Tagarchief: Owen

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/2)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschrift ‘Lucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geestesweteschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 2 (blz. 206-212)

Rudolf Steiner

GEESTESWETENSCHAP EN HET SOCIALE VRAAGSTUK 2

DWAALSPOREN IN HET MENSELIJK OPTIMISME
Het eerste artikel besloot met de gedachte dat uitbuiting en onderdrukking gelijkelijk gebeurt door arm en rijk.

Als we in deze richting gaan nadenken zal het ons allereerst duidelijk worden, dat we de begrippen ‘rijk’ en ‘uitbuiter’ volledig los van elkaar moeten zien. Of men in deze tijd rijk is of arm, dat hangt af van iemands persoonlijke bekwaamheid of van die van zijn voorouders, of van heel andere dingen. Het uitbuiter zijn van de werkkracht van anderen heeft echter totaal niets te maken met deze dingen. In elk geval niet rechtsstreeks. Maar des te meer heeft het met iets anders van doen. En wel hiermee, dat onze instellingen, of anders gezegd het ons omringende milieu zijn opgebouwd op het persoonlijke eigenbelang.

We moeten ons dit heel duidelijk voorstellen, anders komen we tot een totaal verkeerde interpretatie van wat wordt gezegd. Als ik vandaag een jas koop, dan blijkt het, volgens de bestaande verhoudingen, heel natuurlijk te zijn dat ik hem zo goedkoop mogelijk probeer te krijgen. Dat wil dus zeggen, dat ik daarbij alleen mezelf in het oog houd. Daarmee echter wordt het uitgangspunt aangegeven dat ons hele leven beheerst. Nu is het niet moeilijk om direct met een tegenwerping te komen. Je kunt zeggen, dat nu juist de sociaal denkende partijen en personen ernaar streven aan deze misstand een einde te maken. Er wordt immers alle moeite gedaan om de ‘arbeid’ te beschermen? De werkende klasse en haar vertegenwoordigers eisen toch loonsverbeteringen en werktijdverkortingen. Hierboven is al gezegd dat gezien vanuit het hedendaagse standpunt ook geen enkele bedenking zal worden geopperd tegen zulke eisen en maatregelen.

Natuurlijk wil daarmee ook weer niet worden gepleit voor de eisen van een of andere bestaande partij. Vanuit het oogpunt, waar het hier om gaat, komt geen enkele partijnaam in het bijzonder in aanmerking, ‘voor’ noch ‘tegen’ Dat zijn dingen die vooralsnog geheel buiten de geesteswetenschappelijke beschouwingswijze liggen.

Er kunnen nog zoveel verbeteringen ter bescherming van de een of andere arbeidersklasse worden ingevoerd, waardoor dan ook zeer veel kan worden bijgedragen tot de vooruitgang van de levensomstandigheden van deze of gene groep mensen: het wezen van de uitbuiting wordt daardoor niet milder. Want dat hangt daarmee samen, dat de ene mens zich het arbeidsproduct van de andere verwerft om het ten eigen bate aan te wenden. Of ik nu veel heb of weinig: als ik me bedien van wat ik heb om aan mijn eigen behoeften te voldoen, dan moet daardoor de ander worden uitgebuit. Zelfs als ik zijn arbeid bescherm, maar dit standpunt handhaaf, is daarmee in feite nog niets gedaan. Betaal ik het werk van de ander duur. dan staat daar tegenover dat hij ook het mijne duur moet betalen, wil niet door de verbetering van de positie van de ene een verslechtering van die van de ander worden veroorzaakt.

