VRIJESCHOOL – Heb je straks een 4e klas?

.
Pieter HA Witvliet
.

AARDRIJKSKUNDE 4e KLAS
.

In de vrijeschoolpedagogie speelt de leeftijdsovergang van vóór het 9e naar na het 9e levensjaar een belangrijke rol. Grofweg kun je zeggen dat ervoor, de kinderen vrijwel allemaal nog een groot fantasieleven hebben, waarin het niet vreemd is, dat bv. planten en/of dieren met elkaar spreken.

Op zeker ogenblik komt in hen het ‘weten’ op dat dit niet kan. Er ontstaat een bepaalde afstand tot de wereld.

Het is niet eenvoudig te beschrijven, maar aan de blik van het kind zie je dat er iets in hem of haar is veranderd. Na het 9e/10e jaar is de blik meer vorsend, onderzoekend; er straalt wat meer persoonlijkheid doorheen.
Als je er goed op let, merk je dat dit gepaard gaat met een andere houding tegenover de volwassene: afwachtender, bv. meer vorsend, monsterend.

Ik droeg zelden een stropdas. Nooit had een kind daarover iets gezegd – het werd simpelweg niet opgemerkt. Maar op een dag in de 4e klas – zij was 10 – stond er een leerlinge voor me om iets te vragen. Vóór ze haar vraag stelde, keek ze aandachtig naar mijn kleren en zei: ‘U draagt nooit een stropdas, hè.’

Aan deze veranderende houding t.o.v. de wereld kwam Steiner tegemoet door op deze leeftijd de zaakvakken te introduceren, waaronder aardrijkskunde.

Zodanig dat aan de behoefte om de wereld objectiever te bekijken tegemoet wordt gekomen. Dat betekent vooral weer, zo over de omgeving vertellen dat deze voor de kinderen tot leven komt. Dat betekent, dat deze de kinderen iets moet zeggen – nu niet als een ‘bezield wezen’, maar vanuit dit ‘iets’ zelf.

Concreet: waarom heet de straat waarin je woont ‘Bleekveld’ of ‘Schapenmarkt’. Hier doet geschiedenis even mee. Maar ook ‘Papaverstraat’ of ‘Gruttolaan’ vragen om een antwoord.
Waarom  ‘Groningen’ of ‘Hoogmade’.
Aan Steiners gezichtspunt: de kinderen niet vervreemden van het leven – hier hun omgeving – maar juist dieper verbinden, meer interesse wekken voor de omgeving, kan een ruime invulling worden gegeven.

Hoogstwaarschijnlijk is er in de heemkundeperiode van de 3e klas aandacht besteed aan het brood, het bakken.

Wanneer je school in een streek staat waar veel graan verbouwd wordt, kan het zijn dat de kinderen iedere dag langs een akker met tarwe of een ander graan fietsen.

In de 4e klas kunnen deze gegevens ertoe leiden opnieuw aandacht te besteden aan het graan – het is goed om het ene vak met het andere te verbinden, ook door de jaren heen – je kunt hier al vooruitlopen op de geschiedenis wanneer in het oude Mesopotamië de grassen veredeld worden tot graan – ‘dat krijgen jullie volgend jaar te horen’ – aandacht te besteden aan het graan, dus en wel zo dat de kinderen de verschillende graansoorten leren kennen.

Het is wel belangrijk dat je ze dan kan laten zien.

Daarom moet je ze in de zomer al verzamelen!

Tarwe, haver, gerst, rogge.

Hoe zien ze eruit.
Kun je ze benoemen wanneer ze daar voor je liggen. Beschrijf de verschillen.
Hoe smaken ze – als rauwe korrel – als pap, wat kun je ervan bakken.
Vanzelfsprekend heb je dan voor iedere kind een handje van deze granen om eens lekker op te kauwen; kook je er pap van in de klas; moet je met de blinddoek voor, de halmen kunnen onderscheiden, de pap, het koekje kunnen onderscheiden, enz. enz.

Ook in de 5e klas kom je nog op de granen terug in de plantkundeperiode. Het is dus wel belangrijk om te kijken wat je het ene en wat je het andere jaar wil doen.

Zie bv, voor de 5e klas: Grohmann  

In een (openlucht)museum vind je meestal veel wat voor de kinderen heel interessant is en een aantal zaken nog duidelijker maakt.

(In onderstaande informatie is niet zo veel te vinden wat voor de kinderen interessant is – het is meer bedoeld voor de leerkracht. Let op de waarneming en de beschrijving!)

tarwe
Deze eenjarige plant (winterannuel=wintertarwe, zomerannuel=zomertarwe) is 70 tot 160 cm hoog, heeft een holle halm, spaarzaam behaarde tot kale bladeren en van wimpers voorziene bladoortjes. De twee- tot vijfbloemige aartjes, waarvan er slechts twee tot vier vruchtbaar zijn, zijn iets afgeplat en vormen een lange, opgerichte, zwak afgeplatte aar. De kelkkafjes zijn eivormig, vaak asymmetrisch, het onderste kroonkafje is gewelfd, drienervig en al of niet genaald; het zaad is naakt.
Deze, momenteel in de gehele wereld de meest ver­bouwde graansoort, stamt, evenals sommige andere tarwesoorten uit Armenië, waar nog heden een reeks wilde en gecultiveerde Triticumsoorten groeien. Momenteel worden er meer dan 4000 Triticumsoorten en variëteiten verbouwd, in de eerste plaats de gewone of broodtarwe ( Triticum aestivum) die gedijt van Zuid-Afrika tot Noord-Scandinavië en ook in het gebied van Werchojansk in Siberië ten noorden van de poolcirkel; in de Andes groeit ze tot 4000 m hoogte.

Tarwekorrels bevatten ongeveer 64% zetmeel, veel stikstofverbindingen, koolhydraten en – vooral in de kiemplanten – vet. Vroeger werd de tarwe geroosterd, eerst later tot meel vermalen en behalve als voedingsgraan wordt ze ook gebruikt voor de bereiding van zetmeel. kleefstoffen, spiritus en mout. De halmen worden als strooisel, op sommige plaatsen ook als droogvoeder gebruikt. Vroeger werd het ook gebruikt voor dakbedekking, voor de vervaardiging van matten, hier en daar voor bijenkorven, broodschalen, diverse gevlochten gebruiks- en siervoorwerpen en tenslotte voor papier. De als “florentijners” bekend staande strohutten zijn vervaardigd uit de halmen van de in Zuid-Europa gekweekte harde tarwe.

Rogge 
Deze eenjarige soort (winterannuel=winterrogge, winterannuel=zomerrogge) is 60 tot 160 cm hoog en in alle delen grauwgroen. De halmen zijn opgericht, de bladschijven vlak en wat berijpt, het tongetje met lichte oortjes kort en fijn getand
De tweebloemige, vlakke, met de brede zijde naar de aarspil gekeerde aartjes vormen een tot 20 cm lange aar, die soms overhangt. De kelkkafjes zijn priemvormig en eennervig, soms met een korte naald; het onderste kroonkafje loopt uit in een tot 3 cm lange naald. De korrels zijn naakt en grijsgroen of geelachtig bruin.
Rogge bloeit van mei tot juni en wordt momenteel als broodgraan in alle delen van de wereld verbouwd; ze gedijt tot een hoogte van 2000 m en gaat noordelijk tot 69°N.B.
Momenteel zijn ongeveer twintig wilde roggesoorten bekend en  aangenomen wordt dat Segale (rogge) segetale de stam­vorm is van onze rogge. Dit was eigenlijk een onkruid van de tarwe- en gerstakkers in de bergstreken en voorgebergten van de Kaukasus en Klein-Azië. Slechts deze soort heeft een taaie aarspil evenals onze rogge. In de gebieden met minder gunstige klimaats­omstandigheden zou deze de overhand hebben gekre­gen op de gekweekte tarwe- en gerstsoorten en zich door natuurlijke selectie tot cultuurplant hebben ont­wikkeld. Een andere opvatting is dat onze rogge in Klein-Azië is ontstaan door kruising van S. segetale met S. ancestrale.

Vergeleken met tarwe is rogge een zeer ‘jonge’ graan­soort, want in Europa stammen de eerste vondsten van roggekorrels pas uit de bronstijd, d.i. ongeveer 2500 tot 900 jaar v.Chr. In tegenstelling tot de meeste andere cultuurplanten kenden noch de Assyriërs, noch de Ba­byloniërs en Egyptenaren dit gewas. De Grieken en Romeinen kenden de rogge wel, de laatsten leerden het kennen op hun tochten naar de Germaanse gebieden. Vaak wordt de verdienste de rogge te hebben verbreid, toegeschreven aan de Sla­ven, ofschoon in Europa reeds voor de komst der Slaven rogge werd verbouwd. De oude Romeinen schatten de rogge niet hoog omdat de aartjes te klein en het uit roggemeel gebakken brood te zwart was! Het roggemeel levert weliswaar een donkere, maar gezonde broodsoort, verder mout, moutkoffie en spiri­tus. Jonge rogge is een zeer goed veevoeder, het stro wordt als strooisel, als vulling voor strozakken enz. gebruikt en werd ook als dakbedekking gebruikt.

rogge

 

Tweerijige gerst
Deze eenjarige soort (bijna uitsluitend zomerannuel = zomergerst) wordt 60 tot 130 cm hoog en heeft een-bloemige aartjes waarvan er steeds drie bijeen op elke tand van de aarspil staan. Bij de tweerijige gerst zijn de zijaartjes rudimentair en het middelste van elk drietal vruchtbaar. De aar is tot 15 cm lang, opgericht of knikkend en sterk zijdelings afgeplat. De onderste kroonkafjes lopen uit in tot 15 cm lange naalden, de korrels zijn innig met de kroonkafjes vergroeid. Tweerijige gerst wordt momenteel in de gematigde zone overal ter wereld verbouwd, in het noorden tot 70° N.B. en tot 2000 m hoogte. Bepaalde soorten worden nog boven de poolcirkel verbouwd, in China tot 4000 m, in het Himalajagebied zelfs tot 5000 m hoogte.
De momenteel in talrijke soorten en vormen gekweekte gerst ontstond uit de tweerijige soort Hordeum (gerst).spontaneum, die in Noord-Afrika, in de Oriënt en in Midden-Azië groeit en uit de zesrijige H.agricriton met een behaarde en broze aarspil, die in het stroomgebied van de boven­loop van de Jangtse-kiang in Zuidoostelijk Tibet en in China voorkomt. In Azië werd de gerst reeds voor 7000 jaar verbouwd; ze was niet alleen bekend bij de Assyriërs, Babyloniërs en Egyptenaren, maar was daar reeds 4000 tot 5000 jaar geleden de grondstof voor de bierbereiding. Volgens opgegraven documenten had een Egyptische koningin dagelijks recht op vier krui­ken bier, de gehele koninklijke hofhouding mocht 130 kruiken per dag gebruiken. Oorspronkelijk werd gerst alleen geroosterd of tot gepelde gerst bewerkt, eerst later werd ze vermalen. Gerstemeel moet voor de broodbereiding van slechte kwaliteit geweest zijn, want Romeinse soldaten werden wegens slechte pres­taties of vergrijpen tegen de krijgstucht bestraft met broodrantsoenen van gerstemeel. Gerstekorrels bevatten meer dan 60% zetmeel, kool­hydraten, eiwitachtige stoffen en wat vet. In Tibet en Noord-Europa dient gerst overwegend als broodgraan; Midden-Europa dient het voornamelijk als grondstof voor de bierbrouwerij. In Noord-Afrika en Zuidwest-Azië wordt ze vooral aan het vee gevoerd. Behalve de tweerijige gerst kent men nog de vier- en de zesrijïge gerst waarvan talrijke rassen in cultuur zijn.

haver gerst

 

Haver
Dit eenjarige gras (in ons land uitsluitend zomerannuel=zomerhaver) met gladde, 60 tot 150 cm lange halmen, met grijsgroene bladscheden, een duidelijkk tongetje maar zonder oortjes, heeft tweebloemige, door brede kelkkafjes omsloten aartjes. Deze aartjes vormen een 30 cm lange pluim met ruwe takken. De kroonkafjes zijn genaald of slechts spits. Haver bloeit van juli tot augustus en wordt zowel voor menselijke consumptie als voor veevoeder ver­bouwd. Ze groeit ook nog in de hogere gebieden van de gematigde zone en is een gewas dat niet zulke hoge eisen stelt en voorkomt tot 69° N. B. en 1600 m hoogte, Alle in ons land geteelde rassen hebben uitstaande pluimen en naar beneden gekromde naalden. Onze haver stamt waarschijnlijk af van de Oost-Europese tot Midden-Aziatische oot door de Slaven werd verbouwd.

Haver was oorspronkelijk waarschijnlijk slechts een in roggeculturen optredend onkruid en was als cultuur­plant onbekend bij de oude volken van Mesopotamië, Egypte, Palestina en Syrië. Groene haver is een voor­treffelijk voeder voor paarden, gevogelte; bij paarden verhoogt het de glans van de huid. In arme streken in de berggebieden wordt ze tot meel vermalen. Tot in de 16e eeuw werd uit haver een soort bier gebrouwen; nog heden wordt in België dit speciale bier gemaakt. Havervlokken bevatten saponine, glucokininen en ei­witstoffen, veel zetmeel, suiker, dextrine, vitamine B en K, lecitine, fosforverbindingen. Haver wordt als artsenijplant gebruikt voor aftreksels bij uitputtingstoe­standen, zenuwzwakte, tegen slapeloosheid, gebrek aan eetlust enz. Het doet ook de bloeddruk dalen. Soepen met havervlokken vormen een versterkende voeding voor herstellenden en bij maagcatarren, als brij worden havervlokken toegediend bij suikerziekte. De korrels (haverrijst) zijn in de vorm van grutten of gries een zeer waardevolle dieetvoeding. Haver-grutten-porridge is in Groot-Brittannië een zeer ge­liefde en algemeen gebruikte spijs.

haver

.

4e klas aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

612-562

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (2-6/2)

.
Wouter Drewes, gymnastiekleraar vrijeschool Den Haag, 1974, nadere gegevens ontbreken
.

SPEL EN SPORT

In de eerste zeven levensjaren vormt het fantasievolle spel de dagelijkse bezigheid voor het kind. Het drukt hierin zijn innerlijk uit, en vindt zo de verhouding tot zichzelf en tot zijn omgeving. Ieder gezond kind speelt zolang de levenskrachten zich ontplooien en vrijkomen. Ook in de 1e en 2e klas zal kinderspel nog een doel in zichzelf hebben.
Als het ongeveer 9 jaar oud is verandert het beeld. Spelen wordt oefenen, onophoudelijk bezig zijn om iets onder de knie te krijgen:  springen, vangen en werpen, knikkeren, mikken, rennen, hinkelen enz. Door het onder de knie te krijgen maakt een kind deze “bewegingsspelen” tot een gewoonte en vormt in zich al doende vele eigenschappen: behendigheid, uit­houdingsvermogen,  schranderheid, moed, en door­zettingskracht. Het heeft weinig zin tegen een kind te zeggen: “Durf dat nu toch!, als de moge­lijkheid tot spelen niet geboden is om dat te ervaren.
De ouders van 5de-klassers merken dat op deze leeftijd de kinderen op sportclubs willen, om daar een “echt” spel te leren. Op die leeftijd begint het gevoel voor samen­spel te ontwaken, een spel in je eentje te winnen is lang niet zo leuk als met een heel team te spelen. Het groepsbewustzijn manifes­teert zich in de verschillende leeftijdsfasen niet even sterk. Tegen het 14e jaar speelt het de grootste rol, tussen 12 en 16 jaar is het van betekenis.

Het is belangrijk zich in de achtergronden van de mogelijke sporten te oriënteren.
De bewegingen, de gebaren en houdingen die ieder zich bij een bepaalde tak van sport eigen (tot gewoonte) maakt, hebben een sterke vormende waarde voor de persoonlijkheid.

De achtergrond van waaruit zo’n spel is ontstaan, heeft grote invloed op de spelgeest die tot uitdrukking komt in de ongeschreven sportiviteitsregels.
Als voorbeeld wil ik een naar balsporten in teamverband toelichten.

De betekenis van balspelen in onze tijd

Het fascinerende van een stuitende of door de lucht vliegende bal houdt velen tegenwoordig in de ban. Als een hemellichaam beschrijft hij zijn boog. Een bal die op de grond ligt, nodigt uit tot in de lucht werpen, schoppen of slaan. Met de ogen wordt de bal gevolgd in zijn baan. Ieder kent het gevoel van be­vrijding als de bal  omhoog vliegt, dat van opluchting als je hem weer te pakken hebt. Een stuk van de kosmische omgeving komt binnen je bereik als je je weet meester te maken van de bal. Het verlangen zich los te maken van het dagelijks aardse bestaan vormt de ondergrond voor vele balspelen. Onbewust dient het spel hem. Als vervangingsmiddel voor het zoeken van de mens, die zich boven zijn aardse beperkingen wil verheffen.
De meest gebruikelijke balspelen kunnen we naar hun aard in 3 groepen indelen:

In de eerste geldt het principe van balbezit, bv. voetbal, handbal, hockey, rugby, polo, korfbal enz.

De bal is een middel tot spel bij de tweede groep: tennis, volleybal, netbal, badminton. Men ontvangt de bal en geeft hem terug. (Niet gemakkelijk, maar zo dat een ander er flink wat voor moet doen om hem weer terug te spelen). Wordt de bal tot steen doordat hij niet meer in de lucht blijft, dan heeft de partij gefaald.

De derde groep heeft als karakteristiek het zich afhankelijk stellen van de baan van de bal: slagbal, kastie,  softbal, honkbal, cricket. Via een aantal honken moet de speler weer “thuis” zien te komen. De bal wordt tot ster die je lot bepaalt. Vliegt hij ver weg, dan kun je rustig een home-run maken. Is het een slap tikje geweest, dan kom je in gevaar en loop je kans op “een uitje”. De mens en de weg die hij moet gaan, staan in het middelpunt van deze spelen. Wie niet zo hard kan slaan, stelt zich afhan­kelijk van zijn partijgenoten om hem weer thuis te krijgen. Op het uitgangspunt moet je weer terug zien te komen zonder dat je uit gegaan bent.
In deze spelvorm worden de Ik-krachten gevormd en geoefend die voor de levensloop van ieder mens noodzakelijk zijn. De veldpartij vervult hierbij een tactische rol. Door gericht werpen, het snel doorzien, te roekeloze lopers, slimme schijnworpen, wordt getracht de slagpartij in het veld te krijgen. De werking van het verstand, de intelligentie wordt gepresenteerd door de veldpartij. Daarentegen moet iedere slagman zijn hele per­soonlijkheid inzetten om aan de bal de juiste impuls over te dragen.

Bezien we nu voetbal, hockey, handbal etc. dan is het niet de mens zelf die een doel moet bereiken, maar de bal. Alleen bij rugby krijg je 5 punten als een speler met de bal de grond over de achterlijn van de tegenstander weet te krijgen, voor een tussen de doelpalen door geschoten bal 3 punten.

Het driftleven van de mens wordt tot uitdrukking gebracht in deze soorten door het balbezitDe begeerte er mee te jongleren, hem van een tegen­stander weg te houden is overheersend. De balhonger van de Nederlandse keeper die zo af en toe de bal zelfs opvreet, laat Godfried Bomans ons zelfs zien tot in het humoristische.
Het uitleven van driften speelt dan ook een grote rol in deze soorten.

Een afspiegeling en een reactie op een maatschappij die sterk appelleert aan de primaire driften van de mens kan men hier in de speelwijze zien. Door de na­druk te leggen op samenspel, teamgeest, bewust gehan­teerde aanvals- en verdedigingssystemen tracht men ze te verheffen tot een sociaal gebeuren. Sport ver­broedert, wordt in iedere zichzelf respecterende ver­eniging in het vaandel gevoerd.
Veel clubs slagen er ook in, de nadruk op sportiviteit te leggen en het spel belangrijker te vinden dan de knikkers. Toch zal daar ook per tak van sport ver­schil in optreden, afhankelijk van de beweging die er de belangrijkste rol in speelt als uitdrukkingsgebaar. Op gevaar af dat ik als voetbalhater wordt aangekeken (hoewel ik graag een partijtje mee trap) wil ik dit duidelijk maken aan voetbal- en handbalspelen.

Voetbal en handspelen

Wie het gebaar van een schop wil ervaren, wordt zich het eerst bewust van het afstand scheppen door deze beweging. Hetzelfde vindt echter ook plaats bij een worp of slag met de hand.
De voet die deze handeling verricht is normaal bezig die aarde onder zich te krijgen en stelt de mens in staat zich hierboven te verheffen.

Schop je iets weg, dan druk je er mee uit het niet nodig te hebben, het waardeloos te vinden, te min om met je vingers aan te pakken. Ben je werkelijk woedend, door het dolle heen, dan geef je de vijand geen klap, maar je schopt hem eruit. Uit een krantenverslag: ‘Met een loeiende trap knalde hij de bal vernietigend tussen de latten door, verpletterd keek de keeper het leren monster na‘.
Als uitdrukkingsbeweging is de schop een vorm van agressie. Heel anders is dit bij samenspel tussen de eigen medespelers. De voet wordt tot hand die de bal aanreikt. De ander weet de bal al glijdende te “ontvangen”, vangt hem zacht op, houdt hem als een goochelaar op de voet. Het bewust­zijn van de handen wordt hierbij in de voeten geplaatst. (In de gymlessen heb ik natuurlijk wel voetbalspel­vormen, omdat bewusteloosheid in de voeten ook niet goed is.) De handen zijn daarentegen ervoor geschapen om zich in dienst te stellen van de mensheid. De mooiste ideeën kunnen alleen verwerkelijkt worden door de handen uit de mouwen te steken. De voeten dragen je door het leven, de handen verdragen scheppen, brengen het contact met de medemens. Als grondgebaar voor een spel is een werp- en vangbeweging met de handen een uitdrukking van het sociale, het zich in dienst stellen van de ander. De doelbeweging bij basketbal en korfbal is het reiken naar omhoog, de poging de hemel op aarde te krijgen. (U kent het juichend en omhelzend teruglopen bij een doelpunt.

