Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/2)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Geld uitgeven is geen privézaak
De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons deels — nog op onbekend terrein: wij wéten, dat onze koopgewoonten en productie van goederen en diensten beïnvloeden. En toch raken wij hier een vraag die tegenwoordig — gelukkig — steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent:

is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn?

Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid, waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen – het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien.
Als dr. Meinsma tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en mag ik hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, daar namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog een andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economische leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het ‘naschuiven’ van het verkochte goed, de verleende dienst – met productie dus en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economische leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik dus aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk, c.q. verijdel deze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumtiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust behoren te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over het koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij speciaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld.
Een Nederlander, in het bezit gekomen van eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: ‘dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik.’
Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige NV wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een er al even onschuldig uïtziende dochter, een besloten NV, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig – schuil gaat achter de neutrale post ‘deelname’ op de balans van de moeder-NV. Deposito’s, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men ‘respectabele’ redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (b.v. men moet ervan leven) of minder ‘respectabele’, of men pro- of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een ‘ich habe es nicht gewusst!’ Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet uit mogen gaan van het ‘geldautomatisme’, d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men ‘eigenlijk’ niet wil.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste ‘schenkingen’ vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking.

‘Schenkgeld is de basis voor alle geestelijke leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijs van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten ‘bij toeval’ zijn gedaan, toen men op zoek naar heel iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo’n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat dit een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk te beslissen.

Dieter Brüll, Jonas 19-09-1970
.

Deel [1]   [3]
.

sociale driegeledingalle artikelen

.

1415-1325

.

 

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-3)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Zie voor meer: 100 jaar vrijeschool (1-1)

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw publiceerde het blad Jonas met grote regelmaat over de sociale driegeleding. Ook was er een ‘Werkgroep voor sociale driegeleding’. Nu is er Driegonaal. In de schoolkranten van vrijescholen probeerde leerkrachten belangstelling te wekken voor de driegeleding en de daarbij horende vrijheid van onderwijs. Onderstaand artikel is van de werkgroep:

VRIJESCHOLEN EN DRIEGELEDING
Toen op 7 September 1919 in de zaal van de stadstuinen in Stuttgart de eerste Waldorfschool door Emil Molt (directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek en oprichter van de school) werd geopend – was deze daad niet alleen een doorbraak op pedadogisch gebied, maar tevens een direct uitvloeisel van de roerige sociale beweging, die daaraan vooraf ging.
Enige dagen voordat Rudolf Steiner op 22 april voor het eerst in het openbaar sprak over de driegeleding van het sociale organisme was in Stuttgart op bloedige wijze de algemene staking neergeslagen, waarmee men de invoering van de radenrepubliek trachtte af te dwingen. Reeds de volgende dag hield hij een indrukwekkende lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek.
Direct hierop volgde de gedenkwaardige bedrijfsvergadering met Rudolf Steiner, waarbij Emil Molt met het plan kwam om een school voor de kinderen van zijn medewerkers (klassieke arbeiders) – een fabrieksschool op te richten, en aan Rudolf Steiner vroeg hij of hij de pedagogische ontwikkeling op zich wilde nemen. Dit initiatief leidde tenslotte tot de oprichting van de Freie Waldorfschule, waar ook andere dan Waldorf Astoriakinderen werden toegelaten.
Vele lezingen over de driegeleding volgen. Hij stelt de noodzaak om de maatschappelijke knoop te ontwarren, waarin het culturele leven, het politieke rechtsleven en de economie verstrengeld zijn. Hierdoor zijn deze drie gebieden in de maatschappij niet meer te herkennen.
Daarom moet men ze leren onderscheiden en uiteenrafelen.

Het culturele leven
moet niet gekneveld worden door de economie en het politieke rechtsleven, maar zich daarvan bevrijden. Pas als het losgemaakt is van staatsbemoeienis en economische dwang kan het zich in vrijheid ontplooien, zal iedere mens zich in VRIJHEID zo volledig mogelijk kunnen ontwikkelen.

Het economisch leven
zal moeten berusten op het principe van de samenwerking tussen producent en  consument, niet op een tegenwerking of eenzijdige beïnvloeding. Via associaties tussen producten en consumenten wordt er gezamenlijk bepaald wat er geproduceerd gaat worden.

Het politieke rechtsleven
moet berusten op het principe van de gelijkheid: daar waar ieder mondig (meerderjarig) geworden mens gelijk is aan ieder ander mondig geworden mens. De rechtsstaat heeft zich niet te bemoeien met het culturele leven zélf, maar er alleen voor te zorgen dat daar de rechten verzekerd worden. Het zeflde geldt voor het economisch leven.

Over het culturele leven zegt Steiner in zijn lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek (Stuttgart, 23 apr, 1919 )\: ‘Wij moeten leren inzien, dat het geestesleven vrijgemaakt moet worden, dat het aan zichzelf moet worden overgelaten, opdat het niet meer een dienaar van de staats- en economische orde is, maar een dienaar van datgene, wat het algemene, menselijk bewustzijn aan geestesleven kan voortbrengen, opdat het geestesleven niet voor één enkele klasse bestaat, maar voor alle mensen.’

Hoewel de Bund für Dreigliederung dagelijks voorpaginanieuws was, bleek eind juli 1919 de politieke strijd om de driegeleding te mislukken. De tegenkrachten waren in het zich op een nieuwe oorlog voorbereidende Duitsland te groot, de medewerking en het begrip te klein. Een laatste poging werd gedaan om door middel van de oprichting van Waldorfscholen en het streven naar een wereldschoolvereniging de strijd voor een vrij schoolwezen en geestesleven aan zich te binden.

Opnieuw blijkt nu, 50 jaar later*, de strijd voor een vrij onderwijs urgent (zie ook  Ivan Illich “Ontscholing van de maatschappij”) En W.Heidt: “Vrije Hogescholen, model”)

Door de steeds toenemende druk van de overheid op onze cultuur, en het onderwijs in het bijzonder, is een haast onhoudbare toestand ontstaan. Het toepassen van het principe van de gelijkheid in de cultuur heeft geleid tot het instellen van: eenheidsexamens, eenheidsleerboeken, eenheidsroosters en het gelijk maken van alles, wat maar enigszins gelijk te maken is in het onderwijs. Dit alles onder het mom van gelijke kansen voor ieder individu. Dit op zich juiste uitgangspunt kan echter alleen bereikt worden bij een volledige vrijheid op cultureel gebied: VOLLEDIGE ontplooiing van de in ieder mens sluimerende capaciteiten kan pas dan bereikt worden.

Willen de vrijescholen (dit vrij wil zeggen: vrij van staatsbemoeienis, e.d.) nog enige kans behouden om hun onderwijs te geven zoals zij dat willen, en de ouders de vrijheid behouden om die pedagogie voor hun kind te kiezen, die zij van belang achten – kortom willen zij de vrijheid heroveren, die zij nu nog alleen in naam bezitten – dan zullen allen, die de vrijescholen een warm hart toedragen, zich in moeten zetten voor de totstandkoming van een ’WERKELIJK ALGEMEEN VRIJE CULTUUR, en een daarmee verbonden vrij onderwijs: ouders en leraren bepalen zelf het onderwijs, dat zij het beste vinden. Of dat nu Montessori-, Dalton-, of op antroposofische grondgedachten stoelend onderwijs is, altijd moeten zij de mogelijkheden (dus ook de financiële) kunnen krijgen. Pas dan zal IEDEREEN zich in vrijheid kunnen ontwikkelen, dus ook de Waldorfscholier.
Deze strijd voor een vrij onderwijswezen is de taak, die Rudolf Steiner de Waldorfschulen heeft meegegeven, naast en in samenwerking met de nieuwe pedagogie, die tot innerlijke vrijheid opvoedt, na het mislukken van de politieke
driegeledingsbeweging in 1919.

Hij zegt hierover op 12 oktober 1920 in Dornach: ‘Het gaat er om, dat we leren praktisch te denken en te handelen. Toen de Waldorfschool werd opgericht heb ik gezegd: De Waldorfschool is goed, maar met de oprichting ervan is er nog niets gedaan op dit (politiek vert.) gebied. Er is hoogstens een allereerste begin gemaakt, een begin van een begin. De Waldorfschool hebben wij pas echt opgericht als we in de komende drie maanden de fundamenten leggen voor tien nieuwe Waldorfscholen, enzovoort. Dan pas krijgt de Waldorfschool betekenis. Het heeft, gezien de huidige sociaal-politieke toestand in Europa, geen nut om één enkele Waldorfschool, met- vier- of vijfhonderd, of, om mijnentwil duizend leerlingen op te richten. Pas wanneer zo iets navolging vindt, als zo iets OVERAL navolging vindt, heeft dat zin. En het heeft pas zin, als het uit praktische gezindheid voortkomt.
Dit ontbreekt, als diegenen, die dwepen met de ideeën van de Waldorfschool, niet eens zoveel begrip kunnen ontwikkelen voor de noodzaak, propaganda te maken voor de van de staat onafhankelijke school, zich met alle kracht in te zetten, dat de staat de school vrijlaat.
Als u niet de moed opbrengt, de bevrijding van de school uit de macht van de staat na te streven, dan is de hele Waldorfschoolbeweging voor de poes. Want zij heeft pas zin, als zij deel uit gaat maken van een vrij geestesleven.”

Michiel Damen,  *oktober 1972

Deze uitgave werd verzorgd door;

de WERKGROEP DRIEGELEDING AMSTERDAM.
secretariaat: Valeriusstraat 80,
Amsterdam-1007
Tel.020-713730
.

VRIJESCHOOL en vrijheid van onderwijs: alle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1410-1321

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschool en driegeleding

.

VRIJE SCHOOL EN DRIEGELEDING

Artikel van Rudolf Steiner uit de jaren 1919 – 1921.

blz. 35/36

FREIE SCHULE UND DREIGLIEDERUNG

Die öffentliche Pflege des Geisteslebens in Erziehung und Schule ist in der neueren Zeit immer mehr zur Staatssache geworden. Daß das Schulwesen eine vom Staat zu besor­gende Angelegenheit sei, wurzelt gegenwärtig so tief im Bewußtsein der Menschen, daß, wer an diesem Urteil rütteln zu müssen vermeint, als ein weltfremder «Ideologe» angesehen wird. Und doch liegt gerade auf diesem Lebens-gebiete etwas vor, das der allerernstesten Erwägung bedarf. Denn diejenigen, die in der angedeuteten Art über «Wek­fremdheit» denken, ahnen gar nicht, welch eine weltfremde Sache sie selbst verteidigen. Unser Schulwesen trägt ganz besonders die Charakterzüge an sich, die ein Abbild sind der niedergehenden Strömungen im Kulturleben der gegen­wärtigen Menschheit. Die neueren Staatsgebilde sind mit ihrer sozialen Struktur den Anforderungen des Lebens nicht gefolgt. Sie zeigen zum Beispiel eine Gestaltung, die den wirtschaftlichen Forderungen der neueren Menschheit nicht genügt. Sie haben diese Rückständigkeit auch dem Schulwesen aufgedrückt, das sie, nachdem sie es den Religionsgemeinschaften entrissen, ganz in Abhängigkeit von sich gebracht haben. Die Schule auf allen ihren Stufen bildet die Menschen so aus, wie sie der Staat für die Lei­stungen braucht, die er für notwendig hält. In den Ein­richtungen der Schulen spiegeln sich die Bedürfnisse des Staates.

De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is in de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden. Dat het schoolwezen een aangelegenheid is, die door de staat behartigd zou moeten worden, wortelt tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen, dat degene die aan deze mening meent te moeten tornen, voor een wereldvreemde “ideoloog” wordt aangezien.

En toch doet zich op dit levensterrein iets voor dat de allerernstigste overweging behoeft. Want zij, die op de daarnet aangeduide wijze over wereldvreemdheid denken, vermoeden in het geheel niet, wat voor wereldvreemde zaak zij zelf verdedigen.
Ons schoolwezen in het bijzonder draagt de karaktertrekken, die de neergaande stromingen in het cultuurleven van de tegenwoordige mensheid kenmerken.
De nieuwere staatsvormen zijn met hun sociale structuur de eisen van het leven niet gevolgd. Zij vertonen bijvoorbeeld een vormgeving, die niet voldoende is voor de economische eisen van de moderne mensheid. Deze staatvormen hebben het stempel van achterlijkheid ook aan het schoolwezen opgedrongen, dat zij, nadat zij het aan de geloofsrichtingen hebben onttrokken, geheel van zich afhankelijk hebben gemaakt. In alle fasen geeft de school de mensen een zodanige vorming, als de staat voor de verrichtingen nodig heeft, die zijzelf noodzakelijk acht. De inrichting van de school is een afspiegeling van de behoeften van de staat.

Man redet zwar viel von allgemeiner Menschenbildung und ähnlichem, das man anstreben will; aber der neuere Mensch fühlt sich unbewußt so stark als ein Glied der staatlichen Ordnung, daß er gar nicht bemerkt, wie er von der allgemeinen Menschenbildung redet und eigentlich die Ausbildung zum brauchbaren Staatsdiener meint.
In dieser Beziehung verspricht die Gesinnung der soziali­stisch Denkenden von heute nichts Gutes. Man will den alten Staat umwandeln in eine große Wirtschaftsorganisation. In diese hinein soll sich fortsetzen die Staatsschule. Diese Fortsetzung würde alle Fehler der gegen­wärtigen Schule in bedenklichster Art vergrößern. Bisher steckte in dieser Schule noch manches, was Zeiten ent­stammte,

Weliswaar spreekt men veel van algemene vorming en dergelijke, waarnaar men wil streven; maar de mens van heden voelt zich onbewust zo sterk een lid van die geordende staat, dat hij helenaal niet bemerkt, hoe hij spreekt van algemene vorming en eigenlijk de opleiding tot een bruikbare staatsdienaar bedoelt.

In dit verband belooft de gezindheid van de socialistisch denkenden van heden niet veel goeds, men wil de oude staat omvormen in een grote economische organisatie. De staatsschool moet zijn voortzeting vinden in die organisatie. Deze voortzetting zou alle feilen van de tegenwoordige school op de meest bedenkelijke wijze vergroten. Tot nu toe zat in deze school nog veel,

blz. 37

in denen der Staat noch nicht Beherrscher des Unterrichtswesens war. Man kann natürlich die Herrschaft des Geistes nicht zurückwünschen, der aus diesen alten Zeiten stammt. Aber man müßte bestrebt sein, den neuen Geist der fortentwickelten Menschheit in die Schule hinein-zutragen. Dieser Geist wird nicht darinnen sein, wenn man den Staat in eine Wirtschaftsorganisation umwandelt und die Schule so umgestaltet, daß aus ihr Menschen hervor­gehen, die die brauchbarsten Arbeitsmaschinen in dieser Wirtschaftsorganisation sein können. Man spricht heute viel von einer «Einheitsschule». Daß man sich theoretisch unter dieser Einheitsschule etwas sehr Schönes vorstellt, darauf kommt es nicht an. Denn, wenn man die Schule als ein organisches Glied einer Wirtschaftsorganisation aus-gestaltet, so kann sie nicht etwas Schönes sein.

dat uit tijden stamde waarin de staat nog niet de beheerser van het onderwijs was. Men kan natuurlijk de geestesgesteldheid die uit de oude tijden stamde, niet terug verlangen. Maar men zou er naar moeten streven, de nieuwe geest van de mensheid, die zich verder ontwikkeld heeft, in de school te brengen. Deze geest zal daarin niet zijn, wanneer men de staat in een economische organisatie verandert en de school zodanig omvormt, dat mensen daaruit voortkomen die de best bruikbare arbeidsmachines in deze economische organisatie kunnen zijn. Men spreekt heden ten dage veel over een ‘eenheidsschooi”. Dat men zich theoretisch bij deze eenheidsschool iets heel moois voorstelt, daarop komt het niet aan. Want, wanneer men de school de vorm geeft van een organisch lid van een economische organisatie, kan zij niet iets moois zijn.

Worauf es der Gegenwart ankommen muß, das ist, die Schule ganz in einem freien Geistesleben zu verankern. Was gelehrt und erzogen werden soll, das soll nur aus der Er­kenntnis des werdenden Menschen und seiner individuellen Anlagen entnommen sein. Wahrhaftige Anthropologie soll die Grundlage der Erziehung und des Unterrichtes sein. Nicht gefragt soll werden: Was braucht der Mensch zu wissen und zu können für die soziale Ordnung, die besteht; sondern: Was ist im Menschen veranlagt und was kann in ihm entwickelt werden? Dann wird es möglich sein, der sozialen Ordnung immer neue Kräfte aus der heranwach­senden Generation zuzuführen. Dann wird in dieser Ordnung immer das leben, was die in sie eintretenden Vollmenschen aus ihr machen; nicht aber wird aus der heranwachsenden Generation das gemacht werden, was die bestehende soziale Organisation aus ihr machen will.

Waar het in de huidige tijd op aan moet komen, is, de school geheel in een vrij geestesleven te verankeren. Wat onderwezen en opgevoed moet worden, dat moet uitsluitend aan het inzicht in de wordende mens en zijn individuele aanleg ontleend zijn. Waarachtige antropologie moet de grondslag van de opvoeding en van het onderricht zijn. Er moet niet gevraagd worden: wat moet de mens weten en kunnen voor de sociale orde zoals die bestaat; maar: wat voor aanleg ligt in de mens en wat kan er in hem tot ontwikkeling komen? Dan zal het  mogelijk zijn steeds weer nieuwe krachten uit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voeren. Dan zal in deze orde altijd datgene leven, wat de daarin binnentredende volledige mensen uit haar maken; maar uit de opgroeiende generatie zal niet datgene worden gemaakt, wat de bestaande sociale organisatie uit haar wil maken.

blz. 38

Ein gesundes Verhältnis zwischen Schule und sozialer Organisation besteht nur, wenn der letzteren immer die in ungehemmter Entwickelung herangebildeten neuen indi­viduellen Menschheitsanlagen zugeführt werden. Das kann nur geschehen, wenn die Schule und das Erziehungswesen innerhalb des sozialen Organismus auf den Boden ihrer Selbstverwaltung gestellt werden. Das Staats- und Wirt­schaftsleben sollen die von dem selbständigen Geistesleben herangebildeten Menschen empfangen; nicht aber sollen sie, nach ihren Bedürfnissen, deren Bildungsgang vorschrei­ben können. Was ein Mensch in einem bestimmten Lebens­alter wissen und können soll, das muß sich aus der Men­schennatur heraus ergeben. Staat und Wirtschaft werden sich so gestalten müssen, daß sie den Forderungen der Men­schennatur entsprechen. Nicht der Staat oder das Wirtschaftsleben haben zu sagen: 

Een gezonde verhouding tussen school en sociale organisatie bestaat alleen, wanneer aan die organisatie altijd de nieuwe menselijke mogelijkheden toegevoerd worden die in een onafgeremde ontwikkeling hun vorming hebben ontvangen. Dat kan alleen gebeuren wanner de school en het opvoedingsapparaat binnen het sociale organisme op de bodum van eigen beheer worden geplaatst. Het staatsleven en het economische leven moeten de door het zelfstandige geestesleven gevormde mensen in ontvangst nemen; maar ze moeten niet, al naar hun behoefte, de vormingsweg van die mensen kunnen voorschrijven. Wat een mens op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen dat moet tevoorschijn komen uit de natuur van de mens. Staat en economie zullen een zodanige vorm aan moeten nemen, dat zij overeen komen met de menselijke natuur. Niet de staat of het economische leven hebben voor het zeggen:

So brauchen wir den Menschen für ein bestimmtes Amt; also prüft uns die Menschen, die wir brauchen und sorgt zuerst dafür, daß sie wissen und können, was wir brauchen; sondern das geistige Glied des sozialen Organismus soll aus seiner Selbstverwaltung heraus die entsprechend begabten Menschen zu einem gewissen Grade der Ausbildung bringen, und Staat und Wirtschaft sollen sich gemäß den Ergebnissen der Arbeit im geistigen Gliede einrichten.
Da das Leben des Staates und der Wirtschaft nichts von der Menschennatur Abgesondertes sind, sondern das Er­gebnis dieser Natur, so ist niemals zu befürchten, daß ein wirklich freies, auf sich selbst gestelltes Geistesleben wirk­lichkeitsfremde Menschen ausbildet. Dagegen entstehen solche lebensfremde Menschen gerade dann, wenn die be­stehenden Staats- und Wirtschaftseinrichtungen das Erziehungs-

zo hebben we de mensen nodig voor bepaalde arbeid; examineer daarom de mensen voor ons, die we nodig hebben en zorg er allereerst voor dat ze weten en kunnen wat wij nodig hebben; maar de geestesgeleding van het sociale organisme moet vanuit zijn eigen beheer de overeenkomstig begaafde mensen tot een zekere graad van opleiding brengen, en staat en economie moeten ingericht worden in overeenstemming met de resultaten van deze arbeid binnen de geestgeleding. Daar het leven van de staat en de economie niet iets is dat afzonderlijk is van de menselijke natuur, naar het voortbrengsel van deze natuur, daarom hoeft men nooit te vrezen dat een vrij, op zichzelf gesteld geestesleven werkelijkheidsvreemde mensen zou opleiden. Daarentegen ontstaan zulke levensvreemde mensen juist dan, wanneer de bestaande staats- en economische instellingen het opvoedings- en

blz. 39

und Schulwesen von sich aus regeln. Denn in Staat und Wirtschaft müssen die Gesichtspunkte innerhalb des Bestehenden, Gewordenen eingenommen werden. Zur Ent­wickelung des werdenden Menschen braucht man ganz andere Richtlinien des Denkens und Empfindens. Man kommt als Erzieher, als Unterrichtender nur zurecht, wenn man in einer freien, individuellen Weise dem zu Erziehen­den, zu Unterrichtenden gegenübersteht. Man muß sich für die Richtlinien des Wirkens nur abhängig wissen von Erkenntnissen über die Menschennatur, über das Wesen der sozialen Ordnung und ähnliches, nicht aber von Vorschriften oder Gesetzen, die von außen gegeben werden. Will man ernstlich die bisherige Gesellschaftsordnung in eine solche nach sozialen Gesichtspunkten überleiten, so wird man nicht davor zurückschrecken dürfen, das geistige Leben – mit dem Erziehungs- und Schulwesen – in seine eigene Ver­waltung zu stellen. 

schoolwezen van zich uit regelen. Want in staat en economie moeten de gezichtspunten ingenomen worden binnen het bestaande en gewordene. Voor de ontwikkeling van de wordende mens heeft men heel andere richtlijnen voor het denken en voor het waarnemen nodig. Men komt als opvoeder, als onderwijsgevende alleen maar goed op gang, wanneer men op een vrije, individuele wijze tegenover de op te voeden of te onderrichten mens staat. Men moet zich ten aanzien van de richtlijnen in deze werkzaamheden afhankelijk weten van inzichten in de menselijke natuur, in het wezen van de sociale orde en dergelijke maar niet van voorschriften of wetten, die van buitenaf worden gegeven. Wanneer men er ernst mee wil maken, de maatschappelijke ordening die nu geldt te doen overgaan in een ordening volgens sociale gezichtspunten, dan mag men er niet voor terugschrikken, het geestelijk leven —met het opvoe-dings- en het schoolwezen – in een eigen beheer te plaatsen.

Denn aus einem solchen selbständigen Gliede des sozialen Organismus werden Menschen hervor­gehen mit Eifer und Lust zum Wirken im sozialen Orga­nismus; aus einer vom Staat oder vom Wirtschaftsleben geregelten Schule können aber doch nur Menschen kommen, denen dieser Eifer und diese Lust fehlen, weil sie die Nach­wirkung einer Herrschaft wie etwas Ertötendes empfinden, die nicht hätte über sie ausgeübt werden dürfen, bevor sie vollbewußte Mitbürger und Mitarbeiter dieses Staates und dieser Wirtschaft sind. Der werdende Mensch soll erwachsen durch die Kraft des von Staat und Wirtschaft unabhän­gigen Erziehers und Lehrers, der die individuellen Fähig­keiten frei entwickeln kann, weil die seinigen in Freiheit walten dürfen.
In meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage in

Want uit zulk een zelfstandige geleding van het sociale organisme zullen mensen voortkomen met ijver en lust tot werkzaam zijn in het sociale organisme; uit een door de staat of door het economisch leven geregelde school kunnen daarentegen alleen maar mensen voortkomen, bij wie deze ijver en deze lust ontbreken, omdat ze als iets dodelijks de nawerking ervaren van een overheersing, die niet over hen uitgeoefend had mogen worden, voordat ze volledig bewuste medeburgers en medewerkers van deze staat en van deze economie zijn. De wordende mens moet tot volwassenheid komen door de kracht van de van staat en economie onafhankelijke opvoeder en leraar, die de individuele vermogens vrij kan ontwikkelen, omdat hij zijn eigen vermogens in vrijheid mag inzetten.
In mijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk

blz. 40

den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft» habe ich mich bemüht, zu zeigen, daß in der Lebensauf­fassung der parteimäßig führenden Sozialisten im wesent­lichen nur die nach einem gewissen Extrem getriebene Gedankenwelt des Bürgertums der letzten drei bis vier Jahrhunderte weiterlebt. Es ist die Illusion dieser Sozialisten, daß ihre Ideen einen völligen Bruch mit dieser Gedanken­welt darstellen. Nicht ein solcher liegt vor, sondern nur die besondere Färbung der bürgerlichen Lebensauffassung aus dem Fühlen und Empfinden des Proletariats heraus. Dies zeigt sich ganz besonders stark in der Stellung, welche diese sozialistischen Führer zum Geistesleben und seiner Einglie­derung in den gesellschaftlichen Organismus einnehmen. Durch die hervorragende Bedeutung des Wirtschaftslebens in der bürgerlichen Gesellschaftsorganisation der letzten Jahrhunderte ist das Geistesleben in eine starke Abhängig­keit von dem Wirtschaftsleben gekommen. 

in de levensnoodzakelijkheden van heden en toekomst” [1] heb ik mij de moeite gegeven aan te tonen, dat in de levensopvatting van de in de politieke partijen
leidinggevende socialisten eigenlijk alleen de tot een zeker uiterste gedreven gedachtenwereld van de burgerij van de laatste drie tot vier eeuwen verderleeft. Het is de illusie van de socialisten, dat hun ideeën een volledige breuk met deze gedachtenwereld betekenen. Dit is nu niet het geval, maar de bijzondere kleuring van de burgelijke levensopvatting vanuit het voelen en ondergaan van het proletariaat ligt daarin. Dit komt bijzonder sterk naar voren in de stelling, die deze socialistische leiders tegenover het geestesleven en de inpassing daarvan in het maatschappelijke organisme innemen. Door de uitspringende betekenis van het economische leven in de burgelijke maatschappelijke organisatie van de laatste eeuwen is het geestesleven in sterke mate afhankelijk van het economische leven geworden.

