VRIJESCHOOL – Getuigschriften (5)

.

over het omgaan met getuigschriftspreuken

Van de redactie:
Robert Zimmer die 10 jaar geleden, kort voor zijn 77e verjaardag, stierf, kon terugkijken op een rijke arbeid als vrijeschoolleerkracht gedurende vele jaren. Van zijn werk als klassenleerkracht zijn enige spelen en vooral getuigschriftspreuken bewaard gebleven waarvan er vele al  sindsdien door het gebruik door collega’s verder werken. Alles wat bewaard is, is nu in een boekje verschenen. Het laat op een bijzondere manier de vruchtbaarheid van de vrijeschoolpedagogie zien. (‘Spreuken en spelen voor de kinderen van de vrijeschool’. Uit de nalatenschap van Robert Zimmer, uitgegeven door het college van leerkrachten van de Rudolf-Steinerschool Ruhrgebied, Bochum; 100 blz. paperback, 1983)
Dit nieuwe werkje voegt zich als een gelukkige aanvulling bij de waardevolle aanwijzingen en het mooiste materiaal in de spreukenboeken van Heinz Müller, Martin Tittmann en Lore Schäfer. Onderstaand stukje geeft inzicht in de creatieve vermogens van Robert Zimmer  


De spreuken en spelen zijn uit het directe werk in de klas ontstaan en krijgen hun betekenis in het pedagogische doen. Als door een raam kan men een blik werpen op het veelzijdige leven in een klas, op de omgang van een ervaren vrijeschoolleerkracht met de vele verschillende kinderen. Dit leven kon zich ontplooien tegen de goudkleurige achtergrond van een warme, opgewekte stemming die Robert Zimmer in de klas ten toon spreidde. In het bijzonder met het oog op de spreuken wordt iets van zijn werk weergegeven.

Robert Zimmer was sinds 1929 werkzaam, slechts onderbroken door de vier laatste oorlogsjaren sinds de sluiting van de vrijeschool Dresden in 1941.

Met vaste hand en een sterke menselijke betrokkenheid op ieder apart kind, leidde hij zijn klassen. Het was hem in het bijzonder gegeven om de kinderen voor al het grote, edele en schone enthousiast te maken. Zo ontstond in hen interesse voor alles wat het onderwijs bood. De kinderen leerden met open blik naar de wereld te kijken; ze oefenden ook de kleine plichten graag en gewetensvol uit te voeren. Onder zijn warme, liefdevolle leiding gedijden de kleine haantjes-de-voorste, die zich steeds opnieuw mochten bewijzen en hun kracht moedig op de proef mochten stellen, net zo als de stillen, de fantasievollen en ook de schuchtere, timide kinderen. Ook zij konden levensmoed en steeds meer vertrouwen putten in eigen kracht. Met een onnavolgbare
terughoudendheid en tederheid kon Robert Zimmer tot de kleintjes spreken.
Uit zijn liefdevolle wezen en uit diepe interesse voor alles, wat hij aan de kinderen wilde overbrengen, sprongen, als vonken, plezier in het doen en vreugde over, mee te doen in de reidans van de kinderschaar. Niet één wilde achterblijven in het beweeglijke, ritmische gebeuren, waarin zich het onderwijs ontplooide.

In alles wat werd verteld, klonk eerbiedige verwondering door voor de goddelijke wijsheid die zich in alle dingen en wezens openbaart. Deze stemming spreekt uit vele spreuken voor de kleinen: van alle wezens mag de mens leren, heel de schepping brengt hem gaven: het beekje, de bloemen en bijen, graankorreltjes, slak en worm.

Zo klinkt een spreuk aan het einde van het eerste schooljaar:
(Zie spreuk: ‘Blümlein so still und fein…..’)

Van al het mooie mag het kind houden, door alles zich liefdevol omhuld weten. In alle natuurwezens is God werkzaam en spreekt tot het kind in alles wat het omgeeft, maar ook uit zijn diepere wezen:
(Zie spreuk: ‘Was mir im Innern lebt….’)

Vertrouwen in de wereld en in de goddelijke leiding kan op deze wijze in de kinderziel groeien.
(Zie spreuk: ‘Wo ich bin und wo ich steh….’)

Zulke en soortgelijke woorden kunnen tot geschikte motieven worden die het kinderleven begeleiden.
Steeds weer vinden we in de spreuken de zonneschijn of het licht, dat van zon, maan en sterren neerwaarts stroomt, het licht dat uit Gods liefdewereld in mensenharten aangaat. Zo b.v. in de volgende spreuk:
(Zie spreuk: ‘Licht alle Welt erfüllt…..’)

In de getuigschriftspreuk ontvangt het kind een beeld dat hem op zijn weg een richting kan wijzen. Maar er zit nog meer in dan het beeld; tegelijkertijd zit er voor het kind een levende kracht tot verandering in die werkzaam wordt, wanneer deze een plaats krijgt in de alledaagse onderwijsactiviteit  wanneer het kind in de loop van het jaar met zijn spreuk leeft en door deze begeleid wordt.
De spreuk is aan het wezen van het kind afgelezen en laat op deze manier ook een beeld van een wezenskenmerk en een ontwikkelingstoestand van het betreffende kind ontstaan. Zo b.v. bij de spreuk voor een kleine dromer:
(Zie spreuk: ‘Ich träume noch so gern…..’)

En voor een timide klein meisje:
(Zie spreuk: ‘Junges Vöglein, breitest weit…’)

Een andere voor een vormloze jongen:
(Zie spreuk: ‘Schlecht ist es um den Reiter bestellt…)

Bij de natuurbeelden voegen zich van schooljaar tot schooljaar meer de grote figuren uit legende, sage en geschiedenis, waarin het kind een leidmotief vindt voor het zoeken van zijn weg. Zo stonden in de middenklassen de helden uit de Griekse cultuur zo levendig voor ogen dat zij zich opgenomen voelden in het zonovergoten Griekse landschap; ze beleefden het steile, moeizame klimmen in verzengende zonneschijn, tot boven vanaf de hoogte de tempel groet. Zo komen veel spreuken voor deze leeftijd direct uit wat samen beleefd werd, uit het gebied waarin de kinderen gloeiden van enthousiasme voor waarheid en schoonheid. En wanneer het individuele kind de spreuk mocht spreken die voor hem gedacht was, met het motief dat allen hadden doorleefd, werd deze gedragen door iets wat van te voren in de klas aanwezig was als een verzadigde belevenis. Dat mocht nu in de spreuken voor de enkeling voor allemaal verder klinken en zo op deze manier zich steeds dieper met de kinderen verbinden. Maar een paar spreuken uit de middenklassen worden hier weergegeven:
(Zie spreuk: ‘Verborgen liegt des Tempels Heiligtum,….”)

Bij de sluiting van de vrijeschool Dresden in de zomer van 1941 had de klas van Robert Zimmer net het 5e schooljaar afgesloten. Met de getuigschriften ontstond – vanuit een soort gevangenschap – ook de spreuk, die de kinderen op hun nu heel onzekere verdere weg werd meegegeven:
(Zie spreuk: ‘Lasset meine junge Seele….’)

Hiermee werd voor deze kinderen in de bijzondere, ernstige situatie van uitgestoten te zijn uit het geliefde samenleven op school, een beetje vooruitgelopen  op wat in een ongestoord verloop van de vrijeschooltijd op een andere, minder ingrijpende manier gebeurt aan het einde van de 8e klas, wanneer de klassenleerkracht de leerlingen naar de bovenbouw laat gaan. Die laatste getuigschriftspreuk heeft vaak een intiem karakter. In het onderwijs van de 9e klas komt deze niet meer voor, die is uitsluitend bedoeld voor de jonge mens zelf die deze in een vrij eigen initiatief opnemen en realiseren kan.

Tot slot hier een spreuk voor een leerling uit de 8e klas die vroeg in de 2e wereldoorlog  gesneuveld is:
(Zie spreuk: ‘Ihr göttlichen Kräfte…’)Zo kan uit de weinige voorbeelden duidelijk worden hoe in de getuigschriftspreuken iets wezenlijks tot uitdrukking komt van de manier waarop Robert Zimmer de kinderen begeleidde. Pas in deze samenhang laten ze hun kracht zien. Zou men deze als gedichten in de gewone zin van het woord nemen, losgemaakt van de pedagogische zin, dan werd men wellicht ontgoocheld. Want ze vloeiden niet zo maar uit de pen. Niet de perfecte versopbouw is het belangrijkste in deze spreuken, maar de kracht die tevoorschijn komt in de worsteling om de ontwikkeling van ieder kind die voor het kind tot aanmoedigende, bevrijdende, zich ontwikkelende kracht kan worden. Daarmee heeft men te maken in de omgang met deze spreuken.
.
Rose  Zimmer , ‘Erziehungskunst, 47e jrg. nr.5.1983
.

Heinz Müller:  Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Stuttgart, 1967;|
Martin Tittmann: Zarter Keim die Scholle bricht …., Stuttgart 1981.
Lore Schäfer: Zeugnissprüche und Klassenspiele, Stuttgart 1980
Helmut v. Kügelgen: Spiele und Zeugnissprüche.

Adaptief onderwijs voor Vrije Scholen’ . Jansen / G. Reijngoud
Uitgave: Begeleidingsdienst voor vrijescholen.
Maart 2002

getuigschriften: alle artikelen

Rudolf Steiner over getuigschriften

.

1256-1172

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 – inhoudsopgave

.

RUDOLF STEINER

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

Inhoudsopgave 1e voordracht 20 april 1920
Inleiding
:
geesteswetenschap en moderne pedagogie; Herbart; ondanks voortreffelijke pedagogische principes sociale chaos; door geesteswetenschap kan de pedagogie kunst worden; grenzen aan de antropologische zienswijze; ziel en lichaam; denken, voelen en willen; fasen in de kinderontwikkeling: melktanden, tandenwisseling, geslachtsrijpheid; metamorfose van krachten; betekenis van autoriteit; spraak en wilsvorming; wil en voorstelling als levende krachten; in plaats van abstracties levert geesteswetenschap waarneming van de menselijke wording.

vragenbeantwoording
Aanleg of geen aanleg voor talen; aanleg voor wis- en natuurkunde; Bernouilli; half cirkelvormige kanalen; orthografie; spelling foutloos schrijven.

Inhoudsopgave 2e voordracht 21 april 1920
Drieledigheid van het mensenwezen
:
Geesteswetenschap geen ‘verzameling aantekeningen’, maar iets wat leven schept; mens als drieledig wezen: zenuw-zintuigsysteem, ritmisch en stofwisselingsysteem; motorische en sensitieve zenuwen; het muzikale; kracht van stemmingmakende verkeerde hypothesen; drieledigheid in de ziel: denken, voelen, willen; sympathie en antipathie; drieledigheid vanuit een geestelijk gezichtspunt: wakker, slapen, dromen.

Inhoudsopgave 3e voordracht 22 april 1920
Menskunde als basis voor pedagogie
:
Natuurwetenschap en opvoeding; Pestalozzi, Diesterweg; instinctieve en bewuste pedagogie; levendig beeld van de mens; theorie van Avenarius als voorbereiding op bolsjewistische praktijk; geheugen en herinnering; Goethes kleurenleer; hart geen pomp, maar een evenwichtsorgaan voor de bloedsomloop; geest-zielenbetekenis voor fysieke organen; nabootsingsprincipe in eerste, autoriteitsprincipe in tweede levensfase van het kind; tandenvormende=voorstellende en bouwende kracht; doordringen van het weten met innerlijke warmte.

Inhoudsopgave 4e voordracht 23 april 1920
De opvoeder als vormer van de toekomstige inhoud van de menselijke ziel
:
abstracte voorstellingen bewerken tussen de mensen scheiding; intellectuele vorming ‘gefilterde’ geest; geesteswetenschap belangrijker door de manier van optreden, dan door de inhoud; innerlijke passiviteit van de moderne mens; geheugenweten en actief verstand; biogenetische grondwet (Haeckel); oorsprong van het geslacht mens en de sindsdien gevolgde ontwikkelingsveranderingen; omvorming van fysieke in zielenkrachten: wat vroeger de natuur gaf, moet nu in innerlijke activieit bereikt worden; de inhoud van de menselijke ziel is in de hand gelegd van hen die de jeugd vormen.

vragenbeantwoording
kindertekeningen niet vergelijken met tekeningen van primitieve volken
kinderverzen ook niet
ped. basisregels niet verkeerd, maar hoe concreet zijn ze.

Inhoudsopgave 5e voordracht 26 april 1920
Iets over het leerplan
:
vruchtbaarheid van geesteswetenschappelijke pedagogie wordt zichtbaar in de toepassing; leerplan; noodzaak van een compromis; samenhang van zielenkrachten; leren schrijven; ontstaan spraak; handvaardigheid; uitgaan van het kunstzinnige; eigen oordeel en aannemen van waarheden uit liefde en gerechtvaardigd autoriteitsgevoel; Mach; invloed op de kinderlijke fantasie; grote klassen en individualiseringsvraag; een leraar moet de kinderen door heel de basisschool heen begeleiden; indien mogelijk weinig binding met uiterlijke normen.

Inhoudsopgave 6e voordracht 28 april 1920
Euritmie, muziek- teken- en taalles
:
zwakke en achterrakende kinderen/betekenis van het beeldende voor de ziel/euritmie en muziek/euritmie: bewegingstendenzen van de spraakorganen op de hele mens overgedragen/versterking van de wilsinitiatieven/groeiende interesse voor de buitenwereld/het muzikale bewerkt verinnerlijking van het gemoed/kindertekeningen/taalles, grammatica/grotere logica in dialect/geesteswetenschappelijke pedagogie wil mensen vormen die initiatieven ontwikkelen.

vragenbeantwoording
psycho-analyse; puberteitsmoeilijkheden

Inhoudsopgave 7e voordracht 29 april 1920
Opvoeding als het probleem van de lerarenopleiding
:
werking van eenzijdig benadrukken onsterfelijkheidsgedachte/lichamelijk leven als voortzetting geestelijk leven/intellect wordt meegebracht, wil ontwikkeld/onderwijsvraag naar kwaliteit van opvoeder/humor en ernst/innerlijke voorbereiding van leraar. Meditatie/gedrag van kinderen/wilszwakke kinderen/bijzonder voorbeeld van wilszwakte: wat in de ene generatie gedachte is, wordt in de volgende organisch.

