Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (1-3)

.

Als inleiding:  100 jaar vrijeschool (1-1)
.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN 

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In het verslag van een voordracht van H.P. van Manen,(1973) roept deze op – bij het 50-jarig bestaan van de vrijescholen, als ‘jarige’ te zorgen voor een groots geschenk:

namelijk om in enthousiasme voor de idee van vrijheid van onderwijs een machtige beweging rondom de vrije scholen te vormen, die deze vrijheid  weer inbouwt in het rechtsbewustzijn van Nederland. Ik ben van mening dat dat ons jubileumgeschenk zou moeten zijnl’

Dat geschenk is er niet gekomen en het lijkt er sterk op – maar wat niet is, kan komen – dat dit ook niet het geschenk zal worden bij het 100-jarig jubileum.

0-0-0

In de jaren 1970 waren er steeds mensen/scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding of ontplooiden andere initiatieven.

Rond 1970 bestond er in Den Haag een Leerlingenbeweging/Werkgroep voor Driegeleding-Den Haag.

Een aantal Haagse vrijeschoolleerlingen had een initiatief genomen om de driegeleding van het sociale organisme meer bekendheid te geven om er -daad-werkelijk iets mee te bereiken.
Er heerste dat (jeugdig) elan om iets te willen realiseren: vechten voor onderwijsvrijheid!
Ze organiseerden bijeenkomsten, nodigden sprekers uit om de driegeleding toe te lichten.

Een ervan was de Haagse vrijeschooleraar H.P. van Manen†.

Op een leerlingendag 10 februari 1973 Vrije School te Den Haag gaf hij een lezing over:

DE PLAATS VAN DE VRIJE SCHOOL IN DE HUIDIGE MAATSCHAPPIJ

.

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1444-1353

.

.

VRIJESCHOOL – en vrijheid van onderwijs – alle artikelen

.

VRIJESCHOOL EN VRIJHEID VAN ONDERWIJS
.

[1-1]
Rudolf Steiner over: vrijeschool en driegeleding;
Vóór de cursus begint die Steiner voor de eerste leraren aan de eerste vrijeschool geeft, houdt hij een voordracht over ‘vrijeschool en driegeleding‘. (Dat kan geen toeval zijn….)

De actualiteit van de bepaalde artikelen uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw m.b.t. de huidige onderwijsperikelen: de veel te grote werkdruk. Leerkrachten staken. Er is een congres over 100 jaar vrijheid van onderwijs. (17-11-2017)
Het is niet georganiseerd door de Ver. van vrijescholen!

Hoe actueel zijn  o.a. deze artikelen:   Vrijheid en onderwijs  en  Vrijheid van onderwijs en gelijke kansen
.

[2-1]
Vrijheid en onderwijs Scholen als autonome onderwijsinstellingen
Dik Crum over: bijdrage vanuit de eigen richting aan de maatschappij; kind- of maatschappijgericht?; ontmoeting met de leerling; driegeleding van het sociale organisme; noodgedwongen uniformerende werking van overheid op onderwijs door gelijkheidsbeginsel; als gevolg van onze staatsinrichting: bureaucratische en dirigistische uniformering, opgelegd door middel van wettelijke voorschriften; gevolgen van invloed van economisch leven op onderwijs – selectie; geestesleven heeft vrijheid nodig, rechtsleven gelijkheid, economisch leven broederlijkheid; kan het onderwijs zonder overheid?

[2-2]
Sociale driegeleding in de vrijeschool
Maarten Ploeger over: broederlijkheid, broederschap, concurrentie, cultuurleven, driegelede maatschappij,drieledige mens, economisch leven, geestesleven, gelijkheid, ouderparticipatie, rechtsleven, sociale driegeleding, sociale driegeleding in school

[2-3]
Vrijescholen en driegeleding
Michiel Damen over: de noodzaak de drie maatschappelijke gebieden van elkaar te scheiden: culturele leven los van politiek en economie=vrijheid voor ontplooiing; economisch leven: samenwerking producent-consument; associaties; taak politieke leven: gelijkheid beschermen; driegeleding niet gelukt; invloed staat op onderwijs: nivellering; Steiners opdracht aan vrijescholen: strijd voor vrij geestesleven;

[2-4]
Dieter Brül over: veel bestaat uit drieën, waarom de maatschappij niet; geestes- rechts- en economisch leven en de zinvolle en verkeerde inbreng van de een in de ander; theocratie

[2-5]
De plaats van de vrijeschool in de huidige maatschappij
H.P. van Manen over: Abraham Kuyper en het ontstaan van ‘Vrije School’. Vrijescholen aanvaarden subsidie en daarmee onvrijheid; taak van vrijescholen voor het hele onderwijsveld: inzetten op vrijheid van inrichting.

[2-6]
Vrijheid van onderwijs en gelijkheid van kansen
A.C.Henny over: vrijheid van onderwijs en art. 208 i.v.m. gelijke kansen; invloed maatschappij op onderwijs: doelmatigheid, prestatiedwang; school als wapen tegen klassentegenstellingen; emancipatie door onderwijs; vrijheid van richting en inrichting; vermaatschappelijking onderwijs niet alleen vraagstuk van opleiding, maar van opvoeding, van houding t.o. mens en wereld; gelijkheid en gelijkwaardigheid; vrij onderwijs: verantwoording naar maatschappij

[2-7]
Van onderwijzer tot lesboer
M. de la Rive Box over: wet op het basisonderwijs: nog minder vrijheid van inrichting; gevolgen voor de onderwijzer; een verrassende parallel met de positie van de boer

[2-8]
De ranglijst of rebels
Marcel Seelen over: schoolprestaties op diverse ranglijsten; waar gaat het om in het onderwijs; de onmogelijkheid om het essentiële te meten; oproep voor meer inzet om vrijheid van onderwijs te bewerkstelligen

[2-9]
Coöperatieve vereniging voor vrij onderwijs i.o  [dec. 2017]

[2-10] Vrijeschool versus overheid
Andreas Driessen over: er is veel mogelijk, ondanks ‘de inspectie’; oproep om geen methodes te gebruiken die ‘de leerkracht vervangen’: blijf zelf creatief!

[2-11] 30% vrijheid
John Hogervorst over: een cadeautje van de minister: 30% onderwijsvrijheid; hoe ziet de overheid de leerkracht; steeds op oude voet verder; wat is vrijheid.

Sociale driegeleding: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

1442-1351

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (2-1)

.

HOOPVOL?

Een driegelede maatschappijstructuur zoals die door Steiner werd ontworpen, laat de drie maatschappelijke gebieden: cultureel/geestelijk leven, rechtsleven en economisch leven zo zelfstandig, autonoom mogelijk functioneren. Dat betekent dat het ene gebied zo min mogelijk invloed moet uitoefenen in het andere gebied. Gebeurt dat wél, dan ontstaan er scheve verhoudingen die voor bepaalde (groepen) mensen a-sociaal uitwerken.
In zijn artikel ‘Vrijheid en onderwijs’ geeft Dik Crum duidelijke voorbeelden van de invloed van de politiek in het geestesleven, in dit geval in het onderwijs en hij noemt daarbij ook de gevolgen.
Interessant is dat ook vandaag de dag (16-11-2017) deze invloed van de politiek op het onderwijs als drukkend wordt ervaren en van tijd tot tijd – in dit geval morgen 17-11-2017 – wordt er over gediscussieerd op een congres.
Het valt nu al te voorspellen dat dit congres alleen daadwerkelijk resultaat kan boeken, wanneer wordt ingezien dat het politieke leven geen invloed mag hebben op het culturele, dus ook niet op het onderwijs. Het onderwijs moet zo vrij, dat de inrichting ervan geheel wordt overgelaten aan de mensen die het onderwijs gestalte geven: de leerkrachten, gesteund door bestuur en oudergroep.
Zonder het inzicht in de driegelede maatschappij zullen de maatregelen die  n.a.v. het congres – misschien – genomen gaan worden, alleen maar lapmiddelen blijven.

De Nederlandse onderwijsleerkrachten protesteren en staken omdat de werkdruk in het onderwijs zo hoog is. Meer geld of kleinere klassen vormen niet de oplossing. Minder overheidsinvloed zal de werkdruk pas echt verlichten, m.a.w. vrijheid van inrichting!

Dik Crum schreef in zijn artikel o.a.:
De gevolgen van staatsonderwijs, gebaseerd op het beginsel van gelijke kansen voor iedere leerling, zijn daardoor: bureaucratische en dirigistische uniformering, opgelegd door middel van wettelijke voorschriften.

In het artikel ‘Vrijheid van onderwijs’ en ‘gelijkheid van kansen’ gaat Arnold Henny op deze vraagstelling in.

.

vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1441-1350

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-6)

.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige verschenen er veel artikelen over ‘vrijheid van onderwijs’. De idee van een driegelede maatschappij met als resultaat een vrij geestsesleven, dat voor het onderwijs betekent dat de invloed van de staat op de inhoud van het onderwijs vrijwel nihil is, mocht zich weer even in een grotere belangstelling verheugen. 
Inmiddels is die belangstelling vrijwel verdwenen: 100 jaar vrijeschool heeft weinig bijgedragen aan vrijheid van inrichting en is daardoor (nog) geen échte vrijeschool geworden. 

‘Vrijheid van onderwijs’ en ‘gelijkheid van kansen’

Twee strijdige beginselen?

Oud-minister van Onderwijs Van Kemenade meende dat er slechts één schooltype voor voortgezet onderwijs diende te zijn: de middenschool. Dit om gelijkheid van kansen voor alle sociale groepen te bevorderen.

De onderwijspolitiek wordt beheerst door de vraag: in hoeverre stemt het streven naar gelijkheid van kansen overeen met het grondwettelijke beginsel van vrijheid van onderwijs.

Arnold Henny meent dat beide beginselen elkaar kunnen verdragen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

Het is eind augustus*: de Nederlandse onderwijsvloot vaart weer een nieuw schooljaar tegemoet: ‘vlaggetjesdag’ in 20.000 scholen met 140.000 man of vrouw onderwijzend personeel voor 3.3 miljoen kinderen!**

Voor hoevelen van hen betekent dit een reis zonder schipbreuk? Nog steeds is de afval onderweg groot. Uit de gezinnen van geschoolde en ongeschoolde arbeiders gaat slechts 8.3 procent van de jongens en 4.2 procent van de meisjes naar het voortgezet onderwijs. Bij de gezinnen van de zogenaamde hogere beroepsgroepen zijn deze cijfers 52 procent en 47 procent.

Daarmee is het probleem gesteld, dat de laatste 20 jaar de onderwijspolitiek in ons land sterk heeft beheerst: in hoeverre stemt de Vrijheid van onderwijs’, zoals deze in artikel 208 van de Grondwet is gewaarborgd, overeen met het beginsel ‘gelijkheid van kansen’, waardoor aan iedere leerling de mogelijkheid wordt gegeven tot verdere ontwikkeling boven de leerplichtige leeftijd?

De school dient niet alleen te voldoen aan pedagogische verwachtingen maar ook aan maatschappelijke verwachtingen. Die maken dat veranderingen van binnenuit steeds stuiten op weerstanden van buitenaf.

Op tweeërlei wijze doordringt de samenleving de school: enerzijds door normen van sociale rechtvaardigheid: gelijke kansen aan ieder voor ontwikkeling en scholing, anderzijds door normen van economische doelmatigheid: aanpassing aan de arbeidsmarkt. Vóór de tweede wereldoorlog heeft het onderwijs vooral onder invloed van dit laatste beginsel gestaan. Immers, op de arbeidsmarkt geldt ‘selectie van de besten’ als een waarborg voor rentabiliteit en efficiency, geheel volgens de regels van de klassieke economie. De school staat in dienst van de vorming van het intellect. Kennis is immers macht. Daarmee drong de prestatiedwang de school binnen. Aangezien hoge intellectuele vermogens schaars zijn, worden zij op de arbeidsmarkt hoger gewaardeerd dan vermogens die voor het opscheppen liggen. Daardoor werkte het onderwijssysteem reeds als een zeef, als een selectieinstrument door middel van examens en schooltypen van verschillend niveau. Iemands levensloop werd meestal geprogrammeerd door het type school, dat men volgde: LO, MULO, HBS, Gymnasium. Ook de inkomensstructuur op de arbeidsmarkt werd hierdoor voor een deel beheerst. Dit schoolsysteem stond hiermee sterk onder invloed van de 19e eeuwse rationalistische opvattingen; in dienst van de ontwikkeling van het individu. ‘Vrijheid van onderwijs’ behoorde daardoor tot de klassieke individuele grondrechten, zoals vrijheid van godsdienst en meningsuiting, waarmee de liberale burgerij zich afzette tegen het conservatisme en clerikalisme van de standenmaatschappij.

Zoals gezegd: dit heeft geduurd tot de Tweede Wereldoorlog. Dan gaan andere invloeden een rol spelen, waardoor de samenleving niet minder de school is gaan doordringen. Naast de individueel klassieke grondrechten, zijn het de sociale grondrechten die de samenleving gaan beheersen. In het Atlantic Charter werd reeds in 1941 door Roosevelt en Churchill een volkerenrechtelijke basis gelegd voor een na-oorlogse maatschappijstructuur. ‘Freedom from fear’, ‘freedom from want’ betekende niet meer alleen een recht van de individuele burger – zoals het ‘freedom of speech’ en ‘freedom of worship’, vrijheid van meningsuiting en godsdienst uitoefenen – het legde ook de gemeenschap verplichtingen op: de mens te vrijwaren van vrees (bij ziekte), van armoede (bij werkloosheid). Ook recht op onderwijs werd nu een sociaal grondrecht speciaal ten behoeve van de economisch zwakkere groepen van de bevolking. De overheid werd hiervoor verantwoordelijk.

Daarmee kreeg de school een andere functie in de samenleving: niet zozeer als zeef, als selectie-instrument, maar als hefboom, tot opheffing van de maatschappelijke klassentegenstellingen. De oude klassenstrijd speelt zich dan niet alleen meer af op het fabrieksplein of in de volksvertegenwoordiging maar… in de klas op school: de klassenstrijd in de klas! De school biedt aan iedere leerling gelijke kansen tot doorstromen binnen de scholengemeenschap.

In ons land is onder minister Cals met de Mammoetwet een begin gemaakt met dit doorstromingsproces in grote scholengemeenschappen, met één gemeenschappelijke brugklas en overstapmogelijkheden onderweg naar een ander schooltype. De onderwijsplannen van Van Kemenade sloten hierop aan: Contourennota, Middenschool. De school stond niet langer meer in het teken van de selectie maar in het teken van de emancipatie.

Met het beleid van minister Pais zijn weer meer economische motieven naast emancipatorische motieven een rol gaan spelen: de twee fasenstructuur van het wetenschappelijk onderwijs met zijn bottleneck voor opleiding van studenten met hoog gekwalificeerde intellectuele vermogens; geen voortzetting van de experimenten Middenschool; in geen geval dit schooltype verplicht stellen voor het totale onderwijs.

In de laatste tien jaar is duidelijk gebleken dat, wat betreft de ‘vermaatschappelijking’ van het onderwijs, het niet meer zoveel verschil uitmaakt of een liberale, een socialistische of een confessionele minister het onderwijsbeleid bepaalt.

Vrijheid van richting en inrichting
Al deze geweldige en daverende dingen die de economische en emancipatorische doelstellingen van het onderwijs betreffen, spelen zich af over de hoofdjes en hoofden heen van de 3.3 miljoen kinderen en 140.000 leraren en leraressen in de twintig duizend scholen in Nederland. Men kan zich hierbij afvragen: hebben kinderen zelf ook nog een recht om op school kind te mogen zijn en als zodanig zich te kunnen ontwikkelen? Vrij van bepaalde doelstellingen die van de maatschappij uit – en dat betekent tegenwoordig voornamelijk van de staat uit – steeds meer aan de school worden gesteld.

Deze vraag is niet nieuw en reeds lang geleden voortgekomen uit verontrusting, niet alleen binnen de wereld van de vrijescholen maar ook binnen die van het montessori-onderwijs, het Jenaplanonderwijs, de Werkplaats van Kees Boeke en nog zoveel andere pioniers voor vernieuwing van opvoeding en onderwijs. Al deze scholen worden nu door het ministerie geclassificeerd onder de naam van ‘traditionele vernieuwingsscholen’, waarmee deze vernieuwingsbeweging nu is ingepakt in de onderwijsvernieuwing die voortaan van het ministerie zelf moet uitgaan.

Een gemeenschappelijk kenmerk van deze scholen is, dat hierin wordt gewerkt vanuit een psychologische basis, een mensbeeld, dat weliswaar in iedere school verschillend is, maar dat niettemin in de school richting geeft aan pedagogie en didactiek. Men wil daarmee de ‘vrijheid van inrichting’ beschermen tegen overheersing van de hierboven vermelde druk van ‘vermaatschappelijking van het onderwijs’. In hoeverre komt nu door deze vermaatschappelijking van het onderwijs de door de grondwet gewaarborgde ‘vrijheid van onderwijs’ op de tocht te staan? Vrijheid van onderwijs duidde aanvankelijk op vrijheid van ‘godsdienstige richting’ en is het resultaat van de Schoolstrijd tussen confessioneel en openbaar onderwijs. Het recht op vrijheid was hierbij een klassiek individueel grondrecht: het recht van ouders op godsdienstige vorming van hun kinderen. Dankzij de Schoolstrijd is thans de financiële gelijkstelling van de bijzondere en de openbare school een feit (1917) en zijn thans 70 procent van alle scholen bijzondere scholen tegenover 30 procent openbare scholen. Niettemin is het vraagstuk van de vrijheid van onderwijs hiermee nog niet opgelost. Het wordt thans opnieuw gesteld: naast de vrijheid van richting is er de vrijheid van inrichting.

Het is zeer de vraag of men van overheidszijde bereid is artikel 208 van de Grondwet in deze zin te interpreteren. Dat bleek nog onlangs tijdens de behandeling van de nieuwe wet op het basisonderwijs in de Tweede Kamer. De heer Mertens (D’66) stelde ter discussie of het begrip vrijheid van richting in artikel 208 niet zou kunnen worden uitgebreid tot onderwijskundige opvattingen die aan het gegeven onderwijs ten grondslag liggen. Daardoor zouden verschillende methoden van onderwijs, zoals bijvoorbeeld montessori, Jenaplan, een veel grotere vrijheid krijgen tot inrichting van leerplan met behoud van subsidie.

Minister Pais antwoordde hierop ‘dat onderwijskundige opvattingen in het algemeen minder duurzaam zijn en aan sterker verandering onderhevig dan godsdienstige overtuigingen’. De opvattingen met betrekking tot het Jenaplan-onderwijs, zijn enkele decennia oud terwijl de geloofsovertuiging, waartoe de bewindsman zei zichzelf te bekennen, enkele millennia oud is. Daarmee werd de zaak van de baan geschoven. Het onderwijsbestel behoeft stabiliteit, maar het vraagstuk in hoeverre vrijheid van onderwijs nog in overeenstemming is met het beginsel ‘gelijke kansen’ is hiermee nog niet opgelost.

Vrijheid en gelijkheid
In hoeverre verdragen ‘vrijheid van onderwijs’ en ‘gelijkheid van kansen’ elkaar? Reeds Goethe heeft er op gewezen – in de tijd van de Franse revolutie, toen de drie idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap werden verkondigd – dat vrijheid en gelijkheid moeilijk met elkaar zijn te verenigen. Vrijheid betreffende persoonlijke ontwikkeling leidt allerminst tot gelijkheid. Mensen zijn immers verschillend van aard en capaciteit. Niettemin behoeft het beginsel ‘gelijkheid van kansen’ niet in strijd te zijn met vrijheid van individuele ontwikkeling, zodra men hieronder verstaat: ontwikkeling tot veelzijdigheid van vermogens. Gelijkheid van kansen krijgt dan de betekenis van vermeerdering van kansen, zonder dat hiermee het sociale grondrecht waarop het vrijheidsbeginsel berust in de knel komt. De vrijheid van inrichting die de zogenaamde methodescholen beogen, is daarmee geheel in overeenstemming. Reeds lang staat bij deze scholen op de voorgrond dat het in het onderwijs niet alleen gaat om de ontwikkeling van de vermogens van het hoofd, maar ook om die van het hart en de ledematen: naast rationele vorming, vorming van oordeelsvermogen, sociale vaardigheid, creativiteit en handvaardigheid. Dat is niet in strijd maar zeker ook in overeenstemming met de realiteit van de maatschappij, zowel op economisch gebied als op sociaal gebied. Op economisch gebied is het tegenwoordig allerminst meer vanzelfsprekend dat competitie de belangrijkste drijfveer vormt van verhoging van welvaart. Weliswaar is in de praktijk van het zakenleven het ‘mechanisme van de arbeidsmarkt’, berustend op concurrentie en selectie, nog een belangrijk element, doch meer en meer blijkt dat de huidige structuur van de wereldeconomie andere eisen van management stelt: rekening te houden met wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen, tussen producent en consument, tussen grondstoffenverwerkers en grondstoffenleveranciers, tussen werkgevers en werknemers. Een samenleving waarin traditionele scheidingen tussen mensen onderling worden doorbroken. Dat is de werkelijkheid van de post-industriële samenleving, waarin op mondiaal niveau ieder van ieder afhankelijk is geworden en daardoor min of meer gedwongen wordt niet meer voor zichzelf, maar voor de ander te werken en te leven. Daarop wijst onder andere de verandering van het consumentenbewustzijn die de laatste tijd heeft plaats gevonden. Hoe gaan wij om met de voedingsmiddelen en de grondstoffen die de aarde levert? Eten wij nog langer bietsuiker in plaats van rietsuiker? Gebruiken wij zeven dagen van de week de auto of slechts vier dagen? ‘Vermaatschappelijking van het onderwijs’ is dan niet alleen meer een vraagstuk van opleiding en opvoeding tot producent die zich zou moeten kunnen handhaven in het ‘mechanisme van de arbeidsmarkt’ maar tevens opvoeding tot consument, in een tijd waarin de schaarste van grondstoffen en mondiale betrokkenheid een nieuw verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van de omgeving vereisen.

Gelijkheid en gelijkwaardigheid
Op sociaal gebied is het van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. De mensen zijn verschillend wat betreft natuurlijke aanleg en karakter. Maar dat is geen reden tot discriminatie. Daartegen richten zich juist de sociale grondrechten. Wanneer met ‘gelijkheid van kansen’ in het onderwijs een sterkere nivellering wordt beoogd in de inkomensstructuur, dient men wel het volgende te bedenken: bij het wegvallen van de oude tegenstellingen tussen ‘haves’ en ‘have-nots’ bestaat het gevaar dat nieuwe tegenstellingen ontstaan: die tussen academici en niet-academici. Ook wanneer hun ‘waarde’ op de ‘arbeidsmarkt’ gelijk wordt beloond, betekent dit nog niet dat zij ook met elkaar zullen kunnen samenwerken. Zijn zij nog in staat eikaars taal te verstaan? Daarmee doemt een nieuw vervreemdingsproces op, dat tot een nieuwe klassenstrijd kan leiden wanneer de tegenstellingen tussen de oude klassen zijn opgeheven.

Het antwoord op al deze vragen is voor een belangrijk deel afhankelijk van het onderwijs en zijn doelstellingen. Sociaal gezien is het werken met ‘niet homogene groepen’ binnen de school van groot belang. Leerlingen ontdekken hoe verschillend van aanleg zij zijn. De een is meer begaafd op intellectueel gebied, de ander op kunstzinnig gebied of op het gebied van handvaardigheid. Wanneer men binnen de school deze pluriformiteit van aanleg werkelijk tot haar recht kan laten komen, legt men de grondslag voor een samenleving waarin de ongelijkheid van capaciteiten en vermogens in zijn juiste verhouding wordt gezien. Daarom is het van belang dat een klas als groep zo veel mogelijk één geheel blijft, zonder dat daarin – door zittenblijven en vrees voor het examen – een te vroege selectie plaats vindt.

Verantwoording voor de maatschappij
‘Vrijheid, van onderwijs’ en ‘gelijkheid van kansen’ kunnen elkaar dus wel verdragen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan:

1. Vrijheid van inrichting mag niet worden achtergesteld bij vrijheid van richting als criterium voor subsidie. Daarmee kan aan de methodescholen meer ruimte worden gegeven op grond van een eigen leerplan, hun eigen identiteit na te komen. Vrijheid is daarmee niet alleen meer een aangelegenheid van individueel grondrecht maar ook van sociaal grondrecht. Daarbij kunnen, als voorwaarde tot subsidie, bepaalde eisen van ‘deugdelijkheid’, krachtens artikel 208 van de Grondwet gesteld blijven worden. Deze zouden dan niet verder behoeven te gaan dan toezien of de inrichting beantwoordt aan de identiteit die de school zelf wil nakomen, in zijn methode en pedagogische doelstellingen.

