VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (10-3/1)

.

Er is de laatste jaren veel heisa om Europa. Brexit is een begrip geworden dat inmiddels iedereen kent. ‘Brussel’ wordt vanuit verschillende invalshoeken bekritiseerd. Ook in Nederland zijn er stromingen die terug willen naar ‘vroeger’, in ieder geval: men wil minder Europa.

In de jaren 1970 schreef Arnold Henny veel over politieke kwesties in het blad Jonas, vanuit een visie die duidelijk was geïnspireerd door Steiners idee van de sociale driegeleding.
Bepaalde gezichtspunten zijn nog altijd actueel!

Op deze blog verschijnen af en toe artikelen uit die tijd.

A.C.Henny, Jonas 19, 18-05-1979
.

Gelooft Europa in Europa?

Zes jaar geleden, tweede Paasdag 1973 (23 april) heeft Henri Kissinger het jaar 1973 ‘het jaar van Europa’ genoemd. Hij sprak in zijn rede onder meer over een vernieuwing van het ‘Atlantisch Handvest’ als basis van samenwerking tussen de Verenigde Staten en Europa.

Dit hield verband met de zogenaamde ‘détente’, de ontspanning tussen Oost en West.

In 1973 was ook de vrede tot stand gekomen tussen Noord- en Zuid-Vietnam. Een jaar daarvoor bezocht president Nixon Peking en had een, in het diepste geheim door Kissinger voorbereide ontmoeting plaats met voorzitter Mao. Voor Kissinger was er nu alles aan gelegen dat met de inzet van deze détente -ontspanning tussen Sovjetunie en Amerika en tussen China en Amerika – het integratieproces van Europa niet zou worden vertraagd.

Want hoe zou Europa reageren op deze détente tussen Amerika en Azië? Zouden deze nieuwe verwachtingen de eenheid van Europa bevorderen of zouden de Europese staten terugvallen in de oude ruzies, nu niet langer één gemeenschappelijke vijand ‘ante portas’ stond?

Ruzies tussen Fransen en Duitsers, tussen Fransen en Engelsen. Zouden regionale belangen de overhand krijgen op mondiale belangen?

Door het jaar 1973 tot het jaar van Europa te verklaren, heeft Kissinger een poging gedaan Europa te weerhouden weg te zakken in deze oude ruzies. Daarom stelde hij Europa voor de keus: wél of niet als continent deel te nemen in een mondiale structuur van een ‘five power world’.

In vijf machten werd hiermee de wereld ingedeeld: de Verenigde Staten, de Sovjetunie, Kommunistisch China, Japan en Europa. Europa als geheel en niet als optelsom van nationale staten. Wat zich in deze nieuwe wereld nog als macht wil handhaven – staatkundig en economisch – kan zich niet meer veroorloven regionale belangen te laten voorgaan. Daarvoor is de wereld te zeer vergroeid in een systeem van interdependente verhoudingen. Dat was de nieuwe conceptie van samenwerking tussen Amerika en Europa. In deze ‘Atlantische gemeenschap’ werden nu ook Japan en China ingeschakeld. De belangen van de Verenigde Staten lagen immers niet alleen meer in de Atlantische Oceaan maar ook in de Stille Zuidzee. Dat was de nieuwe oriëntatie van het Atlantisch Handvest.

Na zes jaar is dit nu allemaal geschiedenis.

De ‘Nixon-administration’ is intussen mét Kissinger weggespoeld door de ‘Waterpoort’. Van een hernieuwing van het Atlantisch Handvest’ wordt niet meer gerept. Europa laat zien, met de Europese verkiezingen voor de deur, dat het hiervoor geen vermaning uit Amerika meer nodig heeft.

Bovendien brak – oktober 1973 – de oorlog uit tussen Israël en Egypte. De Amerikanen hadden sindsdien andere zorgen aan het hoofd dan zich te bekommeren om de eenwording van Europa. Er was een energiecrisis. Men had de handen vol beide strijdende partijen tot de orde te roepen.

Thans – 1979 – is er een vredesverdrag gesloten, enkele maanden vóór de verkiezingen voor het Europese parlement.

Is daarom de betekenis van de hier vermelde visie van Kissinger op de internationale politiek niet achterhaald door de gebeurtenissen die ondertussen hebben plaatsgevonden? Niettemin is het opschrift van dit artikel en de vraag die daarin wordt gesteld, niet ongegrond.

Gelooft Europa in Europa?

Reeds in 1952 werd deze vraag gesteld in Le Monde door de Griekse oud-minister Alexander Metaxas. Hij constateerde toen: ‘Wat Europa ontbrak, was een ‘Europese mystiek’. Wat het Europese statenbestel hoofdzakelijk bijeen hield, was angst voor een gemeenschappelijke vijand. Angst voor de bedreiging van de Sovjetunie. Van een eigen opgave was Europa zich nauwelijks bewust.’

Wat is deze opgave? Deze vraag is in 1979 nog even actueel als in 1973 en in 1952, ondanks verkiezingen, die deze vraag eerder toedekken dan stimuleren.

Want leg eens de verschillende Europese verkiezingsprogramma’s naast elkaar op een rijtje: confessioneel, liberaal, socialistisch, met nog een paar randverschijnselen. Verschillen zij essentieel veel van de beginselprogramma’s van de nationale partijen in de negen staten van Europa? Is uit deze, voor het merendeel versleten beginselprogramma’s nog iets te verwachten van een nieuw Europees élan, een nieuwe taak van Europa in de wereld?

Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa

Wat is de plaats van Europa in de wereld?

Reeds tijdens de zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten is gebleken dat de beslissingen hierover niet vielen binnen, maar buiten het Europa van de Negen: in Washington, in Moskou, in Kairo en Jeruzalem. Een driehoek om Europa heen.

Dat is thans nauwelijks anders. De vrede van 1979 kwam tot stand dank zij Washington, Kairo en Jeruzalem. Moskou had het toekijken, maar bereidt zich voor op een volgende ronde, waarbij het de Arabische wereld aan zijn kant hoopt te krijgen.
Is Europa dan geheel uitgespeeld bij het spel tussen Amerikanen, Russen en Arabieren? Bij het spel tussen Amerikanen, Chinezen en Japanners? Bij de gebeurtenissen in het Midden-Oosten en die in het Verre Oosten, waar sinds kort -12 augustus 1979 – een ‘renversement des alliances’ heeft plaats gevonden met het verdrag tussen Japan en Communistisch China?

Politiek gezien schijnt het inderdaad zo te zijn: Europa is uitgespeeld.

Maar betrekkingen tussen volken betreffen niet alleen politieke machtsverhoudingen. Ook al lijkt dit zo te zijn in verkiezingstijd. Wanneer Europa in Europa gelooft, spelen nog andere verhoudingen een rol dan politieke machtsverhoudingen.

In een interessant artikel in Vrije Opvoedkunst ‘Een pedagogische taak voor het nieuwe Europa’ (nov. 1955, herdrukt in jan. ) wijst Max Stibbe op de plaats van Europa tussen Oost en West. Hij brengt deze middenpositie in verband met de ontwikkeling van een nieuw wereldburgerschap.

‘Wanneer men onze wereld ‘in het midden’ vergelijkt met het uiterste westen waarin de Verenigde Staten toonaangevend zijn, en met het oosten, het oude Azië, dan kan men wijzen op talloze tegenstellingen. Wij grijpen een enkele er uit voor onze beschouwing. Wij vinden in Amerika een benadering van de wereld, vooral uitgaande van economische en technische motieven…
Deze zijn primair in het Amerikaanse leven. De oosterling benadert de wereld van juist het tegengestelde standpunt: voor hem zijn geestelijke, religieuze dan wel ethische motieven beslissend…
Europa staat tussen deze beide uitersten in. Het kent beide. De wereld van de materie, van de techniek en de natuurwetenschap is van het grootste belang voor de Europese mens. Het materialisme als wereldbeschouwing is in Europa ontstaan. Als algemene levenshouding kan men niet zeggen dat het niet leeft op de zelfde radicale wijze als in het westen. Wel momenteel bij de Russische leiders. De geestelijke benadering van de wereldvraagstukken is bij ons zeker niet afwezig. Zij is nog altijd te vinden bij de religieuze richtingen. Niet echter beslissend voor de hele Europese samenleving, vooral niet in de wetenschap en sociologie. Europa is het gebied van het midden, waarin ook beslissend is dat deel van het menselijk wezen dat in het midden staat tussen lichaam en geest en dat is de ziel. Vandaar dat Europa het continent der volken is, omdat in die vele volken uitgespreid te vinden zijn alle functies van het innerlijk zielenleven, zodat heel Europa tezamen in het groot het hele menselijke zielenbeeld vertoont. Volkenverschillen zijn namelijk gebaseerd op psychische verschillen, die zich uiten in de culturele verschijnselen der volken tot en met hun staatsvormen. De staatsvorm toch is het resultaat van het afwegen van de rechten en verplichtingen der burgers van een volk onderling. Dit is een aangelegenheid der rechtsgevoelens der mensen, die overal ook in de verschillende tijdperken verschillend zijn.
Zo ziet men in Europa voortdurend een zoeken naar de ideaalstaat als een uiting van de wrijvingen op het zielengebied der bevolkingen. Heel iets anders dan in Amerika, waar men gelukkig en tevreden met zijn constitutie van 1787 is. Of Azië, waar het probleem ternauwernood bestaat. ’

Tot zover Stibbe. Zijn beschouwing over Europa geeft u geen aanwijzing, op welke politieke partij u dadelijk moet stemmen. De informatie hierover wordt u echter in de komende weken ruimschoots gegeven.

Wij achten het daarom van belang op enkele aspecten te wijzen dan op de directe verkiezingsaspecten voor het Europese parlement. Stibbe zag een pedagogische taak voor het nieuwe Europa. Hij heeft daaraan zijn gehele leven lang gewerkt: hetzij in de internationale Vrije Schoolbeweging, hetzij werkzaam als volkerenpsycholoog.

Reeds daarom kan een herinnering aan zijn werk thans van belang zijn. Hetzelfde geldt voor het werk van Dr. Zeylmans van Emmichoven die zich intens heeft verdiept in het vraagstuk van Europa en de volkerenpsychologie. Beiden zijn thans overleden. Zeylmans in 1961. Stibbe in 1973.

Europa tussen oost en west

Europa tussen oost en west. Men zou ook kunnen zeggen: Europa tussen technocraten en religieuze verwachtingen.
Technocratische verwachtingen die steeds weer opnieuw vanuit Amerika worden verkondigd en de hoop wekken op de komst van een samenleving, waarin ‘geluk voor het grootste aantal’ en materiële welvaart zijn verwezenlijkt. Waarin het rechtsleven in dienst staat van deze technocratische belangen.

Religieuze verwachtingen. Als toekomstverwachtingen beheersen zij als ‘ideologie’ iedere communistische staat, hetzij de Sovjetunie, hetzij communistisch China. Verwachting van de komst van een samenleving waarin dankzij een dialectisch-materialistisch proces, het klassenverschil wordt opgeheven. Een verwachting, die kan ontaarden tot een intolerant geloof. Religieuze verwachtingen kunnen ook naar het verleden worden gericht. Daarvan is de islamitische republiek in Iran thans een voorbeeld: een samenleving die beheerst wordt door de Koran als wetboek. In beide gevallen – zowel in de communistische als in de islamitische republiek – staat het rechtsleven dan in dienst van een heilsverwachting.

Daartussen Europa. Een samenleving met staatsvormen die ‘het resultaat zijn van het afwegen van rechten en verplichtingen der burgers, als aangelegenheid van rechtsgevoelens der mensen.’ Aldus Stibbe.

Niet dat Europa daar op het ogenblik een goed voorbeeld van is. Europa met zijn verschillende variaties van ‘verzorgingsstaat’, waar staat en maatschappij elkaar steeds meer doordringen en in elkaar overgaan. Waarin bureaucratie en technocratie steeds minder ruimte overlaten voor het ‘afwegen van rechten en verplichtingen’ onder zelfstandige burgers.

Wordt dat de toekomst van de Europese integratie? Europa als super-nationale staat met een superbureaucratie en een supertechnocratie?

Daarin ligt niet de ‘pedagogische taak van Europa’ die Stibbe bedoelde. Hetgeen niet wil zeggen, dat deze niet ter hand zou kunnen worden genomen als een hoopvol perspectief voor de toekomst. Europa’s middenpositie wordt dan een ruimte waar plaats is voor het zoeken naar evenwicht. Evenwicht tussen materiële en ideologische en religieuze belangen, zodat deze niet behoeven te ontaarden in economische roofbouw, of geestelijk terrorisme.

Aanwijzingen hiertoe zijn reeds zichtbaar. De energiecrisis, die door toedoen van de Arabieren, buiten Europa op gang is gekomen (1973), brengt binnen Europa een mentaliteitscrisis op gang, gepaard aan een nieuw verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de grondstoffen die de aarde voortbrengt. Daarnaast het vraagstuk van geestelijk terrorisme, als uitdaging bijvoorbeeld aan het onderwijs, en aan scholen met voldoende geestelijke ruimte om zich in vrijheid te kunnen ontwikkelen tot een eigen identiteit. Dat zijn essentiële vraagstukken, die op Europees niveau thans wel onder ogen worden gezien, maar die met verkiezingen van een Europees parlement niet worden opgelost, zolang niet de nationale parlementen meer ruimte bieden aan de burgers voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid op economisch en op geestelijk gebied.

Meer ruimte, opdat Europa zal kunnen geloven; ieder volk vanuit zijn eigen aard, zijn eigen identiteit.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1873-1758

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen’- puberteit (1-1)

.

Schoolarts in Stroom*, jrg.2, nr.4 2006
.

puber’tijd’

Achteraf is het altijd makkelijk om te zeggen dat de puberteit echt voorbij gaat. Maar dat deze levensfase voor puber en voor ouders flink lastig kan zijn, blijkt maar al te vaak.

De ouders hebben vanaf de babytijd alles bepaald voor hun kind; te beginnen bij het geven van de naam. En de pasgeboren baby, met zijn kwetsbaarheid en afhankelijkheid, wekt een enorm verantwoordelijkheidsgevoel om alles zo goed mogelijk te doen voor deze spruit.
Goede voeding, warme kleding, verantwoord speelgoed en later een goede school.
Het kind leert in de eerste tijd door nabootsing. Je kunt zien hoe jonge kinderen hun ouders bijvoorbeeld tot in hun lichaamshouding proberen na te doen. Zo zag ik laatst een driejarig kind met de benen over elkaar gezeten en met de wijsvinger langs de wang gelegd bedachtzaam een gesprek voeren. Zij keek daarbij net zo serieus als haar moeder.

In latere kinderjaren worden alle te verwerven vaardigheden, zoals zwemmen, schaatsen, fietsen en noem maar op, begeleid en mogelijk gemaakt. Gezinnen met kinderen op de basisschool kunnen tegenwoordig heel druk zijn met een volgeroosterde week waarin iedereen zo zijn sport, muziek, zwemles enzovoort op zijn bepaalde tijd moet doen. En de ouders zorgen dat alles reilt en zeilt. Natuurlijk hopen zij dat dochter- of zoonlief op de ingeslagen goede weg verder gaat in de bovenbouw. Vader en/of moeder hebben immers al langere tijd het juiste voorbeeld gegeven en veel geïnvesteerd. De kinderen hebben zo ongeveer alles wat hun hartje begeert, dus waarom zou er nou moeilijk gedaan moeten worden?

Dan komt er zo’n puber bij mij langs om eens ernstig over zijn ouders te klagen. “Zij zijn zo veranderd de laatste tijd”, hoor ik dan. “Over alles zeuren en zaniken, ik word er niet goed van. Wat er met hén aan de hand is ?”
En ze schamen zich voor het zogenaamde verstandige en verantwoorde eten. “Ik neem geen vriendjes meer mee naar huis als we pastinaak of gierst eten. En dan die klassieke muziek… belachelijk!”

Als ik doorvraag over de ruzies thuis gaat het vaak over de fietsen die bij herhaling tegen de schuurdeur worden gedeponeerd en over de kleren die door de kamer en op het bureau liggen, afgewisseld met kauwgumpapiertjes, Cd’s en schoolboeken. “Waar bemoeien ze zich mee?”, vraagt de puber zich af.

Het kan moeilijk zijn voor ouders, en innerlijk pijn doen, om de controle te verliezen en het altijd zo goed geklede kind in te korte, blote kleren te zien lopen. En dan die grote mond die je krijgt als je er wat van zegt.

Maar de puberteit is doorgaans een noodzakelijke fase en uit zich in een worsteling om zich los te maken van alle zo goed bedoelde zorgen en bemoeienissen van de ouders, want een kind wil zijn eigenheid vinden. De beleefde avonturen van de ziel zijn de grondslag voor latere volwassenheid. En die avonturen kunnen heftig en grenzeloos zijn. Het geschenk uit het verleden – alles wat de ouders het kind hebben meegegeven – moet overboord. Het kind wil vanaf nu de dingen uit eigen ervaring leren maar verkeert tegelijkertijd vaak nog in een soort leegte; het verleden wordt achtergelaten maar de lonkende toekomst is nog onduidelijk. “Wie ben ik eigenlijk en wie wil ik worden?” vraagt de puber zich af.

De begeleiding van een kind in deze levensfase vraagt om inzicht in het pad dat het kind wil of moet gaan. Het kan voor de ouders een confrontatie zijn om het kind rechts-of linksaf te zien slaan. Het roept de vraag op of je kunt loslaten en vertrouwen, want de rode draad van het kind kan een heel andere zijn dan die van de ouders. De puberteit is dan een appel aan de ouders om de eigen, nog niet doorgemaakte ontwikkeling op te zoeken en onder de loep te nemen. Deze tijd is ook een kans voor ouders. Er zit namelijk vaak iets heel waars in wat de puber zegt of vindt – hoewel het meestal niet makkelijk is om die waarheid onder ogen te krijgen. Waar wil je altijd nog gelijk hebben, waarom reageer je zelf nog zo emotioneel of voel je je de zondebok? Waarom wil je zelf altijd het laatste woord hebben of loop je dagen lang te mokken?

Dat er soms gevaren dreigen leert de ervaring helaas ook. Deze tijd vraagt om waakzaamheid en kennis in het omgaan met computers, internet, computerspelletjes en hun; verslavende werking. Maar ook het omgaan met drank, drugs, uitgaansleven, verliefdheden (op de verkeerde types), neerslachtige stemmingen of eetproblemen kan verontrustende vormen aannemen. Hulp van buitenaf is soms nodig.

De puber vraagt echte aandacht en nabijheid van zijn ouders en leraren en wil in zijn experimenteren serieus genomen worden.

Het is op de vrijeschool ook in deze bovenbouwtijd een geschenk dat de leerstof ontwikkelingsgericht is en aansluit bij het beleven van het kind. Er wordt een appel gedaan op eigen oordeelskracht en eigen inzicht. Het is niet toevallig dat juist in de 9e klas de Franse revolutie behandeld wordt en dat het landmeten in de 10e klas te maken heeft met het innemen van een standpunt. In de loop van een aantal jaren kan het Ik langzaam maar zeker greep krijgen op het woelige zielengebeuren waardoor het individu als persoonlijkheid kan uitrijpen. Het is in onze tijd en cultuur een voorrecht dat kinderen kunnen en hopelijk mogen puberen.

*Stroom: uitgave van Antroposana.
Het tijdschrift is inmiddels omgedoopt totIta‘.

Jeanne Meijs: Puberteit, de smalle weg naar innerlijke vrijheid 

Meer van Jeanne Meijs

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1872-1757

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (18-6)

.
Signe Roll Wickberg, Die Menschenschule, 27e jrg. nr.2 1953
.

De kracht van de fantasie en de herinnering in de opvoeding

Door de psychologie die aan de pedagogiek van de vrijescholen ten grondslag ligt, kan je tot het inzicht komen, dat alles wat je met het kind doet, zijn groeikracht bevordert of remt.
Je ziet dan dat de kennis die het kind opdoet, eigen moet maken, de vaardigheden die het moet ontwikkelen, maar één doel hebben: een goede groei, een gezonde ontwikkeling van geest, ziel en lichaam.
Daar moeten de opvoeder en de leerkracht naar kijken: dat ieder kind volgens zijn aanleg zijn levenslot, dit doel, zo goed mogelijk kan bereiken?

Hoe moet de leerkracht die beide tegengestelde krachten, de fantasiekracht en het herinneringsvermogen nu behandelen, zodat deze dat doel op een goede manier ondersteunen? Hoe moet hij daarmee omgaan, zodat ze in evenwicht zijn, de fantasiekracht niet met het kind op de loop gaat, het geheugen het niet vastpint en in een te vroege verstarring brengt?

Om die beide krachten te leren kennen, willen we ze, volgens de methode van Goethe, bestuderen aan abnormale gevallen, waarbij ze de overhand hebben of ontbreken.

