor een vorst over hem heeft geschreven. De monnik Einhard, een goede vriend van Karel de Grote, heeft het leven van de grote keizer in het boek ‘Vita Caroli’ op schrift gezet. Hij deed dat na diens dood en we mogen wel aannemen, dat hij de persoon van de keizer verheerlijkt heeft en op z’n zachtst gezegd de zaken wat rooskleurig heeft voorge­steld.

Wil men Einhard geloven, dan was de keizer een groot bewonderaar van vele kunstvormen. Tijdens de maal­tijden wenste de keizer muziek te horen. Karel de Grote moet dus de beschikking hebben gehad over eigen muzikanten. Verder wilde Karel dat men hem voorlas uit de Bijbel en de werken van de Heilige Augustinus. Daaruit blijkt overduidelijk, dat de keizer niet kon lezen en schrijven. Wel moet hij Frankisch en Latijn hebben gesproken en Grieks kon hij op z’n minst verstaan. Karel de Grote zou ook een groot bewonderaar zijn geweest van sier­voorwerpen, de bouwkunst en koor­zang.

Ook al zou Einhard wat overdreven hebben, dan toch moet er wel een kern van waarheid in zijn beschrijving hebben gezeten. Zeker is, dat ten tijde van Karel de Grote de kunsten en wetenschappen weer begonnen te bloeien.

De wedergeboorte van de beschaving

Eeuwenlang had Europa, overheerst door de krijgszuchtige Franken, niets dan oorlog en onrust meegemaakt. De oude Romeinse beschaving en wetenschap waren in het strijdgewoel ten onder gegaan. Bibliotheken waren verbrand en aan het onderwijs werd vrijwel geen aandacht besteed. Alleen in sommige kloosters was nog een restje van de oude beschaving over­gebleven.

De groeiende rust en de veiligheid in het rijk van Karel de Grote gaven de kunsten en wetenschappen de kans weer op te bloeien. Deze opbloei staat in de geschiedenis bekend als de ‘Karolingische Renaissance’. Het woord renaissance betekent ‘weder­geboorte’. Dit houdt in, dat het niet ging om volkomen nieuwe uitingen van kunst en wetenschap. De Karo­lingische renaissance werd in zekere mate de wedergeboorte van de verlo­ren gegane Romeinse beschaving. Het barbaarse tijdperk van de onbe­schaafde Germaanse volkeren liep ten einde, door de nieuwe bloei van de begrippen ‘kennis’ en ‘schoonheid’.

De monnik Alcuin, de ‘minister’ van onderwijs

De belangrijkste figuur van de Karo­lingische renaissance was een monnik. Hij heette Alcuin en was als prediker uit Engeland naar het Frankische rijk gekomen. In het rijk van de Angelen en Saksen was, anders dan op het Europese vasteland, nog veel van de Romeinse erfenis bewaard gebleven in de kloosters. Alcuin was een zeer belezen man, een van de grootste geleerden van zijn tijd. De monnik Alcuin werd de leider van het wetenschappelijke en culturele leven in het Frankische rijk. Hij was eigenlijk de minister van onderwijs en wetenschappen in het rijk van Karel de Grote. Met hem was Karel de Grote van mening, dat goed onderwijs voor het volk de schakel vormde naar beschaving. Daarmee werden niet de scholen bedoeld, waar de bisschoppen hun priesters opleid­den.
Er werd een hofuniversiteit gesticht, waar de edelen en de hoge ambtenaren lezen en schrijven leerden. Er kwamen kloosterscholen, waar het gewone volk leerde lezen, zangles kreeg en onderricht werd hoe men de kerkelijke feestdagen kon berekenen. Het beperkte lesprogramma mag natuurlijk niet worden vergeleken met dat van het moderne onderwijs. Alcuin hervormde de opleiding voor de hogere geestelijken. De ‘Zeven Vrije Kunsten’ waren bindend op elk lesrooster. Daar hoorden bijvoorbeeld rekenkunde, de meetkunde en de Latijnse spraakkunst bij. Het klassieke Latijn, de taal van de Romeinen werd daarmee in ere hersteld.
Karel de Grote gaf veel steun aan zijn raadsheer voor onderwijszaken. Aan het hof vormde zich een kring van geleerden. Tijdens vele gesprekken met de geleerden nam de keizer steeds een duidelijk standpunt in.

De kloosters ais middelpunt van beschaving

Door alle studie, voornamelijk be­oefend door de geestelijkheid, werden de kloosters het middelpunt van de Frankische beschaving, wetenschap, kunst en letterkunde. In de abdijen waren grote schrijfateliers, waar met grote nauwkeurigheid en in fraai geschreven letters boeken werden omgeschreven. Vooral in Engeland waren nog vele geschriften van de Romeinen te vinden, waarvan af­schriften naar het Frankische rijk werden gezonden. Het is nauwelijks voor te stellen, hoeveel tijd het over­schrijven en illustreren van één boek moet hebben gekost. Door het over­schrijven van oude geschriften is veel bewaard gebleven uit de oude geschie­denis, wat anders verloren zou zijn gegaan.