2. Op basis van vrijheid als sociaal grondrecht kan worden verwacht dat vrijheid niet onbeperkt is, maar tevens verantwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving inhoudt, Tot nog toe achtte de overheid zich geroepen deze verantwoordelijkheid zelf te dragen. Jaarlijks wordt hiervoor rekenschap afgelegd in de volksvertegenwoordiging bij de behandeling van de begroting voor onderwijs (23 miljard gulden*). Zolang het onderwijs zelf niet in staat is deze maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen, zal deze centralisatie van onderwijsbeleid blijven bestaan. De verwachtingen, die van de maatschappij uit, aan het onderwijs worden gesteld, zijn in de laatste veertig jaar te sterk gegroeid, om het onderwijs geheel als een ‘pedagogische provincie’ aan zichzelf over te laten. Maar waarom zou de school zelf zich niet meer rekenschap kunnen gaan geven van deze verwachtingen om daarmee, zodra mogelijk, op eigen benen te kunnen staan?

Dat is een vraag die niet zo eenvoudig is te beantwoorden, want het bewustzijn hiervoor is nog maar vaag. Toch hangt hiervan af of een grotere decentralisatie van onderwijsbeleid niet alleen politiek, maar ook maatschappelijk haalbaar is. School en maatschappij dienen daarbij veel sterker op elkaar betrokken te zijn dan thans nog het geval is. Dat is niet alleen een aangelegenheid van leerlingen en docenten – bijvoorbeeld bij het geschiedenisonderwijs, aardrijkskunde en maatschappijleer – maar ook een aangelegenheid van organisatie van bestuur en oudervereniging. Via ouders kan een belangrijke stroom informatie de school binnenkomen als bron voor maatschappelijke betrokkenheid en oriëntatie, aangevuld door belangengroepen uit het bedrijfsleven en het culturele leven. Daarbij zal een evenwicht moeten ontstaan tussen pedagogische en maatschappelijke verwachtingen, zodat daarbij de vrijheid niet in het gedrang komt. Tevens zal hiervoor wederzijdse tolerantie moeten worden ontwikkeld en onderscheidingsvermogen moeten ontstaan tussen reële en irreële verwachtingen die vanuit de maatschappij aan de school worden gesteld.

Daarmee wordt een school niet alleen een pedagogisch en onderwijskundig oefenveld voor leraren en leerlingen, maar ook een sociaal-economisch oefenveld voor volwassenen onderling. De school kan hierdoor uitgroeien tot een zelfstandige sociale gemeenschap. Hiermee is een richting aangegeven die kan leiden tot een verandering van centralisatie in decentralisatie van onderwijsbeleid, waarbij ‘vrijheid van onderwijs’ en ‘gelijkheid van kansen’ niet met elkaar in confiict behoeven te komen.

A.C.Henny†, Jonas *25 21-08-1981

**deze getallen zijn uiteraard niet actueel

.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1440-1349

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (1-2)

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Toch waren er steeds mensen/scholen die probeerden bewustzijn te wekken voor de driegeleding of ontplooiden andere initiatieven.

Artikelen uit die tijd zullen hier worden gepubliceerd.
Wellicht als ‘archief’, misschien als impuls voor de komende 100 jaar.
De tijd zal het laten zien.

Rond 1970 bestond er in Den Haag een Leerlingenbeweging/Werkgroep voor Driegeleding-Den Haag.

Een aantal Haagse vrijeschoolleerlingen had een initiatief genomen om de driegeleding van het sociale organisme meer bekendheid te geven om er -daad-werkelijk iets mee te bereiken.
Er heerste dat (jeugdig) elan om iets te willen bereiken: vechten voor onderwijsvrijheid!
Ze organiseerden bijeenkomsten, nodigden sprekers uit om de driegeleding toe te lichten.
Van een voordracht over driegeleding van Dieter Brüll volgt hier een verslag.

leerlingenbeweging/
Werkgroep voor driegeleding-

Secr. Waalsdorperweg 12-Den Haag.

Beste vrienden!

Hierbij doen wij jullie een verslag van de beide voordrachten toekomen. Door deze verslagen nog eens te bestuderen, kan er achteraf nog een beeld gevormd worden van de Contaktdag van 10 febr. j.l. Wij hopen dat er bij jullie ook initiatieven worden genomen, voor een vrij cultuur-en onderwijsleven

De Leerlingenbeweging omsluit nu ook een Werkgroep voor Driegeleding. Het accent zal voorlopig op het vechten voor onderwijsvrijheid liggen. Toch zal er ook aandacht besteed moeten worden aan de twee andere gebieden van het sociale organisme (Rechtsleven en Economisch leven).

In het kader van de Driegeleding, zullen op vrijdagavonden voordrachten en studiegroepen gehouden worden. We houden jullie op de hoogte! (Zie ook tijdschrift JONAS).

Hartelijke groeten,

Namens de Leerlingenbeweging/Werkgroep voor Driegeleding-Den Haag.

Rosalind Veltman Boudewijn Körber.

Leerlingendag 10 februari  1973 Vrije School, Den Haag

Prof. BRÜLL over: DE DRIEGELEDING IN HET SOCIALE ORGANISME

Hoe vertel je in ruim een uur iets over driegeleding aan mensen die niet weten wat het is, er totaal vreemd tegenover staan? Voor deze netelige opgave zag Prof. Brüll zich kortgeleden gesteld tegenover een gezelschap professoren die in beginsel evenveel bleken te zien in een 5- of zelfs 10-geleding (afhankelijk van botsingen tussen moleculen in de hersenen!) als juist in drie-geleding, een naar hun mening willekeurige indeling, van buitenaf op de samenleving gedrukt, een gedachte die je er eerst instopt om hem er later weer Uit te kunnen halen.

Zonder te ontkennen dat nieuwe indelingen d.m.v. hersenwerk tot stand gebracht, altijd mogelijk blijven, trachtte prof. B. zijn hooggeleerd gehoor aan de hand van een voorbeeld duidelijk te maken dat de vraag: waarom juist een indeling in drieën? evenmin ter zake is als de vraag om een verklaring van de indeling verleden-heden-toekomst, alvorens ermee te rekenen. Het bleek bijkans onmogelijk.

Zo begon in de goedgevulde zaal van de Vrije School prof.Brüll met animo en humor zijn heldere uiteenzetting. Verheugd stelde hij vervolgens vast dat, hoe moeilijk de practische toepassing ook mag zijn, het begrip driegeleding in deze omgeving dagelijks voedsel genoemd kan worden. Indelingen als: natuur-mens-god, lichaam-ziel-geest, denken-voelen-willen, zenuw-zintuig systeem, ritmisch en stofwisselingssysteem zijn hier bekend en vertrouwd; dat het maatschappelijk organisme ook een eigen drievoudige werkelijkheid heeft, ligt dus voor de hand. Anderzijds laat het leerplan van de Vrije School de kinderen a.h.w. voelen wat een organisme is.

Met een paar voorbeelden laat prof.B. zien hoe dat gebeurt: in de aardrijks-kundeles wordt het gebergte liggend als een kruis over de aarde voorgesteld, organisch ermee verbonden; in de 8e klas leer je hoe alle rassen der aarde samen de mens vormen.

En nu het sociale organisme. Wat is dat eigenlijk? Op zichzelf en niet denkend te vatten werkelijkheid, de projectie van wat we er zelf van gemaakt hebben, pas zichtbaar voor de generaties van nu. Een typisch kenmerk van dit sociale organisme, n.l. dat men het geen haar uit kan trekken zonder het te verminken, wordt bijvoorbeeld nu pas zichtbaar. Al worden de mensen vroeger wel van afgrijzen vervuld bij het horen van de gruwelen in ver weg gelegen streken (de verschrikkingen in Rusland onder het stalinisme, in de negerghettos van Amerika etc.) deze ellende liet hun in wezen toch tamelijk onberoerd, het bleef theorie voor hen. Zelfs de jodenslachtingen, hoe een groot drama ook, betekende nog geen amputatie. Nu is de situatie daarentegen een totaal andere! Uit het massaal op de been komen in de eindeloze stroom demonstraties moge o.a. blijken, dat alles wat nu op de wereld gebeurt in werkelijkheid ieders aangelegenheid is. Toch is het pas voor deze generatie vanzelfsprekend dat zij mee-lijdt met andere bevolkingsgroepen als waren zij een stuk van henzelf. Oplossingen voor de problemen en noden in de menselijke samenleving zijn door deze bewogenheid alléén echter nog niet geboden. Het absoluut nieuwe in de situatie van nu vraagt een adequate aanpak. In dit licht willen we de sociale driegeleding beschouwen, impuls door Rudolf Steiner al in 1917 gegeven, nu actueler dan ooit.

Om de mogelijkheden van toepassing te kunnen onderzoeken, dienen:

1« Een zelfstandig geestesleven, dat zich vri.j moet kunnen ontwikkelen

2. Het economische leven, de (broederlijke) verdeling van de schatten der aarde

3. Het rechtsleven,(eigenlijk tussen beide vorige gebieden in), dat de
spelregels oplevert, ervan uitgaande dat ieder mens evenveel waard is! basis: gelijkheid.

Om te kunnen zien dat het onderscheiden in deze drie gebieden niet wil zeggen dat zij van elkaar gescheiden te denken zijn, lijkt het goed ons te realiseren wat elk van de drie voorstelt en hoe zij elkaar doordringen.

Wat is geestesleven?
Op het moment dat we uit de geest iets “naar beneden” halen, bijvoorbeeld door het doen van een uitvinding, maar ook door het ontdekken dat de hoeken van een driehoek samen 180º graden zijn, is er sprake van geestesleven, wordt een stukje geest werkelijkheid in het helder dagbewustzijn. Een typisch kenmerk ervan is dat het onvoorspelbaar is in welke vorm en op welk moment het  optreedt. Op welke wijze tevoorschijn zal komen wat we geleerd hebben op school, ligt bijv. nog open voor de toekomst, het onttrekt zich aan een oorzakelijk verband. Vast staat echter, dat we op het moment van “naar beneden halen” creatief’ bezig zijn, aan cultuurbeweging deelnemen. Wanneer we dit in beweging brengen tot een proces laten worden, dat zich afspeelt, wordt deze toepassing een stuk civilisatieproces, dat is de herhaling in het burgerlijke leven van het reeds geestelijk verworvene. (begrippen van Alfred Weber). Alleen cultuurbeweging is aspect van het geestesleven.
Een andere (negatieve) karakteristiek ervan geeft prof. Brüll als volgt: De mens heeft de neiging om dat wat hij voor zichzelf als waarheid gevonden heeft, een stuk van zijn hoogstindividuele ontplooiing, uit tc willen dragen, aan anderen op te dringen. Opvattingen van de een te stulpen over andermans ideeen wordt echter door die ander onaangenaam ervaren, uiterste consequentie ervan is de hersenspoeling. Hieruit moge blijken dat het geestesleven vrij moet zijn en tevens welke gevaren er dreigen wanneer dat niet het geval is zoals in de doctrinaire landen. Daar wordt een bepaald samenstelsel van opvattingen, een leer, door een kleine groep aangehangen, met behulp van wetten en bepalingen dwingend voorgeschreven aan anderen, afwijkende opvattingen verbiedend. Men kan zeggen dat in deze landen het geestesleven zich bedient van het rechtsleven: er zal gezorgd worden dat iedereen zo denkt als de .leider.

Evenzo is sprake van een bedenkelijke penetratie wanneer mensen met ideeën deze op intolerante wijze willen verwerkelijken in het economische Teven; artsen en leraren kunnen zulke zijn, als ze hun “waar” als het enig heilbrengende proberen te verkopen,  het “beter” weten. Dc ondernemer als representant van het geestesleven in het economische doet hetzelfde als hij zijn ideeën omtrent wat goed is voor de mens tot in de consumptie wil opleggen (reclame!) Hij heeft hierdoor de tendens zich onafhankelijk te maken van de vraag en bereikt dit via persoonlijke kapitaalvorming. Tussen de machtsaspiratie van het geestesleven en het economisch leven in moet zich het rechtsleven schuiven.

Wanneer we nu voldoende de eenzijdigheden van het geestesleven bekeken hebben vragen we ons af: wat is het economische leven, waarom hebben we het nodig?

Het lijkt eenvoudig. We leven op de aarde in een lichaam, dat niet zonder voeding, kleding en “housing” kan bestaan. Tegenover de behoefte aan deze zaken bestaat het feit dat de aarde beperkt is wat betreft ruimte en middelen om deze (stuk weggevallen, waarschijnlijk: behoefte te bevredigen.) Vooral tegenwoordig! Vroeger kon men nog zeggen, zoals (weggevallen tekst) dat goederen als ‘lucht, water (weggevallen tekst) aarde is schaars.

Dat wil zeggen: levert een sociaal menselijk probleem op, haast een rechtsprobleem, want het is ons rechtsgevoel dat zich ertegen verzet dat naast welvaart honger kan voorkomen. De kunst is een verdeelsleutel te vinden; daarvoor zullen we moeten leren zuinig te zijn, gezien de schaarste aan goederen die de mensheid niet kan ontberen.
Elke verspilling gaat immers ten koste van anderen, voor elke ongebruikte, uitgescheurde bladzij van een schrift wordt een stukje natuur zinloos vernietigd.

Het product moet dus zo zuinig mogelijk gemaakt; het productieproces tendeert naar uniformiteit omdat één methode nu eenmaal de meest efficiënte is gebleken. Aan de andere kant moet de consument vrij zijn in het bepalen van wat hij nodig heeft; dat leidt tot een zeer pluriform behoefteschema, waarvan elk gevraagd product weer onder de economische wet van efficiency staat, net zolang tot het verbeterd wordt door het geestesleven. Zinvolle doordringing van beide gebieden waarbij het ecomische en geestesleven elkaar in hun waarde laten.

Gevaar dreigt echter als het economisch leven niet op zijn plaats blijft en in het rechtsleven terecht komt. Prof. Brüll geeft als voorbeeld hiervan een probleem uit “De gebroeders Karamazov” van Dostojefski: Stel dat de hele mensheid eeuwige zaligheid deelachtig zou worden door een onschuldig kind de eeuwige verdoemenis te laten ingaan. De economie zou dit moeten beantwoorden met Reuze aanbod, doen! Tegenover dat ene offer staat immers het voordeel van al die mensen. In elk ander opzicht betekent deze keus echter een onrechtvaardigheid omdat ongelijksoortige waarden: kwaliteit en kwantiteit, tegen elkaar zijn afgewogen. Onmenselijkheid is veelal het gevolg van dergelijke onjuiste doorbraak van het economische in het rechtsleven.

Wat gebeurt er nu als het economische het geestesleven gaat doordringen?

Om dit te bestuderen t.a.v. de Vrije School, zijn wij hier eigenlijk bijeen. Het economische leven dreigt de school binnen te dringen wanneer dezelfde rationele planning die in het bedrijfsleven zinvol is, toegepast wordt in het onderwijs. De ontwikkeling tendeert helaas in deze richting. Hoeveel afgestudeerde kinderen er nodig zijn, gezien de behoefte van bedrijfsleven en overheid, zal straks in.de school bepalend werken t.o.v. aantal leraren en het selecteren van de vakken. Niet op de behoefte en aanleg van de kinderen maar op wat de staat nodig heeft is deze selectie gericht. Van bovenaf is bovendien te verwachten dat getracht zal worden het onderwijs meer en meer te beperken met behulp van multiple choice en geprogrammeerde instructie; het beheersen van deze methode’s werkt nu eenmaal naar twee kanten efficiënt. Dat dit alles een directe aanval op het leerplan van de Vrije School betekent, behoeft geen betoog; men kan zeggen dat het economische denken de school dreigt te vergiftigen.

Welke bescherming hiertegen staat ons ten dienste? Het rechtsleven dat gezien kan worden als dam tegen eenzijdige overheersing van zowel het geestesleven (dictatuur) als het economische. Het rechtsleven is gebaseerd op het gevoel, dat iedereen als mens, als mijnsgelijke, behandeld dient te worden, recht heeft op menswaardig leven, of hij nu oud is of ziek en verzorging behoeft, of kind is en recht heeft op onderwijs.
Maar het rechtsbewustzijn van de massa bepaalt tot hoever dat recht op onderwijs gaat, uiteraard onder invloed van informatie (uit het geestesleven) enerzijds en van wat economisch mogelijk is, anderzijds. Hierin ligt voor ons het aangrijpingspunt.

‘Wanneer we nu, als toevoeging op de vraag: ‘wat is geestes- economisch- en rechtsleven en hoe doordringen ze elkaar op juiste en onjuiste wijze? de gevaren van de huidige.maatschappij willen samenvatten in hun uitersten, dan zien we aan de ene kant in het Oosten, waar de samenleving door partij-ideologie beheerst wordt (dus het economische en het rechtsleven door het geestesleven bepaald zijn) hoe het sociale leven overspoeld wordt door nieuwe ideeën in oude vorm; dit is in wezen niet anders dan theocratie. Daar tegenover, in het Westen (Amerika) brengt het rationele leven een zelfde dwangsituatie teweeg. Hier schrijven de “deskundigen” voor, de ene stap volgt noodzakelijkerwijs op de andere, de structuur wordt al even piramidaal als in het Oosten, al is hier sprake van technocratie.

Dat het mogelijk moet zijn deze twee gevaren te vermijden moge blijken uit de profetische woorden van Rudolf Steiner, dat de toekomstige maatschappij of bolsjewistisch (= al datgene waarbij nieuwe ideeën in oude vorm verschijnen) of drie geleed zal zijn.

l.  Wij zijn hier bijeen uit bezorgdheid over het geestesleven. Omdat bij gebrek aan een vrij geestesleven leraren zullen worden ingezet als ambtenaren die geen interesse meer kunnen opbrengen voor hun school. Maar zinloos zou het zijn om te vechten voor onze school alléén. Vrijheid van inrichting naast de al toegestane vrijheid van richting, moet bereikt worden voor elk onderwijs dat zich dit wenst. Noodlottig zou het zijn als in een beschermd groepje alléén plaats zou zijn voor de Vrije School: zonder vrije concurrentie met andere ideeën-scholen. (Dalton, Montessori) gaan de Vrije Schoolleraren aan zelfvoldaanheid ten onder!

2. Economisch gezien is een voortdurend contact met de maatschappij, een bereidheid zich af te stemmen op de behoefte bij kinderen en ouders, vereist. Een school kan zich slechts geloofwaardig maken door rekening te houden met wat leeft in de consumenten, als gevolg een gezonde wisselwerking tussen vraag en aanbod.

3.Ten slotte stelt prof.Brüll dat een democratisch rechtsleven binnen de school, geordend moet worden, waarbij intern de hoogte van inkomens bepaald worden, en het directeurschap een “flutfunctie”is!

Een micro-driegeleding dus, onderdeel van de macro-driegeleding zoals deze hier schetsmatig werd aangeduid, gezien als voorwaarde en waarborg tevens voor een maatschappij van vrije mensen.

Prof. Brüll sloot af met het hoopgevende citaat van Schiller:

Vrij is de mens, al was hij in boeien geboren.

.

Vrijeschool en driegeleding

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

1423-1333

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-2/2)

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaal‘ actief.

GELD

DE GELDSLUIER

Geld uitgeven is geen privézaak
De eerste geldsluier ligt over de economische werkelijkheid. Hier bevinden wij ons deels — nog op onbekend terrein: wij wéten, dat onze koopgewoonten en productie van goederen en diensten beïnvloeden. En toch raken wij hier een vraag die tegenwoordig — gelukkig — steeds vaker wordt gesteld, zij het meestal met een verkeerd accent:

is de wijze waarop wij ons geld besteden werkelijk een privé-aangelegenheid, zoals het verbond tussen Romeinse rechtsopvattingen en liberale economie ons vertelt? Of heeft zij sociale implicaties, waarvoor wij verantwoordelijk zijn?

Het komt mij voor dat wij hier een duidelijk onderscheid moeten aanbrengen. Wat ik met een consumptiemiddel wil doen, is mijn aangelegenheid, waar niemand anders iets mee te maken heeft. Of ik een porno lees omdat ik ervan geniet, omdat ik het verschijnen van deze literatuur wenselijk vind, omdat het een onderdeel is van mijn studie of omdat ik als leraar op de hoogte wil blijven van de geestelijke kost van mijn leerlingen – het is een individueel motief, waaruit een individuele beslissing volgt, en als volwassen mens ben ik terecht verontwaardigd als iemand zijn morele wijsvinger laat zien.
Als dr. Meinsma tegen de gevaren van het roken waarschuwt, is dat zijn volste recht en mag ik hem dankbaar zijn voor zijn informatie. Maar wie mij bestraffend toespreekt, omdat ik het roken toch niet gelaten heb, is niet alleen een ouderwetse zedenmeester, maar kwetst mij in de kern van mijn wezen, daar namelijk waar ik verantwoordelijk ben voor mijzelf en mijn eigen wilsbesluiten.

Koopgeld
Maar er is nog een andere kant aan de consumptie, die waarachtig geen individuele aangelegenheid is: het uitgeven van geld heeft een directe invloed op het economische leven. Dit immers reageert onmiddellijk door het ‘naschuiven’ van het verkochte goed, de verleende dienst – met productie dus en heel vaak worden, door bepaalde wetmatigheden van het economische leven, voor tien verkochte goederen elf of twaalf nageschoven. Soms nog veel meer, terwijl omgekeerd een kleine daling van de omzet de productie onrendabel kan maken en daardoor kan doen ophouden. Economisch gesproken verschaf ik dus aan een bepaald goed een markt, maak de productie mogelijk, c.q. verijdel deze. En daarmee schuift zich naast de allerindividueelste consumptiebeslissing een factor met een geheel andere dimensie. Niet alleen of ik mijn inspiratie uit rook moet putten, of ik bestand ben tegen het lezen van een sensatieblad, is bij de aankoop in het geding, doch al kopende ben ik mede verantwoordelijk voor de maatschappelijke productie van dit (soort) goed. Het gebruik, de consumptie van goederen is een individuele aangelegenheid; het gebruik van geld is dit niet. Het uitgeven van koopgeld heeft invloed op de economisch-maatschappelijke werkelijkheid, op de consumtiemogelijkheden van anderen, op de productiemogelijkheden. Zonder dat daarmee iemand het recht krijgt om de befaamde wijsvinger te heffen, mogen wij aantekenen dat ons hierdoor, of wij willen of niet, een verantwoordelijkheid opgelegd wordt, waarvan wij ons bewust behoren te zijn.

Leengeld
Wat in het voorgaande over het koopgeld is gezegd, is tot op zekere hoogte nog te overzien en met ons bewustzijn te volgen. Zodra wij op het gebied van het leengeld komen, onttrekt zich hetgeen wij speciaal met ons geld doen, vrijwel steeds aan ons inzicht. Meer dan door een theoretisch betoog wordt dit geïllustreerd door een voorbeeld.
Een Nederlander, in het bezit gekomen van eigen vermogen en door verblijf in het buitenland niet in staat dit zelf te beheren, wendt zich tot een in vermogensbeheer gespecialiseerde bank. De cliënt wil niet lastig zijn, vraagt de bank het geld naar eigen goeddunken te beheren, met één klein voorbehoud: het geld niet in de oorlogsindustrie te steken. Ontzet schuift de bankman achteruit: ‘dan moeten wij u óf bedotten, want wij weten zelf niet wat er met uw geld gaat gebeuren als wij het eenmaal belegd hebben; óf wij kunnen het niet verantwoord beleggen, omdat wij dan uit een té beperkt aantal objecten moeten kiezen, en zelfs die garanderen niet een vreedzaam gebruik.’
Hier wordt gedoeld op het financiële vlechtwerk, waardoor het zelfs voor een beroepsfinancier niet meer mogelijk is na te gaan, wat met de investeringsmiddelen geschiedt. De lening aan de kapitaaldeelname in een hoogst onschuldige NV wordt wellicht gebruikt voor de oprichting van een er al even onschuldig uïtziende dochter, een besloten NV, welker activiteit: toeleveringsbedrijf voor een fabrikant van wapentuig – schuil gaat achter de neutrale post ‘deelname’ op de balans van de moeder-NV. Deposito’s, rekeningen-courant bij banken zoeken het hoogste rendement; en dat vinden zij meestal niet bij de meest onschuldige producenten. Zelfs door het geld in de kous te stoppen beïnvloedt men het economische leven. Wie over vermogen beschikt kan zich daaraan nooit onttrekken.