Das Bewußtsein von einem in sich selbst gegründeten Geistesleben, an dem die Menschenseele Anteil hat, ist verloren gegangen. Naturanschauung und Industrialismus haben diesen Verlust mit-bewirkt. Damit hängt zusammen, wie man in der neueren Zeit die Schule in den gesellschaftlichen Organismus eingliederte. Den Menschen für das äußere Leben in Staat und Wirtschaft brauchbar zu machen, wurde die Hauptsache. Daß er in erster Linie als seelisches Wesen erfüllt sein solle mit dem Bewußtsein seines Zusammenhanges mit einer Geistesordnung der Dinge und daß er durch dieses sein Bewußtsein dem Staate und der Wirtschaft, in denen er lebt, einen Sinn gibt, daran wurde immer weniger gedacht. Die Köpfe richteten sich immer weniger nach der geistigen Weltordnung und immer mehr nach den wirtschaftlichen

Het bewustzijn van een in zichzelf gegrondvest geestesleven, waar de mensenziel deel aan heeft, is verloren gegaan. De wijze van natuurbeschouwen en industrialisatie hebben dit verlies mede bewerkstelligd. Daarmee hangt dan samen hoe men in de nieuwere tijd de school in het maatschappelijk organisme heeft ingepast. De mens voor het uiterlijke leven in staat en economie bruikbaar te maken, werd de hoofdzaak. Dat hij in de eerste plaats als wezen met een ziel vervuld zou moeten zijn met het bewustzijn van zijn samenhang met een geestesordening der dingen en dat hij door dit bewustzijn-van-hem een zin geeft aan de staat en aan de economie waarin hij leeft, daaraan werd steeds minder gedacht. De koppen richtten zich steeds minder naar de geestelijke wereldordening en steeds meer naar de economische

blz. 41

Produktionsverhältnissen. Beim Bürgertum wurde dieses zu einer empfindungsgemäßen Richtung des Seelenlebens. Die proletarischen Führer machten daraus eine theoretische Lebensauffassung, ein Lebensdogma.
Verheerend würde dieses Lebensdogma werden, wenn es grundlegend sein wollte für den Aufbau des Schulwesens in die Zukunft hinein. Da in Wirklichkeit ja doch aus einer noch so vortrefflichen wirtschaftlichen Gestaltung des sozialen Organismus sich keine Pflege eines wahren Geistes­lebens, insbesondere auch keine produktive Einrichtung des Schulwesens ergeben kann, so müßte zunächst diese Ein­richtung durch die Fortführung der alten Gedankenwelt herbeigeführt werden. Die Parteien, die Träger einer neuen Lebensgestaltung sein wollen, müßten das Geistige in den Schulen von den Trägern der alten Weltanschauungen fortpflegen lassen. Da aber unter solchen Verhältnissen ein innerer Zusammenhang der heranwachsenden Generation zu dem fortgepflegten Alten doch nicht aufkommen kann, müßte das geistige Leben immer mehr versumpfen.

productieverhoudingen. Bij de burgerij werd dit tot een gevoelsmatige richting van het zielenleven. De leiders van het proletariaat maakten daaruit een theoretische levensopvatting, een levensdogma. Dit levensdogma zou verwoestend zijn, wanneer het de grondslag zou willen zijn voor de opbouw van het schoolwezen van de toekomst. In werkelijkheid kan geen economische vormgeving van het sociale organisme, al is die ook nog zo voortreffelijk, een verzorging van een waar geestesleven voortbrengen, en in het bijzonder geen productieve inrichting van het schoolwezen en daarom zou vooreerst deze inrichting door het verderdragen van de oude gedachtenwereld tot stand gebracht moeten worden.
Die partijen, die dragers van een nieuwe levensvorm willen zijn, zouden door de dragers van de oude wereldbeschouwing het geestelijke in de scholen verder moeten laten dragen en verzorgen.
Daar echter in zulke omstandigheden een innerlijke samenhang van de opgroeiende generatie met het doorgedragene oude toch niet kan ontstaan, zou het geestelijk leven steeds meer in het moeras moeten raken.

Die Seelen dieser Generation würden veröden durch das un­wahrhaftige Stehen in einer Lebensauffassung, die ihnen nicht innerer Kraftquell werden könnte. Die Menschen würden seelenleere Wesen innerhalb der aus dem Indu­strialismus hervorgehenden Gesellschaftsordnung.
Damit dieses nicht geschehe, erstrebt die Bewegung nach dem dreigliedrigen sozialen Organismus die völlige Los­lösung des Unterrichtswesens von dem Staats- und Wirt­schaftsleben. Die soziale Gliederung der am Unterrichts­wesen beteiligten Persönlichkeiten soll von keinen anderen Mächten abhängen als nur von dem an diesem Wesen mit-beschäftigten Menschen. Die Verwaltung der Unterrichtsanstalten,

De zielen van deze generatie zouden tot woestijnen moeten worden door het onwaarachtig staan in een levensopvatting, die hun niet tot een innerlijke krachtbron zou kunnen worden. De mensen zouden wezens worden met een lege ziel te midden van de uit de industrialisatie voortkomende maatschappelijke ordening.
Om dit niet te laten gebeuren streeft de beweging voor een drieledig sociaal organisme naar het volledig los maken van het onderwijs van staat en economisch leven. De sociale inpassing van de personen die aan het onderwijs deel hebben moet van geen andere machten afhankelijk zijn, dan alleen van de mensen die mede hun bezigheid vinden in dit onderwijs. Het beheer van de onderwijsinrichtingen,

blz. 42

die Einrichtung der Lehrgänge und Lehrziele soll nur von Personen besorgt werden, die zugleich lehren, oder sonst produktiv im Geistesleben sich betätigen. Jede solche Person würde ihre Zeit teilen zwischen Unterrichten oder sonstigem geistigen. Schaffen und Verwalten des Unter­richtswesens. Wer sich vorurteilslos in eine Beurteilung des geistigen Lebens einzulassen vermag, der kann einsehen, daß die lebendige Kraft, die man zum Organisieren und Ver­walten des Erziehungs- und Unterrichtswesens braucht, nur in der Seele erwachsen kann, wenn man tätig im Unterrich­ten oder sonstigem geistigen Hervorbringen drinnen steht.
Voll zugeben wird dieses für unsere Gegenwart wohl nur derjenige, der unbefangen sieht, wie eine neue Quelle des Geisteslebens sich eröffnen muß zum Aufbau unserer zusammengebrochenen Gesellschaftsordnung. Im Aufsatz «Marxismus und Dreigliederung» habe ich auf den richtigen, aber einseitigen Gedanken Engels hingewiesen: «An die Stelle der Regierung über Personen tritt die Verwaltung von Sachen und die Leitung von Produktionsprozessen.»

de inrichting van leergangen en onderwijsdoelstellingen moet alleen verricht worden door personen die tegelijkertijd onderwijs geven of anderszinds hun bezigheid vinden in het geestesleven. Iedere dergelijke mens zou zijn tijd verdelen tussen onderwijs geven of een dergelijke geestelijke  bezigheid, en het beheren van het onderwijswezen
Wie zien onbevooroordeeld vermag in te laten met een beoordeling van het geestelijk leven, kan inzien dat de levendige kracht, die men voor organiseren en beheren van het opvoedings- en onderwijswezen nodig heeft, slechts in de ziel kan groeien, wanneer men actief in het onderwijs of dergelijke geestelijke productiviteit staat. Voor onze tijd zal alleen diegene dit volledig toegeven, die onbevangen zien hoe een nieuwe bron van geestesleven open moet gaan voor de opbouw van onze ineengestorte maatschappelijke orde.
In het artikel “Marxisme en Driegeleding’ [2] heb ik op de juiste, maar eenzijdige gedachte van Engels gewezen: “Op de plaats van regeren over personen komt het beheer over dingen en de leiding van productieprocessen.”

So richtig das ist, so wahr ist das andere, daß in den gesell­schaftlichen Ordnungen der Vergangenheit das Leben der Menschen nur möglich war, weil mit der Leitung der wirt­schaftlichen Produktionsprozesse zugleich die Menschen mitregiert wurden. Hört dieses Mitregieren auf, so müssen die Menschen aus dem frei auf sich gestellten Geistesleben die Lebensantriebe empfangen, welche durch die bisherigen Regierungsimpulse in ihnen wirkten.
Zu alledem kommt noch ein anderes. Das Geistesleben gedeiht nur, wenn es als Einheit sich entfalten kann. Aus derselben Entwickelung der Seelenkräfte, aus der eine be­friedigende, den Menschen tragende Weltauffassung stammt,

Hoe waar dit ook is, even waar is het andere, dat in de maatschappelijke situaties in het verleden het leven der mensen alleen mogelijk was, omdat met de leiding van het economische productieproces tegelijk de mensen mee-geregeerd werden. Wanneer dit meegeregeerd worden ophoudt, dan moeten de mensen uit het vrij op zichzelf gestelde geestesleven de levensimpulsen ontvangen, die tot dusver in de regeringsimpulsen op hen werkten.
Bij dit alles komt nog iets anders. Het geestesleven gedijt alleen, wanneer het zich als eenheid kan ontplooien. Uit dezelfde ontwikkeling der zielskrachten, waaruit een bevredigende, de mensen dragende wereldopvatting stamt,

blz. 43

muß auch die produktive Kraft kommen, die den Menschen zum rechten Mitarbeiter im Wirtschaftsleben macht. Prak­tische Menschen für das äußere Leben werden doch nur aus einem solchen Unterrichtswesen hervorgehen, das in gesun­der Art auch die höheren Weltanschauungstriebe zu ent­wickeln vermag. Eine Gesellschaftsordnung, die nur Sachen verwaltet und Produktionsprozesse leitet, müßte nach und nach auf ganz schiefe Wege kommen, wenn ihr nicht Men­schen mit gesund entwickelten Seelen zugeführt würden.
Ein Neuaufbau unseres gesellschaftlichen Lebens muß daher die Kraft gewinnen, das selbständige Unterrichts­wesen einzurichten. Wenn nicht mehr Menschen über Men­schen in der alten Art «regieren» sollen, so muß die Mög­lichkeit geschaffen werden, daß der freie Geist in jeder Menschenseele so kraftvoll, als es in den menschlichen Indi­vidualitäten jeweilig möglich ist, zum Lenker des Lebens wird.

moet ook de productieve kracht komen, die de mensen tot goede medewerkers in het economische leven maakt. Voor het openbare leven praktische mensen zullen werkelijk alleen uit een zodanig onderwijswezen voortkomen, dat op gezonde wijze ook de drijfkrachten naar een hogere wereldbeschouwing kan ontwikkelen. Een maatschappelijke orde, die alleen dingen beheert en productieproccssen leidt, zou meer en meer op heel scheve wegen moeten komen, wanneer aan die orde geen mensen met gezond ontwikkelde zielen toegevoerd zouden worden.
Een nieuwbouw van ons maatschappelijk leven moet daarom de kracht vormen, het zelfstandig onderwijswezen in te richten. Wanneer niet meer op de oude manier mensen over mensen zouden moeten “regeren”, dan moet de mogelijkheid worden geschapen, dat de vrije geest in iedere mensenziel zo krachtig, als het in iedere menselijke individualiteit telkens maar mogelijk is, tot bestuurder over het leven wordt.

blz. 43/44

Dieser Geist läßt sich aber nicht unterdrücken. Ein­richtungen, die aus den bloßen Gesichtspunkten einer wirt­schaftlichen Ordnung das Schulwesen regeln wollten, wären der Versuch einer solchen Unterdrückung. Sie würde dazu führen, daß der freie Geist aus seinen Naturgrundlagen heraus fortdauernd revoltieren würde. Die kontinuierliche Erschütterung des Gesellschaftsbaues wäre die notwendige Folge einer Ordnung, die aus der Leitung der Produktions­prozesse zugleich das Schulwesen organisieren wollte.
Wer diese Dinge überschaut, für den wird die Begrün­dung einer Menschengemeinschaft, welche die Freiheit und Selbstverwaltung des Erziehungs- und Schulwesens energisch erstrebt, zu einer der wichtigsten Zeitforderungen. Alle anderen notwendigen Zeitbedürfnisse werden ihre Befrie­digung nicht finden können, wenn auf diesem Gebiete das
#SE024-044
Rechte nicht eingesehen wird. Und es bedarf eigentlich nur des unbefangenen Blickes auf die Gestalt unseres gegen­wärtigen Geisteslebens mit seiner Zerrissenheit, mit seiner geringen Tragkraft für die menschlichen Seelen, um dieses Rechte einzusehen.

Deze geest laat zich echter niet onderdrukken. Voorzieningen, die uit gezichtspunt van uitsluitend economische ordening het schoolwezen zouden willen regelen, zouden een poging zijn tot zo’n onderdrukking. Die zou daartoe leiden, dat de vrije geest voortdurend vanuit zijn natuurlijke oorsprong in opstand zou zijn. De voortdurende ontreddering van de maatschappelijke opbouw zou het noodzakelijk gevolg moeten zijn van een ordening, die vanuit de leiding van het productieproces rechtsstreeks het schoolwezen zou willen organiseren.
Voor wie inzicht en overzicht heeft over deze dingen, voor hem wordt de grondlegging van een mensengemeenschap, die de vrijheid en het zelfbestuur van het opvoedings- en schoolwezen met energie nastreeft, tot een van de belangrijkste eisen van de tijd. Alle andere noodzakelijke behoeften van de tijd zullen hun bevrediging niet kunnen vinden, wanneer op dit gebied het rechte niet ingezien wordt. Men heeft eigenlijk alleen de onbevangen blik nodig op de gestalte van ons tegenwoordig geestesleven, met zijn verscheurdheid, met zijn geringe draagkracht voor de mensenzielen, om dit in te zien.
GA 24/35-44
.

Vertaald door A.J. Br.-R, nadere geveens ontbreken
.

[1] GA 23
Vertaald
[2] GA 24/31

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Algemene menskunde: bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten

.

1406-1317

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid van onderwijs (1-1)

.

In 1919, op 7 september, startte in Stuttgart de eerste vrijeschool.
Dat is dus bijna 100 jaar geleden.

In 1923 begon in Nederland de eerste vrijeschool in Den Haag.
In 2023 ook een bestaan van 100 jaar!
Dat zal zeker, net als in 2019, veel publiciteit met zich meebrengen.

Je kunt er zeker van zijn dat de berichtgeving enerzijds (zeer) lovend zal zijn; maar er zullen ook negatieve en kritische opmerkingen worden gemaakt.

Bij het komende jubileum en voor mij na zoveel vrijeschooljaren, moet ik vaststellen dat één aspect van het vrijeschoolonderwijs in die 100 jaar niet is gelukt: iets van betekenis te doen of te zijn voor de sociale driegeleding – in zonderheid voor de vrijheid van het geestesleven, voor het onderwijs: de vrijheid van inrichting.

Als er iemand dit niet mij eens is, kan dat heel goed. Ik geef hier alleen mijn persoonlijke ervaringen weer. Die zullen worden gevolgd door allerlei artikelen die vooral verschenen in de jaren 1970 – 1990.

Ik wil met dit artikel vooral niet beschuldigen, niemand erop aanspreken dat er weinig tot niets voor het vrije geestesleven tot stand is gekomen. De goede wil – bij vlagen sterker aanwezig – was te zwak om tot daadkracht te komen. Dat geldt ook voor mij persoonlijk, tenslotte was ik ca. 40 jaar bij het vrijeschoolonderwijs betrokken.

De Haagse vrijeschool had tot ver in de veertiger jaren van de vorige eeuw, zonder staatssubsidie gewerkt. Dat was rond die tijd bijna niet meer vol te houden en op zeker ogenblik werd er subsidie aangevraagd en verkregen.
Maar daarmee was ‘de staat’ ook de school binnengehaald. En dus de invloed op het onderwijs.

Ook 100 jaar geleden schreef Steiner het artikel ‘Vrijeschool en driegeleding’.
Het was Duitsland net na de 1e Wereldoorlog en sommige aspecten van het leven zijn niet te vergelijken met nu.
Maar de kern van het betoog: de invloed van de staat leidt tot staatsinvloed op wat onderwijs moet zijn, is nog even actueel wanneer de staatssecretaris van onderwijs beweert dat het in het onderwijs moet gaan om ‘kenniseconomie’.

Eigenlijk onbegrijpelijk dat we zo weinig hebben gedaan met ‘de vrijheid’. Is het niet tekenend dat Steiner, een maand vóór de schoolopening het artikel ‘Vrijeschool en driegeleding’ schrijft en dat hij in de basisvoordrachten voor de vrijeschoolpedagogie, de ‘Algemene menskunde’, begint – nog vóór het over pedagogie gaat – met de ‘opdracht voor deze tijd: de driegeleding?

Op 20 aug. 1919, aan de vooravond van de cursus, zegt hij:

Schlechte Lehrziele, schlechte Abschlußziele werden uns vom Staat vorgeschrieben. Diese Ziele sind die denkbar schlechtesten, und man wird sich das denkbar Höchste auf sie einbilden. Die Politik, die politische Tätigkeit von jetzt wird sich dadurch äußern, daß sie den Menschen schablonenhaft behandeln wird, daß sie viel weitergehend als jemals versuchen wird, den Menschen in Schablonen einzuspannen. Man wird den Menschen behandeln wie einen Gegenstand, der an Drähten gezogen werden muß und wird sich einbilden, daß das einen denkbar größten Fortschritt bedeutet.

‘De staat schrijft ons slechte leerdoelen, slechte einddoelen voor. Ze zijn de slechtste die je je kunt indenken en men zal er de hoogste dunk van hebben. De politiek, het politieke leven van nu zal zich zo manifesteren dat het de mens volgens sjablonen zal behandelen, dat het veel sterker dan ooit zal proberen de mens in sjablonen te vangen. Men zal de mens behandelen als een object, een marionet, en men zal zich inbeelden dat daarmee een grote vooruitgang geboekt wordt.’
GA 293/214
Vertaald/13

Ik weet niet of de leerdoelen en de einddoelen van nu slecht zijn. Maar wat ik wel constateer is dat de verplichte leer- en einddoelen het vrijeschoolonderwijs dwingen af te wijken van wat de vrijeschool tot echte vrijeschool maakt. Of had kunnen maken.

Uit ‘vrijeschool en driegeleding’:

De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is in de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden.

Dat het schoolwezen een aangelegenheid is, die door de staat behartigd zou moeten worden, wortelt tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen, dat degene die aan deze mening meent te moeten tornen, voor een wereldvreemde “ideoloog” wordt aangezien.

In alle fasen geeft de school de mensen een zodanige vorming, als de staat voor de verrichtingen nodig heeft, die zijzelf noodzakelijk acht. De inrichting van de school is een afspiegeling van de behoeften van de staat.

Weliswaar spreekt men veel van algemene vorming en dergelijke, waarnaar men wil streven; maar de mens van heden voelt zich onbewust zo sterk een lid van die geordende staat, dat hij helenaal niet bemerkt, hoe hij spreekt van algemene vorming en eigenlijk de opleiding tot een bruikbare staatsdienaar bedoelt.

Waar het in de huidige tijd op aan moet komen, is, de school geheel in een vrij geestesleven te verankeren. Wat onderwezen en opgevoed moet worden, dat moet uitsluitend aan het inzicht in de wordende mens en zijn individuele aanleg ontleend zijn. Waarachtige antropologie moet de grondslag van de opvoeding en van het onderricht zijn. Er moet niet gevraagd worden: wat moet de mens weten en kunnen voor de sociale orde zoals die bestaat; maar: wat voor aanleg ligt in de mens en wat kan er in hem tot ontwikkeling komen? Dan zal het  mogelijk zijn steeds weer nieuwe krachten uit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voeren. Dan zal in deze orde altijd datgene leven, wat de daarin binnentredende volledige mensen uit haar maken; maar uit de opgroeiende generatie zal niet datgene worden gemaakt, wat de bestaande sociale organisatie uit haar wil maken.

Het staatsleven en het economische leven moeten de door het zelfstandige geestesleven gevormde mensen in ontvangst nemen; maar ze moeten niet, al naar hun behoefte, de vormingsweg van die mensen kunnen voorschrijven.

Wat een mens op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen dat moet tevoorschijn komen uit de natuur van de mens.

De wordende mens moet tot volwassenheid komen door de kracht van de van staat en economie onafhankelijke opvoeder en leraar, die de individuele vermogens vrij kan ontwikkelen, omdat hij zijn eigen vermogens in vrijheid mag inzetten.
vrijeschool en driegeleding
GA 24/35-44
Vertaald door A.J. Br.-R, nadere gevevens ontbreken
.

Wie voor de komende 100 jaar gezichtspunten zoekt voor ‘de kernwaarden van het vrijeschoolonderwijs’ vindt die (ook) hier:
,

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1405-1316

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/3)

.

sociale initiatieven deel 1,   deel 2

HET VERZORGEN VAN SOCIALE INITIATIEVEN

DE DIALOOG

In  het tweede artikel over het verzorgen sociale initiatieven, worden twee kanten van een organisatie beschreven, die gekarakteriseerd worden als de dag- en nachtzijde.

Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, behoren we tot de dagzijde van de organisatie. Voor zover wij als consument onze behoeften kenbaar maken en daardoor organisaties in het leven roepen en houden, behoren we tot de nachtzijde van de organisatie. Aan enkele voorbeelden universiteit, warenhuis, patiëntenkring – wordt deze polariteit duidelijk gemaakt.

De dag- en nachtzijde van de organisatie, doen steeds herinneren aan de beide stromen waaruit de organisatie ontstaan is: het vaderzaad van het initiatief dat in de moederschoot van een deel van de samenleving valt; of met andere woorden: door een vraag, een behoefte ontstaat de mogelijkheid nieuwe sociale vormen te laten ontkiemen Bij een opgroeiend kind is het van vitaal belang dat het vaderlijke en moederlijke element in de opvoeding evenwichtig verzorgd wordt. Het sleutelwoord hiervoor is de dialoog tussen degenen, die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren, waarmee het kind in zijn ontwikkeling geholpen kan worden. Ook bij het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten en sociale initiatieven, gaat het om de dialoog.

De dialoog tussen vader en moeder
Het hart van de vijf dialogen die ik zal beschrijven is die tussen de initiatiefnemers en degenen die een vraag gesteld hebben, de afnemers, abstracter geformuleerd tussen producent(en) en consument(en). Hier doet zich een eindeloze variatie aan vormmogelijkheden voor, al naar gelang het ‘productie-proces’ waar het om gaat, een leerproces (bijvoorbeeld een school), een genezingsproces (bijvoorbeeld een gezondheidscentrum), een verzorgings-proces (bijvoorbeeld de horecasector), een transportproces (bijvoorbeeld het openbaar vervoer) of een productvoortbrengingsproces (bijvoorbeeld een fabriek), is. Ook worden die vormvariaties bepaald door de vraag óf en hóe degenen, terwille waarvan de organisatie in het leven is geroepen, aanspreekbaar zijn. Dat kan erg verschillend zijn in verband met leeftijd (kleuterklas), hun geestelijke toestand (zwakzinnigeninrichting), hun lijfelijke aanwezigheid (winkel), of hun onbekendheid (massagoederen fabriek). Dat maakt dat de dialoog soms plaats moet hebben met ouders, plaatsvervangende instanties, vertegenwoordigersgroepen, steekproefpersonen en dergelijke.

Op al deze vormen van associatief overleg kan hier niet ingegaan worden. Wel zal ik nog wijzen op een drietal verschillend-soortige relaties die zowel producent als consument tot de betreffende institutie kan hebben. Ik zal dit toelichten door middel van het overleg tussen ouders en leraren rondom een school. Er zijn leraren die primair in hun vak geïnteresseerd zijn, zij richten zich volledig op het pedagogisch handwerk en op de kinderen. Hun bewustzijn houdt bij wijze van spreken op, bij de muren van de klas. Het gebeuren in de school als geheel en het doen en laten van de collega’s om hen heen, interesseert hen alleen voorzover ze er last van hebben of iets nodig hebben voor hun klas.

Anderen proberen de school als sociaal organisme in hun bewustzijn te krijgen en nemen taken op zich die de institutie als totaliteit helpen verzorgen en ontwikkelen. Zij proberen organisatievormen te scheppen die dienstbaar zijn aan het pedagogisch gebeuren in de klas.

Ook zijn er leerkrachten die naar de school proberen te kijken als een orgaan van een schoolbeweging, die als geheel een vernieuwingsimpuls betekent in het onderwijsbestel. (Er zijn natuurlijk ook leraren denkbaar die alleen in geld geïnteresseerd zijn. Die wil ik buiten beschouwing laten).
Het zinvol op elkaar afstemmen van deze drie dimensies wordt ernstig bemoeilijkt, wanneer deze over wezenlijk verschillende groepen verdeeld zijn, wanneer bijvoorbeeld de groep die de tweede dimensie behartigt als directie, niet meer als leraar in de ervaringswerkelijkheid van de eerste dimensie staat, en wanneer de groep die de derde dimensie verzorgt als bestuur niet meer de realiteit van het schoolgebeuren als organisatie kent. Natuurlijk moet er differentiatie zijn. De affiniteit tot een van de drie dimensies zal ook verschillen per persoon en leeftijdsfase, maar de essentie van school-zelfbestuur is toch wel dat alle drie dimensies (mede)bemand worden door praktiserende leerkrachten, of omgekeerd dat alle leerkrachten ook een taak(je) vervullen in de tweede en derde dimensie.
Ik beschrijf deze geleding daarom zo uitvoerig, omdat het bewustzijn daarvoor van vitaal belang is voor een vruchtbaar overleg tussen producent en consument. Het overleg rondom de school ziet er totaal anders uit wanneer daaraan van ‘producentenzijde’ geen politieke bestuurders en bureaucratische schoolleiders deelnemen, maar mensen die de tweede en derde dimensie verzorgen vanuit een verankering in het basisproces in de school: het werken met de kinderen.
Aan de kant van de consument, in dit geval van de ouders, vinden we ook een dergelijk verschil in oriëntatie. Er zijn ouders die alleen in het ‘product sec’ geïnteresseerd zijn, in casu hun kind en wat daarmee en daaraan in de klas gebeurt. Wanneer er een schoolfeest is, informeren ze hoe laat hun Pietje op het toneel verschijnt en dan komen ze even kijken.
Dan zijn er ouders die geboeid raken door de school als geheel, en dan ook bereid zijn taken op zich te nemen die met de school als organisatie te maken hebben.
En dan zijn er ouders die zich bewust worden van het feit dat door deze school heen een pedagogische impuls werkt, die in feite een maatschappij vernieuwende betekenis kan hebben.