Inhoudsopgave 8e voordracht 3 mei 1920
Dier- en plantkunde van 9-12 jaar
:
Drie belangrijke tijdstippen in de basisschool: 9e, 12e, 14e jaar/zelfstandige oordelen pas na het 12e jaar/vreugde en verdriet, pret en leed in het oordeel/Nietzsche, Griekendom en 19e eeuw/onderscheid wereld en ik na 9e jaar; dan pas natuurwetenschappelijk onderwijs mogelijk/dierenwereld uitgebreide mens/planten: aarde als organisme/verhouding dierenwereld tot mens, plantenwereld tot buiten de mens.

Inhoudsopgave 9e voordracht 4 mei 1920
Dialect en schriftelijke taal
:
dialect: gevoel en wil; schriftelijke taal: voorstellen/dialectsprekende kinderen hebben een innerlijker verhouding met de taal/plastisch en muzikaal element in het spreken/spraak en logica/grammatica leren bewust worden van logische krachten/onderwerploze zinnen/leven en abstractie in onderwerp en zelfstandig naamwoord/onderbewuste intelligentie van de mens; verkeerde interpretatie door psycho-analyse/grammatica en innerlijk gevoel voor stijl/7e jaar: geboorte van etherlijf, drager van het herinneringsvermogen; 14e jaar: geboorte van het astraallijf: zelfstandig voelen en willen, eigen oordeel/gevaar van verkeerd rekenonderwijs/gevolgen van te vroeg oordelen. Gedachtenassociaties.

vragenbeantwoording:
Over het dialect t.o.v. de gevormde omgangstaal; de aard van het Duits als ‘abstracte’ taal; het plastische ‘kop’ als vorm t.o. het doen bij ‘tête, testa’ in het getuigen

Inhoudsopgave 10e voordracht 5 mei 1920
Synthese en analyse in de mens en in de opvoeding
:
synthetische en analytische activiteit van de ziel/analyse heeft vrijheid tot gevolg, synthese dwingt/bij het schrijven uitgaan van het hele woord/atomisme door te weinig analytische activiteit in kinderleeftijd/analyseren -wakker worden, synthetiseren -inslapen/optellen en vermenigvuldigen/muziekles: alleen natuurlijke, geen kunstmatige methoden/noodzaak van vergeestelijking van het spreken/bestrijden van frase/levendige grammatica.

Inhoudsopgave 11e voordracht 6 mei 1920
Het ritmische element in de opvoeding
:
Gevolgen van een te vroege oordeelsvorming/in onze tijd gevoel voor ritme verlorengegaan/wakker en dromen: element tekenen en muziek/inhoud van muziek het melodieuze/kinderziel beantwoordend droom- en muzikaal element/thematiek in de muziek als weg tot spreken/spreken en ritme/orthografie/luisteren/duidelijk spreken/natuurwetenschappelijk en geschiedenisonderwijs/godsdienstonderwijs/vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school.

Inhoudsopgave 12e voordracht 7 mei 1920
Geschiedenis en aardrijkskunde
:
Geschiedenis: uitgaan van wat uit vroegere tijden nog aanwezig is/verworvenheden van de Grieken in de moderne tijd/uitgaan van gehelen in plaats van details. Economie van het onderwijs/algemeen menselijke waarden, individueel bewustzijn, algemeen menselijk als karakteristiek van na-Griekse (christelijke) tijd/geen pragmatisch, maar symptomatologische geschiedenisopvatting/aardrijkskunde/over linkshandigheid.

Inhoudsopgave 13e voordracht  10 mei 1920
Spel van kind:

Schiller over ‘speldrift’/spel en droom/verschil in mens wat betreft oordeel na het 20e jaar door kinderlijk spelen voor de tandenwisseling/na de tandenwisseling gezelschapspel/geesteswetenschap en psychologie/i.p.v. definities karakteriseren/meetkunde/ontwikkeling ruimtelijk gevoel, perspectief, schaduwleer.

Inhoudsopgave 14e voordracht  11 mei 1920
Verdere gezichtspunten en vragenbeantwoording:

Geen nieuwe formele basisregels, maar verruiming van het blikveld/noodzaak van verandering in de opvoeding/geen overdreven aanschouwelijkheidsonderwijs/breuken/natuurkunde moet zich op het praktische richten/kind in belangrijke levensaspecten leiden/verstandskiezen/de juiste plaats in het leven/orthografie/Robinson, prototype van filisterij/Rousseau en de vraag van de oorspronkelijke goedheid van mens/het element van teloorgang in de natuurkrachten/Marxisme als ziekmakend element/genezende impulsen.

vragenbeantwoording bij de 1e voordracht
vragenbeantwoording bij de 4e voordracht
vragenbeantwoording bij de 6e voordracht
vragenbeantwoording bij de 9e voordracht
(zie hierboven voor beknopte inhoud)

Inleidende woorden bij de euritmieopvoering
Dornach op 15 mei 1920
Dornach op 16 mei 1920

.

Verwijzingen
Deze worden bij de vertaling per bladzijde weergegeven.
.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

Steiner: alle pedagogische voordrachten
.

Steiner: alle artikelen op deze blog
.

1255-1171

.

.

VRIJESCHOOL – schrijven (8-1)

.
*

Muziek moet schrijven weer leuk maken

In 2003 verscheen een boek van Monique Derwig met de titel ‘Schrijfkriebels

Een artikel daarover verscheen in ‘het Onderwijsblad’ van 7 sept.2002 met bovenstaande titel.

Aanleiding om zo’n boek te schrijven was dat er kinderen zijn die schrijven vreselijk vinden. Wat doet de school dan?
Mevrouw Derwig laat het schrift zien van een meisje uit groep 5 die bij haar terecht is gekomen. Overal staat met rode pen geschreven: slordig!, moet opnieuw, niet netjes tussen de lijnen.

“Dit kind doet ontzettend haar best”, zegt Derwig. “Nooit krijgt ze een stickertje, alleen maar commentaar.”

Hoe belangrijk een positieve benadering is, onderstreepte Rudolf Steiner een kleine honderd jaar geleden al:

Je moet willen vaststellen wat een kind kan, niet wat het niet kan.
[87]

Kinderen met schrijfproblemen zijn heel onzeker over schrijven. “En ze vinden schrijven vreselijk.”
Ze benadrukt dat het belangrijk is dat een kind niet verkrampt schrijft. “Bij een kind met schrijfproblemen gaat alle energie naar het schrijven. Dan is het heel moeilijk zaken als spelling goed te leren. Als het schrijven soepeler verloopt, ontstaat er ruimte om andere dingen aan te leren.”

Eigen tempo
Derwig gaat met deze kinderen op allerlei manieren met verschillende materialen en met aangepaste muziek erbij, oefeningen doen. Het draait om het opdoen van bewegingservaringen die de basis vormen voor het echte schrijven.

Dat noemen we op de vrijescholen vormtekenen [1]

Kinderen kunnen zich in hun eigen tempo de schrijfbewegingen eigen maken.

Kan dat nog, zoals hier en daar op de vrijeschool gebeurt, wanneer kinderen 3 letters per week moeten leren?

In de muziek, die op de bijbehorende cd staat, zitten steeds twee ritmes. Snel en langzaam. In eerste instantie kan het kind de oefeningen in het langzame tempo doen, later snel. “De muziek is helemaal ten dienste van de oefeningen gemaakt”, zegt Derwig.

“De muziek geeft een auditieve prikkel die de beweging ondersteunt. Daar waar de beweging krachtiger moet, zit in de muziek crescendo.”

Dit o.a. is op de vrijeschool een deel van de euritmie.

De cd begint met een liedje over de juiste zithouding. “Als ik hier op school een klas binnenkom, beginnen ze meteen het lied te zingen en nemen ze de goede schrijfhouding aan.”

Het kind leert zijn bewegingen aan te passen aan steeds nieuwe omstandigheden en kracht en snelheid van de beweging te doseren. Het gebruik van verschillende materialen, oppervlakken en houdingen is daarbij belangrijk. Een van de meest voorkomende schrijfproblemen, het verkrampte schrijven, kan hiermee worden voorkomen. “Het maakt een groot verschil of je met een viltstift op glad papier werkt, met wasco op structuurbehang of met krijt op het bord”, zegt Derwig.

Slingers
Er zitten oefeningen in als het tekenen van pepernoten, waarmee het maken van ronde vormen wordt getraind. Met het tekenen van een mijter in de vorm van een driehoek wordt geleerd strepen te trekken en op tijd te stoppen met de beweging, een moeilijk facet van schrijven. Met het maken van slingers wordt het schrijven van guirlandes geoefend.
.

*geringe bewerking met schuingedrukte toevoegingen door mij.

Hier staat het hele artikel

En hier nog een artikel over de opvattingen van mevrouw Derwig

[1] vormtekenen via de blog van Madelief Weideveld
.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Bewegen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: bewegingszin

.

1254-1171

.

.

VRIJESCHOOL – Jaartafels

.

Het artikel ‘HET HELE JAAR DOOR‘  gaat over jaar- of seizoenstafels.

Op VRIJESCHOOL in beeld vind je allerlei voorbeelden:

lente

.

tafels bij de jaarfeesten

1253-1170

.

.

Is de vrijeschool een antroposofische school (3-1/2)

.

over geschiedenis

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 10 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Hier wisselden we enige gezichtspunten uit waaruit blijkt dat de opmerking = hij (Steiner) adviseert dan ook om met Atlantis te beginnen = niet klopt.

Het geschiedenisonderwijs in klas 5 begint dan ook niet met ‘Atlantis’.

Luc is heel zeker:
De geschiedenislessen in de vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Deze zin is heel makkelijk te interpreteren als: Steiner heeft aan het geschiedenisonderwijs in klas vijf en zes zijn eigen visie op de geschiedenis ten grondslag gelegd.
Maar die visie vind je bij Steiner niet als directe aanwijzingen voor het onderwijs. Je vindt maar heel weinig en zeer algemeen, o.a.:

In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd, die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.
GA 295/161
vertaald/149

De volgende opmerkingen liegen er toch niet om: gloedvol en enthousiast over de mens spreken, zonder er (antroposofische) wereldbeschouwing van te maken:

En daarom kun je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, zonder dat er een wereldbeschouwing in de school gebracht wordt, dat door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie behandeld wordt: niet op een droge manier, niet zo maar antropologisch-theoretische kennis, maar zo dat wat aan eerste antropologie aan het kind aangeboden wordt, vanuit de geest sprankelend en doorwarmd is. Wanneer je dat de kinderen op deze manier bijbrengt, beginnen ze op een andere manier bij de les te zijn; ze verankeren in zich zelf wat hun het hele leven bijblijft. 
GA 297/220
Vertaald op deze blog

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw.
GA 295/161
vertaald/149-150

Dus: geen directe aanwijzingen van Steiner die de opmerkingen van Luc kunnen staven.
Dat ziet hij zelf ook: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner en vond in het boek van Karl Stockmeyer Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschulen voldoende elementen om mijn bewering te staven. Het hoeft niet altijd woordelijk in een voordracht van Steiner te staan om te weten wat hij bedoelt.

Dat moest ik ook constateren bij ‘Atlantis’.

Dan zal het dus weer moeten gaan om ‘indirecte aanwijzingen’.

Zijn die er dan?

Zoals je voor Atlantis de indirecte aanwijzingen zou kunnen halen uit Paul Veltmans manuscript voor de 5e klas, zo kun je bij andere schrijvers die met Steiners opvattingen onderzoek doen, uitkomen bij auteurs die ‘geschiedenis’ op zijn opvattingen baseren.
Luc doet dat met Bruno Skerath en neemt zijn gezichtspunten voor ‘de’ gezichtspunten wat betreft de geschiedenis in klas 5.
Je zou het net zo goed kunnen doen met Karl Heyer, die in zijn ‘Studienmaterialien zur Geschichte des Abenlandes’ het 1e deel de titel meegeeft:
‘Von der Atlantis bis Rom’. Daarin zet hij vrijwel alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd en volgt hij de indeling van de culturen na Atlantis, zoals Luc die ook aangeeft vanuit de visie van Skerath.
In Frans Schobbes ‘Vier wereldmaanden 1’ staat in de inleiding dat het schrijven van zijn boek ook bedoeld is om de geschiedenisperiode in klas 5 goed te kunnen voorbereiden. ‘Geschiedenis’ is in dit boek voor het grootste deel gebaseerd op mededelingen van Steiner.
Kortom: wanneer je als leerkracht zo’n periode moet gaan geven en je neemt genoemde werken als uitgangspunt, dan geef je geschiedenis met Steiner als leidraad, gebaseerd op meningen van anderen.

Maar dat staat niet gelijk aan: dat móet dus in het geschiedenisonderwijs van klas 5!

Ik zei eerder al: Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Wie in willekeurige geschiedenisboeken zoekt naar het begin van een geschiedenis, komt titels tegen met daarin woorden als ‘de bakermat van..’. ‘de wieg van… ‘, ‘de dageraad  van…’ enz.

Letterlijk ‘ergens’ wordt een begin gemaakt. En omdat je met je 5e klas ook ‘ergens’ moet beginnen, zoek je naar de oudste bronnen. Dat zijn zeker nog geen geschreven bronnen, dus ‘echte’ geschiedenis is het nog niet. Het is inderdaad nog ‘dageraad’: het is nog schemerig.

Luc zegt: ‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

Wat de leerstof voor de 5e klas betreft, zie je vrijwel altijd deze indeling:
(Oud)-Indië; (oud)-Perzië (Tweestromenland); Egypte; Griekenland; gevolgd in klas 6 door Rome tot en met de middeleeuwen.

En ja, wanneer je bij Steiner kijkt naar zijn visie op de ontwikkeling van de mensheid zie je ook:
Oer-Indisch; oer-Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws.

Maar wanneer je een wetenschappelijk leerboek geschiedenis inkijkt, zie je:
(voorafgegaan door prehistorie): vroegste samenlevingen van Irak; Mesopotamië; Egypte; Griekenland; Rome.
[Een geschiedenis van de Oude Wereld- Beliën/Meijer]

Of:
(voorafgegaan door prehistorie, met daarin opgenomen een scheppingsverhaal uit India!); Mesopotamië; Babyloniers en de Assyriërs; Perzen; Egypte; Griekenland; Rome; middeleeuwen.
[7000 jaar wereldgeschiedenis]

Er bestaan nog andere indelingen met onderlinge verschillen die ontstaan zijn door nét een ander accent op bv. – in de ogen van de samenstellers – belangrijke gebeurtenissen.