Voorbeeld
Ter verduidelijking zal hier nog een voorbeeld worden gegeven. Als ik een fabriek koop om daardoor voor mezelf zoveel mogelijk winst te behalen, dan zal ik proberen om de arbeidskrachten zo goedkoop te krijgen als maar enigzins mogelijk is en zo meer. Alles wat gebeurt, zal staan onder het oogmerk van het persoonlijke eigenbelang. Koop ik echter dc fabriek met de bedoeling om 200 mensen zo goed mogelijk te verzorgen, dan zullen al mijn maatregelen heel anders van schakering zijn. — Zeker is wel dat tegenwoordig in praktijk niet zo erg veel verschil zal kunnen bestaan tussen deze beide gevallen. Dat komt echter enkel en alleen daardoor, dat de alleen staande onbaatzuchtige mens niet zo erg veel tot stand kan brengen binnen een gemeenschap, die voor het overige is gebouwd op eigenbelang. Heel anders zou de zaak er echter uitzien, als de onbaatzuchtige arbeid een algemene zaak zou zijn.

Iemand die ‘praktisch’ denkt zal natuurlijk beweren, dat toch niemand zich door alleen een ‘goede gezindheid’ de mogelijkheid zal kunnen verschaffen, zijn arbeiders betere lonen te bezorgen. Want door welwillendheid verhoog je toch niet de opbrengst van je waren, en zonder dat kun je ook voor je arbeiders geen betere voorwaarden scheppen. En juist daarop komt het aan, in te zien dat deze tegenwerping een algehele dwaling is. Alle eigenbelangen en daarmee alle levensomstandigheden worden anders, als we bij de verwerving van een zaak niet meer onszelf, maar de anderen op het oog hebben. Waarop moet iemand letten die alleen zijn eigen welzijn op het oog heeft? Daarop immers, dat hij zoveel mogelijk verdient. Hoe de anderen moeten werken om zijn behoeften te bevredigen, daar kan hij geen rekening mee houden. Hij moet zijn krachten aldus ontplooien in de strijd om het bestaan. Als ik een onderneming opricht, die mij zoveel mogelijk voordeel moet verschaffen, dan vraag ik er niet naar, hoe het met de werknemers is gesteld, die voor me werken. Blijf ik zelf echter geheel buiten beschouwing, maar gaat het om de vraag hoe mijn werk de anderen dient, dan wordt alles anders. Niets verplicht me dan, iets te ondernemen dat voor een ander nadelig kan zijn. Ik stel dan mijn krachten niet in dienst van mezelf, maar in die van de anderen. En dat heeft een heel andere ontwikkeling van de menselijke vermogens en bekwaamheden ten gevolge.

Robert Owen
Robert Owen kan in zeker opzicht worden gekarakteriseerd als een genie op het gebied van de praktisch sociale efficiëntie. Hij beschikte over twee eigenschappen, die deze benaming ten volle kunnen rechtvaardigen: een tact-volle blik voor sociaal nuttige instellingen en een edele mensenliefde. Men hoeft alleen maar te kijken naar wat hij door deze beide gaven tot stand heeft gebracht, om de volle betekenis ervan op de juiste waarde te schatten. Hij schiep in New Lanark industriële modelinrichtingen en daarbij betrok hij de arbeiders zodanig, dat ze niet alleen een menswaardig bestaan in materieel opzicht hadden, maar ook in moreel opzicht in bevredigende omstandigheden leefden. De personen, die daar bij elkaar werden gebracht, waren deels aan lager wal geraakt door de drank. Hij zette er betere elementen tussen, die door hun voorbeeld op de anderen inwerkten. En zo werden de gunstigste resultaten verkregen die maar denkbaar zijn. Dit welslagen van Owen maakte het onmogelijk, hem met andere meer of minder fantastische ‘wereldverbeteraars’ — zogenaamde utopisten – op een lijn te stellen. Hij hield zich met zijn organisaties zorgvuldig binnen het bestek van wat praktisch uitvoerbaar was, zodat iedereen, ook degene die afkerig is van alles wat maar met dromerij heeft te maken, rustig kon aannemen dat door deze bedrijven, zij het aanvankelijk op een beperkt gebied, de menselijke nood dan toch wel uit de wereld zou worden geholpen. Bovendien is het nog helemaal niet zo onpraktisch gedacht, te menen dat juist zo’n klein gebied wel eens als voorbeeld zou kunnen werken, en dat er daardoor allengs een in sociaal opzicht gezonde ontwikkeling van het menselijk lot zou kunnen worden gestimuleerd.

