Tagarchief: abstract denken en botten GA 293 vdr. 3 blz. 58

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 58 en 59 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

In het vorige artikel kwam naar voren dat niet alleen met de hersenen wordt gedacht, maar dat er ook een vorm van denken ‘elders’ in het lichaam tot stand komt.

Schad formuleert dit nog als volgt:

Lichamelijke denkorganen vinden we in de hersenen in de vorm van de door leren gevormde netwerkstructuren die zich, net zoals de eenmaal gevormde zenuwvetten stabiliseren. Aan de andere kant hebben we in het romp-ledematenskelet een fysiologisch substraat dat weliswaar in zijn mineraalaandeel kristalachtig is, maar veel sneller dan de zenuwvetten weer in de bloedvloeistof opgenomen kunnen worden om op een andere plaats nieuw, beter, meer geschikt uitgekristalliseerd te worden.
Zo vindt er in de balkjesstructuur van het bot in het romp-ledematengebied een voortdurende afbraak, opbouw en ombouw plaats. Verstandsactiviteiten zijn gebonden aan de grote hersenen, het vermogen om verbuftig te zijn hangt intiem samen met het functioneel kunnen gebruiken van het romp-ledematenskelet.
De menselijke ledematen zijn niet alleen ruimtelijke voortbewegingsorganen, maar – als je er realisitsch naar kijkt – evenzogoed intuïtie-organen. [4]

Dat wij als mens ons kunnen oprichten in de verticale houding is dankzij de kracht van ons skelet, van ons bottensysteem. We kunnen ons daarmee teweerstellen tegen de zwaartekracht van de aarde. We kunnen er een soort van anti-zwaartekrachtbeweging mee maken.

En als we dat doen, bevinden we ons, zo Steiner, met onze ruggengraat in de verticale stand, in een gebied van ‘bewegingen’. Die voert onze bovenzinnelijke mens met ons uit, we hebben er gewoonlijk geen weet van. 

In GA 218 formuleert hij dit zo:

«Niemals würde der Mensch zu einem Gefühl für eine Senkrechte gekommen sein, wenn er nicht selbst im Laufe seines Lebens ein Aufrechtgehender geworden wäre, sodass er das, was eine Senkrechte ist, in seinem Bewegungsvorgange fühlt. Und was so der gan­ze Mensch erlebt, das erlebt sein Kopf mit und macht es zur Senkrechten. Auf dieselbe Weise wird das, was der Mensch erlebt im Ausbreiten seiner Arme, zum Erleben der Waagerechten. Der Mensch, der ursprünglich in seinem Seelenleben als ganzer Mensch tätig war, hat sich allmählich be­schränkt auf den Kopf, der alles nur bildlich darstellen kann. Und wie macht es nun der Kopf am Menschen? Ja, wenn ich gehe, so lebe ich anders, als wenn ich in einem Auto fahre: Da geht das Auto und ich bin ruhig. So macht es eigentlich im Menschen der Kopf: Der ist faul, der hat sein Vehikel in meinem übrigen Organismus und lässt sich fahren, da kommt alles zur Ruhe, so wie wenn ich in einem Eisenbahnzuge sitze. Daher wird alles bildlich, abstrakt. Zu dieser Abstraktheit sind wir im Laufe des Erdendaseins gekommen.

Nooit zou de mens tot het gevoel van een verticale lijn kunnen komen, wanneer hij zelf niet in de loop van zijn leven een wezen zou zijn geworden dat rechtop loopt, zodat hij wat een verticaal is, bij het bewegen voelt. En wat de hele mens op deze manier beleeft, beleeft het hoofd ook en maakt het tot een verticaal. Op dezelfde manier wordt wat de mens beleeft wanneer hij zijn armen uitspreidt, tot een beleving van de horizontale. De mens die oorspronkelijk in zijn zielenleven als totaliteit actief was, heeft dat langzamerhand beperkt tot zijn hoofd dat alles alleen maar als beeld weer kan geven. En hoe doet het hoofd dat bij de mens? Wel, als ik loop, leef ik anders dan wanneer ik auto rijdt: dan beweegt de auto en ik ben in rust. Dat doet het hoofd eigenlijk bij de mens. Dat is lui, dat heeft zijn voertuig in de rest van mijn organisme en laat zich rijden; dan komt alles tot rust, alsof ik in een trein zit. Daardoor wordt alles beeld, abstract. Tot deze abstractheid is het in de loop van de aardeontwikkeling gekomen.
GA218/301
Niet vertaald

Vaak gebruikt Steiner dit beeld om aan te geven dat het hoofd een soort toeschouwer is. Een orgaan dat in rust moet zijn, stil moet zijn, wil het zijn functie – die van het denken – kunnen uitoefenen.
Bekijken we het hoofd in de compositie mens, dan valt op dat dit t.o.v. de ledematen, veel minder beweeglijk is, veel minder beweeglijk kan zijn. De tegenstelling valt op: de min of meer ronde vorm tegenover de open langgerekte vorm van de ledematen; daar tussenin het middendeel met de min of meer ritmische bouw van de borstkas.
Zou het hoofd voortdurend zo bewegen als de kop van een vogel doet, we zouden nooit tot denken kunnen komen: een teveel aan uiterlijke indrukken zou het ons beletten. De beweeglijkheid van het hoofd is in wezen een onstoffelijke beweeglijkheid: de beelden, de voorstellingen bewegen: de ene wordt met de andere verbonden: kortom: we denken.