De arts Carl Ludwig Schleich schreef het boek ‘Vom Schaltwerk der Gedanken‘ (Over het ‘schakelen’ van de gedachten). Daarin beschrijft hij een vrouw die door een bij is gestoken en angstig naar hem toe komt en hoe de kleine bijensteek, terwijl hij ernaar kijkt, zich voor de vrouw in haar voorstelling tot een groot gezwel ontwikkelt.
Bij een andere vrouw die een spijker in haar voet heeft gekregen, ontwikkelen zich door iets soortgelijks alle symptomen van tetanus; bij een derde zelfs alle verschijnselen van een zwangerschap, zonder dat zij zwanger is. De fantasiekracht kan zich dus tot een orgaanvormende kracht ontwikkelen.
Men kent ook in de fysiologie de fantasiesecretie die door Virchow werd onderzocht. ‘Het water komt ons in de mond’, wanneer we iets zien of het ons voorstellen, wat onze genotservaring in het gebied van de smaak oproept.

Het zijn ook de fantasievoorstellingen die, ontdaan van de ideeën van willekeur, doordrongen van helderheid, ons in Goethes metamorfoseleer, in de scheppende krachten van de natuur toegang verschaffen en ‘ontelbare mogelijke planten’ voor het innerlijk oog laten ontstaan. 

Wanneer we aan de andere kant de herinneringskracht willen leren kennen, kunnen we naar het negatieve geval kijken waarbij een mens zijn geheugen verliest. We weten dat zo iemand op reis kan gaan, van de ene plaats naar de andere kan reizen, alles wat erbij hoort normaal kan doen, hoe alles wat hij doet toch geen samenhang vertoont. Hij is zijn naam en zijn hele verleden vergeten. Wat hij nu doet, vertoont geen samenhang met wat er vroeger is gebeurd. Hier zie je de verbinding tussen Ik-bewustzijn en geheugen. – Je hoeft maar een hersenschudding gehad te hebben om deze toestand mild ervaren te hebben.

Het geheugen van de mens gaat zover terug tot de tijd waarop hij zichzelf Ik ging noemen, zo 2 ã 3 jaar.

Kenmerkend voor de kracht van het herinneren is ook dat deze door de kracht die de begrippen vormt, door het intellectuele bewustzijn, beperkt wordt. De Amerikaanse oogarts William Bates vertelt in zijn boek ‘Perfect sight without glasses‘, (Goed zien zonder bril) over een meisje van 10 dat geen regelmatige opvoeding kreeg en dat alles wat ze moest onthouden al spelend makkelijk leerde, b.v. een boek uit het hoofd kende zodra ze het gelezen had, maar dat hardnekkig weigerde om cijfers te leren kennen en te rekenen. – Door de sprookjes en volkssagen die door zingen en vertellen tot ons gekomen zijn, hebben we een bewijs voor het goede geheugen van vroegere generaties. [1]
In onze tijd waarin de intellectuele begrippen door de techniek zogezegd fysieke realiteit aangenomen hebben, is het geheugen verzwakt.

Terwijl de fantasie verlevendigt, de polsslag stimuleert, de ademhaling dieper maakt, verlossend werkt, heeft de herinneringskracht iets samentrekkends, laat de adem vrij naar buiten stromen, brengt rust en stevigte, geeft ruggengraat. Oude mensen die hun herinneringen schrijven, ademen in zekere zin hun leven uit, vóór ze hun laatste adem uitblazen.

Tot het 7e jaar is de fantasiekracht aan het organische gebonden. In de kleuterklas tekenen gezonde kinderen b.v. mensfiguren met grote handen, wanneer ze net met hun handen gewerkt hebben, figuren met grote oren wanneer ze daarvoor heel goed geluisterd hebben.

Na het 7e jaar komt de fantasie losser van het organische, maar wel gebonden aan het gevoel. De kinderen van deze leeftijd leven in het spelen, in het gevoelsleven. Wat ze maken, komt direct vanuit hun ziel via de vingers naar buiten. Daarom zijn het ook geen kunstwerken, hoe bewonderingswaardig ‘het staat’ en hoe mooi ze ook zijn. Pas na het 14e jaar wordt de fantasie vrij, kan door de geest – of door de on-geest – gebruikt worden.

Het lijkt erop dat het kind van 2 of 3 jaar al een geheugen heeft. Een klein kind is b.v. ’s zomers bij een meer geweest. Het heeft steeds een blok hout over de berg meegezeuld en bij het meer aangekomen, zei het steeds ‘ah’. ’s Winters vindt het kind het blok hout, dat lang weg was, weer terug en zegt weer ‘ah’. Het herinnert zich, maar aan de hand van dit ‘merk’teken. *

Na het 3e tot het 7e jaar (en ook nog later) is de herinneringskracht sterk aan de zintuigwaarnemingen gebonden. Waar bloemen sterk geurden, de krachtige geuren in de paarden- of koeienstal, ze worden vastgehouden. De klank van een stem, de kleur van kleding worden later nog levend herinnerd. Na het 7e jaar wordt het dan net als de fantasie, innerlijker, vrijer van het lichamelijke, maar gebonden aan de ziel. 
Wat het hart beroert, dat herinner je je.
Het woord zelf, niet alleen de klank van de stem, wordt nu, vastgehouden als het door een mens gesproken wordt, met wie je in liefde bent verbonden. Pas na het 14e jaar is de geheugenkracht rijp ook meer abstracte dingen vast te houden. De begripsvormende kracht is nu werkzaam. Het geheugen moet dan al goed ontwikkeld zijn, anders kan het niet, wordt het door de intellectualiteit verzwolgen.

Hoe kan de leerkracht deze krachten nu goed gebruiken?

Laten we eerst kijken hoe dit bij het vertellen van sprookjes in de 1e klas gaat. Eerst mogen de kinderen luisterend wat juf vertelt, in zich opnemen en zich laten dragen door de beelden op de vleugels van de fantasie. Op een dag vraagt ze misschien of de kinderen nog weten wat ze de vorige dag verteld heeft. Dat kan niet iedereen. En dat hoeft helemaal niet te zijn omdat ze niet geluisterd zouden hebben. Maar iemand weet wel hoe het begon en hij kan het vertellen. Geleidelijk ziet de leerkracht aan de gezichten hoe de beelden weer uit ‘de zee van het vergeten’ opstijgen. En er volgen bijdragen van kinderen die het zich niet zo makkelijk meer herinnerden. En ten slotte staat het sprookje daar weer door gezamenlijke inspanning. Op deze manier zijn de kinderen van de fantasie-activiteit naar de geheugenactiviteit geleid, aan de hand van sprookjesbeelden. Het zijn de beeldende vormkrachten die nu vrij geworden zijn en als geheugenkracht aangesproken mogen worden.  
Een meer niet waar te nemen, muzikale vorm van geheugenkracht wordt geoefend door de getallen, in ritmen gebracht. En door het reciteren van gedichten worden beide verbonden. Het beeldende is hier in de ritmische woorden gebracht, het melodieus-ritmische aan de andere kant in de beeldrijke woorden. Op deze leeftijd wordt a.h.w. het geheugen van de hele klas geoefend. Beide krachten liggen ook nog dicht bij elkaar.

Langzamerhand tegen het 9e jaar en verder tot het 11e, 12e moet je beginnen sterker een beroep te doen op het geheugen en meer van het individuele kind m.b.t. het herinneringsvermogen te eisen. Wat ze uit het hoofd moeten leren, moet wel iets zijn waar het hart aan meedoet. Zelfs de tafels van vermenigvuldiging moeten hart en adem in beweging brengen, de kinderen moeten ervan gaan houden.
Waarom je niet moet gaan testen, heeft Kristen Koll, oprichter van de vrijeschool in Denemarken, voortgekomen uit de volkshogeschoolbeweging, eens goed gekarakteriseerd. ‘Wanneer ik een erwt in de grond heb gelegd,’ zei hij, ‘haal ik die er toch weer niet uit om te kijken of die al kiemt. Ik vertrouw die aan de aarde, licht en lucht toe, en ik zorg ervoor dat die goed water krijgt en ik vertrouw erop dat ze gaat kiemen.’ Wat de leerkracht door deze jaren heen in beelden aan de kinderen geeft, hoeft niet allemaal door het geheugen te worden vastgehouden. Wanneer het wegzinkt in het onbewuste doet het zijn vormend werk aan het kind, als het maar goed verteld werd. 
Aan de andere kant moeten de kinderen leren dingen te onthouden. En hierbij spelen de periodeschriften op een vrijeschool een grote rol. Wat de kinderen daarin moeten opschrijven en tekenen, moeten mijlpalen zijn waaraan in verder liggende jaren een gevoelvol herinneringsbeeld wakker kan worden voor de lesperioden. 
Op het 11e, tegen het 12e levensjaar bereikt de herinneringskracht een hoogtepunt en vraagt om oefening. In deze tijd kunnen ze lange gedichten, balladen en liederen leren en daar plezier aan beleven.

Vanaf het 12e jaar begint op de vrijescholen het natuurkunde-onderwijs. En hier wees Rudolf Steiner erop dat dit onderwijs met fantasie en schoonheid doorspekt zou moeten worden. Maar net zo bij wat de kinderen over het menselijke lichaam moeten weten. Als dat droog aangeleerd wordt, verkommert de ziel, het intellect wordt star, de fantasie verliest haar vleugels en richt zich op duisterder gebied.

Het geheugen kan op deze leeftijd meer samenhangende dingen vasthouden, zoals chronologie bij geschiedenis, namen en getallen bij aardrijkskunde, grammaticaregels en rekenformules, die vroeger alleen maar geoefend werden.

Heel verschillend moeten de individuele kinderen wat hun fantasie en geheugen betreft, behandeld worden. Met het bleke kind dat snel in de lengte groeit, moet anders worden omgegaan dan het blakende kind met de rode wangen, zoals Rudolf Steiner deze vaker behandelde. Bij het bleke kind moet je vaker door de vingers zien dat het iets niet kan onthouden. Zijn ziel moet zich kunnen ontplooien aan enthousiasmerende beelden, het moet diep leren inademen, zijn hart moet snel kunnen kloppen. Bij het blakende kind moet je het niet laten gaan wanneer het erop aankomt dat het iets helemaal uit het hoofd kent. Het moet sterker leren uit te ademen, moet sterker worden tot in het organische, moet ruggengraat krijgen en Ik-bewustzijn. Het mag niet zwelgen in te veel fantasie-activiteit.

Zo moeten opvoeder en arts elkaar de hand reiken in hun zorg om de gezonde ontwikkeling van het kind. |

Ook de opvoeder werkt door tot in het lichamelijke.
.

[1] C. Grenacher ‘Über die Gedächtniskraft der Analphabeten’, Die Menschenschule 1952, nr. 6
.
*
Zo fietste ik eens ’s zomers met mijn 2-jarig neefje op de verjaardag van mijn moeder, door de polder waar op dat ogenblik een akker werd bespoten door een sproeivliegtuig. Deze ‘koekak’ werd aandachtig gevolgd in opstijgen, rondvliegen en afdalen.
Een jaar later, weer op moeders verjaardag, fietste ik daar weer met mijn neefje voorop de fiets. Plotseling riep hij: ”Koekak, koekak, waar is koekak nou?’ Eerst wist ik niet wat hij bedoelde, maar plotseling herinnerde ik mij het vliegtuig van het jaar daarvoor. Hij dus ook, maar veel eerder dan ik – sterker nog – ik zou er zonder zijn aanleiding – niet aan hebben gedacht.

.

Geheugen, herinneren: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: fantasie en herinnering

.

1871-1756

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (64)

.

Eindtoets in groep 8 achterhaald

aldus docent Pieter Abrahams in Trouw, 18-02-2019

(Tekst in blauw van mij: phaw)

Abrahams noemt de Cito-toets een scherprechter, een beul dus eigenlijk, die de koppen mag laten rollen.

Er is de afgelopen jaren nogal wat te doen geweest om ‘de’ of ‘een toets’.
Je zou denken: de toets als een soort jo-jo. Maar eigenlijk zijn/worden wat de toets betreft – de leerlingen natuurlijk als jo-jo behandeld!

Abrahams:
Het is belangrijk dat een leerling na de basisschool op het juiste niveau start op het voortgezet onderwijs. Lang was de Cito-toets de scherprechter voor plaatsing op vmbo, havo of vwo. Sinds 2014 werd de eindtoets later in groep 8 afgenomen, waardoor het oordeel van de basisschool bepalend werd voor het niveau-advies op de middelbare school. Onze coalitie van D66, VVD, CDA en Christenunie wil dit proces weer omdraaien: de eindtoets moet weer het eindoordeel vellen. 

De docent heeft m.i. een paar gezonde ideeën:

‘Een leerkracht van groep 8 heeft de eindtoets helemaal niet nodig.’

Volgens hem heeft de leerkracht voldoende middelen om te kunnen beoordelen hoe het met de leerling is gesteld.

Het resultaat van de eindtoets, helemaal aan het‘ eind van de basisschooltijd, is dan eerder mosterd na de maaltijd dan een objectief meetinstrument’.

‘Succes in het voortgezet onderwijs is niet alleen afhankelijk van beheersing van de spellingsregels en de staartdeling. Net zo belangrijk zijn motivatie, taakgerichtheid, zelfstandigheid, doorzettingsvermogen en de thuissituatie van de leerling. Deze factoren worden niet in kaart gebracht door de eindtoets, maar door een goede communicatie tussen leerkracht, ouders en de interne begeleider van de basisschool. Het niveau-advies van de leerkracht van groep 8 is daarmee beter onderbouwd dan een objectieve eindtoets.

Abrahams pleit voor een goed contact tussen basisschool en vervolgschool

Abrahams: ‘Inmiddels functioneer ik al jaren als docent Nederlands op een vmbo-school en zie ik de kracht van een effectieve dialoog tussen de oude meester/juf van groep 8 en de nieuwe mentor van de brugklas.

Op mijn middelbare school vindt dit overleg tijdens de brugklasperiode op vooraf geplande tijdstippen plaats. Met een kopje koffie erbij wordt de overstap van elk kind geëvalueerd. Eventuele strubbelingen kunnen direct geanalyseerd en opgelost worden met extra informatie van ouders, de interne begeleider van de basisschool of specialisten van de middelbare school. Het is juist deze aanpak van gestructureerd overleg die de grond onder het herinstalleren van de eindtoets onderuit haalt.’

De coalitie ziet de eindtoets als een instrument dat gelijke kansen biedt. Zo zou het bevoordelen van kinderen van hoogopgeleide ouders door de eindtoets wegvallen. Mijn mening, die gebaseerd is op eigen waarneming, staat haaks op deze redenering: juist de al eerder gememoreerde warme overdracht tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ school masseert vooroordelen weg over leerlingen op basis van afkomst, geloofsovertuiging of opleidingsniveau van ouders.

Persoonlijk contact

Een doorgaande leerlijn is in het belang van elke leerling. De fundering hiervoor vind je in het methode-onafhankelijk leerlingvolgsysteem van de basisschool. Een goed overleg tussen docent, ouders en de interne begeleider brengt andere belangrijke zaken in kaart. Het persoonlijke contact in de brugklastijd tussen de groep 8-leerkracht en de mentor op de middelbare school vormt de laatste schakel in deze ketting.

De eindtoets van groep 8 komt daarmee in hetzelfde rijtje als de videorecorder, de walkman en de oude Atarispelcomputer: ooit zinvol, maar inmiddels enorm achterhaald.

Kom op, vrijescholen: spel die man het geestverwante lintje op!

.

zie ook: opspattend grind [4] en [58]
.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1870-1755

.

.

VRIJESCHOOL – Getuigschriften (9)

.

Ludger Helming-Jacoby, Erziehungskunst jrg.53, 04-1989
.

getuigschriftspreuken – een verrijking voor de klassengemeenschap

Voor een klassenleerkracht die een eerste klas op zich genomen heeft, is het iets wonderbaarlijks om te zien hoe de kinderen vol overgave zich met alles verbinden wat ze in het onderwijs beleven en hoe door het gezamenlijk beleven ook de verbondenheid van de kinderen met elkaar groeit. Heel diep nemen de kinderen de sprookjes in zich op die iedere dag in hoofdonderwijs worden verteld – wanneer beeldend onderwijs voedsel voor de ziel is, ‘melk voor de ziel’, dan zijn de sprookjes dat op een bijzonder rijke manier. [1]

Toen ik vijf jaar geleden me voor het eerst bezighield met getuigschriftspreuken voor mijn toen eerste klas,  beschouwde ik ze als een welkome mogelijkheid deze sprookjesbeelden nog een jaar lang na te laten klinken. Maar welke van hen zouden bewaard moeten blijven, welke zouden voor de individuele kinderen bijzonder goed zijn?
Deze vraag beantwoordden de kinderen zelf: ieder kind mocht een sprookje kiezen dat op z’n verjaardat werd verteld; en in de vele lievelingssprookjes vond ik bijzonder treffende motieven voor de individuele kinderen.
Onder de in het openbaar verschenen getuigschriftspreuken waren er echter nauwelijks te vinden die sprookjes als inhoud hadden. Dus ging ik ze zelf schrijven. Daarbij waren de gezichtspunten van Heinz Müller [2] richtinggevend; ook werd ik zeer gestimuleerd door de verzamelingen getuigschriftspreuken [3],  door de mooie, beeldrijke spreuken van Gabriele Böttcher.
Het rijmen ging in het begin moeizaam, stap voor stap kreeg ik het er wat makkelijker mee. Ook ervoer ik wat Johannes Denger in zijn artikel over getuigschriften schrijft [4]: ‘Wanneer je je een tijd schijnbaar tevergeefs afgetobd hebt, valt je, naar wat je hebt gezocht, opeens, niet zelden ‘na de nacht’ als een geschenk ten deel.
Dat de meeste spreuken tamelijk lang werden, was eigenlijk niet de bedoeling, maar dat kwam door het vertellende, schilderende karakter. Later, toen de kinderen de spreuken voordroegen, was ik echt wel blij dat ik ze uitvoerig bij het spreken aan kon horen.
Om
de kinderen de getuigschriftspreuken niet alleen maar te overhandigen, maar ook te laten horen en anderzijds om op de laatste schooldag geen zesendertig spreuken te hoeven voorlezen, liet ik de klas in de laatste paar weken voor het einde van het schooljaar dagelijks een paar spreuken horen. Voor wie ze waren, kregen de kinderen pas op de laatste schooldag te horen, wanneer ieder kind zijn spreuk – in het getuigschrift en op een kaart – ontving. Zo werden de getuigschriftspreuken eerst als een totaliteit aan de hele klas, als was het een geschenk, gegeven en daarna over de verschillende kinderen verdeeld.
Deze manier van doen was helemaal in overeenstemming met de bedoeling die de spreuken van een schooljaar voor de kinderen uit een klas hebben: ieder kind leert zijn eigen spreuk, wanneer hij dat doet en eraan werkt, om deze steeds duidelijker uitdrukkingsvol, te spreken. Iedere keer echter, wanneer een kind zijn spreuk opzegt, geeft hij deze steeds weer opnieuw aan de andere kinderen. Zo verbinden de kinderen zich niet alleen met hun eigen spreuk, maar ook met alle andere; deze worden zogezegd een gemeenschappelijk bezit van de klas. Dit proces kan ondersteund worden door de kinderen een ‘getuigschrift-schrift te laten bijhouden waarin ze het hele jaar door werken, waarin ze geleidelijk alle spreuken opschrijven, op z’n allermooist en versierd met tekeningen. Ook ruilen ze onderling hun kaarten. Het kan ook een ervaring worden die verbindt, wanneer een paar kinderen de gelegenheid krijgen hun spreuk aan de klas te leren, wanneer ze deze een tijdje iedere dag voorspreken – eerst wat regels, dan strofen.

Ook de jaren daarna begon ik aan het werken aan de getuigschriften vanuit twee gezichtspunten: aan de ene kant beschouwde ik ze als een essence van het onderwijs van het afgelopen jaar en overlegde ik bij mezelf welke beelden belangrijk waren en welke spreuken nog een jaar lang in de klas levend aanwezig zouden blijven. (Bij deze beelden zaten er natuurlijk ook die geen onderwijsthema waren geweest, die echter wel bij de sfeer van de betreffende leeftijd hoorden; zo waren er in de vijfde klas een paar spreuken over zeevaarders en bergbeklimmers).
Aan de andere kant probeerde ik mij van ieder kind een beeld te vormen: welke van zijn wezenskenmerken zouden wel wat sterker mogen worden, welke wat meer teruggehouden?
Het hielp heel veel als de vakleraren van de klas mij hun indrukken gaven. Ook de ouders vroeg ik iets over hun kinderen te vertellen. [5] Ettelijke van hen namen graag de gelegenheid te baat mee te doen met de totstandkoming van de spreuken; hun antwoorden – soms een paar regels, soms meerdere bladzijden – waren voor mij zeer waardevol. Stap voor stap koos ik voor ieder kind een passend beeld en maakte daarvan een spreuk. Het beeldende werd tijdens de schooljaren natuurlijk door een meer beschouwelijk element aangevuld.

