Tagarchief: sport

VRIJESCHOOL – Bewegingsonderwijs

.

BEWEGINGSONDERWIJS

Het doel van het bewegingsonderwijs is een opvoedingsdoel.

Het gaat haar – net als elk ander vak – om de ontwikkelingswinst die zij denkt het kind te kunnen geven. De leerstof heeft geen doel in zichzelf. Zij is zuiver middel tot doelbereiking. Over het doel van het bewegingsonderwijs zullen we het hier hebben – zij het dat we ons moeten beperken.

De mens is niet denkbaar zonder zijn wereld. Beide zijn op elkaar betrokken. Het is aan de wereld dat de mens zich ontwikkelt. Het bewegen is de eerste schakel in het contact tussen persoon en wereld. Tussen “ik” en “niet-ik”. Slechts door op de wereld in te gaan, door zich te bewegen, leert het kind de wereld en daardoor zichzelf kennen. Hij maakt de wereld tot zijn wereld. Door te bewegen is het mogelijk dat de mens zich een – van hem te onderscheiden – wereld tot een onvervreemdbaar bezit toe-eigent. Men voelt zich thuis daar waar men veel heeft vertoefd (een nieuwe broek wordt door hem te dragen mijn broek; voelt de broek in het begin vreemd aan, na verloop van tijd verdwijnt dat: “ik”- en “niet-ik”- zijn in de beleving niet meer te scheiden).

Vanuit het bewegen is de ontmoeting met het “niet-ik”, en dus de ontwikkeling van de mens en zijn wereld, gegeven. Het zich bewegen is dan ook van essentieel belang voor de ontwikkeling van het kind. Met name het jonge kind komt via het bewegen (het bewegingsspel) tot een grotere betrokkenheid op zijn wereld, maakt via het bewegen de wereld voor zichzelf toegankelijk.

Het zijn juist de ‘betekenissen van de motorische tegenwereld” waar het kind als eerste op ingaat, die het als eerste van zin (zijn zin) voorziet. Speel maar eens met een klein kind in een weiland. Daar ligt een dode boom. Natuurlijk klimt het erop, kruipt eroverheen, gaat staan en …… na wat aarzelen – waagt het: de sprong omlaag.

Het leren van bewegingen is dan ook meer dan het zich eigen maken van een vaardigheid of een al dan niet ingewikkeld bewegingspatroon. De leerling komt in aanraking met begrippen als rondheid, hardheid, ver, dichtbij, hoog, laag, gewicht, tijd, ruimte enz. Hij moet komen tot een individuele verwerking van deze ervaring en dat resulteert in een eigen interpretatie van de werkelijkheid. Het leren antwoorden op de betekenissen in de motorische tegenwereld (d.i. de nog niet tot mijn wereld gemaakte wereld; het is de nog weerbarstige wereld waarin ik mijzelf als tegenoverstaand ervaar; het wel over de kast willen, maar het terugdeinzen voor de hoogte, het wel omlaag willen springen, maar het nog niet wagen) is al zo van essentiële betekenis voor de ontwikkeling van het kind, voor het verhogen van zijn daadwerkelijke betrokkenheid op zijn wereld.
Eerst in dit antwoord herkennen we het kind (zoals wij een goede bekende aan zijn gestalte – d. i. niet het lichaam – en aan zijn loop herkennen). En hier hebben we dan direct het doel van het bewegingsonderwijs aangegeven: het komen tot een persoonlijke bewegingsgevormdheid (verg. de ontwikkeling van het handschrift).

In het voorgaande zijn begrippen als (medische) gezondheid, conditie, spierkracht enz. niet ter sprake gekomen. Niet dat ze er niet toedoen, maar ze zijn zeker geen doel van het bewegingsonderwijs. Zij heeft een pedagogische en geen medische doelstelling. Bij deze laatste gaat het om het verbeteren van de lichamelijke conditie, om vergroting van longcapaciteit e d. Als zodanig hoort het vak niet binnen het onderwijs thuis, omdat er niet van ontwikkelingswinst sprake is (althans niet hoeft te zijn).

Daarmee wil niet gezegd zijn dat orgaanfuncties niet impliciet mede beïnvloed worden en dat dat dan niet waardevol zou zijn. Maar het gaat ons expliciet om het beïnvloeden van het bewegingsgedrag, gericht op persoonsontwikkeling.

