VRIJESCHOOL – Rekenen in beweging

.
In 1994 verscheen t.b.v. het rekenonderwijs in de vrijeschool het rekenwerkboek

‘REKENEN IN BEWEGING’

Een aantal vrijeschoolleerkrachten, waaronder ikzelf, werkten o.l.v. prof. Fred Goffree alle mogelijke gezichtspunten uit wat resulteerde in het boek waarvan hieronder voor- en achterkant staan.
Fred Goffree is vorig jaar overleden; een nieuwe druk – het boek is inmiddels uitverkocht – wordt niet overwogen.
Dat betekent dat niet iedereen die geïnteresseerd is in ‘rekenen op de vrijeschool’ gemakkelijk over dit boek kan beschikken.

Van de Stichting Leerplan Ontwikkeling kreeg ik toestemming om het op deze blog te publiceren.

.

Inhoudsopgave
Voorwoord en inleiding
Hoofdstuk    [1] [2] [3[4] [5] [6] [7] [8[9]
Slot (1-1) Reflectieve notitie
Slot (1-2) Korte toelichting bij enkele gebruikte begrippen
Slot (1-3) Citaten van Rudolf Steiner met betrekking tot                                    aanvankelijk rekenen
Slot (1-4) Literatuuropgave
.

Rekenen: alle artikelen op deze blog

.

2543-2381

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/24)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

IJZEREN HANS

Er was eens een koning en bij zijn slot lag een groot woud, waarin allerlei wild rondliep. Op een keer stuurde de koning er een jager op uit om een ree te schieten, maar hij kwam niet terug. ‘Misschien is hem een ongeluk overkomen,’ zei de koning en stuurde de volgende dag twee andere jagers erop uit die hem moesten zoeken, maar die bleven ook weg. Toen liet de koning de derde dag al zijn jagers bij zich komen en sprak: ‘Trek door het hele woud en kom niet terug voor jullie hen alle drie hebt gevonden,’ maar ook van deze jagers kwam er geen een weerom en van de meute die zij hadden meegenomen werd geen hond meer gezien. Vanaf die tijd waagde niemand zich meer in het woud en het lag daar stil en verlaten en men zag er alleen nu en dan een adelaar of een havik overheen vliegen.

Toen de mens die in oude tijden leefde nog op een koning leek, lag er in zijn binnenwereld (zijn rijk) een gebied dat nog weinig toegankelijk was. Dat was het gebied van het vegetatieve leven; daar was woekerende groei van allerlei krachten dicht bij elkaar; er was nog weinig onderzocht en overwonnen. De taal van het beeld noemt dit gebied ‘het grote woud’. Er waren wel jagers, koninklijke jagers in doorgedrongen, die het ‘wild’ te lijf moesten gaan: de  driften die in dit gebied van nature huizen. Maar ze zijn er allemaal in ten onder gegaan.

Dat duurde vele jaren; toen meldde zich een vreemde jager bij de koning, die was op zoek naar een betrekking en hij bood aan, het gevaarlijke woud in te gaan. Maar de koning wilde zijn toestemming niet geven en sprak: ‘Het is daar niet pluis. Ik ben bang dat het jou niet beter zal vergaan dan de anderen en dan kom je er niet meer uit.’ De jager antwoordde: ‘Heer, ik wil het op eigen verantwoording ondernemen – vrees ken ik niet.’ De jager ging dus met zijn hond naar het woud. Het duurde niet lang of de hond kwam een dier op het spoor en wilde er achteraan gaan maar nauwelijks had hij een paar passen gelopen of hij stond voor een diepe poel en kon niet verder en een naakte arm kwam uit het water, pakte hem en trok hem naar beneden. Toen de jager dat zag, ging hij terug en haalde drie mannen die met emmers het water eruit moesten scheppen. Toen zij de bodem konden zien, lag daar een wildeman die een lichaam had zo bruin als verroest ijzer en haar dat over zijn gezicht tot op zijn knieën viel.

Pas als de tijd rijp is, lukt het degene die vrijwillig en zonder schroom daar naartoe gaat om te leren wat zich in die geheimzinnige sfeer afspeelt. De zin om dat op te sporen is wakker en snelt hem vooruit (de hond); die wordt weliswaar in een onbekende diepte getrokken, maar daardoor komt de jager te weten wat er nu nodig is. 
Iedere ‘diepte’ moet ‘scheppend’ worden benaderd! Hij die zeker is van zijn doel en niet bang de dingen onder ogen te zien, zet drie even actieve geestkrachten in (zijn voelen, denken en willen – hier de drie mannen), om deze onbekende diepte te doorgronden.
De gezamenlijke activiteit heeft succes, wat voordien niet mogelijk was, nl. te doorzien wat er aan diepte ten grondslag ligt: een enorme natuurkracht die tot nog toe alles naar beneden trok, zelf niet in het daglicht verscheen, de wilde man, de IJzeren Hans.
De wildeman was. zoals we al eerder zagen, een van de meest voorkomende symbolische beelden uit de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd. Je ziet hem nog in musea, op schilden van herbergen, op muren van huizen. Hij werd altijd naakt afgebeeld. ‘Naakt’ betekent, wat zijn wezen betreft, niet in het omhulsel van het lichaam. Vaak heeft hij een knuppel in zijn hand of een uitgetrokken boom, soms met bladeren om zijn hoofd en heupen gewonden. 
De mensen moeten zien hoe sterk en wild zijn natuurkracht is, en hoe ze zelf als geestelijke mens met deze natuurmens om moeten gaan. 
In ons sprookje is hij ‘bruin als roestig ijzer’; zinnebeeldig is hij de kracht die in het ijzer in ons bloed zit. ‘Roestig’ ijzer wordt aan de elementen overgelaten; het wordt nog niet door Ik-kracht die het veranderen kan, verzorgd en gebruikt.

Zij bonden hem met touwen vast en brachten hem naar het slot. Daar was iedereen zeer verbaasd over de wildeman, maar de koning liet hem in een ijzeren kooi op het slotplein zetten en hij verbood op straffe des doods de deur van de kooi te openen en de koningin zelf kreeg de sleutel in bewaring. Van nu af aan kon iedereen weer veilig het woud ingaan.

Het oude Zelf van de mens (de koning) probeert deze natuurkracht die hem vreemd is, in te perken en de orde te bewaren. Ook in de buitenwereld was het ijzer als te verwerken stof  lang onbekend; maar de ontwikkeling die met de ontdekking ervan zijn gang ging, kon niet worden tegengehouden.

De koning had een zoontje van acht jaar dat eens op het slotplein speelde en onder het spelen viel zijn gouden bal in de kooi. De jongen liep erheen en zei: ‘Geef mij mijn bal eens aan.’ – ‘Niet eerder,’ antwoordde de man, ‘dan dat je de deur voor mij hebt opengemaakt.’ – ‘Nee,’ zei de knaap, ‘dat doe ik niet, dat heeft de koning verboden,’ en hij liep weg. De volgende dag kwam hij terug en eiste zijn bal op maar de wildeman zei: ‘Maak mijn deur open,’ maar de jongen wilde niet. De derde dag was de koning op jacht en toen kwam de jongen weer en zei: ‘Al zou ik het willen, ik kan de deur niet openmaken want ik heb de sleutel niet.’ Toen zei de wildeman: ‘Die ligt onder het hoofdkussen van je moeder. Daar kan je hem halen.’ De jongen die graag zijn bal wilde terug hebben, overwon zijn aarzeling en haalde de sleutel. De deur ging moeizaam open en de jongen klemde zijn vinger. Toen de deur open was, kwam de wildeman eruit, gaf hem zijn gouden bal en holde weg. De jongen was bang geworden, hij schreeuwde en riep hem na: ‘Ach wildeman, ga niet weg, anders krijg ik slaag.’ De wildeman keerde om, tilde hem op, zette hem op zijn schouders en liep snel het bos in. Toen de koning thuiskwam zag hij de lege kooi en vroeg aan de koningin hoe dat gekomen was. Zij wist er niets van en zocht de sleutel, maar die was weg. Zij riep de jongen maar niemand antwoordde. De koning zond zijn mensen het veld in om hem te zoeken maar zij vonden hem niet. Toen kon hij wel raden wat er gebeurd was en er heerste diepe rouw aan het koninklijk hof.

In ons sprookje is de koningszoon acht jaar oud als dit dramatische deel begint. 
Ook al wil het overgeërfde Zelf ( de vader) deze angstaanjagende natuurkracht tegenhouden, de naïeve kracht van het wordende Ik (de zoon) komt er onvermijdelijk mee in aanraking: de koningszoon raakt zijn bal aan IJzeren Hans kwijt. Tot het achtste jaar zit er in alles wat een kind doet, nog een onbewust dromend iets. Niet zijn vrije Ik handelt, maar een kinderlijke levenskracht speelt met samenge-bal-de wijsheid (met de gouden bal). Deze instinctieve gave valt ten prooi aan de ijzerkracht die vrij wil worden. IJzer is nodig om ons bewustzijn in ons lichaam te verankeren. Het is de basis voor ons Ik-bewustzijn. We worden slap en willoos wanneer we te weinig ijzer in ons bloed hebben. 
IJzeren Hans komt vrij en bevrijdt ook de jongen die hij wegdraagt. Het vrij worden van een natuurkracht verloopt niet zonder pijn: hij klemt zijn vinger. Het ‘hand-elen’, tot nog toe onbewust spelend, wordt plotseling beperkt (ingeklemd). Pijnlijk bewust wordt nu het eigen-handelen. Het jonge Ik maakt zich los uit de overgeërfde krachten, het geestelijk-vaderlijke en het zielsmatige van de moeder, het komt nu onder de invloed van het ijzer.

Toen de wildeman weer in het duistere woud was aangekomen nam hij de jongen van zijn schouders en sprak tot hem: ‘Je vader en je moeder zie je nooit meer terug, maar ik zal je bij mij houden, wantje hebt mij bevrijd en ik heb medelijden met je. Als je alles doet wat ik zeg, zal je het goed bij mij hebben. Goud en schatten heb ik genoeg, meer dan wie ook in de wereld.’ Hij maakte een bed van mos voor de jongen waarop hij insliep en de volgende morgen bracht de man hem naar een bron en zei: ‘Zie je, de goudbron is zo helder als kristal – jij moet erbij gaan zitten en opletten dat er niets invalt, anders wordt hij ontwijd. Iedere avond kom ik kijken of je mijn gebod hebt opgevolgd.’ De jongen ging aan de rand van de bron zitten en zag dat zich daarin dan weer een gouden vis, dan weer een gouden slang liet zien en hij zorgde ervoor dat er niets in het water viel. Toen hij daar zo zat begon zijn vinger hem zo’n pijn te doen dat hij hem onwillekeurig in het water stak. Hij trok hem er snel weer uit, maar toen zag hij dat de vinger al helemaal verguld was en hoeveel moeite hij ook deed het goud er weer af te vegen, het was allemaal vergeefs, ’s Avonds kwam IJzeren Hans terug, keek de jongen aan en vroeg: ‘Wat is er met de bron gebeurd?’ – ‘Niets, niets,’ antwoordde hij en hield zijn vinger op zijn rug opdat hij hem niet zou zien. Maar de man zei: Je hebt je vinger in het water gedoopt – deze keer zal ik het je vergeven, maar pas op dat je er niet nogmaals iets in laat vallen.’ Heel vroeg in de morgen zat de jongen al bij de bron om die te bewaken. Zijn vinger deed hem weer pijn en hij streek ermee over zijn hoofd; toen viel er per ongeluk een haar in de bron. Hij nam hem er snel uit maar hij was al helemaal verguld. IJzeren Hans kwam en hij wist al wat er gebeurd was. Je hebt een haar in de bron laten vallen,’ zei hij, ‘ik zal het nog één keer door de vingers zien, maar als het voor de derde maal gebeurt dan is de bron ontwijd en dan kan je niet langer bij mij blijven.’

De derde dag zat de jongen bij de bron en hoeveel pijn hij ook aan zijn vinger had, hij bewoog hem niet. Maar de tijd begon hem lang te vallen en hij bekeek zijn gezicht in de waterspiegel. Toen hij zich daarbij steeds verder voorover boog om zichzelf in de ogen te kunnen zien, gleden zijn lange haren van zijn schouders af in het water. Hij richtte zich snel op maar al zijn haar was al verguld en het glansde als de zon. Jullie kunt je wel indenken hoe die arme jongen schrok. Hij nam zijn zakdoek en bond die om zijn hoofd dat de man het niet zou zien. Maar toen hij kwam wist hij alles al en hij zei: ‘Maak die doek los.’ En daar kwam het gouden haar te voorschijn en hoe de jongen zich ook verontschuldigde, het hielp niets. Je hebt de proef niet doorstaan en je kunt niet langer hier blijven. Ga de wereld in, dan zal je ervaren wat het is om arm te zijn. Maar omdat je geen kwaad hart hebt en ik het goed met je meen, zal ik je één ding toestaan – als je in nood bent, ga dan naar het bos en roep “IJzeren Hans”, dan kom ik je te hulp. Mijn macht is groot, groter dan je denkt en goud en zilver heb ik in overvloed.’

Het ijzer leidt hem nu en maakt hem wijzer. Het eerste wat hij moet leren is dat de gouden bron van de wijsheid van de kindertijd waarvan het bestaan nu voor het prille Ik duidelijk wordt, moet behoed worden. Daarin glanzen de ‘gouden vissen’, die gedachten die niet gedacht worden, maar vol wijsheid uit de diepten ‘opduiken’, en de ‘gouden slang’, die nog niet de verleider van het intellect is geworden. Het is ‘ijzeren’ noodzakelijkheid dat de gouden bron beschermd wordt. Van pijn vervuld raakt de koningszoon door zijn handelen in conflicten: hij kan de gouden bron niet zuiver houden. En wat zich in het handelen voordoet, gebeurt ook in het denken (de jongen grijpt naar zijn haren). Daar worden de conflicten bewust en omdat het jonge Ik dat nu vrij is van vader en moeder zichzelf wil beschouwen en leren kennen, krijgt het weliswaar een waarneming van zichzelf, maar wat hij ziet is het Zelf van de gouden bron van zijn kindertijd. Onderdompeling in deze scheppende bron vervult hem met wijsheid (zijn haren vallen erin en worden goudkleurig); maar je zelf zien en zelfkennis zijn nog niet rijp. 
Nooit mag de mens met het goud dat hij zo verkrijgt, tevreden zijn. De wijsheid van het kind – al was het tot genialiteit geworden – kan in het leven niet blijvend zijn, wanneer het exacte individuele denken niet tevens ontwikkeld wordt.
Zonder de activiteit van het hoofd, het hersenwerk dat ons in eerste instantie afsnoert van de kosmos en ons tot een zelfstandige persoon maakt, gaat het niet.
In het sprookje zijn kap of hoed het beeld voor dit hoofddenken. ‘Jij bent een Ik,’ zegt het ijzer in het bloed, ‘je moet alles op je nemen – Duits heeft hier ‘auf die Kappe nehmen’. En zo worden de haren eerst met een doek bedekt en later met een hoedje.
Verder leert het ijzer aan de koningszoon nog: ga de wereld in en leer de armoede kennen; wat je bezit, moet je door eigen werk verkrijgen, je moet je ontwikkelingsweg gaan en een universeel denken, een wereldbeschouwing je eigen maken. Sommige van deze paden zijn door anderen betreden, sommige moet je zelf vinden.

Toen verliet de koningszoon het woud en liep steeds verder over gebaande en ongebaande wegen tot hij tenslotte in een grote stad kwam. Daar zocht hij werk maar hij kon niets vinden en hij had ook niets geleerd waarmee hij de kost kon verdienen. Ten langen leste ging hij naar het slot en vroeg of hij daar mocht blijven. De hovelingen wisten niet waarvoor zij hem moesten gebruiken, maar zij mochten hem wel en lieten hem blijven. Ten slotte nam de kok hem in dienst en zei dat hij hout en water kon aandragen en de as aanvegen. Eens, toen er niemand anders bij de hand was, beval de kok hem de spijzen naar de koninklijke dis te brengen; omdat hij echter zijn gouden haar niet wilde laten zien, hield hij zijn hoedje op. Zoiets had de koning nog nooit meegemaakt en hij sprak: ‘Als je bij de koninklijke tafel komt, moet je je hoed afzetten.’ – ‘Ach Heer,’ antwoordde hij, ‘dat kan niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Toen liet de koning de kok roepen, berispte hem en vroeg, hoe hij zo’n jongen in dienst had kunnen nemen; hij moest hem dadelijk wegjagen. Maar de kok had medelijden met hem en verruilde hem voor de tuinjongen.

Nu komt de koningszoon bij een andere, vreemde koning. Hij komt op een ander gebied, dat van de ziel. 
Eerst moet hij in de keuken werken, hout dragen, water halen en de as omkeren. ‘Hout dragen’ betekent altijd het dorre, het verdroogde dagelijks op je nemen en wegbrengen. Dat is het bijv. het abstract geworden levenloze denken. ‘Water’ is als tegenstelling, het vloeibaar-beweeglijke element van de ziel; de ‘bron’ vinden, stromend het ‘scheppende’ verkrijgen, is de noodzakelijke aanvulling.
Een oude Chinese waarheid zegt: ‘O, hoe zonderbaar, hoe opmerkelijk is het: Ik schep water, ik draag brandhout.’
En de as wordt omgekeerd: ‘as’ is het gelouterde (in alchemistische zin) het wilsvuur dat in het innerlijk oplaait, loutert, leidt tot een innerlijke verandering.

Bij de kok van de koning dienen betekent: ervaren wat echt zielenvoeding en voedsel voor de geest is. En dan mag hij uiteindelijk de heerser van het rijk ontmoeten. Velen die deze trap bereikt hebben, denken nu dat ze van verder leren kunnen afzien en zou de hoed voortijdig afgezet hebben; maar onze held niet, hij voelt de verantwoording voor nog hogere ontwikkeling. De tijd is nog niet rijp om de rijkdom van de gouden haren te tonen.
Nu begint een nieuwe fase van de zelfopvoeding.

Nu moest de jongen in de tuin planten en gieten, spitten en graven en hij was blootgesteld aan weer en wind. Op een zomerdag toen hij alleen in de tuin werkte, was het zó warm dat hij zijn hoedje afnam zodat de lucht hem wat verkoeling zou brengen. Toen de zon op zijn haar scheen, glinsterde en flonkerde het zó, dat de stralen in de slaapkamer van de koningsdochter vielen en zij sprong op om te zien wat dat was. Toen zag zij de jongen en riep hem toe: Jongen, breng mij eens een bos bloemen.’ Hij zette vliegensvlug zijn hoedje weer op, plukte wilde veldbloemen en bond ze bij elkaar. Toen hij daarmee de trap opging kwam hij de tuinman tegen die zei: ‘Hoe kun je nu aan de koningsdochter een boeket van zulke simpele bloemen brengen? Ga gauw andere halen en zoek de beste en de zeldzaamste uit.’ – ‘Ach nee,’ antwoordde de jongen, ‘de wilde ruiken sterker en zullen haar beter bevallen.’ Toen hij in de kamer kwam sprak de koningsdochter: ‘Neem je hoedje af, het is niet behoorlijk om het in mijn tegenwoordigheid op te houden.’ Hij antwoordde weer: ‘Dat mag ik niet want ik heb schurft op mijn hoofd.’ Zij greep echter naar het hoedje en trok het af: daar vielen zijn gouden haren over zijn schouders en het was prachtig om te zien. Hij wilde weghollen maar zij hield hem aan zijn arm vast en gaf hem een handvol dukaten. Hij ging ermee weg maar hij gaf niet om het goud en bracht het aan de tuinman en zei: ‘Ik geef het aan je kinderen, die kunnen ermee spelen.’ De volgende dag riep de koningsdochter hem weer toe, dat hij haar een bos veldbloemen moest brengen en toen hij daarmee binnenkwam, greep zij dadelijk naar zijn hoedje om het hem af te nemen, maar hij hield het met beide handen vast. Zij gaf hem weer een handvol dukaten maar hij wilde ze niet houden en gaf ze aan de tuinman voor zijn kinderen om mee te spelen. De derde dag ging het net zo. Zij kon hem zijn hoedje niet afnemen en hij wilde haar goud niet hebben.

De koningszoon wordt tuinman; in onze taal bestaan er allerlei beelden bij. Wie het zaad van het woord in het aardrijk van zijn ziel kan zaaien, wie in staat is kiemen te verzorgen, het zwakke steun te bieden en geduldig te wachten tot de vruchten rijp worden, lijkt op een tuinman die het leven bevordert en het edele tot groei brengt.
Het is een ontwikkelingstrap die iedere opvoeder zou moeten bereiken, m.n. de kleuterleid(st)er en de leerkracht. 
Vanzelfsprekend valt de jongeling nu op bij de hogere ziel (de koningsdochter); zij weet van de rijkdom die hij in zijn kindertijd meegekregen heeft en die hij met het logische denken dat hij voortdurend verder ontwikkelt en als een schat
be-hoed-t. Voor het vrij wordende Ik is het een karakteristiek teken dat de jongeling ook in de nabijheid van de koningsdochter, net zo als bij de koning, zijn hoedje ophoudt. Hij wil zelf beslissen wanneer het tijd is, dat hij dit persoonlijke eigen-denken (zijn hoedje) af kan zetten. Ook goudstukken die de koningsdochter hem geeft, hebben voor hem weinig waarde, wel wetend dat de zoeker naar wijsheid niet met iedere ‘gemunte’ waarheid tevreden mag zijn.

Niet lang daarna kwam er oorlog in het land. De koning bracht zijn volk bijeen maar hij wist niet of hij de vijand, die overmachtig was en een groot leger had, wel weerstand kon bieden. Toen zei de tuinjongen: ‘Ik ben volwassen en wil mee ten strijde trekken, geef mij maar een paard.’ De anderen lachten en zeiden: ‘Als wij weg zijn, zoek je er maar een uit – wij zullen er een voor je in de stal achterlaten.’ Toen zij weg waren, ging hij naar de stal en haalde het paard eruit; het was aan een been kreupel en hinkte, hinkelepink, hinkelepink. Toch ging hij erop zitten en reed naar het donkere woud. Toen hij aan de rand daarvan was gekomen riep hij driemaal zó hard ‘IJzeren Hans’ dat het tussen de bomen schalde. Dadelijk daarop verscheen de wildeman en vroeg: ‘Wat wens je?’ – ‘Ik wens een sterk paard want ik wil ten strijde trekken.’ -‘Dat zal je krijgen en meer dan dat.’ Daarop ging de wildeman weer het bos in en het duurde niet lang of er kwam een stalknecht uit het bos die een paard aan de teugel leidde dat met opengesperde neusgaten snoof en nauwelijks in toom te houden was. Daar achteraan kwam een grote schare krijgsvolk, allemaal geharnast, en hun zwaarden blonken in de zon. De jongeling gaf zijn driebenig paard aan de stalknecht, besteeg het andere en reed weg aan het hoofd van zijn schare. Toen hij bij het slagveld kwam was er al een groot deel van de soldaten van de koning gevallen en het scheelde niet veel of de anderen moesten terugtrekken. Toen kwam de jongeling met zijn geharnast krijgsvolk aanjagen, voer als een stormwind over de vijand heen en sloeg iedereen neer die zich tegen hem verzette. Zij sloegen op de vlucht maar de jongeling zat hen op de hielen en hield niet op voor er niemand meer over was.
Doch in plaats van naar de koning terug te keren, leidde hij zijn troep weer naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg de wildeman. ‘Neem je paard en je krijgsvolk terug en geef mij mijn driebenig paard weer.’ Alles gebeurde zoals hij wenste en hij reed op zijn driebenig paard naar huis.

Wanneer het rijk van de ziel in gevaar is en het koninkrijk wordt bedreigd, moet het Ik bereid zijn zich optimaal in te zetten. Alle strijdbare krachten worden opgeroepen. Die staan de mens altijd ten dienste, wanneer hij ernstig wil en de ijzerkracht in zijn bloed bemerkbaar is. Voor de strijd heeft de held het sterkste paard nodig: het is het symbool van het instinctieve verstand, die kracht die, getemd en beteugeld, actief tot geestelijke doelen kan leiden.
Plato vergelijkt het verstand van de mens met een paard dat hij bij de teugel houdt. 
Ook in onze taal vind je een hele reeks toepasselijke uitdrukkingen: ‘hij zit hoog te paard’, ‘hij heeft het verstand van een knol’, ‘vast in het zadel zitten’ e.a. 
De koningszoon krijgt nu een paard dat aan één been lam is, een kreupel paard. Maar hij wijst het niet af en gebruikt het ‘desondanks’. 
In vele sprookjes met een Ik-motief komt het beklagenswaardige, schurftige en hinkende paard voor. Het beeld wijst erop dat de mens alleen door eigen toedoen zijn verstand veranderend ontwikkelt tot de best mogelijk dragende kracht. Alle opgeroepen krachten zijn ‘allemaal geharnast’ en daardoor lukt het de inzet van het Ik, wat de zielen-koning alleen niet voor elkaar kon krijgen: de macht van de tegenstander wordt teruggeslagen. Bescheiden keert de echte geestesstrijder terug naar zijn dagelijks leven.

Toen de koning weer in zijn slot terugkeerde kwam zijn dochter hem tegemoet om hem geluk te wensen met de overwinning. ‘Niet ik heb de zege behaald,’ sprak hij, ‘maar een vreemde ridder die mij met zijn schare te hulp kwam.’ Zijn dochter wilde weten wie die vreemde ridder was, maar de koning wist het niet en zei: ‘Hij is de vijand achterna gegaan en ik heb hem niet meer gezien.’ Zij vroeg bij de tuinman naar de jongen, maar die lachte en sprak: ‘Hij is juist op zijn driebenig paard thuisgekomen en de anderen hebben hem bespot en toegeroepen: “Daar komt onze hinkelepink weer aan.” Zij vroegen ook: “Achter welke heg heb jij onderwijl liggen slapen?” Hij antwoordde: “Ik heb het beste werk verricht, zonder mij was het slecht afgelopen.” Toen werd hij nog meer uitgelachen.’
De koning sprak tot zijn dochter: ‘Ik ga een groot feest geven dat drie dagen zal duren en jij moet een gouden appel werpen – misschien komt de onbekende ridder ook.’ Toen het feest was aangekondigd ging de jongeling naar het woud en riep IJzeren Hans. ‘Wat wens je?’ vroeg hij. ‘Dat ik de gouden appel van de koningsdochter vang.’ – ‘Het is of je hem al had,’ zei IJzeren Hans, ‘je krijgt er een rode wapenrusting bij en je zult rijden op een fiere vos.’ Toen de dag aanbrak kwam de jongen aandraven en stelde zich op tussen de ridders en hij werd door niemand herkend. De koningsdochter trad naar voren en wierp de ridders een gouden appel toe, maar hij was de enige die hem ving; maar zodra hij hem had, galoppeerde hij weg. De tweede dag had IJzeren Hans hem uitgerust als een witte ridder en hem een schimmel gegeven. Weer ving alleen hij de appel, bleef echter geen ogenblik staan maar galoppeerde ermee weg. De koning werd boos en zei: ‘Dat mag niet. Hij moet voor mij verschijnen en zijn naam zeggen.’ Hij gaf bevel, als de ridder die de appel had gevangen, zich weer uit de voeten maakte, moesten zij hem nazetten en wanneer hij niet goedschiks terugkeerde, op hem inslaan en hem steken. De derde dag kreeg de jongeling van IJzeren Hans een zwarte uitrusting en een zwart paard en hij ving opnieuw de appel, maar toen hij ermee weggaloppeerde volgden de mannen van de koning hem en één kwam zo dichtbij, dat hij hem met de punt van zijn zwaard aan zijn been verwondde. Hij ontkwam hen evenwel maar zijn paard ging er met zo’n geweldige sprong vandoor dat de helm van zijn hoofd viel en toen zagen zij dat hij goud haar had. Zij reden terug en meldden alles aan de koning.

De appel is de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dat wordt een gouden appel wanneer deze kennis tot wijsheid wordt. De koninklijke ziel moet deze vrucht ten goede laten komen aan degene die deze kan vastgrijpen.
Het Ik verlangt daarnaar en opnieuw is het de natuurkracht van het ijzer die hem daarbij helpt; want hij krijgt de rode uitrusting en het rode ros. Ons bloed is de basis voor het Ik in het lichaam. Gezond rood bloed is de voorwaarde ervoor dat de mens wakker de wereld tegemoet kan gaan, zijn omgeving op de juiste manier waarneemt en zich daarvoor weet in te zetten. Met deze ijzerkracht is hij uitgerust. Die werkt ook door in zijn verstand, uitgedrukt door het rode paard. Als we aan Parzival denken die een rode ridder werd en op het rode paard rijdt, dan hebben we hier hetzelfde voor ons. 
Bij het inzicht dat nu verkregen is door het bloed, moet de kennis van de geest komen. Waar deze kennis zich verbindt met het bovenzintuiglijke (tot het witte paard wordt), ontstaat in de mens de zuiverheid van de immateriële wereld (de witte uitrusting wordt aangetrokken) en deze leidt naar een nieuwe ontmoeting met de koningsdochter die op deze ontwikkelingstrap hem de vruchten kan aanreiken.
Op de derde dag draagt de held de zwarte uitrusting en rijdt op een zwart paard. Zwart is de kleur van het aards-materiële. Het zich kunnen richten op de stoffelijke zintuigwereld is op het niveau van de keukenjongen en de tuinknecht lange tijd geoefend. ‘Ga de wereld in en leer de armoede kennen’, had IJzeren Hans geëist. De aardse wereld is armoede zolang men die alleen maar als stoffelijle wereld ziet. Wanneer echter de geestelijke kennis dermate sterk wordt – de rode en witte uitrusting – worden de goddelijke scheppingskrachten herkend die aan de stoffelijke wereld ten grondslag liggen en die vormgeven.
De koningszoon krijgt de zwarte uitrusting en beheerst het zwarte paard. Omdat het vergeestelijkte verstand ook deze donkere zintuigwereld doorziet en overwint, wordt de vloek opgeheven: de rode appel is op dit niveau verworven.