De meeste thema’s kwamen uiteindelijk in twee of meer spreuken voor; daardoor zou het voor de kinderen duidelijk moeten worden, dat je een bepaalde inhoud op verschillende manieren van meer kanten kan bekijken. Van tijd tot tijd konden zulke verwante spreuken ook helpen om twee kinderen dichter bij elkaar te brengen, zoals Heinz Müller stimuleert. [6]

De kinderen krijgen door het getuigschrift in zekere zin een spiegel voorgehouden. Voor mij was het echter heel belangrijk om niet in de eerste plaats hun zwakte naar voren te halen, maar iets te tonen, wat – vaak nog in kiem aanwezig – als positieve mogelijkheid in hen aanwezig is [7] om hen zo voor hun ontwikkeling een weg te wijzen. De spreuk moet vooral met een aanmoedigende, krachtige ‘lichte’ regel worden afgesloten.

In de derde klas zocht ik bij de meeste spreuken alleen bij iedere tweede regel naar rijm; voor de al wat oudere kinderen leek me de steun die het rijm hun bij het spreken kan zijn, niet meer zo heel erg nodig. Het werk om de versregels ‘aan elkaar te smeden’, werd daardoor heel wat makkelijker.

De versmaat van een spreuk kan wat je het kind door de inhoud, door het beeld wil zeggen, aanzienlijk ondersteunen. [8] Deze kan aanwakkerend zijn, behoudend, kan het kind meer uit zichzelf brengen, maar ook tot zichzelf. Heel werkzaam is de afwisseling in versmaat binnen een spreuk: [9] Je laat de spreuk met een ritme beginnen dat bij het wezen van het kind hoort, dat makkelijk voor hem is, leidt hem dan over in een ander ritme dat hem bijbrengt: ‘Zo mag je qua wezen nog meer worden!’.

Op dezelfde manier waarop voor ieder kind de versmaat passend is, zo zouden ook voor een hele klas op de verschillende leeftijden verschillende versmaten heel passend kunnen zijn.
Zo was in de spreuken van mijn tweede klas de trochee overheersend (— )  die hoorde bij de rustig geschilderde vertelstroom van de sprookjes en het teer zich verbinden met de sprookjesbeelden.
Voor de vierde klas ‘ontdekte’ ik de amfybrachus ( ) als versmaat van een evenwichtig midden, het evenwicht tussen hoofd en hart; met zijn dansende, meenemende levendigheid scheen hij mij voor de kinderen van deze leeftijd buitengewoon weldadig.

De vijfde en zesde klas leren hexameterverzen kennen die harmonisch en krachtig lopen. Ze leven zich in deze Griekse versmaat in; en het ligt voor de hand dat de hexameter er ook in de getuigschriftspreuken van de volgende schooljaren bij zit.
In deze laatste jaren van de klassenleerkrachttijd is het wellicht niet meer zó nodig dat de spreuken rijmen; des te meer omdat een hexameter een spreuk sterk vormgeeft en daardoor bij het spreken een steun is.

In de spreuken van de vijfde klas probeerde ik hier en daar woorden met gelijkklinkende beginklanken na elkaar te laten volgen; zo kon het wilsversterkende  stafrijm  dat een jaar eerder zo’n belangrijke rol in de lessen speelde, nog blijven werken. Dat bovendien juist de klanken met hun
verschillende kwaliteiten op de kinderen werken, had ik bij het maken van de spreuken wel in gedachten; maar er bleef naast het proberen de inhoud die me voor de geest stond, in een bepaalde versmaat en rijm te gieten, niet al teveel speelruimte dit ook nog mee te nemen. Naderhand stelde ik soms wel plezierig verrast vast, hoe goed de klanken bij de inhoud van de spreuk en ook voor het betreffende kind pasten, alsof de taal a.h.w. zelf aan het dichten was.

Zeer dankbaar was ik onze spraaklerares die de spreuken nakeek en met haar hulp konden sommige oneffenheden glad gestreken worden. Ik was helemaal blij toen ook anderen er nog naar keken, want ik had ervaren dat eigenlijk maar weinig afstand neemt van waaraan je zelf lang zit te schrijven – spreuken, maar ook andere getuigschriftteksten. Zo behoedde mijn mijn vrouw een kind ervoor een jaar lang met de zin: ‘wie droomt en treuzelt komt niet vooruit’ te moeten leven. (4e klas)

Na de grote vakantie, ieder jaar opnieuw, deelde ik de kinderen zo in dat in ieder hoofdonderwijs drie kinderen hun getuigschriftspreuken opzeiden. [10] Deze groepjes waren volgens inhoudelijke gezichtspunten samengesteld: de spreuken die op een dag te horen waren, moesten verschillende vakgebieden beslaan, maar zo mogelijk wel een gemeenschappelijk motief hebben. Zo zaten b.v. spreuken over geschiedenis, aardrijkskunde en plantkunde bij elkaar en in alle drie ging het om een  ‘geduldig bezig zijn om een doel te bereiken’.
Ook de kinderen moeten de verwante spreuken opmerken, in hun verwantschap, maar ook in hun verschil; die werden op achtereenvolgende dagen gesproken.
Bij de indeling in groepen probeerde ik ook mee te nemen dat de kinderen in een wezenseigen groep zaten.

Dat er in het hoofdonderwijs maar drie kinderen aan de beurt kwamen en pas weer na veertien dagen, kan ertoe hebben bijgedragen, dat het reciteren van de spreuken het hele jaar door geen routine werd.
Ook in mijn drukke zesde klas klinken de spreuken in een sfeer van rustig geconcentreerd werken en dat intensief met elkaar.

Hier nog een aantal spreuken uit verschillende leerjaren.

2e klas

Junger König jagt das Wild
in des dunklen Waldes Tiefe,
ward verhext, zum Marmorbild,
bleich und stumm, als ob er schliefe,
bis der Bruder ihn dort fand
und die Hexe überwand.
Von dem dunkien Bann nun frei
konnt er lachen, singen wieder,
rot die Wangen, flink die Glieder,
oh, wie glücklich warn die zwei!
Sonnenlicht durchströmt den Wald,
und das KönigsschloB von Feme
leuchtet hell wie tausend Sterne
heim im SchloB sind sie nun bald!

0-0-0

»Erzähle Puck, du lieber Gesell,
es leuchten deine Augen so hell,
was hast auf Erden du gesehn?«
»Den Farbenbogen konnt’ ich schaun,
bei Menschen, die sich gut verstehn,
die sich wohl lieben und vertraun.
Auch im Zwergenreich solln nun
Farbenbogen glanzen fein,
strahlen soll der Liebe Schein,
dafür will ich alles tun,
will mit aller Kraft ich streben:
Menschen, Zwerge solln so leben,
daß es in und auf der Erde
immer licht und lichter werde!«
(Naar Jakob Streit, »Puck der Ziverg«)

0-0-0

Sieh im Blütenkleid die Linde,
wiegt sich sacht im Frühlingswinde.
Selig von den süften Düften
tanzen Falter in den Lüften,
auf und ab, mit zarten Schwingen.
Horch, ein feines Summen, Singen
von den Bienen, von den Hummeln,
die sich in den Blüten tummeln.
DaB der Baum kann blühn, gedeihn,
daB er wachse, kräftig werde,
müssen Wurzeln in der Erde
tief und fest gegründet sein;
Wurzelzwerge müssen regen
stetig sich, die Wurzeln pflegen,
daß die guten Erdensäfte
geben frische neue Kräfte.

Ja, der Baum braucht Erdensegen,
daß er himmelwärts kann streben!

0-0-0

3e klas

Aus tiefem Erdengrunde sprudelt
leis ein kleiner Quell,
und zwischen Moos und Wurzeln rieselt
Wasser silberhell.

Ein Bächlein wird’s und bald ein Bach,
der munter springt zu Tal,
bis jählings über Felsen er
sich stürzt als Wasserfall.

In tausend Tropfen sprüht und
funkelt farbig Sonnenlicht.
Da schäumt’s und rauscht’s ein
mutig Lied: »Ich fürcht’ die Tiefe nicht!«

Und weiter fließt und strömt
voll Kraft ein Fluß dem Meere zu,
nimmt Bache, Flüsse in sich auf,
bis er nach langem, langem Lauf
im Meere findet Ruh.

0-0-0

Lerche, Lerche, liebe Schwester,
in dem Federkleid so schlicht,
dich vor anderen zu zieren,
danach trachtest du ja nicht.

Lebst so einfach und bescheiden,
hier ein Körnchen, dort ein Kern,
da ein Schlückchen aus der Quelle –
alles nimmst du froh und gern.

Schwingst du hoch dich in die Lüfte,
um des Schöpfers Lob zu singen,
lausche ich und spüre leise
frohen Dank in mir auch klingen.

0-0-0

Im weichen Sand am Meeresgrunde
liegt die Muschel Stund’ um Stunde,
sacht gestreichelt von den Wogen
liegt sie still bei Tag und Nacht;
was sie wohl da drinnen macht?
Sie träumt vom Regenbogen!
Kann die Träume sogar malen,
innen an die Muschelschalen.
Außen ist sie trüb und grau,
unscheinbar und schlicht.
Doch öffnet sie die Schalen, schau!
Dann schimmert silbrig-licht
welch zauberhafter Farbentanz,
welch Regenbogenglanz!

0-0-0

Da kommen drei Reiter in Eile geritten,
sie reiten voll Hast, um zu Haus bald zu sein.
Sie sehn nicht den Armen gar flehentlich bitten,
nur Martin, der sieht ihn, bleibt stehen allein:
»Mir ist gleieh, was andre machen,
solln sie meinetwegen lachen,
ich weiß selber, was ich will!«
Martin teilt den Mantel still,
reitet dann der Herberg’ zu,
frohgemut, in Seelenruh.

0-0-0

4e klas

Während Sommerblumen blühen,
jede schön in eig’ner Weise,
wachsen in dem Kornfeld Halme,
unscheinbar und schlicht und leise

Freudig haben sie verzichtet,
bunt zu blühen hier auf Erden,
daß sie, alle Kraft bewahrend,
Menschennahrung können werden.

Golden wogen reife Felder,
wie von Sonnengold durchwirkt; 
schenkend neigt sich goldne Ähre,
die so reife Gabe birgt.

0-0-0

Sieh den Bergkristall, den reinen,
horche, wie er zu dir spricht:
»Sternenkräfte still bewahrend
wurd geformt ich klar und licht.«

Siehe, wie aus kleinen Knospen
Blütensterne sich gestalten,
lausche, was sie leis dir sagen:
Will mich hin zum Licht entfalten!«

Sieh das Reh im Sonnenlichte,
schau, was es dir sagen will:
Bald bewegt sich’s rasch und regsam,
bald steht’s wachsam lauschend still.

Nimm dich wahr als Menschenwesen,
hör es in dir selbst erklingen:
»Gutes will ich tun in Stille,
Seelenlicht soll mich durchdringen!«

0-0-0

Festen Schrittes ging der Junge,
ging im Morgensonnenschein,
ging zur Schmiede: «Lieber Meister,
kann ich Lehrling bei Euch sein?«
»Willst du’s Schmiedehandwerk lernen,
mußt die Glut du fleißig schüren,
mußt den schweren Schmiedehammer
rasch, geschickt und kraftvoll führen;
lieben mußt du deine Arbeit,
ist sie manchmal dir auch Last,
wachsam lernen, immer fragen,
was du nicht verstanden hast.
Neues Schritt für Schritt zu lernen
darfst du scheuen keine Müh.«
»Ja, ich will von ganzem Herzen!«
»Gut – beginn gleich morgen früh!

0-0-0

Den treuen Begleiter zur Seite,
den Wanderstab fest in der Hand,
so wanderte furchtlos Tobias,
durch fremdes, zerklüftetes Land.

Zur Seite den treuen Begleiter
war stets er in sicherer Hut,
durchwanderte Wüsten, Gebirge
mit frischem und freudigem Mut.

Zur Frau nahm er Sarah, die liebe,
bracht glücklich sie heim aus der Fern,
bracht Heilung dem Vater, dem blinden,
geleitet vom Engel des Hern.

5e klas

»Eichkätzchen, du kletterst so kühn im Geäst
und bautest so kunstvoll dein Kugelnest;
wer hat dir das Klettem und Baun beigebracht?«
»Ich lernt’ es von selber, ich konnt’s über Nacht.«

»Du tüchtiger Biber, du fällst fleißig Stämme,
baust rastlos aus Reisig dir Burgen und Dämme;
wie hast du’s im Bauen zum Meister gebracht?«
»Ich konnt’ es von selber, ich lernt’s über Nacht.«

»Du Mensch, mit den Händen so vielseitig fähig,
wie hast du so vieles zu lernen geschafft?«
»Ich mühte mich eifrig, ich übte beständig;
so wurd’ ich geschickter, so wuchs Mut und Kraft.

0-0-0

»Kennst du dort den Berg, den fernen?«
»Ja, ich war schon nahe dran;
Wälder, grüne Wiesenhänge
steigen sanft zum Gipfel an.«

»Nein, du irrst dich, ich sah selber
nah den Berg vor ein paar Tagen;
Felsenwände, wild-zerklüftet,
sah ich steil zum Himmel ragen!«

Beide sahn nur eine Seite:
sanft geschwungen – schroff und wild.
Doch steigst zum Gipfel du hinauf,
dann wirst du gewinnen das ganze Bild!

0-0-0

»Ich war«, spricht die Vergangenheit.
»Ich hab’ dir teuren Schatz gebracht:
Erfahrung und Erinnerung;
bewahr ihn, nutz ihn mit Bedacht!«

»Ich bin«, spricht die Gegenwart, »immer aufs Neue,
ich schenk’ dir den kostbaren Augenblick;
erlebe ihn wach und mit offenem Herzen,
ergreif ihn mit Tatkraft, mit flinkem Geschick!«

»Ich werd’ dich beschenken«, ruft heil die Zukunft,
»erwart mich mit freudig entschlossenem Mut.
Was ich dir werd’ bringen? Es liegt an dir selber –
sei stets guten Willens, dann wird’s gewiß gut!«

0-0-0

Gerüstet, gewappnet, mit Schwert und mit Lanze,
so magst du manch mächtigen Gegner bezwingen;
doch wirst du mit Stärke, das Schwert in den Händen, 
zur Gralsburg, zur lichten, ganz sicher nicht dringen.

Die finstersten Forste magst suchend du queren,
das schroffste Gebirge, das dunkelste Tal;
dein Suchen allein wird zum Ziel dich nicht führen,
zur Gralsburg, zur lichten, zum heiligen Gral.

Dein mitfühlndes Herz nur kann weisen den Weg dir,
erhellen den Weg dir zur Lichtburg, zum Gral;
die Frage, aus Mitleid und Liebe erwachsen,
sie bringt dich zum richtigen Ziel, Parzival!

0-0-0

6e klas

Der Kiesel, so wunderbar glatt und gerundet,
entstand ja aus kantigem, spitzen Gestein;
den harten Fels so vollendet zu formen,
wer mag dafür kräftig und stark genug sein?

Das Wasser, das sanfte, das nachgiebig-weiche,
hat stetig fließend am Steine geschafft;
nicht heftige Hast, nein, geduldige Sanftmut
verleiht dem Wasser solch’ machtvolle Kraft!

0-0-0

Adler sieht man selten nur
nah am Boden sich bewegen;
hoch in Lüften ist ihr Reich,
wo in kühnem Flug sie schweben.

Kühe auf der Weide spähn nicht
scharfen Blickes in die Ferne,
grasen friedlich und beharrlich,
ruhen wiederkauend gerne.

Keinen Löwen wird man finden,
der sich grasend nahren kann;
Löwen sind beherzte Jager,
greifen furchtlos springend an.

Menschen können ihrem Mühen
mutvoll kühne Ziele geben;
festen Schritts, beherzt, beharrlich
will mein Ziel ich stets erstreben!

0-0-0

Savitri verließ den Palast ihres Vaters,
sie ging ohne Furcht ihrem Schicksal entgegen;
sie lebte im Wald mit dem Gatten in Armut,
man sah sie stets frohgemut-fleifiig sich regen.

Als Yama dem schlafenden Satyavat nahte,
die Seele zu führn in sein finsteres Reich,
da zeigte Savitri sich unerschrocken;
sie folgte dem Unerbittlichen gleich.

Die Liebe gab Kraft ihr, zur Seit’ ihm zu bleiben,
auf steinigen Wegen in finsterer Nacht.
So konnt’ sie selbst Yama am Ende doch rühren,
konnt’ Satyavat heim zu den Eltern führen –
so siegte der lichtvollen Liebe Macht!

0-0-0

Dieses lehrte Zarathustra
einst vor vielen tausend Jahren:
Wie sich aus der Welten Urgrund
Licht und Finsternis gebaren.

Und er lehrte, daß die Menschen
auf der Erde sich befinden,
Lichtes auf der Welt zu stärken,
Finsternis zu überwinden.

»Hütet das heilige Feuer«, sprach er,
«pfleget die Äcker mit fleißiger Hand,
pflügt sie und sät das Getreide und erntet,
wässert die Wüste, macht fruchtbar das Land!

Schafft ihr entschlossen und freudigen Mutes,
werdet der Finsternis Macht ihr bezwingen;
Sonnenkraft wird dann die Erde erfüllen,
wird eure Herzen auch lichtvoll durchdringen!«

0-0-0

[1] Rudolf Steiner GA 311, voordracht 1 en 2. Op deze blog vertaald.
[2] Heinz Müller, ‘Von der heilenden Kraft des Wortes und der Rhythmen’. Menschenkunde und Erziehung, Bd. 22
Op deze blog hier nader genoemd
[3] Gabriele Böttcher, Zeugnissprüche
Martin Tittmann, ‘Zarter Keim die Scholle bricht….’ Zeugnissprüche für die Klassen 1 – 8, Menschenkunde und Erziehung, Bd. 41
Lore Schäfer, ‘Sprüche und Aufzeichnungen einer Lehrerin. Herausgegeben vom Lehrerkollegium der Rudolf Steiner Schule Bochum-Langendreer.
[4] Johannes Denger, Erziehungskunst 5/1989 blz. 287 (vertaald op deze blog)
[5] Rudolf Steiner vond dergelijke gesprekken met de ouders belangrijk; dit blijkt uit een toespraak voor ouders van de vrijeschool in Stuttgart wanneer hij over getuigschriften o.a. zegt: ‘….ik geloof dat wanneer de ouders het voor elkaar zouden krijgen een klein antwoord te schrijven n.a.v. wat de leerkracht in het getuigschrift heeft geschreven, dat heel erg zou helpen. Als het als verplichting opgevoerd wordt, heeft het geen zin; als de ouders het vanuit zich willen, dan is dat pedagogisch erg van belang. Zulke woorden zullen zeker met buitengewone aandacht op onze school worden gelezen.’
Steiner: GA 298,blz.193
[6] Heinz Müller, blz. 60ff
[7]Dit gezichtspunt geld tvoor de spreuken net zoals voor het hele getuigschrift. Zie
Rudolf Steiner: vergaderingen met de leerkrachten GA 300A, blz. 284 en GA 300C, blz. 167ff
[8] Om een beeld van de verschillende versmaten te krijgen, hielp mij vooral ‘Die Wiedergeburt aus dem Geiste der Eurythmie, van Hedwig Greiner-Vogel
[9]Heinz Müller, blz. 22
[10] Vaak zeggen de leerlingen hun spreuk op de dag waarop ze geboren zijn. Bij zo’n indeling – die zeker een diepe betekenis heeft. zie Heinz Müller, blz. 17 – zouden er in mijn klas op sommige dagen weinig, op andere dagen veel kinderen aan de beurt zijn geweest; op die dagen zou een samen spreken en luisteren en werken aan de spreuken veel moeilijker zijn geworden.

.

Getuigschriften: alle artikelen

.

1869-1754

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-5)

.

Anneke Maissan, Weledag Puur Kind, herfst 2000 nr.6

.

De babykamer

Het begint meestal voorzichtig, maar zo tegen de zevende maand krijgen de meeste aanstaande ouders een onweerstaanbare behoefte met de inrichting van de babykamer bezig te zijn. Hoe kom je eigenlijk tot een keuze en waarop baseer je die? Enkele adviezen van consultatiebureau-verpleegkundige Anneke Maissan.