Zeker is, dat Owen zelf er zo over dacht. Daarom waagde hij zich nog een stap verder op de weg die hij had ingeslagen. In het jaar 1824 vatte hij het plan op om in Indiana in Noord-Amerika een soort van kleine modelstaat te stichten. Hij kocht een stuk land, waarop hij een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde gemeenschap van mensen wilde vestigen. Alle instellingen werden zo geregeld dat uitbuiting en slavernij iets onmogelijks waren. Wie een dergelijke taak op zich durft nemen, moet over de allerhoogste sociale deugden beschikken: het verlangen, zijn medemensen gelukkig te maken, en het vaste geloof dat de mens van nature goed is. Hij moet de mening zijn toegedaan dat de lust om te werken in deze menselijke natuur vanzelf wel zal komen, als blijkt dat de zegen die op dit werk rust is gewaarborgd door passende instellingen. ln Owen was dit geloof zo sterk aanwezig, dat het wel heel slechte ervaringen moesten zijn, die hem daarin zouden doen wankelen.
En – deze slechte ervaringen deden zich werkelijk voor. Owen moest na langdurig edele pogingen tenslotte erkennen, dat de ‘verwezenlijking van dergelijke kolonies steeds schipbreuk zou moeten lijden, als niet van te voren de algemene zedelijkheid zou zijn veranderd’ en hij meende dat je verder zou kunnen komen door ‘theoretisch op de mensheid in te werken dan langs de directe praktische weg’.
Tot dit oordeel zag deze sociale hervormer zich gedwongen door het feit dat er genoeg werkschuwe mensen bleken te zijn die het werk op hun medemensen wilden afwentelen, waardoor conflicten, strijd en tenslotte het bankroet van de hele kolonie wel moesten volgen.

Mensenkennis
Owens ervaring kan leerzaam zijn voor al diegenen die ook metterdaad bereid zijn iets te leren. Ze kan de overgang vormen van alles wat voor het heil der mensheid kunstmatig in het leven is geroepen en alle daarvoor kunstmatig uitgedachte inrichtingen, naar vruchtbare, met de ware werkelijkheid rekening houdende sociale activiteiten. Door deze ervaring werd Owen grondig genezen van zijn geloof, dat alle menselijke ellende alleen maar zou worden veroorzaakt door de ‘slechte omstandigheden’ waaronder de mensen leven, en dat de goede hoedanigheden die de menselijke natuur eigen zijn, vanzelf aan de dag zouden komen als de omstandigheden worden verbeterd. Hij moest zich er eerst van overtuigen, dat goede instellingen alleen dan zijn te handhaven als de mensen die erbij betrokken zijn een zodanige innerlijke gesteldheid hebben dat ze ook de wil hebben ze deze inrichtingen in stand te houden, en als ze er zich met een warme belangstelling mee verbonden voelen.