De volgende dag vroeg de koningsdochter de tuinman naar zijn tuinjongen. ‘Hij werkt in de tuin – die rare snaak is ook op het feest geweest en pas gisterenavond thuisgekomen; hij heeft aan mijn kinderen drie gouden appels laten zien die hij had gewonnen.’ De koning liet hem voor zich verschijnen. Hij kwam en had het hoedje weer op zijn hoofd, maar de koningsdochter liep op hem toe en nam het hem af, waarop zijn gouden haar over zijn schouders viel en hij was zo schoon dat allen verbaasd waren. ‘Was jij de ridder die iedere dag in een andere kleur op het feest kwam en die de drie gouden appels ving?’ vroeg de koning. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘en hier zijn de appels,’ en hij haalde ze uit zijn zak en overhandigde ze de koning. ‘Als u nog meer bewijzen verlangt kan ik u de wond laten zien die uw mannen mij hebben toegebracht toen zij mij achtervolgden. Maar ik ben ook de ridder die u aan de overwinning op de vijand heeft geholpen.’ – ‘Als je tot zulke daden in staat bent, dan ben je geen tuinjongen – zeg mij, wie is je vader?’ – ‘Mijn vader is een machtig koning en ik heb goud in overvloed, zoveel ik maar wens.’ – ‘Ik zie wel,’ sprak de koning, ‘dat ik je dank verschuldigd ben. Kan ik je ergens een genoegen mee doen?’ – ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat kunt u. Geef mij uw dochter tot vrouw.’ Daarop begon de jonkvrouw te lachen en sprak: ‘Hij windt er geen doekjes om, maar ik had aan zijn gouden haar al gezien dat hij geen tuinjongen was,’ en zij liep naar hem toe en kuste hem. Zijn vader en zijn moeder kwamen op de bruiloft en waren heel gelukkig want zij hadden reeds alle hoop laten varen hun geliefde zoon ooit weer te zien. Toen zij aan de bruiloftsdis zaten verstomde opeens de muziek, de deuren gingen wijd open en een trotse koning trad met groot gevolg binnen. Hij ging naar de jongeling toe, omarmde hem en sprak: ‘Ik ben IJzeren Hans en ik was veranderd in een wildeman, maar jij hebt mij verlost. Alle schatten die ik bezit zullen jouw eigendom zijn.’

Nu kan het hoedje van zijn hoofd en het gouden haar wordt zichtbaar. Het zelfstandige denken dat door vele offers verworven is, verandert van betekenis: hoogste wijsheid straalt in het gedachteleven. Wat in de gouden bron (de kindertijd) aangelegd werd, is door de loutering tot een bezit geworden dat niet meer verloren gaat.
In geen sprookje vinden we zo’n direct, bijna brutaal huwelijksaanzoek; tot in de stijl drukt de Ik-mens zich uit. Nu kan de koninklijke bruiloft worden gevierd.
Als het Ik als het eeuwig-mannelijke rijp geworden is, kan het één worden met het eeuwig-vrouwelijke van de ziel.
De verborgen natuurkracht van het ijzer laat zich nu zien in de ware betekenis en met de volle rijkdom; ze is door de mens die zichzelf veranderd heeft, tot een koninklijke geestgestalte edel geworden. 

.Illustratie uit Grimm Sprookjes,
Uitgegeven bij Lemniscaat.
.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2542-2381

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/9)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 304A

Voordracht 2, Stuttgart 26 maart 1923

Blz. 49  vert. 56

Und hat man nun, ohne, ich möchte sagen, dem Kinde nahezutreten,
die richtigen moralischen Sympathien und Antipathien ausgebildet in
der Zeit, wo das wichtigste für den Willen unterirdisch verlaufen ist,
dann darf der Wille, der eigene, auf die Freiheit gebaute Wille, der in die
volle Verantwortlichkeit im Menschen eintritt, der darf so erscheinen,
daß man den Menschen – nachdem man ihm nicht Gebote gegeben hat,
sondern in sein Gemüt hinein moralische Sympathien und Antipathien
gepflanzt hat, daß man, ich möchte sagen, seinem moralischen Willen,
der jetzt erscheint, nicht zu nahetritt -, daß man empfängt den Men-

Stel je hebt, zonder het kind zogezegd te dicht te naderen, de juiste morele sympathieën en antipathieën gevormd in de tijd waarin het belangrijkste deel van de wil onderaards verder is gegaan. Je hebt hem geen geboden gegeven, maar hebt morele sympathieën en antipathieën in zijn gemoed geplant, opdat je om zo te zeggen zijn morele wil die nu verschijnt, niet te dicht nadert. Dan mag de wil, de eigen op vrijheid gebouwde wil die in de volle verantwoordelijkheid van de mens optreedt, zo verschijnen dat je de mens

Blz. 50  vert. 56

sehen, nachdem er geschlechtsreif geworden ist, als einen freien Genossen neben sich. Dann ist der Mensch imstande, umzuwandeln, zu
metamorphosieren dasjenige, was man ihm als die Gabe moralischer
Sympathien und Antipathien gegeben hat, für die er hinorganisiert war;
was man ihm da gegeben hat, ist er imstande umzuorientieren in seine
moralischen Impulse, die nun aus seinem eigenen Wesen kommen.

nadat hij geslachtsrijp geworden is, als een vrije kameraad naast je ontvangt. Dan is de mens in staat om te vormen, te metamorfoseren wat je hem als gave aan morele sympathieën en antipathieën hebt gegeven, waar hij aanleg toe had. Hij is in staat om dat wat je hem toen gegeven hebt, te heroriënteren in zijn morele impulsen, die nu uit zijn eigen wezen voortkomen.
GA 304A/49
Vertaald/56 

Voordracht 9, Londen 30 augustus 1924

Blz. 177-178

Und ebenso wird er auch fähig, sich seines eigenen Urteils zu bedienen, nicht mehr des Urteils des Lehrers, des Erziehers, wenn er geschlechtsreif geworden ist und sein astralischer Leib der Träger des eigenen Urteils geworden ist. Da tritt nun das auf, was das dritte Element in der Erziehung sein muß. Das erste nannte ich das gestaltende, das zweite das belebende. In diesem dritten Element der Erziehung, das eintritt mit der Geschlechtsreife, finden wir nur dasjenige berechtigt, was ich nennen kann: die erweckende Erziehung. Alles, was über die Geschlechtsreife hinausgeht, muß so wirken auf den jungen Menschen, auf den jungen Mann, das junge Mädchen, daß die Entstehung des eigenen Urteils, diese innere Selbständigkeit, wie ein fortwährendes Aufwachen erscheint. Wenn man über die Geschlechtsreife hinaus jemandem etwas von außen beibringen,will, tyrannisiert man ihn, man versklavt ihn. Wenn man die ganze Erziehung so leitet, daß man von diesem Lebensalter ab, von der
Geschlechtsreife ab, alles aufnimmt so, wie wenn jemand aus dem Schlaf
erweckt wird – der Mensch hat bis dahin geschlafen in bezug auf die

En net zo raakt hij, wanneer hij in de puberteit komt en zijn astraallijf de drager wordt van zijn eigen oordeel, ook in staat om zijn eigen oordeel te gebruiken, niet meer dat van de leraar of de opvoeder. Dan ontstaat dat derde element dat er in de opvoeding moet zijn. Het eerste noemde ik het vormende, het tweede het enthousiasmerende. In dit derde element van de opvoeding dat ontstaat met de puberteit, is op zijn plaats wat ik kan noemen de wekkende opvoeding. Alles vanaf de puberteit, moet zo op de jonge mens werken, op de jonge man, de jonge vrouw, dat het ontstaan van een eigen oordeel, deze innerlijke zelfstandigheid als een voortdurend wakker worden verschijnt. Wanneer je vanaf de puberteit iemand iets van buitenaf wil bijbrengen, dan tiranniseer je hem, je maakt hem tot slaaf. Wanneer je de hele opvoeding zo stuurt dat je vanaf deze leeftijd, vanaf de puberteit alles zo doet alsof je iemand uit de slaap wakker maakt – de mens sliep tot dan toe wat betreft, 

Beurteilung von dem oder jenem, es kommt ihm jetzt vor, als ob er sein
eigenes Wesen aus sich herausruft – dieses Gefühl, daß es sein eigenes
Wesen ist, das aus ihm herauskommt, daß der Lehrer ihm nur der
Anreger, der Erwecker ist, das kann man entwickeln, wenn man so
vorgeht, wie ich es ausgeführt habe für die zwei ersten Lebensalter; dann
wächst man hinein in den Gebrauch seines eigenen Urteils, dann wird
die spätere Erziehung, der Unterricht ein erweckender. Und wenn man als Lehrer, als Erziehender, seiner Gesinnung nach tief durchdrungen ist von diesem Erweckenden, dann weiß man auch im Stil, in der Haltung,im Vortrag alles so zu gestalten, daß dasjenige, was nun eigenes Urteil
sein soll desjenigen, der belehrt, der erzogen wird, daß das wirklich aus
dem Betreffenden herauskommt, daß es in einer gewissen dramatischen
Steigerung geht bis dahin, wo er selber nun einsetzt mit dem inneren
Betätigen, das gerade im astralischen Leib lebt.

het beoordelen van dit of dat, nu merkt hij alsof hij zijn eigen wezen aanspreekt – dit gevoel dat hij het zelf is wat bij hem opkomt, dat de leerkracht alleen maar de stimulans daartoe is, degene die het in gang zet; dat kan je ontwikkelen wanneer je zo werkt zoals ik aangegeven heb voor de eerste twee levensfasen; dan groei je naar het gebruiken van je eigen oordeel toe, dan wordt de latere opvoeding, het onderwijs iets dat wakker maakt. En wanneer je als leerkracht, als opvoeder, vanuit je overtuiging diep doordrongen bent van dit wekkende element, weet je ook in je stijl, in je houding, in hoe je de dingen brengt, alles zo vorm te geven dat wat nu het eigen oordeel moet zijn van degene die onderwezen wordt, opgevoed wordt, werkelijk uit de betreffende persoon zelf tevoorschijn komt, dat het in zekere zin ingrijpend toeneemt, zo dat deze zelf nu begint innerlijk bezig te zijn met wat in het astraallijf leeft.
GA 304A/177
Niet vertaald 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2542-2381

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (2-5)

.

Gea Weeren maakte dit prachtige boek ter inspiratie voor de heemkunde in klas 1.
Paul van Meurs voorzag het van zeer fraaie illustraties.

Voor meer informatie: zie de site van DE VRIJE JUF

.

1e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkundealle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas

.

2541-2380

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 162/163 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

De mens vanuit verschillende gezichtspunten

Telkens weer zal Steiner ‘de mens’ vanuit de meest verschillende gezichtspunten willen bespreken.
Het lijkt er soms op dat hij met zichzelf in tegenspraak is, maar dat is schijn.
Bij elke beschouwing over de mens blijft hij zijn eigen standpunten trouw:

In de ‘Algemene menskunde’ (uiteraard) ook:

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
(zie voordracht 7)

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
(zie voordracht 7)

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.

En in andere pedagogische voordrachten:

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

Man muß immer die Sache von allen möglichen Seiten kennenlernen wollen und niemals einverstanden da­mit sein, daß man sie nur von einer Seite kennengelernt hat.

Je moet altijd een zaak van alle mogelijke kanten willen leren kennen en het er nooit mee eens zijn dat je die maar van één kant hebt leren kennen.
GA 306/164
Op deze blog vertaald/164

Weder einseitig auf das Denken, noch einseitig auf den Willen, sondern allseitig auf den ganzen Menschen müssen wir hinblicken, wenn wir Erzieher werden wollen.

Noch eenzijdig naar het denken, noch eenzijdig naar de wil, maar alzijdig naar de hele mens moeten we kijken als we op­voeder willen worden.
GA 307/90
Vertaald/113

En uiteraard ook in niet-pedagogische voordrachten:

( ) man tut sehr unrecht, wenn man aus einem Ganzen einen Teil herausnimmt und für sich betrachtet.

Je bent erg verkeerd bezig wanneer je uit een geheel een deel neemt en dat gaat bekijken als iets wat op zich staat.
GA 201/70
Niet vertaald

Wanneer hij hier zo stellig beweert:

Sie haben ja gestern erkennen können, wie der Mensch dreigegliedert ist: als Kopfmensch, als Rumpfmensch, als Gliedmaßenmensch.

Gisteren heeft u kunnen horen dat de mens drieledig is en bestaat uit een hoofdmens, een rompmens en een ledematenmens.

dan weten we nu dat deze blikrichting niet in tegenspraak is met de vierledige mens of met de indeling in denken – voelen – willen.

Het is goed je telkens af te vragen vanuit welk standpunt, met welk doel Steiner nu dit opmerkt en dan weer dat.

Hij zal voortdurend waarschuwen tegen het strakke schematiseren:

Im Verlauf unserer geisteswissenschaftlichen Studien werden wir zu­nächst bekanntgemacht mit der sogenannten Gliederung des Menschen und unterscheiden dann am Menschen seinen physischen Leib, Äther­leib, astralischen Leib, das Ich und so weiter. Nun könnte es vielen scheinen, als ob wir, wenn wir nun wissen: der Mensch besteht aus die­sen Wesensgliedern – dann schon sozusagen auch die Wesenheit des Menschen einigermaßen erfaßt hätten. Und viele glauben in der Tat, das Wesentlichste vom Menschen zu wissen, wenn sie nun diese ver­schiedenen menschlichen Wesensglieder aufzählen können, allenfalls noch anzugeben wissen, wie sich das eine oder andere verhält beim Durchgang durch verschiedene Verkörperungen hindurch. In Wirk­lichkeit ist es auf der einen Seite durchaus notwendig, daß man bei der Betrachtung des Menschen von diesen Wesensgliedern ausgeht, sich aber dann klarmacht, daß man damit im Grunde genommen nur etwas sehr Vorläufiges getan hat, wenn man sich damit bekanntgemacht hat. Denn es kommt durchaus nicht bloß darauf an, daß der Mensch nun aus diesen sieben oder neun Gliedern besteht, sondern es kommt auf das Verhältnis dieser verschiedenen Wesensglieder des Menschen an, wie das eine oder andere wiederum zu dem einen oder anderen steht.

Tijdens onze geesteswetenschappelijke studie worden we gewezen op de zogenaamde indeling van de mens en dan onderscheiden we zijn fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf, het Ik enz. Nu zou het er voor veel mensen op kunnen lijken dat wij wanneer wij weten: de mens bestaat uit deze wezensdelen, we dan ook het wezen van de mens al enigszins begrijpen. En velen geloven inderdaad het meest wezenlijke van de mens te weten, wanneer zij deze verschillende wezensdelen op kunnen noemen, eventueel ook nog aangeven dat ze weten hoe het ene in relatie staat tot het andere wanneer je door de verschillende incarnaties gaat. Wat de realiteit betreft is het zeker nodig dat je bij het beschouwen van de mens van deze wezensdelen uitgaat, maar dan moet je je realiseren dat je daarmee slechts iets zeer voorlopigs hebt. Want het komt er helemaal niet zo op aan dat de mens uit zeven of negen wezensdelen bestaat, maar hoe die in een bepaalde relatie met elkaar staan.
GA 127/55      
Niet vertaald

De eerste bladzijden van voordracht 11 gaan vooral over de relaties tussen wat er in de vorige voordrachten meer afzonderlijk is besproken. 

Als we al die indelingen en namen niet al te stijfjes hanteren, maar in hun samenhang zelf innerlijk mee bewegen, tekent het wezen mens zich steeds genuanceerder af.

Kijk je vanuit de ziel: overwegend sympathie en antipathie, uitlopend naar de functies denken – voelen -willen;
Kijk je vanuit de geest: het gaat om wakker – dromen – slapen, een beweeglijke toestand’;
Kijk je naar het lichaam: hoofd – romp – ledematen: nu overheerst de vorm.
Betrek je ze op elkaar, dan zit de wakkerheid in het hoofd – daar zetelt het denken – daarvoor is antipathie nodig;
In de borst vinden we dan het gevoel, daar is de pendel sympathie – antipathie -de geestelijke toestand is dromend;
In de ledematen zit de wil – sterk verbonden met de sympathie; geestelijk slapen we daar het meest.

Je kan e.e.a. nog uitbreiden en in een overzicht plaatsen

lichamelijke gestalte     relatie tot de ziel    relatie tot de geest

hoofdmens         centraal zenuwsysteem   zintuigen met     daghelder bewustzijn
                                 hoofd bol                           gewaarwordingen   vermogen tot
                                lichamelijke afbraak        kennisvorming:         imaginatie
                                                                             denken

borstmens            orgaansysteem van         wereld van het     dromend bewustzijn
                               adem, hart en                   voelen                    vermogen tot
                               bloedsomloop                                                   inspiratie

ledematenmens    armen en handen         wil: activiteit          slaapbewustzijn
                                       benen en voeten             werken                  vermogen tot 
                                                                                                                  intuïtie
Leber: Kommentar Allgemeine Menschenkunde band 3/223

Steeds zal Steiner ook aangeven dat wanneer zwart-wit gezegd wordt: het hoofd is het meest lichaam, erbij gezegd hoort te worden: voornamelijk, want ook ziel en geest hebben hun relatie tot het hoofd;
en dat geldt ook weer voor borst en ledematen.

Dat had hij al aangeroerd in voordracht 10 en daar verwijst hij allereerst naar:

Betrachten wir einmal zunächst die Kopfbildung des Menschen. Da haben wir ja gestern gesagt: der Kopf ist vorzugsweise Leib. Den Brustmenschen haben wir als «leibig» und seelisch anzusehen gehabt. Und den Gliedmaßenmenschen als «leibig», seelisch und geistig.

Laat ons eerst eens een blik werpen op het hoofd. Daarover hebben we gisteren gezegd: het hoofd is hoofdzakelijk lichaam. De borstmens behoort zoals we gezien hebben tot de wereld van het lichamelijke en tot de wereld van de ziel, en de ledematenmens tot de wereld van het lichaam, tot die van de ziel en tot die van de geest.

En heel wezenlijk: dat wat het een heeft, heeft de ander ook, maar op een andere manier.

Aber damit ist natürlich die Kopfwesenheit nicht erschöpft, wenn wir sagen: der Kopf ist vorzugsweise Leib. Es ist ja schon einmal in der Wirklichkeit so, daß die Dinge nicht scharf voneinander getrennt sind, und wir dürfen daher ebensogut sagen: der Kopf ist nur in anderer Weise seelisch und geistig als die Brust und die Gliedmaßen. Der Kopf ist schon, wenn der Mensch geboren wird, vorzugsweise Leib, das heißt, es hat sich gewissermaßen dasjenige, was ihn als Kopf zunächst zusammensetzt, in der Form des leiblichen Kopfes ausgeprägt.

Maar het wezen van het hoofd is natuurlijk nog niet uitputtend beschreven door te zeggen ‘het hoofd is hoofdzakelijk lichaam’. Ja, het is nu eenmaal zo dat de dingen in de werkelijkheid niet scherp van elkaar gescheiden zijn, en we kunnen ook evengoed zeggen dat het hoofd ook ziel en geest is, alleen op een andere manier dan de borst en de ledematen. Maar het hoofd is al bij de geboorte vooral lichamelijk, dat wil zeggen: dat wat het hoofd in eerste instantie tot hoofd maakt, heeft zich in zekere zin uitgedrukt in de vorm van het lichamelijke hoofd.

Het steeds naar de tegenstellingen kijken, levert bij de aanblik van het embryo meteen het gevoel op wanneer je hoofd en handen vergelijkt, dat het hoofd veel verder is, veel prominenter aanwezig. En dit ‘verder’ roept, als je dit woord op het leven betrekt, ook de gedachte op aan ‘ouder’. Aan ‘eerder’.
Dat ‘oude’ van het hoofd – maar nu meer benaderd vanuit de functie: het zich kunnen voorstellen – wijst ook naar het verleden. Zie voordracht 2.

Daher sieht der Kopf so aus – er ist ja auch das erste, was sich in der menschlichen Embryonalentwickelung ausbildet (  ) 

Het hoofd is ook het eerste wat bij een embryo tot ontwikkeling komt (zie verder*) 

Dat komt bijv. in deze tekening goed naar voren. [4]

Bron: website van Jaap van der Wal

In de 10e voordracht sprak Steiner over de ontwikkeling van het menselijke hoofd vanuit een evolutie-ontwikkeling, langs de weg van de dierlijke ontwikkeling. [Op deze blog nog niet uitgewerkt]

Weil der Kopf ein möglichst schon vollkommen ausgebildeter Leib ist, weil er alles, was zur Ausbildung notwendig ist, durch das Tierische zum Menschen hindurch schon durchgemacht hat in früheren Entwicklungsstadien, deshalb kann er in leiblicher Beziehung am vollkommensten ausgebildet sein.

Omdat het hoofd al een hoogst volledig ontwikkeld lichaam is, omdat het alles wat voor de ontwikkeling via dier tot mens nodig is, al in vroegere ontwikkelingsstadia heeft doorgemaakt, kan het hoofd in lichamelijk opzicht het verst ontwikkeld zijn.

Daher sieht der Kopf so aus – er ist ja auch das erste, was sich in der menschlichen Embryonalentwickelung ausbildet , daß das allgemein Menschliche geistig-seelisch zunächst im Kopfe zum Vorschein kommt.

Het hoofd is ook het eerste wat bij een embryo tot ontwikkeling komt en in het hoofd komt in de allereerste plaats het algemeen menselijke van geest en ziel te voorschijn.

Met dit ‘algemeen menselijke’ wordt m.i. bedoeld dat het bij de mens hoort dat ziel en geest geleidelijk aan bezit nemen van het lichaam – dus ‘het incarneren’; maar ook wat er verder aan ‘algemeens’ kan worden genoemd – hier m.n. het wakkere en het droomaspect. Algemeen is ook dat tijdens het leven, tijdens de ontwikkeling de mens wat zijn ziel en geest betreft, steeds meer DIE ziel en geest wordt die hem tot DAT mens maken. 

In de twee andere voordrachtenseries: Opvoedkunst [2] en Werkbesprekingen [3] gaat het het meest over de kinderen: wat leer je ze en waarom en hoe.
In de Algemene menskunde gaat het niet alleen over het kind. Vaak maakt Steiner grote omtrekkende bewegingen, bijv, via de filosofie (Descartes), de natuurkunde (Mayer stof en kracht), via de geschiedenis (concilie 869) Enz.

Waar het kan en dus moet, zal Steiner de ontwikkeling van het kind bespreken, immers: ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie

Wat hij dan met een paar zinnen zegt, kunnen we aan het pasgeboren kind en bij het opgroeiende kind in de eerste jaren waarnemen als we dat bewust(er) doen.

Als je zelf net uit een diepe slaap wakker bent geworden en iemand spreekt je aan, gaat er nog veel langs je heen. Je moet eerst even wakker worden; vele mensen zeggen vanuit een taalbeleven: nog even aankomen. 
Aankomen houdt in dat je ‘ergens’ vandaan komt. 
Nu gaat het verder wakker worden bij ons aanmerkelijk sneller, maar in deze toestand van ‘ergens vandaan’ en ‘nog niet wakker’ voelen we toch de leefwereld van de baby. Neem o.a. de langdurige slaap per dag (en nacht); maar ook als je – vooral als bezoeker – tegen zo’n pas geboren kindje spreekt. Dat is geen gesprek – omdat je nog geen gesprekpartner tegenover je vindt. Alles gaat in een sfeer die met ‘slaap’ gepaard gaat: zachtjes spreken, rustig zijn. En soms lijkt het of het kind jou helemaal niet ziet of dwars door je heen kijkt; soms is er een reactie in het gezicht die op een lach lijkt, soms is er beweging in het lijfje. Als fenomeen vergelijkbaar met jouw wakker worden uit een diepe slaap.

Das Seelische ist so verbunden mit diesem Kopfe, daß das Kind, indem es geboren wird und auch noch während es sich entwickelt in den ersten Lebensjahren, im Kopfe alles Seelische träumt. Und der Geist schläft im Kopfe.

De verbinding van het zielengebied met het hoofd is zo, dat een kind na de geboorte, en ook nog tijdens de ontwikkeling in de eerste levensjaren, in het hoofd een droombewustzijn heeft van het zielengebied. En het geestesgebied slaapt in het hoofd.

Welche Beziehung hat der Leib Kopf zu dem Seelischen und zu dem Geistigen?

Wat is de relatie tussen het lichamelijke hoofd en het zielen- en geestesgebied?

Jetzt haben wir eine merkwürdige Zusammengliederung von Leib, Seele und Geist im menschlichen Haupte. Wir haben einen sehr, sehr ausgebildeten Leib als Kopf. Wir haben darin eine träumende Seele, eine deutlich träumende Seele und einen noch schlafenden Geist.

Dat betekent een merkwaardige samenvoeging van lichaam, ziel en geest in het hoofd van de mens. We hebben een zeer, zeer ontwikkeld lichaam als hoofd met daarin een dromende ziel, een duidelijk dromende ziel en een nog slapende geest.

En ook hier doet Steiner zelf weer waartoe hij ons oproept: de dingen op elkaar betrekken, in groter verband zien, in ruimer perspectief.
En dit begin van het leven plaatst hij nu in de fase waartoe dit behoort: de eerste zeven jaar die afgesloten wordt met de tandenwisseling.

Nun handelt es sich darum, mit der ganzen Entwicklung des Menschen diese eben charakterisierte Tatsache in Einklang zu sehen.

Nu gaat het erom dit zojuist geschetste feit in overeenstemming te zien met de gehele ontwikkeling van de mens.

Binnen deze fase vinden belangrijke ontwikkelingen plaats: het kind gaat staan, lopen, spreken en denken; het gaat Ik-zeggen; en wat Steiner hier nu naar voren haalt, het is een nabootser of zoals hij vaak en passant zegt: een en al zintuig. We noemen het ook wel ‘open’ zijn voor de omgeving. Maar meer nog zouden we moeten zeggen dat – en dan maken we de geest ‘ruimtelijk’ wat eigenlijk niet kan – de geest van het kind veel meer om hem heen is, dan in hem. Als deze geest in iemand zit, kan je je openstellen of niet; dat geldt voor het kleine kind niet: zijn geest is nog om hem heen. Buiten hem.

Wanneer Steiner over wakker en slaap spreekt, zal hij vaak noemen dat wij ’s avonds bij het inslapen a.h.w. ons Ik en astraallijf  ‘uitademen’, dat deze zich tijdens de slaap buiten het lichaam bevinden. 
Dat is in zekere zin de hele dag zo bij het pas geboren en zeer jonge kind. 

In zekere zin, want: Daß (  )  verdankt er eben gerade dem Umstande, daß sein Kopfgeist schläft. Dadurch kann er mit diesem Kopfgeiste außerhalb des Kopfleibes weilen. Er kann sich in der Umgebung aufhalten. Denn wenn man schläft, so ist man mit seinem Geistig-Seelischen außerhalb des Leibes. Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes.

Dat hij dat kan doen, heeft hij te danken aan het feit dat zijn geest in zijn hoofd slaapt. Daardoor kan hij met dit geestelijke hoofd buiten zijn lichamelijke hoofd blijven. Deze geest kan zich in de buitenwereld ophouden. Wanneer men slaapt is men met geest en ziel buiten het lichaam. Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd.

En waar is het kind dan?

Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes. Es ist bei denen, die in seiner Umgebung sind, es lebt mit denen, die in seiner Umgebung sind. 

Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd. Het is bij degenen die om hem heen zijn, het leeft met degenen die om hem heen zijn.

Diese Entwicklung ist ja bis zum Zahnwechsel hin so, daß der Mensch vorzugsweise ein nachahmendes Wesen ist. Es tut der Mensch alles dasjenige, was er seiner Umgebung absieht.

Deze ontwikkeling verloopt tot de tandenwisseling immers zo, dat de mens in die fase voornamelijk nabootst. De mens doet alles wat hij om zich heen ziet na.

Hier ligt de kern van de opvoeding van het kind vóór de tandenwisseling:

Das Kind ist mit seinem Geistig-Seelischen, mit seinem schlafenden Geiste und mit seiner träumenden Seele außerhalb des Kopfes. Es ist bei denen, die in seiner Umgebung sind, es lebt mit denen, die in seiner Umgebung sind. Daher ist das Kind ein nachahmendes Wesen. Daher entwickelt sich auch aus der träumenden Seele heraus die Liebe zur Umgebung, vorzugsweise die Liebe zu den Eltern.

Het kind is met zijn geest en ziel, die slapen respectievelijk dromen, buiten het hoofd. Het is bij degenen die om hem heen zijn, het leeft met degenen die om hem heen zijn. Daardoor bootst het kind na. Daardoor ontwikkelt zich vanuit de dromende ziel de liefde tot de omgeving, vooral de liefde tot de ouders.

Opvoeding – omgang

Wie in de jaren 1960 pedagogiek studeerde, moest als ‘verplichte kost’  ‘Beknopte theoretische pedagogiek‘ van Prof. Langeveld bestuderen.
Langeveld maakte een onderscheid tussen opvoeding en omgang. Eenmaal volwassen kon er van opvoeding geen sprake meer zijn, dan kwam de vorming vanuit de omgang met elkaar. 
Steiner noemt opvoeding van het (zeer) jonge kind later in deze voordracht ook onmogelijk – ook eigenlijk alleen een vorm van ‘omgang’ kan het kind verder helpen.
Je zou ruwweg kunnen zeggen: voordat het kind een Ik-beleving (ca 3 jr.)heeft en nadat dit Ik-beleven volwassen is geworden (ca 21 jr), kan er van opvoeding geen sprake zijn: daar gaat het om omgaan. Opvoeding vindt a.h.w. plaats tussen Ik(begin) en Ik(volgroeid – al is het Ik altijd in ontwikkeling).

Het belangrijke verschijnsel van de nabootsing krijgt van Steiner veel aandacht.
Ik heb hier zijn uitspraken daarover bij elkaar gebracht, hier en daar ondersteund met sprekend foto’s.

Bij deze illustratie: Het staande kind wordt vaak voorgelezen. Hij doet het nu voor zijn zusje.

In voordracht 9 noemt Steiner de nabootsing al:

Bis zum zahnwechsel trägt das Kind einen ganz bestimmten Charakter an sich, der sich namentlich dadurch ausspricht, daß es ein nachahmendes Wesen sein will; alles, was es in der Umgebung sieht, will es nachahmen.