De Karolingische bouwkunst

Vooral in de bouwkunst spiegelden de Franken zich aan het Romeinse voorbeeld. De oude Frankische palei­zen en andere gebouwen waren niet veel meer geweest dan een soort blokkendozen. Maar KareL de Grote had in Italië de Romeinse paleizen en de schitterende kerken gezien. Hij stuurde zijn beste bouwmeesters naar het zuiden om de oude bouwkunst te bestuderen. Ze maten alles nauwkeurig op, maakten ijverig tekeningen en schreven alle bijzonderheden op. Uit Italië namen ze vaklieden mee naar Frankenland. Zelfs werden zuilen en beeldhouwwerken afgebroken uit de Romeinse ruïnes en op zware ossenkarren meegevoerd. Alles werd ge­daan om de Romeinse bouwkunst zo goed mogelijk te imiteren. Helemaal lukten de imitaties niet. Oppervlakkig gezien zagen de Karo­lingische paleizen en kerken er vrij Romeins uit, maar bij nadere be­schouwing waren ze toch wel wat plomp en massief. Het belangrijkste overblijfsel van de herboren bouw­kunst is het oudste, achthoekige gedeelte van de Akense Dom. Deze werd gebouwd op de fundamenten van een Romeinse badinrichting en was bedoeld als kapel voor de koninklijke palts. Het bouwwerk werd omstreeks het jaar 800 voltooid. Het is het oudste nog bestaande stenen gebouw ten noorden van de Alpen. De kapel telde twee verdiepingen. Beneden stond het altaar en daar was de ruimte voor de kerkgangers. Vanaf de tweede verdieping woonden Karel de Grote en zijn hofhouding de diensten bij.

Grondslag voor het middeleeuwse leven

De opbloei van kunsten en weten­schappen ten tijde van de Karolingen vormde de grondslag voor de middeleeuwse beschaving. De Europese edelsmeedkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst en de letterkunde vonden allemaal hun oorsprong in de drang naar beschaving van keizer Karel de Grote.

Een van de fraaiste voorbeelden van de Karolingische edelsmeedkunst is de kelk van Tassilo, die zich tegen­woordig in een Oostenrijks museum bevindt. De kelk werd door Tassilo, de hertog van Beieren, aan een klooster geschonken. Rondom is de kelk versierd met afbeeldingen van Christus, de evange­listen en andere heiligen. Een karakte­ristieke kunstvorm uit de Karolingische tijd waren ook de relikwie­schrijnen. Dat waren kostbare kast­jes, waarin de resten van een heilige of heilige voorwerpen werden be­waard. De schrijnen waren juweeltjes van goudsmeedkunst en snijwerk. Voor de middeleeuwse christenen vertegenwoordigde een plukje hoofd­haar, een vingerbotje, een stuk van een mantel of een ander persoonlijk eigendom van een heilige, een grote schat.

De schilderkunst, die later tot de “kunst der kunsten’ van Europa zou opbloeien, ontstond ten tijde van Karel de Grote. Aanvankelijk beston­den de schilderijen uit kleine illustraties in bijbels en andere boeken. Later begon men de muren van kerken te beschilderen, om het volk iets van de Bijbelse verhalen te laten begrijpen.

De Karolingische renaissance bereikte het hoogtepunt omstreeks 850, dus 35 jaar na de dood van de keizer. Schitterende abdijen waren overal te vinden in het Frankische land, alle­maal voorzien van schitterende en kostbare bibliotheken. Binnen de grenzen van het machtige rijk leefde het volk veilig. Men kon zich bezig­houden met allerlei andere zaken dan oorlogvoeren. Europa stond aan de vooravond van een nieuwe tijd!

Onrust in het huis van de Karolingen

De dood van Karel de Grote

In het najaar van 812 kwam Karel de Grote aan in zijn meest geliefde verblijfplaats, de palts te Aken. Voor de keizer was het letterlijk en figuur­lijk herfst. Hij was een oude man geworden, die zijn bevende handen niet meer in bedwang kon houden. Zijn gebogen gestalte maakte duide­lijk dat hij het regeren moe was. Zijn enige wens was, in de warme bronnen van Aken verlichting te vinden voor zijn reumatiek, die hem mank had gemaakt.

