Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (3)

.

De samenhang tussen mensbeeld en maatschappijbeeld

Wie gedurende vele jaren en in verschalende groepen zich heeft bezig gehouden met de studie van de geschriften en voordrachten van Rudolf Steiner over het sociale vraagstuk, kan hierbij een eigenaardige ervaring opdoen.

Er is misschien geen gebied waar wij als ‘student’ zó vast zitten in vooroordelen als het gebied van de studie over het sociale vraagstuk.
Iedereen die zich hierin wil gaan verdiepen, torst vanuit zijn verleden een stuk sociale dogmatiek mee. Daarbij is het onverschillig of wij ons oordeel hebben gevormd op de universiteit of in de ‘praktijk’ van de handel of het bedrijfsleven, of wij theoretici zijn of routiniërs.

Immers, juist dê routiniërs zijn dikwijls het meest dogmatisch op dit gebied omdat nu eenmaal de opvattingen van de ‘keiharde’ zakenwereld van de twintigste eeuw voor een groot deel nog beïnvloed worden door de opvattingen van de theoretici van de achttiende eeuw.

Nog steeds leven de heiligen van het vrijehandelstijdperk – Adam Smith en Ricardo, tijdgenoten van Goethe voort in het tijdperk van de verzorgingsstaat die weliswaar zijn nieuwe heiligen heeft – bijvoorbeeld Keynes, Cole en Galbraith – maar niettemin een belangrijk deel van zijn wetenschappelijk arsenaal ontleent aan de 18e eeuwse Verlichting. Ook de mannen van de praktijk die zich weinig bekommeren om de nieuwste opvattingen, verkondigd in de economische Hogescholen, laten zich leiden – in de meeste gevallen onbewust – door een sociale ethiek die twee honderd jaar geleden door Adam Smith en Malthus verkondigd werd. Sociale ethiek: want Adam Smith was professor in de moraal-filosofie en Malthus was predikant. Men kan zich afvragen: welke plaatsn am de mens in het maatschappijbeeld ïn van deze twee schrijvers?

Adam Smith
Voor Adam Smith was de mens niets meer dan een wezen, ‘door de Natuur voorzien van instincten. Honger, de hartstocht welke beide seksen tot elkander brengt, verlangen naar genot, sporen ons aan voor ons zelf te zorgen, zonder daarbij acht te behoeven slaan op de verheven doeleinden die de grote Regelaar der Natuur daarbij in het oog heeft’.
Dit was de karakteristieke Deïstische opvatting van de 18e eeuw. Volgens Adam Smith werd het economische leven door onveranderlijke wetten beheerst, eens uitgedacht door de ‘grote Regelaar der Natuur’. Evenals natuurwetten zouden deze gelden voor alle volkeren en alle tijden. Noch de mens, noch de Regelaar der Natuur zelf zou deze wetten kunnen veranderen. God kan immers niets afdoen aan het werk van zijn eigen Schepping? Hij kan niet maken dat twee maal twee vijf wordt. Hij is gebonden aan de wetten die Hij heeft uitgedacht.

Ziehier het mechanisch beeld van het Deïsme. In de natuurwetenschap is Newton hiervan de vertegenwoordiger. In de economische wetenschap Adam Smith.

In dit wereldbeeld neemt de mens een bescheiden plaats in.

‘De administratie van het grote systeem van het Universum, de zorg voor het algehele geluk van alle redelijke en met gevoel behepte wezens is het werk van God en niet van de mens … Deze heeft een veel nederiger taak, meer eigen aan de zwakheid zijner krachten en de beperktheid van zijn bevattingsvermogen: te zorgen voor zijn eigen geluk, voor dat van zijn gezin, van zijn vrienden, van zijn land… ’
Vanuit dit Deïstisch standpunt bezien, ontstaat door de ‘zorg voor eigen welzijn’, een mechanisch spel van krachten in de samenleving, waarin iedere verstoring van evenwicht zich automatisch herstelt. In het Liberale maatschappijbeeld vertaald, betekent dit een maatschappelijke orde die beheerst wordt door het mechanisme van de vrije markt. Wie de wetten kent die het evenwichtsherstel van dit marktmechanisme beheersen, behoeft zich niet te bekommeren om het verschijnsel mens. Deze is slechts een onderdeel van dit spel van vraag en aanbod, een wezen door de Natuur voorzien van instincten en daardoor mechanisch reagerend op invloeden van buiten.

In dit maatschappijbeeld wordt de mens de ‘homo economicus’, een soort robot, automatisch reagerend en ook regulerend waar ergens in het economische leven een verstoring van evenwicht plaatvindt.

Hierbij werd – in de 18e eeuw – nog weinig rekening gehouden met de creatieve vermogens van de mens, bijvoorbeeld daar waar hij als uitvinder, door scheppende kracht ingrijpt in het produktieproces en de produktiever-houdingen verandert.

Adam Smith schreef zijn ‘Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations’ in een tijd – 1776 – waarin de industrialisatie in Engeland nauwelijks op gang was. In het zelfde jaar vroeg James Watt het patent aan voor de uitvinding van de stoommachine… Daardoor werd nog geen rekening gehouden met de enorme revolutie die de techniek heeft uitgeoefend op de sociale verhoudingen. Smith dacht dan ook nog geheel in de verhoudingen van de handel waar men immers altijd te maken heeft met evenwicht tussen vraag en aanbod.

Het is dan ook niet te verwonderen dat latere onderzoekers het statische maatschappijbeeld van Adam Smith hebben vervangen door een dynamisch  maatschappijbeeld. Van deze onderzoekers heeft Karl Marx zeker de grootste invloed uitgeoefend op de opvattingen over mens en maatschappij.

Karl Marx
Voor Marx is de mens geheel ondergeschikt aan sociologische wetten, die het historisch verloop van de samenleving bepalen. Iedere technische uitvinding roept in de samenleving een revolutie op; hierdoor ontstaat volgens Marx primair een verandering in de machtsverhoudingen. Hierop berust zijn opvatting over de klassenstrijd als een dynamisch proces die de geschiedenis beheerst met als eindstation, een klassenloze samenleving. Aan dit dynamisch proces is de mens ondergeschikt. Hij is slechts een produkt van maatschappelijke verhoudingen. Ook hier wordt de creatieve mens miskend, dat wil zeggen de mens als geestelijk wezen, die uit eigen inzicht en eigen verantwoordelijkheid vorm kan geven aan de maatschappijstructuur. In een op Marxistische ethiek gebaseerde samenleving, wordt zelfs deze autonome creatieve mens gewantrouwd, want hij verstoort het historische proces van de klassestrijd dat zich volgens streng sociologische wetten voltrekt. Vandaar het verschijnsel van een Goulag-archipel, maar ook de verbijsterende strategie van het Centraal Comité in Moskou dat een communistische revolte, zoals in China in de tijd van Tsjang Kai Sjek en in Egypte in de tijd van koning Faroek, in de kou liet staan omdat in die landen het uur van een proletarische revolutie nog niet had geslagen; immers, daaraan vooraf dient te gaan een burgelijke revolutie, gericht tegen de feodale verhoudingen. Het is merkwaardig dat juist in de laatste tijd men meer en meer gaat inzien, dat Liberalisme en Socialisme stoelen op één zelfde wortel van wereldbeschouwing: het 18e eeuwse rationalistische geloof in de vooruitgang. Hun ‘founding-fathers’ hadden daarbij ieder een verschillende vooruitgang op het oog: Adam Smith en Ricardo op economisch gebied, Marx op sociaal gebied. Niettemin was hun beider geloof gebaseerd op het wantrouwen in de mens. Want ‘dit wantrouwen in de mens is onmisbaar’, zoals niet lang geleden Mr. J.L. Heldring nog constateerde in een zijner ‘Dezer Dagen artikelen in NRC-Handelsblad (28-3-’78).

Robert Malthus
Maa ook van confessionele zijde was, om bet eind van de 18e eeuw weinig heil te verwachten van vertrouwen in de mens. als basis voor een sociale orde.
Ongeveer in de zelfde tijd, waarin Adam Smith leefde, leefde ook Malthus, wiens opvattingen over het bevolkingsvraagstuk een grote invloed hebben uitgeoefend op de sociale ethiek van de 19e eeuw.
Malthus was predikant. Voor hem was het leerstuk van de erfzonde het uitgangspunt van zijn visie op mens en samenleving. Voor Malthus stond voor ogen het schrikbeeld van overbevolking. Deze vloeit voort uit het driftleven van de mens. Wanneer de mens niet permanent door honger zou worden bedreigd, zou hij zich tot het oneindige vermenigvuldigen. Daarom heeft God de mensen de honger gegeven, niet als straf maar als weldaad. Het vermogen van de mens zichzelf te vermenigvuldigen is bepaald groter dan het vermogen van de aarde de mens levensonderhoud te verschaffen-, De bevolking zal daardoor sneller toenemen dan de voedingscapaciteit van de aarde. Daardoor gelijkt de menselijke samenleving op een slagveld, waarin de zwakken te gronde gaan en de sterken blijven leven. Deze strijd is een door God verordineerd proces, waaraan de mens zich niet kan onttrekken.