Tot aan de tandenwisseling heeft het kind een specifiek karakter dat met name tot uitdrukking komt in de wil tot nabootsing; het wil alles wat het om zich heen ziet nabootsen.
GA 293/139
Vertaling /139

Wenn der Mensch aus der geistig.seelischen Welt heraustritt, sich mit einem Leibe umkleidet, was will er da eigentlich? Er will das Vergangene, das er im Geistigen durchlebt hat, in der physischen Welt verwirklichen. Der Mensch ist gewissermaßen vor dem zahnwechsel ganz auf das Vergangene noch eingestellt. Von jener Hingabe, die man in der geistigen Welt entwickelt, ist der Mensch noch erfüllt. Daher gibt er sich auch in seine Umgebung hin, indem er die Menschen nachahmt. Was ist denn nun der Grundimpuls, die noch ganz unbewußte Grundstimmung des Kindes bis zum Zahnwechsel? Diese Grundstimmung ist eigentlich eine sehr schöne, die auch gepflegt werden muß. Es ist die, welche von der Annahme, von der unbewußten Annahme ausgeht: Die ganze Weft ist moralisch. Es ist bei den heutigen Seelen nicht umfassend so; aber es ist im Memlsen veranlagt, wenn er die Welt betritt, dadurch daß er ein pbysisches Wesen wird, von der unbewußten Annahme auszqehen: Die Welt ist moralisch. Daher ist es gut für die ganze Erziehung bis zum zahnwechsel und noch darüber hinaus, daß man etwas Rechnung trage dieser unbewußten Annahme: Die Welt ist moralisch. 

Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geestelijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er — onbewust — van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is.
Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwisseling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is.
GA 293/149 
Vertaling/149-150

Zijn wij voor het kind zo, dat wij het waard zijn nagebootst te worden?

Ik wijs nog even op de foto’s van de hersenen van zich ontwikkelende kinderen, de een zonder nauwelijks aandacht, de ander met veel meer.

Aan het eind van de eerste zevenjaarsfase bevindt het kind zich in het proces van de tandenwisseling.

Wenn nun der Mensch die zweiten Zähne bekommt, wenn er den Zahnwechsel durchmacht, so bedeutet das in seiner Entwickeiung eigentlich den letzten Abschluß der Kopfentwickelung. Wenn der Kopf auch vollständig schon als Leib geboren wird, so macht er doch eine letzte Entwickelung erst durch in den ersten sieben Lebensjahren des Menschen. Was er da durchmacht, das findet seinen Abschluß, setzt sich gewissermaßen seinen Schlußpunkt mit dem Zahnwechsel.

Wanneer het kind nu zijn melkgebit verliest bij de tandenwisseling, dan betekent dat in zijn ontwikkeling eigenlijk het eindpunt van de vorming van het hoofd. Ook al wordt het hoofd als lichaam al compleet geboren, toch vindt er nog een laatste ontwikkeling plaats in de eerste zeven levensjaren. Deze ontwikkeling wordt afgesloten, zet er als het ware zelf een punt achter, met de tandenwisseling.

Was ist denn da eigentlich abgeschlossen? Sehen Sie, da ist abgeschlossen die Formbildung. Da hat der Mensch dasjenige, was ihn erhärtet, was ihn vorzugsweise zur Form macht, in seinen Leib hineingegossen. Sehen wir die zweiten Zähne aus dem Menschen herauskommen, so können wir sagen: Es ist die erste Auseinandersetzung mit der Welt vollendet. – Der Mensch hat dasjenige getan, was zu seiner Formgebung, zu seiner Gestaltung gehört. 

Wat wordt er eigenlijk precies afgesloten? Welnu, dat is de ontwikkeling van de vorm. Dan heeft de mens dat wat hem verhardt, wat hem in de eerste plaats tot vorm maakt, in zijn lichaam opgenomen. Zien we het blijvende gebit doorkomen, dan kunnen we zeggen dat de eerste confrontatie met de wereld afgesloten is. – De mens heeft gedaan wat hoort bij de vorming van zijn gestalte.

Op vele plaatsen gaat Steiner dieper en weer anders in op het fenomeen van de tandenwisseling.
De belangrijkste uitspraken heb ik bij elkaar gezet.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Uit: Appenzeller: ‘Die Genesis im Lichte der menschlichen Embryonalentwicklung’

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2540-2380

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (3-3)

.
kalk en zout
.

Een eerste kennismaking met de scheikunde*

Op het eerste gezicht kan de opvatting over het scheikundeonderwijs op de vrijeschool niet gebruikelijk lijken. Anders is, met name in de onderbouw, dat we afzien van chemische formules, maar dat is maar uiterlijk.
Zoals het jaren duurt voor het kind alle voeding verdraagt die voor de volwassenen normaal is, zo duurt het een paar zevenjaarsfasen voordat het opgroeiende kind het innerlijk vermogen ontwikkeld heeft om de kost van ons intellectuele tijdperk te kunnen verteren. Voor een gezonde ontwikkeling heeft de ziel van het basisschoolkind bij alle vakken de beleving nodig dat iets mooi is. En binnen de natuurkunde horen daar nog meer omvattende begrippen bij die toegang vinden tot het hart, dan de abstracte scheikunde van de 20e eeuw leert.
De stoffen moeten als een uiting van werkingen en processen zichtbaar worden die in alle natuurrijken voorkomen en die een hoogtepunt vinden in de werking in het menselijk lichaam.
Bij scheikunde is het erg belangrijk dat je tegenstellingen of polariteiten beleeft en leert begrijpen. Gepaard gaand met warmte en licht, met vuur en rook voltrokken in de eerste scheikunde-uren de verbrandingsprocessen zich.
De adem van de cholericus ging sneller, spontane uitroepen begeleidden de hevige processen.

De tegenpool van het verbranden is de zoutvorming, en zijn de grote levensritmen van de kalk. Het ademen van een klas verloopt anders wanneer er hele leeftijden van de aarde voorbijkomen en wanneer er geschetst wordt hoe in de wieg van de zee het kalkgesteente ontstaat.
De flegmatici vinden het heerlijk als ze beleven hoe de tijd voorbijstroomt en hoe in taaie volharding laag na laag op de zeebodem wordt afgezet; een druipsteen druppel voor druppel groter wordt.
Dan wordt het stil in de klas, de sfeer is bezinnend.
De rust van een grote scheppingsadem die nog steeds doorwerkt, daalt neer.
God zweeft nog steeds over de wateren en verandert het leven en het vergaan in weer nieuw leven.
Kalk vindt zijn oorsprong in het leven. (Omnis calx e vermibus, al het kalk lomt van de lagere dieren)
In het begin kun je de kinderen vele van de meest voorkomende kalksoorten laten zien. Bij mosselschalen, slakken, koraal, kalksponzen, ammonieten en botten is de herkomst uit het dierenrijk nog heel duidelijk.
Brokken steen met fossielen bewaren nog de herinnering eraan. Ten slotte laat je dan kalksoorten zien die ontstaan wanneer dierlijke kalk oplost en onder bijzondere omstandigheden weer afgescheiden wordt: druipsteen, kalkkristallen (spaat), korrelkalk en marmer.
Ook nu neemt het water kalk in zich op, transporteert het en zet het af. Ook nu zinken fijne kalkdeeltjes naar de zeebodem en vormen laagjes. Onze bergen zijn ontstaan door kalk van de dieren. In de wateren zakt door de zwaarte kalk naar beneden. Het vloeibare leven scheidt in het organisme schaal en bot af.

Eigenlijk is het geen kringloop die het kalk aflegt: van het dier via de afzetting, gesteentevorming, oplossing in het water en dan weer naar het dier, want het dier van toen is er niet meer. Het is meer een spiraal. En wat in het organisme van de aarde uit de huidige afzettingen wordt, blijft een vraag. Zo’n vraag roept bij de kinderen een gevoel op voor de grote ontwikkelingsschreden en raadselachtige levensfasen van de aarde.

De vier elementen van Aristoteles die de kinderen in de eerste schooljaren steeds weer tegenkomen, blijken nu in de verdergaande natuurkundebeschouwing een scheppende kracht te zijn in alles wat er in de natuur gebeurt.

De elementenkracht van het vuur scheidt en de werking van het vloeibare verbindt de stoffen weer. De kracht van het vaste verdicht, trek samen en draagt, terwijl de kracht van het lucht-gasvormige uitdijt en vervluchtigt.
Deze krachtwerkingen gebruikt de mens, wanneer hij in de natuurlijke kringloop van de kalk een kunstmatige kringloop inschakelt die hij bij het bouwen van gevels en muren in gang zet. Hij gebruikt het vuur dat splitst, hij benut het streven om weer één te worden en de vormkracht dat het water schenkt. Voor de natuurlijke drang om wat gescheiden is weer tot een vast gesteente samen te voegen, vormt de mens uit het materiaal dat nog plastisch is, zijn werk.

Allereerst wordt de kalksteen gebrand. De hitte dwingt de steen het koolzuurgas af te geven (uit te ademen), dat de dieren eens bij zich hielden (niet uitademden) om hun kalkskeletten op te bouwen.
De gebrande verbrokkelde kalk heeft meteen daarna ‘dorst’ om weer vast te kunnen worden, water en koolzuurgas op te nemen. Ondertussen bouwen de mensen de steunende en omhullende muren van hun huizen.
Op een vergelijkende manier herinner je aan de dierlijke herkomst van de kalk. De dorst van het dier, zijn adem maakt de bouw, de schaal en de botten voor zijn lichaamsbehuizing mogelijk.
Op een nieuw niveau grijpt het onderwijs nu terug op wat in de derde klas in de huizenbouwperiode meer vertellend en praktisch doend aan de kinderen gegeven werd.
Als het mogelijk is, ga dan naar een kalksteengroeve en een kalkbranderij.
Bij de behandeling van het blussen van kalk sluiten zich sociale vragen aan.
Vroeger werd het gevaarlijke blussen op de bouwplaats van de kalkgroeve gedaan, nu in het tijdperk van specialisatie en arbeidsverdeling wordt kant-en-klare specie geleverd. Wat tegenwoordig op de bouwplaatsen het meest opvalt zijn de betonmengmachines.
De betekenis van de dakpan is verregaand verdrongen door de kunstpan,
Je moet uitvoerig ingaan op het produceren van cement en beton, hier volgt alleen een opsomming:

kalkspecie: gebluste kalk en zand. Verhardt door koolzuurgas uit de lucht
cement: gesinterde, kleihoudende kalk. Wordt alleen al door water hard.
Van belang voor bouwen onder water.
Beton: cement met grind
Gewapend beton: beton met een ijzeren mat erin

We vatten het proces van het kalkbranden samen in een schema. Blussen en het nieuwe ontstaan van de koolzure kalk.

Het vuur scheidt de kalk en ‘as’ = gebrande kalk.
Het water blust het gas en vormt daarmee zuur.
Het water verbindt zich met de as, het vaste en vormt een loog.
Het water maakt het samengaan van zuur en loog tot kalksteen (zoutvorming) mogelijk.

Ons schema van het kalkbranden bevat twee nieuwe begrippen: zuur en loog die ook weer als polariteiten in de hele natuur werkzaam zijn. 
We hebben de natuurlijke weg gevolgd die bij kalk of zout als eenheid begint en dan leidt naar de verschillen in zuur en loog. (Zou je van de kunstmatige of theoretische begrippen zuur en loog uitgaan en vandaar naar de zoutvorming, hoort dat bij een gedachtesysteem dat niet bij het natuurlijke beleven van de kinderen past) 
Hoe de tegenstelling door het water weer teniet wordt gedaan, kun je zo aanpakken:
Je vertelt de kinderen dat het gas- of luchtachtige dat door het vuur uit de kalksteen verdreven wordt, opgevangen kan worden. Dat gasvormige is hetzelfde als wat in de flesjes mineraalwater bruist en waarvan we zeggen ‘met koolzuur’ (tegenstelling: ‘plat’ water, zonder koolzuur). het smaakt ook wat zurig. Als het koolzuurgas in het water oplost, krijgen we een zuur: koolzuur. Dit kleurt lakmoespapier rood. 
Als je bij de zwaarder geworden gebluste kalk dat zo gretig water opzuigt, nog meer water toevoegt, vormt zich een melkachtige vloeistof: kalkmelk dat lichter wordt tot kalkwater. Deze vloeistof op basis van de gebluste kalk doet de lakmoes blauw worden. Je laat de kinderen van beide vloeistoffen iets proeven – bij alles wat ze bij het schilderen hebben geleerd is het voor hen niet verwonderlijk dat het prikkend-zure dat naar boven bobbelt, dat actiever is en de kurk van het flesje wil duwen, rood oproept. De vlakke loogsmaak van het kalkwater dat zich beneden afzet hoort dan natuurlijk bij het blauw.
De door het vuur uit het kalkteen bevrijde tegenstellingen van zuurgas en kalkbase wordt dus door het water (als zuur en loog) volledig zichtbaar gemaakt.
Als we nu koolzuur in het kalkwater gieten, dan wordt de vloeistof troebel en op de bodem wordt een wit zout, als krijtmodder afgezet. Uit de verbinding van de polariteiten is weer kalk, preciezer ‘koolzure kalk’ ontstaan, die helemaal geen kleur geeft aan de lakmoes.
Als je door een rietje ademlucht in een kalkwaterglas blaast, ontstaat op de bodem hetzelfde. We kunnen erop wijzen dat ze al geleerd hebben hoe vuur en levensprocessen op gelijke manier koolzuurgas opwekken. 
En dan beginnen we de geschetste processen op de mens te betrekken.
In het bloed, bij de beweging van de ledematen is het vuur het sterkst actief – waar wordt de hardste en dichtste bottensubstantie afgezet?
Waar treden de zoutvormingsprocessen op de voorgrond die rust en tijd nodig hebben? 
De kinderen vinden al snel: in het hoofd!
Dat heeft ook de rust nodig om tot kristalheldere gedachten te komen. 
Maar ook binnenin de ledematen ontstaat het stevige beenderstelsel, zonder dat de gestalte wegvloeit. De bottenmens wordt dus door het levende bloed afgezet zoals een groot deel van het gebergtestelsel van de aarde zich vormt uit het water. 
Een wet van grote morele betekenis wordt zo ervaren: het dode komt voort uit het levende. 
Hoe afgesnoerd is de mens van de kosmos en van de geestelijke scheppingskrachten die in het universum werkzaam zijn, wanneer hij omgekeerd het leven uit de dood wil laten ontstaan.
Door dit ‘omgekeerde (ver-keerde) denken heeft de materialistische wetenschap de mens afgesnoerd van een geestelijke natuurbeschouwing en verbondenheid met de wereld. 
De eigen waarnemingen en het klassengesprek leiden tot volgende kernwoord-tegenstellingen:

Nu zoeken we het zuur en het loog weer op binnen de scheikundecontext. Het enige mineraal dat wij mensen direct uit de natuur in ons voedsel, dus in onze bloedsomloop opnemen is het (keuken)zout. Dat stamt uit de eindeloos grote wateren van de zee. Men heeft uitgerekend dat de zoutmassa die in het zeewater opgelost is, het mogelijk zou maken de gebergten van de aarde nog eens op te bouwen met zoutkristallen. Zout conserveert, houdt iets blijvend, keert zich tegen ontbinding, rotten (‘inleg’groente – vooral ‘vroeger’ ingelegd in het zout, pekelen). Zonder deze zouthoudende, vormende krachten die de toestand laten voortduren, zouden wij oplossen. Meer te veel zout is weer schadelijk voor de wording, doodt het leven dat oplossing en vormgeving, leven en sterven omvat.

Het landschap rond de Dode Zee geeft een schokkend beeld van de alleenheerschappij van het zout.
Door grote hitte of elektrische stroom kunnen we steenzout (ook de kalk) splitsen: in zoutzuur en natronloog.
Als we bij een proef natronloog en zoutzuur bij elkaar gieten, krijgen we pekel of brijn, waarin zoutkristallen ontstaan. 
Je moet in de klas een kan met dit geconcentreerde pekelwater neerzetten. De kinderen kunnen dan waarnemen dat dit proces langzaam verloopt en dat ze heel rustig moeten zijn: want trillingen verstoren het kristallisatieproces. Dat maakt wel indruk op de kinderen.
Andere vloeistoffen kunnen ermee vergeleken worden om te zien hoe daarin het kristalliseren verloopt. (aluin, kopervitriool)
Wanneer je de activiteit en het raadsel van het zout nagaat, kun je als vanzelf aan de chemische processen beschouwingen aanknopen die weer bij de mens eindigen. 
Om daar nu op in te gaan, zou voor dit artikel te ver gaan. 
Om de periode af te sluiten deden we een proef die weer heel nieuwe vragen opriep, waarvan de antwoorden pas in de laatste klas van de basisschool (toen de 8e klas) aan de orde komen.
We deden dat met het toestel van Kipp.
Wat we tot nog toe geleerd hadden, pasten we nu toe om een stof, het koolzuur, te produceren. Daarmee werpen we ook al een blik op de scheikunde in de 8e klas wanneer de betekenis van de scheikundige processen voor de industrie aan de orde komen. 
Met wat tot nog toe in de klas aan fysica-, aardrijkskunde- en biologische kennis opgedaan is, kan nu een eerste overzicht gegeven worden over handels- economische en verkeersbetrekkingen. Hoe intensiever de vragen die hierbij kunnen ontstaan, verwerkt kunnen worden, des te vruchtbaarder zal op een later tijdstip het vervolg op wat aangelegd werd, kunnen zijn. 

* zie deel 1  en deel 2

7e klas scheikundealle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.
2539-2379

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2-2)

.

AUTORITEIT IN DE OGEN VAN LOUIS VAN GAAL
.

Rond de jaren 1980 heerste er onder jonge mensen in die tijd – vooral in de steden en wanneer ze studeerden of gestudeerd hadden, een gevoel, een mening dat zij de opvoeding die zij zelf hadden genoten en vooral de leiding die ze op hun scholen hadden ervaren, te streng was. Te veel van boven opgelegd, waarbij ze zelf geen of te weinig ruimte kregen om mee te beslissen. 
Tegelijkertijd of al ruim daarvoor had de bezetting van het Maagdenhuis plaatsgevonden en wilden de vrouwen ‘baas in eigen buik‘ zijn.

Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat vanuit dit gevoel, deze meningen ook gekeken werd naar de opvoeding en omdat je niet vroeg genoeg kan beginnen, ontstonden er de zgn. ‘anti-autoritaire crèches’.

Ook in Groningen, bijv. En toen daar een vrijeschool werd opgericht – het enthousiasme daarvoor kwam voor een groot deel van de mensen die ik hierboven beschreef, ‘botste’ dit gevoel van geen of weinig autoriteit in de opvoeding – het zou me niet verbazen dat het woord ‘vrije’ in vrijeschool de grote trekpleister was – met Steiners opvatting over ‘autoriteit’.

Wanneer je Steiners opmerkingen daarover, zoals weergegeven in zijn pedagogische voordrachten, leest, valt op dat het steeds gaat over de ‘vanzelfsprekende’ autoriteit. En wat je moet doen om deze vanzelfsprekende en niet afgedwongen autoriteit te worden.

Veelvuldig komt het voor dat Steiners uitspraken die in de (pedagogische) voordrachten wat geïsoleerd lijken te staan en van ‘100 jaar’ terug, volkomen buiten ‘het leven (van nu)’.

Maar wie intensief met Steiners opvattingen bezig is, er openstaand mee leeft, zal vaak ‘bevestiging’ van zijn woorden vinden vanuit totaal andere invalshoeken, maar wel vanuit het praktische leven. 

In Trouw van dinsdag 20 april 2021 stond een interview met de bekende voetbaaltrainer Louis van Gaal.
Een stukje uit dit interview dat verrassend bekend klinkt als je Steiners opvattingen over ‘voor de klas staan’ kent:

Van Gaal:

Het belangrijkste is dat je een goed mens bent en dat betekent in ieder geval dat je doet wat je gezegd en afgesproken hebt. Als je als coach geen goed mens bent, haken de mensen met wie je werkt op den duur af.

Autoriteit moet je verdienen

Vroeger was de titel coach al voldoende voor een grote mate van gehoorzaamheid. Dat is niet meer zo, en dat is een goede ontwikkeling. Ik weet dat ik soms de indruk kan wekken dat ik de oude cultuur veel meer waardeer, maar er zijn zeker ook veel voordelen aan de huidige cultuur en dit is er één van. Autoriteit moet je verdienen. Je moet dus altijd het goede voorbeeld geven.

Veel leiders zijn met zichzelf bezig, te weinig afgestemd op hun omgeving, te weinig helder in hun visie, niet duidelijk en niet logisch in wat ze zeggen. De combinatie van duidelijkheid, logica en zelf het goede voorbeeld geven is een belangrijke kwaliteit die door de meeste mensen gewoon wordt nagevolgd. Leider zijn op zichzelf heb ik nooit echt een verdienste gevonden, omdat ik denk dat sommige mensen met leidinggevende kwaliteiten geboren worden. Kennis vergaren, inzichten opdoen: dat is een ander verhaal, of een goed mens zijn in de maatschappij, de kwaliteiten ontwikkelen om een goed leider te zijn, het ontwikkelen van een goede leiderschapsstijl.

Dat vind ik een grotere verdienste.

Mijn visie kun je samenvatten als het ‘totale-mens-principe’ en dat betekent dat de mens achter de sporter of collega belangrijk is. Ik wil me kunnen verplaatsen in de individuele mens om te kijken wat hem raakt, wat hem of haar beweegt en Wat ervoor kan zorgen dat iemand beter gaat functioneren. Als coach vraagt dat een goed oriëntatievermogen om dat beeld van de individuele speler in een rol in het team te plaatsen zodat hij een meerwaarde voor het team kan zijn, maar ook voor zichzelf.

Wanneer een jongen of meisje naar een amateurclub gaat om te voetballen, wordt hij of zij meestal op een bepaalde positie in het team gezet waar toevallig een positie vrij is gekomen. Maar dat wil niet zeggen dat daarmee voor die speler de beste positie is uitgezocht. Het totale-mens-principe betekent dat je op een andere manier kijkt en al die aspecten meeweegt en daarbij ook een gesprek aangaat en afweegt of iemand dan op die positie past.

Wetenschappers zeggen dat mensen in hun jongste jaren, tussen de één en tien jaar, het meest worden gevormd. Ik denk dat die periode voor mij een belangrijke basis heeft gelegd in het leven. Ik had een gelukkige jeugd en ben opgegroeid met veel zelfvertrouwen, maar ook kreeg ik dat vertrouwen van mijn omgeving. Dat draag ik nog steeds met mij mee. Dat betekent niet dat ik in de loop van de jaren niet ben veranderd. Het leven vraagt ook dat je je voortdurend aanpast.

Ik vind: je moet jezelf altijd blijven evalueren. Niet iedereen weet of denkt van mij dat ik dat regelmatig doe, maar iedere keer als ik weer in de auto zat en naar huis reed na een wedstrijd heb ik mezelf geëvalueerd. Je kunt nooit stilstaan. Je moet je steeds weer aanpassen aan de omstandigheden. [  ]

Grote ego’s zijn vaak wel de creatiefste figuren op het veld, en ja: die heb je nodig in het voetbal. Tegelijk zijn ze vaak eigenwijs en hebben ze een stevige eigen mening gevormd, omdat ze soms te snel dachten dat ze vanwege hun creatieve talent boven de rest van het team stonden. Maar voetbal is en blijft een teamsport, en als coach is het je taak om dat te managen. Daarbij bereik je meer met belonen dan met straffen. Dat heb ik altijd in gedachten gehouden, maar ik deinsde er ook niet voor terug om te corrigeren als dat, in het belang van de groep, nodig was.

Om goed te kunnen presteren is zelfvertrouwen de belangrijkste voorwaarde. Maar wel ook gebaseerd op wat anderen daarover zeggen. Daarmee bedoel ik dat het gevoel van vertrouwen niet alleen uit jezelf moet komen: het is belangrijk dat het ook wordt bevestigd door anderen. Daarom moetje als leider of coach van een groep in staat zijn om te belonen, te corrigeren, zonder te straffen op een manier die het zelfvertrouwen van iemand beschadigt.

De essentie is voor mij: duidelijkheid, eerlijkheid en empathisch zijn in je communicatie. Ik hoop dat mensen die met mij gewerkt hebben op die manier ook aan mij zullen terugdenken. Als iemand die niet alleen uitging van hemzelf, maar ook altijd rekening hield met zijn medemens en in de medemens geloofde. Mijn geloof in de medemens is bijna net zo groot als het geloof in mezelf.

Jonge sporters vragen mij vaak: wat zou je mij kunnen adviseren? Dan zei ik altijd: ‘Blijf dicht bij jezelf’. Maar eigenlijk is dat niet helemaal waar. Omdat ik als voetbalcoach heb geleerd dat je juist niet altijd bij jezelf moet blijven, dat je dat soms juist moet laten gaan. In het begin van je carrière moet je vooral open staan voor opbouwende kritiek, en dankzij die kritiek jezelf nog beter leren kennen.

Wat ik heb ontdekt: het begint altijd bij jezelf, maar het eindigt niet bij jezelf, omdat je in het belang van het team jezelf soms moet kunnen vergeten.”

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2538-2378

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-5)

.
In het tijdschrift Jonas  -zo tussen ca 1970 en 2000 – verschenen regelmatig artikelen over de politiek van die jaren. Meestal meer of minder uitgesproken tegen de achtergrond van de idee van de sociale driegeleding.
Voor een deel ius de inhoud dus bepaald door de tijd van toen, maar ze bevatten ook vrijwel altijd gezichtspunten voor de toekomst.
En, zien we niet in hoe het toen was, toch weer niet hetzelfde zoals het nu is, al zijn namen en situaties veranderd ?
Ook de vrijescholen worden genoemd. Opgemerkt wordt dat ze niet vrij zijn.
Ik merk op dat ze de laatste halve eeuw ook vrij weinig voor vrijheid van onderwijs hebben gedaan.
.

Frank Thomas Smtih, Jonas nr. 23, 6 juli 1973
.

moreel socialisme als alternatief

Als we het woord ‘socialisme’ gebruiken, bedoelen we daarmee gewoonlijk een systeem waarin de politieke staat de productiemiddelen bezit en de bevolking van een staatkundige eenheid voorziet van belangrijke sociale instellingen als pensioen- en ziekenfondsen, werklozenondersteuning, enz. Of het nu gaat om een democratische of een andere staatsvorm, waar ‘t op aankomt is, dat niemand economisch wordt uitgebuit. Per slot van rekening kan geen enkele staat die een volk vertegenwoordigt, hetzij door middel van gekozen vertegenwoordigers of door een dictatuur van het proletariaat, en die de bezitter is van de productiemiddelen, theoretisch het volk uitbuiten, want dat zou gelijk staan met uitbuiting van zichzelf.
Het begrip socialisme als staatssocialisme is duidelijk gevolg van de misbruiken van het kapitalistische systeem, versterkt door de ongecontroleerde egoïstische belangen. Bijgevolg is het een fenomeen van onze tijd dat verstandige en intelligente mensen, vooral onder de jongere generatie, zich terecht van de kapitalistische maatschappij afwenden en zich keren naar het marxistisch-leninistische communisme of variaties daarvan, vaak langs de weg van gewelddadige revolutie. Wat deze verschijnselen vooral zo belangwekkend maken, is het feit dat deze mensen concrete resultaten op het oog hebben bij de verwerkelijking van de theorieën van Marx en Lenin: de bureaucratische, economisch productieve, hedendaagse communistische staten — vestingen van de onderdrukking van de menselijke geest. We zijn allen getuigen van het fiasco van beide systemen, het kapitalistische zowel als het communistische, die bovendien bezig zijn een voor beide partijen dodelijke strijd te voeren. Niettemin beschouwt de idealist het marxisme als een zaak, waard om voor te strijden; met als ideaal de verdwijning van de staat en de terugkeer van het paradijs, al is het dan een materialistisch paradijs, terwijl het kapitalisme iedere morele ideologie mist. Wat hij echter niet schijnt te zien of in elk geval buiten beschouwing laat, is het onzinnige om te theoretiseren over het doen afnemen van de staatsmacht en tegelijkertijd de machtigste economische staten uit de hele geschiedenis op te bouwen.

De kapitalistische belangen (en de westelijke staten die daardoor worden beheerst) zien hun bestaan met recht dodelijk bedreigd door het communistische oosten: de marxistisch-leninistisch-maoïstische profetie verkondigt de ondergang van het kapitalisme door gewelddadige revolutie. Daarom verklaarde het kapitalistische westen de oorlog aan het communistische oosten, dat reeds lang bezig was een koude oorlog te voeren (in Europa, Korea, Vietnam, het Arabisch-Israëlische conflict, de guerrillastrijd in Zuid-Amerika, enz.). De resultaten van deze polariteit openbaren zich ook in de honger en de schandelijke sociale onrechtvaardigheid, die in vele gebieden op het zuidelijk halfrond heersen; in het ontbreken van vrijheid in die landen waarin de maatschappij wordt beheerst door extreme vormen van een militaire of klassendictatuur; in de vertwijfeling die zich uit in het gebruik van drugs en alcohol, in de jeugdcriminaliteit, de zelfmoorden, enz. of, om de woorden van Rudolf Steiner te gebruiken, in:

de mechanisering van de geest,
de vegetabilisering van de ziel,
de animalisering van het lichaam

Theoretici van beide kanten als ook uit de ‘derde wereld’ beseffen de gevaren van deze polarisering, maar blijkbaar zijn ze alleen in staat politieke of economische oplossingen te vinden. Een machtige president of kanselier, een juiste staatkundig-economische politiek, die door een wonderen bewerkende minister van financiën wordt uitgeoefend – daarin ziet men het middel tegen alle kwalen. Wat echter onder deze oppervlakkigheid verborgen blijft, is het feit dat juist deze politieke en economische overheersing van het gehele sociale weefsel en in het bijzonder van de opvoeding de maatschappij in de huidige explosieve gespannen toestand heeft gebracht. Politieke staten of economische politiek zijn niet in staat de oplossing te vinden voor deze problemen. Onder een dergelijke leiding kan de toestand alleen nog maar erger worden.