Tenslotte nog iets – zij het kort en daardoor wat ongenuanceerd – over de verhouding bewegingsonderwijs – sport.

Bewegingsonderwijs en sport (en dan wordt bedoeld de prestatiesport en de topsport) hebben) net zoveel met elkaar gemeen als wiskundeonderwijs en een door wiskunde-enthousiasten en -bollebozen opgerichte wiskundevereniging. Bij de prestatiesport gaat het om de absolute prestatie, waaraan de mens ondergeschikt wordt gemaakt, waar de mens als middel wordt gezien om die prestatie te verkrijgen. De verhouding tot de recreatiesport is m.i. duidelijk anders. Zeker in de hogere klassen (11 en 12) heeft het bewegingsonderwijs de gelegenheid om de kinderen tot een zinvolle vrijetijdsbesteding aan te moedigen (en zeker in een maatschappij waarin de vrije tijd steeds meer tot een probleem wordt).

L.L. Oosterom, nadere gegevens onbekend

.

Over: bewegen 

Over: gymnastiek

.

1567

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel (10)

SPEL EN SPORT 

In de eerste zeven levensjaren vormt het fantasievolle spel de dagelijkse bezigheid voor het kind. Het drukt hierin zijn innerlijk uit, en vindt zo de verhouding tot zichzelf en tot zijn omgeving. Ieder gezond kind speelt zolang de levenskrachten zich ontplooien en vrijkomen. Ook in de 1e en 2e klas zal kinderspel nog een doel in zichzelf hebben.
Als het ongeveer 9 jaar oud is verandert het beeld. Spelen wordt oefenen, onophoudelijk bezig zijn om iets onder de knie te krijgen:  springen, vangen en werpen, knikkeren, mikken, rennen, hinkelen enz. Door het onder de knie te krijgen maakt een kind deze “bewegingsspelen” tot een gewoonte en vormt in zich al doende vele eigenschappen: behendigheid, uit­houdingsvermogen,  schranderheid, moed, en
door­zettingskracht. Het heeft weinig zin tegen een kind te zeggen: “Durf dat nu toch!, als de moge­lijkheid tot spelen niet geboden is omdat te ervaren.
De ouders van 5de klassers merken dat op deze leeftijd de kinderen op sportclubs willen, om daar een “echt” spel te leren. Op die leeftijd begint het gevoel voor samen­spel te ontwaken, een spel in je eentje te winnen is lang niet zo leuk als met een heel team te spelen. Het groepsbewustzijn manifes­teert zich in de verschillende leeftijdsfasen niet even sterk. Tegen het 14e jaar speelt het de grootste rol, tussen 12 en 16 jaar is het van betekenis.

Het is belangrijk zich in de achtergronden van de mogelijke sporten te oriënteren.
De bewegingen, de gebaren en houdingen die ieder zich bij een bepaalde tak van sport eigen (tot gewoonte) maakt,hebben een sterke vormende waarde voor de persoonlijkheid.

De achtergrond van waaruit zo’n spel is ontstaan, heeft grote invloed op de spelgeest die tot uitdrukking komt in de ongeschreven sportiviteitsregels.
Als voorbeeld wil ik een naar balsporten in teamverband toelichten.