Als je je gaat oriënteren op wat er allemaal te koop is op babygebied, is de kans groot dat je duizelig wordt van het aanbod. Je kunt natuurlijk gewoon kopen wat in de mode of net in de aanbieding is. Maar je kunt het ook anders aanpakken, namelijk door je geconcentreerd in te leven in het kindje dat gaat komen. Meestal zal er dan gaandeweg een gevoel ontstaan voor wat er bij een baby past en wat niet. Belangrijk daarbij is dat een baby op een heel andere manier ziet, hoort en voelt dan jij als volwassene. Probeer je daarom bijvoorbeeld voor te stellen hoe het voor je baby, die negen maanden in een donkere omgeving heeft gedobberd, is om na de geboorte opeens in ‘onze’ wereld terecht te komen. De oogjes hebben tot dat moment nog niets gezien en zonder dat hij zich ertegen kan verweren, is hij nu blootgesteld aan helder licht en felle kleuren.

De werking van kleur en vorm

Volwassenen kunnen zich min of meer afsluiten voor indrukken van buiten, een baby kan dat niet. Die is een en al zintuig: alle gewaarwordingen dringen regelrecht zijn lijfje binnen en werken diep in hem door. Ook geluiden neemt een baby -haast nog meer dan met zijn oren – met zijn hele lichaam waar.

Iedere kleur heeft zijn eigen werking op het organisme van de baby en iedere vorm en beweging die hij ziet en voelt herhaalt hij als het ware innerlijk.

Wanneer je je dat realiseert, zul je voor de babykamer vanzelf kiezen voor een rustige inrichting, waarin je baby zich geborgen kan voelen en de kans krijgt zich in rust en in het bij hem passende tempo te ontwikkelen. Daardoor kan hij, als hij daar klaar voor is, zijn hoofdje leren optillen, gaan omrollen, gaan zitten en staan. En dat is toch het werk waar het in die eerste jaren vooral om gaat. Wanneer hij gezond is en er zo min mogelijk verstorende invloeden om hem heen zijn, doet je baby dit allemaal vanzelf.

Hoge eisen

Hoe zou een babykamer die de ontwikkeling van de baby ondersteunt en ook gezellig is, eruit kunnen zien? In feite kunnen de eisen die je stelt aan de inrichting van de kamer voor je baby niet hoog genoeg zijn. Wat niet betekent dat het ook duur moet zijn.

Wat de kleuren betreft kun je het best kiezen voor effen tinten. Gebruik prettig aanvoelende materialen zoals wol, zijde en katoen. Deze stoffen ademen en nemen geen elektrostatische lading aan. Neem, als eerste opvolger van het allerkleinste huisje waarin je kind voor de geboorte verbleef, liefst een wieg. Als je voor een kinderbedje kiest, maak er dan toch een intieme ruimte van door er een hemeltje boven te hangen. Bij een sluier of hemel voor een wieg of kinderbedje denk ik nog altijd aan het woord ‘meekrap’; een plantaardige kleurstof die ik meer dan twintig jaar geleden gebruikte om de zijde voor het wiegje van mijn eerste kind te verven. Het gaf een prachtige, perzikbloesemachtige kleur. Zijde schijnt fraai door als er licht op valt en is daarom bij uitstek geschikt voor hemeltjes. Nu is het niet meer zo gebruikelijk zelf stof te verven, maar omdat je de kleur net zo licht of diep kunt maken als je wilt, is het wel een leuke manier om naar de tint te zoeken die je het beste vindt passen bij de sfeer waarin jij je pasgeborene wilt ontvangen.

Knuffels

Een rij knuffelbeesten op een plank, kleertjes aan een lijn en een kleurige mobile in het bedje staan heel gezellig. Maar het voortdurend zien van al die voorwerpen in zijn omgeving kan een baby ongedurig maken en het inslapen bemoeilijken. Ook drukke prints op gordijnen en behang kunnen onrustig werken.

Probeer eens vanuit de positie van het hoofdje van je kind zijn kamer rond te kijken en de indrukken over je heen te laten komen. Dan zie je vanzelf wat past en wat niet.

Verder is het aan te raden behalve een commode als aankleed- en opbergplek een makkelijke stoel in de kamer te zetten. Voor een pasgeboren baby is het prettig zoveel mogelijk in de rust van de babykamer te worden gevoed.

Tastzin

Je kindje heeft voor de geboorte alleen water gevoeld en trage, waterige bewegingen gemaakt binnen de omhulling van de baarmoeder. Na de geboorte kan hij veel sneller bewegen en zich daardoor soms verliezen in gemaai met armpjes en beentjes. Geleidelijk aan komt er wat controle over de handjes die, samen met de ogen die zich gaan richten en steeds beter gaan zien, de dingen gaan aftasten. De tastzin is het zintuig waarmee een kind de wereld buiten zich het meest direct waarneemt. Het zit niet alleen in zijn vingertjes, maar in de hele huid die zijn lijfje omsluit. Innerlijk resoneert hij mee met alles wat de huid voelt. Ook daarom kun je beter geen synthetisch materiaal voor wiegbekleding, lakentjes en dekens kiezen. Wanneer de baby er aan toe is iets vast te pakken, zorg er dan voor dat de eerste speeltjes van materiaal zijn gemaakt dat mooi is om te zien en prettig om aan te raken. Als het tasten een aangename gewaarwording geeft, zal de baby dit steeds weer willen doen. Door te kijken en te tasten zal hij belangstelling krijgen voor de dingen die hem omringen. En wanneer dat gebeurt in een sfeer van rust en schoonheid, ervaart hij zijn wereld als goed en veilig. 

.

Voor Steiner begint de mens niet met de geboorte: zijn wezenskern is ‘eeuwig’ en maakt verschillende incarnaties door.
De taak van de opvoeding is o.a. dit op aarde komende wezen te begeleiden.

Algemene menskunde[1-2]   [1-2-1]   [1-6]   [1-9]   [1-10]

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1868-1753

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (16)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Mijn broertje en ik

Ideaal voor de zomervakantie zijn drie (voor)leesboeken van Evelien van Dort voor kinderen vanaf 6 à 7 jaar. Het eerste deel, Mijn broertje en ik, speelt in de lente en de zomer. Het zevenjarige meisje Fleur woont met haar ouders en jongere broertje Thomas buiten aan de rand van sloot en plas. Zij vertelt over de dagelijkse avonturen met de geiten, de kikkers, de vogels en de holle boom waarin ze een hut maken. De volgende delen spelen in de herfst, de (schaats)winter en weer in de nieuwe lente als er een lammetje wordt geboren dat ze met een zuigfles moeten voeden omdat moeder schaap het heeft  verstoten. Maar dan zijn Fleur en Thomas inmiddels al weer een heel jaar ouder ‘ geworden en dat merk je aan alles. Ze mogen bijvoorbeeld zelf met de roeiboot naar het meer. De schrijfster laat de kinderen in deze boeken onbekommerd kind zijn en hun wereld stapje voor stapje groter en wijder worden. 

Vanaf 6 jaar

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2001, nr. 7

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1867-1752

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-2)

.

In de afgelopen jaren zijn er nogal wat nieuwe vrijescholen gesticht.
In de jaren 70 van de vorige eeuw was er ook zo’n opvallende groei.

De nieuwe generatie ouders was beduidend mondiger en veeleisender dan de ouders die verbonden waren aan scholen die al jaren bestonden en onder de vrijescholen een soort ‘gevestigde orde’ vormden.

Inspraak, medezeggenschap, meer democratie, het waren trefwoorden waarmee ook de nieuwe vrijescholen kregen te maken.

Hoe daarmee om te gaan.

De toenmalige Bond van vrijescholen probeerde – al dan niet in samenwerking met het Nederlands Pedagogisch Instituut – al dan niet sterker of minder sterk vanuit driegeledingsachtergronden – de scholen zo goed mogelijk bij te staan.

Zo af en toe vind ik nog een artikel, een verslag, met gezichtspunten die ook nog steeds belangrijk zijn voor de nu op te richten scholen.
Overal zal ‘het sociale’ – hoe gaan leerkrachten om met ouders en bestuur – zijn aandacht opeisen. Welke valkuilen dreigen.

In de serie ‘Sociale driegeleding’ op deze blog staan artikelen die dieper op het wezen van het sociale ingaan en hoe aan de ‘valkuildraken’ te ontkomen.

Onderstaand artikeltje is slechts een opsomming van wezenlijke punten die destijds een leidraad vormden bij het leiden van een school.

De organisatie van de Vrije School – Enige uitgangspunten

1. De Vrije School kenmerkt zich door het type onderwijs dat wordt gegeven: uitgangspunt daarbij is een volgens zijn wezen ontwikkelend kind.

De leerkrachten zijn verantwoordelijk voor dat onderwijs.

Dat betekent dat de leerkrachten eigenlijk degenen zijn, die de school dragen. Besturen moet eigenlijk ieder mens zichzelf. De leraren als gemeenschap ook.

2. Zij kunnen daarbij een beroep doen op een extern bestuur, dat als belangrijkste kwaliteit moet hebben dat ze de leerkrachten een spiegel kunnen voorhouden hoe ze de zaak moeten aanpakken als men daarom vraagt. Om te kunnen spiegelen, moet het bestuur bepaalde kwaliteiten bezitten.

Eén daarvan is de bekendheid met de Vrije School-pedagogiek.

3. De leerkrachten onderhouden met de ouders een economische relatie; die relatie wordt met iedere ouder individueel aangegaan vanuit individuele motieven .

De ouder vertrouwt een deel van zijn opvoedingstaak toe aan de leerkracht.

De verschillende ouders doen dit dus vanuit heel diverse motieven en zijn derhalve ook niet als groep te beschouwen.

4. In de klas gaan de leerkrachten met de kinderen een sociale relatie aan, gekenmerkt door geven en nemen en vormen een groep, een soort-“leergemeen-schap”.

5. Vanzelfsprekend is de beste relatie tussen ouders en leerkrachten, een relatie gebaseerd op vertrouwen. Een medezeggenschapsraad kan in die relatie een belangrijke rol vervullen. Dit betekent dat de leerkrachten de
medezeggenschapsraadsleden moeten kunnen vertrouwen, anders zal hun zeggenschap tot uitsluitend verspilling van tijd en energie leiden.

Daarin kunnen de ouders naar ontwikkelingen, hoofdlijnen vragen, die zij m.b.t. het onderwijs aan de Vrije School van belang vinden.

De leerkrachten nemen deze zaken in hun oordeel, besluiten mee.

Ze behouden principieel de vrijheid om zelfstandig te beslissen hoe zij het onderwijs inrichten.

6. Zijn er vragen van ouders over hun eigen kind, dan is de meest zuivere vorm dat ze die in een individueel gesprek met de leerkracht bespreken.

7. Zelfwerkzaamheid van ouders is toe te juichen, indien het werkzaamheden betreft die uitgaan van een vraag van de leerkrachten.

Eigen initiatief van ouders buiten de leerkrachten om is toe te juichen, mits dit het primaire proces, onderwijs geven aan de kinderen, niet verstoord. (“je moet mensen niet tegen hun zin gelukkig maken”)

8. De school is primair ingericht voor onderwijs.

We moeten er voor waken, dat we ons zelf, net zoals de leerkrachten niet teveel belast voelen door zaken die meer met randverschijnselen te maken hebben.

9. Als in het economische leven een prijs wordt gevraagd (als thermometer voor de waarde die men geeft) aan geleverde diensten, geldt dat ook voor het geleverde onderwijs. Het hoort niet bij het wezen van de Vrije School dat die prijs naar draagkracht verschillend is omdat daarmee de thermometer wordt ontregeld. Dat mensen een te laag inkomen hebben is een maatschappelijk verdelingsvraagstuk wat in sociale verwantschap dient te worden opgelost.

10. Om ouders inzicht te geven in het “aanbod” van de Vrije School en om leerkrachten inzicht te geven in de vragen van ouders, dient de school situaties te bieden voor associatief overleg: de ouderavonden om het aanbod per klas zichtbaar te maken en gemeenschappelijk vraagstukken aan de orde te hebben; de medezeggenschapsraad als plaats om de leerkrachten de gelegenheid te bieden mogelijke besluiten te toetsen.

11. Het bestuur noch de medezeggenschapsraad functioneren als klachteninstanties. Klachten over de leerkracht (d.w.z. datgene wat gevolgen heeft voor het kind) zouden in eerste instantie gericht moeten worden aan de leerkracht. Ontbreekt het aan moed of vertrouwen dan is dat ook een probleem waar een oplossing voor gezocht moet worden. Bemiddeling door een door ouder en leerkracht te vertrouwen persoon zou misschien een oplossing kunnen bieden. De leerkracht draagt verantwoordelijkheid om met de klant intern om te gaan (met collega’s en/of bestuur). Geruchten of anoniem optreden worden als niet ter zake beschouwd.

12. Het is een groot probleem dat er te weinig Vrije Scholen zijn, daarom hebben de ouders te weinig keuzemogelijkheden. Vele kleinere scholen hebben derhalve voorkeur boven weinig edoch grote scholen. Als een probleem dan erg wezenlijk wordt gevonden en niet opgelost binnen de ene school kun je je kind naar een andere school doen.

13. Een begroting is een financieel-economisch instrument om keuze en verdelingen van initiatiefdragers in beeld te brengen. Daarin wordt o.a. een kosten- en opbrengststructuur zichtbaar. De ouders betalen een prijs en geen kosten. Derhalve is begroting een instrument voor de leerkrachten (en bestuur) en niet voor de ouders (ook bij de groenteboer krijg je geen begroting en toch is het product vaak goed:).

14. Leerkrachten moeten geholpen worden om ondernemer te kunnen worden. Daarbij te denken aan o.a.:

* ontwikkelen van vermogen om met ouders associatief te spreken over de pedagogie;

* ontwikkelen van vermogen vorm te geven aan de schoolorganisatie:

– gespreksvoering- en inrichting;

– overleg/taakverdeling;

– inkomensvorming.

* ontwikkelen van vermogen vorm te geven aan de gemeenschap:

– doelen;

– beleid;

– identiteitsontwikkeling.

.

Schrijver, datum, gelegenheid enz. onbekend

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1866-1751

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (15)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2001, nr. 7

Een dikke vette pannekoek

Vol pure beweeglijkheid en zomerse vrolijkheid is ‘Een dikke vette pannekoek’. Het is een oude geschiedenis, opnieuw verteld en geïllustreerd door Loek Koopmans. Drie oude vrouwtjes hebben zin in pannenkoeken. Het eerste heeft alleen maar meel, het tweede alleen melk en het derde alleen een ei. Samen hebben ze alles om een dikke vette pannenkoek te bakken. Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs: de pannenkoek springt uit de pan en rolt rolderdebolder de deur uit, het bos is. En natuurlijk rennen er al gauw allerlei dieren achteraan. Dan verdwijnt de pannenkoek in een gat tussen de bomen en in de handjes van drie kinderen die daar zitten te spelen! Een verhaal vol vaart en ritme waar kinderen telkens weer om zullen lachen.

vanaf 3 jaar

boek

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1865-1750

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan

.
Pieter HA Witvliet:
.

GEZICHTSPUNTEN OVER HET LEERPLAN

We zouden het leerplan van de vrijescholen enerzijds een opsomming kunnen noemen van de leerstof die per leerjaar met de kinderen behandeld wordt.

In de pedagogische voordrachten GA 293-311 heeft Rudolf Steiner verhoudingsgewijs het minst over het leerplan gesproken. Meer aandacht besteedde hij aan verschillende lesstofgebieden, m.n. schrijven en lezen, aardrijkskunde, dier- en plantkunde [zie Rudolf Steiner over]; de meeste tijd echter aan de ontwikkeling van het kind.
Zijn opdracht aan de vrijeschool was: gebruik de leerstof, de vakken, om de ontwikkeling van het kind te ondersteunen. Kom deze ontwikkeling tegemoet door de leerstof op een bepaalde manier – het hoe – op een bepaald tijdstip – het wanneer – aan het kind aan te bieden.

Steiner:

GA 297 blz. 19

Sie wissen, da wir uns einmal der Worte aus unserem Sprachschatz bedienen müssen, so werden wir auch vielfach zu sagen haben: es komme nicht auf den Lehrstoff, es komme auf den Zögling axi, und wir wollen innerhalb unserer Waldorfschule den Lehrstoff so be­nützen, daß er auf jeder Stufe des Unterrichts nicht zur Übermitt­lung eines äußeren Wissens dient, sondern daß er dient dem Wei­terkommen der menschlichen Entwicklung des Zöglings mit Bezug auf die Willens-, Gemüts-, und Verstandesbildung. Jedes einzelne Unterrichtsfach soll nicht irgendeinen Selbstzweck in sich tragen in bezug auf seine Vermittelung, sondern es soll in der Hand des Lehrers zur Kunst werden, so daß es durch seine Behandlung in der entsprechenden Weise so auf den Zögling wirkt, wie im Sinne einer wirklich begriffenen Menschheitsentwicklung in den betreffenden

U weet, omdat we nu eenmaal de woorden moeten gebruiken uit onze taalschat, we dan ook vaak moeten zeggen: het komt niet op de leerstof aan, het komt op de leerling aan en wij willen op onze vrijeschool de leerstof zo gebruiken dat die op ieder niveau van het onderwijs niet dient om uiterlijk weten over te dragen, maar dat deze dient om met de menselijke ontwikkeling van de leerling verder te komen wat betreft de wils- gevoels- en verstandsvorming. Ieder onderwijsvak moet niet een of ander doel op zichzelf hebben wat het overdragen betreft, maar in de hand van de leerkracht moet het kunst worden, zodat het door zijn manier van doen op een adequate manier zo op de leerling werkt zoals in de zin van een daadwerkelijk begrepen mensheidsontwikkeling in de betreffende

blz. 20

Entwicklungsjahren auf den Zögling gewirkt werden soll, damit er ein dem Leben gewachsener, im Leben seinen Platz aus­füllender Mensch werde. Bewußt muß man sich dabei werden, daß jedes Lebensalter des Menschen aus den Tiefen der Menschennatur die Anlagen zu gewissen Seelenkräften hervortreibt. Werden diese Anlagen in dem betreffenden Lebensalter nicht ausgebildet, so können sie später nicht mehr in Wahrheit ausgebildet werden: sie müssen dann verkümmern, und der Mensch ist in bezug auf seinen Willen, in bezug auf sein Gemüt, in bezug auf seinen Verstand dem Leben nicht gewachsen; er stellt sich nicht in richtiger Weise auf den Platz, auf den er durch das Leben gestellt wird. Gerade zwi­schen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, in welche Zeit ja gerade die Jahre des eigentlichen Schulwesens hineinfallen, gerade in diesem Lebensalter ist es von eminentester Wichtigkeit, zu er­kennen, welche Seelen- und Körperkräfte aus dem Menschen her­aus wollen, damit er später seinen Platz im Leben ausfüllen könne.

ontwikkelingsjaren met de leerling gewerkt moet worden, zodat hij een mens wordt die tegen het leven opgewassen is en die in het leven zijn plaats kan innemen. Daarbij moet je je bewust worden dat op iedere leeftijd van de mens uit de diepten van de menselijke natuur de aanleg voor bepaalde zielenkrachten manifest wordt. Wanneer die aanleg in de betreffende levensjaren niet ontwikkeld wordt, dan kunnen die later niet meer ontwikkeld worden zoals zou moeten; dan lijden ze daaronder en de mens is, wat zijn wil, zijn gevoel en zijn denken betreft, niet tegen het leven opgewassen; hij neemt zijn plaats in het leven niet op een goede manier in. Juist tussen tandenwisseling en puberteit, de tijd van het eigenlijke naar school gaan, juist voor die leeftijd is het bijzonder belangrijk te onderkennen, welke zielen- en lichamelijk kracht naar buiten wil, zodat hij later in het leven zijn mannetje kan staan.
GA 297/19-20
Op deze blog vertaald/19-20

GA 298  blz. 13

In der Erkenntnis der besonderen Anforderungen der Lebensab­schnitte liegt die Grundlage für einen sachgemäßen Lehrplan. Es liegt darinnen aber auch die andere Grundlage für die Art der Behandlung des Lehrstoffes in den aufeinanderfolgenden Lebensabschnitten. 

In de kennis van de bijzondere eisen van de levensperioden, ligt de grondslag voor een passend leerplan. Daarin ligt echter ook de grondslag voor de manier van behandelen van de leerstof in de opeenvolgende levensperioden.
GA 298/13
Vertaald

Daarvan bestaan allerlei voorbeelden:

Een kind van rond de 9 à 10 krijgt een wakkerdere blik voor de wereld, zijn omgeving. Vanuit menskundig perspectief komt dat volgens Steiner, omdat – vanuit de natuur, het wezen van het kind, zijn persoonlijkheidskrachten, zijn Ik, sterker wordt. Het kind komt daardoor meer tegenover de wereld te staan. De beleving van dit grotere onderscheid – dit toenemende gevoel van scheiding van wat voorheen een grotere, meer intuïtief beleefde eenheid was – wordt sterker. Er ontstaat a.h.w. een breuk.
Deze ‘breukbeleving’ wordt o.a. in het rekenen opgezocht in het aan de orde stellen van de breuken. Alsof je onuitgesproken tegen het kind zegt: jij staat niet alleen: ook een cijfer kan uiteenvallen en kijk nu eens in wat voor bijzondere wereld je terechtkomt.
In het taalonderwijs komen nu de tijden: heden, verleden en toekomst aan de beurt. Wanneer het Ik sterker wordt, wordt ook de beleving van het fenomeen tijd sterker.
Je bevindt je a.h.w. met je sterker wordende Ik meer op het kruispunt van bijv. jouw mening en die van de ander: jouw standpunt.