Uitgaan van product
Ook achter deze constatering zoeke men geen reden tot moraliseren. Of men ‘respectabele’ redenen heeft om de hoogste opbrengst te zoeken (b.v. men moet ervan leven) of minder ‘respectabele’, of men pro- of anti kunstmest, NATO, farmaceutische industrie (en vul zelf maar verder in) is, gaat een ander niet aan. Men make zich alleen niet van zijn verantwoordelijkheid af met een ‘ich habe es nicht gewusst!’ Voor wie wil en het zich kan permitteren zijn er alternatieven. Men zal dan alleen niet uit mogen gaan van het ‘geldautomatisme’, d.w.z. het hoogste rendement van de beleggingen, doch men zal door de geldsluier heen moeten prikken en van het product moeten uitgaan, dat men wenselijk acht. Dat zal men vrijwel steeds pijnlijk voelen in het rendement en in de zekerheid. Dat is de prijs die men zal moeten betalen, wil men zich door de geldsluier niet medeplichtig laten maken aan hetgeen men ‘eigenlijk’ niet wil.

Schenkgeld
Veel zou ook te zeggen zijn over hetgeen wij met het schenkgeld doen, maar de actualiteit van dit probleem is helaas niet al te groot. De meeste ‘schenkingen’ vinden tegenwoordig gedwongen plaats. Wij spreken dan van belastingheffing en zelffinanciering. Daarom slechts een heel korte opmerking.

‘Schenkgeld is de basis voor alle geestelijke leven. Priester en uitvinder moeten er gelijkerwijs van leven. Of men, zeg een uitvinder, zijn werk mogelijk wil maken, hangt in onze maatschappijstructuur vrijwel uitsluitend af van de beoordeling van de kans op het rendabel maken van de uitvinding. Maar de maatschappelijke consequenties van een uitvinding kunnen enorm zijn. Daarvoor is de schenker in sterke mate verantwoordelijk. Gezichtspunten bij het schenken zouden dan ook kunnen zijn, niet alleen of de richting waarin gewerkt wordt de instemming van de schenker heeft, maar de persoonlijke integriteit van de begiftigde. Wij weten dat tal van dubieuze vondsten ‘bij toeval’ zijn gedaan, toen men op zoek naar heel iets anders was. Wat dan met de vondst gebeurt zal geheel afhangen van de moraliteit van de uitvinder. Dit betekent, dat wie bewust en verantwoordelijk over schenkgeld wil beschikken, in laatste instantie niet af mag gaan op het product, zoals bij het leengeld, doch op de persoon. Zouden wij zo’n uitvinder in de kost nemen, dan zou dit bijna vanzelf spreken. Door de schijnbaar neutrale geldsluier dreigen de sociaal-economische consequenties van onze schenkingen aan ons bewustzijn te ontsnappen.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat de eerste geldsluier over de economische realiteit ligt. En dat dit een oproep inhoudt om denkende door te dringen in wat er wezenlijk door ons omgaan met het geld wordt bewerkstelligd, om vervolgens, individueel-verantwoordelijk te beslissen.

Dieter Brüll, Jonas 19-09-1970
.

Deel [1]   [3]
.

sociale driegeledingalle artikelen

.

1415-1325

.

 

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-3)

.

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de beweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

Zie voor meer: 100 jaar vrijeschool (1-1)

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw publiceerde het blad Jonas met grote regelmaat over de sociale driegeleding. Ook was er een ‘Werkgroep voor sociale driegeleding’. Nu is er Driegonaal. In de schoolkranten van vrijescholen probeerde leerkrachten belangstelling te wekken voor de driegeleding en de daarbij horende vrijheid van onderwijs. Onderstaand artikel is van de werkgroep:

VRIJESCHOLEN EN DRIEGELEDING
Toen op 7 September 1919 in de zaal van de stadstuinen in Stuttgart de eerste Waldorfschool door Emil Molt (directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek en oprichter van de school) werd geopend – was deze daad niet alleen een doorbraak op pedadogisch gebied, maar tevens een direct uitvloeisel van de roerige sociale beweging, die daaraan vooraf ging.
Enige dagen voordat Rudolf Steiner op 22 april voor het eerst in het openbaar sprak over de driegeleding van het sociale organisme was in Stuttgart op bloedige wijze de algemene staking neergeslagen, waarmee men de invoering van de radenrepubliek trachtte af te dwingen. Reeds de volgende dag hield hij een indrukwekkende lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek.
Direct hierop volgde de gedenkwaardige bedrijfsvergadering met Rudolf Steiner, waarbij Emil Molt met het plan kwam om een school voor de kinderen van zijn medewerkers (klassieke arbeiders) – een fabrieksschool op te richten, en aan Rudolf Steiner vroeg hij of hij de pedagogische ontwikkeling op zich wilde nemen. Dit initiatief leidde tenslotte tot de oprichting van de Freie Waldorfschule, waar ook andere dan Waldorf Astoriakinderen werden toegelaten.
Vele lezingen over de driegeleding volgen. Hij stelt de noodzaak om de maatschappelijke knoop te ontwarren, waarin het culturele leven, het politieke rechtsleven en de economie verstrengeld zijn. Hierdoor zijn deze drie gebieden in de maatschappij niet meer te herkennen.
Daarom moet men ze leren onderscheiden en uiteenrafelen.

Het culturele leven
moet niet gekneveld worden door de economie en het politieke rechtsleven, maar zich daarvan bevrijden. Pas als het losgemaakt is van staatsbemoeienis en economische dwang kan het zich in vrijheid ontplooien, zal iedere mens zich in VRIJHEID zo volledig mogelijk kunnen ontwikkelen.

Het economisch leven
zal moeten berusten op het principe van de samenwerking tussen producent en  consument, niet op een tegenwerking of eenzijdige beïnvloeding. Via associaties tussen producten en consumenten wordt er gezamenlijk bepaald wat er geproduceerd gaat worden.

Het politieke rechtsleven
moet berusten op het principe van de gelijkheid: daar waar ieder mondig (meerderjarig) geworden mens gelijk is aan ieder ander mondig geworden mens. De rechtsstaat heeft zich niet te bemoeien met het culturele leven zélf, maar er alleen voor te zorgen dat daar de rechten verzekerd worden. Het zeflde geldt voor het economisch leven.

Over het culturele leven zegt Steiner in zijn lezing voor de arbeiders van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek (Stuttgart, 23 apr, 1919 )\: ‘Wij moeten leren inzien, dat het geestesleven vrijgemaakt moet worden, dat het aan zichzelf moet worden overgelaten, opdat het niet meer een dienaar van de staats- en economische orde is, maar een dienaar van datgene, wat het algemene, menselijk bewustzijn aan geestesleven kan voortbrengen, opdat het geestesleven niet voor één enkele klasse bestaat, maar voor alle mensen.’

Hoewel de Bund für Dreigliederung dagelijks voorpaginanieuws was, bleek eind juli 1919 de politieke strijd om de driegeleding te mislukken. De tegenkrachten waren in het zich op een nieuwe oorlog voorbereidende Duitsland te groot, de medewerking en het begrip te klein. Een laatste poging werd gedaan om door middel van de oprichting van Waldorfscholen en het streven naar een wereldschoolvereniging de strijd voor een vrij schoolwezen en geestesleven aan zich te binden.

Opnieuw blijkt nu, 50 jaar later*, de strijd voor een vrij onderwijs urgent (zie ook  Ivan Illich “Ontscholing van de maatschappij”) En W.Heidt: “Vrije Hogescholen, model”)

Door de steeds toenemende druk van de overheid op onze cultuur, en het onderwijs in het bijzonder, is een haast onhoudbare toestand ontstaan. Het toepassen van het principe van de gelijkheid in de cultuur heeft geleid tot het instellen van: eenheidsexamens, eenheidsleerboeken, eenheidsroosters en het gelijk maken van alles, wat maar enigszins gelijk te maken is in het onderwijs. Dit alles onder het mom van gelijke kansen voor ieder individu. Dit op zich juiste uitgangspunt kan echter alleen bereikt worden bij een volledige vrijheid op cultureel gebied: VOLLEDIGE ontplooiing van de in ieder mens sluimerende capaciteiten kan pas dan bereikt worden.

Willen de vrijescholen (dit vrij wil zeggen: vrij van staatsbemoeienis, e.d.) nog enige kans behouden om hun onderwijs te geven zoals zij dat willen, en de ouders de vrijheid behouden om die pedagogie voor hun kind te kiezen, die zij van belang achten – kortom willen zij de vrijheid heroveren, die zij nu nog alleen in naam bezitten – dan zullen allen, die de vrijescholen een warm hart toedragen, zich in moeten zetten voor de totstandkoming van een ’WERKELIJK ALGEMEEN VRIJE CULTUUR, en een daarmee verbonden vrij onderwijs: ouders en leraren bepalen zelf het onderwijs, dat zij het beste vinden. Of dat nu Montessori-, Dalton-, of op antroposofische grondgedachten stoelend onderwijs is, altijd moeten zij de mogelijkheden (dus ook de financiële) kunnen krijgen. Pas dan zal IEDEREEN zich in vrijheid kunnen ontwikkelen, dus ook de Waldorfscholier.
Deze strijd voor een vrij onderwijswezen is de taak, die Rudolf Steiner de Waldorfschulen heeft meegegeven, naast en in samenwerking met de nieuwe pedagogie, die tot innerlijke vrijheid opvoedt, na het mislukken van de politieke
driegeledingsbeweging in 1919.

Hij zegt hierover op 12 oktober 1920 in Dornach: ‘Het gaat er om, dat we leren praktisch te denken en te handelen. Toen de Waldorfschool werd opgericht heb ik gezegd: De Waldorfschool is goed, maar met de oprichting ervan is er nog niets gedaan op dit (politiek vert.) gebied. Er is hoogstens een allereerste begin gemaakt, een begin van een begin. De Waldorfschool hebben wij pas echt opgericht als we in de komende drie maanden de fundamenten leggen voor tien nieuwe Waldorfscholen, enzovoort. Dan pas krijgt de Waldorfschool betekenis. Het heeft, gezien de huidige sociaal-politieke toestand in Europa, geen nut om één enkele Waldorfschool, met- vier- of vijfhonderd, of, om mijnentwil duizend leerlingen op te richten. Pas wanneer zo iets navolging vindt, als zo iets OVERAL navolging vindt, heeft dat zin. En het heeft pas zin, als het uit praktische gezindheid voortkomt.
Dit ontbreekt, als diegenen, die dwepen met de ideeën van de Waldorfschool, niet eens zoveel begrip kunnen ontwikkelen voor de noodzaak, propaganda te maken voor de van de staat onafhankelijke school, zich met alle kracht in te zetten, dat de staat de school vrijlaat.
Als u niet de moed opbrengt, de bevrijding van de school uit de macht van de staat na te streven, dan is de hele Waldorfschoolbeweging voor de poes. Want zij heeft pas zin, als zij deel uit gaat maken van een vrij geestesleven.”

Michiel Damen,  *oktober 1972

Deze uitgave werd verzorgd door;

de WERKGROEP DRIEGELEDING AMSTERDAM.
secretariaat: Valeriusstraat 80,
Amsterdam-1007
Tel.020-713730
.

VRIJESCHOOL en vrijheid van onderwijs: alle artikelen
.

Sociale driegeledingalle artikelen

.

1410-1321

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschool en driegeleding

.

VRIJE SCHOOL EN DRIEGELEDING

Artikel van Rudolf Steiner uit de jaren 1919 – 1921.

blz. 35/36

FREIE SCHULE UND DREIGLIEDERUNG

Die öffentliche Pflege des Geisteslebens in Erziehung und Schule ist in der neueren Zeit immer mehr zur Staatssache geworden. Daß das Schulwesen eine vom Staat zu besor­gende Angelegenheit sei, wurzelt gegenwärtig so tief im Bewußtsein der Menschen, daß, wer an diesem Urteil rütteln zu müssen vermeint, als ein weltfremder «Ideologe» angesehen wird. Und doch liegt gerade auf diesem Lebens-gebiete etwas vor, das der allerernstesten Erwägung bedarf. Denn diejenigen, die in der angedeuteten Art über «Wek­fremdheit» denken, ahnen gar nicht, welch eine weltfremde Sache sie selbst verteidigen. Unser Schulwesen trägt ganz besonders die Charakterzüge an sich, die ein Abbild sind der niedergehenden Strömungen im Kulturleben der gegen­wärtigen Menschheit. Die neueren Staatsgebilde sind mit ihrer sozialen Struktur den Anforderungen des Lebens nicht gefolgt. Sie zeigen zum Beispiel eine Gestaltung, die den wirtschaftlichen Forderungen der neueren Menschheit nicht genügt. Sie haben diese Rückständigkeit auch dem Schulwesen aufgedrückt, das sie, nachdem sie es den Religionsgemeinschaften entrissen, ganz in Abhängigkeit von sich gebracht haben. Die Schule auf allen ihren Stufen bildet die Menschen so aus, wie sie der Staat für die Lei­stungen braucht, die er für notwendig hält. In den Ein­richtungen der Schulen spiegeln sich die Bedürfnisse des Staates.

De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is in de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden. Dat het schoolwezen een aangelegenheid is, die door de staat behartigd zou moeten worden, wortelt tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen, dat degene die aan deze mening meent te moeten tornen, voor een wereldvreemde “ideoloog” wordt aangezien.

En toch doet zich op dit levensterrein iets voor dat de allerernstigste overweging behoeft. Want zij, die op de daarnet aangeduide wijze over wereldvreemdheid denken, vermoeden in het geheel niet, wat voor wereldvreemde zaak zij zelf verdedigen.
Ons schoolwezen in het bijzonder draagt de karaktertrekken, die de neergaande stromingen in het cultuurleven van de tegenwoordige mensheid kenmerken.
De nieuwere staatsvormen zijn met hun sociale structuur de eisen van het leven niet gevolgd. Zij vertonen bijvoorbeeld een vormgeving, die niet voldoende is voor de economische eisen van de moderne mensheid. Deze staatvormen hebben het stempel van achterlijkheid ook aan het schoolwezen opgedrongen, dat zij, nadat zij het aan de geloofsrichtingen hebben onttrokken, geheel van zich afhankelijk hebben gemaakt. In alle fasen geeft de school de mensen een zodanige vorming, als de staat voor de verrichtingen nodig heeft, die zijzelf noodzakelijk acht. De inrichting van de school is een afspiegeling van de behoeften van de staat.

Man redet zwar viel von allgemeiner Menschenbildung und ähnlichem, das man anstreben will; aber der neuere Mensch fühlt sich unbewußt so stark als ein Glied der staatlichen Ordnung, daß er gar nicht bemerkt, wie er von der allgemeinen Menschenbildung redet und eigentlich die Ausbildung zum brauchbaren Staatsdiener meint.
In dieser Beziehung verspricht die Gesinnung der soziali­stisch Denkenden von heute nichts Gutes. Man will den alten Staat umwandeln in eine große Wirtschaftsorganisation. In diese hinein soll sich fortsetzen die Staatsschule. Diese Fortsetzung würde alle Fehler der gegen­wärtigen Schule in bedenklichster Art vergrößern. Bisher steckte in dieser Schule noch manches, was Zeiten ent­stammte,

Weliswaar spreekt men veel van algemene vorming en dergelijke, waarnaar men wil streven; maar de mens van heden voelt zich onbewust zo sterk een lid van die geordende staat, dat hij helenaal niet bemerkt, hoe hij spreekt van algemene vorming en eigenlijk de opleiding tot een bruikbare staatsdienaar bedoelt.

In dit verband belooft de gezindheid van de socialistisch denkenden van heden niet veel goeds, men wil de oude staat omvormen in een grote economische organisatie. De staatsschool moet zijn voortzeting vinden in die organisatie. Deze voortzetting zou alle feilen van de tegenwoordige school op de meest bedenkelijke wijze vergroten. Tot nu toe zat in deze school nog veel,

blz. 37

in denen der Staat noch nicht Beherrscher des Unterrichtswesens war. Man kann natürlich die Herrschaft des Geistes nicht zurückwünschen, der aus diesen alten Zeiten stammt. Aber man müßte bestrebt sein, den neuen Geist der fortentwickelten Menschheit in die Schule hinein-zutragen. Dieser Geist wird nicht darinnen sein, wenn man den Staat in eine Wirtschaftsorganisation umwandelt und die Schule so umgestaltet, daß aus ihr Menschen hervor­gehen, die die brauchbarsten Arbeitsmaschinen in dieser Wirtschaftsorganisation sein können. Man spricht heute viel von einer «Einheitsschule». Daß man sich theoretisch unter dieser Einheitsschule etwas sehr Schönes vorstellt, darauf kommt es nicht an. Denn, wenn man die Schule als ein organisches Glied einer Wirtschaftsorganisation aus-gestaltet, so kann sie nicht etwas Schönes sein.

dat uit tijden stamde waarin de staat nog niet de beheerser van het onderwijs was. Men kan natuurlijk de geestesgesteldheid die uit de oude tijden stamde, niet terug verlangen. Maar men zou er naar moeten streven, de nieuwe geest van de mensheid, die zich verder ontwikkeld heeft, in de school te brengen. Deze geest zal daarin niet zijn, wanneer men de staat in een economische organisatie verandert en de school zodanig omvormt, dat mensen daaruit voortkomen die de best bruikbare arbeidsmachines in deze economische organisatie kunnen zijn. Men spreekt heden ten dage veel over een ‘eenheidsschooi”. Dat men zich theoretisch bij deze eenheidsschool iets heel moois voorstelt, daarop komt het niet aan. Want, wanneer men de school de vorm geeft van een organisch lid van een economische organisatie, kan zij niet iets moois zijn.

Worauf es der Gegenwart ankommen muß, das ist, die Schule ganz in einem freien Geistesleben zu verankern. Was gelehrt und erzogen werden soll, das soll nur aus der Er­kenntnis des werdenden Menschen und seiner individuellen Anlagen entnommen sein. Wahrhaftige Anthropologie soll die Grundlage der Erziehung und des Unterrichtes sein. Nicht gefragt soll werden: Was braucht der Mensch zu wissen und zu können für die soziale Ordnung, die besteht; sondern: Was ist im Menschen veranlagt und was kann in ihm entwickelt werden? Dann wird es möglich sein, der sozialen Ordnung immer neue Kräfte aus der heranwach­senden Generation zuzuführen. Dann wird in dieser Ordnung immer das leben, was die in sie eintretenden Vollmenschen aus ihr machen; nicht aber wird aus der heranwachsenden Generation das gemacht werden, was die bestehende soziale Organisation aus ihr machen will.

Waar het in de huidige tijd op aan moet komen, is, de school geheel in een vrij geestesleven te verankeren. Wat onderwezen en opgevoed moet worden, dat moet uitsluitend aan het inzicht in de wordende mens en zijn individuele aanleg ontleend zijn. Waarachtige antropologie moet de grondslag van de opvoeding en van het onderricht zijn. Er moet niet gevraagd worden: wat moet de mens weten en kunnen voor de sociale orde zoals die bestaat; maar: wat voor aanleg ligt in de mens en wat kan er in hem tot ontwikkeling komen? Dan zal het  mogelijk zijn steeds weer nieuwe krachten uit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voeren. Dan zal in deze orde altijd datgene leven, wat de daarin binnentredende volledige mensen uit haar maken; maar uit de opgroeiende generatie zal niet datgene worden gemaakt, wat de bestaande sociale organisatie uit haar wil maken.

blz. 38

Ein gesundes Verhältnis zwischen Schule und sozialer Organisation besteht nur, wenn der letzteren immer die in ungehemmter Entwickelung herangebildeten neuen indi­viduellen Menschheitsanlagen zugeführt werden. Das kann nur geschehen, wenn die Schule und das Erziehungswesen innerhalb des sozialen Organismus auf den Boden ihrer Selbstverwaltung gestellt werden. Das Staats- und Wirt­schaftsleben sollen die von dem selbständigen Geistesleben herangebildeten Menschen empfangen; nicht aber sollen sie, nach ihren Bedürfnissen, deren Bildungsgang vorschrei­ben können. Was ein Mensch in einem bestimmten Lebens­alter wissen und können soll, das muß sich aus der Men­schennatur heraus ergeben. Staat und Wirtschaft werden sich so gestalten müssen, daß sie den Forderungen der Men­schennatur entsprechen. Nicht der Staat oder das Wirtschaftsleben haben zu sagen: 

Een gezonde verhouding tussen school en sociale organisatie bestaat alleen, wanneer aan die organisatie altijd de nieuwe menselijke mogelijkheden toegevoerd worden die in een onafgeremde ontwikkeling hun vorming hebben ontvangen. Dat kan alleen gebeuren wanner de school en het opvoedingsapparaat binnen het sociale organisme op de bodum van eigen beheer worden geplaatst. Het staatsleven en het economische leven moeten de door het zelfstandige geestesleven gevormde mensen in ontvangst nemen; maar ze moeten niet, al naar hun behoefte, de vormingsweg van die mensen kunnen voorschrijven. Wat een mens op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen dat moet tevoorschijn komen uit de natuur van de mens. Staat en economie zullen een zodanige vorm aan moeten nemen, dat zij overeen komen met de menselijke natuur. Niet de staat of het economische leven hebben voor het zeggen:

So brauchen wir den Menschen für ein bestimmtes Amt; also prüft uns die Menschen, die wir brauchen und sorgt zuerst dafür, daß sie wissen und können, was wir brauchen; sondern das geistige Glied des sozialen Organismus soll aus seiner Selbstverwaltung heraus die entsprechend begabten Menschen zu einem gewissen Grade der Ausbildung bringen, und Staat und Wirtschaft sollen sich gemäß den Ergebnissen der Arbeit im geistigen Gliede einrichten.
Da das Leben des Staates und der Wirtschaft nichts von der Menschennatur Abgesondertes sind, sondern das Er­gebnis dieser Natur, so ist niemals zu befürchten, daß ein wirklich freies, auf sich selbst gestelltes Geistesleben wirk­lichkeitsfremde Menschen ausbildet. Dagegen entstehen solche lebensfremde Menschen gerade dann, wenn die be­stehenden Staats- und Wirtschaftseinrichtungen das Erziehungs-

zo hebben we de mensen nodig voor bepaalde arbeid; examineer daarom de mensen voor ons, die we nodig hebben en zorg er allereerst voor dat ze weten en kunnen wat wij nodig hebben; maar de geestesgeleding van het sociale organisme moet vanuit zijn eigen beheer de overeenkomstig begaafde mensen tot een zekere graad van opleiding brengen, en staat en economie moeten ingericht worden in overeenstemming met de resultaten van deze arbeid binnen de geestgeleding. Daar het leven van de staat en de economie niet iets is dat afzonderlijk is van de menselijke natuur, naar het voortbrengsel van deze natuur, daarom hoeft men nooit te vrezen dat een vrij, op zichzelf gesteld geestesleven werkelijkheidsvreemde mensen zou opleiden. Daarentegen ontstaan zulke levensvreemde mensen juist dan, wanneer de bestaande staats- en economische instellingen het opvoedings- en

blz. 39

und Schulwesen von sich aus regeln. Denn in Staat und Wirtschaft müssen die Gesichtspunkte innerhalb des Bestehenden, Gewordenen eingenommen werden. Zur Ent­wickelung des werdenden Menschen braucht man ganz andere Richtlinien des Denkens und Empfindens. Man kommt als Erzieher, als Unterrichtender nur zurecht, wenn man in einer freien, individuellen Weise dem zu Erziehen­den, zu Unterrichtenden gegenübersteht. Man muß sich für die Richtlinien des Wirkens nur abhängig wissen von Erkenntnissen über die Menschennatur, über das Wesen der sozialen Ordnung und ähnliches, nicht aber von Vorschriften oder Gesetzen, die von außen gegeben werden. Will man ernstlich die bisherige Gesellschaftsordnung in eine solche nach sozialen Gesichtspunkten überleiten, so wird man nicht davor zurückschrecken dürfen, das geistige Leben – mit dem Erziehungs- und Schulwesen – in seine eigene Ver­waltung zu stellen. 

schoolwezen van zich uit regelen. Want in staat en economie moeten de gezichtspunten ingenomen worden binnen het bestaande en gewordene. Voor de ontwikkeling van de wordende mens heeft men heel andere richtlijnen voor het denken en voor het waarnemen nodig. Men komt als opvoeder, als onderwijsgevende alleen maar goed op gang, wanneer men op een vrije, individuele wijze tegenover de op te voeden of te onderrichten mens staat. Men moet zich ten aanzien van de richtlijnen in deze werkzaamheden afhankelijk weten van inzichten in de menselijke natuur, in het wezen van de sociale orde en dergelijke maar niet van voorschriften of wetten, die van buitenaf worden gegeven. Wanneer men er ernst mee wil maken, de maatschappelijke ordening die nu geldt te doen overgaan in een ordening volgens sociale gezichtspunten, dan mag men er niet voor terugschrikken, het geestelijk leven —met het opvoe-dings- en het schoolwezen – in een eigen beheer te plaatsen.

