Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Plantkunde 5e klas – krokus

.
Omdat de krokus bij de plantkunde in klas 5 meestal (even) ter sprake komt, zijn hier nog enige aanvullende gezichtspunten.
De geneeskundige aspecten zijn niet voor in de klas.

Petra Essink, Antroposofisch Magazine, februari 2019 nr. 13
.

De krokus

.

Krokus

Latijnse naam: krokus
Engelse naam: flower of St Valentine

Familie: Iridacea (lissenfamilie)

Standplaats: zonnig, humusrijke, goed waterdoorlatende bodem

Bloei: februari-maart

Kenmerken: de krokus is geen bolgewas (zoals het sneeuwklokje, de tulp of de narcis), maar een knolgewas. De krokus houdt van het getal drie: hij heeft drie stampers en drie meeldraden, drie binnenste bloemblaadjes en drie buitenste bloemblaadjes.

Herkomst: krokussoorten zijn inheems in Zuid- en Zuidoost-Europa, Noord-Afrika, Turkije, Centraal Azië en China. Van daaruit zijn ze vanaf de 16e eeuw naar West-Europa gebracht.

De krokus is een voorjaarsverkondiger bij uitstek, alleen het sneeuwklokje bloeit eerder. Met zijn lila, paars, geel of witgekleurde kelkje veroorzaakt hij gemakkelijk gevoelens van blijdschap en opluchting; de winter is voorbij!
Er bestaan minstens honderd verschillende krokussoorten. Een daarvan is de saffraankrokus. Een unieke krokus die met zijn bloedrode stampers niet alleen eten kan kruiden en kleuren, maar ook een bijzondere medicinale werking heeft, die je zou kunnen samenvatten als: het in beweging brengen van het bloed.

Als je de groei van een krokus goed bestudeert, vallen er een paar dingen op. Allereerst volgt het braaf aandoende plantje, dat het best tot zijn recht komt in een grote groep andere krokussen, niet de normale van-blad-naar-bloem-groeivolgorde. Zeker, net als alle andere planten vormt hij eerst een paar kleine groene blaadjes, maar dan lijkt het of hij zijn bladontwikkeling stilzet om al heel vroeg in zijn ontwikkeling een of meerdere witte bloeistengels – die bestaan uit vergroeide bloemblaadjes – te vormen. Hij begeeft zich dus al heel snel in bloeisferen, alsof hij haast heeft zijn bloempje te tonen. Er gaat veel werk zitten in het vormen van die opvallend lange bloembuis. Daardoor duurt het toch nog een poosje voor hij daadwerkelijk kan gaan bloeien. Anders dan de meeste andere planten die hun vruchtbeginsel direct onder de gekleurde bloemblaadjes aanleggen, moet je het bij de krokus ondergronds zoeken, helemaal onderin die bloemstengel. Als je eens heel behoedzaam een krokus [gedeeltelijk] uitgraaft en je die witte bloeisteel van boven naar beneden aftast tussen je duim en wijsvinger, kun je vlak onder het aardoppervlak dat vruchtbeginsel (en in een later stadium de zaadjes] voelen als een piepklein bobbeltje. Het stuifmeel, dat de bijen bij de bloeiende krokus achterlaten, heeft er nog een hele klus aan om zich een weg te banen naar dit vruchtbeginsel. Al met al wordt de haastige krokus in het proces van tot bloei komen en bevrucht worden in zijn bloeidrift dus beproefd met een paar ‘vertragende obstakels’. Als de krokus bij voldoende warmte en zonlicht eenmaal zijn bloempje(s] opent, doet hij dat vol overgave, zo’n acht dagen lang. Om ze steeds ’s nachts en bij donker weer weer even te sluiten. Pas na de bloei groeien de parallelnervige miniblaadjes, waarvan sommige soorten een mooie zilverkleurige middennerf hebben, uit tot volwaardige krokusblaadjes. 

Antroposofisch arts Zoltan Schermann

“De krokussoort die meestal gebruikt wordt in de geneeskunde, zowel de antroposofische, de oosterse als de reguliere geneeskunde, is de saffraankrokus [Lat. crocus sativus].
De saffraankrokus bloeit, eigenwijs genoeg, niet in de lente, maar in de herfst. Saffraan kennen de meeste mensen alleen als specerij. Het zijn de opvallende,
bloedrode stampers – drie per bloem – die daarvoor worden gebruikt. De oogst en verwerking van saffraan is geweldig arbeidsintensief. Daardoor is het een heel kostbare specerij, ook wel ‘het rode goud’ genoemd.

Saffraan als ‘bloedbeweger’

“In de oosterse geneeskunde noemt men de krokus een ‘bloedbeweger’. Hij wordt bijvoorbeeld toegepast bij zogenaamde veneuze stuwingen die heel pijnlijk kunnen zijn. De krokus heeft de kracht om het bloed weer in beweging te brengen op plaatsen waar de bloedstroom stagneert. Zoals bij bepaalde menstruatieklachten, met name wanneer de menstruatie pijnlijk is. Als het menstruatiebloed zwart is of klontert wijst dat ook op het stagneren van de bloedstroom. In de antroposofische medicinale toepassing wordt gewoonlijk de hele krokus gebruikt. Het plantje wordt niet alleen bij menstruatieklachten maar ook bij spijsverteringsproblemen, zoals maagklachten (een maagzweer bijvoorbeeld) en diarreeachtige ontregeling van de darmen voorgeschreven. In de regel schrijf ik een samengesteld medicament voor waarin de krokus verwerkt is. Een ander voorbeeld van een gestagneerde bloedstroom zijn spataderen, die – met name als ze ontstoken zijn – ook bijzonder pijn kunnen doen. In dat geval schrijf het genoemde middel voor als zalf.
Goedaardige gezwelvorming, zoals vleesbomen’ (myomen) in de baarmoeder en zwellingen in de schildklier, hebben ook te maken met het stagneren van het bloed. Bij dergelijke problemen, waarbij de stagnatie nog ‘fysieker’ is, gebruik je alleen de knol van de krokus, in gepotentieerde vorm.

In de Chinese geneeskunde wordt de saffraan, vanwege de hoge kostprijs, soms vervangen door de goedkopere saffloer die een vergelijkbare werking heeft. De saffloer is een astersoort (carthamus tinctorius) die wel de medicinale aspecten van de saffraan heeft, maar niet de specerij-eigenschappen.”

Bij hormoongerelateerde stemmingsschommelingen

“Vanuit de reguliere geneeskunde, waar men zich richt op de concrete inhoudsstoffen van de plant, zijn er aanwijzingen dat de saffraankrokus iets doet bij depressie. Zowel in de klassieke homeopathie als in de antroposofische geneeskunst wordt hij voorgeschreven aan vrouwen met hormoongerelateerde stemmingsklachten, zoals het premenstruele syndroom. Of bij de uitvergrote versie daarvan: de postnatale depressie.’

Zoltan Schermann is consultatief antroposofisch arts 

.

Planten: vele afbeeldingen en beschrijvingen uit Weledaberichten

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld5e klas: plantkunde

.

3085-2899

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Draken verslaan met Michaël

Strijdbaar de herfst in

Op vrijescholen vieren de kinderen op 29 september het Michaëlsfeest, een roerig en vrolijk herfstfeest gebaseerd op de legende van de aartsengel Michaël die de draak verslaat. Soms heeft het elementen van een oogstfeest, zoals een draak die van vruchten is gemaakt. De nazomer en vroege herfst stemmen ons vrolijk vanwege hun kleurigheid en overvloed. Maar die vrolijkheid is vermengd met weemoed, want ook de sterfprocessen in de natuur beginnen nu.

Elk jaar willen we de zomer liefst wat vasthouden. Elk jaar hopen we dat het feest van kleur nog lang mag duren en de zonnewarmte nog even niet opraakt. Maar uiteindelijk is de nazomer een tijd van afscheid nemen. In de rijkdom van de oogst en de vlammende kleuren van bomen en struiken laaien leven en licht nog één keer op voor ze zich terugtrekken, voor ze de bomen kaal en de akkers leeg achterlaten, voor de dagen korter worden en de nachten lang. Al sterft de natuur in schoonheid, het is toch een sterfproces. Licht en donker, leven en dood zijn eind september, begin oktober nog even in balans. Al eeuwenlang wordt die korte tijd van balans gemarkeerd door de feestdag van de aartsengel Michaël op 29 september. Een groot christelijk feest zoals Kerstmis of Pasen was ‘Sint-Michiel’ ook vroeger niet. Een groot volksfeest als Carnaval of Sint-Jan was het evenmin. ‘Sint-Michiel’ was niet meer dan een gewone heiligendag. Als er nu ergens een Michaëlsfeest gevierd wordt, dan is dat door antroposofen.

De engel met de weegschaal en het zwaard

De aartsengel Michaël werd al in de eerste eeuwen van het christendom overal in Europa vereerd. Kunstenaars gaven hem weer in steen, hout, brons en in verf. Ook in volksverhalen en legenden speelde hij een grote rol. Twee ervan springen eruit: ze tekenen Michaël als de sterke engel die de draak verslaat, en als de engel die na de dood de mensenzielen weegt. Volgens de legende van de drakendoder kwam de aartsengel Lucifer in opstand tegen God. Hij kon niet accepteren dat de mens naar Gods evenbeeld geschapen was. De trotse Lucifer had zelf willen zijn zoals God. Op Gods bevel stootte Michaël – zijn naam betekent: Wie is als God? – Lucifer uit de hemel. Lucifer viel op de aarde en veranderde in een afzichtelijke draak die nu de mens belaagt. De strijd met de draak is nu een strijd van de mens, al staat Michaël hem bij. In de tweede legende treedt Michaël op als zielenweger, als de engel die na de dood de balans opmaakt tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in de mensenziel. Beide legenden passen bij de herfst. Wat in de natuur licht en duisternis is, heeft een morele parallel in het innerlijk van de mens. Daar zien we licht en duisternis terug als goed en kwaad. Op de drempel naar de herfst roept Michaël de mens op om zich te bezinnen op het morele gehalte van zijn daden en gedachten, zich daar zo op te bezinnen alsof hij de drempel naar de dood al was overgegaan. Michaël roept ons op om net zo liefdevol, maar ook net zo eerlijk naar onszelf te kijken als hijzelf doet wanneer hij in het leven na de dood onze zielen weegt. Want alleen als je jezelf met je lichte en vooral ook met al je donkere kanten eerlijk en liefdevol onder ogen durft zien, kun je de ‘draak’ herkennen en verslaan. Die ‘draak’ heeft een dubbele gedaante. Aan de ene kant brengt hij je in de waan dat uitsluitend het goddelijke ertoe doet en dat je je alleen druk hoeft te maken om jezelf en je eigen ontwikkeling. Aan de andere kant houdt hij je juist voor dat er alleen een aardse werkelijkheid bestaat: er is geen goddelijke wereld. Michaël roept ons op om het evenwicht te zoeken tussen deze twee uitersten. Om een kompas te ontwikkelen waarmee we zelf onze weg kunnen vinden in goed en kwaad. De draak is geen fabeldier, maar moreel en spiritueel gezien een even reële als geduchte tegenstander.

In het voetspoor van Michaël

Het Michaëlsfeest bestond vroeger niet, het wortelt niet in een traditie. Toch bestond er wel zoiets als een Michaëlsgedachte, die in de middeleeuwen vorm kreeg in het ridderideaal. Michaël was de beschermheilige van de ridders die opkwamen voor de zwakken in de samenleving, zoals weduwen en wezen. Ridders trokken ten strijde tegen onrecht, het liefst als er een schone jonkvrouw in het spel was. Ridderverhalen lijken zich af te spelen op de grens van een concrete werkelijkheid en een wereld vol sprookjesachtige beelden die een innerlijke werkelijkheid weergeven. In die beelden is de draak ook een bewoner van het morele moeras waar goed en kwaad maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, en beschermt de ridder in de belaagde jonkvrouw de zuiverheid van zijn eigen ziel.

In onze tijd zijn we eigenlijk voor het eerst in staat om ook zonder zulke beelden te erkennen dat ‘het kwaad’ niet altijd een macht buiten onszelf is. In het voetspoor van Michaël als zielenweger richten we de blik naar binnen, om net als die middeleeuwse ridder ten strijde te trekken tegen de drakerigheid in onszelf. Daar is moed voor nodig. Een ridder moest bereid zijn te sterven in zijn strijd tegen draken en andere monsters. Wie het aandurft om zijn eigen duistere kanten onder ogen te zien, moet ook bereid zijn te sterven, al is het dan niet lichamelijk. Het is immers een van de moeilijkste dingen om te durven toegeven dat je door je tekortkomingen een ander onrecht hebt aangedaan. Om dat te kunnen, moetje een behoorlijk stuk ego opgeven, een stuk van je ego moet ‘sterven’ en dat vraagt een bijna bovenmenselijke, michaëlische moed.

Onze tijd: een grote herfst

De herfst is een roerige, stormachtige tijd waarin oude vormen verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe. Want dat is sterven óók. In vroegere eeuwen riep het sterven van de natuur vooral gedachten op aan de eigen sterfelijkheid, en dat maakte de mensen bedroefd. Pas sinds het einde van de negentiende eeuw zijn we in staat om ook de schoonheid van de herfst te beleven. Toen pas begonnen mensen zich los te maken uit oude vormen en tradities die hun voorschreven wat ‘goed’ was en wat ‘kwaad’. Toen pas voelden ze zich innerlijk sterk genoeg om zelf uit te maken wat goed en kwaad is. Daarmee begon een zelfstandige morele ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen dat door het loslaten van oude inzichten en het zoeken naar nieuwe, persoonlijke inzichten in goed en kwaad een ‘grote herfst’ is aangebroken in de mensheidsontwikkeling. Ook daar staat Michaël op de drempel, net zo strijdbaar als bij de jaarlijkse herfst. Het is terecht dat hij aandacht krijgt: hij wijst ons de weg naar een nieuwe tijd. Kan dat met een feest? Voor kinderen wel, natuurlijk. Zij vieren het Michaëlsfeest als een soort oogstfeest met heel veel beelden uit de legende. Maar voor volwassenen? Bij de strijdbaarheid van Michaël past volgens mij eerder een oproep dan een feest, de dringende oproep om tot handelen over te gaan. Michaël kan de draak niet voor ons verslaan. Dat moeten we zelf doen. 

.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

3078-2892

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid (7)

.

Op deze blog staan een aantal artikelen over ‘gezondheid’ en m.n. ook over de gezondheid van de leerkracht.
Leerkracht zijn – zo heb ik het in ieder geval ervaren – is een beroep dat veel van je vraagt. En daar moet je ook fysiek tegen opgewassen zijn.

Ziekte is vaak een raadsel voor ons; maar gezondheid is dat eigenlijk ook. Maar als we ons gezond voelen, is het geen probleem, bij ziekte wél. 
Hoe kunnen we ons inzicht in beide fenomenen verruimen, wellicht met het resultaat dat we ook over onze eigen gezondheid en ziek-zijn bepaalde inzichten kunnen verwerven.

Waarom word je ziek? Dat is de vraag die ieder mens kwelt wanneer een ziekte toeslaat. Zeker wanneer dit je hele leven overhoop gooit. De reguliere geneeskunde beantwoordt diepgaande vragen naar de zin van ziekte niet en de psychosomatiek heeft algauw een antwoord klaar vanuit een calvinistische insteek: Ziek? Dan heb je iets fout gedaan. De antroposofie geeft heel andere verklaringen, het herstellen van evenwicht bijvoorbeeld.

Jaap van de Weg, Antroposofie Magazine, maart 2020 nr. 17
.

Waarom ben ik ziek
.

Van Calvijn naar karma
.

Voor een goed begrip van ziekte helpt het om de verschillende krachtenvelden te onderscheiden, die op het ontstaan van een ziekte invloed hebben. Het is duidelijk dat spanning, stress en andere emoties belastend kunnen werken op het organisme. Als er te veel spanning is, kan dat gezondheidsproblemen geven. Voor positieve emoties als verwondering en blijdschap geldt het omgekeerde. Zij versterken de gezondheid. In termen van het antroposofische mensbeeld heet dit krachtenveld: het astraallichaam. [1] Het teveel aan negatieve emotie belast de gezonde vitaliteit, die doorlopend bezig is het lichaam op te bouwen en biochemisch te laten functioneren, maar het ook in leven en in vorm te houden. Dit krachtenveld gebruikt de nachtelijke uren om te herstellen wat er overdag door het gebruik van het lichaam is gesleten. Maar als de belasting door stress en emotie té groot wordt, gaat dit systeem daaronder lijden en krijgen organen het moeilijk. Dan schiet het tweede krachtenveld tekort: het vitale lichaam ofwel het etherlichaam. [2]

Het derde krachtenveld is het fysieke [dat wat er in de vorm zichtbaar wordt], [3] en het vierde dat van het zelfbewuste Ik [4]. In het lichaam werkt het Ik sterk in het immuunsysteem. Het zelfbewuste Ik is de sturende kracht in het leven – de kracht die het astraallichaam op orde kan houden.

Kort en goed: ziekte ontstaat door een onbalans tussen bovengenoemde vier krachtenvelden.

Balans

Wanneer, populair gezegd, ons astraallichaam wordt ondergesneeuwd door ons emotionele systeem, ontstaan er problemen. Anders gezegd: als in het astraallichaam het emotionele systeem te zeer domineert, moet het etherlichaam dat opvangen. Het gaat mis als het etherlichaam daardoor uitgeput raakt. Dat uitgeput raken hoeft niet te gelden voor het etherlichaam als geheel; het kan ook betrekking hebben op een deel ervan: op de maag, de longen of het hart.

In zo’n situatie heeft het etherlichaam steun nodig. Bijvoorbeeld in de vorm van rust en voor jezelf ruimte maken om te genieten, of in de vorm van een antroposofisch of homeopathisch medicament. Maar vervolgens staan we ook voor de vraag hoe we herhaling kunnen voorkomen: hoe kan het zelfbewuste Ik het astrale lichaam beter in de hand nemen? Dat is een vraag naar inzicht en naar het oplossen van problemen [ze uitspreken en oplossen, in therapie gaan] of onderzoeken hoe je bepaalde emoties beter kunt reguleren (omgaan met boosheid en ergernis].

Bij het psychosomatische denken blijft een bepaalde vraag vaak onbeantwoord. Je weet dat je bijvoorbeeld te hard hebt gewerkt, maar waarom krijg je nu juist deze ziekte? In een diepere laag kun je de vraag ook zo stellen: hoe is de aanleg van het etherlichaam? Welke zwaktes liggen daarin verborgen?

Karmische aanleg

Hiermee kom je in het gebied van de aanleg die je door de erfelijkheid en van jezelf hebt meegenomen. Dat is het perspectief van het karma. Je komt met de karmische aanleg voor ziekten het leven binnen. Afhankelijk van de sterkte van de aanleg en de kracht waarmee het astraallichaam het etherlichaam belast, kan de ziekte zich vroeger of later manifesteren.
Als Nederlanders zijn wij erg gewend aan een calvinistische denkwijze in termen van schuld en iets niet goed gedaan hebben. Redenerend vanuit het perspectief van de aanleg vanuit het karma zien we iets anders: dan zou het zo kunnen zijn dat juist door te handelen uit enthousiasme en te leven vanuit morele waarden, de ziekte later en/of minder heftig heeft toegeslagen, dan dat die vanuit de aanleg uit zichzelf zou hebben gedaan. Het vraagt wat dit betreft dus om de blik te verwijden en een beeld te maken ven de ziekte, van de intenties en van de leefwijze, met zowel de positieve als de negatieve werkingen, om tot een interpretatie te kunnen komen.

Evenwicht

Bovendien bestaat er nog een ander proces, ieder mens wordt geboren met een eigen, hoogstpersoonlijke aanleg voor ziekten, Die aanleg hangt samen met hoe de eerdere levens zijn geleefd en welke eenzijdigheden er daardoor zijn opgebouwd in je lichamelijkheid. Dat pakket hoort tot het karma voor dit leven dat in evenwicht gebracht moet worden. Sommige elementen uit die aanleg kunnen zo diep zitten dat die zich zullen manifesteren als ziekte. Zo bezien is het karmisch louterend als je de betreffende ziekte doormaakt – zeker wanneer je de ziekte op een positieve manier doormaakt.

Een voorbeeld; stel dat iemand hard werkt aan zichzelf; mediteert en goede dingen doet in zijn leven. Hoe werkt dat op de ziel? Daar komt nieuwe lichtheid, er groeit warmte in die ziel en de betrokken persoon gaat meer openstaan voor de geest. Dat is een positieve ontwikkeling, die vervolgens een nieuwe verhouding moet zoeken tot het lichaam. Anders gesteld: past die verder ontwikkelde ziel nog in het lichaam waarin het ter wereld kwam? Misschien dat het lichaam met de genoemde ziekteaanleg in de loop der tijd als het ware te grof is geworden voor de gereinigde ziel. Dan kan het in karmisch perspectief nodig zijn dat de ziekteaanleg manifest wordt. Dat is namelijk de manier om de ziekte uit het etherlichaam te verwijderen. Vanuit die visie bezien word je dus niet ziek omdat je iets verkeerd hebt gedaan, maar word je juist ziek als consequentie van je goede activiteit, bijvoorbeeld door het gaan van de scholingsweg. Kortom: door de scholingsweg te gaan, probeer je de ziel te verheffen tot het geestelijke, maar mogelijk ‘past’ de ziel dan niet meer zo goed in het lichaam.

Familiekarma

Deze zienswijze kunnen we uitbreiden tot de familie. Er blijken in veel families lastige thema’s te bestaan, die van ouders op kinderen worden overgedragen. Dit is ook het uitgangspunt van bijvoorbeeld de familieopstellingen volgens Hellingen. Zulke thema’s kunnen gaan over vertrouwen of over onzichtbaar blijven. Of zoals een deelnemer aan zo’n opstelling eens zei: “In onze familie leefde het motto ‘als je als dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje.’ De familieleden leefden volgens de stelregel: heb maar geen kapsones.

Ook in dit soort gevallen is er sprake van karma – zij het dan geen individueel karma, maar het familiekarma. Het thema leeft door van generatie naar generatie, totdat er iemand opstaat die het oplost. In een dergelijk geval kan iemand tegen de familie, de ouders en voorouders zeggen: “Ik wil proberen uit dit zich herhalende patroon te stappen. Willen jullie me steunen en achter me staan?” Mensen die zoiets zeggen, kunnen beleven hoe er grote interesse ontstaat vanuit de wereld van de gestorvenen. Ze kunnen ervaren hoe hun voorouders benieuwd zijn naar wat zo iemand dan gaat doen. Ook voor de voorouders kan dat bevrijdend zijn. Het geeft het familiekarma nieuwe energie. Wanneer je jezelf slachtoffer voelt en je ouders de schuld geeft, blijf je gevangen in onvrijheid.

Eenmaal vertrouwd met karmische gezichtspunten, is het gemakkelijker een last te herkennen als iets van jezelf. Als je die last op je neemt, kun je daarbij de steun van je karmische groepsgenoten ervaren. Dit verandert op een wezenlijke manier de karmische verhoudingen.

Aandacht voor de hele mens

Als je pijn hebt, kun je bij een reguliere arts pijnstillers krijgen. En als je slecht kunt slapen, slaappillen. Vaak is dat alleen symptoombestrijding. Maar waar komen de klachten vandaan? In de antroposofische gezondheidszorg gaat men uit van een vierledig mensbeeld [fysiek lichaam, levenslichaam, ziel en geest] [5] en kijkt daarom verder: naar je leefstijl, biografie enzovoort. Langzaamaan komt dit ook de reguliere gezondheidszorg binnen, bijvoorbeeld via de integratieve geneeskunde.

Voetnoten van PhaW

[1] Astraallichaam
[2] Etherlichaam
[3] Fysiek lichaam
[4] Ik
[5] Vierledig mensbeeld

Gezondheidalle artikelen

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3057-2872

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid (6)

.
Op deze blog staan een aantal artikelen over ‘gezondheid’ en m.n. ook over de gezondheid van de leerkracht.
Leerkracht zijn – zo heb ik het in ieder geval ervaren – is een beroep dat veel van je vraagt. En daar moet je ook fysiek tegen opgewassen zijn.

Ziekte is vaak een raadsel voor ons; maar gezondheid is dat eigenlijk ook. Maar als we ons gezond voelen, is het geen probleem, bij ziekte wél. 
Hoe kunnen we ons inzicht in beide fenomenen verruimen, wellicht met het resultaat dat we ook over onze eigen gezondheid en ziek-zijn bepaalde inzichten kunnen verwerven.

Arianne Coilee, Antroposofie Magazine, maart 2020 nr. 17
.

De biografie als medicijn
.

Welke vraag zit er onder je klachten?

Onder veel klachten zoals stress, burn-out en depressie, gaan existentiële vragen schuil. “Daar ligt de oorzaak die geleid heeft tot bepaalde symptomen,” zegt Susanne Kruys, zingevingstherapeut en biografisch coach.
Zelf raakte ze tijdens haar scheiding in 2011 in een crisis en ervoer het enorme belang van zin en betekenis. Inmiddels heeft ze twee boeken geschreven over zingeving als ‘medicijn’. Want, zegt Susanne: “Er moet veel meer aandacht komen voor het verhaal áchter de persoon.”

Susanne heeft persoonlijk ervaren hoe er in de zorg vooral aandacht is voor symptoombestrijding, vaak in de vorm van medicatie of cognitieve therapie. Dat werd haar onder meer duidelijk toen in 2011 een van haar kinderen werd opgenomen in de kinder- en jeugdpsychiatrie.
“Ik zag hoe weinig ruimte er was voor de mens voorbij de symptomen. Er wordt tegenwoordig veel cognitieve therapie toegepast: gedrag wordt veranderd in ander gedrag. Maar als je niet weet waar dat gedrag vandaan komt, dan loop je na een tijdje opnieuw vast, want je hebt alleen de symptomen bestreden. En hoewel er nu, ook in de GGZ, veel gesproken wordt over zingeving en er hoopgevende ontwikkelingen op dat gebied gaande zijn, wordt er nog weinig methodisch en concreet mee gewerkt. Daarom heb ik na mijn eerste boek over het grote belang van zingeving in de zorg samen met mijn collega Wouter Zuurbier een tweede boek geschreven, met een uitgewerkte methodiek hoe je die zingeving concreet maakt.”

Geen collectief verhaal meer

Mensen zijn volgens Susanne ‘gemaakt op zin en betekenis’: “De buitenwereld is geneigd om alles op de materiële kant te richten. Maar het is juist inherent aan ons mens-zijn dat we zin willen ervaren. Vroeger werd mensen een referentiekader aangeboden via de kerk of een andere gemeenschap waar je onderdeel van was. Maar nu leven we in een tijd dat we die zin zelf moeten vinden, want we hebben geen groot collectief verhaal meer waaraan we die kunnen ontlenen. We moeten zelf de regie over ons leven nemen om onze eigen betekenis op het spoor te komen. Uiteindelijk gaat het over de vraag: Waar gaat mijn leven nu werkelijk over? Maar niemand heeft ons geleerd hoe je daarachter komt.”

Existentiële vragen

Het werk van Susanne bestaat eruit samen met haar cliënten te ontdekken wat er ónder hun klachten schuilgaat. “Daar zitten bijna altijd existentiële vragen onder. Ergens is er iets gebeurd waardoor de klachten zijn ontstaan. De klachten waar ik mee te maken krijg, zijn divers. Sommige mensen lopen bijvoorbeeld vast op hun werk. Vaak zijn cliënten overprikkeld door de buitenwereld en verliezen ze daardoor het contact met hun binnenwereld. Dat kan zich uiten in angst, depressie, een burn-out. Anderen lopen vast in hun privéleven, vaak door relatieproblemen.”

In de ontmoeting

Volgens Susanne kan de betekenis van iemands leven eigenlijk alleen maar zichtbaar worden in de ontmoeting met een ander. “In de ogen van de ander word je zichtbaar. Doordat een ander je spiegelt. Het perspectief van een ander kan helpen, omdat je zelf vaak vastzit in je eigen overtuigingen en je je niet bewust bent van bepaalde thematieken.
Een voorbeeld: Een cliënt vertelde me dat zijn relaties altijd stuklopen. Uit zijn verhalen werd voor mij zichtbaar dat hij zich telkens van de ander afsloot. Dat spiegelde ik hem. Vaak ontstaat zo’n overlevingspatroon in iemands jeugd. In het geval van deze cliënt was er een verband met zijn vader, die een kwade dronk had. Als hij gedronken had, gingen de gezinsleden naar hun kamer en sloten letterlijk hun deur. Als een cliënt zo’n thematiek weet om te zetten, dan kan hij op het spoor komen waar zijn leven werkelijk over gaat. Vaak zijn mensen vooral op zoek naar talenten en kwaliteiten, maar als zingevingstherapeut zoek ik een laag dieper.
We onderzoeken een levensverhaal op vier verschillende dimensies. Bij elke laag horen vragen. Bij de fysieke dimensie gaat het bijvoorbeeld om vragen als: Wat heb jij nodig om je eigen plek te creëren, hoe ga je om met je lichaam?

