Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/6)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING 6

De techniek als tegenbeeld van menselijke ontwikkeling

In de vorige artikelen [1] werd geprobeerd maatschappelijke verschijnselen te verdichten tot hun essentie en met deze kwaliteit in de ziel naar binnen te kijken op zoek naar eenzelfde kracht.

De verschijnselen die we namen, waren van min of meer institutionele aard. Het verzekeringswezen, de inflatie, het boulevardblad, de nieuwbouwwijk en dergelijke.

We willen in dit artikel dezelfde binnen-buiten problematiek nog van een andere kant aanlopen: de techniek. Wat aan techniek wordt ontwikkeld is de afspiegeling van een bewustzijnsverandering die daaraan is vooraf gegaan. Het mechanistisch-causale denken, zo fundamenteel voor de moderne natuurwetenschap en techniek, is historisch pas mogelijk geworden toen waarneming en denken niet langer door het innerlijk meebeleven van de levensprocessen in het waargenomene werden vertroebeld.

Technisch is het maken van een vacuüm (grondslag van de stoommachine die de industriële revolutie inluidde) pas mogelijk geworden toen de mens innerlijk de ‘horror vacui’ overwonnen had. Met ‘horror vacui’ bedoelde men in de middeleeuwen de angst voor een ruimte waarin geen lucht, geen adem, geen goddelijke geest aanwezig is. . .

Raketten schiet men pas naar de maan op ’t moment dat men dit hemellichaam als een dode slak beleeft en niet als de woonplaats en werkingscentrum van geestelijke wezens (bijvoorbeeld de godin Luna)

Is de techniek op deze wijze beschouwd gevolg van de bewustzijnsveranderingen, anderzijds krijgt men de indruk dat diezelfde techniek ons karikaturen toont van hetgeen wij als volgende stap in de bewustzijnsontwikkeling moeten voltrekken.

We willen de aandacht vestigen op technische prestaties als TV en maanlanding enerzijds en atoomreactor en graafmachine anderzijds. Beginnen we met TV en maanlanding.

In de TV zien we de culminatie van ‘een in de laatste decennia omhoog geschoten ‘beeldcultuur’: geïllustreerde tijdschriften, beeldromans, stripverhalen, bioscopen en diavertoningen. Visuele hulpmiddelen in het onderwijs vormen hiervan de onderbouw. Er is een onverzadigbare honger naar beeldinformatie. Het aantal plaatjes dat mensen per uur kunnen verslinden is verbijsterend.

Er is blijkbaar in de mensenziel een diep onbewust verlangen naar beelden. Als technische beeldmedia niet op deze onderliggende behoefte in konden spelen, zouden ze geen schijn van kans hebben.

Stemer beschrijft vanuit zijn geesteswetenschappelijke onderzoekingen wat de diepere zin van dit verlangen naar beelden is. Hij schildert de
mensheidsontwikkeling als een geleidelijk ontwaken aan de zintuigelijk materiele wereld. Aanvankelijk slapend één met een goddelijk-geestelijke wereld, vond een geleidelijke afsnoering plaats. Met de overgang van de Egyptische naar de Griekse cultuur vindt tevens de overgang plaats van een beeldend-imaginatief bewustzijn naar een abstract-intellectueel denken. Met de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwere tijd wordt ook de waarneming van haar beeldkarakter ontdaan en begint het zintuigelijk-instrumenteel waarnemen (zie 1e artikel in deze serie). Alleen door deze vrijwel volledige afsnoering van de geestelijk-levende werkelijkheid kan de mens tot een wakker en helder ik-bewustzijn komen. Alleen door de kennende relatie tot de wereld te reduceren tot het uiterste kan hij tot zichzelf komen.

Door het oog van de naald kruipt de mens. Hij laat alles achter en verovert daarbij innerlijke vrijheid. Wat gaat hij daarmee doen ‘aan de andere kant van de naald’?

Steiner beschrijft in zijn boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’ [2] dat de eerste stap op de innerlijke scholingsweg gaat in de richting van een imaginatief-beeldend bewustzijn. Niet door weg te dromen in vage fantasieën maar juist door de kracht van het zintuigelijke waarnemen en het verstandelijke denken te versterken. Het wakkere ik-bewustzijn – verworvenheid van het kruipen door de naald – wordt geen moment prijsgegeven. Integendeel, het wordt meegenomen bij het betreden van die wereld waartoe alleen het imaginatieve bewustzijn toegang heeft: de wereld van de tijd, van de levensprocessen, de scheppingskrachten.

De beeldenhonger duidt erop dat er een soort instinctieve drang moet zijn om het bewustzijn uit de abstractie van het begrippen-denken te verlossen en het verder te ontwikkelen in de richting van een beeldend, bewegelijk denken. Dat lukt echter slechts als we het denken zelf, als kracht, versterken. We kunnen dat denken alleen wakker binnenvoeren in de wereld van de levensprocessen, wanneer we wil in het denken binnen brengen.

En dat is nu juist wat systematisch verhinderd wordt door de beeldenwereld die de techniek ons voortovert.

We hoeven de beelden zelf niet op te bouwen. Onze creativiteit wordt lam gelegd en de beelden worden ingetrechterd. We kunnen ons passief overgeven aan een voor geprogrammeerde plaatjesstroom.

Steiner heeft over deze wereld van de levensprocessen (etherwereld) veel gesproken. Hij heeft er onder andere op gewezen dat de maan het hemellichaam is dat in zijn krachtwerking uitdrukking van deze wereld van levensprocessen is. De samenhang van de maan met eb en vloed, met neerslag, met de periode van de vrouw is bekend. Maria Thun heeft in haar onderzoek naar de samenhang tussen het ontkiemen van zaad en de maanstand deze werkingen praktisch hanteerbaar gemaakt.

Het ontwikkelen van het imaginatief-beeldend bewustzijn heeft Steiner ook wel beschreven als het ontwaken in de maansfeer.

Is de ruimtevaart met de maanlanding geen beklemmende uiterlijk-technische projectie van hetgeen wij innerlijk volbrengen moeten? Het beeld van de in het vruchtwater gewichtloos zwevende en met de navelstreng aan de moeder verbonden groothoofdige embryo kan voor ons een beeld zijn van de wereld der etherische levensprocessen.

Het beeld van de in de donkere kosmos gewichtloos rondzwevende gehelmde ruimtevaarders, met een slang verbonden aan het moederschip, is een griezelig-exacte karikatuur van onze volgende bewustzijnsontwikkelings stap. Wanneer we zulke beelden weten te lezen kunnen ze een krachtig appel zijn om deze scholingsweg ter hand te nemen.

Kernreactor

Na het beschrijven van TV en maanlanding als technische prestaties die ons willen manen een innerlijke beeldcultuur op te bouwen, willen we de aandacht vestigen op kernreactor en graafmachine.

Wat gebeurt er in die kernreactoren, waarover zo veel verhitte discussies gevoerd worden door energieleveranciers, milieubewakers, ondergangsprofeten en anti-centralisten?

Een kernreactor is er de technische uitdrukking van dat de mens het rijk van de dode ‘ondernatuur’ tot op de bodem is binnengedrongen. Beginnend bij de mechanica (val- en slingerwetten) via magnetisme en elektriciteit naar de radio-activiteit en de kernsplitsing. Bij deze laatste stap zijn we binnengedrongen in het gebied van de krachten die in de materie schuilen, van de energie die samengebald is in de substantie.

Dit blijkt een gevaarlijk gebied te zijn. Een duister gebied. Het is een gebied dat angsten oproept. Wie de discussies volgt over de bouw van kerncentrales kan op de ondergrond die angst beleven. De politieke, organisatorische en materiële veiligheidsmaatregelen die nodig zijn grenzen aan het onwaarschijnlijke. En nochtans nemen ze het angstgevoel niet weg. Hoe is het mogelijk dat de mens in deze wereld van substantie-vernietiging heeft kunnen doordringen? Is er een gebied in hemzelf dat er mee te maken heeft?

Zo’n gebied is er inderdaad. Het is dat van de stofwisseling. Alles wat zich afspeelt in de onbewuste diepten van onze stofwisselingsorganen heeft te maken met de geheimen van de materievernietiging. Steiner heeft er in zijn medisch-antroposofische voordrachten over gesproken dat er bij de spijsvertering krachten werkzaam zijn die de stof afbreken tot aan de grens van het immateriële. Er vindt in feite geen stofoverdracht plaats van buiten naar binnen, maar het lichaam verdicht de krachten die het aan de uiteenzetting met de vreemde materie (het voedsel) heeft ontwikkeld tot nieuwe substantie, tot bouwstenen voor de eigen lichamelijkheid.

Het is dit gebied van de lichamelijkheid dat het fysieke aangrijpingspunt is over de menselijke wil, in al haar verschijningsvormen van begeerte, drift, instinct tot en met de hoogste vorm van liefde.

Het is ditzelfde gebied dat begint binnen onze bewustzijnshorizon te komen. Het incarnatieproces van dc mens is zo ver voortgeschreden dat het ik geconfronteerd wordt met de klachten die uit de onbewuste diepten van zijn stofwisseling omhoog slaan. Freud, Adler en Jung zijn de eersten die dit gebied onderzoekend betreden.

Sindsdien komt het steeds meer in de aandacht. Door de zwart-magische exercities in het derde rijk, door het onderzoek naar de martelpraktijken, door de golf van seksualiteit en aggressiviteit die door de wereld gaat.

Het gebied is ook ontdekt door ‘therapeuten’ en ‘trancendentisten’, zij hebben praktijken ontwikkeld — en u kunt ze in cursussen die gewoon op de ‘markt’ worden aangeboden ondergaan — om de reserve aan levenskrachten die in de stofwisselingsorganen sluimeren, vrij te maken en de mens daarmee een gevoel van jeugdige frisheid te geven; ze hebben middelen gevonden om de orgaanwijsheid die onbewust in deze wereld werkzaam is, zo in het bewustzijn te tillen dat occulte ervaringen worden opgedaan.

De drempel is overschreden. Het gebied van de stofwisselingskrachten ligt open. Het is een gevaarlijk gebied. Wie niet weet waar hij mee omgaat, welke krachten hij ontketent, welke wezens hij oproept, is uiterst kwetsbaar.

De literatuur met beschrijvingen van zware psychische en geestelijke beschadigingen door het onvoorbereid betreden van dit gebied is groeiende. En toch is het nodig dat het duistere gebied van de wil met bewustzijnslicht doorschenen wordt. De rapide toenemende motivatie-vraagstukken (wat wil ik eigenlijk), wilsverlamming ( ik zie ’t niet meer zitten, van mij hoeft ’t niet meer), verlies aan biografische oriëntatie (wat is de zin van mijn leven) doelstellingsgesprekken (wat willen we met elkaar), maar ook het snel toenemende morele verval, los geslagen seksualiteit, aggressiviteit zijn evenzovele tekenen dat de problemen van de menselijke wil, levend in de stofwisselingsorganen zich met kracht aan de oppervlakte dringen.

Misschien is een atoomreactor — materievernietiger — pas mogelijk geworden nadat in de mens dit gebied zijn taboe verloor en aan de horizon van zijn bewustzijn opdook. Maar misschien zijn de reactoren ook evenzovele manende tekens dat we dit gebied innerlijk moeten veroveren.

Het reeds eerder geciteerde boek van Steiner ‘Hoe ontwikkelt men bewustzijn op hogere gebieden?’ geeft een voor de huidige mens verantwoorde weg om het gebied van de wil in de sfeer van het bewustzijnslicht te tillen.

We moeten er nog een tweede gebied bij belichten en dat brengt ons bij het beeld van de graafmachine.

Als Steiner in 1917 voor het eerst schrijft over de fysieke drieledige mens en de samenhang met de psychische functies van denken, voelen en willen, spreekt hij over het zenuw-zintuigstelsel (aangrijpingsgebied voor het denken), over het ritmische systeem van ademhaling en bloedsomloop (werkingsgebied voor het voelen) en over het stofwisselings-ledematen systeem (waar de wil werkzaam is).

Via het ik grijpt de wil van binnen uit aan in het stofwisselingsgebied en wordt dan via de ledematen tot handeling. Het menselijk willen kan zich alleen via de ledematen kenbaar maken aan de wereld. Deze ledematen zijn als het ware een voortzetting van de stofwisseling naar buiten.

Gebruiken we onze ledematen nog wel? Het beeld van de machinist die (eventueel elektronisch op afstand) een grote graafmachine bedient is representatief voor een stuk technische ontwikkeling dat tendeert naar het stil leggen van de ledematen mens. s Morgens drie stappen naar de auto. Stil zittend (automatische versnelling) laat ik de 70 paarden voor me draven, met roltrap of lift in ’t kantoor naar boven, of naar de werkplaats waar automatische draaibanken alleen nog maar’gecontroleerd hoeven te worden. In de keuken handige apparaatjes waardoor het moeizaam raspen, malen, hakken, roeren overbodig wordt. Op de hobbyzolder wordt niet meer met de hand gezaagd of gevijld. U kunt zelf de voorbeelden aanvullen. Wandelt u in gedachten alle levenssferen door: u zult vinden hoe de techniek systematisch de ledematen-mens op non-actief stelt. (Behalve op zaterdagmorgen om te trimmen!), hoe de techniek onze bewegingsmotoriek tot zwijgen brengt (waarbij het interessant is te bedenken dat de geplande atoomrecktoren de gigantische hoeveelheden energie moeten leveren om deze bewegingsmens volledig lam te krijgen!)

Waar is dat een beeld, een karikatuur van? Wordt ons daar uiterlijk iets getoond wat we eigenlijk innerlijk moeten volbrengen? Ik geloof het wel. Ieder van ons heeft een flink stuk innerlijke dynamiek, nerveuze onrust, emotionele labiliteit in zich. Bij veel mensen krijgt men de indruk van een innerlijk ledematenstelsel dat zij überhaupt niet onder controle hebben. Natuurlijk is het óók goed om door middel van gezonde lichaamsbeweging hier wat van af te reageren. Het probleem ligt mijns inziens echter dieper. Het door innerlijke activiteit tot rust brengen van deze ledematenmens in ons, betekent geenszins een psychische verstarring. In tegendeel. Het betekent een versterking van het bewustzijn in het gebied van de wil, het betekent de ontwikkeling van intuïtie, het geeft de mogelijkheid een subtiel gevoel te krijgen voor hetgeen een situatie van mij vraagt, hoe ik er in moet handelen. Je leert als het ware luisteren met je wil. Kortom, het opent een weg bewuster óm te gaan met het lot. Het beeld van de graafmachine en daarmee van alle techniek die de ledematenmens ontkracht, kan een oproep voor ons worden de innerlijk bewegingsmens onder controle te krijgen. Zoals het beeld van de atoomcentrale ons maant omzichtig maar doelbewust het gebied van de stofwisselings- en seksuele krachten in het bewustzijn te tillen.

Beide technische ontwikkelingen zijn een oproep om bewustzijnslicht naar beneden te zenden in het gebied van de wil, van het handelen, van de ervaring, van het lot.

Zoals de technische verworvenheden van TV en maanlanding een even krachtig appel betekenen wilskracht omhoog te stuwen in het gebied van het denken en waarnemen opdat deze zich verder ontwikkelen tot een imaginatief bewustzijn.

.

Lex Bos, Jonas 19, 21-05-1976
.

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 5   deel 7

[2] Rudolf Steiner GA 10
Vertaling: De weg tot inzicht in hogere werelden

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1494-1401

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/5)

.

Sociale en individuele bewustwording 5

Belasting en wapenindustrie: karikatuur van het schenken

In Nederland wordt 50 à 60 procent van het nationale inkomen via belastingen herverdeeld*. De fiscus zuigt langs talloze kanalen en in talloze vormen meer dan de helft van ons nationale inkomen weg om het langs even zo veel verschillende kanalen toe te spelen aan ambtelijke instanties, gesubsidieerde culturele instellingen en verlieslijdende (semi) overheidsbedrijven… Een immens ambtelijk apparaat is dagelijks bezig om de inkomensstroom nauwlettend gade te slaan, op allerlei punten deze af te tappen en elders heen te leiden. Hoewel Nederland wat dit betreft aardig voorop loop,t zien we in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen dat de overheid als een onverzadigbaar zuigdier een toenemend gedeelte van de inkomensstroom aan zich trekt.

‘Minder belastingen’ is dan ook een geliefde slogan van oppositiepartijen om aan het roer te komen. Het toenemende niveau van gedwongen schenkingen is velen een doorn in het oog. Maar als de oppositie eenmaal aan het bewind is blijkt deze meestal weinig van haar beloftes te kunnen waarmaken. Zou de oorzaak dieper liggen?

Wapenindustrie
We nemen nog een tweede fenomeen erbij, voor we de blik naar binnen richten: de Lockheed-affaire heeft de aandacht nog eens gevestigd op de miljarden verslindende wapenindustrie. Waar blijft die productie? Ze wordt verkocht of gegeven aan de meest verschillende landen. Maar dan? Wat geproduceerd is, wil gebruikt worden. Hoog opgetast militair materieel heeft een soort eigen stuwkracht. Het wil ‘geconsumeerd’ worden. Wie opgeleid is, wil zijn bekwaamheden demonstreren, beproeven. Legerkorpsen kan men niet eindeloos werkeloos in kazernes laten rusten. Zij willen ‘aan het werk’.

En voor de grote (industriële) mogendheden is het niet zo moeilijk om haarden te vinden en aan te wakkeren waar zij hun militaire potentie kunnen beproeven. Wanneer het wapengeweld losbarst, wat gebeurt er dan in feite? Kunnen we de essentie van dat gebeuren proberen als kwaliteit te karakteriseren?

Nemen we het voorbeeld van Vietnam. Het hele oorlogsgebeuren culmineerde tenslotte in een poging de vijand en het land te vernietigen door een tapijt van kogels, projectielen, bommen, raketten, missiles en dergelijke. Ik weet de cijfers niet precies, ze zeggen me ook niet zoveel omdat het te veel nullen zijn, maar er is voor miljarden dollars over dit land uitgestrooid. Ongevraagd geschonken. Het land hoeft er niets voor terug te betalen! Een militaire macht lijkt een vuurspuwend beest, dat zijn ‘gaven’ met gulle hand of beter met gulle muil over het beloofde land uitspuugt.

Vatten we de twee verschijnselen samen: de fiscus die ons verplicht tot steeds grotere schenkingen, het militair apparaat dat met gulle hand anderen ongevraagd begiftigt. Een groot beest dat zich naar de ene kant openbaart als een onverzadigbare zuiger, naar de andere kant als een onuitputtelijke spuger. Verplichte schenkingen worden ongevraagd weggeschonken.

Schenken
Nu we de verschijnselen hebben verdicht tot deze volstrekte karikatuur van het schenkingswezen, kunnen we de blik naar binnen werpen en op zoek gaan naar de gelijksoortige kwaliteit in ons. Hoe gaan wij zelf met schenkingen om? Kennen wij het element eigenlijk wel? Zijn we in staat om van een stuk bezit, van een deel van ons inkomen afstand te doen ten behoeve van een ander? Zijn we in staat werkelijk vrijwillig (qua oorzaak) en onzelfzuchtig (qua bestemming) te schenken? Ieder moet voor zich zelf spreken, maar ik krijg de indruk dat het een sterk onderontwikkeld gebied is in de mens.

Mijn werk in het NPI (Instituut voor organisatieontwikkeling) brengt met zich mee dat ik (met collega’s samen) cursussen geef ter ontwikkeling van samenwerkingsvaardigheden. In het kader van zo’n cursus hanteren we een non-verbale oefening waarbij ieder een aantal stukjes van een aantal legpuzzels krijgt. Ieder moet aan het einde van de oefening eenzelfde regelmatige vijfhoek voor zich hebben liggen. Bij het begin heeft niemand natuurlijk de goede stukken in zijn envelop zodat er stukken van eigenaar moeten wisselen. Nu is daarbij de spelregel dat men geen stukken mag vragen (de oefening geschiedt zwijgend), ook niet mag wegnemen, noch te kennen mag geven dat men een stuk nodig heeft. Men mag bij deze oefening uitsluitend schenken! Voor het ontvangen van stukken is men volstrekt afhankelijk van de giften van de ander.

Schokkende ervaring
Dit spel is voor menigeen een schokkende ervaring. Hij merkt hoe moeilijk het voor hem is te verdragen dat hij voor het bereiken van het eigen doel (de eigen vijfhoek) absoluut afhankelijk is van anderen — en nog moeilijker – dat van hem verwacht wordt dat hij met een grote interesse steeds in zijn omgeving rondkijkt, om te zien wat anderen nodig hebben en of hij hen misschien kan helpen door iets af te staan van zijn ‘bezittingen’.

Bij de evaluatie blijkt hoeveel schenkmotieven er zijn die niet deze dubbele kwaliteit van vrijwilligheid en onzelfzuchtigheid hebben.

Om er een paar te noemen:
. schenken in de verwachting dat je iets terug krijgt
. schenken omdat je met de spullen zelf niets kunt beginnen
. schenken om de grote meneer uit te hangen
. schenken om de ander duidelijk te maken dat hij ook wel eens wat kan schenken (hem als gierigaard aan de kaak stellen)
. schenken uit de overtuiging dat als de stukken maar circuleren tenslotte iedereen wel een keer de stukken krijgt die hij nodig heeft
. schenken omdat ik zo weinig stukken heb dat ik er toch niets mee kan beginnen
. schenken uit een vertrouwen in de specialist. Hij heeft al een vijfhoek gelegd. Hij kan het. Dan zal hij met mijn stukken ook wel wat kunnen aanvangen
. schenken omdat ’t gewoon leuk is iets weg te geven
. schenken uit een soort schuldgevoel: ik heb meer stukken dan de anderen, dat moet vereffend worden

Ook de innerlijk weerstanden tegen schenken komen duidelijk aan het licht, bijvoorbeeld:
. niet zeker weten of de ander iets nuttigs zal doen met mijn geschenk, of hij er wat aan heeft
. moeilijk afstand kunnen doen van wat men opgespaard heeft
. bang zijn niets terug te krijgen Nogmaals: het blijkt niet eenvoudig te zijn om met grote interesse en onzelfzuchtig de omgeving waar te nemen vanuit de vraag: wat is daar nodig en kan ik door schenking helpen?

Waarom is dit zo belangrijk? Kort gezegd omdat een werkelijk vrij geestesleven alleen denkbaar is wanneer het materieel mogelijk wordt gemaakt door een stroom van vrij schenkingsgeld.

Wanneer we over schenken praten denken we niet speciaal aan het cadeautje in de privésfeer of aan de ondersteuning in de sociaal filantropische sfeer (hoewel beide hun bestaansrecht uiteraard hebben) maar aan een veel objectievere schenkingsdaad (of reeks van daden). Schenken uit inzicht in de noodzakelijkheid van bepaalde ontwikkelingen. Dat kan betrekking hebben op mensen en de mogelijkheden die hierdoor worden geschapen voor de ontwikkeling van hun wetenschappelijke of artistieke capaciteiten. Het kan ook betrekking hebben op de ontwikkeling van nieuwe pedagogische impulsen, agrarische vernieuwingen, nieuwe wegen in het medisch-therapeutische handelen en dergelijke.

Overal waar uit de geest nieuwe impulsen op aarde willen komen, moet het schenkingsgeld, zonder condities, dus werkelijk vrij ter beschikking gesteld, de incarnatie mogelijk maken.

Drieledigheid van het geld
In het kader van zijn voordrachten over de sociale drieledigheid heeft Steiner ook gesproken over de drieledigheid van het geld: koopgeld, leengeld, schenkgeld.**

Koopgeld gebruiken we voor de harde producten die reeds gemaakt zijn, en als waar te koop worden aangeboden. Het is een directe ruil van geld en goed.

Als we wat sparen kunnen we dat uitlenen aan mensen die ideeën hebben ontwikkeld en deze nu in productie en producten willen omzetten. Zij vragen om geld teneinde daarmee machines te kopen, ruimtes te huren kortom hun ideeën in concrete producten of diensten om te zetten. Het geld dat we zo lenen — en waarover een rechtsovereenkomst wordt gesloten — komt na enige tijd (met rente) terug. De ondernemer heeft zijn ideeën kunnen realiseren..

Met schenkgeld gaan we als het ware nog een stap verder terug. We kopen er geen producten of diensten voor, we maken er ook niet mee mogelijk dat reeds ontwikkelde ideeën of capaciteiten praktisch bruikbaar worden gemaakt. We maken er mee mogelijk dat nog niet aanwezige ideeën en capaciteiten ontwikkeld kunnen worden. Dat kan alleen in een sfeer van absolute vrijheid gebeuren. Elke commerciële, politieke of ideologische nevengedachte, elke beïnvloeding van de uitkomst, elke beperkende conditie vertroebelt de vrijheidsruimte en verschraalt daarmee de geestelijke oogst.

Voor een werkelijke doorbraak naar spirituele vormen van geneeskunst, onderwijs, landbouw, etcetera is een absoluut vrij geestelijk-cultureel leven nodig. Het complement daarvan is een even vrije stroom van schenkingsgelden.