Bij de palts aangekomen, zag hij dat de mooie Mariakapel gedeeltelijk was ingestort. Het gebouw, de trots van Karel, was door de bliksem getroffen. Als een onheilspellend voorteken bleek de gouden rijksappel, het symbool van de Frankische een­heid, uit de kapel te zijn verdwenen…
De oude keizer had de laatste jaren weinig strijd meer gekend, maar des te meer verdriet. De dood had verschillende malen toegeslagen en had hem beroofd van drie kinderen, in de kracht van hun leven. De grijsaard was op, verslagen door de jaren en verteerd door verdriet. In de koude januarimaand van 814 stonden de lijfartsen van de keizer aan zijn ziekbed. Ze konden niet anders vrezen dan het ergste. De keizer kreeg steeds hogere koorts en een vergevorderde longontsteking sloopte zijn laatste krachten. Op 28 januari 814 blies de grote Frankische keizer zijn laatste adem uit, waar­schijnlijk 72 jaar oud, na een rege­ringsperiode van 46 jaar.

Opgevolgd door zoon Lodewijk de Vrome

Een jaar voor zijn dood had Karel de Grote, die zijn einde voelde naderen, eigenhandig zijn enig overgebleven zoon de keizerskroon op het hoofd gedrukt. Opzettelijk had Karel dat zelf gedaan, omdat hij duidelijk wilde laten zien dat hij slechts aan Christus verantwoording wilde afleg­gen. De rol van de paus leek daarmee helemaal te zijn teruggebracht tot die van een biddende, vrome monnik. Van de zonen die Karel eens had bezeten, was Lodewijk verreweg de minst bekwame. Maar de oude keizer had geen keus meer…

Spreekwoordelijke vroomheid

Lodewijk was een uiterst gelovig man, wat hem al gauw de bijnaam ‘de Vrome’ bezorgde. Een van zijn eerste daden was, zijn kroning te laten overdoen door de paus, in 817. Daarmee maakte hij duidelijk, dat hij als gelovig christen de paus wilde eerbiedigen. Op slag nam de invloed van de paus aanmerkelijk toe… Lodewijk de Vrome was lichamelijk het evenbeeld van zijn vader. Hij was krachtig gebouwd en een even goede ruiter en jager als Karel de Grote in zijn dagen was geweest. Maar daar­mee hield de vergelijking ook op. Lodewijk was toegevend en zacht­aardig. Dat maakte hem niet tot de geschiktste persoon om het grote Frankische rijk bijeen te houden. Zijn vroomheid was spreekwoordelijk en hij toonde zich altijd onderdanig tegenover de hogere geestelijkheid. De kerk kon daardoor steeds meer greep op zijn regering krijgen.

Opruiming van de Germaanse resten

Lodewijk de Vrome gedroeg zich in zijn rijk niet bijzonder tactvol. Hij begon met zijn naar zijn mening wat al te levenslustige zuster naar een klooster te sturen. De hofadel werd vervangen door monniken en kerkgeleerden. Wat ook maar enigszins naar een Germaanse afkomst riekte, moest onmiddellijk verdwijnen. De verzameling heldendichten van zijn vader werd in opdracht van Lodewijk grotendeels verbrand. De namen van de maanden werden veranderd, omdat ze van Germaanse oorsprong waren…

Tegenstanders en heidenen werden door de nieuwe keizer, zonder het mededogen dat van een gelovig chris­ten mocht worden verwacht, de ogen uitgestoken en in kerkers opgesloten. Ook de zoons van zijn gestorven broers, die als erfgenamen van de troon wel eens moeilijkheden zouden kunnen veroorzaken, liet hij op die manier verdwijnen.

Wolken aan de horizon

In het rijk van de Franken, dat in de tijd van Karel de Grote krachtig en rechtvaardig was bestuurd, verschenen donkere wolken aan de horizon. In plaats van een krachtig vorst omringd met geleerden, letterkundi­gen en goede raadgevers, gingen geestelijken de dienst uitmaken. De vrome Lodewijk was maar al te gemakkelijk bereid naar de influiste­ringen van de geestelijken te luisteren. Hij kreeg het steeds moeilijker om belangrijke beslissingen te nemen. Zoiets stelde hij maar liever uit. Er kwamen moeilijkheden, die om een duidelijk oordeel en een krachtige beslissing vroegen. De paus veroor­zaakte zo’n moeilijkheid. Hij pro­beerde steeds meer greep te krijgen op de Franken.

De graven en hertogen van de ver­schillende gouwen en marken vorm­den een nog grotere moeilijkheid. Bij gebrek aan een strenge hand begonnen ze steeds zelfstandiger op te treden Een laatste, maar zeker niet de kleinste moeilijkheid werd gevormd door de Vikingen, die steeds vaker de grenzen van het rijk schonden. Dorpen, kerken en kloosters aan de kusten werden door hen geplunderd. De vrome en besluiteloze keizer wist niet hoe hij al die moeilijkheden moest oplossen.