Als je Steiners indeling niet zou kennen en je zou voor je klas deze aanhouden: Indisch; Perzisch; Egyptisch-Babylonisch; Grieks- Latijns-middeleeuws, doe je daarmee niet iets buitennissigs of vreemds, laat staan ‘antroposofisch’.

Je zegt: ‘Maar de indeling in cultuurperiodes zoals hij dit doet stemt helemaal niet overeen met wat wetenschappelijk onderzocht is.’ 

Ik denk dat je hier ‘helemaal niet’ om moet keren: ‘niet helemaal’.

Het is m.i. ook niet relevant. We weten dat veel van Steiners opvattingen niet onderzocht kunnen worden met de maatstaven die gelden voor een ‘weegschaalwetenschap’

Dat Steiner van die fasen nog allerlei meer zegt, wat je niet vindt in de reguliere wetenschap, wil niet zeggen dat een vrijeschoolleerkracht – in zijn klas deze volgorde aanhoudend – óók dat ‘meer’ moet benadrukken. Al zou hij dat willen: wat moeten 11-jarigen met ‘ontwikkeling van ‘fysieke lichaam, etherlijf, gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel’. Wat zouden ze ervan moeten begrijpen en hoe wil je ze dat begrijpelijk maken. Nog afgezien van het feit of leerkrachten zelf wel weten wat deze begrippen inhouden voor deze cultuurperioden.
En dan nog de jaartallen. Wat heeft een kind van 11 aan de wetenschap dat wat hij over Perzië heeft gehoord, plaatsvond van 5067-2907 v. Chr. en dat het een Tweelingencultuur was? NIETS!
Wij zijn gewend geraakt aan jaartallen v.Chr., maar eigenlijk zijn ze voor ons ook niet veel meer dan ‘lang geleden’ en we kunnen er – intellectueel – het ene mee vóór of na het andere rangschikken, maar dat is het wel zo’n beetje.

Niet voor niets laat Steiner – die heel goed weet dat ‘zo lang geleden’ voor kinderen een abstractie is – ze dat verleden zo concreet mogelijk beleven door die prachtige vondst van ‘de generatieketting‘. Maar, tot in India gaat dat niet.

‘(  ) volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid.

‘Volledig’? Als ik dat moet opvatten als ‘volkomen’, als ‘allemaal’, dan gaat dat voor de volgorde niet op: die vind je simpelweg, soms nauwelijks afwijkend, terug in reguliere opsommingen.

Is ‘volledig’ de buitenkant en de binnenkant? M.a.w. naast de volgorde ook inhoudelijk?

Bij de (willekeurig) genoemde auteurs Skerath, Heyer, Schobbe vind je ‘antroposofische geschiedenis ‘ – die wilden ze ook schrijven – maar voor het onderwijs geldt dan weer, dat als je deze bronnen gaat gebruiken, je antroposofie in je geschiedenisonderwijs haalt.

Je kunt ook volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ blijven door als achtergrond ‘Geschichte Lehren‘ te nemen.
Het boek is ‘to the point’: dit moet je hebben; dat niet; let op je stof, let op je tijd.

In boeken met ‘De dageraad…..’, ‘De wieg…..’. ‘Het ontstaan van….’ gaat het om ‘de eerste beschavingen’, vóór Egypte, dat in een geschiedenisencyclopedie bestaande uit opeenvolgende delen, vrijwel altijd het deel is dat komt na ‘De dageraad…’, gevolgd door Griekenland, gevolgd door Rome, gevolgd door de middeleeuwen.

Die ‘dageraad’ is voor India nog niet de Induscultuur, maar verder terug. Er zijn rotstekeningen gevonden van 40.000 jaar oud en nederzettingen die al in 9000 v. Chr. bestonden. En ‘ergens’ en ‘ooit’ zijn de verhalen ontstaan die veel later opgeschreven zijn in de heilige boeken.
Zo’n ‘gewone’ reeks als’ 7000 jaar wereldgeschiedenis’ begint met de prehistorie en neemt een Indiase mythe op:

Een scheppingsverhaal uit India

‘Toen de tijd sliep in de schoot van de eeuwigheid, was de ruimte vervuld van duisternis, waarin het leven onbewust klopte. De zeven heersers waren de scheppers van de vorm uit het niets. Hun stralen doordrongen de oneindigheid en beroerden de kiem die in de duisternis sluimerde. De kiem bewoog en werd warmte en licht. En uit de kiem ontsprongen de krachten in de ruimte. De scheppers verzamelden de vurige stof en balden ze samen tot kogels van vuur. Ze bliezen de kogels het leven in en zetten ze in beweging in de ruimte. En de koude maakten ze warm en de droogte maakten ze vochtig. En de gloed maakten ze koel. Zo werkten de zeven scheppers van de ene schemering tot de andere. Toen daalden ze af naar de stralende aarde, om er mensen te zijn.’

Stel eens dat Steiner deze mythe zou hebben genoemd om te vertellen in de 5e klas.
Als ik zou willen aantonen dat ‘het geschiedenis volledig gebaseerd is op…en ik zou jouw werkwijze volgen: ‘Ik ben dus op zoek gegaan in de overgeleverde teksten van Steiner .’ zou ik hier met een zeker gemak kunnen zeggen dat Steiner deze mythe wil, omdat daarin zijn visie op de ontwikkeling van mens en wereld, zoals beschreven in ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’,  of zijn ‘Het Bijbels scheppingsverhaal‘ tot uitdrukking komt. Je weet meteen dat het in deze mythe gaat om ‘Gods geest die over de wateren zweefde, de donkere aardematerie bevruchtend waardoor er een scheiding ‘tussen de wateren’ ontstond: een herinnering aan het ooit in verschijning treden van ‘oude planetaire fasen’. En dat ‘ze=de 7 heersers/Rishi’s afdaalden naar de stralende aarde om er mensen te zijn’, zou ik makkelijk kunnen gebruiken om Steiners reïncarnatie-idee in de klas te introduceren.

Maar dat is koketteren met antroposofie en dat moet je niet willen, sterker nog: volkomen achterwege laten, want het wordt speculeren.

En ik zie Luc, dat jij je daarvan ook niet kunt losmaken:
Als Steiner het over tijdperken heeft, dan bedoelt hij wel degelijk de tijdperken zoals hij die ziet in zijn antroposofisch gedachtegoed. Steiner heeft het dus over de tijdperken van de wereldgeschiedenis en over de impulsen die daarvan uitgaan. Om dit te begrijpen moet je niet op zoek gaan in de pedagogische voordrachten, maar in de voordrachten die over de wereld- en mensheidsontwikkeling gaan.

Die laatste zin laat zien dat niet Steiner de antroposofie in het geschiedenisonderwijs haalt, maar dat jij dat zelf doet en dan móet je noodgedwongen tot de conclusie komen dat er ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’ zit.
En als je naar bepaalde geschiedenisschriftjes kijkt, zie je inderdaad dat sommige leerkrachten uit de door jou bedoelde voordrachten putten en dat in hun lesstof stoppen.

Maar dan zijn we weer bij Steiner: géén antroposofie in het (geschiedenis)onderwijs.

Het is niet, zoals ik al eerder betoogde ‘DE’ vrijeschool, of ‘HET’ vrijeschoolonderwijs; het is ‘DIE’ leerkracht in ‘DIE’ school voor ‘DEZE’ klas.

Wie met ‘Geschichte lehren’ werkt, ervaart dat er helemaal geen antroposofie nodig is om de kinderen te boeien en ze te laten beleven wat er ‘vroeger’ was.

Je zegt:
‘Dat Steiner aanraadt om een cultuurgeschiedenis te geven vind ik bijzonder waardevol’

Dat ben ik roerend met je eens!

Ik heb je beschrijving, aanwijzingen, de opbouw voor een geschiedenisperiode  met veel interesse bekeken en veel ervan en in grote trekken is dit ook de lesstof die ik heb gebruikt, met als uitgangspunt ‘Geschichte lehren’.
Juist die vrijwel identieke inhoud laat zien dat er niet zo’n wezenlijk verschil bestaat tussen jouw periodestof en de mijne. Zeker niet zo wezenlijk dat jij van mijn periodestof kunt zeggen dat die ‘antroposofisch’ is, alleen op grond van een bepaalde indeling van de culturen waarover we iets aan de kinderen willen meegeven.

Ook voor de 6e klas vind je vergelijkbaar met de 5e geen aanwijzingen voor antroposofie uit de mededelingen van Steiner. Als het er al in zit, is het er door overijverige leerkrachten ingebracht, bij Lindenbergh zul je het niet vinden.

Ik ben het dus op grond van bovenstaande niet met je eens dat het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool per definitie antroposofisch is.

Wel zie ik met jou dat het niet moeilijk is er antroposofie in mee te nemen; maar dat is tegelijkertijd een nietszeggende opmerking. Omdat Steiner over vrijwel alles mededelingen heeft gedaan, kun je die dus overal waar een gelegenheid zich voordoet, opzoeken en in je onderwijs een plaats geven.

Dat dat niet moet, heeft hij veelvuldig onderstreept.

Luc op 21-03-2017L

Op je jongste opmerkingen heb ik niet veel in te brengen. Ik pik er twee zaken uit:

  1. Talloze keren heb ik leerkrachten erover aangesproken dat ze in hun pedagogische opdracht moeten vertrekken van DIT kind in DEZE tijd op DEZE plaats. Zo had ik het dus ook moeten doen ten opzichte van de steinerscholen, zoals jij aangeeft: DIE leerkracht in DIE school voor DEZE klas. En eigenlijk kun je daar in DEZE tijd nog aan toevoegen.

Ik vind het echter niet wenselijk om in een publiek beschikbare tekst zó te schrijven dat leerkrachten, scholen en klassen herkenbaar of traceerbaar zijn. Bovendien is wat ik over geschiedenisonderwijs geschreven heb in de periodeschriften van die Vlaamse steinerscholen die ik de jongste jaren bezocht heb, terug te vinden. Een zekere – beperkte – generalisatie was dus wel zinvol.

  1. Ik spreek doorgaans niet over de Nederlandse vrijescholen omdat ik die te weinig ken en het kan dus best zijn dat leerkrachten in Nederland – zoals jij – de geschiedenisperiode op een meer wetenschappelijk gefundeerde manier én in overeenstemming met Steiners visie over de oude geschiedenis behandelen, zoals Lindenberg ook voorstelt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.

Met vriendelijke groet

Luc

Op 27-03-2017

Beste Luc,
Ik lees in je opmerkingen dat je iets te veel in het algemeen hebt geschreven dat het geschiedenisonderwijs a priori of per definitie antroposofisch is. Dat is het niet. Je kunt het er wel van maken, maar dan ben je niet goed bezig.

Met wat jij en ik er nu over hebben geschreven, moet het voor leerkrachten niet moeilijk meer zijn, de geschiedenisperiode op een verantwoorde manier te geven.

Pieter
.
Geschiedenis: alle artikelen
.

Eerdere commentaren op onzinnige kritiek:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
Ís de steinerschool een antroposofische school’:

[1-1] geschiedenis [1]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

1252-1170

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (12)

.

VAN HEMELVAART TOT PINKSTEREN

Doe open nu het duivenhuis
De duifjes vliegen er vrolijk uit.
Ze vliegen uit met brede vlucht en zweven in de blauwe lucht.
Maar keren ze weer van ‘t vliegen moe,
dan sluiten we zacht het duivenhuis toe.
Roe-koe-roe-koe , roe-koe-roe-koe .

                                                                                                                                (Pinksterliedje)

Zo vanzelfsprekend als Kerstmis en Pasen een feest zijn, zo ver lijkt het feest van Pinksteren van ons weg te staan. Bij vele mensen wordt het totaal niet meer gevierd, en wordt het woordje Pinksteren alleen een synoniem voor “enkele dagen vakantie”.

Pinksteren en Hemelvaart zijn voor vele mensen ongrijpbaar. Vaag weten ze nog dat het een feest is over verrijzenis en over de opgang naar de hemel van de Jesusfiguur.    Om wat meer te weten te komen over de He­melvaart en over Pinksteren moet je beginnen te zoeken bij het begin: n.l. bij het fysieke leven en dood van de Jezusfiguur.

In het begin van de Handelingen der Apostelen wordt de Hemelvaart van Christus beschreven: Christus spreekt daar tot zijn leerlingen: “Gij kunt nog niet de tijden en beslissende ogenblikken kennen, die de Vader door zijn scheppingsmacht geordend heeft. Maar gij zult de kracht van de H. Geest ontvangen, die op u neerdaalt. En gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot aan de uiterste grenzen der aarde. En terwijl hij dit zeide, werd hij voor hun ogen opgenomen; een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen. En toen zij nog opzagen naar de hemel, terwijl hij heenging, zie, twee mannen in witte kleedren stonden bij hen en zeiden: Gij mannen uit Galilea, waarom staat gij daar en ziet op naar de hemel. Deze Jezus, die van u opgenomen is ten hemel, zal komen zoals gij hem ten hemel hebt zien varen.”

Jezus verdwijnt op een wolk voor de ogen van zijn apostelen. Dan breekt er een moment aan voor hen dat ze zich nog verslagener voelen dan voordien bij zijn dood. Zij voelen zich eenzaam en achtergelaten. Hun bewustzijn reikt niet zo hoog dat ze het wonder als bij toverslag kunnen vatten.

Tien dagen nadien, krijgen ze echter terug een ontmoeting met de Christusfiguur, en daar worden ze gedoopt. Deze keer geen fysieke doop zoals bij onze borelingen, maar een geestelijke doop. Zij krij­gen de ontvangenis van de H. Geest. Vanaf die dag kan het ‘ik’, het bewustzijn van de mensen langzaam gaan groeien. Het wonderlijke in deze gebeurtenis kan men sterk ervaren, wanneer men beseft dat die geestelijke krachten van de H.Geest niet alleen over de apostelen nederdaalde maar over de gehele mensheid, waardoor er een zeer belang­rijke mensheidsontwikkeling tot stand kwam.