Soms toont een levensverhaal vrij gemakkelijk wat eigenlijk belangrijk voor iemand is. Susanne: “Zo was er een cliënte van eind twintig die kanker had gehad. Voordat ze ziek werd, studeerde ze [in de voetsporen van haar moeder] psychologie. Na haar herstel voelde dat ze niet op het goede spoor zat. Het bleek dat toen haar vader was overleden, zij zich meer richting haar moeder was gaan bewegen. Terugkijkend bleek dat ze veel met creativiteit bezig was geweest. Net als haar vader had ze veel piano gespeeld en geknutseld, maar ook veel gedanst. Door het overlijden van haar vader was dat alles naar de achtergrond geraakt. Via haar levensverhaal kwam ze weer terug bij haar liefde voor creativiteit en besloot ze een opleiding tot creatief therapeut te gaan volgen.”

Verder lezen:

• Susanne Kruys – De biografie als medicijn. De zin van levensverhalen in de zorg. Lannoo Campus

• Susanne Kruys en Wouter Zuurbier. De biografie als medicijn. Handleiding, coachen aan de hand van de vier dimensies. Lannoo Campus 

Voor deze boeken zie: squareoflife.nl

100 jaar antroposofische zorg

Rudolf Steiner startte in 1920 de eerste cursus voor artsen over de relatie tussen mens en natuur, en over zijn visie op de mens als lichamelijk én spiritueel wezen [uitgegeven als Geesteswetenschap en geneeskunde]. Bij de uitbreiding van de antroposofische gezondheidszorg ontstonden er rondom antroposofische artsen ook therapeutica, waar je terechtkunt voor verschillende antroposofische therapieën, zoals kunstzinnige therapie, euritmietherapie of biografietherapie. Deze zijn complementair aan de reguliere geneeskunde. Een antroposofisch arts heeft dan ook eerst een medische studie gedaan, en daarna een aanvullende opleiding voor antroposofische geneeskunde.

.

Gezondheid: alle artikelen

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3056-2871

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-6)

.
John Hogervorst, Antroposofie Magazine maart 2018 nr. 9

.

Mijn geld, de bank en ik

.

Kansen voor een gezonder financieel systeem

Nu de crisis bezworen is, is er weinig dat erop wijst dat de praktijk van banken en het financiële systeem wezenlijk veranderd is. De verontwaardiging over de rol van de banken in de financiële en economische crisis van 2008 lijkt in rook te zijn opgegaan. Misschien moeten wij, als we willen bijdragen aan een ‘gezondere praktijk’ op dit gebied, ook wel ergens anders beginnen, namelijk bij onszelf. Want waar anders zouden wij kunnen beginnen? Wat doen wij zelf met ons geld en in hoeverre begrijpen wij de werking daarvan?

Als ik naar mezelf kijk, zijn er goed beschouwd drie dingen die ik met geld kan doen:

1: Ik koop er de producten mee die ik nodig heb, bijvoorbeeld een brood. Daarmee vervul ik mijn behoefte aan brood én maak ik het, vereenvoudigd voorgesteld, mogelijk dat de bakker, de groothandelaar, de boer en alle anderen die er samen voor zorgen dat ik morgen in de winkel opnieuw een brood aantref, hun werk kunnen doen. Dit is de werking van wat Rudolf Steiner koopgeld noemt.

2: Geld dat ik voor het dagelijks leven niet direct nodig heb kan ik, bij een bank, op een spaarrekening zetten. Hoe werkt dit geld, in Rudolf Steiners terminologie leengeld? Dit is het geld waarmee de banken aan de slag gaan. Zij mogen, zo is bepaald, een veelvoud van het geld dat ik spaar uitlenen. Dat gebeurt in de vorm van kredieten, aan startende ondernemers of aan ondernemingen die kapitaal nodig hebben, om uit te breiden of een vervangende investering te doen. Wanneer het zo zou zijn (zo is het niet, maar het is de situatie die wij zullen moeten creëren als wij de samenleving structureel vooruit willen helpen) dat ondernemingen géén privé-eigendom oftewel niet verhandelbaar, maar ‘van zichzelf’ zijn, dan vervult mijn spaargeld als leengeld een vruchtbare rol: het stelt ondernemers in staat meer consumentenbehoefte te vervullen, zonder dat eigenbelang daarin een leidend motief is. Want dit eigenbelang, dat zich uit in de zucht naar winstmaximalisatie en kortetermijndenken, kan in de economie zijn gang gaan doordat ondernemingen privébezit zijn.

3: En dan is er nog iets dat ik met mijn geld kan doen: ik kan het besteden aan mijn ontwikkeling of die van anderen. Dit is het geld dat ik, bijvoorbeeld, uitgeef aan onderwijs en scholing, aan gezondheidszorg, aan de vervulling van mijn kunstzinnige of spirituele behoeften. Dit is wat Rudolf Steiner schenkgeld noemt, een soms verwarrende term die wij misschien beter kunnen begrijpen wanneer wij zien dat wij door het besteden van dit geld doorgaans niet iets tastbaars in handen krijgen, maar eerder iets ontvangen of beleven dat met ontwikkeling of welzijn te maken heeft. Schenkgeld is het geld dat het mogelijk maakt dat mensen werkzaam kunnen zijn in sectoren als onderwijs, zorg, kunst en wetenschap. In onze samenleving loopt dit geld via door de overheid geïnde belastingen en vindt de verdeling ook plaats door de overheid. Dat gaat hand in hand met onwenselijke neveneffecten, die er vooral op neerkomen dat degenen die in bijvoorbeeld het onderwijs en de zorg werkzaam zijn, steeds minder op basis van hun kunde en ervaring kunnen werken omdat zij ingesnoerd raken door bureaucratie en protocollen. (Wij moeten er dus ook voor gaan zorgen dat deze ‘schenkgeldstroom’ anders verloopt; niet meer via de overheid…)

Eigendom van ondernemingen

Wanneer ik bewust met mijn geld wil omgaan, en daarmee wil bijdragen aan een betere, socialere en duurzamere samenleving, kan ik mijn koopgeld steeds gerichter besteden aan producten die duurzaam tot stand komen, en dat doe ik dan liefst bij ondernemingen die ook in economisch opzicht duurzaam werken – wat betekent dat zij streven naar eerlijke prijzen, opdat alle betrokkenen (leveranciers, medewerkers, klanten] eerlijk behandeld worden. Bewust omgaan met spaargeld is geen nieuw thema. Banken als de Triodosbank en ASN hebben hierin bijvoorbeeld als eersten stappen gezet. Desondanks opereren zij binnen de kaders van de huidige economische en financiële praktijk. Het zou interessant zijn wanneer zij het vraagstuk van het eigendom van ondernemingen op zouden pakken, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘vriendelijk’ vermogensfonds voor ondernemingen die zich zó organiseren dat zij geen privé-eigendom zijn. Het zou deze ondernemingen helpen om te illustreren dat ondernemen zonder dat eigenbelang voorop staat, niet alleen mogelijk is maar ook daadwerkelijk tot eerlijker prijzen leidt.

Spaargeld vruchtbaar inzetten

Overigens kennen wij in Nederland (Stichting Sleipnir en de Sleipnir Coöperatie] een voorbeeld van een groep ondernemingen – die geen privé-eigendom zijn – die onderling, en enkele ook samen met hun klanten, andere vormen van omgaan met geld (kapitaal) ontwikkelen. Deze ondernemingen staan elkaar bij in hun behoefte aan kapitaal en bieden consumenten de mogelijkheid hun spaargeld (leengeld) te laten werken zoals zij dat willen.

In deze richting liggen veel kansen. Voor de meeste bestaande banken geldt dat zij zelf ook privébezit zijn en dus te maken hebben met eigenaren of aandeelhouders die het onderste uit de kan willen. Dat betekent dat deze banken niet tot echte oplossingsgerichte stappen zullen komen.

Kijkend naar de toekomst van de banken, mogen wij nog gerust denken aan wat Rudolf Steiner hierover een eeuw geleden opmerkte: dat er ‘bank-achtige instituten’ zullen (moeten) ontstaan die doen wat banken eigenlijk moeten doen: het ingelegde spaargeld vruchtbaar inzetten ten nutte van het algemeen.

Zie stichtingsleipnir.nl en sleipnircooperatie.nl

Verder lezen:

R. Steiner, Economie – de wereld als één economie, Nearchus

.

Meer van John Hogervorst

Agenda cursussen Sociale driegeleding

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3055-2870

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Een grondsteen

.
Michiel Gastkemper, Antroposofisch Magazine, juni 2020 nr. 19
.

Een grondsteen. Wat is dat en waarom?

.

Wie als beginnend vrijeschoolouder betrokken is bij een pril schoolinitiatief, stuit al gauw op de vraag naar huisvesting: in een bestaand gebouw trekken, of nieuwbouw plegen? In beide gevallen komt vaak ook de vraag naar een grondsteen, en een bijbehorende grondsteenlegging. Maar wat is een grondsteen? En waar dient hij voor?

De tweede vraag is makkelijker te beantwoorden dan de eerste. Een grondsteen heeft geen enkel praktisch nut. Het is geen hoek- of sluitsteen waarop een gebouw rust of die een gebouw afsluit. Wel speelt hij een rol bij een nieuwbouw, vooral voorafgaand aan de bouw ervan. De grondsteen is een uitdrukking van wat met het gebouw bedoeld wordt en ook waarvoor het eigenlijk dient.

Dat doet een grondsteen op twee manieren. In zijn inhoud, die meestal een spreuk is, en in zijn vorm. Die vorm is speciaal, want op geen enkele manier praktisch te gebruiken bij het bouwen. Integendeel, die zou het gebouw eerder in de weg zitten. Voordat we dan maar beginnen over de tekst, die ai meer duidelijk kan maken over waarvoor een grondsteen dient, eerst nog bij welk soort gebouwen een grondsteen kan voorkomen.

In de antroposofische beweging zijn dat vooral nieuwe gebouwen die een verzamelfunctie hebben. Denk aan een zaal voor een opvoering of samenkomst, bijvoorbeeld in een school of een zorginstelling. Een grondsteen komt daar het meeste voor. Een voorbeeld is het nieuwe Van Dam Huis in Haarlem, dat gebruikt wordt door zowel een antroposofisch therapeuticum als voor ledenbijeenkomsten van de Antroposofische Vereniging ter plaatse.

Gemeenschappelijk belang

De tekst van een grondsteen is meestal een poëtische uitdrukking van het doel van het gebouw. De toekomstige gebruikers komen bij elkaar om zich te bezinnen op hun nieuwe gebouw en op waarvoor het gebruikt gaat worden. Dan blijkt dat zij, ook al kennen zij elkaar mogelijk niet persoonlijk, een gemeenschappelijk belang hebben.
Hoe verschillend zij individueel ook zijn, zij vormen voor dit gebouw een gemeenschap.

De tekst moet objectief zijn, niet persoonlijk, en uitdrukking geven aan het doel waarvoor de gemeenschap garant wil staan. In die zin is deze tekst ook een oproep, of zelfs een aanroep, aan het hogere in de mens en het hogere in de kosmos, of, als je dat liever hebt, in de evolutie.

Ais voorbeeld het begin van de tekst van de grondsteen van het Elisabeth Vreedehuis in Den Haag, dat in januari 2018 een nieuwe grondsteen kreeg:

Mogen in dit Vreedehuis
mensen samen komen
in de geest van deze tijd,
die met innerlijke kracht
horen wat ontwaken wil,
dienen wat beginnen wil,
smeden wat zich vormen wil.

Het is eigenlijk een soort bede. De spreuk goed formuleren is een gezamenlijke inspanning van een groep mensen. Dat alleen al vraagt een hoge mate van afstemming.

Mens en heelal

Dan de vorm. Zoals gezegd, die is totaal niet functioneel. Tenminste, niet als bouwsteen. De vorm bestaat idealiter uit vijfhoeken, dus een vorm met vijf hoeken, een pentagon geheten. Twaalf daarvan met de randen kunstig aan elkaar vastgemaakt, zodat het geheel bijna een bolronde vorm wordt: een dodecaëder. Waarom deze vreemd uitziende vorm?

Eerst die vijfhoek, de pentagon. De vijfhoek, zou je kunnen zeggen, is de vorm van een mens: een hoofd en twee uitgestrekte armen en twee gespreide benen.

Dan de twaalf vijfhoeken, waarom twaalf? Tezamen vormen die een soort bol. Je kunt denken aan een wereldbol. De grootste bol die we kennen is de hemelkoepel, en helemaal daar rond gaan de twaalf tekens van de dierenriem. De twaalf vijfhoeken van de grondsteen vormen als het ware de uiterste grenzen van ons heelal.

Kortom, in de vorm van de grondsteen zien we zowel de mens terug als het heelal, in hun verhouding tot elkaar. Als je denkt aan twaalf mensen met twaalf verschillende sterrenbeelden, dan kun je daarin de hele mensheid terugvinden. Een gebouw wordt niet voor één mens gemaakt, maar voor een gemeenschap van mensen, misschien zelfs ten dienste van de hele mensheid.

Intentie

En waar vind je dan die grondsteen van een gebouw? Het is een bepaalde ceremonie, een grondsteenlegging, die voorafgaat aan de voltooiing van een gebouw. Vaak al op een vroeg moment in de bouw. Zodat die grondsteen bijvoorbeeld kan worden ingemetseld in de fundamenten. Op een plaats waar je niet makkelijk bij kunt, maar waarboven of vlak in de buurt veel mensen samenkomen. Bijvoorbeeld onder de ingang of de plek zaal en podium elkaar raken.

Je staat dan met je voeten op de eigenlijke grond van het gebouw, namelijk de intentie van een groep mensen. Zij hebben expliciet uitgesproken waarvoor zij zich willen inzetten. Iets heel dierbaars dus. Zo is ook de grondsteenlegging een heel feestelijke gebeurtenis, waarbij je met elkaar het idee van het aanstaande gebouw viert.

.

Steiner over de grondsteen in GA 298, op deze blog vertaald

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3045-2860

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling door oefening

.
Rudolf Steiner benadrukt in zijn pedagogische voordrachten verschillende keren hoe belangrijk het is voor de mens dat zijn wil wordt ontwikkeld:

Het komt erop aan alle drie de elementen: intellect, gevoel en wil van de mens op de juiste manier op te voeden, dat men zichzelf in staat stelt deze drie elementen op de juiste wijze te laten samengaan.

Es kommt darauf an, alle drei Elemen­te, Intellekt, Gemüt und Willen, im Menschen in der richtigen Weise zu erziehen, daß man sich in die Lage zu versetzen versteht, diese drei Lebenselemente in der richtigen Weise zusammenwirken zu lassen.
GA297/57
Op deze blog vertaald/57

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.

Wir müssen uns klar sein, daß wir den Unterrichtsstoff hauptsächlich dazu verwenden, um die Willens-, Gemüts- und Denkfähigkeiten des Kindes zu ergreifen, daß es uns viel weniger darauf ankommt, was das Kind gedächtnismäßig behält, als daß das Kind seine seelischen Fähigkeiten ausgestaltet.
GA 295/38
Vertaald/38
Meer op ‘Wegwijzers

Dan moet je als opvoeder ook aan het werk: opvoeding = zelfopvoeding.

Manon Berendse, Antroposofisch Magazine juni 2019, nr 14

.

Train je wilskracht met Steiners Basisoefeningen
.

Kijken naar en jezelf en naar je ik
.

Van antroposofie wordt nog wel eens gezegd dat het vaag of ongrijpbaar is, terwijl het vaak verrassend concreet en toepasbaar is. Het gaat wél over diepgaande processen die we als mens beleven. Voorbeeld bij uitstek?
De Basisoefeningen en de terugblikoefeningen, waarmee je het denken, voelen en willen kunt trainen.
Antroposofisch arts Jaap van de Weg is al jaren enthousiast over deze vorm van meditatie. “Het is een glasheldere manier van meekijken naar wat je denkt, doet en voelt. Ik ben er rustiger en daadkrachtiger van geworden.”

Dat Jaap van de Weg iedere dag zijn denken en handelen traint, blijkt meteen als ik hem bel voor onze telefonische afspraak. “Ik dacht dat je pas over een halfuurtje zou bellen, dus ik was nog even naar de bibliotheek gewandeld. Maar ik ben bijna thuis hoor. Kijk, dit is nou zo’n ‘verwarringsmoment’ waar je naar kunt kijken. Iedere dag maken we een aantal keren kleine of grotere situaties mee die ons overvallen of uit onze concentratie halen. Dan zijn we even niet actief met ons zelfbewuste ik, maar moeten we beslissen wat we gaan doen. Wat doe ik, nu blijkt dat je me eerder belt dan ik had gedacht? Later terugbellen of gewoon even doorpraten tot ik thuis ben? Door op dit soort momenten structureel terug te kijken, alsof het een film is die je terugdraait, verminder je de stress die ermee gepaard kan gaan. Zo, ik ben thuis. Waar gaan we het over hebben?”

Bewustzijn laten groeien

Laten we beginnen bij welke vormen Rudolf Steiner onderscheidde: de terugblikoefeningen en de Basisoefeningen.

Jaap van de Weg: ‘Terugblikken kun je doen aan het einde van de dag. In grote lijnen, door in omgekeerde volgorde na te gaan wat je hebt gedaan, gedacht en wie je hebt ontmoet. Je neemt je dag door, van de avond terug naar de ochtend. Of je staat stil bij een voor jou belangrijk moment, of zo’n ‘verwarringsmoment’. Wat gebeurde er? Wat deed je? En kun je de film van die situatie ook anders afmaken in je hoofd? Naast deze terugblikoefeningen kun je werken met de zes Basisoefeningen, ook wel Nebenübungen genoemd, die je kunt toepassen naast het mediteren. Het zijn allemaal manieren om vanaf grotere afstand te kijken naar jezelf – liefdevol en zonder oordeel. Je wordt jezelf bewuster van wat je denkt, doet en voelt. Als je zo leert mee te kijken naar jezelf, krijg je een groter besef van jouw zelfbewuste Ik en leer je jouw wilskracht te richten. Dat is een verschil met bijvoorbeeld mindfulness of boeddhistische meditatie. Die vormen scheppen vooral zielenrust, maar antroposofische meditatie reikt verder: omhoog, de kosmos in. Je ontwikkelt het geestelijke deel van jouw mens-zijn om zich te verbinden met het geestelijke van de kosmos. De Basisoefeningen zijn dus een praktische manier om te werken met karma: je vraagt je af waarom dingen gebeuren, binnen een kader dat groter is dan jij zelf bent. Jouw reflecties versterken dus niet alleen jouw ziel – je kunt de Basisoefeningen ook gaan doen met het doel bewustzijn te laten groeien binnen een gemeenschap: op school bijvoorbeeld, op je werk of binnen een vriendenkring. Je wordt er rustiger, tevredener en daadkrachtiger door. Maar je proeft ook meer kansen omdat je minder energie verliest aan emoties die je voorheen konden overweldigen. En zelfkennis vergaren is nu eenmaal enorm bevredigend – dat maakt deze vorm van mediteren zo vitaliserend.”

Volhouden

“Je zult het wel echt zelf moeten doen. Dat begint dus bij het echt willen en een helder voornemen maken van welke oefeningen je wilt doen, hoe lang en waarom. Maar je kunt wel afspreken met een vriend of vriendin om dezelfde oefeningen gedurende een periode te doen en dan uit te wisselen. Want volhouden is wel een dingetje: als het niet goed met ons gaat, zijn we tot veel bereid, maar als het ons wel goed gaat, versloffen dit soort voornemens snel. Vijf minuten mail checken is makkelijker dan elke dag vijf minuten vinden voor het doen van een Basisoefening. Maar als het je lukt, win je heel veel meer.”

Het doel van de 6 Basisoefeningen

Denkoefening: leer helder denken.

• Wilsoefening: krijg controle over je handelen/wilsimpulsen.

• Gevoelsoefening: word je bewust van je gevoel. Beleef sterke gevoelens minder intens en geef subtiele gevoelens meer ruimte.

• Positiviteitsoefening: neem het positieve bewuster waar. In deze oefening combineer je denken en voelen.

• Onbevangenheidsoefening: sta open voor nieuwe ervaringen. In deze oefening combineer je voelen en willen.

• Innerlijke harmonie: beoefen de voorgaande oefeningen tegelijkertijd, om harmonie te scheppen tussen denken, voelen en willen.

Aan de slag

• Maak een helder voornemen: waarom ga je oefenen, hoe lang en wanneer?

• Een functioneel ritme is: iedere basisoefening een maand doen.

• Met wie kun je uitwisselen? Dan houd je je ritme langer vol.

Over de zgn. ‘Nebenübungen

Verder lezen

Roel den Duik, Praktische oefeningen voor een innerlijke ontwikkeling, brochure #31 Centrum Sociale Gezondheidszorg. Te bestellen via gezichtspunten.nl

Joop van Dam, Het zesvoudige pad, Christofoor 2007

Jaap van de Weg, Achter de sluier: van oefening naar meditatie, Christofoor 2007

3036-2851

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren – folklore (2)

.
Over oude gebruiken rond en met Pinksteren. Artikel waarschijnlijk van rond 1950.

.

pinksteren

Tal van voorjaarsgebruiken, door ons noordelijk klimaat tot de zomertijd opgeschoven, zijn aan het Pinksterfeest verbonden.
Zoals in mei de meibruid of meikoningin werd rondgevoerd als belichaming van de herleefde groeikracht, zo hield men met Pinksteren een ommegang met de pinksterbruid. Bij de meibruid behoorde oorspronkelijk de meibruidegom; ook de pinksterbruid werd meermalen vergezeld van de pinksterbruidegom, alias pinksterhaan.

Pinksterbruigom en Pinksterbruid als herderspaartje. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

Eigenlijk nooit kwamen deze bruidegoms alleen voor, want van de vrouw stroomt de vruchtbaarheidskracht uit (daarom laten sommige natuurvolken de akkerbouw geheel aan de vrouw over). Het is dan ook komisch en paradoxaal, dat in de opera Albert Herring (1946) van Benjamin Britten (naar Le Rosier de Madame Husson van Guy de Maupassant) een klungelige brave jongen als meikoning wordt verkozen – door een comité dat de meisjes te ‘licht’ bevindt.

Merkwaardig is het Limburgse gebruik, waarvan Emile Seipgens vertelt in Langs Maas en Geul (1890): ‘Toen ’t weer zomer werd en in den eersten Meinacht door de jongelui van het hoogste punt van den Kommelberg de namen der
Meiliefsten werden afgekondigd, klonk het ook uit den grooten spreekhoorn over het dorp en door het geheele dal in het donkere van den nacht: “Hanspeer Hoenen en Marianne Schmeitz! Is ’t uch allemaol leef?’’ – En een daverend “Jao!” van het geheele dorp, dat zich aan den voet van den berg verzameld had, weergalmde als antwoord – Hanspeer schaterde van genoegen. Volgens gebruik moest zij thans den volgenden Zondag met hem uitgaan.’

Pinksterbruid en -bruidegom, uitgedost als herder en herderin, met een schepersstaf in de hand, zien wij in de Vaderlandsche Kindervreugd. Zij dragen om het hoofd het rozenkransje, het ‘rozenhoedje’, waarvan het Pinksterliedje gewaagt:

Daar komt de fiere Pinksterbloem,
Daar komt zij aangegangen.
Met een schoon rozenhoedje op,
AI met twee bloeiende wangen.

Het is een stijf paartje en de stoet, die door vrouwen wordt geregeld, heeft weinig kinderlijks.

In lieflijker vorm kon men dit pinksterbruidspaar tot voor weinig jaren nog de boerschappen van Twente (Ussel op zien rondtrekken. Bruid en bruidegom liepen onder een bontpapieren kroon, versierd met waaiertjes en uitgeblazen eieren, en opgehangen aan het kruispunt van twee grote halve hoepels, eveneens met bont papier omhangen. Vier kinderen droegen de uiteinden, achter het bruidspaar sloot een kindergevolg zich aan. Allen waren getooid met pinksterbloemen, madeliefjes en margrieten. Kransen van deze bloemen hingen hun om hals en schouders, hele trossen bengelden van de petten van de jongens. Zo trok de fleurige lentestoet van de ene boerderij naar de andere, waar op elke deel de kinderen van het gevolg om bruidspaar en dragers een kring sloten en zongen:

Doar kom’ wi-j cm met de Pinksterbroed,
Met mooie bleumkes cd um den hoed,
En as zij oons nich wat gewwen wil,
Dan stoaw hier ook nich langer stil.

Bedelen deden deze kinderen niet, maar overal offerde men graag een gift in het busje; van de opbrengst werd ’s avonds vrolijk feest gevierd.

Bloemen en groen waren de hoofdtooi van de pinksterbruid, doch ook werd zij wel behangen met allerlei zilveren sieraden, welke de burgerij gaarne hiertoe afstond. Immers hoe rijker tooi, hoe vruchtbaarder jaar!
De pinksterbloem van Schermerhorn

Pinksterbloem te Schermerhorn. Uit Claes Bruin, Noord Hollandsche Arcadia, 1732.

die staande op een burrie door vier meisjes werd rondgedragen, zoals vroeger de oorlogsheld op het schild werd geheven, droeg twintig zilveren tuigen, tien zilveren bellen, drie knipbeugels en vijfentwintig barnstenen of bloedkoralen kettingen. De zilvertooi verdween onder de invloed der plakkaten, die dreigden ‘de kleinooden, juweelen of ander silverwerk’ der pinksterbruiden ten behoeve van de armen verbeurd te verklaren.

Op de Waddeneilanden hield dit gebruik nog lang stand. Zo bijvoorbeeld op Texel, tot 1892 (Den Hoorn). In zijn novelle Gerrit de Wolf (Texelsche Vertellingen, Utrecht 1867) vertelde Dirk Dekker, hoe de ‘pinksterblom’ (een meisje van de naaiwinkel) zwaar ‘begoud en bezilverd’ langs straten en wegen trekt. Van de giften houdt men op tweede pinksterdag de zogenaamde pinksterkriek, ‘pret met sukelaad en krentebóltjes’. De jongens mogen eraan deel nemen, tegen een bijdrage, gelijkstaande met het aandeel der meisjes in de ontvangen giften.

Elders, o.a. in Limburg, zat de pinksterbruid, altijd een mooi meisje, op een draagstoel of in een rol- of mandewagentje, steeds door een sluier afgesloten. Mooi uitgedoste kinderen trokken met haar langs de huizen en zongen:

Péngsterbloom, de wien is oet,
Geef ós get en laot ós gaon,
Want veer moeten nog ei deurke wie’èr gaon.

Kwamen de bewoners naar buiten, dan vroegen de meisjes: ‘Wilt geer de péngsterbloom zeen?’ Op een bevestigend antwoord schoven zij de sluier even terzijde en kregen daarvoor een gift. Ook te Vriezenveen was de pinksterbloem, een van de kleinste meisjes, bedekt, daardoor een groot schort, die werd weggenomen als ,men haar wilde bekijken:

‘Hier is de Pinksterbroed;
Wi-j hum zain veur ’n paar doét?’

De traditie wordt ook nog in ere gehouden in het Noordbrabantse Cromvoirt, waar een kleine pinksterblom, in het wit, een krans van pinksterbloemen op het hoofd, gevolgd door alle dorpsmeisjes, ook met bloemen of groen versierd, door de straten trekt. Bij elk huis wordt een kring gevormd en om de zwijgende pinksterbruid gedanst onder het zingen van het pinksterliedje:

Daar komt de mooie Pinksterblom.
Vanwaar komt zij gegangen?
Met twee gebloosde wangen
Daar komt ze voor u staan.
Maar ja, als ze niet deugen wil,
Dan zullen we ze gaan verkopen.
We zullen ’n kenneke stropen
Daar achterin het groene woud.
Daar zingen de vogeltjes, jong en oud,
Daar zingen ze, rommeldebom,
Draai ’ns om, die mooie Pinksterblom,
We komen ’t volgend jaar weerom.

Het meisje dat daarbij in een korf de giften inzamelt voor het later te vieren feest, heet de Judas. Na afloop van het feest kiest de pinksterblom haar opvolgster voor het naaste jaar. Overigens is de pinksterbruid in Nederland blijkbaar uitgestorven, doch er zijn tekenen van herleving. In 1941 heeft men te Beek (L.) een pinksteroptocht georganiseerd. Te Hengelo (O.) trok, na de Tweede Wereldoorlog, een fleurige pinksterstoet de straten langs, niet de traditionele van boerenkinderen, maar van stadsmeisjes. Dit was een gezonde herleving zonder inmenging van volwassenen en zonder uitloving van prijzen. Wel werd door de ouders het initiatief genomen, waarop de kinderen vol geestdrift ingingen.

Ook zo goed als verdwenen zijn de pinksterkronen, die hingen over straat en weg, de met bloemen, bont papier en uitgeblazen eieren versierde kransen, waar de pinksterbruid onder zat in een nis van sparrentakken of op een versierde stoel, met een bloemkorf op haar schoot. Wat was het een fleurig gezicht de kinderen zingend om de bruid te zien dansen, telkens als iemand onder de kroon doorging en daarvoor zijn tolgeld betaalde.
Alleen in de Gelderse Achterhoek wordt dit gebruik nog enigermate in ere gehouden.
Te Ruurlo spande men over de weg een touw, versierd met bloemen en groen. In het midden van dit touw hing horizontaal een krans, soms een oud rad, omwonden met wilde bloemen, voornamelijk brem en zo mogelijk pinksterbloemen, ook nog papieren bloemen. Als er iemand naderde, posteerde de bruid zich onder de kroon en dansten de kinderen om haar heen.
Ook te Lochem en te Hengelo (G.) spande men slingers over de weg. Ook nu hangen er nog wel pinksterkronen boven de weg tussen Ruurlo en Lichtenvoorde, maar er wordt niet meer gezongen.