Vanuit deze optiek wordt het haast choquerend hoe de moderne welvaartstaat inclusief haar fiscaal systeem het schenkingswezen vergiftigt en het haast onmogelijk maakt royaal, vrijwillig en onzelfzuchtig te schenken.

In het kader van deze artikelen rijst dan echter meteen de vraag: hoe is het mogelijk dat dit schenkingswezen buiten ons zó gecorrumpeerd is. Hebben wij daartoe zelf niet de voorwaarden geschapen in ons zelf dit schenkingswezen te laten verkommeren?

Wilsscholing
De drie beelden die we in de laatste opstellen opriepen naar aanleiding van inflatie en afbetaling, assurantie en belegging, fiscus en wapenindustrie verwijzen naar drie innerlijke kwaliteiten die verzorgd willen worden: het beheersen van de koopdrift, het leren bouwen op vertrouwen in mensen en de ontwikkeling van het schenkingsvermogen. Eigenlijk gaat het hier om de ontwikkeling van drie aspecten van de menselijk wil. Het leren omgaan met de begeerte in de wereld der dingen. Het leren vertrouwen op de intenties van een ander mens, de eigen wil terughouden opdat een ander de zijne kan verwerkelijken. En tenslotte het leren offerend schenken opdat objectieve geestelijke wil kan incarneren. En deze drievoudige scholingsweg van de wil leidt — het werd reeds aangeduid — tot een gezondmaking van het geldwezen. De ingehouden begeerte geneest het koopgeld, het op mensen gebouwde vertrouwen (krediet) geneest het leengeld en de offerwil geneest het schenkingsgeld.
.

Lex Bos, Jonas 18,* 07-05-1976

.
* Zie de intreerede van Prof. Brüll ‘Recht en wet’ Fed — Deventer 1975.
** Zie het gelijknamige artikel van Prof. Brüll in ‘Maatschappijstrukturen in beweging deel 1. Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1973.

deel 1   deel 2   deel 3   deel 4   deel 6   deel 7

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1492-1399

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/4)

.

sociale en individuele bewustwording

Verzekering en belegging als schijnzekerheden

De meeste grote steden worden gekenmerkt door een centrum dat vol staat met grote kantoorgebouwen. Er wordt weliswaar door een aantal gemeentebesturen gestreden tegen ‘ver-kantoring’ van het centrum, maar de trend is nauwelijks te stuiten. Banken, verzekeringsmaatschappijen, multinationals, concerns en hotelketens hebben nu eenmaal graag hun hoofdgebouwen dicht bij elkaar in de city.

Een dergelijk city-centrum wil een beeld oproepen van zekerheid, veiligheid en betrouwbaarheid. Binnen de solide muren van de gevestigde orde moet iedereen zich vrij kunnen voelen…

Of zijn diezelfde gebouwen uitdrukking van bureaucratie en technocratie die de vrije mens langzaamaan de adem afknijpen

Laten we eens gaan kijken met wat voor geld al deze gebouwen worden neergezet. Het is niet zo eenvoudig daar achter te komen, want in de financiële wereld wordt veel versluierd. Toch leidt in vele gevallen (via
projectontwikkelingsmaatschappijen, beleggingsconsortia en dergelijke) de weg naar institutionele beleggers: levensverzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen van grote concerns en van de overheid, sociale verzekeringsbanken en dergelijke. Achter deze instellingen staan de verzekeringspremies van miljoenen individuen.

Wat hopen al deze mensen met hun premies te kopen: zekerheid, onafhankelijkheid , in laatste instantie vrijheid. Is dat niet een grandioze illusie?

Misschien kunnen we daar achter komen door een moment stil te staan bij het ontstaan van het verzekeringswezen [1]

Brandbrief
Het verzekeringswezen had vóór ca. 1600 vrijwel uitsluitend het karakter van wederzijdse hulpverlening. In kleine overzichtelijke gemeenschappen was een onuitgesproken recht op hulp. Wie in nood zat mocht bijvoorbeeld met een ‘brandbrief’ rondgaan om geld in te zamelen voor de herbouw van zijn verbrande huis. Vanzelfsprekend gaf men royaal als een ander in nood zat en hij om een bijdrage bij jou kwam.

Datzelfde karakter had de kredietverlening. Er werd geen rente gevraagd en dat betekende wanneer A aan B leent — B betaalt terug zonder rente – daarmee bij B de morele verplichting ontstaat aan A te lenen wanneer deze wat nodig heeft.

Ook de oudedagverzekering lag in de directe persoonlijke afhankelijkheidssfeer. Ouders schenken hun kinderen (op)voeding en huisvesting en verwachten dat de kinderen hen zullen verzorgen wanneer zij bejaard zijn.

Dit netwerk van wederzijdse afhankelijkheden werd steeds meer als een belemmering gevoeld naarmate de mens zich individualiseerde en emancipeerde. Men wilde zich vrij voelen, op zichzelf gesteld en onafhankelijk. Aan die behoefte kwam nu tegemoet de rente en de premie. Met de rente koopt B, die krediet ontvangen heeft van A, de verplichting af A te helpen wanneer die hulp nodig heeft. Later wordt deze kredietverleningtegenrente volledig geïnstitutionaliseerd en geformaliseerd in het bankwezen.

Datzelfde geschiedt in het verzekeringswezen. Door het betalen van een premie aan een instantie verzeker ik mij van het recht geholpen te worden wanneer mij iets overkomt. De instantie heeft de plicht dat te doen. De wederzijdse hulpverlening is geformaliseerd, geanonimiseerd, men kan ook zeggen ver-commercialiseerd. Ik koop zekerheid. Ik hoef geen beroep meer te doen op anderen, ik heb mijn polis en daarin is mijn zekerheid vastgelegd.

Het belang van deze stap — ontvlechten van sociale bindingen door rente en premie — . voor de opbloei van de westerse industriële wereld is nauwelijks te overschatten.

Illusie
De vraag is echter waar deze stap toegeleid heeft. Wanneer we daarbij speciaal naar het verzekeringswezen kijken zien we drie verschijnselen.

Ten eerste blijkt langzamerhand dat het zekerheid kopen en daarmee onafhankelijk zijn van anderen een geweldige illusie is. De afhankelijkheid van burenhulp is ingewisseld voor een anonieme afhankelijkheid van bureaucratische assurantiegiganten die via de kleine lettertjes op de achterkant van de polis de cliënt vrij stevig in de tang hebben. Bovendien maakt de voortsluipende inflatie veel zekerheden tot een aanfluiting.
En tenslotte: als er tegen de tijd dat ik gepensioneerd ben, geen mensen zijn die voor mij willen werken helpen alle polisclausules niet.[2]

Verzieking
Een tweede verschijnsel is de vérgaande verzieking van het assurantiewezen door de noodzaak zich te verzekeren tegen aansprakelijkheden. Met name in de medische wereld in Amerika is het een toenemende praktijk dat patiënten een specialist aanklagen wegens bepaalde medische verrichtingen die hij anders of beter had kunnen doen en waardoor de patiënt op de een of andere manier schade heeft geleden (inkomensderving, schoonheidsverlies, enzovoort). De claims kunnen tot in de tienduizenden lopen — zo niet meer —. Daartegen kan men zich weer verzekeren. De premies hiervoor moeten natuurlijk in de honoraria verwerkt worden. Dit heeft in verschillende Amerikaanse steden zulke vormen aangenomen dat artsen zich uit hun beroep terugtrokken, in staking gingen enzovoort, en daardoor de totale medische voorziening in die steden in gevaar kwam.

Maar ook op andere gebieden sluipt dit kwaad voort. Eigenaren van bijvoorbeeld geparkeerde auto’s, bomen, hekken kunnen onverwacht voor enorme claims komen te staan omdat een slimme jurist de eigenaar van het hek verantwoordelijk weet te stellen voor een ongeluk.

Gigantische kapitalen|
Een derde verschijnsel dat genoemd moet worden voert ons terug naar het begin van dit artikel: de uitwas van het verzekeringswezen voert tot de opeenhoping van gigantische kapitalen die belegd moeten worden. Voor deze belegging zijn de institutionele beleggers geen verantwoording schuldig aan degene wiens premies betaald worden; de spaarders zijn alleen geïnteresseerd in de uitkering t.z.t….

En zo zien wij een vrijwel autonoom proces ontstaan waarbij onvoorstelbare bedragen belegd worden in objecten en projecten die de tendens van deze technisch-industriële wereld alleen maar versterken; men kan ook zeggen: de uiterste consequentie zichtbaar maken van een ontwikkeling die we aan het begin van dit artikel beschreven: ontvlechten van sociale afhankelijkheden, atomisering van sociale structuren.

Vertrouwen
Proberen we ons nu met dit beeld van het moderne kantorencentrum met alles wat daarachter oprijst — via institutionele beleggers — aan zekerheidsillusies en onafhankelijkheidsschijn naar binnen te wenden, dan kunnen we onszelf de vraag stellen: welke kwaliteit, welk onvermogen, wat in ons geeft deze onwikkeling een draagvlak? De afwezigheid van welke kracht voedt dit assurantiewezen?

Bij het zoeken naar een antwoord op deze vragen dringt zich, alles dominerend, steeds één begrip op — althans zo ging ’t mij — en dat is vertrouwen. Vertrouwen is een kracht die we van de grond af op nieuw moeten ontwikkelen. Het is een kwaliteit die voortdurend beschaamd wordt. En geschokt vertrouwen is voor de moderne mens eigenlijk de allerpijnlijkste ervaring. Na de ontbinding van de oude, bloedsgebonden, traditionele, instinctieve relaties tussen mensen, moet de moderne, vrije… verantwoordelijke mens vanuit een totaal nieuwe kracht zijn ik-tot-ik relaties met andere mensen opbouwen.

Oefening
De kracht van het vertrouwen kan zich manifesteren als vertrouwen in ontwikkeling, vertrouwen in de medemens, vertrouwen in het lot, vertrouwen in jezelf. Het is de kracht die zich tegen, men zou beter kunnen zeggen, aan talloze weerstanden moet ontwikkelen, veroverd moet worden. Het lijkt wel of alle maatschappelijke ontwikkelingen eropuit zijn dit vertrouwen te ondermijnen of op z’n minst zeer moeilijk te maken. Het lijkt wel of maatschappelijke inrichtingen steeds meer op wantrouwen worden gebouwd en derhalve bij voorbaat met een muur van controle- en indekkingsmaatregelen worden omgeven.

Toch is ’t interessant dat de maatschappelijke ontwikkelingen het mogelijk maken, ja eigenlijk noodzakelijk maken dat overal de kracht van het vertrouwen geoefend wordt.

De arbeidsverdeling en de daardoor ontstane onderlinge afhankelijkheden binnen het economische leven zijn zodanig complex dat niet meer alles voorschreven kan worden, niet alles voorspeld – en dus verzekerd — kan worden. We moeten op vertrouwen leren bouwen.

Ook in het scheppen van nieuwe samenwerkingsverbanden — bijvoorbeeld tussen producenten, handel en consumenten, of tussen patiënten, artsen en therapeuten in een medische associatie, of in scholengemeenschappen – is een rijk oefenterrein geboden voor het ontwikkelen van deze kracht. En het is interessant dat steeds meer door mensen deze oefensituaties gezocht worden.

Wanneer we het assurantiewezen zich dik zien eten aan ons onvermogen om menselijke relaties op vertrouwen te baseren, dan zou dit steeds een sterk appel moeten zijn aan ons zelf om deze kracht tot ontwikkeling te brengen.

A.H.Bos, Jonas 17, 23-04-1976
.

[1] R.S.H.Mees in Te-recht of on-terecht.
[2]  D.Brüll in Maatschappijstructuren in beweging

.

deel 1   deel 2   deel 3   deel 5   deel 6   deel 7

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1490-1397

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/3)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

KOOPGEDRAG KAN ECONOMISCHE ORDE FUNDAMENTEEL VERANDEREN

De beide vorige artikelen hielden zich bezig met de vraag hoe de maatschappelijke verschijnselen buiten ons samenhangen met psychische processen binnen ons. We hebben getracht aan de hand van een aantal voorbeelden na te gaan of we de kwaliteit van een verschijnsel buiten ons in ons zelf kunnen herkennen. We hielden ons bezig met de ophouw van de Bijlmermeer, met het boulevardblad BILD, met het martelfenomeen en het machtsversehijnsel. Wc konden de desbetreffende kwaliteiten in ons zelf herkennen en daaruit ontstond het vermoeden dat we wezenlijk iets bijdragen aan de problematiek buiten ons, wanneer we deze kwaliteiten in ons zelf omvormen.

We zullen in de volgende artikelen, aan de hand van de verschijnselen inflatie en afbetaling, assurantie en belegging, fiscus en oorlogsindustrie oefenend verdergaan in het leren lezen van tijdsverschijnselen in termen van menselijke (on)vermogens en gedragingen.

Inflatie en afbetaling
Het verschijnsel inflatie is uiterst actueel. Simpel gezegd komt het erop neer dat er meer geld dan goederen in omloop is. De totale waarde van het circulerende geld is groter dan van het aangeboden goederenpakket. Vanuit deze geldmassa komt dus meer vraag naar goederen dan er feitelijk aanwezig is. Wanneer de vraag het aanbod overheerst, gaan in het kader van onze markteconomie de prijzen omhoog of wat hetzelfde is, wordt het geld minder waard.
Dit heeft een hele ketting van gevolgen. Een effectief middel om de prijzen toch nog te drukken en daarmee een redelijke omzet te bereiken, is serievergroting en besparing op dure arbeidskrachten (met het oplopen van de prijzen zijn immers de lonen ook omhoog gegaan). Beide maatregelen leiden in de richting van mechanisatie. Deze noodzaakt tot diepte-investeringen, welke weer aanleiding geven tot omzetvergrotingen teneinde tot een redelijke afschrijving te komen. Bovendien dreigt mechanisatie het aantal arbeidsplaatsen te beperken zodat er miljardeninjecties nodig zijn om weer arbeidsplaatsen te scheppen. Al die groeiende industrieën, die hun omzet vergroten en via méér produktie hogere investeringen afschrijven, zijn tenslotte aangewezen op kopende consumenten. Hun koopdrift moet via indoctrinerende en verleidende reclame tot alle denkbare hoogtes worden opgezweept. In de zestigcr jaren voorspelde reeds de Oostenrijkse socioloog Bednarik dat wij Genesis I moeten herschrijven: niet ‘gij zult produceren in het zweet uws aanschijns’, maar ‘gij zult consumeren in het zweet uws aanschijns.’

Consumentenbegeerte
Het huidige economische bestel kan daarmee voor ons oprijzen in het beeld van een langzaam doldraaiende machine, lopend op de brandstof van de consumentenbegeerte en de kopersdrift.
Natuurlijk vinden we dat een naar beeld. We wijzen het af en plaatsen ons zelf er maar al te graag buiten. Laten we het zoeklicht echter toch eens naar binnen richten, naar ons eigen koopgedrag, onze eigen consumentenattitude.

Uit een recente publicatic blijkt dat een kwart van alle Nederlandse gezinnen consumentenkrediet heeft (variërend van enige honderden tot vele tienduizenden guldens). Dit keurige woord consumentenkrediet staat voor ‘kopen op afbetaling’.
Wat doet u eigenlijk als u op afbetaling koopt? Als u een ondernemer bent is er eventueel geen probleem. U neemt krediet op voor de aankoop van een machine. Terwijl de machine gebruikt wordt –  in waarde afneemt worden er waarden geschapen (de producten die van deze machine komen). In de verkoopssprijs van deze producten zit een stukje ‘afbetaling’… Idealiter is het zo dat wanneer de machine op is, er zo veel producten op geproduceerd zijn dat uit de totale ‘afbetalingsopslag’ die in de prijs van al die producten zit het krediet (plus rente) terugbetaald is. Als u als ondernemer via overleg met de consumenten redelijk verzekerd bent van de afzet van deze producten gedurende de afbetalingsperiode van het krediet, zult u zichzelf als ondernemer niet onder druk zetten door het aangaan van dit krediet, van deze afbetalingsverplichting. Als deze afzet echter niet verzekerd is (anonieme markt) gaat ervan het productiemiddel een enorme druk uit. Er moet geproduceerd worden en er moet dus geconsumeerd worden, want elke maand vervalt er bij de bank een kredietterugbetalingstermijn…

Een extreem voorbeeld van de druk die eruit gaat van een door de consumenten niet gevraagde investering is het supersonische vliegtuig de Concorde!

Kringloop
Terug naar de consument die een gebruiksgoed op afbetaling koopt en daarvoor een consumentenkrediet opneemt. Wat doet hij eigenlijk?

Economiseh gezien draagt hij bij aan de inflatie. Ilij koopt immers iets voor geld dat hij niet heeft, maar dat hij in de toekomst hoopt te verdienen. Dat geld waarmee hij iets koopt moet dus in feite gemaakt worden. Tegenover deze geldschepping staan geen (toekomstige) goederen (zoals bij de producerende fabrikant). In feite draagt de op afbetaling kopende consument dus bij aan de geldontwaarding. En wanneer men hem hoort zeggen “je kunt aan de inflatie verdienen, steek je in de schulden, die worden alleen maar minder’ dan is de kringloop fraai gesloten. Economiseh gezien draagt dus iedereen die op afbetaling koopt bij aan de inflatie!

Wat betekent dit koopgedrag echter psychologisch? Kort geformuleerd betekent het afbetalingssysteem een door de kredietverleners institutionaliseren van de begeerte-economie, van het bevredigen van opwellende koopdriften. De banken adverteren daar ook eerlijk mee. ‘U hebt ineens behoefte aan een dure vakantiereis, u kunt plotseling een prachtige antieke klok kopen, uw vrouw heeft onverwacht een tweede wagen nodig etcetera’. Geen probleem. U gaat naar de bank en de volgende dag gaat u met vakantie, hébt u de klok, rijdt uw vrouw in het tweede wagentje.

En dan? Dan komen de afbetalingstermijnen. Maandenlang, jarenlang. U hebt uzelf in een uiterst onvrije situatie gemanipuleerd. Hoe zal in die tijd uw relatie worden tot de ‘begeerde’ artikelen. Gaat u de klok haten, gaat u het tweede wagentje verwensen, worden de herinneringen aan de dure vakantie vertroebeld… In ieder geval zit u krap. Uw inkomen zou nodig wat omhoog moeten. Zou uw vakbond bij de volgende onderhandeling daar niets aan kunnen doen? En daarmee is dan de complementaire bijdrage aan de inflatie gegeven!

Een ander psychologisch effect is dat de consument in zijn koopgedrag steeds meer producentenargumenten binnensmokkelt en zich daarmee geleidelijk als consument buiten spel zet. Hij beschouwt dan alle kredieten als investeringen waarop hij, via waardescheppingen, kan afschrijven. Het duurdere vakantiereisje kan hij terugverdienen door er artikelen over te schrijven à raison van zoveel gulden per bladzijde; het tweede wagentje maakt het mogelijk dat zijn vrouw werkt en geld binnen brengt. En de antieke klok? Natuurlijk zijn er grensgevallen waar consumptie-artikelen productiemiddelkarakter krijgen. Maar men kan zichzelf daar snel mee om de tuin leiden en komt dan toch onder druk te staan (de artikelen over de vakantie moeten geschreven worden en o wee als ze niet geplaatst worden; en wat te doen als mijn vrouw dat baantje niet vindt of kwijt raakt en ze toch al aan het tweede wagentje gewend is…)

Sparen
We willen, om de hier beschreven psychologische effecten nog duidelijker te schetsen, naast de afbetaler zijn tegenbeeld plaatsen: de langzamerhand als ouderwets bestempelde – spaarders… Ze leggen elke maand wat opzij omdat ze over twee jaar wel eens een duurdere vakantie willen houden, of om een potje te vormen waaruit ze af en toe wat antiek willen kopen of omdat ze aan zien komen dat een tweede wagentje toch wel praktisch is.

Economisch betekent dit dat men spaarkapitaal produceert wat door anderen als ondernemerskrediet gebruikt kan worden. En een modern spaarder zal niet alleen maar geïnteresseerd zijn in hoge rente, maar zal zich primair verantwoordelijk willen voelen voor hetgeen er met zijn geld gebeurt of anders gezegd: wat hij met zijn geld mogelijk maakt. Hij zal eventueel zelfs zijn rente-eisen matigen als hij ontdekt dat daardoor zijn geld niet naar Lockheed of ICI wordt gezogen, maar beschikbaar komt voor een fabriekje voor pedagogisch speelgoed, een onderneming die kleurstoffen produceert op plantaardige basis, of een biologisch-dynamische kaasmakerij op Terschelling…

Associaties
Bovendien zal hij in een aantal gevallen de producent op de hoogte kunnen brengen van zijn voorgenomen koop, van de behoefte die hij in de toekomst denkt te bevredigen. Hij draagt daarmee bij aan een wezenlijke nieuwe economische orde: associaties tussen producent en consument in plaats van het produceren voor een anonieme markt (Westen) of het door de staat geplande productiesysteem (Oosten).

Ten slotte is er nog een laatste belangrijke psychologische dimensie: gedurende de periode dat men spaart kan de begeerte tot wil worden. Men heeft alle tijd om rustig te overwegen of men werkelijk een tweede wagentje wil. Men kan zich bij vrienden oriënteren naar de consequenties. Wil men die ook? Men kan toegroeien naar die dure Afrikareis. Men kan zich erop verheugen, de reis voorbereiden. Misschien ontdekt men tijdens het sparen ook dat het alleen maar een begeerte was en dat men ’t eigenlijk niet werkelijk wil. .
En als het geld tenslotte wordt uitgegeven dan is het voorwerp ook werkelijk van mij. Ik heb voldoende getoetst of ik ’t echt wil. Ik kan er nu nog vrij over beschikken. Geen dwangtermijnen na afloop, hoogstens vrijwillig voortzetten van de spaargewoonte. Geen gedwongen artikelenschrijverij om het vakantiegeld terug te verdienen, hoogstens een vrije productie die niet onder druk gemaakt aan tijdschriften aangeboden wordt.

Samenvatting
Ik kom tot een samenvatting: we beschrijven dit alles in het kader van een artikelenserie: ‘sociale en individuele bewustwording’. We proberen in deze serie duidelijk te maken hoe maatschappelijke verschijnselen samenhangen met individueel gedrag. We zien buiten ons een economisch leven dat meer en meer het karakter krijgt van een door inflatie doldraaiende machine, lopend op de brandstof van de koopbegeerte. We hebben laten zien dat kopen op afbetaling (een kwart* van alle Nederlandse gezinnen heeft consumentenkrediet) in wezen inflatiebevorderend is en het kopen uit opwellende begeerte mogelijk maakt. Ik geloof dat consumenten geen flauw vermoeden hebben hoe zij door een fundamentele wijziging in hun individuele koopgedrag kunnen bijdragen aan een even fundamentele verandering in de economische orde!
.

A.H.Bos, Jonas 16,* 09-04-1976
.

deel 1    deel 2    deel 4   deel 5   deel 6   deel 7

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1488-1395

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/2)

.

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

DE MAATSCHAPPIJ ALS SPIEGEL VOOR DE MENSELIJKE ZIEL

In het vorige artikel werd gewezen op de twee werelden, die de mens kan beleven als maatschappelijke werkelijkheid buiten zich en als innerlijke werkelijkheid binnen zich. Die werkelijkheden verhullen zich echter. Het is niet zo eenvoudig om door te dringen tot die werelden zelf, tot de bron van waaruit hun krachten werken. We hebben voorbeelden genoemd hoe in de afgelopen zeven jaar de toegang tot de beide werelden met kracht geforceerd is. We kwamen tot de voorzichtige conclusie dat de wijze waarop getracht is in deze werelden door te dringen (achter de schermen te kijken) er toe geleid heeft dat men
|
— aan de drempel alleen het boze heeft ontmoet|-bij terugkomst in de ‘gewone wereld’ (na een aktie c.q. een trip) moeite had met de biografische oriëntatie.
— de samenhang tussen de twee werelden niet heeft onderkend.

We eindigden met de vraag hoe we met deze innerlijke en uiterlijke ervaringen zo kunnen omgaan dat de samenhang tussen beide beleefbaar wordt en daarmee de kloof overbrugd tussen mijzelf en die twee werelden.

Daarvoor is nodig dat we een ervaring, een waarneming, tot beeld verdichten en er de kwaliteit van proberen te beleven. Met dit kwalitatieve beeld gaan we nu op zoek in onze eigen binnenwereld, in onze eigen levenssfeer en proberen ervaringen van dezelfde kwaliteit te vinden.