Onrust in gouwen en marken

Onder het krachtige bestuur van Karel de Grote was er voor de graven en hertogen maar weinig speelruimte geweest. Nooit hadden ze het gewaagd zelf voor ‘koninkje’ te gaan spelen. Lodewijk de Vrome liet de teugels vieren en gaf zijn leenmannen meer speelruimte dan ze aankonden. Bo­vendien nam Lodewijk een aantal leengebieden in, beperkte de rechten van andere leenmannen en koos ook nog andere vazallen. Die kregen het land niet in leen, maar in eigendom. Het gevolg daarvan was, dat de keizer  zijn  trouwste  leenmannen kwijtraakte, vele anderen ontevreden maakte en zijn macht ook voor een groot deel uit handen gaf.

De Karolingische broederstrijd

Het leek wel of Lodewijk de Vrome een speciaal talent had om problemen op te roepen. Als goed Frankisch hoofdman besliste hij al bij zijn leven, hoe het rijk na zijn dood bestuurd moest worden. Hij had drie zoons: Pippijn, Lotharius en Lode­wijk. Lotharius zou de nieuwe keizer worden en de twee andere koningen zouden koning worden over de helft van het rijk. Zo op het oog geen slechte oplossing, als niet Lodewijk de Vrome na enige tijd zou zijn hertrouwd. De beeldschone, zwart­harige keizerin Judith van Welf schonk de keizer na vier jaar huwelijk een zoon, die Karel werd gedoopt. In het huwelijkscontract was al bepaald, dat de nakomelingen uit het tweede huwelijk van de keizer niet zouden meedelen in de erfenis. Maar keizerin Judith gebruikte al haar talenten om de keizer tot andere gedachten te brengen. Lodewijk ging al snel door de knieën: zijn geest was gewillig, maar zijn vlees was zwak…
Prins Karel zou ook een portie van het rijk krijgen, wat ten koste van de andere broers zou gaan. Pippijn, Lotharius en Lodewijk namen dat niet en trokken ten strijde tegen hun eigen vader, om het ‘nakomertje’ van zijn leven te beroven en dus van zijn erfdeel.

Het ‘Leugenveld’

Bij de plaats Colmar aan de Rijn voltrok zich de strijd, die vooral opviel door verraad en overloperij.
De drie oudste prinsen wonnen de slag, maar naar later zou blijken niet de oorlog. Voorlopig werd de jonge prins Karel op een zijspoor gezet. Stiefmoeder Judith werd naar oud-Frankisch gebruik door de broers beticht van overspel en in een klooster ondergebracht.
De plaats van de veldslag werd later het ‘Leugenveld’ genoemd, wat al genoeg zegt over de gebeurtenissen… De behandeling van de keizer door zijn eigen zoons, die hem na de slag triomfantelijk kwamen bezoeken, betekende een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Karolingische huis. In de kerk van Soissons werd de keizer zijn kroon van het hoofd gerukt, zijn mantel in stukken van het lichaam gescheurd en zijn scepter uit de handen geslagen. Daarna wikkelden de drie zoons hun vader in een monnikspij en strooiden as over zijn hoofd.
Ten aanschouwen van zijn volk moest Lodewijk zich laten vernederen en laten zien hoe hij had gefaald…

Het rijk stond in brand…

Na hun verwerpelijke daad zagen de broers er ook niet meer tegenop om onderling ruzie te gaan maken over de verdeling van macht. In het geharrewar dat toen ontstond, kozen Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader. Ze erkenden hem weer als keizer en haalden stiefmoeder Judith uit het klooster. Die begon prompt opnieuw met haar spel om haar zoon Karel naar voren te schuiven. Het was geen hartroerende vader­liefde, die Pippijn en Lodewijk de zijde van hun vader Lodewijk de Vrome deed kiezen. Ze waren bang voor de heerschappij van hun oudste broer Lotharius. De broederstrijd laaide hoger op dan ooit tevoren. Pippijn stierf en ook de oude keizer Lodewijk de Vrome verwisselde in 840 het tijdelijke met het eeuwige. Inmiddels lag ook de Frankische staat op sterven. Oorlog, verwoesting en hongersnood hadden het eens zo bloeiende keizerrijk geteisterd. De bewaking aan de grenzen was ver­slapt. De Vikingen plunderden de kuststreken. De Saracenen vermoord­den alles wat ze tegenkwamen op hun weg door het dal van de Rhöne. De Saksen kozen de zijde van Lotharius en vervielen tot het heidendom. Kloosters en kerken werden in brand gestoken. Alleen een wonder zou de ondergang van het Frankische rijk nog kunnen voorkomen…

Het verdelingsverdrag van Verdun

Lodewijk verslagen

Het wonder dat nodig zou zijn om de Frankische eenheid te redden, liet op zich wachten. De broers vochten verder. Aan de ene kant vocht Lodewijk, die later de bijnaam ‘de Duitser’ zou krijgen. Hij werd terzijde gestaan door zijn jongere halfbroer Karel. Die werd vanwege zijn schaarse haargroei ‘de Kale’ genoemd. Aan de andere vocht de oudste broer Lotha­rius, een hebzuchtige egoïst, die de alleenheerschappij wenste over de erfenis van hun vader. Bij Fontenay kwam het tot een beslissende veldslag. Lotharius werd verslagen. De zegevierende Lodewijk de Duitser en Karel de Kale zworen elkaar daarom in Straatsburg (842) eeuwige vriendschap en trouw. De Eed van Straatsburg werd afgelegd in tegenwoordigheid van de legers. Lodewijk sprak Duits en Karel legde de eed af in het Frans. Daarbij liepen ze duidelijk op de gebeurtenissen vooruit..