Deze pinksterkronen gaan terug op de meikransen, die men op 1 mei, tegelijk met het planten van de meiboom, uithing. Ook reeds bij de meiboom verving men deze grote kransen door een wagenrad. Onder deze meikransen placht men te dansen en te springen, en wel zo lustig, dat ze bij plakkaat werden verboden.

Bijzondere vermelding vraagt de pinksterkroon te Deventer.

De Pinksterkrone in de Papenstroate, omstreeks 1895. Tekening van de schildersbaas E. Bokhorst in H. J. E. van Beek, Deventer vrogger en noe, deel II (1924).

Dit is geen krans die over de straat hangt, maar een hoge paal, in de volksbuurten van de oude stad opgericht. Alle straatbewoners dragen daarvoor naar vermogen bij; voor de ingekomen gelden worden bontgekleurde lampions en vloeipapier in grote hoeveelheden ingeslagen. Hebben de knipsters deze tijdens de avonduren in schuur of pakhuis tot eiernetjes en kettingslingers verwerkt, dan wordt mannelijke hulp ingeroepen. Aan een stevige paal van 6 à 10 meter lengte, die met lichtkleurig papier is beplakt, worden op gelijke afstand zes of zeven eveneens versierde hoepels horizontaal bevestigd, die naar beneden in grootte toenemen, terwijl bovenop de paal twee kleine tenen hoepeltjes kruiselings worden vastgespijkerd. Is dit geraamte gereed, dan zet men de paal ineen kuip of tobbe met stenen vast en behangt de hoepels kwistig met de geknipte eiernetjes en papierslingers. De pinksterkroon mag niet massief worden, zij moet ‘doorzichtbaar’ zijn. Ten slotte komen de lampions, een balvormige in de top en langwerpige aan de hoepels.

Bij dit versieren van de kroon wordt een zekere geheimzinnigheid betracht: alleen leden van de commissie, die meestal uit vrouwen en meisjes bestaat, mogen erbij zijn. Dit herinnert aan de meiboom, bij welks versiering ook bepaalde categorieën waren uitgesloten. Evenals de meiboom wordt ook de pinksterkroon in het midden van de gemeenschap geplant om allen tot zegen te zijn. Zodra hij is versierd, danst men er in uitgelaten feestvreugde omheen, zoals men ook bij de meiboom deed. De Deventer pinksterkroon is dus feitelijk een meiboom. Bij deze pinksterkroon zit geen pinksterbruid, maar een harmonicaspeler, die in de nabijheid op een bankje plaatsneemt. Op de eerste tonen reien alle kinderen uit de straat zich om de kroon. Hand in hand ‘rozen’ zij in wijde kring en zingen uitentreuren, op de wijze van ‘Wie in januari geboren is’, een liedje dat in het begin van deze eeuw door een ‘kindervriendin’ gemaakt is en zich spontaan vervormt in de overlevering:

De Pinksterkroon is weer in ’t land, hoezee!
De vlaggen die waaien van alle kant, hoezee!
Wij rozen naar de oude trant
Weer allen samen, hand in hand;
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)
De Pinksterkroon is weer in ’t land, hoezee!
Hij stiet weer in de stroat geplant, hoezee!
Zien bonte kop stek fier omhoog,
’t Is ja ’n lust veur ieders oog,
Hoezee, hoezee, hoezee! (bis)

’s Avonds, als de kaarsjes in de lampions zijn aangestoken, komen de volwassenen zich onder de kinderen scharen, en het wordt soms middernacht eer de kaarsjes op last van de politie worden uitgeblazen en de feestvierders de pinksterkroon in triomf terug dragen naar haar bergplaats in stal of schuur. Doch even triomfantelijk wordt zij er de volgende ochtend weer te voorschijn gehaald om andermaal middelpunt te zijn van vrolijke kinderpret. In de late avond of wel midden in de nacht van Pinkstermaandag wordt de pinksterkroon ten slotte door de buurtgenoten, de harmonicaspeler voorop, in optocht naar de IJssel gedragen en daarin verdronken. Of wel men steekt haar op de plaats waar zij staat, in brand, terwijl de hele buurt er omheen ‘roost’. Ook dit herinnert aan het tragische lot van de meiboom, die wordt verdronken of verbrand, omdat men meende hierdoor regen te bekomen of warmte aan de zon toe te voeren. Bij het wegbrengen van de kroon kon het soms ruw toegaan, evenals bij het feest van de meiboom, oorspronkelijk een nachtelijke orgie. Daarom zijn de pinksterkronen te Deventer wel eens een tijdje, bijvoorbeeld in 1679, verboden geweest. Ze zijn nu, met de ontvolking van de oude binnenstad, nagenoeg verdwenen: in 1977 was er alleen een viering in de Rivierenwijk.

De pinksterkroon leeft ook nog voort op Terschelling, maar uitsluitend op Oost-Terschelling, te Oosterend en Hoorn, niet op Midsland en West-Terschelling. Ook deze pinksterkroon is, evenals de Deventerse, een meiboom. In de vroege ochtend van Pinksterzondag richten meisjes aan de hoek van de weilandomheining een paal op, die zij versieren met kransen van veldbloemen en uitgeblazen eierschalen van spreeuw, tureluur, bonte piet. Keerde de boer ’s middags van het melken huiswaarts, dan plachten de meisjes hem op te wachten met een kan of emmertje en werden beloond met schuimende melk, waarvan zij ’s avonds chocolade dronken. Doch dit ‘melkofferen’ bestaat thans niet meer, wél is als overblijfsel het drinken van chocolademelk met Pinksteren gebruik gebleven. Het liedje, genoteerd door Jaap Kunst (Terschellinger Volksleven), kent nu heel Nederland:

Hier is onze fiere Pinksterblom,
En ik zou hem zo graag eens wezen,
Met zijn mooie kransen om het hoofd,
En met zijn klinkende bellen.
Recht is recht, krom is krom,
Gelief je ook wat te geven,
voor de fiere Pinksterblom?
Want de fiere Pinksterblom moet voort.

Ook bestaat de pinkstermeiboom, behalve in het Limburgse Bleijerheide, nog op Schiermonnikoog; hij heet daar de kalle-mooi = kale mei.
Te Zoutkamp (Gr.), waar eenzelfde gebruik bestond, sprak men van ‘haneboom’. Ook op Schiermonnikoog neemt men hiervoor een paal. Boven aan de paal komt een groene tak en daaronder waait de Nederlandse vlag, die op de witte baan het woord ‘kallemooi’ voert. Onder de vlag komt een dwarspaal met een paar lege flessen; flessen met drank kwamen ook bij de oude oogstmei voor. Hierop volgt de hoofdpersoon van het feest: een levende haan, opgesloten in een grote korf, waarover een stuk baalzak hangt. Deze haan wordt óf door de kastelein beschikbaar gesteld óf hij wordt in de Pinksternacht gestolen. Hij krijgt voer mee voor drie dagen, waaraan – zo wordt gezegd – een vingerhoedje jenever niet ontbreken mag, ter bevordering van zijn kraailust. Wanneer de hele toestel op de grond is klaargemaakt, wordt de kallemooi des zaterdagsavonds vóór Pinksteren op het aan de herberg gelegen pleintje omhoog gehesen en stevig bevestigd, waarbij alle jongemannen moeten helpen en geen meisje mag tegenwoordig zijn. Na afloop opent de pinksterkermis met het bal, de ‘kallemooistep’, waarop, als de muziek even staakt, de heren moeten kraaien en de meisjes tokkelen; wie mist, moet dit afzonderlijk overdoen. Drie dagen lang oefent de haan de magische macht van zijn gekraai uit over het eiland: warmte-verwekkende kracht werd toegekend aan hem, wiens kraaien aan het opgaan der zon voorafging. Op Pinksterdinsdag, ‘Pinkstertrooi’, wordt het dier uit zijn eenzaamheid verlost en de kallemooi neergehaald, een gevaarlijk werk, dat niet in het donker kan gebeuren. Men draagt hierbij alle zorg, dat de haan er het leven niet bij inschiet, en weer op de begane grond wordt hij hartelijk verwelkomd. Hierop volgt de grootste kermisavond. waarbij de jongemannen geheel in het wit dansen. Zij doen hun jas uit en later ook hun bovenbroek; voor deze gelegenheid dragen zij daaronder een extra bovenbroek, die sneeuwwit is.

Zo beschrijft Catharina van de Graft een fascinerend gebruik, dat nu nog, met lichte variaties, in volle fleur is. Al in 1702, in een verslag van de ‘Scholendinaer tot Soltcampe’, wordt het vermeld: ‘Als de tweede daghe van Pinksten, so men veiert dat Feste van Colle Mooei al waer een yder sich seer vroolick ende opgheweckt in begevet met sangh ende dansen. Die schriek Hane welcke geholden is in den top ener pael te verblijven gedeurenden dat Feste is door de ingesetenen van den Eijlande seer bequaam in ene mes te ener scip in de hoogte gebracht.’
Kermis op Pinksterdrie wordt ook druk gevierd op Walcheren, waar, evenals in enkele streken van Friesland, de oude zede bleef bewaard op onze voornaamste hoogtijdagen, Kerstmis, Pasen en Pinksteren, drie dagen feest te vieren. De Walcherse dorpskermissen worden steeds vergezeld van een ringrijderij, Zeeuws volksvermaak bij uitnemendheid. In Koudekerke, Oost-Souburg, Nieuw- en Sint-Joosland, Oostkapelle trekken dan de ruiters en hun ongezadelde paarden, de manen en de ‘gebreistaerte’ staart versierd met bonte papieren rozen, honderden kijkers uit de stad. Het slot van de wedstrijd is het rijden om de pollepel, waarbij de gelukkige winnaar verplicht is alle ringrijders te trakteren op een ‘rondje pollepel’, en dezen om beurten uit de pollepel brandewijn drinken. Mogelijk gaat dit gebruik terug op een vroegere inzameling van eetwaren, in gemeenschappelijke maaltijd genuttigd. Ook bij Vlaamse Sintmaartensommegangen werden de giften met een pollepel opgehaald.

Een ander oud Zeeuws volksvermaak op Pinksterdrie is het gaai schieten door de schuttersgilden, bijna overal met de handboog. Waar het gilde nog bloeit, houdt men wekelijks schietoefening, doch eenmaal in het jaar wordt het gildefeest gevierd met koningschieten. Dan wordt een uit taai hout gesneden vogel, versierd met veelkleurige bonte pluimen, de papegaai, bovenop een hoge paal, de schietstang, aan een stuk ijzer stevig bevestigd. Wie de vogel afschiet, is koning voor één jaar en wordt bekleed met het zilver: de halsketen met platen (schilden) en zilveren vogel. De koning is verplicht het zilver te ‘verbeteren’, d.w.z. een zilveren schild te schenken aan de gildeketting. Wie driejaar achtereen koning schiet, is keizer en ontvangt het zilver in volle eigendom, doch zijn gilde mag dit voor een vastgesteld bedrag lossen.

Nergens wordt mooier met ‘de edele handboog’ geschoten dan in Zeeland, doch hier ontbreekt de zwierige praal van optocht en vendelzwaaien, kiest de koning zich geen koningin, noch viert men tot besluit het vrolijke koningsfeest. Alleen de papieren bloemen, successievelijk gestoken aan de hoeden van de prijswinnaars, die een deel van de vogel afschoten, brengen nog wat kleur aan, terwijl hier en daar een kleine traktatie van de koning de vroegere gildemaaltijd vervangt.

Een schilderachtiger schouwspel bieden de Brabantse en Gelderse schutters, als zij op Pinkstermaandag, ook wel op Kerstmismaandag, Hemelvaartsdag en patroonsdag, niet altijd jaarlijks, ook wel om de twee of meer jaren, optrekken met hun breedgerande pluimhoeden, hagelwitte pantalons en oranje sjerpen, de Limburgers daarentegen in oude legeruniformen, die nu door nieuwe op de oude geïnspireerde uitmonsteringen zijn vervangen. Vooral in Brabant is het schoon, waar de tamboer roffelt op zijn hoge koperen trommel en het paard van de standaardruiter of ‘alféris’ met papieren bloemen en kleurige strikken is versierd. In golvende lijn wordt het voorwaarts gestuurd, terwijl de vaandrig zijn dunne zijden vaan onophoudelijk zwaait in een reeks van schone, in elkaar vloeiende zwenkingen. Dit vendelzwaaien, als eerbewijs bij allerlei gelegenheden gebracht, heeft in Brabant zeer kundige beoefenaars. Ook in Gelderland waar het gebruik is met twee vaandels te zwaaien. In Limburg lijkt deze nobele kunst verloren te gaan, maar er is, van Nederweert uit, duidelijk een opleving. Zo heeft Helden thans een actieve vendelgroep.

In het katholieke gebied woont de gilde eerst gezamenlijk de mis bij en trekt met vanen en wapenen de kerk binnen. Vandaar gaat men onder het spelen van een oud jagers- of soldatenlied naar het schietterrein en trekt daar eerst driemaal om de schutsboom. De koning van het vorige jaar lost het eerste schot, vaak ook de pastoor of de burgemeester. Bij elk raak schot roffelt de tamboer en gaat een gejuich op. In Brabant en Gelderland schiet men met hand- en voetboog en geweer, in Limburg (al hebben daar wel handboogschutterijen bestaan) uitsluitend met geweer, behalve te Maastricht. Niet overal kiest de koning zich nog een koningin; het verdwijnen van de koningin, in het algemeen van de vrouw uit de gilde, wijst op verval. Bij het koningsfeest, het teerdag houden, had vroeger de gildemaaltijd plaats, nu beperkt tot drinken, waarbij men soms nog wat eet. Tot slot danst men onder begeleiding van een enkele viool of harmonica boerendansen, o.a. de boerencarré of in Gelderland de Driekusman.

Jan ter Gouw noemt de gilden broederlijke verenigingen tot onderlinge bijstand, zo oud als ons volk. Bij de opkomst der steden vormden de schuttersgilden een keurbende tot verdediging der burgerij. Later werden zij een hulp van stads- en dorpsbestuur, een soort van politie. Ook stelden zij zich als geestelijke broederschap onder de hoede van de Kerk, steeds kozen zij een heilige tot patroon. Aan de katholieke eredienst verleenden zij hun bijstand, o.a. bij de jaarlijkse processie, vooral bij die van het Heilig Sacrament. Als gepast vermaak beoefenden zij het vogelschieten.

In de schuttersoptocht zijn blijkbaar allerlei restverschijnselen bewaard. Wij worden herinnerd aan het middeleeuwse mei-gilde, dat op 1 mei of Pinksteren in blinkende wapentooi de stadspoorten uitreed om de meikoning of meigraaf te kiezen. Omkranst werd deze in plechtige optocht geleid naar de stad, vorstelijke eer werd hem bewezen. Aan het meigraaffeest was meermalen het vogelschieten verbonden, na afloop onthaalde de meigraaf allen op een feestmaal; alleen een vermogend man kon meigraaf zijn. Deze nam deel aan de processie van het Heilig Sacrament.

Nog herinnert de onderscheiding waarmee de koning wordt bejegend, aan de eer, vroeger de meigraaf bewezen. Te Doornenburg mag niemand de koning toespreken zonder bemiddeling van een bestuurslid; in het Gaesbeecker- of Sint-Aegten-gilde te Soest mocht niemand plaatsnemen aan de tafel waaraan de ‘ouderman’ met de zijnen zat.

Voorstellingen door verklede en gemaskerde personen, in de Middeleeuwen zo geliefd, vinden wij terug in de vertoningen uit het leven van de gildepatroon; zo stelt het Martinus-gilde te Tongerle in zijn optrekken Sint-Maarten met de bedelaar voor. Op verdienstelijke wijze speelt men in Gelderland en Limburg de ‘bieleman’, die met veel ceremonieel een paaltje omhakt, waaronder veelal een kleine gave zit verstopt. In Hummelo gebeurt dit bij huizen waar het vendel gezwaaid wordt. De ‘bielemannen’ zijn waarschijnlijk een overblijfsel van de vroegere sappeurs, die met grote bijlen aan legerafdelingen vooraf gingen om de weg open te kappen; hier en daar dragen zij nog de uniformen der sappeurs met hoge kolbakken en schootsvellen. Nu zijn het een soort van grappenmakers, die vóór de troep uit marcheren en al dansende de jeugd vervolgen. Men noemt ze ook wildemannen; in Brabant spreekt men van de pias.

Evenzo heeft het kunstige vendelzwaaien om hoofd en nek, borst en lendenen, ook onder de voeten door, als de vaandrig zich plat op de grond werpt, oude betekenis. Het moest de omstanders geruststellen dat de vaandrig zijn vaandel zou blijven hoog houden, ook al werd hij aan hand of voet gewond. Al is van het gildezilver door verkoop, verplichte inlevering en slordig beheer veel verloren gegaan, toch vormt dit van de honderden schutterijen die ons land nog telt, een rijk bezit, van vaak hoge kunstwaarde. De schilden, gegraveerd met hun door de koningen gemaakte versjes, vol dorpshumor, verdienen als voortbrengselen van volkskunst ten volle de belangstelling, die hun nu ten deel valt, vooral in Noord-Brabant. Nog altijd is het een onderscheiding lid te zijn van het schuttersgilde, wordt de winnaar van het koningschap in het dorp hoog geëerd. De fiets en de voetbal, het moderne verkeer, doen geen merkbare afbreuk aan dit edele vermaak; integendeel vertonen sommige gilden duidelijke tekenen van opleving en tot in de jongste tijd worden nieuwe schuttersgezelschappen opgericht.

Het Gemeentemuseum te Arnhem bezit een alleraardigste waterverfschildering door P. van Cuyck, van 1759, die het vogelschieten van de Sint-Jans Schutterij op de hoogten tussen Zijpendal en Sonsbeek met grote nauwkeurigheid afbeeldt. Men ziet tegen de boom het vaandel staan, ook het zilver is daar door de koning opgehangen en de speellieden benevens de ene tamboer hebben er hun instrumenten neergezet. De andere tamboer staat links terzij, gereed tot roffelen zodra het schot raak is. In een wijde kring daaromheen staan of liggen de toeschouwers op het gras of ze zitten aan tafeltjes wat te drinken.

Van geheel andere aard is een pinkstergebruik dat op een enkele plaats in de Twentse en Gelderse Achterhoek nog voorkomt, de broodbedeling aan de armen. Ook Noord-Brabant kende vroeger zulke broodbedelingen.

Sinds eeuwen kwamen de armen van Ootmarsum jaarlijks op Pinkstermaandag ’s middags om twee uur samen op een open plek van de Ageler Es, ‘het Boaken’, waar dan de rogge in bloei staat. Daar brachten de boeren van de boerschappen Groot en Klein Agelo elk een zwaar roggebrood van 24 à 28 pond, dat zij gestoken aan een stok op de schouder aandroegen. Toen de boer zijn brood niet meer zelf bakte, zonden sommigen van hen ook wel een boodschap dat het brood bij deze of gene bakker te Ootmarsum kon worden afgehaald. Een van de oudste boeren was de leider. Als er niemand meer werd verwacht en alle broden op het gras lagen neergeworpen, kon de uitdeling beginnen, maar eerst knielden allen neer om Gods zegen op de oogst af te bidden. Daarna telde men de liefhebbers, alle aanwezigen telden mee, ook de zuigelingen. Maar wie de weg naar de Es niet meer kon afleggen, kwam niet in aanmerking. Dan werden de broden verdeeld en zo nodig met een groot mes in stukken gesneden, waarop ieder zijn aandeel ontving of een briefje dat recht gaf op een bakkersbrood. Ofschoon de boeren katholiek waren, konden de armen van alle gezindten van deze uitdeling genieten. Daarna knielden alle aanwezigen nogmaals met ontblote hoofden te midden van de uitgestrekte korenvelden neer en dan trokken de armen hun beladen kinderwagens en karretjes langs de mulle zandwegen weer naar huis. De boeren bleven nog even napraten en verspreidden zich dan ook, in de vaste overtuiging dat hun weldadigheid zegen zou brengen aan de te velde staande oogst en daarvan het ‘vervriezen en verhagelen’ voorkomen. Bij mensenheugenis moet de rogge op de Ageler Es nooit zijn bevroren. Al in 1672 was het gebruik bekend: toen had het plaats onder een boom, ‘den Bokum’ genaamd, waaraan nog de naam van de open plek in de es herinnert.

Wat is de oorsprong van deze broodbedeling?

In de voorchristelijke tijd plachten de bewoners van een zelfde streek in de voorzomer, als het jonge koren het meest aan de hagel is blootgesteld, een ommegang te houden over de velden. Dan trachtten zij door het brengen van offers de boze geesten, die men zich vooral op kruispunten van wegen aanwezig dacht, gunstig te stemmen voor de nieuwe oogst. Later gingen deze offers over in giften aan de kerk en brooduitdelingen aan de armen, die deels nog plaatshebben op kruispunten. Hier richtte men wel ‘hagelkruisen’ op, kleine van steen in Limburg en Brabant, hoge masten met dwarslat en houten haan in top in Gelderland, die bedoelden hagelslag te voorkomen. Te Kilder (G.) had, tot 3 à 4 jaar geleden, deze brooduitdeling, met preek, plaats op tweede Pinksterzondag in de weide van een boerenhuis, dat het erve Hagelkruis heet. Doch niet altijd hebben deze bedelingen op Pinksteren plaats: in Gelders Hengelo en Wehl houdt men ze o.a. op Hemelvaartsdag. De verplichting daartoe rust op bepaalde boerderijen, waaraan in de voormalige marken het volledig stemrecht was verbonden. Op boerderij ‘De Muldersfluite’ tussen Gelders Hengelo en Zelhem, is de brooduitdeling een heel gebeuren. Het gaat daar om reuzenbroden en wie het zwaarste brood inlevert verdient twee flessen wijn. Geen brood mag lichter zijn dan 22 pond. De broden worden nu bij opbod aan de vele bezoekers verkocht en het geld is bestemd voor liefdadige doeleinden. Het gebeurt nu niet meer als verplichting, maar vrijwillig. In 1977 woog het zwaarste brood 60 pond! In Wehl gaat men nog steeds in processie naar het hagelkruis aan de rand van het bos, waarbij men bidt voor de vruchten der aarde. Bij het kruis wordt de litanie van alle heiligen gebeden. Een collecte voor de armen vervangt de brooduitdeling.

De historie geworden omgang van de Pinksterjongen (!) te Makkum. Naar een tekening van D. Lam in Uil Friesland’s volksleven van Waling Dijkstra. De jongen heet Pinksterbloem, maar is eigenlijk een ‘luilak’ (langslaper).

Wordt het pinksterfeest nog tot Pinksterdinsdag verlengd, het heeft ook een voorpretje in de luilakdag, het best bekend in Holland, van Texel tot Delft en speciaal aan de Zaan, waar met ‘looielak’ het huis geheel moet zijn schoongemaakt en ook de molen stofschoon behoort te zijn. Al een week voor Pinksteren beginnen de jongens er te rijden met zogenaamde korries, eigengemaakte lage wagentjes, waarop zij om beurten gaan zitten bij hun proefritten voor de luilakochtend. Dan is de korrie beladen met groene takken en vooral ook met brandnetels. Aan de korrie hangt een lange sliert van blikken en deksels, kapotte emmers en teilen, die over de keien een hels spektakel maken, zeer geschikt om alle slapers te wekken. Overal waar men een langslaper vermoedt, wordt aan de bel gerukt en daaraan een bos brandnetels of een dode rat gehangen onder het zingen van:

De looie lak,
De slaperige zak,
Vanmorgen niet vroeg opgestaan,
Je ken wel weer naar bed toe gaan.

In Amsterdam zingt men:

Luilak, beddezak,
Staat om negen uren op,
Negen uren, half tien,
Dan kan men de luilak zien.

Waagt deze luilak het buiten te komen, dan wordt hij met brandnetels geslagen, wat waarschijnlijk teruggaat op een oud vruchtbaarheidsgebruik.
In Groningen is ‘pinksterbloum’ een schertsende naam van de ‘brannekkel’: daarmee sloeg men de langslapers, zaterdag voor Pinksteren. De schooljeugd ‘pinksterde’ de langslaper ermee! Hebben de kinderen genoeg van het rondlopen, dan wordt de korrie in het water gegooid, evenals de Deventer pinksterkroon.

In de gezinnen pleegt degene, die het laatst is opgestaan, te trakteren. De traditionele luilakbollen, die in de vroege ochtend bij de bakker werden afgehaald en warm, met veel boter en stroop of bruine suiker, aan het ontbijt gegeten, komen nu weinig meer voor.

Drenthe kent luilak viering op Pinkstermaandag. De koejongen die dan het laatst verschijnt ‘op de diek’, de gemeenschappelijke weg naar de verschillende weiden, heet de ‘nustekook’ en wordt ook met brandnetels en bremtakken (= pinksterbloemen!) geslagen.
In Zuidlaren zingen de kinderen:

Nustkook, nustkook,
Zitstou zo diep in de veren?
Kinstou dien eigen roem niet eren?
Hestou geen oogjes Van kiekerdekiek?
Komst ja te laat Met de koen op de diek!
Nustkook hier, nustkook daar,
Nustkook tot op ’t ander jaar!

Het luilakgebruik, dat in de Randstad meer en meer in baldadigheid ontaardt, is ook aan andere dagen verbonden, o.a. in Gelderland aan Hemelvaartsdag, te Genemuiden aan 1 mei (de ‘luiemotte’), in Groningen aan de Goede Vrijdag (Loppersum). Te Roodeschool was gebruik, dat de kinderen op Goede Vrijdag zeer vroeg bij school kwamen, want de laatste moest een zakje met as op de rug nemen. Dat was de ‘aaskejong’ of ‘aaskepoester’ (blazer in de as). Dan begon een rondgang door het dorp tot naar afgelegen boerderijen. De kinderen sloegen met stokken op de zak, zodat de as rondstoof. De ‘aaskejong’ kreeg de opgehaalde centen. Deze ‘aaskejong’ verbeeldde de winter, die feestelijk werd uitgedreven. De rol werd vaak vervuld door een arme jongen, die op zo’n manier wat extra’s kreeg.

.

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; Pinksteren

.

3024-2839

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 34

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

GA 34

Om het begrip ‘geestzelf’ te verduidelijken, gebruikt Steiner ook weer zijn ‘methode’ om de dingen in hun tegenstellingen te bekijken; van verschillende kanten te benaderen.
Hier vergelijkt hij de ‘boodschappen’ die wij ‘binnen krijgen’ enerzijds vanuit de aardse wereld en anderzijds vanuit de geestelijke wereld. 

Om met de aardse wereld in contact te komen, kunnen we niet zonder de zintuigen. Kleuren, geuren, geluiden: we zouden ze niet kunnen waarnemen zonder de daarbij horende zintuigen. 

Van de lichamelijke kant uit bekeken, spreken we dan over ‘gewaarwordingen’ en omdat wij hier een stukje van de buitenwereld tot eigen wereld maken, hebben we daarvoor ‘de ziel’ nodig. Dit stukje ziel omschrijft Steiner als gewaarwordingsziel.

Nu kan je ook gewaarwordingen hebben van iets geestelijks. Die zijn niet zo duidelijk als bv. heldere kleuren die ‘op ons netvlies vallen’. 
Toch spreken we daar ook over ‘aan’- ‘in’voelen. 
Die geestelijke gewaarwording noemt Steiner ‘intuïtie‘.

En zoals de lichamelijke gewaarwordingen beleefd worden in de gewaarwordingsziel, d.m.v. de zintuigen, zo de geestelijke gewaarwordingen in de geestmens. d.m.v. de intuïtie.

Von der Aura des Menschen 

Over de aura van de mens

Januari tot april 1904

Blz. 134

Und wie ferner der physische Leib durch die sinnliche Empfindung Erkenntnis von der sinnlichen Welt er­langt, so der Geistesmensch durch die geistige Empfindung, die Intuition genannt wird, von der Geisteswelt. Dem sinn­lichen Empfindungsleib der körperlichen Welt entspricht daher ein besonderer Empfindungsgeist auf diesem höheren Gebiete. Ebenso wie das niedere Eigenleben mit der Emp­findung beginnt, so das höhere mit der Intuition. Dieses gei­stige Eigenleben sei daher Geistselbst genannt (in der theoso­phischen Literatur heißt es «höherer Manas»).

En zoals het fysieke lichaam door de zintuiglijke gewaarwording kennis opdoet over de zintuiglijke wereld, zo de geestmens door de geestelijke gewaarwording die intuïtie wordt genoemd, van de geestelijke wereld. Het zintuiglijke zielenlijf van de lichamelijke wereld enerzijds, anderzijds een bijzondere gewaarwordingsgeest op dit hogere gebied. 
Net zoals het lagere eigen leven begint met de gewaarwording, zo het hogere met de intuïtie. Dit geestelijke eigenleven moet daarom geestzelf genoemd worden.
In de theosofische literatuur heet dit ‘hogere manas’.