Fantasieloosheid
Laat ik een voorbeeld noemen. Wie de Bijlmermeer nadert en er in rondwandelt kan zich met verbijstering afvragen hoe het mogelijk is dat zoiets gebouwd wordt. Wat voor wezen kan zoiets ontwerpen? Nu gaat ’t erom bij zulke wat vage gevoelens, die meestal verwijzen naar iets negatiefs bij anderen, niet te blijven staan. We kunnen proberen het wezen van deze ervaring te pakken. Wanneer we, bijvoorbeeld bij de terugblik op de dag, deze ervaring tot beeld trachten te verdichten. Het kan zijn dat we dan bijvoorbeeld iets voor ons zien als een groot grauw anoniem beest en dat daarbij de kwaliteit fantasieloosheid naar voren treedt. Daarmee richt ik nu de blik naar binnen. Met dit zoeklicht ga ik rondkijken in de eigen leefwereld. En misschien zie ik ineens voor me dat de wijze waarop ik de afgelopen jaren de weekenden of vakanties heb doorgebracht van een even grauwe fantasieloosheid is. Eén monotone reeks van dezelfde weekend-blokken. Steeds hetzelfde trappenhuis (zaterdagmiddag autowassen), dezelfde galerij (’s avonds bridgen), dezelfde halletjes (uitslapen en kerkgang) dezelfde huiskamer met de tv op een vaste plek (’s middags naar het voetballen kijken). Wie is de architect van deze grauwe monotone weekend-bouwdozen? Zou dit deel van mijn wezen niet in staat zijn een Bijlmermeer te bouwen?

En als ik deze innerlijke Bijlmermeer in beweging breng, deze innerlijke grauwheid wat kleur verleen, zou ik daarmee niet iets verlossen van het wezen dat mij door de Bijlmermeer heen aangrijpt?

Martelen
Een ander voorbeeld: Amnesty International heeft in 1974 over de hele wereld de aandacht gevestigd op het martelen. Wanneer men de berichten daarover hoort en de getuigenverklaringen leest, komt er een gevoel van diepe afschuw boven. Hoe is het mogelijk dat de ene mens dit de andere aandoet? Men heeft de neiging zich vol afgrijzen van het verschijnsel af te wenden of de toorn tot actie te laten worden. Men kan echter ook bij het beeld verwijlen en zich afvragen: wat gebeurt er eigenlijk? Natuurlijk kan het verschijnsel martelen op verschillende manieren gekarakteriseerd worden. Eén wezenskenmerk is in ieder geval dat de ene mens de ander instrumenteel hanteert, als middel tot een doel gebruikt, zijn doel. En dat doel is altijd heilig: de veiligheid van het land, het slagen van de revolutie, het winnen van de oorlog, de uitroeiing van het boze en zo meer.

En in het licht van deze doelstelling is elk middel geoorloofd om van een ander informatie los te krijgen of juist te bereiken dat iemand zwijgt.

Wanneer ik deze sleutel — het instrumenteel behandelen van de ander eenmaal gevonden heb, ga ik er mee op zoek in mijn eigen levenssfeer. Zijn er soms (gedrags)deurtjes waar deze sleutel – kleiner, maar van dezelfde soort – op past? Zulke deurtjes blijken er te zijn. Bijvoorbeeld bij het wegrijden van het benzinepompstation betrap ik me zelf er op dat ik de pompbediende volstrekt instrumenteel behandeld heb. Ik heb hem niet aangekeken, ik heb hem gedachteloos de sleuteltjes aangereikt en hem even onbewust de getekende betaalcheque overhandigd. Ik heb geen flauw idee meer hoe hij er uit zag, wat hij zei, hoe hij handelde. Kortom hij is voor mij niet méér geweest dan het uiteinde van de pompslang!

Nu hoef ik hierover geen zware schuldgevoelens te hebben, want ik was immers op weg naar een belangrijke vergadering (‘ongetwijfeld een bespreking met ‘beleidskarakter’!), ik heb bovendien het bedrag op de cheque aardig naar boven afgerond en tenslotte: waar blijf je als je alle pompbediendes, koffiejuffrouwen, postbodes en dergelijke diep in de blauwe ogen moet kijken om ’s avonds nog te weten hoe ze er uit zagen….[1]

Of zou ’t zo zijn dat wanneer miljoenen mensen op deze onschuldige wijze elkaar instrumenteel hanteren, er een platform geschapen is waarop honderdduizenden op wat minder onschuldige wijze — bijvoorbeeld in consumentenmanipulatie — de ander instrumenteel hanteren. En op dit draagvlak kunnen misschien duizenden op hoogst bedenkelijke wijze anderen voor hun karretjes spannen. En dat geeft wellicht eerst de mogelijkheid voor enkele honderden om op een onmenselijke wijze de ander de duimschroeven aan te leggen. Een soort piramide gebouwd uit dezelfde immorele substantie. Onderaan véél maar in geringe concentratie, bovendien weinig doch vrijwel onverdund. Op die wijze hebben wij de martelende mens in ons ontdekt. Zonder in het minst iets te willen afdoen aan het belang van het werk van Amnesty International, zouden we door het overwinnen van de martelende mens in ons zelf, door het aan de voet slechten van de piramide, niet iets kunnen bijdragen aan het overwinnen van deze problematiek….?

Draak|
Nog een ander voorbeeld. De meesten van ons kennen het blad ‘Bild’: Een Duits boulevardblad van het Springer concern dat in miljoenen oplaag elke dag de grootste sensatieberichten brengt: bij voorkeur lustmoorden, seks schandalen, grootscheepse oplichtingen, onwaarschijnlijke ontvoeringen enzovoort. Dergelijk nieuws is voedsel voor een heel bepaald soort gevoelens en emoties. Bij het kopen van het ochtendblad van vandaag is het voer dat het ochtendblad van gisteren verschafte, reeds lang verteerd. Het heeft een leegte achtergelaten en de ziel hongert naar een nieuwe injectie. Het is als de draak in het sprookje die elk jaar een jonge maagd eist, anders breekt hij vernietigend los. Zo hongert deze sensatie-draak in ons en in een toenemende frequentie en intensiteit naar zijn dagelijks voedsel.

Maar wat wil dat zeggen, is dat zonder betekenis voor de wereld om ons heen? Zijn alleen daden realiteit of kunnen ook gevoelens en gedachten een werking hebben? Wanneer miljoenen hongerige draakjes om een jonge maagd schreeuwen, zou er dan niet ergens één werkelijk voor de bijl gaan? Wanneer al die zielen verlangend uitzien naar de volgende moord waaraan ze zich — met ‘oprechte’ morele verontwaardiging verlustigen kunnen, zou die gepotentieerde begeerte niet een reële zuigkracht kunnen betekenen die zo’n daad aantrekt?

Velen zullen weerstand kunnen bieden aan een innerlijke opwelling zo’n soort daad te verrichten. Maar de mensheidsketting heeft zwakke schakels. Er zijn mensen die, door wat voor oorzaak dan ook (erfelijkheid, opwelling, lot), potentieel tot zo’n daad in staat zijn. En moeten we dan verbaasd zijn als zulke mensen geen weerstand kunnen bieden aan de druk van een massa die eigenlijk van hen vraagt dat zij zo’n daad verrichten? Er moet immers kopij zijn voor het volgende ochtendblad! We kunnen boos worden op de moordenaar, of op Springer, maar hebben we niet zelf de daad begaan, de kopij geleverd?

Machtsconcentratie
Een laatste voorbeeld in dit artikel heeft met macht te maken. Het macht-thema doordringt alle politieke discussies en ook steeds weer sociaal-wetenschappelijke analyses. Machtsconcentraties zijn aan de orde van de dag. Elke fusie, elke schaalvergroting, elke uitbreiding van invloedssfeer doet de macht van steeds kleinere groepen toenemen. Het proces kan ons benauwen. Hoe is het mogelijk dat zich zo veel macht concentreert in zo weinig handen?

Dat gevoel leidt tot bezinning op de vraag, wat die macht dan eigenlijk inhoudt. Zijn die machthebbers zo machtig? Of vinden we op dit niveau de allerhoogste vorm van gedrevenheid, van systeem-knechtschap, van onvrijheid, kortom van machteloosheid?

Ik weet dat een dergelijke benadering een horreur is voor maatschappij-kritische macht-ondergravers. Toch moet een uitlating van Wagner,
president-directeur van de multinational Shell, serieus worden genomen. Hem werd gevraagd hoe hij zich voelde aan de top van zo’n machtig concern. Hij antwoordde: ‘Ik voel mij zittend op de rug van een buitenmaatse Brontosaurus en kijk waarheen hij gaat.’ Dus niet: ‘Ik stuur hem waarheen ik dat wil’ maar ‘ik kijk waarheen hij gaat’. Een teken van groter onmacht is nauwelijks denkbaar!

Vinden we die kwaliteit in ons zelf terug?

Onmacht
Laten we eens met dit onmacht-zoeklicht in onze eigen ziel rondschijnen. Hoe machtig zijn we in het sturen van onze eigen zielenkrachten van denken, voelen en willen?
Het beste is een proef te nemen. Neem een potlood — concreet voor je of in gedachten — en neem je voor gedurende vijf minuten over niets anders te denken dan over dit potlood. Een heldere, beheerste gedachtestroom, die blijft aanknopen bij het potlood. Bijvoorbeeld eerst de vorm beschrijven dan de kleur, dan de functie, vervolgens de materialen waarvan en de wijze waarop het geproduceerd is. Dan bijvoorbeeld de verschillende soorten potloden die er zijn, de historie van het potlood, de herkomst van het woord potlood enzovoort.

Wie de oefening doet, merkt hoe weinig baas hij in eigen denk-huis is. Gedachteketens breken af of stagneren, gedachte-associaties gaan er met je vandoor. Je betrapt je erop dat je niet meer over het potlood denkt maar over de inhoud van het Jonasartikel dat je ermee schrijven wilde of over je vulpen die je nog steeds niet ter reparatie hebt weggebracht…

Het geeft een feestelijk gevoel wanneer het lukt om, al is het maar vijf minuten, een volledige controle over de eigen gedachtestroom te hebben. En als ’t niet lukt komt er direct een gevoel van beschamende onmacht op…

En hoe is het met de gevoelens? Worden we door hen beheerst of hebben we ze in de hand? We kunnen hier niet gaan oefenen zoals met de gedachten. We kunnen echter wel ons zelf waarnemen in situaties waarin gevoelens opkomen. Bij conflictsituaties wanneer tegenslagen mij treffen of juist wanneer het ene succes na het andere mijn deel wordt; in confrontatie met mensen die mij diep antipathiek zijn of mij geweldig ophemelen; in situaties waar mensen dingen door het slijk halen die heilig zijn, of juist met klem iets verdedigen waarvan ik het belang op geen enkele wijze kan inzien. Hoe ga ik op zulke momenten met mijn gevoelens om? Slaan ze door naar verslagenheid, fikse ergernis, verlammende twijfel, angst aan de ene kant en trots, eerzucht, laaiend enthousiasme, blind vertrouwen e.d. aan de andere kant? Of weet ik — zonder gevoelloos te worden — deze opkomende extremen in de hand te houden en daarmee mijn gevoelens tot een sensitief waarnemingsorgaan te maken, waarmee ik in een diepere laag van de werkelijkheid om mij heen doordring?

Ook hier kan men de ervaring op doen dat het nog niet zo eenvoudig is om baas in eigen gevoels-huis te zijn. Nog al te vaak gaan gevoelens en emoties met mij op de loop. En dan kan mij weer dat zelfde gevoel van onmacht bekruipen (pas op dat dat gevoel niet doorslaat, zodat je in vertwijfeling ophoudt met oefenen!)

Wilsoefening
Ten slotte de wil. Wanneer ik mij iets voorneem. Kan ik dat ook uitvoeren? Kan ik bepaalde gedachten als het ware ‘naar beneden sturen’ zodat ze via mijn ledematen tot handeling worden? Wanneer ik dat door een oefening wil nagaan moet ik geen handeling nemen die de buitenwereld me kan verhinderen uit te voeren. Want dan is het niet-lukken al te makkelijk af te schuiven op externe factoren… Nee, ik neem een uiterst simpel voornemen, waarvan niets en niemand me de uitvoering kan beletten. Bijvoorbeeld neem ik me ’s morgens bij het opstaan voor om om 11.00 uur en om 15.00 mijn zakdoek van de ene zak in de andere te doen of iets dergelijks. Waarlijk een al te simpel voornemen. Wie echter dag in dag uit merkt hoe moeilijk dit is, hoe weinig men in staat is zulke voornemens ook precies uit te voeren, beleeft een derde regio van onmacht: geen heer in eigen wils-huis…

Deze oefeningen zijn ontleend aan het boek ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?’ van Rudolf Steiner. Hij beschrijft ze daarin als drie van een zestal basisoefeningen, die ieder die een innerlijke scholingsweg wil gaan, moet blijven doen naast waarnemingsoefeningen, meditaties en dergelijke.

We koppelen nu terug naar het maatschappelijk verschijnsel van de macht. We leerden het kennen als een onmachtig gevangen zijn van mensen in een anonieme systeem-macht. Wat wil het nu zeggen dat wij in ons zelf drie regionen van fundamentele onmacht ontdekt hebben, dat wij nog weinig baas in eigen denk-, voel- en wils-huis zijn? Wanneer talloze mensen deze innerlijke onmacht beleven, scheppen zij daarmee niet een vacuüm, waarin zich, maatschappelijk gezien, een systeem-macht kan nestelen die voor ons denkt, onze gevoelens bespeelt en ons handelen manipuleert? Daarmee kan het waarnemen van de machtsconcentratie buiten ons tot een krachtig appel aan ons zelf worden om systematisch de innerlijke onmacht-gebieden te gaan veroveren!
.

[1] Dit gebruikte Bos al eerder
Daarbij gaf hij nog aan:
*De drie oefeningen die hier beschreven worden vormen een onderdeel van de zes zogenaamde ‘Nebenübungen’. Na de oefeningen voor het denken, voelen en willen volgt nog een 4e (positiviteit), een 5e (onbevangenheid) en een 6e (harmonie tussen de vijf oefeningen). De oefeningen staan beschreven in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden?’ Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen.

.

A.H.Bos – Jonas 15, *26-03-1076
.

deel 1  deel 3   deel 4   deel 5   deel 6   deel 7 

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1487-1394

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/3)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er werden verschillende bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewel ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.

VRIJHEID – FILOSOFISCHE UITGANGSPUNTEN (2)

In het vorige nummer [niet op deze blog] is verteld hoe de filosofie van Kant leidde tot een dualistische opvatting: het bestaan van twee werelden — de ene die wij met onze zintuigen waarnemen en de andere, waarin het eigenlijke wezen van de dingen die wij waarnemen verborgen ligt en waartoe wij geen toegang kunnen krijgen, omdat zich tussen het waarnemen en het denken de voorstelling schuift, De voorstelling, die individueel verschillend, dus subjectief is, waardoor je in jezelf opgesloten blijft.

De voorstelling, die een muur vormt tussen mij en de buitenwereld, tussen mij en het andere – de ander. Door deze opvatting wordt er een grens getrokken tussen mij en de werkelijkheid. Ja, wat is dan de werkelijkheid eigenlijk?

Een diepere behoefte aan het leren kennen van de wereld, van de ander en van mijzelf slaat stuk op deze “gestelde grenzen”. (Wie ben ik, waar ga ik heen, waar kom ik vandaan?)

Het leven met dit dualistisch wereldbeeld gaf voor Kant zelf geen problemen. Hij kon de consequenties ervan aanvaarden vanuit zijn persoonlijke geaardheid. Hij bezat een ingewortelde overtuiging, een vertrouwen dat ook de wereld die hij niet kon kennen zinvol was – hij was tegelijkertijd een wetenschappelijk én een “gelovig” mens.

Deze levenshouding is niet voor iedereen mogelijk. En zeker niet in onze tijd* waar vooral jonge mensen de grenzen van hun bewustzijn willen verruimen. Een vaak nog onbewuste drang naar het kennen van de eigenlijke zin en betekenis van ons bestaan rumoert diep in de zielen, nu de meeste waarden worden uitverkocht en het houvast om ons heen wankelt.

Maar ook in de tijd van Kant was het niet voor iedereen mogelijk om te leven met een dualistisch wereldbeeld in de harmonie zoals dit voor de grote filosoof zelf weggelegd was. Voor sommige denkers, zoals Hegel, sloeg de balans door naar de ideële kant en werd de materiële wereld, inclusief de natuur tenslotte geheel als schijn beschouwd. Klopte de gedachte (idee) niet met de waarneming, “um so schlimmer für die Natur” (“des te erger voor de natuur”).

Van meer betekenis werd echter de invloed van de Engelse filosofen: Locke, Hume, Bacon, die zich juist distantieerden van de ideële inhoud der dingen en die zich zo sterk richtten op de zintuiglijk waaeneembare kant, dat hiermee de filosofische grondslag voor het materialisme werd gelegd. Het dualisme maakte plaats voor een eenzijdig materialistisch monisme.

Voor de beoefening van de wetenschap betekende dit een enorme inperking, een begrenzing van het werkveld. Wat de wijze van werken betreft, leidde de twijfel aan de objectiviteit van de interpretatie van de waarnemingen tot de behoefte aan een uiterst exacte methode. Een methode waarbij bovendien alle resultaten bewijsbaar moesten zijn. Dat wil zeggen dat bij veelvuldige herhaling van proeven onder steeds dezelfde omstandigheden ook steeds dezelfde uitkomsten moesten worden verkregen.

De behoefte aan exactheid leidde tot een nauwkeurig ordenen en rangschikken van de waarnemingen en tot het berekenbaar maken van effecten, Meten, tellen en wegen werden de gangbare werkwoorden en de geijkte werkwijzen. Hiermee werden ook de waarden en kwaliteiten gereduceerd tot kwantiteiten – het kwantitatieve kwam op de troon en vanaf deze troon werd, zouden wij tegenwoordig zeggen, zeer autoritair geregeerd. Wie zou bovendien de wetenschap (lees: de vooruitgang) willen afvallen – wie zou dat odium op zich willen laden?

De wetmatigheden die volgens de kwantitatieve methode te voorschijn kwamen, bleken op een vrij eenvoudig principe te berusten, nl. van oorzaak en gevolg. Het ene komt voort uit het andere. Paste het denken zich hierbij aan, dat wil zeggen volgde het procesmatig een logische aaneensluiting van conclusies, dan konden objectief geldende resultaten verkregen worden,

De strenge gerichtheid van deze methode en de beperking van het werkterrein maakten de stormachtige ontwikkeling van de natuurwetenschappen mogelijk. Fysica, mechanica. chemie, elektronica, namen een geweldige vlucht en door de praktische toepassing hiervan vond een explosieve ontwikkeling van de techniek plaats.

Het zelfbewustzijn van de mens groeide evenredig mee.

Deze hoogst opwindende gang van zaken kon niet nalaten tenslotte een soort overwinningsroes teweeg te brengen. Triomfkreten als “es ist erreichtl” en “wir haben es so herrlich weit gebracht” klinken nog na in de oren van diegenen die voor de eerste wereldoorlog geboren zijn.

Het natuurwetenschappelijk denken kroonde zichzelf uiteindelijk tot heerser over alle rijken der aarde. Ook alle andere wetenschappen, die hiermee weinig of niets van doen hadden, de wetenschappen die zich niet met de dode materie, maar juist met de levende natuur, de kosmos en met de mens bezighielden, werden onderworpen aan dezelfde denkwijze en dezelfde methodiek. Zelfs de kunst en de religie ontkwamen niet aan de greep van de intellectuele hoogmoed.

Terug naar de filosofie – in 1894 beschrijft Rudolf Steiner in zijn “Filosofie der vrijheid” hoe Kant het zichzelf en anderen nodeloos moeilijk gemaakt heeft door waarnemen en denken, waarneming en idee, zo radicaal te scheiden. Steiner constateert dat deze scheiding alleen door de mens zelf innerlijk wordt voltrokken en in de wereld verder nergens voorkomt. Het moet dus voor de mens ook mogelijk zijn weer een brug te slaan – beide gebieden weer te verbinden. Er is één punt waarbij dit zonder meer het geval is en dat is bij het waarnemen van het denken zelf.

Het is in dit kort bestek niet mogelijk een zo grote, stapsgewijze opgebouwde ontwikkeling van deze gedachten te behandelen. Daartoe raadplege men de werken van Rudolf Steiner zelf (Filosofie der vrijheid, Wahrheit und Wissenschaft enz.)

Het gaat daarbij niet om spitsvondige, abstracte gedachtenspinsels, maar om de be-vrijding van het eigen denken en het vinden van de toegang tot de ideeënwereld die de mens in de vrijheid plaatst, hem zijn zelfvertrouwen kan teruggeven en hem “heelt” van het schisma “geloven en weten”, wat onze westerse cultuur zo machteloos en moe maakt.

Het dualisme wordt bij Rudolf Steiner weer monisme, echter geen eenzijdig monisme, maar een monisme dat het waarnemen en het ideële van de dingen verbindt, dat beide omvat.

Dit schept de filosofische grondslag voor de bevrijding van ons denken uit de eenzijdigheid van het materialisme. Wat door de ontwikkeling van het natuurwetenschappelijk denken echter verworven is: de exactheid en het zelfbewustzijn, is van onmisbare waarde voor een verdere vooruitgang. Het is echter onjuist, ja zelfs gevaarlijk om deze vooruitgang in dezelfde richting te blijven zoeken.
.

Annet Schukking Erwin van Asbeck, Geert Grooteschool, Amsterdam *nov.1975

Rudolf  Steiner: GA 4    Filosofie van de vrijheid
idem                     GA 3    Waarheid en wetenschap

.

.

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeledingalle artikelen      onder nr 7 over vrijheid

.

1486-1393

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-3/1)

.
De introductie van dit artikel kan inmiddels al tot de ‘geschiedenis’ worden gerekend. De vragen die Bos stelt, blijven niet beperkt voor dat stukje geschiedenis, maar kunnen ook nu, moeten? ook nu nog (of weer?) gesteld worden. Misschien moeten die wel steeds gesteld blijven worden.
‘De’ maatschappij is een abstractie. De maatschappij: dat zijn wij!

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

maatschappij zonder menselijk gelaat

Vorige maand* sprak Rudi Dutschke op de economische Hogeschool in Tilburg. Men had hem uitgenodigd in verband met de wens van een aantal studenten om het vak marxistische politieke economie in het programma op te nemen. (Dit vak wordt overigens door de sluipende infiltratie van marxistisch georiënteerde docenten, op vrijwel alle sociale academies dagelijks gedoceerd!)

De komst van Rudi Dutschke doet de gedachten terug gaan, iets meer dan zeven jaar geleden, toen hij dagelijks in het nieuws was. Rond 1968 trok er een golf van revolutionair élan door de wereld. Het politiek engagement kreeg de kracht van een stormloop tegen reactionaire bolwerken. Namen als Berkeley, Tokio, Berlijn, Parijs, Amsterdam en niet te vergeten de Praagse Lente, roepen herinneringen op aan een veelbewogen jaar.

Waar is deze golf gebleven? In het begin van de zeventiger jaren zien we nog de nawerking. Democratiseringstoestanden aan allerlei onderwijsinstellingen, maar met een afnemende kracht. Er blijft natuurlijk allerlei ‘hangen’ (zie het begin van dit artikel) maar het élan is eruit. Daar voor in de plaats komt een andere golf opzetten. Een stroom vun sensitivity-seminars, encountergroups, gestalttraining, yoga, trancendente meditatie, bio-energetics enzovoort. Antwoorden op een behoefte aan inkeer, aan ontdekking van nieuwe regionen in jezelf, diepere gevoelens, onvermoede krachtcentra. Wat op dit gebied — deels sterk ver-commercialiseerd wordt aangeboden aan ‘modern’ occultisme is aanvankelijk onschuldig (ontspanningsoefeningen, uitspreken van gevoelens) maar wordt dat allengs steeds minder. Niet alleen door psycho-farmaca maar ook door eenvoudige oefeningen, houdingen en dergelijke worden ‘weekend trips’ over de drempel geadverteerd. Korte maar krachtige ontdekkingstochten aan gene zijde van de afgrond tussen de zintuigelijke en een andere wereld.

Ook de barricadebestormers van de jaren ’68 hebben een drempel beleefd. Ook zij hebben de ervaring gehad van het binnendringen in een andere wereld. Bijvoorbeeld de studenten, wanneer zij langharig en spijkergebroekt binnendrongen in de senaatskamer van de universiteit. Aan de wand de conterfeitsels van alle rectores magnifici sinds anno 17-zoveel; een tafel met groen laken, de ivoren hamer gereed voor de volgende vergadering……..

Of de arbeiders die in hun overall post vatten in de directiekamer van de door hen bezette fabriek. Luie stoelen voor het ontvangen van belangrijke klanten, een brandkast met wie weet wat voor geheime documenten, een voorkamer waarin een sckretaresse haar baas bewaakt…

Of de provo’s die in de gemeenteraad verschijnen en de gevestigde orde op een hoogst ongebruikelijke manier verstoren…

Of de Tsjechische politici die de moed hadden op het partijcongres niet te klappen na de toespraak van de partijvoorzitter…

Zij allen hebben op dat moment iets beleefd van de confrontatie met een andere realiteit, van het binnenstappen in een wereld waarin zij eigenlijk niet thuis hoorden.