Ook hier wordt dus geen waarde toegekend aan de geestelijk creatieve vermogens van de mens om zelf vorm te geven aan de samenleving waaraan hij deel uitmaakt.

In het wereldbeeld van Malthus vervult de mens een andere rol dan in het wereldbeeld van Adam Smith.
Bij Adam Smith is de mens een mechanisme, dat deel uitmaakt van het vrije marktmechanisme en bij iedere evenwiehtsverstoring daarop automatisc h reageert.
Bij Malthus is de mens angstaanjagend door zijn tomeloze driften, die maken dat in het economische proces nimmer evenwicht zal heersen tussen produktie- en consumptievermogen. Steeds zal de balans uitslaan ten nadele van de produktie. Er zal nooit genoeg zijn om de mensen levensonderhoud te verschaffen, hoe hard zij ook werken. Iedere vermeerdering van materiële welvaart zal bevolkingstoename ten gevolge hebben en daardoor het aantal eters op aarde doen toenemen. Door de leerstelling van de erfzonde zal ook nooit het vertrouwen kunnen groeien dat de mens uit eigen kracht zijn driften zal leren beperken.
Ook deze puriteins-sociale ethiek is tegenwoordig allerminst verouderd. Wij denken hierbij nog niet eens aan de beoordeling van de problemen die zich voordoen in de ontwikkelingslanden. Ook veel dichterbij hebben wij er mee te maken in verband met de beoordeling van het consumentengedrag, en wel speciaal waar sprake is van de emancipatie van de consument als politiek vraagstuk.
Kan men vertrouwen hebben in de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de mens als consument in de samenleving? Waar hij zichzelf beperkingen oplegt, niet alleen onder de dwang van een laag inkomen maar in vrijheid door zich te matigen ten opzichte van het uitbundige aanbod van de markt? Dit alles in verband met het energievraagstuk als een maatschappelijk probleem. Of moet men als politicus, de consument en zijn bestedingsdrift slechts wantrouwen?
Dit is een urgent vraagstuk geworden nu, dank zij de ‘opmars van de sociael grondrechten’ een ‘menswaardig inkomen’ een aangelegenheid is geworden van overheidszorg. Waar ligt hier de grens tussen vertrouwen en wantrouwen bij overheidsbeleid?
Ook in katholieke kringen is het wantrouwen in de consument, ten opzich te van zijn maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, steeds vanzelfsprekend geweest. Dáárom waren er in de Middeleeuwen standen. Iedere stand had zijn eigen bestedingspatroon. Men leefde volgens de stand waarin men was geboren. Men behoorde niet ‘boven zijn stand’ maar ook niet ‘onder zijn stand’ te leven. Dat was het uitgangspunt van alle sociale ethiek. De Kerk met zijn genademiddelen en zijn voorstellingen van het hiernamaals, zorgde er voor dat in de samenleving een hiërarchische structuur werd gehandhaafd en de mens hieraan ondergeschikt bleef. Eigenlijk is dit nog steeds het geval – in de latijnse landen zoals Spanje en Zuid-Amerika – waar de samenleving nog sterk onder invloed van de Kerk staat.

Associatieve samenwerking op economisch gebied
Toch zijn, zowel op wetenschappelijk als op confessioneel gebied, al deze voorstellingen over de mens versleten geraakt. Zij vormen althans geen waarborg meer dat een solide sociale orde kan berusten op een zodanige pessimistische visie op de mens.
Enerzijds heeft daarvoor de moderne psychologie gezorgd. Anderzijds de deconfessionalisering in de politiek. De mens is noch een robot, noch een, aan zijn begeerten overgeleverd dier. Hij stamt ook niet van de robot af, evenmin als van de apen. De eerste opvatting is absurd. De tweede opvatting wordt meer en meer ter discussie gesteld.

En wat de voorstellingen betreft over de erfzonde, ontleend aan de val van Adam: de deconfessionalisering binnen de confessionele politieke partijen maakt duidelijk dat de wetenschap hier het geloof buiten spel heeft gezet. Zo zitten wij met een aantal voorstellingen over maatschappelijke orde – liberaal, socialistisch, confessioneel – die nog worden geaccepteerd omdat zij historisch zo gegroeid zijn maar waarvan de grondslag – het mensbeeld van de Verlichting, de Reformatie en de Middeleeuwen – wankel is geworden.

Vant wie is er tegenwoordig van overtuigd dat een sociale orde behoort te berusten op het wantrouwen in de mens en niet op het vertrouwen? Toch is. historisch gezien, dit wantrouwen eens het uitgangspunt geweest, zowel m de liberale, de socialistische, als confessionele maatschappijbeschouwing-

Mlen wil dit in politieke kringen graag vergeten, maar niettemin zit men met het probleem dat achter iedere politieke beweging, historisch gezien, een versteend beeld staat van de mens, dat niet meer beantwoordt aan de werkelijkheid waarin wij thans leven. Hetgeen niet wil zeggen dat in de huidige maatschappij het wantrouwen in de mens geen rol meer speelt. Ook buiten de politieke verzuiling speelt wantrouwe een rol. Maar juist hiér liggen veel meer mogelijkheden, bij de ontmoeting van mens tot mens, wantrouwen plaats te laten maken voor vertrouwen. Dáár zien wij dan ook hoe vanuit dit vertrouwen, allerlei sociale acties op gang komen waarbij er naar gestreefd wordt, om enerzijds de eenzijdigheid van de ‘homo economicus’, en anderzijds de eenzijdigheid van de ‘mens als hoogste dier’ te overwinnen. Hier liggen de kiemen van associatieve samenwerking.

Wij zien dit bijvoorbeeld op geestelijk gebied bij de oprichting van nieuwe Vrije Scholen waar leraren onderling of met ouders tesamen een maatschap stichten, gebaseerd op wederzijds vertrouwen in elkaar. In de gezondheidszorg zien wij een zelfde verschijnsel bij de oprichting van ‘therapeutica’, associaties van artsen, therapeuten en patiënten.

Op economisch gebied hebben wij het gezien bij een aantal experimenten zoals in Frankrijk de ‘Communautés de travail’, in Spanje het sociale experiment Mondragon in Baskenland, in Nederland in enkele bedrijven zoals De Ploeg te Bergeyk. De – op de ‘sociocratie’ van Kees Boeke gebaseerde – werkgemeenschap ‘Sociacratisch Centrum’ van Gerard Endenburg te Rotterdam kan men ook als een belangrijk experiment zien. Voorts een aantal pogingen om vanuit antroposofische gedachten tot nieuwe gemeenschapsvormen te komen: het Landelijk Consumenten Contact, Gaiapolis, Akwarius en de verschillende Zaailingwinkels.

Al deze nog bescheiden pogingen om op een menselijke vertrouwensbasis te werken hebben dit met elkaar gemeen, dat zij enclaves vormen waar de heersende ‘wetten’ van marktmechanisme of klassenstrijd, waar de van overheidswege gegarandeerde subsidieregelingen, buiten spel worden gezet doordat een herverdeling plaats vindt van inkomens.

Daarbij zoekt men te komen tot een evenwichtige levenshouding, die tot uiting komt doordat ‘eigenbelang’ en ‘gemeenschapsbelang’ meer met elkaar in overeenstemming komen. Beloning wordt niet meer vastgekoppeld aan prestatie. Het behoefte-element gaat een belangrijker rol spelen bij de inkomensverdeling.

Het zoeken naar een evenwichtige levenshouding wordt dan het zoeken naar een ‘middengebied’, noch de eenzijdigheid van de robotmens van de grondleggers van de klassieke liberale economie, noch de eenzijdigheid van de aan zijn dierlijke begeerten overgeleverde ‘homo economicus’ van Malthus, worden dan nog als axioma’s erkend, die de sociale spelregels beheersen.

‘Wie het midden verlaat, verlaat de menselijkheid’.

Dit woord van Pascal is geheel in overeenstemming met wat driehonderdjaar later Rudolf Steiner verkondigd heeft over de Michaelische opgave van de mens. Michael met de weegschaal van het recht, als een beeld, waarnaar de mens zich richt bij zijn streven naar een innerlijk evenwicht in de sociale verhoudingen. Vanuit dit mensbeeld is de hoop gerechtvaardigd op het ontstaan van een maatschappijbeeld, dat niet is gebaseerd op het wantrouwen in de mens maar op het vertrouwen in de mens.

A.C.Henny, Jonas 5, 02-11-1979

zie over Michaël, bijzonder tijden hebben bijzondere opdrachten de artikelen m.b.t. ‘Algemene menskunde‘  [1-2]  [1-2-4/1  en verder; [1-4]   [1-4-1 en verder]

Michaël: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

.

1369-1280

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – alle artikelen

.