Het Evangelie eindigt met de Openbaring van Johannes. Johannes, die een grote helderziende was met een verruimd bewustzijn, schouwt op het eiland Patmos de wedergeboorte van de etherische Christus. De Christus verlaat de aarde met Hemelvaart niet. Maar verbindt zich met het etherische dat in en rond de aarde leeft. Wij kunnen hem als het ware dag en nacht in-ademen. De wolk is een etherisch element bij uitstek. Het stromende water verdampt, stijgt op ten hemel en vormt een wolk. De wolk daalt als dauw en regen terug naar de aarde. De wolk is zichtbaar met onze zintuigen, doch hoe dichter men ze nadert, hoe minder men ze fysiek aanschouwt.

De planten krijgen met hun wortels dit wolkensap en geven het door aan blad en vrucht. Rivieren en stromen zwellen weer door het vallende wolkenwater. Er ontstaat een geven en een nemen, een lemniscaatbeweging, een huwelijksritueel tussen kosmos en onze levende aarde. Daar waar geen water valt, treedt de dood op.

Als we ons met Hemelvaart in de eerste plaats verbinden met dit won­der: n.l. de geboorte van de etherische Christus, dan worden we ver­vuld met dankbaarheid. Al wat op aarde tot leven verwekt wordt, wordt doorstroomd met het Christuselement. In onze natuur gaan alle bomen en bloemen zich in bruiloftskledij sieren. Bloesems springen open en de knoppen ontplooien zich en barsten open tot bloem. Vreemde vogels zingen liederen die we nooit voordien hoorden, en die we elk jaar weer vergeten waren, hoe mooi ze wel waren. De witte duif, een steeds weerkerend symbool. In liederen en gebeden werd er van hem en zijn zeven gaven gesproken.

Wijsheid was de mooiste

Ook bij de ondergang van de aarde, waarbij Noach en zijn uitverkorenen gespaard bleven, werd een witte duif eropuit gestuurd om te kijken of er reeds land in zicht was. De duif kwam weder met laurier en kondigde ‘de wedergeboorte aan. Ook onze vredesduif zou een boodschap moeten zijn voor iedereen die met Kerstmis heeft gezongen: ‘Vrede op aarde, aan alle mensen, die van goede wil zijn.

Het feest is weliswaar te abstract om aan kleine kinderen duidelijk te maken. Doch men kiest dan verhalen met zon grote beeldentaal dat er over die kinderzieltjes toch iets van Pinksteren kan nederdalen:
Assepoester, De drie talen, De kristallen bol, De witte en de zwarte bruid. [1]
Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is. Daarmee geeft men dan aan de kinderen het waarheidsbeeld van het toekomstig geestelijke, waarvan het Evangelie spreekt, toen de Geest op de twaalfde en de in hun midden vertoevende dertiende neder­daalde – een waarheidsbeeld voor het inzicht, dat ieder mens op de Johannesfiguur kan lijken en de alomvattende zielenwijsheid van de duif kan verkrijgen, waarvan Maria het levende oerbeeld is.

Overigens, nu als volwassene, moet ik dit zeggen – is het misschien juist belangrijk, dat Pinksteren niet geheel door het kind ‘begrepen’ wordt. Als we zelf willen weten, wat er gebeurd is en dit gebeuren ons eigen maken tot een altijd durende zekerheid, dan beleeft het kind het feest door ons. Door onze houding en onze vervulling krijgt het feest gestalte voor het kind.

In de kleuterschool vieren we natuurlijk wel Pinksteren: nl. de pinksterbruid en -bruidegom :

Hier is onze fiere Pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen.
Met zijn mooie kransen op het hoofd en met zijn rinkelende bellen.
Recht is recht,
Krom is krom.
Gelieve wat te geven aan de fiere Pinksterblom,
want de fiere Pinksterblom moet voort.

Luilak,- beddezak
staat om 9 uren op
Negen uren, half tien:
dan kan men de luilak zien.

Ons kinderfeest is het bruiloftsfeest, verwekt door onze levende natuur. Elke hereniging tussen geest en aarde leidt tot bevruchting. Elke bevruchting brengt een wedergeboorte tot stand. Elke wedergeboorte is een ontwikkeling, een stap verder naar het (hopelijk)  ‘goede’.

Kleuters van ongeveer zes en een half jaar verlaten hun kleuterwereld en worden dan pas ‘echt geboren. Ze stoten de tandjes van hun erfelijkheid uit en vormen hun eigen blijvende gebit. Ze zijn doorheen kinderziekten gekomen met een eigen identiteit. En voor ’t eerst gaan ze echt ‘denken’. Niet het herinneren, het associëren, maar het echte, abstracte wakkere denken, waardoor ze in staat zijn om leerstof te gaan opnemen.

Deze oude pinksterliederen waren oorspronkelijk vruchtbaarheidsliederen en zij steken vol symboliek:
– rinkelende bellen : daar slaap je niet van, daar word je juist door ‘gewekt’ zoals Doornroosje na haar 100-jarige slaap.
– Luilak, beddezak: ook een verwijzing naar het wakkere denken en naar het ontwaken van ons hoger ‘ik of ons hoger bewustzijn.
– de duifjes: is een vogel die ons een beeld geeft van het opstijgende, hetgeen naar de hemel gericht is.
– Het wit van de duif en het witte van de pinksterkledij: beeld van het maagdelijke, en het reine, ’t onbezoedelde. Wit is de kleur met de grootste verbondenheid met het geestelijke. Vandaar de witte rouwkledij bij sommige Oosterse volkeren.

Bronnen : – Hoe vieren we jaarfeesten met kinderen, van Friedel Lenz
Meer

.

[1] In het oorspronkelijke artikel stond dit niet, wel dit: Bv. het sprookje van de zeekoning en Wassilissa, de dertiende duif. Het is een zuiver pinkstersprookje, het zuiverste dat in Midden-Europa verteld is.
Maar het Russische sprookje is met deze omschrijving niet te vinden. Er bestaat een sprookje met de naam: ‘De tsaar van de zee en Wassilissa de Wijze’, maar daarin komen geen dertien duiven voor (wel twaalf zwanen). Wat het pinkstermotief zou moeten zijn, is onduidelijk

Bron: onbekend

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

161-153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (42)

.

De onzelfzuchtigheid van de paashaas

Een bruine langoor die met grotesprongen kris-kras door het veld springt. In de jacht offert hij zich op door de achtervolging van een soort­genoot over te nemen. Hij heeft geen hol om zich te beschermen – de hemel is zijn dak. Dat is het beeld dat de haas bij ons oproept. Wat heeft het symbool van de onzicht­bare haas die eieren verstopt met Pa­sen ons nog meer te zeggen?

Wie dagelijks met jonge kinderen bezig is, leeft te midden van een beeldenwereld die voor hen heel reëel is. Als volwassene ga je je afvragen waar die beelden die je tegenkomt in gezegden, kinderspelen en sprookjes voor staan. Meestal moet je voor uitleg te rade gaan bij mensen die zich in de symbolenwe­reld verdiept hebben. De meest uitgebreide uitleg over het symbool ‘haas’ heb ik gevon­den in een boek getiteld De symboliek van Haas en Anjer van CA. Wertheim Aymès en dr. P. van Schilfgaarde. In de inleiding wordt allereerst op het wezen van een symbool ingegaan en wel met een citaat van Goethe: ‘Het Ware, een met het Goddelijke, kunnen wij nooit rechtstreeks vatten; wij zien het slechts in een afglans, een voorbeeld, een symbool, in afzonderlijke en verwante verschijningen; wij worden het gewaar als onbegrijpelijk leven en kunnen ons niet onttrekken aan het verlangen het toch te begrijpen’.

Het woord ‘symbool’ stamt af van het Griek­se woord ‘symballein’ – letterlijk vertaald ‘samenwerpen’. Van dezelfde stam komt para­bel – gelijkenis. In de diepste betekenis wordt bedoeld dat het zinnelijke en het bovenzin­nelijke bij elkaar gebracht worden, terwijl in aardse betekenis het begrip ‘symballein’ werd gebruikt voor het op geheime wijze sa­menvoegen van twee delen. Een vertrouwelij­ke brief bijvoorbeeld, waarvan het de bedoe­ling was dat anderen hem niet konden lezen schreef men veelal op een strook, gewikkeld om een staaf van bepaalde dikte. De ontvan­ger kon de brief dan alleen lezen, als hij de beschreven strook weer om een staaf wik­kelde van dezelfde dikte die hem van tevoren bekend moest zijn. Dan brachten de standen der letters dezelfde woorden weer bijeen. Een symbool is dus een helft, die aansluit op een andere helft, zijn wederhelft. Op soortgelijke wijze worden denkbeelden samengebracht met beelden uit de zintuigelijke wereld. Die beelden, aan de natuur ont­leend, worden dan tot zinnebeelden, waarbij sprake is van herkenning. Vandaar, dat echte symbolen duurzaam zijn, en dat dezelfde symbolen onafhankelijk van elkaar in ver­schillende tijden en bij ver van elkander le­vende volken kunnen optreden.

Een zoeloesprookje ‘De behekste boom’ geeft ons inzicht in de symboliek van de haas. Een Zoeloekoning belooft zijn beeld­schone dochter aan diegene die de kwaadaar­dige otter kan vernietigen die tussen de wor­tels van een boom in zijn tuin huist. De eer­ste die een poging waagt is de olifant. Hij vult zijn slurf en spuit met kracht het water tussen de wortels, maar zonder succes. Dan komt de slang die met listigheid sissend om de stam kronkelt maar de otter blijft blazend zitten in zijn hol en komt niet tevoorschijn. Tenslotte probeert de haas het en dansend lokt hij de otter naar buiten zodat die gevan­gen kan worden. De haas vertegenwoordigt het hogere bewustzijn, in staat boosaardige krachten te bedwingen.

Waarom de haas als symbool van het hoger bewustzijn, het ik?
De haas is uitgerust voor de nacht. Dan is hij actief met zijn goed ont­wikkelde zintuigen. Hij wordt wakker bij het minste gerucht, is niet bang maar waakzaam, alert, snel.
Als zoogdier kent de haas de warmte van het bloed (het ik leeft in het lichaam), als knaag­dier vreet het aan (het ik vreet aan de levens­krachten), maar de haas doet niemand kwaad, eet alleen planten. (Het ik is onscha­delijk als het zich harmonisch kan ontwikke­len.) De haas is opofferend: achtervolgd door jachthonden en uitgeput zal een ai zijn plaats innemen en zich laten achtervol­gen. Tenslotte: de haas heeft geen hol. En zie hier het beeld: het ik is onzelfzuchtig, schaadt niemand, komt in actie voor zijn broeders en heeft geen tehuis op aarde, is al­tijd wakker om de mens de geestelijke wereld te laten zien.
De haas staat ook voor de liefde, te verstaan als natuurlijke èn hemelse liefde, waarbij vruchtbaarheid geestelijke vernieuwing aan­duidt. En zo zien we de haas overal opdui­ken: op een Griekse vaas uit de vijfde eeuw waar de ene man bij wijze van liefdesverkla­ring de andere een haas overhandigt, in het sprookje van Grimm van de hazenbruid, op Boeddhistische afbeeldingen waarin de Boed­dha na zijn aardse dood als haas in de maan kan worden geschouwd en bij ons met Pasen.
Het Ostarafeest, genoemd naar de Babylonisch-Assyrische godin Ostara, godin van lief­de, schoonheid en vruchtbaarheid werd ver­bonden met Ostern, Easter, Pasen, de Opstan­ding van Christus.
Een onzichtbare haas ver­stopt paaseieren. Talrijke weidevogels maak­ten immers gebruik van hazelegers om hun eieren in uit te broeden, dus de verbinding ligt voor de hand. De eieren zijn gekleurd met de kleuren van de regenboog als sym­bool yan een nieuw begin, van geestelijke le­venskiemen. In de kalkschil dragen zij de zon (dooier) en de maan (eiwit) maar we moeten ze zoeken – als we tenminste niet het haasje willen zijn.

pasen 24

stenen rozet in de kathedraal van Paderborn, Westfalen 

pasen 25

Griekse schaal, 6e eeuw v.Chr.

pasen 26

Leagros op Griekse schaal

Tineke Geus, ‘Jonas’17, 13 april 1984

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

1251-1169

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (37)

.

opspattend grind

‘Handschrift drukt gevoelens uit’

Grafologen en pedagogen maken zich zorgen over toekomst van de handgeschreven tekst

 

Het handschrift wordt ernstig bedreigd volgens een kleine groep grafolo­gen, schrijfpedagogen en schoon­schrijvers. Als mensen al met de hand schrijven, dan vaak in blokletters, beweert schrijfdocent Greetje Arends, een van de drijvende krach­ten achter de ‘Dag van het handschrift‘.

Niet alleen pubers en volwassenen met hun smartphones en compu­ters verleren volgens haar het ver­bonden schrift. Ook op de basis­school komt het in de verdrukking. Leerkrachten zijn zo druk met taal en rekenen – de kerndoelen waarop de school wordt afgerekend – dat ze voor handschriftontwikkeling steeds minder tijd uittrekken.

Hard bewijs voor deze bewering ontbreekt. Maar het idee dat het in­dividuele schrift met lussen en ver­bindingslijnen langzaam verdwijnt, leeft breed. Het doktersbriefje, het boodschappenlijstje, de ansicht­kaart, de papieren brief, ze worden schaarser. Net als het krijtbord in de klas. De juf typt haar instructies vaak op het digitale bord.

Is het erg als kinderen minder in­tensief leren schrijven met de hand? Ze leren later toch gewoon typen? Maar dat is een heel andere vaardigheid, zegt orthodidact Wally van Grunsven. Samen met kinderneuroloog Charles Njiokiktjien doet zij onderzoek naar handschriftont­wikkeling. “Het met de hand schrij­ven is innerlijke spraak (denken) brengen op papier. De hand wordt het uitdrukkingsmiddel van gevoe­lens en dit heeft gevolgen voor het leren en het geheugen.” Zo hebben kinderen die een opstel met de hand schrijven een grotere woor­denschat en meer ideeën dan kin­deren die hun opstel typen.

Wie schrijft, onthoudt de tekst ook beter, zegt Sabrine van Everdingen van de Landelijke Vereniging Schoonschrijven. Zij doceert het vak Schrijven aan de Katholieke Pabo Zwolle. “Ik vertel mijn studen­ten dat ze aantekeningen moeten maken met de hand. Dan kun je er­gens een streep onder zetten, pijlen trekken, relaties leggen, structure­ren. Zo beklijft het beter. Schrijven is meer dan alleen lettertjes creë­ren. Het is hersengymnastiek.”