Veel belangrijker dan beide bovengenoemde gebieden is een heel ander arbeidsveld, een terrein van menselijk streven dat als autonomie bevoegd is zijn rechtmatige plaats naast de anderen in te nemen: het geestelijk leven. Hierdoor wordt alles wat met de geest te maken heeft uit de boeien van de staatscontrole bevrijd, beginnend, maar zich niet alleen daartoe beperkend, met de belangrijkste van alle geestelijk activiteiten: de opvoeding.

De gangbare reactie is, als dit ter sprake wordt gebracht, dat men zich verrast toont en er een beetje om lacht, en dat komt vooral omdat de politiek-economische eenheden de meesten van ons van hun onontbeerlijkheid op alle sociale gebieden hebben overtuigd. Particuliere scholen zijn hierop niet het antwoord, omdat ook zij direct of indirect onder staatscontrole staan.
Ze moeten gewoonlijk een officieel leerplan volgen en kunnen alleen door de staat gediplomeerde leraren aanstellen. De vrijescholen vormen hierop geen uitzondering, hoewel ze vaak in de gelegenheid zijn een opmerkelijke graad van betrekkelijke vrijheid te genieten – al naar het land waarin ze zich bevinden, waardoor de leraren kunnen werken in een atmosfeer die onder de gegeven omstandigheden zo vrij mogelijk is. Wie echter meent dat de vrijescholen in de huidige maatschappij ook werkelijk vrije scholen zijn, vergist zich.

Een opvoedingssysteem, vrij van staatscontrole en economische afhankelijkheid zou mensen voortbrengen, gevormd door leermethoden die zich uit het vrije initiatief van de leraren zelf ontwikkelen. Dit zou tot een nieuw bewustzijn leiden, waarvan de maatschappij waarin deze mensen zich uiteindelijk integreren op haar beurt weer rechtstreeks voordeel heeft, vanzelfsprekend met inbegrip van de politieke en economische gebieden van die maatschappij. Ze zouden dan werken aan de omvorming van de maatschappij in een organisme dat aan de huidige en toekomstige eisen van de civilisatie beantwoordt. Ze zouden dit doen als persoonlijkheden, waarvan gemoed en denkwijze niet door politieke propaganda en economische eisen werden verwrongen.

Het is de mythe dat eenheidsstaten een noodzakelijkheid zouden zijn, die de wereld in versneld tempo naar de zelfvernietiging voert. De steeds machtiger wordende eenheidsstaat, of het nu een pseudo-democratie of een openlijke dictatuur is, moet krachtens zijn hoedanigheid het hele sociale organisme met de dodelijke ziekte van het statisme infecteren. De staat is politiek, en als zodanig dwingt hij met zijn politieke motieven de geestelijke en economische werkgebieden binnen, waardoor hij ze te gronde richt. Is de tijd niet eindelijk aangebroken, waarin de wereld haar lethargie zou moeten afschudden en de dwingende noodzakelijkheid zou moeten erkennen de drieledige maatschappij te verwerkelijken, voor de eenheidsstaten zichzelf en alles wat aan menselijke beschaving overblijft door gewelddadige omwentelingen vernietigen?

De eerste duidelijke schrede is, overal bekendheid te geven aan deze noodzakelijkheid. Dit kan alleen uitgevoerd worden door hen die zelf de urgentie van deze opgave inzien en die bereid zijn zich door intensieve bestudering van de principes van de drieledige maatschappij voor te bereiden. Wanneer dan het nodige begrip en de overtuiging verworven zijn, moet deze kern van toegewijde personen erop uitgaan en zich tot het uiterste inspannen om deze principes aan de mensheid in haar totaliteit bekend en begrijpelijk te maken.

De weg van de menselijke ontwikkeling toont ons dat we ons aan de chaos moeten ontworstelen. Dit kan door een drieledig socialisme worden bereikt, niet door staatssocialisme, maar door een echt socialisme, dat het geestelijk leven vrij zijn oereigen wetten laat volgen, de politieke staat tot op zijn rechtmatige ordenende functie reduceert en waarin de economie dient te zorgen voor de materiële behoeften van de maatschappij. Dat is moreel socialisme.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld:

.

2537-2377

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/23)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
De koningszoon die nergens bang voor was

Er was eens een koningszoon wie het thuis bij zijn vader niet meer beviel en omdat hij nergens bang voor was dacht hij: ik ga de vrije wereld in, dan valt de tijd mij niet zo lang en ik zal vele wonderlijke dingen zien. Dus nam hij afscheid van zijn ouders en ging weg, steeds verder, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en het was hem om het even waar de weg hem heenvoerde. En zo gebeurde het dat hij bij het huis van een reus kwam en omdat hij moe was ging hij voor de deur zitten om uit te rusten. En terwijl hij zijn ogen de kost gaf zag hij op het erf het speelgoed van de reus liggen – dat waren een paar geweldige ballen en kegels .zo groot als een mens. Na een tijdje kreeg hij zin de kegels op te zetten, gooide er met de ballen naar, hij juichte als de kegels omvielen en was in de beste stemming. De reus hoorde het lawaai, stak zijn hoofd door het raam en ontwaarde een mens die niet groter was dan andere mensen en toch met zijn kegels speelde. ‘Wurmpje,’ riep hij, ‘wat kegel jij daar met mijn kegels? Wie heeft je daar de kracht toe gegeven?’ De koningszoon keek op, zag de reus en zei: ‘O jij lummel, je dacht zeker dat jij alleen sterke armen had? Ik kan alles waar ik zin in heb.’ 

Als een zoon volwassen is geworden, wordt het tijd dat hij het vaderhuis verlaat om de wereld in te gaan en om zichzelf te bewijzen. Dat geldt ook voor de binnenwereld. Het jonge Ik dat sterker aan het worden is, wil een vrije, zelfstandige individualiteit worden. Het oude zelf (de vader) en de ziel waaruit die geboren is (de moeder) kunnen hem niet meer geven wat hij nodig heeft. Hij heeft een opvatting over de wereld nodig en hij moet zo volwassen worden dat hij zichzelf in de hand heeft. Dat heet in het sprookje ‘het koningschap vinden’. Dat betekent vele opgaven volbrengen en de weg daarnaartoe is vol gevaar. Het eerste gevaar is de reus en die is kennelijk des te machtiger, naarmate het Ik sterk is. 
Reuzen zijn imaginaties van grote, ongeslachtelijke, teugelloze natuurkrachten. Door helderziende mensen werden ze gezien als vorst-, ijs- en stormreus. Ze gaan geweldig, maar zinloos tekeer, daarom worden ze groot en dom genoemd. Ook in de mens kunnen deze ‘reuzen’krachten werken, teugelloos, mateloos. En het geheel van onze menselijke natuur in ons, is zo’n reus. Iedereen krijgt ermee te maken, het meest echter degene die zijn koninklijke waardigheid zelfstandig wil verwerven.
De reus speelt graag met ballen en kegels die zo groot zijn als een mens. De bal is, evenals de ring, de uitdrukking voor de kosmos. Hiermee wordt de sferische vorm aangegeven. De natuurmens in ons gebruikt die krachten, onbewust gaat hij ermee om, hij speelt. Het Ik moet die krachten en de gevolgen ervan net zo leren gebruiken, maar vanuit een vrije wil en een bewuste houding. Hij moet zich t.o. die reuzenkracht opstellen en kunnen zeggen: jij hebt niets anders dan je grofstoffelijke wildheid, de kracht die in je fysieke lichaam werkt; maar ik kan deze krachten bewust beheersen.

De reus kwam naar beneden, keek heel verbaasd naar het kegelen en zei: ‘Mensenkind, als jij er zó een bent, ga dan voor mij een appel van de Boom des Levens halen.’ – ‘Wat moet je daarmee?’ vroeg de koningszoon. ‘Ik wil die appel niet voor mijzelf hebben,’ antwoordde de reus, ‘maar ik heb een bruid die ernaar verlangt en ik heb overal in de wereld rondgelopen maar ik kan die boom niet vinden.’ – ‘Ik zal hem wel vinden,’ zei de koningszoon, ‘en ik zou niet weten wat mij ervan kan weerhouden een appel van die boom te plukken.’ De reus zei: Je denkt zeker dat dat zo eenvoudig is? De tuin waarin die boom staat is door een ijzeren hek omgeven en voor dat hek liggen wilde dieren, de een naast de andere en zij houden de wacht en laten geen mens binnen.’ – ‘Mij zullen ze wel binnenlaten,’ zei de koningszoon. Ja, en als je dan al in de tuin komt en de appel aan de boom ziet hangen, dan is hij nog niet van jou – er hangt een ring voor, waar je je hand doorheen moet steken om de appel te kunnen grijpen die je wilt plukken en dat is nog niemand gelukt.’ – ‘Mij lukt dat wel,’ sprak de koningszoon.

De appel is in het Avondland de vrucht van de boom van de kennis. Hij werd het symbool voor de gebeurtenis waarbij de mens uit een hogere bewustzijnstoestand in een lagere ‘viel’ en de paradijselijke hogere wereld verwisselde voor de ons omringende zintuigwereld. De mens werd burger van twee werelden. Door deze ‘val’ verkrijgt hij echter de kennis van goed en kwaad. Deze ‘appel’ hebben Eva en Adam plaatsvervangend voor ons gegeten. Wat is de appel des levens? Het beeld van de tuin wijst naar de plaats waar in rijke mate een volheid aan levenskiemen groeit, waar vruchten en zaden rijpen. Het is de wereld van de groei- en levenskrachten die ons lichaam doortrékken en die overal leven wekken. Het is het bijzondere krachtengebied in de mens dat Aristoteles de ‘vegetatieve ziel’ noemt. Dit is een beschermd gebied: om de tuin bevindt zich een ijzeren hek; je moet een ijzeren wil hebben om er binnen te kunnen gaan. Deze wil moet Ik-karakter hebben, behorend bij een sterke persoonlijkheid (het ijzer in het bloed maakt het Ik krachtig).
Vóór het hek liggen wilde dieren. de een naast de ander en houden de wacht en laten geen mens binnen. Onze gewaarwordingswereld zit vol met driften en begeerten. Deze wilde driften zijn de dieren die ons de ingang in deze tuin van Eden waarin de beste vrucht groeit, versperren. Je hebt een onoverwinnelijk gevoel van vertrouwen in de goddelijkheid van de menselijke ziel nodig om geloof te hebben in dit beeld van het Paradijs en het in zichzelf te vinden. Je moet weten dat je met elke wildheid, ja met al je driften af kan rekenen wanneer dit doel je onwankelbaar voor ogen staat. ‘Mij zullen ze wel binnenlaten’, zegt de koningszoon. ‘Mij lukt dat wel,’ als het over de ring gaat. Wanneer de mens leert dat het Ik-bewustzijn dat zich in de loop van het leven vormt, niet zijn totale Ik is, maar slechts een deel dat bij de stoffelijke zintuigwereld hoort, dan vat hij het op als een schijnvrucht. Doet hij zijn best niet alleen vanuit dit lagere Ik te leven, maar vanuit een hoger Ik, dan overwint hij deze ‘val’ in de afzondering, in de zonde. Het afdalen naar de zintuigwereld heeft naast de kennis van het goede ook de kennis van het boze gebracht. Als de mens zich bewust wordt, dat hiermee ook de keuze tussen goed en kwaad verbonden is, dat het kunnen kiezen hem tot een vrij mens maakt, dan heft hij daarmee de zondeval op. Hij kan in vrijheid het lagere Ik in een hoger transformeren, wanneer hij niet meer uit egoïsme, maar uit onzelfzuchtige liefde handelt. Terwijl hij echter in deze wereld met de doodskrachten vertrouwd raakte en de dood in zich moest opnemen, is er aan gene zijde geen dood, daar is alleen leven. Daarmee komt er in de plaats van de appel, de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, de vrucht van de boom des levens.
Het sprookje zegt: wie deze vrucht wil plukken, moet door de ring heen pakken. De ring, die in zich gesloten cirkel, maakt het beeld nog duidelijker. Wanneer handelt de mens vanuit de geslotenheid van een op zich staand geheel? Wanneer voor hem begin en eind, geboorte en dood één zijn. Wanneer zijn bewustzijn één geheel wordt, nooit versaagt en hem tot een op zich staande harmonische persoonlijkheid maakt, die zich als eeuwig ziet. Ook in Richard Wagners ‘Ring der Nibelungen’ gaat het om dit persoonlijkheidsbewustzijn. En ook daar is de ring het symbool. Alleen wie door deze ring heen grijpt, kan de vrucht van de boom van het leven plukken.

Hij nam afscheid van de reus en liep over bergen en door dalen, langs velden en bossen tot hij eindelijk de wondertuin vond. De dieren lagen er omheen, maar zij lieten hun koppen hangen en sliepen. Zij werden ook niet wakker toen hij aankwam en hij stapte over ze heen, klom over het hek en kwam ongedeerd in de tuin. Daar stond in het midden de Boom des Levens en de rode appels glansden aan de takken. Hij klom langs de stam naar boven en toen hij een appel wilde grijpen zag hij er een ring voor hangen, maar hij stak er zijn hand zonder moeite doorheen en plukte de appel af. De ring sloot zich vast om zijn arm en hij voelde hoe er opeens een geweldige kracht door zijn aderen stroomde. Toen hij met de appel weer uit de boom was geklommen wilde hij niet over het hek klimmen, maar pakte de grote poort beet en behoefde daar slechts éénmaal aan te rukken en hij sprong onder hevig gekraak open. Toen ging hij naar buiten en de leeuw die voor de poort had gelegen was wakker geworden en rende achter hem aan, maar niet in woede en razernij, integendeel: hij volgde hem deemoedig als zijn meester.
De koningszoon bracht de reus de beloofde appel en sprak: ‘Zie je, ik heb hem zonder moeite gehaald.’ De reus was blij dat zijn wens zo snel vervuld was, haastte zich naar zijn bruid en gaf haar de appel die zij gewenst had. Het was een mooi en verstandig meisje en toen zij de ring niet aan zijn arm zag zei zij: ‘Ik geloof pas dat jij de appel gehaald hebt als ik de ring om je arm zie zitten.’ De reus zei: ‘Ik hoef hem alleen maar thuis te gaan halen,’ en hij dacht dat het een kleinigheid zou zijn, om die zwakke mens met geweld af te nemen wat hij niet goedschiks wilde geven. Hij eiste dus de ring van hem op, maar de koningszoon weigerde. ‘Waar de appel is hoort ook de ring te zijn,’ sprak de reus, ‘als je hem niet goedschiks geeft moet je er met mij om vechten.’

Wie de vrucht van de boom des levens veroverd heeft, kan de poort van deze hof van Eden openen. De wilde dieren (de driften) slapen. Zij zijn getemd. ‘Nu sluimert ieder wild verlangen’, staat er in de Faust. Roekeloosheid is moed geworden: de leeuw volgt de koningszoon en dient hem.
De mooie en slimme bruid van de reus is de onschuldige natuurziel van de mens. Voor haar werd de appel gehaald. Het beeld wil zeggen: nog wordt de levensvrucht op een natuurlijke manier een deel van de menselijke ziel. Het bewustzijn echter dat de mens daardoor heeft gekregen (de ring) mag hij niet meer opgeven; daar moet hij voor vechten, die mag de reus niet hebben.

Zij worstelden een hele tijd met elkaar maar de reus kon de koningszoon die door de toverkracht van de ring sterk was geworden, niet klein krijgen. Toen verzon de reus een list en hij zei: ‘Ik heb het warm gekregen van het vechten en jij ook, laat ons in de rivier gaan baden om af te koelen eer wij opnieuw beginnen.’ De koningszoon die geen bedrog kende, ging met hem naar het water, deed bij het uitkleden ook de ring van zijn arm en sprong in de rivier. Dadelijk greep de reus de ring en liep ermee weg, maar de leeuw die de diefstal had gezien, zette de reus na, rukte hem de ring uit zijn hand en bracht hem aan zijn meester terug. Nu ging de reus achter een eikenboom staan en toen de koningszoon bezig was zich weer aan te kleden, overviel hij hem en stak hem beide ogen uit.

Een sterk Ik gaat dikwijls gepaard met argeloosheid, met een te groot vertrouwen. Vervuld van een kracht die de wereld kan veroveren ontbreekt het de mens aan waakzaamheid waar ’t het kwaad betreft en de sprookjes laten steeds weer zien dat het kwaad niet duidelijk genoeg herkend wordt en de zich steeds opdringende, remmende krachten niet worden herkend. In dit geval: de doffe, reuzennatuurkracht was weliswaar de aanleiding om het totale persoonlijkheidsbewustzijn (de ring) te verkrijgen, maar in het ‘water’ wordt het veel minder. Water is het oerbeeld van de zielenwereld die ervaren wordt (in de zin van: ‘de mensenziel lijkt op het water’ (Goethe), daar golft de gevoelswereld van stemmingen, hartstochten, daar duiken dromen en onbewuste gedachten op. In beeldentaal: in zich verzonken zijn, het Duist heeft hier nog ‘Auftrieb’: een ‘stijgende kracht’) In deze wereld van dromende gevoelens te duiken – en hoe vaak verleidt de reus ons daar niet toe – betekent gevaar voor het Ik-bewustzijn. Je raakt ‘op drift’. Dan helpt de verworven leeuwenmoed – de leeuw.
Nadat de list van de reus niet gelukt was, probeert hij het op een andere manier: hij gaat achter een eikenboom staan en steekt de koningszoon beide ogen uit. In het uiterlijke leven zou iedere rover tevreden zijn met een dikke boom. In het innerlijk leven is de eikenboom de beste verstopplaats en met een bijzondere betekenis. De wildeman met een eikenboom, dikwijls met een uitgetrokken eikenboom in de hand, is een van de meest voorkomende symbolen uit de middeleeuwen. In familie- en stadswapens kwam het voor, maar ook in naamschilden van herbergen (herberg ‘In de wildeman’) en het was eigenlijk een voortdurende vermaning bedacht te zijn op de overmacht van de natuur en zich bewust te zijn van haar kracht door ze te overwinnen. De eikenboom is het symbool van de omhoogstijgende wilskrachten – het Duits heeft ‘aufbäumen’ die diep in de mensenziel als aanleg wortelen. De mens zonder angst heeft in zekere zin een machtige eikenboom in zich. Hierachter gaat graag de reus schuil om ons de ogen uit te steken, d.w.z. hij berooft ons van de mogelijkheden die dingen daadwerkelijk te doorzien, om een echt inzicht te krijgen. Wie zich in het gevoelsleven (n het water) verliest, valt makkelijk ten prooi aan het gevaar dat hij zich in zijn wilsleven te buiten gaat. Hij wordt ‘blind’ voor ieder verstandig inzicht.

Daar stond nu de arme koningszoon blind en hulpeloos. Toen kwam de reus er weer aan, vatte hem bij de hand alsof hij hem wilde leiden en bracht hem naar de top van een hoge rots. Daar liet hij hem staan en dacht: nog een paar stappen dan stort hij naar beneden en valt dood en dan kan ik de ring van zijn arm aftrekken. Maar de trouwe leeuw had zijn meester niet verlaten, hij hield hem vast aan zijn jas en trok hem langzaam aan weer terug.
Toen de reus kwam om de dode te beroven zag hij dat zijn list was mislukt. ‘Kan zo’n zwak mensenkind dan niet vernietigd worden?’ zei hij nijdig tot zichzelf, vatte de koningszoon weer bij de hand en bracht hem langs een andere weg nogmaals bij de afgrond; maar de leeuw die de boze opzet begreep, redde zijn meester ook hier van het gevaar. Toen zij dicht bij de rand waren gekomen liet de reus de hand van de blinde los en wilde hem alleen achterlaten maar de leeuw gaf de reus een duw, zodat hij naar beneden stortte en te pletter viel.

Sommige bergwandelingen naar de top, sommige hoogten heb je te danken aan de reus in je, wanneer je je aan hem overgeeft. Als hij je echter het zicht heeft benomen, kan je niet meer overzien en sta je spoedig aan de afgrond. De moed van het hart, de leeuw, moet de ware leider zijn en de onstuimige natuur doden.

Het trouwe dier trok zijn meester weer van de afgrond weg en leidde hem naar een boom waar een heldere beek langs stroomde. De koningszoon ging daar zitten, maar de leeuw ging liggen en spatte hem met zijn poot water in het gezicht. Nauwelijks hadden enkele druppels zijn oogkassen bevochtigd of hij kon weer een beetje zien en hij zag een vogeltje dat heel dicht langs hem vloog maar zich stootte aan een boomstam. Daarop liet het zich in het water zakken en baadde daarin en toen vloog het op, scheerde zonder zich te stoten tussen de bomen door alsof hij zijn gezicht weer had teruggekregen. Toen begreep de koningszoon het teken Gods, boog zich over het water en waste en bette daarin zijn gezicht. En toen hij zich oprichtte waren zijn ogen zo helder en klaar als nooit tevoren.

Hier wordt getoond hoe hetzelfde element dat een gevaar vormt voor wie erin duikt zonder zijn volledige persoonlijkheid te bewaren, omgekeerd genezend is wanneer de mens de krachtige aanwijzing van het hart ernstig neemt. Er ontstaat nieuw inzicht. Hij wordt helderziend, in de zin van Wagners ‘wereld-helderziendheid’. Nu duurt het niet lang meer en de kennisweg van het Ik leidt naar het gebied van de hogere ziel zelf.

De koningszoon dankte God voor deze grote genade en trok met zijn leeuw verder de wereld in. Nu gebeurde het dat hij bij een slot kwam dat betoverd was. In de poort stond een jonkvrouw, schoon van gestalte en met een fijn gelaat, maar zij was helemaal zwart. Zij sprak hem aan en zei: ‘Ach, kon jij mij maar verlossen van de boze betovering die over mij is uitgesproken!’ – ‘Wat moet ik dan doen?’ vroeg de koningszoon. De jonkvrouw antwoordde: ‘Drie nachten moet je doorbrengen in de grote zaal van het betoverde slot, maar er mag geen vrees in je hart opkomen. Als je het bij de ergste kwellingen die zij je aandoen uithoudt, zonder dat er één geluid over je lippen komt, dan ben ik verlost; zij mogen je niet het leven benemen.’ Toen sprak de koningszoon: ‘Ik ben niet bang, ik zal het met Gods hulp proberen.’ En zo ging hij opgewekt het slot binnen en toen het donker werd ging hij in de grote zaal zitten en wachtte af. Tot middernacht was het stil; maar toen ontstond er plotseling een hevig spektakel en uit alle hoeken en gaten kwamen kleine duivels aanlopen. Zij deden of zij hem niet zagen, gingen midden in de kamer zitten, maakten een vuur aan en begonnen te spelen. Als er een verloor, zei die: ‘Het is niet pluis, er is hier iemand die niet bij ons hoort en het is zijn schuld dat ik verlies.’ – ‘Wacht ik zal je krijgen, jij daar achter die kachel,’ zei een ander. Het geschreeuw werd steeds erger, zodat niemand ernaar had kunnen luisteren zonder bang te worden. De koningszoon bleef heel rustig zitten en was niet bevreesd – maar tenslotte sprongen de duivels van de grond op en stortten zich op hem en het waren er zoveel dat hij ze niet van zich af kon slaan. Zij sleurden hem over de grond, knepen, porden, sloegen en kwelden hem, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Tegen de morgen verdwenen zij en hij was zo uitgeput dat hij zijn ledematen nauwelijks kon bewegen; maar toen de dag aanbrak trad de zwarte jonkvrouw bij hem binnen. Zij had een klein flesje in haar hand waarin Water des Levens zat, daarmee waste zij hem en weldra voelde hij alle pijn verdwijnen en nieuwe kracht stroomde door zijn aderen. Zij sprak: ‘Eén nacht heb je goed doorstaan, maar er staan er je nog twee te wachten.’ Daarop ging zij weer weg en toen zag hij dat haar voeten wit waren geworden. De volgende nacht kwamen de duivels en begonnen opnieuw met hun spel. Zij stortten zich op de koningszoon en sloegen hem veel harder dan de vorige nacht, zodat zijn lichaam vol wonden zat. Maar aangezien hij alles zwijgend verdroeg, moesten zij hem verder wel met rust laten en met het morgenrood verscheen de jonkvrouw en genas hem met het levenswater. En toen zij wegging zag hij tot zijn grote vreugde dat zij al tot aan haar vingertoppen wit was geworden. Nu moest hij het nog slechts één nacht volhouden, maar dat was de ergste. Het gesprek van de duivels begon opnieuw. ‘Ben je daar nog?’ schreeuwden zij. ‘Je zult gepijnigd worden dat de adem in je keel stokt.’ Zij staken en sloegen hem, wierpen hem heen en weer, trokken hem aan armen en benen alsof zij hem uit elkaar wilden rukken, maar hij verdroeg alles zonder ook maar één geluid te geven. Eindelijk verdwenen de duivels, maar hij lag bewusteloos op de grond en bewoog zich niet. Hij kon zijn ogen dan ook niet opslaan en zien dat de jonkvrouw binnenkwam en hem met het water des levens besprenkelde en overgoot. Maar opeens was hij van alle pijn bevrijd en hij voelde zich fris en gezond alsof hij uit een slaap ontwaakt was, en toen hij zijn ogen opsloeg zag hij de jonkvrouw naast zich staan, die sneeuwwit was en zo schoon als de heldere dag.

Het eeuwig-vrouwelijke, het hoogste doel van de ontwikkeling van de ziel, is verduisterd. De mens wordt belemmerd dit oerbeeld van zijn ziel te ontmoeten. Boze machten laten geen vrijer bij de koninklijke jonkvrouw toe. Je moet haar zonder angst leren kennen. De boze geesten die volgens de oudste overleveringen vooral om middernacht actief zijn, zijn de ahrimanisch-mefistolische. Zij inspireren het materialisme. Ze liegen de mensen voor dat de aardse wereld alleen de ware wereld is. Ze krijgen toegang tot de ziel door de lafheid. Wie laf is, is bang voor zijn hachje, zijn aardse bezit en valt aan de duivel toe. De materialist kent alleen het lichamelijke leven en wil dit als het hoogste niet inzetten of verliezen. De materialistische mens is ook bang voor het spirituele. Hij wil de zekere basis van de uiterlijke feiten niet verliezen. Hij wordt gegijzeld door angst. De ware zoeker naar de geest leert daarentegen dat ondanks zelfzucht en onverschrokkenheid nog steeds vergissing, fouten en leugens in hem actief zijn, want dat zit diep in de mens verankerd en verduistert zijn ziel. 
De laatste proef voor het inzicht moet in drie fasen doorstaan worden, volgens de oude mysterie-overleveringen in drie inwijdingsnachten. Dan wordt het zielenwezen verlicht op het levenspad (in de voeten), in het handelen (in de handen) en in het denkende kennen (in het hoofd) Hij put de wijsheid uit de oerbron en dat is het water des levens voor de mens die tot aan de grens van de dood gekomen is.

‘Sta op,’ sprak zij, ‘en zwaai met je zwaard driemaal over de trap dan is alles verlost.’ En toen hij dat had gedaan was het hele slot van de betovering bevrijd en de jonkvrouw was een rijke koningsdochter. Dienaren kwamen zeggen, dat in de grote zaal de tafel al gedekt was en de spijzen opgediend. Toen gingen zij zitten, aten en dronken met elkaar en ’s avonds werd met grote vreugde de bruiloft gevierd.

De trap is de weg die naar het eeuwig-vrouwelijke leidt. Ook deze opklimmende weg is ten prooi gevallen aan de boze betoveringsmacht. 
Omdat het het laatste is wat de verlossing betreft, stelt die vermoedelijk de vroegste dwaling voor. Het tweesnijdend zwaard in de hand van de rechtschapen man – die koning is geworden – is het enige dat kan helpen: de door de geest vervulde taal. Wie door de mystieke dood is gegaan, wijst aan de zoekende die wil volgen, de weg.

.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

2536-2376

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (31)

 


Tim T. M. van Tongeren*, 12 mei 2021
.

Hemelvaartsdag in perspectief

.

Hemelvaart – Artiest onbekend (Public domain)


Hoewel Hemelvaartsdag in Nederland nog steeds de status heeft van een nationale feestdag, is de betekenis van het feest voor velen wat ondergesneeuwd. Een christelijk feest bij uitstek, maar met een diepere betekenis die lastiger uit te
dragen en te begrijpen is dan bijvoorbeeld die van Pasen en Kerstmis.
Binnen de kalender van antroposofische jaarfeesten speelt Hemelvaart vaak slechts een beperkte rol voor de massa, terwijl zij die meer diepgang zoeken er juist veel uit kunnen halen.
Een aantal blogs en artikelen die ik las in de aanloop naar deze Hemelvaartsdag staan bol van veronderstelde relaties tussen de huidige Hemelvaart en voorchristelijke gebruiken en activiteiten. Deze beweringen maken een leuk verhaal, maar zijn zelden gebaseerd op eigenlijke historische gegevens, daar bewijs uit de voorchristelijke periode zeer schaars is. Daarnaast is ‘de voorchristelijke periode’ heel lang, worden er verschillende goden en godinnen vereerd op verschillende plaatsen en zijn er talloze lokale verschillen in
rituelen en gebruiken. Alleen al in een klein land als Nederland zijn er al lokale verschillen, wat aangeeft dat in detail spreken over gebruiken van toen ondoenlijk is in een kort artikel.

Voorchristelijke geloofsbeeld

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de voorchristelijke bevolking van noordwest Europa diep verbonden was met het ritme van de seizoenen. Deze relatie diende met name een praktisch doel, namelijk de voedselvoorziening. Kennis van het natuurlijke aarderitme draagt bij aan het maken van slimme keuzes die resulteren in een betere opbrengst van het land. ‘Kennis is macht’ is helemaal geen nieuwe filosofie in die zin, maar was voorafgaand aan het ontstaan van de wetenschap reeds pure noodzaak.