SOCIALE DRIEGELEDING

Het ‘vrije’ in vrijescholen suggereert dat de scholen ‘vrij’ zijn. Maar dat zijn ze niet! Ze zijn onvrij, maar weer niet zo dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar dit weer niet zo als hoort bij het concept ‘vrijeschool’.
De overheid meent al jaren dat groepen mensen die onderwijsidealen willen realiseren, dit niet zelfstandig kunnen. Dat ze ‘richtlijnen’ nodig hebben, dat ‘het volk’ geholpen moet worden. De regenten!
En…ze verstrekken subsidie en dus: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’- voor de vrijescholen: met lange tanden, dat wel, maar toch slikken.
Maar uiteindelijk: alsof de overheid subsidie verstrekt aan een symfonie-orkest en daarom voorschrijft wat het orkest moet spelen……..

Omdat het op deze blog voornamelijk gaat om de pedagogisch-didactische achtergronden van de vrijeschool, ligt het in eerste instantie niet voor de hand om ook de sociale driegeleding uitvoerig aan de orde te stellen.
Nu heb ik echter nog veel artikelen, vooral uit het tijdschrift ‘Jonas’ uit de jaren 70, 80 van de vorige eeuw, die vele interessante gezichtspunten bevatten. Die zal ik met regelmaat publiceren, zodat ze niet verloren gaan: deze blog is deel van de digitale afdeling van de Koninklijke Bibliotheek.

Op het gebied van de sociale driegeleding is in Nederland ‘Driegonaalactief.

Onder nr. 5 staan artikelen over sociaal gedrag. ‘De maatschappij’ is een abstractie. Mensen  vormen de maatschappij, de samenleving. Hoe menselijk maak je die.

.

N.a.v.  ‘bijzondere tijden hebben hun bijzondere opdracht’
uit Algemene menskunde (GA 293):

[1-4] blz. 19
Over:bijzondere tijden hebben bijzondere opdrachten’; sociale ellende, daarom: sociale driegeleding als opdracht; ‘vrije’ in vrijeschool; het sociale probleem is een opvoedingsvraagstuk;

[1-4-1/1]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk: Ingrijpende vooruitgang vraagt om een werkelijk inzicht
Geesteswetenschap kan dat werkelijke inzicht geven; en tot oplossingen komen, ook van het sociale vraagstuk; wat heb je aan geesteswetenschap voor het sociale leven als je honger hebt door een te laag loon; Robert Owen; uitbuiting, onderdrukking;

[1-4-1/2]
Rudolf Steiner overgeesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
persoonlijk eigenbelang; uitbuiting; Robert Owen; egoïsme;

[1-4-1/3]
Rudolf Steiner over: geesteswetenschap en het sociale vraagstuk:
sociale hoofdwet; individu en collectief; mens van nature goed?; taak van de geesteswetenschap.

[1-4-2] Vasthouden aan het oude én bestaande….?
John Hogervorst over een nieuwjaarstoespraak van Steiner; hij geeft er een visie op vanuit onze eigen tijd.

[2]
Herinneringen van Hans Kühn aan de eerste jaren van de sociale driegeleding
Arnold Henny
over: dit boek; de toestand rond 1917 in Duitsland; pogingen van Steiner voor een nieuwe maatschappij-orde; het mislukken daarvan; Emil Molt en de vrijeschool

[3]
De samenhang tussen mensbeeld en maatschappijbeeld
Arnold Henny
over: het mensbeeld van Adam Smith, Malthus en Marx en de daarbij behorende maatschappijbeelden; wat wilde Steiner; associaties

[4]
Over de driegeleding van de maatschappij
J.M.Matthijsen
over: arbeid, broederschap, driedeling, driegeledingen, drieledige mens, gelijkheid, kapitaal, maatschappijleer, markt, medezeggenschap, Montesqui, onderneming, Trias politica, vrijheid.

[4-1]
Driegeleding van het sociale organisme
Michiel Damen
over: levensbedreigingen (toen ‘De club van Rome’, nu ‘het klimaat’); sociaal klimaat is ziek; invloed wetenschap; democratie; referendum; liberalisme; driegeleding; geestes- rechts- en economisch leven; ieder hun eigen terrein – het ene moet niet op het andere willen functioneren.

[4-2/1]
Sociale driegeleding en de problemen van de jaren tachtig
Prof. Cees Zwart
over: (problemen die zich ook in 2018 voordoen) sociale driegeleding; over geestes- rechts- en economisch leven; waar vinden we ze in de maatschappij; het gevaar ze te eenzijdig te zien: geen schematisering; driegeleding en drieledig mensbeeld;

[4-3]
Maatschappelijke driegeleding
Peter Schilinski over: hoe hij van marxist tot de sociale driegelding kwam; de ontdekking van een maatschappijsysteem voor alle mensen; consument moet belangrijke rol spelen; schets van de driegeleding; cultuurcentrum Achberg; antroposofen zien de driegeleding wel in, maar ze doen er niets mee;

[4-4] Economie – de wereld als één economie
Frans Wuijts
over: aspecten van het economisch leven, egoïsme, sociale hoofdwet – in een nawoord van zijn hand bij de door hem vertaalde voordrachten uit GA 340 en 341.

[4-5] Moreel socialisme als alternatief
Frank Thomas Smith over: socialisme; kapitalisme; communisme; marxisme; idealen van de jeugd; sociale driegeleding; vrijheid van onderwijs; vrijescholen

[4-6] Futurologie en werkelijkheid
Hans Erhard Lauer
over: de gezichtspunten van Ossip Flechtheim; de toekomst van de mensheid; de problemen van nu: milieu, oorlog, sociale ongelijkheid e.d.; een weg ‘naar beneden’ en ‘naar boven’; sociale driegeleding als oplossing van (neo)liberale en socialistische tegenstellingen.

[4-7] Gezondheid en ziekte in de vorming van de samenleving
Jörgen Smit over: wat er is verbonden met een opgave; materialisme als geestelijke zwakte; kapitalistisch liberalisme als geestelijke zwakte; vrijheid en behoefte; het onbetaalbare van arbeid; slavernij en arbeid; arbeidsdeling en betaling moeten worden losgekoppeld; ontwikkelen van basiskwaliteiten.

[4-8] Een ongenode gast
John Hogervorst over: gedachten bij het coronavirus; hygiëne als sociaal vraagstuk; materialistische wetenschap(pers); het grote geheel; gezond en ziek.

[4-9] Verdere gedachten rond de coronacrisis
John Hogervorst over: het actieve leven van Rudolf Steiner; de idee van de sociale driegeleding; over het ontstaan en verloop; de huidige crisis en de actualiteit van deze driegeleding.

[1-2]
Bij 100 jaar vrijeschool:
Dieter Brüll over: driegeleding in het sociale organisme.

SOCIAAL GEDRAG

[5-1/1]
Sociale initiatieven: 12 draken
Lex Bos
over: 12 ‘draken’, bedreigingen bij het concretiseren van een initiatief, een vrijeschool bijv.

[5-1/2]
 ‘Dag- en nachtzijde’ v.e. initiatief
Lex Bos over: wie zijn de producenten en wie de consumenten; het dubbele apsect van het menselijk Ik; dialoog.

[5-1/3]
De dialoog
Lex Bos over: dialoog; associatie; voorbeelden van ‘op school’; overleg; ken je elkaar?;

[5-2/1]
De kloof tussen mens en maatschappij
Lex Bos over: welvaartsstaat=verzorgingsstaat; alternatieve leefvormen; werkeloosheid; ontstaan nieuw bewustzijn; polarisatie; kloof Ik-samenleving, kloof Ik-eigen binnenwererld; invloed Bacon en Kant; onvrede en het plaatsvervangend Ik

[5-2/2]
De maatschappij als spiegel voor de menselijke ziel
Lex Bos
over: zoeken naar fenomenen in de maatschappij en die in jezelf herkennen, ‘groot’ gedrag als gevolg van ‘klein’ gedrag; roept bijv. ‘publiekshonger naar sensatie niet juist die sensatie in het leven?; macht(concentratie); de (on)macht van denken, voelen, willen; Steiners oefeningen (Nebenübungen);

SOCIALE EN INDIVIDUELE BEWUSTWORDING

[5-3/1]
1] maatschappij zonder menselijk gelaat
Lex Bos over: waar is het elan van de jaren 1970 gebleven? processen kennen in de maatschappij = processen kennen in mezelf en omgekeerd [5-2/2]; Bacon; natuurwetenschap=mensvreemd; antroposofie wil mens juist beter kennen

[5-3/2]
2] de maatschappij als spiegel voor de menselijke ziel
Dit artikel is vrijwel identiek aan [5-2/2]

[5-3/3]
3] koopgedrag kan economische orde fundamenteel veranderen
Lex Bos over: inflatie; wat doe je als je op afbetaling koopt; reclame; consumentenkrediet; begeerte-economie; onvrijheid; sparen; associatie;

[5-3/4]
4] verzekering en belegging als schijnzekerheid
Lex Bos over: wat wil je met een verzekering: zekerheid! krijg je die ook? En bij krediet?; polis, premie, rente: afkoop van afhankelijkheid; afhankelijkheid?: illusie!; gigantische kapitalen om te beleggen: waarin?; vertrouwen; zeer nodig dit te oefenen

[5-3/5]
5] belasting en wapenindustrie: karikatuur van het schenken
Lex Bos over: belasting en wapenindustrie als karikatuur van schenken; wapens ‘willen’ gebruikt worden: oorlog; verplichte ‘schenkingen’ ongevraagd geschonken; de aspecten van schenken; vrij geestesleven alleen mogelijk door schenkgeld; drieledigheid van geld: koop-, leen- en schenkgeld; door wilsscholing worden deze geldvormen ‘genezen’.