Interessant is ook de geschiedenis van voetbal en hockey om zich een beeld te vormen van wat achter deze soorten leeft, de andere balspelen uit de eerste groep zijn nl. alleen zijtakken van het voetbalspel.

Geschiedenis van hockey en voetbal

Het hockey werd al zeer vroeg bij Indianenstammen gespeeld. De stokken waren vaak beenderen, of takken met een overeenkomstige vorm. De bal was het symbool van de zon of de aarde en moest gedeponeerd worden in een kring. Niet het ge­bruikelijke hockeygoal, maar een cirkel waar ­binnen de bal tot rust moest komen. Lukte dit, dan was de magische stok daar verantwoordelijk voor, want die had de krachten der goden het goede ogenblik weten aan te roepen. De tegenspelers trachtten in dit spel te tonen dat het lot op hun band was. Tijdsduur, speelruimte enz. waren onbepaald, maar de conse­quentie van de uitslag was dat de verliezer zich onderwierp aan de leefregels van de winnaar. Tot het begin van de 20e eeuw is dit met de ontdekkingsreizen overgewaaide spel weinig gespeeld in Europa. Daarna ontwikkelt het zich als zeer elitair spel evenals voetbal. De cirkel blijft gehandhaafd, maar het  verkleinde voetbalgoal komt er in, terwijl een doelpunt nu alleen vanuit de cirkel gezet kan worden. Een restantregel is nog dat een bal die alleen­ door een verdediger wordt aangeraakt en het goal  ingaat niet telt. Dit was nl. godenbedrog bij de Indianen.

Voetbal  kent een nog moeilijker historie. Omstreeks de 11e eeuw  stond Engeland bloot aan overvallen van de Deense Noormannen. De stammenhaat laaide hoog op. Bij het herstel van de landerijen na deze plunderingen werden veel Noormannenschedels gevonden..Kicking the Danes head’ werd een zeer geliefde bezigheid om alle smaad en leed postuum te kunnen vergelden. Toen de schedels op en kapot waren, werden snel andere ronde voorwerpen gevonden waar het spel mee bedreven kon worden. De mannen speelden dorp tegen dorp, terwijl de grootste triomf was de kop van de Noorman op het marktplein van de tegenstander te deponeren. Over velden en wegen werd de bal getrapt; alleen als hij in de bosjes kwam, mocht hij met de handen uitgeworpen. De regel dat met een inworp vanaf de zijlijn niemand buitenspel kan staan stamt nog uit deze tijd. De herbergen onderweg geven voldoende mogelijkheden de strijd op velerlei wijze te verlevendigen, zodat de populariteit van dit spel razendsnel steeg. (100 spelers in een partij was geen uitzondering). De koning verbood het spel, omdat het boog­schieten niet meer geoefend werd en de verdedigbaarheid van het land zodoende werd aangetast. Jacob II heft het verbod 400 jaar later op om aan populariteit te winnen; door het buskruit werd het boogschieten ook niet meer zo noodzakelijk.
Vanaf 1863 liggen de regels van het voetbal vast en zijn vrijwel hetzelfde als er nu gespeeld wordt. [Inmiddels, 2019, zijn er wél de nodige kleinere wijzigingen ingevoerd]

Een voorbeeld uit de tweede groep is volley.

Achtergrond van volleybal:
Dit spel heeft zijn oorsprong in Japan. Dat het spel zo snel populair is geworden, heeft het vermoedelijk te danken aan zijn verbondenheid met natuurfenomenen. De Japanners zagen in de bal de representatie van de rijzende zon, het net of de lijn stelde de horizon voor. De bedoeling van het spel is dat iedere speler er zich voor inzet dat de zon steeds boven de horizon blijft rijzen. De tegenstander stelt de machten voor die dit belemmeren willen. Als groep of team van 6 spelers moet ieder zich inspannen de neerdrukkende krachten te overwinnen. Slechts 3x heeft iedere partij daar de gelegenheid toe. Niet de individuele speler, maar het team kan tot prestaties komen. Spelen die tot sporten zijn geworden zijn niet meer uit onze cultuur te denken.

Misschien dat dit artikel voor u een aanleiding is zich te bezinnen op een mogelijke sportkeuzeBeweging is onlosmakelijk verbonden met het zich richten op de toekomst. De moderne mens zal zich bewust moeten verbinden met bewegings­vormen, waarvan hij voelt dat deze hem de juiste weg wijzen in zijn ontwikkeling. Misschien dat hij zodoende een klein beetje van het raadsel mens ontsluiert.

Literatuur:
Carl Diem: “Encyclopedie der Spiele”
Rudolf Kischnich: “Leibesübung und Bewusstseinsschulung “
Rudolf Kischnich:”Was die Kinder spielen”  vertaald

In GA 293, 13e voordracht, wil Steiner iets radicaal zeggen over  gymnastiek zoals dat toen (1919) gegeven werd:

‘Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijn­sel van het materialistische tijdperk. En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitle­ven, maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens. Over­dreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men be­weert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.’

Rinus Michels, o.a. bondscoach van het Nederlands voetbalelftal:
‘voetbal is oorlog’

Defensie, aanval, schieten, kogel (van een schot), strijd, belager.

Grafisch ontwerper Floor Wesseling: over het ontwerpen van een voetbalshirt: ‘het is een draagbare vlag’;  zijn ontwerpvisie is gebaseerd op de wapenkunde; ‘een speler in een shirt is als een ridder die een toernooi speelt. Het gaat om herkenning op het slagveld.’

(Er is ook een tentoonstelling: voetbal Halleluja over de overeenkomsten tussen voetbal en religie.

Nigel de Jong, (bijnaam ‘de terriër) o.a. speler in het Nederlands voetbalelftal tijdens de WK van 2014:
‘op een wk gelden de wetten van de jungle’
(Nrc. 7 juni 2014)

Levert Mark van Vugt in ”Evolutionaire psychologie bevestigt: voetbal is oorlog’ daarvoor nu het bewijs?

Steiner was er zich terdege van bewust, dat ‘wat uit de geest gesproken is’ van een ander waarheidsgehalte is, dan wat in het dagelijks leven beleefd wordt – de wereld van de ziel is die van ‘hier en nu’.

In GA 311/139 zegt hij op een vraag:
(de vraag luidt: hoe moet je gymles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe dan?)
‘Het is beslist niet de bedoeling van de vrijeschoolmethode, deze dingen te onderdrukken. Ze kunnen worden gedaan, simpelweg omdat ze in het leven van de Engelsen een grote rol spelen en het kind moet met het leven vertrouwd raken. Maar nu moet men niet de illusie koesteren, dat het een andere betekenis heeft dan alleen maar het kind niet wereldvreemd te maken. Te geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing. Die heeft niet die grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft alleen waarde, omdat die een geliefde manier van doen is en men moet van het kind geen wereldvreemde maken en het van al de gewoonten uitsluiten. Men houdt in Engeland van sport, dus moet het kind ook kennismaken met sport. Je moet niet op de een of andere manier benepen tégen iets zijn.’
Op deze blog vertaald/139

Spel: alle artikelen

.

611-561

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-6/1)

.

W.Drewes, vrijeschool Den Haag, 02-1974


SPEL
.

Bij het kleine kind vinden we de eerste uitingen van menselijke scheppingsdrang in het spel. Ieder voorwerp, iedere situatie kan de aanleiding vormen voor de kleuter om zich volkomen aan zijn omgeving over te geven. De ene stoel verandert in een wagen, de andere in een huis, een hoek met blokken wordt een goedgevulde kruidenierswinkel. De dagelijkse betekenis die wij aan de dingen geven wordt met het grootste gemak er aan ontnomen. Een eigen wereldje wordt gevormd, waarin de kleuter volkomen opgaat. Ritmisch en met grote intensiteit worden poppenbedden, dorpen, treinen en huizen gemaakt en bevolkt. Het resultaat is niet belang­rijk, maar het maken, want met het grootste gemak wordt de prachtige toren met bijgebouwen weer afgebroken om weer iets nieuws te beginnen. Het ritmische in het spel komt tot uiting in het begeleidend neuriën, het opbouwen en afbreken in het onvermoeid herhalen. Fantasiewereld en werke­lijkheid wisselen elkaar af in het spel evenals vreugde en verdriet. Spelend bevindt het kind zich tussen twee uitersten, de drang tot doen of iets maken en de realiteit. Het fascinerende van kleuterspel is de ongebondenheid aan regels, de moge­lijkheid om alles uit niets te maken. Voorwaarde voor de stimulering van die creati­viteit is dat het kind in een omgeving leeft waar niet alles af en klaar is. De doek die tot pop geknoopt of als laken voor de beer gebruikt kan worden, is ook een prachtige omslagdoek voor een appelvrouwtje. De prachtige aangeklede poppen die ieder vanuit de speelgoedetalages met zoetige maskerglimlachjes aanstaren bieden daarentegen te wei­nig fantasiemogelijkheden, terwijl een “lappen­pop” juist de expressie van het gelaat aan de fantasie overlaat.

Tijdens de basisschoolperiode

Tijdens de basisschoolperiode beginnen de spel­vormen te veranderen. Er wordt een doel gesteld waar het kind zelf aan wil beantwoorden: touwtjespringen, balvangspelletjes tegen de muur, worden eindeloos gespeeld en de regels worden zo ingewikkeld dat een buitenstaander er niets meer van begrijpt. De kleuter speelde vaak heerlijk in zijn eentje in een groep andere kleuters. Geleidelijk aan begint de mogelijkheid zich nu te ontwikkelen samen te spelen waarbij beiden zich aan dezelfde spelregels houden. Het wed­strijdelement is nog niet zo belangrijk, het spelletje vormt de eigenlijke uitdaging. Bij de kleuter was alles knap of mooi gedaan in zijn beleving, ook de bal die maar niet gevangen kon worden is leuk en stuitert zo fijn. Het grotere kind wil juist leren vangen en speelt tot hij het kan. Teamspelen vallen tot ongeveer de 5e klas nog buiten de mogelijkheden, hoewel enthousi­aste sportieve vaders of moeders vaak constateren dat hun kind al net als een echte voetballer of hockeyer meedoet. Hier speelt echter de na­bootsing een grote rol en de blik van de ouder die alles naar zijn volwassen situatie beoordeelt.

Waarom in de 1e en 2e klas geen gymnastiek?
.
Het antwoord op deze vraag, die vaak door ouders gesteld wordt, houdt sterk verband met de op­vattingen over de aard van het spelen van een kind in deze leeftijdsfase. In de gymnastiekles ligt het accent sterk op het technisch leren beheersen van bewegingsvormen. Ook al gebeurt dit leren spelenderwijs, toch zal de gymnas­tiekleraar de keuze van zijn stof sterk laten bepalen door het bewegingselement in een spel. In de eerste en tweede klas wordt wel veel gespeeld, maar de fantasie, de beleving van het spel vormen hier het uitgangspunt. Bewegings­correctie wordt niet toegepast. Minstens twee uur per week moet de klassenjuffrouw, of iemand die dol op spelletjes is zo’n spelles geven. Zeker in deze tijd is dat nodig, want veel kinderen komen alleen op die manier nog in aanraking met de oude kringspelen zoals de zevensprong, zakdoekje leggen., de mosselman enz. Overigens werden deze kringspelen vroeger niet alleen door kinderen, maar ook door volwassenen gedaan, waarbij door het spelen in een kringvorm de boze geesten werden geweerd.

Knikkeren en tollen zijn eveneens van die oeroude spelen, waarvan ieder kind weet (of wist?) dat het weer “knikkertijd” is. Knikkeren wordt veel in de lente tegen de zaaitijd gespeeld. In de Kerkstraat* keken vorig jaar wel 10 kinderen elkaar verbaasd aan op zo’n zonnige morgen met ochtenddauw dat ze allemaal hun knikkerzak hadden meegebracht.
Tollen hield vroeger verband met de regen en werd vaak in de voorzomer en in de herfst gespeeld.
Buiten op het plein kan met de hele klas “Twee emmertjes water halen” of “Zitte me Japie zit” gespeeld worden, maar ook is het goed om groepjes te vormen die touwtje springen met “Karel Eén heeft één been” of die “Ra, ra, ra wie heeft die bal” spelen, een hinkelbaan van de aarde naar de hemel afleggen of die lekker in een hoekje knikkeren. In deze twee klassen spelen de kinderen óf nog heel sterk voor zichzelf en proberen daar­bij iets onder de knie te krijgen, óf ze gaan helemaal op in de groepsbeleving en zijn als vanzelfsprekend bezig met de hele klas “een ketting te rijgen”. Zodra de spelleidster het lied heeft ingezet sluit de een na de ander zich aan, want ze voelen dat daar iets gebeurt waar je bij moet zijn.
.

Spel: alle artikelen

.

610-560

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-1)

.

Bert Voorhoeve, Jonas 8/9, 18-12-1981
.

Het ganzenbordspel als beeld van de werkelijkheid
.

Het is oudejaarsavond. De dobbelstenen rollen. Er wordt 12 gegooid. ‘Hoera, op een gans, dus ik mag nog eens 12 vooruit!’ Dan klinkt opeens teleurgesteld: ‘Ik ben dood, ik moet opnieuw beginnen’.
Een ander is opge­lucht omdat hij verlost is uit een situatie waarin hij gevangen zat en zelf dool ik door het doolhof op zoek naar de uitgang. Zo golft het spel heen en weer tussen blijdschap en teneergeslagen zijn, voorspoed en tegenslag, kwaadheid en berusting, opgewonden zijn en geen zin meer hebben. Ervaringen en gevoelens die we goed kennen van het afgelopen jaar. Het lot bepaalt de weg die we van het begin naar het eind, van 1 naar 63, afleggen. Hoé we die weg afleggen, hangt af van de manier waarop we reageren op datgene wat op onze weg komt. Met val­len en opstaan komen we tenslotte allemaal aan het eindpunt van het spel. En we beleven dat het einde een nieuw begin is.

Als je wat verder nadenkt over hetgeen je in het ganzenbordspel kunt ervaren, dan blijkt dat je in het spel allerlei elementen tegenkomt, die je in je eigen levensloop kunt ont­dekken en ook in het verloop van een dag, een week, een jaar, een levensfase. In het spel ga je een weg, samen met anderen, je bent af­hankelijk van elkaar. Je ontmoet weerstan­den die je moet overwinnen, hulp en tegen­slag. Het ene moment ga je langzaam vooruit, een ander moment ineens heel snel om dan weer teruggeworpen te worden. Je voelt dan verzet tegen je lot; waarom moet mij dat overkomen, terwijl een andere speler geen enkele belemmering op z’n weg vindt?
Tijdens het spel worden we begeleid door ganzen. Ganzen zijn thuis in de elementen water, aarde en lucht. De gans is burger van twee werelden: hemel en aarde. Het is een waakzame vogel; ganzen hoeden is niet een­voudig – de dieren hebben de neiging alle kanten op te vliegen. Je kunt het ganzen­bordspel ervaren als een beeld van de werke­lijkheid. Je kunt aan het spel ‘vragen stellen’; wat is de wijsheid die verborgen is in je beel­dentaal? En welke vragen stelt het
ganzen­bordspel aan mij, wat roepen de beelden in mij op? Wat hebben ze mij te zeggen over het jaar dat achter mij ligt? Wat heeft de brug mij te zeggen, durf ik het onbekende aan de andere oever tegemoet te treden? Wie tref ik in de herberg aan, wat zoek ik in de herberg, nieuwe kracht of ver­getelheid? Geeft de put mij water of staat hij droog en val ik erin? Verdwaal ik in het dool­hof of heb ik een goede gids? Zit ik in me­zelf, een levensfase of situatie gevangen of ben ik innerlijk vrij? Leef ik met de dood als mijn “reiskameraad’ of heb ik hem buitenge­sloten en doe ik net of hij niet bestaat? Is het einde van het spel het einde van de reis of het begin van een nieuwe reis met nieuwe ervaringen, nieuwe vragen, raadsels en opga­ven?

Je kunt het antwoord op deze vragen alleen vinden door op weg te gaan, de dobbelstenen van het lot te gooien en de brug over te gaan die je aan de andere oever brengt, waar je weg verder gaat.

De brug

De brug kan een wonder van techniek en bouwkunst zijn, zoals de Zeelandbrug of de Van Brienenoordbrug, het kan een ophaal­brug zijn of een wiebelende plank over een sloot, het kan een brug zijn over een rots­kloof of de ophaalbrug van een middeleeuw­se burcht. Hoe groots of hoe simpel een brug ook is, het is altijd een verbinding tussen twee oevers van een rivier, kanaal, gracht of de rotsen van een kloof. Door middel van de brug kun je andere mensen bereiken, kun je met elkaar in contact komen. Bruggen worden vaak gebouwd, uitgaande van beide zijden van een rivier; langzaam groeien beide helften naar elkaar toe. In het midden worden de brugdelen dan aanéén ge­voegd. In ‘het midden’ kun je elkaar ontmoe­ten, tegenstellingen kun je ‘overbruggen’ door er iets tussen te bouwen. In het contact met andere mensen kun je ervaren hoe be­langrijk, maar ook hoe moeilijk dit ‘bou­wen’ is. Je moet zelf beginnen, de ander iets tegemoet te brengen in de hoop dat de ander dit ook zal doen, zodat er een raakvlak ont­staat waar je elkaar kunt ontmoeten. Je moet ‘over de brug durven komen’ om sa­men met anderen verder te kunnen gaan.

De herberg

De drie koningszonen in het sprookje van Grimm ‘De gouden vogel’, komen gedurende hun reis in een dorp waar twee herbergen staan. De ene herberg is mooi en er wordt ge­danst en gezongen, de andere herberg ziet er armoedig en haveloos uit. De twee oudste broers negeren de waarschuwing van de vos; zij vieren feest in de vrolijke herberg en ver­geten helemaal dat ze op zoek zijn naar de gouden vogel, ze vergeten het doel van hun reis. De jongste broer luistert naar de vos en in de armoedige herberg vergeet hij het doel van z’n reis niet.

Als je overgeleverd bent aan de uiterlijke om­standigheden, de uiterlijke schijn, loop je in ‘de herberg’ de kans je daarin te verliezen. Alleen vanuit een wakker bewustzijn kun je jezelf blijven en het doel van je reis in het oog houden. Aan het beeld van de herberg beleef ik: alleen als je je innerlijk versterkt kun je in de gemeenschap van mensen werke­lijk sociaal zijn. Betrokken op anderen met behoud van je eigen identiteit, de eigen opga­ven die je te vervullen hebt. Een ander beeld van de herberg staat in het Nieuwe Testament (Lukas 2): ‘En zij baarde haar zoon, de eerstgeborene en legde hem in een kribbe omdat er in de herberg geen plaats voor hen was’. Je kunt de herberg ook zien als een beeld van je innerlijk. Is er plaats in ‘mijn herberg’ voor de geboorte van het Jezuskind? Of ben ik zo vol van mijn dage­lijkse indrukken, is het zo druk in mij ‘van kelder tot zolder’, ben ik zo ‘bezet’, dat er geen plaats meer is?

Als ik het afgelopen jaar beschouw dan valt het me op hoe sterk de uiterlijke indrukken vaak overheersen en hoe moeilijk het is je niet voortdurend te laten ‘bezetten’. Het is steeds weer een gevecht om innerlijke ruimte vrij te maken voor datgene (diegene) dat je er zélf in binnen wilt gaan.

De put

Heel intensief heb ik de put ervaren tijdens een werkkamp op het eiland Kythera in Griekenland. We groeven een waterput voor de plaatselijke bevolking. Om de beurt daal­den we aan een touw in de put af om die­per te graven. De stenen werden in manden omhoog gehesen. Ondanks alle inspanning vonden we geen water. Je hebt dan letterlijk het gevoel in de put te zitten. Je staat in een ruimte waarin je je nauwelijks kunt bewegen en boven je zie je een kleine cirkel licht, waar degene vandaan zal komen, die je komt aflossen, die je ‘uit de put komt helpen’. De put of de bron is de plaats waar je water kunt halen. Je kunt er water putten dat le­ven mogelijk maakt, maar je kunt ook bij een opgedroogde put komen, zodat je dorst moet lijden en je kunt ook in de put vallen. Het beeld van de put komt in diverse sprook­jes voor.

Op jezelf teruggeworpen worden, kan je ogen juist openen voor jezelf en voor de wereld. Maar je kunt je ook, uit een gevoel van machteloosheid, helemaal afsluiten. En dan is het een geluk als je iemand ontmoet, die je uit de put kan helpen. Het beeld van de put kan ons ook zeggen: zorg er voor dat de bron in jezelf niet opdroogt, zorg er voor dat je levend water uit die bron kunt schep­pen.

Het doolhof

In de speeltuin bij de Julianatoren in Apel­doorn heb ik als kind voor het eerst het dool­hof beleefd. Als je er in zat kwam je er moei­lijk weer uit. In de heggen zaten overal gaten waar kinderen doorheen gekropen waren, die de uitgang niet meer konden vinden. Maar als je bovenop de toren stond keek je op het doolhof neer. Je zag dan al die mensen dolen en je zag hoe ze moesten lopen, terwijl ze zelf de weg niet vonden. Je kunt ook het gevoel hebben in een dool­hof te zitten. Soms denk je: nu zit ik op de goede weg, maar die loopt dan toch weer dood en je moet terug om een andere weg te proberen. Je staat voor de vraag: hoe kom ik in de goede richting. Wat is de zin, het doel van mijn leven, wat is mijn opgave, is er een gids die me kan helpen bij het zoeken van de weg? Wat is de rode draad in mijn leven, wat is mijn levensmotief?