Denn aus einem solchen selbständigen Gliede des sozialen Organismus werden Menschen hervor­gehen mit Eifer und Lust zum Wirken im sozialen Orga­nismus; aus einer vom Staat oder vom Wirtschaftsleben geregelten Schule können aber doch nur Menschen kommen, denen dieser Eifer und diese Lust fehlen, weil sie die Nach­wirkung einer Herrschaft wie etwas Ertötendes empfinden, die nicht hätte über sie ausgeübt werden dürfen, bevor sie vollbewußte Mitbürger und Mitarbeiter dieses Staates und dieser Wirtschaft sind. Der werdende Mensch soll erwachsen durch die Kraft des von Staat und Wirtschaft unabhän­gigen Erziehers und Lehrers, der die individuellen Fähig­keiten frei entwickeln kann, weil die seinigen in Freiheit walten dürfen.
In meinem Buche «Die Kernpunkte der sozialen Frage in

Want uit zulk een zelfstandige geleding van het sociale organisme zullen mensen voortkomen met ijver en lust tot werkzaam zijn in het sociale organisme; uit een door de staat of door het economisch leven geregelde school kunnen daarentegen alleen maar mensen voortkomen, bij wie deze ijver en deze lust ontbreken, omdat ze als iets dodelijks de nawerking ervaren van een overheersing, die niet over hen uitgeoefend had mogen worden, voordat ze volledig bewuste medeburgers en medewerkers van deze staat en van deze economie zijn. De wordende mens moet tot volwassenheid komen door de kracht van de van staat en economie onafhankelijke opvoeder en leraar, die de individuele vermogens vrij kan ontwikkelen, omdat hij zijn eigen vermogens in vrijheid mag inzetten.
In mijn boek “De kernpunten van het sociale vraagstuk

blz. 40

den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft» habe ich mich bemüht, zu zeigen, daß in der Lebensauf­fassung der parteimäßig führenden Sozialisten im wesent­lichen nur die nach einem gewissen Extrem getriebene Gedankenwelt des Bürgertums der letzten drei bis vier Jahrhunderte weiterlebt. Es ist die Illusion dieser Sozialisten, daß ihre Ideen einen völligen Bruch mit dieser Gedanken­welt darstellen. Nicht ein solcher liegt vor, sondern nur die besondere Färbung der bürgerlichen Lebensauffassung aus dem Fühlen und Empfinden des Proletariats heraus. Dies zeigt sich ganz besonders stark in der Stellung, welche diese sozialistischen Führer zum Geistesleben und seiner Einglie­derung in den gesellschaftlichen Organismus einnehmen. Durch die hervorragende Bedeutung des Wirtschaftslebens in der bürgerlichen Gesellschaftsorganisation der letzten Jahrhunderte ist das Geistesleben in eine starke Abhängig­keit von dem Wirtschaftsleben gekommen. 

in de levensnoodzakelijkheden van heden en toekomst” [1] heb ik mij de moeite gegeven aan te tonen, dat in de levensopvatting van de in de politieke partijen
leidinggevende socialisten eigenlijk alleen de tot een zeker uiterste gedreven gedachtenwereld van de burgerij van de laatste drie tot vier eeuwen verderleeft. Het is de illusie van de socialisten, dat hun ideeën een volledige breuk met deze gedachtenwereld betekenen. Dit is nu niet het geval, maar de bijzondere kleuring van de burgelijke levensopvatting vanuit het voelen en ondergaan van het proletariaat ligt daarin. Dit komt bijzonder sterk naar voren in de stelling, die deze socialistische leiders tegenover het geestesleven en de inpassing daarvan in het maatschappelijke organisme innemen. Door de uitspringende betekenis van het economische leven in de burgelijke maatschappelijke organisatie van de laatste eeuwen is het geestesleven in sterke mate afhankelijk van het economische leven geworden.

Das Bewußtsein von einem in sich selbst gegründeten Geistesleben, an dem die Menschenseele Anteil hat, ist verloren gegangen. Naturanschauung und Industrialismus haben diesen Verlust mit-bewirkt. Damit hängt zusammen, wie man in der neueren Zeit die Schule in den gesellschaftlichen Organismus eingliederte. Den Menschen für das äußere Leben in Staat und Wirtschaft brauchbar zu machen, wurde die Hauptsache. Daß er in erster Linie als seelisches Wesen erfüllt sein solle mit dem Bewußtsein seines Zusammenhanges mit einer Geistesordnung der Dinge und daß er durch dieses sein Bewußtsein dem Staate und der Wirtschaft, in denen er lebt, einen Sinn gibt, daran wurde immer weniger gedacht. Die Köpfe richteten sich immer weniger nach der geistigen Weltordnung und immer mehr nach den wirtschaftlichen

Het bewustzijn van een in zichzelf gegrondvest geestesleven, waar de mensenziel deel aan heeft, is verloren gegaan. De wijze van natuurbeschouwen en industrialisatie hebben dit verlies mede bewerkstelligd. Daarmee hangt dan samen hoe men in de nieuwere tijd de school in het maatschappelijk organisme heeft ingepast. De mens voor het uiterlijke leven in staat en economie bruikbaar te maken, werd de hoofdzaak. Dat hij in de eerste plaats als wezen met een ziel vervuld zou moeten zijn met het bewustzijn van zijn samenhang met een geestesordening der dingen en dat hij door dit bewustzijn-van-hem een zin geeft aan de staat en aan de economie waarin hij leeft, daaraan werd steeds minder gedacht. De koppen richtten zich steeds minder naar de geestelijke wereldordening en steeds meer naar de economische

blz. 41

Produktionsverhältnissen. Beim Bürgertum wurde dieses zu einer empfindungsgemäßen Richtung des Seelenlebens. Die proletarischen Führer machten daraus eine theoretische Lebensauffassung, ein Lebensdogma.
Verheerend würde dieses Lebensdogma werden, wenn es grundlegend sein wollte für den Aufbau des Schulwesens in die Zukunft hinein. Da in Wirklichkeit ja doch aus einer noch so vortrefflichen wirtschaftlichen Gestaltung des sozialen Organismus sich keine Pflege eines wahren Geistes­lebens, insbesondere auch keine produktive Einrichtung des Schulwesens ergeben kann, so müßte zunächst diese Ein­richtung durch die Fortführung der alten Gedankenwelt herbeigeführt werden. Die Parteien, die Träger einer neuen Lebensgestaltung sein wollen, müßten das Geistige in den Schulen von den Trägern der alten Weltanschauungen fortpflegen lassen. Da aber unter solchen Verhältnissen ein innerer Zusammenhang der heranwachsenden Generation zu dem fortgepflegten Alten doch nicht aufkommen kann, müßte das geistige Leben immer mehr versumpfen.

productieverhoudingen. Bij de burgerij werd dit tot een gevoelsmatige richting van het zielenleven. De leiders van het proletariaat maakten daaruit een theoretische levensopvatting, een levensdogma. Dit levensdogma zou verwoestend zijn, wanneer het de grondslag zou willen zijn voor de opbouw van het schoolwezen van de toekomst. In werkelijkheid kan geen economische vormgeving van het sociale organisme, al is die ook nog zo voortreffelijk, een verzorging van een waar geestesleven voortbrengen, en in het bijzonder geen productieve inrichting van het schoolwezen en daarom zou vooreerst deze inrichting door het verderdragen van de oude gedachtenwereld tot stand gebracht moeten worden.
Die partijen, die dragers van een nieuwe levensvorm willen zijn, zouden door de dragers van de oude wereldbeschouwing het geestelijke in de scholen verder moeten laten dragen en verzorgen.
Daar echter in zulke omstandigheden een innerlijke samenhang van de opgroeiende generatie met het doorgedragene oude toch niet kan ontstaan, zou het geestelijk leven steeds meer in het moeras moeten raken.

Die Seelen dieser Generation würden veröden durch das un­wahrhaftige Stehen in einer Lebensauffassung, die ihnen nicht innerer Kraftquell werden könnte. Die Menschen würden seelenleere Wesen innerhalb der aus dem Indu­strialismus hervorgehenden Gesellschaftsordnung.
Damit dieses nicht geschehe, erstrebt die Bewegung nach dem dreigliedrigen sozialen Organismus die völlige Los­lösung des Unterrichtswesens von dem Staats- und Wirt­schaftsleben. Die soziale Gliederung der am Unterrichts­wesen beteiligten Persönlichkeiten soll von keinen anderen Mächten abhängen als nur von dem an diesem Wesen mit-beschäftigten Menschen. Die Verwaltung der Unterrichtsanstalten,

De zielen van deze generatie zouden tot woestijnen moeten worden door het onwaarachtig staan in een levensopvatting, die hun niet tot een innerlijke krachtbron zou kunnen worden. De mensen zouden wezens worden met een lege ziel te midden van de uit de industrialisatie voortkomende maatschappelijke ordening.
Om dit niet te laten gebeuren streeft de beweging voor een drieledig sociaal organisme naar het volledig los maken van het onderwijs van staat en economisch leven. De sociale inpassing van de personen die aan het onderwijs deel hebben moet van geen andere machten afhankelijk zijn, dan alleen van de mensen die mede hun bezigheid vinden in dit onderwijs. Het beheer van de onderwijsinrichtingen,

blz. 42

die Einrichtung der Lehrgänge und Lehrziele soll nur von Personen besorgt werden, die zugleich lehren, oder sonst produktiv im Geistesleben sich betätigen. Jede solche Person würde ihre Zeit teilen zwischen Unterrichten oder sonstigem geistigen. Schaffen und Verwalten des Unter­richtswesens. Wer sich vorurteilslos in eine Beurteilung des geistigen Lebens einzulassen vermag, der kann einsehen, daß die lebendige Kraft, die man zum Organisieren und Ver­walten des Erziehungs- und Unterrichtswesens braucht, nur in der Seele erwachsen kann, wenn man tätig im Unterrich­ten oder sonstigem geistigen Hervorbringen drinnen steht.
Voll zugeben wird dieses für unsere Gegenwart wohl nur derjenige, der unbefangen sieht, wie eine neue Quelle des Geisteslebens sich eröffnen muß zum Aufbau unserer zusammengebrochenen Gesellschaftsordnung. Im Aufsatz «Marxismus und Dreigliederung» habe ich auf den richtigen, aber einseitigen Gedanken Engels hingewiesen: «An die Stelle der Regierung über Personen tritt die Verwaltung von Sachen und die Leitung von Produktionsprozessen.»

de inrichting van leergangen en onderwijsdoelstellingen moet alleen verricht worden door personen die tegelijkertijd onderwijs geven of anderszinds hun bezigheid vinden in het geestesleven. Iedere dergelijke mens zou zijn tijd verdelen tussen onderwijs geven of een dergelijke geestelijke  bezigheid, en het beheren van het onderwijswezen
Wie zien onbevooroordeeld vermag in te laten met een beoordeling van het geestelijk leven, kan inzien dat de levendige kracht, die men voor organiseren en beheren van het opvoedings- en onderwijswezen nodig heeft, slechts in de ziel kan groeien, wanneer men actief in het onderwijs of dergelijke geestelijke productiviteit staat. Voor onze tijd zal alleen diegene dit volledig toegeven, die onbevangen zien hoe een nieuwe bron van geestesleven open moet gaan voor de opbouw van onze ineengestorte maatschappelijke orde.
In het artikel “Marxisme en Driegeleding’ [2] heb ik op de juiste, maar eenzijdige gedachte van Engels gewezen: “Op de plaats van regeren over personen komt het beheer over dingen en de leiding van productieprocessen.”

So richtig das ist, so wahr ist das andere, daß in den gesell­schaftlichen Ordnungen der Vergangenheit das Leben der Menschen nur möglich war, weil mit der Leitung der wirt­schaftlichen Produktionsprozesse zugleich die Menschen mitregiert wurden. Hört dieses Mitregieren auf, so müssen die Menschen aus dem frei auf sich gestellten Geistesleben die Lebensantriebe empfangen, welche durch die bisherigen Regierungsimpulse in ihnen wirkten.
Zu alledem kommt noch ein anderes. Das Geistesleben gedeiht nur, wenn es als Einheit sich entfalten kann. Aus derselben Entwickelung der Seelenkräfte, aus der eine be­friedigende, den Menschen tragende Weltauffassung stammt,

Hoe waar dit ook is, even waar is het andere, dat in de maatschappelijke situaties in het verleden het leven der mensen alleen mogelijk was, omdat met de leiding van het economische productieproces tegelijk de mensen mee-geregeerd werden. Wanneer dit meegeregeerd worden ophoudt, dan moeten de mensen uit het vrij op zichzelf gestelde geestesleven de levensimpulsen ontvangen, die tot dusver in de regeringsimpulsen op hen werkten.
Bij dit alles komt nog iets anders. Het geestesleven gedijt alleen, wanneer het zich als eenheid kan ontplooien. Uit dezelfde ontwikkeling der zielskrachten, waaruit een bevredigende, de mensen dragende wereldopvatting stamt,

blz. 43

muß auch die produktive Kraft kommen, die den Menschen zum rechten Mitarbeiter im Wirtschaftsleben macht. Prak­tische Menschen für das äußere Leben werden doch nur aus einem solchen Unterrichtswesen hervorgehen, das in gesun­der Art auch die höheren Weltanschauungstriebe zu ent­wickeln vermag. Eine Gesellschaftsordnung, die nur Sachen verwaltet und Produktionsprozesse leitet, müßte nach und nach auf ganz schiefe Wege kommen, wenn ihr nicht Men­schen mit gesund entwickelten Seelen zugeführt würden.
Ein Neuaufbau unseres gesellschaftlichen Lebens muß daher die Kraft gewinnen, das selbständige Unterrichts­wesen einzurichten. Wenn nicht mehr Menschen über Men­schen in der alten Art «regieren» sollen, so muß die Mög­lichkeit geschaffen werden, daß der freie Geist in jeder Menschenseele so kraftvoll, als es in den menschlichen Indi­vidualitäten jeweilig möglich ist, zum Lenker des Lebens wird.

moet ook de productieve kracht komen, die de mensen tot goede medewerkers in het economische leven maakt. Voor het openbare leven praktische mensen zullen werkelijk alleen uit een zodanig onderwijswezen voortkomen, dat op gezonde wijze ook de drijfkrachten naar een hogere wereldbeschouwing kan ontwikkelen. Een maatschappelijke orde, die alleen dingen beheert en productieproccssen leidt, zou meer en meer op heel scheve wegen moeten komen, wanneer aan die orde geen mensen met gezond ontwikkelde zielen toegevoerd zouden worden.
Een nieuwbouw van ons maatschappelijk leven moet daarom de kracht vormen, het zelfstandig onderwijswezen in te richten. Wanneer niet meer op de oude manier mensen over mensen zouden moeten “regeren”, dan moet de mogelijkheid worden geschapen, dat de vrije geest in iedere mensenziel zo krachtig, als het in iedere menselijke individualiteit telkens maar mogelijk is, tot bestuurder over het leven wordt.

blz. 43/44

Dieser Geist läßt sich aber nicht unterdrücken. Ein­richtungen, die aus den bloßen Gesichtspunkten einer wirt­schaftlichen Ordnung das Schulwesen regeln wollten, wären der Versuch einer solchen Unterdrückung. Sie würde dazu führen, daß der freie Geist aus seinen Naturgrundlagen heraus fortdauernd revoltieren würde. Die kontinuierliche Erschütterung des Gesellschaftsbaues wäre die notwendige Folge einer Ordnung, die aus der Leitung der Produktions­prozesse zugleich das Schulwesen organisieren wollte.
Wer diese Dinge überschaut, für den wird die Begrün­dung einer Menschengemeinschaft, welche die Freiheit und Selbstverwaltung des Erziehungs- und Schulwesens energisch erstrebt, zu einer der wichtigsten Zeitforderungen. Alle anderen notwendigen Zeitbedürfnisse werden ihre Befrie­digung nicht finden können, wenn auf diesem Gebiete das
#SE024-044
Rechte nicht eingesehen wird. Und es bedarf eigentlich nur des unbefangenen Blickes auf die Gestalt unseres gegen­wärtigen Geisteslebens mit seiner Zerrissenheit, mit seiner geringen Tragkraft für die menschlichen Seelen, um dieses Rechte einzusehen.

Deze geest laat zich echter niet onderdrukken. Voorzieningen, die uit gezichtspunt van uitsluitend economische ordening het schoolwezen zouden willen regelen, zouden een poging zijn tot zo’n onderdrukking. Die zou daartoe leiden, dat de vrije geest voortdurend vanuit zijn natuurlijke oorsprong in opstand zou zijn. De voortdurende ontreddering van de maatschappelijke opbouw zou het noodzakelijk gevolg moeten zijn van een ordening, die vanuit de leiding van het productieproces rechtsstreeks het schoolwezen zou willen organiseren.
Voor wie inzicht en overzicht heeft over deze dingen, voor hem wordt de grondlegging van een mensengemeenschap, die de vrijheid en het zelfbestuur van het opvoedings- en schoolwezen met energie nastreeft, tot een van de belangrijkste eisen van de tijd. Alle andere noodzakelijke behoeften van de tijd zullen hun bevrediging niet kunnen vinden, wanneer op dit gebied het rechte niet ingezien wordt. Men heeft eigenlijk alleen de onbevangen blik nodig op de gestalte van ons tegenwoordig geestesleven, met zijn verscheurdheid, met zijn geringe draagkracht voor de mensenzielen, om dit in te zien.
GA 24/35-44
.

Vertaald door A.J. Br.-R, nadere geveens ontbreken
.

[1] GA 23
Vertaald
[2] GA 24/31

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Algemene menskunde: bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten

.

1406-1317

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid van onderwijs (1-1)

.

In 1919, op 7 september, startte in Stuttgart de eerste vrijeschool.
Dat is dus bijna 100 jaar geleden.

In 1923 begon in Nederland de eerste vrijeschool in Den Haag.
In 2023 ook een bestaan van 100 jaar!
Dat zal zeker, net als in 2019, veel publiciteit met zich meebrengen.

Je kunt er zeker van zijn dat de berichtgeving enerzijds (zeer) lovend zal zijn; maar er zullen ook negatieve en kritische opmerkingen worden gemaakt.

Bij het komende jubileum en voor mij na zoveel vrijeschooljaren, moet ik vaststellen dat één aspect van het vrijeschoolonderwijs in die 100 jaar niet is gelukt: iets van betekenis te doen of te zijn voor de sociale driegeleding – in zonderheid voor de vrijheid van het geestesleven, voor het onderwijs: de vrijheid van inrichting.

Als er iemand dit niet mij eens is, kan dat heel goed. Ik geef hier alleen mijn persoonlijke ervaringen weer. Die zullen worden gevolgd door allerlei artikelen die vooral verschenen in de jaren 1970 – 1990.

Ik wil met dit artikel vooral niet beschuldigen, niemand erop aanspreken dat er weinig tot niets voor het vrije geestesleven tot stand is gekomen. De goede wil – bij vlagen sterker aanwezig – was te zwak om tot daadkracht te komen. Dat geldt ook voor mij persoonlijk, tenslotte was ik ca. 40 jaar bij het vrijeschoolonderwijs betrokken.

De Haagse vrijeschool had tot ver in de veertiger jaren van de vorige eeuw, zonder staatssubsidie gewerkt. Dat was rond die tijd bijna niet meer vol te houden en op zeker ogenblik werd er subsidie aangevraagd en verkregen.
Maar daarmee was ‘de staat’ ook de school binnengehaald. En dus de invloed op het onderwijs.

Ook 100 jaar geleden schreef Steiner het artikel ‘Vrijeschool en driegeleding’.
Het was Duitsland net na de 1e Wereldoorlog en sommige aspecten van het leven zijn niet te vergelijken met nu.
Maar de kern van het betoog: de invloed van de staat leidt tot staatsinvloed op wat onderwijs moet zijn, is nog even actueel wanneer de staatssecretaris van onderwijs beweert dat het in het onderwijs moet gaan om ‘kenniseconomie’.

Eigenlijk onbegrijpelijk dat we zo weinig hebben gedaan met ‘de vrijheid’. Is het niet tekenend dat Steiner, een maand vóór de schoolopening het artikel ‘Vrijeschool en driegeleding’ schrijft en dat hij in de basisvoordrachten voor de vrijeschoolpedagogie, de ‘Algemene menskunde’, begint – nog vóór het over pedagogie gaat – met de ‘opdracht voor deze tijd: de driegeleding?

Op 20 aug. 1919, aan de vooravond van de cursus, zegt hij:

Schlechte Lehrziele, schlechte Abschlußziele werden uns vom Staat vorgeschrieben. Diese Ziele sind die denkbar schlechtesten, und man wird sich das denkbar Höchste auf sie einbilden. Die Politik, die politische Tätigkeit von jetzt wird sich dadurch äußern, daß sie den Menschen schablonenhaft behandeln wird, daß sie viel weitergehend als jemals versuchen wird, den Menschen in Schablonen einzuspannen. Man wird den Menschen behandeln wie einen Gegenstand, der an Drähten gezogen werden muß und wird sich einbilden, daß das einen denkbar größten Fortschritt bedeutet.

‘De staat schrijft ons slechte leerdoelen, slechte einddoelen voor. Ze zijn de slechtste die je je kunt indenken en men zal er de hoogste dunk van hebben. De politiek, het politieke leven van nu zal zich zo manifesteren dat het de mens volgens sjablonen zal behandelen, dat het veel sterker dan ooit zal proberen de mens in sjablonen te vangen. Men zal de mens behandelen als een object, een marionet, en men zal zich inbeelden dat daarmee een grote vooruitgang geboekt wordt.’
GA 293/214
Vertaald/13

Ik weet niet of de leerdoelen en de einddoelen van nu slecht zijn. Maar wat ik wel constateer is dat de verplichte leer- en einddoelen het vrijeschoolonderwijs dwingen af te wijken van wat de vrijeschool tot echte vrijeschool maakt. Of had kunnen maken.

Uit ‘vrijeschool en driegeleding’:

De openbare verzorging van het geestesleven in opvoeding en school is in de laatste tijd steeds meer tot staatsaangelegenheid geworden.

Dat het schoolwezen een aangelegenheid is, die door de staat behartigd zou moeten worden, wortelt tegenwoordig zo diep in het bewustzijn van de mensen, dat degene die aan deze mening meent te moeten tornen, voor een wereldvreemde “ideoloog” wordt aangezien.

In alle fasen geeft de school de mensen een zodanige vorming, als de staat voor de verrichtingen nodig heeft, die zijzelf noodzakelijk acht. De inrichting van de school is een afspiegeling van de behoeften van de staat.

Weliswaar spreekt men veel van algemene vorming en dergelijke, waarnaar men wil streven; maar de mens van heden voelt zich onbewust zo sterk een lid van die geordende staat, dat hij helenaal niet bemerkt, hoe hij spreekt van algemene vorming en eigenlijk de opleiding tot een bruikbare staatsdienaar bedoelt.

Waar het in de huidige tijd op aan moet komen, is, de school geheel in een vrij geestesleven te verankeren. Wat onderwezen en opgevoed moet worden, dat moet uitsluitend aan het inzicht in de wordende mens en zijn individuele aanleg ontleend zijn. Waarachtige antropologie moet de grondslag van de opvoeding en van het onderricht zijn. Er moet niet gevraagd worden: wat moet de mens weten en kunnen voor de sociale orde zoals die bestaat; maar: wat voor aanleg ligt in de mens en wat kan er in hem tot ontwikkeling komen? Dan zal het  mogelijk zijn steeds weer nieuwe krachten uit de opgroeiende generatie aan de sociale orde toe te voeren. Dan zal in deze orde altijd datgene leven, wat de daarin binnentredende volledige mensen uit haar maken; maar uit de opgroeiende generatie zal niet datgene worden gemaakt, wat de bestaande sociale organisatie uit haar wil maken.

Het staatsleven en het economische leven moeten de door het zelfstandige geestesleven gevormde mensen in ontvangst nemen; maar ze moeten niet, al naar hun behoefte, de vormingsweg van die mensen kunnen voorschrijven.