[5-3/6]
6] de techniek als tegenbeeld van menselijke ontwikkeling
Lex bos over: wat is techniek; de enorm toegenomen honger naar beelden; Steiners verklaring van deze beeldbehoefte; zijn scholingsweg is juist: het beeldend vermogen van binnenuit te voeden; lam gelegde creativiteit; kernreactor-stofvernietiger en stofwisselingsactiviteit; karikatuur van de wil; oproep tot wilsscholing

[5-3/7]
7] zingeving van het leven door ervaring van het menselijk lot
Lex Bos over: maatschappelijke buitenwereld beeld van onze binnenwereld; samenleving is mensenwerk; ‘hoofd’krachten worden steeds sterker (wil zwakker); wat hoort bij ons; toeval(ligheden); individueel en sociaal bewustzijn; antroposofie als hulp;

[5-4-1]
Consumenteninspraak
Lex bos
over: opkomend bewustzijn voor de leefomgeving: behoefte aan inspraak; niet tegen elkaar, maar mét elkaar in associaties; waaraan deze moeten voldoen.

[5-4-2]
De consumptiemaatschappij: een ongelukkig stuk geluk
Maarten Ploeger over: geluk; consumptie; consument; reclame; instinct; verschil mens-dier.

[5-5/1]
Conflict en samenleving  (1)
Hans von Sassen over: wat is een conflict; oorzaken van ontstaan; je kan ze niet voorkomen, wel oplossen; hoe? 

[5-5/2] Conflict en samenleving (2)
Hans von Sassen over: allerlei vormen van conflict; voor scholen belangrijk: het samenwerkingsconflict; verstrengeling ratio-gevoel; wat speelt er allemaal in een conflict; zicht op processen; oplossingen.

[5-6]
Vrede en onvrede, rust, eerbied en dankbaarheid
Lex Bos over: vrede en onvrede: innerlijke ontwikkeling; vrede, onvrede in denken, voelen en willen; de geest van Christus voor de vrede; Morgenstern: de voetwassing

[5-7]
De werkzame kracht van dynamische oordeelsvormen
Martin v.d. Broek over: wat er speelt bij problemen; hoe je die kan overwinnen door een speciale manier van tot oordelen te komen.

GELD

[6-1]
De kwaliteiten van geld
Rudolf Mees
over: koopgeld, leengeld, schenkgeld, zakgeld
.
[6-2/1]
De geldsluier (1)
D.Brüll over: ons geld is versluierd; wat hij daarmee bedoelt staat in onderstaande artikelen

[6-2/2]
De geldsluier (2)
D. Brüll over: wat betekent ‘geld uitgeven’; koopgeld; als koper heb je verantwoordelijkheid; leengeld, waar blijft het – als uitlener heb je verantwoordelijkheid; schenkgeld: basis voor geestelijk leven je het erantwoordelijkheid voor wat met je schenking gebeurt.

[6-2/3]
De geldsluier (3)
D.Brüll over: wat betekent mijn geld voor de ander; egoïsme; sociale hoofdwet;

[6-3]
Geld, schijn en werkelijkheid
P..Cornelius over: reclame; realiteit en illusie bij:loonsverhoging; bij sparen; over inflatie; wat is geld; koopgeld; leengeld, intelligentie; industriekapaal; schenkingsgeld

[6-4]
Geldstromen in de vrijeschool
Peter Blom
over: voor- en nadeel van subsidie; in welke verhouding staan leerkrachten, ouders en bestuur tot de geldstromen; koud geld, warm geld; wat voegt driegeledingsgedachte toe; maatschap; associatieve relaties;
.
[6-5]
Het goud als graadmeter
Rudolf Mees over: goud; waarde en zekere of onzekere tijden

[6-6]
Mijn geld, de bank en ik
John Hogervorst: hoe kan ons financiële systeem gezonder worden; koopgeld. leengeld, schenkgeld; eigendom van ondernemingen; wat kun je met spaargeld.

op Driegonaal: over geld

VRIJHEID

[7-1/1]
Vrijheid
Annet Schukking
over: de biologische kant van de vrijheid; Darwin, Teilhard de Chardin, Adolf Portmann
.
[7-1/2]
Vrijheid
Annet Schukking over: Newton en Goethe: hun opvattingen over kleuren; Steiner: methode om vanuit de fenomenen – waarnemen – tot inzicht komen; vrijeschool probeert fenomenologisch naar de natuur te kijken: de scheppende mens is vrijer
.
[7-1/3]
Vrijheid
Annet Schukking
over: Kant; grenzen van het kennen; materialistisch monimse; Hegel; Bacon, Locke, Hume; ontstaan natuurwetenschap; monopolie daarvan; Rudolf Steiner: filosofie van de vrijheid.

[7-1/4]
Vrijheid en religie
Jakobus Knijpenga
over: religie en vrijheid zijn met elkaar in tegenspraak; je (moeten) houden aan religieuze boeken; de mens als religieus wezen; is het goddelijke waar te nemen in het zintuiglijke?; alleen het bovenzintuiglijk Christuswezen als een realiteit buiten ons in het eigen zielenleven waarnemen leidt tot vrijheid; antroposofie kan daarbij behulpzaam zijn.
.
[7-1/5]
Vrijheid – maatschappelijk gezien
Annet Schukking
over: wat is vrij zijn; vrijheid; vrijheid, gelijkheid, broederschap; Rudolf Steiner: driegeleding van de maatschappij; vrijheid: geestesleven; gelijkheid: rechtsleven; broederlijkheid: economisch leven.
.

Biografieën: Theun de Vries over Marx

[8-1]
Karl Marx
Christoph Lindenberg
over: welke gevaren bedreigen ons; wat is er tegen te doen; visie Marx; revolutie(s); in Frankrijk; in China; denkvormen als oplossing(en); antroposofische opvattingen over denken; scholing van het denken.

KAPITAAL EN ARBEID

[9-1/1]
Arbeid en inkomen
Arnold Henny
 over: vroeger mens geheel slaaf, nu alleen zijn met zijn arbeid; arbeid als koopwaar; werkeloosheid; basisinkomen: 2 voordelen; arbeid o.i.v. vraag ern aanbod; Adam Smith; ontstaan sociale wetgeving in Nederland.

[9-1/2]
Arbeid en inkomen
Arnold Henny over: de enorm gestegen kosten om de verzorgingsstaat te kunnen bekostigen.

[9-2]
De eigenlijke vraag luidt niet of het basisinkomen financierbaar is
Cees Zwart over: rapport van Wetensch. Raad voor het regeringsbeleid afgewezen; herverdeling gelden nodig; basisinkomen als oefening in gemeenschapszin; verandering van maatschappij na de oorlog; misverstanden over wat basisinkomen (niet) is; arbeid mag geen koopwaar zijn; economie is wederzijdse afhankelijkheid; wat betekent een basisinkomen; ze past in een emancipatorische ontwikkeling.

[9-2/2]
Arbeid en inkomen
Cees Zwart over: Arbeid in spanningsveld van vraag en aanbod; eigendom; vermogens (talenten) verkopen of inzetten voor de ander; prestatie en inkomen; behoefte en inkomen; concreet voorbeeld van vaststelling van behoeftesalaris; werkeloosheid; pleidooi om inkomen koppelen van prestatie.

[9-3]
Salaris moet geen statusaffaire zijn
Dieter Brüll
(in interview) over: arbeid als marktartikel; door o.a. meer techniek minder werk: is dat werkloosheid of gaan we structureel minder werken?; geen wegwerpartikelen meer; de kracht van consumenten; ontkoppeling arbeid – inkomen: de voorwaarden; inkomen als statusaffaire maakt ontkoppelen loon – arbeid onmogelijk.

[9-4]
Arbeid en inkomen
Lex Bos
over: arbeidsloos inkomen; inkomensnivellering en de gevolgen; uitschakeling prijsvormingsmechanisme; over welk gebied van de driegeleding spreek je, waar bevinden ze zich en moet dat; arbeidservaringen als bijdrage persoonlijke ontwikkeling.

[9-4-1] Betaal ik de juiste prijs?
John Hogervorst over: wat mag/moet een product kosten; zie ik de ander; economie moet persoonlijke verliezen en betekenis krijgen voor de mensheid.

[9-5]
Arbeid als unieke aarde-ervaring
Lex Bos
over: arbeid als koopwaar; werkloosheid; ontwikkeling van Ik-gevoel: incarnatie en emancipatie; ‘in-mancipatie’: samen een opgave vervullen; noodzaak ‘wij’bewustzijn te ontwikkelen; arbeid als ontwikkelingsplek daarvan; aarde als unieke werkplek’; associatie en werkgemeenschap’.

[9-6]
Oneigenlijke polarisering in het arbeidsbestel
Lex Bos over: tegenstelling werkgever-werknemer; gevolgen van natuurwetenschappelijk denken; kapitalisten versus proletariërs; productiemiddelen en eigendomsverhoudingen; nieuwe werkvorm: associatie.