Betreurenswaardig dus, de langza­me teloorgang van het handschrift? Welnee, zegt Jos Biemans, hoogle­raar handschriftenkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Na­tuurlijk moeten kinderen met de hand leren schrijven, al was het maar omdat ze andermans hand­schrift moeten kunnen lezen. Maar als ze daarna overgaan op ‘het digi­tale transport van taal’, dan is dat prima.

“Schrift is een middel, en geen doel op zich”, vindt Biemans. Dat de dokter zijn briefjes niet langer met zijn hanepoot krabbelt maar via de computer naar de apotheek stuurt, is winst: “Dat verkleint de kans dat ik iets verkeerds slik.”

In een getypte tekst kun je vol­gens Biemans ook veel van je per­soonlijkheid en gevoelens kwijt, en wie met tien vingers typt beschikt over een fijne motoriek. Het zijn, denkt hij, vooral de emoties en de nostalgie die de hang naar het handschrift versterken.

Weinig aandacht voor de pengreep

Leren kinderen goed genoeg schrijven op school? Op de Paulusschool in Utrecht krijgen ze in groep 3 en 4 nog net zo­veel schrijfles als vroeger, zegt leerkracht Margreet Vonk (55). “Maar aan de pengreep wordt weinig aandacht meer be­steed.” Zij vermoedt dat er een verschil is tussen oudere en jongere leerkrachten.

“De ouderen geven klassikale lessen: ze doen voor hoe je de k en h mooi doet, met even lan­ge lussen. Terwijl jongere leer­krachten eerder zeggen:

‘Maak die oefening in je werk­boek.’ Op de netheid in de schriftjes letten ze minder.”

Trouw, 23-01-2014

schrijven en lezen op deze blog: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

1250-1168

.

.

VRIJESCHOOL – Engels – verschillende klassen

.

Bij de (kunstzinnige) opbouw van een les kun je deze een vast begin en een vast einde geven met een lied, een gedicht, een spreuk, een vers, zodat de les een terugkerende kop en staart heeft. Dat hoeft niet het hele jaar hetzelfde te zijn. Je kunt bijv. met de siezoenen wisselen.

Hier volgen een paar voorbeelden:

Alfabetische volgorde van de eerste regel

7]Bless the faling of the rain
4]Brave and true I will be
10] Day is over, night has come
3]For the seed of love within us
2]Good morning dear earth
5]May the sun shine upon you
6]The light of the world
8]The morning has ended
1]We are truthful and helpful
9]When I woke up this morning

Soms is de Engelse les de les vóór de middagpauze. Dan moet je ook met de kinderen eten.

Hier een paar tafelspreuken

14]Blessings on the blossoms
12]Earth we thank you for this food
13]Earth who gives to us this food
15]For sun and rain
11] For the golden corn

1

engels-spreuk-2

2

engels-spreuk-1

3]

engels-spreuk-3
4

engels-spreuk-4
5
engels-spreuk-7

6

engels-spreuk-8

7
engels-spreuk-98

engels-spreuk-12

9

engels-spreuk-13

10
engels-spreuk-16

11

engels-spreuk-17

12

engels-spreuk-15

13

engels-spreuk-11

14

engels-spreuk-10

15

engels-spreuk-5

Niet-Nederlandse talen, w.o. Engels: alle artikelen

1249-1167

.

.

VRIJESCHOOL – Schrijven (3-4)

.

Dit is een oud krantenartikel.
De inhoud lijkt mij nog actueel.
Hoe vaak zie je geen mensen of dat nu op tv is of in een winkel, die wanneer ze iets schrijven, op een verkeerde, ja niet zelden op een uiterst slechte, onbeholpen manier, hun pen of potlood vasthouden.
Om in vele gevallen maar te zwijgen van het handschrift zelf.
Ook op de vrijescholen!

In het artikeltje is sprake van ‘hanepoten’.
Wanneer kunnen er hanenpoten ontstaan? Wanneer er ‘los’ wordt geschreven en met blokletters. En omdat blokletters heel moeilijk aaneen geschreven kunnen worden – je krijgt dan al een vorm van lopend schrift – is de los geschreven blokletter vaak de voorbode van ‘hanenpoten’.

Hier nog net niet:

lettertype-5

Je roept het met dit type schrijven bijna op:

lettertype-1

Handschrift van een 10-jarige vrijeschoolleerling met wie vanaf (laatste trimester van) klas 1 voornamelijk op groter papier het lopend schrift werd geoefend – zonder lijntjes!
Het kind heeft geen lijntjes nodig om mooi horizontaal te blijven.

lettertype-7

LEESBAAR SCHRIJVEN: EEN VERLEERD KUNSTJE

lettertype-8

‘Het is hanepoot en baksteen’. Zo luidt een niet alledaagse uitdrukking voor een slordig handschrift. Een gezegde dat langzaam maar zeker voor steeds meer Nederlanders opgaat.
Het sterke vermoeden bestaat namelijk dat het aantal mensen met een slordig handschrift gedurende de laatste jaren snel is toegenomen; onder andere omdat in het onderwijs veel minder aandacht aan schrijven wordt besteed, maar ook door de opkomst van moderne ‘tekstverwerkers’ op kantoren en bedrijven. Onleesbare ‘hanepoten’ komen naar schatting nu al bij een op de vier Nederlanders voor.

Ouderen
Maar het slechte handschrift gaat niet op voor alle bevolkingsgroepen: ouderen bijvoorbeeld hebben in veel gevallen een netter en regelmatiger handschrift dan jongeren. Dit laatste concludeert Julius de Goede, leraar schoonschrijven [1] MO. Hij is de auteur van het onlangs verschenen boek ‘Verbeter uw handschrift’.

In het verleden werd namelijk veel meer aandacht besteed aan schoonschrijven, zo licht De Goede desgevraagd toe. Rond 1900 bijvoorbeeld werd op lagere scholen tien maal zoveel tijd aan schrijven besteed dan nu het geval is.

Volgens de auteur, die al enkele boeken samenstelde over het handschrift, wordt op veel pabo’s nog maar één achtste deel van de tijd aan schoonschrijven besteed in vergelijking met 20 jaar geleden.

Met andere woorden: de nieuwe lichting leraren heeft veel minder kennis van schrijven, en dat heeft ook zijn uitwerking op de leerlingen.

Veel dictaten
Een andere oorzaak voor slordig en onleesbaar schrijven is dat leerlingen door veel dictaten op school, te snel moeten schrijven en derhalve raakt het handschrift afgesleten. Van invloed is volgens De Goede voorts dat op de lagere school bij de leeslessen gebruik wordt gemaakt van andere letters (blokletters) dan bij de schrijflessen. Kinderen raken daardoor in de war, en gaan twee verschillende soorten letters door elkaar gebruiken.

De auteur stelt dat waarschijnlijk de helft van de schoolverlaters geen handschrift heeft zoals het eigenlijk zou moeten.

Typemachine
Mia Elenbaas uit Sevenum, onder andere docente Nederlands aan de Grubbenvorster mavo en leidster van een cursus kalligrafie (schoonschrijven), wijst er op dat ook door de opkomst van de typemachine het handschrift achteruit is gegaan: veel mensen hoeven geen handgeschreven boodschappen meer over te dragen.

Het is aannemelijk dat het leger van slordige schrijvers de komende jaren verder zal groeien door de opkomst van de tekstverwerker, het computerbeeldscherm met toetsenbord, de elektrische typemachine met ‘automatische foutcorrectie’.

Zij constateert op basis van haar cursussen een groeiende belangstelling onder jong en oud voor het schoonschrijven in verschillende stijlen en lettersoorten. Dit beeld wordt bevestigd door het aantal boeken over kalligrafie dat reeds is verschenen en op stapel staat. Daarmee lijkt schoonschrijven een soort van tegenbeweging te worden voor het slordige handschrift.

Eisen op school
Mia Elenbaas betreurt het dat docenten minder eisen zijn gaan stellen aan het handschrift van leerlingen. „Je kunt, als leerlingen de tijd hebben om rustig schrijven, verlangen dat ze het goed doen. Je ziet dan dat het handschrift wat beter wordt. Ik ben nogal streng. Hoofdletters bijvoorbeeld midden in een zin, vind ik ronduit fout. En je moet ook durven zeggen tegen een leerling: ik kan het nog wel lezen, maar schrijf het toch maar opnieuw”.

Ze ervaart in haar dagelijkse praktijk dat meisjes netter schrijven dan jongens en dat jongens gedurende de puberteit slordiger gaan schrijven.

Heeft een goed handschrift nog wel zin?
Volgens De Goede neemt het belang van een het handschrift de laatste jaren toe, bijvoorbeeld door de stijgende werkloosheid: slecht of onleesbaar schrijven speelt bij sollicitaties meestal een doorslaggevende (negatieve) rol. „Duidelijk en goed geschreven teksten daarentegen lezen prettig en voorkomen vergissingen”, aldus De Goede.

Anderzijds lijkt de eis in personeelsadvertenties voor handgeschreven sollicitatiebrieven de laatste tijd minder frequent voor te komen. Mevrouw Elenbaas vindt leesbaar schrijven een kwestie van fatsoen: aan de telefoon sta je mensen ook vriendelijk te woord.

Oefeningen
Julius de Goede geeft in zijn boek een aantal oefeningen waarmee volwassenen en jongeren goed schrijven weer onder de knie kunnen krijgen. Hij raadt voor de ‘schrijflessen’ een vulpen aan. Dat hoeft geen dure te zijn, er zijn verschillende goede schoolvulpennen voor redelijke prijzen.

Dan de ‘oude’ schrijfhouding, die weinigen nog kennen: de onderarmen liggen beide op tafel, maar de ellebogen steken uit. Door de draai van de onderarm kan een hele regel worden schreven zonder de arm te hoeven verzetten,

Iedereen die er moeite voor wil doen en er tijd en energie in wil steken, kan volgens De Goede „het kunstje” leesbaar schrijven (weer) leren: „Liever iedere dag twee kwartier, dan de hele middag in één keer”.
Net zoals met huiswerk vroeger op school.

‘Verbeter uw handschrift’, Julius de Goede, uitgeverij Luitingh, prijs 14,90 gulden.

De Gelderlander, 14-02-1985

.

[1] Rudolf Steiner: schoonschrijven

Schrijfhouding

Schrijven: alle artikelen

1248-1166

.

.

VRIJESCHOOL – Leerproblemen – dyslexie (2-4)

.

DYSLEXIE IS TE VOORKOMEN

Het ligt niet aan de kinderen. De leesmethodes lokken dyslexie uit

stond op 24 januari 2017 boven een artikel in het dagblad Trouw.

Een interview met Balt van Raamsdonk – 82 jaar – die zijn hele leven dyslectisch is.
Al vanaf de eerste klas van de lagere school bleef hij achter in alles wat met lezen te maken had. In de derde werd hij als hopeloos geval opgegeven. Hij kreeg intensief bijles van een aardige mevrouw die ook niet wist wat eraan schortte. “Door veel te lezen kreeg ik het gevoel dat ik daar wat handiger in werd, maar juist spellen kan ik nog steeds niet.” Den­ken en praten gelukkig wel. “Mijn meester ver­telde mijn ouders dat hij bij het nablijven de mooiste gesprekken met mij had.”

Lezen en schrijven bleven een obsta­kel voor hem. Hij verstopte zijn dyslexie – “nooit doen”, zegt hij nu. Sinds zijn pensionering is hij aan het werk als wat hij zelf gekscherend ‘beroepsdyslecticus’ noemt. Het lijkt op een roeping.

Van Raamsdonk begon vanuit zijn eigen ervaringen een diepgravende studie en een lange zoektocht naar oplossingen om uitval te voorkomen en maakte er een project van.

Op een buurtschool is het succesvol getest en het wordt nu op drie andere basisscho­len in het land beproefd. Stichting Dyslexie Fonds gaf subsidie.

Hij hoopt met zijn methode bij leerlin­gen uit groep 2 en 3 dyslexie in de kiem te smoren.

Opmerkelijke conclusies:
=Als alle kinderen vanaf het begin op een andere ma­nier zouden leren lezen en spellen, zou dyslexie nog nauwelijks voorko­men.

=De meest gebruikte leesmethoden op basis­scholen zijn voor te veel leerlingen ongeschikt.

=Het proces van leren lezen is, zoals het nu is, volstrekt onlogisch ingericht.

=Het spellende lezen, wat iedereen op school leert, gaat langzaam en de meesten gaan haast vanzelf over op het lezen van het woordbeeld. Helaas geldt dat niet voor alle kinderen.”

=Zijn aanpak druist in tegen de heersende opvattingen over leren lezen.

=Het ligt niet aan de kinderen. De leesmethodes lokken dyslexie uit.

Oorzaak
Voor Van Raamsdonk staat vast dat hij geen woordbeeld had.

“Toen ik me dat realiseerde, be­greep ik dat het voor mij zonder gedetailleerd woordbeeld-bewustzijn bijna onmogelijk was om alleen op gehoor letterklanken binnen een woordklank te onderscheiden. ‘Woordblind’ is niet eens zo’n gekke term. Pas als een woordpatroon een herkenbaar ‘ge­zicht’ krijgt, kan je het een betekenis geven. Heb je het woordpatroon met de betekenis vereenzelvigd, dan kan je lezen. Zwakke lezers zien dat patroon niet in een oogopslag. Voor hen is het betekenisloos. En hoe kan je iets le­ren dat geen betekenis heeft?”

Zijn vermogen om analytisch te kijken, (waarmee hij indertijd in zijn bedrijf de recep­tuur van onderhoudsmiddelen voor auto’s ver­nieuwde,) hielp hem.

Eigen methode
Gedreven om kinderen de last te besparen die zijn jonge jaren bepaalde, ontwikkelde hij een andere, eigen leesstart. De methode leert kinderen lezen zoals ze hebben leren spreken, door woorden als een geheel te leren ervaren. De kern is dat ze zich een gedetailleerd woord­beeld gaan voorstellen. Het zien van een pa­troon en volgorde van letters roept direct de betekenis op: be-oe-rr wordt in één keer boer. “Vlotte lezers hebben dat zichzelf aangeleerd. Dat spellende lezen, wat iedereen op school leert, gaat langzaam en de meesten gaan haast vanzelf over op het lezen van het woordbeeld. Helaas geldt dat niet voor alle kinderen.”