Het vinden van deze rode draad kan je hel­pen om uit het doolhof te komen. En door ‘op de toren’ te gaan staan en bijvoorbeeld op het eind van het jaar wat afstand te nemen, naar beneden te kijken op je doolhof, kun je verbanden en samenhangen ontdek­ken, die je niet zou zien als je steeds maar heen en weer blijft dolen.

De gevangenis

In ‘de gevangenis’ moeten we drie beurten overslaan. We hebben tijd om ons te bezin­nen. Hoe staat het met mijn vrijheid, waar ben ik een gevangene van, hoe komt het dat ik van de buitenwereld ben afgesloten? Zit ik gevangen in uiterlijke zekerheden, vooroor­delen, angsten, hartstochten, vroegere levens­fasen? Heb ik zelf mijn eenzame planeet geformeerd?
De Saint Exupéry geeft in zijn boekje ‘De kleine prins’ een beeld van mensen die gevan­gen zitten op hun eigen “planeet’. Zij zijn ge­vangen in ijdelheid, macht, intellectualisme, hebzucht, verslaving en automatisme. Deze planeetbewoners houden me een spiegel voor waar ik wakker aan kan worden. ‘Grote men­sen zijn toch wel heel, héél wonderlijk’, zegt de kleine prins, iedere keer als hij een pla­neet verlaat. Ik hoop de kleine prins vaak te ontmoeten, want door zijn ontwapenende vragen, word ik verlost uit mijn gevangen­schap. Ook het samen met anderen of een ander zoeken naar inzicht in je situatie kan je de sleutel in handen geven om de deur te openen die je weg had afgesloten.

De dood

De dood staat niet aan het einde van de weg van het ganzenbord. Het is alsof het spel wil zeggen: “Je moet de dood tijdens het leven ontmoeten, de dood is je reiskameraad, je moet leren leven mét de dood.’

Ontwikkeling houdt in dat alleen door het afsterven van het oude, nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt. In je leven kun je tijden doormaken waarin je het gevoel hebt: alles wat ik tot nu toe gedaan heb heeft geen levenskracht meer, leidt naar een eindpunt. Het moet sterven, omgevormd worden. In die worsteling met het oude dat geen kracht meer heeft en het nieuwe dat je nog geen vorm kunt geven, kunnen ineens kiemen ontstaan die iets nieuws mogelijk maken Het beeld van de graankorrel komt tot leven: alleen door te sterven in de aarde kan de graankor­rel vrucht dragen. Het oude moet sterven om iets nieuws mogelijk te maken. Dat geldt voor ons leven, maar ook voor een dag, een week, een jaar. Ook het oude jaar moet sterven en de manier waarop je je los­maakt, terugblikt, afscheid neemt is mede van invloed op het nieuwe jaar dat geboren wil worden uit het oude.
Zoals Niels Holgerson ‘betoverd’ met de gan­zen de wereld in trok en na een lange reis weer mens wordt, zo geeft het ganzenbord­spel een beeld van een ontwikkelingsweg, die je alleen tot een goed einde kunt brengen als je de beproevingen, de weerstanden op je weg tegemoet durft te treden. Op het eind van zijn reis met de ganzen, op het moment dat zijn geliefde gans door z’n vader geslacht dreigt te worden, overwint Niels Holgerson zichzelf en durft hij zich te laten zien zo klein als hij is en juist daardoor wordt z’n be­tovering verbroken.

In het spel worden zes fasen van beproeving gevolgd door een zevende fase: einde en nieuw begin. En wat we op het eind ver­gaard hebben kunnen we weer gebrui­ken voor de volgende ronde van het spel. We doen in het ganzenbord­spel zeven sprongen, zeven stappen langs de spiraal naar binnen. Brug, herberg, put, doolhof, gevange­nis en dood zijn de zes stappen die voorafgaan aan de zevende. En na de zevende stap kun­nen we weer opnieuw be­ginnen, nieuwe ervaringen opdoen, nieuwe dingen leren, nieuwe inzich­ten verwerven op onze weg naar menswording.

.

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

609-559

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-10)

.

Henk Sweers, Jonas 1 09-09-1977
.

De werkelijkheid van het kinderspel
.

Dikwijls hebben kinderen mij gezegd, dat ze Ot en Sien helemaal niet zo leuk vonden. Verhaaltjes in die trant kunnen voor volwas­senen misschien nog een soort nostalgische bekoring hebben van die lieve kindjes met hun leuke, lange, nu weer hippe kleertjes uit grootmoeders tijd, toen alles nog zo zoet en weldoenerig was, kinderen hebben dit soort historische belangstelling nog niet. Ot en Sien zijn leuke lieverds, net als zijzelf. Hun leven en doen lijkt erg veel op hun eigen le­ven en doen en wat is daar nou voor interes­sants aan? Het is een tragisch verschijnsel, dat volwassenen niet meer kind kunnen zijn, maar nog tragischer is het, dat zij hun vol­wassen ideeën op kinderen gaan toepassen. Jaar in jaar uit worden we overstroomd door lieve, brave, opbouwende, psychologisch ver­antwoorde kinderverhalen en kinderversjes, maar wat hebben de kinderen er zelf aan?

Het kind bootst de volwassene na. Daardoor kan het zich ontwikkelen, daardoor kan het zelf volwassen worden. Volwassen worden wil zeggen: de wereld van de levende geest verlaten, het schouwen van de Schepper ver­liezen en de wereld van het geschapene, van het voltooide product, van de materie gaan zien en hanteren. ‘Exact’, d.i. ‘uit de daad’: dood. Maar in die mate, waarin een mens zelf in de dode materie de scheppende, le­vende wereld van de geest heeft herontdekt, is hij pas werkelijk volwassen. Het kind moet de volwassene na-doen. Verkleinwoordjes zijn voor kinderen teleurstellingen. Grote dingen worden er onvolwassen door ge­maakt: huisjes en torentjes, treintjes en wa­gentjes, elfjes en engeltjes, jongetjes en meis­jes. . .Wat is daar in godsnaam voor liefs aan? Je wordt er wee van! Het woord sprookje geeft me steeds weer een naar gevoel. Men heeft de ‘mare’, de ‘sproke’ versoept. In ’t Frans en in ’t Engels is het gelukkig nog altijd een ‘conté’ en een ‘tale’ gebleven. We kun­nen de kinderen, — evenals alle wezens —, lief hebben, lief vinden, maar ze zijn het niet. Iets dat klein is, bijvoorbeeld een atoombom, is daarom nog niet lief! Maar ja, dat kan een kind zich niet bewust maken. Een kind kan alleen maar de krom pratende, liefjes doende volwassene napra­ten en nadoen. En wanneer wij nu goed na-denkjes doen, dan komt er misschien een mogelijkheidje, om te ontdekken, dat we niet in staat zijn een echt kinderspel te ma­ken, een goede kindersproke te verzinnen, of om te begrijpen, dat zo iets althans ver­schrikkelijk moeilijk is.

Klein Anna

Gelukkig snelt hier Vrouwe Traditie ons te hulp. Deze eeuwenoude Moeder de Gans leert onze kinderen nog echte sproken en echte spelen. Kinderen zijn er niet bang van. Ze kunnen er dan pas bang van worden, als wij met ons domme verstand en met ‘de strenge lijnen, die de plicht groefde in ons gezicht’ (Jan Greshoff) er niet de scheppen­de wereld in kunnen beleven, die hun eigen wereld is.

Meer des kinds dan Ot en Sien is Klein Anna:

1.Klein Anna zat op ene steen, ene steen,
ene steen
Klein Anna zat op ene steen, ene steen.
2.Daar zat zij zo te wenen…
3,Daar kwam haar lieve moeder aan…
4.’Zeg Anna, waarom ween jij zo?…
5.’Omdat ik morgen sterven moet’…
6.’Wie heeft jou dat nou wijs gemaakt?…
7.Daar komt de boze Frederik aan…
8.Die geeft haar zeven steken…
9.Nu wordt zij in een kistje gelegd…
10.Nu gaan wij haar begraven…
11.Toen is zij vrolijk opgestaan…
12.En toen werd zij een engeltje…

In Amsterdam volgt soms nog een 13e stroof:

13. Een engel met een b ervoor…

In Duitsland wordt hetzelfde lied ook onge­veer hetzelfde gespeeld: ‘Mariechen sasz auf einen Stein…’ In Oostenrijk werd het, o.a. te Ramsau, soms gespeeld door 12 meisjes en één jongen. Ook in Italië is dit spel in vrijwel dezelfde vorm bekend. Men speelt het als volgt: tijdens strofe 1 en 2 lopen de kinderen hand aan hand in een kring rond. (Naar links, dus met de zon mee). In ’t midden zit een meisje (Anna) neergehurkt met ’t hoofd in de handen. Bij strofe 3 staat de kring stil en treedt een tweede meisje (de moeder) in de kring. Zij zingt de 4e strofe. Solo, maar als zij niet of niet duidelijk genoeg zingt, zingt de hele kring het mee. Anna (het eerste meisje) antwoordt met strofe 5, waarop de moeder weer strofe 6 zingt. (Allebei zingen solo, al of niet door allen ondersteund). Terwijl koor strofe 7 zingt, treedt een derde, een jongen, (de boze Frederik of de Weerwolf) in de kring. Bij strofe 8 klopt de jongen zeven maal met zijn vuist op de maat van het lied Anna op haar rug. Tijdens strofe 9 tillen moeder en Frederik Anna op bij armen benen, jonassen haar en leggen haar weer neer. Onder het zingen van strofe 10 dragen Frederik en de moeder Anna buiten de kring en leggen haar neer. Nu wordt er een nieuwe kring gevormd rondom Anna. Frederik en de moeder nemen ook weer gewoon in de kring plaats. Terwijl men strofe 10 zingt, waaien allen met rokken of armen over Anna heen. Nauwelijks is strofe 11 aangeheven of Anna springt op en holt of danst binnen de kring rondom bij strofe 12 met op en neerwiekende armen de kring, die bij deze strofe weer in zonnerichting is gaan rondlopen, doorbreken en weg te ‘vliegen’. Hier eindigt het spel.
In Amsterdam blijft, als Anna is weggevlogen, de kring onder het zingen van strofe 13 nog rondlopen.
Een spel, dat zoveel gespeeld werd als dit heeft natuurlijk vele varianten. Soms is Klein Anna: Mooi Anna. In plaats van ‘ene steen’ komt ‘Majesteit’, ook wel ‘Maaienstijd’ tijd van het maaien!) voor. De ‘boze Frederik’ is in sommige streken (o.a. in Delft) de boze weerwolf’ enz.

Inwijding

Klein Anna of Mooi Anna of Mariechen is de mens, die op een inwijdingsplaats in een diepe slaap wordt gebracht, een soort doodsslaap. In die dood beleeft hij de geestelijke wereld en wordt na drie dagen door de hierofant, de inwijdende priester, weer tot leven gewekt. Zijn doodsslaap is zo diep geweest, dat hij zich veel van zijn doodsbeleveniss herinnert. Hij is ingewijd. Dit kon in alle mysteriën pas gebeuren na een lange voorbereiding. — Op oude mysterieplaatsen vindt u nog de overblijfsels van deze riten. Bijvoorbeeld bij de Exsternsteine in het Teutoburgerwoud bij Horn. Na de voorbereiding, de rituele dood en de opwekking of opstanding is Anna een engel, dat wil zeggen een wetende, een ingewijde. In dit spel speelt Frederik de rol van de dood, van het kwaad.

In andere versies is het de weerwolf, de man-wolf. Het is de dienaar van de Fenriswolf, het kwaad in de vorm van de onwaarachtig­heid en van het oude helderzien. Deze weer­wolf vindt men ook terug in andere spelen, zoals: ‘Herder, laat je schaapjes gaan’.

Frederik de Tweede

De mogelijkheid bestaat, dat dit spel is sa­mengesmolten met het overblijfsel van een zeer oud mysteriedrama uit de 13e of 14e eeuw. De tekst daarvan bezitten wij niet meer, maar dit is de historische inhoud: Frederik de Tweede van Hohenstaufen was het enige kind van Constanze-Maria, (doch­ter van de Noormannenkoning Rudolf II van Sicilië) en van Hendrik VI van
Hohen­staufen, (zoon van Frederik I, Barbarossa). Deze Hendrik VI eist vanwege het erfrecht van zijn vrouw Constanze, na de dood van haar vader Rogier II, Sicilië op. Hij trekt naar het Zuiden om daar een opstand die te­gen hem is ontbrand, zeer wreed neer te slaan. De kroonpretendent van Sicilië, de broer van zijn vrouw, laat hij op gruwelijke wijze ombrengen.

Daags vóór de geboorte van zijn zoon, op Kerstmis 1194, liet Hendrik zich in de dom van het pas door hem veroverde Palermo tot koning van Sicilië kronen. Zijn vrouw Con­stanze was vanwege haar aanstaande beval­ling in Jesi (Midden-Italië) in de burcht Majesi (nu Macerata) ten oosten van Assisi
ach­tergebleven. Dus in Majesi-steen. Steen is een woord voor burcht. Haar kind bracht haar ongeluk. Zij had hem Constantijn willen do­pen, maar hij werd in de St. Rufusdom te Assisi Frederik Rogier gedoopt. Nog geen 3 jaar oud werd hij door toedoen van zijn vader (in 1196) gekozen tot Rooms-Koning van het gehele Duitse rijk. Doch als op 28 september 1197 nog geen jaar later zijn vader sterft, breekt de hel los. Een deel der Duitse vorsten kiest zijn oom Philips van Zwaben tot Rooms-Koning, of­schoon de 4-jarige Frederik eigenlijk al geko­zen was. De oorlog tussen Staufen en Welfen ontbrandt. Maar zijn moeder Constanze, een kleine, mooie, heftige vrouw, is door de wreedheid van haar man de Duitsers gaan ha­ten. Zij jaagt alle Duitsers het eiland af, doet afstand van het Rooms-Koningschap van haar zoon Frederik en laat hem op Pinkster­zondag 1198 (4 jaar oud) tot koning van Sicilië kronen. Zij erkent de leenhoogheid van de paus (Innocentius III), geeft hem het voogdijschap over Frederik en het regent­schap over Sicilië. Dit alles overleeft zij niet lang. In de herfst van datzelfde jaar sterft zij. waarschijnlijk door moord.

Het is slechts een hypothese, dat een drama, hetwelk deze geschiedenis tot onderwerp had, tevens de oorsprong heeft gevormd van het in Duitsland en Italië welbekende ‘Klein Anna’. —Het kind Frederik, de latere, in de geheimwetenschappen zeer ingewijde keizer, was indirect de oorzaak van de dood van zijn moeder. Zijn moeder werd later in kerkelijke kringen voor ‘heilig’ gehouden, wat te begrij­pen’ is. Zij werd een ‘engel’. Als dit alles waar is, dan is Constanze-Maria geworden tot Klein Anse (in de Pfalz) of tot Klein-Anna (in Nederland) of tot Mariechen. Maar dit sluit een nog veel ouder substraat van een mystieke inwijdingsritus geenszins uit. Men vergelijke Kriemhild en Siegfried uit de Nibelungensage, die in Bourgondiè ontstond in de 13e eeuw, met Gudrun en Sigurd uit de Edda, die stamt uit de Germaanse mysteriën van vóór onze jaartelling. Het is en blijft een, vooral bij grotere kinde­ren, geliefd en indrukwekkend kinderspel. Niet een lied met gebaren, maar een echt mysterie-drama. Het is vol actie en zeer ge­heimzinnig. Een reëel beeld uit het leven der echte volwassenen.

KLEINE ANNA

Een meisje, dat Anna voorstelt, zit op een steen, en daar om heen lopen de andere kinderen, zingend, in een kring rond, bij elk nieuw couplet naar de andere kant. Waar het lied in ge­spreksvorm overgaat, is het Anna, die de kring antwoord geeft.

De tekst luidt:

Klein Anna zat op enen steen, enen steen, enen steen,
klein Anna zat op enen steen, enen steen!
(Of: Klein Anna zat op majesteit!)
Daar zat zij zo te wenen, enz.
Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
Zeg Anna, waarom ween je zo? enz.
Omdat ik morgen sterven moet! enz.
Daar komt die boze Frederik, enz.
Die hakt haar nu het hoofdje af! enz.
Nu wordt zij in een kist gelegd! enz.
Nu gaan wij haar begraven! enz.
Nu is zij weder opgestaan! enz.

Al wat er in het lied gebeurt, wordt in gebaren nagebootst, waarbij twee kinderen de rollen van de moeder en van Frederik spelen. Essentieel is het weder opstaan van de eerst als dood begraven (neergelegde) Anna! Verbasteringen waarin de laatste regel ontbreekt, hebben de betekenis van het spel verloren!

Verklaring

Anna is kennelijk de figuur van Persephone, de vrouwelijke levensgeest, die in het najaar sterven moet en zich dan naar de onderwereld begeeft (de zaden onder de grond). In het voor­jaar komt zij weer boven de grond uit!

Ook kan men Anna zien als de ziel, die nederdaalt ter helle bij de inwijding, na de mystieke dood. De boze Frederik speelt de rol van het Kwaad, van Fenrir of Satan,  Na haar loutering staat de ziel op!

Mellie Uyldert: Verborgen wijsheid van oude rijmen

Wie googelt  vindt nog meer verklaringen, waaronder die van Bert van Zandwijk

Spel: alle artikelen

.

608-558

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Verdi

 

DE TOVENAAR VAN  DE OPERA

 

VerdiHoe dichter de avond van de première naderde, des te zenuwachtiger werd de tenor. Er zou een nieuwe opera gaan, maar van de belangrijkste aria die hij in het laatste bedrijf te zingen had, stond nog geen noot in de partituur. “Hij is wel geschreven,” verzekerde de componist hem nuchter, “maar als de mensen hem één keer op een repetitie hebben gehoord, kent heel Venetië hem voordat het doek opgaat, en dan zeggen ze natuurlijk dat ik hem gestolen heb.”

De zanger kreeg zijn partij niet in handen vóór het allerlaatste ogenblik, maar het was zo’n meeslepend stuk muziek en lag zó in het gehoor, dat hij het dadelijk van buiten kende. De aria bleek het succes van de avond; de laatste noten van Rigoletto hadden nog niet geklonken, of de gondeliers galmden het lied al in de zachte meiavond: La donna è mobile (“De vrouw is wispelturig”). Nu, na honderd jaar, spreekt deze muziek nog even sterk aan als toen ze ontsproot aan het brein van die onsterfelijke melodieënschrijver — Giuseppe Verdi.

Wat heeft deze fantastische bron doen ontspringen aan het lage land van de Po-vlakte, hoe is die zo onverwacht voortgekomen uit dat oerdegelijke boerengeslacht?

Carlo Verdi bezat een herberg in Le Roncole, dat niet meer was dan een gehucht aan de straatweg. Daar werd hem op 10 oktober 1813 een zoon geboren. Zoals bij de meeste grote musici open­baarde zich ook bij hem het talent zeer vroeg; al op zijn vierde jaar liep hij de straatviolist Bagasset als een hondje achterna. “Je moest maar een muzikant van hem maken,” vond Bagasset en Carlo kocht hoopvol een aftands spinet voor zijn kleine Bep­pino. Zijn eerste muzieklessen kreeg Beppino van de dorpsorganist Baistrocchi en na diens overlijden in 1824 werd hij zijn opvolger in het kleine kerkje van Le Roncole tegen een jaargeld van 36 lire.

De dichtstbijzijnde plaats was Busseto, vijf kilometer verderop. Om daar op school te kunnen gaan kwam Giuseppe, een bleek, mager jongetje met grijze ogen, in Busseto bij een schoenlapper in huis. De plaatselijke grossier in kruidenierswaren Antonio Barezzi wie — gelijk bij alle Italianen het geval is — de liefde voor de muziek in het bloed zat, was getroffen door de gaven van de jonge Verdi. Hij gaf hem een baantje in zijn bedrijf en zorgde bovendien dat de jongen les kreeg in de klassieken bij de pastoor, en muziek­les bij Ferdinand Provesi, de organist van de kathedraal. Hij werd nu opgenomen in het gezin Barezzi waar hij vooral gezelschap vond bij de oudste dochter Margherita. Samen lazen zij gedichten en speelden quatre-mains op de prachtige concertvleugel uit Wenen.

Toen hij achttien was, gaf men de jonge musicus de raad zijn studies te voltooien aan het conservatorium in Milaan. Met het vooruitzicht op een studiebeurs uit het stedelijk fonds voor be­gaafde studenten meldde hij zich vol goede verwachtingen voor het toelatingsexamen. Maar de examinatoren zagen in hem slechts een onhandige jongeman aan wie eigenlijk niets deugde: hij was boven de leeftijdsgrens, zijn houding aan de piano was erg on­academisch, en zijn kleren vielen ook al niet in de smaak. Der­halve wees men de beste musicus die ooit had aangeklopt, van de deur (wat de directie later weer goed trachtte te maken, door de school te herdopen in “Verdi-Conservatorium”). Hoewel uit het veld geslagen, vond hij het minder erg voor zichzelf dan voor degenen die in hem geloofd hadden. Maar Provesi, zo merkte hij, verwachtte nog steeds grote dingen van hem, de studiebeurs bleef voor hem gereserveerd, en Barezzi wilde hem steunen: Busseto had hem nodig als stedelijk muziekdirecteur. Ook Margherita had hem nodig, zij wilde nog altijd met hem trouwen, en op de dag na haar 22ste verjaardag kreeg zij haar zin. Met een klinkende afscheidszoen van haar ouders op de wangen en de armen vol bloemen, vertrok zij met haar nog onbeproefde genie van een echtgenoot op huwelijksreis naar Milaan.