Zonder de wetenschappelijke technieken van nu was het voor de voorchristelijke mens echter onmogelijk om de kennis van het aarderitme boven een intuïtief niveau uit te tillen. Veel natuurverschijnselen die wij nu als heel normaal beschouwen, onweer bijvoorbeeld, waren in vroeger tijden een mysterie. Omdat wij mensen graag zaken verklaren werd ook voor het onverklaarbare een uitleg gezocht. Vaak werd deze gevonden in het goddelijke. Op die manier ontstond er een wirwar aan godsbeelden welke bepaalde functies dienden en waarbij je voorspoed kon afsmeken. Als de goden en godinnen in staat waren om te belonen met voorspoed en een goede oogst wanneer er voldoende vereerd en geofferd werd, dan moesten zij ook in staat zijn om te vernietigen. En dat deden ze ook zo nu en dan. Een dergelijke vernietiging van de oogst, bijvoorbeeld met grote hagelstenen, boezemde angst in en leidde tot een grotere devotie. Deze zichzelf versterkende cyclus, welke in feite het resultaat is van menselijke angsten en instincten, ontwikkelt zich min of meer parallel in bijvoorbeeld
de Germaanse, Keltische en Noordse gebieden. Er waren echter grote regionale verschillen naargelang lokale verschijnselen, omstandigheden en noden. Op deze manier ontstaat op verschillende plaatsen en in verschillende perioden een wisselend beeld van ‘bezieling van de natuur’ door goden, geesten en natuurwezens met bijbehorende feesten en rituelen.

De voorchristelijke cyclus

Gezien het feit dat de voorchristelijke jaarcyclus nauw verbonden is met de seizoenen en het agrarisch jaar worden elementen hiervan gereflecteerd in het godsbeeld, de werkzaamheid van de goddelijke wezens en de rituelen en feesten. Dit leidt tot een jaarcyclus die grofweg te verdelen is in 8 fases die ik hieronder kort zal beschrijven. Voor het gemak kies ik ervoor om neopaganistische namen te gebruiken voor de fases. Deze namen werden in de oudheid niet gebruikt en zeker waren ze niet overal hetzelfde. Het kan echter verondersteld worden dat de beschreven lading van iedere fase een algemeen beeld geeft van wat er rond welke tijd op verschillende plaatsen gevierd en beleefd werd.
Het gaat niet om de details, die zijn niet bekend, maar om de algemene sfeer en thema’s die passen bij de cyclus van de seizoenen.

2.Paganistische jaarkalender (www. gwendavies.com)

Het zonnejaar start met Yule (Midwinter) rond 21 december. Yule is het feest van de wedergeboorte van het licht op aarde. Een nieuw begin wat de overgang markeert van afnemende energie naar toenemende energie, van inademing naar uitademing. Het begin van de lichte helft van het jaar, de periode van vruchtbaarheid en conceptie.
Rond 1 februari, op ongeveer een kwart van de lichte helft van het jaar vieren we Imbolc. Na een lange winter begint er langzaam nieuw leven te ontstaan in de schoot van de maagdelijke aarde. Na de eerste lichtimpuls rond Yule is het nu tijd om langzaam wakker te worden. We zien om ons heen dat het land ontwaakt in de steeds sterker wordende zonnestralen.
Ostara markeert het punt van de lente-evening rond 21 maart. Dag en nacht zijn even lang en iedere dag wint de zon aan kracht. De nu merkbaar langere en warmere dagen lokken ons naar buiten, de natuur in. Het is alsof de zon ons roept om het land nu echt tot leven te laten komen. Dit alles wordt gereflecteerd in de eerste stappen van paringsdans en vruchtbaarheid.
Op driekwart van de lichte helft van het jaar, rond 1 mei, vindt Beltane plaats. Deze periode markeert het hoogtepunt van de vruchtbaarheid en het samensmelten van het aardse en het goddelijke. De aarde is gehuld in frisse bloemenpracht en alles is vol van een actieve energie. De natuur is zogezegd
op het hoogtepunt van haar vitaliteit.
Op 21 juni vindt de zomerzonnewende plaats, gemarkeerd door het feest van Litha. We staan nu recht tegenover Yule, op het kantelpunt wat de start van de donkere helft van het jaar markeert en de bijbehorende terugtrekkende energie en levenskracht. Van uitademen gaan we naar inademen. Net als rond Yule is het een periode van stilstand. Van de energetische afname is in eerste instantie niets
merkbaar. Waar de aarde rond Beltane op het hoogtepunt van haar kracht was is de zon dat nu. In al zijn kracht wordt de aarde soms wat overrompeld. Het is de periode van buitenleven, uitbundige energie, overvloed en het volledig tot wasdom komen van gewassen.
Op een kwart van de donkere helft van het jaar, rond 1 augustus vindt Lughnasadh (of Lammas) plaats. Deze periode markeert de graanoogst, de eerste in een reeks van oogsten die in verschillende stadia plaatsvinden. Het is het eerste moment dat de werkelijke vruchten van de vruchtbaarheid geplukt
kunnen worden en is daarom een periode van dankzegging voor de gulheid van aardeschoot en zonnewarmte. Deze dankzegging gaat gepaard met offers en het begin van de belofte van goede intenties.
Op 21 september is de herfstevening welke gemarkeerd wordt door Mabon. Dit feest staat recht tegenover Ostara en dag en nacht zijn wederom in evenwicht. Ditmaal echter zet de afname van de zonnekracht duidelijk in en maken we ons op om naar binnen te trekken. Tevens vieren we de tweede oogst waaronder de meeste gewassen vallen. Het is wederom een feest van overvloed en dankzegging
voor de gulheid van de aarde en de zon. Bij de dankbaarheid hoort een steeds sterkere reflectie. Zeker wanneer oogsten minder goed uitpakken, worden goede voornemens voor het komende jaar extra belangrijk geacht. Goede intenties vormen de grootste dank voor de goden en verzekeren een herhaling van de ontvangen voorspoed in de toekomst.
Nu driekwart van de donkere helft van het jaar is verstreken is het rond 1 november Samhain. Dit is het Keltische nieuwjaar, maar in de Noordse traditie valt deze eer aan Yule ten deel. Saimhain staat tegenover Beltane en waar laatstgenoemde de maximale vitaliteit verbeeldt, doet Samhain het
omgekeerde. Met de laatste oogst van knollen en aardvruchten wordt het agrarisch jaar afgesloten. De akkers liggen er verlaten bij en de bomen verliezen de laatste bladeren. De dood is ingetreden in een schijnbaar onomkeerbaar proces. Voor een laatste maal wordt er dankgezegd voor de volle voorraadschuren en wordt een balans opgemaakt van het afgelopen jaar. De goden en het land worden bedankt en vereerd, wat in sommige tradities overgaat in voorouderverering (Halloween). Een tijd van relatieve rust en bezinning breekt aan. In deze periode is er ook tijd om naar de ander om te kijken en schenkingen te doen.

Vruchtbaarheid, de meiboom en de bruid

3.Meiboom – fotograaf onbekend (Public domain)

 

Nu we een globaal inzicht hebben verworven in de voorchristelijke cyclus van het jaar wordt het mogelijk om in te zoomen op de periode rond Hemelvaart. In de
voorchristelijke periode valt ons huidige Hemelvaart ergens tussen Beltane en Litha, in de periode van maximale vitaliteit van de aarde en rondom het energetisch hoogtepunt van het jaar. In andere woorden zou je kunnen stellen dat in deze periode de aarde en de omringende lucht of kosmos op het
hoogtepunt is van bezieling.

Zoals gezegd staat rond Beltane het thema vruchtbaarheid centraal. Dit onderwerp is terug te zien in veel activiteiten die onderdeel zijn van de folklore in verschillende Europese landen. Het dansen rond de meiboom is hier een mooi
voorbeeld van. Wat veel mensen zich niet realiseren is dat de meiboom zelf een uitbeelding is van de geslachtsdaad en daarmee het ultieme symbool van de vruchtbaarheid. De paal verbeeldt het mannelijke, de ring het vrouwelijke. De
ring is vaak versierd met bloemen om aan te geven dat het vrouwelijke rond deze tijd op het hoogtepunt van haar vruchtbaarheid is. Hiermee wordt tevens een verband gelegd tussen het vrouwelijke en de aarde waaruit de bloemen groeien. In die zin staat het mannelijke in verband met het zonlicht wat noodzakelijk is om de kiem tot wasdom te laten komen. De traditioneel rood-witte linten aan de meiboom symboliseren respectievelijk de vrouwelijke maandstonden en de
mannelijke ejaculatie. Beide de uiterlijke vertegenwoordiging van een constant innerlijk vruchtbaarheidsproces in de mens. Wanneer de linten zich in een dans verweven vindt de bevruchting plaats die essentieel is voor al het leven op aarde.

In recentere eeuwen en onder invloed van een jachtig leven en een tanende binding met de natuur en de seizoenen neemt de prominentie van folklore steeds verder af. Daarnaast zijn er in deze periode ook veel christelijke feestdagen (om nog niet te spreken over feestdagen van andere geloven en culturen) waardoor het een drukke tijd is voor de feestvierder. Met de jaren zijn tradities verschoven
en door elkaar gaan lopen, maar de thematiek is nog altijd evident. Op de vrijeschool in Nederland is de meiboomdans nu vaak onderdeel van Pinksteren terwijl in Groot Brittannië vastgehouden wordt aan 1 mei. In Scandinavië echter is het met de tijd zelfs nog verder doorgeschoven naar de periode rond Litha.

In de periode rond Beltane, ter onderstreping van de vruchtbaarheid, wordt weleens gezegd dat de aarde haar bruidsjurk aan heeft. Hiermee wordt verwezen naar al het verse vitale groen en de vele bloemen die het landschap sieren. Met name het fluitenkruid dat rond Hemelvaart veelvuldig in de
natuur aanwezig is, weerspiegeld het beeld van een witte bruidsjurk. Het bruidspaar als christelijke versie van een ultiem symbool voor de vruchtbaarheid zien we binnen de vrijeschool en regionaal volksgebruik vaak terug met Pinksteren. De Pinksterblom en de meikoningin zijn eveneens verwijzingen naar de vruchtbaarheidsenergie, de uitbundigheid en de vruchten van het huwelijk
tussen aarde en zon waarop wordt geanticipeerd.

Hoewel veel mensen de precieze achtergronden van de vieringen rond de jaarcyclus niet meer kennen verschijnen er in de moderne tijd – en zeker op vrijescholen – regelmatig elementen van oude en nieuwe tradities. Deze inkijkjes naar het verleden zijn interessant omdat ze een verbinding leggen
tussen het christendom, de voorchristelijke traditie, folklore en de moderne tijd.

De christelijke Hemelvaart

4. Hemelvaart. Artiest onbekend (Public domain)

Wanneer we een sprong maken in de tijd, naar de periode waarin het christendom in noordwest Europa de overhand heeft dan zien we dat de uitleg over Hemelvaart en Pinksteren uit de evangeliën de overhand krijgt in het vierde
kwart van de lichte helft van het jaar. Voor Hemelvaart komt de beschrijving er vaak op neer dat Christus de apostelen naar Bethanië leidt en opdraagt om naar Jerusalem te gaan. Aldaar zou aanstonds de belofte van God worden ingelost,
die Hij via Jezus maakte. De apostelen zullen worden gedoopt met Heilige Geest. Na het uitspreken van deze instructie worden de apostelen door Christus gezegend en ‘wordt hij opgenomen op een wolk die hem aan het zicht
van de apostelen onttrekt’. In principe is dit een mooi beeld, maar het is voor veel mensen ook heel moeilijk voor te stellen wanneer we denken in onze beperkte referentiekaders. Als je probeert om de situatie letterlijk voor te stellen dan lijkt het ietwat op een scène uit een tekenfilm. Als we ervan uitgaan dat het hier om een ware gebeurtenis gaat dan is de kans groot dat de tekst geen
weerspiegeling is van wat er exact gebeurde. Het mysterie rond Christus tussen Goede Vrijdag en Pinksteren is complex en werd door de kerk sinds de vroege middeleeuwen niet geschikt geacht voor het gewone volk en voor ‘toediening’ via lezing van de schrift in de kerken. Om die reden wordt het verhaal vaak verteld
aan de hand van beelden die geacht worden beter begrijpelijk te zijn. Een groot deel van de essentie gaat daarbij echter verloren.

De grote paastijd

Om de essentie in detail te begrijpen is een veel langer essay nodig, maar in het kort komt het op het volgende neer. Hemelvaart is onderdeel van de grote paastijd die ruim 40 dagen voor Pasen begint met Carnaval. Tijdens dit feest leren wij mensen dat wie wij op aarde zijn, slechts een masker is. Wie wij werkelijk zijn, in een spirituele zin, is door dit masker aan het oog onttrokken.

Op Goede Vrijdag sterft Jezus aan het kruis. Dit is een fysieke dood. Het masker wordt afgezet en de ware Jezus, de Christus, wordt zichtbaar wanneer hij vanuit het aardse niveau het spirituele niveau bereikt. Alvorens dit te kunnen doen wordt gezegd dat Jezus na de kruisiging afdaalt in de diepste en donkerste gelederen van de hel om daar het licht te brengen. Dit is een metafoor die wij als mens op onszelf kunnen betrekken. Ieder mens heeft goed en kwaad in zich. Vaak echter hebben we er moeite mee om het kwaad in onszelf te onderkennen terwijl we trots zijn op het goede en dat graag willen laten zien. Je ware aard ligt in het midden, op de balans van goed en kwaad. Als je deze ware ik wilt leren kennen, zul je dus eerst, naast de goede kanten ook de kwade kanten van jezelf moeten onderzoeken en begrijpen. Met andere woorden, om het goede te begrijpen moet je ook het kwade kennen. In nog weer andere woorden, je zult door een hel moeten gaan om de hemel te kunnen bereiken. Door het exploreren van goed en kwaad in onszelf ontstaat ruimte tussen de twee polen waarin ons ware spirituele zelf zich kan manifesteren.
Ditzelfde beeld is toepasbaar op Jezus gedurende Goede Vrijdag en Pasen. Hij sterft zijn fysieke dood aan het kruis, daalt af in de hel en leert zijn ware aard kennen. Door deze gebeurtenis kan hij door de dood heen overgaan van een fysiek naar een spiritueel leven. Om deze ervaring met de mensheid te delen keert Jezus, nu Christus, terug op paaszondag in een tijdelijk opstandingslichaam.
In de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart is Christus op aarde in zijn opstandingslichaam en onderwijst hij de apostelen. Op Hemelvaart stijgt hij dan, volgens de Bijbel door een wolk aan het zicht onttrokken, op naar de hemel.

Het etherlichaam na de dood

5.Hemelvaart – Ninetta Sonart (Public domain)

In een voordracht die Rudolf Steiner te Dornach hield in juli 1923 wijdt hij uit over wat er na de dood met ons lichaam gebeurt. Wederom in het kort komt het erop neer dat wanneer wij mensen sterven, ons fysieke lichaam direct wordt
afgelegd. Voor korte tijd daarna ontstaat er een verbinding tussen onze overige drie lichamen, het etherlichaam, het astrale lichaam en het ego. Dit komt tijdens het leven nooit voor. Bij leven zijn het etherlichaam en het fysieke lichaam intens
verbonden en ook het astrale lichaam en het ego. Het laatstgenoemde paar bevind zich binnenin het etherlichaam. In de korte tijd direct na de fysieke dood, wanneer de overgebleven lichamen zich verbinden, keert het etherlichaam zichzelf als het ware binnenstebuiten. Deze verandering staat toe dat het etherlichaam zich oneindig kan uitbreiden in het universum en zich volledig kan verbinden met de kosmos rondom ons. Gedurende ons leven wordt alles wat wij met onze zintuigen beleven opgeslagen in het etherlichaam. Dit lichaam bevat dus een schat aan ervaringen, gevoelens, herinneringen enzovoorts. Wanneer het etherlichaam zichzelf binnenstebuiten keert worden al deze opgeslagen waarnemingen, indrukken en gevoelens afgeworpen en eveneens opgenomen in de kosmos. Als het ware wordt dus alles om ons heen omgeven met- en vervuld van onze etherische energie wanneer wijzelf en onze aardse ervaringen worden opgenomen in het grotere geheel van de kosmos.

Universele bezieling

Uit deze beschrijving van Steiner kan de conclusie getrokken worden dat in ieder geval ons etherlichaam niet per se naar de hemel gaat zoals wij ons die voorstellen. Het stijgt immers niet enkel op maar verspreid zich overal om ons heen. Niet alleen naar boven waar we de hemel verwachten, maar ook naast ons, onder ons etc. Op basis daarvan moeten we ons afvragen of ons beeld van de
 hemel als een hogere laag aan het firmament waar overledenen zich mengen tussen engelen wel klopt.
Als we in dit licht nogmaals kijken naar de gebeurtenissen op Hemelvaartsdag ligt het voor de hand dat Christus niet letterlijk opsteeg naar de hemel, al dan niet op of achter een wolk. In plaats daarvan maakte zijn opstandingslichaam het proces door wat wij mensen direct na onze dood doormaken. Zichtbaar voor het oog van de apostelen verwijdde het etherlichaam van Christus zich en ging het op in de kosmos om hen heen. Uiteindelijk verwijdde het lichaam zich zodanig dat het niet meer waarneembaar was voor de apostelen. In plaats van zich te verwijderen van de aarde, zoals de evangeliën doen geloven verbond Christus zichzelf juist met de aarde. Zijn energie werd als een mantel om de aarde gedrapeerd en verbond zich met alles en iedereen. De hemelvaart moet dus niet zo zeer gelezen worden als een vertrek of achterlating, maar juist als een aankomst, een doordringing en een universele bezieling.

Terug naar Beltane

Wie de verschillende delen van dit essay met aandacht gelezen heeft zal zelf al verschillende verbanden hebben gelegd tussen de christelijke gebeurtenissen en de voorchristelijke ‘sfeer’ in dit vierde kwart van de lichte helft van het jaar. Zoals gezegd is gedurende deze periode de zonne-energie onderweg naar zijn hoogtepunt en is alles op aarde vol van vitaliteit en levenskracht. Dit beeld komt
prachtig overeen met de doordringing van de aarde, de kosmos en het universum met de levenskracht van Christus op Hemelvaartsdag.
Het hoogtepunt van vruchtbaarheid dat rond Beltane gevierd wordt, draait in symbolische zin om het samensmelten van het mannelijke en het vrouwelijke, verbeeld door de zon en de aarde. Van de geboorte van Jezus die nagenoeg samenvalt met de geboorte van het licht rond Yule weten we dat de zon vaak een metafoor is voor het goddelijke. Dit zien we ook terug in bijvoorbeeld de Keltische kruisen waar een kruis en een zonneschijf worden gecombineerd. Ook in dit beeld schijnt dus het idee door van een samensmelting tussen het goddelijke en het aardse via Christus, de verbindende schakel die ervoor zorgt dat het goddelijke het aardse omhult en binnendringt.
Als we naar de voorchristelijke polariteit kijken dan staan Beltane en Samhain tegenover elkaar als het feest van het leven (de vruchtbaarheid en het huwelijk) en het feest van de dood (het afsterven van het ‘fysieke lichaam’ van planten en de voorouderverering). Op Hemelvaartsdag wordt een hint gegeven van een onsterfelijke kern in ons. Zelfs als we sterven met Samhain is er hoop. De fysieke
dood is slechts een fase en wederopstanding zal volgen. Daarvoor is het zaadje geplant gedurende de grote paastijd. De jaarcyclus zal altijd opnieuw beginnen, tot aan het einde der tijden. Doordat wij allen zijn omhuld en vervuld door de Christusenergie hebben wij, op spiritueel niveau, het eeuwige leven.

© T. T. M. van Tongeren, 2021.
Niets uit deze tekst mag worden vermenigvuldigd, verspreidt of openbaargemaakt zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Vraag voorafgaand aan plaatsing op blogs, websites, sociale media e.d. ook altijd vooraf om toestemming.

Met toestemming van de auteur gepubliceerd, waarvoor dank!

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

2535-2375

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 -voordracht 3 – vragenbeantwoording

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1] [2] [3] [4] [5]

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOPHISCHER
GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921 VRAGENBEANTWOORDING

Blz. 84

Frage:    Begabte Erzieher haben für die Erziehung und den Unterricht instinktmäßig ein Gefühl gehabt, was man mit einem Kind machen muß, wenn es zur Schule kommt. Nun ist mir nicht ganz deutlich geworden, wie sich die anthroposophisch orientierte Pedagogik zu dieser instinktiven verhält. Ich möchte mir die Frage erlauben, ob diese anthroposophische Pädagogik in einen gewissen Gegensatz treten muß zum Instinktiven, oder ob sie dieses auf einen Weg fördern kann?

Frage:    Ich möchte fragen, was unter Kranksein des Kindes zu verstehen ist, ob Sie irgend etwas darunter begreifen, was man in der akademischen Medizin als Kranksein bezeichnet, was man unter Konstitutionsanomalien und dergleichen etwa bezeichnet, irgendwelche Mißstimmungen, Übellaunigkeit und dergleichen?

Vraag: Begaafde opvoeders hebben voor opvoeding en onderwijs een instinctief gevoel gehad voor wat je met een kind moet doen, wanneer het op school komt. Nu is mij niet helemaal duidelijk geworden, hoe de antroposofisch georiënteerde pedagogiek zich verhoudt tot dit instinctieve. Ik veroorloof mij de vraag of deze antroposofische pedagogiek in zekere mate het tegendeel moet zijn van het instinctieve of dat zij dit op de een of andere manier kan bevorderen.

Vraag: Ik zou willen vragen wat je moet verstaan onder het ziek-zijn van kinderen, of U er iets onder verstaat van wat men in de academische geneeskunde aanduidt als ziek-zijn, wat men aanduidt als constitutieafwijking enzo, een of andere verkeerde gevoelsstemming, o.i.d.?

Dr. Steiner: Was zunächst das Verhältnis einer gewissen instinktiven Pädagogik zu demjenigen betrifft, wovon ich heute hier gesprochen habe, so möchte ich das Folgende sagen. Ein Gegensatz zwischen diesen beiden braucht ja gar nicht angenommen zu werden. Man muß sich nur klar sein darüber, wie der Gang der Menschheitsentwicklung ist. Je weiter wir zurückkommen, desto mehr tritt ja überhaupt das bewußte Wirken zurück.

Dr. Steiner: Wat om te beginnen de relatie betreft tussen een bepaalde instinctieve pedagogiek en waarover ik hier gesproken heb, zou ik het volgende willen zeggen: een tegenstelling tussen deze twee hoeft niet aangenomen te worden. Je moet alleen goed weten hoe de gang van de mensheidsontwikkeling gaat. Hoe verder we teruggaan, hoe verder ook het werken vanuit het bewustzijn afneemt.

Das Wirken wird immer mehr und mehr, je weiter wir zurückgehen in der Menschheit, instinktiv, wie wir ja bei den Tieren ausschließlich ein instinktives Wirken finden. Aber das ist eben der Gang der Menschheitsentwickelung, daß allmählich herausgekommen wird aus dem instinktiven Leben und das Instinktive ersetzt werden muß durch ein gesundes, besonnenes Auffassen der Wirklichkeit. Daß das durchaus in der richtigen Weise in Bahnen gebracht werden muß, das bezeugt uns ja eben, wie die Instinkte gerade in unserer Übergangszeit in hohem Grade in Unordnung kommen. Während man ganz gut sehen kann, daß zu jener Harmonie, die notwendig ist, sagen wir, die Kinder auf dem Lande auch ohne viel Schulbildung heranwachsen, finden wir, daß in unseren Städten, wenn man sich auf die Instinkte verlassen würde, und namentlich dann, wenn man diese Instinkte so leiten würde, wie man es nach manchen pädagogischen Anleitungen getan hat, daß dann das Abträglichste zustande kommen würde. Wir würden, wenn wir nicht wiederum hineinlaufen würden in eine sichere Richtung, die wir durch unser Inneres geführt werden, wir würden schon nicht die Mög­lichkeit haben, etwa einfach durch ein abstraktes Berufen auf die

De activiteit wordt hoe verder we teruggaan in de mensheid steeds meer iets vanuit het instinctieve; zoals we bij de dieren uitsluitend instinctieve activiteit vinden. Maar de gang van de mensheidsontwikkeling gaat nu eenmaal zo, dat we geleidelijk uit het instinctieve leven komen en dat dit instinctieve vervangen wordt door een gezonde, weloverwogen opvatting van de werkelijkheid. Dat dit zeer zeker op een juiste manier in banen geleid moet worden, daarvan getuigt juist hoe de instincten met name in onze overgangstijd in hoge mate in disorde raken. Terwijl je heel goed kan zien dat voor de harmonie die nodig is, de kinderen op het platteland ook zonder dat ze op school veel leren, opgroeien, vinden we in onze steden, wanneer je zou vertrouwen op je instinct en vooral wanneer je die instincten zo leidend zou laten zijn als men bij een paar pedagogische handleidingen gedaan heeft, daar dan het meest nadelige uit zou komen. Wij zouden, als we weer niet een bepaalde kant op willen die ons instinct ons op stuurt, niet de mogelijkheid hebben, simpelweg door een abstract beroep te doen op de

Blz. 85

Instinkte, denen wir ja doch in der neueren Zeit nur den Verstand entgegensetzen, zu etwas Heilsamem zu kommen. Gewiß, es ist vielfach noch das instinktive Leben vorhanden, aber es verliert sich immer mehr und mehr. Man braucht ja nur sich zu erinnern, um etwas recht Eklatantes zu sagen, an so etwas, was mir einmal begegnete, es tritt einem ja sonst vielfach entgegen, aber einmal bereitete es mir eine ganz besondere Überraschung. Ich war eingeladen bei einem guten Freund, den ich früher als einen ganz gesunden Esser gekannt habe, der wußte, wann er genug hat. Nun war ich nach Jahren einmal wiederum in seinem Hause eingeladen und siehe da neben seinem Teller stand eine Waage mit Gewichten, und er wog sich jedes Stückchen zu. Das war doch wohl ein deutlicher Beweis, daß da die Instinkte recht sehr zurückgegangen waren! Nun, solche Dinge aber, die man ja ganz symptomatisch beob­achten kann, die findet man auch, wenn man zum Beispiel die heutigen Lehrpläne durchstudiert. Da ist durchaus nicht in das achte Jahr, in das neunte Jahr dasjenige eingereiht, was da drinnen sein sollte, was auch drinnen wäre, wenn gesunde Instinkte wirkten, sondern da wird nach ganz anderen, ganz abstrakten unmenschlichen oder außermenschlichen Regeln die Sache besorgt und wir müssen wiederum zurückkommen, wir müssen wiederum in k’nkreter Weise erfassen dieses Ineinanderwir­ken von den konkreten gesundenden und kränkenden oder erkranken-den Tendenzen im Menschen.

instincten die we in deze tijd dan tegenover het verstand plaatsen, tot iets heilzaams te komen. Zeker, veel van het instinctieve leven is er nog, maar dat gaat wel steeds meer verloren. Je hoeft er alleen maar aan te denken, om eens wat opvallends te zeggen, wat mij een keer overkwam, het komt veel vaker voor, maar voor mij was toen iets heel verrassends. Ik was bij een goede vriend uitgenodigd die ik vroeger als een gezonde eter kende, die wist wanneer hij genoeg had. Na jaren werd ik weer eens bij hem uitgenodigd en kijk nou, naast zij bord stond een weegschaal met gewichten en hij woog elk stukje af. Dat was er toch wel een duidelijk bewijs voor dat het instinctieve gevoel behoorlijk achteruit gegaan was. Deze dingen, waar je heel symptomatisch naar kan kijken, vind je als je de leerplannen van nu bestudeert. Dan vind je zeker niet dat in het achtste jaar, in het negende erbij staat wat daar zou moeten staan, wat er ook in zou staan wanneer er gezonde instincten actief waren, maar er worden regels aan de zaak toegevoegd, heel abstract onmenselijke regels en wij zouden daarvan terug moeten komen, wij moeten weer op een concrete manier het op elkaar in werken van de concrete gezond- en ziekmakende tendensen in de mens begrijpen.

Das ist dasjenige, was gerade für die Ausbildung einer modernen Pädagogik von ganz besonderer Wichtigkeit ist.
Ich möchte sagen, gleich zeigt sich ja das, wenn manche Fragen aufgeworfen werden: Was meint man unter gesundendem und kränkendem? Da wurde gesagt, Übellaunigkeit oder Mißstimmungen. Da sind wir ja mitten im Abstrakten drinnen. Das ist natürlich nicht gemeint, da waren wir mitten im Abstrakten drinnen und würden das ganze Kind beurteilen nach dem Abstrakt-Seelischen. Das ist ja gerade dasjenige, was durch eine gesunde anthroposophische Pädagogik überwunden wird, daß wir nicht nach dem Abstrakt-Seelischen gehen, sondern daß wir wissen, was da, wenn das Kind zum Beispiel an besonderen Miß­stimmungen krankt, was da für unregelmäßige Drüsenabsonderungen sind, und die unregelmäßigen Drüsenabsonderungen sind uns viel wichtiger,

Dat is voor de ontwikkeling van een moderne pedagogiek nu juist zo belangrijk.
Dat blijkt zo dadelijk wel bij sommige vragen die gesteld zijn: Wat is gezond- en ziekmakend? Er werd gezegd afwijkende stemmingsgevoelens. Dan zitten we midden in de abstracties. Dat is natuurlijk niet bedoeld, dan zaten we midden in de abstracties en zouden we het hele kind beoordelen naar een ziel die abstract is. Dat is nu juist wat door een gezonde antroposofische pedagogiek overwonnen wordt; we gaan niet in de richting van iets abstract zielsachtigs, maar dat we gaan weten dat, wanneer een kind bijv. gaat lijden aan bepaalde gevoelsstemmingen, dat er dan onregelmatige klierwerkingen zijn en wat de klieren onregelmatig afzonderen, is voor ons veel belangrijker

Blz. 86

als die äußerlich hervortretenden Mißstimmungen, die schon aufhören, wenn wir dem Organismus beikommen. Also es handelt sich darum, viel tiefer hineinzuschauen in den ganzen Zusammenhang zwi­schen dem Geistig-Seelischen und zwischen dem Physisch-Leiblichen.
Natürlich handelt es sich, wenn man es mit dem Kinde zu tun hat innerhalb der Pädagogik, überall durchaus um die Tendenzen, um die, ich sagte ja eben, um die Zustände eigentlich eines Status nascendi, des Entstehungszustandes. Man hat es mit feinen Zuständen zu tun, nicht mit groben; die würden ja dann eben ins Pathologische hinüberführen und dann entsprechend auch behandelt werden müssen. Aber ich glaube, man konnte verstehen aus dem, was ich sagte, daß man es überall zu tun hat mit den Neigungen nach der einen und anderen Seite, und mit dem Suchen nach dem Gleichgewichtszustande.