Zo groeide zijn ‘Alfa-bedding’. Een pre-leescurriculum om twee­de- en derdegroepers op weg te helpen met le­zen en – in een latere fase – spellen.

Van Raamsdonk maakte

kaartjes
met afbeeldingen en woorden,

een tastkast om lettermodellen, geprint in 3D, letterlijk te voelen.
Het hele al­fabet en combinaties als eu en au zijn tastbaar gemaakt.
Dat tasten bevordert dat letterbeelden in het brein beklijven, vond hij uit.

B, d, p, q. Allemaal bol­letjes met een stokje, zwakke lezers en spel­lers struikelen erover.
Hoe maak je je ch of g en ei of ij eigen? Eerst ‘blind’ laten voelen en aftasten: lettervormen, tweeklanken. Dat dwingt een leerling om zich er een innerlijke voorstelling van te maken.

“Woorden krijgen een gezicht. Je moet ze als beeld opslaan in je hoofd, anders kan je ze nooit terugvinden. Als een kind eenmaal het woordbeeld herkent, is het pats.”

Samenvatting

HOE ZIT HET PRECIES?

Wat mankeert er aan de huidige leesmethode op de meeste basis­scholen in Nederland?

Van Raamsdonk:
“Ze gebruiken een methode waarbij losse letters worden samen-gelezen tot een hele woordklank. Spel­lend, decoderend, luisterend komt de woordklank tot stand. Aan die woordklank herkent het kind wat er staat, tenminste als het kind dat woord al kent. De meeste leerlin­gen ervaren op den duur een pa­troon in de volgorde van de losse letters. Ze gaan woordbeelden ‘zien’. Deze overschakeling wordt in het huidige onderwijs volledig aan het toeval overgelaten. Leerlingen die het risico lopen dyslexie te ontwikkelen, ervaren zo’n patroon niet: zij blijven ‘rijtjes letters’ zien zonder verband tus­sen die letters. Uit nood blijven zij de omslachtige, tijdrovende wijze van spellend, decoderend lezen gebruiken. Met veel oefenen worden ze daar wel sneller in, maar ze blijven achter in leestempo en begrijpend lezen. Ze ontwikkelen geen ‘woordbeeld-bewustzijn’ Daar gaat ook het spellen mis.

Wie geen gedetailleerd woord­beeld ontwikkelt, kan dit ook niet gebruiken als referentie bij het …. spellen. Want spelfouten hoor je niet, die zie je.”

Aan de basis ligt volgens Van Raamsdonk een misvatting over dyslexie. “Oorzaak en gevolg worden verwisseld. Nu wordt het gezien als een tekort aan ‘fonemisch bewustzijn’; een leerling met dyslexie zou niet goed in staat zijn om letterklanken binnen een woordklank te onderscheiden. Maar niet wordt onderkend dat je voor het kunnen onderscheiden van letters in een woord eerst een ‘woordbeeld-bewustzijn’ nodig hebt. Als je voor het eerst een woord in een vreemde taal hoort, ben je ook niet in staat om puur op gehoor aan te geven uit welke letters dat woord bestaat. De oor­zaak ligt in het ontbreken van woordbeeld en soms ook letterbeeld. Weinig fonemisch bewust­zijn is daarvan het gevolg.” 
Opspattend grind: dyslexie

De Groningse bijzonder hoogleraar Kees van der Bos, ge­specialiseerd in leesproblemen en dyslexie meent dat de dyslecticus Van Raamsdonk, die hij al lang volgt in zijn zoektocht, een punt heeft met zijn verklaring waar het kan misgaan met leren lezen.
“Tekentjes, lettertjes en losse klanken die kinderen worden aangereikt, zijn behoorlijk abstrac­te en onnatuurlijke processen.”

Hierover vind je bij Rudolf Steiner vele gezichtspunten.
Schrijven en lezen: alle artikelen op deze blog

.

Leerproblemenalle artikelen           dyslexie onder nummer 2
.

1247-1165

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (36)

.

opspattend grind

dyslexie

De afgelopen maanden (jan., febr. 2017) werd in de krant weer meer geschreven over dyslexie.

Opmerkelijk is dat je wel dyslexie kunt hebben of dyslectisch kan zijn, je kunt er ook ‘last’ van hebben, maar de Groningse hoogleraar dyslexie Ben Maassen zegt dat we niet weten wat het precies is en waar het door veroorzaakt wordt.

De vreemde gedachte kan dan opkomen dat de hoogleraar professor is in iets waarvan hij zelf niet weet wat het is…..

Maar, er is altijd: onderzoek!

“We weten’, zegt Maassen dat een klein deel van de kinderen, hooguit vijf procent, aantoonbaar niet of onvoldoende in staat zal zijn om te leren lezen.”

Het CBS komt tot een percentage van 8% van de basisschoolleeerlingen.

Opmerkelijk is dan ook dat – hoewel men niet weet wat dyslexie eigenlijk is – je als school voor je dyslectische leerlingen wél een dyslectieverklaring kan aanvragen.
Dan blijkt dat er op een derde van de basisscholen meer dan vijf procent van de leerlingen zo’n verklaring heeft.
Op twee procent meer dan tien. Er zijn zelfs scholen met twintig procent!

Hoe zou dat op de vrijescholen zijn?

Het schijnt heel gemakkelijk te zijn z’n verklaring te krijgen.

Natuurlijk worden er allerlei oorzaken en oplossingen aangedragen:

=leerkrachten oefenen te weinig met leerlingen die slecht kunnen lezen en spellen
(blijft natuurlijk de vraag: waarom kunnen ze dat niet)

Maassen:  ‘Een klein deel van de kinderen, hooguit vijf procent, is aantoonbaar niet of onvoldoende in staat  om te leren lezen.
Zij hebben moeite met de koppeling tussen de klank van een woord en het teken dat ze lezen.

RUDOLF STEINER
Kijk, als de grote mensen willen opschrijven wat het bad is, dan schrijven ze BAD. Deze letters geven weer wat je zegt als je ‘bad’ zegt en het bad bedoelt. Nu laat ik dit weer door een paar leerlingen overschrijven, opdat de kinderen steeds als ze zoiets te horen krijgen het ook ‘in de vingers’ krijgen, zodat ze het niet alleen met hun voorstellingsvermogen, maar met de gehele mens in zich opnemen. Nu zeg ik: Nu begin je ‘bad’ uit te spreken. Laten we eens kijken wat het begin is: B.[niet  -bee-, maar Bu ]  Het kind moet van het uitspreken van het hele woord ‘bad’ overgaan naar het uiten van de beginklank — net zoals ik bij de vogel heb laten zien. En nu moet men het kind duidelijk maken: zoals het woord ‘BAD’ het teken is voor het hele bad, zo is de B het teken voor het begin van het woord ‘BAD’.
Dan wijs ik het kind er op dat zo’n begin ook bij andere woorden voorkomt. Ik zeg: Als je ‘band’ zegt, begint dat woord precies hetzelfde. Net zo met het woord ‘boter’ – dat wat je op je brood smeert. Dan heb je misschien in de dierentuin wel eens een beer gezien. Dan is de eerste letter die je uitspreekt weer precies dezelfde. Al die woorden beginnen op dezelfde manier. Zo probeer ik het kind de overgang te laten maken van het hele woord naar het begin, de overgang naar één enkele klank, respectievelijk één enkele letter. We ontwikkelen altijd vanuit het gehele woord de beginletter.
GA 294/68-69
vertaald/58-59

.

Dyslexie

Rudolf Steiner – schrijven en lezen: alle artikelen

Schrijven en lezen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  1e klas – alle letterbeelden

.
Opspattend grind: alle artikelen

.

1246-1164

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond Pasen

.

Twee feesten rond Pasen

Net als Pasen vieren we Pinksteren elk jaar op een andere datum, maar altijd op een zondag, 10 dagen na Hemelvaart.

Even bewegelijk verandert elk jaar weer de datum van Aswoensdag, zo’n 40 dagen vóór Pasen. Net daarvoor vieren we dan carnaval.

Twee feesten die mee-bewegen en twee feesten die 40 dagen van Pasen zijn verwijderd. Zouden beide feesten een samenhang hebben?

Het Pinksterfeest begint eigenlijk met “Luilak” (1 dag voor Pinksteren).

schema

Carnaval was een feest, waarbij men onwetend de erfelijke stroom voortzette. Hierbij speelde het onbewustzijn een rol.

Het specifieke karakter van “de reus” kan dit goed uitbeelden en deze wordt op carnaval nog steeds bezongen in het liedje:

Als de grote klokke luidt, de reus die komt uit.”

Maria spreekt echter heel anders erover, nl.: “Hoe zal dat wezen, daar ik geen man en bekenne?”
Dan is de bevruchting nog een tempelviering, geleid door ingewijde priesters. Later vervalt deze viering in een dronken daad met een niet herkenbaar, gemaskerd persoon.

Carnaval wordt gevolgd door een louteringstijd. Dan volgen de herdenkingen van de kruisdood van Christus. Zijn 40 dagen durende geestelijk-fysieke opstanding en Zijn verdwijnen uit de directe waarneembaarheid.

En dan Pinksteren. Ook van oorsprong een tempelviering, maar één, waarbij een zich door scholing gelouterd mens in een doodsslaap werd gebracht en weer werd teruggehaald in de aardse werkelijkheid, echter dan begiftigd met helderziende vermogens. Deze persoon werd “Luilak” genoemd en als pinksterbruid gevierd. Een merkwaardige polariteit wordt hier zichtbaar bij de twee feesten die zo sterk aan het paasfeest zijn gebonden. Twee keer wordt de bruid bevrucht.

Eén keer onbewust op lichamelijk niveau en één keer bewust op geestelijk niveau.

Het pinksterfeest
Het Pinksterfeest valt in een tijd, dat de kinderen onder invloed staan van de zich ompolende natuur buiten en in zich (zie schema jaarverloop). De natuur trekt de kinderen in de waarneming en bewegelijkheid. Zonder teugels, die hen bijsturen en richten, bestaat de neiging om op hol te slaan en zich chaotisch en impulsief uit te leven. Het traditionele Pinksterfeest kan dit patroon op feestelijke wijze ombuigen.

Luilak
De zaterdag voor Pinksteren wordt “luilak” gevierd. Er wordt dan voor dag en dauw opgestaan om langzaam in de toenemende helderheid van de beginnende dag mee “wakker” te worden. Het feestelijk geklingel van zilveren belletjes (verbasterd tot de huidige blikjes) helpt daarbij.

Gezamenlijk trekt men dan op blote voeten de natuur in. Die blote voeten mogen (soms maar even) de betrokkenheid met de oplevende natuur vergroten. De frisse dauw en het kriebelende groen zullen meestal tot een verwarmend huppelen verleiden en wat krijg je dan: ogen op steeltjes!

Pinkstertak
Wakker worden en ritmisch bewegen doen ze al vaak van zich uit, dus sluit je slechts aan bij het natuurlijk gebeuren en neem je die ochtend alleen iedereen mee in dit proces. Nu het richten. Van te voren wordt verteld, dat ze deze ochtend bloemen mogen plukken voor hun allerliefste(n). Dat kan bijv. moeder, vader, oma, opa, vriendinnetje of vriendje zijn. Maar!

Je gaat alleen die bloemen plukken, die bij je allerliefste passen! Je spreekt de kinderen zo aan, hun verworvenheden uit de rustige jaarhelft zinvol toe te passen. Ze moeten kiezen wie hun allerliefste(n) is of zijn én overdenken wat nu bij die mens(en) past. Ook moeten ze heel gericht om zich heen gaan kijken en selectief gaan plukken. Ter bekroning van deze ochtend wordt de uitverkorene bezocht en het veldboeket plechtig gegeven. De gehuldigde zet deze “eer”konde zeer opzichtig neer. Hier oefenen de kinderen iets, wat bij een echte verliefdheid al spontaan gebeurt, nl. het goede in de ander zien en waarderen. (Vroeger plukte men vaak een tak met bloemen, die aan de deur van het liefje werd bevestigd.)

Pinksterkransen 
De rest van de dag voor Pinksteren worden bloemenkransen gemaakt. Ieder kind gaat dan voor zichzelf en van papier de krans naar eigen keuze maken. Maar wat past er nu bij jezelf? Voor de meeste kinderen vormt dit géén probleem, maar kunnen ze dat maken? Het kan een waar vouw- en knipfeest worden, waar veel uitwisseling van vaardigheden bij komt kijken. Dan, als iedereen een zelfgemaakte bloemenkrans op het hoofd heeft, wordt gezamenlijk gewerkt aan de bloemenkrans voor de pinksterbruid. Ook wordt dan de papieren mantel met belletjes gemaakt. Wie zal het worden, morgen?

Pinksterbruid
Nadat men een ander en zichzelf heeft gehuldigd is er een zeker evenwicht ontstaan. De krans voor de pinksterbruid verbindt tenslotte allen in een gezamenlijk werkstuk.

En één kind mag die band tussen allen gaan vertolken.

Vroeger werd de pinksterbruid vaak al op luilakdag zelf gekozen, want die dag werden alle vuren in de haarden gedoofd.

De pinksterbruid mocht dan een nieuw vuur ritueel ontsteken (met vuurstenen en later direct aan de zon door een brandglas). Iedereen kreeg daarna een brandende spaan van dit vuur voor hun haard en die werd ook nog vaak door de pinksterbruid gegeven. Het hout werd verzameld door zingend de pinksterbruid rond te dragen, waarbij de complete tekst van “Hier is onze fiere Pinksterblom” de mensen aanspoorde hun hout hiervoor te geven. Helaas bestaat de noodzaak (en vaak de mogelijkheid zelfs) om de haard brandend te houden nauwelijks, dus heeft zo’n vormgeving aan het pinksterfeest nu nog maar weinig om het lijf. Gelukkig bestaat er ook nog een andere traditie.

