Tagarchief: gymnastiek klas 2

VRIJESCHOOL – Spel (9)

.

W.Drewes, vrijeschool Den Haag, 02-1974


SPEL
.

Bij het kleine kind vinden we de eerste uitingen van menselijke scheppingsdrang in het spel. Ieder voorwerp, iedere situatie kan de aanleiding vormen voor de kleuter om zich volkomen aan zijn omgeving over te geven. De ene stoel verandert in een wagen, de andere in een huis, een hoek met blokken wordt een goedgevulde kruidenierswinkel. De dagelijkse betekenis die wij aan de dingen geven wordt met het grootste gemak er aan ontnomen. Een eigen wereldje wordt gevormd, waarin de kleuter volkomen opgaat. Ritmisch en met grote intensiteit worden poppenbedden, dorpen, treinen en huizen gemaakt en bevolkt. Het resultaat is niet belang­rijk, maar het maken, want met het grootste gemak wordt de prachtige toren met bijgebouwen weer afgebroken om weer iets nieuws te beginnen. Het ritmische in het spel komt tot uiting in het begeleidend neuriën, het opbouwen en afbreken in het onvermoeid herhalen. Fantasiewereld en werke­lijkheid wisselen elkaar af in het spel evenals vreugde en verdriet. Spelend bevindt het kind zich tussen twee uitersten, de drang tot doen of iets maken en de realiteit. Het fascinerende van kleuterspel is de ongebondenheid aan regels, de moge­lijkheid om alles uit niets te maken. Voorwaarde voor de stimulering van die creati­viteit is dat het kind in een omgeving leeft waar niet alles af en klaar is. De doek die tot pop geknoopt of als laken voor de beer gebruikt kan worden, is ook een prachtige omslagdoek voor een appelvrouwtje. De prachtige aangeklede poppen die ieder vanuit de speelgoedetalages met zoetige maskerglimlachjes aanstaren bieden daarentegen te wei­nig fantasiemogelijkheden, terwijl een “lappen­pop” juist de expressie van het gelaat aan de fantasie overlaat.

Tijdens de basisschoolperiode

Tijdens de basisschoolperiode beginnen de spel­vormen te veranderen. Er wordt een doel gesteld waar het kind zelf aan wil beantwoorden: touwtjespringen, balvangspelletjes tegen de muur, worden eindeloos gespeeld en de regels worden zo ingewikkeld dat een buitenstaander er niets meer van begrijpt. De kleuter speelde vaak heerlijk in zijn eentje in een groep andere kleuters. Geleidelijk aan begint de mogelijkheid zich nu te ontwikkelen samen te spelen waarbij beiden zich aan dezelfde spelregels houden. Het wed­strijdelement is nog niet zo belangrijk, het spelletje vormt de eigenlijke uitdaging. Bij de kleuter was alles knap of mooi gedaan in zijn beleving, ook de bal die maar niet gevangen kon worden is leuk en stuitert zo fijn. Het grotere kind wil juist leren vangen en speelt tot hij het kan. Teamspelen vallen tot ongeveer de 5e klas nog buiten de mogelijkheden, hoewel enthousi­aste sportieve vaders of moeders vaak constateren dat hun kind al net als een echte voetballer of hockeyer meedoet. Hier speelt echter de na­bootsing een grote rol en de blik van de ouder die alles naar zijn volwassen situatie beoordeelt.

Waarom in de 1e en 2e klas geen gymnastiek?
.

Het antwoord op deze vraag, die vaak door ouders gesteld wordt, houdt sterk verband met de op­vattingen over de aard van het spelen van een kind in deze leeftijdsfase. In de gymnastiekles ligt het accent sterk op het technisch leren beheersen van bewegingsvormen. Ook al gebeurt dit leren spelenderwijs, toch zal de gymnas­tiekleraar de keuze van zijn stof sterk laten bepalen door het bewegingselement in een spel. In de eerste en tweede klas wordt wel veel gespeeld, maar de fantasie, de beleving van het spel vormen hier het uitgangspunt. Bewegings­correctie wordt niet toegepast. Minstens twee uur per week moet de klassenjuffrouw, of iemand die dol op spelletjes is zo’n spelles geven. Zeker in deze tijd is dat nodig, want veel kinderen komen alleen op die manier nog in aanraking met de oude kringspelen zoals de zevensprong, zakdoekje leggen., de mosselman enz. Overigens werden deze kringspelen vroeger niet alleen door kinderen, maar ook door volwassenen gedaan, waarbij door het spelen in een kringvorm de boze geesten werden geweerd.

Knikkeren en tollen zijn eveneens van die oeroude spelen, waarvan ieder kind weet (of wist?) dat het weer “knikkertijd” is. Knikkeren wordt veel in de lente tegen de zaaitijd gespeeld. In de Kerkstraat* keken vorig jaar wel 10 kinderen elkaar verbaasd aan op zo’n zonnige morgen met ochtenddauw dat ze allemaal hun knikkerzak hadden meegebracht.
Tollen hield vroeger verband met de regen en werd vaak in de voorzomer en in de herfst gespeeld.
Buiten op het plein kan met de hele klas “Twee emmertjes water halen” of “Zitte me Japie zit” gespeeld worden, maar ook is het goed om groepjes te vormen die touwtje springen met “Karel Eén heeft één been” of die “Ra, ra, ra wie heeft die bal” spelen, een hinkelbaan van de aarde naar de hemel afleggen of die lekker in een hoekje knikkeren. In deze twee klassen spelen de kinderen óf nog heel sterk voor zichzelf en proberen daar­bij iets onder de knie te krijgen, óf ze gaan helemaal op in de groepsbeleving en zijn als vanzelfsprekend bezig met de hele klas “een ketting te rijgen”. Zodra de spelleidster het lied heeft ingezet sluit de een na de ander zich aan, want ze voelen dat daar iets gebeurt waar je bij moet zijn.
.

Spel: alle artikelen

.

610-560

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.