[9-7]
Zinvolle ruimte tussen arbeidstijd en vrije tijd
Lex Bos
over: tegenstelling arbeid-vrijetijd; is die terecht; is er een tussengebied; maatschappelijke verantwoordelijkheid; deze verantwoordelijkheid van producent en consument; associaties; dienstbaarheid versus egoïsme.

[9-8/1]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [1]
Lex Bos over: examens, loon en arbeid, opleidingsniveau en inkomen, passend werk, standenstaat; hiërarchische arbeidsverhoudingen, vormen van werk.

[9-8/2]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [2]
Lex Bos
over: loon en arbeid, loon, arbeid en opleidingsniveau

[9-8/3]
De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [3]
Lex Bos over: vervlechting loon, capaciteit en functie; centralisme van de staat versus individuele vrijheid; 
sociale driegeleding; sociale hoofdwet; loskoppeling loon – arbeid.

[9-8/4] De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [4]
Dit artikel ontbreekt

[9-8/5] De heilige driepoot van ons arbeidsbestel [5]
Lex Bos over: het arbeidsbestel is ziek; hoe het gezond(er) te maken: ontkoppeling loon-arbeid en  hiërarchie opheffen.

[9-9] Het basisinkomen is niet genoeg
John Hogervorst over: arbeid; inkomen; basisinkomen

[9-10] Heilige en onheilige arbeid
Mellie Uyldert 
over: wat is arbeid; werken voor geld?; kan arbeid zegen worden?; plicht; geld. 

POLITIEK

[10-1]
Europa, labyrint van tegenstrijdigheden
Arnold Henny
over: Europa, ontstaan: de mythe; Minos, minotaurus, Ariadne, Theseus, labyrint; politieke ontwikkelingen; gemeenschapsvorming; nationale staten; problemen bij eenwording.

[10-2]
Europa, blinde vlek op de wereldkaart
Arnold Henny
over: geschiedenis van Europa v.a. 1917; militaire uitgaven en wereldwijde noden; Europa tussen Amerika en Rusland; sociale driegeleding; arbeid als koopwaar; school en maatschappij.

[10-3] Gelooft Europa in Europa
Arnold Henny
over: 1973 ‘het jaar van Europa’; Europa op weg naar eenheid; de plaats van Europa in de wereld; Europa tussen Oost en West;

[10-4] (60 jaar) na de vrede van Versailles
Arnold Henny over: Europa na 1919; zelfbeschikkingsrecht van Wilson’; vredesconferentie 1919; de tragische gevolgen voor Europa; Steiner en Versailles, de sociale driegeleding; de gespannen verhouding van oude en nieuwe ideeën.

[10-5Natuurwetenschap en sociale moraal
A.C.Henny over: koude oorlog Rusland-Amerika; 1848; Marx, communisme; Toynbee; historisch darwinisme; Henny’s visie op hoe de sociale vorm van samenleven (in 1948) ontstaan is vanuit het verleden op basis van Steiners idee over de bewustzijnsveranderingen in de ontwikkeling van de mensheid; oude culturen; symptomatologie; welke sociale moraal; afstamming mens; fascisme; imperialisme; drieledigheid van sociaal organisme: vraagstuk van christelijke samenleving; gevaar van eenzijdigheden; kan dat, een christelijke rechtsorde?; natuurrecht; Hobbes en Locke; gevolgen voor de rechtsorde tot op heden; Steiner
s visie op het rechtsleven in de ‘driegeleding’. 

Vrijeschool en vrijheid van onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

.

1366-1277

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (2)

.

Herinneringen van Hans Kühn aan de eerste jaren van de Driegeleding in Duitsland

Hans Kühn, fabrikant van medische apparaten, is een van de laatst overgeblevenen die in de jaren 1917 – 1924 actief hebben meegewerkt aan de verwerkelijking van de sociale denkbeelden van Rudolf Steiner, de ‘Drieledigheid van het sociale organisme’.
Zijn levensherinneringen zijn onlangs uitgegeven door het Philosophisch-Anthroposophischer Verlag te Dornach, voorzien van een aanhangsel met een aantal documenten uit deze, voor Duitsland en Europa zo beslissende jaren. 1) Het boek is net op tijd voltooid. Hans Kühn heeft de uitgave niet meer beleefd. In 1977 is hij gestorven, 88 jaar oud. Wél heeft hij nog volbewust meegeleefd met de sociale aardverschuivingen van de zestiger jaren: de studentenrevolte. ‘Zijn hoogopgerichte gestalte wekte tijdens deze bijeenkomsten als een vermanende herinnering aan het verleden.’ Aldus schrijft, in het voorwoord van dit boek, Manfred Schmidt Brabant, namens de sociaal-wetenschappelijke sectie aan het Goeetheanum.
Of ook dit boek moet worden gezien als een ‘vermanende herinnering?’ Of, veel meer, als een opwekking voor de toekomst? Het is begrijpelijk dat deze vraag de lezer geen ogenblik met rust laat. Ik kan mij voorstellen dat er lezers zijn die zeggen: ‘Het ware beter geweest wanneer dit boek niet was uitgegeven.’ Wat moeten wij met deze informatie uit een tijd die zó ver afstaat van de onze en geschreven is vanuit een werkelijkheid – Duitsland na wereldoorlog I – die zó sterk verschilt van de werkelijkheid waarin wij thans leven?
Men kan het ook anders zien. Afgezien van de historische betekenis van een dergelijk document, is het toch van belang dat allen, die zich
thans actief inzetten voor sociale driegeleding, zich de vraag stellen: ‘Waarop is destijds deze beweging stukgelopen en vanuit welke verwachtingen van de toekomst hebben destijds zóvelen hun hoop gevestigd op een maatschappelijke doorbraak, waarbij rechtsleven, geestesleven en economisch leven elk een eigen structuur zouden krijgen, autonoom, zonder te vervallen in het oude liberale maatschappijmodel?’

De situatie 1917 -1919 in Duitsland
Hoe groot de verwachtingen zijn geweest die Rudolf Steiner had betreffende de mogelijkheden tot verwerkelijking van de ‘Dreigliederung’, blijkt onder andere uit het feit dat hij in 1917 zijn twee memoranda schreef die hij aan de hoogste regeringsinstanties heeft voorgelegd: in Duitsland aan Von Kühlmann, de minister van buitenlandse zaken, in Oostenrijk aan keizer Karl. De gelegenheid daartoe werd hem geboden via relaties van Graf Von Lerchenfeld en Graf Polzer Hoditz.
In het volgend jaar, 1918, bezocht Rudolf Steiner, via bemiddeling van Hans Kühn, prins Max von Baden. Na dit gesprek bezocht de prins, vlak vóórdat hij tot rijkskanselier werd benoemd, Rudolf Steiner in zijn huis te Stuttgart. Het wachten was toen op de ‘Anntrittsrede’ in de Rijksdag, 3 oktober 1918. Men kan zich de teleurstelling bij Rudolf Steiner voorstellen, toen bleek dat in deze rede geen woord over de nieuwe maatschappijstructuur voorkwam, hoewel Steiner verwacht had dat de nieuwe rijkskanselier ‘de moed zou hebben gehad de idee van de ‘Dreigliederung’ te proclameren als bewijs ener diepgrijpende heroriëntatie en bereidheid tot vrede van het Duitse volk.’

Wat volgde, is algemeen bekend: de revolutie, de vlucht van de keizer naar Holland, en afkondiging van de ‘republiek van Weimar’ vanaf het balkon van het keizerlijke paleis te Berlijn.

Waarom zag Rudolf Steiner in 1917 en 1918 het moment gunstig voor een volledige heroriëntering op maatschappelijk gebied?

In 1917 hadden de Verenigde Staten de oorlog verklaard aan Duitsland. Een oorlog, die volgens president Wilson, niet was gericht tegen het Duitse volk maar tegen ‘de zelfzuchtige en autocratische macht van zijn regering.’ Reeds toen werd een beroep gedaan op het ‘zelfbeschikkingsrecht’ der volkeren, dat later in 1918 werd ingelast als een onderdeel van de 14 punten die de Verenigde Staten als voorwaarde stelden voor de vrede en de toekomstige herstructurering van Europa.

In 1917 brak ook de Russische Revolutie uit in Leningrad. Hier werden eveneens grote toekomstverwachtingen gekoesterd: een wereldrevolutie gebaseerd op de toekomst van een klassenloze samenleving.

Tegenover deze twee maatschappelijke verwachtingen – vanuit het Westen en vanuit het Oosten – stelde Rudolf Steiner zijn verwachting van een drieledige maatschappijstructuur als een opgave van Midden-Europa. Als basis voor een menswaardige vrede.

Inplaats daarvan kwam het verdrag van Versailles. De onderhandelingen daarover liepen vanaf januari 1919 tot juni 1919. In diezelfde tijd hield Steiner een reeks voordrachten over maatschappijvraagstukken en de ‘drieledigheid van het sociale organisme’. Met als begin – in februari – de voordrachten in Zürich in het neutrale Zwitserland, die later – april – in een boek zijn samengevat: ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk.’ [1] Aan de hand van de inhoud van dit boek kon nu gewerkt worden in een aantal bedrijven om vanuit ‘bedrijfsraden’ te komen tot een nieuwe ordening van het economische leven.