Frage: Das Kind im Geschlechtsreifealter soll an die Dinge der Welt gebracht werden von seinem Geistigen weg. Was ist damit konkret gemeint, was soll der Lehrer machen?

dan de uiterlijk zichtbare gevoelsstemmingen die ophouden als wij het organisme helpen. Dus het gaat erom veel dieper naar de samenhang van geest en ziel met het fysiek-levende te kijken.
Natuurlijk gaat het wanneer je met het kind te maken hebt binnen de pedagogiek, overal zeer zeker om de tendensen om de toestand die aan het ontstaan is, een status nascendi. Je hebt met subtiele toestanden te maken, niet met overduidelijke; die zouden dan zeker tot het pathologische leiden en dan dienovereenkomstig behandeld moeten worden. Maar ik geloof, dat je wel uit wat ik zei, zou kunnen begrijpen dat je overal te maken hebt met neigingen naar de ene of naar de andere kant en naar het zoeken naar een toestand van evenwicht.

Vraag: Het kind in de puberteit moet de dingen van de wereld leren kennen vanuit zijn geestelijke zijn. Wat wordt daar concreet mee bedoeld, wat moet de leraar doen?

Dr. Steiner: Nicht habe ich gesagt: von seinem Geistigen weg! – Ich bemühe mich, jedes einzelne Wort abzuwägen. Es ist immer nur eindeu­tig, was ich meine. Ich habe nicht gesagt, von seinem Geistigen weg, sondern von sich weg, so daß es nicht das Geistige in sein Inneres zu stark hineinpreßt, daß es innerlich durchlustet wird gewissermaßen. Wir müssen also versuchen, wenn das Kind heranrückt in das Geschlechts­reifealter, sein Interesse für die äußeren

Welterscheinungen zu erwecken. Das wird den Lehrplan ergeben. Wir werden vorzugsweise dasjenige, was das Kind abhält davon sich viel mit sich selbst zu beschäftigen, was seine Interessen in die große Welt hinausführt, geographische Interessen, historische Interessen und andere Dinge, die nichts zu tun haben mit dem Brüten in sich selber, die werden wir da an das Kind heranbringen, und es handelt sich dabei durchaus um das konkrete Gestalten des Lehrplanes.

Auf eine weitere Frage:

Dr. Steiner: Ich habe das ja schon angedeutet, der Lehrer soll versu­chen, dasjenige, was er geistig ausbildet, nachzubilden dem gesunden Wachstum des Organismus. Nicht wahr, wer das gesunde Wachstum des

Dr.Steiner: Ik heb niet gezegd: vanuit zijn geestelijke zijn! Ik doe nu mijn best ieder woord te wegen. Wat ik bedoel is maar voor één uitleg mogelijk. Ik heb niet gezegd vanuit zijn geestelijke zijn, maar van hem uit, zodat het geestelijke zich niet te sterk in zijn innerlijk naar binnen perst, dat het innerlijk in zekere zin met die ‘goede zin’ doortrokken wordt. We moeten dus proberen wanneer het kind in de puberteit gaat komen, zijn interesses te wekken voor de uiterlijke verschijnselen in de wereld. Dat zal het leerplan opleveren. We willen in eerste instantie aan het kind meegeven wat zijn interesse in de grote wereld wekt en dat dit het kind ervan afhoudt te veel met zichzelf bezig te zijn, dus belangstelling vort aardrijkskunde, geschiedenis en andere zaken die niets van doen hebben met in jezelf te gaan zitten broeien. En dan gaat het vooral om het concreet samenstellen van het leerplan. 

Op een andere vraag:

Dr.Steiner: ik heb al aangegeven dat de leraar moet proberen de gezonde groei van het organisme te imiteren bij wat hij geestelijk vormgeeft. Wie de gezonde groei van het

Blz. 87

Organismus zu studieren versteht, der weiß, wie der Mensch eigentlich, indem er eine gewisse Form hat, aus der Form fortwährend herausstrebt in die Bewegung hinein. Wenn man mit unbefangenem Sinn eine Hand anschaut – die Hand hat ja gar keinen Sinn, wenn sie ruht; jeder Finger beweist, daß er bewegt sein will. Und indem ich in der Form schon die Anlage zur Bewegung sehe, die Bewegung, wenn sie ruht, will in die Form kommen, damit ist jetzt nur ein Äußerliches angedeutet, aber bis in die innerliche Organisation sind die Tendenzen des menschlichen Wachstums des Organismus zu verfolgen. Wenn ich also lebendige Anatomie, lebendige Physiologie kenne, dann weiß ich, was gewisserma­ßen angemessen ist den inneren Bewegungsmöglichkeiten des Kindes. Es ist ganz sicher nicht angemessen, wenn ich es veranlasse, etwas, wozu ja eigentlich gar keine Veranlassung ist, das hinzukratzen! Es besteht keine Beziehung zwischen dem, wie sich die Finger bewegen wollen und diesem Zeichen, das durch viele Zwischenstadien hindurchgegangen ist. In früheren Entwicklungsepochen hat man etwas ganz anderes hingemalt, wenn man dasjenige, was der Mensch seiner Organisation gemäß hat ausdrücken wollen, als Schrift betrachtet hat; jetzt stehen unsere heutigen konventionellen Zeichen der inneren Organisation fern, und deshalb müssen wir wiederum zuerst dasjenige aus dem Kinde herausho­len, was in seiner Organisation veranlagt ist. 

organisme weet te bestuderen, weet hoe de mens, als hij een bepaalde vorm heeft, vanuit die vorm steeds de beweging in wil. Wanneer je onbevangen naar een hand kijkt – de hand is eigenlijk zinloos als die in ruste is  – ziet dat iedere vinger bewijst dat die wil bewegen. En wanneer ik in de vorm de aanleg zie voor de beweging, wil de beweging wanneer die rust in de vorm komen; hiermee is alleen maar iets uiterlijks aangegeven, maar de tendensen van de menselijke groei zijn tot in de innerlijke organisatie te volgen. Wanneer ik een levende anatomie, een levende fysiologie ken, weet ik in zekere zin wat goed past bij de innerlijke bewegingsmogelijkheden van het kind. En heel zeker past niet bij het kind wanneer ik het aanzet tot iets waarvoor helemaal geen aanleiding is, het iets neer te laten krassen! Er is geen relatie tussen hoe de vingers willen bewegen en het teken dat door vele tussenstadia gegaan is. In vroegere ontwikkelingsfasen tekende men heel iets anders als men tot uitdrukking wilde brengen wat in overeenstemming was met zijn organisatie als het om het schrift ging. Nu staan die conventionele tekens heel ver af van onze innerlijke organisatie en daarom moeten we van te voren uit het kind halen wat in zijn organisatie als aanleg aanwezig is.

Wenn man das, vielleicht nicht dem einzelnen Lehrer heute, der nimmt es sogar sehr gern auf, weil er sieht, welche Perspektiven es eröffnet, aber namentlich wenn man es den Schulautoritäten mitteilt, dann wird ihnen angst und bange, denn sie sagen sich: Ja, woher soll man das alles wissen, was der menschliche Organismus will? Wie, wie soll man da im siebenten Jahr künstlerisch unterrichten? Und so weiter. Ja, da gibt es eben nur eine Antwort: Lernen Sie es! Und darauf muß eben schon aufmerksam gemacht werden. Anthroposophie ist nicht da, um in abstrakten Formeln irgendeine Weltanschauung, an der man Befriedigung haben kann, zu verbreiten, die man so nachplappern kann, auch innerlich sich vorplappern kann, damit man so eine Befriedigung daran hat, sondern Anthroposophie ist ein weitverzweigtes Feld, das tatsächlich in die intimste Erkenntnis der menschlichen Wesenheit hin­einführen kann. Es ist schon eine Wahrheit, daß Anthroposophie die

Wanneer je dit zegt, misschien tegenwoordig niet aan de individuele leerkracht die dit zelfs heel graag aanvaardt omdat hij ziet welk perspectief dit biedt, maar wél aan de onderwijsautoriteiten, dan krijgen die de zenuwen, want ze zeggen: maar waarom zou je eigenlijk willen weten wat het menselijk organisme allemaal wel niet wil? Hoe zou je aan zevenjarigen kunstzinnig onderwijs moten geven? Enzovoort. En dan is er maar één antwoord: leer dat dan! En daar moet nu op gewezen worden. Antroposofie is er niet om met abstracte formuleringen een of andere wereldbeschouwing waardoor je bevredigd wordt, aan de man te brengen en die je na kan wauwelen, ook innerlijk je voor kan laten kauwen waardoor je je lekker voelt, maar antroposofie is een netwerk met vele vertakkingen die werkelijk tot de meest subtiele kennis van het mensenwezen kan leiden. Het is waar dat de antroposofie 

Blz. 88

einzelnen Wissenschaften befruchten kann gerade nach den Seiten hin, die ihnen heute vorenthalten werden.
Und so kann man sagen, man muß den Menschen erkennen, um zu wissen, sagen wir, wenn man das Kind hereinbekommt in die Volks­schule, wie man zunächst an seinem ganzen Organismus zu erkennen hat, wie man seine Hände, seine Finger in Bewegung versetzen soll, damit es schreiben lernt, wie es denken lernen soll. Ich hatte neulich Veranlassung, jemanden anschauen zu lassen, wie in der ersten Klasse der Schreibunterricht und der Leseunterricht erteilt werden. Diese Dinge kann man auf hunderterlei Weise machen. In der Waldorfschule ist alles absolut frei. Die Pädagogik ist eine absolut freie Kunst. Es ist immer dasselbe, aber jeder Lehrer hat die Möglichkeit, nach seiner Individualität und nach der seiner Schüler die Dinge auszubilden. Nun, die Zusammenhänge zwischen dem einen und dem anderen sehen die Leute ja manchmal nicht ein.
Wie wurde da unterrichtet, nachdem ein paar Monate vergangen waren, seitdem man diese Kinder in die erste Klasse hereinbekommen hatte? Es wurde ein Kind herausgerufen, es mußte einen Kreis ablaufen mit einer bestimmten Anzahl von Schritten. Dann wurde ihm klarge­macht, wie das, was es am eigenen Leibe erlebt, aussieht, wie das, was der Lehrer an die Wandtafel zeichnete. Dann wurde ein anderes Kind herausgerufen, das mußte in zwei Schritten einen kleinen Kreis ablaufen,

vruchtbaar kan zijn voor de verschillende wetenschappen juist op die terreinen waarop dat nu niet gewild wordt.
En zo kan je wel zeggen dat je de mens moet kennen om te weten bijv. wanneer het kind op de basisschool komt, hoe je dan allereerst aan heel zijn organisme moet herkennen hoe je zijn handen, zijn vingers laat bewegen zodat het leert schrijven, hoe het moet leren denken. Onlangs was er een aanleiding om te kijken naar hoe in de eerste klas schrijf- en leesles werd gegeven. Dat kan je op honderden manieren doen. Op de vrijeschool is dat helemaal vrij. Pedagogie is een absoluut vrije kunst. Het is steeds hetzelfde, maar de leerkracht heeft de mogelijkheid met zijn individualiteit en met het oog op zijn leerlingen de dingen uit te voeren. Samenhang tussen het een en het ander zien de de mensen vaak niet.
Hoe werd er lesgegeven nadat een paar maanden voorbij waren sinds deze kinderen in de eerste klas waren gekomen? Er werd een kind gekozen dat een cirkel na moest lopen met een bepaald aantal passen. Dan werd het uitgelegd hoe dat wat het met zijn lichaam beleefd had, eruit ziet, net zoals de leerkracht het op het bord tekent. Toen werd er een ander kind geroepen en dat moest met twee passen een kleine cirkel lopen,

Blz. 89

der aber im großen drinnen war. Ein anderes wurde herausgerufen, dasselbe mit drei Schritten zu machen. Die Kinder waren immer mit ihrem ganzen Menschen dabei und übertrugen immer dasjenige, was sie aus ihrem ganzen Menschen heraus erlebten, auf dasjenige, was sie dann in der Zeichnung sahen. Sie wurden nicht auf die Augen hin interessiert, sondern auf den ganzen Menschen. Also drei Kreise; beim vierten merkte das Kind, wenn er wieder größer wurde, wie das durchkreuzte. Und so ging das dann weiter. Und auf diese Weise bekommt das Kind eine Möglichkeit, aus dem ganzen Menschen heraus etwas zu gewinnen, was es dann ins Gesehene übersetzen kann. Währenddem wenn man das Kind bloß zeichnen läßt, da ist sein Kopf beschäftigt, da weist man es auf eine Einseitigkeit hin. Die Kinder sollen alles aus dem ganzen Menschen herausholen, sollen auch die Schrift aus dem ganzen Menschen heraus­holen.
Natürlich darf man nun nicht glauben, daß das jetzt jeder nachmachen muß, sondern die einzelne Lehrperson hat das aus sich heraus gemacht, weil das Prinzip so ist

die binnen in de grote lag. Een ander kind werd gevraagd dat met drie passen te doen. De kinderen waren er steeds helemaal bij en betrokken steeds wat ze uit hun hele wezen deden op wat ze in de tekening zagen. Het ging er niet om dat ze met hun ogen geïnteresseerd waren, maar met hun hele wezen. Dus drie cirkels; bij de vierde merkte het kind dat als het dan groter wordt, er doorsnijdingen ontstaan. En zo ging het verder. Op deze manier krijgt het kind de mogelijkheid vanuit zijn hele wezen iets te leren wat het dan over kan brengen naar wat hij gezien heeft. Terwijl je als je het kind alleen maar laat tekenen, zijn hoofd actief laat zijn, dan ben je met eenzijdigheid bezig. De kinderen moeten alles uit hun hele wezen halen, ook het schrijven.
Natuurlijk moet je nu niet geloven dat iedereen dit moet gaan doen, maar een leerkracht heeft dat van zich uit gedaan, omdat het principe zo is.

 Dasjenige, was ich als einen Seminarkurs habe vorangehen lassen dem Waldorfschul-Unterricht, ist eben so, daß jeder Lehrer tatsächlich etwas Lebendiges bekommt, daß in dem Vortrage nicht etwas steht, das man dann pedantisch nachmacht, sondern daß er etwas bekommt, was lebt. Und so wird die Schule dann etwas Lebendi­ges. Währenddem Vorschriften – ja, die kann man natürlich immer machen, denn das ist nun schon einmal so: wenn sich drei Menschen oder dreißig oder zwölf zusammensetzen, sie brauchen gar nicht einmal besonders gescheit zu sein, sie können mittlere Gescheitheit, sogar unter dem Mittel haben, so werden sie, wenn sie erstens, zweitens, drittens aufschreiben, wie eine Musterschule sein soll, paragraphenmäßig etwas Wunderschönes herausbringen; darüber kann man dann parlieren und wunderschöne Verordnungen herausgeben. Aber man kann in der Schule gar nichts damit anfangen. Es kommt eben überall auf das Herausarbeiten in der Wirklichkeit an.

Frage: Wie muß man sich in der Erziehung einstellen bei einem nervösen Kinde?

Dr. Steiner: Da handelt es sich darum, nicht wahr, daß der Ausdruck «nervöses Kind» ein außerordentlich unbestimmter ist, und es kann

Met de cursus die ik gegeven heb vóór de vrijeschool begon, is het zo dat iedere leraar inderdaad iets levends krijgt, dat er in een voordracht niet iets staat dat je dan schoolmeesterachtig na gaat doen, maar dat hij iets krijgt wat leeft. En op deze manier krijgt de school iets levends. Terwijl voorschriften – ja die kan je altijd maken want het zit zo: als drie mensen of dertig of twaalf bij elkaar gaan zitten en ze hoeven helemaal niet zo bijzonder intelligent te zijn, het kan ook met een gemiddelde intelligentie, zelfs minder dan dat, dan zullen zij wanneer ze ten eerste, ten tweede, ten derde opschrijven hoe een voorbeeldschool eruit moet zien, iets heel moois kunnen maken met allerlei paragrafen. En daarover kan je dan discussiëren en er wonderschone dingen mee krijgen. Maar in de school kan je er niets mee beginnen. Overal komt het namelijk aan op hoe je er in de praktijk mee kan werken.

Vraag: Wat moet je opvoedkundig doen met een nerveus kind?

Dr. Steiner: Het gaat erom dat de uitdrukking ‘nerveus kind’ buitengewoon vaag is en je kan

Blz. 90

natürlich da durchaus nicht gesagt werden, man muß sich so oder so stellen, sondern es handelt sich darum, wie das Kind eigentlich ist, auch darum, daß man genau weiß, wie alt das Kind ist. Man muß, wenn so etwas vorliegt, die Dinge wirklich im Zusammenhang betrachten kön­nen. So kann es vorkommen, daß einem jemand ein Kind zeigt, sagen wir von drei, vier Jahren, welches außerordentlich zappelig ist, tobend ist. Es gibt ja solche Kinder, die werfen sich  auf die Erde, toben fürchterlich; sie sind sehr unangenehm und die Eltern können dann mehr oder weniger unglücklich sein. Dann fragen sie: Was soll man eigentlich mit diesem Kinde tun? – Man möchte dann oftmals, nicht immer, aber oftmals bitten, nun ja nichts zu tun, denn das schlimmste was man tun kann, ist, etwas zu tun und das Kind nicht austoben zu lassen; denn das Kind muß nämlich eine gewisse Summe von Energie loswerden auf diese Art, um eben später gerade in normaler Weise, wie man so sagen kann, sich zu entwickeln. Also oftmals ist es durchaus notwendig, aufmerksam darauf zu machen, daß man dieses Herumerziehen unterläßt, denn es handeit sich darum, daß man immer weiß aus der Gesamtkonstit,ition eines Menschen heraus, was im einzelnen für ihn gut ist.

dan natuurlijk niet zomaar zeggen, dat je dan zus of zo moet doen; het gaat erom hoe het kind eigenlijk is, ook om dat je genoeg weet, bijv. hoe oud het kind is. Je moet wanneer zich zoiets voordoet, de dingen echt in samenhang kunnen zien. Zo kan het gebeuren dat iemand je op een kind wijst, van laten we zeggen drie, vier jaar dat buitengewoon druk is, driftig is. Er zijn van die kinderen die gooien zich op de grond, gaan tekeer; dat is heel vervelend en de ouders kunnen er in een bepaalde mate ongelukkig onder zijn. Dan vragen ze: wat moeten we toch met dit kind aan? Vaak, maar niet altijd, zou je dan willen vragen om maar niets te doen, want het ergste is nog iets te doen en het kind niet uit te laten razen; want het kind moet op deze manier gewoon een dosis energie kwijtraken om zich later gewoon op een normale manier te ontwikkelen. Vaak is het zeker noodzakelijk erop te wijzen dat je het opvoeden maar even achterwege moet laten, want het gaat erom dat je steeds vanuit een totaal constitutiebeeld van een mens kijkt, wat in het afzonderlijke geval goed voor hem is.

So ist es ja, nicht wahr, wirklich auch bei gesunden und kranken Menschen als solchen. Wie sehr häufig erklären Leute, die immer den abstrakt-pedantischen Sinn der Normalität im Kopfe haben: der Mensch hat einen unregelmäßigen Pulsschlag oder so etwas, den muß man so und so kurieren. Gewiß, man muß es oftmals, aber oftmals eben nicht, weil der gerade nach seiner Gesamtkonstitution diesen Pulsschlag braucht! Und so auch hier; man muß das Kind in seiner gesamten Konstitution kennen, wenn man überhaupt etwas aussagen will, wie überhaupt Anthroposophie darauf ausgeht, die Menschen von Abstraktionen zu befreien. Es ist eine Abstraktion, wenn man sagt: Was soll man mit einem nervösen Kind machen? Man hat eben nicht etwas Allgemeines, sondern immer ein ganz bestimmtes konkretes Kind vor sich und muß eigentlich immer etwas Individuelles machen.

Frage: Wie kann die Anthroposophie hinsichtlich der Berufswahl wegleitend werden?

Dr. Steiner: Ja, meine sehr verehrten Anwesenden, ich weiß eigentlich wirklich nicht, was mit der Frage gemeint ist? Denn, sollte ich mit einer

En zo zit het echt ook bij gezonde of zieke mensen als zodanig. Hoe vaak zeggen de mensen niet die steeds de abstract-schoolmeesterachtige betekenis van normaal in hun hoofd hebben: die mens heeft een onregelmatige pols of zoiets, die moet je zus of zo genezen. Zeker, dat moet vaak, maar vaak ook niet omdat hij juist door zijn totale constitutie deze polsslag nodig heeft! En dus ook hier: je moet het hele kind naar zijn constitutie kennen, wil je iets kunnen zeggen over hoe antroposofie erop uit is de mensen van abstracties te bevrijden. Het is een abstractie wanneer je egt: wat moet je met een nerveus kind doen? Je hebt geen kind in het algemeen voor je, maar altijd een bepaald concreet kind en altijd zal je iets individueels moeten doen.

Vraag: Hoe kan antroposofie bij de beroepskeuze richtinggevend zijn?

Dr. Steiner: Zeer geachte aanwezigen, ik weet werkelijk niet wat er met deze vraag wordt bedoeld. 

Blz. 91

gewissen Abstraktheit darauf antworten, so würde ich sagen: Ein Milieu, das aufgebaut ist auf anthroposophischer Gesinnung, wird eben einfach diejenigen Neigungen im Menschen erzeugen, die ihn in einen richtigen Beruf, das heißt, in einen für ihn richtigen Beruf hineinbringen. Aber nicht wahr, Berufswahl – es ist etwas, was überhaupt viel zu schematisch behandelt wird. Man hat ja in der Regel es zu tun mit einem schon in die Wege geleiteten Schicksal, wenn man in

Want als ik er op een bepaalde abstracte manier op zou antwoorden, dan zou ik zeggen: een milieu dat vanuit een antroposofische signatuur gevormd is, zal simpelweg in de mens die neigingen doen ontstaan die hem bij het juiste beroep brengen, d.w.z. voor hem het juiste beroep. Maar ja, beroepskeuze – dat wordt nu eenmaal veel te schematisch behandeld. Als regel heb je te maken met een weg die door het lot geleid wordt naar een beroep en soms is men als mens echt te weinig plooibaar en gelooft men dat er maar één beroep is dat tot tevredenheid leidt. Dat kan zeker bij zeer uitgesproken, individueel gevormde beroepen het geval zijn; maar om door de antroposofie een bijzondere aanleiding voor beroepskeuze te zoeken, is natuurlijk iets wat eigenlijk buiten het leven staat, zodat ik eigenlijk niet goed zie, wat er met de vraag bedoeld wordt.

einen Beruf hinein will, und man ist manchmal als Mensch wirklich zuwenig elastisch und glaubt, daß nur ein einzelner Beruf einen befriedigen kann. Das kann ja gewiß bei sehr ausgesprochenen, individuell gestalteten Berufen der Fall sein; aber eine besondere Anleitung zur Berufswahl zu suchen durch Anthroposophie, das ist natürlich etwas, was eigentlich lebensfremd, muß ich sagen, klingt, so daß ich eigentlich nicht recht sehen kann, was mit der Frage gemeint ist.

Der versammlungsleiter fragt, ob noch weitere Fragen gestellt werden wollen. Dies ist nicht der Fall.

Dr. Steiner: Dann hoffe ich, daß doch mein Vortrag in aller Kürze und Skjzzenhaftigkeit, in der er hat gehalten werden müssen, über das ausgebreitete Thema, einiges wiederum im Speziellen möchte dazu beigetragen haben, zu erkennen, wie Anthroposophie tatsächlich nichts Lebensfremdes und Weltfernes sein will, sondern etwas, was, wenn es voll ergriffen wird, durchaus in Wirklichkeit und Leben hineinführen kann.

De gespreksleider vraagt of er nog andere vragen zijn. Dat is niet het geval.

Dr. Steiner: Dan hoop ik toch dat mijn voordracht in al zijn beknoptheid en zo schetsmatig als deze gehouden moest worden, over het uitgebreide thema weer iets speciaals heeft kunnen bijdragen aan de erkenning hoe antroposofie werkelijk niet iets levens- en wereld vreemds wil zijn, maar iets wat wanneer het volledig opgepakt wordt, je zeer beslist tot de werkelijkheid en het leven brengen kan.

.

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2534-2374

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – inhoudsopgave

.
RUDOLF STEINER

GA 304

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage

Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden. (Dornach 1979.
.

Voordracht 1 – elders uitgegeven
Voordracht 2 – elders uitgegeven

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Blz.65: pedagogie moet veel meer op de hele mens betrokken worden; tussen opvoeder en kind mag niet het specialisme komen te staan; 
Blz.66: het belang van de band tussen opvoeder en kind; 
Blz. 67 e.v.: geest/ziel en het lichamelijk/levende doordringen elkaar wederzijds;dat moeten we als opvoeder goed weten; 
Blz. 69 e.v.: hoe verhouden zich gezondheid en ziekte; metamorfoseleer van Goethe; 
Blz. 70 e.v.: afwijkingen, misvormingen bij de plant; het doorschieten van de idee; 
Blz. 72: eenzijdigheden harmoniseren; 
Blz. 74: bij lesgeven geven we vaak eenzijdigheden; hoe kunnen we dat goedmaken; pedagoog moet vragen: hoe maak ik het kind gezond’
Blz. 75 e.v.: wat is gezondheid en wat ziekte: gezondheid als evenwicht tussen twee uitersten;
Blz. 76 e.v.: tandenwisseling; vrijkomen van krachten te gebruiken als bijv. geheugenkracht;
Blz. 78: noodzaak kunstzinnig onderwijs;
Blz. 79: bij de puberteit een soort omgekeerd proces als bij tandenwisseling; in het 9e, 10e jaar beginnen deze krachten voor het eerst te botsen;
Blz. 80: puberteit: interesse voor de buitenwereld; tegenwicht voor opgaan in zichzelf, voor egoïsme;
Blz. 81: het belang van antroposofie;

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Blz.92: oprichting vrijeschool in Stuttgart; Emil Molt;
Blz.93: antroposofie wil bevruchtend werken op andere wetenschappen;
Blz. 94: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; geen sekteschool; vrijeschool door antroposofie een methodeschool;
Blz.95: er moet geen leer de school binnengebracht worden; antroposofie moet menskunde verdiepen om voor wordende mens te doen wat deze vanuit zijn mens-zijn eist;
Blz. 96: kind is eigenlijk grootste leraar; eerbied voor het goddelijke dat naar de aarde komt; methodiek wordt afgelezen aan ontwikkeling kind; methodiek niet in abstracte onderwijsregels;
Blz. 97: experimenten kunnen nuttig zijn, maar leiden niet tot een verdiepte pedagogiek;
Blz. 98: het gaat om het innerlijk;
Blz. 99: geest-zielenwezen verbindt zich met fysieke mensenkiem; deze opvatting breng je niet de school binnen, maar verdiept je waarneming van het kind, bv. bij het leren spreken;
Blz. 101: kind op nabootsing aangewezen; wetenschap kan niets met geest en ziel, kan daarom ook mens niet kennen;
Blz. 102: tandenwisseling; vrijkomen van krachten die ook geheugenkrachten zijn;
Blz. 104: klein kind steelt niet, bootst na; tussen 7 en 14 autoriteit;
Blz. 105: aanschouwelijkheid; autoriteit en later sociaal leven;
Blz. 106: het kind die dingen geven die mee kunnen ontwikkelen;
groeikrachten van de natuur volgen; het gaat niet om het ‘wat’, maar om het ‘hoe’;
Blz. 107; het gaat niet om regels, maar om hoe je ze tot leven brengt;
Blz. 108: de grondslag is de liefde voor het kind; wat de ene leerkracht vertelt of de andere – het imponderabele;
Blz. 109: rekenende paarden;
Blz. 110: waarnemen van het kind heel belangrijk; het gaat om het Hoe;
Blz. 111: lezen is voor kind een vreemd ding; schrijftekens sluiten niet meer aan bij wat direct beleefbaar is; de letter wordt ontwikkeld uit het kunstzinnig tekenen, schilderen; kind vraagt van binnenuit wat er met hem moet worden gedaan; vanuit de wil naar het intellect;
Blz. 112: tot aan 9e jr geen onderscheid tussen hem en wereld; rond 9e jaar grote verandering die leerkracht moet waarnemen;
Blz. 113: na die verandering plant- en dierkunde mogelijk; nog weer later 11e, 12e vakken als natuur- en scheikunde; geslachtsrijpheid een metamorfose in ontwikkeling;
Blz. 114: mogelijkheid tot oordelen ontstaat; ontwikkeling tot sociaal wezen;
Blz. 115: te vroeg oordelen is schadelijk; leren is niet alleen leuk, maar wij moeten het aantrekkelijk maken;
Blz. 116: Goethe en Schiller; brieven over esthetische opvoeding; speldrift;
Blz. 117:kind moert niet alleen maar doen wat het fijn vindt;
Blz. 118: gymnastiek en euritmie; wat moet leven, moet als basis leven hebben; het intellectualistische rekent met het geheugen, niet met het leven;
Blz.119: iets beters na de catastrofe (WO 1) voor de toekomstige generatie: vrijeschool; 
Blz. 120 e.v.: autoriteit; waarom wil de jeugd die niet; een verhandeling over de geestloos geworden cultuur; daarom krijgt de ziel geen inhoud; wij hebben de jeugd geen ziel gegeven; betekenis getuigschrift met spreuk; wat is het voorbeeld van de ouderen voor de jongeren; 

Voordracht 5. Oslo 23 november 1921

Blz. 133

:

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2533-2373

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (3-2)

.

Evenals in de artikelen over scheikunde van Kolisko – die von Kügelgen als basis heeft gebruikt – vinden we hier opvattingen die in wezen antroposofie genoemd kunnen worden.
Op deze blog vind je een hele reeks opmerkingen van Steiner waarom de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn.
Wisten Kolisko en von Kügelgen dit niet of negeerden ze het.