Voor een vruchtbare dialoog tussen de dagzijde en de nachtzijde van een organisatie is het van belang te beseffen dat aan beide zijden een zekere differentiatie in bewustzijn aanwezig zal zijn, dat deze verschillende oriëntaties ook hun recht van bestaan hebben en, zonder ze moreel te waarderen, alle drie hun betekenis voor het overleg hebben.

De dialoog binnen de vadergroep
Van heel andere aard is de dialoog, tussen degenen die zich als productie-werkers samen verantwoordelijk voelen voor het initiatief. Dit overleg uiterlijk van belang ten behoeve van interne coördinatie. De essentie is echter, dat men door dit overleg zicht krijgt op de individuele impulsen en intenties van de werkers. De biografie van het initiatief wordt in hoge mate bepaald door de persoonlijke biografieën van de medewerkers, hun onderlinge lotsrelaties, hun al dan niet openstaan voor inspiraties en dergelijke. Maar evenzeer kan die ontwikkeling geremd worden door het gebrek aan zicht op totaal verschillende impulsen en intenties die binnen de groep werkzaam zijn, door onopgeloste lotsverwikkelingen, door gefixeerde beelden die men van elkaar heeft en die de communicatie blokkeren. Een aantal van de aan het begin van dit artikel genoemde draken zullen in dit overleg, object van strijd moeten zijn.

3. De dialoog tussen de moedergroepen
Zoals we in de vorige dialoog dieper in de dagzijde van de organisatie zijn binnen gedrongen, betekent de dialoog tussen de moedergroepen een verdere ontwikkeling van de nachtzijde. Slechts schaarse aanzetten zijn daarvan in de praktijk aanwijsbaar. Het gaat om het volgende. Elke institutie heeft zijn eigen taak en zijn eigen omgeving. Maar de omgevingen overlappen elkaar en de grenzen tussen die taken kunnen vervagen. Ouders van een school ontmoeten elkaar gedeeltelijk weer als patiënten van een gezondheidscentrum, ze ontdekken dat ze voor een ander deel tot de klantenkring van een zelfde winkel behoren, weer andere ouders blijken elkaar terug te vinden als gebruikers van dezelfde plaatselijke bibliotheek. En in het contact met de school ontdekken al die ouders ook dat de taak van de school niet te vangen is in een pedagogisch hokje, maar dat er grensovergangen zijn naar het medische, naar de voeding, naar architectuur (een schoolgebouw!), naar boeken verkopen of uitlenen en zo meer.

En zo komt er overleg op gang tussen de omgevingsgroepen van gespecialiseerde organisaties teneinde de ‘producties’ van al die instituties op zinvolle wijze in relatie tot elkaar te brengen, en de behoeftes van al die omgevingsgroepen op elkaar af te stemmen. Aanvankelijk wellicht ‘bilateraal’ tussen de ene groep en de andere, maar langzaam uitgroeiend tot een associatief netwerk van gebruikersgroepen-relaties.

4. De dialoog met de vadergeest
Wanneer een initiatief zijn kracht ontleent aan geestelijke inspiratie dan moet de relatie tot die bron verzorgd worden. Die verzorging kan in werkelijkheid het karakter van een dialoog krijgen. Een innerlijk gesprek met de geestelijke werkelijkheid waaruit de initiatieven stammen. Primair is dat een individuele aangelegenheid. Maar het is ook van belang dat een groep die verantwoordelijkheid voor een initiatief draagt zich gezamenlijk tot die bron wendt. Het gaat bij die dialoog eigenlijk helemaal niet meer om de institutie.

Niets van instituutsbelang of vakgerichtheid dringt in deze dialoog meer door. Het gaat om de relatie tot de vadergeest als zodanig. Alleen de verantwoordelijkheid, die relatie te willen verzorgen kan de dialoog een waardige inhoud geven.

5. De dialoog met de aarde-moeder
Het is niet zo moeilijk om je voor te stellen hoe de dialoog tussen de moedergroepen, hoe het associatieve vlechtwerk van consumentenoverleg, langzaam uit kan groeien tot een dimensie waar verantwoordelijkheden ontstaan voor maatschappelijke velden, voor bevolkingsgroepen, voor een buurt, een wijk, een regio. Wat we als karikatuur kennen in het werk van beroepsmatige politici wordt dan verankerd in reële situaties en reële verantwoordelijkheden van kconcrete mensen. Langzaam zal deze dimensie zich kenbaar moeten maken als die van de mensheid. Iets daarvan kondigt zich reeds aan doordat we ons bewust worden van het feit dat we met z’n allen op één aarde leven, dat we die met elkaar moeten verzorgen en dat wij dank zij het aarde-burgerschap, een economisch leven hebben dat ons de mogelijkheid geeft behoeftes te hebben, van elkaar afhankelijk te zijn, elkaar te verzorgen. Daarom is deze laatste dialoog, hoewel ze helemaal politiek-maatschappelijk gekarakteriseerd kan worden, in feite een dialoog met de aarde.

Tot zover een aanduiding van het dialoog-organisme dat zich ontwikkelt door het verzorgen, van sociale initiatieven. De weerstandskrachten waardoor dit proces zich voltrekt, hebben we in het begin beschreven in het beeld van twaalf draken. Het is te begrijpen dat de tegenkrachten krijgsraad houden, want het gaat bij sociale initiatieven en het verzorgen daarvan om niet minder dan om een totaal nieuwe verbinding van het masculine en het feminine in onze cultuur, om bewust zowel in de dagzijde als in de nachtzijde van het sociale organisme te kunnen staan. Uit de verbinding van die twee, uit het door de mensen heen verbinden (re-ligere) van de vadergeest met de moeder-aarde, worden wij scheppers van een nieuwe kosmos, een sociale kosmos, een mensheidsorganis-me. Christus is de drager van dit mensheidsorganisme. Het scheppen van nieuwe sociale vormen is het bouwen van een tempel waarin de mensheidsgeest kan leven. Zoals de individuele mens de vruchten van zijn aardeleven aanbiedt aan zijn hogere Ik. Zo kunnen groepen van mensen het verzorgen van sociale initiatieven beleven als het aandragen van bouwmateriaal voor deze nieuwe tempel.

Lex Bos, Jonas 17 20-04-1979

Sociale initiatieven (1)

Sociale initiatieven (2)

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs
.

1403-1314

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1)

.

DE KWALITEITEN VAN GELD

In Jonas* 23[ artikel niet op deze blog] werd het een en ander weergegeven omtrent het onderwerp ‘zakgeld’. Omdat ik met vier kinderen daaraan ook zo het een en ander meegemaakt heb voel ik mij gelukkig daarover in het kader van dit artikel niet te hoeven schrijven. Dat terrein is naar mijn ervaring vol voetangels en klemmen – voor de ouders wel te verstaan. Of zou het ook voor de kinderen het geval zijn? Wanneer we in die richting wat dieper willen graven lijkt het een goede zaak om enerzijds bij het kind, anderzijds bij het geld een aantal kenmerken naar voren te halen, die bij deze aangelegenheden niet zo vaak aan de orde komen. Wanneer we het opgroeiende kind waarnemen kunnen we daarbij de volgende fasen van ontwikkeling onderscheiden, die elkaar ten dele opvolgen, maar ook ten dele overlappen.

0-7 jr
De vroegste fase – tot ongeveer het zevende jaar – is die van het kennismaken met, het zich oriënteren op de ruimte om je heen.
Het is als het ware een voortdurend geven en nemen – vaak met de nadruk op het laatste – een bijzonder actieve wisselwerking. Alles is in beweging, nog open voor indrukken, aftastend, verkennend maar ook verwerkend, je eigen makend.

7 – 14 jr
Daarna komt een fase, waarbij de andere mens zich meer vanuit de omgeving gaat aftekenen. Het omgaan met je leeftijdsgenoten maar ook met ouderen en jongeren ga je als een nieuwe te verkennen wereld ervaren. Dat gaat dan gepaard met veel botsingen en ook de eerste genegenheid, liefde voor die andere mens.
Rond de puberteitsjaren komt dan de vraag bij je op naar jezelf, wie je bent of wilt zijn en welke idealen in jezelf leven, wat je je van het leven straks gaat voorstellen. Al veranderen die idealen vaak nog aanmerkelijk, ze zijn toch, als je jaren later op die periode terugkijkt de voedingsbodem geweest voor vele impulsen, die in je levensloop naderhand opduiken en je handel en wandel in het leven bepalen.

GELD
Wanneer we nu naar het geld kijken en ons afvragen wat dat voorstelt, welke rol het in ons leven speelt dan stoten we alras op een drietal kwaliteiten, die we in ons taalgebruik met betrekking tot geld min of meer bewust hanteren.

De eerste kwaliteit is die van het stromen. In onze taal spreken we van geld dat stroomt. Je hebt ook geld als water en als je geluk hebt, weet je een geldbron aan te boren.

Een tweede kwaliteit is die van het uitdrukken van een verhouding. We spreken dan van iets dat tot gelding komt, zich laten gelden. Het zelfstandig naamwoord geld wordt dan een werkwoord! Het heeft dan ook een sociaal, juridisch karakter: je kunt zeggen dat iets niet geldt, geldig is.

Een derde kwaliteit vinden we in een aantal zegswijzen, maar vooral ook sprookjes, waarin wordt geduid op het (a)morele aspect van geld, afhankelijk van degeen, die er mee omgaat. Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is. Geld-goud-geweten. In vele sprookjes wordt dat thema uitvoerig behandeld. Het is de moeite waard aandacht te schenken aan het feit dat veelvuldig in sprookjes, mythen en legenden waar zeer diepe spirituele zaken aan de orde zijn als een welhaast onafscheidelijke dubbelganger het geld, het goud of de schat genoemd worden.

Grimm: de sterrendaalders (153)

Ook in het Nieuwe Testament in de Evangeliën speelt het geld – men denke aan de tollenaars, het geld van de keizer, de wisselaars in de tempel en de dertig zilverlingen van Judas – voortdurend mee.

Wanneer we deze drie kwaliteiten van geld naar het dagelijks leven toe vertalen kan het volgende beeld ontstaan.

KOOPGELD
Het stromende geld neemt in onze maatschappij het karakter aan van koopgeld, geld dat als ruilmiddel en waardemeter wordt gehanteerd bij koop en verkoop van goederen en diensten. In dat proces circuleert het geld, we spreken dan ook van een geldcirculatie.

LEENGELD
Het geld gaat een verhouding weergeven wanneer er sprake is van schulden en vorderingen, die in geld worden uitgedrukt. Deze ontstaan wanneer er enerzijds geld gespaard, anderzijds geleend wordt. Boekhoudkundig verzeilen we dan in de dubbele boekhouding met een belans als staat van schulen en vorderingen. Deze ‘gestalte’ van geld ontstaat, wanneer ik besluit niet te kopen of te verkopen maar dat uitstel, in de tijd vooruitschuif. Het is boeiend, dat juist dan in het weergeven van schulden en vorderingen steeds relaties, verhoudingen tussen mensen aan de orde zijn! Je kunt hier spreken van spaar/leengeld of nog beter: leengeld.

SCHENKGELD
Ten slotte is er de mogelijkheid om geld te schenken aan anderen. Het betekent, dat een ander de vrije beschikking krijgt over wat hij of zij met dat geld wil doen of laten. Er is bij schenken geen relatie met de ander: voorzover die er nog is kan nog niet van een vrije beschikkingsmogelijkheid gesproken worden. Dat betekent echter wèl, dat wanneer je geld tot je vrije beschikking krijgt het helemaal van jezelf afhangt wat er dan kan gaan gebeuren. Er is dan een moment waarbij je helemaal op jezelf bent aangewezen. Het morele aspect zal dan een rol gaan spelen.

Terug naar het kind in ontwikkeling.
De eerste ontdekking, die een kind met geld kan doen is dat je er iets voor kunt kopen. Voorzover ik mij kan herinneren had dat vooral betrekking op toverballen, zuurstokken en dergelijke. Drop komt ook veel voor, maar ik hield daar niet van. We zullen allemaal wel met een cent, stuiver of dubbeltje in ons knuistje de eerste gang naar de winkel gemaakt hebben om iets te kopen. Ook in de geschiedenis kan worden nagegaan dat de oudste gebruiksvorm van geld die van ruilmiddel en waardemeter is geweest.

Alras komt dan de spaarpot ons leven binnen wandelen, al dan niet met ruggesteun van banken, die daar brood in zien. Vaak ervaren we, dat die spaarpot wat te vroeg komt. Het kind is nog helemaal niet in de sfeer van sparen, telt voortdurend de inhoud van het spaarvarken en vraagt zich af, wat je daarvoor zou kunnen kopen.

Naar mijn ervaring komt het echte sparen – in de zin van het appeltje voor de dorst of sparen met een bepaald doel voor ogen – pas veel later, rond de puberteit aan de orde. De spaarpot wordt dan ook al gauw vervangen door een spaarrekening bij een of andere bank. Het lenen gaat dan ook een rol spelen, vaak in de vorm van voorschotten op nog te sparen centjes. Die voorschotten hebben zoals menig ouder heeft ervaren vaak een wat wankel karakter. Bij tijd en wijle moet er gesaneerd worden en wordt er kwijtgescholden, geschonken.

Het schenken komt, voorzover ik heb kunnen waarnemen, vóór de volwassen leeftijd nog niet erg bewust aan de orde. Wel in de vorm van de eerste zélf gefinancierde cadeautjes, maar zelden in direCte overdracht, schenken van geld.

Ook bij de vorige twee varianten – kopen en sparen – is er als het ware sprake van een oefenen in droogzwemmen. Immers de ouders besturen dit proces nog bijkans volledig. Bij kopen en sparen is daarvoor oefenstof te over. Met schenken is dat veel moeilijker. Misschien is het – zonder daarmee te moraliseren – een goede zaak om kinderen rond het volwassen worden een inzicht te geven in één van de nog steeds grootste stromen van schenkingsgeld in onze samenleving: die van de opvoeding van kinderen. Misschien kan dan ook zichtbaar worden hoe belangrijk het is, dat die schenking naar de toekomst gezien steeds meer bewust een vrije schenking moet blijven. Daarin ligt immers de mogelijkheid besloten om zich als vrij individu te ontplooien tot aan de volwassen leeftijd toe.

Zou deze mogelijkheid worden afgegrendeld en vervangen door enigerlei staatsverzorging dan gaat die vrijheid – we kunnen dat elders in de wereld waar zoiets wordt en werd geprobeerd vrij goed nagaan – per definitie verloren en wordt deze vervangen door de verzorgingsstaat die als anonieme bureaucratie op basis van al dan niet democratisch en politiek genomen meerderheidsbesluiten, vaststelt wat goed voor ons is.

Met opzet heb ik vermeden om de geschetste kwaliteiten van geld en de ontwikkelingsfasen van het kind systematisch te koppelen.

Ik geloof, dat omgaan met geld voor ieder kind samen met ouders een eigen, telkens weer nieuwe ontdekkingstocht zal zijn. Bepaalde voorschriften zijn dan ook mijns inziens niet realistisch. Slechts twee uitersten zou ik willen noemen.

In vroegere, maar ook huidige tijden kwam en komt het voor, dat bij de opvoeding geld als iets minderwaardigs, ‘vies’ wordt afgedaan. Ik meen, dat daarmee aan het kind in zijn ontwikkeling iets heel belangrijks wordt onthouden: de mogelijkheden om mede aan de hand van omgaan met geld zelf iets van zijn omgeving, van anderen en zichzelf te ontdekken.

Het spiegelbeeld komt ook voor: ‘het geld speelt geen rol’. Waar geld als het ware in de drie genoemde kwaliteiten een maatschappelijk stukje vrijheid (van keuze, van verhouding of van ideaal) betekent valt dan het fundament van die vrijheid, de verantwoordelijkheid weg. Zowel het een als het andere zijn hoekstenen van een zich evenwichtig ontwikkeld bewustzijn van een mensenkind. Juist het geld als ‘spiegelbeeld’ van je daden kan daarbij een heel belangrijke rol spelen. In onze welvaartssamenwerking is juist de verantwoordelijkheid gaandeweg naar de achtergrond geschoven. Vrijheid wordt dan willekeur en verspilling, heden ten dage vrij algemene verschijnselen.

Ten slotte: het heeft mij altijd verbaasd, dat in de school in de hoogste klassen geen of nauwelijks aandacht wordt geschonken aan het bewust omgaan met geld. Naast het aanleren van administratieve technieken en daarbij behorende inzichten zou het behandelen van kwaliteiten van geld in verband met ons handelen voor de komende levensloop van de leerling van bijzonder groot belang kunnen zijn. Hier ligt voor de leraren van vrijescholen een nog zeer belangrijk terrein open! Ik heb geprobeerd om in dit artikel geen afgeronde visies te geven. Daargelaten of dat zou kunnen en of ik daartoe in staat ben, meen ik, dat het wellicht beter is om een aantal gedachten en beelden aan te reiken waarmee iedere lezer kan doen wat in zijn of haar beleveniswereld van belang lijkt te zijn. Daarbij zou het wellicht vruchtbaar zijn om in plaats van elkander gedachten voor te schrijven of (ongevraagde) adviezen te geven, veeleer ideeën en ervaringen uit te wisselen. Dit artikel wil daarin een bijdrage zijn.

Rudolf Mees, Jonas 24, 01-08-1980

*Jonas – een tijdschrift voor sociale en individuele bewustwording – verscheen in de jaren ca 1970 – 1995.
.

sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1401-1312

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/2)

.

Dag- en nachtzijden van organisaties

Het verzorgen van sociale initiatieven   (2)

In het eerste artikel over het verzorgen van sociale initiatieven wordt beschreven hoe de mens onvrij wordt door de begeerte-opwekkende en wilsverlammende krachten, die vanuit de maatschappij op hem inwerken.

De uitdrukking ‘sociaal initiatief’’ bevat eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid: ‘initiatief’ duidt op een sterke ik-betrokkenheid, ‘sociaal’ zegt meer over het betrokken zijn op anderen, op de omgeving.

Door het nemen van sociale initiatieven, gericht op de behoeften, die in de omgeving leven, kan de mens een vrije daad stellen, vanuit de geest tot handelen komen.

Talrijke weerstandskrachten – ze worden als 12 draken ten tonele gevoerd – belagen deze jonge initiatieven. Het is daarom van belang ze zorgzaam te behoeden, te begeleiden. Alleen dan kan het bewustzijnsproces – waarin de initiatiefnemers met hun ideeën de omgeving bevruchten plaatsvinden, zodat nieuwe sociale organismen (consumentenkringen, scholen, therapeutica etc.) tot leven gewekt worden en kunnen gaan groeien.

We zijn gewend organisaties te beschrijven in termen van het zichtbare productiecentrum (fabriek, school, kantoor, ziekenhuis), waar mensen werken in min of meer georganiseerd verband aan een product of dienstverlening. Er wordt veel intelligentie en wakkerheid aangewend, om alles in van te voren bepaalde rationele banen te laten verlopen. De mensen die in de organisatie werken, verwerven er een inkomen en zijn aanspreekbaar op concrete verantwoordelijkheden.

Is daarmee het verschijnsel organisatie uitgeput? Dat dit niet het geval is, blijkt bijvoorbeeld uit ontwikkelingen in opleidingsinstituten. Daar rijst de vraag: ‘Horen de consumenten bij de organisatie?’ In een universiteit zijn de ‘afnemers’ van het onderwijsproces de studenten. Het interessante van dit type organisatie is dat het zijn afnemers in huis heeft. Moderne opvattingen over inspraak en samenwerking hebben tot het inzicht geleid dat de afnemers – in dit geval de studenten – een wezenlijk deel van de organisatie vormen. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat zij – naast onderwijzend en technisch-administratief personeel – zitting hebben in de Hogeschool Raad. Nu is de relatie van een organisatie tot degenen in wier behoefte zij voorziet, zeer verschillend al naar gelang het type organisatie. Een school heeft dagelijks al zijn afnemers een keer binnenshuis. Voor een gezondheidscentrum geldt ook dat de afnemers bekend zijn (kaarsysteem van ingeschreven patiënten), maar de arts weet nooit wie er ’s morgens in de wachtkamer zal zitten. Slechts een klein deel van de patiënten treedt af en toe uit het duister naar voren in het licht van de behandelkamer. Voor een producent van tijdschriften zijn de lezers op papier bekend, maar ze worden eigenlijk nooit zichtbaar als personen. Voor een warenhuis is het klantenbestand een anonieme massa, die zich weliswaar in het centrum kenbaar maakt, maar waarvan de identiteit alleen door steekproeven en statistieken enigszins achterhaald kan worden. Voor producenten van massagoederen is de consument extreem anoniem en onzichtbaar. De spullen komen via groothandel en detaillist op de markt in binnen- en buitenland. Toch is er geen enkele reden, om in al deze gevallen de consument niet wezenlijk tot het levende organisme van de onderneming te rekenen. Waarom de studenten wel en de gebruikers van diensten en de kopers van producten niet?

Wanneer we dit deel van de organisatie trachten te beschrijven dan beschrijven we iets in de periferie, dat als het ware onzichtbaar om het producerend centrum heenligt; iets dat als distributiesysteem vanuit de producent gezien, wel een zekere organisatiegraad heeft, maar vanuit het feitelijke consumentengedrag beschreven, een vaak amorf, onvoorspelbaar beeld vertoont zonder veel bewustzijn, zonder veel verantwoordelijke binding aan de producent, de dienstverlener, de winkelier. We hebben twee aspecten van het organisatiewezen gekarakteriseerd in de woord-paren:

. zichtbaar – onzichtbaar.
. georganiseerd – amorf
. centraal – perifeer
. mensen verant- – mensen in
woordelijk               vrijblijvende
gebonden                 relatie
. wakend – slapend
. producerend – consumerend
. initiërend – receptief
. antwoord – vraag
. manlijk – vrouwelijk

We zouden de polariteit die we hier trachten aan te duiden, misschien het meest kernachtig kunnen omschrijven door te zeggen dat de organisatie een dagzijde en een nachtzijde heeft. Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, horen wij tot de dagzijde van die organisaties. Wij voelen ons dan in ons waakbewustzijn aangesproken. Voor zover wij als consumenten door onze koopdaad, door onze vraag, door het kenbaar maken van behoeften, organisaties in het leven roepen en houden, behoren wij tot de nachtzijde van die organisaties.

Dat feit dringt nauwelijks tot ons bewustzijn door. Wij zijn in dat gebied nog slapend. Zoals mensen overdag in hun fysieke lichaam ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn, en zich daarvan bewust zijn, terwijl zij ’s nachts, wanneer zij vrij van hun lichaam zijn, door elkaar heen leven en weven, zonder daar bewust van te zijn, zo zijn de dagzijden van ondernemingen ruimtelijk gescheiden als zichtbare instituties en organisaties, terwijl de nachtzijden van al die organisaties in en door elkaar leven. Bedenk eens hoeveel mensen daar kopend, diensten gebruikend, goederen verslijtend door elkaar heen leven en van hoeveel verschillende organisaties zij daardoor de onbewuste nachtzijde vormen!

Wanneer in de mensengemeenschap steeds meer tot werking komt, wat als kracht in de menselijke ziel leeft, wanneer de maatschappij zich steeds meer vormt door zich te spiegelen aan de mensenziel, dan moeten we in de mens zelf het oerbeeld vinden van het verschijnsel dat sociale organismen een centrale, zichtbare dagzijde en een perifere onzichtbare nachtzijde, hebben. We komen hiermee op een van de meest centrale hoofdstukken uit Steiners antroposofie. Dat is het onderwerp over de dubbele verschijningsvorm van het Ik. Steiner beschrijft dit als volgt. Het hogere Ik van de mens bereidt zich in het voorgeboortelijk leven voor op een volgende incarnatie. Het doet dit enerzijds door voor zichzelf een sterfelijk lichaam te scheppen waarin het op aarde kan leven, anderzijds door een omgeving uit te zoeken waarmee het in wisselwerking kan treden. Ongeveer tot het derde jaar werkt dit hoger Ik nog direct in de fysieke omhulling, dan trekt het zich terug in de geestelijke wereld. Het laat op aarde z’n afspiegeling achter. Dit aardse Ik kan zich bewust worden van zijn dag- en nachtzijde. Van de dagzijde is sprake als wij met ons waakbewustzijn Ik zeggen tegen wat wij in onze fysieke constitutie, in onze levenskrachten, in onze zielenkwaliteiten met ons meedragen als omhulling van dit Ik. Van de nachtzijde is sprake als wij met ons intuïtieve nachtbewustzijn langzamerhand Ik leren zeggen tegen datgene wat als lot uit de periferie op ons afkomt, aan wensen, aan vragen, aan weerstanden, aan uitdagingen, aan grenzen. Het Ik verschijnt zichtbaar centraal in de fysieke gestalte, het maakt zich onzichtbaar perifeer kenbaar in het op ons toekomende lot. Het mensen-ik verschijnt in een dag- en een nachtzijde, in een vrouwelijk vragende bedding en in een manlijk-actieve stroom die daarop antwoordt.

Wat er geboren wordt aan nieuwe vermogens en nieuwe ervaringen in de wisselwerking tussen de dag- en de nachtzijde van het Ik, tussen de dagbewuste mens en wat er uit het duister van het lot op hem afkomt, dat is de vrucht van deze incarnatie, dat is het geesteskind dat door de dialoog van het vader-ik en het moeder-ik verwekt is. Dat geesteskind wordt na de dood, als het fysieke lichaam is afgelegd en het aardse lot tot een einde is gekomen, aan het hogere Ik, wachtend aan de drempel, aangeboden.

Dit oerbeeld van de incarnatie van de mens als geesteswezen in de aardse werkelijkheid vinden we weerspiegeld in het verschijnsel dat wij eerder beschreven: nieuwe sociale vormen die ontstaan doordat het vaderzaad van het initiatief valt in de moederschoot van een deel van de samenleving, of wel doordat de vragende leegte van een behoefte de mogelijkheid schept om deze behoefte op creatieve wijze te bevredigen. Zo ontstaan sociale vormen, organisaties die in hun dag- en hun nachtzijde voortdurend herinneren aan de twee stromen waaruit zij ontstaan zijn.

Deze beschouwing kan ons helpen dieper in te gaan op de vraag wat het verzorgen van sociale initiatieven eigenlijk inhoudt, of beter uitgedrukt: het verzorgen van hetgeen als resultaat van sociale initiatieven in de wereld is gezet.

Voor het opgroeiende kind is van vitaal belang het pedagogisch klimaat dat de vader en moeder om het kind heen creëeren, of meer algemeen gezegd: dat ontstaat doordat het vaderlijk en het moederlijk element in de opvoeding evenwichtig verzorgd worden. Het sleutelwoord daarvoor is de dialoog. In de dialoog tussen diegenen die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren waarmee het kind in z’n ontwikkeling geholpen kan worden. Wanneer we nu op zoek gaan naar deze dialoog-kwaliteit daar waar het gaat om het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten van sociale initiatieven, dan springen een vijftal dialogen in het oog.