In GA 311 gebruikt Steiner het auto-koets- of treinbeeld zo:

GA 311/81

Der Mensch glaubt gewöhnlich, er habe die Zahlen ausgedacht, indem er immer eins zum andern hinzugefügt hat. Das ist aber gar nicht wahr, der Kopf zählt überhaupt nicht. Man glaubt im gewöhn­lichen Leben gar nicht, welch ein merkwürdiges, unnützes Organ für das Erdenleben dieser menschliche Kopf eigentlich ist. Er ist zur Schönheit da, gewiß, weil das Antlitz den anderen gefällt. Er hat noch mancherlei andere Tugenden, aber zu den geistigen Tätigkei­ten ist er eigentlich gar nicht so stark da, denn dasjenige, was er geistig

Gewoonlijk gelooft de mens dat hij de getallen uitgevonden heeft door aan het een telkens het andere toe te voegen. Dat is echter helemaal niet waar, het hoofd telt echt niet. Men gelooft in het dagelijks leven helemaal niet wat een merkwaardig, nutteloos orgaan dit menselijke hoofd eigenlijk is voor het aardse leven. Voor het mooie is hij er zeker wel, omdat de ander een gezicht aardig kan vinden. Het hoofd heeft nog allerlei andere deugden, maar voor de geestelijke activiteit is het eigenlijk helemaal niet zo sterk aanwezig, want hetgeen het geestelijk

GA 311/82

in sich hat, führt immer zurück in das frühere Erdenleben; er ist das umgestaltete frühere Erdenleben. Und einen richtigen Sinn hat es eigentlich nur dann für den Menschen, einen Kopf zu haben, wenn er etwas weiß von seinen früheren Erdenleben. Alles andere kommt gar nicht aus dem Kopf. Wir zählen nämlich in Wirklichkeit im Unter­bewußten nach den Fingern. In Wirklichkeit zählen wir 1-10 an den Fingern und 11, 12, 13, 14 an den Zehen weiter. Das sieht man zwar nicht, aber man macht das so bis 20. Und dasjenige, was man im Körper auf diese Weise tut, das spiegelt sich im Kopfe nur ab. Der Kopf schaut nur bei allem zu. Der Kopf im Menschen ist wirk­lich nur ein Spiegelungsapparat von dem, was der Körper macht. Der Körper denkt, zählt; der Kopf ist nur ein Zuschauer.

in zich draagt, gaat steeds terug op vorige aardelevens; het is het omgevormde vroegere aardeleven. En echt zin voor de mens om een hoofd te hebben, heeft het eigenlijk alleen maar, wanneer hij iets weet van zijn vroegere aardelevens. Al het andere komt helemaal niet uit het hoofd. We tellen namelijk in werkelijkheid onderbewust met de vingers. In werkelijkheid tellen we 1 – 10 met de vingers en 11, 12, 13, 14 met de tenen verder. Dat zie je weliswaar niet, maar dat doe je zo tot 20. En wat je op deze manier in je lijf doet, wordt in het hoofd alleen maar gespiegeld. Het hoofd kijkt bij alles alleen maar toe. Het hoofd van de mens is in werkelijkheid alleen maar een spiegelapparaat van wat het lichaam doet. Het lichaam denkt, telt; het hoofd is slechts toeschouwer.

Dieser Kopf hat eine merkwürdige Ähnlichkeit mit etwas anderem. Wenn Sie ein Auto haben und Sie sitzen bequeem darinnen, so tun Sie gar nichts, der Chauffeur da vorne muss sich plagen. Sie sitzen drinnen und werden durch die Welt gefahren. So ist es auch mit dem Kopf; der plagt sich nicht, der ist einfach auf ihrem Körper, lässt sich ruhig durch die Welt tragen und schaut allem zu. Dasjenige, was getan wird im geistigen Leben, das wird alles vom Körper aus gemacht. Mathematisiert wird vom Körper aus, gelacht wird vom Körper aus, gefühlt wird auch vom Körper aus.

Dit hoofd vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat anders. Wanneer je hier een auto hebt ( het wordt getekend – in het boek ontbreekt de tekening!) en u zit daar comfortabel in, dan doe je helemaal niets, de chauffeur op de voorstoel moet het moeilijke werk doen. U zit erin en wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat doet geen moeite, dat zit alleen maar op je lijf, laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alles aan. Wat aan geestelijk leven wordt verricht komt allemaal vanuit het lichaam. Wiskunde komt vanuit het lichaam, ook denk je vanuit het lichaam en ook voel je ervanuit.
GA 311/81-82
Op deze blog vertaald/81-82

In GA 205:

blz. 149

Die mathematische Region gehört uns nicht einmal bloß als ruhendem Menschen an, sondern als herumgehendem Menschen. Wir bewegen uns ja immer irgendwie in ma­thematischen Figuren. Wenn wir das äußerlich ansehen an einem herum­gehenden Menschen, so sehen wir etwas Räumliches; wenn wir es inner­lich erleben, erleben wir die uns innerliche Mathematik, die eine kosmische ist, nur dass das Kosmische uns auch aufbaut. Die Raumesrichtun­gen, die wir draußen haben, die bauen uns auch auf, und in uns erleben wir sie. Und indem wir sie erleben, abstrahieren wir sie, nehmen die Bilder, die sich im Gehirn spiegeln, und verweben sie mit dem, was sich äußerlich räumlich in der Welt uns zeigt.