22 April 1919 werd te Stuttgart de ‘Bund für Dreigliederung des sozialen Organismus’ opgericht. Een van de eerste activiteiten van deze organisatie was de uitgave van een brochure, ‘Die ‘Schuld’ am Kriege’. Men hoopte daarmee te kunnen aantonen dat Duitsland niet aansprakelijk behoefde te worden gesteld voor de gevolgen van de oorlog, zoals door middel van het verdrag van Versailles dreigde te geschieden. Ter argumentatie dienden een aantal ‘overwegingen en herinneringen’ van de vroegere – inmiddels overleden – chef van de generale staf, Helmuth von Moltke, welke door zijn vrouw ter beschikking werden gesteld. Maar door het ingrijpen van een zijner familieleden – de gezant van Pruisen in de staat Würtemberg – werd deze publicatie verijdeld. Wederom was dit voor Rudolf Steiner een grote teleurstelling. Hij had willen verhinderen dat in het verdrag van Versailles Duitsland de schuld voor het uitbreken van de oorlog op zich nam en aansprakelijk werd voor de gevolgen hiervan. Zoals men weet zijn, op basis van deze schuldbekentenis, aan Duitsland zeer harde vredesvoorwaarden opgelegd. De gevolgen daarvan zijn reeds kort daarna – onder andere door de publicaties van John Maynard Keynes en Harold Nicholson – voorspeld. Pas veel later is gebleken welk een verderfelijke invloed dit verdrag heeft gehad op de economische en staatkundige ontwikkeling van Europa en de wereld.

De Bund für Dreigliederung heeft toch veel belangrijk werk gedaan, onder andere door oprichting van ‘Der Kommende Tag, Aktiengesellschaft für Förderung wirtschaftlicher und geistiger Werte’. Hierdoor ontstond een samenwerking van een aantal bedrijven op associatieve basis, waarvan de winst voor een belangrijk deel ten toede kwam aan culturele instellingen zoals de Waldorfschool, enkele wetenschappelijke researchinstituten, en ziekenhuizen. Men ging er daarbij van uit dat economisch zwakke bedrijven, wanneer deze beantwoordden aan een bepaalde behoefte, gesteund konden worden door sterke, in de verwachting dat met dit voorbeeld als model, een heroriëntatie kon plaats vinden van economische en sociale doelstellingen, athans in de staat Württemberg. Aanvankelijk kreeg men daarbij de steun van een deel van de arbeidersbevolking, ondanks tegenwerking van vakbonden en politieke partijen. Dat deze vernieuwingsbeweging tenslotte het niet heeft kunnen bolwerken tegen de tegenstroom, heeft verschillende oorzaken gehad, deels door inwendige moeilijkheden op het gebied van samenwerking, deels door de toenemende inflatie. Pas in 1924 bleek ‘Der Kommende Tag’ niet meer levensvatbaar en moest hij worden geliquideerd.

Al eerder kondigden zich, in het politieke vlak, de eerste symptomen aan van fervent nationalisme, waaraan tenslotte de republiek van Weimar is bezweken. Rudolf Steiner kreeg hiermee te maken tijdens een voordracht in München in 1922 waar een aanslag op hem werd gepleegd, die hij door uitzonderlijke tegenwoordigheid van geest wist te pareren.

Achteraf bezien, kan men slechts bewondering hebben voor het doorzettingsvermogen waarmee een betrekkelijk kleine groep de weerstanden op economisch en politiek gebied, het hoofd heeft geboden.

Op het gebied van het culturele leven, is een doorbraak gelukt: de oprichting van de Freie Waldorfschule die de moederschool is geworden van een internationale vrijeschoolbeweging, die na 60 jaar* thans wel zijn levensvatbaarheid heeft bewezen.

Kühn brengt ons in contact met de man, aan wiens initiatief deze schoolbeweging is te danken, Emil Molt, de directeur van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Ook hij had een werkzaam aandeel aan de oprichting van ‘Der Kommende Tag’. De tragiek die zich ook hier heeft afgespeeld wordt ons niet bespaard. De aandelen Waldorf Astoria die in de gemeenschappelijke pool waren ingebracht, zijn later langs allerlei wegen in handen gekomen van Reemtsma, de meest geduchte concurrent. ‘Toen Emil Molt vijf jaar later (na de inbreng) in zijn geliefd privébureau zat’ – zo schrijft Kühn – ‘ging de deur open, enkele heren traden binnen en stelden zich voor als de huidige eigenaar van de Waldorf Astoria sigarettenfabriek. Men kan zich nauwelijks voorstellen wat er in deze bekwame Emil Molt is omgegaan, hij die zózeer met lichaam en ziel met zijn werk verbonden was. Als een bliksemslag trof hem deze entrée. Wie waren deze heren? Het waren vertegenwoordigers van zijn grootste concurrent, Reemtsma uit Hamburg. Zij wilden doodeenvoudig de concurrerende fabriek stilleggen. Later bleken de heren zo genadig te zijn dat zij er in toestemden dat de fabriek in Stuttgart met 1500 man personeel voor één jaar kon doorwerken en dat het bedrijf het schoolgeld voor de kinderen van de arbeiders bleef doorbetalen.

Toekomstperspectief
Wij behoeven echter niet stil te blijven staan bij deze tragische gebeurtenissen die zich in het begin van de twintiger jaren in Duitsland hebben afgespeeld. De herinneringen van Kühn laten duidelijk zien dat de sociale beweging voor driegeleding niet afgesloten is in 1924 – de liquidatie van ‘Der Kommende Tag’ – of 1925 – het overlijden van Rudolf Steiner.

Wel is duidelijk dat alle activiteiten, beschreven in dit boek, in hoofdzaak werden bepaald door de toenmalige noodsituatie waarin Duitsland verkeerde. Hetgeen niets afdoet aan de vruchtbaarheid van Rudolf Steiners ideeën en de mogelijkheid tot hun verwezenlijking vanuit andere situaties. Dat blijkt ook wel uit het boek. Ik denk hierbij aan het verslag van een discussieavond met arbeidersvertegenwoordigers uit verschillende grote bedrijven in Stuttgart.
Rudolf Steiner spreekt hier over arbeidersmotivatie, in hoeverre deze door andere factoren kan worden beïnvloed dan door het uitzicht op loon of honorarium. ‘Slechts dan kan sprake zijn van een gezonde gemeenschap wanneer iedere prestatie beantwoordt aan een tegenprestatie, wanneer bij de mensen de neiging aanwezig is om voor datgene wat anderen voor hem presteren, een gelijkwaardige contraprestatie te leveren. Dit schijnt weliswaar volkomen in tegenspraak te zijn met wat de huidige economische wetenschap leert. Hoogstens kan men zeggen dat het gezag van de staat dergelijke arbeidsverhoudingen kan afdwingen. Maar men zal zelf wel merken dat wanneer het eenmaal zover is, dit niet vol te houden is, ook al gaat men dan van het beginsel uit dat ‘er geproduceerd moet worden terwille van de consumptie’. Altijd zal daarbij de prestatie in overeenstemming moeten zijn met de contraprestatie. Men kan via de staat arbeidsdwang uitoefenen. Het kan ook zonder die dwang. De meest geraffineerde middelen kunnen worden uitgedacht om deze arbeidsdwang te ontduiken, om zich aan de arbeid te onttrekken. Op den duur zal blijken dat dwang tot arbeid niet vol te houden is. Hoofdzaak is, dat men gaat inzien dat arbeidsdwang niet nodig is wanneer men consequent uitgaat van het beginsel dat, objectief gezien, de prestatie gelijkwaardig zijn moet aan de contraprestatie.’ Met deze, reeds door Proudhon verkondigde leer van de ‘mutualité’ in het arbeidsproces, wordt door Rudolf Steiner een ‘sociale grondwet’ geformuleerd, waaraan in een tijd van steeds toenemende interdependentie van economische betrekkingen niemand meer onderuit kan.

Het blijft een levensgroot vraagstuk van bewustzijnsontwikkeling, dat zeker niet in een handomdraai kan worden opgelost. Hoogstens kan, vanuit een noodsituatie – zoals in Duitsland het geval is geweest – een stroomversnelling optreden. In onze tijd – de tijd van de verzorgingsstaat, vóór en achter het ‘ijzeren gordijn’ – is dit niet te verwachten. Niettemin blijft de objectieve noodzaak bestaan, en dit wordt in de tegenwoordige literatuur over ‘mentaliteitsverandering in het arbeidsproces’ en over ‘de verandering van instellingen van de onderneming’ ook wel ingezien. Men heeft nu echter met een geheel andere situatie te maken dan die in de tijd van 1917 – 1925 in Duitsland.