Wat een mens op een bepaalde leeftijd moet weten en kunnen dat moet tevoorschijn komen uit de natuur van de mens.

De wordende mens moet tot volwassenheid komen door de kracht van de van staat en economie onafhankelijke opvoeder en leraar, die de individuele vermogens vrij kan ontwikkelen, omdat hij zijn eigen vermogens in vrijheid mag inzetten.
vrijeschool en driegeleding
GA 24/35-44
Vertaald door A.J. Br.-R, nadere gevevens ontbreken
.

Wie voor de komende 100 jaar gezichtspunten zoekt voor ‘de kernwaarden van het vrijeschoolonderwijs’ vindt die (ook) hier:
,

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
.
Sociale driegeledingalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

1405-1316

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/3)

.

sociale initiatieven deel 1,   deel 2

HET VERZORGEN VAN SOCIALE INITIATIEVEN

DE DIALOOG

In  het tweede artikel over het verzorgen sociale initiatieven, worden twee kanten van een organisatie beschreven, die gekarakteriseerd worden als de dag- en nachtzijde.

Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, behoren we tot de dagzijde van de organisatie. Voor zover wij als consument onze behoeften kenbaar maken en daardoor organisaties in het leven roepen en houden, behoren we tot de nachtzijde van de organisatie. Aan enkele voorbeelden universiteit, warenhuis, patiëntenkring – wordt deze polariteit duidelijk gemaakt.

De dag- en nachtzijde van de organisatie, doen steeds herinneren aan de beide stromen waaruit de organisatie ontstaan is: het vaderzaad van het initiatief dat in de moederschoot van een deel van de samenleving valt; of met andere woorden: door een vraag, een behoefte ontstaat de mogelijkheid nieuwe sociale vormen te laten ontkiemen Bij een opgroeiend kind is het van vitaal belang dat het vaderlijke en moederlijke element in de opvoeding evenwichtig verzorgd wordt. Het sleutelwoord hiervoor is de dialoog tussen degenen, die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren, waarmee het kind in zijn ontwikkeling geholpen kan worden. Ook bij het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten en sociale initiatieven, gaat het om de dialoog.

De dialoog tussen vader en moeder
Het hart van de vijf dialogen die ik zal beschrijven is die tussen de initiatiefnemers en degenen die een vraag gesteld hebben, de afnemers, abstracter geformuleerd tussen producent(en) en consument(en). Hier doet zich een eindeloze variatie aan vormmogelijkheden voor, al naar gelang het ‘productie-proces’ waar het om gaat, een leerproces (bijvoorbeeld een school), een genezingsproces (bijvoorbeeld een gezondheidscentrum), een verzorgings-proces (bijvoorbeeld de horecasector), een transportproces (bijvoorbeeld het openbaar vervoer) of een productvoortbrengingsproces (bijvoorbeeld een fabriek), is. Ook worden die vormvariaties bepaald door de vraag óf en hóe degenen, terwille waarvan de organisatie in het leven is geroepen, aanspreekbaar zijn. Dat kan erg verschillend zijn in verband met leeftijd (kleuterklas), hun geestelijke toestand (zwakzinnigeninrichting), hun lijfelijke aanwezigheid (winkel), of hun onbekendheid (massagoederen fabriek). Dat maakt dat de dialoog soms plaats moet hebben met ouders, plaatsvervangende instanties, vertegenwoordigersgroepen, steekproefpersonen en dergelijke.

Op al deze vormen van associatief overleg kan hier niet ingegaan worden. Wel zal ik nog wijzen op een drietal verschillend-soortige relaties die zowel producent als consument tot de betreffende institutie kan hebben. Ik zal dit toelichten door middel van het overleg tussen ouders en leraren rondom een school. Er zijn leraren die primair in hun vak geïnteresseerd zijn, zij richten zich volledig op het pedagogisch handwerk en op de kinderen. Hun bewustzijn houdt bij wijze van spreken op, bij de muren van de klas. Het gebeuren in de school als geheel en het doen en laten van de collega’s om hen heen, interesseert hen alleen voorzover ze er last van hebben of iets nodig hebben voor hun klas.

Anderen proberen de school als sociaal organisme in hun bewustzijn te krijgen en nemen taken op zich die de institutie als totaliteit helpen verzorgen en ontwikkelen. Zij proberen organisatievormen te scheppen die dienstbaar zijn aan het pedagogisch gebeuren in de klas.

Ook zijn er leerkrachten die naar de school proberen te kijken als een orgaan van een schoolbeweging, die als geheel een vernieuwingsimpuls betekent in het onderwijsbestel. (Er zijn natuurlijk ook leraren denkbaar die alleen in geld geïnteresseerd zijn. Die wil ik buiten beschouwing laten).
Het zinvol op elkaar afstemmen van deze drie dimensies wordt ernstig bemoeilijkt, wanneer deze over wezenlijk verschillende groepen verdeeld zijn, wanneer bijvoorbeeld de groep die de tweede dimensie behartigt als directie, niet meer als leraar in de ervaringswerkelijkheid van de eerste dimensie staat, en wanneer de groep die de derde dimensie verzorgt als bestuur niet meer de realiteit van het schoolgebeuren als organisatie kent. Natuurlijk moet er differentiatie zijn. De affiniteit tot een van de drie dimensies zal ook verschillen per persoon en leeftijdsfase, maar de essentie van school-zelfbestuur is toch wel dat alle drie dimensies (mede)bemand worden door praktiserende leerkrachten, of omgekeerd dat alle leerkrachten ook een taak(je) vervullen in de tweede en derde dimensie.
Ik beschrijf deze geleding daarom zo uitvoerig, omdat het bewustzijn daarvoor van vitaal belang is voor een vruchtbaar overleg tussen producent en consument. Het overleg rondom de school ziet er totaal anders uit wanneer daaraan van ‘producentenzijde’ geen politieke bestuurders en bureaucratische schoolleiders deelnemen, maar mensen die de tweede en derde dimensie verzorgen vanuit een verankering in het basisproces in de school: het werken met de kinderen.
Aan de kant van de consument, in dit geval van de ouders, vinden we ook een dergelijk verschil in oriëntatie. Er zijn ouders die alleen in het ‘product sec’ geïnteresseerd zijn, in casu hun kind en wat daarmee en daaraan in de klas gebeurt. Wanneer er een schoolfeest is, informeren ze hoe laat hun Pietje op het toneel verschijnt en dan komen ze even kijken.
Dan zijn er ouders die geboeid raken door de school als geheel, en dan ook bereid zijn taken op zich te nemen die met de school als organisatie te maken hebben.
En dan zijn er ouders die zich bewust worden van het feit dat door deze school heen een pedagogische impuls werkt, die in feite een maatschappij vernieuwende betekenis kan hebben.

Voor een vruchtbare dialoog tussen de dagzijde en de nachtzijde van een organisatie is het van belang te beseffen dat aan beide zijden een zekere differentiatie in bewustzijn aanwezig zal zijn, dat deze verschillende oriëntaties ook hun recht van bestaan hebben en, zonder ze moreel te waarderen, alle drie hun betekenis voor het overleg hebben.

De dialoog binnen de vadergroep
Van heel andere aard is de dialoog, tussen degenen die zich als productie-werkers samen verantwoordelijk voelen voor het initiatief. Dit overleg uiterlijk van belang ten behoeve van interne coördinatie. De essentie is echter, dat men door dit overleg zicht krijgt op de individuele impulsen en intenties van de werkers. De biografie van het initiatief wordt in hoge mate bepaald door de persoonlijke biografieën van de medewerkers, hun onderlinge lotsrelaties, hun al dan niet openstaan voor inspiraties en dergelijke. Maar evenzeer kan die ontwikkeling geremd worden door het gebrek aan zicht op totaal verschillende impulsen en intenties die binnen de groep werkzaam zijn, door onopgeloste lotsverwikkelingen, door gefixeerde beelden die men van elkaar heeft en die de communicatie blokkeren. Een aantal van de aan het begin van dit artikel genoemde draken zullen in dit overleg, object van strijd moeten zijn.

3. De dialoog tussen de moedergroepen
Zoals we in de vorige dialoog dieper in de dagzijde van de organisatie zijn binnen gedrongen, betekent de dialoog tussen de moedergroepen een verdere ontwikkeling van de nachtzijde. Slechts schaarse aanzetten zijn daarvan in de praktijk aanwijsbaar. Het gaat om het volgende. Elke institutie heeft zijn eigen taak en zijn eigen omgeving. Maar de omgevingen overlappen elkaar en de grenzen tussen die taken kunnen vervagen. Ouders van een school ontmoeten elkaar gedeeltelijk weer als patiënten van een gezondheidscentrum, ze ontdekken dat ze voor een ander deel tot de klantenkring van een zelfde winkel behoren, weer andere ouders blijken elkaar terug te vinden als gebruikers van dezelfde plaatselijke bibliotheek. En in het contact met de school ontdekken al die ouders ook dat de taak van de school niet te vangen is in een pedagogisch hokje, maar dat er grensovergangen zijn naar het medische, naar de voeding, naar architectuur (een schoolgebouw!), naar boeken verkopen of uitlenen en zo meer.

En zo komt er overleg op gang tussen de omgevingsgroepen van gespecialiseerde organisaties teneinde de ‘producties’ van al die instituties op zinvolle wijze in relatie tot elkaar te brengen, en de behoeftes van al die omgevingsgroepen op elkaar af te stemmen. Aanvankelijk wellicht ‘bilateraal’ tussen de ene groep en de andere, maar langzaam uitgroeiend tot een associatief netwerk van gebruikersgroepen-relaties.

4. De dialoog met de vadergeest
Wanneer een initiatief zijn kracht ontleent aan geestelijke inspiratie dan moet de relatie tot die bron verzorgd worden. Die verzorging kan in werkelijkheid het karakter van een dialoog krijgen. Een innerlijk gesprek met de geestelijke werkelijkheid waaruit de initiatieven stammen. Primair is dat een individuele aangelegenheid. Maar het is ook van belang dat een groep die verantwoordelijkheid voor een initiatief draagt zich gezamenlijk tot die bron wendt. Het gaat bij die dialoog eigenlijk helemaal niet meer om de institutie.

Niets van instituutsbelang of vakgerichtheid dringt in deze dialoog meer door. Het gaat om de relatie tot de vadergeest als zodanig. Alleen de verantwoordelijkheid, die relatie te willen verzorgen kan de dialoog een waardige inhoud geven.

5. De dialoog met de aarde-moeder
Het is niet zo moeilijk om je voor te stellen hoe de dialoog tussen de moedergroepen, hoe het associatieve vlechtwerk van consumentenoverleg, langzaam uit kan groeien tot een dimensie waar verantwoordelijkheden ontstaan voor maatschappelijke velden, voor bevolkingsgroepen, voor een buurt, een wijk, een regio. Wat we als karikatuur kennen in het werk van beroepsmatige politici wordt dan verankerd in reële situaties en reële verantwoordelijkheden van kconcrete mensen. Langzaam zal deze dimensie zich kenbaar moeten maken als die van de mensheid. Iets daarvan kondigt zich reeds aan doordat we ons bewust worden van het feit dat we met z’n allen op één aarde leven, dat we die met elkaar moeten verzorgen en dat wij dank zij het aarde-burgerschap, een economisch leven hebben dat ons de mogelijkheid geeft behoeftes te hebben, van elkaar afhankelijk te zijn, elkaar te verzorgen. Daarom is deze laatste dialoog, hoewel ze helemaal politiek-maatschappelijk gekarakteriseerd kan worden, in feite een dialoog met de aarde.

Tot zover een aanduiding van het dialoog-organisme dat zich ontwikkelt door het verzorgen, van sociale initiatieven. De weerstandskrachten waardoor dit proces zich voltrekt, hebben we in het begin beschreven in het beeld van twaalf draken. Het is te begrijpen dat de tegenkrachten krijgsraad houden, want het gaat bij sociale initiatieven en het verzorgen daarvan om niet minder dan om een totaal nieuwe verbinding van het masculine en het feminine in onze cultuur, om bewust zowel in de dagzijde als in de nachtzijde van het sociale organisme te kunnen staan. Uit de verbinding van die twee, uit het door de mensen heen verbinden (re-ligere) van de vadergeest met de moeder-aarde, worden wij scheppers van een nieuwe kosmos, een sociale kosmos, een mensheidsorganis-me. Christus is de drager van dit mensheidsorganisme. Het scheppen van nieuwe sociale vormen is het bouwen van een tempel waarin de mensheidsgeest kan leven. Zoals de individuele mens de vruchten van zijn aardeleven aanbiedt aan zijn hogere Ik. Zo kunnen groepen van mensen het verzorgen van sociale initiatieven beleven als het aandragen van bouwmateriaal voor deze nieuwe tempel.

Lex Bos, Jonas 17 20-04-1979

Sociale initiatieven (1)

Sociale initiatieven (2)

Sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs
.

1403-1314

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – geld (6-1)

.

DE KWALITEITEN VAN GELD

In Jonas* 23[ artikel niet op deze blog] werd het een en ander weergegeven omtrent het onderwerp ‘zakgeld’. Omdat ik met vier kinderen daaraan ook zo het een en ander meegemaakt heb voel ik mij gelukkig daarover in het kader van dit artikel niet te hoeven schrijven. Dat terrein is naar mijn ervaring vol voetangels en klemmen – voor de ouders wel te verstaan. Of zou het ook voor de kinderen het geval zijn? Wanneer we in die richting wat dieper willen graven lijkt het een goede zaak om enerzijds bij het kind, anderzijds bij het geld een aantal kenmerken naar voren te halen, die bij deze aangelegenheden niet zo vaak aan de orde komen. Wanneer we het opgroeiende kind waarnemen kunnen we daarbij de volgende fasen van ontwikkeling onderscheiden, die elkaar ten dele opvolgen, maar ook ten dele overlappen.

0-7 jr
De vroegste fase – tot ongeveer het zevende jaar – is die van het kennismaken met, het zich oriënteren op de ruimte om je heen.
Het is als het ware een voortdurend geven en nemen – vaak met de nadruk op het laatste – een bijzonder actieve wisselwerking. Alles is in beweging, nog open voor indrukken, aftastend, verkennend maar ook verwerkend, je eigen makend.

7 – 14 jr
Daarna komt een fase, waarbij de andere mens zich meer vanuit de omgeving gaat aftekenen. Het omgaan met je leeftijdsgenoten maar ook met ouderen en jongeren ga je als een nieuwe te verkennen wereld ervaren. Dat gaat dan gepaard met veel botsingen en ook de eerste genegenheid, liefde voor die andere mens.
Rond de puberteitsjaren komt dan de vraag bij je op naar jezelf, wie je bent of wilt zijn en welke idealen in jezelf leven, wat je je van het leven straks gaat voorstellen. Al veranderen die idealen vaak nog aanmerkelijk, ze zijn toch, als je jaren later op die periode terugkijkt de voedingsbodem geweest voor vele impulsen, die in je levensloop naderhand opduiken en je handel en wandel in het leven bepalen.

GELD
Wanneer we nu naar het geld kijken en ons afvragen wat dat voorstelt, welke rol het in ons leven speelt dan stoten we alras op een drietal kwaliteiten, die we in ons taalgebruik met betrekking tot geld min of meer bewust hanteren.

De eerste kwaliteit is die van het stromen. In onze taal spreken we van geld dat stroomt. Je hebt ook geld als water en als je geluk hebt, weet je een geldbron aan te boren.

Een tweede kwaliteit is die van het uitdrukken van een verhouding. We spreken dan van iets dat tot gelding komt, zich laten gelden. Het zelfstandig naamwoord geld wordt dan een werkwoord! Het heeft dan ook een sociaal, juridisch karakter: je kunt zeggen dat iets niet geldt, geldig is.

Een derde kwaliteit vinden we in een aantal zegswijzen, maar vooral ook sprookjes, waarin wordt geduid op het (a)morele aspect van geld, afhankelijk van degeen, die er mee omgaat. Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is. Geld-goud-geweten. In vele sprookjes wordt dat thema uitvoerig behandeld. Het is de moeite waard aandacht te schenken aan het feit dat veelvuldig in sprookjes, mythen en legenden waar zeer diepe spirituele zaken aan de orde zijn als een welhaast onafscheidelijke dubbelganger het geld, het goud of de schat genoemd worden.

Grimm: de sterrendaalders (153)

Ook in het Nieuwe Testament in de Evangeliën speelt het geld – men denke aan de tollenaars, het geld van de keizer, de wisselaars in de tempel en de dertig zilverlingen van Judas – voortdurend mee.

Wanneer we deze drie kwaliteiten van geld naar het dagelijks leven toe vertalen kan het volgende beeld ontstaan.

KOOPGELD
Het stromende geld neemt in onze maatschappij het karakter aan van koopgeld, geld dat als ruilmiddel en waardemeter wordt gehanteerd bij koop en verkoop van goederen en diensten. In dat proces circuleert het geld, we spreken dan ook van een geldcirculatie.

LEENGELD
Het geld gaat een verhouding weergeven wanneer er sprake is van schulden en vorderingen, die in geld worden uitgedrukt. Deze ontstaan wanneer er enerzijds geld gespaard, anderzijds geleend wordt. Boekhoudkundig verzeilen we dan in de dubbele boekhouding met een belans als staat van schulen en vorderingen. Deze ‘gestalte’ van geld ontstaat, wanneer ik besluit niet te kopen of te verkopen maar dat uitstel, in de tijd vooruitschuif. Het is boeiend, dat juist dan in het weergeven van schulden en vorderingen steeds relaties, verhoudingen tussen mensen aan de orde zijn! Je kunt hier spreken van spaar/leengeld of nog beter: leengeld.

SCHENKGELD
Ten slotte is er de mogelijkheid om geld te schenken aan anderen. Het betekent, dat een ander de vrije beschikking krijgt over wat hij of zij met dat geld wil doen of laten. Er is bij schenken geen relatie met de ander: voorzover die er nog is kan nog niet van een vrije beschikkingsmogelijkheid gesproken worden. Dat betekent echter wèl, dat wanneer je geld tot je vrije beschikking krijgt het helemaal van jezelf afhangt wat er dan kan gaan gebeuren. Er is dan een moment waarbij je helemaal op jezelf bent aangewezen. Het morele aspect zal dan een rol gaan spelen.

Terug naar het kind in ontwikkeling.
De eerste ontdekking, die een kind met geld kan doen is dat je er iets voor kunt kopen. Voorzover ik mij kan herinneren had dat vooral betrekking op toverballen, zuurstokken en dergelijke. Drop komt ook veel voor, maar ik hield daar niet van. We zullen allemaal wel met een cent, stuiver of dubbeltje in ons knuistje de eerste gang naar de winkel gemaakt hebben om iets te kopen. Ook in de geschiedenis kan worden nagegaan dat de oudste gebruiksvorm van geld die van ruilmiddel en waardemeter is geweest.

Alras komt dan de spaarpot ons leven binnen wandelen, al dan niet met ruggesteun van banken, die daar brood in zien. Vaak ervaren we, dat die spaarpot wat te vroeg komt. Het kind is nog helemaal niet in de sfeer van sparen, telt voortdurend de inhoud van het spaarvarken en vraagt zich af, wat je daarvoor zou kunnen kopen.

Naar mijn ervaring komt het echte sparen – in de zin van het appeltje voor de dorst of sparen met een bepaald doel voor ogen – pas veel later, rond de puberteit aan de orde. De spaarpot wordt dan ook al gauw vervangen door een spaarrekening bij een of andere bank. Het lenen gaat dan ook een rol spelen, vaak in de vorm van voorschotten op nog te sparen centjes. Die voorschotten hebben zoals menig ouder heeft ervaren vaak een wat wankel karakter. Bij tijd en wijle moet er gesaneerd worden en wordt er kwijtgescholden, geschonken.

Het schenken komt, voorzover ik heb kunnen waarnemen, vóór de volwassen leeftijd nog niet erg bewust aan de orde. Wel in de vorm van de eerste zélf gefinancierde cadeautjes, maar zelden in direCte overdracht, schenken van geld.

Ook bij de vorige twee varianten – kopen en sparen – is er als het ware sprake van een oefenen in droogzwemmen. Immers de ouders besturen dit proces nog bijkans volledig. Bij kopen en sparen is daarvoor oefenstof te over. Met schenken is dat veel moeilijker. Misschien is het – zonder daarmee te moraliseren – een goede zaak om kinderen rond het volwassen worden een inzicht te geven in één van de nog steeds grootste stromen van schenkingsgeld in onze samenleving: die van de opvoeding van kinderen. Misschien kan dan ook zichtbaar worden hoe belangrijk het is, dat die schenking naar de toekomst gezien steeds meer bewust een vrije schenking moet blijven. Daarin ligt immers de mogelijkheid besloten om zich als vrij individu te ontplooien tot aan de volwassen leeftijd toe.

Zou deze mogelijkheid worden afgegrendeld en vervangen door enigerlei staatsverzorging dan gaat die vrijheid – we kunnen dat elders in de wereld waar zoiets wordt en werd geprobeerd vrij goed nagaan – per definitie verloren en wordt deze vervangen door de verzorgingsstaat die als anonieme bureaucratie op basis van al dan niet democratisch en politiek genomen meerderheidsbesluiten, vaststelt wat goed voor ons is.

Met opzet heb ik vermeden om de geschetste kwaliteiten van geld en de ontwikkelingsfasen van het kind systematisch te koppelen.

Ik geloof, dat omgaan met geld voor ieder kind samen met ouders een eigen, telkens weer nieuwe ontdekkingstocht zal zijn. Bepaalde voorschriften zijn dan ook mijns inziens niet realistisch. Slechts twee uitersten zou ik willen noemen.

In vroegere, maar ook huidige tijden kwam en komt het voor, dat bij de opvoeding geld als iets minderwaardigs, ‘vies’ wordt afgedaan. Ik meen, dat daarmee aan het kind in zijn ontwikkeling iets heel belangrijks wordt onthouden: de mogelijkheden om mede aan de hand van omgaan met geld zelf iets van zijn omgeving, van anderen en zichzelf te ontdekken.

Het spiegelbeeld komt ook voor: ‘het geld speelt geen rol’. Waar geld als het ware in de drie genoemde kwaliteiten een maatschappelijk stukje vrijheid (van keuze, van verhouding of van ideaal) betekent valt dan het fundament van die vrijheid, de verantwoordelijkheid weg. Zowel het een als het andere zijn hoekstenen van een zich evenwichtig ontwikkeld bewustzijn van een mensenkind. Juist het geld als ‘spiegelbeeld’ van je daden kan daarbij een heel belangrijke rol spelen. In onze welvaartssamenwerking is juist de verantwoordelijkheid gaandeweg naar de achtergrond geschoven. Vrijheid wordt dan willekeur en verspilling, heden ten dage vrij algemene verschijnselen.

Ten slotte: het heeft mij altijd verbaasd, dat in de school in de hoogste klassen geen of nauwelijks aandacht wordt geschonken aan het bewust omgaan met geld. Naast het aanleren van administratieve technieken en daarbij behorende inzichten zou het behandelen van kwaliteiten van geld in verband met ons handelen voor de komende levensloop van de leerling van bijzonder groot belang kunnen zijn. Hier ligt voor de leraren van vrijescholen een nog zeer belangrijk terrein open! Ik heb geprobeerd om in dit artikel geen afgeronde visies te geven. Daargelaten of dat zou kunnen en of ik daartoe in staat ben, meen ik, dat het wellicht beter is om een aantal gedachten en beelden aan te reiken waarmee iedere lezer kan doen wat in zijn of haar beleveniswereld van belang lijkt te zijn. Daarbij zou het wellicht vruchtbaar zijn om in plaats van elkander gedachten voor te schrijven of (ongevraagde) adviezen te geven, veeleer ideeën en ervaringen uit te wisselen. Dit artikel wil daarin een bijdrage zijn.

Rudolf Mees, Jonas 24, 01-08-1980

*Jonas – een tijdschrift voor sociale en individuele bewustwording – verscheen in de jaren ca 1970 – 1995.
.

sociale driegeleding: alle artikelen– waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1401-1312

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-1/2)

.

Dag- en nachtzijden van organisaties

Het verzorgen van sociale initiatieven   (2)

In het eerste artikel over het verzorgen van sociale initiatieven wordt beschreven hoe de mens onvrij wordt door de begeerte-opwekkende en wilsverlammende krachten, die vanuit de maatschappij op hem inwerken.

De uitdrukking ‘sociaal initiatief’’ bevat eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid: ‘initiatief’ duidt op een sterke ik-betrokkenheid, ‘sociaal’ zegt meer over het betrokken zijn op anderen, op de omgeving.