Drempelovergang
De ervaringen van de ‘extraverten’ in de eerste helft van de afgelopen zeven jaar, zijn merkwaardig vergelijkbaar met die van de ‘introverten’ in de tweede helft. Eigenlijk zijn beiden met geweld een drempel gepasseerd, hebben zij zich min of meer, onvoorbereid blootgesteld aan het krachtenveld van een verborgen werkelijkheid. De ene groep heeft via agitatie en provocatie de kille machtsgreep van een ongenaakbaar systeem ervaren, de andere groep heeft via een quick-trip de verlokkingen van een illusoire wereld beleefd. Uit gesprekken met mensen uit beide groeperingen krijgt men de indruk dat er bij hen iets kapot is gegaan; dat zij, terug over de drempel, de desillusie hebben beleefd, een verlies aan biografische oriëntatie.

Twee extreme uitslagen, naar buiten en naar binnen. Zonder wisselwerking. De een was weliswaar een reactie op de ander, maar de werelden waarin men binnendrong werden niet in samenhang beleefd. Kwam dat omdat men, door het krachtdadige, onvoorbereide overschrijden van de drempel, aan de andere zijde alleen de karikatuur van een geestelijke werkelijkheid kon beleven?

Geestelijke werkelijkheid
Terugkijkend op deze zeven jaren rijst nochtans de vraag: heeft het krachtenveld buiten me iets te maken met de innerlijke wereld binnen me en heeft het krachtenveld in me verwantschap met de maatschappelijke werkelijkheid buiten me?

Als de krachten van dezelfde kwaliteit zijn. uit dezelfde bron stammen, zouden we dan het proces van individuele bewustwording zo kunnen hanteren dat ook de maatschappelijke werkelijkheid doorzichtiger wordt, en zouden we dan het proces van sociale bewustwording zo kunnen leiden dat we daardoor meer inzicht krijgen op onszelf?

Deze gedachte is velen vreemd. De gedachte dat de mens deel uitmaakt van een geestelijke werkelijkheid die hij langs twee wegen kan ervaren: als maatschappelijke werkelijkheid buiten zich en als psychische werkelijkheid in zich. We zijn immers opgegroeid in de schaduw van Kant, die ‘eens en voor altijd bewees’ dat er grenzen zijn gesteld aan het menselijk kennen en dat hetgeen zich aan gene zijde bevindt alleen object van geloof kan zijn. Deze kloof is historisch lang voorbereid in een proces van geleidelijke individualisering. Deze afsnoering betekende een geleidelijk ontwaken in de zintuigelijke wereld uit een dromend leven in een goddelijk-geestelijke wereld.

Bacon (1561-1626), de grondlegger van de moderne natuurwetenschap, is degene die deze scheiding, deze kloof als het ware methodisch heeft verankerd. Hij had een diep wantrouwen tegen de waarnemende mens: ‘waarnemingen worden vertroebeld door religieuze, mystieke en alchemistische gevoelens. Die zijn subjectief. We moeten de waarnemende mens zoveel mogelijk vervangen door registrerende instrumenten die kunnen meten, wegen en tellen’.

Mens buiten haakjes
Ook tegen de denkende mens had Bacon een groot wantrouwen: ‘gedachten worden vertroebeld door kerkelijke dogma’s, scholastieke vooroordelen en onbewezen openbaringen. Die zijn subjectief. We mogen de denkende mens alleen toelaten in het kenproces voorzover zijn denken zich afspeelt in mathematische formules, en kwantitieve causaliteiten’

In feite werd de mens als waarnemend en denkend wezen buiten haakjes gezet in het kenproces. Daarmee kon de mens in de resultaten van deze wetenschap zichzelf ook niet meer terug vinden. Toen de mens als kennend subject buitenspel stond was het soort wetenschap dat daarna ontstond ook
mens-vreemd. We merken het toch dagelijks meer (bijvoobeeld rondom de debatten over het milieu en over abortus en euthanasie) dat de moderne natuurwetenschap de mens in de kou laat staan, hem geen enkel antwoord geeft over welke wezenlijke vraag dan ook, die hij over de natuur en over zichzelf stelt.

Mensvreemde wetenschap
Deze mensvreemde wetenschap nu wordt vervolgens hanteerbaar gemaakt tot techniek, tot mechanische, chemische, elektrische, waar ook tot psycho-en sociotechniek. En met deze technische hulpmiddelen bouwen we de maatschappelijke werkelijkheid om ons heen. Is het verwonderlijk dat een mens-vreemde wetenschap leidt tot een maatschappij, die geen menselijk gelaat meer heeft? Is het verwonderlijk dat een wetenschap, die een kloof schept tussen de mens en zichzelf, een maatschappij te voorschijn roept die door de mens wordt beleefd als door een kloof van zichzelf gescheiden?

Twee kloven, twee drempels, twee vreemde werelden. Hoe moeten we daarmee omgaan? Moeten we de toegang met geweld forceren? We maken dan iets kapot in onszelf, we blijven met de brokken zitten en komen aan de drempel alleen ons zelf in karikatuur tegen, afdruk van het boze in zijn koude verstarrende of in zijn warme verlokkende vorm.

Hoe moeten we met die drempels omgaan? Kunnen we door een gezond ritme van individuele en sociale bewustwording, door de blik afwisselend naar binnen te richten met een vraagstelling die we van buiten halen, en naar buiten te richten met de innerlijke vraag naar de eigen verantwoordelijkheid in de situatie, kunnen we op deze wijze wellicht ‘de ene kloof met de andere overbruggen’?

Antroposofie
Antroposofie is een moderne scholingsweg waarbij de mens, vanuit de krachten van zijn Ik ontwaakt voor de geestelijke werkelijkheid in hem zelf en voor de geestelijke werkelijkheid in de maatschappij buiten hem. Een weg waarop hij ontdekt dat deze geestelijke werkelijkheden in wezen twee zijden van een zich ontwikkelende spirituele realiteit zijn waarvan hij zelf ook deel uitmaakt.

We willen deze twee wegen — de weg naar buiten en de weg naar binnen -wat concreter beschrijven. We willen aan een aantal alledaagse fenomenen laten zien hoe men deze tot een beeld kan verdichten en de kwaliteit ervan in de eigen ziel als kracht kan herkennen. Vandaaruit kan dan een groeiende zekerheid ontstaan hoe men handelend met deze werkelijkheid om kan gaan.

deel 2   deel 3   deel 4   deel 5   deel 6   deel 7

Lex Bos, Jonas 14-12-03-1976

.
Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1485-1392

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/1)

.

  SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijeschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde. (Dieter Brüll: republikeins en democratisch (nog niet oproepbaar)

ERNST LEHERS:

REPUBLIKEINS, NIET DEMOCRATISCH

Toen Rudolf Steiner vanuit het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart in de eerste jaren van haar bestaan eens gevraagd werd, wat voor een vorm de juiste voor zo’n college zou zijn, gaf hij ten antwoord: Een republikeinse, geen democratische.

In de loop van de volgende jaren, toen we na Dr. Steiners dood worstelden om een doelmatige vorm van samenwerking binnen dit college, werd het ons duidelijk, wat met deze aanwijzing bedoeld werd, en dat daarmee een geheel nieuwe sociale opgave gegeven was die aan de geest van onze tijd beantwoordde. In het beleven en ondervinden van dit worstelen, kon ook duidelijk worden wat de moeilijkheden voor een juiste oplossing van deze opgave zijn. Aan de andere kant bleek, dat aan de Antroposofische Vereniging, die tijdens de “Weihnachtstagung” opgericht werd, juist deze sociale taak in het groot gesteld werd. Rudolf Steiner heeft zelf het beste voorbeeld voor republikeins handelen gegeven, daar hij de oprichting tot in details in de hand had.

Het wel en wee van de Vereniging maakt het wenselijk dat ook eens van deze kant de grondbeginselen belicht worden.

Om niet gelijk met een begripsbepaling te beginnen, begin ik liever met een praktisch voorbeeld dat mij, nog voordat ik kennis genomen had van Dr. Steiners aanwijzing, vlak voor het begin van mijn eigen leraarschap aan een Waldorfschool, opviel. Dit voorbeeld heb ik, vanwege de betekenis die ik er meteen aan toekende steeds levend in mijn herinnering gehouden. Het was na een generale repetitie voor een maandelijks schoolfeest, die ik enige tijd voor mijn verhuizing naar Stuttgart tijdens een voorbespreking met Dr. Steiner had bijgewoond.

Daar hoorde ik twee euritmiejuffen kritiek geven op de volgorde van het programma, waaraan zij met een of meer opvoeringen deelnamen.

Daar hun kritiek eensluidend was, vroeg ik hun verbaasd, waarom ze de volgorde niet veranderden of lieten veranderen. Toen legden zij mij uit dat het een besluit van het gehele college was om aan één collega het bepalen van de programmavolgorde toe te vertrouwen. Tussen de repetities en de generale repetitie had hij deze volgorde vastgelegd, waarna een verandering niet meer mogelijk was. Als iedereen tot op het. laatste ogenblik zich ermee zou blijven bemoeien, zou er nooit iets tot stand komen.

Als wij eenmaal zelf iemand uit ons midden een opdracht gegeven hebben, moeten wij ons natuurlijk bij zijn besluiten neerleggen, al zijn wij het er innerlijk niet mee eens. Had ik toen Rudolf Steiners principiële aanwijzing al gekend (die het college als geheel echter nooit bewust in zich opgenomen had) dan was mij het “republikeinse” trekje hierin meteen duidelijk geweest. Toen hiertegen later zo bedroevend veel gezondigd werd, moest ik vaak aan deze belevenis terugdenken.

Wat onderscheidt een republikeinse van een vroegere theocratisch-hiërarchische bestuursvorm en wat had Rudolf Steiner in de zin toen hij deze in tegenstelling tot een democratische bestuursvorm juist een “republikeinse” noemde?

Zoals wij weten, waren de sociale structuren van de mensheid puur verticaal door de geestelijke leiding van boven af bepaald. Het invoeren en handhaven van deze structuren was voor de ingewijde priesters weggelegd.
De stand waar de leden van deze samenleving toe behoorden, was op grond van de door de geboorte bepaalde bloedsbanden vastgelegd. Daardoor waren de capaciteiten en daarmee de mogelijkheden tot functioneren van de enkeling in de gemeenschap, bepaald. Het was de taak van de ingewijde die de godheid vertegenwoordigde, respectievelijk de godheid die door de ingewijde werkte om deze kwaliteiten op de juiste plaats in te zetten.

In de plaats van deze verordening kwam in Griekenland voor het eerst de democratie; in Rome de Republiek. Van deze democratie maakt men zich echter een verkeerde voorstelling wanneer men het hedendaagse begrip van de democratie hierop toepast. Het woord betekent weliswaar volksheerschappij en het moest uitdrukken dat datgene wat vroeger puur van bovenaf geordend en bestuurd werd, nu in handen van de leden van het sociale organisme zelf gelegd werd. Maar het volk was nog steeds een door bloedsbanden verbonden groep met een gemeenschappelijke groepsziel, waardoor de werking van een bepaald goddelijk wezen ervaren werd.
Op deze groepsziel beriep men zich daarom ook bij alle gemeenschappelijke aangelegenheden en men voelde dat men aan de groepsziel ook verantwoording schuldig was.
We herinneren ons hoe Rudolf Steiner het geval Aristides beschreef, een individualiteit, die zijn tijd ver vooruit was, door zijn medeburgers hoog geëerd en zelfs met de bijnaam “de rechtvaardige” aangeduid werd. Tegelijkertijd werd hij echter verbannen omdat hij uit de groepsziel viel. Pas in Rome verdween deze nog steeds verticale blik naar boven en voor het eerst kwam het begrip van de “socius” van de kameraad op (waaruit dan de uitdrukking “sociaal” met al haar verschillende toepassingen ontstaan is) overeenkomstig de nieuwe in vergelijking met de vroegere horizontale blik. En zo legt de Romein er de nadruk op dat de ordening en regeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden “openbare zaak -res publica- is”.

Wel was het nodig dat het sociale geheel verticaal gerangschikt werd, maar dit kwam voort uit besluiten van de socii, die genomen waren op grond van de hun allen toegankelijke inzichten in de gemeenschappelijke belangen en op grond van hun zelfgevormd oordeel over de geschiktheid van hun medeburgers, die zij een bepaalde functie willen toevertrouwen.

En toch had Rome aan het begin van zijn geschiedenis nog een tot op zekere hoogte kosmisch verbonden koningschap nodig. En het blijkt uit het uitmonden van de romeinse geschiedenis in het keizerschap met zijn zelfvergoding van de almachtige heerser, hoe weinig de mensheid in staat is op den duur meester over een dergelijke sociale ordening te blijven.

Voor ons doel moeten we nog een ander sociologisch begrip verduidelijken, namelijk de aristocratie. Het moderne taalgebruik kent dit woord als aanduiding voor een bevolkingslaag die zich door een bepaalde bloedsband van andere lagen onderscheidt. Met deze bloedsband waren rechten en plichten van een hogere aard binnen de menselijke maatschappij verbonden die echter tegenwoordig, niet meer gelden.
Daarmee is dit woord echter ver afgedwaald van zijn oorspronkelijke betekenis. Want ten eerste betekent het letterlijk een sociale ordening en geen stand, net als het woord democratie, en ten tweede betekent het op zich een heerschappij der besten, waarbij het sociale “beter-zijn” echter door de bloedsband bepaald was.

In de strijd tegen de traditionele aanspraken van een verticale “aristocratische” sociale ordening die puur en alleen gebaseerd is op door bloedsbanden bepaalde voorrechten, kwam in de nieuwe tijd het begrip van de democratie op, nu echter zonder die antieke relatie met de bovenzinnelijke kant van de “demos”. Ieder maakt in dezelfde mate deel uit van het volk en bepalen als gelijken onder elkaar hun gemeenschappelijke aangelegenheden.
Het is niet mogelijk en ook niet nodig om er hier in detail verder op in te gaan, hoe dit tot het parlementarisme heeft geleid met zijn verschillende systemen van vertegenwoordiging van groepsbelangen door gekozen vertegenwoordigers en hoe door de methode van de meerderheidsbesluiten de uitwerking wan de sociale impuls die op zich aan de eisen van de tijd voldeed, juist tegengehouden werd. (Zie voordracht III in “Geschichtliche Symptomatologie” gehouden op 20 oktober 1918 in Dornach GA. 185).

Het is echter juist deze vervalsing – veroorzaakt door de aanvankelijk bestaande onbekwaamheid van de mensen van de nieuwe tijd om voor de nieuwe sociale impuls de overeenkomstige begrippen te vormen – die tegenwoordig in de Westerse wereld algemeen als democratie wordt aangeduid. Op dit begrip van de democratie had Rudolf Steiners aanwijzing “niet democratisch” betrekking.

We willen nu proberen om aan de hand van het begin geschetste voorval uit het leven van de Waldorfschool te verduidelijken wat in tegenstelling tot de democratie, in de laatst genoemde betekenis, een republikeinse gemeenschapsordening is.
Graag knoop ik daarbij nog eens aan bij mijn ervaringen, die ik opdeed tijdens de lange periode als Waldorfleraar.

De lerarenconferenties van onze scholen zijn altijd in een pedagogisch en een organisatorisch gedeelte opgesplitst (met verschillende namen voor dit laatste gedeelte). Het is dit laatste gedeelte waar wij vaak het moeilijkst vat op kunnen krijgen, juist omdat het de scholingsbasis voor het nieuwe sociale gedrag vormt. Wij willen ons daarom hier slechts bezighouden met dit organisatorische gedeelte. Het is kenmerkend dat dit gedeelte in een school met een directeur niet bestaat. Want alleen daar waar de “zaak” (res) van de school een aangelegenheid is van alle leraren (publica) is zo’n organisatorisch gedeelte nodig.

In zo’n college heeft dus elk lid het recht en de plicht om over alle interne of externe aangelegenheden betreffende de school geïnformeerd te worden. Ook heeft elk lid het recht en de plicht om aan gemeenschappelijke meningsvorming over de te nemen maatregelen voor het bestuur van de school – in het groot en in detail – mee te werken. Voor de uitoefening van afzonderlijke zaken zoals – de relatie met de overheid met de ouders, het beheer van de financiën, het beheer van de gebouwen en de leermiddelen enz. het voorzitterschap van de conferentie – zijn mensen nodig die deze functies toevertrouwd krijgen.

Zij worden door het college benoemd vanuit het gezichtspunt dat zij op dat moment de “besten” voor deze functie zijn. Deze benoeming mag en moet – om voor de hand liggende redenen, waar wij echter nog dieper op in zullen gaan – in het algemeen voor een bepaalde tijd gelden.

De duur van deze tijd wordt ook gemeenschappelijk vastgelegd. Indien de gemeenschap op deze in eerste instantie democratische wijze een hiërarchie van functionarissen opbouwt, is de relatie hiertoe vanaf dat moment niet meer puur democratisch.
Want nu wordt die regel van kracht, waarvoor ik het eerder geschetste voorbeeld uit het leven van de school ter verduidelijking aanhaalde.
Want voor de duur van hun ambtsuitoefening vormen deze functionarissen t.o.v. het college een “aristocratie” met wiens maatregelen het volk in moest stemmen. Bij deze tussenfase van democratie naar de ware republiek die zoals hier duidelijk wordt geenzins in tegenstelling tot het ware begrip van de aristocratie staat, komen nu echter twee wezenlijke factoren naar voren. Als men hier niet steeds rekening mee houdt en ze bewust handhaaft, dreigt de republiek voortdurend of tot een pure democratie of tot een oligarchie (heerschappij der weinigen) te vervallen. Het zijn deze factoren waartegen vanuit de menselijke aard steeds weer gezondigd wordt en het is een ware kunst deze te herkennen en in ons levenspatroon op te nemen. Maar daarin schuilt nu juist de moeilijke, maar eigenlijke sociale taak. Want zoals we zullen zien is dat niet zonder een offer van beide kanten mogelijk.
Als de functionarissen eenmaal hun taak op zich hebben genomen, moeten zij deze naar beste weten kunnen vervullen. Maar een mens kan nu eenmaal op zijn best werken als hij in meerdere of mindere mate creatief bezig kan zijn. Daarvoor moet hem echter de mogelijkheid geboden worden vrije initiatieven te ontplooien, want slechts dan is hij in staat vanuit zijn ik te werken. Daarbij mag hij dus niet worden gehinderd omdat men er zich voortdurend democratisch mee bemoeit, of zelfs op democratische wijze besluiten over zaken neemt die op zijn terrein liggen en hem dan ook nog dwingt deze uit te voeren. In de praktijk is het al niet meer makkelijk om op dat punt een stapje terug te doen. Want de functionaris wordt door de groep weliswaar gekozen omdat hij naar verhouding de beste is, maar niemand is volmaakt en het kan gebeuren, dat in het ene of andere geval een niet functionaris de zaak werkelijk beter had gedaan. Dan moeten zij achter hun besluit om een enkeling uit te kiezen, blijven staan en moeten zij elke consequentie van de handelwijze van de functionaris aanvaarden en broederlijk met hem dragen. Als hij op den duur ongeschikt blijkt te zijn, dan heeft men de mogelijkheid hem na afloop van zijn ambtstermijn – of in uitzonderingsgevallen reeds eerder, hem door iemand anders te vervangen.
Maar een vermeend of, werkelijk falen in zijn functie mag er echter niet toe leiden dat men de verdere ontplooiing van zijn vrije initiatieven beperkt of verhindert. Want dan zal hij stellig steeds meer fouten gaan maken! En terwijl men denkt dat hij zelf het bewijs aangedragen heeft om zijn capaciteiten te wantrouwen, ziet men niet dat men daaraan zelf schuldig is.
Toen ik in het begin van de jaren twintig lid van de Vereniging werd, waren er in Stuttgart veel van zulke “lijken”, een uitdrukking die Dr. Steiner zelf gebruikte.

Ik kan mij nog menig geval herinneren, waarbij het college van leraren in de democratie was afgegleden, waarbij de kracht van het individu om initiatieven te nemen verlamd en zelfs bijna geheel vernietigd was.

En daaraan veranderde ook niets toen men van meerderheidsbesluiten afstapte in de veronderstelling dat daardoor de democratie vermeden zou worden, en men unanimiteit tot een voorwaarde voor besluitvorming maakte. De betreffende functionaris kon dan wel een goed bedacht plan ter tafel brengen, maar de tegenspraak van slechts één collega was al genoeg om de uitvoering van het plan te vrhinderen. Velen stelden zich dan gerust met de gedachte dat er “tenminste” niets gebeurde.

Maar in werkelijkheid ligt deze situatie geheel anders. Ik wil dit illustreren aan de hand van het beeld dat vóór het ter tafel brengen van het initiatief in het college een “nulniveau” met een positief veld erboven en een negatief veld eronder bestond. Door het inbrengen van het initiatief ontstaat in eerste instantie een situatie boven het nulniveau. Als het initiatief echter op de geschetste manier de grond in geboord wordt, zakt de situatie niet op het nulniveau terug maar zakt even ver eronder als het voordien erboven lag.
Op deze wijze worden in het levensorganisme van een dergelijke instelling geestelijke lege ruimten gecreëerd, waarin juist het tegenovergestelde van de goede geesten van de betreffende groep mensen gaan werken.
De zaak ligt anders als door de ruggenspraak van de functionaris met de groep de functionaris zelf ervan overtuigd is geraakt dat hij beter niet of anders moet handelen.

Maar dat brengt ons op het andere aspect van het hier besproken sociale probleem. Ondanks de grote “aristocratische” vrijheid, van de functionarissen moet de “res” immers een “publica” blijven, de zaak is de zaak van de gemeenschap.
Dat maakt het noodzakelijk dat de groep voortdurend door juiste informatie de hun betreffende belangen in het bewustzijn heeft, en wel zo dat de enkelingen over de voorwaarden beschikken om een objectief oordeel te kunnen vormen en daardoor de functionarissen doelmatig te kunnen adviseren. Aan de kant van de functionarissen bestaat het gevaar dat het bij hun taak behorende aristocratische element in oligarchie ontaardt, als zij op grond van hun behoefte om hun handelingsvrijheid te behouden de groep niet genoeg informatie verstrekken, noch rekenschap afleggen. Deze situatie ontstaat gemakkelijk juist daardoor dat de groep haar adviesrecht overschrijdt doordat zij, zoals reeds werd geschetst, de in haar kring geuite meningen als richtlijnen aan de functionarissen proberen op te dringen. Het is zijn plicht om serieus naar elke mening en elk advies te luisteren, of en in hoeverre hij ze voor zijn handelen gebruikt, is zijn eigen keuze.

“Vrijheid opofferen ter wille van een hogere vrijheid”, heeft Rudolf Steiner eens als motto voor geestelijk verplichtende menselijke samenwerking gebruikt. Zonder dit is een echte republiek of zoals wij haar nu misschien wel mogen noemen een echte aristo-democratie niet mogelijk. Als men er aan beide kanten elke dag weer naar streeft het noodzakelijke offer te brengen – aan de kant van de “demos”: het handelen van de “aristoi” als zelf gekozen lot te aanvaarden en mede te dragen en aan de kant van de aristoi: aan de “demos” de rol van het eigen bewustzijnsorgaan toe te kennen – dan ontstaat er tussen twee polen een ritmische tussensfeer waarin het ik van de gemeenschap tot leven kan komen.

De atmosfeer die ontstaat doordat er met de wederzijdse belangen welwillend rekening gehouden wordt, maakt dat het lichaam van de gemeenschap daarin gezond kan ademen.

In het oorspronkelijke artikel gaat Lehrs met de hieronder staande woorden verder. Voor het onderwerp van het besturen van een vrijeschool is het niet direct onmisbaar, vandaar dat het in de genoemde Erziehungskunst* niet is opgenomen.

Als iemand meent dat het proces van het oprichten van de Vereniging kerstmis 1923 geen in de geschetste zin republikeins proces is geweest en dat de opbouw van de Vereniging niet republikeins is, dan heeft hij beide niet wezenlijk begrepen. Men zou geneigd zijn te geloven dat het in dit geval anders ligt omdat Rudolf Steiner als ingewijde in de zin van de door hem beoogde vernieuwing van de mysteries – overeenkomstig de vroegere mysterieleiders – de Vereniging vanuit de geest heeft opgericht en haar zijn geestelijke fundamenten heeft gegeven.
Zeker had men hem nodig met al zijn capaciteiten om dit allemaal op deze manier tot stand te kunnen brengen. Maar voor het republikeinse element betekende het slechts een metamorfose, niet de vervanging door een wezenlijk ander element.
Ja, zoals wij nog zullen zien, geldt iets wat men eigenlijk slechts op een gebeurtenis als de Weihnachtstagung zou willen toepassen principieel wel degelijk voor elk republikeins georiënteerd sociaal streven.