In het vormtekenen wordt het kruispunt van de vlechtvormen een hulp; bij het handwerken de kruissteek bij het borduren.
De toegenomen wakkerheid, de grotere belangstelling voor de wereld wordt gevoed door het vak aardrijkskunde; welke plaats we innemen in de natuurrijken door het vak dierkunde.

En dan is er nog het typische vrijeschoolvak: vertelstof.
Om het kind in zijn ontwikkeling te steunen worden in deze klas de verhalen uit de Edda verteld waarin de gang van deze vertellingen loopt van ‘een schepping’ naar de ondergang van ‘een wereld’, het verdwijnen van de goden: de mens is op zichzelf aangewezen. → bijv. 4e klas rekenen.

Voor elk leerjaar

Soortgelijke beschouwingen kan je houden voor elk leerjaar van de vrijeschool: in de leerstof staat het kind centraal, omdat zijn ontwikkeling centraal staat.

Leerstof- en leerplanonderzoek

Het ligt voor de hand dat gezichtspunten zoals hierboven weergegeven, bij sommige vrijeschoolleerkrachten naast een gevoel van enthousiasme ook een gerichte belangstelling hebben opgeroepen: wat is er eigenlijk in dit leerplan allemaal zichtbaar?
Men is met meningen gekomen, met uitleg, men is (er) iets (van) gaan vinden.

Steiner

Om iets te vinden, ligt het voor de hand om als vrijeschoolleerkracht eerst bij Steiner te zoeken: heeft hij ‘elders’ of ‘tussen de regels’ nog iets gezegd waar je wat aan hebt om het leerplan vanuit een dieper perspectief te kunnen begrijpen.

Voor Steiner is, zoals opgemerkt, de ontwikkeling van het kind een van de belangrijkste aangelegenheden van de opvoeding en onderwijs.

Deze ontwikkeling kan o.a. gezien worden als lichamelijke ontwikkeling, ontwikkeling van het gevoel en van het denken. Uiteraard is er meer: ontwikkeling van de creatieve vermogens, van sociaal-zijn enz.

Wie zich in Steiners antroposofie verdiept, zal ook veelvuldig zijn gezichtspunten over de ontwikkeling van de wording van de mens gedurende de tijden die achter ons liggen, onder ogen krijgen en in Steiners visie, ook vóór ons.

Een veel gebruikt woord is ‘Stufe’, meestal vertaald met ‘fase’. Maar ook ‘Epoche’, periode, komt voor. Een tijdperk, al dan niet begrensd door jaartallen.

Steiner noemt vele fasen: die van de planeet aarde die in haar wording diverse stadia heeft doorgemaakt en nog zal doormaken. En ook spreekt hij over herhaling van stadia, van fasen. Bijv. in GA 122 wanneer hij de eerste scheppingsdagen bespreekt, zoals die in de Bijbel zijn beschreven. Hij noemt deze ‘dagen’ herhalingen van de planetaire ontwikkeling van de aarde als planeet. Ook de verdere wordingsgeschiedenis van de aarde kent hij stadia toe. De Bijbelse zondvloed zou daarin het einde zijn geweest van het tijdperk Atlantis. Dit zou zijn voorafgegaan door Lemurië, door een ‘hyperboreale en polaire fase’. Al deze fasen zijn te verdelen in 7 kleinere. Dat geldt ook voor de fasen na Atlantis. Wij zouden ons in onze huidige tijd bevinden in het 5e na-Atlantische tijdperk.
Al die tijdperken hebben bijgedragen aan de wording van de mens. In iedere fase ontwikkelde hij nieuwe vermogens. M.n. de ontwikkeling van het denken, iets ruimer gesteld, die van het bewustzijn, volgt Steiner vanuit een verleden naar deze 5e na-Atlantische tijd. Dan is er sprake van ‘een mensheid’ die door de tijden heen ‘een bewustzijnsontwikkeling’ heeft doorgemaakt en nog doormaakt.

Het is niet zo moeilijk te zien hoe het denken van de mensen gedurende de vele eeuwen veranderd is en wat voor gevolgen dat heeft gehad.

Wie de ontwikkeling van het kinderbewustzijn bestudeert, vindt gemakkelijk parallellen met de ontwikkeling van de mensheid. Er is een tijd aan te geven waarin er sprake was van een magisch-realistisch denken. De psycholoog Jean Piaget plaatst het 4-5-jarige kind in een magisch-realistische fase.

Dan ligt het zeer voor de hand te spreken over ‘herhaling van fasen’: wat in de mensheid is gebeurd, vindt ook plaats in het kind.

Zoals opgemerkt: vrijeschoolleerkrachten hebben zich vanuit dergelijke achtergronden bezig gehouden met het leerplan en de leerstof voor de verschillende leeftijden.

Wim Veltman, een van de leraren die zijn hele leven aan de antroposofie en de vrijeschoolpedagogie wijdde, schreef in dit kader:

De mens verandert; zijn verhouding tot de wereld om hem. in hem en boven hem is aan verandering onderhevig. Zouden we proberen deze verandering in grote trekken te karakteriseren, dan komen we zonder moeite op het volgende: In een ver terugliggend verleden benaderde de mens de wereld niet wetenschappelijk; hij leefde sterk in beelden en niet in abstracte gedachten en hij miste nog wat wij mondigheid, zelfstandig oordelen noemen. In de loop van de Europese geschiedenis zien wij dit veranderen. De huidige mens leeft in abstracties (zijn gedachten zijn beeldloos); hij benadert alles wetenschappelijk, ook al is hij zich daarvan vaak niet bewust, en hij is uitdrukkelijk gesteld op zijn zelfstandig oordeel waarvan hij (terecht) meent dat het uitgesproken mag en misschien wel moet worden. Hij is mondig.

Verlies:

Het gevoel te leven in een goddelijke ordening – zelfs als men als overwonnene tot slaaf werd – gaat verloren.
Het sociale als instinct, gebonden aan familie, stam etc. gaat verloren.
De naïeve verbinding met de wereld (natuur, medemens, God) wordt verbro­ken.

Winst:

Het zelfbewustzijn, de vrijheid van den­ken en doen ontstaan.
De mens kan door kennis en inzicht sociale processen op gang brengen en regelen.
Door een rationele denkwijze over de natuur kan de mens de krachten van deze natuur steeds beter beheersen (techniek).

Zoals je dit leest, betrekking hebbend op een mensheid, kun je dit ook lezen m.b.t. een individueel mens van nu, bij wie, tijdens zijn ontwikkeling, ook een verlies en winst optreden.

Veltman : ‘Allereerst [zie je] de dromerige „al-verbondenheid” van het kleine kind – het naïeve vertrouwen in beschuttende machten. De voorkeur voor het symbolische, het beeld, sprookje of gewoon verhaaltje, maar altijd met een betekenis geladen. De liefde voor het zich herhalende, het ritme, alle beweging als verkenning van de wereld en van het eigen zelf, nog zonder enige aandrang van echt kennen-met-het- hoofd. En langzaam „droogt” dit enigszins „in”. De twijfel, de eenzaamheid gaan de kop opsteken; het verlies van naïviteit wordt duidelijk zichtbaar en voor het kind zelf voelbaar. Het zelfbewustzijn ontwaakt, maar de geboorteweeën van de „moderne” mens in het kind zijn vaak uiterst pijnlijk.’

Nu rijst ogenblikkelijk de vraag: hoe gaat het verder? – maar voordat we daarop ingaan, eerst het leerplan. De ontwikkeling van „mythologisch” stadium naar rationeel stadium is duidelijk aan hel leerplan af te lezen.

Voor Veltman een reden voor de conclusie:

Het kind, de opgroeiende mens, doorloopt in snelle fasen de mensheids-ontwikkeling. [1]

Veltman geeft geen  nadere bronnen aan waarmee hij zijn conclusies kan onderbouwen.
Maar het is mogelijk dat hij GA 55, voordracht 8, voor ogen had, waarin Steiner opmerkt:

blz. 133

Aber wir wollen bei dieser Betrachtung stets die ganze Menschheitsentwick­lung vor Augen haben, dann werden wir auch die Einzel-entwicklung des jungen Menschen verstehen und sie leiten können.

Maar wij willen bij deze beschouwing steeds de hele mensheidsontwikkeling voor ogen houden, dan zullen we ook de individuele ontwikkeling van de jonge mens begrijpen en er leiding aan kunnen geven.

Wozu brauchen wir denn überhaupt bei der Erziehung des Kindes eine Schule? Was nach der physischen Geburt heranwächst, bedarf einer schützenden Hülle, ähnlich wie der Keim im Mutterleibe. Denn erst an einem bestimmten Punkte tritt der Mensch in ein neues Leben. Bevor er an diesen Punkt kommt, ist sein Leben eine Wiederholung frü­herer Lebensepochen. Auch der Keim macht ja eine Wieder­holung aller Stadien der Entwicklung von Urzeiten her durch. So wiederholt das Kind nach der Geburt frühere Menschheitsepochen. 

Waarom hebben we eigenlijk bij de opvoeding van een kind een school nodig? Wat na de geboorte groeit, heeft een beschermende omgeving nodig, net zoals de kiem in het moederlichaam. Want pas op een bepaald tijdstip begint de mens een nieuw leven. Vóór hij bij dit punt aankomt, is zijn leven een herhaling van eerdere levensfasen. Ook de kiem maakt dus een herhaling van alle stadia van de ontwikkeling van oertijden af, door. En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.

blz. 136:

In der lemurischen Zeit stieg der Mensch zum ersten Mal in den physischen Leib hinab. Das wird heute bei der phy­sischen Geburt wiederholt. Damals stieg der Mensch in den Leib hinab und entwickelte ihn seelisch-geistig immer hö­her. Die lemurische und atlantische Epoche wiederholt der Mensch bis zum siebenten Jahre.

In de Lemurische tijd incarneerde de mens voor de eerste keer in een fysiek lichaam. Dat wordt tegenwoordig herhaald bij de geboorte van het fysieke lichaam. Toen daalde de mens af in zijn lichaam en ontwikkelde dit met zijn ziel en geest steeds hoger. De Lemurische en Atlantische fase herhaalt de mens tot zijn zevende jaar.
GA 55/134-136
Op deze blog vertaald/134-136

Hiermee krijgen de onderzoekers a.h.w. een ‘opzetje’ om de fasen die Steiner aangaf voor de tijd na Atlantis: Oer-Indië; Oer-Perzië; Egypte-Babylonië; Griekenland, Rome en Middeleeuwen; onze tijd, in hun onderzoek te betrekken.

Zie Vertelstof 3

Nu valt voor mij het volgende op:

De voordracht (nr.8) in GA 55 werd gehouden op 24 jan. 1907. Op 1 dec. 1906 houdt Steiner een voordracht over de ontwikkeling van het kind. Daarin spreekt hij met geen woord over ‘herhalingen van fasen.’

In 1907 verschijnt ook het artikel ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’. [2] Ook hierin geen woord over ‘herhalingen van fasen’, wel veel over de ontwikkeling van het kind.

In enkele notities bij dit in het tijdschrift ‘Luzifer-Gnosis’ verschenen artikel, noemt Steiner de pedagoog August Wolf. Deze heeft een pedagogie ontwikkeld waarbij hij de verschillende leeftijdsfasen verbindt met verschillende cultuurfasen die in de mensheid zichtbaar zijn.

Es wird dabei ausgegangen von dem Gedanken, daß der ein­zelne Mensch in Kürze noch einmal die Stufen durchlebt, wel­che die Gesamtmenschheit bis in sein Zeitalter durchgemacht hat. Abgesehen davon, daß Friedrich August Wolf weniger den «Menschen» als solchen, sondern nur den «Philologen »im Auge zu haben scheint, ist sein Versuch voll von Beobach­tungsfehlern in bezug auf die menschliche Entwickelung. Das Rüstzeug zu wirklicher Beobachtung auf diesem Gebiete kann eben nur die Geisteswissenschaft geben.

Men gaat dan uit van de gedachte dat de individuele mens in het kort nog een keer de fasen beleeft, die de mensheid als geheel tot in de tijd waarin hij leeft, doorgemaakt heeft. Nog afgezien van het feit dat Friedrich August Wolf minder de ‘mens’ als zodanig, op het oog heeft dan naar het schijnt slechts de ‘filoloog’, zit zijn poging vol waarnemingsfouten wat de menselijke ontwikkeling betreft. Voor een reële waarneming op dit gebied heeft alleen de geesteswetenschap het instrumentarium.
GA 34/348
Niet vertaald

In de pedagogische voordrachten GA 293-311 bevinden zich geen aanwijzingen voor het leerplan die naar ‘herhaling van fasen’ wijzen.
Af en toe verwijst Steiner naar zijn artikel uit 1907 – GA 34 – nooit meer komt GA 55 ter sprake.

In 2 pedagogische voordrachtenbundels, GA 297 en GA 301 komt Steiner wél te spreken over de in 1907 al genoemde Wolf.

GA 301  blz. 66

Es war ein schöner Traum, als Leute, wie der Pädagoge Wolf oder andere geltend gemacht haben, Kinder ma­chen gewissermaßen die Zeiten der wilden Barbarenzeit durch, dann gibt es gewisse Knabenzeiten, wo man die persische Kulturzeit durch-macht und so weiter. Schöne poetische Bilder können dabei heraus­kommen, aber Unsinn bleibt es, denn es entspricht eine solche Schil­derung durchaus nicht einer wahren Wirklichkeit! Da muß man schon
in der Lage sein, das menschliche Leben in seiner vollen Realität zu schauen, wenn man das Entsprechende im Geistig-Seelischen für das biogenetische Grundgesetz finden will.

Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden.
GA 301/66-67
Op deze blog vertaald/66-67

Deze woorden van Steiner lijken toch op gespannen voet te staan met zijn opmerking uit 1907 (GA 55 – zie boven):

Auch der Keim macht ja eine Wieder­holung aller Stadien der Entwicklung von Urzeiten her durch. So wiederholt das Kind nach der Geburt frühere Menschheitsepochen. 

Ook de kiem maakt dus een herhaling door van alle stadia van de ontwikkeling vanaf oertijden . En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.

Deze woorden lijken een onderschrijving van Haeckels biogenetische grondwet, ook voor de fasen na de geboorte.

Het zou kunnen dat de oud-vrijeschoolleraar van Oort zich hierop baseert, wanneer hij in zijn in ‘Lexicon antroposofie’ [3]  Haeckels biogenetische grondwet en het leerplan van de vrijeschool in één adem noemt – zie verder.

Omdat de samensteller van dit lexicon geen vindplaatsen in Steiners GA geeft, is het niet te achterhalen op welke uitspraken van Steiner van Oort zich baseert.

Steiner scherpt zijn opvattingen over Haeckel – die hij zeer bewondert – aan in GA 301:

Haeckels biogenetische wet:

Sie wissen ja, dieses biogenetische Grundgesetz besagt für die äußere naturwissenschaftliche Betrachtung der Welt, daß sich, wenn wir beim Menschen bleiben, in der menschlichen Embryonalentwickelung die Stammesentwickelung wiederholt, daß gewissermaßen die Ontogenie
eine Wiederholung der Phylogenie ist. Der Mensch ist in der Zeit von der Konzeption bis zu der Geburt nach und nach in einer solchen Ent­wickelung, daß er die verschiedenen Tierformen, von den einfacheren bis zu den komplizierteren, bis herauf zum Menschen eben durchmacht. Dieses für die naturwissenschaftliche Weltanschauung außerordentlich bedeutungsvolle Gesetz – ich kenne sehr gut seine Ausnahmen, seine Grenzen – aber gerade derjenige, der das kennt, muß es ein sehr be­deutungsvolles naturwissenschaftliches Gesetz nennen -, das hat man versucht, auch auf die geistig-seelische Entwickelung des einzelnen Menschen im Verhältnis zur ganzen Menschheit geltend zu machen. Man ist dadurch auf eine ganz falsche Fährte gekommen.

U weet dat deze biogenetische grondwet beweert voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke opvatting van de wereld, dat wanneer we bij de mens blijven, zich in de ontwikkeling van het embryo van de mens, de ontwikkeling van de stam herhaalt, dat in zekere zin de ontogenese een herhaling van de fylogenese is. De mens is in de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte na elkaar in zo’n ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de meest eenvoudige tot de gecompliceerdere, tot aan de mens doormaakt. Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing buitengewoon belangrijke wet – ik ken de de uitzonderingen en de grenzen ervan – en juist degene die dat weet moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – heeft men geprobeerd ook te laten gelden voor de ontwikkeling van geest en ziel van de individuele mens t.o.v. de hele mensheid.
Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.
GA 301/66
Op deze blog vertaald/66

Van Oort beweert in zijn lexicon:

Biogenetische grondwet – geformuleerd door de Duitse filosoof Ernst Haeckel (1834-1919).

De ontwikkeling van de *mens van kiemcel tot volwassenheid is een verkorte herhaling van de reeks vormen en toestanden die zijn voorgangers hebben doorlopen vanaf het allereerste begin van de schepping tot op dit moment. Anders gezegd: ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese.’ Rudolf *Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de *vrijeschool. In de achtereen­volgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.

Uit Steiners mededeling op blz. 66 [GA 301] blijkt hij dit juist niet te onderschrijven: niet van kiemcel tot volwassenheid. Hij onderschrijft Haeckel van kiemcel tot geboorte. 
Dat Steiner dit principe ‘dus’ zou hanteren bij het ontwerp van ‘het’ leeplan, blijkt nergens uit zijn woorden.
Ook van Oort geeft geen bronnen en kan ook desgevraagd niet aangeven waarop hij zich baseert.

Steiner:

Es wiederholt die kindliche Ent­wickelung die Entwickelung des ganzen Menschengeschlechtes. So etwas kann man als ein Phantasiegebilde aufstellen, aber es entspricht dies keiner Wirklichkeit; und erst Geisteswissenschaft ist in der Lage, auf diesem Gebiete sich der Wirklichkeit zu nähern. Wenn man den mensch­lichen Embryo verfolgt von der ersten, zweiten, dritten Woche – so­weit man es heute schon kann, bis zu seinem Reifwerden -, so sieht man da die Andeutungen der aufeinanderfolgenden, immer vollkom­mener werdenden Formen, die Fischgestalt und so weiter. Wenn man dagegen im Kinde die ersten Entwickelungsjahre beobachtet, so sieht man nichts von einer Wiederholung von irgendwelchen Urzuständen der Menschheitsentwickelung, oder im weiteren Fortgang, von folgen­den Epochen der Menschheitsentwickelung. 

‘De ontwikkeling van een kind is een herhaling van de ontwikkeling van het mensengeslacht’ kan men als fantasiebouwwerk opzetten, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. 
Wanneer je het menselijk embryo volgt van de eerste, tweede, derde week – zo goed als men dit nu kan – tot aan de volgroeiing – dan zie je daar de opeenvolgende, steeds volmaakter wordende vormen, visgestalte enz. Wanneer je daarentegen het kind waarneemt in de eerste ontwikkelingsjaren, dan zie je niets van een herhaling of in een verdere ontwikkeling van volgende fasen van de mensheidsontwikkeling.’
GA 301/66
Op deze blog vertaald/66

Door m.n. de uitspraken in GA 301, blz. 66 e.v. is het niet mogelijk het leerplan van de vrijeschool in verband te brengen met Haeckels recapitulatietheorie.

Het is nu begrijpelijk dat wanneer onderzoekers die zich met de achtergronden van het vrijeschoolleerplan bezighouden, op het woord ‘recapitulatie’ stoten, bijna zelfsprekend aan de theorie van Haeckel denken.

In 2002 schrijft de vrijeschoolleerkracht Werner Govaerts in een artikel over het curriculum van de steinerscholen in Vlaanderen. [4] Hij bespreekt onderwijsopvattingen van Egan die als uitgangspunt 19e-eeuwse recapitulatie-ideeën neemt.
Deze worden niet met name genoemd. In een voetnoot zegt Govearts:

‘Ook Rudolf Steiner baseert zijn voorschriften voor het curriculum deels (dus niet consequent) op de recapitulatietheorie die zegt dat kinderen in hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling dezelfde weg volgen als de mensheid in haar geschiedenis. Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’

We zagen juist dat Steiner iets van zo’n theorie voor het eerst ontwikkelt in GA 55 – 1907, maar deze in 1919 en 1920 [GA 297, GA 301] afwijst.