Omdat Steiner in deze tijd nog lid was van de Theosofische Vereniging en daar voordrachten hield, geeft hij vaak ook de Sanskriet namen.
Dit ‘theosofische’ heeft dus niet direct te maken met zijn boek ‘Theosofie’ (GA 9) 

Hierboven is sprake van ‘gewaarwordingslichaam’ en ‘gewaarwordingsziel’.
Om de relatie ‘bewustzijnsziel’ – ‘geestzelf’ te begrijpen, die a.h.w. een spiegel hiervan zijn, is het zaak deze woorden uit GA 34 eveneens te bestuderen: Rudolf Steiner over het astraallijf

Daarna begrijp je deze relatie beter:

Blz. 135

Die Empfindungsseele füllt den Empfindungsleib aus und verschmilzt mit ihm zu einem Ganzen. Dies wird klar, wenn man sich folgendes vorstellt: Daß ein Eindruck der Außen­welt die Farbe «Rot» hervorruft, beruht auf einer Tätigkeit des Empfindungsleibes. Daß die Seele dieses «Rot» in sich erlebt, beruht darauf, daß mit dem Empfindungsleib die Empfindungsseele unmittelbar verknüpft ist, und die von außen empfangene Wirkung sogleich zu der ihrigen macht.
(  ) den mit der Empfindungsseele verbunde­nen Empfindungsleib (Astralkörper, Kama rupa),

De gewaarwordingsziel vult het gewaarwordingslijf op en versmelt ermee tot een eenheid. Dat wordt duidelijk als je je het volgende voorstelt: Dat een indruk van de buitenwereld de kleur ‘rood’ oproept, berust op een activiteit van het gewaarwordingslijf. Dat de ziel dit ‘rood’ in zich beleeft, berust erop dat de gewaarwordingsziel direct is verbonden met het gewaarwordingslichaam en de van buiten ontvangen werking direct tot de hare maakt.
(…) de met de gewaarwordingsziel verbonden gewaarwordingslichaam heet het astraallichaam (Körper), Kama rupa.

Ebenso verschmelzen die Bewußtseinsseele und das Geist­selbst durch die selbsteigene Tätigkeit des «Ich» zu einem Ganzen.

Op dezelfde manier worden bewustzijnsziel en geestzelf één door de activiteit van het ‘Ik’.
GA 34/134-135
Niet vertaald

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

Hier karakteriseert in GA 34 Steiner het Ik om dan verder te gaan met hoe dit Ik aan de verschillende wezensdelen kan werken, om het ‘geestzelf’ te begrijpen dus het werken aan het astraallijf.

Blz. 317

Das «Ich» ist aber in dem gegenwärtigen Menschen kei­neswegs eine einfache Wesenheit. Man kann seine Natur er­kennen, wenn man die Menschen verschiedener Entwick­lungsstufen miteinander vergleicht. Man blicke auf den unge­bildeten Wilden und den europäischen Durchschnittsmen­schen, und vergleiche diesen wieder mit einem hohen Ideali­sten. Sie haben alle die Fähigkeit, zu sich «Ich» zu sagen; der «Ich-Leib» ist bei allen vorhanden. Der ungebildete Wilde folgt aber seinen Leidenschaften, Trieben und Begierden mit diesem «Ich» fast wie das Tier. Der höher Entwickelte sagt sich gegenüber gewissen Neigungen und Lüsten: diesen darfst du folgen, andere zügelt er und unterdrückt sie. Der Idealist hat zu den ursprünglichen Neigungen und Leidenschaften hö­here hinzugebildet. Dies ist alles dadurch geschehen, daß das «Ich »an den andern Gliedern der menschlichen Wesenheit ge­arbeitet hat. Ja darinnen liegt gerade die Aufgabe des «Ich», daß es die anderen Glieder von sich aus veredelt und läutert.

Het ‘ik’ is echter in de tegenwoordige mens geenszins eenvoudig naar zijn aard en wezen. Men kan deze aard leren kennen, wanneer men mensen van verschillende ontwikkelingshoogte met elkaar vergelijkt. Men beschouwe de onontwikkelde natuurmens en de gemiddelde Europeaan, en vergelijkt deze dan weer met een mens, bezield door hoge idealen. Zij hebben alle drie het vermogen ‘ik’ tot zichzelf te zeggen; het ‘ik-lichaam’ is bij alle drie aanwezig. De onontwikkelde wilde volgt evenwel met dit ‘ik’ zijn hartstochten, driften en begeerten bijna als een dier. De hoger ontwikkelde mens zegt ten aanzien van bepaalde neigingen en lusten tot zichzelf: aan deze mag je toegeven; andere beteugelt en onderdrukt hij. De idealist heeft naast de oorspronkelijke neigingen en  hartstochten hogere drijfveren in zich ontwikkeld. Dit alles is geschied, omdat het ‘ik’ aan de andere delen van de menselijke natuur gewerkt heeft. En daarin ligt juist de taak van het ‘ik’, dat het door zijn inwerking de andere delen veredelt en loutert.

So sind bei demjenigen Menschen, der hinausgelangt ist über den Zustand, in den ihn die äußere Welt versetzt hat, die niederen Glieder unter dem Einfluß des Ich mehr oder weniger verändert worden. In dem Zustande, in dem sich der Mensch über das Tier eben erhebt, indem sein «Ich» aufblitzt, gleicht er in bezug auf die niederen Glieder noch dem Tiere. Sein Äther- oder Lebensleib ist lediglich der Träger der lebendigen Bildungskräfte, des Wachstums und der Fortpflanzung. Sein Empfindungsleib drückt nur solche Triebe, Begierden und Leidenschaften aus, welche durch die äußere Natur angeregt werden. Indem der Mensch von dieser Bildungsstufe aus durch die aufeinanderfolgenden Leben oder Verkörperungen zu im­mer höherer Entwickelung sich hindurchringt, arbeitet sein Ich die anderen Glieder um. So wird der Empfindungsleib der Träger geläuterter Lust- und Unlustgefühle, verfeinerter Wün­sche und Begierden. Und auch der Äther- oder Lebensleib ge­staltet sich um. Er wird der Träger der Gewohnheiten, der blei­benden Neigungen, des Temperamentes und des Gedächtnis­ses. Ein Mensch, dessen Ich noch nicht gearbeitet hat an seinem

Bij de mens, die innerlijk uitgegroeid is boven de toestand, waarin hij door de uiterlijke natuur geplaatst was, zijn dus de lagere delen van zijn wezen onder invloed van het ‘ik’ min of meer omgewerkt. Op het moment, dat het ‘ik’ ontvonkt en de mens zich daardoor boven het dier verheft, lijkt hij, wat de lagere delen van zijn wezen betreft, nog steeds op een dier. Zijn ether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, welke door de buitenwereld worden opgewekt. Terwijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnaties opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het ‘ik’ gaandeweg op de drie andere ‘lichamen’ in, zodat deze veranderd worden. Zodoende wordt het gewaarwordingslichaam de drager van gelouterde gevoelens van sympathie en antipathie, van meer verfijnde wensen en begeerten. En ook het ether- of levenslichaam wijzigt zich. Het wordt de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen. Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn

Blz. 318

Lebensleib, hat keine Erinnerung an die Erlebnisse, die er macht. Er lebt sich so aus, wie es die Natur ihm eingepflanzt hat.
 Die ganze Kulturentwicklung drückt sich für den Men­schen in solcher Arbeit des Ich an seinen untergeordneten Glie­dern aus. Diese Arbeit geht bis in den physischen Leib hinun­ter. Unter dem Einflusse des Ich ändert sich die Physiognomie, ändern sich die Gesten und Bewegungen, das ganze Aussehen des physischen Leibes.
Man kann auch unterscheiden, wie die verschiedenen Kul­tur- und Bildungsmittel auf die einzelnen Glieder der mensch­lichen Wesenheit verschieden wirken. Die gewöhnlichen Kul­turfaktoren wirken auf den Empfindungsleib; sie bringen die­sem andere Arten von Lust und Unlust, von Trieben usw. bei, als er vom Ursprunge aus hatte. Die Versenkung in die Werke der Kunst wirkt auf den Ätherleib. Indem der Mensch durch das Kunstwerk die Ahnung eines Höheren, Edleren erhält als das ist, was die Sinnesumgebung darbietet, gestaltet er seinen Lebensleib um. Ein mächtiges Mittel zur Läuterung und Ver­edelung des Ätherleibes ist die Religion. Die religiösen Im­pulse haben dadurch ihre großartige Mission in der Menschheitsentwicklung.

levenslichaam gewerkt heeft, behoudt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd. De gehele ontwikkeling van de  cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordingslichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, welke door de buitenwereld worden opgewekt. Terwijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnatie opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het ‘ik’ gaandeweg op de drie andere ‘lichamen’ in, zodat deze veranderd worden. Zodoende wordt het gewaarwordingslichaam de drager van gelouterde gevoelens van sympathie en antipathie, van meer verfijnde wensen en begeerten. En ook het ether- of levenslichaam wijzigt zich. Het wordt de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen. Een mens, wiens ‘ik’ nog niet aan zijn levenslichaam gewerkt heeft, behoudt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd. De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het ‘ik’ plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het ‘ik’ veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam. Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzonderlijke delen van het mensenwezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beïnvloeden het gewaarwordingslichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enzovoort optreden dan tevoren. Het zich aandachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het etherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuigelijke wereld, wordt het ether-lichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het etherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.

Das, was man Gewissen nennt, ist nichts anderes als das Er­gebnis der Arbeit des Ich an dem Lebensleib durch eine Reihe von Verkörperungen hindurch. Wenn der Mensch einsieht, daß er dies oder jenes nicht tun soll, und wenn durch diese Ein­sicht ein so starker Eindruck auf ihn gemacht wird, daß sich dieser bis in seinen Ätherleib fortpflanzt, so entsteht eben das Gewissen.
Nun kann diese Arbeit des «Ich» an den untergeordneten Gliedern entweder eine solche sein, die mehr dem ganzen Menschengeschlechte eigen ist, oder sie kann ganz individuell eine Leistung des einzelnen Ich an sich selbst sein. An der er­steren Umwandlung des Menschen arbeitet gewissermaßen die ganze menschliche Gattung mit; die letztere muß auf der ei­gensten Tätigkeit des Ich beruhen.
Wenn nun das «Ich » so

Dat wat men ‘geweten’ noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het ‘ik’ aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn etherlichaam voortplant, dan ontstaat geweten.
Nu kan deze arbeid van het ‘ik’ aan de genoemde drie lagere’ lichamen’ meer voor het gehele mensengeslacht gelden, of er kan sprake zijn van een zuiver individuele arbeidsverrichting van het afzonderlijke ‘ik’ aan zichzelf. Aan de eerstbedoelde arbeid ter verandering van de mens werkt in zekere zin de menselijke soort als totaliteit mede; de laatst bedoelde moet berusten op de oereigen activiteit van het ‘ik’. Wanneer nu het ‘ik’ zo sterk wordt, dat het uitsluitend door zijn meest eigen kracht

Blz. 319

Wenn nun das ‘Ich’ so stark wird, daß es nur durch die eigenste Kraft den Empfindungsleib umarbeitet, so nennt man dasjenige, was das Ich auf diese Art aus diesem Empfindungs- oder Astralleibe macht: das Geistselbst (oder mit einem morgenländischen ­Ausdrucke: Manas). Diese Umgestaltung beruht im wesentlichen auf einem Lernen, auf einem Bereichern des Innern mit ­höheren Ideen und Anschauungen.

het gewaarwordingslichaam omwerkt, dan noemt men datgene, wat het ‘ik’ op deze wijze uit het gewaarwordings- of astrale lichaam maakt: het geestzelf (of met een woord dat de oude Indiër hier voor gebruikte: manas).
GA 34/317-319
Vertaald/21-24

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het Ik

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3014-2830

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het geestzelf – GA 9

.

Over Ik, bewustzijnsiel en geest(es)zelf

In deze inleiding ging het over: wat kan je met of vanuit je eigen Ik doen aan of voor jezelf, voor je ontwikkeling.

Daaraan heeft Rudolf Steiner in vele voordrachten aandacht besteed.

De kern van zijn opmerkingen is, voor wat er op blz. 23, 24 van de Algemene menskunde’ staat, steeds: welke gevolgen heeft dit voor de ziel en het bewustzijn van de mens. Wat wordt er daardoor ontwikkeld.

Steeds komen nu de begrippen ‘geestzelf, levensgeest en geest(es)mens’ in de schijnwerper te staan.

Evenals met de opmerkingen over het etherlijf,    astraallijf   en het Ikgaat het er mij nu om, door al deze karakteriseringen vertrouwd te raken met deze wezensdelen.

In 1904 publiceert Steiner zijn ‘Theosofie GA 9. Vertaald.

Daarin bespreekt hij uitgebreid de 9-ledige mens om uit te komen bij de 7-ledige.
Daarmee verweven lijkt het 4-ledige.
Deze voordrachten over het astraallijf, zijn allemaal van rond 1904, alle geven ze karakteriseringen voor het astraallijf.
Daar lees je ‘astraallijf’ als ongeveer synoniem aan ‘gevoelsleven’ waarbij deze gevoelens min of meer bewust zijn.

In ‘Theosofie’ is dit gevoelsleven wat gespecialiseerder besproken en dat vinden we bv. weer terug in o.a. de ‘Algemene Menskunde’.
Dan is er sprake van ‘gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.’
Naarmate we in de richting van het etherlijf gaan vinden we daar ook de gevoelens die zich bij dit etherlijf ‘in de buurt’ bevinden.
Dit levenslijf heeft o.a. voedsel nodig en we voelen, beleven ‘honger’ en verlangen naar eten.
Als Steiner over het astraallijf spreekt als drager van begeerte, driften, hartstochten enz. is het dit gebied. Hier ligt de sterkste overeenkomst tussen mens en dier.
Als we met deze gevoelens bezig zijn, zijn we a.h.w. gericht op het kort-tijdelijke: telkens als er een bevrediging van die gevoelens is geweest, ebben ze a.h.w. weg om vervolgens weer te ontstaan.

Nu kennen we in ons niet alleen dit soort gevoelens. We ervaren bv. dingen in het leven die ons raken, ons emotioneel maken, ‘danig op ons ‘gemoed’ werken en als we ze meester willen worden, als we ‘nuchterder’ willen worden, gaan we over die gevoelens nadenken, we beginnen te reflecteren. Dat is ook nog steeds een stukje ‘astraallijf’, gevoel met bewustzijn.
We kunnen ervaren dat we er eigenlijk niet (meer) aan willen toegeven: het mag me niet meer overkomen’. Ik wil het niet meer en……daar is het Ik, nu dus veel sterker beleefbaar dan daarvoor.
Dan kan het ook zijn, dat je besluit veel minder te gaan toegeven aan dit soort emoties, maar ook aan die prikkels die maar even duren. Voor een deel kun je ‘de waan van de dag’ negeren en je bv. richten op ‘het goede, schone en het ware’.
Dat lijkt abstract, maar is het niet.
Want i.p.v. je tijd te besteden aan allerlei indrukken op je telefoon, kun je ook ogenblikken creëren waarin je een bepaalde gedachte koestert die ‘gisteren waar was, vandaag ook en morgen ook. Die a.h.w. een soort eeuwigheidswaarde heeft in vergelijking met die kort-tijdelijke dingen.

In ‘Theosofie’ neemt Steiner ons mee vanuit het lichaam, via de ziel, naar de geest:

Vertaling blz. 26-27

Waarom doet de wereld zich op deze drieledige wijze aan de mens voor? Een eenvoudige gedachtegang kan dit duidelijk maken. Ik loop over een wei waar bloemen bloeien. De bloemen tonen mij hun kleuren via mijn oog. Dat is het feit dat ik neem zoals het zich aan mij vertoont. – Ik schep behagen in deze kleurenpracht. Daardoor maak ik het feit tot mijn eigen aangelegenheid. Door mijn gevoelens verbind ik de bloemen met mijn eigen bestaan. – Een jaar later loop ik weer over diezelfde wei. Er staan nu andere bloemen. Nieuwe vreugde wordt in mij gewekt. Mijn vreugde van het vorige jaar zal als herinnering opduiken. Ze is in mij; het verschijnsel dat die vreugde opgewekt heeft is vergaan. Maar de bloemen die ik nu zie zijn van dezelfde soort als die van vorig jaar; ze zijn volgens dezelfde wetten gegroeid. Als ik me over die soort duidelijkheid heb verschaft, als ik in die wetten inzicht heb gekregen, dan vind ik ze in de bloemen van dit jaar precies zo terug als ik ze in de bloemen van het vorige jaar heb leren kennen. En ik zal er misschien als volgt over nadenken. De bloemen van het vorige jaar zijn vergaan; mijn vreugde over die bloemen is alleen in mijn herinnering achtergebleven. Die vreugde is alleen met mijn bestaan verbonden. Maar wat ik vorig jaar omtrent die bloemen heb ingezien en dit jaar opnieuw inzie, dat zal blijven zolang er zulke bloemen groeien. Dat is iets dat zich aan mij heeft geopenbaard, maar dat niet op dezelfde wijze van mijn bestaan afhankelijk is als mijn vreugde. Mijn gevoelens van vreugde blijven in mij; de wetten, het wezen ° van de bloemen, blijven buiten mij in de wereld bestaan. Zo verbindt de mens zich voortdurend op drievoudige wijze met de verschijnselen van de wereld. 

Vertaling blz. 28

Met lichaam wordt hier datgene bedoeld, waardoor de dingen die de mens omringen zich aan hem openbaren, zoals in het eerdere voorbeeld de bloemen in de wei. Het woord ziel verwijst naar datgene, waardoor de mens de dingen met zijn eigen bestaan verbindt, waardoor ze hem bevallen en mishagen, waardoor hij er lust en afkeer, vreugde en verdriet aan beleeft. Met geest wordt datgene bedoeld, wat zich in de mens openbaart als hij, zoals Goethe het uitdrukt, de dingen als een ‘als het ware goddelijk wezen’ beziet. – In deze zin bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest.

Alles wat bij mij lichamelijke processen zijn, kan ook met de lichamelijke zintuigen worden waargenomen. Maar mijn welbehagen en mijn afkeer, mijn vreugde en mijn verdriet kan noch ikzelf noch een ander met zijn lichamelijke zintuigen waarnemen. Het gebied van de ziel is ontoegankelijk voor de lichamelijke beschouwingswijze. Het lichamelijk bestaan van de mens is voor iedereen zichtbaar; dat van de ziel draagt hij als zijn wereld in zichzelf. Door de geest echter openbaart de buitenwereld zich aan hem op een hogere manier. In zijn binnenste worden weliswaar de geheimen van de buitenwereld onthuld; maar hij treedt in de geest buiten zichzelf en laat de dingen zich over zichzelf uitspreken, over datgene wat niet voor hem, maar voor hen betekenis heeft. De mens kijkt omhoog naar de sterrenhemel: de verrukking die zijn ziel smaakt is van hemzelf, de eeuwige wetten die de sterren regeren, die hij in zijn denken, in de geest kent, behoren niet hem, maar de sterren zelf toe.
Het bezig zijn met deze ‘eeuwige’ wetten, de inhoud daarvan bewuster in je opnemen, doe je met een verhoogde activiteit van je Ik. 
In je bewuste denken komt zo een grotere geestelijke inhoud en naarmate je meer van dit geestelijke in je opneemt, groeit je bewustzijn a.h.w. naar dit geestelijke toe.
Op zeker ogenblijk gaat het één a.h.w. in het ander over. 
Dan is in jouw iets ontstaan van wat Steiner het ‘geestzelf’ noemt.
 Vertaling blz. 45-47
.
Het ik leeft in de ziel. Ook al behoort de hoogste uiting van het ‘ik’ tot de bewustzijnsziel, toch moet je zeggen dat dit ‘ik’ van daaruit de gehele ziel met zijn stralen vervult en via de ziel inwerkt op het lichaam. En in het ik leeft de geest. De geest werpt stralen in het ik en leeft daarin als in zijn ‘omhulsel’, zoals het ik in lichaam en ziel als in zijn ‘omhulsels’ leeft. De geest vormt het ik van binnen naar buiten, de minerale wereld van buiten naar binnen. De geest die een ‘ik’ vormt en als ‘ik’ leeft, noemen we ‘geesteszelf ’, omdat hij als ‘ik’ of ‘zelf ’ van de mens tot verschijning komt. Het verschil tussen het ‘geesteszelf ’ en de ‘bewustzijnsziel’ kunnen we ons op de volgende wijze duidelijk maken. De bewustzijnsziel raakt de door zichzelf bestaande waarheid, die onafhankelijk is van iedere antipathie of sympathie; het geesteszelf draagt diezelfde waarheid in zich, maar opgenomen in en omsloten door het ‘ik’; door het ‘ik’ wordt die waarheid geïndividualiseerd en in het zelfstandige wezen van de mens opgenomen. Doordat de eeuwige waarheid op deze wijze wordt verzelfstandigd en met het ‘ik’ tot één wezen wordt verbonden, wordt het ‘ik’ zelf eeuwig. Het geesteszelf is een openbaring van de geestelijke wereld in het ik.
Vertaling blz. 49-50

Bewustzijnsziel en geesteszelf vormen een eenheid.

In het 9-ledig mensbeeld worden bewustzijnsziel en geestzelf nog apart genoemd, in het 7-ledige staat er voor het geestzelf:  de van geest vervulde bewustzijnsziel.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het geestzelf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3011-2827.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (09-05-1922)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Omdat er sprake is van ‘het vrije onderwijs, op een vrije school (met spatie) en er ook sprake is van de Stuttgarter vrijeschool (zonder spatie) heb ik, om misverstanden uit te sluiten, deze keer vrijeschool vertaald met waldorfschool (off. spelling geen hoofdletter)

Blz. 122

Ansprache am Elternabend

Toespraak op de ouderavond

Meine sehr verehrten Anwesenden! Es ist nicht eigentlich ein Vortrag,
den ich bei dieser Gelegenheit halten möchte, sondern ich möchte
Veranlassung geben zu einer möglichst weitgehenden Verständigung der
an der Führung und an dem Wirken der Waldorfschule Beteiligten und
der Elternschaft unserer Schule. Das ist aus dem Grunde, weil ich tatsächlich diese Verständigung, dieses Zusammenwirken der Lehrer
und anderer Persönlichkeiten, die an der Führung der Waldorfschule
beteiligt sind, und der Eltern für etwas außerordentlich Notwendiges
und Bedeutungsvolles halte. Gestatten Sie mir, daß ich dabei von einem Erlebnis ausgehe, das ich erst jüngst hatte, um an diesem Erlebnis zu veranschaulichen, wie wichtig die Frage ist, auf die ich hingedeutet habe. Ich habe ja in den letzten Wochen die Aufgabe gehabt, mitzuwirken bei der zum Geburtstag von Shakespeare veranstalteten Feier in Stratford on Avon in England. Und diese Shakespeare-Festlichkeit war eigentlich eine solche, die ganz unter dem Eindruck und Einfluß stand von Erziehungsfragen. Sie
war veranstaltet von Persönlichkeiten, die an Kinder- und Volkserziehung tief interessiert sind. Man kann auch sagen, bei dieser ganzen
Festlichkeit stand gewissermaßen die Welt der Shakespeareschen Kunst
nur im Hintergrund, denn dasjenige, was verhandelt worden ist, waren
Erziehungsfragen der Gegenwart. Bei dieser Gelegenheit zeigte sich
auch eine der kleinen, oder vielleicht einmal sogar großen Auswirkungen
jenes pädagogischen Kurses, den ich zu Weihnachten an unserem
Goetheanum in Dornach gehalten habe, und an dem gerade Persönlichkeiten teilnahmen, die mitzuwirken hatten an dieser Shakespeare-Festlichkeit.
Nun gibt es da in der Nahe von London ein Erziehungsinternat. Es hat noch keine besondere Größe, aber dieses Erziehungsinternat wird
geleitet von einer Persönlichkeit, die bei dem Dornacher Kurs anwesend
war und von dort her die Anregung mitgenommen hat, in dieses

Zeer geachte aanwezigen! Bij deze gelegenheid wil ik eigenlijk geen voordracht houden, maar ik zou een aanleiding willen geven om een zo groot mogelijk begrip te wekken voor de mensen die deelhebben aan het beheer en het werk van de waldorfschool en voor de ouders van onze school. Dat komt omdat ik werkelijk dit wederzijdse begrip, dit samenwerken van de leerkrachten en andere personen die betrokken zijn bij de gang van zaken van de waldorfschool en de ouders, voor iets zeer noodzakelijks en belangrijks houd.
Mag ik van een ervaring uitgaan die ik niet zo lang geleden had om daarmee duidelijk te maken hoe belangrijk de vraag is waarop ik zinspeelde. De afgelopen weken had ik namelijk de opdracht, mee te werken aan een een festiviteit bij de geboortedag van Shakespeare in Stratford on Avon* in Engeland. En deze Shakespeare-festiviteit stond eigenlijk geheel in het teken van opvoedingsvraagstukken. Deze was georganiseerd door personen die diep geïnteresseerd zijn in de opvoeding van de kinderen en de mensen. Je zou ook kunnen zeggen dat bij deze feestelijkheden de kunst van Shakespeare alleen maar de achtergrond vormde, want waar het over ging waren de opvoedingsvraagstukken van deze tijd. Bij deze gelegenheid zag je ook de kleine of misschien ook wel de grote gevolgen van de pedagogische cursus** die ik met Kerstmis in ons Goetheanum heb gegeven en waaraan juist die personen meededen die mee moesten werken aan deze Shakespeare-festiviteiten.
In de omgeving van Londen staat een opvoedingsinternaat***. Het is nog niet zo groot, maar het wordt geleid door iemand die bij de cursus in Dornach aanwezig was en vandaar de impuls had meegenomen naar dit

*Feier in Stratford: Zu Shakespeares Geburtstag. Rudolf Steiner sprach auf Einladung hin am 19., 21. und 23. April 1922 innerhalb der Konferenz der Vereinigung «Neue Ideale in der Erziehung» über «Das Drama und seine Beziehung zur Erziehung» und «Shakespeare und die neuen Ideale», in «Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage» (9 Vorträge in verschiedenen Städten 1921/22), Bibl.-Nr. 304, GA 1979.
.
Festiviteit in Stratford: Bij Shakespeares geboortedag. Rudolf Steiner sprak op uitnodiging op 19, 21 en 23 april 1922 op de vergadering van de vereniging ‘Nieuwe idealen in de opvoeding’ over ‘Het drama in de opvoeding’ [op deze blog vertaald] en ‘Shakespeare en de nieuwe idealen’ [op deze blog vertaald] 
in “Opvoed- en onderwijs methoden vanuit de antroposofie’ GA 304, op deze blog vertaald – zie inhoudsopgave.
.
**Pädagogischer Kurs zu Weihnachten in Domach: Siehe «Die gesunde Entwickelung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen» (16 Vorträge, Dornach 1921/22), Bibl.-Nr. 303, GA 1978.
.
Pedagogische cursus met Kerstmis in Dornach. ‘Gezondmakend onderwijs’ GA 303; vertaald,
.
***in der Nähe von London ein Erziehungsinternat: Damals «Priory School», jetzt «New School» in Kings-Langley.
.
In de buurt van Londen een opvoedingsinternaat. Toen ‘Priory School’, nu Nieuwe School’ in Kings-Langley. (De laatste jaren kampend met veel problemen, voortbestaan onzeker)
.

Blz. 123

Erziehungsinternat, vielleicht sogar bei einer Vergrößerung desselben,
dasjenige, was wir jetzt nennen dürfen die Waldorfpädagogik, das
Waldorf-Erziehungswesen einzuführen. Wir wurden eingeladen, diese
Erziehungsanstalt anzusehen. Dabei kamen die verschiedenen Fragen
zur Sprache, die die gegenwärtige Leitung betreffen, und dasjenige, was
getan werden könnte, um den Geist des hier in der Waldorfschule
gepflegten Erziehungswesens dorthin zu übertragen. Es kam eine Frage ganz besonders zur Besprechung, und das war diese, daß die leitenden Persönlichkeiten sagten: Ja, mit den Kindern würden wir eigentlich recht gut fertig; wir bekommen jedes Jahr die kleine Anzahl von Kindern herein, welche uns auch zu halten möglich ist bei der Größe unserer Anstalt. Aber das Schwierigste ist das Zusammenwirken mit den Eltern. Schwierig aus dem Grunde, weil nun einmal in der älteren Generation überall – das ist durchaus eine internationale Angelegenheit – heute ganz bestimmte Ansichten vorhanden sind, so und so muß die Erziehung verlaufen. Es gibt manche Veranlassung dazu, daß die Eltern ihre Kinder in diese oder jene Anstalt geben.

opvoedingsinternaat, om wellicht wanneer het groter zou worden te beginnen met wat wij nu de waldorfschoolpedagogie mogen noemen, de opvoedingsopvattingen van de waldorfschool. Eén vraag werd vooral besproken en wel omdat de leidinggevende mensen zeiden: Ja, met de kinderen kunnen we het wel klaarspelen; er komen ieder jaar een klein aantal kinderen naar ons toe die we, gezien de grootte van het gebouw, wel kunnen huisvesten. Maar het moeilijkste is de samenwerking met de ouders. Moeilijk omdat in de oudere generatie nu eenmaal overal – dat is internationaal – bepaalde gezichtspunten bestaan dat opvoeding zus en zo moet verlopen. Er zijn vele aanleidingen waarom ouders hun kinderen naar dit of dat internaat sturen.