Laten we eens beschouwen hoe Dr. Steiners positie als voorzitter van de Vereniging tot stand is gekomen. Het is echt niet zo gegaan dat hij een vereniging heeft opgericht met zichzelf als voorzitter en hij ons dan gevraagd heeft om er lid van te worden. Integendeel, hij heeft ons aangeboden met hem samen een vereniging op te richten en hij was bereid er voorzitter van te worden. Hij stelde als voorwaarde dat wij een bepaalde groep mensen als zijn medewerkers in het bestuur zouden accepteren, want slechts samen met deze mensen zou hij het werk kunnen doen. Toen ervoer men voor het eerst dat als een sociaal principe van onze tijd vrijheid tegenover vrijheid kwam te staan, zoals wij later nog vaak zouden ervaren, en hoe hij zelf uitdrukkelijk verklaarde dat dit voor de handhaving van de esoterische school gold. [1]

Want wij hadden de vrijheid om dit voorstel te accepteren en Rudolf Steiner had de vrijheid door de condities die met zijn voorstel verbonden waren. Zijn positie werd pas reëel toen wij onze toestemming aan zijn keuze van medewerkers gegeven hadden. Hij heeft daarna dit bestuur wel voortdurend en nadrukkelijk als esoterisch aangeduid.

Maar dit betekende slechts dat de redenen waarom deze persoonlijkheden als de voor deze taak meest geschikten beschouwd konden worden uit een wereld stamden die boven de zintuiglijke waarneming en het verstandelijke oordeel uitging. Daarmee appelleerde hij niet aan ons oordeel over deze mensen, maar aan ons oordeel over hemzelf als iemand die in staat was in deze esoterische wereld objectief onderzoekingen te kunnen verrichten.
Al zijn handelen had ons de basis gegeven voor dit oordeel. Desondanks vond hij het niet overbodig om aan de toenmalige vergadering de leden van het op te richten bestuur een voor een voor te stellen met een korte karakterisering van enige eigenschappen, die zintuiglijk waarneembaar waren. Dan liet hij elk lid apart door acclamatie bevestigen. Hij wees er toen nadrukkelijk op dat dit bestuur niet op de normaal gebruikelijke wijze door verkiezing was ontstaan, dus niet langs democratische weg, [2] maar het was in de juiste zin van het woord republikeins. En hoe geduldig heeft hij dan het publiek uitleg gegeven en hun vragen over elke paragraaf in de grondbeginselen van de vereniging gedetailleerd beantwoord.
Aansluitend liet hij elke paragraaf apart door de aanwezigen bekrachtigen. Alles werd zo gedaan dat de nieuwe “res” ook werkelijk een “publica” zou worden. Daartoe behoorden alle antroposofen uit die tijd. Want de vergadering werd immers geheel in de trant van wat er in alinea 2 van de grondbeginselen staat, gehouden: “De vaste kern van deze vereniging wordt gevormd door de Kerstmis 1923 bijeengekomen persoonlijkheden, zowel de enkelingen als ook de groepen die zich lieten vertegenwoordigen. De algemene vergaderingen die in de toekomst gehouden zouden worden waren dan ook niet anders bedoeld. [3]

Rudolf Steiner betrok dus allen tezamen bij zijn handelingen en hij sloot daarvan niet eens de daad van de geestelijke grondsteenlegging uit. Natuurlijk was hij bij dit cultische gebeuren in zekere zin een hogepriesterlijke bemiddelaar tussen de geestelijke werelden en de aarde.
Maar men kan in de grondsteen lezen hoe consequent hij de aanwezige aardse zielen aanspreekt en ze bij elke stap van de handeling actief betrekt.
In plaats van verdere voorbeelden te noemen die gemakkelijk te vinden zijn als men het oprichtings(procedé?) bestudeert, wil ik het liever over een aanwijzing hebben die Rudolf Steiner mij na de Weihnachtstagung gaf.

Deze aanwijzing belicht de andere kant van de Republikeinse opbouw, geheel op de wijze zoals wij het in het bovenstaande hebben trachten te verduidelijken. Het was in verband met een bepaalde vraag over de afdelingen dat hij mij met als voorbeeld de medische afdeling het volgende zei:
Niet alle artsen in de wereld kunnen door persoonlijke aanwezigheid in contact treden met de afdeling en dit contact onderhouden. Daarom moet er op den duur een correspondentie tussen de leiding van de afdeling en de artsen ontstaan, doordat er brieven aan de leden van de afdeling worden gestuurd met informatie maar ook met vragen waarop dan antwoorden binnenkomen die op hun beurt weer tot gevolg hebben dat de leiding van de afdeling opnieuw een brief schrijft (hierin herkent men de ene pool van de republikeinse opbouw). Maar alle correspondentie zou wel aan mevrouw dokter Wegman gericht moeten zijn. Brieven over aangelegenheden betreffende de medische afdeling die aan hem gericht waren zou hij ongelezen in de prullenbak doen verdwijnen. Terwijl ik naar deze woorden luisterde moest ik aan de uitspraak over de “lijken” in Stuttgart denken.
En blij merk ik op, dat hierdoor de levensstroom voortdurend naar de nu eenmaal voor deze functie verantwoordelijke persoon geleid werd, – voor deze opgave de “beste”- zodat hij door deze stroom beïnvloed, steeds “beter” kan worden en niet door omleiding van de stroom verdroogt tot hij zo “slecht” is geworden, waartoe hij door degenen die de stroom omgeleid hebben reeds bij voorbaat veroordeeld was.

Dit moge voldoende zijn om te laten zien dat het feit dat Rudolf Steiner als ingewijde de vereniging – met zichzelf als voorzitter – heeft helpen oprichten en hij in deze hoedanigheid haar een esoterische grondsteen en een esoterisch bestuur heeft gegeven, wat niet uitsloot dat deze een republikeinse levensvorm kreeg.

Nu moet nog aangetoond worden dat een gewone werkgemeenschap als zij, maar republikeins leeft, zich fundamenteel nauwelijks onderscheidt van hetgeen eigenlijk slechts door het initiatief en de persoonlijke betrokkenheid van de ingewijde kan ontstaan. Wij hadden het eerder over de geboorte van het “groeps-ik” van een dergelijke gemeenschap en over de gezonde ademhaling van haar organisme, die kan ontstaan als men de van beide kanten noodzakelijke offers blijft brengen. Dit wil ik nog op de volgende manier illustreren.

Rudolf Steiner heeft het eens gepresteerd om tijdens de stijgende inflatiegolf voor een toekomstig gebouw bij het bekijken van de tekeningen van de architect een veel hoger bedrag te noemen dan de architect, wat het gebouw uiteindelijk tegen de verwachting van de architect in, ook werkelijk ging kosten. Toen hem werd gevraagd hoe hem dit gelukt was, antwoordde hij dat men daarvoor imaginatieve vermogens moest hebben. Daardoor kon men de juiste prijs van de dingen gewaarworden.

Op de volgende vraag hoe men dan echter ooit op de genezing van de economie kon hopen, zolang de daarin werkenden deze imaginatieve vermogens niet bezaten (het was ten tijde van de Driegeledingsbeweging), antwoordde hij dat hij voor dat doel de associatieve opbouw van de economie had aangegeven.
Want als meerdere mensen met bewustzijn elkaar in welwillende uitwisseling ontmoeten, dan kunnen zij samen bereiken, wat een enkel mens met bewustzijn pas door inwijding op hoger gebieden kan bereiken. Dat is een algemeen geldende wetmatigheid.

Zo mogen we dus zeggen dat indien er voorwaarden zijn die passen bij het wezen van de echte republiek de gemeenschap zulk een karakter krijgt dat daarin het initiatieprincipe tot het principe van de sociale vorming wordt. Ook dit hoort dus bij de inspanningen in de zin van de vernieuwing van de mysteriën die Rudolf Steiner als taak van de op de Weihnachtstagung opgerichte vereniging gesteld heeft.

Hoe moeilijk het echter is om de daarvoor noodzakelijke offers – zowel van de kant van de oligarchie als van de kant van de democratie te brengen, heeft de geschiedenis van de antroposofische vereniging tot nu toe pijnlijk bewezen.

Ernst Lehrs, Mededelingen ‘Anthroposophischer Arbeit in Duitsland, jaargang 1956, nr.3’.
In *’Erziehungskunst jrg. 52, nr. 1-1988 gaat Ernst Lehrs opnieuw in op zijn eigen artikel, zoals dat hierboven staat.

In dezelfde Erziehungskunst staat een antwoord van Dieter Brüll: Republikeins EN democratisch.

[1] ‘Bij wat ik in eerste instantie als 1e klasse vorm zou willen geven, gaat het erom de verhouding tussen de leiding en het individuele lid in zekere zin als een vrije verdragsverhouding moet worden voorgesteld, maar als een vrije verdragsverhouding die men daadwerkelijk aangaat. Zodat de leiding zich op geen enkel ogenblik zich gebonden voelt om wat dan ook maar in de 1e klasse gedaan moet worden, met een lid te doen, wanneer het lid de tegenverplichting niet op zich neemt. Dus het gaat werkelijk om een vrije verdragsrelatie.’
Als bron wordt gegeven: ‘Die Kondition der Freien Hochschule für Geisteswisschaft, Dornach 1944, blz. 42/3. Deze titel vinden we terug in GA 260a
De juiste blz. kon ik daarin nog niet vinden.

[2] ‘Er werd gezegd: het bestuur wordt gevormd; daarbij is erop gewezen dat dit noch gekozen, noch benoemd is, maar als een vanzelfsprekend, door de redenen die opgenoemd zijn, voorlopig benoemd bestuur, vanuit de zaak een voorlopig benoemd bestuur, dus bij deze oprichtingsvergadering vastgelegd is…..Dan verzoek ik u nu niet in de zin van stemmen zoals eerder stemmen ging, maar met het gevvoel: u doet dit grondkarkater van de leiding van een echte antroposofische vereniging recht, ik vraag u daarmee in te stemmen dat dit bestuur hier voor de oprichting van de antroposofische vereniging gevormd wordt.’ (Langdurig applaus).
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

[3] Dit blijkt uit de volgende passage uit de protocollen van de Kerstbijeenkomst:
De heer Donner, Helsinki: ‘bij dit punt (jaarlijkse algemene vergadering in Dornach) is het wel een vraag of de verenigingen uit de verschillende landen eerst hun eigen algemene vergadering moeten houden en dat dan pas de algemene vergadering van de Antroposofische Vereniging wordt gehouden. Of het praktisch is dat dit iedere keer gebeurt?”
Dr.Steiner: ‘Het zou misschien wel heel praktisch kunnen zijn, wanneer de gewoonte zou ontstaan dat de landenverenigingen eerst hun vergadering zouden houden, waarin ze hun afgevaardigden benoemen voor de onderhavige vergadering en dat er dan in een volgende vergadering verslag zou worden gedaan van wat hier is gebeurd. Dat zou weleens de beste gewoonte kunnen worden.’
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

.


100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1474-1382

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-2/2)

.
Hoewel de voorbeelden in het artikel gedateerd lijken, is het niet moeilijk voorbeelden te vinden die in onze tijd dezelfde geest ademen. De gedachten die Bos rond deze voorbeelden ontwikkelt, zijn echter nog steeds uiterst actueel (de ‘sensatiedraak’: nu internet en smartphone?) en kunnen een hulpmiddel zijn bij onze eigen sociale ontwikkeling.

DE SOCIALE WERKELIJKHEID (2)

DE MAATSCHAPPIJ ALS SPIEGEL VOOR DE MENSELIJKE ZIEL

Het eerste fenomeen waar we oefenend mee bezig willen zijn, is dat van de moderne woningbouw. De tijd van de massale rechthoekige betonnen blokkendozenbouw heeft misschien zijn hoogtepunt gehad, (hoewel deze de kantorenbouw nog ongeremd doorgaat) maar de blokkendozen zelf zijn daarmee nog niet weg!

Er zijn mensen die beweren dat al die drukte om bijvoorbeeld de Bijlmermeer geen hout snijdt, want ‘het blijkt’ dat je er best in kunt wonen! Toch kan degeen die onbevooroordeeld in de Bijlmer – om dit extreme voorbeeld nog maar eens te noemen – rondwandelt zich met verbijstering afvragen hoe het mogelijk is dat zoiets gebouwd werd. Wat voor wezen kan zoiets ontwerpen? Nu gaat het erom bij zulke wat vage gevoelens, die meestal verwijzen naar iets negatiefs bij anderen, niet stil te blijven staan. We kunnen proberen het wezen van deze ervaring te pakken, wanneer we bijvoorbeeld bij de terugblik op de dag, deze ervaring tot beeld trachten te verdichten. Het kan zijn dat we dan iets voor ons zien als een groot grauw anoniem beest en dat daarbij de kwaliteit fantasieloosheid naar voren treedt.

Daarmee richt ik nu de blik naar binnen. Met dit zoeklicht ga ik rondkijken in mijn eigen leefwereld. En misschien zie ik ineens voor me dat de wijze waarop ik de afgelopen jaren de weekends of vakanties heb doorgebracht van een even grauwe fantasieloosheid is. Eén monotone reeks van dezelfde weekendblokken. Steeds dezelfde ingang (zaterdagmorgen winkelen, ’s middags auto wassen), dezelfde galerij (’s avonds bridgen), dezelfde halletjes (zondags uitslapen en kerkgang), dezelfde huiskamer met de tv op een vaste plek (’s middags naar het voetballen kijken).

Wie is de architect van mijn grauwe monotone weekendbouwdozen? Ben ik dat niet zelf? Zou dit deel van mijn wezen niet in staat zijn een Bijlmermeer te bouwen? En als ik deze innerlijke Bijlmermeer in beweging breng, deze innerlijke grauwheid wat kleur verleen, zou ik daarmee niet iets verlossen van het wezen dat mij door de Bijlmermeer heen aangrijpt?

Piramide van immorele substantie
Een ander voorbeeld: Amnesty International heeft sinds 1974 over de hele wereld de aandacht gevestigd op het martelen. Wij zijn aan die berichten gewend geraakt. Men kan met huivering vaststellen dat veel mensen er zich nauwelijks meer over opwinden. Het hoort bij het vele dat we in de wereld om ons heen anders zouden wensen, maar niet kunnen veranderen. We wenden er ons vanaf en berusten. Ik geloof niet dat dat goed is. We moeten ons er wel mee bezig houden. Maar hoe? Ook daarin schuilt een ‘binnen-buiten’ oefening. Wanneer men de berichten over het martelen hoort en de getuigenverklaringen leest, komt er een gevoel van diepe afschuw boven. Hoe is het mogelijk dat de ene mens dit de andere aandoet? Men heeft de neiging zich vol afgrijzen van het verschijnsel af te wenden of de toorn tot actie te laten worden. Men kan echter ook bij het beeld verwijlen en zich afvragen: wat gebeurt er eigenlijk? Natuurlijk kan het verschijnsel martelen op verschillende manieren gekarakteriseerd worden. Eén wezenskenmerk is in ieder geval dat de ene mens de ander instrumenteel hanteert, als middel tot een doel gebruikt, zijn doel. En dat doel is altijd heilig: de veiligheid van het land, het slagen van de revolutie, het winnen van de oorlog, de uitroeiing van het boze en zo meer. En in het licht van deze doelstelling is elk middel geoorloofd om van een ander informatie los te krijgen of juist te bereiken dat hij zwijgt.

Wanneer ik deze sleutel – het instrumenteel behandelen van de ander – eenmaal gevonden heb, ga ik ermee opzoek in mijn eigen levenssfeer. Zijn er soms (gedrags)deurtjes – kleiner, maar van dezelfde soort – waar deze sleutel op past? Zulke deurtjes blijken er te zijn. Bijvoorbeeld bij het wegrijden van het benzinepompstation betrap ik mezelf erop dat ik de pompbediende volstrekt instrumenteel behandeld heb. Ik heb hem niet aangekeken, ik heb hem gedachteloos de sleuteltjes aangereikt en heb even onbewust de getekende betaalcheque overhandigd. Ik heb geen flauw idee meer hoe hij er uitzag, wat hij zei, hoe hij handelde. Kortom: hij is voor mij niet meer geweest dan het uiteinde van de pompslang.

Nu hoef ik hierover geen zware schuldgevoelens te hebben, want ik was immers op weg naar een belangrijke vergadering (ongetwijfeld een bespreking met ‘beleidskarakter’!), ik heb bovendien het bedrag op de cheque aardig naar boven afgerond en ten slotte: waar blijf je als je alle pompbediendes, koffiejuffrouwen, postbodes en dergelijke diep in de blauwe ogen moet kijken om ’s avonds nog te weten hoe ze er uit zagen…?

Of zou het zo zijn dat wanneer miljoenen mensen op deze onschuldige wijze elkaar instrumenteel hanteren, er een platform geschapen is waarop honderdduizenden op wat minder onschuldige wijze – bijvoorbeeld in consumentenmanipulatie – de ander instrumenteel hanteren? En op dit draagvlak kunnen misschien duizenden op hoogst bedenkelijke wijze anderen voor hun karretjes spannen. En dat geeft wellicht eerst de mogelijkheid voor honderden om op een onmenselijke wijze de ander de duimschroeven aan te leggen. Een soort piramide gebouwd uit dezelfde immorele substantie. Onderaan véél maar in geringe concentratie, bovenaan weinig doch vrijwel onverdund. Op die wijze hebben wij de martelende mens in ons ontdekt. Zonder in het minst iets te willen afdoen aan het belang van het werk van Amnesty International: zouden we ons door het overwinnen van de martelende mens in onszelf, door het aan de voet slechten van de piramide, niet iets kunnen bijdragen aan het overwinnen van deze problematiek?

Sensatiedraak
Nog een ander voorbeeld. De meesten van ons kennen het blad ‘Bild’: een Duits boulevardblad van het Springerconcern dat in miljoenenoplage elke dag de grootste sensatieberichten brengt: bij voorkeur lustmoorden; seksschandalen; grootscheepse oplichtingen, onwaarschijnlijke ontvoeringen enzovoort. Dergelijk nieuws is voedsel voor een heel bepaald soort gevoelens en emoties. Bij het kopen van het ochtendblad van vandaag is het voer dat het ochtendblad van gisteren verschafte, reeds lang verteerd. Het heeft een leegte achtergelaten en de ziel hongert naar een nieuwe injectie. Het is als de draak in het sprookje die elk jaar een jonge maagd eist, anders breekt hij vernietigend los. Zo hongert deze sensatiedraak in ons in een toenemende frequentie en intensiteit naar zijn dagelijks maal. Hij maakt ons verslaafd aan dit soort voedsel.

Maar wat wil dat zeggen, is dat zonder betekenis voor de wereld om ons heen? Zijn alleen daden realiteit of kunnen ook gevoelens en gedachten een werking hebben? Wanneer miljoenen hongerige draakjes om een jonge maagd schreeuwen, zou er dan niet ergens één voor de bijl gaan? Wanneer al die zielen verlangend uitzien naar de volgende moord waaraan ze zich – met ‘oprechte’ morele verontwaardiging – verlustigen kunnen, zou die gepotentieerde begeerte niet een reële zuigkracht kunnen betekenen die zo’n daad aantrekt?

Vélen zullen weerstand kunnen bieden aan een innerlijke opwelling zo’n soort daad te verrichten. Maar de mensheidsketting heeft zwakke schakels. Er zijn mensen die, door wat voor oorzaak dan ook (erfelijkheid, opwelling, lot) tot zo’n daad in staat zijn. En moeten we dan verbaasd zijn als zulke mensen geen weerstand kunnen bieden aan de druk van een massa die eigenlijk van hen vraagt dat zij zo’n daad verrichten? Er moet immers kopij zijn voor het volgende ochtendblad! We kunnen boos worden op de moordenaar, of op Springer, maar hebben we niet zelf de daad begaan, de kopij geleverd?

Macht en onmacht
Een laatste voorbeeld heeft met macht te maken. Het machtthema doordringt alle politieke discussies en ook steeds meer sociaal-wetenschappelijke analyses. Machtsconcentraties zijn aan de orde van de dag. Elke fusie, elke schaalvergroting, elke uitbreiding van invloedssfeer doet de macht van steeds kleinere groepen toenemen. Het proces kan ons benauwen. Hoe is het mogelijk dat zich zoveel macht concentreert in zo weinig handen?

Dat gevoel leidt tot bezinning op de vraag, wat die macht dan eigenlijk inhoudt. Zijn die machthebbers zo machtig? Of vinden we op dit niveau de allerhoogste vorm van gedrevenheid, van systeemknechtschap, van onvrijheid, kortom van machteloosheid? Ik weet dat alleen al een dergelijke vraagstelling een horreur is voor maatschappij-kritische macht-ondergravers. Toch moet een uitlating van Wagner, oud-president-directeur van de multinational Shell, serieus worden genomen. Hem werd gevraagd hoe hij zich voelde aan de top van zo’n machtig concern. Hij antwoordde: ‘Ik voel mij zittend op de rug van een buitenmaatse brontosaurus en kijk waarheen hij gaat’. Dus niet: ‘Ik stuur hem waarheen ik wil’, maar: ‘Ik kijk waarheen hij gaat’. Een teken van groter onmacht is nauwelijks denkbaar! Vinden we die kwaliteit in onszelf terug?

Laten we eens met dit onmacht-zoeklicht in onze eigen ziel rondschijnen. Hoe machtig zijn we in het sturen van onze eigen zielenkrachten van denken, voelen en willen?

Het beste is een proef te nemen.* Neem een potlood – concreet voor je of in gedachten – en neem je voor gedurende vijf minuten over niets anders te denken dan over dit potlood. Een heldere, beheerste gedachtenstroom, die blijft aanknopen bij dat potlood. Bijvoorbeeld eerst de vorm beschrijven, dan de kleur, dan de functie, vervolgens de materialen waarvan en de wijze waarop het geproduceerd is. Dan bijvoorbeeld de verschillende soorten potloden die er zijn, de historie van het potlood, de herkomst van het woord enzovoort.

Wie de oefening doet, merkt hoe weinig baas hij in eigen denkhuis is. Gedachtenketens breken af of stagneren, gedachten-associaties gaan er met je vandoor. Je betrapt je erop dat je niet meer over het potlood denkt maar over de brief die je ermee wilde schrijven of over je vulpen die je nog steeds niet ter reparatie hebt weggebracht… Het geeft een feestelijk gevoel wanneer het lukt om, al is het maar twee minuten, een volledige controle over de eigen gedachten-stroom te hebben. En als het niet lukt komt er direct een gevoel van beschamende onmacht op…

En hoe is het met de gevoelens? Worden we door hen beheerst of hebben we ze in de hand? We kunnen hier niet gaan oefenen zoals met de gedachten. We kunnen echter wel onszelf waarnemen in situaties waarin gevoelens opkomen. Bij conflictsituaties, wanneer tegenslagen mij treffen of juist wanneer het ene succes na het andere mijn deel wordt; in confrontatie met mensen die mij diep antipathiek zijn of mij geweldig ophemelen; in situaties waar mensen dingen door het slijk halen die mij heilig zijn, of juist met klem iets verdedigen waarvan ik het belang op geen enkele wijze kan inzien. Hoe ga ik op zulke momenten met mijn gevoelens om? Slaan ze door naar verslagenheid, fikse ergernis, verlammende twijfel en angst aan de ene kant en trots, eerzucht, laaiend enthousiasme en blind vertrouwen aan de andere kant? Of weet ik – zonder gevoelloos te worden – deze opkomende extremen in de hand te houden en daarmee mijn gevoelens tot een subtiel waarnemingsorgaan te maken, waarmee ik in een diepere laag van de werkelijkheid om mij heen doordring? Ook hier kan men de ervaring opdoen dat het nog niet zo eenvoudig is om baas in eigen gevoelshuis te zijn. Nog al te vaak gaan gevoelens en emoties met mij op de loop. En dan kan mij weer datzelfde gevoel van onmacht bekruipen (pas op dat dat gevoel niet doorslaat, zodat je in vertwijfeling ophoudt met oefenen!).

Ten slotte de wil. Wanneer ik mij iets voorneem, kan ik dat ook uitvoeren? Kan ik bepaalde gedachten als het ware ‘naar beneden sturen’ zodat ze via mijn ledematen tot handeling worden? Wanneer ik dat door een oefening wil nagaan moet ik geen handeling nemen die de buitenwereld me kan afdwingen of verhinderen uit te voeren. Want dan is het al of niet lukken al te gemakkelijk af te schuiven op externe factoren… Nee, ik neem een uiterst simpel voornemen, waarvan niets en niemand me de uitvoering kan beletten, en waartoe niets of niemand dan ikzelf mij kan dwingen. Bijvoorbeeld neem ik mij ’s morgens bij het opstaan voor om 11.00 uur en om 15.00 uur mijn zakdoek van de ene zak in de andere te doen. Waarlijk een al te simpel voornemen? Wie echter dag in dag uit merkt hoe moeilijk dit is, hoe weinig men in staat is zulke voornemens ook precies uit te voeren, beleeft een derde regio van onmacht: geen heer in eigen wils-huis. We koppelen nu terug naar het maatschappelijk verschijnsel van de macht. We leerden het kennen als een onmachtig gevangen zijn van mensen in een anoniem systeem. Wat wil het nu zeggen dat wij in onszelf drie regionen van fundamentele onmacht ontdekt hebben, dat wij nog weinig baas in eigen denk-, voel- en wils-huis zijn? Wanneer talloze mensen deze innerlijke onmacht beleven, scheppen zij daarmee niet een vacuüm, waarin zich, maatschappelijk gezien, een systeem-macht kan nestelen die voor ons denkt, onze gevoelens bespeelt en ons handelen manupuleert? Daarmee kan het waarnemen van de machtsconeentratie buiten ons tot een krachtig appel aan onszelf worden om systematisch de innerlijke onmachtgebieden te gaan veroveren!