De verslagen Lotharius zag in, dat het zinloos was de oorlog verder voort te zetten. Ook het volk verlang­de naar het einde van het al zo lang durende krijgsgeweld. Lotharius stel­de voor te onderhandelen over de verdeling van de keizerlijke nalaten­schap. Dat gebeurde in 843 in de Franse stad Verdun. De drie broers werden het eens en de afspraken werden op schrift gezet in wat wordt genoemd het’ Verdrag van Verdun’. Dat verdrag maakte in 843 definitief een einde aan de Frankische eenheid.

Het grote rijk werd verdeeld in drie stukken. Daarbij werden bergketens en rivieren als grenzen aangehouden. Halfbroer Karel de Kale mocht zich koning noemen over het gebied tussen de Pyreneeën en de rivier de Schelde. Daarmee werd ongeveer het huidige Frankrijk gevormd. De tweede koning werd Lodewijk de Duitser, die het Oostfrankische rijk kreeg toebedeeld. Het was het gebied ten oosten van de Rijn en de Wezer, waarmee het latere Duitsland vorm kreeg.

Lotharius werd keizer, waarmee toch de vaderlijke wil werd gerespecteerd. Hij kreeg een stuk land tussen de twee andere rijken in. Het was een soort kronkelend lint, dat zich uitstrekte van Friesland in het noorden tot aan de Tyrrheense Zee, een uitloper van de Middellandse Zee
Dit ‘land’ maakte niet alleen door de vorm, maar ook door de samenstel­ling van de bevolking een volstrekt onnatuurlijke indruk. Er werden meer dan vier verschillende talen ge­sproken en dat was bepaald geen waarborg voor een lang voortbestaan van een middeleeuws rijk. Na de dood van Lotharius in 855 viel het midden­rijk uit elkaar, toen het werd verdeeld onder de drie zoons van de overleden keizer. Karel de Kale en Lodewijk de Duitser vergaten toen al snel de Eed van Straatsburg, waarbij ze elkaar vriendschap en trouw hadden beloofd. Voor de zoveelste keer gingen ze elkaar te lijf, met als inzet het Frankische grondgebied.

Het einde van de Karolingen

Het einde van de heerschappij van het huis van de Karolingen kwam in zicht. De Duitse tak stierf al uit in 911. De leenmannen besloten toen dat ze voortaan een koning zouden kiezen. Daarmee wilden ze bereiken dat het rijk niet zou uiteenvallen on­der de koningszoons na de dood van een vorst. Het kiezen van de vorst bleef lang gewoonte, al probeerden de gekozenen wel steeds om zich door hun oudste zoon te laten opvolgen. De Franse tak maakte het wat langer: tot 987. Toen stierf de laatste Karoling. De Franse leenmannen kozen op hun beurt een koning. Het werd een van de hertogen: Hugo Capet. Het huis van de Capetingen zou ruim driehonderd jaar over Frankrijk blij­ven regeren. Het Verdrag van Verdun had een eind gemaakt aan het mach­tige en grote Frankische rijk. De vor­ming van kleinere zelfstandige staten zou daarna een aanvang nemen.

6e klas Karel de Grote 3

6e klas Karel de Grote 4

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld:  6e klas geschiedenis

722-659

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Marconi

.

MarconiDE TOVENAAR VAN DE RADIO

Marconi, zittend en zijn medewerker Kemp in 1901 tijdens hun eerste experimenten met draadloze transmissie over de Atlantische Oceaan

“Hier is iets dat u zal interesseren,” zei een ambtenaar van de Congresbibliotheek in Washington en hij zette een plaat op de grammofoon. Bij de eerste woorden begon mijn hart te bonzen. Ik herkende de rustige, zachte stem van mijn vader. Ernstig en exact vertelde hij, in het Italiaans, hoe hij in 1894, toen hij twintig jaar was, voor het eerst met zijn proefnemin­gen met draadloze verbindingen was geslaagd. Maandenlang had niets willen lukken, maar op een nacht drukte hij op een knop, de vonk sprong over en in een kamer negen meter verder begon een bel te rinkelen. Guglielmo Marconi ging haastig zijn moeder wakker maken om haar te zeggen dat het hem eindelijk gelukt was geluid over te brengen zonder draden!