DE BETEKENIS VAN BALSPELEN IN DEZE TIJD
Het fascinerende van een stuitende of door de lucht vliegende bal houdt velen tegenwoordig in de ban. Als een hemellichaam beschrijft hij zijn boog. Een bal die op de grond ligt, nodigt uit tot in de lucht werpen, schoppen of slaan. Met de ogen wordt de bal gevolgd in zijn baan. Ieder kent het gevoel van be­vrijding als de bal  omhoog vliegt, dat van opluchting als je hem weer te pakken hebt. Een stuk van de kosmische omgeving komt binnen je bereik als je je weet meester te maken van de bal. Het verlangen zich los te maken van het dagelijks aardse bestaan vormt de ondergrond voor vele balspelen. Onbewust dient het spel hem.   Als vervangingsmiddel voor het zoeken van de mens, die zich boven zijn aardse beperkingen wil verheffen.
De meest gebruikelijke balspelen kunnen we naar hun aard in 3 groepen indelen:
In de eerste geldt het principe van balbezit, bv. voetbal, handbal, hockey, rugby, polo, korfbal enz.
De bal is een middel tot spel bij de tweede groep: tennis, volleybal, netbal, badminton.
Men ontvangt de bal en geeft hem terug. (Niet gemakkelijk, maar zo dat een ander er flink wat voor moet doen om hem weer terug te spelen). Wordt de bal tot steen doordat hij niet meer in de lucht blijft, dan heeft de partij gefaald.
De derde groep heeft als karakteristiek het zich afhankelijk stellen van de baan van de bal: slagbal, kastie,  softbal, honkbal, cricket. Via een aantal honken moet de speler weer “thuis” zien te komen. De bal wordt tot’ster die je lot bepaalt. Vliegt hij ver weg, dan kun je rustig een homerun maken. Is het een slap tikje geweest, dan kom je in gevaar en loop je kans op “een uitje”. De mens en de weg die hij moet gaan,  staan in het middelpunt van deze spelen. Wie niet zo hard kan slaan, stelt zich
afhan­kelijk van zijn partijgenoten om hem weer thuis te krijgen. Op het uitgangspunt moet je weer terug zien te komen zonder dat je uit gegaan bent.
In deze spelvorm worden de Ik-krachten gevormd en geoefend die voor de levensloop van ieder mens noodzakelijk zijn. De veldpartij vervult hierbij een tactische rol. Door gericht werpen, het snel doorzien, te roekeloze lopers, slimme schijnworpen, wordt getracht de slagpartij in het veld te krijgen. De werking van het verstand, de intelligentie wordt gepresenteerd door de veldpartij. Daarentegen moet iedere slagman zijn hele per­soonlijkheid inzetten om aan de bal de juiste impuls over te dragen.

Bezien we nu voetbal, hockey, handbal etc. dan is het niet de mens zelf die een doel moet bereiken, maar de bal. Alleen bij rugby krijg je 5 punten als een speler met de bal de grond over de achterlijn van de tegenstander weet te
krijgen, voor een tussen de doelpalen door.geschoten bal 3 punten.

Het driftleven van de mens wordt tot uitdrukking gebracht in deze soorten door het balbezitDe begeerte  mee te jongleren, hem van een tegen­stander weg te houden is overheersend. De balhonger van de Nederlandse keeper die zo af en toe de bal zelfs opvreet,  laat Godfried Bomans ons zelfs zien tot in het humoristische.
Het uitleven van driften speelt dan ook een grote rol in deze soorten.

Een afspiegeling en een reactie op een maatschappij die sterk appelleert aan de primaire driften van de mens kan men hier in de speelwijze zien. Door de na­druk te leggen op samenspel, teamgeest, bewust gehan­teerde aanvals- en verdedigingssystemen tracht men ze te verheffen tot een sociaal gebeuren. Sport ver­broedert, wordt in iedere zichzelf respecterende ver­eniging in het vaandel gevoerd.
Veel clubs slagen er ook in, de nadruk op sportiviteit te leggen en het spel belangrijker te vinden dan de knikkers. Toch zal daar ook per tak van sport ver­schil in optreden, afhankelijk van de beweging die er de belangrijkste rol in speelt als uitdrukkingsgebaar. Op gevaar af dat ik als voetbalhater wordt aangekeken (hoewel ik graag een partijtje mee trap) wil ik dit duidelijk maken aan voetbal- en handbalspelen.

VOETBAL en HANDBALSPELEN
Wie het gebaar van een schop wil ervaren, wordt zich het eerst bewust van het afstand scheppen door deze beweging. Hetzelfde vindt echter ook plaats bij een worp of slag met de hand.
De voet die deze handeling verricht is normaal bezig die aarde onder zich te krijgen en stelt de mens in staat zich hierboven te verheffen.