*De drie oefeningen die hier beschreven worden vormen een onderdeel van de zes zogenaamde ‘Nebenübungen’. Na de oefeningen voor het denken, voelen en willen volgt nog een 4e (positiviteit), een 5e (onbevangenheid) en een 6e (harmonie tussen de vijf oefeningen). De oefeningen staan beschreven in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen.

.

Lex Bos, Jonas 24, 29 juli 1983
.

Deel 1 van deze artikelenreeks

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1470-1378

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-2/1)

.
Artikelen over ‘het sociale’ die in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw verschenen, m.n. in het blad Jonas, bevatten gezichtspunten die ook nu – 2017 – nog uiterst actueel zijn. Neem het ‘wij-zij’. De voorbeelden die Bos geeft kunnen aangevuld worden met wat er nu op grote schaal aan polarisatie bestaat tussen de vluchteling, de asielzoeker en het land, de bevolking, die deze moet opnemen. Is de PVV hier het ‘plaatsvervangend Ik? 

De sociale werkelijkheid (1)

DE KLOOF TUSSEN MENS EN MAATSCHAPPIJ

De tachtiger jaren* worden gekenmerkt door het afbrokkelen van de verzorgingsstaat en door massale werkloosheid. Met het herstel van de oorlogsschade in de vijftiger jaren werden de fundamenten gelegd voor het ‘Wirtschaftswunder’. Langzaam verrezen in de zestiger jaren de contouren van de welvaartsstaat. In de zeventiger jaren werd duidelijk waarheen deze ontwikkeling tendeerde: een alom aanwezige verzorgingsstaat, die weldra het totale nationale inkomen herverdeelt en dirigeert en daarmee alle levensgebieden van zich afhankelijk maakt. Een grandioos bureaucratisch bouwwerk is in deze decennia opgebouwd, waarachter een moeilijk grijpbare macht werkzaam is. Daartegen zijn reeds in de zestiger jaren in alle industrielanden revolutionaire groepen storm gelopen. Culminerend in de opstanden in Berkeley, Tokio, Parijs, Berlijn en ten slotte in de Praagse lente.

Een tegenstroom werd in de zeventiger jaren zichtbaar. Vele groepen trokken zich terug uit de maatschappij, de zinloosheid van het welvaartsleven belevend. Zij zochten een innerlijk leven. In die jaren was er een ware hausse van sensitivityseminars, encounter-groups, gestalttraining, yoga, transcendente meditatie, bio-energetica en dergelijke meer. Een stroom van – veelal oosterse – occulte literatuur ondersteunde deze beweging.

We zijn nu aangeland in de tachtiger jaren. De welvaartsstaat waartegen in de zestiger jaren werd storm gelopen brokkelt af. Het vrijwillig zich terugtrekken uit de maatschappij – in de zeventiger jaren mogelijk door de royale sociale uitkeringen van de verzorgingsstaat – wordt nu een smartelijke, gedwongen ervaring voor miljoenen werklozen die buitenspel worden gezet. Daardoor worden twee fenomenen, die met het thema van dit artikel te maken hebben, zichtbaar.

Afbrokkeling van de verzorgingsstaat
Het inleveren van de ‘verworven’ rechten, het teruggaan in inkomen, maar vooral het als werkloze buitenspel gezet worden, heeft bij menigeen ook een positief gevolg. De ervaringen zijn vergelijkbaar met die van een rouwproces, een onthechtingsproces. Uit opstandigheid, berusting en smart ontstaat een nieuw bewustzijn: bezinning op de zin van het leven, van het werk, van de eigen biografie, een wakker worden voor de noden van de ander, een geboren worden van een nieuwe levenswil. Daaruit ontstaan de meest verschillende initiatieven, enerzijds om zelf weer aan de slag te komen, anderzijds om bij te dragen aan een positieve maatschappelijke ontwikkeling: milieuvriendelijk, kleinschalig, niet-hiërarchisch, met andere geldstromen. In de zestiger en zeventiger jaren konden dit soort initiatieven reeds worden waargenomen. Met het afbrokkelen van de verzorgingsstaat komt deze stroom machtig aan de oppervlakte.

Men kan in deze stroom een positieve en geconcentreerde metamorfose zien van de bewegingen van de twee vorige decennia. De revolutionaire fase van de zestiger jaren was naar buiten gericht, tegen de macht van de gevestigde orde. De beweging van de zeventiger jaren – veelal anderen dan de vermoeide strijders van het vorige decennium – was naar binnen gericht en droeg het karakter van wereldvlucht. Degenen die door het eerder beschreven ‘rouwproces’ van de tachtiger jaren gelouterd werden, maken eerst een – positieve – beweging naar binnen, waarbij een sterke confrontatie plaats vindt met eigen normen en waarden. Dat is een sterke beproeving van innerlijke kracht. Vervolgens maken ze een beweging naar buiten, eveneens positief. Daarbij begint de uiterlijke beproeving: met het eigen initiatief, met de vrijwillig gevormde groep standhouden in de confrontatie met de nog altijd krachtig aanwezige gevestigde orde.
Ik krijg de indruk dat deze – kwantitatief – nog kleine – groepering een ontwikkeling gaat waarbij op een gezonde wijze de weg naar binnen – confrontatie met jezelf, ontdekken van je eigen Ik – en de weg naar buiten – confrontatie met de maatschappij, ontdekking van verborgen sociale krachten -worden afgewisseld en met elkaar verbonden.
De afbrokkeling van de verzorgingsstaat brengt dit binnen-buiten thema nog op een andere – negatieve en gevaarlijke – manier te voorschijn, namelijk als toenemende polarisatie.

In de zestiger en zeventiger jaren is een geleidelijke gewenning ontstaan aan het feit dat de bomen blijkbaar de hemel in kunnen groeien en dat voor elk probleem de overheid een oplossing dient aan te dragen. Daarmee is het sociale bewustzijn langzaam in slaap gesust. De tachtiger jaren brengen een pijnlijk ontwaken. Zekerheden blijken illusies, vrijheden afhankelijkheden te zijn, problemen en conflicten blijken niet opgelost maar voor ons uitgeschoven en toegedekt te zijn. Dat roept angst en agressie op. Men voelt zich bedreigd en aangevallen, gaat zich organiseren en verzetten, zoekt zondebokken en schuldigen. Dat leidt tot polarisatie. Polarisatie tussen maatschappelijke groeperingen is geen nieuw verschijnsel. Vrijwel alle levensgebieden kennen zulke antagonismen: werkgever-werknemer, producent-consument, industrieland-ontwikkelingsland, oost-west, islam-christendom. In meer of mindere mate lukt het tot nu toe door overleg te vermijden dat deze antagonismen gaan polariseren. Toch ligt het conflict, de verharding van de posities en daarmee de strijd steeds op de loer. Ik ben van mening dat de afbrokkelende verzorgingsstaat deze sluimerende polarisatie manifest maakt. Er is vrijwel geen groepering die zich niet bedreigd voelt, zich organiseert, voor haar rechten opkomt en zich daarbij polariserend opstelt, hetzij tegen andere groepen, hetzij tegen de overheid in het algemeen: minderheidsgroepen tegen de meerderheid, ‘eigen’ arbeidskrachten tegen gastarbeiders, werkende mensen tegen het toenemend aantal niet-werkenden dat door hen onderhouden moet worden, feministen tegen het masculine en zo meer. Iedere groep vindt dat de klappen elders moeten vallen en wendt alle intelligentie aan om aan te tonen hoe onrechtvaardig het is dat zij moet inleveren. Ook (zelfs!) tussen departementen en tussen bestuurslagen onderling kan men deze polarisatie waarnemen.

‘Ze’ en ‘we’
Waarin vindt het verschijnsel van de polarisatie eigenlijk zijn oorsprong? Wat is dat voor kloof die tussen mensen en groepen ontstaat? Waar komt die vandaan? Ik denk dat zij veel te maken heeft met het binnen-buiten thema. Laten we daartoe eens de volgende twee uitspraken wat nader onderzoeken. Uitspraken die men in talloze variaties dagelijks kan horen:

‘Ze hebben de tarieven verhoogd.’

‘We hebben de cup gewonnen.’

De eerste uitspraak is uiterst karakteristiek voor onze tijd. ‘Ze’ hebben iets gedaan, meestal iets wat ons niet zint, waar we het niet mee eens zijn, wat ongevraagd in onze levenssfeer ingrijpt en waar we ons in ieder geval niet verantwoordelijk voor voelen. Mensen praten tegen elkaar in termen van ‘ze’. Die ‘ze’ kan de regering zijn, de vakbond, het bestuur, het ziekenfonds, de bedrijfsleiding, de baas, het buurtcomité, de buren, de kinderen, in ieder geval niet ik. Wat drukken we eigenlijk uit met dit ‘ze’? We drukken er mee uit dat we ons niet vereenzelvigen met die anderen, dat we ons niet medeverantwoordelijk voelen voor hun handelen, dat we onszelf erbuiten plaatsen. Het drukt uit dat ik de maatschappelijke buitenwereld als een wereld buiten mij ervaar, als een ondoorzichtige, anonieme macht waar ik niet toe behoor, waarin ik mijzelf ook niet kan herkennen.

Als ik deze beweging van mijzelf er buiten plaatsen consequent doorzet, word ik op een hardhandige wijze met mijzelf geconfronteerd. Als ik mijzelf van al die ‘ze’s’ distantieer, kan ik bij hen ook geen normen voor mijn handelen vinden. Die moet ik blijkbaar uit mijzelf halen. Het afsnijden van de weg naar buiten (bij die ‘ze’ wil ik niet horen) roept de weg naar binnen op. Maar op die weg naar binnen blijkt weinig houvast. Een chaotisch, ondoorzichtige, vaak bedreigende wereld van begeerten en angsten, emoties en gevoelens, voorstellingen en gedachte-associaties grijnst mij tegemoet. Tevergeefs zoek ik daarin naar het eigene. Wie ben ik zelf, heb ik wel een geestelijke ruggengraat, kan ik morele normen uit mijzelf halen?

De kracht en het vertrouwen op deze weg naar binnen voort te gaan, op zoek naar het eigen Ik, ontbreekt velen. Zij wenden zich om, hun eigen wezen verloochenend en zoeken een plaatsvervangend Ik.

‘Wij hebben de cup gewonnen’. Dit ‘wij’ kan, al naar gelang van de situatie, een verschillende vulling krijgen: Wij van Feyenoord, wij van de verkoopafdeling, wij Nederlanders, wij van Katendrecht, wij werkers in de gezondheidszorg, wij uitkeringstrekkers, wij van de PvdA, wij van de familie. Dat wij geeft een bescherming, een zekerheid, het biedt een plaatsvervangend Ik, verschaft autoriteit, geeft normen. Dat ‘wij’ krijgt zijn identiteit doordat het zich duidelijk onderscheidt van Sparta, de productieafdeling, de Belgen, het
Noordereiland, de maatschappelijk werkers, de uitkeringverschaffers, de VVD, de niet-familieleden.

Mens buiten haakjes
Uit het voorgaande is een merkwaardige paradox zichtbaar geworden. In het ‘ze’ wordt een vervreemdende kloof beleefd tussen mij en de maatschappelijke buitenwereld. Ik wend mij om van die wereld en richt mij naar binnen. Daar verschijnt een nieuwe kloof tussen mij en mijn eigen wezen dat ik tevergeefs in die binnenwereld zoek. Wederom wend ik mij om en vind ik de identificatie met maatschappelijke groepen, die ik eerst als ‘ze’ heb afgewezen, een ‘we’ dat mij een plaatsvervangend Ik verschaft.

Twee kloven worden zichtbaar: tussen mij en de sociale buitenwereld en tussen mij en mijn eigen binnenwereld. Wat voor geestelijke werkelijkheid schuilt er achter de maatschappelijke ‘krachten’, die ik buiten me gewaar word? Wat voor geestelijke werkelijkheid schuilt er achter de innerlijke ‘machten’ die ik in mijzelf gewaar word? Is dat misschien één en dezelfde werkelijkheid, zijn die twee kloven misschien één kloof en ligt in het niet onderkennen daarvan de diepere oorzaak van alle polarisatie en vervreemding? Een nieuwe vraag duikt op. Kan ik die geestelijke werkelijkheid leren kennen of is er principieel een kloof tussen mijn zintuigelijk dagbewustzijn enerzijds en het duister van de maatschappelijke krachten buiten me en de binnenwereld in me anderzijds?

Onbewust hebben velen zich bij deze kloof neergelegd. We zijn immers opgegroeid in de schaduw van Kant, die ‘eens en voor altijd bewees’ dat er grenzen zijn gesteld aan het menselijk kennen en dat hetgeen zich aan gene zijde van de zintuigelijke wereld bevindt alleen object van geloof kan zijn. Deze kloof is historisch lang voorbereid in een proces van geleidelijke individualisering. Deze afsnoering betekende een stap voor stap ontwaken in de zintuigelijke wereld uit een dromend leven in een goddelijk-geestelijke wereld.

Bacon (1561-1626), de grondlegger van de moderne natuurwetenschap, is degene die deze scheiding, deze kloof methodisch heeft verankerd. Hij had een diep wantrouwen tegen de waarnemende mens: ‘Waarnemingen worden vertroebeld door religieuze, mystieke en alchemistische gevoelens. Die zijn subjectief. We moeten de waarnemende mens zoveel mogelijk vervangen door registrerende instrumenten die kunnen meten, wegen en tellen’.

Ook tegen de denkende mens had Bacon een groot wantrouwen: ‘Gedachten worden vertroebeld door kerkelijke dogma’s, scholastieke vooroordelen en onbewezen openbaringen. Die zijn subjectief. We mogen de denkende mens alleen toelaten in het kenproces voor zover het resultaat van dit denkproces kan worden neergelegd in mathematische formules’.

In feite werd daarmee de mens als waarnemend en denkend wezen buiten haakjes gezet in het kenproces. Daarmee kon hij in de resultaten van deze wetenschap zichzelf ook niet meer terugvinden. Toen de mens als kennend subject eenmaal buiten spel stond, was de weg vrij voor een mensvreemde wetenschap. We merken het toch dagelijks (bijvoorbeeld rondom debatten over het milieu, over abortus en euthanasie, over opvoeding en gezondheidszorg) dat de moderne natuurwetenschap de mens in de kou laat staan, hem geen enkel antwoord geeft op welke wezenlijke vraag dan ook, die hij over zichzelf stelt.

Deze mensvreemde wetenschap wordt vervolgens hanteerbaar gemaakt tot techniek, tot mechanische, chemische, elektronische, maar ook tot psycho- en sociotechniek.
En met deze technische hulpmiddelen bouwen we de maatschappelijke werkelijkheid om ons heen. Is het verwonderlijk dat een mensvreemde wetenschap leidt tot een maatschappij, die geen menselijk gelaat meer heeft? Is het verwonderlijk dat een wetenschap, die een kloof schept tussen de mens en zichzelf, een maatschappij tevoorschijn roept die door de mens wordt beleefd als door een kloof van zichzelf gescheiden?

Twee kloven, twee drempels, twee vreemde werelden. Hoe moeten we daarmee omgaan? Moeten we de toegang met geweld forceren? We maken dan iets kapot in onszelf, we blijven met de brokken zitten en komen aan de drempel alleen onszelf in karikatuur tegen, afdruk van het boze in zijn koude verstarrende of in zijn warme verlokkende vorm. Hoe moeten we met die drempels omgaan? Kunnen we door een gezond ritme van individuele en sociale bewustwording, door de blik afwisselend naar binnen te richten met een vraagstelling die we van buiten halen en naar buiten te richten met de innerlijke vraag naar de eigen verantwoordelijkheid in de situatie, kunnen we op deze wijze wellicht ‘de ene kloof met de andere overbruggen’?

Antroposofie is een moderne scholingsweg waarop de mens, vanuit de krachten van zijn/haar Ik, kan ontwaken voor de geestelijke werkelijkheid in de maatschappij buiten hem/haar. Een weg waarop hij/zij ontdekt dat deze geestelijke werkelijkheden in wezen twee zijden van zijn/haar eigen zich ontwikkelende individualiteit zijn. In een volgend artikel wil ik deze twee wegen – de weg naar buiten en de weg naar binnen – wat concreter beschrijven. Ik wil aan een aantal alledaagse verschijnselen laten zien hoe men deze tot een beeld kan verdichten en de kwaliteit ervan in de eigen ziel als kracht kan herkennen. Van daaruit kan een groeiende zekerheid ontstaan hoe men handelend met deze werkelijkheid om kan gaan.
.

Lex Bos, Jonas 23, 8 juli 1983*

.

Deel 2
.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1469-1377

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-1)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

driegeleding van het sociale organisme

Dat wat velen allang vermoedden is dan nu* wetenschappelijk bewezen: willen we het jaar 2000 levend halen dan zal er aan onze hele maatschappijstructuur fiks gesleuteld moeten worden.

De stijging van ongerustheid en paniek die na de verschijning van het rapport van de „Club van Rome” valt waar te nemen is dan ook zeker zo groot, als die van de curve’s welke professor Meadows uit de computers van het Massachusetts Institute of Technology wist te toveren.

Toch geven de deskundigen ons nog enige overlevingskans, als we enkele zaken radicaal aanpakken: willen we niet binnenkort stikken in onze eigen uitwerpselen, dan zal er een fikse rem gezet moeten worden op het aantal geboortes. Immers: minder mensen vervuilen minder, hebben minder eten nodig, zodat de natuurlijke hulpbronnen minder snel uitgeput zullen raken.

Ondanks deze schijnbaar zeer revolutionaire ingreep in ons sociale organisme zal er niets fundamenteels veranderen in onze maatschappij als er ook geen bewustzijnsverandering bij de mensen plaatsvindt, als ons inzicht in de sociale problemen niet wordt verruimd. Gebeurt dit niet, dan lijkt het mij een betere oplossing voor de dreigende hongerdood en vervuiling om een middel aan het drinkwater toe te voegen dat een verkleining van de menselijke gestalte veroorzaakt: één meter of kleiner is dan wél noodzakelijk!

theocratie
Bijna alle voorstellen die worden gedaan om het vuilgetij te keren hebben echter één ding gemeen: een mondiale aanpak van de problemen.

Op hoog diplomatiek en wetenschappelijk niveau worden de plannen gesmeed en wegen uitgestippeld om de mensheid te redden. Met bezorgde gezichten staat men gebogen over het doodzieke sociale organisme, lijdend aan interne milieuverontreiniging. Af en toe dient men het een infuus toe of geeft men het een pil om de inwendige rotting tegen te gaan; pace-makers moeten de zwakke hartslag op gang houden.

Net zoals in de oudheid de priesters door een hogere kennis, welke alléén zij bezaten het lot van een heel volk konden bepalen door middel van hun autoriteit, hebben nu zij, die de informatie uit computers en handboeken kunnen putten, als het de toekomst van de wereld betreft een beslissende stem. Zowel op
economisch als op staatsrechtelijk gebied speelt in onze moderne „theocratie” de man van de wetenschap de allesoverheersende rol.

directe democratie
Men is er zich echter niet van bewust, dat juist een van de hoofdoorzaken van alle moeilijkheid is gelegen in deze overheersing van de wetenschap over de rechtslichamen en het economisch leven.
Men staat zó immers een gezonde ontplooiing van onze democratie op fatale wijze in de weg, als niet de burgers zélf kunnen bepalen hoe hun toekomst eruit zal zien, maar dit op hoog wetenschappelijk niveau bedisseld wordt.

Natuurlijk zal men hier tegenin kunnen brengen dat de gemiddelde kiezer dom is en geen flauw benul heeft van dergelijke zaken. De waarheid van deze redenering valt moeilijk te betwisten, desondanks is zij geen argument om de democratie maar af te schaffen en te vervangen door een groepje knappe koppen. Het is slechts een symptoom van de ziekte waaraan het hele sociale organisme en daarmee ook de democratie lijdt: de niet eens meer indirect te noemen invloed van de kiezers op de te nemen beslissingen. De beslissingen die men neemt zijn te moeilijk geformuleerd, te specialistisch en te technisch; tevens vindt er onvoldoende voorlichting vooraf plaats: voor- en tegenstanders krijgen zelden beide evenveel kans om hun argumenten voor radio, televisie en in de krant uiteen te zetten.
Pas bij een directe democratie, — door middel van het referendum, waarbij de kiezers vooraf zo veel mogelijk visies op het te nemen besluit onder ogen krijgen, vooral wat de uitvoerbaarheid betreft, — kan een goed democratisch besluit tot stand komen.

«alternatieven»
De ziekte van het sociale organisme wordt niet alleen veroorzaakt door de overheersing van de wetenschap en andere deelgebieden van onze cultuur op het rechtsleven, ook omgekeerd komt voor.[1]
Net zoals men nu denkt hét middel te hebben gevonden om de mensheid van de ondergang te redden door de mensen die het in onze theocratie „kunnen weten” het roer in handen te geven, zó dacht men in de vorige eeuw* dat de mensen die in de economische praktijk staan de volle vrijheid moeten hebben om te doen en te laten wat ze willen, en aan het begin van deze eeuw* dat alleen de rechtsstaat kan bepalen wat goed en slecht is.

Het eerste, het liberalisme, leidde tot een ondergeschiktheid van de cultuur en het rechtsleven aan de economische belangen. Als reactie op de hierdoor ontstane uitbuiting ontstond het communisme: de staat moet zowel op de economie als op de cultuur een zódanige invloed uitoefenen dat deze het belang van het gehele volk dienen. Dit leidde echter door de geforceerde planning en centralisatie tot een dictatuur; „kameraadschappelijk” werd de te volgen partijlijn uitgestippeld.

Geen van deze alternatieven leidden tot een gezondmaking van het sociale organisme, integendeel, de situatie is kritischer dan ooit. Desondanks ging men steeds uit van een principe dat iedereen aanvoelde als iets goeds, als een soort oer-idee, en waaromheen men alle verdere vernieuwingsideeën opbouwde.
Bij het liberalisme was dat de vrijheid; vrijheid van handel leidde tot de (economische) bloei van een land. Bij het communisme was dit principe de kameraadschappelijkheid, de behulpzaamheid en samenwerking tussen de mensen onderling om een bepaald doel te bereiken. In onze huidige „theocratie” is dit de gelijkheid: gelijke leerstof en examens voor iedereen geeft iedereen gelijke kansen in het leven.

drie-geleding
De reden van mislukking van deze vernieuwingsimpulsen is dan ook geenszins gelegen in het feit dat zij de oer-ideeën, welke tot een gezonde maatschappij moeten leiden niet „gepakt” hebben, integendeel, zij waren alle aanwezig. De tragedie is alleen, dat men niet heeft ingezien dat vrijheid in de economie tot uitbuiting, dat kameraadschappelijkheid op staatsrechtelijk gebied tot kliekvorming van een elite en dat gelijkheid in de cultuur tot een uniform-denken wel aanleiding móet geven.

Onze cultuur is er niet bij gebaat dat iedereen het zelfde denkt, integendeel, het wezenskenmerk is hier de diversiteit van ideeën en vaardigheden. Deze ideeën mogen ook best eens botsen, daar heeft niemand last van, behalve de betrokken personen zelf. Hier is een vrije concurrentie op zijn plaats, niet in de economie.

De taak van de economie is het bevredigen van de materiële behoeften van de mens. Het heeft hierbij geen enkele zin dat iemand iets meer doet dan strikt noodzakelijk is: pas als je met anderen samenwerkt en als de producenten en consumenten onderling afspreken wat er geproduceerd moet en kan worden, gaat dit zo effectief mogelijk.

Het wezen van het rechtsleven komt tot uiting in de verhouding van mens tot medemens, het is het gebied waar iedereen als gelijke behandeld dient te worden. Het is de taak van de rechtsstaat om toe te zien dat de gemaakte afspraken binnen de economie worden nagekomen en dat de vrijheid in het geestesleven niet beknot wordt. Hier, en niet in de cultuur is de mens gelijk aan zijn medemens.

Het sociale organisme kan pas dán gezond functioneren als de bovengenoemde functies of leden in onze maatschappij volledig tot hun recht kunnen komen, zonder de anderen in de haren te zitten. Pas als de mensen zich bewust zijn van deze drie-geleding van ons sociaal organisme, kunnen zowel op micro- als op macro-sociaal niveau gezonde beslissingen worden genomen.