Ik wil deze artikelen eindigen in Jonas 17 door deze vijf in concreto te beschrijven.

Lex Bos, Jonas 16, 06-04-1979\

.
Sociale initiatieven [1]     [3]

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1389-1300

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding- sociale initiatieven (5-1/1)

.

Het is Michaëlstijd. Er zullen weer veel draken ten tonele worden gevoerd: in de verhalen, bij de feesten, als drakenbrood.
Maar na Michaël zijn ze niet verdwenen. Zijn ze dat ooit wel? Zolang ze niet uit ons verdwenen zijn niet, vrees ik.

In 1979 publiceerde Lex Bos in Jonas een artikel over wel liefst 12 draken die de kop(pen) strekken waar initiatieven worden genomen (nieuwe vrijescholen!), waar men gewend raakt aan idealen (oude vrijescholen) enz.
Nog altijd actueel!

De subsidie-, uitbestedings-organisatie-splijtzwam-narcissus-sekte-expansie-solo-routine-model-haast-projectiedraak:

DE TWAALF DRAKEN

HET VERZORGEN VAN SOCIALE INITIATIEVEN

Wanneer we naar het maatschappelijk gebeuren om ons heen kijken, naar ons zelf in de maatschappij en naar de krachten die vanuit de samenleving op ons inwerken, dan is het niet moeilijk onderkennen naar welke kant die krachten kunnen werken. Zij willen ons omlaag trekken naar het niveau van het arbeids- en het consumptiedier, naar een leefwijze waarbij ons gedrag bepaald wordt door begeertekrachten van binnen uit en anonieme systeemfactoren van buitenaf (de bureaucratie, de organisatie e.d.): kortom de onvrije mens die in zijn handelen niets meer van zichzelf terug vindt.

Wie tot het inzicht is gekomen dat elke menselijke ontwikkeling zich voltrekt áán en dankzij weerstanden, zal bij de boven geschetste situatie direct de vraag stellen: ‘Waartoe daagt het me uit, wat kan ik voor positiefs aan die weerstand ontworstelen, welk ‘goed’ ligt achter dit ‘kwaad’ verboren?’ Ik heb de indruk dat deze begeerte-opwekkende en wilsverlammende werkingen ons voortdurend de vraag stellen: ‘Kun jij vanuit je ik, een vrije daad stellen, kun je vanuit de geest tot handelen komen, kun je werken in de maatschappij vanuit een idealisme dat je niet is meegegeven als jeugdideaal, maar waartoe je je zelf hebt opgewerkt, dat je zelf hebt veroverd. Kun je van daaruit handelen?’

Zo’n uitdaging heeft met andere woorden, te maken met het nemen van sociale initiatieven. Niet alleen mensen kunnen genezen en zich verder ontwikkelen door het nemen van sociale initiatieven, ook voor de samenleving hebben ze de betekenis van gezondmakende krachten.

Nu bevat de uitdrukking ‘sociaal-initiatief’ eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid. Wanneer we aan een initiatief denken, dan bedoelen we daar iets mee wat uit de meest individuele kern van onze persoonlijkheid stamt. Het is niet zo maar gedrag, het is een initiatief. En dat betekent dat ik er een zeer persoonlijke, wellicht ethisch-geladen relatie toe heb.
Door het voorvoegsel ‘sociaal’ duid ik op iets heel anders. Ik denk dan aan onzelfzuchtigheid, georiënteerd zijn op anderen, gericht zijn op de behoeften die in mijn omgeving leven.
Ik denk dat het begrip sociaal-initiatief daarom zo paradoxaal is, omdat de essentie van de vrije daad erin verscholen ligt. Het tot levensrealiteit maken van een paradox, het uit eigen kracht overbruggen van een inwendige tegenstelling doet de vrije mens langzaam in ons geboren worden. Juist omdat het nemen van sociale-initiatieven zo’n tweeslachtige aangelegenheid is, (we zullen verderop zien hoe letterlijk we dit woord tweeslachtig mogen nemen) kunnen we vermoeden dat het naar zijn karikatuur omslaat, dat het bedreigd is door tegenkrachten. Gelukkig kunnen we in onze directe omgeving vele maatschappij-vernieuwende, sociale initiatieven waarnemen. Een aantal daarvan heeft een korte levensduur; ze hebben weinig innerlijke substantie. Met veel elan begonnen, blijkt het enthousiasme toch een strovuurkarakter te hebben. Misschien komt het, omdat het idealisme dat dit handelen doordringt nog niet veroverd, maar geschonken is. Een jeugdidealisme dat nog geen kern heeft, maar zich voortbeweegt op de natuurlijke draaggolf van de maatschappijkritische wereldverbeteringsimpuls die elke gezonde adolescent eigen is.
Anders wordt het voor diegenen die, misschien na een aantal desillusies, zichzelf een weg gebaand hebben tot inspirerende, dragende ideeën, en vanuit deze ideeën tot eigen idealisme komen, dat wil zeggen een door de geest gedragen aards handelen. Zulke initiatieven kunnen stootkracht hebben en tot kiemen worden voor wezenlijke sociale vernieuwingen.
Wie ervaring heeft met zulke initiatieven, weet dat hij daarbij eigenlijk met iets heiligs omgaat. Hij voelt zich vanuit een andere wereld geïnspireerd. Hij beleeft ziin initiatief als een kind dat hij ter wereld moet brengen. Langere tijd kan hij zich zwanger voelen van een in hem groeiend initiatief. Tot het kind geboren wordt en het initiatief sociale werkelijkheid wordt.

Juist omdat onze tijd dergelijke initiatieven dringend nodig heeft, liggen de weerstandskrachten, waardoor we juist onze initiatiefkracht ontwikkeld hebben, overal op de loer om het initiatief te ontkrachten. De apokalyptische tijd waarin wij leven, roept het beeld op van de maagd die het kind wil baren en de draak die klaar ligt om het te verslinden.

Onze initiatief-babies worden door vele draken en draakjes belaagd. Warme en koude, slim-intelligente en krachtig-brutale. Ik wil er een aantal beschrijven. Ik put daarbij uit ervaringsmateriaal van de afgelopen zeven jaar, opgedaan met het werk bij TRIODOS, een stichting die ‘geboorte-en ontwikkelingshulp’ biedt bij sociale-initiatieven, zoals: scholen, therapeutica, landbouwbedrijven, speelgoedfabriekjes, winkels, theehuizen, uitgeverijen, laboratoria, opleidingsinstituten, verdeelcentra e.d. Honderden initiatieven hebben we in die zeven jaar in hun biografie kunnen volgen.

Hele legers van draken en draakjes hebben we in aktie zien komen om de initiatief-baby’s en dito-kinderen te verslinden, maar waar dat niet lukte, werden ze daardoor gelouterd, versterkt en eerst recht sociaal vruchtbaar gemaakt.

Ik wil nu deze drakenfamilie de revue laten passeren. Het zullen er 12 blijken te zijn. Maar laat niemand daar wat achter zoeken, want er zijn er zeker meer te vinden. Ik beschrijf ze in een willekeurige volgorde.

1. De subsidiedraak
Iedereen die een initiatief-baby bij gebrek aan geldmiddelen bijna heeft zien sterven, kent de verleidende gedachte van ‘als er eens een erfenis van een ton uit de lucht kwam vallen… Dan konden we alle zorgen aan de kant zetten.’ Het ergste wat een initiatief kan overkomen is dat die ton er inderdaad komt. van een douarière. uit een postzegelfonds. via een subsidiepot. Het ontslaat de initiatiefnemers van de moeizame schenkgeldacties. Maar wat is de vitale betekenis van warm schenkgeld voor de incarnatie van een initiatief? Het verplicht de initiatiefnemers in vele toonaarden tegenover veel verschillende mensen te verwoorden wat ze eigenlijk willen met het initiatief. Dat helpt hen om het initiatief uit de vaak onbewuste intuïtieve diepten omhoog te trekken in het bewustzijn. Door de schenkgeldacties krijgt het initiatief zijn menselijk-concrete omhulling. En als het schenkgeld uitblijft, is dat misschien een teken dat het initiatief nog niet geboorterijp is, of wellicht helemaal geen bestaansrecht heeft.
Die ton die uit de hemel komt vallen maakt een moeiteloze vroeggeboorte mogelijk, maar kan het opgroeiende kind voor lange tijd ernstige ontwikkelingsproblemen meegeven.
Dit is pas werkelijk het geval wanneer aan een royale startsubsidie aanvankelijk geen beperkende voorwaarden zijn verbonden, maar bij volgende
ondersteuningsaanvragen (die vaak noodzakelijk zijn omdat geen eigen geldcircuits zijn aangezet) de condities geleidelijk strenger worden. Men zwemt dan een subsidiefuik binnen, waaraan het einde het initiatief onherkenbaar verminkt is.

2.De uitbestedingsdraak
Er zijn weleens mensen die hele schone, goede en ware ideeën hebben, die dringend op realisering wachten, maar zelf hebben zij er geen tijd voor. Zij kijken zo naar initiatieven, dat zij daarbij een soort taakverdeling zien: de lui met de brillante ideeën en anderen die ze tot uitvoering moeten brengen.
Natuurlijk kunnen mensen geïnspireerd worden door ideeën van anderen en van daaruit tot zelfstandige initiatieven komen. Daar is niets tegen. De delegatie-draak ligt echter op de loer, wanneer degeen die de inspirerende idee had, een soort eigendomsrecht blijft claimen en hij degenen die hij voor de realisering van de idee heeft aangezocht, voortdurend aanwijzingen blijft geven hoe zij moeten handelen. In een latere fase van een initiatief mag een zekere differentiatie tussen ‘denkers en doeners’ noodzakelijk zijn, de geboorte van een nieuw initiatief heeft de kwaliteit van het offer, van de volledige identificatie, van het zelf (als drager van de idee) concreet ervaren van de weerstandskrachten nodig, die bij de realisering moeten worden overwonnen. Want in die confrontatie ontstaat het zicht op de volgende stap. Deze ziet er vaak heel anders uit, dan degeen die met zijn schone idee aan de zijlijn is blijven staan, theoretisch uitgedacht heeft.

3. De organisatiedraak
Sommige initiatieven worden in hun ontwikkeling sterk gehinderd, doordat er in een te vroeg stadium al allerlei organisatorische, juridische, procedurele en structurele beddingen zijn bedacht, waarin de initiatiefstroom moet vloeien. In de levende werkelijkheid ontstaat de structuur vanuit de beweging, schept de stroom z’n eigen bedding. Wie wijzer wil zijn dan het leven, wie beddingen bedenkt uit theoretisch-rationele overwegingen, in plaats van te kijken naar het leven zelf dat genoeg indicaties geeft over welke bedding het nodig heeft, die zou zijn initiatief in de kiem kunnen smoren.

4.De splijtzwamdraak
Het komt de laatste tijd nogal eens voor dat groepen ouders elkaar vinden, uit onvrede met het gewone onderwijs. Zij horen dat elders door groepen ouders vrijescholen zijn opgericht en besluiten ook zoiets te doen. De splijtzwamdraak zorgt ervoor, dat deze ouders pas na de oprichting van de school ontdekken dat hun initiatief door de meest verschillende impulsen wordt gevoed. Sommige ouders willen gewoon een alternatief onderwijs zonder zich daarbij erg veel concreet voor te stellen; anderen hebben een bepaald democratiseringsmodel in hun hoofd; weer anderen denken aan iets Montessori- en Daltonachtigs, en misschien is er ook een aantal dat heel duidelijk vanuit een antroposofisch mensbeeld, een echte vrijeschoolpedagogiek wil.
Wanneer de school nog niet is opgericht, kan de initiatiefgroep door een proces van loutering gaan tot het initiatief een duidelijke identiteit heef.t De
splijtzwamdraak zorgt ervoor dat de verschillen pas ná de oprichting ontdekt worden en dan werken deze als een vernietigende splijtzwam die de initiatiefgroep en de school van binnenuit kapot maakt, of het geheel ontkracht tot een kleurloos compromis.

5.De narcissusdraak
Een groep mensen kan verliefd worden op hun eigen initiatief. Ze zijn zo vervuld van hun eigen ideaal, van hun verantwoordelijkheid de wereld daar gelukkig mee te maken, van de spirituele gedachten die zij als een machtige bovenbouw aan hun weten toe te voegen dat zij de sociale werkelijkheid waarin hun idealen tenslotte moeten landen, niet meer waarnemen. Goethe zei eens: ‘Das Auge soll nicht begehren’, want dan ziet het alleen zijn eigen begeerte en niet de werkelijkheid zelf. Zo is het ook met een initiatief. Men kan er zo van vervuld zijn, dat er eigenlijk sprake is van realiseringsbegeerte. Die begeerte vertroebelt de waarneming. De initiatiefnemers hebben daardoor niet in de gaten dat de weerstanden waarmee zij vechten door henzelf zijn opgeroepen. Zij hebben dat gedaan door tegen de stroom in te roeien. Zij hebben eenvoudig niet gezien welke richting de werkelijkheid hun wees. Doordat ze zo van hun ideaal vervuld zijn en doordrongen van de noodzaak het te verwerkelijken, gaan ze er steeds fanatieker ‘tegen aan’. Hun offers worden steeds groter, de krampachtigheid waarmee ze te werk gaan ook.
In het extreme geval kan men zich voorstellen hoe zulke lieden tegelijk met hun initiatief ten grave worden gedragen…

6.De sektedraak
Initiatieven die geboren worden uit een duidelijk aanwijsbare inspiratiebron zijn een dankbaar object voor de sektedraak. Initiatieven uit antroposofische bron zijn zo’n dankbaar object. De sekt-draak probeert te bereiken dat biologisch-dynamische landbouw, alleen gezien wordt als middel tot verantwoord voer voor geestverwanten; vrijescholen zijn dan scholen voor antroposofenkinderen en een antroposofische boekhandel wordt to een ‘clubwinkel’. En zelfs als er bijvoorbeeld op een school allerlei kinderen van niet-antroposofische ouders komen, omdat de kinderen of de ouders dat willen, dan zorgt de sektedraak ervoor dat de school zich maatschappelijk isoleert. Ze probeert lastige wetgeving te ontduiken of te omzeilen en alleen voor zichzelf een zo gunstig mogelijke situatie te bereiken. Ze voelt zich niet mede verantwoordelijk voor een gezondmaking van het onderwijswezen in Nederland, ze probeert ook geen uitstraling te bereiken in de eigen omgeving door zich bijvoorbeeld mede verantwoordelijk te weten voor het lokale sociale leven. Zij isoleert zich van haar omgeving. Deze draak treedt meestal pas in een later stadium van ontwikkeling op. In het begin mag een pasgeboren initiatief zich nog wat afzonderen en z’n eigen ‘elitaire’ omgeving kiezen. Wanneer het initiatief uitgroeit en dieper incarneert in de maatschappelijkekelijkheid waar het ondanks alles toch deel van uitmaakt, zal het zich voor deze omgeving mede verantwoordelijk moeten voelen. Wanneer het zich daar in sekteachtige zelfgenoegzaamheid niets van aantrekt, zal de maatschappij zich op den duur van dit initiatief niets aantrekken en er bijvoorbeeld bureaucratisch over heen walsen.

7. De expansiedraak
Initiatieven kunnen zo ‘an der Zeit’ zijn dat ze bedreigd worden door een overmatige groei. De klanten overspoelen de winkel, de kinderen stromen naar de school, de patiënten puilen de wachtkamer uit. De initiatiefnemers voelen zich verantwoordelijk tegenover deze snelgroeiende vraag, maar ook wel bevestigd doordat de buitenwereld hun initiatief zo honoreert.
En wat ligt meer voor de hand dan uitbreiden, investeren, groeien?
Doch kan men deze groei ook kwalitatief bemannen, zullen de organisatorische vormen adequaat mee veranderen? Als de expansiedraak z’n zin krijgt groeit het initiatief zich zelf stuk. Door gebrek aan substantie verliest het z’n identiteit en door gebrek aan organisatie verliest het z’n samenhang.

8. De solodraak
Er zijn initiatieven die het meest bedreigd worden door de pionier zelf. Het initiatief is goed en brillant. Het slaat aan en komt goed van de grond. Maar dat betekent, dat zich er meer mensen mee willen en moeten verbinden, om het toenemende aantal taken te bemannen en om het initiatief voor eenzijdigheid te vrijwaren. Maar de pionier verdraagt het eigenlijk moeilijk dat anderen zich mede verantwoordelijk willen opstellen. Hij schermt zijn initiatief af, verdraagt niet dat anderen er eigen kleuren aan toevoegen, kan zich eigenlijk ook niet voorstellen dat hij echt iets zou kunnen overlaten aan anderen zonder voortdurend te moeten ingrijpen.
En zo blijft hij alleen. Goede mensen lopen weg. Tweederangs meelopers blijven. Het initiatief blijft aan hem plakken. En omdat het zich niet van z’n vaderfiguur kan los maken, zal het ook met de vader van het toneel verdwijnen. ..

9.De routinedraak
Echte initiatieven zijn altijd in conflict met de gewone werkelijkheid. Juist omdat ze vernieuwing betekenen, zullen ze op verzet stuiten bij het gangbare. Zolang het initiatief nog niet werkelijk geïncarneerd is, zullen de initiatiefnemers veel tijd kunnen besteden aan het verzorgen van de realisatie tot de bron, waaruit zij de kracht en de moed putten om de strijd aan te gaan.
Maar op het moment dat een initiatief incarneert gaat de aardezwaarte van de fysieke wereld werken. In concreto betekent dat: rompslomp, veel tijd verliezen met knullige dingetjes regelen, weerstanden overwinnen, eindeloos vergaderen om onnodige misverstanden op te lossen, tijdrovende administratie, zwakheden van mensen etc.
Het heilige vuur van het begin gaat verloren, de oorspronkelijke impuls wordt vergeten, de vleugelslag van de inspirerende ideeën wordt niet meer gehoord. Langzaam sluipt de routine binnen. En wanneer de bron niet meer vloeit, gaat de initiatiefkracht verloren. Niet de vernieuwende geest leidt het handelen, maar de gewone werkelijkheid die we juist wilden overwinnen.
Initiatief-wil is afgegleden tot aangepast gedrag.

10.De modeldraak
Niet iedereen is in staat om open te staan voor de levende geest. Onze mogelijkheden om met geestelijke wezens in contact te treden reikt veelal niet verder dan daar, waar deze levende bruisende geest zich in ideeën openbaart. Maar daar is ze al gestold, en op dat punt slaat de modeldraak zijn slag. Hij maakt gebruik van onze angst voor het levend-dynamisch geestgebeuren en laat onze initiatieven een ongevaarlijke ankerplaats vinden in het model. Het realiseren van het model wordt tot doel.
Vanuit dit model worden voorstellingen ontwikkeld hoe de werkelijkheid eruit moet zien. Het doet niet ter zake, of dit nu een driegeledingsmodel, een schoolmodel, een opleidingsmodel of communemodel is; het gaat erom dat de initiatiefnemer terzijde treedt en het model, het dogma, de conceptie tot autoriteit verheft. Van daaruit wordt de levende werkelijkheid vervormd tot ze past in het model.

11.De haastdraak
Zoals kinderen er negen maanden over doen om geboorte-rijp te worden, zoals ziektes een incubatietijd hebben, zo hebben ook initiatieven een rijpingstijd nodig. Het initiatief innerlijk met je meedragen, er in kleine kring over praten, luisteren naar wat de nacht je ’s morgens te vertellen heeft, letten op wie het lot in die ‘verwachtingstijd’ je weg laat kruisen, dat hoort allemaal bij de adventstijd van een initiatief.
De haastdraak blaast ons in dat we daar geen tijd voor hebben, dat het zelfs niet verantwoord is langer te wachten, dat zich nu een eenmalige gelegenheid voordoet een pand te kopen.
Kortom: wie aan de toekomst wil bouwen moet aan de slag gaan en niet zitten navelstaren. Zo ontstaan de onrijpe vroeg geboortes die spoedig sterven. ..

12. De projectiedraak
Het realiseren van initiatieven is een harde scholingsweg voor de betrokkenen. Er vindt een voortdurende confrontatie plaats met eigen onvermogens. Het initiatief vraagt – vaak onvermoede – vaardigheden en vermogens, soms van vaktechnische aard, soms van sociale, communicatieve aard, soms van morele, conceptuele aard. Die moeten verzorgd worden. Niet alleen de ontwikkeling van het initiatief moet verzorgd worden, ook de eigen ontwikkeling vraagt aandacht.
Wie dat niet wil zien, wie tegen dat stuk werk opziet, wie de confrontatie met zichzelf niet aandurft, is een willig object voor de projectiedraak. Alle problemen die ontstaan omdat de initiatiefnemers niet hard genoeg aan zichzelf werken, worden dan weggeprojecteerd naar buiten: de collega’s, de medewerkers, de organisatie, het gebrek aan middelen, de overheid en zo meer. De oplossingen voor deze problemen worden gezocht in methodes, procedures, reorganisaties, meer financiële middelen e.d. En zo gaat het initiatief langzaam ten gronde, omdat de initiatiefnemers dachten dat ze naar buiten iets konden ontwikkelen zonder daarbij zelf innerlijk in beweging te komen en blijven.

Tot zover een rondgang in de drakengalerij
Ze liggen allemaal op de loer om het initiatiefkind dat gebaard is, vroeger of later te verslinden. Daarom moeten sociale initiatieven behoed, bebakerd en verzorgd worden; zoals men kinderen na de geboorte niet aan hun lot overlaat, maar ze gedurende een lange periode begeleidt tot ze op eigen benen kunnen staan, zo is dat ook met initiatieven. Vandaar de titel van dit artikel ‘het verzorgen van sociale initiatieven’.
We willen in het vervolg van dit artikel ons bezig houden met de vraag wat dit verzorgen feitelijk inhoudt.
We hebben pratend over initiatieven veelal in menselijke analogieën gepraat: bevruchting door een idee, zwanger zijn van een initiatief, een plan geboren laten worden, een institutie door z’n kinderziektes heen helpen, op eigen benen plaatsen e.d..
Laten we dit beeld eens letterlijk durven nemen. Hoe ziet dat er bij initiatieven uit met de vader en de moeder, hoe verloppt de conceptie, wat betekent het zwanger zijn?
Wanneer een initiatiefnemer, een pionier geïnspireerd wordt door een idee lijkt het duidelijk hoe we deze gebeurtenis moeten vertalen in termen van het geboortebeeld. De geestelijke wereld is de bevruchtende vader, de pionier is de ontvangende moeder. Hij is nu zwanger van een initiatief, dat een tijd later het daglicht zal zien. Het beeld is net zo onwaar als wanneer men in het plantenrijk over bevruchting spreekt bij het gebeuren tussen stuifmeelkorrel en stempel. In zijn pedagogiekvoordrachten heeft Rudolf Steiner de leerkrachten in vele toonaarden erop gewezen dat men de kinderen in verwarring brengt wanneer men spreekt over vader- en moederplanten en bijtjes die helpen bij de bevruchting. Het is een onwaar beeld zegt hij. Stuifmeel en stempel hebben natuurlijk hun betekenis in het totale proces van zaadvorming. Maar bevruchting, in de zin van het leggen van een kiem voor nieuw leven, vindt pas plaats als het zaad in de aarde valt, wanneer de moederschoot van de aarde het bevruchtende zaad van de plant-vader in zich opneemt. Dat beeld is een waar beeld.
We wenden de blik nu weer terug naar het thema van de sociale initiatieven. In het begin sprak ik erover dat deze uitdrukking eigenlijk paradoxaal is: aan de ene kant het sterk ik-betrokken karakter van het initiatief, wakker handelen vanuit een verbinding met een werkzame idee. Aan de andere kant de sociale betrokkenheid van het initiatief, als het ware inslapend in de omgeving om de wezenlijke behoefte van de anderen te ervaren. Speelt de eigenlijke bevruchting zich niet af tussen de initiatiefnemers en hun omgeving? De vragende, verwachtingsvolle, behoeftige omgeving laat zich bevruchten door het zaad van een initiatief. En wanneer die vraag van een groep ouders stamt kan de initiatief-bevruchting leiden tot de geboorte van een school. Stamt ze van patiënten dan kan er een medisch centrum worden geboren, komt ze van consumenten dan kan een winkel het levenslicht zien.

Lex Bos, Jonas 14, 09-03-1979
.

Sociale initiatieven [2]     [3]

Sociale driegeleding: alle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Michaëlalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

1384-1295

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-1)

.

In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw publiceerde het blad Jonas met grote regelmaat over de sociale driegeleding. Ook in de vrijescholen leefde het onder een grote groep leerkrachten veel meer dan nu het geval lijkt te zijn.

Ik durf wel te stellen dat de idee van vrijheid als deel van deze driegeleding nauwelijks nog leeft in de vrijeschoolorganisatie.

De eerste zinnen van dit artikel staan in de tegenwoordige tijd, maar….

Vrijheid en onderwijs

Scholen als autonome onderwijsinstellingen

Centraal in de opvatting van de vrijeschoolpedagogie staat het begrip vrijheid. Een begrip dat veel misverstanden kan oproepen. In onderstaand artikel zet Dik Crum onder meer uiteen wat vrijescholen onder vrijheid verstaan.

Dik Crum

Elke school representeert, of men zich daarvan nu bewust is of niet, bepaalde mens- en -maatschappijopvattingen. In een tijd van voortdurende maatschappelijke veranderingen is het noodzakelijk dat in het onderwijsveld als geheel, maar zonder twijfel ook in de scholen afzonderlijk, een helder inzicht
bestaat in het verband tussen de inrichting van de eigen school en de grondslagen van de samenleving waarin deze school een maatschappelijke opgave vervult. Slechts hierdoor kan een bewuste keuze worden gemaakt ten aanzien van de bijdrage aan de maatschappelijke ontwikkelingen.

Een van de belangrijkste vragen voor het onserwijs is hierbij de keuze tussen een kindgerichte of een maatschappijgerichte aanpak. Gaat het de school om een mens-gerichte oriëntatie, om een vrije en onbelemmerde ontplooiing van het kind of om een pragmatische opleiding tot maatschappelijke bruikbaarheid, wat dit ook moge inhouden?

De veel gehoorde tegenstelling: ‘de school is van de maatschappij…’ tegenover: ‘de school is van het kind… ’ wordt in de vrijescholen gezien als een onvruchtbare polarisatie. Toch wordt in de vrijeschool een sterk accent gelegd, waarschijnlijk zelfs sterker dan in andere vormen van onderwijsvernieuwing, op de kindgerichte aanpak van het onderwijs. Juist hierin wordt de maatschappelijke bijdrage gezien, zowel feitelijk als ideëel. De vraag rijst, hoe dit met elkaar valt te rijmen.