Dat wordt in het boek van Kühn ook erkend. Want wat heeft zich tussen 1925 en 1979, niet alleen in Duitsland maar ook in Europa en de wereld niet allemaal voltrokken? Door het nationaal-socialisme is in Duitsland een kortsluiting ontstaan in de continuïteit van de geschiedenis tussen het tijdperk vóór 1933 en het tijdperk na 1945. Daarop heeft onlangs nog Richard Lowenthal gewezen in een artikel in ‘Encounter’ (dec. 1978)
Voor Duitsers schijnt het uitermate moeilijk hun eigentijdse geschiedenis nog in verband te brengen met de geschiedenis vóór 1933, de machtsovername van Hitler. Verder is er het verschijnsel van de mentaliteit van de arbeidersbevolking in de verzorgingsstaat. Dat is een algemeen Europees verschijnsel. Een mentaliteit die wel erg verschilt van die, waarmee Rudolf Steiner in 1919 te maken had. Welke verwachtingen had Rudolf Steiner destijds niet van de ‘proletariër’ in Duitsland?

‘Zijn denkvermogen’ zo zei hij ‘is nog onverbruikt. De citroen is nog niet helemaal uitgeperst’ (zoals bij de ‘burgerlijke’ kringen het geval is) ‘Er leeft nog iets attavistisch in hem waardoor hij ontvankelijk is voor wat gezegd kan worden over nieuwe ordening der dingen.’

Wie de voordrachten leest die destijds Rudolf Steiner heeft gehouden voor de arbeiders aan de bouw van het Goetheanum, kan zich voorstellen wélk vertrouwen Rudolf Steiner heeft gehad in de ontvankelijkheid van de arbeidersbevolking voor de spirituele realiteit van een keerpunt op geestelijk, economisch en staatkundig gebied.

Misschien staan wij thans wederom voor een dergelijke ‘Umwertung aller Werte’. Een zekere scepsis ten opzichte van de inmiddels ingetreden ‘verburgerlijking’ van het ‘proletariaat’, is dan wel op zijn plaats. Veel meer is er van de jeugd te verwachten, ook al lijkt het tegendeel, na de doodgelopen révolte van de zestiger jaren. Sterker nog dan in 1919 zijn thans de universiteiten bolwerken geworden van de maatschappijwetenschappen – onder invloed van het natuurwetenschappelijk denken – die eerst doorbroken zullen moeten worden vóórdat er sprake kan zijn van een sociale vernieuwing in de zin van de ‘driegeleding’.

Wél kan men kiemen daarvoor aantreffen in allerlei ‘alternatieve’ werkgemeenschappen – in de landbouw, in het onderwijs, in de gezondheidszorg -waar men de ‘sociale grondwet’ -gelijkwaardigheid van prestatie en contraprestatie – in praktijk wil brengen, met verdere uitwerking van de inzichten van Rudolf Steiner uit de twintiger jaren van deze eeuw. Daar ligt toekomstkracht die kan worden ontwikkeld aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Niet door deze als een ‘onveranderlijk model’ over te nemen, maar vanuit inzicht in de situatie waarvoor de tegenwoordige tijd ons plaatst aan de hand van vragen die ons daarbij worden gesteld.

In die zin kunnen wij dankbaar zijn voor de herinneringen aan ‘Rudolf Steiners strijd voor de toekomstige maatschappijstructuur’, die Hans Kühn ons heeft nagelaten.

Arnold Henny, Jonas 12, *09-02-1979
.

Dreigliederungszeit. Rudolf Steiners Kampf für die Gesellschafts-ordnung der Zukunft.

[1] De kernpunten van het sociale vraagstuk

.

Sociale driegeleding: alle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

1365-1277

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/2)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschriftLucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geesteswetenschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 2 (blz. 206-212)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 2

DWAALSPOREN IN HET MENSELIJK OPTIMISME

Het eerste artikel besloot met de gedachte dat uitbuiting en onderdrukking gelijkelijk gebeurt door arm en rijk.

Als we in deze richting gaan nadenken zal het ons allereerst duidelijk worden, dat we de begrippen ‘rijk’ en ‘uitbuiter’ volledig los van elkaar moeten zien. Of men in deze tijd rijk is of arm, dat hangt af van iemands persoonlijke bekwaamheid of van die van zijn voorouders, of van heel andere dingen. Het uitbuiter zijn van de werkkracht van anderen heeft echter totaal niets te maken met deze dingen. In elk geval niet rechtstreeks. Maar des te meer heeft het met iets anders van doen. En wel hiermee, dat onze instellingen, of anders gezegd het ons omringende milieu zijn opgebouwd op het persoonlijke eigenbelang.

We moeten ons dit heel duidelijk voorstellen, anders komen we tot een totaal verkeerde interpretatie van wat wordt gezegd. Als ik vandaag een jas koop, dan blijkt het, volgens de bestaande verhoudingen, heel natuurlijk te zijn dat ik hem zo goedkoop mogelijk probeer te krijgen. Dat wil dus zeggen, dat ik daarbij alleen mezelf in het oog houd. Daarmee echter wordt het uitgangspunt aangegeven dat ons hele leven beheerst. Nu is het niet moeilijk om direct met een tegenwerping te komen. Je kunt zeggen, dat nu juist de sociaal denkende partijen en personen ernaar streven aan deze misstand een einde te maken. Er wordt immers alle moeite gedaan om de ‘arbeid’ te beschermen? De werkende klasse en haar vertegenwoordigers eisen toch loonsverbeteringen en werktijdverkortingen. Hierboven is al gezegd dat gezien vanuit het hedendaagse standpunt ook geen enkele bedenking zal worden geopperd tegen zulke eisen en maatregelen.

Natuurlijk wil daarmee ook weer niet worden gepleit voor de eisen van een of andere bestaande partij. Vanuit het oogpunt, waar het hier om gaat, komt geen enkele partijnaam in het bijzonder in aanmerking, ‘voor’ noch ‘tegen’.

Dat zijn dingen die vooralsnog geheel buiten de geesteswetenschappelijke beschouwingswijze liggen.

Er kunnen nog zoveel verbeteringen ter bescherming van de een of andere arbeidersklasse worden ingevoerd, waardoor dan ook zeer veel kan worden bijgedragen tot de vooruitgang van de levensomstandigheden van deze of gene groep mensen: het wezen van de uitbuiting wordt daardoor niet milder. Want dat hangt daarmee samen, dat de ene mens zich het arbeidsproduct van de andere verwerft om het ten eigen bate aan te wenden. Of ik nu veel heb of weinig: als ik me bedien van wat ik heb om aan mijn eigen behoeften te voldoen, dan moet daardoor de ander worden uitgebuit. Zelfs als ik zijn arbeid bescherm, maar dit standpunt handhaaf, is daarmee in feite nog niets gedaan. Betaal ik het werk van de ander duur. dan staat daar tegenover dat hij ook het mijne duur moet betalen, wil niet door de verbetering van de positie van de ene een verslechtering van die van de ander worden veroorzaakt.

Voorbeeld

Ter verduidelijking zal hier nog een voorbeeld worden gegeven. Als ik een fabriek koop om daardoor voor mezelf zoveel mogelijk winst te behalen, dan zal ik proberen om de arbeidskrachten zo goedkoop te krijgen als maar enigszins mogelijk is en zo meer. Alles wat gebeurt, zal staan onder het oogmerk van het persoonlijke eigenbelang. Koop ik echter de fabriek met de bedoeling om 200 mensen zo goed mogelijk te verzorgen, dan zullen al mijn maatregelen heel anders van schakering zijn. — Zeker is wel dat tegenwoordig in praktijk niet zo erg veel verschil zal kunnen bestaan tussen deze beide gevallen. Dat komt echter enkel en alleen daardoor, dat de alleen staande onbaatzuchtige mens niet zo erg veel tot stand kan brengen binnen een gemeenschap, die voor het overige is gebouwd op eigenbelang. Heel anders zou de zaak er echter uitzien, als de onbaatzuchtige arbeid een algemene zaak zou zijn.

Iemand die ‘praktisch’ denkt zal natuurlijk beweren, dat toch niemand zich door alleen een ‘goede gezindheid’ de mogelijkheid zal kunnen verschaffen, zijn arbeiders betere lonen te bezorgen. Want door welwillendheid verhoog je toch niet de opbrengst van je waren, en zonder dat kun je ook voor je arbeiders geen betere voorwaarden scheppen. En juist daarop komt het aan, in te zien dat deze tegenwerping een algehele dwaling is. Alle eigenbelangen en daarmee alle levensomstandigheden worden anders, als we bij de verwerving van een zaak niet meer onszelf, maar de anderen op het oog hebben. Waarop moet iemand letten die alleen zijn eigen welzijn op het oog heeft? Daarop immers, dat hij zoveel mogelijk verdient. Hoe de anderen moeten werken om zijn behoeften te bevredigen, daar kan hij geen rekening mee houden. Hij moet zijn krachten aldus ontplooien in de strijd om het bestaan. Als ik een onderneming opricht, die mij zoveel mogelijk voordeel moet verschaffen, dan vraag ik er niet naar, hoe het met de werknemers is gesteld, die voor me werken. Blijf ik zelf echter geheel buiten beschouwing, maar gaat het om de vraag hoe mijn werk de anderen dient, dan wordt alles anders. Niets verplicht me dan, iets te ondernemen dat voor een ander nadelig kan zijn. Ik stel dan mijn krachten niet in dienst van mezelf, maar in die van de anderen. En dat heeft een heel andere ontwikkeling van de menselijke vermogens en bekwaamheden ten gevolge.