Schop je iets weg, dan druk je er mee uit het niet nodig te hebben, het waardeloos te vinden, te min om met je vingers aan te pakken. Ben je werkelijk woedend, door het dolle heen, dan geef je de vijand geen klap, maar je schopt hem eruit. Uit een krantenverslag: ‘Met een loeiende trap knalde hij de bal vernietigend tussen de latten door, verpletterd keek de keeper het leren monster na‘.
Als uitdrukkingsbeweging is de schop een vorm van agressie. Heel anders is dit bij samenspel tussen de eigen medespelers. De voet wordt tot hand die de bal aanreikt. De ander weet de bal al glijdende te “ontvangen”, vangt hem zacht op, houdt hem als een goochelaar op de voet. Het bewust­zijn van de handen wordt hierbij in de voeten geplaatst. (In de gymlessen heb ik natuurlijk wel voetbalspel­vormen, omdat bewusteloosheid in de voeten ook niet goed is.) De handen zijn daarentegen ervoor geschapen om zich in dienst te stellen van de mensheid. De mooiste ideeën kunnen alleen verwerkelijkt worden door de handen uit de mouwen te steken. De voeten dragen je door het leven, de handen verdragen scheppen, brengen het contact met de medemens. Als grondgebaar voor een spel is een werp- en vangbeweging met de handen een uitdrukking van het sociale, het zich in dienst stellen van de ander. De doelbeweging bij basketbal en korfbal is het reiken naar omhoog, de poging de hemel op aarde te krijgen. (U kent het juichend en omhelzend terug lopen bij een doelpunt.

Interessant is ook de geschiedenis van voetbal en hockey om zich een beeld te vormen van wat achter deze soorten leeft, de andere balspelen uit de eerste groep zijn nl. alleen zijtakken van het voetbalspel.

GESCHIEDENIS VAN HOCKEY EN VOETBAL
Het hockey werd al zeer vroeg bij Indianenstammen gespeeld. De stokken waren vaak beenderen, of takken met een overeenkomstige vorm. De bal was het symbool van de zon of de aarde en moest gedeponeerd worden in een kring. Niet het ge­bruikelijke hockeygoal, maar een cirkel waar ­binnen de bal tot rust moest komen. Lukte dit, dan was de magische stok daar verantwoordelijk voor, want die had de krachten der goden het goede ogenblik weten aan te roepen. De tegenspelers trachtten in dit snel te tonen dat het lot op hun band was. Tijdsduur, speelruimte enz. waren onbepaald, maar de conse­quentie van de uitslag was dat de verliezer zich onderwierp aan de leefregels van de winnaar. Tot het begin van de 20e eeuw is dit met de ontdekkingsreizen overgewaaide spel weinig gespeeld in Europa. Daarna ontwikkelt het zich als zeer elitair spel evenals voetbal. De cirkel blijft gehandhaafd, maar het  verkleinde voetbalgoal komt er in, terwijl een doelpunt nu alleen vanuit de cirkel gezet kan worden. Een restantregel is nog dat een bal die alleen­ door een verdediger wordt aangeraakt en het goal  ingaat niet telt. Dit was nl. godenbedrog bij de Indianen.

Voetbal  kent een nog moeilijker historie. Omstreeks de 11e eeuw  stond Engeland bloot aan overvallen van de Deense Noormannen. De stammenhaat laaide hoog op bij het herstel van de landerijen na deze plunderingen werden veel Noormannenschedels gevonden. ‘Kicking the Danes head’ werd een zeer geliefde bezigheid om alle smaad en leed postuum te kunnen vergelden. Toen de schedels op en kapot waren, werden snel andere ronde voorwerpen gevonden waar het spel mee bedreven kon worden. De mannen speelden dorp tegen dorp, terwijl de grootste triomf was de kop van de Noorman op het marktplein van de tegenstander te deponeren. Over velden en wegen werd de bal getrapt; alleen als hij in de bosjes kwam, mocht hij met de handen uitgeworpen. De regel dat met een inworp vanaf de zijlijn niemand buitenspel kan staan stamt nog uit deze tijd. De herbergen onderweg geven voldoende mogelijkheden de strijd op velerlei wijze te verlevendigen,  zodat de populariteit van dit spel razendsnel  steeg.(1oo spelers in een partij was geen uitzondering). De koning verbood het spel, omdat het boog­schieten niet meer geoefend werd en de verdedigbaarheid van het land zodoende werd aangetast. Jacob II heft het verbod 400 jaar later op om aan populariteit te winnen; door het buskruit werd het boogschieten ook niet meer zo noodzakelijk.
Vanaf 1863 liggen de regels van het voetbal vast en zijn vrijwel hetzelfde als er nu gespeeld wordt.