Luisterend naar die stem zag ik mijn vaders tengere gestalte over zijn instrumenten gebogen zitten, met de koptelefoon over zijn grote oren. Ik dacht eraan hoe de radiokamer bij ons het belangrijkste vertrek was geworden — of we nu in Rome woonden of in Engeland, of op de Elettra voeren, het jacht van 730 ton dat vader vlak na de Eerste Wereldoorlog had gekocht en waarop we de helft van het jaar woonden. Vader bracht het grootste deel van zijn tijd in dat heiligdom door; wij kinderen liepen op onze tenen als we er binnenkwamen.

Toen vader pas geboren was, riep een oude gedienstige van zijn ouders in Bologna uit: “Wat heeft hij een grote oren!” En zijn moeder antwoordde met een trots die profetisch zou blijken te zijn: “Met die oren zal hij de geluidjes uit de lucht kunnen horen.”

Mijn grootvader, Giuseppe Marconi, was een welgesteld zaken­man; mijn grootmoeder, Anna Jameson, kwam uit een familie van bekende distillateurs in Dublin. Zij was half Schots, half Iers, overtuigd protestants en zeer muzikaal. Door haar werd vader een bijbelkenner en een bekwaam pianist, van haar leerde hij ook taai volhouden.

Vader werd al vroeg aangetrokken door de natuurwetenschap­pen. Toen hij twaalf jaar was, boeiden natuur- en scheikunde hem al mateloos. Op zekere dag vroegen zijn ouders hem waarom hij vriendschap had gesloten met een oude blinde man; hij antwoord­de: “Die is telegrafist geweest; hij leert me de morseseinen.” Hij was twintig toen hij in een necrologie van de Duitse natuurkundige Heinrich Hertz een beschrijving las van diens proeven met elek­tromagnetische golven. Waarom zouden er geen signalen zonder draden door de lucht kunnen worden overgebracht?

Zijn eerste geslaagde proefneming in 1894 werd gevolgd door meer, over steeds grotere afstanden. Hij bood zijn uitvinding aan de Italiaanse regering aan, maar het ministerie van Posterijen en Telegrafie had er geen belangstelling voor. Zijn moeder moedigde hem aan en zei: “Misschien heb je in mijn land meer kans.” In februari 1896 kwam hij met twee koffers vol instrumenten in Londen aan. De Engelse douane was argwanend en “onderzocht” ze zo nauwkeurig, dat er niets van overbleef. Hij moest alle toe­stellen opnieuw maken.

Gelukkig begrepen de Britse regering en enkele particulieren dat deze tweeëntwintigjarige amateur een revolutionaire uitvin­ding had gedaan die het eenmaal mogelijk zou kunnen maken verbinding tot stand te brengen met schepen op zee. In 1897 werd er een Engelse maatschappij gevormd voor de exploitatie van “draadloze telegrafie”. Vader kreeg de helft van de aandelen en 15 000 pond in contanten. Met zijn 23ste jaar was hij een rijk man.

Het eerste radiostation, dat in 1897 op het eiland Wight werd gebouwd, kreeg verbinding met een schip op dertig kilometer afstand. Een jaar later kreeg vader van een Ierse krant, de Daily Express te Dublin, het verzoek berichten te zenden van een sleepboot die de jachten zou volgen welke deelnamen aan de grote zeilwedstrijd van Dublin. De eerste dag mislukte de proef jam­merlijk. Maar vader probeerde het opnieuw en verzond over de honderd telegrammen. Hierdoor kreeg hij de steun van de pers.

In hetzelfde jaar gaf koningin Victoria de wens te kennen een draadloze verbinding aan te brengen tussen haar zomerresidentie op Wight en het koninklijke jacht de Osborn, waarop haar zoon, de latere koning Eduard VII, herstellende was van een gebroken been. Op een morgen was vader in de paleistuin aan het werk, toen de koningin voorbij kwam zonder groeten. Vader was erg gevoelig; hij zei dat hij de proefneming eraan gaf en niet langer in het paleis wou blijven. “Haal een andere elektricien,” gelastte Victoria. “Helaas, mevrouw,” was het antwoord, “we hebben geen Engelse Marconi!” De koningin fronste het voorhoofd. “Vraag dan meneer Marconi morgen te komen lunchen.” Vader liet zich vermurwen, hij bleef en voerde de opdracht uit.

In 1899 had vader voor het eerst de grote voldoening dat zijn uitvinding werd gebruikt om mensenlevens te redden. Een Engels lichtschip dat met Marconi’s draadloze was uitgerust hoorde noodsignalen met de fluit van een schip in het Kanaal. Het seinde een bericht naar de wal, vanwaar reddingboten werden
uitge­zonden om de bemanning op te pikken. De hele wereld sprak nu over vaders uitvinding. In Engeland en op het vasteland werden er radiostations gebouwd en Engelse en Italiaanse schepen werden met radio uitgerust. Maar vader was niet tevreden; hij wilde een draadloze verbinding tussen Engeland en Amerika tot stand brengen. Hoewel tal van natuurkundigen volhielden dat de krom­ming van de aarde de voortplanting van signalen over de oceaan heen zou beletten, wist hij zijn maatschappij te bewegen hem de proef te laten nemen.