We weten niet – kunnen het alleen vermoeden – ook Govaerts geeft geen bronvermelding, dat ‘de’ recapitulatietheorie die van Haeckel is. 
Evenals Veltman en van Oort geeft Govaerts geen vindplaatsen aan voor ‘ Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’
Helaas wil Govaerts op mijn vragen waar hij zich op baseert, geen antwoord geven.

Govaerts brengt m.i. wél een belangrijke nuance aan:

‘Een andere afwijking van Steiner t.o.v. bijvoorbeeld Spencer e.a. is dat hij steeds uitgaat van de individuele ontwikkeling van het kind (die hij uitvoerig beschrijft en documenteert) en daarop historische periodes ent, terwijl het in de meeste recapitulatietheorieën omgekeerd gebeurt: men gaat uit van de geschiedenis en postuleert dan een bepaalde ontwikkeling van het kind. Steiner daarentegen stelde zich steeds de vraag: welk aspect uit de geschiedenis past bij deze bepaalde leeftijd? Daaruit volgt dat de behandeling van de historische periodes in de steinerschool, zeker wat het basisonderwijs betreft, niet strikt chronologisch is.’

In de eerder geciteerde voordracht 8, GA 55 merkt Steiner op:

Vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife wird die Ent­wicklungsepoche wiederholt, in der große geistige Lehrer in der Menschheit auftraten. Die letzten von diesen waren Buddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra und so weiter. Damals wirkte die geistige Welt noch mehr in die Menschheit hinein. In den Heroensagen wird uns dies bewahrt. Jener Geist der alten Kulturepochen muß daher dem Schulunterricht in diesen Jahren zugrunde liegen.
Bis zum zwölften Jahrhundert, dem Zeitalter der Städtegründung, haben wir die Epoche, die dem siebenten bis vierzehnten Jahre des Kindes entspricht. Da konnte nun vom Prinzip der Gemeinsamkeit und Autorität die Rede sein. Etwas von der Macht und dem Glanz der großen Führer muß vorhanden sein in diesen Jahren für die Kinder. 

Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit wordt de ontwikkelingsfase herhaald waarin de grote geestelijke leiders van de mensheid werkzaam waren. De laatsten van hen waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra enz. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de heldensagen is dit voor ons bewaard gebleven. Deze geestesgesteldheid van de oude cultuurperioden moet daarom aan het schoolonderwijs in deze jaren ten grondslag liggen.
Tot de twaalfde eeuw, de tijd van de stichting der steden, hebben we de fase die overeenkomt met die van het zevende tot het veertiende van het kind. Daarin kon slechts sprake zijn van het principe van gemeenschap en autoriteit. Iets van de macht en glans van de grote leiders moet in deze jaren voor de kinderen aanwezig zijn.
GA 55/136

Ook dit thema heeft Steiner in zijn pedagogische voordrachten niet meer op deze manier opnieuw aan de orde gesteld.
De volgorde van de genoemde personen is hier ook niet chronologisch gegeven. 

De ‘geestesgesteldheid’ van de oude cultuurperioden is niet ten grondslag komen te liggen aan het schoolonderwijs. Maar onmiskenbaar vinden we er iets van terug in Steiners opsomming van de vertelstof voor de verschillende klassen. 

In 1992 schrijven Kaiser en Schmidt in Erziehungskunst over de vertelstof en hoe deze een steun kan zijn bij de ontwikkeling van het kind. Hier wordt – zonder over ‘recapitulatie van fasen’ te spreken – duidelijk uiteengezet hoe de vertelstof zich verhoudt tot de psychische en geestelijke ontwikkeling van een kind.
Ook hier is geen sprake van een zuivere chronologie.

Opgevallen mag ondertussen zijn, dat wanneer onderzoekers met het leerplan bezig zijn en tot conclusies willen komen die in de richting gaan van ‘herhaling’ dit steeds voorkomt bij de vakken ‘geschiedenis’ en ‘vertellen’, dus bij uitstek de vakken waarin van geestesgesteldheid sprake kan zijn. Andere vakken komen vrijwel niet aan bod.
Deze twee vakken echter vormen maar een deel van het leerplan, zodat er – maar dat gebeurt wél! – vanuit deze twee-vakkenoptiek, niet in algemene zin over ‘het’ leerplan gesproken kan worden. 

Rudolf Grosse brengt in zijn opvattingen over het leerplan een tweedeling aan: vakken die verlopen in de tijd en in de ruimte.

Aan de kant van de ‘tijd’ bevinden zich maar twee vakken: geschiedenis en vertellen. 
Alleen het vak geschiedenis vertoont pas vanaf klas 5 een steeds duidelijker wordende chronologie met een relatie naar de geestesgesteldheid van oudere culturen. In de ontwikkeling van het individuele kind zijn stadia aan te wijzen waarin zijn geestesgesteldheid raakvlakken heeft met die uit de culturele ontwikkeling.
Raakvlakken, maar te algemeen om heel duidelijk te kunnen spreken over een exacte herhaling van dit en dit op die en die leeftijd. 
Duidelijker willen aangeven van wat vage raakvlakken zijn, leidt tot speculeren, of zoals Steiner het aangaf: tot mooie dromen en fantaseren.

De opvatting van Grosse over de vakken van ‘de ruimte’ laat voor een deel zien dat de leerstof als ontwikkelingsstof wordt gebruikt: als steun bij de ontwikkeling van een kind op een bepaalde leeftijd. Vragen die hier een rol spelen zijn: welke leerstof, hoe wordt die gegeven en op welke leeftijd.
Vooral aan deze vragen heeft Steiner in zijn pedagogische voordrachten veel aandacht besteed. 

[1] In Vrije Opvoedkunst, nov. 1983
[2] De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie
GA 34/309-344
Vertaald
[3] Van Oort: Lexicon
[4] Govaerts 2002

Rudolf Steiner over het leerplan 

Menskunde en pedagogie: over het leerplan – onder nr. 12

.

1864-1749

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (14)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2001, nr. 7

Lammetje waar ben?

van Ruth Elsasser is voor een ‘stille genieter’ uitermate geschikt. Vanaf een jaar of twee kun je de platen bekijken en wat later ook de tekst voorlezen. Die gaat over een herdersjongetje dat een lammetje had. Omdat het zo wit was als sneeuw, noemde hij het Sneeuwwit. Op een dag is het jongetje in slaap gevallen. Als hij wakker wordt is Sneeuwwit nergens meer te bekennen. Hij vraagt aan allerlei dieren of ze zijn lammetje hebben gezien. Uiteindelijk vindt hij samen met een dwerg zijn lam terug. Hoewel het herdersjongetje erop uittrekt, spreekt uit dit boek beslist geen grote dynamiek. De prenten zijn eerder erg verstild maar ook bijzonder sfeervol. Je zou kunnen zeggen dat er meer sprake is van een voorzichtige innerlijke zoektocht, van innerlijk bewegen. Als volwassene kun je een beetje navoelen wat kleine kinderen aan deze platen beleven als je er door je oogharen naar kijkt: het jongetje is omhuld door een warme gloed maar straalt toch een zekere vrijheid uit.

v.a. 2 jaar.
.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1863-1748

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8-1)

.

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

In het vorige artikel kwam naar voren dat niet alleen met de hersenen wordt gedacht, maar dat er ook een vorm van denken ‘elders’ in het lichaam tot stand komt.

Schad formuleert dit nog als volgt:

Lichamelijke denkorganen vinden we in de hersenen in de vorm van de door leren gevormde netwerkstructuren die zich, net zoals de eenmaal gevormde zenuwvetten stabiliseren. Aan de andere kant hebben we in het romp-ledematenskelet een fysiologisch substraat dat weliswaar in zijn mineraalaandeel kristalachtig is, maar veel sneller dan de zenuwvetten weer in de bloedvloeistof opgenomen kunnen worden om op een andere plaats nieuw, beter, meer geschikt uitgekristalliseerd te worden.
Zo vindt er in de balkjesstructuur van het bot in het romp-ledematengebied een voortdurende afbraak, opbouw en ombouw plaats. Verstandsactiviteiten zijn gebonden aan de grote hersenen, het vermogen om vernuftig te zijn hangt intiem samen met het functioneel kunnen gebruiken van het romp-ledematenskelet.
De menselijke ledematen zijn niet alleen ruimtelijke voortbewegingsorganen, maar – als je er realistisch naar kijkt – evenzogoed intuïtie-organen. [4]

Dat wij als mens ons kunnen oprichten in de verticale houding is dankzij de kracht van ons skelet, van ons bottensysteem. We kunnen ons daarmee teweerstellen tegen de zwaartekracht van de aarde. We kunnen er een soort van anti-zwaartekrachtbeweging mee maken.

En als we dat doen, bevinden we ons, zo Steiner, met onze ruggengraat in de verticale stand, in een gebied van ‘bewegingen’. Die voert onze bovenzinnelijke mens met ons uit, we hebben er gewoonlijk geen weet van. 

In GA 218 formuleert hij dit zo:

«Niemals würde der Mensch zu einem Gefühl für eine Senkrechte gekommen sein, wenn er nicht selbst im Laufe seines Lebens ein Aufrechtgehender geworden wäre, sodass er das, was eine Senkrechte ist, in seinem Bewegungsvorgange fühlt. Und was so der gan­ze Mensch erlebt, das erlebt sein Kopf mit und macht es zur Senkrechten. Auf dieselbe Weise wird das, was der Mensch erlebt im Ausbreiten seiner Arme, zum Erleben der Waagerechten. Der Mensch, der ursprünglich in seinem Seelenleben als ganzer Mensch tätig war, hat sich allmählich be­schränkt auf den Kopf, der alles nur bildlich darstellen kann. Und wie macht es nun der Kopf am Menschen? Ja, wenn ich gehe, so lebe ich anders, als wenn ich in einem Auto fahre: Da geht das Auto und ich bin ruhig. So macht es eigentlich im Menschen der Kopf: Der ist faul, der hat sein Vehikel in meinem übrigen Organismus und lässt sich fahren, da kommt alles zur Ruhe, so wie wenn ich in einem Eisenbahnzuge sitze. Daher wird alles bildlich, abstrakt. Zu dieser Abstraktheit sind wir im Laufe des Erdendaseins gekommen.

Nooit zou de mens tot het gevoel van een verticale lijn kunnen komen, wanneer hij zelf niet in de loop van zijn leven een wezen zou zijn geworden dat rechtop loopt, zodat hij bij het bewegen voelt wat een verticaal is. En wat de hele mens op deze manier beleeft, beleeft het hoofd ook en maakt het tot een verticaal. Op dezelfde manier wordt wat de mens beleeft wanneer hij zijn armen uitspreidt, tot een beleving van de horizontale. De mens die oorspronkelijk in zijn zielenleven als totaliteit actief was, heeft dat langzamerhand beperkt tot zijn hoofd dat alles alleen maar als beeld weer kan geven. En hoe doet het hoofd dat bij de mens? Wel, als ik loop, leef ik anders dan wanneer ik auto rijdt: dan beweegt de auto en ik ben in rust. Dat doet het hoofd eigenlijk bij de mens. Dat is lui, dat heeft zijn voertuig in de rest van mijn organisme en laat zich rijden; dan komt alles tot rust, alsof ik in een trein zit. Daardoor wordt alles beeld, abstract. Tot deze abstractheid is het in de loop van de aardeontwikkeling gekomen.
GA 218/301
Niet vertaald

Vaak gebruikt Steiner dit beeld om aan te geven dat het hoofd een soort toeschouwer is. Een orgaan dat in rust moet zijn, stil moet zijn, wil het zijn functie – die van het denken – kunnen uitoefenen.
Bekijken we het hoofd in de compositie mens, dan valt op dat dit t.o.v. de ledematen, veel minder beweeglijk is, veel minder beweeglijk kan zijn. De tegenstelling valt op: de min of meer ronde vorm tegenover de open langgerekte vorm van de ledematen; daar tussenin het middendeel met de min of meer ritmische bouw van de borstkas.
Zou het hoofd voortdurend zo bewegen als de kop van een vogel doet, we zouden nooit tot denken kunnen komen: een teveel aan uiterlijke indrukken zou het ons beletten. De beweeglijkheid van het hoofd is in wezen een onstoffelijke beweeglijkheid: de beelden, de voorstellingen bewegen: de ene wordt met de andere verbonden: kortom: we denken.

In GA 311 gebruikt Steiner het auto-koets- of treinbeeld zo:

Der Mensch glaubt gewöhnlich, er habe die Zahlen ausgedacht, indem er immer eins zum andern hinzugefügt hat. Das ist aber gar nicht wahr, der Kopf zählt überhaupt nicht. Man glaubt im gewöhn­lichen Leben gar nicht, welch ein merkwürdiges, unnützes Organ für das Erdenleben dieser menschliche Kopf eigentlich ist. Er ist zur Schönheit da, gewiß, weil das Antlitz den anderen gefällt. Er hat noch mancherlei andere Tugenden, aber zu den geistigen Tätigkei­ten ist er eigentlich gar nicht so stark da, denn dasjenige, was er geistig

Gewoonlijk gelooft de mens dat hij de getallen uitgevonden heeft door aan het een telkens het andere toe te voegen. Dat is echter helemaal niet waar, het hoofd telt echt niet. Men gelooft in het dagelijks leven helemaal niet wat een merkwaardig, nutteloos orgaan dit menselijke hoofd eigenlijk is voor het aardse leven. Voor het mooie is hij er zeker wel, omdat de ander een gezicht aardig kan vinden. Het hoofd heeft nog allerlei andere deugden, maar voor de geestelijke activiteit is het eigenlijk helemaal niet zo sterk aanwezig, want hetgeen het geestelijk

GA 311/82

in sich hat, führt immer zurück in das frühere Erdenleben; er ist das umgestaltete frühere Erdenleben. Und einen richtigen Sinn hat es eigentlich nur dann für den Menschen, einen Kopf zu haben, wenn er etwas weiß von seinen früheren Erdenleben. Alles andere kommt gar nicht aus dem Kopf. Wir zählen nämlich in Wirklichkeit im Unter­bewußten nach den Fingern. In Wirklichkeit zählen wir 1-10 an den Fingern und 11, 12, 13, 14 an den Zehen weiter. Das sieht man zwar nicht, aber man macht das so bis 20. Und dasjenige, was man im Körper auf diese Weise tut, das spiegelt sich im Kopfe nur ab. Der Kopf schaut nur bei allem zu. Der Kopf im Menschen ist wirk­lich nur ein Spiegelungsapparat von dem, was der Körper macht. Der Körper denkt, zählt; der Kopf ist nur ein Zuschauer.

in zich draagt, gaat steeds terug op vorige aardelevens; het is het omgevormde vroegere aardeleven. En echt zin voor de mens om een hoofd te hebben, heeft het eigenlijk alleen maar, wanneer hij iets weet van zijn vroegere aardelevens. Al het andere komt helemaal niet uit het hoofd. We tellen namelijk in werkelijkheid onderbewust met de vingers. In werkelijkheid tellen we 1 – 10 met de vingers en 11, 12, 13, 14 met de tenen verder. Dat zie je weliswaar niet, maar dat doe je zo tot 20. En wat je op deze manier in je lijf doet, wordt in het hoofd alleen maar gespiegeld. Het hoofd kijkt bij alles alleen maar toe. Het hoofd van de mens is in werkelijkheid alleen maar een spiegelapparaat van wat het lichaam doet. Het lichaam denkt, telt; het hoofd is slechts toeschouwer.

Dieser Kopf hat eine merkwürdige Ähnlichkeit mit etwas anderem. Wenn Sie ein Auto haben und Sie sitzen bequeem darinnen, so tun Sie gar nichts, der Chauffeur da vorne muss sich plagen. Sie sitzen drinnen und werden durch die Welt gefahren. So ist es auch mit dem Kopf; der plagt sich nicht, der ist einfach auf ihrem Körper, lässt sich ruhig durch die Welt tragen und schaut allem zu. Dasjenige, was getan wird im geistigen Leben, das wird alles vom Körper aus gemacht. Mathematisiert wird vom Körper aus, gelacht wird vom Körper aus, gefühlt wird auch vom Körper aus.

Dit hoofd vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat anders. Wanneer je hier een auto hebt ( het wordt getekend – in het boek ontbreekt de tekening!) en u zit daar comfortabel in, dan doe je helemaal niets, de chauffeur op de voorstoel moet het moeilijke werk doen. U zit erin en wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat doet geen moeite, dat zit alleen maar op je lijf, laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alles aan. Wat aan geestelijk leven wordt verricht komt allemaal vanuit het lichaam. Wiskunde komt vanuit het lichaam, ook denk je vanuit het lichaam en ook voel je ervanuit.
GA 311/81-82
Op deze blog vertaald/81-82

In GA 205:

blz. 149

Die mathematische Region gehört uns nicht einmal bloß als ruhendem Menschen an, sondern als herumgehendem Menschen. Wir bewegen uns ja immer irgendwie in ma­thematischen Figuren. Wenn wir das äußerlich ansehen an einem herum­gehenden Menschen, so sehen wir etwas Räumliches; wenn wir es inner­lich erleben, erleben wir die uns innerliche Mathematik, die eine kosmische ist, nur dass das Kosmische uns auch aufbaut. Die Raumesrichtun­gen, die wir draußen haben, die bauen uns auch auf, und in uns erleben wir sie. Und indem wir sie erleben, abstrahieren wir sie, nehmen die Bilder, die sich im Gehirn spiegeln, und verweben sie mit dem, was sich äußerlich räumlich in der Welt uns zeigt.

Het gebied van de wiskunde is niet alleen iets wat bij de rustende mens hoort, maar bij de mens die rondloopt. Op de een of andere manier bewegen wij ons altijd in wiskundige figuren. Wanneer we daar uiterlijk naar kijken bij iemand die rondloopt, zien we iets uiterlijks; wanneer we het innerlijk beleven, beleven we de innerlijke wiskunde in ons die kosmisch is, met dien verstande dat het kosmische ons ook opbouwt. De ruimtelijke richtingen die we in de buitenwereld hebben, bouwen ook ons op en in ons worden we die gewaar. En wanneer we ze beleven, abstraheren we ze, nemen de beelden waar die in de hersenen gespiegeld worden en we vervlechten ze met wat zich uiterlijk ruimtelijk in de wereld aan ons vertoont.
GA 205/149
Niet vertaald

Daarmee wordt Steiners uitspraak op blz. 56 wat begrijpelijker:

Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. Warum kann der Mensch zum Beispiel Geometrie ausbilden? ( * ) Der Mensch also bildet Geometrie aus. Wodurch aber bildet er zum Beispiel die Vorstellung eines Dreiecks aus? Wer wirklich über diese Tatsache nachdenkt, daß der Mensch die Vorstellung des Dreiecks ausbildet, der muß etwas Wunderbam darin finden, daß der Mensch das Dreieck, das abstrakte Dreieck, das im konkreten Leben nirgends vorhanden ist, rein aus seiner geometrisch-mathematischen Phantasie heraus ausbildet. Es liegt vieles Unbekannte zugrunde den Geschehnissen der Welt, die offenbar sind. Denken Sie sich zum Beispiel an einem bestimmten Platze dieses Zimmers stehend. Sie führen zu gewissen Zeiten als übersinnliches Menschenwesen merkwürdige Bewegungen aus, von denen Sie für gewöhnlich nichts wissen, ungefähr in der Art: Sie gehen ein Stückchen nach der einen Seite, dann gehen Sie ein Stückchen zurück, und dann

De mens ontwikkelt dus geometrie. En waardoor ontwikkelt hij bijvoor­beeld de voorstelling van een driehoek? Wie werkelijk nadenkt over het feit dat de mens zich een voorstelling vormt van de driehoek, moet het wel wonderbaarlijk vinden dat de mens de driehoek – de abstracte driehoek, die in het concrete leven ner­gens bestaat – zuiver vanuit zijn geometrisch-mathematische fantasie construeert. Aan zintuiglijk waarneembare gebeurte­nissen liggen veel onbekende oorzaken ten grondslag. Stelt u zich bijvoorbeeld voor dat u op een bepaalde plaats in deze kamer staat. De bovenzinnelijke mens in u voert op bepaalde tijden merkwaardige bewegingen uit waar u gewoonlijk geen weet van heeft. Dat gaat ongeveer zo: u gaat een stukje naar de ene kant, dan gaat u een stukje terug

kommen Sie wieder an Ihrem Platze an. Eine unbewußt bleibende Linie im Raume, die Sie beschreiben, verläuft tatsächlich als eine Dreiecksbewegung. Solche Bewegungen sind tatsächlich vorhanden, Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen.

en dan komt u weer op uw plaats terug. De lijn die u in de ruimte beschrijft blijft on­bewust en verloopt inderdaad als een driehoeksbeweging. Zul­ke bewegingen bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggengraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden.
GA 293/56-57
Vertaald/56-57

(*) Hier merkt Steiner op:

Die höheren Tiere haben keine Geometrie; das sieht man ihrer Lebensweise an. Es ist nur ein Unsinn, wenn manche Leute sagen: Vielleicht haben die höheren Tiere auch Geometrie, man merkt es vielleicht nur nicht.