Het gebied van de wiskunde is niet alleen iets wat bij de rustende mens hoort, maar bij de mens die rondloopt. Op de een of andere manier bewegen wij ons altijd in wiskundige figuren. Wanneer we daar uiterlijk naar kijken bij iemand die rondloopt, zien we iets uiterlijks; wanneer we het innerlijk beleven, beleven we de innerlijke wiskunde in ons die kosmisch is, met dien verstande dat het kosmische ons ook opbouwt. De ruimtelijke richtingen die we in de buitenwereld hebben, bouwen ook ons op en in ons worden we die gewaar. En wanneer we ze beleven, abstraheren we ze, nemen de beelden waar die in de hersenen gespiegeld worden en we vervlechten ze met wat zich uiterlijk ruimtelijk in de wereld aan ons vertoont.
GA 205/149
Niet vertaald

Daarmee wordt Steiners uitspraak op blz. 58 wat begrijpelijker:

Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. Warum kann der Mensch zum Beispiel Geometrie ausbilden? ( * ) Der Mensch also bildet Geometrie aus. Wodurch aber bildet er zum Beispiel die Vorstellung eines Dreiecks aus? Wer wirklich über diese Tatsache nachdenkt, daß der Mensch die Vorstellung des Dreiecks ausbildet, der muß etwas Wunderbam darin finden, daß der Mensch das Dreieck, das abstrakte Dreieck, das im konkreten Leben nirgends vorhanden ist, rein aus seiner geometrisch-mathematischen Phantasie heraus ausbildet. Es liegt vieles Unbekannte zugrunde den Geschehnissen der Welt, die offenbar sind. Denken Sie sich zum Beispiel an einem bestimmten Platze dieses Zimmers stehend. Sie führen zu gewissen Zeiten als übersinnliches Menschenwesen merkwürdige Bewegungen aus, von denen Sie für gewöhnlich nichts wissen, ungefähr in der Art: Sie gehen ein Stückchen nach der einen Seite, dann gehen Sie ein Stückchen zurück, und dann

De mens ontwikkelt dus geometrie. En waardoor ontwikkelt hij bijvoor­beeld de voorstelling van een driehoek? Wie werkelijk nadenkt over het feit dat de mens zich een voorstelling vormt van de driehoek, moet het wel wonderbaarlijk vinden dat de mens de driehoek – de abstracte driehoek, die in het concrete leven ner­gens bestaat – zuiver vanuit zijn geometrisch-mathematische fantasie construeert. Aan zintuiglijk waarneembare gebeurte­nissen liggen veel onbekende oorzaken ten grondslag. Stelt u zich bijvoorbeeld voor dat u op een bepaalde plaats in deze kamer staat. De bovenzinnelijke mens in u° voert op bepaalde tijden merkwaardige bewegingen uit waar u gewoonlijk geen weet van heeft. Dat gaat ongeveer zo: u gaat een stukje naar de ene kant, dan gaat u een stukje terug

°De bovenzinnelijke mens in u: Zie ook de achtste voordracht. [nog niet oproepbaar]

kommen Sie wieder an Ihrem Platze an. Eine unbewußt bleibende Linie im Raume, die Sie beschreiben, verläuft tatsächlich als eine Dreiecksbewegung. Solche Bewegungen sind tatsächlich vorhanden, Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen.

en dan komt u weer op uw plaats terug. De lijn die u in de ruimte beschrijft blijft on­bewust en verloopt inderdaad als een driehoeksbeweging. Zul­ke bewegingen bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggegraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden.
GA 293/58-59
Vertaald/58-59

(*) Hier merkt Steiner op:

Die höheren Tiere haben keine Geometrie; das sieht man ihrer Lebensweise an. Es ist nur ein Unsinn, wenn manche Leute sagen: Vielleicht haben die höheren Tiere auch Geometrie, man merkt es vielleicht nur nicht.

De hogere dieren hebben geen geometrie; dat ziet men aan hun levenswijze. De bewering van sommige mensen dat de hogere dieren misschien ook geometrie kennen maar dat men het misschien alleen niet merkt, is onzinnig.

En even verderop:

Sie nehmen sie nur nicht wahr, aber dadurch, daß Ihr Rückgrat in die Vertikale gerückt ist, sind Sie in der Ebene drinnen, in der diese Bewegungen verlaufen. Das Tier ist nicht in dieser Ebene drinnen, es hat sein Rückenmark anders liegen; da werden diese Bewegungen nicht vollführt. Indem der Mensch sein Rückenmark vertikal stehen hat, ist er in der Ebene, wo diese Bewegung ausgeführt wird. Zum Bewußtsein bringt er es sich nicht, daß er sich sagte: Ich tanze da fortwährend in einem Dreieck. – Aber er zeichnet ein Dreieck und sagt: Das ist ein Dreieck! – In Wahrheit ist das eine unbewußt ausgeführte Bewegung, die er im Kosmos vollführt.
Diese Bewegungen, die Sie in der Geometrie fixieren, indem Sie geometrische Figuren zeichnen, führen Sie mit der Erde aus. Die Erde hat nicht nur die Bewegung, welche sie nach der Kopernikanischen Weltansicht hat: sie hat noch ganz andere, künstlerische Bewegungen, die werden da fortwährend ausgeführt.