Als Europees station koos hij Poldhu op de zuidwestelijkste punt van Engeland. Na een jaar van hard werken werd het station door een storm vernield. Vader liet zich niet ontmoedigen; hij bouwde het opnieuw en vertrok naar Newfoundland, dat hij als Amerikaans beginpunt van de trans-Atlantische verbinding had uitgekozen. Hij was zeer verheugd toen hij daar op een bergtop een toren vond, gebouwd ter herinnering aan de Italiaanse ont­dekkingsreiziger Giovanni Caboto (in het Engels: John Cabot).

Het weer was slecht en er moesten veel technische moeilijkheden worden overwonnen. Maar eindelijk was het zover dat mijn vader, op 12 december 1901, met de koptelefoon op zat te wachten. Afstemmen was in die dagen een onnauwkeurige bezig­heid zonder wetenschappelijke grondslag. Vader moest zoeken naar het sein. Een half uur lang kwam er geen geluid door. Had de een of andere geheimzinnige kracht de seinen uit de baan getrokken? Was de kromming van de aarde werkelijk een beletsel? Dit en nog veel meer ging hem door het hoofd. Ineens hoorde hij een harde tik, gevolgd door drie tikjes — onmiskenbaar een morsesein.

Het geweldige nieuws, dat vader twee dagen later aan de pers bekend maakte, werd sceptisch ontvangen. Om een einde te ma­ken aan de twijfel zou vader een vast station op Newfoundland moeten neerzetten. Maar vier dagen na dat eerste trans-Atlantische bericht eiste de Engels-Amerikaanse Kabelmaatschappij, eigena­res van de trans-Atlantische telegraafkabel die op Newfoundland begon, dat hij zijn proeven zou staken, anders zou zij hem een proces aandoen. Gelukkig stelde William Stevens Fielding, minis­ter van financiën van Canada, 16 000 dollar ter beschikking om een station te bouwen aan de Glace-baai op Nova Scotia.

Voor hij naar Engeland terugging, deed vader New York aan, waar het Amerikaans Instituut van Elektrotechnici hem huldigde aan een maaltijd waar velen van de grootste vertegenwoordigers van de wetenschap in Amerika aanzaten. Thomas Edison, die verhinderd was, stuurde een telegram. Twee jaar later nodige Ir Edison vader uit voor een lunch in zijn laboratorium te Orange in New Jersey. De twee raakten zo verdiept in een gesprek, dat Edison de hele lunch vergat.

In het voorjaar van 1902 zette vader een ploeg assistenten aan het werk aan de Glace-baai, en begin oktober was het station klaar. Maar pas op 18 december, na vele dagen en nachten van spannen­de proefnemingen, kon Poldhu berichten dat het succes behaald was. Alle telegrammen werden ontvangen. Vader keerde in triomf naar Europa terug. Hij was nog maar achtentwintig. Zijn vaderstad Bologna ontving hem geestdriftig. Livorno en Rome schonken hem het ereburgerschap. Bij een bezoek aan Kronstadt in Rusland sloeg een oude heer zijn armen om hem heen en riep uit: “Ik verwelkom de vader van de radio!” Het was Alexander Popoff, een radiopionier, die nu door de Russische propaganda als de uitvinder van de draadloze wordt uitgebazuind.

In de herfst van 1904 voelde vader behoefte aan rust; hij had aan diverse nieuwe uitvindingen gewerkt. Hij ging naar zijn radio­station in Pool, bij Bournemouth in Engeland, en daar ontmoette hij mijn moeder, Beatrice O’Brien, een dochter van lord en lady Inchiquin. Zij was negentien jaar, knap en levendig. Zij vertelde mij dat hij haar op een alleronwaarschijnlijkste plaats gevraagd had — boven op de Albert Hall in Londen. Kort daarna trouwden ze en meteen daarop vertrokken ze naar Nova Scotia, waar vader verbeteringen ging aanbrengen in zijn radiostation aan de Glace-baai. Het ging goed — hij was erin geslaagd ook overdag ont­cijferbare telegrammen over te brengen — maar ineens werd hij naar Londen teruggeroepen. Het kapitaal van de maatschappij was opgegaan aan onderzoek en proefnemingen en de Londense banken weigerden verdere kredieten. Vader ging naar Italië in de hoop bij Italiaanse banken steun te zullen vinden, maar ook deze weigerden.