Pinksterpaal
Een symbolisch gelijkwaardige vervanging en een in vele opzichten nog sterker sprekende traditie is, dat er geen hout wordt aangedragen als “de Pinksterblom” gezongen wordt, maar dat iedereen zijn bloemenkrans geeft. Dat gebeurt echter op pinksterdag zelf. Iedereen bevestigt zijn krans aan een reuzenkrans. Deze wordt dan door de pinksterbruid de hemel in gehesen aan een paal van 10 meter hoog! Daar, hoog in de lucht, lijkt de kleurenpracht wel samen te smelten in een vlammende kleurenkring, stralend als de zon.
Dan daalt de krans uit de hemel weer neer en krijgt iedereen van de pinksterbruid een stukje uit deze vlammenzee op het hoofd. Maar niet je eigen krans! Ze hadden hem weggeven en krijgen nu een nieuwe. En terwijl de jongsten gewoon lopen te stralen onder hun vlammende kroon uit de hemel, kijkt een ieder bij ieder toch nog even wie die van wie heeft.

En soms komt dan de brandende vraag aarzelend over iemands lippen: “Vind je hem mooi?”

M.Stoop, Leiden, nadere gegevens onbekend

.
Jaarfeesten: alle artikelen

1245-1163

.

.

Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-1/1)

.

Over ‘geschiedenis in klas 5: ‘Atlantis’

Is de vrijeschool een antroposofische school?

Op zijn site LUXIELEN stelt de vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er 3 voorbeelden van.

Is de steinerschool een antroposofische school (1) gaat het over geschiedenis, dier- en plantkunde.

In zijn artikel betreft het geschiedenisonderwijs in klas 5 en 6.

Luc:
De geschiedenislessen in vijfde en zesde klas zijn volledig gebaseerd op Steiners antroposofische visie over de ontwikkeling van de mensheid, en dan vooral na de ondergang van Atlantis, dat hij niet als een legende beschouwt, maar als een werkelijk gebeurd feit. Vijf na-Atlantische cultuurperiodes zijn er volgens hem tot op heden geweest. In de geschiedenislessen adviseert hij dan ook om met Atlantis te beginnen, gevolgd door de Oud-Indische cultuurperiode, de Oud-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode. De vijfde – onze huidige cultuurperiode – noemt hij de Anglo-Germaanse cultuurperiode, maar die komt vanaf de zevende klas aan bod.

Ik wil Luc eerst iets vragen over ‘Atlantis’. Hij merkt terecht op dat Steiner ‘zijn’ Atlantis als realiteit beschouwt en niet als legende. Steiner zou, volgens Luc, geadviseerd hebben met Atlantis te beginnen.

PIETER:
Begrijp ik het goed, dat het Steiners aanwijzing is, dat het geschiedenisonderwijs in klas 5 moet beginnen met Atlantis en wel het Atlantis van Steiner, dus het antroposofische Atlantis, dus Atlantis als antroposofie.
Atlantis als antroposofie aan de leerlingen van de 5e klas. Zie jij het zo?

LUC:
Het is goed om nu en dan de puntjes op de i te zetten. Ik ben Pieter ten zeerste dankbaar dat hij dit hier doet, want als ik schrijf dat Steiner geadviseerd heeft om met Atlantis te beginnen, dan lijkt het wel of Steiner dit letterlijk zo gezegd heeft, terwijl dat – voor zover ik kan nagaan – niet zo is. In geen enkele pedagogische voordracht van Steiner komt deze uitspraak voor. Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?

PIETER:
Het is goed om al meteen bij het begin te kunnen vaststellen, dat jij noch ik bij Steiner hebben kunnen vinden dat er in de 5e klas begonnen moet worden met Atlantis. Er bestaat dus geen pedagogische aanwijzing voor. Het behoort dus niet tot de pedagogie, de didactiek en de methodiek van de vrijeschool zoals Steiner die voor ogen had.
Als hij het niet geadviseerd heeft, kun je niet beweren dat hij het wél geadviseerd heeft.

LUC:
Waarom beweer ik dan dat Steiner dit geadviseerd heeft?
In de eerste plaats omdat ik dat zelf zo vernomen heb in de opleidingen die ik iets meer dan veertig jaar geleden gevolgd heb. Daarin werd onder andere een manuscriptuitgave van een leerkracht aan een Nederlandse Vrijeschool gebruikt waarin de geschiedenisperiode van de vijfde klas tot in detail was uitgewerkt. De auteur begint met Atlantis en behandelt achtereenvolgens de cultuurperioden in de volgorde die Steiner in zijn lezingen over de mensheidsontwikkeling heeft opgegeven. 

PIETER:
Dat manuscript is van wijlen Paul Veltman en je vindt het hier.
Onze eerste kennismaking ermee verschillen niet zo veel. Ik merkte al op:
Paul Veltman genoot aanzien binnen de vrijeschoolbeweging en dan ligt het mede voor de hand dat er – ook al omdat hij veel vrijeschoolonderwijservaring had – op zijn kennis en aanwijzingen wordt voortgeborduurd.

Daarna laat ik dit volgen:
‘Nu – zoveel jaren later – moet ik toch enige kanttekeningen plaatsen bij Veltmans werk ‘OUDE GESCHIEDENIS’ deel 1.

Even later zeg ik:
‘De inhoud van dit geschrift is een samenvoeging van dictaat voor de kinderen.
Vooral in het begin valt op dat Veltman veel aandacht besteedt aan ‘Atlantis’.
Hij beroept zich op Steiner en geeft vervolgens zijn antroposofische gezichtspunten over Atlantis aan de kinderen door.
Wie echter Steiner volgt in diens opmerkingen over ‘antroposofie in het onderwijs’ moet tot de conclusie komen dat Veltman daarmee geen rekening heeft gehouden, wellicht (mede) veroorzaakt door een interpretatie van een opmerking van Steiner.’

Die opmerking – het móet deze wel zijn, want een andere is niet te vinden – staat in GA 300A/85-86 die in 1975 in de GA verscheen.
Een leraar – die hier met X – aangeduid wordt – stelt een vraag voor de ‘geologieles’.
Op blz. 65 staan de dan aan de school werkende leraren en de 7e en 8e klas worden geleid door Treichler en Stockmeyer. Treichler heeft nog meer te doen, het is minder aannemelijk dat hij het is; Caroline von Heydebrand die de 5e klas heeft, is het niet; zij stelt die vraag dus zeker niet voor de 5e klas. Stockmeyer vermeldt de vraag wel in zijn ‘Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule deel 1 blz. 203; maar daar staat hetzelfde als op blz 85 van de GA en hij vermeldt hem niet bij de 5e klas.
Naar alle waarschijnlijkheid was Stein de vraagsteller (volgens de Duitse Forschungsstelle)

De vraag luidt: hoe kun je voor de geologie een samenhang zien tussen deze en de Akasha-kroniek?

Als ík een inconsequentie zou moeten noemen, zou ik het hier doen. Want als Steiner geen antroposofie in het onderwijs wil, had hij hier kunnen of moeten zeggen: ‘Nee, dat hoeft niet, de Akasha-kroniek valt onder de antroposofie.’

Hij gaat er wél op in, maar puur van fysische kant. Het gaat over bergruggen en over waar in 1915 Wegener mee komt: het bewegen van de platen – nu algemeen aanvaard, ook van het feit dat er sprake is van daling en stijging. Of de Britse eilanden viermaal gestegen en weer gedaald zijn, vind ik in dit verband slechts bijzaak; feit is dat er sprake kan zijn van daling en stijging. Dit werd echter door de wetenschap pas vanaf de jaren 1960 steeds reëler geacht. Hij maakt dan een tekeningetje ga-300a-blz86

dat overigens niet exact is: de bodem heeft in het midden bijv. een grote rug. (De Mid-Atlantische rug).
Hier gaat het nog steeds over geologie en aardlagen. ‘We willen de dingen in samenhang brengen’, zegt Steiner, wat kan slaan op de stijgingen en dalingen met de aardlagen of deze met wat hij daarover te zeggen heeft vanuit de Akasha-kroniek. In ieder geval volgt dan de passage waaraan Veltman hoogstwaarschijnlijk refereert: ‘we moeten er niet voor terugschrikken bij de kinderen over het atlantische land te spreken. Ook in geschiedkundige samenhang kunnen we erbij aanknopen. Dan moet je alleen wel de gewone geologie ontkennen. Want de Atlantische catastrofe moet in het 7e tot 8e millennium gedateerd worden. De ijstijd, dat is de Atlantische catastrofe. De oudere, de middelste en nieuwe ijstijd zijn niet anders dan wat er in Europa gebeurt ten tijde van de ondergang van Atlantis. Dat gebeurt tegelijkertijd, dus in het 7e, 8e millennium.’

Wellicht is dit ‘in geschiedkundige samenhang’ vanuit deze context: de jaartallen van de genoemde ijstijd, een eigen leven gaan leiden en uitgelegd als ‘in de geschiedenis moet je Atlantis doen’. Van Steiner!

Ik kan voorlopig niet anders dan wat Luc ‘zo in de eerste plaats heeft vernomen’ tegen deze achtergrond zien.

En als hij ‘met Veltman meegaat’, dan begrijp ik nu beter wat hij bedoelt met ‘geen rechtstreeks advies’. Veltmans opmerkingen zijn, los van de boven beschreven context’ dan een aansporing Atlantis in de 5e klas te geven, zoals Veltman dat doet.

Tijdens het publiceren van Veltmans manuscript merkte ik op:

‘Het moge duidelijk zijn dat deze achtergrondliteratuur voor het grootste gedeelte bestaat uit antroposofie. Dat kan voor de leerkracht buitengewoon verdiepend zijn, maar niets van de inhoud ervan hoort thuis in het geschiedenisonderwijs van de 5e (en andere!) klas(sen).’

Ook geef ik nog expliciet aan welke tekst voor de leerkracht is en niet voor de kinderen en welke kaartjes je beter met de klas niet kunt tekenen.

Voor mijn eerste geschiedenisperiode (1975) heb ik het manuscript (verschenen 1974-1975) nog niet echt gebruikt. Mijn collega van de parallelklas – ook zijn eerste rondje – en ik kregen veel informatie van Daan van Bemmelen die zich met het geschiedenisonderwijs zeer had beziggehouden. Een voorbeeld van een gang door de oude geschiedenis staat hier.
Van Bemmelen rept met geen woord over Atlantis of ‘dat Steiner wilde dat er onbekommerd over werd gesproken’.
Voor mij is het niet onbelangrijk dat Van Bemmelen  niet over Atlantis spreekt. Hij kende Steiner, de laatste bracht hem zelfs een bezoek in zijn klas. Er werd gesproken over het leerplan; maar nergens iets over ‘dat er in de 5e klas met Atlantis dient te worden begonnen’; sterker nog: Atlantis komt niet eens ter sprake – in ieder geval: er is nu geen (schrifteijk) bewijs meer voor.

Als Stockmeyer de man was die het geschiedenisonderwijs in de 8e klas moest geven en dus op Atlantis werd gewezen, waarom noemt hij dat dan niet in ‘Rudolf Steiners Lehrplan’. Als dat toch zo wezenlijk was, had daarover iets moeten staan, al was het maar opnieuw de passage van blz.85-86. Maar: geen woord!
En zou Caroline von Heydebrand daar dan niet bij zijn geweest, in die lerarenvergadering? Is die opmerking niet in haar ziel gegrifd?
Wanneer zij later haar ‘Vom Lehrplan’ schrijft: bij de 5e klas geschiedenis: niets over Atlantis. Evenmin in Wim Veltmans ‘De Vrije Scholen – beginselen en methode’.
Maar in het blad ‘Erziehungskunst’ : vond ik wel dit:
‘Het zou onzin zijn om uitspraken van Steiner in de vorm van leuke verhalen of in de vorm van overgeleverde mythen aan zijn leerlingen te vertellen, omdat ze dat niet zijn en omdat er geen aanleiding bestaat om over zulke uitspraken (bedoeld wordt hier alles wat Steiner over Atlantis heeft gezegd) in de zin van een op zichzelf staand esoterisch weten te beschikken.
Afgezien daarvan zijn er geen leerplanaanwijzingen van Steiner die tot zoiets aanleiding zouden geven.’

Ik ben dus wat Atlantis betreft niet op het verkeerde been gezet door een interpretatie van iemand. Als Veltman voor mij een rol had gespeeld was ik misschien ook wel tot de conclusie gekomen van ‘het advies tussen de regels’.

Het ging bij mij dus anders.

Duidelijke aanwijzingen, zoals bijv. voor het rekenen en de temperamenten ontbreken voor het geschiedenisonderwijs, dus ook voor een eventueel Atlantis.

Interpreteren is toch vooral zoeken naar wat je zou kunnen doen of moeten; maar ook wat je zou kunnen laten of wat je juist níet moet doen.

Je kunt ook volledig anders interpreteren en volledig buiten de valkuil blijven van ‘antroposofie in het geschiedenisonderwijs’.

Een prachtig voorbeeld van hoe geschiedenis op de vrijeschool moet worden gegeven en met welke achtergronden is in mijn ogen Christoph Lindenbergs ‘Geschichte Lehren’. Het is voor de Duitse bond van vrijescholen simpelweg DE methode: dit is het geschiedenisonderwijs op de vrijeschool. Daarom is het een deel in de reeks ‘Menschenkunde und Erziehung’.
(Dat neemt niet weg dat er in Duitsland geen leerkrachten zijn die ondanks dat toch onverstandige dingen doen- maar daarop kom ik later terug).

Ik heb hier het hoofdstuk voor de 5e klas vertaald.

Tot dusver, tot en met Atlantis dus, kan ik niet de conclusie trekken dat Steiner inconsequent was en inhoudelijke antroposofie voor dit item gepropageerd heeft of ‘in het onderwijs gestopt’.

Ook ik besteedde al eens aandacht aan ‘Atlantis wel of niet‘.

Ik heb hierin o.a voorbeelden gegeven van hoe het in een klas kan gaan.

Ik zou Atlantis willen afronden.
Met Luc ben ik van mening dat het geen deel moet uitmaken van het geschiedenisonderwijs.

Een aantal critici, zo je wil criticasters, houdt rigide vast aan het feit dat Atlantis wél een belangrijk onderdeel is van het geschiedenisonderwijs.
Dat blinde, fanatieke vasthouden heeft een rede!

Het moet een bewijs vormen voor het bedrieglijke karakter van de vrijeschool: Atlantis is in hun ogen een ‘bedrieglijke verpakking’, een ‘Paard van Troje’ om Steiners ideeën over de ontwikkeling van de mensheid in het onderwijs te loodsen  om zodoende de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet zijn.