Men zou nu in de eerste instantie kunnen denken dat het dus noodzakelijk is om de mensen, die men bij zulke ondernemingen wil betrekken, daar eerst theoretisch op voor te bereiden. Bijvoorbeeld door hun het juiste en doelmatige van de maatregelen duidelijk te maken. Voor iemand die hier onbevooroordeeld tegenover staat, is het helemaal niet zo ver gezocht, iets dergelijks uit het manifest van Owen te concluderen. En toch kun je alleen tot een werkelijk praktisch resultaat komen door dieper op de zaak in te gaan. Het is noodzakelijk om een stap verder te doen, van het pure geloof dat de mens van nature goed is, dat Owen op een dwaalspoor heeft gebracht, naar de ware mensenkennis. Hoe diep de mensen ook doordrongen mogen zijn van de doelmatigheid van bepaalde inrichtingen, die een zegen voor de mensheid zouden kunnen zijn – hoe vast hun overtuiging ook is, ze kan op den duur niet tot het gewenste doel leiden. Want ook al is het inzicht nog zo helder, de mens zal er toch niet die persoonlijke stimulans voor zijn werk uit kunnen halen, die hem anderzijds gegeven wordt door de drijfkracht van het in hem aanwezige egoïsme. Dit egoïsme is nu eenmaal een deel van de menselijke natuur. En dat heeft tot gevolg dat het naar boven komt zo gauw de mens in de maatschappij met anderen samen moet leven en werken. Met een zekere noodzakelijkheid leidt dit ertoe dat in de praktijk de meeste mensen die inrichting voor de beste zullen houden, waardoor ieder voor zich zijn behoeften het beste kan bevredigen. Zo neemt onder invloed van de egoïstische gevoelens op geheel natuurlijke wijze het sociale probleem de volgende vorm aan: welke maatschappelijke regelingen moeten er worden getroffen, opdat iedereen de opbrengst van zijn arbeid voor zichzelf kan krijgen. En vooral in onze materialistisch denkende tijd zijn er maar weinigen die van een ander standpunt uitgaan. Hoe vaak hoort men niet iemand zeggen, alsof het een volkomen vanzelfsprekende waarheid is, dat een sociale ordening, die zich wil baseren op welwillendheid en menselijk medegevoel, een onmogelijkheid is. Er wordt integendeel mee gerekend dat de gehele menselijke gemeenschap pas dan op zijn best zal kunnen gedijen, als ieder voor zich de ‘gehele’ of de grootst mogelijke opbrengst van zijn werk ook zelf kan binnenhalen.

Het tegenovergestelde
Precies het tegenovergestelde hiervan leert ons de geesteswetenschap, die is gegrondvest op een diepergaande kennis van mens en wereld. Zij laat juist zien dat alle menselijke nood enkel en alleen het gevolg is van het egoïsme, dat in een gemeenschap van mensen onvermijdelijk te eniger tijd ellende, armoede en nood moet optreden, als deze gemeenschap op de een of andere wijze op egoïsme berust. Om dat in te zien, is ongetwijfeld een dieper inzicht nodig dan wat hier en daar doorgaat voor sociale wetenschap. Deze ‘sociale wetenschap’ rekent alleen maar met de buitenkant van het menselijk leven, niet echter met de dieper liggende krachten daarvan. Het is zelfs bij de grote meerderheid van de tegenwoordige mensen heel moeilijk om ook maar enig gevoel in hen op te roepen voor het feit, dat er van zulke dieper liggende krachten sprake zou kunnen zijn. Ze beschouwen degene, die hoe dan ook met zulke dingen bij hen aankomt, als een onpraktische fantast. Nu is het echter helaas ook hier niet mogelijk om zelfs maar een poging te doen een sociale theorie te ontwikkelen, die is opgebouwd op dieper liggende krachten. Want daar zou een uitvoerig boekwerk voor nodig zijn. Maar één ding kan wel worden gedaan: er kan worden gewezen op de ware wetten van de menselijke samenwerking, en worden aangetoond welke verstandige sociale overwegingen daaruit volgen voor de kenner van deze wetten. De zaak ten volle begrijpen kan alleen degene zie zich een wereldbeeld vormt, dat is gegrondvest op de geesteswetenschap.

.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 23, 16-07-1976
.

Algemene menskunde:  1-4     1-4-1/1       1-4-1/3

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-4-1/1)

.