In die stad had Verdi al enige tijd les gehad bij Lavigna, de ”Maestro al cembalo” van het Scala-theater, die hem grondig vertrouwd had gemaakt met de werken van Mozart, tot die tijd stellig de grootste opera-componist. En de jonge Verdi koos zonder aarzelen het glinsterende maar glibberige pad van de dramatische muziek. Milaan was de opera-hoofdstad niet alleen van Italië maar van de hele wereld. Hier wedijverden de beste zangers, dirigenten en componisten in het “Teatro alla Scala”, de schouwburg waar de opera bloeit als nergens. In Italië be­hoort ze tot de inheemse flora want Italianen houden van zingen. Als de vissers hun netten inhalen, de meisjes de was doen aan de fontein, als de verliefde paartjes door de lanen zwerven — er moet altijd luidkeels bij gezongen worden. Geen wonder dat dit het land was waar de opera, aan het eind van de zestiende eeuw, geboren werd; in Verdi’s dagen was deze voorliefde bij de bevolking ge­groeid tot een ware hartstocht, en onder de gezelschappen, ster­ren en componisten had iedereen zijn speciale favorieten. Om aan dit onverzadigbare enthousiasme enigszins tegemoet te komen, zagen de impresario’s zich genoodzaakt elk jaar tientallen nieuwe opera’s uit te brengen.

En zo schreef Verdi in 1836 zijn eerste opera, Oberto. Maar daarna trof hem het noodlot. De kleine Virginia, Verdi’s eerste kind en haar vaders oogappel, stierf in augustus 1838, een maand nadat het echtpaar een zoontje had gekregen. Verdi probeerde Merelli, de impresario van de Scala, te interesseren voor zijn opera, maar Merelli was een drukbezet man, hij werd voortdurend door jonge componisten belegerd. Intussen leefde Verdi van de snabbels die hij krijgen kon; hij dirigeerde koren en muziek­korpsen, schreef marsen, kerkmuziek en arrangementen. Het jonge paar verhuisde naar een goedkopere woning. Margherita ver­pandde haar juwelen om de huur te kunnen betalen. En nog steeds geen antwoord van Merelli. In die akelige herfst van 1839 over­leed hun zoontje.

Toch was er te midden van al dit verdriet een pleitbezorgster voor Verdi aan het werk geweest. Het was Giuseppina Strepponi, de jeugdige eerste sopraan aan de Scala, die behalve een mooie stem ook een warm hart bezat; zij haalde Merelli over om de Oberto een kans te geven en het stuk oogstte inderdaad behoorlijk succes, zodat de directeur Verdi een contract aanbood voor nog drie opera’s op zeer gunstige condities. Margherita echter, die zich het verlies van haar kind te zeer had aangetrokken, stierf in 1840 na een kort ziekbed. Onder deze tragische omstandigheden moest Verdi zijn contract voor een komische opera nakomen. Hij kweet zich dapper van zijn taak, maar de inspiratie ontbrak en het publiek, dat niets grappigs in de voorstelling kon ontdekken, floot het werk uit onder een hagel van rotte tomaten, en met een hoongelach dat de versomberde jongeman achter de coulissen als wolvengehuil in de oren klonk. “Ik componeer geen noot meer,” zwoer hij verbitterd.

Maandenlang zag niemand hem. Toen, op een decemberavond, ontdekte Merelli een eenzame gestalte die zich tegen de sneeuw­storm in worstelde. Hij sleepte Verdi mee naar zijn kantoor en drong hem een libretto op, dat Verdi thuisgekomen wrevelig op tafel wierp. Plotseling viel zijn oog op een der regels van een open­gevallen bladzijde. Er stond Va pensiero sull’ ali dorate! (“Vlieg, gedachte, op gouden vleugels”). Verdi weifelde even en nam toen het tekstboek ter hand. Naar de vorm had het betrekking op de onderdrukking van de Joden door Nebukadnezar, de koning van Babylon, maar dit was, zoals Verdi merkte, een nauwelijks verhulde parallel met de tirannie van de Oostenrijkers op het Italiaanse grondgebied. Als een gevolg van het Wener Congres (1815) dat na de ineenstorting van het Napoleontische keizerrijk werd gehouden, had Oostenrijk een overheersende machtspositie in Italië gekregen (alleen in de uiterste noordwest-hoek hield de koning van Piémont de vaan der Italiaanse vrijheid hoog). Het duurde tot 1870 voordat Victor Emmanuel II de eenheid wist te herstellen en het land volledig van vreemde invloeden wist te zuiveren. Het dichtwerk riep bij de jonge componist emoties op, waarvoor zelfs zijn verdriet moest wijken. Hij greep een vel muziekpapier.

Nabuccodonosor beleefde 9 maart 1842 in de Scala zijn première. Van het bruisende openingskoor tot en met de laatste trompet­signalen werd het stuk stormachtig toegejuicht. Toen de profeet Zacharias zong: “Dood aan de vreemde tirannen!” wist iedereen dat hij de Oostenrijkers bedoelde. Het Zion in de Joodse klaag­zang “O mijn vaderland, bemind en verloren!” was voor dit publiek het geliefde Italië en niets anders. Nu begonnen de Italianen, wanneer ze Oostenrijkse officieren een café zagen binnen­komen, het befaamde koor uit Nabucco te neuriën: “Va pensiero! . .” Alle straatjongens floten het, en de draaiorgels jengelden het onder de ramen van de politiebureaus. Het lied werd tot vrijheidssym­bool en drong door in alle uithoeken van het verdrukte land. Een lied laat zich nu eenmaal niet gevangen zetten of met de bajonet opjagen, en zeker de melodieën van Verdi niet, die zo gemakkelijk in het gehoor liggen. Terwijl de patriottische muziekdrama’s het een na het ander uit Verdi’s bedrijvige pen vloeiden, werden de aria’s eruit tot strijdliederen van het verzet. Overal in Italië kalkten de patriotten de leus Viva V.E.R.D.I. op de muren, waarin “Verdi” betekende: V(ittorio) E(mmanuele) R(e) DI (talia) — dat is: Victor Emmanuel, koning van Italië. Intussen hield de brave componist zich ook bezig met het smokkelen van geweren, die hij uit zijn eigen zak betaalde. Niet ten onrechte verwierf Verdi zich de erenaam “Maestro van de revolutie”.

De tijd die hij “op de galeien” doorbracht, zo noemde Verdi zelf deze eerste twaalf jaren van zijn carrière. Het was een periode van afgrijselijk zwoegen — hij schreef, repeteerde en dirigeerde in die tijd niet minder dan 16 opera’s. Een privé-leven had hij niet meer, de flonkerende schijnwereld van de opera had hem volledig opgeslokt. Hij eiste een volmaakte uitvoering, met minder was hij niet tevreden, en om die perfectie te bereiken geneerde hij zich niet om een opgeblazen tenor op zijn nummer te zetten, of om een diva te laten repeteren totdat de tranen van woede over haar wangen liepen. Hij was de eenzaamste mens die ooit te midden van de massa heeft geleefd, en hij kende maar één intieme band — die met Strepponi, bij wie zijn versteende hart eindelijk ontdooide.

De Rigoletto, die hij in veertig dagen componeerde, betekende het einde van de periode van slavernij; het stuk bezorgde hem roem en rijkdom, en hij kon eindelijk ruimer ademhalen. II Trovatore schreef hij twee jaar daarna, in 29 dagen. Terwijl de repetities hiervoor nog aan de gang waren, was hij al bezig aan La Traviata. Met de titel wordt een gevallen vrouw bedoeld, van de lichtzinnige soort, en de heldin van het stuk was naar het leven getekend — er was kort tevoren in Parijs een beeldschone courti­sane aan tering gestorven, die onderwerp was van het nieuwste to­neelstuk La dame aux camélias van Alexandre Dumas jr. De première van La Traviata ging voor een deftig auditorium in Venetië en ontketende uitbarstingen van gelach en woedend boe-geroep; het was een fiasco. Het drama werd in eigentijdse aankleding gespeeld en was veel te realistisch voor een publiek dat verwend was met pompeuze kostuumstukken. Veertien maanden later kwam een nieuwe opvoering tot stand, ditmaal honderd jaar vroeger spelend en met een sterker accent op de dramatiek, en het wispelturige publiek applaudisseerde als bezeten.

Maar van de wereld van applaus en schijnwerpers keerde Verdi zich nu weer tot de aardse realiteit die hem uit zijn prille jeugd zo vertrouwd was. Hij kocht een stuk grond van 400 hectare even buiten Busseto, en trok zich hier terug met Strepponi die inmiddels zijn vrouw geworden was. Hier in zijn “woestenij”, zoals hij zijn bezitting graag schertsend betitelde, begon hij bomen te planten, hij legde wegen aan en irrigatie-kanalen. Hij was het die de eerste dorsmachine en de eerste stoomploeg in de Po-vlakte introduceer­de. Hij richtte op wetenschappelijke basis een zuivelboerderij in (wat in die dagen doorging voor nieuwerwetse onzin), en hij was trotser op zijn prachtige melkkoeien dan op de medailles en orde­tekenen die hij van koning, keizer en tsaar gekregen had. Toen een financiële paniek een golf van werkloosheid veroorzaakte, en de mensen in troepen naar Amerika emigreerden, stichtte Verdi nog meer melkerijen, waardoor hij aan 200 personen werk be­zorgde. “Uit mijn dorp emigreert niemand,” verklaarde hij trots. Intussen bekleedde hij verscheidene jaren een plaats als senator, in welke functie hij energiek de wetgeving op het gebied van het muziek-auteursrecht bevorderde — want Verdi was een slimme zakenman.

Wanneer er nu een beroep op zijn muzikale gaven werd gedaan, was hij in een positie om zelf zijn keus te bepalen. Zijn lederen hoededoos begon menige kale plek te vertonen als gevolg van zijn reizen naar Parijs, Madrid, Londen en St. Petersburg. Voor de feestelijkheden bij de opening van het Suezkanaal had de khedive van Egypte een nieuw theater laten bouwen en Verdi opgedragen om voor die gelegenheid een nieuwe opera te schrijven. De pre­mière van Aïda, op kerstavond 1871 in Caïro, ontketende een donderend applaus. Tegenwoordig is Aïda in de opera-wereld nog steeds een geheid kasstuk.

Verdi had nu 25 opera’s geschreven; men mocht veronderstel­len dat zijn levenswerk was volbracht. Toen kondigde de Scala een nieuw stuk van Verdi aan. De componist was 73 — was het mogelijk dat het oude vuur nog brandde? Op de première was het huis tot barstens toe gevuld en op het plein stonden de mensen in drommen te wachten. Beneden in de orkestbak stemde een eer­zuchtige jongeman van twintig jaar zijn cello — dat was Arturo Toscanini. Het voetlicht flitste aan, de dirigeerstok ging omhoog, en als een windvlaag bruiste de strijkersklank uit het orkest — het doek ging op voor Otello. Van de storm in de eerste akte tot de sombere slotakkoorden zat het publiek gevangen in echte ont­roering. Dit diep menselijke muziekdrama is wel Verdi’s sterkste werk, en volgens velen is het zelfs de mooiste opera die ooit ge­schreven is.

Nóg was het niet zijn zwanenzang. Op zijn 80ste jaar schonk hij de wereld Falstqff, opnieuw een stof die hij ontleende aan Shakespeare. Het is een clowneske, blijde muziek, als geschreven door iemand in de bloei van zijn jongelingsjaren.

Maar al was Verdi’s hart jong gebleven, het klopte warm voor wie onder de last van de ouderdom te zwaar gebukt ging. Hij be­stemde de auteursrechten van al zijn opera’s voor de stichting en instandhouding van de “Casa di Riposo”, het rusthuis voor bejaarde en verdienstelijke musici. Het staat in Milaan en lijkt meer op een Venetiaans paleis dan op een oudemannenhuis, maar het is een waardig monument zowel voor de kunst als voor de oprechte menselijke goedhartigheid.

Toen de tweede grote romance in Verdi’s leven door het over­lijden van Strepponi haar einde vond, was het met hem gedaan. Vermoeid en eenzaam sleet hij zijn laatste dagen in een hotel in Milaan, waar hij op de ochtend van 27 januari 1901 niet meer ontwaakte.

De Italiaanse senaat verdaagde de zitting als teken van rouw. In heel Italië sloten de banken en regeringsgebouwen hun deuren. De Scala bleef een maand lang donker. Zoals Verdi had gewenst, was de begrafenisplechtigheid eenvoudig en zonder muziek. Maar in zijn laatste wil stond over de teraardebestelling niets anders dan dat deze geschieden moest in de Casa di Riposo. Zo werd de maestro met grote luister naar zijn laatste rustplaats geleid, te midden van gekroonde hoofden, besterde diplomaten en een cavalerie-escorte in galatenue met pluimen. Toen de 900 zan­gers van het door Toscanini geleide koor het afscheidslied hadden ingezet, stonden er rondom nog duizenden bewonderaars uit volle borst mee te zingen: Va pensiero sull’ ali dorate!

alle biografieën

.

607-557

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (2-9)

.

Henk Sweers, Jonas 16, *16-04-1978
.

Kinderspel als opvoedingsmiddel

Dat zoveel mensen die kinderen moe­ten opvoeden, ouders en
kleuterleid­sters, onderwijzeressen, onderwijzers en pedagogen, nog steeds niet het echte kinderspel- en lied hebben ont­dekt, is een verwonderlijke zaak. Maar het is nog wel te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat wij allemaal de erfe­nis dragen van de intellectverheerlijking der vorige eeuw [20e]. Dit verhindert ons om de imaginatieve beelden uit een buitenstoffelijke wereld, waarin het kind nog onbewust leeft, maar van waaruit het nog wel inspiraties ontvan­gen kan, te zien. Ons materialistische, schabloonachtige denken sluit voor ons, volwassenen, die wereld nog maar al te dikwijls af. Onbegrijpelijk echter is het, dat vele dicht(st)ers en letter­kundigen de schoonheid en de poëzie in het echte kinderlied niet kunnen ontdekken. En hoeveel van die dames en heren hebben zich niet geroepen gevoeld om zelf kinderversjes en -lied­jes te maken? Het blijven vrijwel al­tijd ‘liedjes-vóór-het-kind’. Echte
kin­derspelen, liederen-van-het-kind, worden het maar hoogst zelden. De volwassene ziet niet, wat het kind ziet. De volwassene kan alleen in vage
her­inneringsmomenten misschien nog iets beleven van wat het kind voelt. Het is, zoals wijlen Jop Pollmann, de grote propagandist voor het echte kinderlied, heeft gezegd, ‘veel gemakkelijker een goede opera te componeren dan een goed kinderliedje’. Deze neerlandicus-musicoloog wees herhaaldelijk op de natuurlijke, meest­al vijftonige, stemomvang van het kleine kind, op de binding aan de beweging van het spel, op het oertraditionele in het echte kinderspel en de enorme vormende waarde ervan voor het ritmische en melodische gevoel. Hij noemde het ook de allereerste grondslag voor een litterair gezonde smaak.

Dit alles mag conservatief lijken, maar welk kind is niet conservatief? Voor het kind is op aarde alles nieuw. Een nieuw licht schijnt over alle dingen, die voor ons meestal ouwe koek zijn geworden. Is dat nieuwe licht niet de ware creativiteit?

Treffend is het feit, dat de kinderspe­len in Vlaanderen en Noord-Duitsland vrijwel hetzelfde zijn als bij ons in Ne­derland, behoudens enkele varianten die er het eigen karakter aan geven. Hieruit blijkt hun oeroude afkomst. Ook bij de Boerenbevolking in Zuid-Afrika vindt men dezelfde spelen met slechts enkele idiomatische afwijkin­gen. Onze kinderspelen zijn dus zeker sinds de 17e eeuw weinig veranderd. Met iets grotere verschillen treft men ze aan in alle Germaanse taalgebieden en zelfs in die van de Romaanse en Slavi­sche talen. Dit wijst duidelijk op het zeer traditionele karakter van het kin­derspel, op iets boven-nationaals. dat er de bron van is en iets vóór-natio­naals, namelijk de oudheid, waaruit vele kinderspelen stammen.

Laten we eens proberen om met onze ‘volwassen’ ogen een kinderspelletje te bekijken en te zien wat wij, grote mensen, daarin kunnen ontdekken: Een kringspelletje, in deze versie opge­tekend te Delft:

Krui. kruiwagentje
krui maar voort.
Ik heb zo’n aardig wagentje,
dat mij toebehoort.
Waar zal ik het zoeken?
Hier in alle hoeken,
hier en daar
en ik weet niet waar.
‘K heb het al gevonden,
‘K ben het alweer kwijt:
Kom hier, mijn lieve Lammetje,
kom achter mij.

De kinderen staan in een kring. Eén loopt buiten om de kring heen, tegen de zon in. De kring loopt hand in hand met de zon mee, dus naar links. Bij ‘achter mij’ tikt het kind dat buitenom loopt, de drie kinderen aan waar hij of zij op dat moment langs loopt. Bij de derde blijft hij staan. Dit kind sluit achter de eerste aan en geeft hem een hand. (In Delft legt hij 2 handen in de handen van het eerste kind die ze op z’n rug houdt. De volgenden leggen dan hun handen op de heupen van de voorgaande.) Het lied en het spel beginnen opnieuw, nu met 2 kinderen buitenom. Zo gaat het verder ( tot tenslotte de hele eerste kring tegen de zon inloopt en nog maar één kind in het midden is. Dit kind treedt buiten de kring en gaat tegen de zon in lopen. De kring wordt gesloten en loopt nu weer de andere kant op, met de zon mee. Het spel begint opnieuw. Zo kan het eindeloos doorgaan…

In het liedje valt ons allereerst het levendige ritme op. De versregels zijn kort met afwisselend 4 en 3 heffingen. Deze korte regels zijn een kenmerk van de oudste volkspoëzie, van skaldenliederen en toverspreuken. Dan treft ons het gemak en de nonchalance waarmee gerijmd wordt. (In vele steden zingt men in plaats van ‘Ik ben het alweer kwijt’: ‘O wat ben ik blij’ waardoor het volle rijm op ‘mij’ wordt hersteld.)

De melodie is half pentatonisch (5-tonig, zonder grondtoon), – in maat 1 t/m 4, 9 t/m 14, 17 en 18, dat zijn 12 van de 24 maten – half diatonisch.
R. Steiner heeft erop gewezen, dat de toonaard die bij de kleuterleeftijd hoort, de pentatonische is. Deze toonaard vindt men dan ook in de zogenaamde kleuterdreunen (bijvoorbeeld  g,g,a,a,g,g,e enz.) en in sommige kinderspelen. Vele kinderspelen vertonen echter reeds een mengeling van de pentatoniek en onze majeur-toonaard. Zo ook dit spel.

Dit spel is waarschijnlijk een oeroud Vastenavond- of Carnavalsspel, dat reeds lang vergeten is, maar dat in de middeleeuwen nog door volwassenen in ongeveer dezelfde vorm werd ge­speeld. Het ‘kruiwagentje’ van de kin­deren is dan oorspronkelijk de ‘scheepswagen’, de ‘blauwe schuit’, die rond reed en waarin de kringgenoten, de ‘schuitevaarders’ een voor een wer­den opgenomen.

De scheepswagen is het beeld van ons aardse lichaam, het voertuig van ons IK. Het is bij het kind nog maar een ‘kruiwagentje’! Het lammetje is het beeld voor het IK zelf. Denkt u maar aan het beeld van het ‘Lam Gods’ uit het boek der Openbaringen en het woord van Christus: ‘Weid mijn lammeren’, (Luc. 21:15). De voort­durende wisseling in het spel zou dan kunnen wijzen op het afwisselen van een leven tussen dood en geboorte met een leven op aarde tussen geboor­te en dood.

Het kind moet hier op aarde zijn persona, zijn uiterlijk wezen opbouwen. Het zoekt zichzelf, zijn aardse zelf. Waar zal het kind dat zoeken? Hier, in alle hoeken, maar ook daar, het weet niet waar. En hoe dikwijls, wanneer hij het gevoel heeft Zichzelf in zich­zelf gevonden te hebben, is hij het al weer kwijt? Maar zijn ‘lammetje’, zijn hogere IK gaat leidend en besturend achter hem voort… Eigenlijk gebeurt in dit spel ongeveer het volgende: De eenling beweegt zich tegenover de gemeenschap, maar door deze eenling ontstaat een nieuwe ge­meenschap, samengesteld uit dezelfde individualiteiten: Een vernieuwing, een metamorfose van een groep. Het eenzame ik, dat in liefde de anderen in zich opneemt, groeit met de anderen tot een werkelijke gemeenschap
tezamen.

Wat de eeuwen en de cultuurveran­deringen niet vermochten uit te roei­en, dreigt nu door mechanisatie, door overbevolking en door televisie en radio te verdwijnen. Daarmee zou een sterk opvoedingsmiddel te gronde gaan. Het is te hopen, dat iedereen die met kinderen te maken heeft, er alles aan doet om te zorgen, dat het oude en steeds nieuwe, echte kinder­spel behouden blijft.

.

Spel: alle artikelen

.

606-556

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (5)

.
A.S., nadere gegevens onbekend (Annet Schukking?)
.