Weer in Londen reorganiseerde vader de onderneming; hij ontsloeg een deel van het personeel en beperkte de onkosten drastisch. Maar alles scheen mis te gaan. Zijn eerste kind stierf toen het drie maanden oud was. Duitse en Amerikaanse radiomaatschappijen begonnen inbreuk te maken op zijn octrooien. En het grote station aan de Glace-baai, waarin hij zoveel inspanning, tijd en geld had gestoken, werd door brand verwoest. Toen hij van deze ramp hoorde, zette hij zich aan de piano en speelde een sonate van Beethoven. Vervolgens stond hij op en zei tegen mijn moeder: “Nu weet ik wat ik te doen heb!”

Hij was vastbesloten harder te werken dan ooit. Hij zou aantonen dat de radio economisch bruikbaar was. En hij zou de strijd aanbinden tegen alle inbreuken op zijn octrooien. Een jaar later was het station aan de Glace-baai herbouwd en het eerste proces in New York gewonnen. Vader was bezig er weer bovenop te komen. In 1909 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde, en een nieuwe directie had zijn maatschappij een gezonde basis gegeven.

Terwijl hij werkte aan nieuwe uitvindingen op het gebied van de radio — zoals een richtingzoeker — om de veiligheid van schepen op zee te vergroten, verging in 1912 de Titanic. Deze ramp bewees hoe goed zijn raad was geweest dat alle schepen radio aan boord dienden te hebben. De radio van de Titanic had schepen naar de plaats van de ramp geroepen die anders nooit iets van het drama zouden hebben geweten. Hij ontving een gouden medaille; de aandacht van de ganse dankbare wereld was op hem gericht. In Engeland werd hij in de adelstand verheven. In Italië werd hij tot senator benoemd en kreeg hij de titel van markies.

Toen hij alle mogelijkheden van lange radiogolven had uitgeput begon hij met korte golven te werken. In 1927 bracht hij de menselijke stem van Engeland naar Australië over. In 1930 ontstak hij de lampen op de grote tentoonstelling te Sydney in Australië door in Londen op een knop te drukken. Hij nam ook
proeven met teruggekaatste radiogolven, waar ten slotte de radar uit zou voortkomen. En hij wees op de ultrakorte golven als de sleutel tot de televisie.

Bij een bezoek aan de tentoonstelling “Een eeuw van vooruitgang” te Chicago in 1933 — er was daar een “Marconidag” georganiseerd — bekeek mijn vader met bijzondere belangstelling de radio-installatie van een amateur. “Dit is echt een mooi stukje werk,” zei hij bij het bestuderen van een gedeeltelijk voltooide zender. De jongeman die eraan werkte kreeg een kleur en zei: ’t Zal wel niet veel bijzonders zijn, meneer Marconi, ik ben maar een amateur.”

“Ik ben zelf ook maar een amateur,” zei vader grinnikend. Hij was inderdaad grotendeels autodidact en had nooit een hoge school bezocht.

Zij die met hem leefden of werkten bewonderden zijn eenvoud, geduld en liefderijkheid. Hij had er een hekel aan bij zijn werk gestoord te worden, maar voor zijn kinderen had hij altoos tijd. Hij kon urenlang met mijn broertje Giulio op de grond zitten om met zijn elektrische trein te spelen. Eens waadde hij in de winter tot aan zijn knieën door het ijskoude water van de Fontana Paola bij ons oude huis in Rome om Giulio’s bootje op te halen. Hij vatte zo’n zware kou dat hij dacht te zullen sterven en maat­regelen begon te treffen voor zijn begrafenis. Maar voor Giulio had hij niet één kwaad woord. Op wandelingen of autotochtjes met Giulio en mij was hij even vrolijk en zorgeloos als wij. Op een keer kregen we een lekke band terwijl we op weg waren naar Southampton om aan boord van de Elettra te gaan voor onze zomerkruistocht. We lachten ons slap toen we merkten dat vader, de geniale technicus, er geen flauw idee van had hoe je een band moest verwisselen. Er kwamen geen auto’s langs, en daarom haalde vader een boekje te voorschijn en verdiepte zich een kwar­tier lang in de theorie van het bandomleggen. Ten slotte stroopte hij zijn mouwen op, wij hielpen een handje en we konden weer verder rijden naar Southampton.

Toen vader in 1937 aan een hartaanval overleed, brachten geleerden uit de hele wereld hulde aan zijn pioniersgeest, zijn wetenschappelijke eerlijkheid en zijn volhardend onderzoek. Maar van alles wat er over hem geschreven is hecht ik de meeste waarde aan een hoofdartikel in de Londense Times:

“Als eenmaal het begin van de twintigste eeuw zal worden beschreven door historici die nu nog niet geboren zijn, dan zal wellicht Guglielmo Marconi beschouwd worden als de bij uitstek kenmerkende figuur van zijn tijd, de naam waarnaar het tijdvak wordt genoemd.”

(Degna Marconi)
.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen
.

721-658

.