‘Al het vergankelijke is maar een gelijkenis’, merkte Goethe op. M.a.w. de processen in de scheikunde kunnen ook vanuit die invalshoek bekeken worden en  o.a. dan is het omhoog streven van het licht en het naar beneden vallen van de as zeker een beeld voor wat hierboven wordt gezegd. 
Maar dit als leraar als FEIT presenteren, gaat m.i. te ver. 
Wanneer het vanuit de kinderen ontstaat – en zij kunnen met heel diepe gedachten komen – is het geweldig om er met ze over te spreken. Maar laat ze het als KIEM meenemen (zou het zo kunnen zijn, en wat als het zo is…..) hun verdere leven in, zonder dat wij ze als leerkrachten deze gezichtspunten als waarheid meegeven. 

Helmut von Kügelgen, Erziehungskunst jrg. 15 nr. 11 1951

ZWAVEL – FOSFOR – KOOLSTOF


De eerste kennismaking met de scheikunde (2)*

Het blijkt dat het verbrandingsproces als kernthema voor de scheikunde heel geschikt is en de rode draad om de kinderen van 13 jaar (7e klas) de basale elementen van de scheikunde te laten ervaren.

Dit thema wordt nog niet losgelaten, wel wordt er een nieuw gezichtspunt toegevoegd aan de beschouwingen: we gaan de polariteiten van stoffen bekijken.
De kinderen zijn al lang gewend aan de manier waarop wij dat doen met de beeldende voorstellingmogelijkheden, o.a. bij natuurkunde, grammatica, bij het schilderen en aardrijkskunde. (Je bespaart aanzienlijk wezenlijke lestijd wanneer je bijv. Duitsland en de buurlanden als dualiteiten ten tonele voert: Zwitserland met Denemarken, Frankrijk met Polen, België en Nederland met Tsjechië en Slowakije; Engeland met de Balkanlanden, Scandinavië met Italië)

Hier leren de kinderen door de verschijnselen van de verbranding zwavel en fosfor als polariteiten kennen.

Zwavel komt uit het gebied van de vulkanen, uit de schoot der aarde. De vlam ervan is helder en zonder licht, de dampen die eraf komen verstikken en prikkelen en benemen je de adem en het bewustzijn. Je vindt het in allerlei kristallen en andere verschijningsvormen; het vertoont zich in drie vloeibaarheidsfasen. Het zit in de hele aarde tot op grotere diepten. In de vorm van verbindingen met de gesteenten, in blende en kies en daarmee bouwt het mee aan de vormvastheid van de aarde.
Bij de levende wezens is de zwavel vooral bij de stofwisseling actief.
Het koele licht van de gedachten en de lichtloze sfeer van het stofwisselingsgebied waar we wel op een andere manier gloed aantreffen, vormen grote tegenstellingen.
Wanneer dit aardevuur, in het donker, in de stofwisseling de stoffen omvormt en door elkaar mengt en dat naar het hoofd stijgt, verstoort het de helderheid en wakkerheid van het bewustzijn.

Fosfor als drager van licht lijkt wel of het niet van deze wereld is.
Alleen door een hulpgreep, door het onder water te houden, kun je het bewaren. Komt het in aanraking met lucht, dan steekt het zich a.h.w. zelf aan en brandt met een heldere lichte vlam, terwijl zwavel met een blauw geschakeerde warme vlam brandt.
Wanneer je in het donker met fosfor op de muur schrijft, licht dit vanzelf op en dan wordt de klas sterk geraakt: geen druk opgewonden enthousiasme, maar een teruggehouden, eerder een schrikachtige verbazing.
De kinderen reageren heel zuiver op de beelden die de natuur van de werkelijkheid geeft. Zoals de aanwezigheid van suiker het voedsel doortrekt, zo ook de fosfor, fijn verdeeld, de natuur.
De dwaallichten, het vrijkomende fosfor bij het vergaan van planten, komen in het sprookje van Goethe voor als beelden van intelligentie die snoepzucht en onrust vertoont.
In de zenuwsubstantie bevindt zich ook fosfor.
De hersenen, het orgaan waarmee wij onze gedachten bewegen, gebruiken ook fosfor. Er kan als een flits een gedachte opkomen, in het hoofd gaat ons een licht op – en daarom hoeft het niet te verwonderen dat fosfor in medicamenten helpt om het bewustzijn te wekken. In het stofwisselingssysteem is fosfor echter een vergif.
Bij de opbouw van het lichaam wordt fosfor gebonden op de plaatsen waar minerale substantie gevormd wordt: in de botten (ook in het rotsachtige ‘beendergestel’ van de aarde heeft fosfor zijn aandeel.
Zo wordt de lichte, vluchtig naar omhoog strevende fosfor in het levende mineraal vastgehouden en bouwt het mee aan het beeld van de dood, de knekelmens.

Uitgaand van de fosfor kijken we naar de productie van lucifers.
De temperaturen van ontbranding en verbranding laten fosfor, zwavel en hout na elkaar branden.
Hierbij doet de gelegenheid zich voor om alles wat behandeld is, nog een keer door te nemen.

Deze periode begon met de lucifer.
Om dit eerste deel van de introductie in de scheikunde samen te vatten, kan de beschouwing over de koolstof een plaats krijgen die tussen fosfor en zwavel in staat, met een heldere en lichte vlam brandend.

Alle stoffen die door het leven opgebouwd zijn, kunnen branden – zij worden met behulp van koolstof opgebouwd. Het minerale daalt in de as neer, warmte en licht keren terug in de hoogte.
Als koolstof verbrandt, haalt de vuurkracht zuurstof uit de lucht en vormt daarmee koolzuurgas dat in staat is het vuur te doven; wij ademen het via de longen uit.
Dat kan met eenvoudige proef getoond worden:

In een sterkere glasbuis wordt een stuk gloeiend houtskool gedaan. Een kurk waardoorheen een glasbuis gestoken is, sluit het af. Blaas ik daardoor lucht naar binnen, dan gloeit de houtskool op; de lucht die ervan afkomt, dooft een kaarsje dat in een open glas staat. Als je daarin een aantal kaarsen van verschillende hoogte zet, gaat eerst de kortste uit, de langste het laatst.
In de Hondsgrot bij Napels stikten de laag bij de grond lopende honden, terwijl de mens zijn hoofd boven de gevaarlijke gaslaag heeft.
Een plant die verbrandt ‘ademt’ in de vorm van C02 de koolstof weer uit die ze tijdens het groeien opgenomen heeft.
De alom aanwezige koolstof is door het koolzuur uit de lucht gegeven. Je kan er heel enthousiast voor worden dat dit kleine bestanddeel van ongeveer 0,003% kooldioxide van de lucht de bouwsteen is van alle levende organismen.
Door de kalk die we deze periode ook nog zullen leren kennen, bouwt het zelfs het geweldige bergmassief.
Mens en dier ademen koolzuur uit als verbruikte lucht zolang ze leven en de warmte van hun bloed vernieuwen.
In dit opzicht zijn groei en het ontstaan van de vlam verwant.
Wij veranderen met het ouder worden, omdat de omgevormde wereldvuurkracht ons omgewerkt doortrekt. De planten echter nemen het koolstofdioxide van de vlammen en de uitademing op en bouwen daarmee de zichtbare gestalte op. Dat is de voeding van de mens en daardoor wordt koolstof ook een bouwstof van het lichaam. (Behalve water en zout is er geen voedingsmiddel dat niet een koolstofverbinding is).
Het leven van de men echter wordt met de eerste ademhaling ‘aangestoken’ door de ‘levens-vuurlucht’, die de planten op hun beurt vrij gegeven hebben.
De goddelijke adem bezielt en pulseert ons. Dit ritme van de schepping is een wonder, dat dank en vreugde op kan roepen.

Uiterlijk gezien verschijnt de koolstof aan ons als zwart en donker – erin draagt hij licht en warmte met zich mee.
In de diamant fonkelt dit licht en tegelijkertijd is die de meest vaste materie.
Koolstof is met de ritmen van het leven en de krachtstroom van de vier elementen op een bijzondere manier verbonden.
In het koolzuurgas lijkt de dood te sluimeren – maar wat er leeft, bouwt zich ermee op.
Leven bestaat uit in- en uitademen, uit worden en sterven. En alleen aan dit worden en sterven wordt het bewustzijn gewekt.

Een beeld waarin veel samengevat kan worden van de stof die tot nog toe behandeld is en verborgen mee kan klinken in het onuitgesproken geheim, kan in deze uren worden geschetst.
In de tegenstelling mens – plant.

De bloem, het bloeien laat in vorm en kleur, in geur en licht de verwantschap zien met de vlam. Als ze uitgebloeid is, opgebrand, valt het zaad als de as naar de aarde. Hiermee is de wortel verbonden die het meeste mineraal, as, vastheid bevat. Het hardst na het mineraal is bij de mens het hoofd. Van binnenuit, uit de lager gelegen organen, stijgt de warmte in het organisme omhoog, de as wordt a.h.w. naar boven gedragen.
In de mens lijkt een omgekeerde plant verborgen te zijn waarvan de wortels in het hoofd, de bladeren in de borst en de bloem in heel de activiteit in de onderregionen van de mens het tegendeel uitmaken.
Met open zintuigen en een bewustzijn dat op wijsheid gericht is, wortelt de mens met zijn hoofd dat hij vrij ronddraagt a.h.w. in de kosmos – in zijn verbonden-zijn met de aarde bloeien zijn wilskrachten op, waarvan de vruchten bij het rijk van de toekomst horen en bij de hemelse verten.
Je zou hier nog kunnen zeggen dat vooral de voeding van wortels een werking op het hoofd heeft. 
In een latere geschiedenisperiode kan dit motief opnieuw ter sprake komen, wanneer de aardappel als volksvoedsel zijn intrede doet en tegelijkertijd kan dan aan de orde komen hoe de intelligentie ontstaat.

Een ander beeld wordt met sterke gevoelens opgenomen. 
Zo zullen licht en warmte bij het verbranden van stoffen weer hemelwaarts keren. Zo zal de ziel bij het sterven het lichaam verlaten waarbij dit of de as de aarde weer vernieuwt.
Dan kan er een nieuw begrip ontstaan voor het vuuroffer. 
Bij het beeld van het brandend vuur dat meer is dan een wetenschappelijk verbrandingsproces, dat een geestelijke oerkracht is, wordt duidelijk dat al het leven uit de hemel komt en weer naar de hemel terugkeert. 
Onuitgesproken kan er in de kinderen begrip zijn ontstaan voor een spreuk die zij aan het begin van het lesuur gesproken hebben:

Aus dem Geist ist alles Sein entsprungen,
Im Geiste wurzelt alles Leben
Nach dem Geiste zielen alle Wesen. (Rudolf Steiner)

Uit de geest is alle zijn ontsproten
In de geest wortelt al het leven
Naar de geest zoeken alle wezens hun doel.
(vrije vertaling)

*Deel 1   deel 3

7e klas scheikundealle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas.

 

2532-2373

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 -voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave;  voordracht [1]  [2]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8] [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN vanuit de ANTROPOSOFIE

Voordracht 3, Dornach 26 september 1921

Die pädagogische Bedeutung der Erkenntnis vom gesunden
und kranken Menschen

De pedagogische betekenis van de kennis van de gezonde en zieke mens

Inhoudsopgave

Blz.65: pedagogie moet veel meer op de hele mens betrokken worden; tussen opvoeder en kind mag niet het specialisme komen te staan; 
Blz.66: het belang van de band tussen opvoeder en kind; 
Blz. 67 e.v.: geest/ziel en het lichamelijk/levende doordringen elkaar wederzijds;dat moeten we als opvoeder goed weten; 
Blz. 69 e.v.: hoe verhouden zich gezondheid en ziekte; metamorfoseleer van Goethe; 
Blz. 70 e.v.: afwijkingen, misvormingen bij de plant; het doorschieten van de idee; 
Blz. 72: eenzijdigheden harmoniseren; 
Blz. 74: bij lesgeven geven we vaak eenzijdigheden; hoe kunnen we dat goedmaken; pedagoog moet vragen: hoe maal ik het kind gezond’
Blz. 75 e.v.: wat is gezondheid en wat ziekte: gezondheid als evenwicht tussen twee uitersten;
Blz. 76 e.v.: tandenwisseling; vrijkomen van krachten te gebruiken als bijv. geheugenkracht;
Blz. 78: noodzaak kunstzinnig onderwijs;
Blz. 79: bij de puberteit een soort omgekeerd proces als bij tandenwisseling; in het 9e, 10e jaar beginnen deze krachten voor het eerst te botsen;
Blz. 80: puberteit: interesse voor de buitenwereld; tegenwicht voor opgaan in zichzelf, voor egoïsme;
Blz. 81: het belang van antroposofie

Blz. 65

Meine sehr verehrten Anwesenden! Die Pädagogik, welche sich ergibt aus dem ganzen anthroposophischen Welterkennen und die ja praktisch geübt wird in der Stuttgarter Waldorfschule und in einigen kleineren Versuchen, die nach dieser Richtung hin gemacht werden, diese Pädago­gik muß eine viel umfassendere sein als dasjenige, was man in der Gegenwart unter diesem Namen betreibt. Und vor allen Dingen, sie muß etwas in einem viel engeren Sinne an den ganzen Menschen und sein Wissen Gebundenes sein. Man wird, wenn man einmal dasjenige, was man anthroposophische Pädagogik und Didaktik nennen kann, in richti­gem Sinne verstehen wird, weniger von etwas Objektivem sprechen, von Pädagogik und Didaktik als Wissenschaft oder Kunst, man wird mehr von den erziehenden und unterrichtenden Menschen sprechen, wird mehr wissen, was eigentlich der Mensch für den Menschen überhaupt und insbesondere der lehrende und unterrichtende Mensch für den aufwachsenden Menschen, für das Kind bedeutet.

Geachte aanwezigen!
De pedagogie die het gevolg is van de hele antroposofische wereldkennis en die in de praktijk wordt gebracht in de vrijeschool in Stuttgart en bij een paar beginnende initiatieven die in deze richting gaan, deze pedagogie moet veel omvattender zijn dan wat er tegenwoordig onder wordt verstaan. En deze moet vooral op een veel directere manier op de hele mens en zijn kennis betrokken zijn. Men zal, wanneer men eenmaal op een goede manier gaat begrijpen wat men antroposofische pedagogiek en didactiek kan noemen, minder over iets objectiefs spreken, over pedagogiek en didactiek als wetenschap of kunst, men zal meer over de mens spreken die opvoedt en lesgeeft, zal meer weten van wat de mens eigenlijk voor de mens betekent, in het bijzonder wat de mens die onderwijs geeft voor de opgroeiende mens, het kind betekent.

Gerade dieses bedeut­samste Verhältnis von Mensch zu Mensch, das da ist zwischen dem erziehenden, dem lehrenden und dem aufwachsenden Menschen, hat ja gelitten unter der Tendenz, die immer mehr und mehr in der neueren Zeit in alles geistige Arbeiten und alles geistige Streben eingezogen ist, nämlich unter dem Spezialistentum. Dieses Spezialistentum hat es ja dahin gebracht, daß man immer mehr und mehr es für nötig hält, daß einen gewissen Einfluß gewinne in der Schule auf die aufwachsende Jugend nicht nur der Lehrer, sondern weil man es ja zu tun hat mit demjenigen, was in gesunder und kranker Weise sich an dem Kinde heranentwickelt, daß einen gewissen Einfluß in der Schule auch haben soll der Arzt. Und in der neuesten Zeit betrachtet man es ja sogar auch noch als eine Notwendigkeit, daß der gelehrte Psychologe, der Seelen­kenner, derjenige also, der sich gewisse Erkenntnisse verschafft, so wie man sie nach den gewöhnlichen heutigen schulmäßigen Methoden sich verschaffen kann über die Seele des Menschen, daß der nun auch

Juist deze belangrijkste verhouding van mens tot mens die er tussen de opvoeder, de leraar en de opgroeiende mens bestaat, heeft te lijden gehad van de tendens die er in de huidige tijd steeds meer in het geestelijk werk en al het geestelijk streven bij gekomen is, namelijk het specialisme. Met het specialisme is het zover gekomen dat men het steeds noodzakelijker is gaan vinden dat op school niet alleen de leerkracht een bepaalde invloed kan hebben op de leerling, maar omdat men te maken krijgt met wat op een gezonde en op een ongezonde manier bij het kind tot ontwikkeling komt, nu ook de arts een bepaalde invloed op school moet kunnen hebben. En de laatste tijd ziet men het zelfs ook als noodzakelijk, dat de geleerde psycholoog, de kenner van de ziel, degene dus die zich bepaalde kennis verwerft, zoals men die in de alledaagse schoolse methoden van nu zich over de ziel van de mens eigen kan maken en dat die nu ook

Blz. 66

irgendwie beratend in die Schulverfassung eingreife. So also müßte gewissermaßen der Lehrer dann dastehen, beraten auf der einen Seite vom Arzt, beraten auf der anderen Seite von dem Psychologen. Das aber ist ja nichts anderes als eben ein Hineintragen des Spezialistentums in die Schule. Wer einen genügenden Begriff sich davon verschafft, ein wie enges Verhältnis sich herausbilden muß zwischen dem zu erziehenden und zu unterrichtenden Kind und dem Lehrer, wie intim der Lehrer kennen muß dasjenige, was im Kinde heranwächst, der wird kaum zugeben können, daß es irgendwie ersprießlich ist, wenn in äußerlicher Weise zusammenwirken Menschen, die ja eigentlich auch unter sich nur ein gewisses äußerliches Verhältnis haben, die gewissermaßen jeder einen Teil der menschlichen Entwickelung verstehen, und die dann äußerlich ihre Ratschläge sich geben sollen, um in äußerlicher Weise zusammenzu-wirken. Aber es ist das, was da auftreten will, eben nur eine allgemeine Folge des Spezialistentums überhaupt. Wer glaubt, daß die Seele des Menschen etwas ist, was irgendwie eine außerliche Beziehung zum körperlich-leiblichen Organismus habe, der kann ja unter Umständen meinen, daß der Lehrer eben auf das Seelische zu wirken hat, und daß für das Körperliche dann von außen her Ratschläge gegeben werden können von dem Arzte.

op de een of andere manier adviserend in het schoolleven kan ingrijpen. Op de een of andere manier staat de leerkracht daar die aan de ene kant geadviseerd wordt door de dokter en aan de andere kant door de psycholoog. Dat betekent niets meer of minder dan dat het specialisme de school binnenkomt. Wie in voldoende mate gaat begrijpen dat tussen de opvoeder en de leerling zich een band moet gaan vormen, hoe de leraar op een subtiele manier moet leren kennen wat er zich in het kind aan het ontwikkelen is, zal nauwelijks kunnen toegeven dat het ergens wel zin heeft wanneer er op een uiterlijke manier mensen samenwerken die eigenlijk onder elkaar ook op een bepaalde manier maar een uiterlijke band hebben, die in zekere zin ieder voor zich maar een bepaald deel van de menselijke ontwikkeling begrijpen en die dan uiterlijke raad moeten geven om op een uiterlijke manier samen te werken. Wat daar zo aan de hand is, is alleen maar een algemeen gevolg van het specialiseren. Wie gelooft dat de ziel van de mens iets is wat op een of andere manier iets te maken moet hebben met het lichamelijke organisme, die kan wellicht onder bepaalde omstandigheden van mening zijn dat de leerkracht wel op de ziel moet werken en dat voor het lichamelijke dan van buitenaf door de arts raad kan worden gegeven.

Selbstverständlich rede ich, indem ich heute über das Thema der pädagogischen Bedeutung einer Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen rede, nicht von den Fällen, wo die zu erziehenden Kinder wirklich in akute oder chronische Krankheiten verfallen. Da ist ja die ärztliche Behandlung etwas, was außerhalb des Erziehens selbst liegt. Ich rede von demjenigen, was durchaus innerhalb des Ganges der Erziehung und des Unterrichtes selber liegt. Und da muß gesagt werden, daß gerade dadurch, daß man glaubt, für das Hygienische, für das Sanitäre der Schulführung könne der Arzt als Spezialist dem Lehrer zur Seite stehen, daß man gerade dadurch das fördert, daß wiederum andererseits die Pädagogik und Didaktik einseitig werden, herausgebracht werden aus dem konkreten Verhältnisse zu dem vollen Menschen im Kinde, der ja geistig-seelisch auf der einen Seite, leiblich-physisch auf der anderen Seite ist. Die Pädagogik und Didaktik wird in eine gewisse Abstraktheit heraufgehoben und vom Menschen entfernt, wenn man sich verläßt

Vanzelfsprekend heb ik het niet, wanneer ik vandaag het thema van de pedagogische betekenis van de kennis omtrent de gezonde en zieke mens, over gevallen waarbij de kinderen die opgevoed worden daadwerkelijk acuut of chronisch ziek worden. Dan is de behandeling door de arts iets wat uiteraard buiten de opvoeding zelf ligt. Ik praat over wat binnen het kader van opvoeding en onderwijs zelf ligt. En dan moet worden gezegd dat juist doordat men gelooft dat de arts voor de hygiëne, voor het sanitaire op school de leerkracht terzijde kan staan, dat men dan daardoor ook gaat versterken dat aan de andere kant de pedagogiek en en didactiek eenzijdig worden, buiten de concrete relatie met de volledige mens in het kind komen te staan, die enerzijds mentaal-psychisch is en anderzijds levend-lichamelijk. De pedagogie en de didactiek worden op een zeker abstract niveau getild en van de mens vervreemd, wanneer je erop vertrouwt

Blz. 67

darauf, daß ja dasjenige, was in leiblich-physischer Beziehung gesorgt werden soll, von dem Spezialisten besorgt werden kann.
Und unter der Tendenz, die sich da entwickelt hat, ist es ja in der Tat dahin gekommen, daß man heute von mancher Seite Verwunderung äußert, wenn man in die pädagogische und didaktische Kunst nicht nur die gewöhnlichen abstrakten Erziehungs- und Unterrichtsregeln hinein-bringt, sondern wenn man diese Erziehungs- und Unterrichtsregeln so gestaltet, daß sie zu gleicher Zeit herausgedacht sind aus dem Ganzen des Menschen, also auch aus dem Leiblich-Physischen. Was hier als eine Abirrung zu charakterisieren ist, schreibt sich ja im Grunde genommen davon her, daß unsere neuere Wissenschaft überhaupt ins Unklare gekommen ist über das Verhältnis des Geistig-Seelischen zu dem Leib­lich-Physischen, wenn sie von dem ersteren überhaupt als etwas Selb­ständigem spricht.
Ein deutlicher Beweis dafür ist ja das, daß unsere Seelenkunde vielfach heute spricht von einem psycho-physischen Parallelismus. Man sieht sich genötigt, von einem Geistig-Seelischen zu sprechen; man sieht sich auf der anderen Seite natürlich genötigt, von einem Leiblich-Physischen zu sprechen. 

dat wat er op lichamelijk gebied verzorgd moet worden, door de specialisten kan worden gedaan.
En door de tendens die ontstaan is, is het inderdaad zover gekomen dat je vandaag de dag vanuit een bepaalde hoek bewondering oogst, wanneer je bij de pedagogische en didactische kunst niet alleen de gewone abstracte opvoedings- en onderwijsregels inbrengt, maar wanneer je deze regels zo vormgeeft, dat deze tegelijkertijd gedacht zijn vanuit de hele mens, dus ook uit het levend-lichamelijke. Wat hier als een afwijking gekarakteriseerd kan worden, is in de aard van de zaak te beschouwen als het feit dat onze moderne wetenschap in het ongerede is geraakt over de relatie van het geest-zielenleven en het fysiek-levende, als ze voor het eerste al als iets op zich staands zou spreken. Een duidelijk bewijs daarvoor is dat onze zielkunde tegenwoordig veelvuldig spreekt over een psycho-fysisch parallellisme. Men ziet zich genoodzaakt over iets van geest en ziel te zeggen; aan de andere kant voelt men zich natuurlijk  genoodzaakt over het lichamelijke te spreken.

Aber da man das lebendige Ineinanderwirken, das leben­dige Wechselspiel zwischen beiden nicht durchschaut, redet man von einem Parallelismus, als wenn auf der einen Seite eben abliefen die geistigen Erscheinungen, auf der anderen Seite die leiblich-physischen Erscheinungen. Aber was da zwischen beiden spielt, darauf läßt man sich nicht ein. Dieses äußerliche Verhältnis, das da allmählich in die Anschauung eingetreten ist, das hat durchaus auch abgefärbt auf alles dasjenige, was Pädagogik und Didaktik ist. Man muß sich nur klar sein – und das kann ich ja hier nur aus der allgemeinen Anthroposophie, ich möchte sagen, hereinziehend charakterisieren -, man muß sich nur klar sein darüber, daß wenn wir vom Körperlich-Leiblichen etwa so sprechen, wie das die gewöhnliche heutige Physiologie, Biologie tut, daß wir dann von etwas sprechen, was am lebendigen Menschen, so wie wir es ja charakterisie­ren, eigentlich gar nicht vorhanden ist. Das ganze Leiblich-Physische ist ein Ergebnis, ein Aufbau des Seelisch-Geistigen.
Und wiederum, wenn wir vom Seelisch-Geistigen in einer gewissen

Maar omdat men het levendig op elkaar inwerken, de levendige wisselwerking tussen beide niet doorziet, spreekt men van een parallellisme, alsof aan de ene kant wat  geestelijk in verschijning treedt, zich afspeelt, aan de andere kant wat levend-lichamelijk in verschijning treedt. Maar op wat er tussen deze beide zich afspeelt, gaat men niet in.
Deze uiterlijke relatie die langzamerhand de waarneming geworden is, heeft zeer zeker ook alles wat met pedagogiek en didactiek te maken heeft, gekleurd. Nu moet je goed in de gaten hebben – en dat kan ik hier alleen maar uit de algemene antroposofie karakteriseren – je moet goed beseffen dat als we over het lijfelijk-lichamelijke zo spreken als de huidige fysiologie, biologie doet, we dan over iets spreken wat bij de levende mens zoals wij dat karakteriseren, eigenlijk helemaal niet te vinden is. Al dat lichamelijk-levende is het gevolg van het de werking van ziel en geest, wordt er door opgebouwd.
En dan ook, als we met een bepaalde abstractie praten over het geest-zielenaspect

Blz. 68

Abstraktheit sprechen, sprechen wir eben wiederum nicht von etwas Wirklichem, denn es ist am lebendigen Menschen lebendig, möchte ich sagen, eben das Geistig-Seelische, indem es den Leib durchorganisiert, indem es den Leib baut, gestaltet. Und es ist so, daß durchaus nicht in einer gewissen Allgemeinheit gesprochen werden kann von der Bezie­hung des Seelisch-Geistigen zu dem Physisch-Leiblichen, sondern derje­nige, der nun wiederum das Seelisch-Geistige in seiner Konfiguration schaut, der es nicht als ein bloßes Abstraktum vor sich hat, sondern der es in seiner inneren Gestaltung vor sich sieht, der weiß zugleich, daß jede Einzelheit des Seelisch-Geistigen eine gewisse Beziehung hat zu einer Einzelheit in dem Physisch-Leiblichen. Wir können zum Beispiel durch­aus sagen, ich will das eben nur als ein Beispiel heranziehen: Wenn wir den Sehprozeß ins Auge fassen, so hat dieser Sehprozeß seine physisch-leibliche Lokalisation sehr abgeschlossen in dem menschlichen Haupt-Organ, in dem menschlichen Kopfe, und wir studieren den Sehprozeß, indem wir vorzugsweise seine lokalisierten Organe im menschlichen Haupt studieren.
Anders ist das zum Beispiel schon, wenn wir den Gehörprozeß studieren. Wenn wir den Gehörprozeß studieren, müssen wir das rhyth­mische System studieren. Wir müssen, um den Gehörprozeß zu verste­hen, eigentlich ausgehen von dem Atmungsprozeß.

hebben we het weer niet over iets reëels, want het is aan de levende mens levendig werkzaam, zelfs het geest-zielsmatige, wanneer dit het lichaam doorwerkt, als het het lichaam opbouwt, vormgeeft. En het is zo dat er helemaal niet in het algemeen gesproken kan worden van de relatie tussen ziel en geest met het levend lichamelijke, maar degene die op zijn beurt geest en ziel in hun hoedanigheid doorziet, die dit niet alleen maar als abstractie heeft, maar het voor zich ziet in zijn innerlijke vorm, weet tegelijkertijd dat ieder detail van  geest en ziel een bepaalde relatie heeft met een bepaald detail in het levende lichaam. We kunnen echt wel zeggen, ik geef het maar als voorbeeld: wanneer we het proces van het zien in ogenschouw nemen, dan zit dit proces fysiek zeer afgesloten gelokaliseerd in het hoofd van de mens en wij bestuderen dit zien als we met name de in het hoofd gelokaliseerde organen bestuderen. Wanneer we het gehoorsproces bestuderen, moeten we het ritmische systeem bestuderen. Wij moeten om het gehoorsproces te begrijpen, eigenlijk uitgaan van het ademhalingsproces.