SPEELGOED

Wanneer een kind geboren wordt, komt het – fysiek gezien – uit zijn donkere, stille holletje plotseling in de lichte, lawaaiige wereld; uit de geborgen beschutting van zijn moeder raakt het los als een eigen apart wezentje – een groot avontuur begint. Gelukkig staan er aan zijn wiegje veel feeën, die hem rijkelijk beschenken en een kostbaar geschenk voor zijn leven op aarde zijn de twaalf zintuigen, waardoor de wisselwerking van zijn innerlijk wezen met het aarderijk plaats zal vinden. Het kind komt op aarde vanuit een sterke levenswil – een gezond kind is enorm ver­langend om zich met de aardewereld te verbinden en die te leren kennen. Het stelt zich dan ook totaal open voor alles om zich heen en als het niet zo wijs was om heel veel te slapen, zou het helemaal omkomen in alle indrukken die het beleeft. Het heel kleine kind is eigenlijk een en al zintuig, maar het is niet zo dat hier sprake is van al geheel gevormde en gedifferentieerde zintuigen. De zintuigen zijn in aanleg aanwezig, maar hun verdere vorming krijgen zij door de indrukken die zij ontvangen en door oefening. Het oog ontwikkelt zich aan het licht, het oor aan de klank, de woordzin aan het gesproken woord, enzovoort. Het kind brengt zijn wil tot ontwikkeling mee, zijn feeën leiden hem met wijsheid en de aarde schenkt haar grote rijkdom. Wat gaat er nu gebeuren? Het kind speelt! Het speelt met zijn rammelaar, zijn wiegepopje, zijn voetjes en handjes en met alles wat het maar tegenkomt. Alles is immers nieuw – ook hijzelf is nieuw! Steeds valt er iets te ontdekken en mee te spelen! Spelen is bewegen en zo ontwikkelt zich de bewegingszin (het waarnemen van de eigen beweging), wat later, de evenwichtszin (de klim- en klauterperiode), spelen is na­tuurlijk kijken, maar ook tasten en proeven! Oneindige verscheidenheid biedt de aardewereld – steeds meer verfijnen en differen­tiëren de zintuigen zich. – Is een bepaald zintuig in zijn ontwikkeling gestoord, dan richten de vormkrachten zich sterker op de overige. Bekend is het scherpe ge­hoor, de fijne tastzin van de blinde bv. Je bent geneigd om alleen speelgoed te noemen wat als speelgoed bedoeld is. Maar voor een klein kind is alles speelgoed. Niets is zo frustrerend voor een kind als het woordje “afblijven. Je frustreert het niet voor een ogenblik, maar voor zijn hele leven. In plaats van een goede fee ben je dan een boze kobold, die zijn ver­meende bezittingen verdedigt. Maar hoe dan met al die dingen in onze ingewikkelde cultuur, waar de kleine handjes echt niet aan mogen komen, die te broos, te gevaarlijk of te riskant zijn? Nu, met de eerste categorie, de broze, is het gemakkelijk – alles voorlopig buiten handbe­reik en de verleiding om het te pakken is verdwenen. Wat het tweede betreft heb je de hulp van het kind zelf. Het kind, in zijn speeldrang, richt zich op de volwasse­ne, het onvolprezen voorbeeld voor zijn activiteiten. Nu speel je hem wat voor: je brandt je afschuwelijk aan het gastoestel; je krijgt een zware steen op je tenen – kom maar eens hier, dan mag je het ook proberen; wedden dat het voor de uitnodiging bedankt? Maar ook positief kun je zo met hem meespelen. Moet je telefoneren, geef het kind een kindertelefoontje; heb je een baby, geef het kind een grote babypop, compleet met luiers en flesje, en je voorkomt veel geharrewar. Het kind moet kunnen nabootsen, het is een levensbehoefte en een levensnoodzaak. Maar nu over het echte speelgoed. Als je bedenkt wat een kind daar allemaal aan wil ontwikkelen, hoe het zijn zintuigorganen zelfs fysiek hier aan vormt, dan kan het niet onverschillig zijn waar het mee speelt. Materialen, kleuren, vormen – het is allemaal belangrijk. Want niet alleen dat de dingen fysisch verscheiden zijn -fluweel voelt anders aan dan katoen of wol, hout anders dan metaal of steen, ijzer is anders dan koper- ze vertellen in hun verschijningsvorm ook iets van hun ware wezen en juist het kind, dat nog zo open staat, kan naar deze vertellingen luisteren. Het kind verbindt zich totaal met zijn waarnemingsobjecten, kruipt er helemaal in en neemt daardoor zo goed ‘waar’. Misschien herkent het er wel iets aan vanuit de wereld waar het zelf net vandaan komt, de verwantschap van de vormende krachten die werken in steen, plant en dier. En hoe weldadig is niet een stukje herkenning wanneer je in een heel onbekend gebied komt. In zijn eerste levensjaren, als het kind de aardewereld wil leren kennen, brengt het aan alles sympathie tegemoet. Het kan nog niet onderscheiden, alles is goed. Door het kind met goede en mooie dingen te omringen, wordt deze sympathie passend beantwoord. Geef je een kind lelijke, onnatuurlijke dingen, dan zal het ook die in sympathie ont­vangen, vooral van de moeder, en zijn leven lang zal het lelijke, het onnatuurlijke voor hem iets behouden van de glans uit deze eerste ontmoetingen – de smaak is bedor­ven. Of misschien is het kind zelfs in zijn diepste wezen teleurgesteld, valt de we­reld hem tegen en het wordt later een onverschillig, een cynisch mens. Het is niet altijd een kwestie van geld, ook het eenvoudige kan goed zijn, het weini­ge mooi. Kwaliteit is belangrijker dan hoeveelheid. Eigenlijk zou je zelf moeten proberen opnieuw en onbevangen naar de voorwerpen te kijken, ze weer te ontdekken. Voel er eens aan, lik er eens aan, telkens weer en misschien doen zich werkelijk verrassingen voor. Hst kind wil ook telkens iets anders. Na een poosje is het op een bepaald speelgoedje uitgekeken en wil iets nieuws. Hou daarom wat in reserve, geef hem nooit al zijn speelgoed tegelijk. En als je het kind iets nieuws geeft, neem dan onopvallend iets anders weg, leg het in de kast en na een tijdje zal het weer als nieuw voor hem zijn. Ook de overvloed aan verjaars- en Sint- Nikolaascadeaus kunnen beter gerantsoeneerd wordenKomt er dan eens een “leeg” moment, dan is er nog iets in de kast. Hoe komen we aan goed speelgoed?*

(Nu wordt in het artikel een aantal winkels genoemd. Die informatie is echter niet meer actueel)
.

spel: alle artikelen  *zie hier onder 5

.

605=555

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-3)

.

Etty Feringa, nadere gegevens onbekend
.

KINDERSPEL EEN SERIEUZE AANGELEGENHEID
.

De uitdrukking “het is maar kinderspel” klopt eigenlijk niet, want het kinderspel is uiterst serieus en van enorm belang voor het wel of niet slagen van een gezonde ontwikkeling.
Het is algemeen aanvaard, dat de ervaringen van de eerste drie jaren bij de mens in het onbewuste blijven en een voedingsbasis leggen voor de verdere ontwikkeling van de mens.
Als ouders en opvoeders hebben wij de verantwoordelijkheid deze voedingsbasis van het jonge kind zo vruchtbaar mogelijk te maken zodat het later als een sterk mens in de maatschappij kan staan.
Het kind heeft het spel nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Het spel is even belangrijk als goede voeding.
Een kind dat niet speelt baart ons zorgen. Kinderen hebben overal en altijd gespeeld, zelfs zonder speelgoed. Zij vonden hun speel­goed dan in de natuur.

In onze peuterklas hebben wij speelgoed dat gemaakt is van natuurlijke materialen. Dit vinden we zo belangrijk, omdat dit het kind zuivere ervaringen biedt waarmee het zich verbinden kan. Hout voelt bijvoorbeeld heel anders aan dan plastic, hout ruikt ook, het heeft zijn eigen kleur en een speciaal gewicht. Maar bovenal prikkelt dit speelgoed veel meer de fantasie dan het kant en klaar afgewerkte, gemechaniseerde speelgoed in de grote winkels.

De fantasiekrachten zijn enorm belangrijk in het mensenleven. Daardoor kan men in zijn leven de problemen oplossen; kan men iets nieuws in de
maatsschappij zetten. Fantasie en spel zijn nauw met elkaar verbonden.
In de peuterleeftijd ziet men het eerste ontwaken van de fantasie. We proberen de fantasie te behoeden voor schadelijke invloeden. Het speelgoed wordt daarom met zorg gekozen. Zotte afbeeldingen van mensen of dieren die we in sommige prentenboeken of voor de tv zien, zouden we ver van het kind moeten houden, omdat dit de eerbied voor de dingen afbreekt. De pop die we het kind geven is heel eenvoudig en van zacht, natuurlijk materiaal gemaakt. Met deze eenvoudige lappenpop valt heel wat te beleven. De ene keer lacht het poppenkind, een andere keer huilt het of is het boos, omdat het naar bed moet. Doordat de pop geen uitgesproken gezichtje heeft (niet altijd dezelfde grijns zoals veel plastic poppen), kan het kind er zelf via zijn fantasie iets aan toevoegen. Bovendien is z’n lappenpop veel lekkerder om te knuffelen. De pop waarmee het kind speelt, is een gedeelte van hemzelf. De pop moeten we met evenveel respect behandelen als het kind zelf. Stel je voor dat er tegen een vader of moeder gezegd wordt: ‘Is dit jouw kind, wat een vies ding,’ en het dan stiekem wegmoffelen in de vuilnisbak.
Geen wonder dat het kind te keer gaat als z!n pop weg is. In het spel met de pop kan het kind een heleboel dingen kwijt. Zo zag ik geruime tijd een jongetje elke ochtend een pop uit het wiegje halen. De pop kreeg een flink pak voor zijn billen en werd heel diep onder de dekens gestopt met de woorden: ‘En nu gaan slapen, nu is het uit!’

De kinderen spelen vanuit de nabootsing en volgen het voorbeeld wat ze in hun omgeving zien.
Zo was er eens een meisje dat enkele dagen bij opa en oma had gelogeerd en terugkwam met een vreemde manier van lopen.

Bij nader onderzoek bleek haar been volkomen gezond; het was oma die een zere hiel had!
Het jonge kind staat volkomen open voor zijn omgeving, het is een en al zintuig.
Wij als ouders en opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om een goed voorbeeld te zijn voor onze jonge kinderen en hun een omgeving te bieden waaraan voor het kind nog iets “interessants” te beleven valt.

.
spel: alle artikelen

opspattend grind: spel

Erica Ritzema.
.
604-554

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-2)

.

P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken
.

SPEL OP DE VRIJESCHOLEN
.

Het spel heeft voor de ontwikkeling van een kind een betekenis die nooit hoog genoeg geschat kan worden; Rudolf Steiner heeft zijn leerplan voor een groot deel op het spel afgestemd*. Hij wees er tevens op dat onjuiste voorstellingen over de ontwik­kelingsgang van een kind een grote belemmering voor die
ont­wikkeling zelf kunnen vormen.
Het kind is een menselijk wezen naar lichaam, ziel en geest, een wezen dat in iedere leef­tijdsfase mens is en recht heeft op zijn mens-zijn in die fase. Voor de beschouwing van het spel bij het kind maakt dat een enorm groot verschil. De bekende speltheorieën zijn interes­sant, maar óf te eenzijdig biologisch, psychologisch, socio­logisch of te weinig eerbiedig in het algemeen tegenover het wezen van het kind. Een eeuw geleden zei men in Wenen nog “der Mensch fängt erst beim Baron an”.
Nu denkt men niet meer, dat ieder van lagere standing geen mens zou zijn, stel u voor, maar ten aanzien van het kind is men nog lang niet over het vooroordeel heen, dat de mens pas begint bij de volwassene.

Zo mag het spel van de kleuter niet een voorbereiding voor hogere vormen van leren (of voor mens-zijn) genoemd worden. Dan doet men het kind geen recht. Prof. B. Lievegoed, zich baserend op Rudolf Steiners beschouwingen, verdedigt de zelf­standige waarde van elke ontwikkelingsfase op zichzelf. Alle leven kent beginfase, bloeifase, eindfase of: groei, volwassenheid en verval.

Alle leeftijdsfasen zijn gelijkwaardig en hebben in hun ont­wikkeling evenveel recht op erkenning en eerbied. De kleuter is ook een geestwezen en niet een biologisch of psychologisch voorstadium van mens-zijn. Dat kan de gezindheid en de behan­deling bepalen. De “volwassen of “bloeiende” kleuter is in dat stadium gelijkwaardig aan  een “volwassen” puber of “vol­wassen” ouder mens. Men kan wel zeggen, dat de bloeiende kleuter ontvankelijker en kwetsbaarder is dan bloeiers van een andere leeftijdsfase.

Overigens hebben vele pedagogen in de scheppende kracht, die zich in het kleuterspel manifesteert iets van centraal belang gezien. Het was hun namelijk gebleken, dat vele kinderen in het begin van het gangbare lager onderwijs iets verloren hadden: niet alleen de uitdrukkingsmogelijkheden waren verarmd of ver­dwenen, maar ook het plezier om iets uit te drukken was aan­getast of verloren gegaan. Er zou dus de grootste voorzichtig­heid geboden zijn met het idee, dat het spel of het spel­element vervangen zou kunnen worden door intellectuele bedenk­sels, die de cognitieve ontwikkeling zouden kunnen bevorderen. U kent ze wel, die puzzle-achtige abstracties in doosjes vol houtjes, lettertjes en cijfers. Dit alles heeft met spelen niets te maken. Ongetwijfeld heeft ieder spel zijn cognitief element, maar de ervaring, die het kind met spelen opdoet, is het tegendeel van slinkse leerfoefjes onder het mom van leuk spel.

Hoe kan men het kleine kind als levend geestwezen benaderen? Het antwoord van Rudolf Steiner lijkt eenvoudig: de mens moet zelf weer leren spelen!

Dat betekent echter een scholing van eigen zielenvermogens waardoor een liefdevol verdiepen in het kind plaats kan vinden. Door de volwassen mens als geestwezen kan het kind innerlijk benaderd en gekend worden. Ook kan door de leerkracht meebeleefd worden, wat het kind al spelend beleeft en ondergaat.
De leerkracht wordt door zijn meditatief werk een beetje “gelijk de kinderkens” en hij verbindt zich met de hoogste krachten in het mensenleven.

Rudolf Steiner zette het levensbelang van het spel voor de ontwikkeling van de kleuter op eenvoudige wijze uiteen: hij vergeleek volwassene en kleuter met betrekking tot het spelen. Bij de volwassene bestaat de z.g. “ernst des levens”, een tegenwoordig wat aangetast, maar niet geheel verouderd begrip. Ernst des levens betekende bij de volwassene het verrichten van een zekere arbeid, het doen van zinvol werk, dat de grond­slag voor zijn levensonderhoud vormt. Het mag een “bloei” in het leven van de volwassene heten, wanneer hij het door hem geleerde bij zijn arbeid goed kan toepassen, waaraan hij ook maatschappelijke erkenning kan ontlenen.
Bij de kleuter ligt dit anders, maar er is iets vergelijkbaars. Het hoogtepunt, de bloei van het kleuterleven is het spel, waaraan het kind zijn krachten wijdt en zijn levensvreugde ont­leent. Het spel van de kleuter is namelijk volle ernst voor het kind. Het kennen en kunnen van spelen is levensvervulling en zelfverwerkelijking op het niveau van de kleuterfase. Het verschil tussen het spel van het kind en de arbeid van de volwassene bestaat uiteraard hierin, dat de arbeid steeds in­gevoegd  moet worden in een uiterlijke doelmatigheid van het maatschappelijk leven.
Het kind echter wil uit zijn eigen natuur ontwikkelen, wat een spel aan activiteiten biedt. Het spel werkt van binnen naar buiten. De arbeid van buiten naar binnen.

De kleuterfase is een levensfase waarin de wil, het streefvermogen,  oppermachtig is. Een belangrijke ontdekking van Rudolf Steiners geesteswetenschap was de organische gebonden­heid van de trits zielenvermogens. Denken, voelen en willen werken geruime tijd in het lichamelijke en emanciperen zich geleidelijk: zij emanciperen zich van de levens- en groeikrachten en verschijnen als bewustzijnskrachten in de ziel. Waarvandaan komt de plotselinge fantasie-ontplooiing in het vierde levensjaar? Die fantasie is ten dele vrijgekomen wils­kracht, naar gevoelsmatig dromend-scheppend, ontvonkt door de steeds grotere rijkdom aan zintuiglijke indrukken. Het kleine kind schept en herschept de wereld naar zijn wil en fantasie. Als het ware soeverein, logisch-onlogisch, vormt het de wereld van voorwerpen, de materie, in zijn fantasie om. Zo kan een langwerpig blokje eerst een boot, vervolgens een wagen, een mannetje of een toren zijn in zijn voorstelling. Schiller noemde dit verschijnsel “speldrift” (Spieltrieb) even nodig als het leven zelf. Vanuit zijn geestelijk schouwen bevestigde Rudolf Steiner dit. Dan kan het duidelijk worden, dat het enthousiast spelende kind in die levensfase de voor­waarde schept voor latere gezondheid, werklust en bedachtzaam handelen. Niet in de eerste plaats voor cognitieve vermogens later. Dat zou eenzijdig, dun-op-de-draad en eigenlijk bele­digend moeten worden gevonden, zijnde een ontkenning van de totaliteit van het kinderwezen.
Met betrekking tot het spel op de kleuterschool gaf Rudolf Steiner het advies om arbeid van volwassenen te metamorfoseren tot een kinderspel. Het blijkt een belangrijke pedagogische activiteit te zijn arbeid van volwassenen in kinderspel om te zetten. De volwassene, zoals reeds gezegd, moet zelf ook weer leren spelen; en leren het leven met een zelf verworven, nieuwe onbevangenheid te bezien.
Aldus te weten, hoe een kind speelt en hoe men het op de beste wijze kan laten spelen.
Het kleine kind heeft de nabootsingskracht als een oer-menselijk vermogen met de geboorte meegekregen. Nabootsingsdrang is de oervorm van leren.

Wel mag er de kanttekening bij gemaakt worden, dat nabootsing gebaseerd is op vertrouwen, liefde en goede wil. Nabootsing bij het kleine kind is volledig anti-autoritair: men kan nabootsing niet bevelen.

Zinvolle arbeid van volwassenen wordt door de kleuter met groot plezier meegedaan. Kleine spelen, bestaande uit nabootsen van bepaalde bewegingen bij de arbeid van volwassenen, gebracht in een ritme, begeleid door zang, kunnen gedaan worden en geven vele mogelijkheden. Wassen, strijken, begieten, harken, koken, bakken. Ook gebeurt het wel, dat kleuters echt kunnen helpen, wanneer een verjaars- of kersttaart voor de klas moet worden gebakken. De leidster gaat bij die werk-spelen in de beweging vóór. Ook bij het schilderen, boetseren of tekenen. Maar bij het vrije spel speelt zij niet mee. Zij neemt alle veranderingen goed waar, die in de loop van de tijd optreden. Welke grote veranderingen kan zij zien? Het doe-spel van de allereerste tijd, waarbij het kind de dingen in zijn macht tracht te krijgen en het eindeloze genieten van de eindeloze herhaling. Het kind beleeft immers het doen op zichzelf al als zinvol. Het gaat met de stofdoek over meubelen waarop geen stof ligt. Het verzamelen van stof is dus niet het doel. De fantasie-ontplooiing wordt duidelijk. Niet meer spelen de kinderen naast elkaar. Het samenspelen begint: Zij spelen met elkaar.
De keuze van het speelgoed is bijzonder belangrijk. Het moet van goed materiaal zijn, liefst geen metaal (te koud) of plastic (te gladjes), het speelgoed moet smaakvol, maar niet af zijn. Geen metalen treintjes of auto’s waar elk onderdeel in miniatuur aanwezig is. Geen afschuwelijk ,mooi popje met knipperende oogjes, echt haar en wimpertjes, avondschoentjes en wat niet al. Het affe is geheel uitgevormd en doet daardoor ouwelijk aan. Het bederft de gezonde fantasie, het kindje kan er van zich uit niets meer “bij doen”. Dat is niet alleen jammer maar ook schadelijk.
.

*Dit ben ik niet met de schrijver eens. Steiner heeft over het belang van het spel, over spel en ernst, spel en arbeid, spel en vrijheid gesproken, maar niet in samenhang met de structuur van het leerplan.

voor lichaam, ziel en geest; denken, voelen, willen:
antroposofie, een inspiratie
Algemene menskunde: voordracht [1]  [2]

over ‘uitgevormd‘: karakteriseren i.p.v. definiëren

opspattend grind: spel

Erica Ritzema

spel: alle artikelen

.

603-553

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (4)

.

In ‘Rudolf Steiner over kinderbespreking’ is een aantal malen sprake geweest van ‘waarnemen’. ‘Onbevangen en intens, fijnzinnig – dat bijna letterlijk kan worden genomen: precies, ‘fijntjes’ in de zintuiglijke waarneming.

In deel 3 van deze artikelenreeks staan de voornaamste opmerkingen van Steiner over het bleek eruit zien van kinderen door een overbelasting van het geheugen. Daarbij noemt hij ook als tegenstelling: het te veel blozen, rood worden.