Wenn es sich wirklich darum handelt, daß ein wenig abgewichen werden soll von dem, in was man sich eingelebt hat, dann entsteht sehr leicht die Uneinigkeit der Schule mit den Eltern. Und das ist etwas, was gerade in einem freien Schulwesen wirklich nicht zu ertragen ist. Nun liegen dort in dem Schulinternat, von dem ich spreche, ganz besondere Schwierigkeiten nach dieser Richtung vor. Ich will jetzt weder Kritik anlegen, noch will
ich etwas empfehlen. Ich will einfach von den Tatsachen sprechen. In
diesem Schulinternat gibt es, trotzdem es ein Internat ist, gar keine
Bediensteten. Die Schule wird ganz allein von den Kindern und Lehrern
versorgt, so daß also von diesen Schülern und Lehrern die Diele gewaschen werden muß, die Teller abgewaschen werden müssen, das Gemüse gepflanzt werden muß, die Hühner versorgt werden müssen, damit sie Eier liefern – ich könnte eine lange Liste aufzählen. Daneben werden alle möglichen Arbeiten von den Kindern gezeigt, so daß man schon den Eindruck hat, da geht es doch anders zu als in manchen anderen Erziehungsinternaten. Die Kinder müssen auch kochen, also alles machen, vom frühen Morgen bis zum späten Abend. Und daß die Lehrer und Erzieher dabei in einer kräftigen Weise mitwirken, das sieht man der

Wanneer het erom gaat dat er wat afgeweken moet worden van wat men zo gewend geraakt is, ontstaan er erg makkelijk problemen met de ouders. En dat is in een vrij schoolsysteem echt niet te verdragen. En in dit schoolinternaat waarover ik nu spreek, zijn er heel bepaalde moeilijkheden wat dit betreft. Ik wil geen kritiek leveren of goede raad geven. Ik wil alleen de feiten geven. In dit schoolinternaat, hoewel het dus een internaat is, is helemaal geen menselijke hulp. De school wordt helemaal gedragen door de kinderen en de leerkrachten, zodat de kinderen en de leerkrachten de hal moeten schrobben, de afwas doen, groente planten, de kippen verzorgen zodat die eieren geven, ik zou een hele lijst kunnen opsommen.
Daarnaast legden de kinderen nog alle mogelijke werkzaamheden aan de dag, zodat je de indruk kreeg dat het daar toch heel anders toeging dan in sommige andere internaten. De kinderen moesten ook koken, dus van alles van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. En dat de leerkrachten-opvoeders daar flink bij hielpen,

Blz. 124

Sache schon an. Nun, ich will das weder empfehlen noch irgendwelche
Kritik anlegen. Ich will das nur hinstellen. Dann kommt es vor, wenn die
Kinder in den Ferien nach Hause kommen und sagen, was sie tun
müssen, daß die Eltern die Ansicht haben, das hätten sie sich nicht
vorgestellt, das könnten sie nicht begreifen. Deshalb ist es in diesem Falle
recht schwierig, die Eintracht mit den Eltern zu erhalten. – Ich führe den Fall nur an, um auf die Empfindung hinzudeuten, die man hat, wenn es
sich um das Ernstnehmen des Erziehungs- und Unterrichtswesens handelt, auf die Empfindung, daß es notwendig ist, in vollem Einklang mit
der Elternschaft der Kinder zu wirken und zu arbeiten. Nun, wir sind selbstverständlich in der Waldorfschule in einer anderen Lage. Wir haben kein Internat, wir haben eine Schule und haben den Unterricht zu erteilen und während des Unterrichtserteilens selbstverständlich das erzieherische Prinzip ins Auge zu fassen. Aber dennoch, dessen können Sie versichert sein: als ein Grundelement für alles, was wir in der Waldorfschule als unsere Aufgabe betrachten, müssen wir ansehen das Zusammenarbeiten mit der Elternschaft.

kun je wel zien. Welnu, ik beveel het noch aan, noch dat ik er kritiek op heb. Ik wil het alleen vertellen. En dan gebeurt het, wanneer de kinderen in de vakantie naar huis komen en zeggen wat ze moeten doen, de ouders dan van mening zijn dat ze zich dat niet hadden voorgesteld, dat begrijpen ze niet. In dit geval is het echt lastig om met de ouders op goede voet te blijven. Ik breng dit geval naar voren om op de ervaring te wijzen die je opdoet wanneer het erom gaat opvoeding en onderwijs serieus te nemen, op de ervaring dat het noodzakelijk is, in goede harmonie met de ouders van de kinderen samen te werken. Op de waldorfschool is het vanzelfsprekend anders. Wij zijn geen internaat, we zijn een school en wij moeten onderwijs geven en uiteraard tijdens het lesgeven het opvoedkundige in ogenschouw nemen.
Maar dan, daarvan kan u verzekerd zijn: als een basiselement voor alles wat wij op de waldorfschool als onze opgave zien, moeten wij letten op de samenwerking met de ouders.

Es ergeben sich fortwährend im Laufe der Schulführung unzählige Fragen mit Bezug auf das Wohl und Wehe, auf den guten Fortgang und auf die Gesundheit, die leibliche und seelische Gesundheit, es ergeben sich fortwährend unzählige Fragen, die nur im Verein mit den Eltern zu lösen sind. Deshalb müßte es eigentlich – und es wird ja den Verhältnissen Rechnung getragen werden müssen – immer nötiger und nötiger werden, diese Elternabende auszubauen und zu einer öfteren Erscheinung in unserer Schulführung zu machen.
Unsere Waldorfschule soll ja nicht nur ihrem Titel nach, sondern
ihrem ganzen Wesen nach eine freie Schule sein, und gerade weil sie eine
solche freie Schule sein soll, sind wir auf die Hilfe der Elternschaft in
einem ganz außerordentlich hohen Grade angewiesen.  Es ist meine Überzeugung, daß es eigentlich bei allen Eltern nur eben die tiefste
Befriedigung wird hervorrufen können, wenn in uns das Verlangen nach
dem Zusammenwirken mit der Elternschaft besteht.
Eine freie Schule ist die Waldorfschule. Sehen Sie, meine sehr verehrten Anwesenden, was eigentlich eine freie Schule bedeuten soll, das ist ja
etwas, was immer wieder und wieder gesagt werden muß, und was gar

Voortdurend zijn er tijdens het reilen en zeilen op school talloze vragen wat betreft het wel en wee van de kinderen, over de goede vooruitgang en over de gezondheid, zowel lichamelijk als psychisch, er zijn steeds talloze vragen die alleen maar samen met de ouders opgelost kunnen worden. Daarom wordt het eigenlijk – rekening houdend met de omstandigheden – steeds noodzakelijker  deze ouderavonden belangrijker te maken en dat ze in ons schoolleven vaker plaatsvinden.
Onze waldorfschool moet niet alleen maar in naam, maar inherent aan haar hele wezen een vrije school zijn en omdat ze dat moet zijn, is zij in extreme mate op de hulp van de ouders aangewezen.
Ik ben ervan overtuigd dat het bij de ouders juist het diepste gevoel van tevredenheid op kan roepen, wanneer er bij ons het verlangen bestaat om met de ouders samen te werken.
De waldorfschool is een vrije school. En, beste aanwezigen, wat een vrije school moet betekenen, is iets wat steeds weer en opnieuw moet worden gezegd en wat zelfs

Blz. 125

nicht stark genug gesagt werden kann, aus dem einfachen Grunde, weil
kaum heute es in weiteren Kreisen möglich ist, das völlige Bedürfnis
nach einer solchen freien Schule zu haben. Wir haben das Vorurteil von
Jahrhunderten gegen uns, namentlich in der folgenden Weise:
Man braucht nicht weit zurückzuschauen in der Entwicklung der
Menschheit, da war bis zu einem recht hohen Grade das Schulwesen,
namentlich das Volksschulwesen, sehr frei. Aber die damalige Freiheit dieses Schulwesens hatte dazu geführt, daß es sehr viele Analphabeten gab, daß eine Schulerziehung nur von einzelnen Menschen gesucht worden ist. Nun kam im Laufe der Menschheitsentwicklung in den zivilisierten Gebieten immer mehr das Verlangen herauf, eine gewisse Bildungsgrundlage für das soziale Leben zu fordern. Ich kann jetzt nicht ausführen, wodurch es gekommen ist, daß das Verlangen auftauchte, eine gewisse Bildungsgrundlage zu fordern für das soziale Leben; aber dieses Verlangen kam in einer Zeit herauf, in der die Menschen ihrer Hinneigung zu den alten Göttern abgeschworen hatten und nun von einem Gotte allen Segen und alles Gute für die Entwickelung der
Menschheit erwarteten, von dem Gotte Staat.

niet duidelijk genoeg gezegd kan worden om de doodeenvoudige reden dat het in andere kringen nauwelijks mogelijk is, dat we een grote behoefte hebben aan zo’n vrije school. We hebben het vooroordeel van eeuwen tegen ons en wel zo:
je hoeft niet zover terug te kijken in de ontwikkeling van de mensheid om te zien dat het schoolwezen in zeer hoge mate, vooral de basisschool, zeer vrij was.
Maar die vrijheid van toen heeft ertoe geleid dat er zeer veel analfabeten waren, dat er maar een paar mensen een opvoeding op school zochten. In de loop van de mensheidsontwikkeling ontstond er in de beschaafde gebieden steeds meer de wens een bepaalde basis te eisen voor de vorming van het sociale leven. Ik kan nu niet in detail treden waarom dat verlangen naar een bepaalde ontwikkelingsbasis voor het sociale ontstond, maar het ontstond in de tijd dat de mensen hun overgave aan de oude goden afgelegd hadden en dat ze al hun heil en zegen voor de ontwikkeling van de mensheid gingen verwachten van een god, van de staat als god.

Und insbesondere in Mitteleuropa war ja die Gegend, in der man ganz besonders stark darauf erpicht war, in diesem Gotte Staat nun nicht nur alles mögliche andere Heilsame zu sehen, sondern auch das Heilsame für die Kindererziehung.
Man ging einmal von dem wie selbstverständlich angesehenen Grundsatze aus: Parlament, große Ratsversammlung und so weiter, das sind Veranstaltungen, wo die Genialität blüht. Auch dann, wenn die einzelnen, die beteiligt sind an dieser Parlamentsversammlung, einem nicht so als außerordentlich erleuchtet vorkamen. Man hatte die Meinung, wenn die Leute beisammen sind, dann werden sie gescheit. Und dann werden sie über alle Angelegenheiten das Richtige bestimmen können. Einzelne Menschen zwar, die auch eine recht gute, tiefe Kenntnis hatten, wie zum Beispiel der Dichter Rosegger, die hatten – verzeihen Sie, daß ich solch ein Wort erwähne – eine andere Meinung. Rosegger hat den Spruch geprägt: «Oaner is a Mensch; mehrere san Leit; vüle, dös san Viecher.»
Das ist ein bißchen radikal ausgedrückt, aber jedenfalls widerspricht es
der Meinung, die sich gerade in den letzten Jahrhunderten herausgebil-

En vooral Midden-Europa was de streek waarin men er heel sterk op gericht was in deze staat god niet alleen al het andere mogelijke heil te zien, maar ook het heil voor de opvoeding van de kinderen.
Men ging uit van de als vanzelfsprekend beschouwde overtuiging: het parlement, de grote raadsvergaderingen enz, dat zijn de instellingen waar de genialiteit hoogtij viert. Ook dan als de afzonderlijke mensen die deel uitmaakten van deze parlementsvergaderingen, voor iemand toch niet zo buitengewoon verlicht bleken te zijn. Men was van mening dat als de mensen samen zijn, ze dan verstandig worden. En dat ze dan over alle aangelegenheden het juiste kunnen bepalen. Een paar mensen maar, die ook over een heel goede, gedegen kennis beschikten zoals bijv. de dichter Rosegger*, hadden – excuus dat ik dit aanhaal – een andere mening. Rosegger had het zo bestempeld: ‘Eén is een mens; meerderen zijn lieden; velen, dat is vee.’
Dat is wel wat radicaal uitgedrukt, maar het spreekt wel de opvatting tegen dat m.n. de laatste eeuwen

*Peter Rosegger, 1843-1918, österreichischer volkstümlicher Erzähler.

.

P.R. Oostenrijks volksverteller

.

Blz. 126

det hat, daß man in all dem, was staatsähnlich ist, das finden könne, was
das Richtige in bezug auf Kindererziehung feststellen könnte. Und so ist
schon unser Schulwesen einfach im Glauben nach und nach herangewachsen, daß es gar nicht anders sein könne, als daß von der staatlichen Gemeinschaft aus alles für das Schulwesen eben auch bestimmt würde. Nun, eine freie Schule ist diejenige, welche den Lehrenden und Erziehenden alles dasjenige ermöglicht, was sie aus ihrer Menschenerkenntnis heraus, aus ihrer Welterkenntnis heraus, aus ihrer Kinderliebe heraus unmittelbar für das Wesentliche halten, was hineingetragen werden soll ins Erziehungswesen. – Eine unfreie Schule ist diejenige, wo der Lehrer fragen muß: Was ist vorgeschrieben für die erste Klasse, was ist vorgeschrieben für die zweite Klasse, wie muß die Stunde eingeordnet werden nach dem Gesetz?
Eine freie Schule ist eine solche, wo die Lehrer eine ganz bestimmte,
ihrem Wirken zugrunde liegende Erkenntnis haben von dem, wie ein
Kind heranwächst, welche körperlichen und seelischen Kräfte in ihm
liegen, welche körperlichen und seelischen Kräfte in dem Kinde entwikkelt werden müssen;

je in alles wat van de staat komt, zou kunnen vinden wat het juiste is voor de opvoeding van het kind. En zo is dus het onderwijs steeds meer gaan geloven dat het echt niet anders kan, dan dat van de staat uit, alles voor het onderwijs bepaald moet worden.
Maar een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden;

wo der Lehrer das, was er jeden Tag und jede Stunde machen muß, aus dieser Menschenerkenntnis und aus seiner Kinderliebe heraus einrichten kann. Man hat nicht ein sehr starkes Gefühl davon, wie grundverschieden die unfreie Schule von der freien Schule ist. Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule. Weil man gegenwärtig von diesen Dingen eigentlich gar nicht eine wirkliche Empfindung hat, deshalb ist es so schwer, mit dem freien und befreiten Schulwesen wieder weiter zu dringen. Man darf sich gar nicht irgendwelchen Illusionen hingeben. Wenige Stunden, bevor ich hierher gereist bin, bekam ich einen Brief, der mir mitteilt, nachdem lange Zeit gearbeitet worden ist, um in einer anderen Stadt Deutschlands eine ähnliche Schule wie diese Waldorfschule zu errichten, daß diese abgewiesen worden ist. Wir haben darin ein deutliches Zeichen, daß die weitere Entwickelung der Zeit nicht dahin geht, das freie Schulwesen zu fordern. Daher müssen wir – und das ist dasjenige, was ich den Eltern unserer lieben Schulkinder ganz besonders ans Herz legen möchte -, darum müssen wir diese Waldorfschule, die wir jetzt haben, die wir uns

waarin de leerkracht dat wat hij iedere dag en ieder uur moet doen, vanuit deze menskunde en uit zijn liefde voor het kind kan organiseren. Men heeft er geen erg groot gevoel voor hoe fundamenteel anders een onvrije school verschilt van een vrije. Want de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije school.
Omdat men daar tegenwoordig eigenlijk helemaal geen gevoel voor heeft, is het zo moeilijk om met de vrije of een bevrijde school weer verder te komen. Daarover moet je je geen enkele illusie maken. Een paar uur voor ik hier naartoe reisde, kreeg ik een brief waarin mij wordt meegedeeld, nadat er lang gewerkt is om in een andere stad van Duitsland zo’n zelfde waldorfschool als deze waldorfschool op te richten, dat dit afgewezen is. Daar hebben we een duidelijk teken dat het met de verdere ontwikkeling van de tijd niet zo zal gaan dat het vrije schoolonderwijs geëist kan worden. En daarom moeten wij – en dat wil ik de ouders van onze lieve schoolkinderen heel bijzonder op het hart binden – deze waldorfschool die we nu voor elkaar hebben

Blz. 127

errungen haben, in der wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft
heraus die Kinder zu allseitig tüchtigen und gesunden Menschen
gemacht werden sollen, wir müssen diese Waldorfschule hegen und
pflegen. Wir müssen uns bewußt werden, daß es nicht leicht sein wird,
gegenüber den Vorurteilen der Gegenwart irgend etwas zweites Ähnliches zu haben wie diese Waldorfschule. Und dabei dürfen wir schon darauf hinweisen, daß diese Waldorfschule, nachdem sie noch nicht drei Jahre besteht, etwas ist, was gegenwärtig, wir dürfen es sagen, in der ganzen zivilisierten Welt besprochen wird. Denn sehen Sie, es ist immerhin von einer gewissen Bedeutung – denken Sie an dasjenige, was ich über diese Schule in der Nähe von London gesagt habe -, daß sich einige Leute gefunden haben, um dort eine Waldorfschule ins Leben zu rufen.

gekregen, waarin werkelijk vanuit de vrije kracht van de leraren de kinderen in alle opzichten tot gezonde mensen gemaakt zullen worden die het leven aan kunnen, wij moeten deze waldorfschool koesteren en verzorgen. We moeten ons ervan bewust worden dat het niet makkelijk zal zijn, om tegen de vooroordelen van de huidige tijd in, voor de tweede keer zoiets als deze waldorfschool te hebben. En we mogen er daarbij wel op wijzen dat deze waldorfschool, ook al bestaat ze nog geen drie jaar, iets is waarover in deze tijd, we mogen wel zeggen, in de hele beschaafde wereld gesproken wordt. Want kijk, het heeft altijd wel een bepaalde betekenis – denk even aan wat ik over die school in de buurt van Londen heb gezegd – als een paar menen elkaar vinden om daar een waldorfschool in het leven te roepen.

Wir können diese Frage auch von einem viel weiteren Gesichtspunkte betrachten. Dieser Gesichtspunkt ist der, daß wir ja nun immerhin in der Notwendigkeit sind, etwas zu tun dazu, daß das deutsche Wesen in der Welt wiederum seine Stellung bekommt. Deutsches Wesen wird aber, das können Sie versichert sein, seine Bedeutung nur dann bekommen, wenn der geistige Inhalt dieses deutschen Wesens vor allen Dingen zu seiner Geltung in der Welt gebracht wird. Und nach dem wird man, wenn er in der richtigen Weise vor die Welt hingestellt wird, nach dem wird man Verlangen tragen. Man wird sich bewußt werden, daß man ihn braucht.
Dazu ist notwendig, daß wir wirklich in die vollen Tiefen dieses
deutschen Wesens hineindringen und aus ihnen heraus schaffen. Und das zeigt sich gerade an einer so vehementen, manchmal tumultuarischen
Erziehungsbewegung wie derjenigen, die bei dem Shakespeare-Fest
erlebt werden konnte. Da zeigt sich, daß in der ganzen Welt das
Bedürfnis vorhanden ist: dem Erziehungswesen müssen neue Impulse eröffnet werden. Das ist eine Angelegenheit der zivilisierten Menschheit,
daß es mit den alten Formen nicht mehr weiter geht.
Es ist so: mit den Dingen, die in der Waldorfschule gepflegt werden,
hat man etwas zu sagen auf die Fragen, die in der ganzen Welt in bezug
auf das Erziehungs- und Unterrichtswesen aufgeworfen werden. Nur
hat man eben auch fast alle Vorurteile der ganzen Welt gegen sich, und
immer mehr geht es auf das hinaus, daß wenigstens die untersten Klassen

We kunnen deze vragen ook vanuit een veel ruimer perspectief bekijken. Het is tenslotte zo dat de noodzaak bestaat iets te doen zodat de Duitse geest in de wereld weer een plaats krijgt. De Duitse geest zal echter, daar kan u van verzekerd zijn, alleen maar betekenis krijgen, wanneer de geestelijke inhoud van deze Duitse geest als allereerste zijn waarde in de wereld gaat krijgen. En wanneer deze op de juiste manier aan de wereld getoond wordt, zal men ernaar gaan verlangen. Men zal zich ervan bewust worden, dat deze nodig is.
[Steiner noemt nu niets concreets over deze ‘Duitse geest’, in andere gevallen noemt hij Goethe, Schiller, Herder, Fichte e.a. wiens denkwijzen van positieve invloed kunnen zijn voor de ontwikkeling van Midden-Europa]

Daarvoor is het nodig dat we echt kunnen doordringen in de volle diepte van dit wezenlijke en vandaar uit opbouwen. En dit nu kun je zien aan zo’n hevige, soms wel wat tumultueuze opvoedingsbeweging zoals je die kon ervaren bij de Shakespearefestiviteiten.
Dan blijkt in de hele wereld de behoefte te bestaan: voor de opvoeding moeten nieuwe impulsen een kans krijgen. Het is een zaak van een beschaafde mensheid dat het met de oude vormen niet meer verder gaat. Het is zo: met de dingen die in de waldorfschool verzorgd worden, heb je wat te zeggen op de vragen die in de hele wereld opgeworpen worden t.a.v. opvoeding en onderwijs. Alleen heb je dan wel bijna alle vooroordelen van de hele wereld tegen je en steeds meer gaat het ernaar toe dat op z’n minst de laagste klassen

Blz. 128

des Volksschulwesens der Freiheit entzogen werden sollen. Es ist außerordentlich schwierig, gegen diese Voruteile anzukämpfen. Die Waldorfschule kann nur dadurch ankämpfen, daß sie wirklich aus der freien Kraft der Lehrerschaft aus den Kindern dasjenige macht, was eben nur aus einer solchen freien Kraft heraus gemacht werden kann.
Dazu aber bedürfen wir des innigen, des einträchtigen Zusammenwirkens mit der Elternschaft. Und bei einer der Elternversammlungen, bei der ich schon anwesend sein konnte, habe ich schon darauf hingewiesen,
daß wir deshalb, weil wir ein freies Schulwesen anstreben, darauf
angewiesen sind, Verständnis, tiefes Verständnis bei der Elternschaft zu
finden. Wenn wir dieses Verständnis finden, dann werden wir richtig
arbeiten können. Und dann werden wir andererseits vielleicht doch
dasjenige, was mit der Waldorfschule gemeint ist, zur Geltung bringen
können. Ich habe dazumal betont, wie es unser Bestreben sein muß, wirklich aus der Erkenntnis der kindlichen Wesenheit und kindlichen Körperheit alles dasjenige herauszuholen, was zum Gegenstand des Unterrichts und der Erziehung gemacht werden soll.

van de basisschool de vrijheid zal worden ontnomen. Het is buitengewoon moeilijk tegen deze vooroordelen te strijden. De waldorfschool kan er alleen maar tegen opboksen door daadwerkelijk vanuit de vrije krachten van de lerarengroep uit de kinderen te halen wat er dus vanuit dergelijke krachten ontstaan kan.
Maar daarvoor hebben we de intense, eensgezinde samenwerking nodig met de ouders. En bij een van de oudervergaderingen waar ik al bij kon zijn, heb ik er reeds op gewezen dat wij. omdat we streven naar een vrij schoolwezen, erop aangewezen zijn bij de ouders begrip, een diep begrip te vinden. Wanneer we dat aantreffen, kunnen we op een goede manier werken. En aan de andere kant kunnen we dan misschien dat wat we bedoelen met de waldorfschool, realiseren.  Ik heb toen benadrukt hoe het ons streven moet zijn, daadwerkelijk van de kennis van het kinderwezen, ook van het fysieke uit, alles te halen wat tot onderwerp van opvoeding en onderwijs gemaakt moet worden.

Eine solche Kinderbeobachtung, weil sie ja eine Menschenbeobachtung ist, eine solche Kinderbeobachtung ist nur möglich, wenn man eine Erkenntnis des ganzen Menschen anstrebt, wie sie angestrebt wird durch die Anthroposophie. Immer wieder müssen wir sagen: Es ist uns gar nicht darum zu tun, etwa Anthroposophie in die Schule hineinzutragen. Darüber werden sich die Eltern nicht zu beklagen haben, daß wir Anthroposophie als Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen. Aber gerade so, wie wir es vermeiden, Weltanschauung, Anthroposophie in die Schule hineinzutragen, möchten wir es anstreben, diejenige pädagogische Geschicklichkeit, die nur kommen kann aus anthroposophischer Durchbildung, in der Handhabung des Unterrichts, in der Behandlung des Kindes geltend zu machen. – Wir haben die katholischen Kinder dem katholischen Pfarrer zur Verfügung gestellt, die evangelischen Kinder dem evangelischen Pfarrer, und wir haben den freien Religionsunterricht nur für diejenigen, deren Eltern ihn eben suchen. Auch das ist vollständig freigestellt; er ist eingerichtet nur für die Kinder, die wahrscheinlich in der Mehrzahl sonst überhaupt an keinem Religionsunterricht teilnehmen

Een dergelijk waarnemen van het kind, omdat dat het waarnemen van een mens is, is alleen mogelijk wanneer je streeft naar inzicht in de hele mens, zoals die door de antroposofie wordt nagestreefd. Steeds opnieuw moeten we zeggen: het gaat ons er helemaal niet om, om zo’n beetje de antroposofie de school in te halen. De ouders zullen zich er niet over te beklagen hebben dat wij antroposofie als wereldbeschouwing op school willen brengen. Maar net zoals we vermeiden wereldbeschouwing, antroposofie in de school te halen, willen we er graag naar streven de pedagogische vaardigheden die alleen uit een gedegen antroposofische studie kunnen ontstaan, bij het lesgeven, bij hoe we met het kind omgaan, toe te passen. Voor de katholieke kinderen kunnen de katholieke pastoors komen, voor de evangelische kinderen de dominees en we hebben het vrije godsdienstonderwijs alleen voor de kinderen van wie de ouders dit zoeken. Ook dat is helemaal vrij; het is alleen voor de kinderen georganiseerd die waarschijnlijk als grootste groep helemaal aan geen enkel godsdienstonderwijs zouden deelnemen.

Blz. 129

würden. Also darauf legen wir nicht das Hauptgewicht. Dasjenige, was
wir in bezug auf die Weltanschauung zu sagen haben, das ist für
Erwachsene.
Aber dasjenige, was, ich mochte sagen, bis in die Geschicklichkeit der
Fingerspitzen hinein Anthroposophie aus einem Menschen machen
kann, das macht sie insbesondere gerade aus einem Lehrer, aus einem
Erzieher. Und die Behandlung der Kinder, die Behandlung des Lehr-und Erziehungsinhaltes, das ist es, was so erstrebt werden soll, daß die
Kinder überall sich wie selbstverständlich hineinfinden in das, was in der
Schule vor diese Kinder hingebracht wird. Überall soll sorgfältig erwogen werden: was ist das Richtige für ein bestimmtes kindliches Alter?
Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir
mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst
dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit innerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit,
künstlerischem Formensinn. Unsere Kinder kommen dadurch etwas später dazu, Schreiben und Lesen zu lernen, weil ja, wenn man
die Natur des Kindes berücksichtigt, das Lesen nach dem Schreiben
kommen muß.

Dus dat weegt voor ons niet het zwaarst. Wat we over de wereldbeschouwing hebben te zeggen, is voor de volwassenen.
Maar de vaardigheden die de antroposofie uit de mens kan halen tot in z’n vingertoppen, die haalt ze m.n. uit de leerkracht, uit de opvoeder. En het omgaan met de kinderen, met de leerstof en de opvoeding, daar moet naar gestreefd worden, zodat de kinderen als vanzelfsprekend zich thuis voelen in wat de school aan deze kinderen geeft. Bij alles moet zorgvuldig afgewogen worden: wat is het juiste voor een bepaalde leeftijd?
U weet, we beginnen niet met leren lezen en schrijven, zoals dat tegenwoordig veelal gaat. Als we met schrijven beginnen, met de letters, die voor de kinderen vreemde dingen zijn, ontwikkelen we uit wat het kind innerlijk graag wil, vanuit een kunstzinnig bezig zijn, een kunstzinnige zin voor vorm. Onze kinderen zijn daarom wat later toe aan schrijven en lezen, omdat als je naar de natuur van het kind kijkt, het lezen na het schrijven moet komen.

Nun wenden sich die, die in die alten Anschauungen eingewöhnt sind,
dagegen und sagen: da lernen die Kinder viel später Lesen und Schreiben
als in anderen Schulen. – Warum lernt das Kind in der anderen Schule
früher Lesen und Schreiben? Weil man nicht weiß, welches Lebensalter
gut ist dazu, um Lesen und Schreiben zu können. Erst legen wir uns die Frage vor, ob es überhaupt berechtigt ist, zu verlangen, daß das Kind
schon im achten Jahr mit einer gewissen Fertigkeit lesen können,
schreiben können soll.
Wenn man diese Anschauungen weiter ausdehnt, dann entwickeln
sich solche weitergehenden Ansichten, wie wir sie in einer merkwürdigen Weise erfahren können. Wer Goethe genau kennt, der kann auch
wissen: Wenn man mit dem, was für einen zwölfjährigen Jungen heute
schulmäßige Anforderungen sind, an Goethe herangeht und sich fragt,
hat Goethe das wirklich so gekonnt? – wird man sehen, er hat es nicht
einmal mit sechzehn Jahren gekonnt und ist doch der Goethe geworden.

Nu gaan de mensen die gewend zijn aan de oude opvattingen daar wat van zeggen: daar leren de kinderen veel later lezen en schrijven dan op andere scholen –
Waarom leert het kind op de andere school eerder lezen en schrijven? Omdat men niet weet wat de goede leeftijd is om te kunnen lezen en schrijven. Eerst stellen we ons de vraag of het eigenlijk wel terecht is om te eisen dat het kind al op z’n achtste jaar zover is dat het moet kunnen lezen, schrijven.
Wanneer je deze gezichtspunten verder denkt, ontwikkelen ze zich verdergaand tot opvattingen die we op een bijzondere manier kunnen ervaren. Wie Goethe goed genoeg kent, kan weten: wanneer je Goethe zou benaderen met wat van een twaalfjarige jongen op school verlangd mag worden en zich zou afvragen, zou Goethe dit echt gekund hebben? – zou gezien hebben dat hij dat nog niet eens op z’n zestiende kon en hij is toch dé Goethe geworden.