Zolang men echter meent het recht te hebben met economische middelen en motieven onze cultuur de nek om te draaien (bijvoorbeeld het onderwijs) en zolang men de computers de informatie geeft die de kiezers hadden moeten hebben, nodig voor een werkelijk democratische beslissing, zolang zal er van de genezing van ons sociale organisme geen spat terecht komen. Of ik nu een pak koop bij C & A, mij abonneer op Jonas of mij ter stembus begeef, steeds zal ik mij bewust moeten zijn van deze driegeleding van het sociale organisme, wil ik een kleine bijdrage leveren aan de gezondmaking van de maatschappij. Ik zal mij steeds moeten afvragen of het besluit dat ik neem wel sociaal verantwoord is, of bijvoorbeeld het pak koffie dat ik koop geen mensen in een ver land het recht ontneemt om vrij te zijn in hun doen en laten, dat in de associatie tussen producenten en consumenten die ik wil oprichten, ik de culturele, de economische en de rechtsaspecten herken, en ook in de structuur zichtbaar maak.

Pas als vele mensen zich van deze driegeleding bewust zijn, zal een werkelijk
revolutionaire verandering van onze maatschappij met evolutionaire middelen tot stand kunnen komen, zal men als mens zichzelf kunnen ontplooien, en niet ontplooid worden zoals nu gebeurt.

Reeds in 1917 heeft Rudolf Steiner (maatschappijcriticus en vernieuwer, antroposoof) dit idee van de driegeleding van het sociale organisme ontwikkeld en meer concreet, vooral op het economisch vlak verder uitgewerkt.

De toenmalige driegeledingsbeweging, welke aanvankelijk veel succes oogstte, werd te sterk tegengewerkt door de Nazi’s, zodat zij hun pogingen moesten opgeven. Alleen de vrijescholen met de door hem ontwikkelde zgn. Waldorf-pedagogie bleven over.

In het begin van de jaren 50 hebben in West-Duitsland Peter Schilinski,[2] en later met hem vele anderen de driegeledingsgedachte weer opgepakt. Na actief te zijn geweest binnen de A.P.O., de buitenparlementaire oppositie, bestaat de driegeledingsbeweging uit een 60-tal werk- en actiegroepen, met als centrum het Internationale Cultuurcentrum Achberg in Esseratsweiler bij Lindau aan het Bodenmeer.[3] Zij proberen de driegeleding vooral via politieke voorlichting en nadere realisering op micro-sociaal niveau (vrijeschool en universiteit) in bredere lagen van de bevolking bekend te maken.

Ook in Nederland zijn de werkgroepen voor driegeleding bezig om de ideeën voortkomend uit de driegeleding nader te bestuderen en daarbij meer bekendheid te veroorzaken.

Hun adres: Valeriusstraat 80, Amsterdam. Tel: 020-713730 Adres „Achberg”:Internationalen Kulturzentrum Achberg Humboldt-Haus D-8991- Esseratsweiler über Lindau. Tel. 0949-8380-335

Ik geef bovenstaande adressen slechts weer omdat ze in het artikel staan – niet als actuele informatie

Michiel Damen, Jonas 3e jrg. nr 2, *15-09-1972

[1] zie Jonas 21
[2] zie Jonas 17
[3] zie Jonas 15     artikelen niet op deze blog

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1462-1370

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-7)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw, toen ik verschillende jaren ‘hoofd der school’ was, later opgewaardeerd tot ‘directeur’ werd ik overspoeld met ministeriële circulaires. Alle hoofdcn en directeuren van het basisonderwijs, uiteraard. Wat kostte het organiseren van wat de circulaires van ons eisten een hoop kostbare tijd. Tijd die je niet kon besteden aan de inhoud van je vak – bezig zijn met de ontwikkeling van het kind en lesgeven. 
Die opmerking hoorde ik een aantal dagen geleden ook iemand maken die door de veel te grote werkdruk in het onderwijs nauwelijks toekomt aan het eigen vak: lesgeven.
Ik ken een bovenbouwleerkracht die vanaf eind jaren ’90 talloze onderwijs’vernieuwingen’ heeft moeten bestuderen en moeten proberen er in de praktijk iets van te maken.[1] Heel veel tijd, moeite, inzet heeft het gekost en telkens was het ene plan nog niet in werking of het andere diende zich al weer aan. ‘Onderwijs 2000, studiehuis’ en welke namen al niet. Voor de vrijeschool waar deze leerkracht werkte, betekende het in ieder geval niet dat de vrijeschoolpedagogie daarmee op een hoger plan getild werd. Integendeel: de bovenbouwleerkracht zag in de loop van de jaren parallel aan de ‘vernieuwing’ het aantal klassen aan wie ze euritmie gaf, steeds minder worden. Geen 12e klas meer (die er nu alleen nog is voor het vwo!; geen 11e, geen 10e, de 9e een half jaar. Kortom: een totale afbraak van het door Steiner zo hoog gewaardeerde vak.

Examenfobie en diplomacratie.
Uiteindelijke oorzaak: geen vrijheid van inrichting.

Ook in de jaren ’70 werd dit door sommigen al voorvoeld.

In deze reeks ‘vrijheid van onderwijs’ verschijnen artikelen, weliswaar uit de oude doos, maar qua inhoud uiterst actueel. 

VAN ONDERWIJZER TOT LESBOER

(De mogelijke consequenties van de nieuwe* wet op het basisonderwijs)

Ook in dit tweede stukje** over de nieuwe wet wil ik me niet laten verleiden in details te gaan. Belangrijker is de grote lijn te doorgronden. Deze eenmaal doorziende, kan een ieder voor zichzelf de consequenties in alle details gaan zien. Bekijk je alleen de details, dan verlies je je in uiterlijkheden, welke vaak, juist ook in deze wet, enorm aantrekkelijk lijken.
Het is natuurlijk belangrijk te onderkennen hoe in de nabije toekomst de vrijheid van inrichting van onderwijs ingeperkt wordt. In eerste instantie is het echter belangrijker om in te zien dat ieder Nederlands kind dezelfde leerstof, volgens dezelfde lesmethode, binnen een zelfde schoolstructuur, onderwezen gaat krijgen. Hoe dit collectief gebeurt is minder belangrijk; zelfs al zou voor alle scholen verplicht vrijeschoolonderwijs ingesteld worden, dan zou dit m.i. nog wezenlijk fout zijn.

Waarom?

– Omdat iedere eenvormigheid op geestelijk gebied (waar het onderwijs toch toe behoort), de natuurlijke mensheidsontwikkeling belemmert.

– Omdat iedere groepering de vrijheid moet hebben om zijn kinderen naar eigen overtuiging, mensbeeld of wereldbeschouwing op te voeden.

– Omdat een onderwijsvernieuwing nooit van bovenaf aan de scholen opgedrongen kan worden, doch juist vanuit de onderwijswereld zelf moet groeien.

Hoe kan een onderwijzer of leraar in ’s hemelsnaam een vernieuwde vorm van onderwijs gaan toepassen, waar hij niet aan toe is, die hij niet doorleefd heeft, of waar hij zich niet achter kan stellen? In zo’n geval kan hij alleen maar slaafs de tot in details uitgewerkte adviezen van de vele schoolbegeleidingsdiensten uit gaan voeren. Hij wordt dan met recht verlaagd tot “lesboer”.

De lesboer
Deze in het huidige onderwijs nogal eens gebezigde naam voor een leraar kan echter met een beetje inbeeldend vermogen ons juist enorm scherp op het wezenlijke van de hele zaak wijzen. Want net als de onderwijzer, is ook de boer door de ontwikkelingen in de landbouw tot slaaf van de
landbouwvoorlichttingsdiensten geworden. Hij heeft het contact met de levende organismen van zijn gewas, zijn bodem en het klimaat, verloren. De boer wordt agronoom, chemicus en econoom.

De onderwijzer wordt pedagoog, didacticus en psycholoog.

Een ieder die wil, kan het resultaat al zien: een boer, die machteloos toe moet zien hoe dankzij de wetenschap z’n oogst kwantitatief toeneemt, maar kwalitatief afneemt, en hoe zijn bodem langzaam verziekt.

De “instanties” dragen de verantwoordelijkheid voor de consequenties; de boer is een niet meer verantwoordelijk te stellen functionaris.

De analogie
Ziet u de analogie al opdagen? In het onderwijs gaan we ook steeds meer deze kant op. Kijkt u zelf maar:

– De drang naar efficiëntie geeft enerzijds de ruilverkaveling, anderzijds de scholengemeenschappen

– De drang naar productie geeft enerzijds kwantitatief hoge opbrengsten met lage voedingswaarde; anderzijds intellectueel hoog “opgefokte” leerlingen met een steeds afnemende algemene vorming.

– De drang naar winstbejag van het bedrijfsleven, gesteund door de “officiële wetenschap”, stimuleert enerzijds het gebruik van kant-en-klare synthetische kunstmeststoffen, pesticiden etc.; anderzijds het gebruik van kant-en-klare leermethoden, leerstofpakketten etc., welke in beide gevallen de “levenskrachten” enorm verzwakken.

– De hierdoor ontstane ziektebeelden worden in de landbouw steeds duidelijker erkend en met de moderne methoden in verband gebracht. In het onderwijs is dit helaas nog niet zo sterk het geval. [opspattend grind 17]

– Dacht u, dat een boer zijn bodem nog ruikt, zijn gewas nog voelt en proeft, als hij zijn taak -als tractor-besturende landbouwfunctionaris uitvoert?

Zal dan een onderwijzer zijn kinderen en zijn leerstof nog aanvoelen, horen, begrijpen, als hij een leermiddelencomplex-besturende onderwijs-functionaris wordt?

Ziet u nu, welke kant we met het onderwijs op gaan? Net als een akkerbodem is ook een school een levend organisme, waar levende gewassen in groeien en bloeien. Als wij de oneindige complexiteit van die processen nog niet kunnen doorgronden, moeten we niet de fout begaan, ze toch al zelf te willen besturen. We moeten ons openstellen voor de groei en ontwikkelingswetten die er heersen, en proberen die al begrijpend of aanvoelend te versterken.

Ieder organisme heeft z’n eigen groei- of ontwikkelingstempo.

Wat momenteel gebeurt in de onderwijswetgeving is het, zich als God zelf wanend, plaatsen van een plastic kunstbloem op een in knop staande plant, omdat men niet het geduld heeft het wonder van het natuurlijk ontluiken af te wachten.

M. de la Rive Box, vrijeschool Zutphen, nadere gegevens onbekend, *datum waarschijnlijk rond 1985, het jaar van een nieuwe wet .

**het eerste is niet in mijn bezit

[1] zie bijv. hoofdstuk ‘Onderwijsvernieuwing, terugval of doorstart’ in ‘Pedagogie, een kunst, een kunde

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1455-1364

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/1)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.

VRIJHEID – biologische uitgangspunten
De lichttheorie van Newton was in zijn abstraktheid weinig suggestief. Niet veel mensen zullen zich aangesproken voelen door het trillingsgetal van een bepaalde kleur of een andere formule die de natuurwetenschap hieraan heeft gegeven.

De daarachter liggende filosofie en het daaruit ontstane wereldbeeld (het materialistisch-monistische): de natuur is terug te brengen tot een causaal verklaarbaar mechanisme, heeft echter wel veld gewonnen en de bodem bereid voor tal van andere theorieën die aan dezelfde denkgezindheid zijn ontsproten.

Het was in 1859 dat er zo’n theorie wereldkundig werd gemaakt, die in tegenstelling tot de lichttheorie sterk op de verbeeldingskracht van de mensen heeft gewerkt. En daaraan valt het wellicht ook toe te schrijven dat deze theorie -in tamelijk gesimplificeerde vorm- tot op heden nog zo populair is, n.l. de evolutieleer van Darwin.

De Engelsman Charles Darwin (1809-1882) heeft het grootste deel van zijn leven besteed aan waarnemingen en studie van planten en dieren, waartoe hij ruimschoots in de gelegenheid werd gesteld; eerst op zijn 5 jaar durende wereldreis met de “Beagle”, naderhand op zijn landgoed, waar hij allerlei kruisings- en kweekproeven deed. Hij was een scherp waarnemer, maar in tegenstelling tot Goethe miste hij het vermogen om zich zo met zijn waarnemingsobjecten te verbinden, dat hij de daarin werkzame idee kon
doorschouwen. Mogelijk was hij te zeer een kind van zijn tijd en van zijn land, te zeer gevangen in de daarvoor typische naïef-rechtlijnige denktrant, om de benodigde innerlijke openheid en onbevangenheid te kunnen opbrengen. Hoe zeer gevangen hij was, mag blijken uit een van zijn latere dagboeknotities, waarin hij schrijft; “Mijn geest is een soort machine geworden die er toe dient algemene wetten uit grote verzamelingen van feiten samen te stellen.’ Een bezigheid die anno 1976 inderdaad aan machines wordt overgelaten!

Daar Darwin zelf niet de idee vermocht af te lezen aan zijn waarnemingen, liet hij zich door anderen inspireren. Zo stamt de evolutiegedachte oorspronkelijk van Lamark en werd ongeveer gelijktijdig met Darwin geboren: het idee van de “survival of the fittist” (het overleven van de sterkste)’ was afkomstig van Malthus. Darwin verwerkte deze ideeën met zijn feitenmateriaal tot de bekende evolutieleer. Deze komt, heel in het kort, hierop neer, dat de mens gezien wordt als het eindstation van een langdurige dierlijke evolutie, die miljoenen jaren geleden begonnen is als een allerprimitiefste vorm van leven en die zich door een proces van selectie (via overwinning in de strijd om het bestaan) en variatie (via: aanpassing) heeft voortgezet tot steeds hogere trappen van ontwikkeling. Darwin zelf is nogal voorzichtig geweest met zijn conclusies en heeft eigenlijk niet veel meer gegeven dan de aanduiding dat de mensen van de hogere apensoorten zouden afstammen. Over hoe het leven op aarde ontstaan zou kunnen zijn, heeft hij zich niet uitgesproken. Wel in die zin, dat hij het ondenkbaar achtte dat dit aan puur toeval zou zijn toe te schrijven.

Je zou je kunnen afvragen hoe Darwins visie op de mens zou zijn geweest, wanneer hij in zijn waarnemingen ook de mens zelf had betrokken en naast de vele uren die hij tussen zijn planten, insecten en duiven, doorbracht, zich b.v. even intensief met kinderen zou hebben bezig gehouden. Een vraag die je ook nu zou kunnen stellen aan al diegenen die nog altijd de darwinistische visie als de enige uitdragen en als regel hun blik meer op het dier dan op de mens hebben gericht. Zo was Konrad Lorenz b.v. een uitstekende ganzenvader, maar liet voor zijn eigen kind een kooi bouwen om het tegen zijn dierencollectie te beschermen (wat hij overigens uiterst vermakelijk beschreven heeft).

Het is Darwins grote verdienste geweest, dat hij door zijn gedegen werkwijze, zijn grote kennis en ervaring, kans heeft gezien de evolutiegedachte ingang te doen vinden. Dit betekende immers een geweldige omwenteling in het tot dan toe geldende statische mens- en wereldbeeld, zoals dit van oudsher door de kerken was gegeven. Een zekere stroom kwam op gang, waardoor bewustzijnsontwikkelingen mogelijk werden, die vanuit de traditionele opvattingen niet denkbaar geweest zouden zijn.

Dat Darwins theorie door een onzuivere benadering na verloop van tijd dikwijls in het karikaturale is getrokken, waarbij de mens niet eens als een veredelde, maar zelfs als een gedegenereerde aap wordt afgeschilderd (Desmond Morris; “De naakte aap”), mag de wetenschap niet worden aangerekend. Evenmin dat er science-fiction-achtige “verklaringen” worden gepubliceerd van het ontstaan van het leven op aarde, waarbij het geloof in een Schepper is vervangen door het geloof in het Toeval (een nog veel sterker geloof overigens, want van alle onwaarschijnlijkheden is dit wel de meest onwaarschijnlijke). Wel mag het bevreemding wekken, dat van serieus wetenschappelijke zijde een soortgelijke visie als de enige wordt gepresenteerd, zoals dit b.v. het geval is hij de onlangs* gehouden tentoonstelling van de wetenschappelijke werkgroep “Paleobiologie en educatie” in Ouwehands Dierenpark te Rhenen.
Want er is op wetenschappelijk niveau sinds Darwin toch wel iets gebeurd.

In 1939 schreef de paleontoloog Teilhard de Chardin zijn “Phénomène humain” (het verschijnsel mens). Weliswaar nog vasthoudend aan de idee van de “oerstof” en de evolutie door differentiaties van deze oerstof, maar met de poging om hiervan niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant te zien. Een doorbraak dus na Kants ontkenning om van het “ding zelf” iets te kunnen weten. Uitermate boeiend is de biografie van deze markante en gewetensvolle persoonlijkheid en zijn worsteling om tot geestelijke doorbraak te komen, waarbij hij bovendien, als gelovig katholiek, in ernstig conflict met de kerk raakte.
Kort daarop, in 1944, publiceerde Bazelse hoogleraar in de zoölogie, Adolf Portmann, een boekje, dat in 1961 in een Nederlandse vertaling verschenen is onder de titel “Het beeld van de mens in het licht van de moderne biologie”. Hij behandelt hierin fragmenten van de menselijke ontwikkeling, voor zover die voor de biologie toegankelijk zijn, maar zegt daar nadrukkelijk bij, dat dit gebeurt vanuit het ‘besef dat de blik gevestigd moet blijven op de volledige werkelijkheid.’ Alleen dan kan volgens Portmann de grondslag gelegd worden voor een nieuw beeld van de mens, “een beeld dat in de toekomst van geweldige invloed zou kunnen zijn op het doen en laten van de mens”. Wat de evolutieleer betreft, constateert Portmann dat “een blik op de zone van onzekerheid, waarin de strijd tussen de verschillende evolutietheorieën zich afspeelt, ons er van moge overtuigen hoe belangrijk het is, dat wij de nodige terughouding in acht nemen.” Hij vermeldt dan een aantal van deze theorieën met hun geestelijke vaders en hun respectievelijke onvolledigheden, onduidelijkheden en onwaarschijnlijkheden, en besluit deze opsomming met de volgende opmerking; “Het zou niet moeilijk zijn om nog meer tegenstrijdige meningen aan te halen. Wij hebben ze slechts vermeld om enigszins begrijpelijk te maken, waarom de “resultaten” van het afstammingsonderzoek met de nodige reserves moeten worden bekeken. Wij kunnen ons slechts een kritisch oordeel vormen over de huidige stand van zaken in het onderzoek naar de oorsprong van de mens, wanneer wij de literatuur die er op dit gebied bestaat, vergelijken. Ook zijn eigen vooroordelen moet de lezer zo zakelijk mogelijk onder ogen durven zien.”
In het slotwoord van dit boekje schrijft de auteur;
“De eigenlijke bijdrage van het biologische onderzoek aan de vorming van een wereldbeeld wordt door velen gezien in het opsporen van de dierlijke grondslagen van het menselijk bestaan. Volgens deze zienswijze speurt de biologie naar de stoffelijke grondslagen van het menselijk bestaan die de basis vormen van onze geestelijke activiteiten. Men tracht hierbij het geestelijk leven zoveel mogelijk te herleiden tot de elementaire levensfuncties. (  )
De onderstelling dat er tussen mens en dier maar een kleine afstand bestaat, wordt in de hand gewerkt door het feit dat juist de oppervlakkigste denkbeelden van de evolutietheorieën voor velen het karakter van een onomstotelijke waarheid hebben gekregen. (  )
Door de fascinerende reconstructies van de menselijke ontwikkelingsgang heeft men in brede kringen aan de evolutiegedachte bekendheid gegeven. De aanschouwelijkheid van deze maquettes wekt de suggestie dat wij over de gebeurtenissen in een ver verleden volledig georiënteerd zijn. We missen hier een duidelijke uiteenzetting over de talrijke punten van tegenspraak waar wij op stuiten wanneer we de vakliteratuur raadplegen. Voor de twijfel is in de schematische voorstellingen van het evolutieproces geen plaats ingeruimd. We doen er goed aan de suggestieve werking, van de geperfectioneerde plastische voorstellingen, die in het onderwijs worden gebruikt van de schema’s, maquettes en films die er op dit gebied bestaan, niet te onderschatten. De directe werking die er van dergelijke pakkende voorstellingen uitgaat naar mensen die er aan gewend zijn dat ze in films een surrogaat van de werkelijkheid voorgeschoteld krijgen, mag niet worden onderschat. (  )
Zijn de biologen die aansprakelijk zijn voor deze films en exposities zich wel bewust van de verantwoordelijkheid die zij hiermee op hun schouders laden?

De geestelijke rijkdom die ons het onderzoek van het leven op aarde ten deel doet vallen, zal zich pas volledig aan ons openbaren, wanneer wij dit toegankelijke gebied van het leven zien als een voortzetting van een voor onze zintuigen ontoegankelijk gebied, waarvan wij het bestaan kunnen vermoeden? een gebied waarin talrijke levensvormen kunnen bestaan en dat zich uitstrekt tot in ongekende verten.
Een verdiept inzicht in de orde van het aardse leven kan onmogelijk tot een zinnebeeld van wanorde en chaos leiden. Het inzicht in een geordend gebeuren, zoals het onderzoek van het leven dat in overstelpende mate aan ons oplevert, kan slechts het vermoeden wekken dat er een meer omvattende orde moet ‘bestaan. (  )  De zichtbare levensvormen die ons omringen getuigen van een bouwplan dat van hoger orde is dan de op aarde zichtbare werkelijkheid.”

Hoewel de woorden in 1944 zijn geschreven lijken ze nog even actueel als toen en kun je de indruk krijgen, ‘dat er in het beeld dat aan de “gewone’ man” (om met Newton te spreken) wordt gepresenteerd, nog weinig verandering merkbaar is. Evenmin worden er vanuit wetenschappelijk sferen veel nieuwe gezichtspunten aangedragen; de teneur zowel op psychologisch als medisch gebied blijft ook diergericht. Het is daarom jammer dat een goed leesbaar boekje als dat van Portmann al weer sinds jaren van de markt verdwenen is en zelfs de naam van deze gewetensvolle wetenschapsman in de bibliografie van de boekhandel niet voorkomt. Ook daarom jammer omdat Portmann eigenlijk een brug slaat van oude evolutietheorieën naar een nieuwe.

Het is mij niet bekend of deze bioloog die te Bazel geboren werd en daar ook later weer kwam te werken, iets geweten heeft van wat er enkele kilometers verderop gebeurde – de bouw van het Goetheanum te Dornach, de “Freie Hochschule für Geisteswissenschaft”, waarvan het doel was wetenschappelijk onderzoek te verrichten op geestelijk gebied, onder leiding van Rudolf Steiner.

Antroposofie betekent: wijsheid omtrent de mens. Het ligt dus hierin al besloten, dat deze wetenschap zich ook met het ontstaan en de wording van de mens bezig houdt.

In tegenstelling tot de gangbare evolutietheorieën wordt hier de oorsprong van mens en wereld niet gevonden in het fysiek gebonden leven, maar in een daaraan voorafgaand immaterieel stadium. Fysiek is de mens weliswaar de jongste op aarde; als geestelijke kiem hiervan is hij echter al zo oud als de wereld, die aanvankelijk ook niet fysisch was. Met deze wereld vormde de mens in zijn toenmalige toestand een organisch geheel.

In de loop van een aantal heel grote wereldfasen heeft de mens zich telkens meer uit dit geheel gewikkeld (‘‘ausgegliedert”) en wel door zich los te maken van datgene wat deze ontwikkeling niet vermocht te volgen. Mineralen, planten en dieren verschijnen dan als organismen, die de mens achter zich heeft gelaten om zijn fysische gestalte als beeld van zijn geestelijk wezen te kunnen aannemen. Niet uit elkaar zijn planten-, dieren- en mensenrijk ontstaan, wel na elkaar uit eenzelfde totaliteit. De mens is hiermee gevrijwaard gebleven van een te vroege verharding en specialisatie en heeft zoveel soepelheid en beweeglijkheid kunnen bewaren, dat een individuele differentiatie – tot op zekere hoogte in het fysieke toe – mogelijk werd.

Hiermee is de menswording nog niet ten einde. Er zullen nog verdere fasen volgen. Wel is nu het stadium bereikt dat de mens bewust hieraan kan meewerken. Een zekere vrijheid is zijn deel geworden.

Wanneer je hiermee voor het eerst kennis maakt, kan het zijn dat het moeite kost om op deze visie over te schakelen. Je kunt dan beginnen met deze voorlopig als een hypothese te beschouwen, zoals ook de darwinistische theorieën niet meer dan een hypothese zijn. Het is dan best een spannende aangelegenheid om te trachten beide hypothesen aan de waarnemingen en ervaringen van het dagelijks leven te toetsen en op grond daarvan een keuze te maken. In vrijheid!
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool, nadere gevens ontbreken
.