Door het nemen van sociale initiatieven, gericht op de behoeften, die in de omgeving leven, kan de mens een vrije daad stellen, vanuit de geest tot handelen komen.

Talrijke weerstandskrachten – ze worden als 12 draken ten tonele gevoerd – belagen deze jonge initiatieven. Het is daarom van belang ze zorgzaam te behoeden, te begeleiden. Alleen dan kan het bewustzijnsproces – waarin de initiatiefnemers met hun ideeën de omgeving bevruchten plaatsvinden, zodat nieuwe sociale organismen (consumentenkringen, scholen, therapeutica etc.) tot leven gewekt worden en kunnen gaan groeien.

We zijn gewend organisaties te beschrijven in termen van het zichtbare productiecentrum (fabriek, school, kantoor, ziekenhuis), waar mensen werken in min of meer georganiseerd verband aan een product of dienstverlening. Er wordt veel intelligentie en wakkerheid aangewend, om alles in van te voren bepaalde rationele banen te laten verlopen. De mensen die in de organisatie werken, verwerven er een inkomen en zijn aanspreekbaar op concrete verantwoordelijkheden.

Is daarmee het verschijnsel organisatie uitgeput? Dat dit niet het geval is, blijkt bijvoorbeeld uit ontwikkelingen in opleidingsinstituten. Daar rijst de vraag: ‘Horen de consumenten bij de organisatie?’ In een universiteit zijn de ‘afnemers’ van het onderwijsproces de studenten. Het interessante van dit type organisatie is dat het zijn afnemers in huis heeft. Moderne opvattingen over inspraak en samenwerking hebben tot het inzicht geleid dat de afnemers – in dit geval de studenten – een wezenlijk deel van de organisatie vormen. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat zij – naast onderwijzend en technisch-administratief personeel – zitting hebben in de Hogeschool Raad. Nu is de relatie van een organisatie tot degenen in wier behoefte zij voorziet, zeer verschillend al naar gelang het type organisatie. Een school heeft dagelijks al zijn afnemers een keer binnenshuis. Voor een gezondheidscentrum geldt ook dat de afnemers bekend zijn (kaarsysteem van ingeschreven patiënten), maar de arts weet nooit wie er ’s morgens in de wachtkamer zal zitten. Slechts een klein deel van de patiënten treedt af en toe uit het duister naar voren in het licht van de behandelkamer. Voor een producent van tijdschriften zijn de lezers op papier bekend, maar ze worden eigenlijk nooit zichtbaar als personen. Voor een warenhuis is het klantenbestand een anonieme massa, die zich weliswaar in het centrum kenbaar maakt, maar waarvan de identiteit alleen door steekproeven en statistieken enigszins achterhaald kan worden. Voor producenten van massagoederen is de consument extreem anoniem en onzichtbaar. De spullen komen via groothandel en detaillist op de markt in binnen- en buitenland. Toch is er geen enkele reden, om in al deze gevallen de consument niet wezenlijk tot het levende organisme van de onderneming te rekenen. Waarom de studenten wel en de gebruikers van diensten en de kopers van producten niet?

Wanneer we dit deel van de organisatie trachten te beschrijven dan beschrijven we iets in de periferie, dat als het ware onzichtbaar om het producerend centrum heenligt; iets dat als distributiesysteem vanuit de producent gezien, wel een zekere organisatiegraad heeft, maar vanuit het feitelijke consumentengedrag beschreven, een vaak amorf, onvoorspelbaar beeld vertoont zonder veel bewustzijn, zonder veel verantwoordelijke binding aan de producent, de dienstverlener, de winkelier. We hebben twee aspecten van het organisatiewezen gekarakteriseerd in de woord-paren:

. zichtbaar – onzichtbaar.
. georganiseerd – amorf
. centraal – perifeer
. mensen verant- – mensen in
woordelijk               vrijblijvende
gebonden                 relatie
. wakend – slapend
. producerend – consumerend
. initiërend – receptief
. antwoord – vraag
. manlijk – vrouwelijk

We zouden de polariteit die we hier trachten aan te duiden, misschien het meest kernachtig kunnen omschrijven door te zeggen dat de organisatie een dagzijde en een nachtzijde heeft. Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, horen wij tot de dagzijde van die organisaties. Wij voelen ons dan in ons waakbewustzijn aangesproken. Voor zover wij als consumenten door onze koopdaad, door onze vraag, door het kenbaar maken van behoeften, organisaties in het leven roepen en houden, behoren wij tot de nachtzijde van die organisaties.

Dat feit dringt nauwelijks tot ons bewustzijn door. Wij zijn in dat gebied nog slapend. Zoals mensen overdag in hun fysieke lichaam ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn, en zich daarvan bewust zijn, terwijl zij ’s nachts, wanneer zij vrij van hun lichaam zijn, door elkaar heen leven en weven, zonder daar bewust van te zijn, zo zijn de dagzijden van ondernemingen ruimtelijk gescheiden als zichtbare instituties en organisaties, terwijl de nachtzijden van al die organisaties in en door elkaar leven. Bedenk eens hoeveel mensen daar kopend, diensten gebruikend, goederen verslijtend door elkaar heen leven en van hoeveel verschillende organisaties zij daardoor de onbewuste nachtzijde vormen!

Wanneer in de mensengemeenschap steeds meer tot werking komt, wat als kracht in de menselijke ziel leeft, wanneer de maatschappij zich steeds meer vormt door zich te spiegelen aan de mensenziel, dan moeten we in de mens zelf het oerbeeld vinden van het verschijnsel dat sociale organismen een centrale, zichtbare dagzijde en een perifere onzichtbare nachtzijde, hebben. We komen hiermee op een van de meest centrale hoofdstukken uit Steiners antroposofie. Dat is het onderwerp over de dubbele verschijningsvorm van het Ik. Steiner beschrijft dit als volgt. Het hogere Ik van de mens bereidt zich in het voorgeboortelijk leven voor op een volgende incarnatie. Het doet dit enerzijds door voor zichzelf een sterfelijk lichaam te scheppen waarin het op aarde kan leven, anderzijds door een omgeving uit te zoeken waarmee het in wisselwerking kan treden. Ongeveer tot het derde jaar werkt dit hoger Ik nog direct in de fysieke omhulling, dan trekt het zich terug in de geestelijke wereld. Het laat op aarde z’n afspiegeling achter. Dit aardse Ik kan zich bewust worden van zijn dag- en nachtzijde. Van de dagzijde is sprake als wij met ons waakbewustzijn Ik zeggen tegen wat wij in onze fysieke constitutie, in onze levenskrachten, in onze zielenkwaliteiten met ons meedragen als omhulling van dit Ik. Van de nachtzijde is sprake als wij met ons intuïtieve nachtbewustzijn langzamerhand Ik leren zeggen tegen datgene wat als lot uit de periferie op ons afkomt, aan wensen, aan vragen, aan weerstanden, aan uitdagingen, aan grenzen. Het Ik verschijnt zichtbaar centraal in de fysieke gestalte, het maakt zich onzichtbaar perifeer kenbaar in het op ons toekomende lot. Het mensen-ik verschijnt in een dag- en een nachtzijde, in een vrouwelijk vragende bedding en in een manlijk-actieve stroom die daarop antwoordt.

Wat er geboren wordt aan nieuwe vermogens en nieuwe ervaringen in de wisselwerking tussen de dag- en de nachtzijde van het Ik, tussen de dagbewuste mens en wat er uit het duister van het lot op hem afkomt, dat is de vrucht van deze incarnatie, dat is het geesteskind dat door de dialoog van het vader-ik en het moeder-ik verwekt is. Dat geesteskind wordt na de dood, als het fysieke lichaam is afgelegd en het aardse lot tot een einde is gekomen, aan het hogere Ik, wachtend aan de drempel, aangeboden.

Dit oerbeeld van de incarnatie van de mens als geesteswezen in de aardse werkelijkheid vinden we weerspiegeld in het verschijnsel dat wij eerder beschreven: nieuwe sociale vormen die ontstaan doordat het vaderzaad van het initiatief valt in de moederschoot van een deel van de samenleving, of wel doordat de vragende leegte van een behoefte de mogelijkheid schept om deze behoefte op creatieve wijze te bevredigen. Zo ontstaan sociale vormen, organisaties die in hun dag- en hun nachtzijde voortdurend herinneren aan de twee stromen waaruit zij ontstaan zijn.

Deze beschouwing kan ons helpen dieper in te gaan op de vraag wat het verzorgen van sociale initiatieven eigenlijk inhoudt, of beter uitgedrukt: het verzorgen van hetgeen als resultaat van sociale initiatieven in de wereld is gezet.

Voor het opgroeiende kind is van vitaal belang het pedagogisch klimaat dat de vader en moeder om het kind heen creëeren, of meer algemeen gezegd: dat ontstaat doordat het vaderlijk en het moederlijk element in de opvoeding evenwichtig verzorgd worden. Het sleutelwoord daarvoor is de dialoog. In de dialoog tussen diegenen die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren waarmee het kind in z’n ontwikkeling geholpen kan worden. Wanneer we nu op zoek gaan naar deze dialoog-kwaliteit daar waar het gaat om het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten van sociale initiatieven, dan springen een vijftal dialogen in het oog.

Ik wil deze artikelen eindigen in Jonas 17 door deze vijf in concreto te beschrijven.

Lex Bos, Jonas 16, 06-04-1979\

.
Sociale initiatieven [1]     [3]

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1389-1300

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding- sociale initiatieven (5-1/1)

.

Het is Michaëlstijd. Er zullen weer veel draken ten tonele worden gevoerd: in de verhalen, bij de feesten, als drakenbrood.
Maar na Michaël zijn ze niet verdwenen. Zijn ze dat ooit wel? Zolang ze niet uit ons verdwenen zijn niet, vrees ik.

In 1979 publiceerde Lex Bos in Jonas een artikel over wel liefst 12 draken die de kop(pen) strekken waar initiatieven worden genomen (nieuwe vrijescholen!), waar men gewend raakt aan idealen (oude vrijescholen) enz.
Nog altijd actueel!

De subsidie-, uitbestedings-organisatie-splijtzwam-narcissus-sekte-expansie-solo-routine-model-haast-projectiedraak:

DE TWAALF DRAKEN

HET VERZORGEN VAN SOCIALE INITIATIEVEN

Wanneer we naar het maatschappelijk gebeuren om ons heen kijken, naar ons zelf in de maatschappij en naar de krachten die vanuit de samenleving op ons inwerken, dan is het niet moeilijk onderkennen naar welke kant die krachten kunnen werken. Zij willen ons omlaag trekken naar het niveau van het arbeids- en het consumptiedier, naar een leefwijze waarbij ons gedrag bepaald wordt door begeertekrachten van binnen uit en anonieme systeemfactoren van buitenaf (de bureaucratie, de organisatie e.d.): kortom de onvrije mens die in zijn handelen niets meer van zichzelf terug vindt.

Wie tot het inzicht is gekomen dat elke menselijke ontwikkeling zich voltrekt áán en dankzij weerstanden, zal bij de boven geschetste situatie direct de vraag stellen: ‘Waartoe daagt het me uit, wat kan ik voor positiefs aan die weerstand ontworstelen, welk ‘goed’ ligt achter dit ‘kwaad’ verboren?’ Ik heb de indruk dat deze begeerte-opwekkende en wilsverlammende werkingen ons voortdurend de vraag stellen: ‘Kun jij vanuit je ik, een vrije daad stellen, kun je vanuit de geest tot handelen komen, kun je werken in de maatschappij vanuit een idealisme dat je niet is meegegeven als jeugdideaal, maar waartoe je je zelf hebt opgewerkt, dat je zelf hebt veroverd. Kun je van daaruit handelen?’

Zo’n uitdaging heeft met andere woorden, te maken met het nemen van sociale initiatieven. Niet alleen mensen kunnen genezen en zich verder ontwikkelen door het nemen van sociale initiatieven, ook voor de samenleving hebben ze de betekenis van gezondmakende krachten.

Nu bevat de uitdrukking ‘sociaal-initiatief’ eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid. Wanneer we aan een initiatief denken, dan bedoelen we daar iets mee wat uit de meest individuele kern van onze persoonlijkheid stamt. Het is niet zo maar gedrag, het is een initiatief. En dat betekent dat ik er een zeer persoonlijke, wellicht ethisch-geladen relatie toe heb.
Door het voorvoegsel ‘sociaal’ duid ik op iets heel anders. Ik denk dan aan onzelfzuchtigheid, georiënteerd zijn op anderen, gericht zijn op de behoeften die in mijn omgeving leven.
Ik denk dat het begrip sociaal-initiatief daarom zo paradoxaal is, omdat de essentie van de vrije daad erin verscholen ligt. Het tot levensrealiteit maken van een paradox, het uit eigen kracht overbruggen van een inwendige tegenstelling doet de vrije mens langzaam in ons geboren worden. Juist omdat het nemen van sociale-initiatieven zo’n tweeslachtige aangelegenheid is, (we zullen verderop zien hoe letterlijk we dit woord tweeslachtig mogen nemen) kunnen we vermoeden dat het naar zijn karikatuur omslaat, dat het bedreigd is door tegenkrachten. Gelukkig kunnen we in onze directe omgeving vele maatschappij-vernieuwende, sociale initiatieven waarnemen. Een aantal daarvan heeft een korte levensduur; ze hebben weinig innerlijke substantie. Met veel elan begonnen, blijkt het enthousiasme toch een strovuurkarakter te hebben. Misschien komt het, omdat het idealisme dat dit handelen doordringt nog niet veroverd, maar geschonken is. Een jeugdidealisme dat nog geen kern heeft, maar zich voortbeweegt op de natuurlijke draaggolf van de maatschappijkritische wereldverbeteringsimpuls die elke gezonde adolescent eigen is.
Anders wordt het voor diegenen die, misschien na een aantal desillusies, zichzelf een weg gebaand hebben tot inspirerende, dragende ideeën, en vanuit deze ideeën tot eigen idealisme komen, dat wil zeggen een door de geest gedragen aards handelen. Zulke initiatieven kunnen stootkracht hebben en tot kiemen worden voor wezenlijke sociale vernieuwingen.
Wie ervaring heeft met zulke initiatieven, weet dat hij daarbij eigenlijk met iets heiligs omgaat. Hij voelt zich vanuit een andere wereld geïnspireerd. Hij beleeft ziin initiatief als een kind dat hij ter wereld moet brengen. Langere tijd kan hij zich zwanger voelen van een in hem groeiend initiatief. Tot het kind geboren wordt en het initiatief sociale werkelijkheid wordt.

Juist omdat onze tijd dergelijke initiatieven dringend nodig heeft, liggen de weerstandskrachten, waardoor we juist onze initiatiefkracht ontwikkeld hebben, overal op de loer om het initiatief te ontkrachten. De apokalyptische tijd waarin wij leven, roept het beeld op van de maagd die het kind wil baren en de draak die klaar ligt om het te verslinden.

Onze initiatief-babies worden door vele draken en draakjes belaagd. Warme en koude, slim-intelligente en krachtig-brutale. Ik wil er een aantal beschrijven. Ik put daarbij uit ervaringsmateriaal van de afgelopen zeven jaar, opgedaan met het werk bij TRIODOS, een stichting die ‘geboorte-en ontwikkelingshulp’ biedt bij sociale-initiatieven, zoals: scholen, therapeutica, landbouwbedrijven, speelgoedfabriekjes, winkels, theehuizen, uitgeverijen, laboratoria, opleidingsinstituten, verdeelcentra e.d. Honderden initiatieven hebben we in die zeven jaar in hun biografie kunnen volgen.

Hele legers van draken en draakjes hebben we in aktie zien komen om de initiatief-baby’s en dito-kinderen te verslinden, maar waar dat niet lukte, werden ze daardoor gelouterd, versterkt en eerst recht sociaal vruchtbaar gemaakt.

Ik wil nu deze drakenfamilie de revue laten passeren. Het zullen er 12 blijken te zijn. Maar laat niemand daar wat achter zoeken, want er zijn er zeker meer te vinden. Ik beschrijf ze in een willekeurige volgorde.

1. De subsidiedraak
Iedereen die een initiatief-baby bij gebrek aan geldmiddelen bijna heeft zien sterven, kent de verleidende gedachte van ‘als er eens een erfenis van een ton uit de lucht kwam vallen… Dan konden we alle zorgen aan de kant zetten.’ Het ergste wat een initiatief kan overkomen is dat die ton er inderdaad komt. van een douarière. uit een postzegelfonds. via een subsidiepot. Het ontslaat de initiatiefnemers van de moeizame schenkgeldacties. Maar wat is de vitale betekenis van warm schenkgeld voor de incarnatie van een initiatief? Het verplicht de initiatiefnemers in vele toonaarden tegenover veel verschillende mensen te verwoorden wat ze eigenlijk willen met het initiatief. Dat helpt hen om het initiatief uit de vaak onbewuste intuïtieve diepten omhoog te trekken in het bewustzijn. Door de schenkgeldacties krijgt het initiatief zijn menselijk-concrete omhulling. En als het schenkgeld uitblijft, is dat misschien een teken dat het initiatief nog niet geboorterijp is, of wellicht helemaal geen bestaansrecht heeft.
Die ton die uit de hemel komt vallen maakt een moeiteloze vroeggeboorte mogelijk, maar kan het opgroeiende kind voor lange tijd ernstige ontwikkelingsproblemen meegeven.
Dit is pas werkelijk het geval wanneer aan een royale startsubsidie aanvankelijk geen beperkende voorwaarden zijn verbonden, maar bij volgende
ondersteuningsaanvragen (die vaak noodzakelijk zijn omdat geen eigen geldcircuits zijn aangezet) de condities geleidelijk strenger worden. Men zwemt dan een subsidiefuik binnen, waaraan het einde het initiatief onherkenbaar verminkt is.

2.De uitbestedingsdraak
Er zijn weleens mensen die hele schone, goede en ware ideeën hebben, die dringend op realisering wachten, maar zelf hebben zij er geen tijd voor. Zij kijken zo naar initiatieven, dat zij daarbij een soort taakverdeling zien: de lui met de brillante ideeën en anderen die ze tot uitvoering moeten brengen.
Natuurlijk kunnen mensen geïnspireerd worden door ideeën van anderen en van daaruit tot zelfstandige initiatieven komen. Daar is niets tegen. De delegatie-draak ligt echter op de loer, wanneer degeen die de inspirerende idee had, een soort eigendomsrecht blijft claimen en hij degenen die hij voor de realisering van de idee heeft aangezocht, voortdurend aanwijzingen blijft geven hoe zij moeten handelen. In een latere fase van een initiatief mag een zekere differentiatie tussen ‘denkers en doeners’ noodzakelijk zijn, de geboorte van een nieuw initiatief heeft de kwaliteit van het offer, van de volledige identificatie, van het zelf (als drager van de idee) concreet ervaren van de weerstandskrachten nodig, die bij de realisering moeten worden overwonnen. Want in die confrontatie ontstaat het zicht op de volgende stap. Deze ziet er vaak heel anders uit, dan degeen die met zijn schone idee aan de zijlijn is blijven staan, theoretisch uitgedacht heeft.

3. De organisatiedraak
Sommige initiatieven worden in hun ontwikkeling sterk gehinderd, doordat er in een te vroeg stadium al allerlei organisatorische, juridische, procedurele en structurele beddingen zijn bedacht, waarin de initiatiefstroom moet vloeien. In de levende werkelijkheid ontstaat de structuur vanuit de beweging, schept de stroom z’n eigen bedding. Wie wijzer wil zijn dan het leven, wie beddingen bedenkt uit theoretisch-rationele overwegingen, in plaats van te kijken naar het leven zelf dat genoeg indicaties geeft over welke bedding het nodig heeft, die zou zijn initiatief in de kiem kunnen smoren.

4.De splijtzwamdraak
Het komt de laatste tijd nogal eens voor dat groepen ouders elkaar vinden, uit onvrede met het gewone onderwijs. Zij horen dat elders door groepen ouders vrijescholen zijn opgericht en besluiten ook zoiets te doen. De splijtzwamdraak zorgt ervoor, dat deze ouders pas na de oprichting van de school ontdekken dat hun initiatief door de meest verschillende impulsen wordt gevoed. Sommige ouders willen gewoon een alternatief onderwijs zonder zich daarbij erg veel concreet voor te stellen; anderen hebben een bepaald democratiseringsmodel in hun hoofd; weer anderen denken aan iets Montessori- en Daltonachtigs, en misschien is er ook een aantal dat heel duidelijk vanuit een antroposofisch mensbeeld, een echte vrijeschoolpedagogiek wil.
Wanneer de school nog niet is opgericht, kan de initiatiefgroep door een proces van loutering gaan tot het initiatief een duidelijke identiteit heef.t De
splijtzwamdraak zorgt ervoor dat de verschillen pas ná de oprichting ontdekt worden en dan werken deze als een vernietigende splijtzwam die de initiatiefgroep en de school van binnenuit kapot maakt, of het geheel ontkracht tot een kleurloos compromis.

5.De narcissusdraak
Een groep mensen kan verliefd worden op hun eigen initiatief. Ze zijn zo vervuld van hun eigen ideaal, van hun verantwoordelijkheid de wereld daar gelukkig mee te maken, van de spirituele gedachten die zij als een machtige bovenbouw aan hun weten toe te voegen dat zij de sociale werkelijkheid waarin hun idealen tenslotte moeten landen, niet meer waarnemen. Goethe zei eens: ‘Das Auge soll nicht begehren’, want dan ziet het alleen zijn eigen begeerte en niet de werkelijkheid zelf. Zo is het ook met een initiatief. Men kan er zo van vervuld zijn, dat er eigenlijk sprake is van realiseringsbegeerte. Die begeerte vertroebelt de waarneming. De initiatiefnemers hebben daardoor niet in de gaten dat de weerstanden waarmee zij vechten door henzelf zijn opgeroepen. Zij hebben dat gedaan door tegen de stroom in te roeien. Zij hebben eenvoudig niet gezien welke richting de werkelijkheid hun wees. Doordat ze zo van hun ideaal vervuld zijn en doordrongen van de noodzaak het te verwerkelijken, gaan ze er steeds fanatieker ‘tegen aan’. Hun offers worden steeds groter, de krampachtigheid waarmee ze te werk gaan ook.
In het extreme geval kan men zich voorstellen hoe zulke lieden tegelijk met hun initiatief ten grave worden gedragen…

6.De sektedraak
Initiatieven die geboren worden uit een duidelijk aanwijsbare inspiratiebron zijn een dankbaar object voor de sektedraak. Initiatieven uit antroposofische bron zijn zo’n dankbaar object. De sekt-draak probeert te bereiken dat biologisch-dynamische landbouw, alleen gezien wordt als middel tot verantwoord voer voor geestverwanten; vrijescholen zijn dan scholen voor antroposofenkinderen en een antroposofische boekhandel wordt to een ‘clubwinkel’. En zelfs als er bijvoorbeeld op een school allerlei kinderen van niet-antroposofische ouders komen, omdat de kinderen of de ouders dat willen, dan zorgt de sektedraak ervoor dat de school zich maatschappelijk isoleert. Ze probeert lastige wetgeving te ontduiken of te omzeilen en alleen voor zichzelf een zo gunstig mogelijke situatie te bereiken. Ze voelt zich niet mede verantwoordelijk voor een gezondmaking van het onderwijswezen in Nederland, ze probeert ook geen uitstraling te bereiken in de eigen omgeving door zich bijvoorbeeld mede verantwoordelijk te weten voor het lokale sociale leven. Zij isoleert zich van haar omgeving. Deze draak treedt meestal pas in een later stadium van ontwikkeling op. In het begin mag een pasgeboren initiatief zich nog wat afzonderen en z’n eigen ‘elitaire’ omgeving kiezen. Wanneer het initiatief uitgroeit en dieper incarneert in de maatschappelijkekelijkheid waar het ondanks alles toch deel van uitmaakt, zal het zich voor deze omgeving mede verantwoordelijk moeten voelen. Wanneer het zich daar in sekteachtige zelfgenoegzaamheid niets van aantrekt, zal de maatschappij zich op den duur van dit initiatief niets aantrekken en er bijvoorbeeld bureaucratisch over heen walsen.