In 1905/6 publiceerde Rudolf Steiner in het tijdschrift ‘Lucifer-Gnosis’  (blz. 191) een opstel onder de titel ‘Geestesweteschap en het sociale vraagstuk’.
Het werd door de redactie van Jonas bewerkt en in 3 delen gepubliceerd.
Deel 1 (blz. 191-205)

Rudolf Steiner

Geesteswetenschap en het sociale vraagstuk I

 

INGRIJPENDE VOORUITGANG VRAAGT OM EEN WERKELIJK INZICHT
Het sociale vraagstuk is actueler dan ooit. Iemand die welbewust in de huidige samenleving wil staan, ontkomt niet aan de noodzaak zich oordelen te vormen over de sociale problemen en vandaaruit te handelen. Gelijktijdig vertoont een groot deel van de mensheid de behoefte om zich idealen te stellen en zich te richten op de spirituele kant van het menszijn. Nu draagt elke geesteswetenschap als kenmerk de verinnerlijking van het zieleleven en het wekken van het vermogen tot geestelijk schouwen. Om die reden kan de geesteswetenschap het verwijt treffen geen bijdrage te geven aan de oplossing van het sociale vraagstuk. Toch berust zo’n oordeel op een misverstand. Zolang de geesteswetenschap begrepen wordt als een ‘leer’ — die zich ver van het alledaagse leven bezighoudt met ideeën over karma en reïncarnatie — zolang is niet in te zien wat de waarde is voor het sociale vraagstuk. De geesteswetenschap is echter meer; zij biedt de scholing tot een levenskrachtig denken, oordelen en waarnemen. Vandaaruit kan juíst handelen voortkomen. Veel mensen staan machteloos in het leven en die onmacht komt voort uit een gebrek aan inzicht in de wetten van het menselijk leven. Het daadwerkelijk bestuderen en zich eigen maken van de geesteswetenschappelijke denkbeelden betekent toename van de bekwaamheden voor het werken op sociaal terrein.

Twee opvattingen staan met betrekking tot de sociale kwestie tegenover elkaar. De ene ziet de oorzaken van het goede en slechte in het sociale leven meer gelegen in de mensen zelf, de andere voornamelijk in de omstandigheden waarin de mensen leven. Zij die de eerste mening zijn toegedaan zullen de vooruitgang willen bevorderen door te proberen zowel de geestelijke en lichamelijke capaciteit van de mens als hun morele gevoel te verhogen; zij die overhellen naar de tweede zienswijze zullen er daarentegen in de eerste plaats op bedacht zijn de omstandigheden te verbeteren, want, zeggen ze tot zichzelf, als de mensen behoorlijk kunnen leven, zal hun bekwaamheid en hun zedelijk gevoel vanzelf op een hoger peil komen. Het valt wel nauwelijks te ontkennen dat deze tweede
opvatting op het ogenblik gestadig terrein wint. In vele kringen geldt het als uiting van een totaal verouderd denken, als je de nadruk in het bijzonder op de eerste zienswijze legt. Er wordl dan gezegd: wie van de vroege morgen tot de late avond moet worstelen met de bitterste nood, die komt niet toe aan het ontwikkelen van zijn geestelijke en morele krachten. Als je met zo iemand wilt praten over geestelijke aangelegenheden, moet je hem eerst brood geven.

Vooral tegenover een streven als dat van de geesteswetenschap verscherpt deze laatste stelling zich gemakkelijk tot een verwijt. En het zijn bepaald niet de slechtsten van onze tijd, die zulke verwijten maken. Ze zeggen dan wel: ‘De rasechte theosoof daalt slechts met grote tegenzin uit zijn hogere gebieden af naar de aarde. Hij kent liever tien woorden Sanskriet dan dat hij zich ervan op de hoogte stelt wat grondrente is.’