Ontmoeting van generaties
In de antroposofische geesteswetenschap wordt het leven van de mens vóór de geboorte als realiteit gezien. Opeenvolgende generaties verschillen duidelijk van elkaar. Met name de jeugd die sinds het midden van deze eeuw werd geboren onderscheidt zich bijna nog sterker dan voorheen van voorgaande generaties.
Deze verschillen worden in de vrijeschool in samenhang gezien met het leven, dat vóór de geboorte is doorgemaakt. Het inzicht dat de jonge mens niet als een onbeschreven blad op aarde komt, doch zijn voorgeschiedenis met zich meebrengt – als generatiegenoten bovendien een gezamenlijke voorgeschiedenis – is bepalend voor de ontmoeting van leraar en leerlingen. Hierbij is vooral de overweging van belang, dat jongere generaties, wanneer zij de scholen bevolken, de impulsen voor de maatschappelijke werkelijkheid, die hun eigen werkelijkheid zal zijn als zij volwassen zijn geworden reeds in zich dragen. Impulsen namelijk, die zij hebben meegenomen uit het gezamenlijk doorgemaakte leven in de geestelijke wereld vóór de geboorte.
Vanuit dit inzicht is gedurende het lesgeven in de school de aandacht niet slechts gericht op de bestaande maatschappij buiten het schoollokaal, – dus met name op de leerstof – maar tevens op de impulsen en het eigene van de kinderen zelf. Wat uit het verleden in de kinderen nawerkt en reeds in kiem gericht is op verwerkelijking in een toekomstige maatschappij, moet zich in de kinderen gedurende de lessen meer en meer kunnen ontplooien. Het onderwijs wordt hierdoor in breed perspectief gezien als een ontmoeting van generaties die beide van elkaar kunnen leren. Voor de kinderen gaat het daarbij vooral om zelfontplooiing in de ontmoeting met de leraar en de leerstof. Van centrale betekenis is het, dat de eigenheid en de individualiteit van de kinderen wordt gerespecteerd. Het kan er in de vrijeschool nooit om gaan een conditionerende en beperkende invloed uit te oefenen of alleen maar de inhouden, normen en waarden van de huidige maatschappij voort te zetten. Bij het leerproces van de leraar gaat het in de ontmoeting met de leerling om andere leerdoelen. Vragen zoals: wat is het specifiek eigene van deze groep leerlingen; wat is hun eigenlijke vraag; waar liggen de ontwikkelingsbehoeften en hoe kunnen zij daarin worden ondersteund? staan daarbij centraal. De poging tot beantwoording van dergelijke, vaak niet eenvoudige vragen kan voeren tot een dieper contact, tot een ‘gesprek’ met de leerlingen, waarin zich een ontmoeting van generaties kan spiegelen, dergelijk leerproces kan tevens een aanknopingspunt zijn om een aspect van het vraagstuk van de prenatale existentie nader te onderzoeken. In de antroposofische wetenschap wordt dit immers niet opgevat als een dogmatische geloofsovertuiging, doch als een aanname die wetenschappelijke verificatie behoeft.

De kluwen van de huidige maatschappij
In de door Rudolf Steiner beschreven opvattingen over de samenleving, wordt onderscheid gemaakt tussen drie maatschappelijke gebieden: het geestelijk-culturele gebied, het rechtsgebied en het economische gebied. De samenleving wordt daarbij gezien als een mondiaal, levend sociaal organisme. Deze drie gebieden worden daarom respectievelijk als het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven aangeduid.

In de huidige maatschappij blijven de activiteiten die op ieder van deze gebieden worden plooid niet beperkt tot dit gebied zelf. Het economische gebied bijvoorbeeld, waar het vooral gaat om het produceren, het verhandelen en het consumeren van waren, strekt zijn invloed onmiskenbaar uit op het rechtsgebied en op het geestelijk culturele vlak. Ook het rechtsleven zelf echter oefent via de wetgeving verstrekkend zijn invloed uit op het economische en het culturele gebied, terwijl vanuit het geestelijk-culturele leven getracht wordt om invloed uit te oefenen op het economische gebied en het rechtsgebied. Het geheel vormt een soort kluwen; alles hangt met alles samen.

In deze kluwen is het onderwijs in Nederland opgenomen als een deel van het geestelijk-culturele leven van de maatschappij. Door de verknoping van de drie gebieden is in het Nederlandse schoolwezen de invloed van de overheid, die op grond van politieke belangenbehartiging het rechtsleven vertegenwoordigt, naast de invloed uit het economische gebied doorslaggevend.

In de maatschappij-opvatting die aan de vrijescholen ten grondslag ligt, gaat het om het ontwarren van deze kluwen. Niet zozeer om ideologische, als wel om praktische redenen. In de antroposofische visie op de toekomst van de maatschappij wordt een samengaan bepleit van het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven in onderlinge afstemming, zonder beslissingsbevoegdheid of machtsuitoefening buiten het eigen gebied. De invloed van rechtsleven en overheid op het schoolwezen veroorzaakt, dat het onderwijs in Nederland en in Europa ten aanzien van de meeste aspecten als staatsonderwijs kan worden aangemerkt. De invloed van het economische leven komt in meerdere opzichten tot uiting. Een van de belangrijkste is wel, dat de maatschappelijke opgave van onderwijs en opvoeding staat in het teken van de toekomstige beroepsuitoefening. Kenmerkend voor de opzet van de vrijeschool is dat overheersing van onderwijs en opvoeding door het economische leven en door een politieke overheid onjuist wordt geacht. De algehele inrichting en opzet hangen nauw met dit uitgangspunt samen. Voor een goed begrip van de samenhang van de vrijescholen met de antroposofische visie op de maatschappij is het nodig om eerst nader in te gaan op de gevolgen van zowel de invloed van overheid en politieke besluitvorming als van de economie op het onderwijs.

Gevolgen
Het onderwijs wordt in Nederland door de rijksoverheid gefinancierd. De middelen daar toe worden door de Nederlandse bevolking niet geschonken of vrijwillig bijeengebracht, maar door de overheid als een collectieve belasting geïnd. Voor de besteding van deze gemeenschapsgelden is de overheid verplicht tot parlementaire verantwoording. Deze verantwoording heeft daarbij de vorm aangenomen van garanties voor de omvang en de kwaliteit van de onderwijsvoorzieningen, die door middel van stringente voorschriften voor de inrichting aan alle onderwijsvormen worden opgelegd. Waar deze voorschriften in strijd bleken met de bekende grondwettelijke vrijheid van onderwijs, zijn zij – bijvoorbeeld voor het bijzonder onderwijs – geformuleerd als voorwaarden voor het accepteren van de overheidssubsidie. Het gevolg van deze situatie is een onontkoombare uniformiteit van het onderwijs. Deze is onontkoombaar, omdat het beheer over het totale schoolwezen wordt gevoerd door een rechtsstaat, die – op zichzelf terecht – op het principe van de gelijkheid is gebaseerd. Het beheersapparaat voor de toewijzing van subsidiegelden en voor de inspectie op de naleving van de onderwijswetten is door de wetgever zelf in het leven geroepen. Indien het gelijkheidsbeginsel in het overheidsapparaat daarom zou worden losgelaten, zou de rechtsgrondslag voor alle onderwijsvoorzieningen komen te vervallen. Dit gelijkheidsbeginsel vormt de toetssteen van een rechtvaardige toedeling van de gemeenschapsgelden en van de uitvoering van de onderwijswetgeving. Daarom kan en mag van iedere overheid die een onderwijsstelsel beheert niet anders dan een sterk uniformerende werking op de school uitgaan, volgens het principe: gelijke monniken, gelijke kappen.

Niet alleen echter de controle op de uitvoering van de onderwijswetten bewerkstelligt een uniformiteit. Ook de parlementaire besluitvoering zelf draagt hiertoe bij. In ieder democratisch bestel komt de staat rechtstreeks voort uit de concrete maatschappelijke realiteit. De overheid handelt daarbij in overeenstemming met de politieke belangengroepen die haar hebben gekozen. Wanneer in een parlementaire democratie besluiten worden genomen over de inrichting van het onderwijs, heeft ook dit een nivellerende werking op de geestelijke signatuur van de school. Een parlementaire constellatie, die door politieke belangentegenstellingen in evenwicht wordt gehouden, kan niet de plaats zijn voor de ontwikkeling van zulke geschakeerde opvattingen en inrichtingen, dat de eigen identiteit van alle afzonderlijke scholen erdoor wordt gestimuleerd. Het politieke forum kan in de praktijk niet meer leveren dan het ‘haalbare compromis’, om dit vervolgens wettelijk uniform op te leggen aan de afzonderlijke onderwijsinstellingen. Dit alles geldt niet alleen voor de inrichting van het onderwijs, voor uniforme lestabellen of lestijden enzovoort, maar ook voor de aanbieding van leerstof en voor de beoordeling van de leerlingen zelf. Het bieden van gelijke kansen betekent in de praktijk immers: het aanbieden van dezelfde leerstof, gevoegd bij een rechtvaardige, dat wil zeggen objectieve en uniforme beoordeling met behulp van gelijke maatstaven. De gevolgen van staatsonderwijs, gebaseerd op het beginsel van gelijke kansen voor iedere leerling, zijn daardoor: bureaucratische en dirigistische uniformering, opgelegd door middel van wettelijke voorschriften.

De maatschappij-opvattingen die aan de vrijeschool ten grondslag liggen, wijzen het gelijkheidsbeginsel als grondslag voor het rechtsleven zelf niet af. Ook zijn zij er sterk voorstander van om de leerlingen in het onderwijs gelijke kansen te bieden. Wel echter zijn zij tegenstander van de nivellerende en uniformerende uitwerking op het onderwijs, die naar hun inzicht het onvermijdelijke gevolg is, wanneer door de rechtsstaat het beheer en het bestuur van het schoolwezen ter hand wordt genomen.

De gevolgen van de invloed van het economische leven op het onderwijs zijn van geheel andere aard. In de huidige maatschappij is behalve in het politieke leven, dat vervuld is van economische belangen, ook in het schoolwezen het economisch denken steeds duidelijker te herkennen. Zo wordt bijvoorbeeld het economisch nut van onderwijsinvesteringen steeds meer een toetssteen voor beleidsbeslissingen, terwijl dit rendement zelf wordt bezien tegen de achtergrond van vraag- en aanbodfluctuaties op de arbeidsmarkt.

De ‘maatschappij’, als abstracte aanduiding van anonieme behoeften, verschijnt aan de uitgangspoorten van de scholen. Met behulp van planningsprocedures op lange of middellange termijn wordt daarbij getracht te voorzien in de verwachte behoefte aan arbeidsplaatsen. Met name op het beleidsniveau van het onderwijs wordt de invloed van het economische model zichtbaar door het denken in termen zoals arbeidsmarkt, behoeftebepaling, marktonderzoek, efficiency, kostenbewaking, centralisering, kwaliteitscontrole of rationalisering van het onderwijs als een investering op lange termijn.

Afgezien hiervan is de invloed van het economische leven krachtig in de school zelf aanwezig in het principe van de selectie. Sinds de industriële revolutie is het beroepsleven van de volwassen mens onder invloed gekomen van twee principes, die niet meer uit onze economie weg te denken zijn: arbeidsdeling en specialisatie. Voor vrijwel ieder beroep is daardoor een specifieke en toegespitste opleiding nodig. Deze ontwikkeling heeft niet alleen het gezicht van de samenleving, maar ook dat van de school ingrijpend veranderd. Als vanzelfsprekend is de school met de ontwikkelingen van het beroepsleven in de pas gebleven, waardoor de ontwikkelingstrend van het moderne economische leven doorwerkt tot in alle uithoeken van het onderwijs. Deze doorwerking komt tot uitdrukking in het selectieprincipe in de school en is niet gering. Het voert tot rapporten en cijfers geven, tot onderlinge competitie, toelatingsprocedures, selectiedrempels, differentiatie naar begaafdheden, niveaugroepen, zitten blijven, vroegtijdige streaming, elitevorming en – in het voortgezet onderwijs – tot een scheiding van leerlingen die reeds een beroepsopleiding ontvangen en leerlingen die ‘verder gaan’. Anders uitgedrukt: het feit dat het schoolwezen zich in dienst heeft gesteld van het economische leven en het selectieprincipe heeft geaccepteerd, voert tot een kluwen van problemen waarmee het onderwijs in de laatste decennia heeft geworsteld.

Vrijheid
De maatschappijvisie die door Rudolf Steiner werd ontwikkeld gaat uit van de noodzaak om het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven, in de toekomst ieder voor zich zelfstandig en onafhankelijk van elkaar te laten functioneren. Van centrale betekenis hierbij is nu, dat voor ieder van deze gebieden een ander basisprincipe wordt onderscheiden, dat bepalend is voor de organisatie en inrichting. Voor het geestesleven is dit het principe van de vrijheid, voor het rechtsleven het beginsel van gelijkheid en voor het economisch leven dat van de broederschap. De idealen die uit de tijd van de  Franse revolutie bekend zijn, klinken in de driegeleding van het sociale organisme opnieuw. Nu echter in een onverwachte, maar functionele metamorfose: als realistische grondslagen voor de inrichting van een meer en meer stuurloos geworden samenleving. De toepassing van het vrijheidsprincipe als garantie voor de ontwikkeling van het geestesleven is niet nieuw. De uitdrukking: ‘geestesleven’ wordt gebruikt voor alles wat als gevolg van persoonlijke vaardigheden en capaciteiten uit individuele mensen kan voortkomen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om wetenschappelijke bijdragen, onderwijs, industriële uitvindingen en ideeën over organisatievormen, kunstzinnige activiteiten, deelname aan het religieuze leven, enzovoort. Voor alle activiteiten en uitingen op deze gebieden is in de ontwikkeling van de samenleving het vrijheidsprincipe een cultuurgoed van centrale betekenis geweest. De driegeledingsopvattingen gaan nog een stap verder. In de opvattingen over de driegeleding van het sociale organisme wordt het vrijheidsbeginsel als grondslag en als toetssteen genomen voor inrichting en ordening. Het gaat niet alleen om de erkenning van dit principe, zoals in Nederland bijvoorbeeld bij de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs. Het gaat om een algemeen aanvaard maatschappelijk inzicht dat het vrijheidsbeginsel de enig juiste grondslag vormt voor instellingen op het gebied van het geestesleven, zonder beheer, bestuur of controle vanuit het rechtssysteem of vanuit het economische leven. De vraag op welke wijze de financieringsgrondslag voor het geestesleven wordt gevonden en hoe de toedeling van de beschikbare middelen plaats dient te vinden wordt daarbij losgekoppeld van het principiële uitgangspunt, dat het beheren en het besturen van organisaties in het geestèsleven een zaak dient te zijn van het geestesleven zelf.

Met deze principiële stellingname hangt de naam van de ‘Vrije School’ samen. Het gaat om het creëren van onderwijsinstellingen als organen van een vrij geestesleven. De vrijescholen worden daarom bestuurd als autonome onderwijsinstellingen, met behulp van een collegiaal model van zelfbestuur, idealiter gezien zonder inwerking van de rechtstaat (bijvoorbeeld overheidscontrole of dwingend opgelegde onderwijsuniformiteit) en zonder de invloed van de economie (onder meer selectie en planmatige beroepsopleiding). De situatie van de huidige vrijescholen in Nederland wordt als een onvermijdelijk compromis gezien, dat in de huidige maatschappelijke situatie tot dusverre blijkbaar onontkoombaar is.

De vrijescholen stellen zich tot doel om in de maatschappelijke werkelijkheid organen van een vrij geestesleven tot ontwikkeling te brengen. Hierin gaat het om de individuele ontplooiing van leerlingen, zonder beperkende invloeden door overheidsbemoeienis of door toegeven aan de druk van economische belangen. Het vrijheidsstreven dat in de naamgeving tot uiting komt, is geen illustratieve uitdrukking voor de kunstzinnige grondslag of voor een anti-autoritaire benadering van de leerlingen. De naam duidt op een maatschappelijke optie voor een schoolsysteem, waarin de invloeden uit het juridisch-politieke systeem en uit het economische leven geen toegang hebben.

Bij de opzet van de school zijn in dit verband geen halve maatregelen getroffen. Deze opzet is bovendien nog steeds de streefrichting van de vrijeschoolbeweging. Dat wil onder meer zeggen: géén overheidsbemoeienis, géén voorschriften, noch voor inrichting, lestijden of leerstof; geen staatserkenning als kwalitatieve garantie met overheidsinspectie, géén voorschriften voor arbeidscontracten van leraren, geen overheidssalarissen, salarisschalen of verschillen in inkomens bij kleuterleidster of wiskundeleraar op grond van vooropleiding. De slagschaduwen van het politieke en economische systeem: uniformiteit en selectie zijn principieel buiten de schoolmuren gehouden. Met als gevolg, geen zitten blijven, géén selectiedrempels, toetsingsprocedures, cijferboekjes, homogene leergroepen, categoriale scheidsmuren, onnodige vroege pakettenkeuze of eindexamens. En, consequent volgehouden: geen overheidssubsidie.

Het is om enigszins duizelig van te worden als je deze wensen vergelijkt met de huidige werkelijkheid. Wat zou er gebeuren als dit op landelijk niveau werd gerealiseerd? De overheid zou een ‘voortdurende zorg’ minder hebben. Boekenkasten met jurisprudentie, departementale wetsafdelingen en ministeriële commissies zouden verdwijnen. Een verzorgingsstructuur, experimentele onderwijskaders en additieve middelentoewijzing zouden wegvallen; vele inspecteurs,hoofdinspecteurs en coördinerend hoofdinspecteurs, dikwijls de beste leraren die het onderwijs voortbracht, zouden weer voor de klas kunnen. Geen verbod meer op kunstzinnige vakken, geen rechtspositionele afdelingen; geen minister die eenzaam aan het hoofd staat van een reusachtig onderwijsbedrijf, met de zorg voor het toekomstig aantal huisartsen in Nederland of voor duizenden werkloze leraren, waarvoor een ambtsvoorganger geen voorzieningen had kunnen treffen.

Ook de situatie in de scholen zelf zou drastisch veranderen. Hoe leerlingen te motiveren zonder cijferboekjes, jaarlijkse bevorderingen en een einddiploma? Wat te doen, als een lerarenteam geen voorschriften meer heeft? Hoeveel lesuren zullen worden gegeven? En de leerstof? Hoe zullen scholen zich ontwikkelen als leraren en leerlingen het houvast van de externe structuren en de maatschappelijke eisen zouden verliezen? En de financiering van het onderwijs? Zal deze, zoals professor Idenburg eens heeft voorgesteld, worden gerealiseerd via een stelsel van waardebonnen, door de staat aan ouders verstrekt en door de school van hun keuze te verzilveren? Of zal de school in de lijn van de opvattingen van de driegeleding, worden betaald door medewerking van een bedrijfsleven dat zich in macro-sociaal verband van haar verantwoordelijkheid bewust wil zijn en de winsten aan een vrij geestesleven beschikbaar stelt in plaats van aan de overheid en de aandeelhouders?

Maar vooral dringt de vraag zich op: kan zoiets zomaar? Kan het onderwijs het stellen zonder de steun van het gigantische overheidsapparaat dat tot in alle uithoeken van de school aangeeft wat er dient te gebeuren? En hoe is het met de ouders? Voor hen geldt niet minder, dat het onderwijs ‘een voortdurende zorg van de overheid’ is geweest, zoals de tekst van de wet op het onderwijs luidt. Het antwoord op deze vragen lijkt slechts te kunnen worden gevonden als ouders van kinderen ‘Vrije Scholen’ wensen als organen van een vrij geestesleven. Met ‘Vrije Scholen’ is daarbij niet slechts geduid op de scholen op antroposofische basis. Vrijescholen, in optie van de driegeleding van het sociale leven, zijn scholen, door groepen ouders en leraren in het leven geroepen, vrij van externe regels en voorschriften. De term vrijescholen kan in deze gedachte geen privilege zijn van de scholen op antroposofische basis. Eén van degenen die deze term ook gebruikt, is bijvoorbeeld Ivan Illich. Illich ziet in ‘scholing’ een onontkoombaar dictaat van maatschappelijke tradities en structuren, die in een ‘verborgen leerplan’ tot uiting komen. Een ‘ontscholing’ van deze maatschappij tracht hij te laten beginnen bij de ontwikkeling van een ‘Vrije School’, als inzet voor een nieuw onderwijssysteem.

Dergelijke ‘Vrije Scholen’ liggen zonder twijfel in het verlengde van het streven naar een vrij geestesleven en een veelvormig onderwijsbestel, waarvoor de antroposofisch georiënteerde scholen zich inzetten. Een werkelijke ontplooiing en uitbouw op grotere schaal van dergelijk vrij en autonoom onderwijs blijkt echter pas mogelijk te zijn, als dit opnieuw wordt gefinancierd buiten de staatskas om. Eerst dan lijken de huidige beperkingen voor de ontwikkeling ervan weg te kunnen vallen en kunnen ook de op basis van de antroposofie werkende vrijescholen in maatschappelijk opzicht worden, wat zij vanaf het begin van deze eeuw als kiem in zich dragen.

D.Crum, Jonas 16 03-04-1981
,

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

Sociale driegeledingalle artikelen

1379-1290

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4)

.

Zie over het waarom van dit artikel op deze blog:
sociale driegeleding alle artikelen

over de driegeleding van de maatschappij

Wij willen in de onderstaande beschouwing, aan de hand van een aantal voorbeelden op verschillende gebieden, laten zien, hoe nauw de drie-geleding met het samenleven van de mensen is verbonden. Op talrijke terreinen komt men drie-deling tegen, zodat het verleidelijk is te concluderen, dat drie-deling een verschijning is van het leven zelf.
In verschijnselen van drie-deling treft men een horizontale verdeling aan en een verticale.

De horizontale verdeling is meer statisch en men kan dan met recht spreken van drie-deling; de verticale is in beweging, er is een innerlijke opklimming (Steigerung) waar te nemen. Daarom zou voor deze groep verschijnselen beter van een drievoudige geleding (Dreiglicderung) kunnen worden gesproken ofwel van een drieledigheid.
Wat hiermede wordt bedoeld zal aan de voorbeelden duidelijk worden. Montesqieu heeft in 1748 in „Sur l’esprit des lois” het beginsel van de „Trias politica” uitgewerkt. Drie van elkaar te onderscheiden machten zijn in de staat werkzaam, te weten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Alle drie werken onafhankelijk van elkaar. Deze gedachte is als organisatie-principe in het bedrijfsleven overgenomen, alwaar men een duidelijke scheiding maakt in voorbereidende, uitvoerende en controlerende werkzaamheden. die men aan verschillende functies opdraagt. Een horizontale scheidning dus, die meer als onderscheiding dient te worden gemaakt in het geval men, zoals tegenwoordig vaker gebeurt, tot een vorm van integratie van deze gebieden overgaat.
De vaardigheden, waarover men in het maatschappelijke leven de beschikking heeft zijn drieledig: de technische vaardigheid, die ieder zich, op zijn plaats en functie, heeft eigen te maken, de sociale vaardigheid, die in onze tijd van samenwerking van mensen onderling van zo’n eminent belang is, en de conceptuele vaardigheid, die van groter gewicht wordt, naarmate men, van zijn functie uit, aan grotere eenheden leiding geeft.
Een voorbeeld van een opklimmende driedeling is het begrip medezeggenschap. Medezeggenschap is niet iets afgeronds, iets concreets, maar integendeel beweeglijk, gedifferentieerd, in zich zelf groeiend en opklimmend. Medezeggenschap omvat immers een stijging van mede-weten via mede-overleggen naar medebeslissen. En dan is dit niet zó op te vatten, dat een vertegenwoordiging van het personeel begint in het stadium van het medeweten om dan later, misschien na meer kennis van zaken te hebben gekregen, in het stadium van mede-overleggen te komen, om tenslotte te eindigen met medebeslissen.
Neen, op het ene ogenblik zal men van bepaalde zaken slechts de medewetenschap kunnen krijgen, voortspruitend uit de aard van wat hier wordt medegedeeld. Op hetzelfde moment kan mede-overleggen over andere zaken aan de orde komen, wat in verband met wat moet worden bereikt, noodzakelijk is, terwijl het medebeslissen kan worden gevraagd in zaken, waarin niet alleen het oordeel van de vertegenwoordiging van belang is, maar die van zodanige aard zijn, dat men de beslissing aan deze vertegenwoordiging kan en wil overlaten. Verschuivingen kunnen hierin optreden, omdat hier niets star, maar alles bewegelijk is.
Een bedrijf kent een drievoudige oriëntering naar buiten toe: ieder bedrijf staat in relatie met zijn afnemers, zijn klanten; ieder bedrijf staat in relatie tot leveranciers van grondstoffen, halfproducten en van productiemiddelen en tot diegenen, die met de verschaffing van kapitaal te maken hebben. Zo staat ieder bedrijf in de maatschappij, in drie richtingen zich oriënterend.

Het opsporen van drie-ledigheden is niet een gedachtenspel, daarvoor kan men dit verschijnsel te algemeen vaststellen. In de natuur kent men de drie agregaattoestanden, waarin een stof zich kan bevinden: de vaste, de vloeibare en gasvormige toestand.
Het leven openbaart zich in plant, dier en mens: driedelingen met een innerlijke stijging. In de wereld van de muziek zijn het de melodie, de harmonie en het ritme, die tezamen, ieder met eigen wetmatigheid, de muziek gestalte geven. Het evenwicht tussen deze drie elementen bepaalt de gaafheid van de muzikale schepping. Het klassieke toneel kent de eenheid van tijd, plaats en handeling. In het overbrengen van een idee, van kennis of wetenschap vallen de volgende drie sectoren te onderscheiden: propaganda, voorlichting en advies. Hier is duidelijk een opklimming in intensiteit, verdichting waar te nemen, van het algemene naar het bijzondere, het concrete, het ene geval. Ook in de wijze, waarop de mens tot diegenen staat, die hij in deze wereld kent: zijn bekenden, zijn kennissen en zijn vrienden, is deze opklimming naar een hoger niveau van intensiteit waar te nemen. Het zijn duidelijke voorbeelden van een verticale onderscheiding.

ln het maatschappelijke leven zijn het de elementen van het geestelijk-culturele, het politiek-sociale en het economische leven, die om een onderscheiding vragen, zodat ieder dezer drie sectoren zich naar eigen aard kan ontwikkelen. Een centralistische beschouwingswijze laat geen ruimte voor de eigen aard, de eigen sfeer, waarom de drie bestanddelen van het maatschappelijk leven vragen en die met vrijheid, gelijkheid en solidariteit aangegeven kunnen worden.

Dit maatschappelijke leven kan zich slechts, evenals de muziek, gaaf en evenwichtig ontwikkelen, wanneer deze drievoudige geleding van het maatschappelijke organisme wordt doorzien en in de vormen van dit maatschappelijke leven zelf worden gerealiseerd.