Zul­ke bewegingen [lijnen die door ons in de ruimte worden beschreven – zie boven] bestaan werkelijk. U neemt ze alleen niet waar. Maar doordat uw ruggengraat een verticale stand heeft, bevindt u zich in het vlak waarin deze bewegingen plaatsvinden. Het dier bevindt zich niet in dit vlak – zijn ruggengraat neemt een andere positie in, waarin deze bewegingen niet uitgevoerd wor­den. Doordat de ruggengraat van de mens verticaal staat bevindt de mens zich in het vlak waarin deze bewegingen volvoerd worden. De mens wordt zich dit niet bewust; men zegt niet: ik dans voortdurend in een driehoek. Maar de mens tekent een driehoek en zegt: dat is een driehoek! In werkelijkheid is dat een onbewuste beweging die de mens in de kosmos uitvoert.

Und noch viel kompliziertere Bewegungen werden aus- geführt, solche Bewegungen zum Beispiel, die in den Linien liegen, welche die geometrischen Körper haben: der Würfel, das 0ktaeder, das Dodekaeder, das Ikosaeder und so weiter. Diese Körper sind nicht erfunden, sie sind Wirklichkeit, nur unbewußte Wirklichkeit. Es liegen in diesen und in noch anderen Körperformen merkwürdige Anklänge an dieses für die Menschen unterbewußte Wissen. Das wird dadurch herbeigeführt, daß unser Knochensystem eine wesentliche Erkenntnis hat; aber Sie reichen nicht mit Ihrem Bewußtsein bis zum Knochensystem hinunter. Das Bewußtsein davon erstirbt, es wird nur reflektiert in den Bildern der Geometrie, die der Mensch da als Bilder ausführt. Der Mensch ist recht sehr eingeschaltet in den Kosmos. Indem er die Geometrie ausbildet, bildet er etwas nach, was er selbst im Kosmos tut.

Deze bewegingen die u in de geometrie vastlegt door geometri­sche figuren te tekenen voert u samen met de aarde uit. De aarde heeft niet alleen de beweging die ze volgens de theorie van Copernicus heeft, ze heeft nog heel andere, kunstige bewe­gingen die voortdurend worden uitgevoerd. En er worden nog veel ingewikkelder bewegingen uitgevoerd, bijvoorbeeld bewe­gingen volgens de lijnen van de geometrische lichamen:0 de kubus, de octaëder, de dodecaëder, de icosaëder enzovoort. Deze lichamen zijn niet uitgevonden, ze zijn werkelijkheid, alleen onbewuste werkelijkheid. In deze en in nog andere geo­metrische vormen zijn merkwaardige overeenkomsten te vin­den met dit voor de mens onbewuste weten. Dat wordt veroor­zaakt doordat onze botten een wezenlijk inzicht hebben; maar uw bewustzijn reikt niet tot in de botten. Het bewustzijn van die kennis sterft; die wordt alleen weerspiegeld in de beelden van de geometrie die de mens daar als beelden ten uitvoer brengt. De mens is werkelijk zeer verbonden met de kosmos. Door de geometrische vormen te ontwikkelen bootst de mens na wat hij zelf in de kosmos doet.
GA 293/59-60
Vertaald/59

0 geometrische lichamen: De z.g. vijf platonische lichamen zijn regelmatige veelvlakken, opgebouwd uit gelijkzijdige driehoeken (tetraëder, oc­taëder, icosaëder), vierhoeken (kubus) of vijfhoeken (dodekaëder). Zie Paul Adam / Arnold Wyss, Platonische und Archimedische Körper, ihre Sternformen und polaren Gebilde, Bern / Stuttgart 1984.

Over deze platonische lichamen: (nog niet oproepbaar)

 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 29

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1766

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 3 (3-8)

.

Enkele gedachten bij blz. 58 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Nadat Steiner op blz. 57 over botten en zenuwen heeft gesproken [3-7], maakt hij nog drie ‘uitstapjes’ waarin botten en zenuwen een rol spelen.
Rachitis [nog niet oproepbaar] en het oog [nog niet oproepbaar] en op blz. 58 brengt hij botten en zenuwen in verband met het abstracte denken.

blz. 58 (vert)

Die Alten haben in ihrem Wissen immer eine Verwandtschaft gefühlt zwischen dem Nervenmark, der Nervensubstanz und dem Knochenmark oder der Knochensubstanz, und sie sind der Meinung gewesen, daß man mit dem Knochenteil ebenso denkt wie mit dem Nerventeil. Das ist auch die Wahrheit. Wir verdanken alles, was wir an abstrakter Wissenschaft haben, der Fähigkeit unseres Knochensystems. 