Ook daarop wil hij de vrijeschoolleerkracht wijzen:

Oder man habe einen Knaben vor sich, den man wiederum von einem gewissen Punkte an unterrichtet hat. Der zeigt für ein feineres Bemerken nach einiger Zeit, daß er leise errötet. Nicht Schamröte kommt ihm, sondern ein mit seinen ganzen Gesundheitsverhältnissen zusammenhängendes Erröten kann man bemerken. Das braucht nicht robust aufzutreten, sondern in intimer Beobachtung enthüllt sich: der Knabe ist einfach jetzt von rötlicherer Hautfarbe, als er sie vorher gehabt hat. Natürlich können wieder alle möglichen Veranlassungen dazu da sein; aber das wird sich ja für eine gesunde Erziehungs- und Unterrichtskunst im einzelnen herausstellen. Aber es kann der Fall vor­Liegen, daß ich gerade diesem Knaben in bezug auf das Erinnerungs­vermögen zuwenig zugemutet habe, daß ich zuwenig appelliert habe an sein Erinnerungsvermögen. Dadurch ist er zum Erröten gekommen, und ich muß das nach einer anderen Seite ausbessern, indem ich nun anfange, seine Erinnerungsfähigkeit in Anspruch zu nehmen. Und wieder gibt es eine Steigerung desjenigen, was einem da entgegentritt im, ich möchte sagen, milden Erröten. Das nächste ist nämlich ein Seelisches: der Knabe bekommt leise, aber als Anlage schon bedeutende Zornanwandlungen, Wutanwandlungen. Es ist durchaus ein Zusammenhang möglich, daß aus einem Leerbleiben der Erinnerungsfähigkeit ein Kind zu Zornanwandlungen, zu krankhaften leisen Wutausbrüchen kommt, die wiederum in schädlicher Weise auf den Organismus zurückwirken; denn das Geistig-Seelische ist beim Menschen zwischen der Geburt und dem Tode fortwährend in Wechselwirkung mit dem Physisch-Leib­lichen.
Und die höchste Steigerung, die dadurch kommen kann, ist diese, daß das betreffende Kind zu einer Steigerung, zu einem Unregel­mäßigwerden seiner Atmung, seiner Blutzirkulation kommt. Ich kann sogar nach dieser Richtung hin ganz schlimme Anlagen in das Kind ver­setzen, wenn ich mich nicht zurechtfinde in dem, was sich da zunächst im Rötlicherwerden der Hautfarbe, nachher in den leisen Zorn- und Wutanwandlungen, und dann in einem leise gesteigerten Atmungs- und Zirkulationsprozesse ausdrückt.

Je hebt bv. een jongen voor je die je vanaf een bepaald ogenblik les hebt gegeven. Voor wie hem fijnzinnig waarneemt, blijkt na een bepaalde tijd dat hij makkelijk bloost. Je merkt dat het geen schaamrood is, maar een blozen dat met zijn totale gezondheidstoestand samenhangt. Dat hoeft niet krachtig te gebeuren, maar bij het fijnzinnig waarnemen wordt duidelijk: de jongen heeft simpelweg nu een rodere huidskleur dan hij daarvoor had. Natuurlijk kunnen daar weer alle mogelijke oorzaken voor zijn; dat zal voor een gezonde opvoedings- en onderwijskunst in detail moeten blijken. Maar het geval kan zich voordoen dat ik nu juist deze jongen met betrekking tot zijn geheugen te weinig heb aangesproken, dat ik te weinig een beroep heb gedaan op zijn vermogen tot herinneren. Daardoor is het blozen ontstaan en ik moet dat nu dus weer goed maken door te beginnen zijn vermogen tot herinneren aan te spreken. En weer zul je zien dat  – ik zou willen zeggen – dit matige blozen wat je daar ziet, sterker wordt. Wat volgt is namelijk iets in de ziel.
De jongen krijgt, nog niet heftig, maar in aanleg al duidelijke vlagen van boosheid, van kwaadzijn. Er bestaat toch een mogelijke samenhang tussen het herinneringsvermogen dat niet aangesproken wordt en het feit dat een kind vlagen van boosheid krijgt, niet heftig, maar toch ‘krankhaft’ (in de zin van in deel 1 besproken ‘bandbreedte’) die weer op een schadelijke manier inwerken op het organisme; want geest en ziel staan bij de mens tussen geboorte en dood voortdurend in wisselwerking met het fysiek-lijfelijke.
En de hoogste toename die daardoor kan optreden is dat bij het betreffende kind ademhaling en bloedcirculatie onregelmatiger worden.  Ik kan in deze richting zelfs heel slechte kiemen in het kind leggen wanneer ik geen greep krijg op wat eerst het roder worden van de huid is, daarna op wat matige vlagen van boos- en kwaadheid zijn en op wat zich dan matig geïntensiveerd in adem- en bloedsomloopprocessen uitdrukt.
GA 303 blz. 97
Gezondmakend onderwijs

Tief im innersten Seelischen sehen wir etwas heraufrücken im Kinde in diesem Lebensal­ter, das zuweilen an die Oberfläche tritt und nur in der richtigen Weise gedeutet werden muß.
Wir sehen zuweilen, wie das Kind errötet, errötet unter dem Einflusse gewisser Gemütsbewegungen. Das bedeutsamste Erröten ist das Erröten beim Schamgefühl. Ich meine das Schamgefühl nicht nur im engeren Sinne, wo es sich auf das Geschlechtliche bezieht, sondern ich meine das Schamgefühl im allerweitesten Sinne, wenn das Kind irgend etwas getan hat, was ihm so erscheinen kann nach dem System der Sympathien und Antipathien, die es entwickelt hat, daß es sich zu schämen hat, daß es sich gewissermaßen zurückzuziehen hat von der Welt. Dann schießt ihm dasjenige, was sein Wesen, sein Lebenswesen ausmacht, in die Periphe­rie; es verbirgt sich gewissermaßen hinter der Schamröte das eigentliche Seelenwesen.

Diep in het innerlijk van de ziel zien we in het kind van deze leeftijd (7-14) iets opkomen dat soms aan de oppervlakte verschijnt en dat wel op een goede manier verklaard moet worden.
We zien soms hoe het kind bloost, bloost onder invloed van bepaalde stemmingen. Het belangrijkste blozen is het blozen bij een gevoel van schaamte. Ik bedoel hier niet alleen het gevoel van schaamte in engere zin waarbij het gaat om het seksuele, maar ik bedoel het schaamtegevoel in de ruimste zin, wanneer het kind op de een of andere manier iets heeft gedaan wat voor hem dan iets is om zich voor te schamen, al naar gelang de sympathie en antipathie die het heeft ontwikkeld, iets om zich voor  in zekere zin uit de wereld terug te trekken. Dan dringt zijn wezen naar de periferie; de eigenlijke ziel verstopt zich achter het schaamrood.
GA 304 blz. 17
Niet vertaald

Oder der Lehrer hat ein anderes Kind vor sich sitzen: es wird nicht blaß, im Gegenteil, es bekommt eine auffallend rötere Farbe als früher, und es wird unwillig, es wird unruhig, es wird das, was man heute ein «nervöses» Kind nennt; es hält keine Disziplin, springt auf zur unrech­ten Zeit, kann also nicht leicht auf seinem Platze sitzen bleiben, will immerfort heraus- und hereinlaufen. Nun handelt es sich darum, daß man sich besinnen kann darauf, was diese moralischen Qualitäten bei diesem Kinde hervorgebracht hat. Und siehe da, man wird finden können – nicht in allen Fällen, es sind die Fälle eben sehr individuell, sie müssen eben auf individueller Menschenerkenntnis beruhen können, wenn man sie erkennen will, und das, was man über sie erkennen will, muß auf individueller Menschenerkenntnis beruhen -, da wird man sich überzeugen, wenn man sich auf das, was geschehen ist, besinnt: man hat dem Kinde zuwenig an Gedächtnisstoff zugemutet, das kann auch sein, denn das eine Kind braucht so viel, das andere nur so viel. Wenn man solch ein Kind hat, wie das zuletzt erwähnte, das unruhig wird, das nicht blaß wird, sondern im Gegenteil etwas röter wird, so kann man an allerlei Maßregeln denken, aber man muß, wenn man dem Kinde helfen will, auf das Richtige kommen. Und das Richtige verbirgt sich hier sehr stark. Wer nämlich Menschenerkenntnis haben will, darf sie nicht nur haben für den Menschen vom siebenten bis vierzehnten Jahre, während er in die Volksschule geht, sondern gar manches, was zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre sich abspielt, das erfüllt sich erst in viel späterer Zeit. Dieses Kind, das du so erziehst, daß du ihm zuwenig Gedächtnismaterial gibst, das bereitest du dazu vor, daß es ungefähr im fünfundvierzigsten Jahr an einer Fettschicht, die über dem Herzen liegt, ungeheuer schwierige Krankheitszustände durchmacht. Und das muß man auch wissen, was geistig-seelische Erziehung erst nach Jahrzehnten am Menschen unter Umständen  erzeugen kann.

Of de leerkracht heeft een kind voor zich zitten: het trekt niet wit weg, in tegendeel, het krijgt een opvallend rodere kleur dan vroeger en het wordt dwars, het wordt onrustig, het wordt, wat men tegenwoordig (1924) een ‘nerveus’ kind noemt; het houdt zich niet aan orde, springt op ongelegen ogenblikken op, het kan niet gemakkelijk op zijn plaats blijven zitten, het wil steeds in- en uitlopen. Nu gaat het erom dat je kan nadenken over wat deze morele kwaliteiten bij het kind veroorzaakt heeft. En dan zul je kunnen vinden – niet in alle gevallen – de gevallen zijn zeer individueel, die moeten dus op individuele mensenkennis berusten wil je ze leren kennen , wat je ervan weten wil moet op individuele mensenkennis berusten – daar zul je tot de overtuiging komen, wanneer je nadenkt over wat er gebeurd is: dat kind heeft te weinig geheugenstof gekregen, dat kan zo zijn, want het ene kind heeft zoveel nodig, het andere maar zoveel.
Als je zo’n kind hebt als het laatst genoemde, dat onrustig wordt, dat niet bleek wordt, maar integendeel wat roder, dan kun je aan allerlei maatregelen denken, maar je moet, wil je het kind helpen, wel op het juiste komen. En het juiste zit hier nogal sterk verborgen. Wie namelijk over mensenkennis wil kunnen vervoegen, mag deze niet alleen maar hebben voor de mens tussen het zevende en het veertiende jaar gedurende de basisschooltijd, want heel veel wat zich tussen het zevende en het veertiende jaar afspeelt, komt pas op een veel latere leeftijd te voorschijn. Dit kind dat je zo opvoedt dat je het te weinig geheugenmateriaal geeft, stel je bloot aan het moeten doormaken van een zeer zware ziekte, veroorzaakt door een vetlaag over het hart, wanneer het zo ongeveer vijfenveertig jaar is. Je moet wel weten wat een opvoeding met betrekking tot de ziel en de geest pas na tientallen onder bepaalde omstandigheden kan veroorzaken.
 GA 304a blz. 150
Niet vertaald

Wenn man wieder zu wenig das Gedächtnis belastet, dann entstehen sehr leicht, namentlich schon zwischen dem 16. und 24.Jahre, empfindliche Zustände in dem Organismus.

Wanneer je weer te weinig het geheugen belast, ontstaan er heel gemakkelijk, namelijk al tussen het 16e en 24e jaar situaties in het organisme waarbij je voor iets vatbaar bent.
GA 305 blz. 108
Vertaald:
voordracht 1 t/m/ 9 Opvoeding en onderwijs
.

Om waar te nemen dat het ene kind er blozender uitziet dan het andere of dat een kind soms bleker ziet dan normaal, is niet eens zo moeilijk. Dat het kind dat snel boos is – vaak met een cholerische aanleg – daarbij rood wordt, kunnen we makkelijk waarnemen. Ook de taal heeft zijn uitdrukkingen voor dit menselijke verschijnsel: rood aanlopen van woede; lijkwit zien van angst.
Veel moeilijker is de samenhang te doorzien die Steiner hier beschrijft tussen opvoeding en ziekte, vooral als het gaat om ‘op latere leeftijd’. Misschien moeten we die samenhang zoeken in het feit dat iets wat je eerst gevoelsmatig of mentaal (langdurig) hebt meegemaakt of ondergaan, zich op (veel) latere leeftijd uit in een veel meer fysieke kwaal. En wat betekent hier ‘erfelijkheid’.

Fysiotherapeuten weten uit ervaring dat iemand die jaren figuurlijk te veel op zijn schouders heeft genomen of op zijn nek gekregen, juist daar de pijn krijgt.

Maar, de samenhang van een te weinig belast geheugen en een hartkwaal te doorzien, is veel moeilijker, zo niet onmogelijk. 
In de jaren twintig van de vorige eeuw zei Steiner ook weleens dat het denken beter wordt, als de handen activiteit verrichten, zoals breien bv. Daar werd toen ‘raar’ tegenaan gekeken. Tegenwoordig – met alle hersenonderzoeken  – is de samenhang ‘hand-denken’ al verschillende keren aangetoond – zie ‘handen en intelligentie .

Wellicht zal (ooit) in de toekomst iets op de samenhang ‘hart en geheugen’ wijzen. In de taal vind je bepaalde uitdrukkingen: o.a.
to learn by heart; Maria bewaarde al deze dingen in haar hart.

Veel verder gaat het niet. Ondanks dat blijft wel de uitdaging bestaan waarvoor Steiner de leerkracht stelt: neem onbevangen en intens waar. 

.

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs  [1]    [2]  [3]

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

602-552

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Spel – alle artikelen

.
OVER BEPAALDE SPELLEN

[1-1]  Het spel en de knikkers
Marieke Anschütz over: spel n.a.v. Pieter Breugel de Oude; wat is spel, spelen; overwinnen hindernissen; leren verliezen; wat haal je in huis? kwartet, ganzenbord, regels; 

[1-2] Knikkeren
Rimbert Moeskops over: de knikkertijd; wat gebeurt er allemaal; aanknopen bij rekenen; geld; morele aspecten.

[1-3-1] Het ganzenbordspel als beeld van de werkelijkheid
Bert Voorhoeve over: betekenis van het ganzenbord; de 7 stadia: brug, doolhof enz. Hoe kun je erover ‘filosoferen’ tegen de achtergrond van het leven.

[1-3-2] Het ganzenbord
N.a.v. Mellie Uyldert over: betekenis van het ganzenbord; de 7 stadia: brug, doolhof enz. Hoe kun je erover ‘filosoferen’ tegen de achtergrond van het leven.

[1-4] Dobbelstenen
C. Wilkeshuis over: dobbelsteen; ganzenbord.

 

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

vliegeren

 

HET WEZEN VAN HET SPEL

[2-1] Spel en werk
Irmgard Berger over: de ernst van het spel; spel en werk; speelgewoonte i.p.v. ‘speeluurtje’; spel bij kleuters; spel en volwassenheid

[2-2] Spel op de vrijescholen
P.C. Veltman over: wezen van het spel; wezen van het kleine kind; ernst van het spel; nabootsing

[2-3] Kinderspel, een serieuze aangelegenheid
Etty Feringa over: spel als voedingsbasis voor later; ernst van het spel; materialen; soort speelgoed; fantasie en spel en later; nabootsing: de werkelijkheid wordt nagedaan.

[24] Het spel van het kind
Elisabeth Klein over: spel als voorwaarde voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

[2-5] Meer ruimte voor vrij spel
Louise Berkhout
over: spel: fantasie-, sensopathisch, motorisch, vrij spel; psychosociale gezondheid; tijd en ruimte nodig; vitaliteit.

[2-6/1] Spel
Wouter Drewes over: bij de kleuter; ritmische activiteit, fantasie, scheppingskracht; bij het basisschoolkind;verandert het karakter; waarom geen gymnastiek in klas 1 en 2?; 

[2-6/2] Spel en sport
Wouter Drewes over: spel en sport: de verschillen; balspelen: hand- voetbal; hockey; het ontstaan van deze sporten; Steiner over sport; ‘voetbal is oorlog’

[2-7] Spel
Margreet van Waning over: observatie van haar spelende kind; fantasie; hij herkent zichzelf 

[2-8] Spel
Het binnenstebuiten over: waarom belangrijk; Schiller over spel.

[2-9] Kinderspel als opvoedingsmiddel
Henk Sweers over: kringspel; krui-kruiwagentje; samenhang met carnaval; ontwikkeling kind, Ik.

[2-10] De werkelijkheid van het kinderspel
Henk Sweers over: nabootsing; belang kinderspel; klein Anna zat op ene steen (uitleg); Mellie Uyldert over dit spel.

[2-11] Een Noorse aanpak ter ondersteuning van risicovol spel bij kinderen
Een studie over de waarde van risicovol spel. Laat kinderen hun eigen grenzen vinden.

LEREN I.P.V. SPELEN?

[3-1] Kleuters leren meer van spel dan van school
Sieneke Goorhuis over spel en spelen in de kenniseconomie.

[3-2] Laat dat kind toch lekker spelen
Ditty Eimers over: Peter Gray; Sieneke Groothuis en Louise Berkhout over het belang van spelen voor de ontwikkeling van een kind.

[3-3] De kleuter en het spel
Annerieke Bolandover: 
kleuter is geen schoolkind‘leren’ gebeurt in spel; hoe kijk je naar een jong kind; spelen is ontwikkelen; betrokken zijn op het kind.

KRINGSPELEN

[4-1] Kinderspelen en jaargetijden
A.J.Miedaner
over: leven- en doodskrachten in de natuur; opbouwen en afbreken; ‘In Holland staat een huis’; knikkeren; touwtjespringen; vliegeren; tollen.

SPEELGOED

[5-1] Speelgoed
Annet Schukking over: op aarde komen; zintuigen; nabootsingsdrang; fantasie; materialen

[5-2] Het spelen – het spel – het speelgoed
A.J.Miedaner
over: de ‘onvolmaakte’ pop; huilende pop; Jan Klaassen; over poppenkastpoppen

[5-3/1] Speelgoed
Dorry
over: cadeautjes voor de kleine schoen; ideeën voor geschenken vanaf 1 jr – 6jr. O.a. vredesbeweging over: lijst met allerlei suggesties voor speelgoed voor de leeftijd 0 – 10jr.

[5-4/1] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter
over: wat is spel; wat is speelgoed; behoefte van kind als uitgangspunt; voorbeelden daarvan; invloed reclame;

[5-4/2] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter over: spelruimte geven; spelbelemmeringen; hoe speelgoed kiezen; 

[5-4/3] Spel en speelgoed
Drs. H.G.M.Daeter over: verveling en vervreemding; media en consumptie in relatie met spel en speelgoed; uitgangspunten voor de keuze van speelgoed

[5-5] Spel en speelgoed
Rudolf Steiner over: het belang van beweegbare wandplaten. Met voorbeelden.

[5-6] Wat is educatief speelgoed
Loïs Eijgenraam over: wat is speelgoed: visies op spel; educatief speelgoed versus speelmateriaal: van buitenaf, van binnenuit.
.

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

.

601-551

.

VRIJESCHOOL – Spel (2-1)

.

Irmgard Berger, vertaling Caroline Bos-Everts, Jonas 12 20-04-1979
.

Spel en werk
.

Een volwassen mens kijkt naar een spelend kind en glimlacht. Hij herkent zichzelf in de houding en de woordjes van dat kind, dat helemaal in zijn spel verdiept is.

Het heeft een stoel ondersteboven ge­zet en met een kleur van inspanning doet het daarop de was. Op een was­bord dat er niet is, schrobt het lucht en pakt het zeep en een borstel van lucht. Het zucht van inspanning. Snel wendt de volwassene zich af. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het spel van het kind. Maar als we aan het kind vragen: ‘Wat doe je eigenlijk?’ dan zal het, net als wijzelf, antwoorden: Ik werk!’ [1]
Wat is nu spel, en wat is werk? Voor een volwassene is alles wat nodig is om aan bepaalde behoeften te vol­doen, werk. Wat hij doet, doet hij om­dat het nuttig en doelmatig is. Maar in het spel van een kind bestaan die voorstellingen niet. Al het spelen is voor het kind: vreugde om te doen. Zo is in de ogen van volwassenen het bezig zijn van een kind, spel. Het kind zelf echter neemt zijn spelen net zo ernstig en belangrijk op, als een volwas­sene zijn werk. Hij gaat helemaal op in zijn spel. Maar een kleuter kan alleen maar spelen als hij gestimuleerd wordt door mensen in zijn omgeving, die met vreugde werken. Zo nauw hangen spel en werk samen. Waarom?

In de eerste periode van zeven jaar be­leeft het kind het geestelijk-psychische van zijn omgeving, dus ook hoe de mensen bezig zijn met hun werk. Dit is een kracht die in het kind beweging losmaakt, dat wil zeggen die het kind nabootsend in zich opneemt en, spe­lend bezig, weer naar buiten kan bren­gen. Het kind leert daarbij de mensen in zijn omgeving kennen, het oefent zijn ledematen en gaat zich met zijn ik ermee verbinden. Dat betekent werk ten opzichte van zijn ontwikkeling: werken aan zichzelf, dat in tegenstel­ling met het werken van volwassenen, nog niet uiterlijk nuttig is. Menselijke werkzaamheid is voor het kind een sti­mulans om te spelen, het brengt hem in beweging, en de eigen beweging stimuleert weer zijn groei en zijn ont­wikkeling. De kleuter is niet vrij in het in-zich-opnemen van menselijke werk­zaamheid, maar wel is hij vrij in het naar-buiten-spelen ervan. Dit laatste kan op een heel ander tijdstip uit het eerste voortkomen, en de werkzaam­heid ervan kan door het ik van het kind individueel zeer verschillend tot uiting komen. Echt spel moet eigenlijk altijd voortkomen uit direct deelne­men aan het leven. In de kleuterklas kan er dan ook geen ‘speeluurtje’ zijn, maar alleen een speel-gewoonte. Het spel moet altijd uit plezier en vreugde voortkomen, dan is het ik van het kind er in betrokken. Het wordt an­ders tot een bezig-zijn, wat net zo ver­moeiend is als het werken-zonder-plezier voor een volwassene: het werkt verlammend op zijn zieleleven en schept geen relatie tussen het ik en de ledematen.