Een voorbeeld uit de tweede groep is volley.
Achtergrond van volleybal:
Dit snel heeft zijn oorsprong in Japan. Dat het spel zo snel .populair is geworden, heeft het vermoedelijk te danken aan zijn verbondenheid met natuurfenomenen. De Japanners zagen in de bal de representatie van de rijzende zon, het net of de lijn stelde de horizon voor. De bedoeling van het spel  is dat iedere speler er zich voor inzet dat de zon steeds boven de horizon blijft rijzen. De tegenstander stelt de machten voor die dit belemmeren willen. Als groep of team van 6 spelers moet ieder zich inspannen de neerdrukkende krachten te overwinnen. Slechts 3x heeft iedere partij daar de gelegenheid toe. Niet de individuele speler, maar het team kan tot prestaties komen. Spelen die tot sporten zijn geworden zijn niet meer uit onze cultuur te denken.

Misschien dat dit artikel voor u een aanleiding is zich te bezinnen op een mogelijke sportkeuzeBeweging is onlosmakelijk verbonden met het zich richten op de toekomst. De moderne mens zal zich bewust moeten verbinden met bewegings­vormen, waarvan hij voelt dat deze hem de juiste weg wijzen in zijn ontwikkeling. Misschien dat hij zodoende een klein beetje van het raadsel mens ontsluiert.

(W.Drewes, gymnastiekleraar vrijeschool Den Haag, 1974, nadere gegevens ontbreken)

Literatuur:
Carl Diem: “Encyclopedie der Spiele”
Rudolf Kischnich: “Leibesübung und Bewusstseinsschulung ”
Rudolf Kischnich:”Was die Kinder spielen”  vertaald

In GA 293, 13e voordracht, wil Steiner iets radicaal’ zeggen over  gymnastiek zoals dat toen (1919) gegeven werd:

‘Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijn­sel van het materialistische tijdperk. En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitle­ven, maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens. Over­dreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men be­weert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.’

Rinus Michels, o.a. bondscoach van het Nederlands voetbalelftal:
‘voetbal is oorlog’

Defensie, aanval, schieten, kogel (van een schot), strijd, belager.

Grafisch ontwerper Floor Wesseling: over het ontwerpen van een voetbalshirt: ‘het is een draagbare vlag’;  zijn ontwerpvsie is gebaseerd op de wapenkunde;’een speler in een shirt is als een ridder die een toernooi speelt. Het gaat om herkenning op het slagveld.’

(Er is ook een tentoonstelling: voetbal Halleluja over de overeenkomsten tussen voetbal en religie.

Nigel de Jong, o.a. speler in het Nederlands voetbalelftal tijdens de WK van 2014:
‘op een wk gelden de wetten van de jungle’
(Nrc. 7 juni 2014)

Levert Mark van Vugt in ”Evolutionaire psychologie bevestigt: voetbal is oorlog’ daarvoor nu het bewijs?

Steiner was er zich terdege van bewust, dat ‘wat uit de geest gesproken is’ van een ander waarheidsgehalte is, dan wat in het dagelijks leven beleefd wordt – de wereld van de ziel is die van ‘hier en nu’.

In GA 311 zegt hij op een vraag:
(de vraag luidt: hoe moet je gymles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe dan?)
‘Het is beslist niet de bedoeling van de vrijeschoolmethode, deze dingen te onderdrukken. Ze kunnen worden gedaan, simpelweg omdat ze in het leven van de Engelsen een grote rol spelen en het kind moet met het leven vertrouwd raken. Maar nu moet men niet de illusie koesteren, dat het een andere betekenis heeft dan alleen maar het kind niet wereldvreemd te maken. Te geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing. Die heeft niet die grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft alleen waarde, omdat die een geliefde manier van doen is en men moet van het kind geen wereldvreemde maken en het van al de gewoonten uitsluiten. Men houdt in Engeland van sport, dus moet het kind ook kennismaken met sport. Je moet niet op de een of andere manier benepen tègen iets zijn.’

spel: alle artikelen