De mensen in de oudheid hebben in hun kennis altijd een verwantschap gevoeld tussen het zenuwmerg, de substantie van de zenuwen, en het merg in botten, de substantie van het bot. Ze waren van mening dat men evenzeer met de botten denkt als met de zenuwen. Dat is ook de waarheid. Alle abstrac­te wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Steiner doet heel vaak uitspraken die we moeilijk kunnen verifiëren. Waar zouden we b.v. ‘in de oudheid’ kunnen vinden wie ‘de mensen’ zijn die deze verwantschap gevoeld hebben en wat voelden ze dan en waaruit blijkt dat?

Hadden we tot nog toe de indruk dat het abstracte denken gebonden is aan het zenuwstelsel – de uitleg daarvan neemt een aanzienlijke plaats in in de 2e voordracht [b.v. in 2-4], nu moeten we proberen te begrijpen dat het ook met het bottenstelsel samenhangt.

Ik heb al eerder opgemerkt dat Steiner telkens weer terugkomt op wat hij eerder en in ander verband al eens heeft besproken en dat hij, wanneer hij er dan weer op terugkomt, telkens een andere invalshoek kiest, andere aspecten belicht.
Zo komt dit onderwerp ook ter sprake in GA 128, voordracht 7, van 27 maart 1911.

Zo weten we inmiddels dat de drie psychische functies: denken, voelen en willen, hun lichamelijke uitdrukking vinden in het zenuw-zintuigstelsel, in ademhaling-bloedomloopstelsel en het stofwisseling-ledematenstelsel. [drieledige mens 2-8]

Alle activiteiten van deze psychische functies oefenen hun invloed uit op hun lichamelijke component; zijn er voor een (groot) deel afhankelijk van, beïnvloeden elkaar wederzijds.

In bovengenoemde voordracht behandelt Steiner het denken en hoe dit zijn invloed heeft op het fysieke lichaam.

blz. 132

Jedem denkerischen Vorgange entspricht ein Vorgang in unserem Organismus, ebenso jedem Gefühlsvorgange und ebenso jedem Vor-gange, der mit dem Ausdruck Willensimpuls bezeichnet werden muß. Gleichsam könnten wir sagen: Wenn in unserem Seelenleben etwas vorgeht, wird eine Welle angeschlagen, die sich bis hinunter in den physischen Organismus fortpflanzt. 

Bij ieder denkproces hoort een activiteit in ons organisme, evenzo bij ieder gevoelsproces en bij ieder proces dat met de uitdrukking van de wilsimpuls bestempeld moet worden. We kunnen dus zeggen: wanneer er in ons zielenleven iets plaatsvindt, wordt er een golf in beweging gebracht die zich tot in het fysieke organisme voortplant.

Nehmen wir zunächst den Vorgang des Denkens. Da ist es am besten, einen solchen Gedanken-prozeß ins Auge zu fassen, der wie das rein mathematische Denken oder ein ähnliches objektives Denken unsere Gefühle und unseren Willen unbeeinflußt läßt. Solche Gedankenprozesse, die denkerische Prozesse «in Reinkultur» sind, wollen wir zunächst ins Auge fassen. Was geht in unserem Organismus vor, wenn sich solche Gedanken-prozesse in unserem Seelenleben abspielen? Jedesmal, wenn wir den­ken, wenn wir Gedanken fassen, findet in unserem Organismus ein Prozeß statt, den wir vergleichen können – ich sage das nicht als Analogie, sondern als eine Tatsache, der Vergleich soll uns auf Tatsa­chen führen -, den wir vergleichen können mit dem Prozeß einer Kristallisation. Wenn wir in einem Glase Wasser haben, das bis zu einem gewissen Grade erwärmt ist, und darin irgendein Salz, Stein­salz zum Beispiel, aufgelöst haben und bringen nun durch Abküh­lung des Wassers dieses aufgelöste Salz zur Kristallisation, dann vollzieht sich der der Auflösung entgegengesetzte Prozeß. Wenn das Salz ganz aufgelöst ist, ist das Wasser durchsichtig. Wenn aber das Wasser wieder abgekühlt wird und der der Auflösung entgegenge­setzte Prozeß im Wasser sich vollzieht, dann wird das Salz wieder herauskristallisiert aus dem Wasser; es geschieht eine Salzrückbil­dung, eine Salzeinlagerung im Wasser. Der Prozeß stellt sich also so

Laten we eerst het denkproces nemen. Nu is het het beste naar een denkproces te kijken dat als een puur wiskundig denken of een soortgelijk objectief denken, niet van invloed is op onze gevoelens en onze wil. [ ] Wat gebeurt er wanneer dergelijke denkprocessen zich in ons zielenleven afspelen? Iedere keer als we denken, wanneer we gedachten formuleren, vindt er in ons organisme een proces plaats dat we kunnen vergelijken – ik zeg dit niet als een analogie, maar als een feit, de vergelijking moet ons bij de feiten brengen – met een kristallisatieproces.
Wanneer we een glas met water hebben dat een bepaalde warmte heeft en er zit zout in, steenzout b.v. dat we opgelost hebben en we laten het afkoelen, dan komt het tot kristalvorming, er voltrekt zich een proces precies tegenovergesteld aan dat bij het opwarmen. Wanneer het zout helemaal opgelost is, is het water doorzichtig. Wanneer het echter weer afgekoeld wordt en het tegenovergestelde proces voltrekt zich, dan wordt het zout weer tot kristallen; er vindt zoutvorming plaats, een zoutafzetting in het water.

blz. 133

dar, daß wir sehen: In dem vorher warmen Wasser entsteht, wenn wir es abkühlen, ein Festes; es lagert sich im Flüssigen ein Festes ein, eine Salzablagerung. Wie gesagt, ich habe vorausgesetzt, daß durch die Angaben okkulter Resultate derjenige, der nur pedantisch im rein philiströsen Sinne die Tatsachen zugeben will, die von der Wissen­schaft registriert sind, zunächst schockiert werden kann.