De critici ‘bewijzen’ dat aan de hand van een paar periodeschriftjes waarin overijverige leerkrachten wat antroposofische wetenswaardigheden hebben laten opschrijven; de ‘echte’ bewijzen ontbreken: het is een en al speculeren om maar gelijk te krijgen.

Meer daarover is hier te vinden:

Geschiedenis of hoe een schriftjesgeleerde stokpaardje rijdt

Atlantis of hoe de Jonghe een kreupel stokpaardje als oude koe uit de sloot haalt
Een belegen berichtje als bewijs

De Jonghes Atlantis
Het belegen berichtje in een nieuw jasje

In een sukkeldrafje verder op een kreupel (Trojaans) paardje

Atlantis: generaliseren en erin leggen
vertaling van Andreas Lichte generaliseren und hineininterpretieren

Atlantis, ooooo die schriftjes toch
“bewijzen” voor racisme in geschiedenisschriftjes uit klas 5

Luc:

Ben je er ooit door andere -toen meer ervaren of  ‘antroposofische’ collega’s op gewezen dat er m.b.t. het geschiedenisonderwijs een ‘dubbele agenda’ bestaat met als doel – onder het mom van interessante geschiedenis – de evolutie-ideeën van Steiner aangeleerd dienen te worden om de kinderen te indoctrineren met de idee dat het blanke ras het heersende is en moet blijven, m.a.w. was jouw geschiedenis of dat van anderen ‘racistisch’?
Andreas Lichte:  er wordt ‘racisme op kinderniveau’ geïndoctrineerd.
Deed jij daaraan mee of anderen en is dat het uiteindelijke doel van het gschiedenisonderwijs – ook nu nog?

Luc reageerde in de reactieruimte – volgens afspraak komt zijn volledige antwoord hier te staan.

Op deze rechtstreekse vraag kan ik eenvoudig met een neen antwoorden. Vooral omdat ik me in mijn tijd als steinerschoolleraar al heel vlug afgekeerd heb van wat er sporadisch door antroposofen over geschiedenis en rassen gezegd werd; het leek me allemaal gefantaseer en vooral thuishorend in het algemeen westerse denken van de eerste helft van de twintigste eeuw dat gebaseerd was op racisme, paternalisme en kolonialisme, waarin ook Steiner zich kon vinden. Eén keer heb ik, trouw aan het gezag van mijn mentor, geschiedenis gegeven in de 5e klas zoals P.C.Veltman dat aangegeven had. Daarna nooit meer. Had ik als doel racisme en antroposofische evolutieleer te verkondigen? Verre van, geen haar op mijn hoofd dat daaraan dacht, omdat ik als beginnend leerkracht en weinig vertrouwd met antroposofie op dat vlak naïef was. Het heeft gelukkig niet lang geduurd om wakker te worden en mijn ontslag in te dienen zodra ik mijn belofte om de klas zes jaar te leiden vervuld had. Of andere leerkrachten wél een antroposofische agenda hadden, weet ik niet, omdat ik hen er nooit over aangesproken heb, er niet mee bezig was en men mij er ook niet over aansprak. Ik ben later mijn eigen weg gegaan en heb slechts die zaken uit de steinerpedagogie overgenomen die in mijn ogen pedagogisch en didactisch waardevol waren en volkomen losstonden van de antroposofie. Antroposofie is voor mij niet meer dan geesteswetenschappelijke fictie, antroposofische science fiction, maar wel boeiende vakantielectuur.

In de inleiding op mijn periodevoorbereiding van de vijfde klas, die ook door sommige steinerschoolleerkrachten gebruikt wordt, staat duidelijk wat ik onder geschiedenis versta en wat wél of niet als leerstof gegeven wordt. Zie http://www.cielen.eu/geschiedenis-5e-6e-klas-oude-culturen-overzicht-en-inhoud.pdf.

Worden de kinderen door die visie op geschiedenisonderricht geïndoctrineerd i.v.m. racisme of dominantie van het blanke ras? Door eenmalig hierover iets te zeggen – minder dan een halfuur op een hele schoolcarrière – kun je niet spreken van indoctrinatie, het is eerder een zaadje. Maar je weet hoe het met zaad gaat dat in een vruchtbare bodem valt. De dagelijkse ochtendspreuk die in elke steinerschool/vrijeschool/waldorfschool gezegd wordt, heeft veel meer weg van indoctrinatie. Dát vind ik zorgwekkend, net zoals de vele andere antroposofische elementen die gaandeweg in de pedagogie zijn binnengeslopen. De steinerpedagogie moet dringend uit haar antroposofisch keurslijf.

.

Dank voor je antwoord.

Die conclusie had ik ook al getrokken: je kunt niet spreken van indoctrinatie; ook ik was er niet mee bezig en zag geen collega’s die er wél mee bezig waren en nooit is er in bijeenkomsten over geschiedenis waar ik bij was over een soort ‘verborgen agenda’ gesproken. Daar komt nog bij dat de aanbrengers van deze onzinnige aantijgingen geen enkel voorbeeld kunnen geven van hoe dat dan concreet zou gaan of zou moeten, dat indoctrineren.
We zien er ook bij oud-leerlingen nooit iets van terug.

Conclusie:
Atlantis – áls er al iets van Steiner zou worden verteld – leidt niet tot indoctrinatie.

Je merkt hier nog meer op waarover ik graag met je verder praat, maar dit Atlantis hoort nog bij je opmerkingen over het geschiedenisonderwijs en daar ga ik eerst naar terug.
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks:
‘Is de steinerschool een antroposofische school’:
 .
[1-2] geschiedenis [2]
[1-3dierkunde
[1-4] plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3] de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6]
en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?|
[9] jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1244-1162

.

..

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – meetkunde (2-4)

.

meetkunde klas 6 en 7

Een artikel in de Branding over meetkunde dat was de vraag die de redactie me stelde. Na nauwelijks deze vraag met ‘ja’ te hebben beantwoord, zag ik me voor de volgende moeilijkheid geplaatst: hoe kun je het wezenlijke van meetkunde dat zich tenslotte uitdrukt in lijnen en vlakken die tezamen de vormenwereld zichtbaar maken, beschrijven in woorden?
Om dit dilemma zoveel mogelijk op te lossen zal ik na een inleiding de vormen grotendeels zelf laten spreken en de woorden slechts als aanvulling gebruiken en om een overzicht te geven, hoe de meetkunde in de lessituatie in klas ó en 7 gestalte krijgt.

In de ontwikkeling van de mens van geboorte tot volwassenheid zijn 3 fasen te onderscheiden:

– van 0 – 7 jaar: baby-peuter-kleuterfase
– van 7 ~ 11 jaar; lagere schoolkind
– van 14 – 21 jaar: puberteit en adolecentie

In elke fase is er sprake van een samengaan van het willen, het voelen en het denken. Hoe deze drie zich in elke fase t.a.v. elkaar verhouden voert in het bestek van dit artikel te ver; enkel het volgende gegeven is van belang:

Bij de leeftijd van 0 tot 7 ligt het accent op het willen. Van 7 tot 14 ligt het accent op het voelen.
En bij de fase van 14 tot 21 ligt het accent op het denken.

Deze driegeleding van willen, voelen, denken is ook per fase een gegeven. Zo zit het benedenbouwkind in de lagere klassen nog sterk in de beweging (het willen) – denk aan het klappen en stampen van tafels, versjes etc. Vanaf ongeveer klas 6/7 groeit het kind langzaam naar de puberteit toe en ontstaat het vermogen tot o.a. het causale en abstracte denken. Het leerplan op de vrijeschool neemt de ontwikkeling van het kind als uitgangspunt. Zo komen dan in klas 6 en klas 7 voor het eerst een aantal vakken aan de orde waarbij een appèi op het causale en abstracte denken wordt gedaan zoals: natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, algebra en natuurlijk meetkunde.

Het verkennen, en op papier zetten van de vormenwereld begint al bij de peuter. De eerste dag in de 1e klas leert het kind twee oervormen: de rechte en de kromme.

meetkunde-6e

Vanaf deze dag zal het vormtekenen een dagelijkse of wekelijkse activiteit zijn. Een deel van de vormtekenlessen zullen bestaan uit geometrische vormen, die meerdere malen in één beweging worden getekend.

meetkunde-6e-2

In klas 6 gaan vele vormen die het kind al eens getekend heeft wederom getekend worden. Nu echter niet met de vrije hand als voordien, maar m.b.v. passer en lineaal.

De intentie van de meetkundeperiode kan het best als volgt omschreven worden;

“Exactheid, schoonheid en maat. Dat is waar het in de meetkunde om gaat”

Nadat de kinderen een gesprek te hebben gevoerd waar meetkunde overal in het praktische leven is toegepast, zijn de kinderen enthousiast en aangesproken in de wil om aan de slag te gaan met die fonkelnieuwe passer, of die passer die nog een erfstuk blijkt te zijn van de grootvader van moeder…

Zoals met vormtekenen veelal het geval was, zo zal men in beginsel ook elke vorm die op papier zal verschijnen eerst in het groot in de beweging doen; met de hele klas, een groepje of individueel.

De cirkel
Teken met grote bewegingen in de lucht of op de grond; een exacte cirkel vormen met de hele klas (een sociale oefening bij uitstek! )

Waar komen cirkelvormen voor? De aardbol, de schedel, een voetbal, een gloeilamp etc, etc. zullen als antwoorden van de kinderen komen. En dan uiteindelijk de eerste cirkel in het schrift; een lijn even dik of dun met de passer op bladzijde een – tongpuntje tussen de tanden! Vanaf nu heet dit geen “rondje” meer, maar een cirkel met al zijn andere namen erbij.

meetkunde-6e-3

Dan het eerste meetkundewonder!

De straal (afstand tussen de benen van de passer) blijkt precies 6x rond de omtrek van de cirkel afgezet te kunnen worden. De 6 punten kunnen dan op verschillende manieren met elkaar verbonden worden

meetkunde-6e-4

Vanuit deze mogelijkheid volgen dan een reeks tekeningen, waarbij het kleuraspect nog een zeer grote rol speelt voor de schoonheidsbeleving van het kind. Elk kind kiest eigen kleurcombinaties,- verhoudingen en hanteert de mogelijkheden hierin van de licht-donker effecten.

Voorbeelden vanuit de 6-deling:

meetkunde-6e-5

Dan komen er verschillende soorten hoeken aan bod. Ook weer om je heen kijken on hoeken benoemen of d© hoeken vormen met b.v, je lichaam (hoofd-romp, houding boven-benedenarin) of hoeken gevormd met meerdere kinderen samen.

Na de hoeken 2 constructies:
-het delen van een hoek (bissectrice)
-het oprichten en neerlaten van een loodlijn

Vanuit deze nieuw geleerde constructies zijn er weer talloze nieuwe figuren mogelijk. Zo kan men komen van de 6~deling naar een veelvoud hiervan:

meetkunde-6e-6

Als volgende is de mogelijkheid de driehoek te bekijken. Opdracht voor de kinderen voor thuis kan dan luiden: probeer eens uit hoeveel verschillende soorten driehoeken er zijn.

Bij het behandelen en het gebruik van de geodriehoek of de gradenboog greep ik terug op de geschiedenisperiode in de 5e klas. In deze periode wordt o.a. verteld over de Egyptische cultuurperiode en het ontstaan van de meetkunde aldaar. Het Egyptische jaar telde 5 heilige dagen en 360 overige dagen; de zon stond dan weer op hetzelfde punt.

Vandaar het volgende gegeven:

meetkunde-6e-7

Ook de termen complement, supplement en applement komen nu aan bod.

Nu kan er dan ook volop met gradenboog of geodriehoek worden gewerkt. Verder komen nog aan bod zaken als snijdende lijnen, parallelle lijnen, tegenoverliggende hoeken, verwisselende hoeken etc.

Als afsluiting in klas 6 wordt de 5-hoekconstructie geleerd. Tekeningen die vanuit deze constructie afgeleid kunnen worden volgen hierna. Ook kan gesproken.worden over de gulden snedeverhouding die in deze constructie te vinden is en terugkomt op vele wijzen in de menselijke gestalte.

meetkunde-6e-8

In klas 7 wordt het variëren en uitproberen van allerlei vormen nóg verder uitpewerkt. Het benoemen’en construeren van allerlei mogelijke meetkundefenomenen zal dan echter een groter accent krijgen.

Opgave waarin bepaalde constructies worden gegeven met daarbij een vraag zijn dan aan de orde.

Bijvoorbeeld:
1)gegeven: lijnstuk AB = 5 cm
lijnstuk BC 6 cm
LA of X = 90°

gevraagd:
a) teken een driehoek ABC
b) hoeveel graden zijn B en. X

2) Bewijs dat de 3 hoeiken van een driehoek samen. 180 zijn. etc.

Verder komen zaken als congruentie, rotatie en merkwaardige lijnen aan de orde.

Voorbeeld van een soort merkwaardige lijn in dichtvorm:

We zullen eens proberen
Een lijn te constueren
Die vanuit een hoekpunt gaat
En loodrecht op de tegenoverliggende zijde staat
Deze hoeken zijn dus beiden recht
90º dat is goed gezegd
Deze lijn heet: hoogtelijn
Het geeft de hoogte aan
Maar dat zal duidelijk zijn

Ook de bissectrice en de zwaartelijn komen zo aan de orde.

De berekening van omtrek en oppervlakte van o.a de cirkel, de driehoek, het parallellogram, de trapezoïde etc. worden in dit jaar behandeld.

Langzaam kan er ook toegewerkt worden naar perspectief en 3-dimensionaliteit als voorbereiding op de platonische lichamen die in klas 8 een centrale plek zullen krijgen.

meetkunde-6e-9

De periode zal eindigen bij de stelling van Pythagoras, zichtbaar gemaakt in:

Tijdens of na de periode krijgen de kinderen opdracht om met alle mogelijkheden en constructies die ze hebben leren kennen zelf een vorm te bedenken en te ontwerpen. Deze worden dan beoordeeld op exactheid, schoonheid en originaliteit.

Peter Giesen, vrijeschool Nijmegen, nadere gegevens onbekend

6e klas: alle artikelen (waarbij de meetkunde-artikelen)

meetkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas- meetkunde: alle beelden

1243-1161

.

.