Blz. 130

Österreich hatte einen bedeutenden Dichter, Robert Hamerling. Er
hat natürlich in seiner Jugend sich nicht vorgenommen, ein Dichter zu
werden, das machte sein Genie, aber er wollte Mittelschullehrer werden.
Er hatte eine Lehramtsprüfung abgelegt. In seinem Zeugnis steht, daß er
im Lateinischen und Griechischen ganz außerordentlich gute Kenntnisse
aufgewiesen habe, daß er aber nicht fähig sei, die deutsche Sprache zu
handhaben, sondern daß er nur für die unterste Klasse zum Unterricht
tauge. Aber er wurde der bedeutendste neuere Dichter Österreichs. Er
hat in der deutschen Sprache und nicht in der slowakischen Sprache
geschrieben.
An dem Leben müssen eben die pädagogischen Impulse gemessen
werden. Und das ist das Wesentliche unserer Pädagogik, daß wir das
ganze Leben des Kindes im Auge haben und daß wir wissen: wenn wir
dem Kinde etwas im siebenten, achten Lebensjahr beibringen, so muß es
so beigebracht werden, daß es mit dem Kinde heranwächst, daß das Kind
das noch im dreißigsten, vierzigsten Jahre hat, daß man das ganze Leben
etwas hat davon. 

Oostenrijk had een belangrijk dichter, Robert Hamerling*. Hij was natuurlijk in zijn jeugd niet van plan dichter te worden, dat kwam door zijn begaafdheid, maar hij wilde leraar op een middelbare school worden. Hij deed zijn onderwijzersexamen. In zijn rapport staat dat hij een buitengewoon goede kennis heeft van Latijn en ‘Grieks, maar dat hij niet in staat is Duits te geven, en alleen geschikt is voor het onderwijs in de laagste klas. Maar hij werd wel de belangrijkste nieuwere dichter van Oostenrijk. En hij heeft in het Duits geschreven en niet in het Slowaaks.
De pedagogische impulsen moeten nu eenmaal afgemeten worden aan het leven. En het wezenlijke van onze pedagogiek is, dat wij oog hebben voor het hele leven van het kind en dat wij weten: wanneer we het kind op z’n zevende, achtste jaar iets bijbrengen, dan moet dat zo worden bijgebracht, dat het met het kind meegroeien kan, dat het kind op z’n dertigste, veertigste jaar daar nog iets van bijgebleven is, dat er het hele leven iets van bij blijft.

*130 Robert Hamerling, 1830-1889.

Sehen Sie, da ist es so, daß gerade diejenigen Kinder, die
mit acht Jahren perfekt lesen und schreiben können, daß die mit Bezug
auf gewisse innere seelische Gesundheitsimpulse verkümmern. Ja, richtig verkümmern. Es ist ein großes Glück, wenn man mit acht Jahren
noch nicht so lesen und schreiben kann, wie es heute verlangt wird. Es ist
ein großes Glück für die leibliche und seelische Gesundheit.
Was gepflegt werden muß, es muß hervorgeholt werden aus den Bedürfnissen der menschlichen Natur. Man muß dafür ein feines Verständnis haben, nicht nur für dasjenige, was richtig ist. Es ist leicht, sich vor eine Klasse hinzustellen und in einer Weise herauszubekommen:
Der sagt etwas Richtiges, der etwas Falsches! – und dann zu korrigieren
das Falsche ins Richtige; aber eine eigentlich erzieherische Tätigkeit wird dabei nicht ausgeübt. Es ist ganz unwesentlich für die menschliche
Entwickelung des Kindes, wenn man das Kind Aufsätze und Schularbeiten machen läßt und sie korrigiert, und das Kind sich überzeugt, daß es
Fehler gemacht hat. Das Wesentliche ist, daß man einen feinen Sinn hat
für die Fehler, welche die Kinder machen. Fehler machen die Kinder auf
hunderterlei Weise. Jedes Kind macht anders seine Fehler, und wenn
man einen feinen Sinn hat dafür, wie verschieden sich die Kinder 

Ziet u, het is zo dat juist die kinderen die met acht jaar perfect kunnen lezen en schrijven, met betrekking tot bepaalde psychische gezondheidsimpulsen tekort komen. Ja, echt verkommeren. Het is een grote weldaad wanneer je op je achtste nog niet zo kan lezen en schrijven als men tegenwoordig eist. Een grote weldaad voor je vitale en psychische gezondheid.
Wat verzorgd moet worden, het moet gehaald worden uit wat de menselijke natuur vraagt. Daar moet je een fijngevoelig begrip voor hebben, niet alleen maar voor wat juist is. Het is makkelijk voor een klas te gaan staan en op een of andere manier eruit krijgen: die zegt het goed, die verkeerd! en dan het foute te verbeteren naar het juiste, maar daarbij wordt geen opvoedkundige activiteit aan de dag gelegd. Voor de menselijke ontwikkeling van het kind is het totaal niet wezenlijk dat je het kind opstellen laat schrijven en huiswerk laat maken; dat dan nakijkt en dat het kind dan tot de slotsom komt dat het fouten heeft gemaakt. Het wezenlijke is dat je een verfijnd zintuig hebt voor de fouten die de kinderen maken. Fouten maken de kinderen op honderd-en-een manier. Ieder kind maakt zijn eigen fouten en als je er een fijn gevoel voor hebt

Blz. 131

verhalten mit Bezug auf die Fehler, dann kriegt man heraus, was man zu
tun hat, um die Kinder weiter zu bringen.
Nicht wahr, mit Bezug auf das Leben sind die Gesichtspunkte, die
man hat, verschieden. Der Arzt hat nicht dieselben Gesichtspunkte
bezüglich der Krankheit wie der Patient. Vom Patienten kann man nicht
verlangen, daß er in ganz bestimmte Krankheiten verliebt ist. Vom Arzt
kann man sagen, daß er dann ein richtiger Arzt ist, wenn er die Krankheit liebt. So handelt es sich darum, daß man eine gewisse Verliebtheit hat in die interessanten Fehler, welche die Kinder machen.
Dadurch lernt man erst die menschliche Natur kennen. Verzeihen Sie,
wenn ich mich radikal ausdrücke. Man muß sich radikal ausdrücken. Für
den Lehrer ist es interessanter, die Fehler zu verfolgen, als dasjenige, was
die Kinder richtig machen. Von den Fehlern lernt der Lehrer außerordentlich viel.

hoe verschillend de kinderen met hun fouten omgaan, dan vind je wat je moet doen om de kinderen verder te brengen.
Wat het leven betreft, zijn de gezichtspunten die je hebt, verschillend. De dokter heeft niet dezelfde gezichtspunten over de ziekte als de patiënt. Van de patiënt kan je niet verlangen, dat hij van bepaalde ziekten gecharmeerd is. Over de dokter kan je zeggen dat hij een goede arts is, als hij wél zeer betrokken is op de ziekte.
En nu gaat het erom dat je een bepaalde affiniteit hebt voor die interessante fouten die de kinderen maken.
Daardoor pas leer je de menselijke natuur kennen. Neem me niet kwalijk dat ik me radicaal uitdruk. Dat moet wel. Voor de leerkracht is het interessanter de fouten te volgen dan wat de kinderen goed doen. Van de fouten leert de leerkracht buitengewoon veel.

Aber was braucht man zu alldem? Zu alldem braucht man jene innere
tatkräftige Menschen- und Kinderliebe, die für den Lehrer ganz unerläßlich ist. Und da treten dann die unzähligen Fragen auf. Man ist besorgt um die leibliche und seelische Gesundheit dieses und jenes Kindes. Man hat das Kind ein paar Stunden des Tages; man muß für die übrige Zeit das Vertrauen, das volle Vertrauen der Eltern des Kindes haben. Und deshalb ist es, warum die Lehrer und Erzieher unserer Waldorfschule immer an dieses Vertrauen appellieren, und warum sie so gerne alles im Einklang mit den Eltern für das Wohl und Wehe der Kinder zustande bringen möchten. Das ist eben bei einer unfreien Schule in der Regel gar nicht in dem Maße angestrebt. Denn da hält man sich daran, die Vorschrift zu beobachten, und daher findet man sogar für den Begriff
des Freien im Schulwesen manchmal recht wenig Verständnis.
Es gibt Länder, wenn man da vom freien Schulwesen redet, so
antwortet man einem: Ja, das mag in Deutschland so sein, daß man da
nötig hat, freie Schulen zu gründen. Bei uns ist es nicht so; da ist der
Lehrer frei. Das antworten einem Lehrer selbst. Man ist nur erstaunt
darüber, daß so etwas geantwortet wird. Man ist erstaunt darüber aus
dem Grunde, weil man sieht: Diejenigen, die das antworten, haben keine
Ahnung mehr davon, daß sie sich unfrei fühlen könnten. Sie tun das, was
ihnen befohlen wird. Da es ihnen nicht einfällt, daß etwas anderes

Maar wat heb je voor dit alles nodig? Je hebt er die warme wilskrachtige liefde voor mens en kind voor nodig, die is voor de leerkracht onontbeerlijk.
En dan komen de ontelbare vragen. Je maakt je zorgen om de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het een of andere kind. Je hebt het kind maar een paar uur per dag; voor de rest van de tijd moet je het vertrouwen hebben, het volle vertrouwen van de ouders van het kind. En daarom moeten de leerkrachten en opvoeders van onze waldorfschool steeds een beroep doen op dit vertrouwen en waarom ze alles zo graag in samenspraak met de ouders voor het wel en wee van de kinderen tot stand willen brengen. Dat wordt dus bij een onvrije school als regel niet zo in die mate nagestreefd. Want daar houdt men zich aan het in acht nemen van de voorschriften en vandaar dat men dan voor wat de waldorfschool is, soms maar heel weinig begrip kan opbrengen.
Er zijn landen, als je daar over vrije scholen spreekt, dat je als antwoord krijgt: het mag dan in Duitsland zo nodig geacht worden om vrije scholen op te richten, bij ons is dat niet zo. Daar zijn de leraren vrij. Dat geven de leraren zelf als antwoord. Daar kan je nogal verbaasd over zijn omdat je ziet: degenen die zo’n antwoord geven, hebben er geen notie meer van dat ze zich onvrij zouden kunnen voelen. Ze doen wat hen wordt opgedragen. Omdat het niet bij hen opkomt dat er iets anders

Blz. 132

geschehen könnte, so fühlen sie gar nicht, daß die Dinge auch anders sein
könnten. Bedenken Sie einmal, in welch anderer Lage Sie sind, gerade gegenüber der Auffassung des Waldorfschulwesens, als andere Leute. Andere Menschen müssen sich anstrengen, wenn wir ihnen sagen, so und so wollen wir es machen, weil wir das für das einzig Richtige halten; sie müssen sich anstrengen, das erst einzusehen. Ich glaube, gerade die
Eltern der Waldorfschulkinder können unmittelbar an ihren eigenen
lieben Wesen sehen, was da in der Waldorfschule getan wird, wie das
Verhältnis der ganzen Schule zum Kinde aufgefaßt wird. Man möchte,
daß einmal eine Zeit kommt, wo die Eltern gegenüber dem freien
Schulwesen sich damit begnügen können, einfach befriedigt zu sein mit
dem, was innerhalb des freien Schulwesens geleistet wird. Heute müßte
jeder, der an seinem eigenen Fleisch und Blut sieht, wie diese Waldorfschule arbeiten will, zu einem tatkräftigen Verteidiger und Verbreiter des Waldorfschulwesens werden.

zou kunnen gebeuren, voelen zij ook helemaal niet dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn.
Bedenk eens in welke andere positie u bent wat de opvatting over de waldorfschool betreft, dan andere mensen. Andere mensen moeten moeite doen in te zien als we tegen hen zeggen dat we de dingen zus en zo willen doen omdat we dat voor het enig juiste houden; ze moeten hun best doen om dat te begrijpen. Ik geloof dat juist de waldorfschoolouders direct aan hun eigen lievelingen kunnen zien, wat er op de waldorfschool wordt gedaan, hoe de totale omgang van de school met het kind gezien wordt.
Je zou willen dat er eens een tijd komt waarin (alle) ouders wat het vrije onderwijs betreft, blij zouden kunnen zijn, simpelweg tevreden met wat er binnen het vrije onderwijs gedaan wordt.
In deze tijd moet iedereen die aan zijn eigen vlees en bloed ziet hoe deze waldorfschool wil werken, een felle verdediger en verspreider van het waldorfschoolonderwijs worden.

Wir haben ja außerdem mancherlei Schwierigkeiten. Sehen Sie, würden wir unsere Ideale erfüllen wollen, so würden wir sagen: Nach
unserer Einsicht verhält es sich so: im sechsten, siebenten, achten Jahre
soll man dies tun, im neunten, zehnten, elften, zwölften dies und so
weiter. Da würde auch das Allerbeste herauskommen, wenn wir das tun könnten. Wir können es nicht tun, wir müssen in gewisser Beziehung
eine Art Kompromiß schließen; denn wir können ja den Kindern, der
aufwachsenden Menschheit nicht die Möglichkeit nehmen, im Leben
darin zu stehen.
So haben wir uns vorgenommen, daß wir die Kinder, von dem Alter,
wo sie in die Volksschule hineinkommen, bis zum neunten Lebensjahr
frei erziehen, aber zu gleicher Zeit, trotzdem wir dasjenige hineinnehmen, was die menschliche Natur erfordert, die Kinder auch so fördern,
daß sie in eine andere Schule übertreten können. Ebenso im zwölften
und im vierzehnten, fünfzehnten Jahre. Und wenn wir das Glück haben,
die weiteren Klassen draufzusetzen, müssen wir sogar dafür sorgen, daß
dann diejenigen jungen Herren und Damen, die dann diese Klassen
absolvieren werden, in die Lage gebracht werden können, an die Universitäten und technischen Hochschulen überzugehen. Wir müssen dafür

Bovendien hebben we nog allerlei problemen. Want als we onze idealen willen vervullen, dan zouden we moeten zeggen: zoals wij ernaar kijken, zit het zo: in het zesde, zevende, achtste jaar moeten we dit doen, in het negende, tiende, elfde, twaalfde dat, enz. Dan zou er, als we dit doen, het allerbeste uit kunnen komen.
We kunnen het niet, omdat we in zeker opzicht een soort compromis moeten sluiten; want we kunnen de kinderen, de opgroeiende mensheid niet de mogelijkheid ontnemen dat ze in het leven staan. Dus hebben we ons voorgenomen dat wij de kinderen, vanaf de leeftijd dat ze op school komen, tot aan het negende jaar, vrij op te voeden, maar tegelijkertijd, ondanks dat we serieus nemen wat de menselijke natuur van ons vraagt, de kinderen ook zo te ontwikkelen dat ze over kunnen stappen naar een andere school. En dat ook als ze twaalf en veertien, vijftien zijn. En als we het geluk hebben de hogere klassen nog toe te voegen, dat dan de jonge dames en heren die dan deze klassen afsluiten de gelegenheid krijgen naar de universiteit en technische hogeschool te gaan. We moeten ervoor zorgen

Blz. 133

sorgen, daß die Kinder an diese Anstalten übergehen können. Ich glaube,
noch lange Zeit wird man uns nicht die Möglichkeit geben können, etwa
zum Beispiel Doktoren zu fabrizieren, gültige Zeugnisse an unseren
Hochschulen zu machen. Dann würden wir viel mehr erreichen. Wir
können zunächst nichts anderes tun, als erst die Kinder und dann die jungen Herren und Damen so weit zu bringen, daß sie sich, ohne daß
ihnen der größte Schaden passiert, auch das aneignen können, was man
im öffentlichen Leben braucht.
Wir sind da in ganz erhebliche Schwierigkeiten hineinversetzt. Sehen
Sie, wer nach der menschlichen Natur urteilt, nach dem, was dem
Menschen gut ist, damit er im späteren Leben ein brauchbarer Mensch
wird, der sagt sich: das ist einfach schrecklich, wenn so im vierzehnten,
fünfzehnten, sechzehnten, siebzehnten Jahre die jungen Herren und
Damen an den heutigen Gymnasien und Realschulen sind. Sie werden
allem Leben entfremdet. Wir müssen das Notwendigste tun, was getan
werden kann, daß wenigstens auch die Körperlichkeit bis zu einer
einigermaßen lebensfähigen Geschicklichkeit kommt.

dat de kinderen naar deze instellingen toe kunnen gaan. Ik geloof dat men ons nog een lange tijd niet de mogelijkheid kan geven om bv. doctoren te vormen, geldige rapporten aan onze hogescholen te ontwerpen. Dan zouden we veel meer bereiken. Nu kunnen we niets anders doen dan eerst de kinderen en dan de jongeren zo ver te brengen dat zij zich, zonder dat ze daarbij al te veel schade oplopen, eigen kunnen maken wat je in het publieke leven nodig hebt.
We lopen daar tegen aanzienlijke problemen aan. Wie naar de menselijke natuur oordeelt, naar wat voor de mens goed is zodat deze in het latere leven een bruikbaar mens wordt, zegt tegen zichzelf: eigenlijk is het vreselijk dat de jonge mensen zo rond hun veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende jaar op het huidige gymnasium of voortgezet onderwijs zitten. Ze vervreemden van het hele leven. We moeten het meest noodzakelijke doen wat gedaan kan worden, zodat op zijn minst ook de lichamelijke mens een bepaalde vaardigheid krijgt die nog enigszins levensvatbaar is.

Ich erwähne es öfter, daß man heute erwachsene Männer findet, die nicht in der Lage sind, wenn ihnen ein Knopf abgerissen ist, ihn selbst anzunähen. Das sage ich nur beispielsweise. Andere Dinge ähnlicher Art kann man ja auch nicht. Vor allen Dingen versteht man ja nichts von der Welt. Der Mensch muß mit offenen Augen in der Welt stehen, damit er auch freie Hände haben kann, die überall angreifen. Sehen Sie, deshalb müßte in einem bestimmten Lebensalter so etwas in einer elementaren Weise eingeführt werden wie Spinnen und Weben. Ja, nun müssen wir aber – wenn nun an den gewöhnlichen Anstalten die Schüler die Matura
machen, werden sie nicht im Weben und Spinnen oder in anderen
nützlichen Lebenskünsten geprüft -, wir müssen außerdem allerlei von
dem treiben, was man verlangt nach der Richtung des Examens hin.
Dazu ist notwendig, daß wir unseren Unterricht in der ökonomischsten
Weise einrichten. Das ist eine besondere Kunst im Erziehen und Unterrichten.
Ich darf ein Beispiel, das mir selbst passiert ist, anführen. Es ist jetzt
lange her – es wurde mir mit anderen Geschwistern einer Familie
zusammen ein elfjähriges Kind zum Erziehen und Unterrichten zuge

Ik noem het wel vaker, dat je tegenwoordige volwassen mannen vindt die niet in staat zijn om een knoop aan te naaien als die ergens af is. Dat noem ik maar als voorbeeld. Andere dergelijke dingen kan men ook niet. Hoofdzakelijk begrijpt men van de wereld niets. De mens  moet met een wakkere blik in de wereld staan, zodat hij ook zijn handen vrij kan hebben om overal aan te pakken. Daarom zou op een bepaalde leeftijd op een elementaire manier zoiets ingevoerd moeten worden als spinnen en weven. En nu moeten wij echter  – als in de gewone instellingen de leerlingen eindexamen doen, worden ze niet geëxamineerd in weven en spinnen of in andere nuttige levensvaardigheden – ook nog allerlei doen wat geëist wordt voor het examen. Daarom is het nodig dat wij ons onderwijs zo economisch mogelijk inrichten. Dat is bij opvoeding en onderwijs een bijzondere kunst. Ik zal een voorbeeld geven dat ik zelf heb meegemaakt.
Het is al lang geleden – samen met andere broertjes en zusjes van een gezin kreeg ik een elfjarig kind, voor wie men het opgegeven had het op te voeden en te onderwijzen, onder mijn hoede om het op te voeden en les te geven.

Blz. 134

führt, das aufgegeben war für alles Unterrichten und Erziehen. Elf Jahre
war der Junge alt, und um mich zu informieren, hat man mir ein
Zeichenheft gezeigt, worin der Junge seine Zeichenkunst entfaltet hat.
Dieses Heft hatte in der Mitte auf der ersten Seite ein riesiges Loch. Er
hatte nur radiert. Es war das alles, was er konnte. Er hatte auch einmal eine Prüfung für eine erste Volksschulklasse gemacht, er konnte gar
nichts. In bezug auf die andere Haltung war er so, daß er oftmals nicht
bei Tische aß, sondern in die Küche ging und die Kartoffelschalen aß.
Nach den verschiedensten Richtungen war es schwierig. Ich will es nicht
genau beschreiben. – Es handelte sich darum, in der möglichst kurzen
Zeit möglichst viel zu erreichen. Ich selbst mußte manchmal drei Stunden arbeiten, um den Lehrstoff so zusammenzuarbeiten, daß ich dann
dasjenige, was dem Jungen beizubringen war, in einer Viertelstunde
beibringen konnte. Nach dem zweiten Jahr war der Junge wo weit, daß
er ins Gymnasium gehen konnte. Er hatte einen riesigen Wasserkopf, der immer kleiner wurde.

De jongen was elf jaar oud en men had mij ter informatie een tekenschrift laten zien waarin de jongen zijn tekenkunst had gedemonstreerd. Dit schrift had in het midden van de eerste bladzij een heel groot gat. Hij had alleen maar weggegumd. Dat was alles wat hij kon. Hij had ook eens een toets in de eerste klas van de basisschool gemaakt, hij kon echter helemaal niets. Wat betreft zijn andere gedrag was het zo dat hij dikwijls niet aan tafel at, maar naar de keuken ging om de aardappelschillen op te eten. In alle opzichten was het moeilijk. Ik zal het niet in detail beschrijven. Het ging erom in een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk te bereiken. Ik moest zelf soms drie uur werken om de leerstof zo voor elkaar te krijgen dat ik dan wat ik de jongen wilde leren, hem in een kwartier kon bijbrengen. Na twee jaar was de jongen zover dat hij naar het gymnasium kon. Hij had een heel groot waterhoofd, dat steeds kleiner werd.

Ich will diesen Fall anführen, weil er zeigt, was ich meine mit
Ökonomie des Unterrichts. Ökonomie des Unterrichts heißt, eben
niemals mehr Zeit für etwas zu verwenden bei den Kindern, als nach den
leiblichen und seelischen Gesundheitsbedingungen notwendig ist. Solche
Ökonomie des Unterrichts muß heute besonders geübt werden, weil das
Leben so viel verlangt. Die Lehrkräfte zum Beispiel für das Lateinische und Griechische haben einen schwierigen Standpunkt, weil wir viel
weniger Zeit haben, diese Dinge zu pflegen, und weil sie dennoch so
gepflegt werden müssen, wie es den berechtigten Ansprüchen des
Geisteslebens entspricht. Die Kunst müssen wir auf allen Gebieten
suchen, nirgends das Kind zu überlasten. In all diesen Dingen, ich muß
es sagen, brauchen wir das verständnisvolle Entgegenkommen der
Elternschaft, brauchen wir ein einträchtiges Zusammenwirken mit der
Elternschaft.
Wirklich, die eigentlichen Erfolge, die für das Leben die große Bedeutung haben, liegen nicht darinnen, daß für den einen oder anderen
begabten Schüler etwas Staunenswertes erreicht wird. Die eigentlichen
Erfolge liegen in der Lebenskraft. Und da ist es für mich immer tief
befriedigend, wenn so etwas vorkommt, daß man sagt, irgendein Kind

Ik wil dit geval aanhalen, omdat het laat zien wat ik bedoel met economie van het onderwijs. Dat betekent, bij de kinderen nooit méér tijd voor iets gebruiken dan noodzakelijk is, gemeten naar lichamelijke en psychische gezondheidsvoorwaarden. Zo’n economie van het onderwijs moet vandaag de dag speciaal beoefend worden, omdat het leven zoveel vraagt. Bv. de leerkrachten voor Latijn en Grieks hebben een moeilijke positie omdat wij veel minder tijd hebben deze dingen goed te verzorgen en omdat dit toch moet gebeuren zoals dat bij de terechte eisen van het geestesleven hoort. We moeten op elk gebied de kunst zoeken om het kind niet te overbelasten. Bij al deze dingen hebben we nodig dat de ouders daar begripsvol tegenover staan, we hebben een eensgezinde samenwerking met de ouders nodig. Echt, de eigenlijke resultaten die voor het leven van grote betekenis zijn, zijn niet die dat we voor de een of andere begaafde leerling iets verbazingwekkends hebben bereikt. De eigenlijke resultaten liggen in de levenskracht. En dan is het voor mij altijd diep bevredigend wanneer zoiets voorkomt dat er wordt gezegd dat een of ander kind

Blz. 135

soll, weil da dies oder jenes erreicht werden soll, aus der einen Klasse in
eine andere versetzt werden. Da kämpft der Lehrer um jedes einzelne
Kind zuweilen. Das sind wirkliche Erfolge im liebevollen Zusammenleben der Lehrerschaft mit der Kinderschaft. Aus dem wird etwas; daneben verschwinden diejenigen Dinge, auf die so ein Wert gelegt wird, ob
die Kinder ein bißchen weiter oder ein bißchen weniger weit sind.
Wir stehen schon vor der Tatsache, daß wir ja – ich möchte es wiederum radikal ausdrücken – unmöglicherweise gelobt werden können von denen, die aus den Meinungen über das heutige Schulwesen heraus kommen und diese Meinung haben. Es ist immer etwas falsch, wenn man glaubt, daß damit etwas erreicht würde, wenn die Menschen, die so denken, uns loben würden. Wenn die Sache so stünde, daß man von den heutigen Schulbehörden gelobt würde, oder von denen, die glauben, daß die heutigen Schulbehörden das Richtige haben, dann hätten wir die Waldorfschule gar nicht zu errichten gebraucht.

omdat dit of dat bereikt moet worden, van de ene klas in een andere klas geplaatst moet worden. En dan springt de leerkracht af en toe voor elk individueel kind in de bres. Dat zijn de echte resultaten bij het liefdevol samenzijn van leraren en kinderen. Daar komt iets uit; daarnaast verdwijnen de dingen waaraan zo’n grote waarde wordt gehecht, of de kinderen een beetje verder of wat minder ver zijn.
Wij hebben te maken met het feit, dat wij – ik moet het weer radicaal zeggen – onmogelijk geprezen kunnen worden door mensen die zelf uit die opvattingensfeer over het onderwijs komen en die meningen hebben. Het is altijd verkeerd als je gelooft dat er iets bereikt wordt als de mensen die zo denken ons zouden prijzen. Als de zaken zo stonden dat je door de huidige schoolautoriteiten geprezen zou worden of door degenen die geloven dat deze schoolautoriteiten de juiste opvattingen hebben, dan hadden wij de waldorfschool helemaal niet hoeven op te richten.

Auf die Art, wie man heute vielfach denkt, werden die sozialen Fragen
nicht gelöst, sondern dadurch, daß die richtigen Menschen ins soziale
Leben hineingestellt werden. Die werden nur hineingestellt werden,
wenn die Menschen richtig an Leib und Seele gesund aufwachsen
können. An demjenigen, was einem Menschen ganz spezifisch ist, was
ein Mensch seinen besonderen Fähigkeiten nach lernen kann, können wir furchtbar wenig machen. Denn, nicht wahr, wenn wir irgendwelche
Verdienste haben können, den Menschen so zu erziehen, zu unterrichten, daß er das Höchste wird, was er werden kann, so müßte man, wenn
wir einen Goethe erziehen müßten, als Lehrer mindestens ein Goethe
sein. Zu dem, was ein Mensch durch seine Natur wird, können wir
nichts tun; das wird er durch andere Veranlassungen. Was wir können,
das ist, die Hindernisse wegräumen, daß der Mensch die Kräfte in sich
findet zu dem, was in ihm veranlagt ist. Das können wir, wenn wir
rechte Pädagogen werden, und wenn wir von der Zeitgenossenschaft
unterstützt werden.

Op de manier waarop tegenwoordig gedacht wordt, worden de sociale vragen niet opgelost, maar wel doordat de juiste mensen in het sociale leven hun plaats krijgen. Die krijgen alleen hun plaats wanneer de mensen naar lichaam en ziel op een juiste manier kunnen opgroeien.
Met dat wat heel specifiek is voor een mens, wat een mens kan leren door zijn speciale aanleg, kunnen we ontzettend weinig beginnen. Want wanneer we er een of andere baat bij kunnen hebben de mens zo op te voeden, te onderwijzen dat hij het hoogste wordt, wat hij worden kan, dan zou je als je een Goethe op zou moeten voeden, als leerkracht een Goethe moeten zijn.
Aan wat de mens door zijn aard wordt, kunnen wij niets doen; dat heeft een andere aanleiding. Wat we kunnen doen is de belemmeringen opruimen, zodat de mens de krachten in hemzelf vindt, wat hem eigen is. Dat kunnen we, als we goede pedagogen worden en wanneer wij door de tijdgenoten ondersteund worden.