De hogere dieren hebben geen geometrie; dat ziet men aan hun levenswijze. De bewering van sommige mensen dat de hogere dieren misschien ook geometrie kennen maar dat men het misschien alleen niet merkt, is onzinnig.

En even verderop:

Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen. Das Tier ist nicht in dieser Ebene drinnen, es hat sein Rückenmark anders liegen; da werden diese Bewegungen nicht vollführt. Indem der Mensch sein Rückenmark vertikal stehen hat, ist er in der Ebene, wo diese Bewegung ausgeführt wird. Zum Bewußtsein bringt er es sich nicht, daß er sich sagte: Ich tanze da fortwährend in einem Dreieck. – Aber er zeichnet ein Dreieck und sagt: Das ist ein Dreieck! – In Wahrheit ist das eine unbewußt ausgeführte Bewegung, die er im Kosmos vollführt.
Diese Bewegungen, die Sie in der Geometrie fixieren, indem Sie geometrische Figuren zeichnen, führen Sie mit der Erde aus. Die Erde hat nicht nur die Bewegung, welche sie nach der Kopernikanischen Weltansicht hat: sie hat noch ganz andere, künstlerische Bewegungen, die werden da fortwährend ausgeführt.

Zul­ke bewegingen [lijnen die door ons in de ruimte worden beschreven – zie boven] bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggengraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden. Het dier bevindt zich niet in dit vlak – zijn ruggengraat neemt een andere positie in, waarin deze bewegingen niet uitgevoerd wor­den. Doordat de ruggengraat van de mens verticaal staat, bevindt de mens zich in het vlak waarin deze bewegingen volvoerd worden. De mens wordt zich dit niet bewust; men zegt niet: ik dans voortdurend in een driehoek. Maar de mens tekent een driehoek en zegt: dat is een driehoek! In werkelijkheid is dat een onbewuste beweging die de mens in de kosmos uitvoert.

Und noch viel kompliziertere Bewegungen werden aus- geführt, solche Bewegungen zum Beispiel, die in den Linien liegen, welche die geometrischen Körper haben: der Würfel, das 0ktaeder, das Dodekaeder, das Ikosaeder und so weiter. Diese Körper sind nicht erfunden, sie sind Wirklichkeit, nur unbewußte Wirklichkeit. Es liegen in diesen und in noch anderen Körperformen merkwürdige Anklänge an dieses für die Menschen unterbewußte Wissen. Das wird dadurch herbeigeführt, daß unser Knochensystem eine wesentliche Erkenntnis hat; aber Sie reichen nicht mit Ihrem Bewußtsein bis zum Knochensystem hinunter. Das Bewußtsein davon erstirbt, es wird nur reflektiert in den Bildern der Geometrie, die der Mensch da als Bilder ausführt. Der Mensch ist recht sehr eingeschaltet in den Kosmos. Indem er die Geometrie ausbildet, bildet er etwas nach, was er selbst im Kosmos tut.

Deze bewegingen die u in de geometrie vastlegt door geometri­sche figuren te tekenen voert u samen met de aarde uit. De aarde heeft niet alleen de beweging die ze volgens de theorie van Copernicus heeft, ze heeft nog heel andere, kunstige bewe­gingen die voortdurend worden uitgevoerd. En er worden nog veel ingewikkelder bewegingen uitgevoerd, bijvoorbeeld bewe­gingen volgens de lijnen van de geometrische lichamen:0 de kubus, de octaëder, de dodecaëder, de icosaëder enzovoort. Deze lichamen zijn niet uitgevonden, ze zijn werkelijkheid, alleen onbewuste werkelijkheid. In deze en in nog andere geo­metrische vormen zijn merkwaardige overeenkomsten te vin­den met dit voor de mens onbewuste weten. Dat wordt veroor­zaakt doordat onze botten een wezenlijk inzicht hebben; maar uw bewustzijn reikt niet tot in de botten. Het bewustzijn van die kennis sterft; die wordt alleen weerspiegeld in de beelden van de geometrie die de mens daar als beelden ten uitvoer brengt. De mens is werkelijk zeer verbonden met de kosmos. Door de geometrische vormen te ontwikkelen bootst de mens na wat hij zelf in de kosmos doet.
GA 293/57-58
Vertaald//57

0 geometrische lichamen: De z.g. vijf platonische lichamen zijn regelmatige veelvlakken, opgebouwd uit gelijkzijdige driehoeken (tetraëder, oc­taëder, icosaëder), vierhoeken (kubus) of vijfhoeken (dodekaëder). Zie Paul Adam / Arnold Wyss, Platonische und Archimedische Körper, ihre Sternformen und polaren Gebilde, Bern / Stuttgart 1984.

Over deze platonische lichamen

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 29

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1862-1747

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (63)

.

In het dagblad Trouw van 12 februari 2019 stond een artikel: ‘Kleuter profiteert amper van Engelse les‘.

Uit onderzoek is gebleken dat het geven van Engels aan kleuters niet veel effect sorteert.

Als vrijeschoolleerkracht denk je dan direct: ‘En hoe zit het dan met de 1e klas en daarna. 
Zou het geven van een niet-Nederlandse taal in die laagste leerjaren dan zinloos zijn?’

‘Of deugt de methode niet?’ – denk je als vrijeschoolleerkracht onmiddellijk daarna.

Een antwoord staat de krant van 14 februari:
Vroeg Engels leren kan zeker wel zinnig zijn’

De schrijver van dit stukje, Rolf Clason, is leraar Frans en hij refereert aan een een onderzoek van Schouten-van Parreren/Hoekstra.

Die hameren op het belang van vakdidactiek en de gebruikte methode.
De vuistregel: tien keer luisteren, één keer nazeggen – lezen en schrijven komen later.

Of wel – dit is de vrijeschoolmethode, waarbij het ‘één keer nazeggen’ rustig vervangen kan worden door tien keer en waarbij vooral moet worden aangevuld met ‘doen’: niet alléén nazeggen: ‘I’m standing, I’m sitting‘, maar daadwerkelijk opstaan en gaan zitten, enz.

De vraag is dus niet op welke leeftijd, maar hóé je het aanpakt, aldus Clason

Hij geeft nog een mooie levenservaring mee:

Toen mijn zoon geboren was, zei ik: “Bonjour mon grand, tu as fait bon voyage? On t’a attendu longtemps.” De arts keek verschrikt en zei: “Dat verstaat hij niet, mijnheer.” Vanaf dat ogenblik heb ik altijd Frans tegen hem gesproken. En zie: bij zijn vmbo-examen haalde hij een 9 voor Frans, tegen een 6 of 7 voor andere talen. De nadruk op luisteren en spreken doet wel de behoefte groeien aan (near-)native speakers. Deze zijn zowel in basis- als in voortgezet onderwijs onvoldoende beschikbaar. Het streven zou moeten zijn: een (near-)native speaker in elke taalsectie, met als speciale opdracht bijscholing van collega’s. Ik kom nu regelmatig zeer slecht Engels tegen bij leraren in het basisonderwijs. 

Daar heeft Clason wel een punt.

Ook – nee juist – op de vrijescholen zouden alleen mensen met een perfecte uitspraak en gedegen talenkennis die niet-Nederlandse talen in de laagste klassen moeten geven. 

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

Opspattend grind [1]
.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1861-1746

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-4-1)

.

In de jaren 70 van de vorige eeuw lieten ‘de consumenten’ van zich horen.

Aanleiding voor Lex Bos om hun streven te bekijken vanuit de ‘driegeleding van het sociale organisme. Het begrip associaitie wordt belicht.

A.H.Bos, Jonas 17 mei 1974
.

consumenten-inspraak

In de NRC van 14 maart 1974 stond het volgende berichtje: “Tram- en
buspassagiers in de hoofdstad krijgen inspraak in het openbaar vervoersbeleid. De wethouder zei dat het gemeentebestuur best bereid is te onderzoeken in hoeverre deze inspraak zin kan hebben. Men had er al eens over gedacht, zei hij, om een selectie te maken van abonnement- en lijnkaartbezitters die de stem van het publiek zouden moeten vormen”.

Zulke berichtjes maken iets zichtbaar van een vernieuwingsproces dat zich voltrekt, tegen alle reactionaire krachten in. Een proces waarbij de samenleving zelf haar gezonde organisatievormen toont. Althans in welke richting deze vormen zich willen ontwikkelen. Of het ook zal lukken
concrete levensvatbare vormen te scheppen, hangt af — in dit geval — van de vraag of de consumenten die deze bal krijgen toegeworpen, er met voldoende wakkerheid, sociale vaardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel mee aan het spelen gaan en of de vroede vaderen, als zij de consequenties zien van hetgeen zij in in gang hebben gezet, niet bang zullen worden van hun eigen overmoed en het project in ambtelijk slob zullen laten verzanden…

Er is in dit blad al eerder geschreven over de sociale drieledigheid, een maatsehappijstructuur gekenmerkt door een autonoom geestelijk-cultureel leven dat vorm en inhoud vindt uit de vrije initiatieven van degenen die er zelf verantwoordelijk-creatief in staan- een autonoom economisch leven dat zijn organisatievorm vindt in een bewegelijk netwerk van associatieve verbanden tussen producenten-handelaren en consumenten-groepen; en een politiek leven waarin op democratische wijze wordt beslist uitsluitend over die zaken waarover de betrokkenen een oordeel kunnen hebben omdat zij er als mens mee te maken hebben.

De sociale drieledigheid is geen theorie die in de werkelijkheid moet worden gedrukt. Het is de verwoording van een maatschappijstructuur die als mogelijkheid in de werkelijkheid leeft. Men hoeft haar er niet “in te stoppen”, men kan haar “eruit halen”, Daarom hebben we het krantenberichtje geciteerd. Het zijn maar kleine symptoompjes, maar als we ze herkennen en de ruimte geven kunnen ze de zelfde werking hebben als de kiemende zaadjes in de spleet van een rots…

Wat betekent deze consumenten-in-spraak nu eigenlijk in het kader van een drieledige maatschappijstructuur?

Door de arbeidsverdeling die het hele economische leven doortrekt, ontstaat een netwerk van onderlinge afhankelijkheid. Een dergelijke
structuur is alleen levensvatbaar wanneer daarin het principe van de samenwerking, de wederzijdse dienstverlening het leidend beginsel is. Het Vecht principe, waarop de concurrentie-economie in het Westen is gebaseerd, hoort in het geestesleven thuis: Vechten om de waarheid, strijden voor een ideaal, worstelen met jezelf! Daarom is het goed dat in het geestesleven gelijkgezinden elkaar vinden en versterken. Bv. onderzoekers die in een zelfde probleem zijn geïnteresseerd, of pedagogen en ouders die van een zelfde mensbeeld uitgaande een school willen inrichten. Zulke groepen kunnen, door het samen bundelen van hun gelijke gerichtheid, hun creativiteit versterken.

In het economische leven is dat omgekeerd. Rudolf Steiner — degene die het eerst de gedachte van de sociale drieledigheid uitsprak — heeft er voortdurend op gewezen dat de organisatievorm voor het economische leven de associatie tussen producent, handelaar en consument is, waarbij dus tegengestelde belangen elkaar moeten vinden. Elke eenzijdige
belangen-groepering berekent hier een potentiëring van het egoïsme en dat werkt als gif in het economische leven en daarmee in het sociale organisme.

Wij zijn zo gewend aan het vechtprincipe als uitgangspunt voor sociale vormen, dat wij vrijwel niet anders meer kunnen denken dan in termen van “proletariërs aller landen verenigt u” tegen de boze kapitalisten.

Op het moment dat de consument zich bewust wordt van het feit dat hij gemanipuleerd wordt, ontstaan er consumenten-bonden, die, vooral door de militante houding van Ralph Nador (Consumerism), sterk het karakter krijgen van: consumenten aller landen verenigt u” tegen de boze producenten.

Het associatie-principe betekent een samenbundeling in één orgaan van de tegenstelde belangen van producent, handel en consument. Door  overleg moeten zij zichtbaar maken wat de behoeften zijn, welke de mogelijkheden zijn deze te bevredigen en hoe deze in reële afspraken bij elkaar gebracht kunnen worden.

DRIE SOORTEN ASSOCIATIES

In het boekje “Maatschappijstrukturen in beweging” is een hoofdstuk over driegeleding in het meso-sociale. Daarin wordt onderscheiden tussen professionele organisaties (waarin ideeën en mensen worden ontwikkeld), service-organisaties (die diensten leveren) en product-organisaties (die materiële goederen produceren die het bedrijf ruimtelijk verlaten).

Voorbeelden van de eerste zijn bv: een artsenpraktijk, een universiteit, een research instituut, een adviesbureau; voorbeelden van de tweede zijn bv: Horeca bedrijven, reisbureaux, bankinstellingen, transportondernemingen; voorbeelden van de derde zijn: schoenenfabrieken, agrarische bedrijven, scheepswerven. Natuurlijk zijn er allerlei overgangs-en mengvormen.

Wij wijzen hier op dit onderscheid omdat het verschil in “out-put” (idee, dienst, product) ook te maken heeft met de relatie tussen de consument en de producent en daarmee van belang is voor ons denken over associaties. In een professionele organisatie vindt de productie in zekere zin plaats als een unieke creatieve prestatie in directe wisselwerking met de consument. Wanneer een artsenspreekuur niet is gedegenereerd tot een verwijsbureau wordt in aanwezigheid van de patiënt een uniek consult ontwikkeld.

Wanneer een school niet is gedegenereerd tot een leer-fabriek, betekent het lesgeven een creatief pedagogisch gebeuren. De consumenten zijn in de werkplaats aanwezig. Zij zijn a.h.w. tegelijk grondstof en productiedoel. Er wordt aan en met hen gewerkt.

MANIFEST

In deze sfeer zijn consumenten-bewegingen het eerst manifest geworden. Het studentenverzet is in wezen een verzet tegen het “stenen i.p.v brood moeten eten”. Wanneer de greep van de staat op het volksgezondheidswezen doorzet, is te verwachten dat ook patiënten zullen gaan ontdekken dat wat overheid en commercie hen voorschrijven aan medicamenten en hen voorzetten aan ziekenhuis-acommodatie, met genezen en verzorgen evenveel te maken heeft als stenen met brood.

Wat zich in onderwijskringen als democratiseringsgolf afspeelt, is in wezen het zoeken naar de juiste verschijningsvorm van de associatiegedachte in organisaties binnen het geestesleven. Hoe komt het dat al dit “gedemocratiseer” door velen als onbevredigend wordt beleefd? Een gezond geestesleven is gekenmerkt door initiatief en diversiteit. Bureaucratisering betekent initiatief-verlamming, normalisering betekent negatie van de diversiteit waarin het individuele zich kan ontplooien.

VRIJ GEESTESLEVEN

Een vrij geestesleven wordt gekenmerkt door de mogelijkheid dat vele initiatieven — komend uit de meest verschillende geestelijke richtingen en aansluitend op de meest verschillende geestelijke behoeften – naast en in wisselwerking met elkaar hun levensvatbaarheid kunnen tonen (concurrentie!) Patiënten zoeken hun arts, studenten hun docent, kunstzoekenden hun artisten, gelovigen hun religieuze gemeenschap. Zo vormen zich in een vrij geestesleven reële associaties tussen mensen.

Wat gebeurt er nu wanneer dit streven naar diversiteit, naar initiatief-moge-lijkheid, naar associaties met een eigen gezicht zich af moet spelen binnen de muren van een staatsuniversiteit, waarin door de overheid aangestelde leerkrachten in door de overheid gefinancierde accomodaties, door de overheid goedgekeurde leerstof overdragen t.b.v. de voorbereiding van door de overheid gesanctioneerde examens?
Het resultaat is revolutionair geweld, destructieve kracht, politiek dynamiet. Wanneer het “vecht-element” van het geestesleven zich niet kan realiseren in een vrije ruimte die door de overheid wordt gegarandeerd (maar niet betreden), richt deze kracht zich op destructieve wijze naar binnen, tegen de bureaucratie en tegen andere groepen binnen deze onvrije ruimte.

ASSOCIATIES IN DE DIENSTVERLENENDE SECTOR

Organisaties in de dienstverlenende sector (ongeacht of ze in particuliere dan wel overheidshanden zijn), worden o.a. daardoor gekarakteriseerd dat de consumenten gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten de organisatie zijn. In een ziekenhuis, een restaurant, een vervoersbedrijf of een kapperszaak verschijnen zij voor langere of kortere tijd in “lijfelijke vorm” en laten iets “met zichzelf doen”; soms echter verschijnen zij alleen aan de balie (bv. in een bank of een reisbureau) en laten iets met hun rechten doen of met hun (gebrek aan) informatie; soms ziet de organisatie de klanten helemaal niet omdat zij bv. alleen diens goederen versleept of diens vuil ophaalt.

Zodra we dus met de associatie-gedachte in de dienstverlenende wereld binnentreden — en het uitgangscitaat van dit artikel had de bedoeling te wijzen op een positieve ontwikkeling in deze richting — moeten we rekening houden met het feit dat de afstand tussen producent en consument groter wordt, zowel ruimtelijk (de klant verschijnt niet altijd meer binnen de organisatie) als persoonlijk (het cliëntsysteem is niet altijd meer duidelijk aanwijsbaar, naast de trouwe eigen klanten maakt ook “het publiek” gebruik van de diensten) als organisatorisch (er begint zich iets van “handel” tussen producent en consument te schuiven, bv. reisbureaux tussen reizigers en vervoersmaatschappijen).

Er zal tijd en persoonlijke inzet nodig zijn om deze afstand te overbruggen. Consument en producent zullen veel moeite moeten doen om een voorstelling te krijgen van en begrip te tonen voor de behoeften van de een en de mogelijkheden van de ander. De consumenten zullen zich reël met hun achterban moeten stellen (die op zichzelf eerst zichtbaar moet worden gemaakt) om na te gaan waarin welke behoeften bestaan en of het reëel is deze behoeften aan — in ons voorbeeld — het vervoersbedrijf kenbaar te maken.
De producent zal een duidelijke voorstelling moeten kunnen overbrengen waar de grenzen van haar mogelijkheden liggen (“vrije trambaan”) en hoe deze afhankelijkheden op hun beurt in beweging kunnen worden gezet.

ASSOCIATIES IN DE PRODUCTEN-SECTOR

De moeilijkste stap op het nog nieuwe associatie-vlak is in de industriële sector d.w.z. daar waar producent en consument volledig gescheiden zijn. Vele schijven van vervoer, handel en tussenopslag bevinden zich dan tussen beide. Hier zal het de allergrootste inspanning kosten de anonieme markt doorzichtig te maken en de commercie te vermenselijken. Allereerste ervaringen worden opgedaan in het nog overzichtelijke gebied van de biologisch-dynamische land- en tuinbouw. Misschien moeten wij eerst meer ervaring opdoen met associaties in de educatieve sector en in de dienstensector, voordat deze nieuwe organisatievorm in het “harde” industrieel-economische leven een voet aan de grond krijgt.

Het is daarom dat de aandacht werd gericht op het verschijnen van de associatie-gedachte in de dienstensector. Wij dienen zulke aanzetten met aandacht te vervolgen, en, voor degenen op wier weg het ligt, kans van slagen te geven door persoonlijke inzet. Het slagen van zulke experimenten kan een poort zijn naar veel verderstrekkende maatschappelijke vernieuwingen in de zin van de sociale drieledigheid.

Sociale driegeledingalle artikelen
.