Voor volwassenen is er een werktijd; bij het kind gaat het er in de eerste
pe­riode van zeven jaar om, of zijn omge­ving hem bewegelijk genoeg kan
op­vangen. Een kind zal, als dat zo uit­komt, uit zijn spel worden weggeroe­pen, maar het zal er daarna weer met evenveel plezier in terugkruipen. Het kind leeft in het ogenblik. Daar­door kan het op deze leeftijd nog niet zelfstandig in drie fases (voorbereiding, uitvoering, afwerking) werk ten uit­voer brengen. Voortdurend maakt het sprongen omdat het kind naar zijn aard altijd met het doen te maken wil hebben.

Dit in-het-ogenblik-leven is goed waar te nemen in de verschillende speelfases van de kleuter. In het begin is al het spelen alleen maar zich bewegen. Een kind van drie jaar dat op een omge­keerde stoel de was doet, zal al gauw die stoel tot een bed of iets anders omtoveren. Zijn spel verandert voort­durend. Langzamerhand blijft hij meer bij één ding en daarbij zoekt hij ook in toenemende mate naar meer adequate meubels. Maar wat er altijd bij hoort: vol vreugde doet zijn hele lichaam eraan mee.

Werk van een volwassene kan bepaald worden door behoeften; kleuterspel kan überhaupt nooit worden bepaald zonder dat dat een ongezonde terug­slag op het kind zou hebben.

Alle leer- en gedragsspelletjes vereisen dat het kind zich rustig gedraagt, dat het oplet. Het zijn kunstmatig gescha­pen ‘spel’-situaties, die losstaan van het directe leven. De volwassene ver­langt daarbij dat het kind zich iets voorstelt, en doordat hij zelf in abstracte voorstellingen leeft en die wil overdragen, is zijn uitwerking op het kind navenant. Voor het kind is dit een opzettelijk onderdrukken van zijn bewegingsdrang, wat pas op zijn plaats is in de tweede periode van zeven jaar, na het afsluiten van bepaalde groei- en ontwikkelingsprocessen. Voorstellende activiteit zou pas lang­zamerhand op de lagere school mogen worden verlangd, zoals spelen via de liefde voor de leerkracht in werken overgaat. Door de liefde voor de leer­kracht wordt leerdwang tot vreugde, en meer en meer tot arbeidsvreugde. Die arbeidsvreugde wordt groter naar­mate er een beroep op wordt gedaan, zoals anderzijds nu de groei- en rij­pingsprocessen in de ontwikkeling van het kind tot een einde komen. In de schooltijd zoekt het kind het samen spelen met leeftijdgenootjes, de ge­meenschap. Het kind kan zijn indivi­dualiteit nu invoegen in een geheel en zijn bewegingsdrang intomen, waar­door hij wakkerder is voor zijn omge­ving.

Zo metamorfoseren zich spelen en leren in de verschillende ritmen die aan de ontwikkeling inherent zijn. Na het eenentwintigste jaar, nadat de opgroeiende mens zijn eerste ervarin­gen met eigen inzicht heeft opgedaan, kan het ik zich actief gaan instellen op wat sociaal nodig is. De bewegelijk­heid in het spel, die via plezier-in-het-leren tot liefde voor werk leidde, doet een positieve instelling ontstaan ten opzichte van situaties waarin de mens nodig kan zijn. Noodzakelijk werk kan worden aangepakt zonder dat daartoe in de eerste plaats beleefd wordt dat men afstand van iets moet doen. Uit bewust persoonlijk verantwoordelijk­heidsgevoel en met begrip zal zich de jonge mens in allerlei levenssituaties willen inleven. Hij zal daarbij nieuwe dingen leren en hij zal de wisselwer­king  tussen zijn werkzaamheid en zichzelf, en ook die tussen zijn werk­zaamheid en zijn omgeving ervaren. Deze ervaring zal het hem mogelijk kunnen maken om op ieder moment van het leven waarop dat nodig is, te beschikken over een positieve instelling. Maar de mens moet dit bewust willen. Dan kan liefde tot het werk – die bewust in het ik is ontstaan -rijpen tot de mooiste vrucht van echt kinderlijk spelen.

[1]ik speel niet ik werk 1

            ↑ ‘Ik speel niet: ik werk’ ↓

ik speel niet ik werk 2

.
Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grind: over spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.

600-551

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Spel (1-1)

.

Marieke Anschütz, Jonas 09-01-1981
.

Het spel en de knikkers

Er is een verrukkelijk schilderij van Pieter Breughel de Oude waarop hij alle spelletjes die er in zijn tijd werden gespeeld, heeft uit­gebeeld. De kunsthistorici hebben ze zelfs geteld: het zouden er 84 zijn, van bellen blazen tot bruiloftje spelen toe. Er is slechts een enkel kind dat alleen speelt, verreweg de meeste spelen met elkaar. Ik dacht niet, dat het de schilder erom te doen was voor later tijden een verzameling aan te leggen van de toen bekende spelen. Het is meer of Breughel wil zeggen: kijk, zoals de kinderen spelen lijkt op wat er gebeurt in de samenleving van de volwassenen. Ze oefenen zich in het spel voor later. Maar wat wordt dan geoefend?

Het behoort, dacht ik, tot het wezen van het spel dat het geen doel in zichzelf kent. In principe kan het eindeloos duren en je kunt steeds weer opnieuw beginnen. Het eerste wat je zo globaal over de meer gerichte spe­len kunt zeggen, is dat de natuurlijke drang tot bewegen door allerlei onderlinge afspra­ken gekanaliseerd en gereguleerd wordt. Het tweede is, dat bij elk spel bepaalde hindernis­sen genomen moeten worden, voordat je ver­der kunt, en vaak lijkt het of de zin van het spel, van het spelen in het algemeen, ligt in —het overwinnen van die hindernissen, steeds weer, zodat je al oefenend behendiger wordt. Bij bokspringen moet je je aanloop goed be­rekenen en hoog genoeg springen, anders bots je tegen ‘de bok’ aan of blijf je steken op zijn rug! Het kind heeft een stuk zekerheid en zelfvertrouwen veroverd als het na een tijdje merkt dat het gaat, dat zijn afzet sterk ge­noeg is om over de hindernis heen te komen. Het overwinnen van jezelf is zowel naar bui­ten als naar binnen toe steeds in wording, het is nooit af, er komen steeds weer nieuwe hindernissen die genomen moeten worden, en dat ervaart een gezond kind ook als reëel. Weerstanden zijn er om overwonnen te wor­den. Zo is het leven, of misschien kun je nog beter zeggen: dat is leven!

Wanneer begint een kind te spelen? Je zou kunnen zeggen: vanaf de zesde week. Dan wordt het kind wakker voor zijn omgeving, het ontdekt zijn eigen handjes en het maakt het eerste sociale contact. De ernstige blik van de ogen wordt doorbroken door dat eer­ste schattige lachje dat meestal de moeder geldt. En nog voordat het eerste jaar voorbij is, hebben moeder en kind een spelletje ont­dekt dat in allerlei vormen het hele verdere kinderleven even verrukkelijk blijft: dat is het kiekeboespelletje, dat later ‘verstoppertje’ heet, en nog veel later ‘spoken’. Een spel van zichtbaar en onzichtbaar, van licht en duister.

Winnen en verliezen

Ieder voorjaar wordt er verwoed geknikkerd op het schoolplein. Er is geen spel waarbij je zo goed leert verliezen, en leert om verstan­dig met je bezit om te gaan. Er zijn kinderen die al gauw afstand kunnen nemen van dat felle gebeuren van winnen en verliezen. Zij bewaren zuinig enkele mooie stuiters en met de rest wagen ze telkens een gokje. Ze knik­keren echt om het spel. Er zijn echter ook kinderen die ervan bezeten zijn. Het zijn al­tijd jongens en het zijn meestal niet de beste verliezers. Een jongen van acht had een enor­me zak knikkers verzameld. Ook zijn zak­centjes werden in knikkers omgezet. Hij knik­kerde bij het leven, het liet hem weken lang niet meer los. Maar o, wat zijn er een tranen gevloeid in dat voorjaar! De jongen knikker­de goed en hij won vaak, maar hij nam het op tegen iedereen, en daardoor verloor hij minstens evenveel, en dan was er bitter ver­driet. Het hielp niet als je wees op die grote zak vol knikkers. Iedere verloren stuiter was er één. Hij heeft toen in het groot gewonnen, maar ook in het groot leren verliezen. Want het volgende voorjaar speelde hij veel bedachtzamer, en kon beter afstand nemen van winst en verlies.

Binnen spelen

Vanaf het zesde jaar kan een kind er inner­lijk tegen om zo zoetjes aan te leren verlie­zen. Bij spelletjes worden ze voor vol aange­zien en mogen op eigen kracht meedoen. Het aloude ganzenbord ,het levensspel’ vol hinder­nissen is nog steeds zeer geliefd en wordt be­slist niet alleen gespeeld op oudejaarsavond. Er bestaan variaties op het ganzenbord onder andere een oud tramspel en een treinenspel, beide uitgaven van het Nederlands
Spoorweg­museum in Utrecht.

Dan zijn er kwartetspelen in allerlei vormen. Een goed kwartet om mee te beginnen is een spel gebaseerd op kleuren, zodat kinderen die niet of nauwelijks kunnen lezen, toch mee kunnen doen. ‘Mijn eerste kwartet’ is goed doordacht en verzorgd van tekening en kleur. Dat soort kwartetten moet je met een lantarentje zoeken, want de meeste dieren-, bloemen-, steden- of sport-kwartetspelen zijn volmaakt willekeurig samengesteld. Er is geen enkele lijn in te ontdekken, maar je kunt er wel mee spelen. Zowel met kwartet­spelen als met ganzenborden leer je op een elegante manier verliezen, want je bent niet de enige verliezer.

Haal niet teveel spelletjes tegelijk je huis in. Dat heeft geen zin, net zo min als met speel­goed. Liever eerst een enkele, zoals huisje­-boompje-beestje, een eenvoudige plaatjesdo­mino van karton of hout en zo’n eerste kwartetspel. Als je deze eerst vele malen met de kinderen hebt gespeeld, dan zijn alle va­riaties daarop later gemakkelijker herkenbaar. In vakanties of op hoogtijdagen wordt dan langzamerhand de voorraad aangevuld.

Samen doen

Telkens weer merk ik hoe belangrijk het is, dat je als ouders een nieuw spel inzet met de kinderen samen. Niet in de trant van: ‘Dat zal ik jullie wel even voordoen’, maar meer: ‘Mag ik meedoen? Want ik wil het ook leren kennen’. Als een oudere erbij is, worden de regels van het spel direct goed voor iedereen duidelijk, zodat daar nooit ruzie over behoeft te ontstaan. Later maken de kinderen er wel variaties op, maar altijd uitgaande van die vaste, vertrouwde regels. Als je het al niet wist, dan kun je het aan de spelletjes merken dat ieder kind behoefte heeft aan vaste regels en goede gewoonten, als een vaste grond onder zijn voeten. Het geeft een kind zelfver­trouwen en een rustige kern van waaruit de wereld wordt verkend.

Je doet echter meer ontdekkingen. De kinde­ren spelen alles mee, maar uiten ook langza­merhand hun voorkeur voor bepaalde spel­letjes. Soms kun je het zelfs omdraaien: be­paalde spelletjes zijn goed voor een bepaald kind. Dat heb ik ervaren met dat geliefde én verguisde spel Monopoly. Het omgaan met veel, bijna echt geld zoals in Monopoly aan de orde is, heeft een onschuldig voorstadium: het winkeltje spelen. Dat begon in ons gezin, toen onze oudste dochter op haar vijfde ver­jaardag een winkeltje kreeg, gemaakt van een grote houten kist, met schapjes en laden en een langwerpig houten blok als toonbank, al­les gezellig bruin en groen geschilderd. Er was een weegschaal, puntzakjes, allerlei bak­jes en roodgeruite zakjes met ‘levensmidde­len’ tot en met de winkelbel toe. Het verhan­delen zelf gaat eerst in natura, met eikels en kastanjes, maar al gauw wordt er geld ge­maakt, getekend en uitgeknipt. In een latere fase wordt al het speelgoed tentoongesteld en geprijsd. Daar zijn ze werkelijk uren mee bezig. Op den duur verzamelde ik een spe­ciaal zakje buitenlandse munten, waarmee nog veel ‘echter’ gespeeld kon worden. Het is nu een beetje over, want ze zijn nu al zo groot dat ze een kleine hoeveelheid zakgeld mogen beheren. Die intensieve speelperiode heeft echter goed gewerkt. Een van de kinderen bleek van meet af aan sterk geboeid te worden door dat gegoochel met kleine en grote bedragen aan geld. Uitge­rekend dat kind krijgt op zijn negende ver­jaardag Monopoly cadeau. Hij had het leren kennen bij vriendjes, het was een openlijke wens geworden. Het is geen gemakkelijk spel en aanvankelijk ontstond steeds weer ruzie, omdat de regels niet duidelijk waren. Totdat vader kort daarna de tijd nam om een hele zondagmiddag met dit kind Monopoly te spe­len. De jongen heeft het er nog over: ‘Pappa en ik hebben toen vier en een half uur gespeeld!’ Hij heeft zich helemaal kunnen uitleven in de enorme getallen en de vele papie­ren en gewichtige kaarten. Hij kent nu niet alleen grondig de regels, maar zijn lust in gro­te getallen is geheel bevredigd. Hij kan nu af­stand nemen, hij doorziet het spel tot op ze­kere hoogte, zelfs in de negatieve kanten, en hij ziet ook ineens de andere speler als mede­speler. In het begin had hij geen geduld met een zusje dat minder vlot rekende dan hij. Nu legt hij het rustig uit of wijst de ander een weg om er ook te komen.

Zaterdagavond

Er zijn gezinnen waar de zaterdagavond ge­wijd is aan bezigheden die je gezamenlijk met het hele gezin kunt doen. Met jongere kinde­ren zijn allerlei soorten spelletjes erg geschikt daarvoor. Er wordt ook wel op andere ma­nieren geprobeerd met elkaar iets te doen. Toch moet je oppassen, dacht ik, dat je zo’n avond niet teveel vastlegt. Als jijzelf vindt dat er iets moet gebeuren met elkaar, heb je de neiging te snel in een bepaalde vorm te schie­ten en die te herhalen. Je zou eigenlijk de durf moeten hebben niet teveel te organise­ren en het te beschouwen als een oefening in het ‘spelen’ met elkaar in de ruimste zin van het woord.

In welke vorm dat gebeurt is minder belang­rijk, want de grondgedachte is: samen iets la­ten ontstaan, met groot en klein. Als moeder kan je dan proberen de juiste stemming op te roepen waarin iets kan ontstaan. Je bent de hele week onderweg geweest, ieder dook onder in de eigen beslommeringen. En dan, aan het eind van die zeven dagen, op de drempel van een nieuwe week, nemen we even afstand van die wereld daarbuiten. We kijken rond in die kleine kring van het gezin, ons ‘uitgangspunt’, en we stellen de vraag: ‘Waar ben je? Hier ben ik’, zoals Niels Holgersson de wilde ganzen riep. Je vraagt naar de ander en je geeft jezelf. Dan kan een beweeglijke vorm ontstaan, en juist die be­weeglijkheid binnen de orde van een aantal regels lijkt mij wezenlijk voor het spel.
.

Rudolf Steiner: over spel

Opspattend grindover spel: nr. 16, 19, 29, 53, 59, 68

spel: alle artikelen

.
599-550

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Madame Curie

.

DE TRIOMF VAN MADAME CURIE

In het najaar van 1891 liet een Pools meisje, Marya Sklodowska, zich vol gespannen verwachting inschrijven bij de faculteit van de wis- en natuurkunde van de Sorbonne-universiteit te Parijs. Als de mannelijke studenten in de gangen dat ver­legen meisje met haar vastberaden gezichtje en haar eenvoudige, haast schamele kleding tegenkwamen, vroegen ze vaak: “Wie is dat?” Maar het antwoord was vaag. “Een buitenlandse met een onuitspreekbare naam. Op natuurkundecolleges zit ze altijd vooraan.”
Dan oogden de jongelui haar sierlijke figuurtje na en besloten: “Mooi haar!” Heel lang waren het asblonde haar en het typisch Slavische gezichtje het enige waaraan de studenten van de Sorbonne hun bedeesde medestudente herkenden.

Maar dat meisje was allerminst geïnteresseerd in jongemannen. Ze werd geheel in beslag genomen door haar studie en werkte koortsachtig. Voor haar was elke minuut dat ze niet studeerde ver­loren tijd. Marie Sklodowska was te verlegen om vriendschap te sluiten met de Fransen en zocht haar toevlucht bij de kleine kolonie van haar landgenoten, die een eilandje van het vrije Polen vormden in het Quartier Latin, de studentenwijk van Parijs. Daar leefde ze uiterst sober en wijdde zich uitsluitend aan haar studie. Haar inkomen was maar veertig roebel per maand, en bestond uit het geld dat ze in Polen had overgespaard van haar salaris als gouvernante, en de kleine toelage die haar vader, een onbekende maar zeer ontwikkelde leraar wis- en natuurkunde, haar kon sturen. Van dat kleine bedrag — drie francs per dag — moest ze haar kamer, eten, kleren en alle studiekosten betalen. Marie wilde nooit erkennen dat ze honger of kou leed. Om geen kolen te hoeven kopen, stak ze vaak de kachel niet aan, en ze schreef getallen en vergelijkingen op zonder erop te letten dat ze met verstijfde vingers zat te rillen. Weken achtereen leefde ze op niets dan boterhammen en thee. Als ze eens echt lekker wilde eten kocht ze twee eieren, of een stukje chocola of wat vruchten. Door die onvoldoende voeding kreeg het stevige frisse meisje dat een paar maanden tevoren uit Warschau was vertrokken, last van bloedarmoede. Vaak voelde ze zich duizelig als ze opstond. Dan kon ze nog maar net haar bed bereiken voor ze het bewustzijn verloor. Als ze dan weer bijkwam, dacht ze dat ze ziek was. Het kwam nooit bij haar op dat ondervoeding de oorzaak was.

Marie had op het programma van haar leven geen plaats open­gelaten voor liefde en huwelijk. Toen ze zesentwintig was hield ze, geheel beheerst door haar hartstocht voor de wetenschap, nog verbeten vast aan haar onafhankelijkheid. Toen kwam Pierre Curie in haar leven. Hij was een geniaal Frans natuurkundige, die zich met hart en ziel aan het wetenschappelijk onderzoek wijdde en op vijfendertigjarige leeftijd nog ongehuwd was. Hij was een lange man met slanke, gevoelige handen, een ruige baard en een zeldzaam intelligent, gedistingeerd voorkomen. In 1894 maakten ze met elkaar kennis op een laboratorium, en voelden zich on­middellijk tot elkaar aangetrokken. Pierre Curie ontdekte dat mademoiselle Sklodowska een hoogst merkwaardig persoontje was. Wat was het vreemd om met een charmante jonge vrouw te kunnen spreken en daarbij technische termen en ingewikkelde formules te kunnen bezigen . . . Wat was dat een genot!

Pierre Curie probeerde met haar op vriendschappelijke voet te komen. Hij vroeg verlof haar te mogen bezoeken. Ze ontving hem vriendelijk, maar gereserveerd, op haar kamertje. Nooit had Marie hem mooier toegeschenen dan daar op dat kale zolder­kamertje, met haar versleten japonnetje en met die vastberaden uitdrukking op haar gezicht. Wat Pierre zo aantrok in Marie was niet alleen de volkomen toewijding aan haar werk, maar ook haar moed en hoogstaand karakter. Een paar maanden later vroeg Pierre Curie haar ten huwelijk. Maar het scheen Marie Sklodowska ondenkbaar toe dat ze een Fransman zou trouwen en haar familie en haar geliefde Polen voorgoed verlaten. Er moesten nog tien maanden verlopen voor ze eindelijk het denkbeeld van een huwelijk kon aanvaarden. De eerste dagen van hun gemeen­schappelijke leven zwierven Pierre en Marie al fietsend over het platteland; die fietsen hadden ze gekocht van het geld dat ze als huwelijksgeschenk hadden gekregen. Ze aten brood met kaas en fruit, stapten af bij onbekende herbergen, en genoten van de lange verrukkelijke dagen van hun samenzijn-in-eenzaamheid die hun niet meer dan de nodige trapbewegingen en een paar francs logieskosten in het een of andere dorp kostten.

Het jonge paar betrok een bescheiden appartement aan de rue de la Glacière 24. De wanden waren er uitsluitend bekleed met boeken; er stonden verder twee stoelen en een withouten tafel. Op die tafel lagen boeken en artikelen over natuurkunde, er stond een olielamp en een vaas met bloemen — dat was alles. Langzamerhand werd Marie een betere huisvrouw. Ze bedacht gerechten die weinig bewerkelijk waren of die “vanzelf gaar werden.” Voordat ze wegging regelde Marie de vlam met weten­schappelijke nauwkeurigheid. Een kwartier later stond ze dan over ander vaatwerk gebogen en regelde de vlam van een brander in het laboratorium met dezelfde zorgvuldigheid.

In het tweede jaar van hun huwelijk werd hun dochtertje Irene geboren — een mooi kindje, en een toekomstige winnares van de Nobelprijs. Het kwam geen ogenblik bij Marie op dat ze zou moeten kiezen tussen haar gezin en haar wetenschappelijke loop­baan. Ze deed het huishouden, baadde haar dochtertje en zette het eten op, maar ze bleef ook op een laboratorium werken aan de belangrijkste ontdekking die tot die tijd in de moderne natuur­wetenschappen was gedaan.