Een verwijt in de nu volgende vorm ligt dan voor de hand. Er wordt op gewezen dat in onze tijd vaak gezinnen van acht personen in een enkele kamer dicht op elkaar gedrongen moeten leven, zodat ze zelfs geen lucht en geen licht krijgen, en hun kinderen naar school moeten sturen in een dusdanige toestand dat ze soms uitgeput door honger en zwakte in elkaar zakken. Men zegt dan: moeten zij die de algemene vooruitgang willen bevorderen niet in de eerste plaats heel hun streven erop richten in zulke omstandigheden hulp te verschaffen? In plaats van hun denken te richten op de beginselen van de hogere geestelijke werelden zouden ze er beter aan doen zich bezig te houden met de vraag, hoe de sociale wantoestanden zouden zijn op te heffen. ‘Als de geesteswetenschap eens uit haar ijzige eenzaamheid zou willen afdalen onder de mensen, onder het volk; als ze in ernst en in waarheid de ethische eis van de algemene broederlijkheid bovenaan zou stellen in haar programma, en als ze nu eens daarnaar zou handelen, onbekommerd om alle consequenties ervan; als ze het woord van Christus over de naastenliefde tot sociale daad zou maken; dan zou ze een kostelijk onvervreemdbaar bezit van de mensheid worden en blijven.’  Zij die bedenkingen van deze aard tegen de geesteswetenschap hebben, menen het goed. Toegegeven moet zelfs worden, dat ze wat velen betreft die zich bezighouden met het bestuderen van de geesteswetenschap gelijk hebben. Ongetwijfeld zijn er onder hen die alleen voor hun eigen geestelijke behoeften willen zorgen, die alleen iets willen weten over dit ‘hogere leven’, over het lot van de ziel na de dood en zo meer. Ongelijk hebben de mensen zeker niet, die zeggen dat het in deze tijd een dringender plicht is de deugd der naastenliefde in praktijk te brengen en de mensen welvaart te geven, dan in een buiten alle werkelijkheid staande eenzaamheid de een of andere in de ziel sluimerende hogere aanleg te ontwikkelen. Zij die in de eerste plaats dat laatste willen, zouden beschouwd kunnen worden als mensen met een verfijnde zelfzucht, voor wie het eigen zieleheil meer telt dan de algemeen menselijke deugden.

— Al even vaak is te horen hoe erop wordt gewezen, dat voor een streven als dat van de geesteswetenschap toch alleen maar mensen belangstelling kunnen hebben, die het ‘goed gaat’ en die daarom hun ‘vrije tijd’ aan zulke dingen kunnen wijden. Wie echter van de ochtend tot de avond zijn handen moet uitsteken om een veel te laag loon te verdienen, die mag niet worden afgescheept met praatjes over de eenheid van alle mensen, het ‘hogere leven’ en meer van zulke dingen.

Juiste begrip
Zeker is het, dat in dit opzicht ook door hen die de geesteswetenschap beoefenen veel wordt gezondigd. Maar niet minder waar is het, dat een met het juiste begrip opgevat geesteswetenschappelijk leven de mens ook als individu tot offervaardigheid en werk van algemeen nut zal moeten brengen.
In ieder geval zal de geesteswetenschap niemand kunnen beletten, een net zo goed mens te zijn als de anderen, die niets van geesteswetenschap weten of willen weten.
Maar dit alles heeft nog helemaal niets te maken met de hoofdzaak van het sociale vraagstuk. Om tot deze hoofdzaak door te dringen is nog heel wat meer nodig dan de tegenstanders van het geestelijkwetenschappelijke streven willen toegeven. Wel moet aan de tegenpartij zonder meer worden toegegeven, dat er al veel is te bereiken met de middelen die van verschillende kanten ter verbetering van de sociale positie van de mensen worden voorgesteld. De ene partij wil dit doen, de andere weer wat anders. Verschillende van zulke partijpolitieke eisen blijken bij goed nadenken al gauw alleen maar hersenschimmen te zijn; maar in veel ervan zit toch ook beslist een uitstekende kern.