1860-1745

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie GA 308

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 308

beknopte inhoud: (blz.: vertaling)

Blz. 82: astraallijf is muziek; astraallijf en toonladder: schouders, armen Blz. 83: e.d.; spraak en Ik;
Blz. 84: taalgenius en Ik; euritmie: tooneuritmie voor astraallijf,  woordeuritmie voor Ik
Blz. 85: plastiek voor het etherlijf; muziek voor het astraallijf; spreken voor het Ik

blz. 53   vert. 82

Und dem astralischen Leib, dem kommt man schon ganz und gar nicht bei, wenn man weiß, das Gay-Lussacsche Gesetz lautet so und so, wenn man alle Gesetze kennt, die man in der Akustik lernt, in der Optik lernt. Dem astralischen Leibe kommt man nicht bei mit diesen abstrakten empirischen Gesetzen. Was im astralischen Leibe webt und west, das läßt sich nicht so anschauen. Hat man aber innerlich begriffen, was eine Terz ist, was eine Quinte ist, kann man innerlich erleben die`ses Verhältnis – aber innerlich musikalisch anschauend, nicht wie es die Akustik macht -, kann man innerlich musikalisch die Skala erleben, dann erlebt man das, was in dem astralischen Menschen ist. Denn der astralische Leib des Menschen ist Musik, nicht Naturgeschichte, nicht Naturwissenschaft, nicht Physik. Das geht so weit, daß man auch in der formenden Tätigkeit verfolgen kann im menschlichen Organismus, wie die Musik des astralischen Leibes in dem Menschen gestaltet. Sie setzt hier ein in der Mitte der Schulterblätter, strahlt aus zunächst in die Prim der Skala. Indem sie zur Sekunde vorschreitet, 

En het astrale lichaam, daar kom je al helemaal niet bij als je weet dat de wet van Gay-Lussac* zus of zo luidt, of als je alle wetten van de akoestiek of de optica kent. Het astrale lichaam leer je niet kennen door deze abstract-empirische wetten. Wat in het astrale lichaam weeft en leeft kun je niet zomaar zien. Maar als je innerlijk begrepen hebt wat een terts is, wat een kwint is, dan kun je de verhouding innerlijk ervaren – maar innerlijk muzikaal waarnemend, niet zoals men het in de akoestiek doet dan kun je innerlijk muzikaal de toonladder ervaren; dan ervaar je hoe het met het menselijk astrale lichaam zit. Want het astrale lichaam van de mens is muziek, geen biologie, geen natuurwetenschap, geen natuurkunde. Dat gaat zo ver dat je ook in de vormende activiteit in het menselijk organisme kan volgen hoe de muziek van het astrale lichaam in de mens vormgevend werkt. Die begint hier midden tussen de schouderbladen, en straalt uit allereerst in de prime van de toonladder. Wanneer het verder gaat naar de secunde vormt

*de wet van Gay-Lussac: Joseph Gay-Lussac (1778-1850), Franse natuur- en scheikundige. De wet van Gay-Lussac (1882) zegr ons dat wanneer de druk constant blijft, het volume recht evenredig is mert de temperatuur. Met andere woorden als de temperatuur stijgt, dan stijgt het volume en omgekeerd.

blz. 54  vert. 82-83-84

bildet sie den Oberarm, indem sie zur Terz fortschreitet, den Unterarm. Indem wir zur Terz kommen, haben wir den Unterschied zwischen Moll und Dur, und wir haben am Unterarm zwei Knochen, nicht einen. Der eine Knochen, die Speiche, stellt das eine, die EIle stellt das andere, Moll und Dur, dar. Wer die äußere menschliche Organisation betrachtet, inwieweit sie vom astralischen Leib abhängig ist, der muß Physiologie treiben nicht als Physiker, sondern als Musiker. Und er muß die innerlich gestaltende Musik im menschlichen Organismus kennen.
Verfolgt, wie ihr wollt, anatomisch den Gang der Nerven im menschlichen Organismus, ihr werdet nie auf den Sinn dieses Ganges der Nerven kommen. Verfolgt ihr aber diesen Gang musikalisch, mit Verständnis der Musikverhältnisse, aber alles tief innerlich hörbar, nicht mit physikalischer Akustik, verfolgt ihr so das Nervensystem, schaut ihr mit musikalischer Anschauung, mit geistig~musikalischer Anschauung> wie diese Nerven von den Gliedmaßen hin verlaufen nach dem Rückenmark, da angespannt werden und von da aus nach dem Gehirn sich fortpflanzen, seht ihr das geistig-musikalisch an, dann bekommt ihr durch das musikalische Anschauen das allerwunderbarste Musikinstrument des Menschen, das aus dem astralischen Leib gebildet ist, und auf dem die Ich-Organisation spielt.

ze de bovenarm; als deze verdergaat naar de terts: de onderarm. Als we bij de terts komen hebben we het verschil tussen de kleine en de grote terts, en aan de onderarm hebben we twee beenderen, niet één. Het ene been, het spaakbeen, vormt het ene, de ellepijp het andere: mol [83] en dur. Wie het uiterlijk menselijk organisme bekijkt, in hoeverre het van het astrale lichaam afhankelijk is, moet fysiologie bedrijven niet als fysicus, maar als musicus. En hij moet de innerlijk vormende muziek in het menselijk organisme kennen.
Volg zo u wilt anatomisch de loop van de zenuwen in het menselijk organisme, u zult nooit op de betekenis van deze loop van de zenuwen komen. Volgt u deze loop echter muzikaal, met verstand van muzikale verhoudingen, maar dat alles intens innerlijk hoorbaar, niet met natuurkundige akoestiek, volgt u zo het zenuwsysteem, kijkt u ernaar met een muzikale blik, met een geestelijk-muzikale blik hoe deze zenuwen van de ledematen naar het ruggemerg lopen, zich daar concentreren en van daaruit zich voortzetten naar de hersenen; bekijkt u dat geestelijk-muzikaal, dan krijgt u door deze muzikale blik het aller wonderbaarlijkste muziekinstrument van de mens, dat uit het astrale lichaam gebouwd is en waar de Ik-organisatie op speelt.

Und lernt man, von da aufsteigend, wie die Sprache sich gestaltet im Menschen, lernt man das innere Gefüge der Sprache, das man ja gar nicht mehr kennenlernt in unserem Zeitalter der fortgeschrittenen Zivilisation, die alles Anschauliche abgestreift hat, lernt man erkennen, was im Menschen dann vorgeht, wenn er ein A, ein I ausspricht, wie im A die Verwunderung gegenüber etwas liegt, im I die In-sichErfestigung der inneren menschlichen Wesenheit, lernt man so erkennen, wie sozusagen das Sprachliche in die Organisation des Menschen hineinschießt, lernt man nicht bloß abstrakt sagen, wenn eine Kugel hinrollt: sie rollt -, sondern lernt man im Aussprechen das Rollen, was so innerlich verfließt wie das Rollen der Kugel äußerlich – rollen -, lernt man so innerlich anschauend, aber sprachgeistig anschauend kennen dasjenige, was eigentlich in der Sprache wirkt, dann lernt man durch die Struktur des Sprachlichen die Ich-Organisation kennen.

En leer je van daaruit opstijgend hoe de spraak in de mens wordt gevormd, leer je de innerlijke samenhang van het spreken dat men helemaal niet meer leert kennen in onze tijd van voortschrijdende beschaving die al het aanschouwelijke aan de kant heeft geschoven, leer je kennen wat er in de mens gebeurt wanneer hij een A, een I uitspreekt; hoe in de A de verwondering voor iets zit, in de I het verankeren van het wezen mens in zichzelf leer je zo kennen, hoe om zogezegd het spreken snel en krachtig in de menselijke organisatie schiet, dan leer je niet alleen abstract zeggen wanneer er een bal wegrolt: die rolt -, maar je leert in het uitspreken het rollen, wat innerlijk zo verloopt [85] als het rollen van de bal buiten je – rollen – innerlijk waarnemend, maar met de spraakgeest waarnemend kennen, wat eigenlijk werkzaam is in het spreken, dan leer je door de structuur van het spreken de Ik-organisatie kennen.

blz. 55  vert. 84-85-

Heute gehen wir, wenn wir die Organisation des Menschen kennenlernen wollen, zum Physiologen, zum Anatomen, wenn wir kennenlernen wollen, was in der Sprache lebt, gehen wir zum Philologen. Aber was von dem einen und dem anderen gesagt wird, hat keine Verbindung. Darum handelt es sich aber, daß eine innerliche geistige Beziehung entsteht, daß man weiß, in dem Sprechen wirkt und lebt ein lebendiger Sprachgenius, und dieser Sprachgenius, der kann studiert werden, und studiert man ihn, dann lernt man die Ich-Organisation des Menschen kennen.
Wir gliedern in unsere Waldorfschulerziehung die Eurythmie dem Unterrichte ein. Was tun wir damit? Die Eurythmie zerfällt bei uns in eine Toneurythmie und in eine Spracheurythmie. Wir rufen in der Toneurythmie in dem Kinde diejenigen Bewegungen hervor, die entsprechen der Gestaltung des astralischen Leibes; wir rufen in der Spracheurythmie diejenigen Gestaltungen hervor, die entsprechen der Ich-Organisation. Wir arbeiten damit bewußt an der Ausgestaltung des seelischen Menschen, indem wir das Physische tun und Toneurythmie treiben; wir arbeiten bewußt an der Ausgestaltung des geistigen Menschen, indem wir das Physische dafür tun in der Spracheurythmie. Solch ein Arbeiten kann aber nur hervorgehen aus einer wirklich totalen Auffassung der menschlichen Organisation. 

Tegenwoordig gaan we, als we de menselijke organisatie willen leren kennen, naar de fysioloog, naar de anatoom. Als we willen leren kennen wat er in het spreken leeft, gaan we naar de filoloog. Maar wat door de een of door de ander wordt gezegd staat niet met elkaar in verbinding. Het gaat erom dat er een innerlijke, geestelijke relatie bestaat, dat je weet dat in het spreken een levendige taalgenius actief is, en die taalgenius kan bestudeerd worden. En als je die bestudeert, dan leer je de Ik-organisatie van de mens kennen.
In onze vrijeschoolopvoeding ruimen we in het onderwijs plaats in voor euritmie. Wat doen we daarmee? De euritmie wordt bij ons verdeeld in tooneuritmie en woordeuritmie. In de tooneuritmie stimuleren we bij het kind de bewegingen die bij de ontwikkeling van het astrale lichaam horen; in de woordeuritmie stimuleren we de vormen die bij de Ik-organisatie horen. We werken bewust aan de ontwikkeling van de ziel van de mens doordat we aan het fysieke werken en tooneuritmie beoefenen; we werken bewust aan de ontwikkeling van de geestelijke mens doordat we aan het fysieke werken in de woordeuritmie.
Op deze manier werken kan alleen ontstaan vanuit een opvatting van de menselijke organisatie als reële totaliteit.

Wer da glaubt, mit äußerer Physiologie oder mit experimenteller Psychologie, die ja auch nur äußere Physiologie ist, an den Menschen heranzukommen, der sieht eben nicht, daß man ja auch nicht, wenn man jemanden im Leben in irgendeine Stimmung versetzen will, vor ihm auf irgendeine Holzplatte klopfen muß, sondern Musik entwickeln muß. So muß auch das Erkennen nicht stehenbleiben bei den abstrakten logischen Regeln, sondern es muß das Erkennen so zum Erfassen des Menschenlebens aufsteigen, daß es nicht nur die tote Natur begreift oder das Lebendige, wenn es tot geworden ist oder man es tot vorstellt. Wenn man von diesen abstrakten Regeln aufsteigt zu dem, was sich plastisch gestaltet, wie sich jedes Naturgesetz bildhauerisch gestaltet, dann lernt man den Menschen nach seinem Ätherleib kennen. Wenn man aber anfängt, innerlich geistig zu hören, wie sich der Weltenrhythmus ausspricht aus dem wunderbarsten Musikinstrument, das aus dem 

Wie zou geloven met uiterlijke fysiologie, of met experimentele psychologie, die uiteindelijk ook alleen maar uiterlijke fysiologie is, de mens te begrijpen, die ziet eenvoudigweg niet dat als je iemand in een bepaalde stemming wil brengen, je voor hem niet op een houtblok moet gaan slaan, maar dat je muziek moet maken. Zo moet ook de kennis niet stil blijven staan bij de abstracte logische regels, maar de kennis moet voor het begrijpen van het menselijk leven zodanig uitgebreid worden dat men niet alleen de dode natuur begrijpt, of het levende wanneer het gestorven is, of wat men zich als dood voorstelt. Als je van de abstracte regels opstijgt tot wat zich plastisch vormt, hoe iedere natuurwet zich als een soort beeldhouwkunst vormt, dan leer je de mens naar zijn etherlichaam kennen. Maar als je ook begint innerlijk geestelijk te luisteren naar hoe het wereldritme zich uit in het meest wonderbaarlijke muziekinstrument dat van de mens

blz. 56  vert. 85-86

Menschen gemacht wird durch den astralischen Leib, dann lernt man die astralische Natur des Menschen kennen. Und es müßte ein Bewußtsein davon vorhanden sein: Erste Periode des Lernens: Man lernt abstrakt logisch den physischen Leib des Menschen kennen. Man wendet dann das plastische Gestalten an im intuitiven Erkennen: Man lernt den Ätherleib kennen. Und die dritte Periode: Man wird als Physiologe zum Musiker und schaut den Menschen an, wie man ein Musikinstrument anschaut, wie eine Orgel oder eine Geige, indem man in ihr darinnen die verwirklichte Musik schaut; so lernt man den astralischen Menschen kennen. Und lernt man nicht nur äußerlich gedächtnismäßig mit den Worten verbunden leben, sondern lernt man den Genius in den Worten wirksam kennen, so lernt man die Ich-Organisation des Menschen kennen.
Nun, heute würde man einem schön heimleuchten, wenn man bei einer Universitätsreform etwa des medizinischen Studiums sagen würde: Die Erkenntnis muß aufsteigen vom Lernen zum Plastizieren, zum Musikalischen, zum Sprachlichen. Die Menschen würden sagen: Ja, wie lange würde dann eine Ausbildung sein? Sie dauert ohnedies schon lange genug! Dann soll man noch zum Plastizieren, dann zum Musikalischen und dann noch zum Sprachlichen aufsteigen! – Sie würde aber kürzer sein in Wirklichkeit. Denn die heutige Länge rührt von etwas ganz Besonderem her. 

wordt gemaakt door het astrale lichaam, dan leer je de astrale natuur van de mens kennen. En er moet bewustzijn voor zijn: de eerste leerperiode: je leert abstract logisch het fysieke lichaam van de mens kennen. Dan gebruik je het plastisch vormgeven in een intuïtief kennen: je leert het etherlichaam kennen. En de derde periode: van fysioloog word je tot musicus, en je kijkt naar de mens zoals je naar een muziekinstrument kijkt, naar een orgel of naar een viool wanneer je daarin de tot werkelijkheid geworden muziek waarneemt; dan leer je de astrale mens kennen. En leer je niet alleen uiterlijk vanuit je geheugen verbonden met de woorden te leven, maar leer je de taalgenius werkzaam in de woorden kennen, dan leer je de Ik-organisatie van de mens kennen.
Welnu, tegenwoordig zou je iemand al waarschuwen als je bij een universiteitshervorming – laten we de geneeskundestudie nemen – zou zeggen: de kennis moet opstijgen van leren naar boetseren, naar het muzikale, naar het spreken. De mensen zouden zeggen: hoe lang zou dan zo’n opleiding wel niet duren? Die duurt zonder dit alles al lang genoeg! En dan ook nog boetseren, muziek en spraak, zeker! – Maar in werkelijkheid zou zo’n opleiding korter duren. Want de huidige duur is afkomstig van iets heel bijzonders,

Die rührt nämlich davon her, daß man ganz stehenbleibt beim Abstrakt-Logischen und beim empirisch- sinnlichen Anschauen. Da fängt man zwar an beim physischen Leib, aber der ist nicht erklärlich dadurch – und jetzt kommt man aii kein Ende. Man kann da alles Mögliche studieren und kann das bis an sein Erdenende fortsetzen: es braucht gar kein Ende zu haben, während es innerlich geschlossen wird, wenn es selber organisch aufgebaut wird für den leiblich-seelisch-geistigen Organismus. Es handelt sich also nicht darum, daß wir etwa durch Anthroposophie noch neue Kapitel aufnehmen in das, was wir schon haben. Oh, wir können schon zufrieden sein mit demjenigen, was die äußere Wissenschaft gibt. Wir bekämpfen sie nicht, wir sind ihr nur dankbar, aber so, wie wir dem Geigenmacher dankbar sind, daß er uns die Geige liefert. Aber was notwendig ist aus unserer Zeitbildung und Zeitkultur heraus, das ist, 

namelijk doordat men stil blijft staan bij het abstract-logische en bij het empirisch-zintuiglijke waarnemen. Er wordt weliswaar bij het fysieke lichaam begonnen, maar dat is daarmee niet verklaarbaar – en nu komt er geen einde aan. Je kunt van alles en nog wat bestuderen tot aan het eind van je leven toe: er hoeft helemaal geen einde aan te komen als het innerlijk een geheel is; als het zelf organisch opgebouwd wordt voor het lichamelijk-psy-chisch-geestelijke organisme. Het gaat er dus niet om dat we bijvoorbeeld door antroposofie nog een hoofdstuk toevoegen aan wat we al hebben. O, we kunnen wel tevreden zijn met wat de uiterlijke wetenschap brengt. We bestrijden deze ook niet, we zijn er dankbaar voor, maar net zoals we de vioolbouwer dankbaar zijn voor het feit dat hij ons een viool levert. Wat echter nodig is vanuit onze tijd en onze cultuur is de huidige

blz. 57  vert 86-87

diese ganze heutige Bildung in die Hand zu nehmen und sie zu durchseelen, zu durchgeistigen, wie der Mensch selber durchseelt und durchgeistigt ist. Es ist notwendig, das künstlerische Element in der Kultur überhaupt nicht so bestehen zu lassen, daß es wie eine Luxusunterhaltung neben dem ernsten Leben einhergeht, wie eine Luxusunterhaltung, der wir uns zuwenden, auch wenn wir sonst das Leben geistig zu nehmen wissen, sondern es so zu nehmen, daß es überall als eine göttlich- geistige Gesetzmäßigkeit Welt und Mensch durchdringt.
Wir müssen verstehen lernen zu sagen: Du stehst der Welt gegenüber. Erst kommst du ihr bei mit logischen Begriffen und Ideen. Das Wesenhafte der Welt gibt aber weiter der menschlichen Natur etwas, was herrührt von der Weltenplastik, die da ebenso aus den Sphären hereinarbeitet wie die Erdenschwere von unten herauf, von dem Erdmittelpunkte heraus, arbeitet. Und in all das gliedert sich hinein Weltenmusik> die da wirkt im Umkreis. Wie die Plastik von oben, die Physik von unten durch die Schwere wirkt, so wirkt in der Bewegung der Gestirne im Umkreis die Weltenmusik. Und das, was den Menschen eigentlich zum Menschen macht, das, was man geahnt hat in alten Zeiten, als man solche Sätze geprägt hat wie diesen: «Im Urbeginne war das Wort, und das Wort war bei Gott, und ein Gott war das Wort», das Weltenwort, die Weltensprache, sie ist das, was auch die menschliche Wesenheit durchdringt und in der menschlichen Wesenheit zur Ich-Organisation wird. Will man erziehen, muß man aus Weltenerkenntnis heraus Menschenerkenntnis gewinnen und auf diese Art künstlerisch gestalten lernen, was man an Menschenerkenntnis aus der Weltenerkenntnis gewonnen hat.

opleidingen aan te pakken en ze te bezielen, ze met geest te doortrekken, zoals ook de mens zelf bezield en doorgeestelijkt is. Het is noodzakelijk het kunstzinnige element in de cultuur überhaupt niet zo te laten dat het een luxe is naast het serieuze leven, als het ware een luxe-instelling waar we ons toe wenden ook al kunnen we het leven overigens vanuit de geest opvatten; maar het zo op te vatten dat het overal als een goddelijk-geestelijke wetmatigheid wereld en mens doordringt.

We moeten leren begrijpen te zeggen: je staat tegenover de wereld; eerst begrijp je er iets van door logische ideeën en begrippen; het wezenlijke van de wereld geeft verder de menselijke natuur echter iets wat afkomstig is uit de boetseerkunst van de wereld zelf, die net zo uit de hemelsfeer werkzaam is als van onderaf de zwaartekracht, die vanuit de kern van de aarde werkt. En in dit alles voegt zich de wereldmuziek, die in de omtrek actief is. Zoals de boetseerkunst van boven,het fysieke van beneden door middel van de zwaarte werkt, zo werkt in de beweging van de sterren in de omtrek de wereldmuziek. En wat de mens eigenlijk tot mens maakt, waar men in oude tijden nog een idee van had toen men zulke zinnen formuleerde als deze:

In het oerbegin was het Woord
en het Woord was bij God
en het Woord was God’*

Het wereldwoord, de wereldtaal, dat is wat ook het mensenwezen doordringt en in het mensenwezen tot Ik-or-ganisatie wordt. Wil je opvoeden, dan moet je vanuit wereldkennis menskunde ontwikkelen en op deze manier kunstzinnig leren vormgeven wat je aan menskunde uit wereldkennis verworven hebt.

*Joh.1,1. het nieuwe testament in vertaling van Ton Besterveld. Uitg. Nachtwind, Hilversum

.

Rudolf Steiner: over euritmie

Rudolf Steinervorm en beweging Over euritmie: toespraken bij de euritmievoorstellingen in de jaren 1918 tot 1924. GA 277, gedeeltelijk vertaald in Euritmie. Zes inleidingen.

euritmieblog

Opspattend grind

Rudolf Steineralle artikelen

hand en intelligentie

.

1859-1744

.

.