En ook de mens, die in zijn wezen eveneens drievoudig is geleed – waarvan zijn uitingen denken, voelen en willen een voorbeeld zijn —, staat in deze wereld drievoudig georiënteerd: naar wat boven hem is, naar wat om hem heen is en naar wat beneden hem is. Naar „de hemel”, naar zijn medemensen, en naar de natuur. Goethe sprak in dit verband over de drievoudige eerbied. De bovengenoemde drievoudige ordening van het maatschappelijke leven is een doorwerking van deze grond-houding van de mens.

Na Marx is het te doen gebruikelijk de drie-deling van kapitaal, leiding en arbeid als de laatste wijsheid te zien. In deze trits staan dan kapitaal en arbeid als onverzoenlijke productiefactoren tegenover elkaar, als twee polen, en de leiding als de verzoenende brug, tussen de tegengestelde machten geslagen. Voor de toekomst kan alleen deze driedeling vruchtbaar zijn: Kapitaal — leiding én arbeid – markt. En omdat leiding en arbeid één zijn, zoals de twee zijden van een medaille verbonden zijn, kan men stellen, dat voor de toekomst de driedeling kapitaal — arbeid — markt geldt.

Wij willen deze abstracte economische termen verlevendigen, vermenselijken en dan in deze volgorde: werkers — afnemers — kapitaalverschaffers. In deze trits werken de twee polen werkers en kapitaalverschaffers tezamen ten behoeve van de afnemers, de uiteindelijke consumenten.

In deze drie-deling ligt gans het leven besloten. Men begint dit leven, in economische zin gesproken, als afnemer, uitsluitend als consument. Vervolgens wordt men, „ongeschoold” of „geschoold”, opgenomen in de grote kring van werkers, men wordt op de een of andere wijze opgenomen in het economische proces van productie en distributie om tenslotte, al of niet, tot de kring van kapitaalverschaffers, groot of klein, te gaan behoren.

Men zal begrijpen, dat deze trits de mogelijkheid in zich houdt van verzoening van kapitaalverschaffers en werkers als twee polen, in tegenstelling tot de onvruchtbare polariteit, die sinds Marx het kenmerk van het economische leven is geweest. Daartoe zullen wij ons moeten verdiepen in de doelstelling van de onderneming als belangrijk facet van het economisch leven.

Over de vraag, wat het doel is van de onderneming, is veel gepraat en ook wel geschreven. Vroeger heette het kortweg: het doel van de onderneming is het maken van winst. Later, toen bleek, dat andere factoren toch ook een rol spelen, werd wel geformuleerd: het doel van de onderneming is te zorgen voor de continuïteit. Maar zou een dergelijke uitspraak al kunnen gelden voor bestaande ondernemingen, nimmer kan continuïteit het ondernemingsdoel zijn wanneer een nieuwe onderneming wordt opgericht. Men zou ook kunnen stellen (en het lijkt er tegenwoordig veel op, dat dat gebeurt), dat het doel van de onderneming ligt in het verschaffen van werkgelegenheid. Ik waag te betwijfelen of er één onderneming is opgericht met dit oogmerk. Wanneer men aan verschillende mensen zou vragen, wat in hun ogen het doel van een onderneming is, zal men misschien nog meer doeleinden opgenoemd krijgen.

Hierover nadenkend heb ik in 1962 in een toespraak ter opening van een congres van het toenmalige Nederlandse Instituut voor Efficiency, thans omgedoopt in Nederlandse Vereniging voor Management, een drievoudige doelstelling ontwikkeld, omdat een enkelvoudige doelstelling voor de onderneming niet langer te handhaven is. Later is deze doelstelling opgenomen in een studie van de hand van Dr. P.H. van Gorkom: „Ondernemingen vakbeweging.” (1969). Het is interessant, dat deze drievoudige doelstelling aansluit bij de zojuist ontwikkelde drie-deling.
Het doel van de onderneming kan dan, drievoudig, als volgt worden aangegeven:
1. Het vervaardigen van goederen of artikelen, of het leveren van diensten die door de afnemers worden gewenst, van een kwaliteit en tegen een prijs en met een service in overeenstemming met de wensen van de klant en met de mogelijkheden van de onderneming. Deze wensen worden actief opgespoord. Dit vervaardigen kent zijn morele grenzen.

2. De vervaardiging of productie geschiedt door een groep van samenwerkende mensen, die met elkaar het bedrijf vormen en die werken met het door de aandeelhouders ter beschikking gestelde en aan de onderneming toevertrouwde kapitaal. De groep doet dit op een zodanige manier, dat wordt gestreefd naar een persoonlijke ontplooiing der betrokkenen en naar een gezonde onderlinge coördinatie, opdat men zich in het bedrijf in het algemeen en in de arbeidssituatie in het bijzonder als mens en tegelijkertijd als mede-mens kan gevoelen.

3. De voorwaarde voor het vervaardigen is, dat de onderneming winst maakt, enerzijds opdat de continuïteit van het ter beschikking gestelde kapitaal, van onderlinge arbeid van de groep en daarmede van de afzet aan de afnemers kan worden gehandhaafd en anderzijds als blijk van het economische succes van de gezamenlijke inspanning.

Dit is wel een mondvol, maar in deze drievoudige doelstelling worden alle drie de onderdelen van de eerstgenoemde trits opgenomen, in volgorde: de afnemers, de werkers, inclusief de leiding en de kapitaalverschaffers, die allen als groepen bij het succes van het streven van de onderneming belang hebben. Men zou het belang van de groepen van leveranciers bij de onderneming erbij kunnen betrekken. De kring van degenen, die bij de gang van zaken van de onderneming betrokken zijn, is nu eenmaal wijd. Ook de Staat, als belastingontvanger, hoort daarbij.
De onderneming staat midden in de maatschappij en is met haar drievoudige doelstelling daarmede verweven: met haar sociale, humane en economische doel in engere zin. Voor diegenen, die de belangrijke reeks voordrachten van Rudolf Steiner kennen, uitgegeven onder de titel: „Die Erziehungsfrage als soziale Frage”, [1] herkennen in de doelstelling de in de derde voordracht genoemde elementen Ware, Arbeit, Kapital en wel in dezelfde volgorde. De ontwikkeling in onze industriële samenleving hangt in hoge mate samen met de ontwikkeling van de geest. Dit geldt binnen de onderneming met name voor de verhouding van leiding tot ondergeschikten, die in de aanvang van het industriële tijdperk werd aangeduid met die van patroon tot werkman/arbeider. Dit was in de tijd, dat het sociale vraagstuk zich allereerst manifesteerde als een broodvraagstuk. Alle inspanning ter verbetering van het lot van de arbeider was toen gericht op verbetering van de loonverhoudingen.
In een later stadium richtte zich de aandacht van het directe brood naar de rechtspositie van de mensen in het arbeidsproces, reden waarom deze fase wordt aangeduid met rechts-vraagstuk. De verhouding tussen leiding en personeel wordt nu uitgedrukt met de begrippen werkgever — werknemer. De patroon is werkgever geworden en men spreekt niet meer van arbeiders, maar van
werknemers.

Maar de ontwikkeling gaat verder, want er is een kern in het sociale vraagstuk, dat met brood en recht niet is beroerd en dat is de mens zelf in zijn ontwikkeling naar mondigheid en menselijke waardigheid. Het gaat in de derde fase van de ontwikkeling van het sociale vraagstuk om de mens zelf als een mondig, zich emanciperend wezen. Daarom wordt deze fase aangeduid met het
mondigheidsvraagstuk. De verhouding in het menselijke vlak wordt nu uitgedrukt met: de ondernemer en zijn medewerkers.
Het is hierbij natuurlijk een kwestie van accent, want in de mondigheidsfase is het niet zo, dat de elementen uit de twee eraan voorafgaande fasen niet langer de aandacht zouden behoeven, integendeel; het zwaartepunt van de aandacht moet in de derde fase echter liggen bij de ontwikkeling tot mondigheid van de werkende mens. Hoe vreemd het misschien in menig oor ook moge klinken, toch moet men de betekenis van de bedrijven gaan doorgronden als een geestelijk-cultureel milieu van met elkaar samenwerkende mensen. Ook hier weer een drie-deling met een sterke opklimming van de natuurlijke grondslag uit, via de rechtspositie naar de geestelijke kern van de werkende mens.

Het woord „medewerker” wordt tegenwoordig veel en gemakkelijker uitgesproken. En dat het bedrijf een werkgemeenschap zou zijn is ook al geen vreemd begrip meer. Maar toch zijn de consequenties uit bovenstaande ontwikkeling nog nauwelijks getrokken. Het is hier echter niet de plaats er verder op in te gaan.

Wel willen wij nog op een andere driedeling wijzen, die al enigszins werd aangeduid. De inwendige structuur van de onderneming als een groep van met elkaar samenwerkende mensen kan namelijk nog van een andere kant worden bekeken. Er zijn in deze groep twee polen te onderscheiden: denken en doen. De ondernemer met zijn naaste medewerkers vormen de denkende pool, natuurlijk met allerlei vertakkingen naar beneden in de organisatie. De medewerkers in de fabriek, in de administratie, in de verkoop, die de gedachten van de eerste groep in daden of in de stof omzetten, vormen de executieve pool, het zijn de doeners. Er zijn in deze zaken alleen onderscheidingen en geen strikte scheidingen te maken. Er zijn geen uitsluitende denkers noch alleen maar doeners.

De ideeënbus, in vele bedrijven geïntroduceerd, is er om te bewijzen, dat men het denken bij de „doeners” wil aankweken en bevorderen. Men zou zich kunnen voorstellen, dat de „denkers” door kunstzinnige handenarbeid meer met de materie in aanraking zouden komen. Voorshands waarschijnlijk nog een onwennige gedachte!

Het leidinggevende en toezichthoudende personeel zien wij, binnen de groep van samenwerkende mensen, de gedachten van de denkende pool overbrengen naar de uitvoerende pool. Het brengt tussen gedachte en daad die sfeer, dat klimaat, ik zou willen zeggen, die ziel tot stand, waardoor het geheel van de samenwerking vruchtbaar en tot een stuk werkelijk leven wordt.

Zoals de mens in zijn denken, voelen en willen drievoudig geleed is, zo is de samenwerkende groep mensen in zijn wezen drievoudig geleed in denken en doen, met daartussen het voelen, dat zich uitdrukt in de sfeer, in het klimaat van de onderneming. Zo is de taak van de leiding van hoog tot laag van eminente betekenis. Wanneer de beide polen denken en doen door een sfeervolle verbinding worden geharmoniseerd, kan van een gezonde samenwerkende groep worden gesproken. De opleiding van het leidinggevende kader is daarom van zo’n grote betekenis.

Wij willen hiermede onze beschouwing over de drie-deling beëindigen. Nogmaals zij vastgesteld, dat het leven zich overal drievoudig geleed manifesteert. Wanneer men bij de vormgeving van de levensverbanden met de drievoudige geleding rekening houdt, is men op de goede weg.

Ir.J.M.Matthijsen, Jonas, 3e jrg.17, 13-04-1973

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1373-1284

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (3)

.

De samenhang tussen mensbeeld en maatschappijbeeld

Wie gedurende vele jaren en in verschalende groepen zich heeft bezig gehouden met de studie van de geschriften en voordrachten van Rudolf Steiner over het sociale vraagstuk, kan hierbij een eigenaardige ervaring opdoen.

Er is misschien geen gebied waar wij als ‘student’ zó vast zitten in vooroordelen als het gebied van de studie over het sociale vraagstuk.
Iedereen die zich hierin wil gaan verdiepen, torst vanuit zijn verleden een stuk sociale dogmatiek mee. Daarbij is het onverschillig of wij ons oordeel hebben gevormd op de universiteit of in de ‘praktijk’ van de handel of het bedrijfsleven, of wij theoretici zijn of routiniërs.

Immers, juist dê routiniërs zijn dikwijls het meest dogmatisch op dit gebied omdat nu eenmaal de opvattingen van de ‘keiharde’ zakenwereld van de twintigste eeuw voor een groot deel nog beïnvloed worden door de opvattingen van de theoretici van de achttiende eeuw.

Nog steeds leven de heiligen van het vrijehandelstijdperk – Adam Smith en Ricardo, tijdgenoten van Goethe voort in het tijdperk van de verzorgingsstaat die weliswaar zijn nieuwe heiligen heeft – bijvoorbeeld Keynes, Cole en Galbraith – maar niettemin een belangrijk deel van zijn wetenschappelijk arsenaal ontleent aan de 18e eeuwse Verlichting. Ook de mannen van de praktijk die zich weinig bekommeren om de nieuwste opvattingen, verkondigd in de economische Hogescholen, laten zich leiden – in de meeste gevallen onbewust – door een sociale ethiek die twee honderd jaar geleden door Adam Smith en Malthus verkondigd werd. Sociale ethiek: want Adam Smith was professor in de moraal-filosofie en Malthus was predikant. Men kan zich afvragen: welke plaatsn am de mens in het maatschappijbeeld ïn van deze twee schrijvers?

Adam Smith
Voor Adam Smith was de mens niets meer dan een wezen, ‘door de Natuur voorzien van instincten. Honger, de hartstocht welke beide seksen tot elkander brengt, verlangen naar genot, sporen ons aan voor ons zelf te zorgen, zonder daarbij acht te behoeven slaan op de verheven doeleinden die de grote Regelaar der Natuur daarbij in het oog heeft’.
Dit was de karakteristieke Deïstische opvatting van de 18e eeuw. Volgens Adam Smith werd het economische leven door onveranderlijke wetten beheerst, eens uitgedacht door de ‘grote Regelaar der Natuur’. Evenals natuurwetten zouden deze gelden voor alle volkeren en alle tijden. Noch de mens, noch de Regelaar der Natuur zelf zou deze wetten kunnen veranderen. God kan immers niets afdoen aan het werk van zijn eigen Schepping? Hij kan niet maken dat twee maal twee vijf wordt. Hij is gebonden aan de wetten die Hij heeft uitgedacht.

Ziehier het mechanisch beeld van het Deïsme. In de natuurwetenschap is Newton hiervan de vertegenwoordiger. In de economische wetenschap Adam Smith.

In dit wereldbeeld neemt de mens een bescheiden plaats in.

‘De administratie van het grote systeem van het Universum, de zorg voor het algehele geluk van alle redelijke en met gevoel behepte wezens is het werk van God en niet van de mens … Deze heeft een veel nederiger taak, meer eigen aan de zwakheid zijner krachten en de beperktheid van zijn bevattingsvermogen: te zorgen voor zijn eigen geluk, voor dat van zijn gezin, van zijn vrienden, van zijn land… ’
Vanuit dit Deïstisch standpunt bezien, ontstaat door de ‘zorg voor eigen welzijn’, een mechanisch spel van krachten in de samenleving, waarin iedere verstoring van evenwicht zich automatisch herstelt. In het Liberale maatschappijbeeld vertaald, betekent dit een maatschappelijke orde die beheerst wordt door het mechanisme van de vrije markt. Wie de wetten kent die het evenwichtsherstel van dit marktmechanisme beheersen, behoeft zich niet te bekommeren om het verschijnsel mens. Deze is slechts een onderdeel van dit spel van vraag en aanbod, een wezen door de Natuur voorzien van instincten en daardoor mechanisch reagerend op invloeden van buiten.

In dit maatschappijbeeld wordt de mens de ‘homo economicus’, een soort robot, automatisch reagerend en ook regulerend waar ergens in het economische leven een verstoring van evenwicht plaatvindt.

Hierbij werd – in de 18e eeuw – nog weinig rekening gehouden met de creatieve vermogens van de mens, bijvoorbeeld daar waar hij als uitvinder, door scheppende kracht ingrijpt in het produktieproces en de produktiever-houdingen verandert.

Adam Smith schreef zijn ‘Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations’ in een tijd – 1776 – waarin de industrialisatie in Engeland nauwelijks op gang was. In het zelfde jaar vroeg James Watt het patent aan voor de uitvinding van de stoommachine… Daardoor werd nog geen rekening gehouden met de enorme revolutie die de techniek heeft uitgeoefend op de sociale verhoudingen. Smith dacht dan ook nog geheel in de verhoudingen van de handel waar men immers altijd te maken heeft met evenwicht tussen vraag en aanbod.

Het is dan ook niet te verwonderen dat latere onderzoekers het statische maatschappijbeeld van Adam Smith hebben vervangen door een dynamisch  maatschappijbeeld. Van deze onderzoekers heeft Karl Marx zeker de grootste invloed uitgeoefend op de opvattingen over mens en maatschappij.

Karl Marx
Voor Marx is de mens geheel ondergeschikt aan sociologische wetten, die het historisch verloop van de samenleving bepalen. Iedere technische uitvinding roept in de samenleving een revolutie op; hierdoor ontstaat volgens Marx primair een verandering in de machtsverhoudingen. Hierop berust zijn opvatting over de klassenstrijd als een dynamisch proces die de geschiedenis beheerst met als eindstation, een klassenloze samenleving. Aan dit dynamisch proces is de mens ondergeschikt. Hij is slechts een produkt van maatschappelijke verhoudingen. Ook hier wordt de creatieve mens miskend, dat wil zeggen de mens als geestelijk wezen, die uit eigen inzicht en eigen verantwoordelijkheid vorm kan geven aan de maatschappijstructuur. In een op Marxistische ethiek gebaseerde samenleving, wordt zelfs deze autonome creatieve mens gewantrouwd, want hij verstoort het historische proces van de klassestrijd dat zich volgens streng sociologische wetten voltrekt. Vandaar het verschijnsel van een Goulag-archipel, maar ook de verbijsterende strategie van het Centraal Comité in Moskou dat een communistische revolte, zoals in China in de tijd van Tsjang Kai Sjek en in Egypte in de tijd van koning Faroek, in de kou liet staan omdat in die landen het uur van een proletarische revolutie nog niet had geslagen; immers, daaraan vooraf dient te gaan een burgelijke revolutie, gericht tegen de feodale verhoudingen. Het is merkwaardig dat juist in de laatste tijd men meer en meer gaat inzien, dat Liberalisme en Socialisme stoelen op één zelfde wortel van wereldbeschouwing: het 18e eeuwse rationalistische geloof in de vooruitgang. Hun ‘founding-fathers’ hadden daarbij ieder een verschillende vooruitgang op het oog: Adam Smith en Ricardo op economisch gebied, Marx op sociaal gebied. Niettemin was hun beider geloof gebaseerd op het wantrouwen in de mens. Want ‘dit wantrouwen in de mens is onmisbaar’, zoals niet lang geleden Mr. J.L. Heldring nog constateerde in een zijner ‘Dezer Dagen artikelen in NRC-Handelsblad (28-3-’78).

Robert Malthus
Maa ook van confessionele zijde was, om bet eind van de 18e eeuw weinig heil te verwachten van vertrouwen in de mens. als basis voor een sociale orde.
Ongeveer in de zelfde tijd, waarin Adam Smith leefde, leefde ook Malthus, wiens opvattingen over het bevolkingsvraagstuk een grote invloed hebben uitgeoefend op de sociale ethiek van de 19e eeuw.
Malthus was predikant. Voor hem was het leerstuk van de erfzonde het uitgangspunt van zijn visie op mens en samenleving. Voor Malthus stond voor ogen het schrikbeeld van overbevolking. Deze vloeit voort uit het driftleven van de mens. Wanneer de mens niet permanent door honger zou worden bedreigd, zou hij zich tot het oneindige vermenigvuldigen. Daarom heeft God de mensen de honger gegeven, niet als straf maar als weldaad. Het vermogen van de mens zichzelf te vermenigvuldigen is bepaald groter dan het vermogen van de aarde de mens levensonderhoud te verschaffen-, De bevolking zal daardoor sneller toenemen dan de voedingscapaciteit van de aarde. Daardoor gelijkt de menselijke samenleving op een slagveld, waarin de zwakken te gronde gaan en de sterken blijven leven. Deze strijd is een door God verordineerd proces, waaraan de mens zich niet kan onttrekken.

Ook hier wordt dus geen waarde toegekend aan de geestelijk creatieve vermogens van de mens om zelf vorm te geven aan de samenleving waaraan hij deel uitmaakt.

In het wereldbeeld van Malthus vervult de mens een andere rol dan in het wereldbeeld van Adam Smith.
Bij Adam Smith is de mens een mechanisme, dat deel uitmaakt van het vrije marktmechanisme en bij iedere evenwiehtsverstoring daarop automatisc h reageert.
Bij Malthus is de mens angstaanjagend door zijn tomeloze driften, die maken dat in het economische proces nimmer evenwicht zal heersen tussen produktie- en consumptievermogen. Steeds zal de balans uitslaan ten nadele van de produktie. Er zal nooit genoeg zijn om de mensen levensonderhoud te verschaffen, hoe hard zij ook werken. Iedere vermeerdering van materiële welvaart zal bevolkingstoename ten gevolge hebben en daardoor het aantal eters op aarde doen toenemen. Door de leerstelling van de erfzonde zal ook nooit het vertrouwen kunnen groeien dat de mens uit eigen kracht zijn driften zal leren beperken.
Ook deze puriteins-sociale ethiek is tegenwoordig allerminst verouderd. Wij denken hierbij nog niet eens aan de beoordeling van de problemen die zich voordoen in de ontwikkelingslanden. Ook veel dichterbij hebben wij er mee te maken in verband met de beoordeling van het consumentengedrag, en wel speciaal waar sprake is van de emancipatie van de consument als politiek vraagstuk.
Kan men vertrouwen hebben in de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de mens als consument in de samenleving? Waar hij zichzelf beperkingen oplegt, niet alleen onder de dwang van een laag inkomen maar in vrijheid door zich te matigen ten opzichte van het uitbundige aanbod van de markt? Dit alles in verband met het energievraagstuk als een maatschappelijk probleem. Of moet men als politicus, de consument en zijn bestedingsdrift slechts wantrouwen?
Dit is een urgent vraagstuk geworden nu, dank zij de ‘opmars van de sociael grondrechten’ een ‘menswaardig inkomen’ een aangelegenheid is geworden van overheidszorg. Waar ligt hier de grens tussen vertrouwen en wantrouwen bij overheidsbeleid?
Ook in katholieke kringen is het wantrouwen in de consument, ten opzich te van zijn maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, steeds vanzelfsprekend geweest. Dáárom waren er in de Middeleeuwen standen. Iedere stand had zijn eigen bestedingspatroon. Men leefde volgens de stand waarin men was geboren. Men behoorde niet ‘boven zijn stand’ maar ook niet ‘onder zijn stand’ te leven. Dat was het uitgangspunt van alle sociale ethiek. De Kerk met zijn genademiddelen en zijn voorstellingen van het hiernamaals, zorgde er voor dat in de samenleving een hiërarchische structuur werd gehandhaafd en de mens hieraan ondergeschikt bleef. Eigenlijk is dit nog steeds het geval – in de latijnse landen zoals Spanje en Zuid-Amerika – waar de samenleving nog sterk onder invloed van de Kerk staat.

Associatieve samenwerking op economisch gebied
Toch zijn, zowel op wetenschappelijk als op confessioneel gebied, al deze voorstellingen over de mens versleten geraakt. Zij vormen althans geen waarborg meer dat een solide sociale orde kan berusten op een zodanige pessimistische visie op de mens.
Enerzijds heeft daarvoor de moderne psychologie gezorgd. Anderzijds de deconfessionalisering in de politiek. De mens is noch een robot, noch een, aan zijn begeerten overgeleverd dier. Hij stamt ook niet van de robot af, evenmin als van de apen. De eerste opvatting is absurd. De tweede opvatting wordt meer en meer ter discussie gesteld.

En wat de voorstellingen betreft over de erfzonde, ontleend aan de val van Adam: de deconfessionalisering binnen de confessionele politieke partijen maakt duidelijk dat de wetenschap hier het geloof buiten spel heeft gezet. Zo zitten wij met een aantal voorstellingen over maatschappelijke orde – liberaal, socialistisch, confessioneel – die nog worden geaccepteerd omdat zij historisch zo gegroeid zijn maar waarvan de grondslag – het mensbeeld van de Verlichting, de Reformatie en de Middeleeuwen – wankel is geworden.

Vant wie is er tegenwoordig van overtuigd dat een sociale orde behoort te berusten op het wantrouwen in de mens en niet op het vertrouwen? Toch is. historisch gezien, dit wantrouwen eens het uitgangspunt geweest, zowel m de liberale, de socialistische, als confessionele maatschappijbeschouwing-

Mlen wil dit in politieke kringen graag vergeten, maar niettemin zit men met het probleem dat achter iedere politieke beweging, historisch gezien, een versteend beeld staat van de mens, dat niet meer beantwoordt aan de werkelijkheid waarin wij thans leven. Hetgeen niet wil zeggen dat in de huidige maatschappij het wantrouwen in de mens geen rol meer speelt. Ook buiten de politieke verzuiling speelt wantrouwe een rol. Maar juist hiér liggen veel meer mogelijkheden, bij de ontmoeting van mens tot mens, wantrouwen plaats te laten maken voor vertrouwen. Dáár zien wij dan ook hoe vanuit dit vertrouwen, allerlei sociale acties op gang komen waarbij er naar gestreefd wordt, om enerzijds de eenzijdigheid van de ‘homo economicus’, en anderzijds de eenzijdigheid van de ‘mens als hoogste dier’ te overwinnen. Hier liggen de kiemen van associatieve samenwerking.

Wij zien dit bijvoorbeeld op geestelijk gebied bij de oprichting van nieuwe Vrije Scholen waar leraren onderling of met ouders tesamen een maatschap stichten, gebaseerd op wederzijds vertrouwen in elkaar. In de gezondheidszorg zien wij een zelfde verschijnsel bij de oprichting van ‘therapeutica’, associaties van artsen, therapeuten en patiënten.

Op economisch gebied hebben wij het gezien bij een aantal experimenten zoals in Frankrijk de ‘Communautés de travail’, in Spanje het sociale experiment Mondragon in Baskenland, in Nederland in enkele bedrijven zoals De Ploeg te Bergeyk. De – op de ‘sociocratie’ van Kees Boeke gebaseerde – werkgemeenschap ‘Sociacratisch Centrum’ van Gerard Endenburg te Rotterdam kan men ook als een belangrijk experiment zien. Voorts een aantal pogingen om vanuit antroposofische gedachten tot nieuwe gemeenschapsvormen te komen: het Landelijk Consumenten Contact, Gaiapolis, Akwarius en de verschillende Zaailingwinkels.

Al deze nog bescheiden pogingen om op een menselijke vertrouwensbasis te werken hebben dit met elkaar gemeen, dat zij enclaves vormen waar de heersende ‘wetten’ van marktmechanisme of klassenstrijd, waar de van overheidswege gegarandeerde subsidieregelingen, buiten spel worden gezet doordat een herverdeling plaats vindt van inkomens.