Robert Owen

Robert Owen kan in zeker opzicht worden gekarakteriseerd als een genie op het gebied van de praktisch sociale efficiëntie. Hij beschikte over twee eigenschappen, die deze benaming ten volle kunnen rechtvaardigen: een tactvolle blik voor sociaal nuttige instellingen en een edele mensenliefde. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat hij door deze beide gaven tot stand heeft gebracht, om de volle betekenis ervan op de juiste waarde te schatten. Hij schiep in New Lanark industriële modelinrichtingen en daarbij betrok hij de arbeiders zodanig, dat ze niet alleen een menswaardig bestaan in materieel opzicht hadden, maar ook in moreel opzicht in bevredigende omstandigheden leefden. De personen, die daar bij elkaar werden gebracht, waren deels aan lager wal geraakt door de drank. Hij zette er betere elementen tussen, die door hun voorbeeld op de anderen inwerkten. En zo werden de gunstigste resultaten verkregen die maar denkbaar zijn. Dit welslagen van Owen maakte het onmogelijk, hem met andere meer of minder fantastische ‘wereldverbeteraars’ — zogenaamde utopisten – op een lijn te stellen. Hij hield zich met zijn organisaties zorgvuldig binnen het bestek van wat praktisch uitvoerbaar was, zodat iedereen, ook degene die afkerig is van alles wat maar met dromerij heeft te maken, rustig kon aannemen dat door deze bedrijven, zij het aanvankelijk op een beperkt gebied, de menselijke nood dan toch wel uit de wereld zou worden geholpen. Bovendien is het nog helemaal niet zo onpraktisch gedacht, te menen dat juist zo’n klein gebied wel eens als voorbeeld zou kunnen werken, en dat er daardoor allengs een in sociaal opzicht gezonde ontwikkeling van het menselijk lot zou kunnen worden gestimuleerd.

Zeker is, dat Owen zelf er zo over dacht. Daarom waagde hij zich nog een stap verder op de weg die hij had ingeslagen. In het jaar 1824 vatte hij het plan op om in Indiana in Noord-Amerika een soort van kleine modelstaat te stichten. Hij kocht een stuk land, waarop hij een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde gemeenschap van mensen wilde vestigen. Alle instellingen werden zo geregeld dat uitbuiting en slavernij iets onmogelijks waren. Wie een dergelijke taak op zich durft nemen, moet over de allerhoogste sociale deugden beschikken: het verlangen, zijn medemensen gelukkig te maken, en het vaste geloof dat de mens van nature goed is. Hij moet de mening zijn toegedaan dat de lust om te werken in deze menselijke natuur vanzelf wel zal komen, als blijkt dat de zegen die op dit werk rust is gewaarborgd door passende instellingen. ln Owen was dit geloof zo sterk aanwezig, dat het wel heel slechte ervaringen moesten zijn, die hem daarin zouden doen wankelen.
En – deze slechte ervaringen deden zich werkelijk voor. Owen moest na langdurig edele pogingen ten slotte erkennen, dat de ‘verwezenlijking van dergelijke kolonies steeds schipbreuk zou moeten lijden, als niet van te voren de algemene zedelijkheid zou zijn veranderd’ en hij meende dat je verder zou kunnen komen door ‘theoretisch op de mensheid in te werken dan langs de directe praktische weg’.
Tot dit oordeel zag deze sociale hervormer zich gedwongen door het feit dat er genoeg werkschuwe mensen bleken te zijn die het werk op hun medemensen wilden afwentelen, waardoor conflicten, strijd en ten slotte het bankroet van de hele kolonie wel moesten volgen.

Mensenkennis

Owens ervaring kan leerzaam zijn voor al diegenen die ook metterdaad bereid zijn iets te leren. Ze kan de overgang vormen van alles wat voor het heil der mensheid kunstmatig in het leven is geroepen en alle daarvoor kunstmatig uitgedachte inrichtingen, naar vruchtbare, met de ware werkelijkheid rekening houdende sociale activiteiten. Door deze ervaring werd Owen grondig genezen van zijn geloof, dat alle menselijke ellende alleen maar zou worden veroorzaakt door de ‘slechte omstandigheden’ waaronder de mensen leven, en dat de goede hoedanigheden die de menselijke natuur eigen zijn, vanzelf aan de dag zouden komen als de omstandigheden worden verbeterd. Hij moest zich er eerst van overtuigen, dat goede instellingen alleen dan zijn te handhaven als de mensen die erbij betrokken zijn een zodanige innerlijke gesteldheid hebben dat ze ook de wil hebben ze deze inrichtingen in stand te houden, en als ze er zich met een warme belangstelling mee verbonden voelen.

Men zou nu in de eerste instantie kunnen denken dat het dus noodzakelijk is om de mensen, die men bij zulke ondernemingen wil betrekken, daar eerst theoretisch op voor te bereiden. Bijvoorbeeld door hun het juiste en doelmatige van de maatregelen duidelijk te maken. Voor iemand die hier onbevooroordeeld tegenover staat, is het helemaal niet zo ver gezocht, iets dergelijks uit het manifest van Owen te concluderen. En toch kun je alleen tot een werkelijk praktisch resultaat komen door dieper op de zaak in te gaan. Het is noodzakelijk om een stap verder te doen, van het pure geloof dat de mens van nature goed is, dat Owen op een dwaalspoor heeft gebracht, naar de ware mensenkennis. Hoe diep de mensen ook doordrongen mogen zijn van de doelmatigheid van bepaalde inrichtingen, die een zegen voor de mensheid zouden kunnen zijn – hoe vast hun overtuiging ook is, ze kan op den duur niet tot het gewenste doel leiden. Want ook al is het inzicht nog zo helder, de mens zal er toch niet die persoonlijke stimulans voor zijn werk uit kunnen halen, die hem anderzijds gegeven wordt door de drijfkracht van het in hem aanwezige egoïsme. Dit egoïsme is nu eenmaal een deel van de menselijke natuur. En dat heeft tot gevolg dat het naar boven komt zo gauw de mens in de maatschappij met anderen samen moet leven en werken. Met een zekere noodzakelijkheid leidt dit ertoe dat in de praktijk de meeste mensen die inrichting voor de beste zullen houden, waardoor ieder voor zich zijn behoeften het beste kan bevredigen. Zo neemt onder invloed van de egoïstische gevoelens op geheel natuurlijke wijze het sociale probleem de volgende vorm aan: welke maatschappelijke regelingen moeten er worden getroffen, opdat iedereen de opbrengst van zijn arbeid voor zichzelf kan krijgen. En vooral in onze materialistisch denkende tijd zijn er maar weinigen die van een ander standpunt uitgaan. Hoe vaak hoort men niet iemand zeggen, alsof het een volkomen vanzelfsprekende waarheid is, dat een sociale ordening, die zich wil baseren op welwillendheid en menselijk medegevoel, een onmogelijkheid is. Er wordt integendeel mee gerekend dat de gehele menselijke gemeenschap pas dan op zijn best zal kunnen gedijen, als ieder voor zich de ‘gehele’ of de grootst mogelijke opbrengst van zijn werk ook zelf kan binnenhalen.

Het tegenovergestelde

Precies het tegenovergestelde hiervan leert ons de geesteswetenschap, die is gegrondvest op een diepergaande kennis van mens en wereld. Zij laat juist zien dat alle menselijke nood enkel en alleen het gevolg is van het egoïsme, dat in een gemeenschap van mensen onvermijdelijk te eniger tijd ellende, armoede en nood moet optreden, als deze gemeenschap op de een of andere wijze op egoïsme berust. Om dat in te zien, is ongetwijfeld een dieper inzicht nodig dan wat hier en daar doorgaat voor sociale wetenschap. Deze ‘sociale wetenschap’ rekent alleen maar met de buitenkant van het menselijk leven, niet echter met de dieper liggende krachten daarvan. Het is zelfs bij de grote meerderheid van de tegenwoordige mensen heel moeilijk om ook maar enig gevoel in hen op te roepen voor het feit, dat er van zulke dieper liggende krachten sprake zou kunnen zijn. Ze beschouwen degene, die hoe dan ook met zulke dingen bij hen aankomt, als een onpraktische fantast. Nu is het echter helaas ook hier niet mogelijk om zelfs maar een poging te doen een sociale theorie te ontwikkelen, die is opgebouwd op dieper liggende krachten. Want daar zou een uitvoerig boekwerk voor nodig zijn. Maar één ding kan wel worden gedaan: er kan worden gewezen op de ware wetten van de menselijke samenwerking, en worden aangetoond welke verstandige sociale overwegingen daaruit volgen voor de kenner van deze wetten. De zaak ten volle begrijpen kan alleen degene zie zich een wereldbeeld vormt, dat is gegrondvest op de geesteswetenschap.

.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 16-07-1976
.

Algemene menskunde:  1-4     1-4-1/1       1-4-1/3

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1341-1253

.

.

.

*