Eind 1897 toonde de balans van Maries werkzaamheden twee universitaire graden, een studie-opdracht en een monografie over de magnetische eigenschappen van gehard staal. Haar volgende doel was: de doctorstitel. Toen ze een onderwerp voor haar dissertatie zocht, trok een recente publicatie van de Franse natuur­kundige Antoine Henri Becquerel haar aandacht. Becquerel had ontdekt dat uraniumzouten spontaan, zonder aan het licht te zijn blootgesteld, een onbekend soort stralen uitzenden. Wanneer men een stuk uraniumerts, in zwart papier gewikkeld, op een foto­grafische plaat legde, liet het door het papier heen een afdruk achter op de gevoelige plaat. Dat was de eerste waarneming van dat vreemde, merkwaardige verschijnsel, dat Marie later als radioactiviteit zou aanduiden; maar de aard van die straling en de ontstaanswijze waren nog onbekend. Pierre en Marie Curie werden gefascineerd door Becquerels ontdekking. Wat kon de bron zijn van de energie, die uraniumverbindingen voortdurend in de vorm van straling uitzenden? Dat beloofde een boeiend onderzoek te worden — een sprong in het onbekende!

Dank zij de directeur van een technische school, de École de Physique et de Ghimie industrielles, waar Pierre leraar was, mocht Marie daar voor haar proeven een kleine, gelijkvloers gelegen opslagruimte gebruiken. Het viel niet mee in dat hok wetenschappelijk onderzoek te verrichten, waar de atmosfeer fataal was, niet alleen voor de uiterst gevoelige precisie-instrumenten, maar ook voor de gezondheid van Marie Curie.

Toen ze al een heel eind op weg was met haar onderzoek naar de straling van uranium, ontdekte Marie dat de verbindingen van een ander element, thorium, eveneens spontaan stralen uitzenden gelijk aan die van uranium. Bovendien leek bij beide elementen de radioactiviteit heel wat sterker dan te verwachten was van de hoe­veelheid uranium of thorium, die de onderzochte monsters be­vatten. Waar kwam die abnormale straling vandaan? Er was maar één verklaring mogelijk: die mineralen moesten, in kleine hoeveelheden, een nog veel sterker radioactieve stof bevatten dan ura­nium of thorium. Marie had alle destijds bekende chemische elementen in haar onderzoek betrokken. Dan moesten die ertsen dus een andere radioactieve stof bevatten, een nog onbekend element.

Een nieuw element! Pierre Curie, die met intense belangstelling de snelle ontwikkeling bij de proeven had gevolgd, gaf nu zijn eigen onderzoek op om haar te helpen. In dat vochtige werkkamertje zochten nu twee stel hersenen en vier handen naar het onbekende element. Ze slaagden erin alle elementen van pekblende, een uraniumerts, af te scheiden en de radioactiviteit ervan te meten. Toen ze het doel van hun onderzoek naderden, werd het uit hun gegevens duidelijk dat er in plaats van één nieuw element, twee moesten zijn. In juli 1898 konden ze de ontdekking van een van die stoffen aankondigen. Marie noemde het polonium, naar haar ge­liefde Polen.

In december 1898 kondigde het echtpaar Curie het tweede nieuwe element aan, dat ze in pekblende hadden aangetroffen, en dat ze radium noemden — een element dat waarschijnlijk geweldig radioactief was. Nu had niemand dat radium ook maar ooit gezien. Niemand kende het atoomgewicht ervan. De volgende vier jaar werkten de Curies om het bestaan van polonium en radium te bewijzen. Ze wisten al op welke manier ze de nieuwe metalen dachten af te scheiden, maar dat betekende dat ze zeer grote hoeveelheden erts moesten verwerken.

Pekblende, waarin polonium en radium voorkomen, werd bij de mijnen van Joachimsthal in Bohemen verwerkt om daaruit uraniumzouten te winnen, die bij de glasfabricage werden ge­bruikt. Het was een kostbare grondstof, maar Pierre en Marie Curie hadden berekend dat wanneer het uranium aan het erts was onttrokken, het polonium en radium nog aanwezig moesten zijn. Waarom zouden ze dus niet het afgewerkte erts gebruiken, dat heel weinig waarde had?

Van de Oostenrijkse regering kregen ze een ton van dat mate­riaal, en begonnen daarmee te werken in een leegstaande schuur, dicht bij het kamertje waar Marie haar eerste proeven had gedaan. Er lag geen vloer in; de inrichting bestond uit een paar wrakke keukentafels, een schoolbord en een oude gietijzeren kachel. “En toch,” schreef Marie later, “brachten wij in die gammele oude schuur onze beste en gelukkigste jaren door, die volkomen aan ons werk waren gewijd. Soms deed ik een hele dag niets anders dan een kokende massa omroeren met een ijzeren staaf, die bijna even groot was als ikzelf, ’s Avonds was ik dan volkomen op van ver­moeidheid.” In dergelijke omstandigheden werkte het echtpaar Curie van 1898 tot 1902. In haar oude stoffige kiel vol zuurvlekken, met verwaaide haren en in een wolk van scherpe rook, die in haar ogen en haar keel prikte, fungeerde Marie als een com­plete fabrieksinstallatie. Eindelijk behaalde ze in 1902, 45 maan­den na de dag waarop de Curies het vermoedelijke bestaan van radium hadden aangekondigd, haar overwinning: ze was erin ge­slaagd één tiende gram zuiver radium af te scheiden en het atoomgewicht ervan te bepalen. Radium bestond nu officieel.

Ongelukkigerwijs hadden de Curies nog met andere moeilijk­heden te kampen. Aan de École de Physique verdiende Pierre een salaris van ruim vierduizend gulden per jaar, en nadat Irene ge­boren was sloeg het loon van een kindermeisje een gat in hun be­groting. Er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. In 1898 kwam aan de Sorbonne een leerstoel voor fysische scheikunde vacant, en Pierre besloot daarnaar te solliciteren. Het zou zeven­duizend gulden per jaar opleveren, met minder lesuren; maar hij werd gepasseerd. Pas in 1904 werd Pierre benoemd tot hoog­leraar, nadat de hele wereld zijn verdiensten had erkend. Voor­lopig moest hij met een minder belangrijke functie aan de Sorbonne genoegen nemen. Ondertussen kreeg Marie een aanstelling als lerares aan een meisjesschool bij Versailles.

De Curies bleven bereidwillig en zonder verbittering lesgeven, en wijdden daaraan hun beste krachten. Nu ze hun energie moesten verdelen tussen hun eigen werk en hun betrekking, schoten eten en slapen er vaak bij in. Verschillende malen moest Pierre door aanvallen van hevige pijn in zijn benen het bed houden. Marie werd door haar tot het uiterste gespannen zenuwen overeind gehouden, maar hun vrienden schrokken van haar bleke, uitgeteerde gezicht. Zo werd de kennis van de radioactiviteit steeds verder ontwikkeld en uitgebouwd, terwijl de twee natuur­kundigen die deze in het leven hadden geroepen daardoor gaande­weg meer uitgeput raakten.

Gezuiverd in de vorm van een chloride, bleek radium een dof wit poeder te zijn, dat veel op gewoon keukenzout lijkt. Maar het bleek verbluffende eigenschappen te bezitten. De straling over­trof alle verwachtingen in intensiteit; ze bleek twee miljoen maal krachtiger te zijn dan die van uranium. De stralen drongen zelfs door de hardste en meest vaste stoffen heen. Alleen afscherming met zware loden platen kon die verraderlijk doordringende kracht tegenhouden.

Het laatste, meest ontroerende wonder was dat radium een bondgenoot van de mens kon worden bij zijn strijd tegen de kanker. Radium bleek nuttig te zijn — en nu was de winning ervan niet meer uitsluitend van belang voor de wetenschap. Al spoedig zou er een radiumindustrie ontstaan. In verscheidene landen had men plannen gemaakt voor het gebruik van radio­actieve ertsen, vooral in België en Amerika. Maar het “fabuleuze metaal” kon alleen worden gewonnen wanneer het geheim van de ingewikkelde techniek bekend was.

Op een zondagmorgen legde Pierre dat allemaal aan zijn vrouw uit. Hij had juist een brief doorgelezen van een paar technici in de Verenigde Staten, die in Amerika radium wilden gaan gebruiken en hem nu om inlichtingen vroegen. We kunnen één van tweeën doen,” zei Pierre tegen haar. “We kunnen zonder enige terug­houding de resultaten van ons onderzoek beschrijven, met inbegrip van het zuiveringsproces …” Marie maakte automatisch een gebaar van instemming en mompelde: “Ja, natuurlijk.” “Of anders,” ging Pierre voort, “kunnen wij onszelf beschouwen als de ‘uitvinders’ van het radium, octrooi aanvragen op de ver­werkingsmethode van pekblende, en ons verzekeren van de rechten op het bereiden van radium over de hele wereld.”

Marie dacht een paar seconden na. Toen zei ze: “Dat kan niet. Dat zou in strijd zijn met de wetenschappelijke ethiek.” Pierre’s ernstige gezicht klaarde op. “Goed, dan zal ik die Amerikanen vanavond nog schrijven en hun alle gevraagde inlichtingen geven.”

Een kwartier na die korte gedachtewisseling trokken Pierre en Marie op hun geliefde fietsen de zondagse bossen in. Ze hadden definitief gekozen tussen armoede en welgesteldheid.

In juni 1903 werd Pierre officieel uitgenodigd door de Royal Institution om in Londen een voordracht te komen houden over radium. Daarna volgde er een stortvloed van uitnodigingen voor officiële diners, want heel Londen wilde met de ontdekkers van het radium kennismaken. In november 1903 verleende de Royal Society te Londen aan Pierre en Marie een van haar hoogste onderscheidingen: de Davy-penning.

Vervolgens werden zij gehuldigd door de Zweden. Op 10 decem­ber 1903 kondigde de Academie van Wetenschappen te Stockholm aan dat de Nobelprijs voor Natuurkunde dat jaar voor de helft werd toegekend aan Antoine Henri Becquerel, en voor de andere helft aan het echtpaar Curie voor hun ontdekkingen op het gebied van de radioactiviteit. Die Nobelprijs betekende een bedrag van ongeveer vijftigduizend gulden, en het was niet “in strijd met de wetenschappelijke ethiek” die te aanvaarden. Een unieke kans om Pierre te ontslaan van de noodzaak les te geven, om zijn
gezond­heid te sparen! Toen de cheque was uitbetaald, gingen er giften en leningen naar Pierres broer en Maries zusters, contributies naar wetenschappelijke genootschappen, bijdragen naar Poolse studen­ten en naar een jeugdvriendin van Marie. Marie liet ook een “moderne” badkamer in hun huis installeren en een uitgewoonde kamer opnieuw behangen. Maar het kwam geen ogenblik bij haar op ter ere van het heuglijke feit een nieuwe hoed te kopen. En zij bleef lesgeven, ofschoon ze erop stond dat Pierre de Ecole de Physique zou verlaten.

Nu die roem hun ten deel was gevallen, regende het tele­grammen op hun grote werktafel. Duizenden artikelen ver­schenen in de kranten; honderden verzoeken om handtekeningen en foto’s, brieven van uitvinders, gedichten over radium stroomden binnen. Maar de Curies beschouwden hun opdracht niet als vol­tooid ; ze wilden alleen maar verder werken.

In het voorjaar van 1904 schreef Marie: “… We hebben geen moment rust. De mensen houden ons voortdurend van ons werk af. Nu heb ik besloten flink te zijn en geen bezoekers meer te ont­vangen — maar ze blijven me lastig vallen. Ons leven samen is helemaal bedorven door al die eer en roem . . . Ons rustige leven van hard werken is helemaal in de war gestuurd.”

Toen de geboorte van haar tweede kind naderde, was Marie bijna volkomen uitgeput. Op 6 december 1904 werd er weer een dochtertje geboren, met een hoofdje vol dik zwart haar: Eve, de schrijfster van deze biografie. Al spoedig werkte Marie weer als tevoren op school en op het laboratorium. Men zag het echtpaar nooit in de uitgaande wereld, maar aan officiële diners ter ere van buitenlandse wetenschapsmensen konden ze niet altijd ontkomen. Bij dergelijke gelegenheden trok Pierre avondkleding aan en Marie haar enige avondjurk.

Op 3 juli 1905 werd Pierre Curie tot lid van de Franse Academie van Wetenschappen verkozen. Ondertussen had de Sorbonne speciaal voor hem een leerstoel in de natuurkunde ingesteld — de positie die hij zich al zo lang had gewenst — maar nog steeds had hij geen behoorlijk laboratorium. Marie moest nog acht jaar lang geduld oefenen voor ze de radioactiviteit een passende woning kon geven — in een gebouw dat Pierre zelf nooit zou
aan­schouwen. Op donderdag 19 april 1906 — een zwoele, regen­achtige dag — nam Pierre om half drie ’s middags afscheid van de hoogleraren van de faculteit van de wis- en natuurkunde, met wie hij had geluncht, en liep naar buiten, de regen in. Toen hij de rue Dauphine wilde oversteken, liep Pierre verstrooid achter een huurkoetsje om de rijweg op, en kwam voor een sleperswagen terecht. Verschrikt probeerde hij zich vast te klemmen aan de borst van het paard, dat plotseling begon te steigeren. Pierre gleed uit op de natte rijweg. De voerman trok wel de leidsels strak, maar de wagen rolde door zijn eigen gewicht van zes ton nog ver­scheidene meters verder door. Het linkerachterwiel ging over Pierre’s lichaam heen.

Zes uur. Levendig en opgewekt kwam Marie Curie haar woning binnen. Ze vond er bezoekers, in wier houding ze iets van medelijden voelde. Terwijl ze verslag uitbrachten over het ge­beurde, hoorde Marie hen roerloos aan. Na een lange pijnlijke stilte bewogen eindelijk haar lippen: ‘Is Pierre dood? Dood? Is hij werkelijk dood?” Vanaf het ogenblik dat die drie woorden “Pierre is dood” tot haar bewustzijn doordrongen werd ze een ongeneeslijk eenzame vrouw.

Na de begrafenis stelde de regering officieel voor, de weduwe en kinderen van Pierre Curie een staatspensioen toe te kennen. Marie wees dat onverbiddelijk af : ‘Ik wil geen pensioen hebben,” verklaarde ze. ‘Ik ben jong genoeg om voor mijzelf en mijn kinderen mijn brood te verdienen.”

Op 13 mei 1906 besloot het bestuur van de faculteit van de wis- en natuurkunde eenstemmig om Pierre’s professoraat aan de Sorbonne op te dragen aan Marie Curie. Het was de eerste maal dat in Frankrijk een vrouw bij het hoger onderwijs werd benoemd. Op de dag dat ze haar eerste college aan de Sorbonne zou geven, was de collegezaal propvol; de mensen stonden zelfs in de gangen en buiten op het plein. Men rekte de hals om toch vooral Madame Curies binnenkomst niet te missen. Wat zou de nieuwe hoog­leraar het eerst zeggen? Zou ze de minister en de universiteit haar dank betuigen? Zou ze over Pierre Curie spreken? Ja, onge­twijfeld ; het was immers de gewoonte te beginnen met een lofrede op de voorganger . . .

Half twee . . . De deur achter in de zaal ging open, en onder een storm van applaus liep Madame Curie naar haar plaats. Ze boog even het hoofd, een kort, sober gebaar dat als begroeting was bedoeld. Staande wachtte ze, tot de ovatie zou ophouden. En in­eens werd het stil. Marie Curie keek strak voor zich uit en zei: ”Wanneer men bedenkt welke vorderingen er de laatste tien jaren in de natuurkunde zijn gemaakt, verbaast men zich over de
voor­uitgang in onze denkbeelden betreffende elektriciteit en materie …” Madame Curie hervatte het college precies bij de zin waar Pierre Curie opgehouden was. Nadat ze onbewogen haar nuchtere uit­eenzetting had voltooid, verdween Marie even snel door de achter­deur als ze was binnengekomen.

Nu steeg de persoonlijke faam van Madame Curie als een raket, en verbreidde zich overal. Ze ontving tientallen diploma’s en eer­bewijzen van buitenlandse universiteiten. En ofschoon ze geen lid werd van de Academie van Wetenschappen — ze kwam één stem te kort — kende Zweden haar de Nobelprijs voor scheikunde toe voor het jaar 1911. Het zou nog meer dan vijftig jaar duren vóór een ander waardig werd gekeurd zo’n eerbewijs tweemaal te ontvangen.

De Sorbonne en het Instituut Pasteur stichtten gezamenlijk het Curie Radium-Instituut, dat uit twee delen bestond: een labora­torium voor radioactiviteit onder leiding van Marie Curie; en een laboratorium voor biologisch onderzoek en bestudering van de kankertherapie, onder leiding van een vooraanstaand arts. Tegen de raad van haar familie in schonk Marie aan het laboratorium van het Instituut al het radium dat zij en Pierre eigenhandig hadden gewonnen, en dat meer dan een miljoen goudfranken waard was. Tot aan het eind van haar leven bleef dat labora­torium het middelpunt van haar bestaan.

In 1921 brachten Amerikaanse vrouwen honderdduizend dollar bijeen om één gram radium te kopen als geschenk voor Marie Curie. In ruil daarvoor vroegen ze haar, een bezoek aan de Verenigde Staten te komen brengen. Marie aarzelde. Maar ze was zozeer getroffen door het edelmoedige gebaar, dat ze haar vrees overwon en op 54-jarige leeftijd voor het eerst de verplichtingen van een grote officiële reis op zich nam. Te New York bleef een enorme mensenmenigte haar vijf uur lang aan de kade opwachten. Vanaf het ogenblik dat ze voet aan wal zette werd het duidelijk, hoeveel de bedeesde Madame Curie voor Amerika betekende. Zelfs voordat men haar persoonlijk kende, hadden de Amerikanen haar met een bijna religieuze verering omgeven; nu ze in hun midden vertoefde, kende hun hulde geen grenzen.

Madame Curie had van de meeste Amerikaanse universiteiten uitnodigingen ontvangen. Tientallen erepenningen en ere­doctoraten wachtten haar. Maar de luidruchtige toejuichingen waren haar te machtig. De starende blikken van talloze mensen beangstigden haar, evenals het gedrang. Ze was altijd bang dat ze in die verschrikkelijke deining zou worden doodgedrukt. Ten slotte was ze te zeer verzwakt om haar reis te kunnen voortzetten, en ze keerde op raad van haar artsen naar Frankrijk terug.

Die reis naar Amerika heeft, geloof ik, mijn moeder ertoe gebracht haar hardnekkige afzondering op te geven. Als weten­schappelijk onderzoekster kon ze zich afsluiten voor de buiten­wereld en zich geheel op haar eigen werk concentreren. Maar toen, op vijfenvijftigjarige leeftijd, was Madame Curie niet alleen maar een geleerde. Haar naam had nu zoveel gezag dat ze, alleen al door haar aanwezigheid, een plan dat haar na aan het hart lag kon doen slagen. Van nu af aan zou ze voor dit soort opdrachten een plaats in haar leven inruimen. Al haar reizen leken voortaan veel op elkaar. Wetenschappelijke congressen, lezingen, uni­versitaire plechtigheden en bezoeken aan laboratoria brachten Madame Curie in een groot aantal hoofdsteden, waar ze werd gevierd en toegejuicht.

Ook Warschau bouwde een radiuminstituut — het Marya Sklodowska Curie-Instituut — en  de Amerikaanse vrouwen brachten opnieuw een wonder tot stand door genoeg geld bijeen te brengen om één gram radium voor het Warschause instituut te kopen — het tweede gram dat Amerika aan Madame Curie schonk. De gebeurtenissen van 1921 herhaalden zich: in oktober 1929 vertrok Marie opnieuw naar New York, om Amerika namens Polen dank te brengen. Ze was de gast van president Hoover en logeerde verscheidene dagen op het Witte Huis. Maar ze was in niets veranderd: noch in haar fysieke vrees voor mensenmassa’s, noch in haar ongeneeslijke bescheidenheid. Het was nog altijd het laboratorium — en de jonge onderzoekers die daar werkten — die in Marie Curies hart de grootste plaats innamen. ‘Ik weet niet hoe ik zonder het laboratorium zou kunnen leven,” schreef ze eens.

Marie had nooit de voorzorgsmaatregelen die ze haar leer­lingen oplegde, in acht genomen: buisjes met radioactieve stoffen alleen met een tang aanpakken, nooit onbeveiligde buisjes aan­raken, zware loden ”schilden” als afscherming gebruiken om zich voor gevaarlijke straling te vrijwaren. Ze wilde zich maar nauwe­lijks onderwerpen aan de bloedproeven, die regel waren aan het Radium-Instituut. De samenstelling van haar bloed was
ab­normaal. En wat dan nog? Vijfendertig jaar lang was Madame Curie met radium omgegaan en had ze de stoffen die door radium worden afgegeven, ingeademd. Tijdens de oorlog was ze vier jaar lang blootgesteld geweest aan de nog veel gevaarlijker straling van de röntgenapparatuur. Enige afbraak van het bloed, hinderlijke en pijnlijke brandwonden aan haar handen, waren ten slotte niet zo erg in verhouding tot de risico’s die ze had gelopen!

Marie Curie schonk weinig aandacht aan de lichte verhoging waar ze last van kreeg. Maar in mei 1934 moest ze na een griep­aanval naar bed, en stond daarna niet meer op. Toen eindelijk haar sterke hart had opgehouden te kloppen, sprak de wetenschap zich uit. De klachten en de vreemde, nog niet eerder waargenomen afwijkingen in haar bloed hadden de ware dader aangewezen: radium.

Op vrijdag 6 juli 1934 nam Madame Curie om twaalf uur ’s middags haar plaats te midden van de doden in — zonder plechtige lijkstoet en redevoeringen, en zonder aanwezigheid van politici of autoriteiten. Op de begraafplaats te Sceaux werd ze bij­gezet naast Pierre, in tegenwoordigheid van haar familie, haar vrienden, en de medewerkers die haar liefhadden.

.

Alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

.

598-549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.