Blz. 136

In erster Linie können wir unterstützt werden von der Elternschaft.
Wir haben eine verständnisvolle Elternschaft gefunden. Und dasjenige,
was ich zu sagen habe, ist zugleich durchaus mit einer Dankesempfindung erfüllt. Und von tiefer Befriedigung bin ich erfüllt davon, daß Sie
so zahlreich erschienen sind. Ich hoffe, wir werden uns über einzelnes in
der folgenden Aussprache unterhalten können; unsere Lehrer werden
bereit sein, alle gestellten Fragen zu beantworten. Aber auf gewisse
Charaktereigenschaften möchte ich noch hinweisen. Wir haben auch in der letzten Zeit, die Waldorf-Lehrerschaft mit mir zusammen, einen Hochschulkurs in Holland gehalten. Eine Persönlichkeit der Waldorfschule, Fräulein von Heydebrand, hat jenen Nachmittag
zu leiten gehabt, der über pädagogische Fragen zu handeln hatte. Es war
einer der interessantesten Nachmittage, weil man sah: die Erziehungsfragen sind heute solche, die überall die ganze Welt beschäftigen. – Wir wissen zwar, daß wir kein Recht haben, darauf zu pochen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben, daß wir nicht betonen wollen, wie wir es so herrlich weit gebracht haben.

In eerste instantie kunnen we gesteund worden door de ouders. Wij hebben een begripsvolle oudergroep gevonden. En wat ik te zeggen heb, is tegelijkertijd zeker met een gevoel van dankbaarheid vervuld. En ik ben met diepe tevredenheid vervuld voor dat u met zovelen bent gekomen. Ik hoop dat we over afzonderlijke zaken in een volgende discussie kunnen spreken; onze leerkrachten zijn bereid alle gestelde vragen te beantwoorden. Ik zou nog willen wijzen op een paar wezenstrekken.
De afgelopen tijd hebben wij, de waldorfschoolleraren en ik een cursus in Nederland gehouden. Iemand van de waldorfschool, Mevrouw von Heydebrand moest een middag leiden die over pedagogische vragen moest gaan. Het was een van de meest interessante middagen, omdat je kon zien: de opvoedingsvragen zijn nu zo dat men er overal in de wereld mee bezig is. We weten wel dat we geen recht hebben erover op te scheppen dat wij al zo geweldig ver zijn.

Nun steht die Sache so, daß viele Leute heute das Impulsierende
unserer Schule einsehen; was aber noch fehlt, das ist das tatkräftige Zuuns-Stehen, damit die Sache weitere Stütze und weitere Verbreitung
gewinnen kann. Es ist durchaus einzusehen, daß Eltern zunächst das
Beste für ihre Kinder möchten. Aber so wie heute die Dinge liegen,
sollten die Eltern auch uns helfen. Für uns wird es schwer, durchzudringen. Wir brauchen Hilfe in jeder Beziehung, denn wir brauchen einen
sich immer mehr und mehr vergrößernden Kreis, damit wir die Vorurteile gegenüber unserer Pädagogik überwinden können. Und vor allen
Dingen sage ich das Folgende unter einer bestimmten Voraussetzung
und Reserve, daß ich durchaus mich überzeugt halten will, diejenigen,
die hier sitzen, haben in pekuniärer Beziehung das getan, was sie tun
können. Diese Hypothese sei vorausgesetzt, damit niemand glaubt, ich
will ihm zu nahe treten. Aber dabei bleibt doch die andere Tatsache
bestehen: Wenn wir weiterkommen wollen, brauchen wir Geld!
Ja, Geld brauchen wir! Nun sagen die Leute: Das ist aber kein
Idealismus. Ihr Anthroposophen, was macht ihr uns da von Idealismus
vor, da ihr doch sagt, Geld braucht ihr.

Nu is het zo dat velen tegenwoordig het impulserende van onze school inzien; wat er nog ontbreekt, is het samen sterk staan zodat de zaak verdere steun en verdere verbreiding kan vinden. En natuurlijk kun je inzien dat ouders in de eerste plaats het beste voor hun kinderen willen. Maar zoals nu de zaken ervoor staan, moeten de ouders ons ook helpen. Voor ons is het moeilijk een voet aan de grond te krijgen. In elk opzicht hebben we hulp nodig, we hebben een steeds grotere kring om ons heen nodig zodat we de vooroordelen wat onze pedagogie aangaat, kunnen overwinnen. En het volgende zeg ik vooral onder een bepaalde voorwaarde en met reserve, dat ik er echt van overtuigd wil zijn dat degene die hier zitten in geldelijk opzicht hebben gedaan wat ze kunnen. Deze aanname zet ik voorop zodat niemand hoeft te geloven dat ik hem te na kom. Maar het andere feit blijft toch bestaan: wanneer we verder willen komen, hebben we geld nodig! Ja, we hebben geld nodig! Nu zeggen de mensen: Dat is geen idealisme. Jullie antroposofen, wat spiegelen jullie ons nu voor idealisme voor als je zegt, jullie hebben geld nodig.

Blz. 137

Meine sehr verehrten Anwesenden! Sehen Sie, der Idealismus ist halt
doch auf schwachen Füßen stehend, der große, ungeheure Worte macht
und sagt: Ich bin Idealist, aber weil ich Idealist bin, verachte ich meine
Geldbörse; deshalb will ich meine Finger nicht beschmutzen, ich bin ein
viel zu großer Idealist! Insbesondere werden sich kaum Ideale erfüllen, wenn die Leute zu große Idealisten sind, um sich ihre Finger zu stark zu beschmutzen beim pekuniären Opferbringen. Wir müssen doch schon auch den Ton finden gegenüber der Welt, welcher es den Leuten nahelegt, uns nach dieser Richtung einige Unterstützung zukommen zu lassen, was ja jetzt noch immer unsere große, furchtbare Sorge ausmacht. Denn schließlich, die Waldorfschule ist als einzelne Schule groß; sie hat genügend Schüler. Sie ist fast gar nicht mehr zu übersehen. Das ist eine Sorge, die sehr ernst genommen wird. Und gewiß, wir wollen sie nicht mehr gegenüber dem jetzigen Stande vergrößern; wir wollen uns dem Ausbau unterziehen. Aber auch da vergrößert sich die Schülerzahl damit, vergrößert sich die Lehrerzahl. Da nun die Lehrer nicht von der Luft leben können, verlangt das nach Mitteln.

Zeer geachte aanwezigen! Idealisme staat nu eenmaal op zwakke benen als die grote, reusachtige woorden gebruikt en zegt: Ik ben idealist, maar omdat ik idealist ben, veracht ik mijn portemonnee; daarom wil ik mijn handen niet vuilmaken, ik ben een veel te grote idealist. In het bijzonder zullen nauwelijks idealen vervuld worden, wanneer de mensen te grote idealisten zijn om hun handen al te zeer vuil te maken als ze geldelijke offers moeten brengen. We moeten tegenover de wereld toch ook de toon vinden die de mensen duidelijk maakt ons in deze richting enige ondersteuning te geven, wat voor ons nog steeds een grote, ernstige zorg is.
Want tenslotte, de waldorfschool is als aparte school groot; er zijn genoeg leerlingen. Je kan haar niet meer negeren. Het is een zorg die zeer serieus genomen wordt. En zeker is dat wij die zorg t.o.v. de huidige stand van zaken niet groter willen maken; de uitbouw willen we wagen. Maar ook dan wordt het aantal leerlingen groter, en wordt ook het aantal leerkrachten groter. En omdat de leerkrachten niet van de lucht kunnen leven, hebben we middelen nodig.

Und da müssen Sie sich schon, meine sehr verehrten Anwesenden –
ich setze voraus, jeder hat das Seinige schon getan; es handelt sich
darum, die Idee weiter hinauszutragen, damit auch draußen die Idealisten gefunden werden -, da muß man sich dazu entschließen, gerade auf
Seiten der Elternschaft, nach der Richtung der materiellen Grundlage,
der Waldorfschule zu helfen, sonst fürchte ich, kommt es dazu, daß wir uns nächstens, wenn wir die Dinge weiter gut pflegen wollen, vor Sorgen
das Schlafen werden abgewöhnen müssen. Und dann weiß ich auch
nicht, ob Sie die nötige Lehrerschaft immer in der Schule haben, wenn
sich die Lehrerschaft das Schlafen wird abgewöhnen müssen.
Ich wollte heute manche Dinge mit Worten andeuten, von denen
vielleicht manche das Gefühl haben, sie sind zu radikal gewählt. Aber ich
hoffe doch, daß ich über manches verstanden worden bin. Am meisten
liegt mir daran, daß ich nicht über das einzelne bloß verstanden werde.
Ich möchte in dem Durchgreifenden verstanden werden, daß für uns, für
unser Wirken in der Waldorfschule ein herzliches Einvernehmen mit der
Elternschaft notwendig ist. Auf die Notwendigkeit dieses herzlichen

En dan moet u wel, geachte aanwezigen – ik stel voorop dat ieder het zijne al heeft gedaan; het gaat erom, de idee uit te dragen zodat ook buiten de idealisten worden gevonden – dan moet je het besluit nemen, juist als ouders, in de richting van de materiële basis van de waldorfschool te helpen, anders vrees ik, komt het zover dat wij, als we dingen verder goed willen verzorgen, door de zorgen niet meer kunnen slapen. En dan weet ik ook niet of u steeds de nodige leerkrachten op school zal hebben, als die daarvan wakker liggen.
Ik wilde vandaag sommige dingen met woorden aangeven waarvan misschien sommigen het gevoel hebben dat die te radicaal gekozen zijn. Maar toch hoop ik dat er veel begrepen is. Het liefst heb ik dat ik over bepaalde dingen niet alleen begrepen word. Ik wil op die radicale manier begrepen worden, dat voor ons, voor ons werk op de waldorfschool, een warme verstandhouding met de ouders nodig is. Op de noodzaak van deze hartelijke

Blz. 138

Einvernehmens wollte ich hinweisen, gerade deshalb, weil es in so
hohem Maße wirklich vorhanden ist, und weil man am besten die
Möglichkeit finden wird, auf diesem Gebiete vorzudringen, wenn schon
heute Unterlagen geschaffen sind. Möchte daher durch alles dasjenige, was wir im einzelnen erstreben wollen – und darüber kann die folgende Diskussion sich aussprechen -, möchte durch alles dieses einzelne hindurch bei solchen Elternversammlungen der Impuls mitgenommen werden zu dem herzlichen Einvernehmen, das besteht zwischen den Erziehern, zwischen der Lehrerschaft und der Elternschaft, die ja ganz gewiß das tiefste Interesse haben wird, daß diese Eintracht besteht, weil die Elternschaft das Teuerste, was sie hat, der Lehrerschaft anvertraut hat.

verstandhouding wilde ik wijzen, juist omdat die in zo’n hoge mate werkelijk aanwezig is en omdat je het beste de mogelijkheid zal vinden op dit gebied verder te komen, wanneer nu al de basis wordt gelegd. Moge daarom door alles wat we tot in detail willen nastreven  – en in de volgende discussie kan dit besproken  worden – moge door al deze details bij zulke ouderavonden de impuls meegenomen kunnen worden in de hartelijke eensgezindheid die er bestaat tussen opvoeders, onderwijsgevenden en de ouders die er heel zeker de diepste interesse in hebben, dat deze eensgezindheid bestaat, omdat zij het meest kostbare wat ze hebben, aan de leerkrachten hebben toevertrouwd.

Aus diesem Bewußtsein heraus und aus dem Bewußtsein der Verantwortlichkeit der Lehrerschaft gegenüber diesem Teuersten der mit ihr verbündeten Elternschaft, aus diesem Zusammenarbeiten möchte derjenige Geist immer weiter erblühen, welcher sich in der Waldorfschule in einem befriedigenden Maße gezeigt hat. Er wird um so mehr wachsen nd gedeihen, je mehr diese Einigkeit gedeihen wird. Je mehr das der
Fall sein wird, desto mehr wird das andere erzielt werden, das schönste
Ziel zu erreichen für das menschliche Wesen: die der Waldorf schule
anvertraute Jugend zu erziehen für das menschliche Zusammenleben. Da
wird der Mensch zu stehen haben gegenüber den Stürmen des Lebens.
Wenn er dasteht im sozialen Leben, um in der richtigen Weise die Wege
zu finden zum Zusammenarbeiten mit den anderen Menschen, da werden sich die einzelnen menschlichen und sozialen Fragen lösen können.

Met dit bewustzijn en met het bewustzijn van de verantwoordelijkheid van de leraren wat dit kostbaarste betreft van de met hen verbonden ouders, moge dan vanuit deze samenwerking die geest verder opbloeien die zich op de waldorfschool  in zo’n tevredenstellende mate heeft getoond. Die zal des te meer groeien en gedijen naar mate deze saamhorigheid gedijen zal. Hoe meer dat het geval zal zijn, des te meer zal het andere worden bereikt, het hoogste doel dat er voor het mensenwezen is te bereiken: de jeugd die aan de waldorfschool is toevertrouwd op te voeden voor de menselijke samenleving. Daar zal de mens het hoofd moeten bieden aan de storm des levens.
Wanneer hij in het sociale leven staat om op een goede manier de wegen te vinden voor het samenwerken met andere mensen, dan kunnen de individuele menselijke en sociale vragen opgelost worden.

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3007-2823

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grammatica

.

Adolf Schumann, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, jrg. 5, nr. 3/4, okt. 1931

.

Bezieling van willen, voelen en denken door het grammatica-onderwijs

De pedagogie die door Rudolf Steiner gebracht werd, wil ervoor zorgen dat mensen in de cultuur werkzaam zijn vanuit hun volle mens-zijn: vanuit een helder denken, een warm voelen en een daadkrachtige wil.
De manier waarop je deze zielenkrachten gedurende de schooltijd kan laten gedijen, verandert voortdurend mee met de verdere ontwikkeling van het kind.

Eerst iets over deze ontwikkeling om het tijdstip te kunnen karakteriseren waarop het grammatica-onderwijs als geschikt hulpmiddel voor de verzorging van de zielenkrachten van het kind gebruikt kan worden.

De eerste grote ontwikkelingsfase in het menselijk leven is die vanaf de geboorte tot het 7e jaar. Gedurende deze tijd vindt een individuele doorvorming plaats van het van de ouders geërfde lichaamsmodel. Bij deze activiteit ontwikkelt zich in het fysieke een onbewuste, maar daarom des te wijzere, Bij de wil horen alle vaardigheden die het kleine kind zich allereerst eigen maakt: grijpen, opstaan, kruipen, lopen. Pas als deze helemaal of bijna onder de knie zijn, verandert ook het wilsmatige huilen geleidelijk in de meer emotioneel doordrongen taal. We kunnen dus zeggen dat de eerste kinderjaren voornamelijk in het teken staan ​​van het wilsmatige van de ziel. Het einde daarvan is te zien aan het afstoten van de melktanden die nog met substantie van de moeder opgebouwd werden en het doorbreken van het eigen, blijvende gebit. Met het wisselen van de tanden komen er plastisch vormende krachten in de mens vrij die nu niet meer nodig zijn om het lichaam te vormen, maar beschikbaar komen voor de ontwikkeling van de ziel.
Hier vormen deze opbouwende krachten de basis voor de ontwikkeling van het geheugen. Dit betekent dat het kind ook naar school kan. Zoals nu van binnenuit de beeldhouwer actief wordt in de ziel van het kind, zo werken van buiten de wereld harmonieën, waarnaar het kind met innerlijke oren begint te luisteren. Op die manier is het kind in deze leeftijd door en door kunstenaar en moet daarom dus ook op een kunstzinnige zijn gaan leren, dat wil zeggen voor deze leeftijdsfase vooral met de zielenkrachten van het gevoel.
Pas na de geslachtsrijpheid luistert de mens niet alleen naar de harmonieën van de wereld die van buiten inwerken, maar hij ontplooit deze in zichzelf, dat wil zeggen, hij is nu ook in staat logische gedachten te vormen. Na dit ogenblik kan in de les ook op het denkvermogen worden voortgebouwd.

De beschreven ontwikkelingsstadia –
de eerste zeven levensjaren in het teken van de wil,
de zogenaamde basisschooljaren tot het 14e jaar in het teken van het voelen,
de volgende jaren verlopen in het teken van het denken –

worden niet zo duidelijk van elkaar gescheiden dat de ene plotseling als beëindigd wordt herkend en dat dan de volgende begint. Veel meer gaan ze vrij geleidelijk in elkaar over en ook zo dat de voorafgaande fase nog doorloopt en nawerkt in de volgende, maar ook dat de volgende reeds zijn schaduw vooruitwerpt.
Voor de basisschool betekent dit dat er eerst nog van alles uit de kleutertijd doorwerkt op een manier dat het kind in het eerste derde deel van die tijd nog met een niets te verstoren trouw aan de geliefde leerkracht hangt en hem met zijn gehele wil en met het nu zich ontluikende gevoelsleven alle warmte geeft.

Met het 9e jaar echter, trekken deze toegewijde gevoelskrachten zich terug en de autoriteit die voor het kind staat, wordt voor het eerst ‘getest’.  Het kind wil zien dat de leerkracht zichzelf bewijst en zeker in het leven staat; als het voelt dat dit klopt, dan kijkt het ook in het vervolg in trouwe verering tegen hem op.

Na het 12e jaar echter, ontstaat er een nieuwe kloof. Nu worden de eerste tekenen van een opkomende denkkracht merkbaar en nu wil het kind steeds meer ‘inzien’, niet alleen maar vertrouwen en opzien tegen.
Tot dan na het 14e jaar de kracht van denken steeds meer veroverd wordt.
Deze tijd van het denken moet wel voorzichtig van te voren worden voorbereid. Dat moet bij elk vak gebeuren. Grammatica biedt hiervoor een effectieve manier hiermee om te gaan.
Maar betekent grammatica dan niet dat dit uitsluitend uit denkwerk bestaat?
Nee, grammatica zit door het hele wezen van de mens; er bestaat een levende relatie met alle zielenkrachten en juist de grammatica biedt de gelegenheid voor een gezonde overgang van de nasleep van de kindertijd naar de tijd van het denken.

Laten daarvoor eens kijken naar de indeling van de woordsoorten, het omvattende systeem binnen de grammatica.

Wanneer je de kinderen bv. in de 2e klas vertelt over allerlei bezigheden, dan willen ze het liefst zelf meteen meedoen.
Klinken er woorden als ‘lopen’, ‘vliegen’, ‘springen’, dan komen ze, in ieder geval innerlijk, meteen in beweging. Dat je die dadendrang op school niet direct kan uitleven, weten ze al wel, maar ze zijn toch heel blij als ze schilderend, tekenend dan alle mogelijke activiteiten kunnen weergeven en onder het werk de naam van de activiteit schrijven.
En zo leert de kleine bezig-zijnde mens het werkwoord, het ‘doewoord’, dat in zijn eigen wil zit, kennen.

Hoe anders zit het zelfstandig naamwoord eruit! Het benoemt dingen die je – ook helemaal rustig blijvend – kan bekijken; alleen als de ledematen zich stil houden, kunnen de zintuigen de dingen om ons heen echt waarnemen en kunnen ze ons bewust worden.
Zo geven de ‘naamwoorden’ – [Duits : Hauptwörter – ‘hoofd’woorden’] het hoofd werk op en door ze nu ten tonele te voeren, wordt het toekomstige denken voorbereid.

Midden tussen de springlevende doewoorden en koel-begripsmatige zelfstandige naamwoorden staan nog woorden die zo echt het hart van de kleinen aanspreken, de bijvoeglijke naamwoorden, die je kan introduceren als ‘gevoels’woorden.
Ze brengen leven bij de kille zelfstandige naamwoorden en warmte bij wat we doen. Bijvoeglijke naamwoorden uit de wereld van de kleuren roepen een kunstzinnig meebeleven op, zulke als nietig, klein, groot, reusachtig leiden naar een verbaasde bewondering; wat in de richting goed of slecht gaat, leidt tot moreel sterker worden.

Zo kan je al vroeg beginnen met grammatica-onderwijs, zonder iets wezensvreemd aan de kinderen te geven.

Wanneer je meteen aanknoopt bij de drie zielenkrachten die in de mens pulseren – willen, voelen, denken – kan je drie woordsoorten aanleren.

En dit kan je nog twee keer herhalen; iedere keer echter op een niveau dat weer een stapje dichter bij het zich steeds maar ontwikkelende denken ligt.

Ergens in de vierde klas kan de tweede drieheid aan de orde komen: voorzetsel, voornaamwoord en tussenwerpsel.
In dit schooljaar zijn de kinderen weer wat beschouwelijker geworden en ze ‘vliegen, springen, lopen’ niet meer de hele tijd mee, veel meer worden de dingen ‘bestudeerd’, de gang van zaken en hun onderlinge relaties, ook door te kijken.
Dan kijk je naar de zon ‘aan’ de hemel, de vogels ‘in’ de lucht, de auto ‘op’ straat.
Ze herkennen in dit ‘wijzen’ misschien al de innerlijke verwantschap tussen het voorzetsel en het werkwoord; met het gebruik van voorzetsel kom je weer in het zielengebied van de wil.
Verderop in een voorbeeld zie je hoe ook de wil weer over kan gaan naar een vruchtbare activiteit.

Onmiskenbaar komt het voornaamwoord voor het naamwoord, voor het substantief; daardoor hoort het eveneens in het gebied van het denken thuis. En daarbij spelen de persoonlijke voornaamwoorden een belangrijke rol: ‘Ik’ voert tot zelfbewustzijn, naar de individualiteit, alle andere namelijk via ‘jij’ en ‘wij’ tot het liefdevol meenemen van de anderen. Deze woorden krijgen daarmee toch weer een sterke gevoelsmatige inslag.
Ten slotte geven de interjecties – tussenwerpsels – ( uitroepwoorden “oh, ah, tsjonge’) gelegenheid onze gevoelens in de taal tot uitdrukking te brengen.

Voor resp. de 5e en de 6e klas blijft nu de laatste drieheid over: voegwoord, telwoord en bijwoord.

Zoals we in het doewoord zelf helemaal in het doen konden opgaan, in het voorzetsel de relaties tussen de dingen onder elkaar zagen, zo worden we met het gebruik van het voegwoord (verbindingswoord en, maar, als) in de taal zelf actief en laten ons erdoor tot de zuster van de grammatica, van de retorica meevoeren; want pas met het gebruiken van het voegwoord komen wij ertoe een zinsbouwleer te ontwikkelen en deze is weer de basis van de vrije spraak.

Het telwoord stimuleert weer ons denken; de mathematica is het antwoord op deze stimulans.
Killer en abstracter herhaalt het bijwoord wat voor het bijvoeglijk naamwoord en het tussenwerpsel bijgedragen heeft onze taal op te tuigen.
Het duurt lang voor de kinderen inzien dat in het zinnetje ‘dat heb je goed gedaan’, het woordje ‘goed’ geen bijvoeglijk naamwoord meer is, maar bijwoord. Vergelijkingen met niet-Nederlandse talen: bene fecisti, c’est bien fait) helpen om begrip te krijgen, want hier zijn de bijwoordelijke vormen duidelijk te onderscheiden van de bijvoeglijke (bonus, bon).

Deze indeling zou haar doel voorbij schieten, wanneer die alleen maar als een dood schema of als gebruiksaanwijzing gezien zou worden.
Het gaat alleen maar om een overzicht van de mogelijkheid de kinderen in een over een of meerdere schooljaren verdeelde ontwikkelingsgang naar een steeds sterker wordend bewustzijn bij het gebruiken van hun gevoelskrachten. Zo’n indeling kan alleen maar aan waarde winnen als de leerkracht die op ieder onderdeel met leven weet te vullen.

Kort zal nog worden getoond dat de menselijke zielenkrachten, ook op het verdere gebied van de grammatica tot uitdrukking kunnen komen, zoals bv. bij de aanvoegende wijs van de werkwoorden.

Onmiskenbaar staan achter de tijden verleden tijd, tegenwoordige tijd, toekomst ook weer denken, voelen en willen.
Alleen wanneer ik nadenk over wat ik heb beleefd, wanneer ik het me herinner, krijg ik de beelden uit het verleden.
Met de hartenklop van de levende mens verloopt het heden.
Wat door onze wil tot daad moet worden, wordt in de tijd in de toekomst tot uitdrukking gebracht.
Ongeveer in klas 4 ga je met de kinderen zo’n weg door de tijden.
In de 5e klas moet dan vaak de niet zo makkelijke stap gezet naar de samengestelde tijden.
Maar het begrijpen van deze tijdsvolgorde vraagt op deze leeftijd nog heel sterk de doorbloeding met een beeld voor iedere tijd.
Je zou de weg door de tijden in kleurige concentrische cirkels of in een kleurenband voor de kinderen kunnen laten ontstaan met dien verstande dat je de tijd van het verleden, de voltooide en de onvoltooide in een donker en een licht blauw weergeeft.
De tegenwoordige tijd kun je geel geven en dan de voltooid tegenwoordige tijd als overgaand van het heden naar het verleden de overgangskleur groen.
De gebiedende wijs leidt naar de toekomst; die wordt nu uitgesproken, maar straks pas uitgevoerd. Die kleur, oranje, leidt ons naar het rood van de toekomende tijd.
Ten slotte krijgt de voltooid toekomende tijd in rood-paars weer een glimp van de kleuren van de verleden tijden.
Zo’n kleurenvolgorde wordt door de kinderen blij herkend als de regenboog en daarmee wordt ook de noodzaak het werkwoord door de aangegeven zeven kleuren door te lopen, vanuit het gevoel bevestigd.

Dit laatste voorbeeld liet tegelijkertijd zien hoe de grammatica weliswaar overal overeenkomt met de ziel van de mens, maar dat je ook veel verder moet gaan om alle diepten van de menselijke taal te exploreren.
Ligt het misschien niet aan de begrensdheid van hoe wij nu als mens zijn dat in onze omgangstaal het gebruik van de samengestelde tijden helemaal weg is?

Wanneer nu nog als omlijsting een paar voorbeelden uit het onderwijs worden gegeven, dan moet je er van te voren wel rekening mee houden dat zowel deze voorbeelden als ook wat hierboven gezegd werd, ontstaan is door het onderwijs in één bepaalde klas en in ieder ander geval zal de leerkracht net zijn llas weer andere wegen bewandelen.
De overeenkomst is dat iedere leerkracht op zijn manier de levende relaties vindt tussen de leer van de taal en het wezen van de mens.

Bij het begin van de voorzetsels hadden de kinderen van mijn klas zelf een aantal verbanden tussen de dingen onderling ontdekt en opgeschreven. Opgemerkt hadden ze: de wagen op straat, het paard voor de wagen, de kist in de wagen, ze hadden de wagen op straat nagekeken op weg naar de markt.
Aan het eind van de les werden er nog een paar gedichten herhaald die al eerder waren geleerd, de kinderen mochten kiezen en een meisje begon:

‘Uit het huisje, de tuin in, naar de appelboom (uit ‘Wegzehrung’, Albert Steffen)
Tijdens het opzeggen van het gedicht werden de gezichten van de kinderen zienderogen wakkerder en nauwelijks was het gedicht ten einde, of ze riepen: ; Wow, wat zitten daar veel voorzetsels (blikrichtingswoorden) in’.
Nu kregen de kinderen er zelf zin om het gedicht in het grammaticaschrift te schrijven waarbij de opdracht gegeven werd om de voorzetsels door een speciale kleur eruit te laten springen.
Deze ontdekking werd nu ook meteen in een gezamenlijke brief aan mijnheer Albert Steffen in Dornach gestuurd.

Ook bij andere gevallen biedt zich steeds weer een gelegenheid om terug te grijpen op gedichten en spreuken uit eerdere schooljaren waar de kinderen met liefde aan terugdenken (zonder die natuurlijk ‘plat te walsen’)

Het gedicht van ‘Keulse kabouters‘ veroorzaakt steeds groot plezier; dat wordt nog groter als je zelf kan zien, hoe de doewoorden opvallend opgesomd worden. Maar de kinderen ontdekken dan ook snel dat het gedicht over een tijd gaat die ze als kind al achter zich hebben gelaten; als je eenmaal grammatica geleerd hebt, mag je een ander niet meer voor je laten werken, je moet, zoals het ook in het gedicht staat, nu alles zelf doen of dat tenminste toch leren.
Als je nu zelf aan het werk gaat, heeft de taal daar ook bepaalde uitdrukkingsvormen voor: de dingen die je al werkend doet, verschijnen in de ‘arbeidsvorm’, de ‘bedrijvende vorm.

Hiermee is al aangeduid dat er een overgang komt naar de verbuiging.
Bij de introductie van deze ; bedrijvende vorm’ liet ik de kinderen zelf bedachte activiteiten tekenen, net zoals de klas al eerder bij het leren van de werkwoorden had gedaan. Nu werden niet alleen aparte hele werkwoorden zoals ‘lopen, springen’ onder de tekeningen geschreven, maar hele zinnen met een onderstreepte bedrijvende vorm. Naast tekeningen met onderschrift ‘De herder hoedt de schapen’, ‘De boer ploegt het land’, stond ook ‘De kinderen zingen het lied’, waarbij op de tekening het lied door een paar dansende noten in een heldere kleurenomlijning weergegeven werden.

In een schrift vond ik een schoolklas met leerlingen en een leraar afgebeeld en daaronder het zinnetje ‘De kinderen leren’.
Ik wees het kind erop dat er nog een stukjein de zin ontbrak waar het ons om ging. Toen ik weer in het schrift keek, zag ik dat het kind het aangevuld had met ‘het goede’.

Aan de getoonde voorbeelden mag duidelijk zijn, hoe je in de grammaticalessen de kunstenaar in het kind de gelegenheid kan geven, zich uit te leven in kleur, in het bondig spreken, zelfs kan de acteur gewekt worden zoals in een eerder verschenen uitgave van dit tijdschrift (jaargang 4, nr 3) door M.Tittmann weergegeven is.