Literatuur:
Johannes Hemleben – Darwin, biografie (Rororo, Duits)
Biologie en Christendom
Teilhard de Chardin, biografie
Adolf Portmann – Het beeld van de mens in het licht van de moderne biologie Hermann Poppelbaum – Mens en dier
Rudolf Steiner – De wetenschap van de geheimen van de ziel
Tijdschrift Vrije Opvoedkunst – Honderd jaar evolutieleer, sept. 1971
Jonas – D. van Romunde? Over de afstamming van de mens, 16 jan. 1976.
Hoe de kleine engel op aarde kwam – prentenboek voor kinderen

.
Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeleding: alle artikelen

Dierkunde: alle artikelen

.

1451-1360

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-4)

.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was er in Den Haag een leerlingen groep van de vrijschoolbovenbouw actief op het gebied van de driegeleding. Ze organiseerden o.a. voorlichtingsavonden waarop zij sprekers uitnodigden om over de sociale driegeleding te spreken. O.a. Drs. H.P. van Manen en Prof.D.Brüll †. Deze hield onderstaande lezing:

DE DRIEGELEDING IN HET SOCIALE ORGANISME

.
Hoe vertel je in ruim een uur iets over driegeleding aan mensen die niet weten wat het is, er totaal vreemd tegenover staan? Voor deze netelige opgave zag Prof. Brüll zich kortgeleden gesteld tegenover een gezelschap professoren die in beginsel evenveel bleken te zien in een 5- of zelfs 10-geleding (afhankelijk van botsingen tussen moleculen in de hersenen!) als juist in driegeleding, een naar hun mening willekeurige indeling, van buitenaf op de samenleving gedrukt, een gedachte die je er eerst instopt om hem er later weer uit te kunnen halen.

Zonder te ontkennen dat nieuwe indelingen d.m.v. hersenwerk tot stand gebracht, altijd mogelijk blijven, trachtte prof. B. zijn hooggeleerd gehoor aan de hand van een voorbeeld duidelijk te maken dat de vraag: waarom juist een indeling in drieën? evenmin ter zake is als de vraag om een verklaring van de indeling verleden-heden-toekomst, alvorens ermee te rekenen. Het bleek bijkans onmogelijk.

Zo begon in de goedgevulde zaal van de Vrije School prof. Brüll met animo en humor zijn heldere uiteenzetting. Verheugd stelde hij vervolgens vast dat, hoe moeilijk de praktische toepassing ook mag zijn, het begrip driegeleding in deze omgeving dagelijks voedsel genoemd kan worden. Indelingen als: natuur-mens-god, lichaam-ziel-geest, denken-voelen-willen, zenuw-zintuig systeem, ritmisch en stofwisselingssysteem zijn hier bekend en vertrouwd; dat het maatschappelijk organisme ook een eigen drievoudige werkelijkheid heeft, ligt dus voor de hand. Anderzijds laat het leerplan van de Vrije School de kinderen a.h.w. voelen wat een organisme is.

Met een paar voorbeelden laat prof. B. zien hoe dat gebeurt: in de aardrijkskundeles wordt het gebergte liggend als een kruis over de aarde voorgesteld, organisch ermee verbonden; in de 8e klas leer je hoe alle rassen der aarde samen de mens vormen.

En nu het sociale organisme. Wat is dat eigenlijk? Op zichzelf een niet denkend te vatten werkelijkheid, de projectie van wat we er zelf van gemaakt hebben, pas zichtbaar voor de generaties van nu. Een typisch kenmerk van dit sociale organisme, n.l. dat men het geen haar uit kan trekken zonder het te verminken, wordt bijvoorbeeld nu pas zichtbaar. Al worden de mensen vroeger wel van afgrijzen vervuld bij het horen van de gruwelen in ver weg gelegen streken (de verschrikkingen in Rusland onder het stalinisme, in de negerghettos van Amerika etc.) deze ellende liet hun in wezen toch tamelijk onberoerd, het bleef theorie voor hen. Zelfs de jodenslachtingen, hoe een groot drama ook, betekende nog geen amputatie. Nu is de situatie daarentegen een totaal andere! Uit het massaal op de been komen in de eindeloze stroom demonstraties moge o.a. blijken, dat alles wat nu op de wereld gebeurt in werkelijkheid ieders aangelegenheid is. Toch is het pas voor deze generatie vanzelfsprekend dat zij mee-lijdt met andere bevolkingsgroepen als waren zij een stuk van henzelf. Oplossingen voor de problemen en noden in de menselijke samenleving zijn door deze bewogenheid alléén echter nog niet geboden. Het absoluut nieuwe in de situatie van nu vraagt een adequate aanpak. In dit licht willen we de sociale driegeleding beschouwen, impuls door Rudolf Steiner al in 1917 gegeven, nu actueler dan ooit.

Om de mogelijkheden van toepassing te kunnen onderzoeken, dienen:

1« Een zelfstandig geestesleven, dat zich vrij moet kunnen ontwikkelen

2. Het economische leven, de (broederlijke) verdeling van de schatten der aarde

3. Het rechtsleven,(eigenlijk tussen beide vorige gebieden in), dat de
spelregels oplevert, ervan uitgaande dat ieder mens evenveel waard is! basis: gelijkheid.

Om te kunnen zien dat het onderscheiden in deze drie gebieden niet wil zeggen dat zij van elkaar gescheiden te denken zijn, lijkt het goed ons te realiseren wat elk van de drie voorstelt en hoe zij elkaar doordringen.

Wat is geestesleven?
Op het moment dat we uit de geest iets “naar beneden” halen, bijvoorbeeld door het doen van een uitvinding, maar ook door het ontdekken dat de hoeken van een driehoek samen 180º graden zijn, is er sprake van geestesleven, wordt een stukje geest werkelijkheid in het helder dagbewustzijn. Een typisch kenmerk ervan is dat het onvoorspelbaar is in welke vorm en op welk moment het  optreedt. Op welke wijze tevoorschijn zal komen wat we geleerd hebben op school, ligt bijv. nog open voor de toekomst, het onttrekt zich aan een oorzakelijk verband. Vast staat echter, dat we op het moment van “naar beneden halen” creatief’ bezig zijn, aan cultuurbeweging deelnemen. Wanneer we dit in beweging brengen tot een proces laten worden, dat zich afspeelt, wordt deze toepassing een stuk civilisatieproces, dat is de herhaling in het burgerlijke leven van het reeds geestelijk verworvene. (begrippen van Alfred Weber). Alleen cultuurbeweging is aspect van het geestesleven.
Een andere (negatieve) karakteristiek ervan geeft prof. Brüll als volgt: De mens heeft de neiging om dat wat hij voor zichzelf als waarheid gevonden heeft, een stuk van zijn hoogstindividuele ontplooiing, uit te willen dragen, aan anderen op te dringen. Opvattingen van de een te stulpen over andermans ideeën wordt echter door die ander onaangenaam ervaren, uiterste consequentie ervan is de hersenspoeling. Hieruit moge blijken dat het geestesleven vrij moet zijn en tevens welke gevaren er dreigen wanneer dat niet het geval is zoals in de doctrinaire landen. Daar wordt een bepaald samenstelsel van opvattingen, een leer, door een kleine groep aangehangen, met behulp van wetten en bepalingen dwingend voorgeschreven aan anderen, afwijkende opvattingen verbiedend. Men kan zeggen dat in deze landen het geestesleven zich bedient van het rechtsleven: er zal gezorgd worden dat iedereen zo denkt als de leider.

Evenzo is sprake van een bedenkelijke penetratie wanneer mensen met ideeën deze op intolerante wijze willen verwerkelijken in het economische leven; artsen en leraren kunnen zulke zijn, als ze hun “waar” als het enig heilbrengende proberen te verkopen,  het “beter” weten. Dc ondernemer als representant van het geestesleven in het economische doet hetzelfde als hij zijn ideeën omtrent wat goed is voor de mens tot in de consumptie wil opleggen (reclame!) Hij heeft hierdoor de tendens zich onafhankelijk te maken van de vraag en bereikt dit via persoonlijke kapitaalvorming. Tussen de machtsaspiratie van het geestesleven en het economisch leven in moet zich het rechtsleven schuiven.

Wanneer we nu voldoende de eenzijdigheden van het geestesleven bekeken hebben vragen we ons af: wat is het economische leven, waarom hebben we het nodig?

Het lijkt eenvoudig. We leven op de aarde in een lichaam, dat niet zonder voeding, kleding en “housing” kan bestaan. Tegenover de behoefte aan deze zaken bestaat het feit dat de aarde beperkt is wat betreft ruimte en middelen om deze (stuk weggevallen, waarschijnlijk: behoefte te bevredigen.) Vooral tegenwoordig! Vroeger kon men nog zeggen, zoals (weggevallen tekst) dat goederen als ‘lucht, water (weggevallen tekst) aarde is schaars.

Dat wil zeggen: levert een sociaal menselijk probleem op, haast een rechtsprobleem, want het is ons rechtsgevoel dat zich ertegen verzet dat naast welvaart honger kan voorkomen. De kunst is een verdeelsleutel te vinden; daarvoor zullen we moeten leren zuinig te zijn, gezien de schaarste aan goederen die de mensheid niet kan ontberen.
Elke verspilling gaat immers ten koste van anderen, voor elke ongebruikte, uitgescheurde bladzij van een schrift wordt een stukje natuur zinloos vernietigd.

Het product moet dus zo zuinig mogelijk gemaakt; het productieproces tendeert naar uniformiteit omdat één methode nu eenmaal de meest efficiënte is gebleken. Aan de andere kant moet de consument vrij zijn in het bepalen van wat hij nodig heeft; dat leidt tot een zeer pluriform behoefteschema, waarvan elk gevraagd product weer onder de economische wet van efficiency staat, net zolang tot het verbeterd wordt door het geestesleven. Zinvolle doordringing van beide gebieden waarbij het economische en geestesleven elkaar in hun waarde laten.

Gevaar dreigt echter als het economisch leven niet op zijn plaats blijft en in het rechtsleven terecht komt. Prof. Brüll geeft als voorbeeld hiervan een probleem uit “De gebroeders Karamazov” van Dostojefski: Stel dat de hele mensheid eeuwige zaligheid deelachtig zou worden door een onschuldig kind de eeuwige verdoemenis te laten ingaan. De economie zou dit moeten beantwoorden met ‘Reuze aanbod, doen!’ Tegenover dat ene offer staat immers het voordeel van al die mensen. In elk ander opzicht betekent deze keus echter een onrechtvaardigheid omdat ongelijksoortige waarden: kwaliteit en kwantiteit, tegen elkaar zijn afgewogen. Onmenselijkheid is veelal het gevolg van dergelijke onjuiste doorbraak van het economische in het rechtsleven.

Wat gebeurt er nu als het economische het geestesleven gaat doordringen?

Om dit te bestuderen t.a.v. de Vrije School, zijn wij hier eigenlijk bijeen. Het economische leven dreigt de school binnen te dringen wanneer dezelfde rationele planning die in het bedrijfsleven zinvol is, toegepast wordt in het onderwijs. De ontwikkeling tendeert helaas in deze richting. Hoeveel afgestudeerde kinderen er nodig zijn, gezien de behoefte van bedrijfsleven en overheid, zal straks in de school bepalend werken t.o.v. het aantal leraren en het selecteren van de vakken. Niet op de behoefte en aanleg van de kinderen maar op wat de staat nodig heeft is deze selectie gericht. Van bovenaf is bovendien te verwachten dat getracht zal worden het onderwijs meer en meer te beperken met behulp van multiple choice en geprogrammeerde instructie; het beheersen van deze methodes werkt nu eenmaal naar twee kanten efficiënt. Dat dit alles een directe aanval op het leerplan van de Vrije School betekent, behoeft geen betoog; men kan zeggen dat het economische denken de school dreigt te vergiftigen.

Welke bescherming hiertegen staat ons ten dienste? Het rechtsleven dat gezien kan worden als dam tegen eenzijdige overheersing van zowel het geestesleven (dictatuur) als het economische. Het rechtsleven is gebaseerd op het gevoel, dat iedereen als mens, als mijnsgelijke, behandeld dient te worden, recht heeft op menswaardig leven, of hij nu oud is of ziek en verzorging behoeft, of kind is en recht heeft op onderwijs.
Maar het rechtsbewustzijn van de massa bepaalt tot hoever dat recht op onderwijs gaat, uiteraard onder invloed van informatie (uit het geestesleven) enerzijds en van wat economisch mogelijk is, anderzijds. Hierin ligt voor ons het aangrijpingspunt.

‘Wanneer we nu, als toevoeging op de vraag: ‘wat is geestes- economisch- en rechtsleven en hoe doordringen ze elkaar op juiste en onjuiste wijze? de gevaren van de huidige maatschappij willen samenvatten in hun uitersten, dan zien we aan de ene kant in het Oosten, waar de samenleving door partij-ideologie beheerst wordt (dus het economische en het rechtsleven door het geestesleven bepaald zijn) hoe het sociale leven overspoeld wordt door nieuwe ideeën in oude vorm; dit is in wezen niet anders dan theocratie. Daar tegenover, in het Westen (Amerika) brengt het rationele leven een zelfde dwangsituatie teweeg. Hier schrijven de “deskundigen” voor, de ene stap volgt noodzakelijkerwijs op de andere, de structuur wordt al even piramidaal als in het Oosten, al is hier sprake van technocratie.

Dat het mogelijk moet zijn deze twee gevaren te vermijden moge blijken uit de profetische woorden van Rudolf Steiner, dat de toekomstige maatschappij of bolsjewistisch (= al datgene waarbij nieuwe ideeën in oude vorm verschijnen) of drie geleed zal zijn.

l.  Wij zijn hier bijeen uit bezorgdheid over het geestesleven. Omdat bij gebrek aan een vrij geestesleven leraren zullen worden ingezet als ambtenaren die geen interesse meer kunnen opbrengen voor hun school. Maar zinloos zou het zijn om te vechten voor onze school alléén. Vrijheid van inrichting naast de al toegestane vrijheid van richting, moet bereikt worden voor elk onderwijs dat zich dit wenst. Noodlottig zou het zijn als in een beschermd groepje alléén plaats zou zijn voor de Vrije School: zonder vrije concurrentie met andere ideeën-scholen. (Dalton, Montessori) gaan de Vrije Schoolleraren aan zelfvoldaanheid ten onder!

2. Economisch gezien is een voortdurend contact met de maatschappij, een bereidheid zich af te stemmen op de behoefte bij kinderen en ouders, vereist. Een school kan zich slechts geloofwaardig maken door rekening te houden met wat leeft in de consumenten, als gevolg een gezonde wisselwerking tussen vraag en aanbod.

3.Ten slotte stelt prof. Brüll dat een democratisch rechtsleven binnen de school, geordend moet worden, waarbij intern de hoogte van inkomens bepaald worden, en het directeurschap een “flutfunctie” is!

Een micro-driegeleding dus, onderdeel van de macro-driegeleding zoals deze hier schetsmatig werd aangeduid, gezien als voorwaarde en waarborg tevens voor een maatschappij van vrije mensen.

Prof. Brull sloot af met het hoopgevende citaat van Schiller:

Vrij is de mens, al was hij in boeien geboren.

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1446-1355

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-5)

.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige verschenen er veel artikelen over ‘vrijheid van onderwijs’. De idee van een driegelede maatschappij met als resultaat een vrij geestsesleven, dat voor het onderwijs betekent dat de invloed van de staat op de inhoud van het onderwijs vrijwel nihil is, mocht zich weer even in een grotere belangstelling verheugen. 
Inmiddels is die belangstelling vrijwel verdwenen: 100 jaar vrijeschool heeft weinig bijgedragen aan vrijheid van inrichting en is daardoor (nog) geen échte vrijeschool geworden. 

Drs. H.P van Manen over:

DE PLAATS VAN DE VRIJE SCHOOL IN DE HUIDIGE MAATSCHAPPIJ

De tijd waarover mevrouw Bemmelen sprak – de jaren 1917-1923 – waren lotsbestemmende jaren voor de wereld. In Nederland waren dat beslissende jaren voor het onderwijs, 1917 bracht het slot van de schoolstrijd. Terwijl Europa en de wereld door problemen als imperialisme en wereldoorlog beheerst werden, stond het Nederlandse politieke leven helemaal in het teken van een culturele strijd.

Het is merkwaardig dat het woord “Vrije School” al in deze strijd geklonken heeft.
Abraham Kuyper (stichter van de gereformeerde kerk, leider van de A.R. Partij, stichter van de Vrije Universiteit) sprak oorspronkelijk van de Vrije School als vorm die katholieken en protestanten voor hun eigen scholen wensten.
In de loop der jaren werd deze term vervangen door de kleurloze uitdrukking “bijzondere scholen”. Daartegenover stond de openbare school d.w.z. de.gemeenteschool als indirecte staatsschool, die door de liberalen was ingevoerd. Merkwaardig feit: juist in Nederland, land van de liberale voorvechters van de vrijheid, staat men op de bres van het staatsonderwijs!
Een weinig driegelede kluwen van godsdienst, onderwijs en politiek. Het eindigt in 1917 – jaar van de Russische revolutie! -met de volledige overwinning van de confessionele partijen. Dat wil zeggen: de kerkelijke en alle andere bijzondere scholen konden voortaan aanspraak maken op volledige subsidie (= bekostiging) door de staat,… in ruil voor een groot stuk vrijheid. Subsidie betekende ook onderwerping aan de regels van en de controle door de staat! Daardoor was het in Nederland heel makkelijk om nieuwe scholen te stichten, ook voor bijzondere pedagogische richtingen als Dalton, Montessori etc.

De in 1923 in Den Haag opgerichte Vrije School en de Vrije Scholen in Zeist en Amsterdam die er in de jaren ’30 bijkwamen, leefden voor de oorlog nog in een volledige vrijheid. De voortdurende geldzorgen maakten het bestaan avontuurlijk.
Het geld en de warme belangstèlling van ouders en vrienden hield de school in leven.

De tweede wereldoorlog kwam. Tijdens de bezetting werden de Haagse en
Zeisterschool gesloten. Na de bevrijding kwam er een nieuwe start. Op alle gebieden en vooral ook op onderwijsgebied. De stemming was ernstig maar bezield, eigenlijk zonder illusies. De idealen waarvoor verzetsstrijders gevallen waren, hingen haast tastbaar in de lucht. Het waren idealen meer in de vorm van wensen en wilsimpulsen, nog niet in de vorm van ideëen. Tot deze idealen behoorde ook de onderwijsvernieuwing. De na-oorlogse regeringen namen een eigenlijk zeer te waarderen afwachtende houding aan. Men vond dat de vernieuwing uit het onderwijs zelf moest komen, maar de vernieuwing kwam niet! Hij bleef als zovele idealen van die tijd in de lucht hangen. Dit bracht plusminus 1960 minister Cals ertoe om de onderwijsvernieuwing van bovenaf, van staatswege op te leggen. Dit gebeurde eerst met het voortgezet onderwijs d.m.v. de Mammoetwet.

De vrije scholen hadden na de oorlog een heel zware beslissing moeten nemen. De financiële strijd om het bestaan werd onmogelijk; dit betekende of subsidie aanvragen of opheffen. De lerarencollege’s, gesteund door hun besturen, hebben voor de subsidie gekozen. Zij deden dit met bezwaard hart, want zij wisten dat zij een groot stuk vrijheid uit handen gaven. De kilte van de subsidie kwam in de plaats van vroegere schenkingen; verder moest men zich veel meer aan
overhcidsvoorschriften houden. Tot en met de jaren 1960 liep dit nog wel los, maar toen kwam de mammoetwet!

Do mammoetwet is een grondig stuk werk, tot stand gekomen op grond van de allerdeskundigste adviezen. Hij bracht allerlei nuttige vernieuwingen en wilde alles veel grondiger regelen; dit betekende een veel geringere vrijheidsmarge. Minister Cals sprak het beroemde woord: de scholen hebben wel vrijheid van richting, maar niet van inrichting! M.a.w. ieder zijn eigen voorgevel als wat er achter gebeurt maar overal hetzelfde is. (Dit is overigens niet alleen met de drieledigheidsgedachte, maar ook met de Nederlandse grondwet, die na-drukkelijk vrijheid van inrichting waarborgt, in strijd.)

Deze vermindering van vrijheid was een directe bedreiging van de vrije scholen, die op het ministerie voor hun bestaan moesten gaan strijden. Deze strijd bracht de scholen nader tot elkaar; dit trok op een positieve manier de aandacht. De rechtspositie van de scholen kon op belangrijke punten verbeterd worden; de havo-erkenning voor de bovenbouw in Den Haag en A’dam kwam tot stand.

Toch blijft de strijd om de vrijheid nog onbeslist. De gevaren worden alleen maar groter door nieuwe overheidsmaatregelen. Natuurlijk kan men op grond van bepaalde wetsartikelen uitzonderingen aanvragen, die een minister als een genade van bovenaf kan verlenen. Maar is een gunst van boven nog hetzelfde als een vrijheid waar men eigenlijk recht op heeft ? Zulke uitzonderingen worden soms niet, soms tijdelijk verleend… In het septembernummer (1972 blz.43) van Vrije Opvoedkunst schreef prof. Brüll dat we eigenlijk de moed zouden moeten hebben om ons Onvrije Scholen te noemen.

We zien aan dit alles hoe in Nederland de staat het geestesleven, waar het onderwijs een heel belangrijk onderdeel van is, dirigeert, dus onvrij maakt. Dit is in overeenstemming met het groeiende gevoel van machteloosheid dat veel mensen tegenwoordig bezielt. Wij kunnen de zaken toch niet aan, laat de staat vooral alles regelen.

Heeft een streven naar driegeleding nog zin bij zo een gang van zaken?

Er zijn grof gezien twee manieren waarop een drieledige organisatie ingevoerd zou kunnen worden. De eerste zou kunnen zijn dat in bepaalde landen de staat het culturele leven vrijlaat en ook het economische leven op eigen benen staat. Dit had plusminus 1918 in Duitsland of Oostenrijk kunnen gebeuren. De andere manier is dat men van onderaf kiemen schept van het nieuwe. In de economie zijn dat associaties van producenten en consumenten, en in het geestesleven de oprichting van echt vrije scholen.

Er zijn in ons land ook zoekende pogingen die althans in deze richting tasten; men hoort de laatste tijd stemmen in de onderwijswereld, die zeggen dat de openbare scholen (evenals, de confessionele scholen) verouderd zijn en van de staat losgekoppeld dienen te worden. Nieuwe regionale instanties zouden het onderwijs moeten regelen en niet meer het ministerie van onderwijs in Den Haag.

Wat kunnen de Vrije Scholen doen om hun vrijheid te heroveren? De subsidie weer afschaffen? Dat zou neerkomen op het tekenen van eigen doodvonnis voor alle (bijna 10*) vrije scholen. Trouwens een weg terug is er toch nooit in de geschiedenis. Onze schoolbeweging wordt 50 jaar*. Wie 50 jaar wordt krijgt geschenken, zeker, maar mag ook best een geschenk geven, vooral als het gaat om een beweging die jong wil blijven. En de Vrije School kan zo’n geschenk geven.

Prof. Brüll heeft er al op gewezen dat wij niet op een egoïstische manier voor onze vrijheid moeten strijden of smeken. Wij moeten als Vrije Schoolbeweging opkomen voor de vrijheid van alle scholen die deze wensen.

Wat kunnen daarbij onze middelen zijn in een tijd waarin je alleen met geld, massa’s mensen of met geweld iets bereikt ? Geld en massa’s mensen hebben we niet en geweld ligt ons minder. Onze kracht zal moeten zijn de kracht van de idee en wel de idee van de vrijheid tegen de achtergrond van de sociale driegeleding, Hier ligt een taak voor al degenen die als ouders, oud-leerlingen, leerlingen van de hoogste klassen en andere vrienden van de school, het werk van de leraren willen steunen: namelijk om in het enthousiasme voor deze idee een machtige beweging rondom de vrije scholen te vormen, die de vrijheid van onderwijs weer inbouwt in het rechtsbewustzijn van Nederland. Ik ben van mening dat dat ons jubileumgeschenk zou moeten zijnl

H.P.van Manen, lezing vrijeschool Den Haag, *10 februari 1973

**inmiddels gaat het aantal, met de nieuwe initiatieven, naar de 100

In het vraaggesprek na afloop werd van verschillende kanten ingegaan op de vraag welke rol diploma’s in een vrij geestesleven wel of niet zouden moeten spelen. Op een vraag of men van politieke ambtenaren nog iets goeds mag verwachten antwoordde de heer van Manen dat men soms van die zijde zeer onverwachte erkenning en steun ondervindt, zoals de ervaringen van de heer Kuiper* hebben uitgewezen.

*Wim Kuiper, leraar aan de Haagse vrijeschool, maar vooral in, vóór en na de jaren 1970 onvermoeibaar, onverstoorbaar, met een tomeloze energie zich inzettend voor de belangen van de vrijescholen in zijn contact met de overheid.

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

Sociale driegeledingalle artikelen
.

1445-1354

.

.