Owen (1771-1858), die zeker een van de edelste reformatoren op sociaal gebied was, heeft er telkens weer de nadruk op gelegd, dat de mens door zijn milieu wordt bepaald, dat het karakter van de mens niet door hemzelf wordt gevormd maar door de omstandigheden waarin hij opgroeit. De juistheid van zulke stellingen zal door mij volstrekt niet worden bestreden. En nog minder zullen ze met een geringschattend schouderophalen mogen worden afgedaan, ook al zijn ze tot op zekere hoogte eigenlijk vanzelfsprekend. Er zal integendeel zonder meer moeten worden toegegeven, dat er al veel kan worden verbeterd als men zich in het openbare leven naar zulke uitspraken richt.
Daarom ook zal de geesteswetenschap niemand beletten zich in te zetten voor de vooruitgang en deel te nemen aan al die werken, die in de geest van dergelijke uitspraken het lot willen verbeteren van de verdrukte en noodlijdende klassen van de maatschappij. Maar de geesteswetenschap moet verder gaan. Een ingrijpende vooruitgang kan namelijk door al zulke middelen nimmer worden bewerkstelligd. Wie dat niet toegeeft, heeft zich er nooit een duidelijke voorstelling van gemaakt, waar de omstandigheden vandaan komen, waarin de mensen zich bevinden. Voor zover namelijk het leven van de mens afhankelijk is van deze omstandigheden, zijn deze zelf door mensen veroorzaakt. Of wie anders heeft dan de regelingen getroffen waardoor de ene arm, de andere rijk is? Dat hebben toch andere mensen gedaan?
Dat deze ‘andere’ mensen merendeels hebben geleefd voor degenen die nu onder de omstandigheden gedijen of niet gedijen, dat verandert toch echt niets aan deze feitelijke situatie. Het lijden dat de natuur zelf de mensen aandoet, komt voor de sociale positie alleen indirect in aanmerking. Dit lijden moet juist door het menselijk handelen worden verlicht of ongedaan worden gemaakt.
Gebeurt datgene wat in dit opzicht noodzakelijk is niet, dan zijn het dus toch weer alleen de zo nodige menselijke instellingen die ontbreken. – Een deugdelijk inzicht in de dingen leert ook, dat al het kwade dat terecht als sociaal kwaad kan worden aangeduid, dan ook afkomstig is van menselijke daden. In dit verband is het niet direct de afzonderlijke mens, maar wel echter de mensheid als geheel die ‘de smid van zijn eigen geluk’ is.

Zo zeker als dit echter is, zo waar is het ook, dat in groter verband gezien geen enkele belangrijke partij, geen enkele kaste of klasse, het leed van een andere groep met boosaardige bedoelingen zal veroorzaken. Alles wat in deze richting wordt beweerd, berust enkel op gebrek aan inzicht. Hoewel ook dit eigenlijk een vanzelfsprekende waarheid is, moet ze toch worden uitgesproken. Want al zijn zulke dingen voor wie zijn verstand gebruikt dan ook nog zo duidelijk, men handelt er in het praktische leven toch geenszins naar. Het zou ieder die zijn medemensen uitbuit natuurlijk het liefst zijn, wanneer de slachtoffers van zijn uitbuiting niet zouden hebben te lijden. We zouden al een stuk verder zijn, als we dat niet alleen geheel vanzelfsprekend zouden vinden, maar ook onze indrukken en gevoelens daarmee in overeenstemming zouden doen zijn. Ja, maar wat moeten we nu met dergelijke beweringen beginnen? Zo zal ongetwijfeld menig ‘sociaal denkend mens’ tegenwerpen. Moet misschien degene die wordt uitgebuit ook nog welwillende gevoelens koesteren jegens zijn uitbuiter? Is het niet al te begrijpelijk, als de eerste de laatste haat en door die haat wordt gedwongen partij te kiezen? Het zou toch wel een heel slecht recept zijn, zo zal men er verder nog tegenin kunnen brengen, als de onderdrukte mens zou worden aangemaand zijn onderdrukker toch vooral lief te hebben als zijnde zijn naaste, zoiets als in de geest van de uitspraak van de grote Boeddha : ‘Haat wordt niet door haat, maar alleen door liefde overwonnen’.