Het proces doet zich zo voor dat wij zien: in het van te voren warm gemaakte water ontstaat, wanneer we het afkoelen, iets wat vast is; in het vloeibare zet zich iets wat vast is af, een zoutafzetting. [ ]

Ein ganz gleicher Prozeß spielt sich nun ab in unserem Organis­mus, wenn wir denken. Es ist der Prozeß des Denkens entsprechend einem Einlagerungsprozeß von Salzen, der ausgeht von einer Wir­kung unseres Blutes und der irritierend zurückwirkt auf unser Ner­vensystem, ein organischer Prozeß also, der sich abspielt an der Grenze unseres Blutes und unseres Nervensystems. Und geradeso, wie wir beim Anschauen des Wassers in dem Wasserglase das Aus­kristallisieren des Salzes beobachten können, so können wir sehen, wenn wir einen Menschen beobachten, der in der befriedigenden Lage ist zu denken, wie sich in der Tat – für das hellseherische Auge sehr genau übersinnlich wahrnehmbar – ein solcher Prozeß abspielt. So haben wir das physische Korrelat des Denkprozesses einmal vor unsere Seele hingestellt.

Een soortgelijk proces speelt zich af in ons organisme als we denken. Het is een afzettingsproces van zouten dat bij het proces van denken hoort, dat uitgaat van een werking van ons bloed dat irriterend terugslaat op ons zenuwsysteem, een organisch proces dus, dat zich afspeelt op de grens van ons bloed en ons zenuwsysteem. En net zoals we bij het kijken naar het water in het glas het kristalliseren van het zout kunnen zien, kunnen we, wanneer we naar een mens kijken die in de gelukkige omstandigheid van het denken verkeert, waarnemen hoe zich – voor de helderziende blik zeer nauwkeurig bovenzinnelijk waar te nemen – zo’n proces voltrekt. Nu hebben we ons het fysieke correlaat van het denkproces voor de geest gesteld.

Steiner geeft in deze voordracht ook aan wat voor lichamelijk correlaat voelen en willen hebben.

Voor het denken zegt hij dan:

Von der Salzablagerung bis zur Quellbar­keit und zur Erwärmung spielen sich diese Prozesse so ab, daß der ganze Organismus ergriffen wird oder auch, zum Beispiel beim denkerischen Prozeß, hauptsächlich ein Teil unseres Organismus, Gehirn und Rückenmarksystem. In der mannigfaltigsten Weise im menschlichen Organismus verteilt sind diese Prozesse, welche Folgen der Einwirkung der seelischen Prozesse sind.

[ ] bij het denkproces spelen zich de processen van de zoutvorming zich hoofdzakelijk af in de hersenen en het ruggenmergsysteem.
GA 128/132
Niet vertaald

Als Steiner hierboven aangeeft dat hij hier naar het denken kijkt wanneer het actief is bij wiskundig denken of objectief denken, zegt hij daar niet met zo veel woorden dat het Ik dan heel actief moet zijn.
Dat doet hij later in de voordracht wel:

blz. 139

Fassen wir die Sache noch von einem anderen Gesichtspunkt ins Auge. Wir wissen ja jetzt, daß alles, was wir als bewußte Denktätig­keit, die vom Ich bewirkt wird, bezeichnet haben, sich zum Aus­druck bringt durch eine Art von feinster Salzablagerung im Blut. Es gibt sich also das bewußte Denken zu erkennen durch eine Art von innerer Salzablagerung.

Laten we de zaak nog eens van een andere kant bekijken. We weten nu dat alles wat we de bewuste denkactiviteit genoemd hebben die van het Ik uitgaat, zich manifesteert door een soort fijne zoutafzettingen in het bloed. Het bewuste denken geeft zich te kennen door een manier van inwendige zoutafzetting.

In Theosofie GA 9, blz. 34 merkt Steiner over het lichaam op:

Der Menschenleib hat einen dem Denken entsprechenden Bau. Dieselben Stoffe und Kräfte, die auch im Mineralreich vorhanden sind, finden sich im menschlichen Leib so gefügt, daß sich durch diese Zusammenfügung das Denken offenbaren kann. Dieser mineralische, in Gemäßheit seiner Aufgabe gebildete Bau soll für die folgende Betrachtung der physische Körper des Menschen heißen.
Der auf das Gehirn, als seinen Mittelpunkt, hingeordnete mineralische Bau entsteht durch Fortpflanzung und erhält seine ausgebildete Gestalt durch Wachstum.

Het menselijk lichaam is zodanig gebouwd dat het zich leent tot het denken. Dezelfde grondstoffen en krachten die men in het mineralenrijk vindt, zijn in het menselijk lichaam zodanig aanwezig en samengevoegd, dat daardoor het denken zich kan openbaren. Deze minerale opbouw, geheel tot stand gekomen volgens eisen die door zijn bestemming gesteld worden, [ ] wordt het fysieke lichaam genoemd.
De op de hersenen – als middelpunt – gerichte minerale opbouw komt tot stand door voortplanting en krijgt zijn uiteindelijke gestalte door groeien.