7. De expansiedraak
Initiatieven kunnen zo ‘an der Zeit’ zijn dat ze bedreigd worden door een overmatige groei. De klanten overspoelen de winkel, de kinderen stromen naar de school, de patiënten puilen de wachtkamer uit. De initiatiefnemers voelen zich verantwoordelijk tegenover deze snelgroeiende vraag, maar ook wel bevestigd doordat de buitenwereld hun initiatief zo honoreert.
En wat ligt meer voor de hand dan uitbreiden, investeren, groeien?
Doch kan men deze groei ook kwalitatief bemannen, zullen de organisatorische vormen adequaat mee veranderen? Als de expansiedraak z’n zin krijgt groeit het initiatief zich zelf stuk. Door gebrek aan substantie verliest het z’n identiteit en door gebrek aan organisatie verliest het z’n samenhang.

8. De solodraak
Er zijn initiatieven die het meest bedreigd worden door de pionier zelf. Het initiatief is goed en brillant. Het slaat aan en komt goed van de grond. Maar dat betekent, dat zich er meer mensen mee willen en moeten verbinden, om het toenemende aantal taken te bemannen en om het initiatief voor eenzijdigheid te vrijwaren. Maar de pionier verdraagt het eigenlijk moeilijk dat anderen zich mede verantwoordelijk willen opstellen. Hij schermt zijn initiatief af, verdraagt niet dat anderen er eigen kleuren aan toevoegen, kan zich eigenlijk ook niet voorstellen dat hij echt iets zou kunnen overlaten aan anderen zonder voortdurend te moeten ingrijpen.
En zo blijft hij alleen. Goede mensen lopen weg. Tweederangs meelopers blijven. Het initiatief blijft aan hem plakken. En omdat het zich niet van z’n vaderfiguur kan los maken, zal het ook met de vader van het toneel verdwijnen. ..

9.De routinedraak
Echte initiatieven zijn altijd in conflict met de gewone werkelijkheid. Juist omdat ze vernieuwing betekenen, zullen ze op verzet stuiten bij het gangbare. Zolang het initiatief nog niet werkelijk geïncarneerd is, zullen de initiatiefnemers veel tijd kunnen besteden aan het verzorgen van de realisatie tot de bron, waaruit zij de kracht en de moed putten om de strijd aan te gaan.
Maar op het moment dat een initiatief incarneert gaat de aardezwaarte van de fysieke wereld werken. In concreto betekent dat: rompslomp, veel tijd verliezen met knullige dingetjes regelen, weerstanden overwinnen, eindeloos vergaderen om onnodige misverstanden op te lossen, tijdrovende administratie, zwakheden van mensen etc.
Het heilige vuur van het begin gaat verloren, de oorspronkelijke impuls wordt vergeten, de vleugelslag van de inspirerende ideeën wordt niet meer gehoord. Langzaam sluipt de routine binnen. En wanneer de bron niet meer vloeit, gaat de initiatiefkracht verloren. Niet de vernieuwende geest leidt het handelen, maar de gewone werkelijkheid die we juist wilden overwinnen.
Initiatief-wil is afgegleden tot aangepast gedrag.

10.De modeldraak
Niet iedereen is in staat om open te staan voor de levende geest. Onze mogelijkheden om met geestelijke wezens in contact te treden reikt veelal niet verder dan daar, waar deze levende bruisende geest zich in ideeën openbaart. Maar daar is ze al gestold, en op dat punt slaat de modeldraak zijn slag. Hij maakt gebruik van onze angst voor het levend-dynamisch geestgebeuren en laat onze initiatieven een ongevaarlijke ankerplaats vinden in het model. Het realiseren van het model wordt tot doel.
Vanuit dit model worden voorstellingen ontwikkeld hoe de werkelijkheid eruit moet zien. Het doet niet ter zake, of dit nu een driegeledingsmodel, een schoolmodel, een opleidingsmodel of communemodel is; het gaat erom dat de initiatiefnemer terzijde treedt en het model, het dogma, de conceptie tot autoriteit verheft. Van daaruit wordt de levende werkelijkheid vervormd tot ze past in het model.

11.De haastdraak
Zoals kinderen er negen maanden over doen om geboorte-rijp te worden, zoals ziektes een incubatietijd hebben, zo hebben ook initiatieven een rijpingstijd nodig. Het initiatief innerlijk met je meedragen, er in kleine kring over praten, luisteren naar wat de nacht je ’s morgens te vertellen heeft, letten op wie het lot in die ‘verwachtingstijd’ je weg laat kruisen, dat hoort allemaal bij de adventstijd van een initiatief.
De haastdraak blaast ons in dat we daar geen tijd voor hebben, dat het zelfs niet verantwoord is langer te wachten, dat zich nu een eenmalige gelegenheid voordoet een pand te kopen.
Kortom: wie aan de toekomst wil bouwen moet aan de slag gaan en niet zitten navelstaren. Zo ontstaan de onrijpe vroeg geboortes die spoedig sterven. ..

12. De projectiedraak
Het realiseren van initiatieven is een harde scholingsweg voor de betrokkenen. Er vindt een voortdurende confrontatie plaats met eigen onvermogens. Het initiatief vraagt – vaak onvermoede – vaardigheden en vermogens, soms van vaktechnische aard, soms van sociale, communicatieve aard, soms van morele, conceptuele aard. Die moeten verzorgd worden. Niet alleen de ontwikkeling van het initiatief moet verzorgd worden, ook de eigen ontwikkeling vraagt aandacht.
Wie dat niet wil zien, wie tegen dat stuk werk opziet, wie de confrontatie met zichzelf niet aandurft, is een willig object voor de projectiedraak. Alle problemen die ontstaan omdat de initiatiefnemers niet hard genoeg aan zichzelf werken, worden dan weggeprojecteerd naar buiten: de collega’s, de medewerkers, de organisatie, het gebrek aan middelen, de overheid en zo meer. De oplossingen voor deze problemen worden gezocht in methodes, procedures, reorganisaties, meer financiële middelen e.d. En zo gaat het initiatief langzaam ten gronde, omdat de initiatiefnemers dachten dat ze naar buiten iets konden ontwikkelen zonder daarbij zelf innerlijk in beweging te komen en blijven.

Tot zover een rondgang in de drakengalerij
Ze liggen allemaal op de loer om het initiatiefkind dat gebaard is, vroeger of later te verslinden. Daarom moeten sociale initiatieven behoed, bebakerd en verzorgd worden; zoals men kinderen na de geboorte niet aan hun lot overlaat, maar ze gedurende een lange periode begeleidt tot ze op eigen benen kunnen staan, zo is dat ook met initiatieven. Vandaar de titel van dit artikel ‘het verzorgen van sociale initiatieven’.
We willen in het vervolg van dit artikel ons bezig houden met de vraag wat dit verzorgen feitelijk inhoudt.
We hebben pratend over initiatieven veelal in menselijke analogieën gepraat: bevruchting door een idee, zwanger zijn van een initiatief, een plan geboren laten worden, een institutie door z’n kinderziektes heen helpen, op eigen benen plaatsen e.d..
Laten we dit beeld eens letterlijk durven nemen. Hoe ziet dat er bij initiatieven uit met de vader en de moeder, hoe verloppt de conceptie, wat betekent het zwanger zijn?
Wanneer een initiatiefnemer, een pionier geïnspireerd wordt door een idee lijkt het duidelijk hoe we deze gebeurtenis moeten vertalen in termen van het geboortebeeld. De geestelijke wereld is de bevruchtende vader, de pionier is de ontvangende moeder. Hij is nu zwanger van een initiatief, dat een tijd later het daglicht zal zien. Het beeld is net zo onwaar als wanneer men in het plantenrijk over bevruchting spreekt bij het gebeuren tussen stuifmeelkorrel en stempel. In zijn pedagogiekvoordrachten heeft Rudolf Steiner de leerkrachten in vele toonaarden erop gewezen dat men de kinderen in verwarring brengt wanneer men spreekt over vader- en moederplanten en bijtjes die helpen bij de bevruchting. Het is een onwaar beeld zegt hij. Stuifmeel en stempel hebben natuurlijk hun betekenis in het totale proces van zaadvorming. Maar bevruchting, in de zin van het leggen van een kiem voor nieuw leven, vindt pas plaats als het zaad in de aarde valt, wanneer de moederschoot van de aarde het bevruchtende zaad van de plant-vader in zich opneemt. Dat beeld is een waar beeld.
We wenden de blik nu weer terug naar het thema van de sociale initiatieven. In het begin sprak ik erover dat deze uitdrukking eigenlijk paradoxaal is: aan de ene kant het sterk ik-betrokken karakter van het initiatief, wakker handelen vanuit een verbinding met een werkzame idee. Aan de andere kant de sociale betrokkenheid van het initiatief, als het ware inslapend in de omgeving om de wezenlijke behoefte van de anderen te ervaren. Speelt de eigenlijke bevruchting zich niet af tussen de initiatiefnemers en hun omgeving? De vragende, verwachtingsvolle, behoeftige omgeving laat zich bevruchten door het zaad van een initiatief. En wanneer die vraag van een groep ouders stamt kan de initiatief-bevruchting leiden tot de geboorte van een school. Stamt ze van patiënten dan kan er een medisch centrum worden geboren, komt ze van consumenten dan kan een winkel het levenslicht zien.

Lex Bos, Jonas 14, 09-03-1979
.

Sociale initiatieven [2]     [3]

Sociale driegeleding: alle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

Michaëlalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

1384-1295

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-1)

.

In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw publiceerde het blad Jonas met grote regelmaat over de sociale driegeleding. Ook in de vrijescholen leefde het onder een grote groep leerkrachten veel meer dan nu het geval lijkt te zijn.

Ik durf wel te stellen dat de idee van vrijheid als deel van deze driegeleding nauwelijks nog leeft in de vrijeschoolorganisatie.

De eerste zinnen van dit artikel staan in de tegenwoordige tijd, maar….

Vrijheid en onderwijs

Scholen als autonome onderwijsinstellingen

Centraal in de opvatting van de vrijeschoolpedagogie staat het begrip vrijheid. Een begrip dat veel misverstanden kan oproepen. In onderstaand artikel zet Dik Crum onder meer uiteen wat vrijescholen onder vrijheid verstaan.

Dik Crum

Elke school representeert, of men zich daarvan nu bewust is of niet, bepaalde mens- en -maatschappijopvattingen. In een tijd van voortdurende maatschappelijke veranderingen is het noodzakelijk dat in het onderwijsveld als geheel, maar zonder twijfel ook in de scholen afzonderlijk, een helder inzicht
bestaat in het verband tussen de inrichting van de eigen school en de grondslagen van de samenleving waarin deze school een maatschappelijke opgave vervult. Slechts hierdoor kan een bewuste keuze worden gemaakt ten aanzien van de bijdrage aan de maatschappelijke ontwikkelingen.

Een van de belangrijkste vragen voor het onserwijs is hierbij de keuze tussen een kindgerichte of een maatschappijgerichte aanpak. Gaat het de school om een mens-gerichte oriëntatie, om een vrije en onbelemmerde ontplooiing van het kind of om een pragmatische opleiding tot maatschappelijke bruikbaarheid, wat dit ook moge inhouden?

De veel gehoorde tegenstelling: ‘de school is van de maatschappij…’ tegenover: ‘de school is van het kind… ’ wordt in de vrijescholen gezien als een onvruchtbare polarisatie. Toch wordt in de vrijeschool een sterk accent gelegd, waarschijnlijk zelfs sterker dan in andere vormen van onderwijsvernieuwing, op de kindgerichte aanpak van het onderwijs. Juist hierin wordt de maatschappelijke bijdrage gezien, zowel feitelijk als ideëel. De vraag rijst, hoe dit met elkaar valt te rijmen.

Ontmoeting van generaties
In de antroposofische geesteswetenschap wordt het leven van de mens vóór de geboorte als realiteit gezien. Opeenvolgende generaties verschillen duidelijk van elkaar. Met name de jeugd die sinds het midden van deze eeuw werd geboren onderscheidt zich bijna nog sterker dan voorheen van voorgaande generaties.
Deze verschillen worden in de vrijeschool in samenhang gezien met het leven, dat vóór de geboorte is doorgemaakt. Het inzicht dat de jonge mens niet als een onbeschreven blad op aarde komt, doch zijn voorgeschiedenis met zich meebrengt – als generatiegenoten bovendien een gezamenlijke voorgeschiedenis – is bepalend voor de ontmoeting van leraar en leerlingen. Hierbij is vooral de overweging van belang, dat jongere generaties, wanneer zij de scholen bevolken, de impulsen voor de maatschappelijke werkelijkheid, die hun eigen werkelijkheid zal zijn als zij volwassen zijn geworden reeds in zich dragen. Impulsen namelijk, die zij hebben meegenomen uit het gezamenlijk doorgemaakte leven in de geestelijke wereld vóór de geboorte.
Vanuit dit inzicht is gedurende het lesgeven in de school de aandacht niet slechts gericht op de bestaande maatschappij buiten het schoollokaal, – dus met name op de leerstof – maar tevens op de impulsen en het eigene van de kinderen zelf. Wat uit het verleden in de kinderen nawerkt en reeds in kiem gericht is op verwerkelijking in een toekomstige maatschappij, moet zich in de kinderen gedurende de lessen meer en meer kunnen ontplooien. Het onderwijs wordt hierdoor in breed perspectief gezien als een ontmoeting van generaties die beide van elkaar kunnen leren. Voor de kinderen gaat het daarbij vooral om zelfontplooiing in de ontmoeting met de leraar en de leerstof. Van centrale betekenis is het, dat de eigenheid en de individualiteit van de kinderen wordt gerespecteerd. Het kan er in de vrijeschool nooit om gaan een conditionerende en beperkende invloed uit te oefenen of alleen maar de inhouden, normen en waarden van de huidige maatschappij voort te zetten. Bij het leerproces van de leraar gaat het in de ontmoeting met de leerling om andere leerdoelen. Vragen zoals: wat is het specifiek eigene van deze groep leerlingen; wat is hun eigenlijke vraag; waar liggen de ontwikkelingsbehoeften en hoe kunnen zij daarin worden ondersteund? staan daarbij centraal. De poging tot beantwoording van dergelijke, vaak niet eenvoudige vragen kan voeren tot een dieper contact, tot een ‘gesprek’ met de leerlingen, waarin zich een ontmoeting van generaties kan spiegelen, dergelijk leerproces kan tevens een aanknopingspunt zijn om een aspect van het vraagstuk van de prenatale existentie nader te onderzoeken. In de antroposofische wetenschap wordt dit immers niet opgevat als een dogmatische geloofsovertuiging, doch als een aanname die wetenschappelijke verificatie behoeft.

De kluwen van de huidige maatschappij
In de door Rudolf Steiner beschreven opvattingen over de samenleving, wordt onderscheid gemaakt tussen drie maatschappelijke gebieden: het geestelijk-culturele gebied, het rechtsgebied en het economische gebied. De samenleving wordt daarbij gezien als een mondiaal, levend sociaal organisme. Deze drie gebieden worden daarom respectievelijk als het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven aangeduid.

In de huidige maatschappij blijven de activiteiten die op ieder van deze gebieden worden plooid niet beperkt tot dit gebied zelf. Het economische gebied bijvoorbeeld, waar het vooral gaat om het produceren, het verhandelen en het consumeren van waren, strekt zijn invloed onmiskenbaar uit op het rechtsgebied en op het geestelijk culturele vlak. Ook het rechtsleven zelf echter oefent via de wetgeving verstrekkend zijn invloed uit op het economische en het culturele gebied, terwijl vanuit het geestelijk-culturele leven getracht wordt om invloed uit te oefenen op het economische gebied en het rechtsgebied. Het geheel vormt een soort kluwen; alles hangt met alles samen.

In deze kluwen is het onderwijs in Nederland opgenomen als een deel van het geestelijk-culturele leven van de maatschappij. Door de verknoping van de drie gebieden is in het Nederlandse schoolwezen de invloed van de overheid, die op grond van politieke belangenbehartiging het rechtsleven vertegenwoordigt, naast de invloed uit het economische gebied doorslaggevend.

In de maatschappij-opvatting die aan de vrijescholen ten grondslag ligt, gaat het om het ontwarren van deze kluwen. Niet zozeer om ideologische, als wel om praktische redenen. In de antroposofische visie op de toekomst van de maatschappij wordt een samengaan bepleit van het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven in onderlinge afstemming, zonder beslissingsbevoegdheid of machtsuitoefening buiten het eigen gebied. De invloed van rechtsleven en overheid op het schoolwezen veroorzaakt, dat het onderwijs in Nederland en in Europa ten aanzien van de meeste aspecten als staatsonderwijs kan worden aangemerkt. De invloed van het economische leven komt in meerdere opzichten tot uiting. Een van de belangrijkste is wel, dat de maatschappelijke opgave van onderwijs en opvoeding staat in het teken van de toekomstige beroepsuitoefening. Kenmerkend voor de opzet van de vrijeschool is dat overheersing van onderwijs en opvoeding door het economische leven en door een politieke overheid onjuist wordt geacht. De algehele inrichting en opzet hangen nauw met dit uitgangspunt samen. Voor een goed begrip van de samenhang van de vrijescholen met de antroposofische visie op de maatschappij is het nodig om eerst nader in te gaan op de gevolgen van zowel de invloed van overheid en politieke besluitvorming als van de economie op het onderwijs.

Gevolgen
Het onderwijs wordt in Nederland door de rijksoverheid gefinancierd. De middelen daar toe worden door de Nederlandse bevolking niet geschonken of vrijwillig bijeengebracht, maar door de overheid als een collectieve belasting geïnd. Voor de besteding van deze gemeenschapsgelden is de overheid verplicht tot parlementaire verantwoording. Deze verantwoording heeft daarbij de vorm aangenomen van garanties voor de omvang en de kwaliteit van de onderwijsvoorzieningen, die door middel van stringente voorschriften voor de inrichting aan alle onderwijsvormen worden opgelegd. Waar deze voorschriften in strijd bleken met de bekende grondwettelijke vrijheid van onderwijs, zijn zij – bijvoorbeeld voor het bijzonder onderwijs – geformuleerd als voorwaarden voor het accepteren van de overheidssubsidie. Het gevolg van deze situatie is een onontkoombare uniformiteit van het onderwijs. Deze is onontkoombaar, omdat het beheer over het totale schoolwezen wordt gevoerd door een rechtsstaat, die – op zichzelf terecht – op het principe van de gelijkheid is gebaseerd. Het beheersapparaat voor de toewijzing van subsidiegelden en voor de inspectie op de naleving van de onderwijswetten is door de wetgever zelf in het leven geroepen. Indien het gelijkheidsbeginsel in het overheidsapparaat daarom zou worden losgelaten, zou de rechtsgrondslag voor alle onderwijsvoorzieningen komen te vervallen. Dit gelijkheidsbeginsel vormt de toetssteen van een rechtvaardige toedeling van de gemeenschapsgelden en van de uitvoering van de onderwijswetgeving. Daarom kan en mag van iedere overheid die een onderwijsstelsel beheert niet anders dan een sterk uniformerende werking op de school uitgaan, volgens het principe: gelijke monniken, gelijke kappen.

Niet alleen echter de controle op de uitvoering van de onderwijswetten bewerkstelligt een uniformiteit. Ook de parlementaire besluitvoering zelf draagt hiertoe bij. In ieder democratisch bestel komt de staat rechtstreeks voort uit de concrete maatschappelijke realiteit. De overheid handelt daarbij in overeenstemming met de politieke belangengroepen die haar hebben gekozen. Wanneer in een parlementaire democratie besluiten worden genomen over de inrichting van het onderwijs, heeft ook dit een nivellerende werking op de geestelijke signatuur van de school. Een parlementaire constellatie, die door politieke belangentegenstellingen in evenwicht wordt gehouden, kan niet de plaats zijn voor de ontwikkeling van zulke geschakeerde opvattingen en inrichtingen, dat de eigen identiteit van alle afzonderlijke scholen erdoor wordt gestimuleerd. Het politieke forum kan in de praktijk niet meer leveren dan het ‘haalbare compromis’, om dit vervolgens wettelijk uniform op te leggen aan de afzonderlijke onderwijsinstellingen. Dit alles geldt niet alleen voor de inrichting van het onderwijs, voor uniforme lestabellen of lestijden enzovoort, maar ook voor de aanbieding van leerstof en voor de beoordeling van de leerlingen zelf. Het bieden van gelijke kansen betekent in de praktijk immers: het aanbieden van dezelfde leerstof, gevoegd bij een rechtvaardige, dat wil zeggen objectieve en uniforme beoordeling met behulp van gelijke maatstaven. De gevolgen van staatsonderwijs, gebaseerd op het beginsel van gelijke kansen voor iedere leerling, zijn daardoor: bureaucratische en dirigistische uniformering, opgelegd door middel van wettelijke voorschriften.

De maatschappij-opvattingen die aan de vrijeschool ten grondslag liggen, wijzen het gelijkheidsbeginsel als grondslag voor het rechtsleven zelf niet af. Ook zijn zij er sterk voorstander van om de leerlingen in het onderwijs gelijke kansen te bieden. Wel echter zijn zij tegenstander van de nivellerende en uniformerende uitwerking op het onderwijs, die naar hun inzicht het onvermijdelijke gevolg is, wanneer door de rechtsstaat het beheer en het bestuur van het schoolwezen ter hand wordt genomen.

De gevolgen van de invloed van het economische leven op het onderwijs zijn van geheel andere aard. In de huidige maatschappij is behalve in het politieke leven, dat vervuld is van economische belangen, ook in het schoolwezen het economisch denken steeds duidelijker te herkennen. Zo wordt bijvoorbeeld het economisch nut van onderwijsinvesteringen steeds meer een toetssteen voor beleidsbeslissingen, terwijl dit rendement zelf wordt bezien tegen de achtergrond van vraag- en aanbodfluctuaties op de arbeidsmarkt.

De ‘maatschappij’, als abstracte aanduiding van anonieme behoeften, verschijnt aan de uitgangspoorten van de scholen. Met behulp van planningsprocedures op lange of middellange termijn wordt daarbij getracht te voorzien in de verwachte behoefte aan arbeidsplaatsen. Met name op het beleidsniveau van het onderwijs wordt de invloed van het economische model zichtbaar door het denken in termen zoals arbeidsmarkt, behoeftebepaling, marktonderzoek, efficiency, kostenbewaking, centralisering, kwaliteitscontrole of rationalisering van het onderwijs als een investering op lange termijn.

Afgezien hiervan is de invloed van het economische leven krachtig in de school zelf aanwezig in het principe van de selectie. Sinds de industriële revolutie is het beroepsleven van de volwassen mens onder invloed gekomen van twee principes, die niet meer uit onze economie weg te denken zijn: arbeidsdeling en specialisatie. Voor vrijwel ieder beroep is daardoor een specifieke en toegespitste opleiding nodig. Deze ontwikkeling heeft niet alleen het gezicht van de samenleving, maar ook dat van de school ingrijpend veranderd. Als vanzelfsprekend is de school met de ontwikkelingen van het beroepsleven in de pas gebleven, waardoor de ontwikkelingstrend van het moderne economische leven doorwerkt tot in alle uithoeken van het onderwijs. Deze doorwerking komt tot uitdrukking in het selectieprincipe in de school en is niet gering. Het voert tot rapporten en cijfers geven, tot onderlinge competitie, toelatingsprocedures, selectiedrempels, differentiatie naar begaafdheden, niveaugroepen, zitten blijven, vroegtijdige streaming, elitevorming en – in het voortgezet onderwijs – tot een scheiding van leerlingen die reeds een beroepsopleiding ontvangen en leerlingen die ‘verder gaan’. Anders uitgedrukt: het feit dat het schoolwezen zich in dienst heeft gesteld van het economische leven en het selectieprincipe heeft geaccepteerd, voert tot een kluwen van problemen waarmee het onderwijs in de laatste decennia heeft geworsteld.