Daarbij zoekt men te komen tot een evenwichtige levenshouding, die tot uiting komt doordat ‘eigenbelang’ en ‘gemeenschapsbelang’ meer met elkaar in overeenstemming komen. Beloning wordt niet meer vastgekoppeld aan prestatie. Het behoefte-element gaat een belangrijker rol spelen bij de inkomensverdeling.

Het zoeken naar een evenwichtige levenshouding wordt dan het zoeken naar een ‘middengebied’, noch de eenzijdigheid van de robotmens van de grondleggers van de klassieke liberale economie, noch de eenzijdigheid van de aan zijn dierlijke begeerten overgeleverde ‘homo economicus’ van Malthus, worden dan nog als axioma’s erkend, die de sociale spelregels beheersen.

‘Wie het midden verlaat, verlaat de menselijkheid’.

Dit woord van Pascal is geheel in overeenstemming met wat driehonderdjaar later Rudolf Steiner verkondigd heeft over de Michaelische opgave van de mens. Michael met de weegschaal van het recht, als een beeld, waarnaar de mens zich richt bij zijn streven naar een innerlijk evenwicht in de sociale verhoudingen. Vanuit dit mensbeeld is de hoop gerechtvaardigd op het ontstaan van een maatschappijbeeld, dat niet is gebaseerd op het wantrouwen in de mens maar op het vertrouwen in de mens.

A.C.Henny, Jonas 5, 02-11-1979

zie over Michaël, bijzonder tijden hebben bijzondere opdrachten de artikelen m.b.t. ‘Algemene menskunde‘  [1-2]  [1-2-4/1  en verder; [1-4]   [1-4-1 en verder]

Michaël: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1369-1280

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – alle artikelen

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaalactief.

Onder nr. 5 staan artikelen over sociaal gedrag. ‘De maatschappij’ is een abstractie. Mensen  vormen de maatschappij, de samenleving. Hoe menselijk maak je die.

.

N.a.v.  ‘bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht’
uit Algemene menskunde (GA 293):

[1-4] blz. 19
Over:bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten’; sociale ellende, daarom: sociale driegeleding als opdracht; ‘vrije’ in vrijeschool; het sociale probleem is een opvoedingsvraagstuk;

[1-4-1/1]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk: Ingrijpende vooruitgang vraagt om een werkelijk inzicht
Geesteswetenschap kan dat werkelijke inzicht geven; en tot oplossingen komen, ook van het sociale vraagstuk; wat heb je aan geesteswetenschap voor het sociale leven als je honger hebt door een te laag loon; Robert Owen; uitbuiting, onderdrukking;

[1-4-1/2]
Rudolf Steiner overgeesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
persoonlijk eigenbelang; uitbuiting; Robert Owen; egoïsme;

[1-4-1/3]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
sociale hoofdwet; individu en collectief; mens van nature goed?; taak van de geesteswetenschap.

[1-4-2] Vasthouden aan het oude én bestaande….?
John Hogervorst over een nieuwjaarstoespraak van Steiner; hij geeft er een visie op vanuit onze eigen tijd.

[2]
Herinneringen van Hans Kühn aan de eerste jaren van de sociale driegeleding
Arnold Henny
over: dit boek; de toestand rond 1917 in Duitsland; pogingen van Steiner voor een nieuwe maatschappij-orde; het mislukken daarvan; Emil Molt en de vrijeschool

[3]
De samenhang tussen mensbeeld en maatschappijbeeld
Arnold Henny
over: het mensbeeld van Adam Smith, Malthus en Marx en de daarbij behorende maatschappijbeelden; wat wilde Steiner; associaties

[4]
Over de driegeleding van de maatschappij
J.M.Matthijsen
over: arbeid, broederschap, driedeling, driegeledingen, drieledige mens, gelijkheid, kapitaal, maatschappijleer, markt, medezeggenschap, Montesqui, onderneming, Trias politica, vrijheid.

[4-1]
Driegeleding van het sociale organisme
Michiel Damen
over: levensbedreigingen (toen ‘De club van Rome’, nu ‘het klimaat’); sociaal klimaat is ziek; invloed wetenschap; democratie; referendum; liberalisme; driegeleding; geestes- rechts- en economisch leven; ieder hun eigen terrein – het ene moet niet op het andere willen functioneren.

[4-2/1]
Sociale driegeleding en de problemen van de jaren tachtig
Prof. Cees Zwart
over: (problemen die zich ook in 2018 voordoen) sociale driegeleding; over geestes- rechts- en economisch leven; waar vinden we ze in de maatschappij; het gevaar ze te eenzijdig te zien: geen schematisering; driegeleding en drieledig mensbeeld;

[4-3]
Maatschappelijke driegeleding
Peter Schilinski over: hoe hij van marxist tot de sociale driegelding kwam; de ontdekking van een maatschappijsysteem voor alle mensen; consument moet belangrijke rol spelen; schets van de driegeleding; cultuurcentrum Achberg; antroposofen zien de driegeleding wel in, maar ze doen er niets mee;

[4-4] Economie – de wereld als één economie
Frans Wuijts
over: aspecten van het economisch leven, egoïsme, sociale hoofdwet – in een nawoord van zijn hand bij de door hem vertaalde voordrachten uit GA 340 en 341.

[4-5] Moreel socialisme als alternatief
Frank Thomas Smith over: socialisme; kapitalisme; communisme; marxisme; idealen van de jeugd; sociale driegeleding; vrijheid van onderwijs; vrijescholen

[4-6] Futurologie en werkelijkheid
Hans Erhard Lauer
over: de gezichtspunten van Ossip Flechtheim; de toekomst van de mensheid; de problemen van nu: milieu, oorlog, sociale ongelijkheid e.d.; een weg ‘naar beneden’ en ‘naar boven’; sociale driegeleding als oplossing van (neo)liberale en socialistische tegenstellingen.

[4-7] Gezondheid en ziekte in de vorming van de samenleving
Jörgen Smit over: wat er is verbonden met een opgave; materialisme als geestelijke zwakte; kapitalistisch liberalisme als geestelijke zwakte; vrijheid en behoefte; het onbetaalbare van arbeid; slavernij en arbeid; arbeidsdeling en betaling moeten worden losgekoppeld; ontwikkelen van basiskwaliteiten.

[4-8] Een ongenode gast
John Hogervorst over: gedachten bij het coronavirus; hygiëne als sociaal vraagstuk; materialistische wetenschap(pers); het grote geheel; gezond en ziek.

[4-9] Verdere gedachten rond de coronacrisis
John Hogervorst over: het actieve leven van Rudolf Steiner; de idee van de sociale driegeleding; over het ontstaan en verloop; de huidige crisis en de actualiteit van deze driegeleding.

[1-2]
Bij 100 jaar vrijeschool:
Dieter Brüll over: driegeleding in het sociale organisme.

SOCIAAL GEDRAG

[5-1/1]
Sociale initiatieven: 12 draken
Lex Bos
over: 12 ‘draken’, bedreigingen bij het concretiseren van een initiatief, een vrijeschool bijv.

[5-1/2]
 ‘Dag- en nachtzijde’ v.e. initiatief
Lex Bos over: wie zijn de producenten en wie de consumenten; het dubbele apsect van het menselijk Ik; dialoog.

[5-1/3]
De dialoog
Lex Bos over: dialoog; associatie; voorbeelden van ‘op school’; overleg; ken je elkaar?;

[5-2/1]
De kloof tussen mens en maatschappij
Lex Bos over: welvaartsstaat=verzorgingsstaat; alternatieve leefvormen; werkeloosheid; ontstaan nieuw bewustzijn; polarisatie; kloof Ik-samenleving, kloof Ik-eigen binnenwererld; invloed Bacon en Kant; onvrede en het plaatsvervangend Ik

[5-2/2]
De maatschappij als spiegel voor de menselijke ziel
Lex Bos
over: zoeken naar fenomenen in de maatschappij en die in jezelf herkennen, ‘groot’ gedrag als gevolg van ‘klein’ gedrag; roept bijv. ‘publiekshonger naar sensatie niet juist die sensatie in het leven?; macht(concentratie); de (on)macht van denken, voelen, willen; Steiners oefeningen (Nebenübungen);

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

[5-3/1]
1] maatschappij zonder menselijk gelaat
Lex Bos over: waar is het elan van de jaren 1970 gebleven? processen kennen in de maatschappij = processen kennen in mezelf en omgekeerd [5-2/2]; Bacon; natuurwetenschap=mensvreemd; antroposofie wil mens juist beter kennen

[5-3/2]
2] de maatschappij als spiegel voor de menselijke ziel
Dit artikel is vrijwel identiek aan [5-2/2]

[5-3/3]
3] koopgedrag kan economische orde fundamenteel veranderen
Lex Bos over: inflatie; wat doe je als je op afbetaling koopt; reclame; consumentenkrediet; begeerte-economie; onvrijheid; sparen; associatie;

[5-3/4]
4] verzekering en belegging als schijnzekerheid
Lex Bos over: wat wil je met een verzekering: zekerheid! krijg je die ook? En bij krediet?; polis, premie, rente: afkoop van afhankelijkheid; afhankelijkheid?: illusie!; gigantische kapitalen om te beleggen: waarin?; vertrouwen; zeer nodig dit te oefenen

[5-3/5]
5] belasting en wapenindustrie: karikatuur van het schenken
Lex Bos over: belasting en wapenindustrie als karikatuur van schenken; wapens ‘willen’ gebruikt worden: oorlog; verplichte ‘schenkingen’ ongevraagd geschonken; de aspecten van schenken; vrij geestesleven alleen mogelijk door schenkgeld; drieledigheid van geld: koop-, leen- en schenkgeld; door wilsscholing worden deze geldvormen ‘genezen’.

[5-3/6]
6] de techniek als tegenbeeld van menselijke ontwikkeling
Lex bos over: wat is techniek; de enorm toegenomen honger naar beelden; Steiners verklaring van deze beeldbehoefte; zijn scholingsweg is juist: het beeldend vermogen van binnenuit te voeden; lam gelegde creativiteit; kernreactor-stofvernietiger en stofwisselingsactiviteit; karikatuur van de wil; oproep tot wilsscholing

[5-3/7]
7] zingeving van het leven door ervaring van het menselijk lot
Lex Bos over: maatschappelijke buitenwereld beeld van onze binnenwereld; samenleving is mensenwerk; ‘hoofd’krachten worden steeds sterker (wil zwakker); wat hoort bij ons; toeval(ligheden); individueel en sociaal bewustzijn; antroposofie als hulp;

[5-4-1]
Consumenteninspraak
Lex bos
over: opkomend bewustzijn voor de leefomgeving: behoefte aan inspraak; niet tegen elkaar, maar mét elkaar in associaties; waaraan deze moeten voldoen.

[5-4-2]
De consumptiemaatschappij: een ongelukkig stuk geluk
Maarten Ploeger over: geluk; consumptie; consument; reclame; instinct; verschil mens-dier.

[5-5/1]
Conflict en samenleving  (1)
Hans von Sassen over: wat is een conflict; oorzaken van ontstaan; je kan ze niet voorkomen, wel oplossen; hoe? 

[5-5/2] Conflict en samenleving (2)
Hans von Sassen over: allerlei vormen van conflict; voor scholen belangrijk: het samenwerkingsconflict; verstrengeling ratio-gevoel; wat speelt er allemaal in een conflict; zicht op processen; oplossingen.

[5-6]
Vrede en onvrede, rust, eerbied en dankbaarheid
Lex Bos over: vrede en onvrede: innerlijke ontwikkeling; vrede, onvrede in denken, voelen en willen; de geest van Christus voor de vrede; Morgenstern: de voetwassing

[5-7]
De werkzame kracht van dynamische oordeelsvormen
Martin v.d. Broek over: wat er speelt bij problemen; hoe je die kan overwinnen door een speciale manier van tot oordelen te komen.

GELD

[6-1]
De kwaliteiten van geld
Rudolf Mees
over: koopgeld, leengeld, schenkgeld, zakgeld
.
[6-2/1]
De geldsluier (1)
D.Brüll over: ons geld is versluierd; wat hij daarmee bedoelt staat in onderstaande artikelen

[6-2/2]
De geldsluier (2)
D. Brüll over: wat betekent ‘geld uitgeven’; koopgeld; als koper heb je verantwoordelijkheid; leengeld, waar blijft het – als uitlener heb je verantwoordelijkheid; schenkgeld: basis voor geestelijk leven je het erantwoordelijkheid voor wat met je schenking gebeurt.

[6-2/3]
De geldsluier (3)
D.Brüll over: wat betekent mijn geld voor de ander; egoïsme; sociale hoofdwet;

[6-3]
Geld, schijn en werkelijkheid
P..Cornelius over: reclame; realiteit en illusie bij:loonsverhoging; bij sparen; over inflatie; wat is geld; koopgeld; leengeld, intelligentie; industriekapaal; schenkingsgeld

[6-4]
Geldstromen in de vrijeschool
Peter Blom
over: voor- en nadeel van subsidie; in welke verhouding staan leerkrachten, ouders en bestuur tot de geldstromen; koud geld, warm geld; wat voegt driegeledingsgedachte toe; maatschap; associatieve relaties;
.
[6-5]
Het goud als graadmeter
Rudolf Mees over: goud; waarde en zekere of onzekere tijden

[6-6]
Mijn geld, de bank en ik
John Hogervorst: hoe kan ons financiële systeem gezonder worden; koopgeld. leengeld, schenkgeld; eigendom van ondernemingen; wat kun je met spaargeld.

op Driegonaal: over geld

VRIJHEID

[7-1/1]
Vrijheid
Annet Schukking
over: de biologische kant van de vrijheid; Darwin, Teilhard de Chardin, Adolf Portmann
.
[7-1/2]
Vrijheid
Annet Schukking over: Newton en Goethe: hun opvattingen over kleuren; Steiner: methode om vanuit de fenomenen – waarnemen – tot inzicht komen; vrijeschool probeert fenomenologisch naar de natuur te kijken: de scheppende mens is vrijer
.
[7-1/3]
Vrijheid
Annet Schukking
over: Kant; grenzen van het kennen; materialistisch monimse; Hegel; Bacon, Locke, Hume; ontstaan natuurwetenschap; monopolie daarvan; Rudolf Steiner: filosofie van de vrijheid.

[7-1/4]
Vrijheid en religie
Jakobus Knijpenga
over: religie en vrijheid zijn met elkaar in tegenspraak; je (moeten) houden aan religieuze boeken; de mens als religieus wezen; is het goddelijke waar te nemen in het zintuiglijke?; alleen het bovenzintuiglijk Christuswezen als een realiteit buiten ons in het eigen zielenleven waarnemen leidt tot vrijheid; antroposofie kan daarbij behulpzaam zijn.
.
[7-1/5]
Vrijheid – maatschappelijk gezien
Annet Schukking
over: wat is vrij zijn; vrijheid; vrijheid, gelijkheid, broederschap; Rudolf Steiner: driegeleding van de maatschappij; vrijheid: geestesleven; gelijkheid: rechtsleven; broederlijkheid: economisch leven.
.

Biografieën: Theun de Vries over Marx

[8-1]
Karl Marx
Christoph Lindenberg
over: welke gevaren bedreigen ons; wat is er tegen te doen; visie Marx; revolutie(s); in Frankrijk; in China; denkvormen als oplossing(en); antroposofische opvattingen over denken; scholing van het denken.

KAPITAAL EN ARBEID

[9-1/1]
Arbeid en inkomen
Arnold Henny
 over: vroeger mens geheel slaaf, nu alleen zijn met zijn arbeid; arbeid als koopwaar; werkeloosheid; basisinkomen: 2 voordelen; arbeid o.i.v. vraag ern aanbod; Adam Smith; ontstaan sociale wetgeving in Nederland.

[9-1/2]
Arbeid en inkomen
Arnold Henny over: de enorm gestegen kosten om de verzorgingsstaat te kunnen bekostigen.

[9-2]
De eigenlijke vraag luidt niet of het basisinkomen financierbaar is
Cees Zwart over: rapport van Wetensch. Raad voor het regeringsbeleid afgewezen; herverdeling gelden nodig; basisinkomen als oefening in gemeenschapszin; verandering van maatschappij na de oorlog; misverstanden over wat basisinkomen (niet) is; arbeid mag geen koopwaar zijn; economie is wederzijdse afhankelijkheid; wat betekent een basisinkomen; ze past in een emancipatorische ontwikkeling.

[9-2/2]
Arbeid en inkomen
Cees Zwart over: Arbeid in spanningsveld van vraag en aanbod; eigendom; vermogens (talenten) verkopen of inzetten voor de ander; prestatie en inkomen; behoefte en inkomen; concreet voorbeeld van vaststelling van behoeftesalaris; werkeloosheid; pleidooi om inkomen koppelen van prestatie.

[9-3]
Salaris moet geen statusaffaire zijn
Dieter Brüll
(in interview) over: arbeid als marktartikel; door o.a. meer techniek minder werk: is dat werkloosheid of gaan we structureel minder werken?; geen wegwerpartikelen meer; de kracht van consumenten; ontkoppeling arbeid – inkomen: de voorwaarden; inkomen als statusaffaire maakt ontkoppelen loon – arbeid onmogelijk.

[9-4]
Arbeid en inkomen
Lex Bos
over: arbeidsloos inkomen; inkomensnivellering en de gevolgen; uitschakeling prijsvormingsmechanisme; over welk gebied van de driegeleding spreek je, waar bevinden ze zich en moet dat; arbeidservaringen als bijdrage persoonlijke ontwikkeling.

[9-4-1] Betaal ik de juiste prijs?
John Hogervorst over: wat mag/moet een product kosten; zie ik de ander; economie moet persoonlijke verliezen en betekenis krijgen voor de mensheid.

[9-5]
Arbeid als unieke aarde-ervaring
Lex Bos
over: arbeid als koopwaar; werkloosheid; ontwikkeling van Ik-gevoel: incarnatie en emancipatie; ‘in-mancipatie’: samen een opgave vervullen; noodzaak ‘wij’bewustzijn te ontwikkelen; arbeid als ontwikkelingsplek daarvan; aarde als unieke werkplek’; associatie en werkgemeenschap’.

[9-6]
Oneigenlijke polarisering in het arbeidsbestel
Lex Bos over: tegenstelling werkgever-werknemer; gevolgen van natuurwetenschappelijk denken; kapitalisten versus proletariërs; productiemiddelen en eigendomsverhoudingen; nieuwe werkvorm: associatie.

[9-7]
Zinvolle ruimte tussen arbeidstijd en vrije tijd
Lex Bos
over: tegenstelling arbeid-vrijetijd; is die terecht; is er een tussengebied; maatschappelijke verantwoordelijkheid; deze verantwoordelijkheid van producent en consument; associaties; dienstbaarheid versus egoïsme.

[9-8/1]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [1]
Lex Bos over: examens, loon en arbeid, opleidingsniveau en inkomen, passend werk, standenstaat; hiërarchische arbeidsverhoudingen, vormen van werk.

[9-8/2]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [2]
Lex Bos
over: loon en arbeid, loon, arbeid en opleidingsniveau

[9-8/3]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [3]
Lex Bos over: vervlechting loon, capaciteit en functie; centralisme van de staat versus individuele vrijheid; 
sociale driegeleding; sociale hoofdwet; loskoppeling loon – arbeid.

[9-8/4] De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [4]
Dit artikel ontbreekt

[9-8/5] De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [5]
Lex Bos over: het arbeidsbestel is ziek; hoe het gezond(er) te maken: ontkoppeling loon-arbeid en  hiërarchie opheffen.

[9-9] Het basisinkomen is niet genoeg
John Hogervorst over: arbeid; inkomen; basisinkomen

POLITIEK

[10-1]
Europa, labyrint van tegenstrijdigheden
Arnold Henny
over: Europa, ontstaan: de mythe; Minos, minotaurus, Ariadne, Theseus, labyrint; politieke ontwikkelingen; gemeenschapsvorming; nationale staten; problemen bij eenwording.

[10-2]
Europa, blinde vlek op de wereldkaart
Arnold Henny
over: geschiedenis van Europa v.a. 1917; militaire uitgaven en wereldwijde noden; Europa tussen Amerika en Rusland; sociale driegeleding; arbeid als koopwaar; school en maatschappij.

[10-3] Gelooft Europa in Europa
Arnold Henny
over: 1973 ‘het jaar van Europa’; Europa op weg naar eenheid; de plaats van Europa in de wereld; Europa tussen Oost en West;

[10-4] (60 jaar) na de vrede van Versailles
Arnold Henny over: Europa na 1919; zelfbeschikkingsrecht van Wilson’; vredesconferentie 1919; de tragische gevolgen voor Europa; Steiner en Versailles, de sociale driegeleding; de gespannen verhouding van oude en nieuwe ideeën.

[10-5Natuurwetenschap en sociale moraal
A.C.Henny over: koude oorlog Rusland-Amerika; 1848; Marx, communisme; Toynbee; historisch darwinisme; Henny’s visie op hoe de sociale vorm van samenleven (in 1948) ontstaan is vanuit het verleden op basis van Steiners idee over de bewustzijnsveranderingen in de ontwikkeling van de mensheid; oude culturen; symptomatologie; welke sociale moraal; afstamming mens; fascisme; imperialisme; drieledigheid van sociaal organisme: vraagstuk van christelijke samenleving; gevaar van eenzijdigheden; kan dat, een christelijke rechtsorde?; natuurrecht; Hobbes en Locke; gevolgen voor de rechtsorde tot op heden; Steiner
s visie op het rechtsleven in de ‘driegeleding’. 

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

.

1366-1277

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (2)

.

Herinneringen van Hans Kühn aan de eerste jaren van de Driegeleding in Duitsland

Hans Kühn, fabrikant van medische apparaten, is een van de laatst overgeblevenen die in de jaren 1917 – 1924 actief hebben meegewerkt aan de verwerkelijking van de sociale denkbeelden van Rudolf Steiner, de ‘Drieledigheid van het sociale organisme’.
Zijn levensherinneringen zijn onlangs uitgegeven door het Philosophisch-Anthroposophischer Verlag te Dornach, voorzien van een aanhangsel met een aantal documenten uit deze, voor Duitsland en Europa zo beslissende jaren. 1) Het boek is net op tijd voltooid. Hans Kühn heeft de uitgave niet meer beleefd. In 1977 is hij gestorven, 88 jaar oud. Wél heeft hij nog volbewust meegeleefd met de sociale aardverschuivingen van de zestiger jaren: de studentenrevolte. ‘Zijn hoogopgerichte gestalte wekte tijdens deze bijeenkomsten als een vermanende herinnering aan het verleden.’ Aldus schrijft, in het voorwoord van dit boek, Manfred Schmidt Brabant, namens de sociaal-wetenschappelijke sectie aan het Goeetheanum.
Of ook dit boek moet worden gezien als een ‘vermanende herinnering?’ Of, veel meer, als een opwekking voor de toekomst? Het is begrijpelijk dat deze vraag de lezer geen ogenblik met rust laat. Ik kan mij voorstellen dat er lezers zijn die zeggen: ‘Het ware beter geweest wanneer dit boek niet was uitgegeven.’ Wat moeten wij met deze informatie uit een tijd die zó ver afstaat van de onze en geschreven is vanuit een werkelijkheid – Duitsland na wereldoorlog I – die zó sterk verschilt van de werkelijkheid waarin wij thans leven?
Men kan het ook anders zien. Afgezien van de historische betekenis van een dergelijk document, is het toch van belang dat allen, die zich
thans actief inzetten voor sociale driegeleding, zich de vraag stellen: ‘Waarop is destijds deze beweging stukgelopen en vanuit welke verwachtingen van de toekomst hebben destijds zóvelen hun hoop gevestigd op een maatschappelijke doorbraak, waarbij rechtsleven, geestesleven en economisch leven elk een eigen structuur zouden krijgen, autonoom, zonder te vervallen in het oude liberale maatschappijmodel?’

De situatie 1917 -1919 in Duitsland
Hoe groot de verwachtingen zijn geweest die Rudolf Steiner had betreffende de mogelijkheden tot verwerkelijking van de ‘Dreigliederung’, blijkt onder andere uit het feit dat hij in 1917 zijn twee memoranda schreef die hij aan de hoogste regeringsinstanties heeft voorgelegd: in Duitsland aan Von Kühlmann, de minister van buitenlandse zaken, in Oostenrijk aan keizer Karl. De gelegenheid daartoe werd hem geboden via relaties van Graf Von Lerchenfeld en Graf Polzer Hoditz.
In het volgend jaar, 1918, bezocht Rudolf Steiner, via bemiddeling van Hans Kühn, prins Max von Baden. Na dit gesprek bezocht de prins, vlak vóórdat hij tot rijkskanselier werd benoemd, Rudolf Steiner in zijn huis te Stuttgart. Het wachten was toen op de ‘Anntrittsrede’ in de Rijksdag, 3 oktober 1918. Men kan zich de teleurstelling bij Rudolf Steiner voorstellen, toen bleek dat in deze rede geen woord over de nieuwe maatschappijstructuur voorkwam, hoewel Steiner verwacht had dat de nieuwe rijkskanselier ‘de moed zou hebben gehad de idee van de ‘Dreigliederung’ te proclameren als bewijs ener diepgrijpende heroriëntatie en bereidheid tot vrede van het Duitse volk.’

Wat volgde, is algemeen bekend: de revolutie, de vlucht van de keizer naar Holland, en afkondiging van de ‘republiek van Weimar’ vanaf het balkon van het keizerlijke paleis te Berlijn.

Waarom zag Rudolf Steiner in 1917 en 1918 het moment gunstig voor een volledige heroriëntering op maatschappelijk gebied?

In 1917 hadden de Verenigde Staten de oorlog verklaard aan Duitsland. Een oorlog, die volgens president Wilson, niet was gericht tegen het Duitse volk maar tegen ‘de zelfzuchtige en autocratische macht van zijn regering.’ Reeds toen werd een beroep gedaan op het ‘zelfbeschikkingsrecht’ der volkeren, dat later in 1918 werd ingelast als een onderdeel van de 14 punten die de Verenigde Staten als voorwaarde stelden voor de vrede en de toekomstige herstructurering van Europa.

In 1917 brak ook de Russische Revolutie uit in Leningrad. Hier werden eveneens grote toekomstverwachtingen gekoesterd: een wereldrevolutie gebaseerd op de toekomst van een klassenloze samenleving.

Tegenover deze twee maatschappelijke verwachtingen – vanuit het Westen en vanuit het Oosten – stelde Rudolf Steiner zijn verwachting van een drieledige maatschappijstructuur als een opgave van Midden-Europa. Als basis voor een menswaardige vrede.

Inplaats daarvan kwam het verdrag van Versailles. De onderhandelingen daarover liepen vanaf januari 1919 tot juni 1919. In diezelfde tijd hield Steiner een reeks voordrachten over maatschappijvraagstukken en de ‘drieledigheid van het sociale organisme’. Met als begin – in februari – de voordrachten in Zürich in het neutrale Zwitserland, die later – april – in een boek zijn samengevat: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk.’ [1] Aan de hand van de inhoud van dit boek kon nu gewerkt worden in een aantal bedrijven om vanuit ‘bedrijfsraden’ te komen tot een nieuwe ordening van het economische leven.