Over deze minerale opbouw zegt hij dan verder:

Wir können daher also erwarten, daß da, wo aus dem Kosmischen heraus unser Knochensystem vorgebildet wird, so daß der Organismus die materielle Stütze bilden kann für den Menschen als denkerisches Wesen, wir auch den physischen Prozeß einer Salzablagerung finden müßten. Wir müßten also Salzablagerun-gen im Knochensystem finden können; und tatsächlich bestehen die Knochen zum Teil aus phosphorsaurem und kohlensaurem Kalk, also aus abgelagerten Kalksalzen.

We mogen dus verwachten dat daar waar vanuit de kosmos ons bottensysteem voorgevormd is zodat het organisme de stoffelijke steun kan vormen voor de mens als denkend wezen, we ook het fysieke proces van een zoutafzetting moeten kunnen vinden. We moeten dus zoutafzetting kunnen vinden in het bottensysteem en inderdaad: de botten bestaan voor een deel uit fosforzure en koolzure kalk, dus uit afgezette kalkzouten.
GA 128/139-140
Niet vertaald

In GA 212, blz. 62 benadert Steiner de botten vanuit het vierledig mensbeeld, nu in samenhang met de ‘aggregatietoestanden’ :

Wir können sagen: Das Ich greift in den Wärmezustand ein, der astralische Leib in den gasförmigen Zustand, der Atherleib in den flüssigen Zustand; nur das Feste bleibt unangetastet. Da geht es nicht herein. Den­ken Sie sich einmal das, wie es nun im menschlichen Organismus ist: Hier haben wir das Gehirn, aber das ist noch wässerig. Jetzt sind da darinnen feste Bestandteile. Da, sagte ich, geht das Seelische nicht herein. … Das, was wir Festes in uns haben, sind ja immer salzartige Ablagerungen. Un­sere Knochen sind nur Bestandteile solcher Ablagerungen. Aber in unse­rem Gehirn geschehen fortwährend ganz feine, sich immer wieder auflö­sende Ablagerungen. Ich möchte sagen: In unserem Gehirn ist immer die Tendenz vorhanden, sich einfach zu solchen Knochen zu bilden, das Ge­hirn ganz knöchern zu machen; es löst sich nur immer wieder auf, weil alles beweglich ist. Sodass, wenn wir gerade das Gehirn betrachten, da
haben wir also zunächst die Wärmezustände des Gehirns, da drinnen lebt die Luft, die fortwährend ein- und ausgeatmet wird, aber die ins Gehirn­wasser heraufspielt; der astralische Leib lebt darinnen. Wir haben das Gehirnwasser; der ätherische Leib lebt darinnen. Jetzt bekommen wir das Feste. Da kann das Seelische nicht herein. Es kann nicht herein, indem wir in uns Salze ablagern. … Bedenken Sie: Da stehen Sie als Mensch. Da haben Sie Ihren Orga­nismus. Da haben Sie in Ihrem Organismus die Wärme, das Gasförmige, das Flüssige: da kann Ihr Seelisches überall herein. Aber da ist etwas drinnen, in das IhrSeelisches nicht herein kann. Das ist so, wie wenn Sie hier allerlei Gegenstände haben, die vom Lichte bestrahlt werden, das Licht wieder zurückwerfen. Sie haben 

We kunnen zeggen: het Ik grijpt in in de warmtetoestand, het astraallijf in het gasvormige, het etherlijf in het vloeibare, alleen het vaste blijft onaangeroerd. Daar gaat niets in. Stel je voor hoe het in het menselijk organisme zit: hier zijn de hersenen, maar die zijn nog waterig. Nu zijn daar ook vaste bestanddelen. Ik zei dat daar de ziel niet in kan.  En wat wij aan vaste stof in ons hebben, zijn steeds zoutachtige afzettingen. Onze botten zijn alleen maar delen van zulke afzettingen. Maar in onze hersenen worden steeds voortdurend heel fijne, steeds zoutachtige afzettingen, opgelost. In onze hersenen is steeds de tendens aanwezig om zich om te vormen tot dergelijke botten, het brein steeds botachtig te maken; maar steeds wordt dit opgelost, omdat alles in beweging is. Dus als we naar de hersenen kijken, hebben we daar allereerst de warmtetoestand van de hersenen, daar zit ook de lucht die voortdurend in – en uitgeademd wordt, die op het hersenwater werkt; daar leeft het astraallijf in. En dan hebben we het hersenwater waarin het etherlijf leeft. Nu nemen we het vaste. Daar kan de ziel niet in. Dat kan niet, omdat we daar zout afzetten.[ ] Dus je hebt in het organisme de warmte, het luchtachtige, het vloeibare: overal kan de ziel in. Maar we hebben iets, daar kan de ziel niet in. Daarbij is het net of we hier allerlei voorwerpen hebben die door het licht beschenen worden, het licht weer terugkaatsen. Je hebt

blz. 63

eine Spiegelfläche, da kann das Licht nicht durch, wird zurückgestrahlt. So haben Sie in sich Ihren festen Salzorganismus. Da kann das Seelische nicht herein, da wird das Seelische fortwährend zurückgestrahlt. Ja, wenn Sie das nicht hätten, so würden Sie zunächst überhaupt gar kein Bewusstsein haben können, denn das, was Sie nun in sich als Bewusstsein haben, das sind die von Ihrem Salzorganismus zurückgestrahlten Seelenerlebnisse.