Vrijheid
De maatschappijvisie die door Rudolf Steiner werd ontwikkeld gaat uit van de noodzaak om het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven, in de toekomst ieder voor zich zelfstandig en onafhankelijk van elkaar te laten functioneren. Van centrale betekenis hierbij is nu, dat voor ieder van deze gebieden een ander basisprincipe wordt onderscheiden, dat bepalend is voor de organisatie en inrichting. Voor het geestesleven is dit het principe van de vrijheid, voor het rechtsleven het beginsel van gelijkheid en voor het economisch leven dat van de broederschap. De idealen die uit de tijd van de  Franse revolutie bekend zijn, klinken in de driegeleding van het sociale organisme opnieuw. Nu echter in een onverwachte, maar functionele metamorfose: als realistische grondslagen voor de inrichting van een meer en meer stuurloos geworden samenleving. De toepassing van het vrijheidsprincipe als garantie voor de ontwikkeling van het geestesleven is niet nieuw. De uitdrukking: ‘geestesleven’ wordt gebruikt voor alles wat als gevolg van persoonlijke vaardigheden en capaciteiten uit individuele mensen kan voortkomen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om wetenschappelijke bijdragen, onderwijs, industriële uitvindingen en ideeën over organisatievormen, kunstzinnige activiteiten, deelname aan het religieuze leven, enzovoort. Voor alle activiteiten en uitingen op deze gebieden is in de ontwikkeling van de samenleving het vrijheidsprincipe een cultuurgoed van centrale betekenis geweest. De driegeledingsopvattingen gaan nog een stap verder. In de opvattingen over de driegeleding van het sociale organisme wordt het vrijheidsbeginsel als grondslag en als toetssteen genomen voor inrichting en ordening. Het gaat niet alleen om de erkenning van dit principe, zoals in Nederland bijvoorbeeld bij de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van onderwijs. Het gaat om een algemeen aanvaard maatschappelijk inzicht dat het vrijheidsbeginsel de enig juiste grondslag vormt voor instellingen op het gebied van het geestesleven, zonder beheer, bestuur of controle vanuit het rechtssysteem of vanuit het economische leven. De vraag op welke wijze de financieringsgrondslag voor het geestesleven wordt gevonden en hoe de toedeling van de beschikbare middelen plaats dient te vinden wordt daarbij losgekoppeld van het principiële uitgangspunt, dat het beheren en het besturen van organisaties in het geestèsleven een zaak dient te zijn van het geestesleven zelf.

Met deze principiële stellingname hangt de naam van de ‘Vrije School’ samen. Het gaat om het creëren van onderwijsinstellingen als organen van een vrij geestesleven. De vrijescholen worden daarom bestuurd als autonome onderwijsinstellingen, met behulp van een collegiaal model van zelfbestuur, idealiter gezien zonder inwerking van de rechtstaat (bijvoorbeeld overheidscontrole of dwingend opgelegde onderwijsuniformiteit) en zonder de invloed van de economie (onder meer selectie en planmatige beroepsopleiding). De situatie van de huidige vrijescholen in Nederland wordt als een onvermijdelijk compromis gezien, dat in de huidige maatschappelijke situatie tot dusverre blijkbaar onontkoombaar is.

De vrijescholen stellen zich tot doel om in de maatschappelijke werkelijkheid organen van een vrij geestesleven tot ontwikkeling te brengen. Hierin gaat het om de individuele ontplooiing van leerlingen, zonder beperkende invloeden door overheidsbemoeienis of door toegeven aan de druk van economische belangen. Het vrijheidsstreven dat in de naamgeving tot uiting komt, is geen illustratieve uitdrukking voor de kunstzinnige grondslag of voor een anti-autoritaire benadering van de leerlingen. De naam duidt op een maatschappelijke optie voor een schoolsysteem, waarin de invloeden uit het juridisch-politieke systeem en uit het economische leven geen toegang hebben.

Bij de opzet van de school zijn in dit verband geen halve maatregelen getroffen. Deze opzet is bovendien nog steeds de streefrichting van de vrijeschoolbeweging. Dat wil onder meer zeggen: géén overheidsbemoeienis, géén voorschriften, noch voor inrichting, lestijden of leerstof; geen staatserkenning als kwalitatieve garantie met overheidsinspectie, géén voorschriften voor arbeidscontracten van leraren, geen overheidssalarissen, salarisschalen of verschillen in inkomens bij kleuterleidster of wiskundeleraar op grond van vooropleiding. De slagschaduwen van het politieke en economische systeem: uniformiteit en selectie zijn principieel buiten de schoolmuren gehouden. Met als gevolg, geen zitten blijven, géén selectiedrempels, toetsingsprocedures, cijferboekjes, homogene leergroepen, categoriale scheidsmuren, onnodige vroege pakettenkeuze of eindexamens. En, consequent volgehouden: geen overheidssubsidie.

Het is om enigszins duizelig van te worden als je deze wensen vergelijkt met de huidige werkelijkheid. Wat zou er gebeuren als dit op landelijk niveau werd gerealiseerd? De overheid zou een ‘voortdurende zorg’ minder hebben. Boekenkasten met jurisprudentie, departementale wetsafdelingen en ministeriële commissies zouden verdwijnen. Een verzorgingsstructuur, experimentele onderwijskaders en additieve middelentoewijzing zouden wegvallen; vele inspecteurs,hoofdinspecteurs en coördinerend hoofdinspecteurs, dikwijls de beste leraren die het onderwijs voortbracht, zouden weer voor de klas kunnen. Geen verbod meer op kunstzinnige vakken, geen rechtspositionele afdelingen; geen minister die eenzaam aan het hoofd staat van een reusachtig onderwijsbedrijf, met de zorg voor het toekomstig aantal huisartsen in Nederland of voor duizenden werkloze leraren, waarvoor een ambtsvoorganger geen voorzieningen had kunnen treffen.

Ook de situatie in de scholen zelf zou drastisch veranderen. Hoe leerlingen te motiveren zonder cijferboekjes, jaarlijkse bevorderingen en een einddiploma? Wat te doen, als een lerarenteam geen voorschriften meer heeft? Hoeveel lesuren zullen worden gegeven? En de leerstof? Hoe zullen scholen zich ontwikkelen als leraren en leerlingen het houvast van de externe structuren en de maatschappelijke eisen zouden verliezen? En de financiering van het onderwijs? Zal deze, zoals professor Idenburg eens heeft voorgesteld, worden gerealiseerd via een stelsel van waardebonnen, door de staat aan ouders verstrekt en door de school van hun keuze te verzilveren? Of zal de school in de lijn van de opvattingen van de driegeleding, worden betaald door medewerking van een bedrijfsleven dat zich in macro-sociaal verband van haar verantwoordelijkheid bewust wil zijn en de winsten aan een vrij geestesleven beschikbaar stelt in plaats van aan de overheid en de aandeelhouders?

Maar vooral dringt de vraag zich op: kan zoiets zomaar? Kan het onderwijs het stellen zonder de steun van het gigantische overheidsapparaat dat tot in alle uithoeken van de school aangeeft wat er dient te gebeuren? En hoe is het met de ouders? Voor hen geldt niet minder, dat het onderwijs ‘een voortdurende zorg van de overheid’ is geweest, zoals de tekst van de wet op het onderwijs luidt. Het antwoord op deze vragen lijkt slechts te kunnen worden gevonden als ouders van kinderen ‘Vrije Scholen’ wensen als organen van een vrij geestesleven. Met ‘Vrije Scholen’ is daarbij niet slechts geduid op de scholen op antroposofische basis. Vrijescholen, in optie van de driegeleding van het sociale leven, zijn scholen, door groepen ouders en leraren in het leven geroepen, vrij van externe regels en voorschriften. De term vrijescholen kan in deze gedachte geen privilege zijn van de scholen op antroposofische basis. Eén van degenen die deze term ook gebruikt, is bijvoorbeeld Ivan Illich. Illich ziet in ‘scholing’ een onontkoombaar dictaat van maatschappelijke tradities en structuren, die in een ‘verborgen leerplan’ tot uiting komen. Een ‘ontscholing’ van deze maatschappij tracht hij te laten beginnen bij de ontwikkeling van een ‘Vrije School’, als inzet voor een nieuw onderwijssysteem.

Dergelijke ‘Vrije Scholen’ liggen zonder twijfel in het verlengde van het streven naar een vrij geestesleven en een veelvormig onderwijsbestel, waarvoor de antroposofisch georiënteerde scholen zich inzetten. Een werkelijke ontplooiing en uitbouw op grotere schaal van dergelijk vrij en autonoom onderwijs blijkt echter pas mogelijk te zijn, als dit opnieuw wordt gefinancierd buiten de staatskas om. Eerst dan lijken de huidige beperkingen voor de ontwikkeling ervan weg te kunnen vallen en kunnen ook de op basis van de antroposofie werkende vrijescholen in maatschappelijk opzicht worden, wat zij vanaf het begin van deze eeuw als kiem in zich dragen.

D.Crum, Jonas 16 03-04-1981
,

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

Sociale driegeledingalle artikelen

1379-1290

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4)

.

Zie over het waarom van dit artikel op deze blog:
sociale driegeleding alle artikelen

over de driegeleding van de maatschappij

Wij willen in de onderstaande beschouwing, aan de hand van een aantal voorbeelden op verschillende gebieden, laten zien, hoe nauw de drie-geleding met het samenleven van de mensen is verbonden. Op talrijke terreinen komt men drie-deling tegen, zodat het verleidelijk is te concluderen, dat drie-deling een verschijning is van het leven zelf.
In verschijnselen van drie-deling treft men een horizontale verdeling aan en een verticale.

De horizontale verdeling is meer statisch en men kan dan met recht spreken van drie-deling; de verticale is in beweging, er is een innerlijke opklimming (Steigerung) waar te nemen. Daarom zou voor deze groep verschijnselen beter van een drievoudige geleding (Dreiglicderung) kunnen worden gesproken ofwel van een drieledigheid.
Wat hiermede wordt bedoeld zal aan de voorbeelden duidelijk worden. Montesqieu heeft in 1748 in „Sur l’esprit des lois” het beginsel van de „Trias politica” uitgewerkt. Drie van elkaar te onderscheiden machten zijn in de staat werkzaam, te weten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Alle drie werken onafhankelijk van elkaar. Deze gedachte is als organisatie-principe in het bedrijfsleven overgenomen, alwaar men een duidelijke scheiding maakt in voorbereidende, uitvoerende en controlerende werkzaamheden. die men aan verschillende functies opdraagt. Een horizontale scheidning dus, die meer als onderscheiding dient te worden gemaakt in het geval men, zoals tegenwoordig vaker gebeurt, tot een vorm van integratie van deze gebieden overgaat.
De vaardigheden, waarover men in het maatschappelijke leven de beschikking heeft zijn drieledig: de technische vaardigheid, die ieder zich, op zijn plaats en functie, heeft eigen te maken, de sociale vaardigheid, die in onze tijd van samenwerking van mensen onderling van zo’n eminent belang is, en de conceptuele vaardigheid, die van groter gewicht wordt, naarmate men, van zijn functie uit, aan grotere eenheden leiding geeft.
Een voorbeeld van een opklimmende driedeling is het begrip medezeggenschap. Medezeggenschap is niet iets afgeronds, iets concreets, maar integendeel beweeglijk, gedifferentieerd, in zich zelf groeiend en opklimmend. Medezeggenschap omvat immers een stijging van mede-weten via mede-overleggen naar medebeslissen. En dan is dit niet zó op te vatten, dat een vertegenwoordiging van het personeel begint in het stadium van het medeweten om dan later, misschien na meer kennis van zaken te hebben gekregen, in het stadium van mede-overleggen te komen, om tenslotte te eindigen met medebeslissen.
Neen, op het ene ogenblik zal men van bepaalde zaken slechts de medewetenschap kunnen krijgen, voortspruitend uit de aard van wat hier wordt medegedeeld. Op hetzelfde moment kan mede-overleggen over andere zaken aan de orde komen, wat in verband met wat moet worden bereikt, noodzakelijk is, terwijl het medebeslissen kan worden gevraagd in zaken, waarin niet alleen het oordeel van de vertegenwoordiging van belang is, maar die van zodanige aard zijn, dat men de beslissing aan deze vertegenwoordiging kan en wil overlaten. Verschuivingen kunnen hierin optreden, omdat hier niets star, maar alles bewegelijk is.
Een bedrijf kent een drievoudige oriëntering naar buiten toe: ieder bedrijf staat in relatie met zijn afnemers, zijn klanten; ieder bedrijf staat in relatie tot leveranciers van grondstoffen, halfproducten en van productiemiddelen en tot diegenen, die met de verschaffing van kapitaal te maken hebben. Zo staat ieder bedrijf in de maatschappij, in drie richtingen zich oriënterend.

Het opsporen van drie-ledigheden is niet een gedachtenspel, daarvoor kan men dit verschijnsel te algemeen vaststellen. In de natuur kent men de drie agregaattoestanden, waarin een stof zich kan bevinden: de vaste, de vloeibare en gasvormige toestand.
Het leven openbaart zich in plant, dier en mens: driedelingen met een innerlijke stijging. In de wereld van de muziek zijn het de melodie, de harmonie en het ritme, die tezamen, ieder met eigen wetmatigheid, de muziek gestalte geven. Het evenwicht tussen deze drie elementen bepaalt de gaafheid van de muzikale schepping. Het klassieke toneel kent de eenheid van tijd, plaats en handeling. In het overbrengen van een idee, van kennis of wetenschap vallen de volgende drie sectoren te onderscheiden: propaganda, voorlichting en advies. Hier is duidelijk een opklimming in intensiteit, verdichting waar te nemen, van het algemene naar het bijzondere, het concrete, het ene geval. Ook in de wijze, waarop de mens tot diegenen staat, die hij in deze wereld kent: zijn bekenden, zijn kennissen en zijn vrienden, is deze opklimming naar een hoger niveau van intensiteit waar te nemen. Het zijn duidelijke voorbeelden van een verticale onderscheiding.

ln het maatschappelijke leven zijn het de elementen van het geestelijk-culturele, het politiek-sociale en het economische leven, die om een onderscheiding vragen, zodat ieder dezer drie sectoren zich naar eigen aard kan ontwikkelen. Een centralistische beschouwingswijze laat geen ruimte voor de eigen aard, de eigen sfeer, waarom de drie bestanddelen van het maatschappelijk leven vragen en die met vrijheid, gelijkheid en solidariteit aangegeven kunnen worden.

Dit maatschappelijke leven kan zich slechts, evenals de muziek, gaaf en evenwichtig ontwikkelen, wanneer deze drievoudige geleding van het maatschappelijke organisme wordt doorzien en in de vormen van dit maatschappelijke leven zelf worden gerealiseerd.

En ook de mens, die in zijn wezen eveneens drievoudig is geleed – waarvan zijn uitingen denken, voelen en willen een voorbeeld zijn —, staat in deze wereld drievoudig georiënteerd: naar wat boven hem is, naar wat om hem heen is en naar wat beneden hem is. Naar „de hemel”, naar zijn medemensen, en naar de natuur. Goethe sprak in dit verband over de drievoudige eerbied. De bovengenoemde drievoudige ordening van het maatschappelijke leven is een doorwerking van deze grond-houding van de mens.

Na Marx is het te doen gebruikelijk de drie-deling van kapitaal, leiding en arbeid als de laatste wijsheid te zien. In deze trits staan dan kapitaal en arbeid als onverzoenlijke productiefactoren tegenover elkaar, als twee polen, en de leiding als de verzoenende brug, tussen de tegengestelde machten geslagen. Voor de toekomst kan alleen deze driedeling vruchtbaar zijn: Kapitaal — leiding én arbeid – markt. En omdat leiding en arbeid één zijn, zoals de twee zijden van een medaille verbonden zijn, kan men stellen, dat voor de toekomst de driedeling kapitaal — arbeid — markt geldt.

Wij willen deze abstracte economische termen verlevendigen, vermenselijken en dan in deze volgorde: werkers — afnemers — kapitaalverschaffers. In deze trits werken de twee polen werkers en kapitaalverschaffers tezamen ten behoeve van de afnemers, de uiteindelijke consumenten.

In deze drie-deling ligt gans het leven besloten. Men begint dit leven, in economische zin gesproken, als afnemer, uitsluitend als consument. Vervolgens wordt men, „ongeschoold” of „geschoold”, opgenomen in de grote kring van werkers, men wordt op de een of andere wijze opgenomen in het economische proces van productie en distributie om tenslotte, al of niet, tot de kring van kapitaalverschaffers, groot of klein, te gaan behoren.

Men zal begrijpen, dat deze trits de mogelijkheid in zich houdt van verzoening van kapitaalverschaffers en werkers als twee polen, in tegenstelling tot de onvruchtbare polariteit, die sinds Marx het kenmerk van het economische leven is geweest. Daartoe zullen wij ons moeten verdiepen in de doelstelling van de onderneming als belangrijk facet van het economisch leven.

Over de vraag, wat het doel is van de onderneming, is veel gepraat en ook wel geschreven. Vroeger heette het kortweg: het doel van de onderneming is het maken van winst. Later, toen bleek, dat andere factoren toch ook een rol spelen, werd wel geformuleerd: het doel van de onderneming is te zorgen voor de continuïteit. Maar zou een dergelijke uitspraak al kunnen gelden voor bestaande ondernemingen, nimmer kan continuïteit het ondernemingsdoel zijn wanneer een nieuwe onderneming wordt opgericht. Men zou ook kunnen stellen (en het lijkt er tegenwoordig veel op, dat dat gebeurt), dat het doel van de onderneming ligt in het verschaffen van werkgelegenheid. Ik waag te betwijfelen of er één onderneming is opgericht met dit oogmerk. Wanneer men aan verschillende mensen zou vragen, wat in hun ogen het doel van een onderneming is, zal men misschien nog meer doeleinden opgenoemd krijgen.

Hierover nadenkend heb ik in 1962 in een toespraak ter opening van een congres van het toenmalige Nederlandse Instituut voor Efficiency, thans omgedoopt in Nederlandse Vereniging voor Management, een drievoudige doelstelling ontwikkeld, omdat een enkelvoudige doelstelling voor de onderneming niet langer te handhaven is. Later is deze doelstelling opgenomen in een studie van de hand van Dr. P.H. van Gorkom: „Ondernemingen vakbeweging.” (1969). Het is interessant, dat deze drievoudige doelstelling aansluit bij de zojuist ontwikkelde drie-deling.
Het doel van de onderneming kan dan, drievoudig, als volgt worden aangegeven:
1. Het vervaardigen van goederen of artikelen, of het leveren van diensten die door de afnemers worden gewenst, van een kwaliteit en tegen een prijs en met een service in overeenstemming met de wensen van de klant en met de mogelijkheden van de onderneming. Deze wensen worden actief opgespoord. Dit vervaardigen kent zijn morele grenzen.

2. De vervaardiging of productie geschiedt door een groep van samenwerkende mensen, die met elkaar het bedrijf vormen en die werken met het door de aandeelhouders ter beschikking gestelde en aan de onderneming toevertrouwde kapitaal. De groep doet dit op een zodanige manier, dat wordt gestreefd naar een persoonlijke ontplooiing der betrokkenen en naar een gezonde onderlinge coördinatie, opdat men zich in het bedrijf in het algemeen en in de arbeidssituatie in het bijzonder als mens en tegelijkertijd als mede-mens kan gevoelen.

3. De voorwaarde voor het vervaardigen is, dat de onderneming winst maakt, enerzijds opdat de continuïteit van het ter beschikking gestelde kapitaal, van onderlinge arbeid van de groep en daarmede van de afzet aan de afnemers kan worden gehandhaafd en anderzijds als blijk van het economische succes van de gezamenlijke inspanning.

Dit is wel een mondvol, maar in deze drievoudige doelstelling worden alle drie de onderdelen van de eerstgenoemde trits opgenomen, in volgorde: de afnemers, de werkers, inclusief de leiding en de kapitaalverschaffers, die allen als groepen bij het succes van het streven van de onderneming belang hebben. Men zou het belang van de groepen van leveranciers bij de onderneming erbij kunnen betrekken. De kring van degenen, die bij de gang van zaken van de onderneming betrokken zijn, is nu eenmaal wijd. Ook de Staat, als belastingontvanger, hoort daarbij.
De onderneming staat midden in de maatschappij en is met haar drievoudige doelstelling daarmede verweven: met haar sociale, humane en economische doel in engere zin. Voor diegenen, die de belangrijke reeks voordrachten van Rudolf Steiner kennen, uitgegeven onder de titel: „Die Erziehungsfrage als soziale Frage”, [1] herkennen in de doelstelling de in de derde voordracht genoemde elementen Ware, Arbeit, Kapital en wel in dezelfde volgorde. De ontwikkeling in onze industriële samenleving hangt in hoge mate samen met de ontwikkeling van de geest. Dit geldt binnen de onderneming met name voor de verhouding van leiding tot ondergeschikten, die in de aanvang van het industriële tijdperk werd aangeduid met die van patroon tot werkman/arbeider. Dit was in de tijd, dat het sociale vraagstuk zich allereerst manifesteerde als een broodvraagstuk. Alle inspanning ter verbetering van het lot van de arbeider was toen gericht op verbetering van de loonverhoudingen.
In een later stadium richtte zich de aandacht van het directe brood naar de rechtspositie van de mensen in het arbeidsproces, reden waarom deze fase wordt aangeduid met rechts-vraagstuk. De verhouding tussen leiding en personeel wordt nu uitgedrukt met de begrippen werkgever — werknemer. De patroon is werkgever geworden en men spreekt niet meer van arbeiders, maar van
werknemers.

Maar de ontwikkeling gaat verder, want er is een kern in het sociale vraagstuk, dat met brood en recht niet is beroerd en dat is de mens zelf in zijn ontwikkeling naar mondigheid en menselijke waardigheid. Het gaat in de derde fase van de ontwikkeling van het sociale vraagstuk om de mens zelf als een mondig, zich emanciperend wezen. Daarom wordt deze fase aangeduid met het
mondigheidsvraagstuk. De verhouding in het menselijke vlak wordt nu uitgedrukt met: de ondernemer en zijn medewerkers.
Het is hierbij natuurlijk een kwestie van accent, want in de mondigheidsfase is het niet zo, dat de elementen uit de twee eraan voorafgaande fasen niet langer de aandacht zouden behoeven, integendeel; het zwaartepunt van de aandacht moet in de derde fase echter liggen bij de ontwikkeling tot mondigheid van de werkende mens. Hoe vreemd het misschien in menig oor ook moge klinken, toch moet men de betekenis van de bedrijven gaan doorgronden als een geestelijk-cultureel milieu van met elkaar samenwerkende mensen. Ook hier weer een drie-deling met een sterke opklimming van de natuurlijke grondslag uit, via de rechtspositie naar de geestelijke kern van de werkende mens.

Het woord „medewerker” wordt tegenwoordig veel en gemakkelijker uitgesproken. En dat het bedrijf een werkgemeenschap zou zijn is ook al geen vreemd begrip meer. Maar toch zijn de consequenties uit bovenstaande ontwikkeling nog nauwelijks getrokken. Het is hier echter niet de plaats er verder op in te gaan.

Wel willen wij nog op een andere driedeling wijzen, die al enigszins werd aangeduid. De inwendige structuur van de onderneming als een groep van met elkaar samenwerkende mensen kan namelijk nog van een andere kant worden bekeken. Er zijn in deze groep twee polen te onderscheiden: denken en doen. De ondernemer met zijn naaste medewerkers vormen de denkende pool, natuurlijk met allerlei vertakkingen naar beneden in de organisatie. De medewerkers in de fabriek, in de administratie, in de verkoop, die de gedachten van de eerste groep in daden of in de stof omzetten, vormen de executieve pool, het zijn de doeners. Er zijn in deze zaken alleen onderscheidingen en geen strikte scheidingen te maken. Er zijn geen uitsluitende denkers noch alleen maar doeners.

De ideeënbus, in vele bedrijven geïntroduceerd, is er om te bewijzen, dat men het denken bij de „doeners” wil aankweken en bevorderen. Men zou zich kunnen voorstellen, dat de „denkers” door kunstzinnige handenarbeid meer met de materie in aanraking zouden komen. Voorshands waarschijnlijk nog een onwennige gedachte!

Het leidinggevende en toezichthoudende personeel zien wij, binnen de groep van samenwerkende mensen, de gedachten van de denkende pool overbrengen naar de uitvoerende pool. Het brengt tussen gedachte en daad die sfeer, dat klimaat, ik zou willen zeggen, die ziel tot stand, waardoor het geheel van de samenwerking vruchtbaar en tot een stuk werkelijk leven wordt.

Zoals de mens in zijn denken, voelen en willen drievoudig geleed is, zo is de samenwerkende groep mensen in zijn wezen drievoudig geleed in denken en doen, met daartussen het voelen, dat zich uitdrukt in de sfeer, in het klimaat van de onderneming. Zo is de taak van de leiding van hoog tot laag van eminente betekenis. Wanneer de beide polen denken en doen door een sfeervolle verbinding worden geharmoniseerd, kan van een gezonde samenwerkende groep worden gesproken. De opleiding van het leidinggevende kader is daarom van zo’n grote betekenis.

Wij willen hiermede onze beschouwing over de drie-deling beëindigen. Nogmaals zij vastgesteld, dat het leven zich overal drievoudig geleed manifesteert. Wanneer men bij de vormgeving van de levensverbanden met de drievoudige geleding rekening houdt, is men op de goede weg.

Ir.J.M.Matthijsen, Jonas, 3e jrg.17, 13-04-1973

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1373-1284

.