Met name echter biedt deze lesstof een voortreffelijk opvoedingsmiddel om de kinderen meteen in de zich al ontwikkelende zielenkrachten van de wil aan te spreken en hen bij hun ontwikkeling passend van het gevoel naar het denken te brengen.

Daarmee kan in het grammatica-onderwijs de verzorging en verlevendiging van alle zielenkrachten in het kind feitelijk worden; grammatica moet voor onze kinderen niet een weten met het hoofd zijn, maar vanuit de hele mens toegepast kunnen worden.

.

2999-2815

.

.

.


							

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (literatuur)

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner 

                                                            Literatuur

Wanneer in de tekst naar een boek werd verwezen, is de titel daarvan bij de betreffende tekst weergegeven.

[1] Gerbert Grohmann: Pflanze – Erdenwesen – Menschenseele. Ausführungen zum Seminarkurs Rudolf Steiners mit dem Lehrerkollegium der Freien Waldorfschule Stuttgart 1919. Stuttgart 1953. (Siehe Teil II des vorliegenden Bandes). 
Dit deel van Grohmanns boek staat op deze blog.

[2] Rudolf Steiner: Erziehungskunst. Methodisch-Didaktisches. 14 Vorträge, Stuttgart 1919. GA 294.
Vertaald
Op deze blog: Rudolf Steiner over dierkunde uit GA 294

[3] Rudolf Steiner: Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Padagogik. 14 Vorträge, Stuttgart 1919. GA 293.
Vertaald
Op deze blog: Algemene menskundeeen verkenning

[4] Rudolf Steiner: Pädagogisches Seminar. In: Zeitschrift »Erziehungskunst«, Monatsschrift zur Padagogik Rudolf Steiners. Stuttgart, V. Jahrg., Heft 3.
Inmiddels uitgegeven GA 295
Vertaald: Praktijk van het lesgeven

[5] Rudolf Steiner: Vom Lehrplan der Freien Waldorfschule Stuttgart. Bearbeitet von C. v.Heydebrand. 6. Auflage, Stuttgart 1978.
Op deze blog vertaald

[6] Rudolf Steiner: Von Seelenratseln. I. Anthropologie und Anthroposophie. 1917. GA 21.
Niet vertaald

[7] Rudolf Steiner: Die Geheimwissenschaft im Umrifi. 1925. GA 13.
Vertaald

[8] Rudolf Steiner: Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft. In GA 34.
Vertaald

[9] Rudolf Steiner: Die Erneuerung derpadagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft. GA 301.
Op deze blog vertaald

[10] Rudolf Steiner: Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Geistig-Seelischen. Weihnachtskurs für Lehrer. 16 Vortrage, gehalten am Goetheanum in Dornach 23.12.21 bis 7.1.22. GA 303.
Vertaald: Gezond makend onderwijs

[11] Rudolf Steiner: Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis. Die Erziehung des Kindes und des jüngeren Menschen. 8 Vortrage, gehalten am Goetheanum in Dornach 15. bis 21.4.23. GA 306.
Op deze blog vertaald

[12] Rudolf Steiner: Gegenwartiges Geistesleben und Erziehung. 14 Vortrage, gehalten in Ilkley 5. bis 17.8.23. GA 307.
Vertaald: Opvoeding en moderne kultuur

[13] Rudolf Steiner: Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens. 5 Vortrage, gehalten innerhalb der in der Freien Waldorfschule Stuttgart vom 7. bis 13.4.24 veranstalteten Erziehungstagung. Stuttgart 1950. GA 308.
Vertaald: De wordende mens

[14] Rudolf Steiner: Anthroposophische Padagogik und ihreVoraussetzungen. Vortragszy-klus, gehalten in Bern 15. bis 17.4.24. Basel 1951. GA 309.
Op deze blog vertaald

[15] Rudolf Steiner: Der padagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Padagogik. 9 Vortrage, gehalten in Arnheim (Holland) 17. bis 24.7.24. GA 310.
Vertaald: Menskunde, pedagogie en kultuur

[ié] Rudolf Steiner: Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit. 7 Vortrage, gehalten in Torquay 12. bis 20.8.24. GA 311.
Op deze blog vertaald

[17] Friedrich A.Kipp: Höherentwicklung und Menschwerdung. Stuttgart 1948.
Niet vertaaldf

[18] Friedrich A.Kipp: Bezahnung und Bildungsidee des Organismus. In »Der Beitrag der Geisteswissenschaft zur Erweiterung der Heilkunst». Stuttgart 1952.
Niet vertaald

[19] Hermann Poppelbaum: Mensch und Tier. Fünf Einblicke in ihren Wesensunterschied. 7. Auflage, Dornach 1975.
Vertaald: Mens en dier

[20] Hermann Poppelbaum: Tierwesenskunde. Z.Zt. vergriffen. Erscheint demnachst im Philosophisch-Anthroposophischen Verlag Dornach.
Niet vertaald

[21] Günther Wachsmuth: Erde und Mensch, ihre Bildekrafte und Rhythmen. 3. Auflage, Dornach 1965.
Niet vertaald

.

Over het 1e dier- en plantkundeonderwijsinhoud

Rudolf Steiner over: dierkunde

Dierkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde 

.

2996-2812

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – het astraallijf [1-7-2/4-2]

.

HET ASTRAALLIJF 

en de woorden die het karakteriseren

Telkens zal Rudolf Steiner wanneer hij het astraallijf karakteriseert, zeggen dat het de drager is van:
-in willekeurige volgorde: hartstochten, driften, begeerten, lust, onlust, vreugde, verdriet, leed, smart.
Wanneer we daar 1 vertaling voor nemen, doen we de betekenis iets te kort, we belichten die dan te eenzijdig.
Ik heb daarom wat meer vertalingen gezocht voor:

Abneigung

Afkeer, antipathie, misnoegen, onwil, weerspannigheid, afschuw, afkeer, tegenzin, afkeuring

Freude

leukheid; genot; tevredenheid; opgewektheid; aardigheid; lust; plezier; blijheid; blijmoedigheid; vreugde; vreugd; blijdschap; vrolijkheid.

Instinkt

Natuurdrift, aandrift

Leid

Pijn, leed, kommer en kwel, misère

Leidenschaft:
Een heftig gevoel dat door het verstand maar moeilijk te sturen valt;
Zo wordt dit omschreven in een woordenboek. Steiner zal daar niet ‘verstand’ gebruiken, maar het Ik.

plezier; genoegen; lust; genot; pret; leut; jool; drift; wellust; instinct; aandrift; vuur; passie; overgave; gloed; hartstocht; geestdrift; vurigheid; hartstochtelijkheid; seksuele begeerte; de obsessie; bezetenheid

Lust

goesting; plezier; lol; pret; keet; gein; jolijt; leut; genoegen; lust; genot; jool;  aardigheid; content; tevredenheid; drift; wellust; begeerte; heftig verlangen;  vrolijkheid; blijheid; opgewektheid; blijmoedigheid; seksuele begeerte; animo ; zin, wens.

Neigung

Beheptheid, voorliefde, geneigdheid, hang, voorkeur*

Schmerz

Een zeer onaangenaam lichamelijk gevoel: pijn

Hier wordt bedoeld:

Gevoel als je verdrietig bent:

leed, smart, zielenpijn

Trieb

genot; lust; voortgedreven seksuele begeerte; instinct; drift; aandrift, neiging; het smachten; het verlangen; de lust; hevig verlangen; zucht; het wensen

Unlust

onlust; lusteloosheid; lauwheid; ongeanimeerdheid; onvrede; onbehagen; misnoegen; onmin; onwil; weerspannigheid.

Verlangen

wensen ; verlangen ; lustzucht naar; begerensmachtende begeerte; hunkering; wens

Wunsch

Verlangen, wens

*ook aard, aanleg, karakter, geaardheid, inborst

Als je al deze omschrijvingen ziet en je zou ze nog exacter hun plaats willen geven, dan is natuurlijk de indeling sympathie – antipathie heel verhelderend.
Immer:

(  ) Die Grundkräfte der Seele kann man Sympathie und Antipathie nennen.

( ) De fundamentele krachten van de ziel. Je kunt ze sympathie en antipathie noemen.
GA 9/44
Vertaald/81

En dat geldt ook voor de verschillende aspecten van de wil. Zie daarvoor Algemene menskunde voordracht 4
Ook zie je dat bepaalde gevoelens meer naar het lichamelijke gaan en daarmee dus meer bij de overgang van etherlijf naar gewaarwordingslijf gaan, waar ze gewaarwordingsziel worden.
Een uitgebreid artikel daarover: Algemene menskunde voordracht 1
Dat geldt ook weer voor de gevoelens die meer naar de onegoïstische kant gaan: liefde, medelijden, altruïsme e.d. of zoals Steiner het hier samenvat:

Das dritte Glied ist der astralische Leib, der Träger von Lust und Unlust,
Freude und Schmerz, Leidenschaft und Begierde, der niedrigsten Triebe sowie der höchsten Ideale.

Het derde deel is het astrale lijf, de drager van lust en onlust, vreugde en verdriet, passie en begeerte, de laagste driften alsook de hoogste idealen.
GA 56/196
Niet vertaald

Hier heb ik een begin gemaakt met een opsomming van allerlei ‘gevoelens’. De lijst is niet compleet (zo dat ooit al kan) en er kan altijd discussie ontstaan over de plaats waar zo’n gevoel zou kunnen staan:

De rechterrij is meer de sympathische, de linker de antipathische kant

Gevoelsleven dicht staand bij het fysieke beleven, dus waar het etherlijf een rol speelt: gewaarwordingsziel

lust                                           onlust
(wel)behagen                          onbehagen
genoegen                                ongenoegen
begeerte                                  afschuw
affectie                                    begeerte/afkeer
graagte                                    tegenzin
wellustig afkerig

Meer gemoedsziel

Wanneer in de rechterrij geen woord staat, heb ik dat nog niet als tegenstelling gevonden

vreugde                                   verdriet
blij                                            bedroefd
pret                                           smart
meegaand                              onwillig/dwars/weerspannig
sympathie                               antipathie
aantrekking                            afstoting/afkeer
genoegen                                misnoegen
tevreden                                  ontevreden
bezorgd                                    onbezorgd
welbevinden (euforie)         geprikkeld, boos, nerveus (dysforie)
graag mogen                         hekel aan
liefde                                       haat
aangedaan onaangedaan
aangenaam onaangenaam
aangeslagen
aangrijpend koud latend
aanhankelijk
aanbiddelijk afstotend
aandoenlijk
vreugdevol bedroevend
droevig blijmoedig
bedroefd blij
smartelijk vreugdevol
bewogen onbewogen
roerend
ontroerend
onverschillig betrokken

Meer verstandsziel

interesse                                 desinteresse
gelijkmatig                             onverschillig
beheerst                                  onbeheerst
voorzichtig                              roekeloos
bedachtzaam                          onnadenkend
goedkeurend                          afkeurend

aandachtig ongeïnteresseerd

nog te rubriceren

aandrang  aandrift aangedaan getroffen geroerd medelijden aangenaam aangeslagen grimmig dreigend aangrijpend aanhalig volhardend verleidelijk aanlokkelijk aanmatigend trots laatdunkend aanminnend aanminnelijk bekoorlijk lief bevallig

Help je mee aanvullen?  Bericht aan: vspedagogie  at  gmail.com

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2980-2797

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 55

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


. In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.


GA 55


Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben


Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu


Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906


Blut ist ein ganz besonderer Saft


Bloed is een heel bijzondere vloeistof


Blz. 46


In der geisteswissenschaftlichen Weltanschauung sehen wir, daß der Mensch, insofern er uns in der Außenwelt für unsere Sinne entgegentritt, insofern er Form und Gestalt ist, nur einen Teil der menschlichen Wesenheit ausmacht, und daß sogar hinter dem physischen Leibe viele andere Wesenheiten sind. Diesen physischen Leib hat der Mensch mit allen um ihn herumliegenden mineralischen, sogenannten leblosen Dingen gemeinschaftlich. Das zweite Glied des Menschen ist also der Ätherleib, den der Mensch gemeinschaftlich mit der Pflanzenwelt hat.


In de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing zien we dat de mens, voor zover hij ons in de buitenwereld tegemoet treedt, in zoverre hij vorm en gestalte is, slechts een deel van het menselijk wezen uitmaakt en dat er zelfs achter het fysieke lichaam vele andere wezens staan. Dit fysieke lichaam heeft de mens samen met alle minerale, zogenaamde levenloze dingen die zich om hem heen bevinden. Het tweede deel van de mens is dan het etherlijf dat de mens gemeenschappelijk heeft met de plantenwereld.


Das dritte Glied ist der sogenannte Astralleib, sehr schön und bedeutungsvoll so genannt,


Het derde wezensdeel is het zgn. astraallijf, heel mooi en zinvol om het zo te noemen


( )  Dem Astralleib obliegt es, im Menschen und im Tiere, das Lebendige zur Empfindungssubstanz aufzurufen, so daß sich innerhalb des Lebendigen nicht bloß Säfte bewegen, sondern daß sich darin dasjenige ausdrückt, was man Lust und Leid, Freude und Schmerz nennt. Damit haben Sie im wesentlichen auch den Unterschied zwischen Pflanze und Tier angedeutet, obwohl es Übergänge gibt.


Het is de taak van het astraallijf in mens en dier het leven tot gewaarwordingssubstantie tevoorschijn te roepen, zodat zich binnen het leven niet alleen vloeistoffen bewegen, maar dat daarin iets tot uitdrukking komt wat je lust en leed, vreugde en pijn noemt. Daarmee heb je in wezen ook het onderscheid tussen plant en dier aangegeven, hoewel er overgangen bestaan.


We zagen bij het etherlijf al, dat dit zo wordt beschreven dat het – als krachtencomplex in staat is, de fysieke stoffen bij elkaar te houden, dus als een aparte ‘zelfstandigheid’. Het brengt iets teweeg, het veroorzaakt iets. Ditzelfde zien we in de woorden over het astraallijf terug. Als een complex van (andere) krachten is het in staat ‘in het levende’ ‘iets’ om te vormen – zodanig dat we iets gewaarworden, iets merken, iets voelen – Steiner noemt het hier ‘gewaarwordingssubstantie’.


Blz. 48


Eine neue naturwissenschaftliche Forschergruppe hat geglaubt, auch den Pflanzen im direkten Sinne Empfindung zuschreiben zu sollen. Das ist aber nur ein Spiel mit Worten. Es ist für gewisse Pflanzen selbstverständlich, daß sie Erregungszustände haben, wenn etwas in ihre Nähe kommt, wenn etwas auf sie einwirkt. Das ist aber keine Empfindung. Es muß im Innern des Geschöpfes ein Bild auftauchen als Reflex der Erregung. Wenn auch bei gewissen Pflanzen eine Gegenwirkung auf einen äußeren Eindruck geschieht, so ist das doch noch kein Beweis dafür, daß die Pflanze auch innerlich einen solchen Reiz zu einer Empfindung erhebt, daß sie ihn innerlich erlebt. Dasjenige, was man innerlich erlebt, hat seinen Sitz im Astralleibe. So sehen wir also, daß das, was bis zum Tier heraufkam, aus dem physischen Leib, dem Äther- oder Lebensleib und dem Astralleib besteht.


Steiner spreekt hier over een ‘nieuwe onderzoeksgroep’. Dat nieuwe was er dus in 1906, t.t.v. de voordracht. Nu, zo’n kleine 120! jaar later, zijn er ook weer onderzoekers die beweren wat hieronder staat. Ze vonden dat er in de bodem een groot netwerk bestaat van m.n. schimmels, die – als ware het internet – met elkaar ‘communiceren’. Het wordt wel het ‘wood wide web’ genoemd. In deze context wordt aan (planten)schimmels dan ook ‘gevoel’ toegedicht.


Een nieuwe natuurwetenschappelijke onderzoeksgroep gelooft aan de planten in directe zin ‘gewaarwording’ te kunnen toeschrijven. Maar dat is slechts een spel met woorden. Voor bepaalde planten is het vanzelfsprekend dat ze in een staat van geprikkeldheid, van ‘gevoelig voor’ kunnen raken, wanneer er iets in hun omgeving komt dat op hen van invloed is. Maar dat is geen gewaarwording. In het innerlijk van het wezen moet een beeld kunnen ontstaan als reflex op de geprikkeldheid. Ook al vindt bij bepaalde planten een tegenwerken plaats als antwoord op een bepaalde indruk, dan is dat nog geen bewijs dat de plant ook innerlijk zo’n prikkel tot een gewaarwording maakt, dat hij deze innerlijk beleeft. Wat je innerlijk beleeft, is gelegen in het astraallijf.  We zien dus dat wat tot dier geworden is, bestaat uit het fysieke lichaam, het ether- of levenslijf en het astraallijf. 
GA 55/46-47
Vertaald /46-48


Sehen wir uns die Pflanze an als das Wesen, das schon den Ätherleib hat, welcher die physischen Stoffe heraufholt zum Leben, das heißt dasjenige, was sinnliche Materie ist, in Lebenssäfte verwandelt. Was ist es, das so die sogenannten leblosen Kräfte in die Lebenssäfte umgestaltet? Wir nennen es den Ätherleib, und dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib.


Beschouwen we de plant als een wezen dat het etherlijf bezit dat de fysieke stoffen om te leven in zich opneemt, d.w.z. wat zintuiglijke materie is, om te zetten in leven. Wat verandert de zogenaamde levenloze krachten in levenssappen? Wij noemen dat het etherlijf, en hetzelfde doet het dier en ook in de mens; het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. 


Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um.


Het etherlijf vormt de organische substantie in levenssappen om.


dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib. Und was macht dieser Astralleib? Er ruft die bewegte Substanz zum innerlichen Miterleben des Kreislaufs der stofflichen Säftebewegung auf, so daß sich die äußere Bewegung in innerlichen Erlebnissen spiegelt. Wir sind damit so weit gekommen, daß wir den Menschen begreifen, insofern er in das Tierreich hineingestellt ist. Alle Substanzen, aus denen der Mensch zusammengesetzt ist, finden Sie auch draußen in der leblosen Natur: Sauerstoff, Stickstoff, Wasserstoff, Schwefel, Phosphor und so weiter. Soll das, was umgewandelt ist durch den Ätherleib in lebendige Substanz, zu innerlichem Erfassen, zur Schaffung innerer Spiegelbilder von dem, was außen vorgeht, aufgerufen werden, so muß der Ätherleib von dem, was wir Astralleib nennen, durchdrungen werden. Der Astralleib ruft die Empfindung hervor. Aber jetzt, auf dieser Stufe ruft der Astralkörper die Empfindung in ganz besonderer Weise hervor. Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um, der Astralleib wandelt diese lebendige Substanz in empfindende Substanz um.


( ) dit etherlijf doet in het dier en in de mens hetzelfde (als in de plant); het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. En wat doet het astraallijf? Het stimuleert de substantie die beweegt tot een innerlijk meebeleven van de circulatie van de  bewegingen van de stoffelijke vloeistoffen, zodat zich die uiterlijke beweging spiegelt in innerlijke belevingen. Nu zijn we hier gekomen dat we de mens begrijpen, voor zover hij in het dierenrijk staat. Alle stoffen waaruit de mens is opgebouwd, vind je ook buiten in de levenloze natuur: zuurstof, stikstof, waterstof, zwavel, fosfor enz. Wil dat wat door het etherlijf omgevormd is in levende substantie, gestimuleerd worden tot het vormen van spiegelbeelden van hetgeen er buiten zich afspeelt, dan moet het etherlijf doordrongen worden door wat we astraallijf noemen. Het astraallijf roept de gewaarwording op. Maar op dit niveau roept het astrale de gewaarwording op een heel bijzondere manier op. Het etherlijf verandert anorganische stoffen in levenssappen, het astraallijf verandert deze levende substantie in gewaarwordende substantie.
GA 55/50-51
Niet vertaald


Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906


Der Ursprung des Leides


De oorsprong van het lijden


Blz. 73


Wir wissen aber auch, daß dieser physische Körper aufgerufen wird zum Leben durch das, was wir den sogenannten Äther- oder Lebensleib nennen; (  ) Wir betrachten den zweiten Teil der menschlichen Wesenheit, den Ätherleib, als etwas, was der Mensch gemeinschaftlich hat mit der übrigen Pflanzenwelt. Als das dritte Glied der menschlichen Wesenheit betrachten wir den Astralleib, den Träger von Lust und Unlust, von Begierde und Leidenschaft, den der Mensch mit der Tierheit gemeinsam hat


We weten echter ook dat in dit fysieke lichaam het leven tevoorschijn wordt geroepen door wat wij het zogenaamde ether- of levenslijf noemen; ( ) Wij zien het tweede deel van het mensenwezen, het etherlijf, als iets wat de mens gemeenschappelijk heeft met de verdere plantenwereld. Als derde menselijk wezensdeel kijken we naar het astraallijf, de drager van lust en onlust, van begeerte en hartstocht, dat de mens gemeenschappelijk heeft met het dierenrijk. 
GA 55/73
Niet vertaald  


Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906


Wie begreift man Krankheit und Tod?


Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?


Blz. 104-105


Das physische Prinzip arbeitet nur teilweise am physischen Organismus des Menschen, in einem anderen Teil ist im wesentlichen der Ätherleib tätig,


Het fysieke principe werkt maar voor een deel aan de fysieke organisatie van de mens; in een deel is hoofdzakelijk het etherlijf werkzaam.


Blz. 105


( ) erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper, als zweites den Äther- oder Lebensleib, sodann den Astralleib,


ten eerste hebben we het uiterlijk zichtbare fysieke lichaam; als tweede het ether- of levenslichaam, en dan het astraallijf ( ) 


Dann müssen wir uns klar sein, daß im physischen Leibe dieselben Kräfte und Stoffe vorhanden sind wie in der physischen Welt draußen und daß in dem Ätherleib das liegt, was diese Stoffe zum Leben aufruft, und daß der Mensch seinen Ätherleib mit der ganzen Pflanzenwelt gemeinschaftlich hat. Der Astralleib, den der Mensch mit den Tieren gemein hat, ist der Träger des ganzen Gefühlslebens, von Begierden, Lust und Unlust, Freude und Schmerz


Dan moeten we helder hebben dat in het fysieke lichaam dezelfde krachten en stoffen aanwezig zijn als in de fysieke wereld buiten ons en dan dat er in het etherlijf datgene zit wat deze stoffen tot leven wekt en dat de mens zijn etherlijf met de hele plantenwereld gemeenschappelijk heeft. Het astraallijf dat de mens met de dieren gemeenschappelijk heeft, is de drager van ons gevoelsleven, van begeerten, lust en onlust, vreugde en smart.


Blz. 106


Der Astralleib ist der Schöpfer des ganzen Nervensystems, bis hinauf zum Gehirn und zu den Strängen, die in Form von Sinnesnervensträngen zum Gehirn gehen.


Het astraallijf is de vormgever van het hele zenuwsysteem, tot aan de hersenen en de strengen in de vorm van zenuw-zintuigstrengen die naar de hersenen lopen aan toe. 
GA 55/104-106
Niet vertaald


Voordracht 6, Berlijn 10 januari 1907 (zie nadere opmerkingen. N.B. dit is niet het bekende boekje met dezelfde titel, vertaald bij Pentagon): dat is een geschreven artikel uit GA 34)


Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft


De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie


Blz. 119


Ihm zeigt sich als zweites Glied im Menschen der Ätherleib, ein geistiger Or­ganismus, der wesentlich feiner ist als der physische. Er hat nichts mit dem physikalischen Begriff von Äther zu tun und wird besser nicht als ein Stoff, sondern als eine Summe von Kräften, als eine Summe von Strömungen, von Kraftwir­kungen beschrieben. Er ist aber der Architekt des aus ihm heraus kristallisierten physischen Leibes, welcher sich aus ihm herausentwickelt wie etwa das Eis aus dem Wasser. So müssen wir uns vorstellen, daß alles, was am Menschen physischer Leib, physischer Organismus ist, herausgebildet ist aus dem Ätherleib. Diesen haben wir gemeinsam mit allen lebenden Wesen, mit der Pflanzen- und Tierwelt. Er hat eine ähnliche Form wie der physische Leib, seine Form und Größe schließen sich der Form und Größe desselben an. An den unteren Teilen aber ist er verschieden, bei den Tieren ragt er weit heraus. Man beschreibt hiermit, was man als Ätherkörper kennt, etwa so, wie man einem Blinden sagt, eine Farbe ist blau oder rot. Ebensowenig wie dem Sehenden dies phantastisch erscheint, ist für den, welcher die in jedem Menschen schlummernden Fähigkeiten entwik­kelt, Phantasie in dem Beschriebenen.


( ) Het tweede deel van de mens, het etherlijf, is een geestelijk organisme, dat wezenlijk fijner is dan het fysieke. Het heeft niets te maken met het natuurkundige begrip ether en het is beter niet over stof te spreken, maar over een totaliteit van krachten, een totaliteit van wat stroomt, van krachtwerkingen. Het is echter de architect van het uit hem gekristalliseerde fysieke lichaam, dat zich uit hem ontwikkelde, zoiets als ijs uit water. Zo moeten we ons voorstellen dat alles wat aan de mens fysiek lichaam, fysiek organisme is, zijn vorm krijgt vanuit het etherlijf’. Dit hebben wij gemeen met de planten- en dierenwereld. Het heeft net zo’n vorm als het fysieke lichaam; de vorm en de grootte sluiten aan bij de vorm en de grootte daarvan. De onderste delen echter verschillen; bij de dieren bevindt het zich ver daarbuiten. Wat men als etherlijf kent, beschrijft men net zo, als wanneer men aan een blinde zegt dat een kleur blauw of rood is. Net zo min als dit voor iemand die zien kan, onzin is, zo is voor degene die de in ieder mens sluimerende vaardigheden ontwikkelt, deze beschrijving onzin.


Als drittes Glied des menschlichen Wesens erkennen wir den Astralleib, den Träger von all dem, was wir Leidenschaften, niedere und zum Teil auch höhere nennen, alles, was der Mensch an Lust und Leid, Freude und Schmerz, Begierde und Trieb in sich trägt. Der Astralkörper ist Träger auch der gewöhnlichen Gedankenwelt, der Willensimpulse. Er wird wiederum durch die Entwicklung höherer Sinne geschaut.Er umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen und Ätherleib durchsetzt. Ihn haben wir mit der ganzen Tierwelt gemein. Alles in ihm ist Bewegung, alles spiegelt sich in ihm ab, was an Gemütsbewegungen sich vollzieht. Warum hat er den Namen «Astral»? Wie


Als derde deel van het mensenwezen onderkennen we het astraallijf, de drager van alles wat wij lagere en voor een deel ook hogere hartstochten noemen, alles wat de mens aan lust en leed, vreugde en verdriet, begeerte en drift in zich draagt. Het astraallijf is de drager van de alledaagse gedachtewereld, van de wilsimpulsen. Ook dit wordt door de hogere zintuigen waargenomen. Het bevindt zich om de mens heen als een soort wolk die het fysieke en het etherlijf doordringt. We hebben het gemeenschappelijk met het hele dierenrijk. Alles is in het astraallijf beweging; alle gemoedsbewegingen spiegelen zich daarin af.  Waarom heet het ‘astraal’? 


Blz. 120


der physische Körper durch seine physischen Stoffe mit dem ganzen Erdenkörper zusammenhängt, so steht der Astralleib mit der ganzen die Erde umgebenden Welt der Sterne in Verbindung. Alle die Kräfte, die den Astralleib durchdringen und des Menschen Schicksal und Charakter bedingen, sind deshalb so benannt worden von solchen, die tief hineingeschaut haben in den geheimnisvollen Zusammenhang mit der ganzen die Erde umgebenden Astralwelt.


Zoals het fysieke lichaam door de fysieke stoffen met de hele aarde samenhangt, zo staat het astraallijf met de hele sterrenwereld die rondom de hele aarde is, in verbinding. Al die krachten die het astraallijf doordringen en het lot van de mens en zijn karakter veroorzaken zijn daarom zo genoemd door degenen die diep konden waarnemen in de mysterieuze samenhang van de astraalwereld met de hele aarde waaromheen het zich bevindt. 
GA 55/119-120
Niet vertaald


voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907


              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 


Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 133


Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei; zur Zeit des Zahnwechsels wird der Ätherleib geboren, zur Zeit der Geschlechtsreife der Astralleib.


Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; tegen de tijd van de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren, tegen de tijd van de geslachtsrijpheid het astraallijf.
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133


Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907


                   Der Irrsinn* vom Standpunkt der Geisteswissenschaf


*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.


Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 142/143


Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( ) zweitens alles das, was mit Verdauung, Wachstum, Fortpflanzung zusammenhängt. Das, was die Kristalle aufbaut, könnte auch den menschlichen Leib aufbauen, aber er wäre dann ein toter Organismus. Der Ätherleib ist der Bildner, der die Verdauungsorgane und so weiter aufbaut. Drittens Nervensystem (Gehirn und Rückenmark): sein Bildner ist der Astralleib,


We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) als tweede alles wat met vertering, groei, voortplanting samenhangt. Wat de kristallen opbouwt, kan ook het menselijk lichaam opbouwen, maar dan zou het een dood organisme zijn. Het etherlijf is de vormgever die de spijsverteringsorganen enz. opbouwt. Als derde het zenuwsysteem (hersenen en ruggenmerg): de vormgever daarvan is het astraallijf.
GA 55/ 142-143
Niet vertaald


.


Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2969-2786

.

.

.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


.


                      .