Nochtans leidt in deze tijd alleen het inzicht dat aan dit punt aanknoopt tot een werkelijk ‘sociaal denken’. En juist hier nu begint de geesteswetenschappelijke denkwijze. Deze kan namelijk niet volstaan met aan de oppervlakte van de begrippen te blijven, maar moet er dieper op ingaan. Daarom kan ze niet volstaan met aan te tonen dat door deze of gene omstandigheid ellende wordt veroorzaakt, maar ze moet doordringen tot het enige werkelijk vruchtdragende inzicht, waardoor deze omstandigheden zijn ontstaan en nog weer voortdurend opnieuw ontstaan. En tegenover deze diepgaande vraagstukken blijken dan de meeste sociale theorieën niet meer dan ‘vage theorieën’, vaak zelfs niet meer dan holle frasen.

Zo lang als men met zijn denken aan de oppervlakte blijft, zolang kent men aan de omstandigheden, vooral wat betreft de uiterlijke omstandigheden een totaal onjuiste macht toe. Deze omstandigheden zijn namelijk alleen maar het zich kenbaar maken van een innerlijk leven. En zoals alleen hij het menselijk lichaam begrijpt, die weet dat dit de uitdrukkingsvorm van de ziel is, zo kan ook alleen hij de uiterlijke instellingen in het leven op de juiste wijze beoordelen, die zich duidelijk voor de geest stelt dat deze niets anders zijn dan het product van de mensenzielen, die hun gevoelens, neigingen en gedachten daarin belichamen. De omstandigheden, waarin men leeft, zijn door de medemensen zo gemaakt; en men zal zelf nooit betere kunnen scheppen, als men niet uitgaat van andere gedachten, neigingen en gevoelens dan zulke welke voorgaande scheppers hadden.

Zulke dingen moet men tot in de bijzonderheden nauwkeurig beschouwen. Uiterlijk bekeken zal gemakkelijk diegene voor onderdrukker worden gezien, die er prachtig huisraad op na kan houden, in de trein van de eerste klasse gebruik kan maken enzovoorts. En als de onderdrukte wordt hij schouwd, die een eenvoudige jas moet dragen en vierde klas moet reizen. Men behoeft echter geen harteloos individu, ook geen reactionair of is dergelijks te zijn, om zich toch het volgende duidelijk voor te kunnen stellen. Niemand wordt onderdrukt en uitgebuit door het feit dat ik een of andere jas draag, maar alleen daardoor, dat ik degene die de jas voor me maakt te weinig voor zijn werk uitbetaal. De arme arbeider die een eenvoudige jas koopt voor weinig geld, is tegenover zijn medemensen in dit opzicht in precies dezelfde situatie als de rijke, die zich een betere jas laat maken. Of ik arm ben of rijk: ik buit uit als ik dingen verwerf die niet voldoende worden betaald. Eigenlijk zou heden niemand iemand anders een onderdrukker mogen noemen, voor hij eerst eens zichzelf zou hebben onderzocht. Doet hij dat laatste strikt, dan zal hij ook in zichzelf al gauw de ‘onderdrukker’ ontdekken. Want wordt het werk, dat aan de welgestelde wordt geleverd, alleen aan hem geleverd voor zo’n slecht arbeidsloon? Nee, degene die naast je zit en met jou over onderdrukking klaagt, verschaft zich het werk van jouw handen tegen precies dezelfde voorwaarde als de welgestelde, tegen wie jullie je allebei keert. Ga dit eens grondig na, en je zult andere aanknopingspunten voor het ‘sociale denken’ vinden dan de gebruikelijke.
.

Vertaald door Co Rotermundt, Jonas 22, 02-07-1976
.

Algemene menskunde:   1-4

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1272

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.