22 April 1919 werd te Stuttgart de ‘Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus’ opgericht. Een van de eerste activiteiten van deze organisatie was de uitgave van een brochure, ‘Die ‘Schuld’ am Kriege’. Men hoopte daarmee te kunnen aantonen dat Duitsland niet aansprakelijk behoefde te worden gesteld voor de gevolgen van de oorlog, zoals door middel van het verdrag van Versailles dreigde te geschieden. Ter argumentatie dienden een aantal ‘overwegingen en herinneringen’ van de vroegere – inmiddels overleden – chef van de generale staf, Helmuth von Moltke, welke door zijn vrouw ter beschikking werden gesteld. Maar door het ingrijpen van een zijner familieleden – de gezant van Pruisen in de staat Würtemberg – werd deze publicatie verijdeld. Wederom was dit voor Rudolf Steiner een grote teleurstelling. Hij had willen verhinderen dat in het verdrag van Versailles Duitsland de schuld voor het uitbreken van de oorlog op zich nam en aansprakelijk werd voor de gevolgen hiervan. Zoals men weet zijn, op basis van deze schuldbekentenis, aan Duitsland zeer harde vredesvoorwaarden opgelegd. De gevolgen daarvan zijn reeds kort daarna – onder andere door de publicaties van John Maynard Keynes en Harold Nicholson – voorspeld. Pas veel later is gebleken welk een verderfelijke invloed dit verdrag heeft gehad op de economische en staatkundige ontwikkeling van Europa en de wereld.

De Bund für Dreigliederung heeft toch veel belangrijk werk gedaan, onder andere door oprichting van ‘Der Kommende Tag, Aktiengesellschaft für Förderung wirtschaftlicher und geistiger Werte’. Hierdoor ontstond een samenwerking van een aantal bedrijven op associatieve basis, waarvan de winst voor een belangrijk deel ten toede kwam aan culturele instellingen zoals de Waldorfschool, enkele wetenschappelijke researchinstituten, en ziekenhuizen. Men ging er daarbij van uit dat economisch zwakke bedrijven, wanneer deze beantwoordden aan een bepaalde behoefte, gesteund konden worden door sterke, in de verwachting dat met dit voorbeeld als model, een heroriëntatie kon plaats vinden van economische en sociale doelstellingen, athans in de staat Württemberg. Aanvankelijk kreeg men daarbij de steun van een deel van de arbeidersbevolking, ondanks tegenwerking van vakbonden en politieke partijen. Dat deze vernieuwingsbeweging tenslotte het niet heeft kunnen bolwerken tegen de tegenstroom, heeft verschillende oorzaken gehad, deels door inwendige moeilijkheden op het gebied van samenwerking, deels door de toenemende inflatie. Pas in 1924 bleek ‘Der Kommende Tag’ niet meer levensvatbaar en moest hij worden geliquideerd.

Al eerder kondigden zich, in het politieke vlak, de eerste symptomen aan van fervent nationalisme, waaraan tenslotte de republiek van Weimar is bezweken. Rudolf Steiner kreeg hiermee te maken tijdens een voordracht in München in 1922 waar een aanslag op hem werd gepleegd, die hij door uitzonderlijke tegenwoordigheid van geest wist te pareren.

Achteraf bezien, kan men slechts bewondering hebben voor het doorzettingsvermogen waarmee een betrekkelijk kleine groep de weerstanden op economisch en politiek gebied, het hoofd heeft geboden.

Op het gebied van het culturele leven, is een doorbraak gelukt: de oprichting van de Freie Waldorfschule die de moederschool is geworden van een internationale vrijeschoolbeweging, die na 60 jaar* thans wel zijn levensvatbaarheid heeft bewezen.

Kühn brengt ons in contact met de man, aan wiens initiatief deze schoolbeweging is te danken, Emil Molt, de directeur van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Ook hij had een werkzaam aandeel aan de oprichting van ‘Der Kommende Tag’. De tragiek die zich ook hier heeft afgespeeld wordt ons niet bespaard. De aandelen Waldorf Astoria die in de gemeenschappelijke pool waren ingebracht, zijn later langs allerlei wegen in handen gekomen van Reemtsma, de meest geduchte concurrent. ‘Toen Emil Molt vijf jaar later (na de inbreng) in zijn geliefd privébureau zat’ – zo schrijft Kühn – ‘ging de deur open, enkele heren traden binnen en stelden zich voor als de huidige eigenaar van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Men kan zich nauwelijks voorstellen wat er in deze bekwame Emil Molt is omgegaan, hij die zózeer met lichaam en ziel met zijn werk verbonden was. Als een bliksemslag trof hem deze entrée. Wie waren deze heren? Het waren vertegenwoordigers van zijn grootste concurrent, Reemtsma uit Hamburg. Zij wilden doodeenvoudig de concurrerende fabriek stilleggen. Later bleken de heren zo genadig te zijn dat zij er in toestemden dat de fabriek in Stuttgart met 1500 man personeel voor één jaar kon doorwerken en dat het bedrijf het schoolgeld voor de kinderen van de arbeiders bleef doorbetalen.

Toekomstperspectief
Wij behoeven echter niet stil te blijven staan bij deze tragische gebeurtenissen die zich in het begin van de twintiger jaren in Duitsland hebben afgespeeld. De herinneringen van Kühn laten duidelijk zien dat de sociale beweging voor driegeleding niet afgesloten is in 1924 – de liquidatie van ‘Der Kommende Tag’ – of 1925 – het overlijden van Rudolf Steiner.

Wel is duidelijk dat alle activiteiten, beschreven in dit boek, in hoofdzaak werden bepaald door de toenmalige noodsituatie waarin Duitsland verkeerde. Hetgeen niets afdoet aan de vruchtbaarheid van Rudolf Steiners ideeën en de mogelijkheid tot hun verwezenlijking vanuit andere situaties. Dat blijkt ook wel uit het boek. Ik denk hierbij aan het verslag van een discussieavond met arbeidersvertegenwoordigers uit verschillende grote bedrijven in Stuttgart.
Rudolf Steiner spreekt hier over arbeidersmotivatie, in hoeverre deze door andere factoren kan worden beïnvloed dan door het uitzicht op loon of honorarium. ‘Slechts dan kan sprake zijn van een gezonde gemeenschap wanneer iedere prestatie beantwoordt aan een tegenprestatie, wanneer bij de mensen de neiging aanwezig is om voor datgene wat anderen voor hem presteren, een gelijkwaardige contraprestatie te leveren. Dit schijnt weliswaar volkomen in tegenspraak te zijn met wat de huidige economische wetenschap leert. Hoogstens kan men zeggen dat het gezag van de staat dergelijke arbeidsverhoudingen kan afdwingen. Maar men zal zelf wel merken dat wanneer het eenmaal zover is, dit niet vol te houden is, ook al gaat men dan van het beginsel uit dat ‘er geproduceerd moet worden terwille van de consumptie’. Altijd zal daarbij de prestatie in overeenstemming moeten zijn met de contraprestatie. Men kan via de staat arbeidsdwang uitoefenen. Het kan ook zonder die dwang. De meest geraffineerde middelen kunnen worden uitgedacht om deze arbeidsdwang te ontduiken, om zich aan de arbeid te onttrekken. Op den duur zal blijken dat dwang tot arbeid niet vol te houden is. Hoofdzaak is, dat men gaat inzien dat arbeidsdwang niet nodig is wanneer men consequent uitgaat van het beginsel dat, objectief gezien, de prestatie gelijkwaardig zijn moet aan de contraprestatie.’ Met deze, reeds door Proudhon verkondigde leer van de ‘mutualité’ in het arbeidsproces, wordt door Rudolf Steiner een ‘sociale grondwet’ geformuleerd, waaraan in een tijd van steeds toenemende interdependentie van economische betrekkingen niemand meer onderuit kan.

Het blijft een levensgroot vraagstuk van bewustzijnsontwikkeling, dat zeker niet in een handomdraai kan worden opgelost. Hoogstens kan, vanuit een noodsituatie – zoals in Duitsland het geval is geweest – een stroomversnelling optreden. In onze tijd – de tijd van de verzorgingsstaat, vóór en achter het ‘ijzeren gordijn’ – is dit niet te verwachten. Niettemin blijft de objectieve noodzaak bestaan, en dit wordt in de tegenwoordige literatuur over ‘mentaliteitsverandering in het arbeidsproces’ en over ‘de verandering van instellingen van de onderneming’ ook wel ingezien. Men heeft nu echter met een geheel andere situatie te maken dan die in de tijd van 1917 – 1925 in Duitsland.

Dat wordt in het boek van Kühn ook erkend. Want wat heeft zich tussen 1925 en 1979, niet alleen in Duitsland maar ook in Europa en de wereld niet allemaal voltrokken? Door het nationaal-socialisme is in Duitsland een kortsluiting ontstaan in de continuïteit van de geschiedenis tussen het tijdperk vóór 1933 en het tijdperk na 1945. Daarop heeft onlangs nog Richard Lowenthal gewezen in een artikel in ‘Encounter’ (dec. 1978)
Voor Duitsers schijnt het uitermate moeilijk hun eigentijdse geschiedenis nog in verband te brengen met de geschiedenis vóór 1933, de machtsovername van Hitler. Verder is er het verschijnsel van de mentaliteit van de arbeidersbevolking in de verzorgingsstaat. Dat is een algemeen Europees verschijnsel. Een mentaliteit die wel erg verschilt van die, waarmee Rudolf Steiner in 1919 te maken had. Welke verwachtingen had Rudolf Steiner destijds niet van de ‘proletariër’ in Duitsland?

‘Zijn denkvermogen’ zo zei hij ‘is nog onverbruikt. De citroen is nog niet helemaal uitgeperst’ (zoals bij de ‘burgerlijke’ kringen het geval is) ‘Er leeft nog iets attavistisch in hem waardoor hij ontvankelijk is voor wat gezegd kan worden over nieuwe ordening der dingen.’

Wie de voordrachten leest die destijds Rudolf Steiner heeft gehouden voor de arbeiders aan de bouw van het Goetheanum, kan zich voorstellen wélk vertrouwen Rudolf Steiner heeft gehad in de ontvankelijkheid van de arbeidersbevolking voor de spirituele realiteit van een keerpunt op geestelijk, economisch en staatkundig gebied.

Misschien staan wij thans wederom voor een dergelijke ‘Umwertung aller Werte’. Een zekere scepsis ten opzichte van de inmiddels ingetreden ‘verburgerlijking’ van het ‘proletariaat’, is dan wel op zijn plaats. Veel meer is er van de jeugd te verwachten, ook al lijkt het tegendeel, na de doodgelopen révolte van de zestiger jaren. Sterker nog dan in 1919 zijn thans de universiteiten bolwerken geworden van de maatschappijwetenschappen – onder invloed van het natuurwetenschappelijk denken – die eerst doorbroken zullen moeten worden vóórdat er sprake kan zijn van een sociale vernieuwing in de zin van de ‘driegeleding’.

Wél kan men kiemen daarvoor aantreffen in allerlei ‘alternatieve’ werkgemeenschappen – in de landbouw, in het onderwijs, in de gezondheidszorg -waar men de ‘sociale grondwet’ -gelijkwaardigheid van prestatie en contraprestatie – in praktijk wil brengen, met verdere uitwerking van de inzichten van Rudolf Steiner uit de twintiger jaren van deze eeuw. Daar ligt toekomstkracht die kan worden ontwikkeld aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Niet door deze als een ‘onveranderlijk model’ over te nemen, maar vanuit inzicht in de situatie waarvoor de tegenwoordige tijd ons plaatst aan de hand van vragen die ons daarbij worden gesteld.

In die zin kunnen wij dankbaar zijn voor de herinneringen aan ‘Rudolf Steiners strijd voor de toekomstige maatschappijstructuur’, die Hans Kühn ons heeft nagelaten.

Arnold Henny, Jonas 12, *09-02-1979
.

Dreigliederungszeit. Rudolf Steiners Kampf für die Gesellschafts-ordnung der Zukunft.

[1] De kernpunten van het sociale vraagstuk

.

Sociale driegeleding: alle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1365-1277

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/2)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschriftLucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geesteswetenschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 2 (blz. 206-212)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 2

DWAALSPOREN IN HET MENSELIJK OPTIMISME

Het eerste artikel besloot met de gedachte dat uitbuiting en onderdrukking gelijkelijk gebeurt door arm en rijk.

Als we in deze richting gaan nadenken zal het ons allereerst duidelijk worden, dat we de begrippen ‘rijk’ en ‘uitbuiter’ volledig los van elkaar moeten zien. Of men in deze tijd rijk is of arm, dat hangt af van iemands persoonlijke bekwaamheid of van die van zijn voorouders, of van heel andere dingen. Het uitbuiter zijn van de werkkracht van anderen heeft echter totaal niets te maken met deze dingen. In elk geval niet rechtstreeks. Maar des te meer heeft het met iets anders van doen. En wel hiermee, dat onze instellingen, of anders gezegd het ons omringende milieu zijn opgebouwd op het persoonlijke eigenbelang.

We moeten ons dit heel duidelijk voorstellen, anders komen we tot een totaal verkeerde interpretatie van wat wordt gezegd. Als ik vandaag een jas koop, dan blijkt het, volgens de bestaande verhoudingen, heel natuurlijk te zijn dat ik hem zo goedkoop mogelijk probeer te krijgen. Dat wil dus zeggen, dat ik daarbij alleen mezelf in het oog houd. Daarmee echter wordt het uitgangspunt aangegeven dat ons hele leven beheerst. Nu is het niet moeilijk om direct met een tegenwerping te komen. Je kunt zeggen, dat nu juist de sociaal denkende partijen en personen ernaar streven aan deze misstand een einde te maken. Er wordt immers alle moeite gedaan om de ‘arbeid’ te beschermen? De werkende klasse en haar vertegenwoordigers eisen toch loonsverbeteringen en werktijdverkortingen. Hierboven is al gezegd dat gezien vanuit het hedendaagse standpunt ook geen enkele bedenking zal worden geopperd tegen zulke eisen en maatregelen.

Natuurlijk wil daarmee ook weer niet worden gepleit voor de eisen van een of andere bestaande partij. Vanuit het oogpunt, waar het hier om gaat, komt geen enkele partijnaam in het bijzonder in aanmerking, ‘voor’ noch ‘tegen’.

Dat zijn dingen die vooralsnog geheel buiten de geesteswetenschappelijke beschouwingswijze liggen.

Er kunnen nog zoveel verbeteringen ter bescherming van de een of andere arbeidersklasse worden ingevoerd, waardoor dan ook zeer veel kan worden bijgedragen tot de vooruitgang van de levensomstandigheden van deze of gene groep mensen: het wezen van de uitbuiting wordt daardoor niet milder. Want dat hangt daarmee samen, dat de ene mens zich het arbeidsproduct van de andere verwerft om het ten eigen bate aan te wenden. Of ik nu veel heb of weinig: als ik me bedien van wat ik heb om aan mijn eigen behoeften te voldoen, dan moet daardoor de ander worden uitgebuit. Zelfs als ik zijn arbeid bescherm, maar dit standpunt handhaaf, is daarmee in feite nog niets gedaan. Betaal ik het werk van de ander duur. dan staat daar tegenover dat hij ook het mijne duur moet betalen, wil niet door de verbetering van de positie van de ene een verslechtering van die van de ander worden veroorzaakt.

Voorbeeld

Ter verduidelijking zal hier nog een voorbeeld worden gegeven. Als ik een fabriek koop om daardoor voor mezelf zoveel mogelijk winst te behalen, dan zal ik proberen om de arbeidskrachten zo goedkoop te krijgen als maar enigszins mogelijk is en zo meer. Alles wat gebeurt, zal staan onder het oogmerk van het persoonlijke eigenbelang. Koop ik echter de fabriek met de bedoeling om 200 mensen zo goed mogelijk te verzorgen, dan zullen al mijn maatregelen heel anders van schakering zijn. — Zeker is wel dat tegenwoordig in praktijk niet zo erg veel verschil zal kunnen bestaan tussen deze beide gevallen. Dat komt echter enkel en alleen daardoor, dat de alleen staande onbaatzuchtige mens niet zo erg veel tot stand kan brengen binnen een gemeenschap, die voor het overige is gebouwd op eigenbelang. Heel anders zou de zaak er echter uitzien, als de onbaatzuchtige arbeid een algemene zaak zou zijn.

Iemand die ‘praktisch’ denkt zal natuurlijk beweren, dat toch niemand zich door alleen een ‘goede gezindheid’ de mogelijkheid zal kunnen verschaffen, zijn arbeiders betere lonen te bezorgen. Want door welwillendheid verhoog je toch niet de opbrengst van je waren, en zonder dat kun je ook voor je arbeiders geen betere voorwaarden scheppen. En juist daarop komt het aan, in te zien dat deze tegenwerping een algehele dwaling is. Alle eigenbelangen en daarmee alle levensomstandigheden worden anders, als we bij de verwerving van een zaak niet meer onszelf, maar de anderen op het oog hebben. Waarop moet iemand letten die alleen zijn eigen welzijn op het oog heeft? Daarop immers, dat hij zoveel mogelijk verdient. Hoe de anderen moeten werken om zijn behoeften te bevredigen, daar kan hij geen rekening mee houden. Hij moet zijn krachten aldus ontplooien in de strijd om het bestaan. Als ik een onderneming opricht, die mij zoveel mogelijk voordeel moet verschaffen, dan vraag ik er niet naar, hoe het met de werknemers is gesteld, die voor me werken. Blijf ik zelf echter geheel buiten beschouwing, maar gaat het om de vraag hoe mijn werk de anderen dient, dan wordt alles anders. Niets verplicht me dan, iets te ondernemen dat voor een ander nadelig kan zijn. Ik stel dan mijn krachten niet in dienst van mezelf, maar in die van de anderen. En dat heeft een heel andere ontwikkeling van de menselijke vermogens en bekwaamheden ten gevolge.

Robert Owen

Robert Owen kan in zeker opzicht worden gekarakteriseerd als een genie op het gebied van de praktisch sociale efficiëntie. Hij beschikte over twee eigenschappen, die deze benaming ten volle kunnen rechtvaardigen: een tactvolle blik voor sociaal nuttige instellingen en een edele mensenliefde. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat hij door deze beide gaven tot stand heeft gebracht, om de volle betekenis ervan op de juiste waarde te schatten. Hij schiep in New Lanark industriële modelinrichtingen en daarbij betrok hij de arbeiders zodanig, dat ze niet alleen een menswaardig bestaan in materieel opzicht hadden, maar ook in moreel opzicht in bevredigende omstandigheden leefden. De personen, die daar bij elkaar werden gebracht, waren deels aan lager wal geraakt door de drank. Hij zette er betere elementen tussen, die door hun voorbeeld op de anderen inwerkten. En zo werden de gunstigste resultaten verkregen die maar denkbaar zijn. Dit welslagen van Owen maakte het onmogelijk, hem met andere meer of minder fantastische ‘wereldverbeteraars’ — zogenaamde utopisten – op een lijn te stellen. Hij hield zich met zijn organisaties zorgvuldig binnen het bestek van wat praktisch uitvoerbaar was, zodat iedereen, ook degene die afkerig is van alles wat maar met dromerij heeft te maken, rustig kon aannemen dat door deze bedrijven, zij het aanvankelijk op een beperkt gebied, de menselijke nood dan toch wel uit de wereld zou worden geholpen. Bovendien is het nog helemaal niet zo onpraktisch gedacht, te menen dat juist zo’n klein gebied wel eens als voorbeeld zou kunnen werken, en dat er daardoor allengs een in sociaal opzicht gezonde ontwikkeling van het menselijk lot zou kunnen worden gestimuleerd.

Zeker is, dat Owen zelf er zo over dacht. Daarom waagde hij zich nog een stap verder op de weg die hij had ingeslagen. In het jaar 1824 vatte hij het plan op om in Indiana in Noord-Amerika een soort van kleine modelstaat te stichten. Hij kocht een stuk land, waarop hij een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde gemeenschap van mensen wilde vestigen. Alle instellingen werden zo geregeld dat uitbuiting en slavernij iets onmogelijks waren. Wie een dergelijke taak op zich durft nemen, moet over de allerhoogste sociale deugden beschikken: het verlangen, zijn medemensen gelukkig te maken, en het vaste geloof dat de mens van nature goed is. Hij moet de mening zijn toegedaan dat de lust om te werken in deze menselijke natuur vanzelf wel zal komen, als blijkt dat de zegen die op dit werk rust is gewaarborgd door passende instellingen. ln Owen was dit geloof zo sterk aanwezig, dat het wel heel slechte ervaringen moesten zijn, die hem daarin zouden doen wankelen.
En – deze slechte ervaringen deden zich werkelijk voor. Owen moest na langdurig edele pogingen ten slotte erkennen, dat de ‘verwezenlijking van dergelijke kolonies steeds schipbreuk zou moeten lijden, als niet van te voren de algemene zedelijkheid zou zijn veranderd’ en hij meende dat je verder zou kunnen komen door ‘theoretisch op de mensheid in te werken dan langs de directe praktische weg’.
Tot dit oordeel zag deze sociale hervormer zich gedwongen door het feit dat er genoeg werkschuwe mensen bleken te zijn die het werk op hun medemensen wilden afwentelen, waardoor conflicten, strijd en ten slotte het bankroet van de hele kolonie wel moesten volgen.

Mensenkennis

Owens ervaring kan leerzaam zijn voor al diegenen die ook metterdaad bereid zijn iets te leren. Ze kan de overgang vormen van alles wat voor het heil der mensheid kunstmatig in het leven is geroepen en alle daarvoor kunstmatig uitgedachte inrichtingen, naar vruchtbare, met de ware werkelijkheid rekening houdende sociale activiteiten. Door deze ervaring werd Owen grondig genezen van zijn geloof, dat alle menselijke ellende alleen maar zou worden veroorzaakt door de ‘slechte omstandigheden’ waaronder de mensen leven, en dat de goede hoedanigheden die de menselijke natuur eigen zijn, vanzelf aan de dag zouden komen als de omstandigheden worden verbeterd. Hij moest zich er eerst van overtuigen, dat goede instellingen alleen dan zijn te handhaven als de mensen die erbij betrokken zijn een zodanige innerlijke gesteldheid hebben dat ze ook de wil hebben ze deze inrichtingen in stand te houden, en als ze er zich met een warme belangstelling mee verbonden voelen.

Men zou nu in de eerste instantie kunnen denken dat het dus noodzakelijk is om de mensen, die men bij zulke ondernemingen wil betrekken, daar eerst theoretisch op voor te bereiden. Bijvoorbeeld door hun het juiste en doelmatige van de maatregelen duidelijk te maken. Voor iemand die hier onbevooroordeeld tegenover staat, is het helemaal niet zo ver gezocht, iets dergelijks uit het manifest van Owen te concluderen. En toch kun je alleen tot een werkelijk praktisch resultaat komen door dieper op de zaak in te gaan. Het is noodzakelijk om een stap verder te doen, van het pure geloof dat de mens van nature goed is, dat Owen op een dwaalspoor heeft gebracht, naar de ware mensenkennis. Hoe diep de mensen ook doordrongen mogen zijn van de doelmatigheid van bepaalde inrichtingen, die een zegen voor de mensheid zouden kunnen zijn – hoe vast hun overtuiging ook is, ze kan op den duur niet tot het gewenste doel leiden. Want ook al is het inzicht nog zo helder, de mens zal er toch niet die persoonlijke stimulans voor zijn werk uit kunnen halen, die hem anderzijds gegeven wordt door de drijfkracht van het in hem aanwezige egoïsme. Dit egoïsme is nu eenmaal een deel van de menselijke natuur. En dat heeft tot gevolg dat het naar boven komt zo gauw de mens in de maatschappij met anderen samen moet leven en werken. Met een zekere noodzakelijkheid leidt dit ertoe dat in de praktijk de meeste mensen die inrichting voor de beste zullen houden, waardoor ieder voor zich zijn behoeften het beste kan bevredigen. Zo neemt onder invloed van de egoïstische gevoelens op geheel natuurlijke wijze het sociale probleem de volgende vorm aan: welke maatschappelijke regelingen moeten er worden getroffen, opdat iedereen de opbrengst van zijn arbeid voor zichzelf kan krijgen. En vooral in onze materialistisch denkende tijd zijn er maar weinigen die van een ander standpunt uitgaan. Hoe vaak hoort men niet iemand zeggen, alsof het een volkomen vanzelfsprekende waarheid is, dat een sociale ordening, die zich wil baseren op welwillendheid en menselijk medegevoel, een onmogelijkheid is. Er wordt integendeel mee gerekend dat de gehele menselijke gemeenschap pas dan op zijn best zal kunnen gedijen, als ieder voor zich de ‘gehele’ of de grootst mogelijke opbrengst van zijn werk ook zelf kan binnenhalen.

Het tegenovergestelde

Precies het tegenovergestelde hiervan leert ons de geesteswetenschap, die is gegrondvest op een diepergaande kennis van mens en wereld. Zij laat juist zien dat alle menselijke nood enkel en alleen het gevolg is van het egoïsme, dat in een gemeenschap van mensen onvermijdelijk te eniger tijd ellende, armoede en nood moet optreden, als deze gemeenschap op de een of andere wijze op egoïsme berust. Om dat in te zien, is ongetwijfeld een dieper inzicht nodig dan wat hier en daar doorgaat voor sociale wetenschap. Deze ‘sociale wetenschap’ rekent alleen maar met de buitenkant van het menselijk leven, niet echter met de dieper liggende krachten daarvan. Het is zelfs bij de grote meerderheid van de tegenwoordige mensen heel moeilijk om ook maar enig gevoel in hen op te roepen voor het feit, dat er van zulke dieper liggende krachten sprake zou kunnen zijn. Ze beschouwen degene, die hoe dan ook met zulke dingen bij hen aankomt, als een onpraktische fantast. Nu is het echter helaas ook hier niet mogelijk om zelfs maar een poging te doen een sociale theorie te ontwikkelen, die is opgebouwd op dieper liggende krachten. Want daar zou een uitvoerig boekwerk voor nodig zijn. Maar één ding kan wel worden gedaan: er kan worden gewezen op de ware wetten van de menselijke samenwerking, en worden aangetoond welke verstandige sociale overwegingen daaruit volgen voor de kenner van deze wetten. De zaak ten volle begrijpen kan alleen degene zie zich een wereldbeeld vormt, dat is gegrondvest op de geesteswetenschap.

.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 16-07-1976
.

Algemene menskunde:  1-4     1-4-1/1       1-4-1/3

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1341-1253

.

.

.

*