een spiegelend vlak en daar kan het licht niet doorheen, dat wordt teruggestraald. Nu heb je in je een vast zoutorganisme. Daar kan de ziel niet doorheen, het wordt voortdurend teruggestraald. En wanneer je dat niet had, zou je absoluut helemaal geen bewustzijn kunnen hebben, want wat je als bewustzijn in je hebt, zijn de zielenbelevingen die door het zoutorganisme worden teruggstraald.

Diejenigen, die hineingehen in Ihr Ich, in Ihren gasförmigen Organismus, in Ihren flüssigen Organismus, die erleben Sie zunächst nicht. Erst weil überall das, was da in der Wärme, was in dem Gasförmigen, was in dem Flüssigen als Seelen-leben vor sich geht, ebenso wie die Lichtstrahlen vom Spiegel zurück-geworfen werden, am Salz zurückgeworfen wird, erst dadurch erleben Sie das, was Seelisches ist. Dadurch haben Sie diese innerliche Spiege­lung, die nun innen als Vorstellungen lebt.

De zielenbelevingen die je Ik binnengaan, je gasvormige, je vloeibare organisme die beleef je in eerste instantie niet. Pas als overal wat in de warmte, in het luchtachtige, in het vloeibare als zielenleven plaatsvindt, net zo als de lichtstralen door de spiegel teruggekaatst worden, door het zout teruggekaatst wordt, pas dan beleef je wat ziel is. Daarom heb je deze inwendige spiegeling die binnen in je als voorstelling leeft.
GA 212/62-63
Niet vertaald

Hier zijn we weer even terug in voordracht 2, voorstelling en spiegeling [2-2-2]

Wat de ziel beleeft – de zielenbelevingen- zijn in dit kader: denken, voelen en willen, waarbij nu de nadruk ligt op het denken als zielenkwaliteit. 
Via ‘een omweg’ hebben we nu meer zicht op de zin: alle abstracte wetenschap hebben we te danken aan het vermogen van ons botstelsel.

Leber merkt op: [7]

De zoutprocessen met hun mogelijkheid tot kristalliseren vind je niet alleen in het zenuwsysteem, maar in sterkere mate nog in het bottenstelsel; daardoor worden processen in gang gezet die meer dichtheid en vastheid veroorzaken. Deze verdichting, die steeds vergezeld gaat met ontvitalisering, hangt ook steeds samen met bewustworden. Zo gaat in de ontwikkeling van de mens tegelijk met groei ook vaak een sterke mineraliseringsimpuls gepaard, b.v. bij het ontstaan van de blijvende tanden waarvan het tandglazuur niet alleen harder is dan dat van de melktanden, maar ook van dat bij de mensapen. Zowel de myelinevorming alsook de vorming van de tanden en het kalkvormingsproces van de botten betekenen – aldus Wolgang Schad [4] een steun voor het bewustzijn. Bij de botvorming is calciumhydroxilfosfaat ? betrokken en wanneer de structuur daarvan met röntgenstralen wordt onderzocht vertoont het een anorganische kristalstructuur.

Met de tandenwisseling en de eerste gestalteverandering ontstaat bij het kind dat het zich willekeurig iets kan gaan voorstellen, volgens Piaget/Inhelder [5]. Zijn denken verandert van een aanschouwelijk-symbolisch denken in het logisch concrete.
Ook met de groei-impuls bij de puber – die met een duidelijke lengtegroei gepaard gaat – verandert het intellectuele vermogen, voor zover het abstract logische operaties betreft en ontstaat de toenemende zelfstandigheid van het oordelen, de mondigheid [4]
Met de afsluiting van de groei van het skelet, ontstaat de persoonlijkheidsrijpheid.
Het gaat niet om rijpingsprocessen van de hersenen, maar om toenemende synthetiserende prestaties van het bewustzijn. [4]
Ook het actieve inzetten van het ledematenskelet opent bijzondere denkkwaliteiten: lichamelijke beweging kan, zoals de ervaring* leert, tot bijzondere gedachten en invallen leiden, zoals ook grote onderzoekers als b.v. Helmholz of Gauss bevestigen. [6]

*Omdat ik een fervent wandelaar ben, kan ik deze zin bevestigen: al vele keren wist ik na een dagwandeling aan het eind van de dag een oplossing, een antwoord voor een probleem of op een vraag waarmee ik mij gedeurende de wandeling bezighield.
Ik denk dat de wandelcoach – bewust of onbewust – van deze wijsheid gebruik maakt.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Schad ‘Die menschliche Nervenorganisation‘ 1, blz. 291
[5] Piaget ‘Die Psychologie des Kindes 
[6] Copei ‘Der fruchtbare Moment im Bildungsprozess
[7] Leber ‘Kommentar Allg. Menschenkunde‘ deel 1 blz. 444

.

Algemene menskunde: voordracht 3 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1752

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.