Wir können ja nicht den Gehörprozeß für sich lokalisiert im Kopfe studieren, wie das in einer heutigen abstrakten Physiologie vielfach geschieht, und so ist es mit allem. Was wir als Geistig-Seelisches studieren, müssen wir in konkreter Weise beziehen können wiederum auf konkrete organische Systeme. Das heißt, eine wirkliche geistig-seelische Erkenntnis ist gar nicht möglich ohne eine Erkenntnis des Leiblich-Physischen. Und wiederum: eine richtige Erkenntnis des Leiblich-Physischen ist zu gleicher Zeit eine Erkenntnis des Seelisch-Geistigen. Es muß eben eine Erkenntnis ange­strebt werden, wo diese beiden, das Seelisch-Geistige und das Leiblich-Physische so ineinandergehen in der Erkenntnis, wie sie auseinanderge­hen im lebendigen Menschen.
Diejenigen, die diese Vorträge hier hören als anthroposophisch Inter­essierte, wissen ja, wie hier nicht gesprochen wird von irgendeinem abstrakt-theoretischen Geistig-Seelischen, sondern wie gerade wirkliche

Het gehoorsproces kunnen we gelokaliseerd in het hoofd bestuderen, zoals dat vaak in de tegenwoordige abstracte fysiologie gebeurt en zo is het met alles. Wat we als geest en ziel bestuderen, moeten we op een concrete manier in verbinding kunnen brengen met concrete organische systemen. D.w.z. een werkelijke kennis van geest en ziel is helemaal niet mogelijk zonder kennis van het levend lichamelijke. En ook, een echt kennen van het levend-lichamelijke is tegelijkertijd een kennen van ziel en geest. Er moet naar kennis gestreefd worden, waarbij deze twee, ziel-geest en het lijfelijk-lichamelijke bij het kennen zo in elkaar overlopen als ze uit elkaar gaan in de levende mens.
Degenen die hier naar de voordrachten luisteren omdat ze geïnteresseerd zijn in de antroposofie, weten wel hoe hier niet gesproken wordt over een of andere abstract theoretische ziel of geest, maar hoe juist echte

Blz. 69

Erkenntnis des Geistig-Seelischen im vollen innerlichen Zusammenhang steht mit einer Erkenntnis des Leiblich-Physischen.
Nun aber, wenn wir an das Leiblich-Physische des Menschen heran-treten, dann tritt uns ja sogleich eigentlich die Frage entgegen nach dem Verhältnis des Gesunden und des Kranken im Menschen. Gewiß, die extremen Fälle des Krankseins gehören auf ein anderes Blatt als das pädagogische, und sie gehen
uns heute hier nichts an, aber all dasjenige, was, ich möchte sagen, in tausendfältiger Weise in dem eigentlich sonst gesund zu nennenden Menschen doch in einer gewissen Weise nach dem Kranken hinneigt, in dem haben wir ein Gebiet, das gerade innerhalb des Pädagogischen und Didaktischen in hervorragendem Maße gekannt sein muß, und das sogar außerordentlich wichtig ist für die pädagogische und didaktische Erkenntnis. Und um begreiflich zu machen, was damit eigentlich gemeint ist, möchte ich ausgehen von einem in Goethes Weltanschauung auftretenden, außerordentlich wichtigen Begriff.
Goethe hat ja in seiner Metamorphosenlehre versucht, eine Art Anschauung des Organischen zu gewinnen, und dasjenige, was er in seiner Metamorphosenlehre gewonnen hat, wird ganz gewiß in der Zukunft noch viel unbefangener gewürdigt werden, als es bis heute schon gewürdigt werden kann, da ja die gegenwärtige Wissenschaftsrich­tung vielfach sich in einer in bezug auf Goethe entgegengesetzten Richtung bewegt.

kennis van geest en ziel in de volle innerlijke samenhang staat met een kennis van het levend-lichamelijke.
Echter, als we het levend-lichamelijke van de mens beschouwen, dan komt vrijwel meteen de vraag op naar hoe gezondheid en het zieke in de mens zich tot elkaar verhouden. Zeker, de extreme gevallen van het ziek-zijn zijn van een andere categorie dan in het pedagogische geval en met die gevallen houden we ons nu niet bezig; maar we hebben wel alle mogelijke gevallen die bij wat je toch een gezond mens kan noemen, naar ziekte neigen, en daarmee hebben we een gebied dat we juist binnen de pedagogiek en de didactiek heel erg goed moeten kennen en dat voor de kennis van pedagogiek en didactiek buitengewoon belangrijk is. En om begrijpelijk te maken wat daarmee eigenlijk wordt bedoeld, wil ik uitgaan van een uiterst belangrijk begrip dat we in de wereldbeschouwing van Goethe vinden. Goethe heeft in zijn leer van de metamorfose geprobeerd een soort waarnemen van het organische te ontwikkelen en wat hij in zijn metamorfoseleer bereikt heeft, zal zeer zeker in de toekomst op een nog veel onbevangener manier geprezen worden dan dat dit nu het geval al is, omdat de richting van de huidige wetenschap zich meestal wat Goethe betreft in de tegenovergestelde richting beweegt.

Goethe hat verfolgt, wenn wir das am einfachsten Beispiel ins Auge fassen, wie, sagen wir, am Pflanzenstengel Blatt nach Blau sich entwik­kelt, und wie aber jedes folgende Blatt, das eine andere Form zeigt als das darunterstehende, doch nur eine Metamorphose des darunterstehenden ist. So daß Goethe sagt: Die einzelnen Organe der Pflanze, die unteren einfacheren Blätter, dann die komplizierteren Stengelbläuer, dann die Kelchblätter, die wieder ganz anders
gestaltet sind, die Blumenblätter, die sogar eine andere Farbe haben als die Stengelbläuer, sie sind eigent­lich alle so, daß sie äußerlich in der Form voneinander verschieden sind, innerlich in der Idee aber gleich sind, so daß dasjenige, was in der Idee gleich ist, sich dem äußeren sinnlichen Scheine nach vermannigfaltigt, in den verschiedenen Gestalten auftritt. Goethe sieht deshalb in dem einzelnen Blatte die ganze Pflanze und in der Pflanze wiederum nur die

Goethe is nagegaan, als we het eenvoudigste voorbeeld bekijken, hoe aan de stengel van de plant zich blad na blad ontwikkelt en hoe dan ieder blad dat erna komt, een andere vorm heeft dan het blad daaronder; maar dit latere blad is een metamorfose van het vorige. Goethe zegt daarom: De aparte organen van de plant, de onderste eenvoudige bladeren, dan de gecompliceerdere stengelbladeren, dan de kelkbladeren die weer een heel andere vorm hebben dan de bloemblaadjes die zelfs een andere kleur hebben dan de stengelbladeren, zijn allemaal zo dat zij uiterlijk in de vorm van elkaar verschillen, innerlijk in de idee echter gelijk zijn, zodat wat in de idee gelijk is, zich voor de uiterlijk zintuiglijke schijn zich vermenigvuldigt, zichtbaar wordt in de verschillende vormen. Daarom ziet Goethe in het aparte blad de hele plant en in de plant weer alleen de

Blz. 70

komplizierte Ausgestaltung des einzelnen Blattes. Jedes Blatt ist für Goethe eine ganze Pflanze, nur daß die Idee der Pflanze, der Typus der Pflanze, die Urpflanze, eben im äußeren physischen Ausgestalten eine bestimmte Gestalt annimmt, vereinfacht ist und so weiter, so daß Goethe gewissermaßen sich sagt (es wird gezeichnet): Indem der Pflanzenstengel ein Blatt treibt, will er eigentlich eine ganze Pflanze treiben. Hier ist durchaus die Tendenz vorhanden, eine ganze Pflanze zu treiben. Aber diese pflanzenbildnerische Kraft gestaltet sich gewissermaßen nur in beschränktem Maße aus, hält sich zurück. Im nächsten Blatte gestaltet sie sich wiederum in einem in gewissem Sinne beschränkten Maße aus und so weiter. Hier will diese pflanzenbildnerische Kraft eine ganze Pflanze werden, hier wieder eine ganze Pflanze. In jedem Blatte will eigentlich eine ganze Pflanze entstehen, und es entsteht nur immer etwas wie ein Fragment einer Pflanze; aber die ganze Pflanze ist doch da und ist wiederum eine Realität. Und diese unsichtbare ganze Pflanze, die hält nun all das in Harmonie zusammen, was immer viele Pflanzen werden will.

gecompliceerde uitgroei van het aparte blad. Ieder blad is voor Goethe een hele plant, alleen dat de idee van de plant, de oervorm van de plant, de oerplant, dus in de uiterlijke fysieke vorm een bepaalde vorm aanneemt, eenvoudiger wordt enz., zodat Goethe in zekere zin zegt (het wordt getekend): (tek. niet afgedrukt). Wanneer de plantenstengel een blad tevoorschijn brengt, wil deze eigenlijk een hele plant tevoorschijn brengen. Hier is zeker de tendens aanwezig om een hele plant te laten ontstaan. Maar deze kracht die een plant wil vormen, komt in zekere zin alleen maar beperkt tot uiting, houdt zich terug. Bij het volgende blad gebeurt dat opnieuw in die beperkte mate, enzovoort. Hier (in de tekening) wil deze plantenvormende kracht een hele plant worden, ook hier. In ieder plant wil eigenlijk een hele plant ontstaan en er ontstaat alleen steeds iets als een deel van een plant; maar de hele plant is daar wel en is een realiteit. En deze hele onzichtbare plant houdt alles harmonisch bij elkaar wat veel planten zou willen worden.

Jede Pflanze möchte eigentlich viele Pflanzen werden; aber jede von diesen vielen Pflanzen wird nicht eine volle Pflanze, sondern nur eine beschränkte Ausgestaltung, ein Organ. Jedes Organ will eigentlich der ganze Organismus sein, und der ganze Organismus hat die Aufgabe, diese einzelnen fragmentarischen Ausbildungen seiner selbst wiederum zu einer größeren Harmonie zusammenzuhalten, so daß wir dasjenige haben, was im einzelnen
Organ wirkt und dasjenige, was die einzelnen Organe zusammenhält.
Nun, Goethe geht nicht aus auf abstrakte Begriffe. Er gestaltete zum Beispiel nicht den ganz abstrakten Begriff: Man sieht einzelne fragmen­tarische Pflanzen sich gestalten wollen und dann die Einheitspflanze, die das zusammenhält , das wäre noch Abstraktion. Er will erfassen, wie diese pflanzenbildnerische Kraft wirkt. Er möchte erfassen, was da eigentlich sich ausgestaltet, und namentlich, was sich in einem solchen einzelnen Blatte zurückhält. Er möchte das anschauen, er möchte nicht beim Begriff bleiben, er möchte bis zu der Anschauung kommen. Deshalb wird ihm ganz besonders wichtig, wenn er, wie er es nennt, irgendwo Mißbildungen auftreten sieht, wenn also zum Beispiel an einer bestimmten Stelle nicht ein Blatt auftritt, wie man es erwartet, sondern

Iedere plant zou eigenlijk tot vele planten willen uitgroeien; maar elke plant van al die vele planten wordt geen volledige plant, maar slechts een begrensde vorm, een orgaan. Ieder orgaan wil eigenlijk het hele organisme zijn en het hele organisme heeft de taak deze aparte fragmentarische vormen weer tot een grotere harmonie bijeen te houden, zodat wij datgene hebben wat in het deelorgaan werkt en wat die deelorganen bijeenhoudt.
Goethe hanteert geen abstracte begrippen. Hij formuleert bijv. niet het heel abstracte begrip: ‘je ziet dat losse fragmentarische planten zich willen vormen en de plant als eenheid die dit bij elkaar houdt’, dat zou abstractie zijn. Hij wil doorgronden hoe deze plantenvormende krachten werken. Hij wil doorgronden wat daar eigenlijk tot uitdrukking komt en vooral wat zich in zo’n apart blad terughoudt. Dat zou hij willen waarnemen, hij wil niet bij de begrippen blijven staan, hij wil tot de waarneming komen. Daarom is het voor hem van bijzonder belang, wanneer hij, zoals hij het noemt, ergens misvormingen ziet, wanneer er bijv. op een bepaalde plaats niet één blad komt, zoals je mag verwachten, maar

Blz. 71

wenn sich der Stengel meinetwillen verdickt, eine Mißbildung entsteht, oder wenn irgendwo die Blüte, statt sich in Blättern zu runden, schlank auswächst und dergleichen.
Wenn Mißbildungen auftreten, sagte sich Goethe, dann tritt an der Pflanze die pflanzenbildnerische Kraft so auf, daß dasjenige sich verrät, äußerlich sichtbar wird, was sich eigentlich zui ückhalten sollte; wenn das Blatt mißgestaltet wird so hat sich eben die Kraft nicht zurückgehal­ten, dann ist sie ins Blatt hi neingeschossen. Und so sagte sich Goethe: Also sieht man, wenn eine Mißbildung auftritt, wie physisch wird dasjenige, was eigentlich geistig ist; was sich zurückhalten sollte, was nur als Wachstumskraft auftreten sollte, wird sichtbar. In der Mißbildung liegt etwas vor, was man gerade studieren sollte, denn an der Mißbildung sieht man, was in der Pflanze drinnen ist. Ist diese Mißbildung nicht da, so bleibt etwas zurück, was dann in den folgenden Blättern oder in den folgenden Organen überhaupt zum Ausdrucke kommt. – So werden für Goethe die Mißbildungen für sein Studium ganz besonders wichtig. Er sagt sich das in bezug auf den ganzen Organismus. Man kann sagen, es ist durchaus im Sinne Goethes gedacht, wenn wir zum Beispiel nun nehmen den Hydrocephalusi die Wasserkopfbildung beim Kinde; da haben wir eine Mißbildung.

wanneer de stengel zich verdikt, een misvorming ontstaat of wanneer op de een of andere manier de bloem, i.p.v. rond uit te groeien met blaadjes, langwerpig doorgroeit enz.
Wanneer zich vergroeiingen voordoen, zei Goethe, dan vertoont de plantenvormende kracht zich aan de plant zo dat er iets naar buiten komt, iets uiterlijk zichtbaar wordt, wat eigenlijk teruggehouden had moeten worden; wanneer het blad misvormd wordt, heeft die kracht zich niet teruggehouden, maar die is dan in het blad geschoten. En zo zei Goethe: dus zie je wanneer er een vergroeiing optreedt, hoe fysiek wordt wat eigenlijk geestelijk is, wat zich terug zou moeten houden; wat alleen maar als groeikracht zou moeten werken, dat wordt zichtbaar. In de misvorming doet zich iets voor wat je zou moeten bestuderen, want aan die misvorming zie je wat in de plant zit. Zit die misvorming er niet, dan blijft er iets terug wat dan in de volgende bladeren of in de volgende organen tot uitdrukking komt. – Zo worden voor Goethe de vergroeiingen voor zijn studie heel belangrijk. Hij merkt dat op m.b.t. het hele organisme. Je kan zeggen dat het duidelijk in de zin van Goethe gedacht is, wanneer wij bijv. eens naar de hydrocefalie kijken, naar de vorming van een waterhoofd bij het kind; daar hebben we een misvorming.

Aber Goethe würde sagen: Diese Mißbildung richtig studiert, zeigt mir etwas in der Anschauung, was in jedem kindlichen Kopfe ist, aber nur zurückgehalten wird im Geistigen. Ich kann also, wenn eine Mißbildung auftritt, sagen: Hier zeigt sich mir im Physisch-Sinnlichen dasjenige, was eigentlich im Geistig-eelischen seine richtige Stellung hat. Sehen wir nun herauf bis zum Menschen oder auch bis zum Tiere, dann haben wir nicht nur solche augenscheinlich auftretenden Mißbil­dungen, sondern wir haben dann Krankheiten oder wenigstens Krank­heitsanlagen. Jede Krankheit im Goetheschen Sinne betrachtet, verrät einem etwas, was ganz regulär im Menschen drinnen ist, aber sich nur, gleich einer Mißbildung, auch nach der einen Seite sich ausbildet, während es zurückgehalten werden sollte im ganzen organischen System. Während es gewissermaßen im Geiste zurückbleiben sollte, schlägt es in die äußere Bildung hinein. So daß man sagen kann: bemerkt man irgendwo eine Krankheitsanlagei so verrät einem diese Krankheitsanlage

Maar Goethe zou zeggen: als je deze misvorming goed bestudeert, laat deze iets zien van wat in ieder hoofd van een kind aanwezig is, maar wat dan teruggehouden wordt in het geestelijke. Ik kan dus, wanneer er een vergroeiing plaatsvindt, zeggen: hier laat het fysiek-zintuiglijke zien wat eigenlijk in het geest-zielengebied zijn juiste plaats heeft. Kijken we nu naar de mens of ook naar het dier, dan hebben wij niet alleen maar ogenschijnlijk zulke optredende misvormingen, maar we hebben dan met ziekten of op zijn minst met ziekteaanleg van doen. Iedere ziekte in de zin van Goethe, laat iemand zien wat heel gewoon in een mens zit, maar zich alleen maar als misvorming ontwikkelt, zij het in één richting, terwijl het in het hele organische systeem teruggehouden zou moeten worden. Terwijl het in zekere zin geestelijk teruggehouden moet blijven, komt het in de uiterlijke vormgeving terecht. Zodat je kan zeggen: zie je ergens een aanleg voor ziekte, dan onthult deze aanleg

Blz. 72

gerade etwas Besonderes für die menschliche Organisation, und wer das Kranksein nach der einen oder der anderen Seite versteht, beginnt gerade an dem Kranksein den menschlichen Geist zu studieren, wie Goethe an den Mißbildungen den Typus, die Urpflanze studiert. Es ist außerordentlich bedeutsam, hinschauen zu können, namentlich auf die feineren krankhaften Ausartungen, sagen wir beim Kinde, die nicht zu wirklichen Krankheiten werden, sondern die solche Neigungen nach der einen oder der anderen Seite darstellen, da oder dorthin krankhaft auszuarten. Das ist dasjenige, was gewissermaßen äußere Signatur dar­stellt für dasjenige, was nun auch im normalen Menschen arbeitet. Man möchte sagen: das Wasserkopfsein ist im Kopfe eines jeden Kindes, und man muß den Wasserkopf studieren können, um eben im Studium des Wasserkopfes zu erfahren, wie man das nun zu behandeln hat, was in den Wasserkopf schießt, wenn es gesund bleibt und ein Geistig-Seeli­sches ist Natürlich ist das etwas, was im eminentesten Sinne mit allem, ich möchte sagen, wissenschaftlichen Zartgefühl zu behandeln ist, was nicht im groben Sinne gedeutet werden darf, sondern mit außerordentli­chem Zartgefühl behandelt werden muß, so daß man hier hingewiesen wird auf dasjenige, was im Menschen wirkt, was als Krankheit erscheint, was aber eigentlich, wenn es an seiner richtigen Stelle im Inneren bleibt, zu den normalen Entwickelungskräften des Menschen gehört

nu juist voor de menselijke organisatie iets bijzonders en wie ziek-zijn naar de ene kant of naar de andere kant begrijpt, begint dan aan dit ziek-zijn de menselijke geest te bestuderen, zoals Goethe aan de misvormingen de oersoort, de oerplant bestudeert. Het is van heel veel betekenis m.n. te kijken naar wat zich subtieler pathologisch afwijkend ontwikkelt, bijv. bij het kind, wat dan geen echte ziektes worden, maar wat in de een of andere richting een neiging daartoe vertoont, in een of andere richting zich als ziek-zijn te ontpoppen. Dat laat op de een of andere manier iets zien als een uiterlijk beeld voor wat ook in de normale mens werkzaam is. Iets van een waterhoofd zit in het hoofd van ieder kind en je moet het waterhoofd kunnen bestuderen om bij die studie te voelen hoe je dat wat in het waterhoofd schiet, moet behandelen, wanneer dat gezond blijft en iets van geest en ziel is. Natuurlijk is dat iets wat in de diepste betekenis van het woord met alles wat wetenschappelijke fijngevoeligheid is, behandeld moet worden, wat niet op een grove manier gekenschetst mag worden, maar met een buitengewone gevoeligheid behandeld moet worden, zodat je hier gewezen wordt op iets wat in de mens werkzaam is, wat als zieke zich manifesteert, wat echter eigenlijk, wanner het inwendig op de juiste plaats blijft, bij de normale ontwikkelingskrachten in de mens hoort.

Und Sie werden nun selbst ermessen können, da das Kind im Wachstum ist, und die Tendenz hat, nach jeder Richtung hin auszuarten, wie man, wenn man fähig ist zu wissen, wohin die Ausartungen geschehen können, auch fähig werden kann, nun diese Dinge zu harmonisieren, wie man fähig werden kann, die Gegenkräfte hervorzurufen, wenn Ausartungen dro­hen und dergleichen.
Aber etwas anderes kommt noch in Betracht. Sehen Sie, wenn man von Pädagogik und Didaktik spricht, so haben die Leute meistens das Gefühl, da muß man ein Ideal einhalten, das bis in alle Einzelheiten hinein auch theoretisch ausgearbeitet werden kann oder dergleichen, und da gibt es so etwas, was man in starre Formen und Regeln bringen kann. Aber eigentlich fällt einem gerade dann, wenn man mit Pädagogik und Didaktik selber zu arbeiten hat, wie es einem geht, wenn man zum Beispiel wie ich die Waldorfschule zu leiten hat, da fällt einem immer

En je kan nu zelf vaststellen omdat het kind aan het groeien is en de tendens bestaat in elke richting afwijkingen te vertonen, hoe je, wanneer je in staat bent te weten in welke richting dat kan gebeuren, je ook in staat kan zijn deze dingen te harmoniseren, hoe je in staat kan zijn de tegenkrachten op te roepen wanneer er afwijkingen dreigen en wat dies meer zij.
Maar er is nog iets anders. Wanneer je over pedagogiek en didactiek spreekt, hebben de mensen meestal het gevoel dat er een ideaal moet zijn dat in alle details theoretisch uitgewerkt kan worden en dan ontstaat er zoiets wat starre vormen en strenge regels met zich mee kan brengen. Maar eigenlijk komt iemand wanneer je zelf met pedagogiek en didactiek moet werken, zoals het iemand kan vergaan zoals ik die aan de vrijeschool leiding moet geven, steeds wel op ideeën.

Blz.  73

wiederum eines ein. So etwas gefält ja den Menschen, wenn man ihnen eine einleuchtende pädagogische und didaktische Kunst vortragt, es gefällt den Menschen. Ja, aber derjenige, der nun ganz ehrlich ist – und Anthroposophie muß in allem absolut innerlich ehrlich sein -, der sagt sich: Gewiß, so etwas wie solch eine Pädagogik und Didaktik muß ja da sein. Dann kommen die Leute und sagen: Das ist schön, hätten wir nur auch in solchen Schulen sein können, wo so gelehrt worden ist! – Aber sehen Sie, sehr häufig haben gerade diejenigen, die dann eine solche Pädagogik und Didaktik ausarbeiten, gerade in den schlechtesten Schu­len ihre Erziehung, ihren Unterricht gehabt, und sie kommen gerade vielleicht aus den allerkorrumpiertesten Erziehungssystemen heraus, und sie sind nicht eigentlich schlecht dabei gefahren; sie sind sogar so gut dabei gefahren, daß sie ganz ordentliche Erziehungssysteme aufstellen können. Und dann kommt sogar vielleicht die Idee: Haben wir denn ein Recht, bis in alle Spezialitäten hinein auszudenken und auszugestalten. wie wir die Kinder unterrichten sollen? Wäre es nicht vielleicht am allerbesten, wenn sie in moglchst hohem Grade als Wildlinge heranwachsen könnten, wie man vielen Biographien entnehmen kann,. daß nicht gerade diejenigen die in steife padagogische und didaktische Erziehungssysteme gepreßt sind die entwickeltsten und befähigtsten Menschen geworden sind?

Want het bevalt de mensen wel wanneer je hun een duidelijke pedagogische en didactische kunst aanbiedt. Maar wie heel eerlijk is – en antroposofie moet bij alles innerlijk absoluut eerlijk zijn – zegt tegen zichzelf: zeker, zo’n pedagogiek en didactiek moeten we hebben. Dan komen er mensen die zeggen: dat is mooi, hadden wij ook maar op zo’n school gezeten waar zo onderwijs wordt gegeven! Maar heel vaak hebben degenen die dan zo’n pedagogiek en didactiek uitwerken, juist op heel slechte scholen hun opvoeding en onderwijs genoten en ze komen wellicht uit de meest bekrompen opvoedingssystemen en eigenlijk zijn ze daar niet zo slecht vandaan gekomen; eigenlijk wel zo goed dat ze heel keurige opvoedingssystemen kunnen uitwerken. En dan kan het idee ontstaan: hebben wij dan het recht om tot in alle details uit te denken en vorm te geven hoe wij de kinderen onderwijs willen geven? Zou het niet het beste zijn, wanneer ze zoveel mogelijk als wildebrassen op zouden groeien, zoals je in vele biografieën vinden kan; dat nu juist niet degenen die in stijve pedagogische en didactische opvoedingssystemen geperst zijn de meest ontwikkelde en meest vaardige mensen zijn geworden?

Beleidigen wir nicht eigentlich das aufwachsende Kind, wenn wir ein so ganz ins einzelnste ausgearbeitetes padaggisches System aufstellen?
Sie sehen, erwägen muß man nach allen Seiten und gerade wenn man dieses erwägt, dann kommt man eben zu derjenigen Padagogik und Didaktik, die eigentlich weniger von dem redet, wie man dies oder jenes am Kinde machen soll sondern die vor allen Dingen darauf bedacht ist. dem Lehrer selbst das zu geben, wodurch er das vorhin angedeutete intime Verhältnis zum heranwachsenden Kinde haben kann.
Aber dazu ist noch etwas anderes notwendig. Wenn das Kind uns übergeben wird im Volksschulalter, sollen wir es erziehen, wir sollen es unterrichten. Indem wir mit dem einen oder mit dem anderen. mit Schreiben, mit Lesen mit Rechnen herankommen, führen wir ja eigentlich lauter Attacken auf das Kind aus. Wir unterrichten, sagen wir Leseunterricht – es ist eine Einseitigkeit. Der volle Mensch wird durchaus

Beledigen we eigenlijk het opgroeiende kind niet, wanneer we zo’n heel pedagogisch systeem tot in detail uitwerken?
Dat alles moet je van alle kanten in overweging nemen en juist wanneer je dat doet, kom je bij die pedagogiek en didactiek uit die eigenlijk minder spreekt over hoe je dit of dat met een kind moet doen, maar dat je je er vooral van bewust bent de leraar zelf datgene aan te reiken waarmee hij die eerder aangeduide subtiele verhouding met het opgroeiende kind kan hebben.
Maar daar is nog wat anders voor nodig. Wanneer we het kind naar de basisschool laten gaan, moeten we het opvoeden, we moeten het lesgeven.
Wanneer we met het een of ander aankomen, met schrijven, met lezen, met rekenen, plegen we eigenlijk een pure aanslag op het kind. We geven leesles – dat is een eenzijdigheid. De volledige mens wordt

Blz. 74

nicht eigentlich in Anspruch genommen beim gewöhnlichen Lese­unterricht. Wir fördern im Grunde genommen eine Mißbildung. wir fördern sogar eine Krankheitsneigung; und wiederum, wenn wir den Schreibunterricht erteilen, fördern wir nach einer anderen Richtung eine Krankheitsneigung. Wir führen eigentlich fortwährend Attacken aus gegen die Gesundheit des Kindes, wenn das auch nicht immer ersichtlich wird, da es sich eben nur, im Status nascendi möchte ich sagen, im Entstehungszustande sich äußert. Aber wir müssen fortwährende Attak­ken im Grunde genommen auf das Kind ausführen. Nun können wir im Zivilisationszeitalter nicht anders, als diese Attacken ausführen; aber wir müssen dasjenige, was wir da fortwährend unternehmen, gegen die Gesundheit des Kindes – man kann es schon so sagen -, das müssen wir immer wieder und wiederum gutzumachen verstehen. Wir müssen uns klar sein: Rechnen = eine Mißbildung; Schreiben = zweite Mißbildung; Lesen = dritte Mißbildung, und nun erst Geschichte, Geogra­phie! Da hört es ja gar nicht mehr auf, da geht es schon ins Schrecklichste hinein. Und demgegenüber müssen wir fortwährend dasjenige stellen, was wiederum zurücknimmt in den ganzen Menschen harmonisierend dasjenige, was auseinander will. Das ist so außerordentlich wichtig, daß wir uns dessen bewußt sind, daß wir eigentlich immer auf der einen Seite dem Kinde etwas beizubringen haben und auf der anderen Seite dafür zu sorgen haben, daß es ihm nichts schadet.

eigenlijk niet aangesproken bij het gangbare leesonderwijs. In de grond van de zaak bevorderen we iets verkeerds, we bevorderen zelfs een neiging naar ziekte en ook, wanneer we schrijfonderwijs geven, bevorderen we naar de een of andere kant een neiging tot ziekte. Ook al is het niet altijd duidelijk omdat het zich in een status nascendi uit, in de toestand waarin het ontstaat, we bestoken de gezondheid van het kind. Maar we moeten dat voortdurend doen. We kunnen in deze tijd van onze beschaving niets anders doen dat dit bestoken; maar wel moeten we, wat we daar voortdurend doen tegen de gezondheid van het kind – je kan het zo zeggen – ook steeds weer goed kunnen maken. Het moet duidelijk zijn: rekenen – een foutieve vorming; schrijven – een tweede foutieve vorming; lezen – een derde foutieve vorming en om nog maar te zwijgen van geschiedenis en aardrijkskunde! Daar houdt het al helemaal niet meer op, het gaat daar op een verschrikkelijke manier door. En daar moeten wij dan voortdurend tegenoverstellen wat harmoniserend in de hele mens terugbrengt, wat tot disharmonie leidt. Het is buitengewoon belangrijk dat wij er ons bewust van zijn dat wij eigenlijk aan de en kant het kind  steeds iets moeten bijbrengen en dat we aan de andere ervoor moeten zorgen dat dat hem geen schade berokkent.

Eine richtige Pädagogik muß darauf sehen, sich zu fragen: Wie heile ich das Kind gegenüber den fortwährenden Attacken, die ich auf es ausführe? Das muß in jeder richtigen Pädagogik immer drinnenstecken.
Das aber kann nur drinnenstecken, wenn man einen Einblick hat in die ganze menschliche Organisation, wenn man wirklich versteht, wie es sich mit dieser menschlichen Organisation verhält. Nur wenn man wirklich dieses Prinzip des Mißbildens und des wiederum Harmonisie­rens zu erfassen vermag, kann man ein richtiger Lehrer und Erzieher sein. Denn dann steht man dem aufwachsenden Menschen so gegenüber, daß man immer wissen kann: Was tust du, indem du ihm das eine oder das andere beibringst und dadurch das eine oder das andere Organsy­stem besonders in Anspruch nimmst, wie paralysierst du dasjenige, was du da nach einer einseitigen Richtung hin tust? Das ist es, das eine

Een echt goede pedagogiek moet uitgaan van de vraag: hoe maak ik het kind gezond t.o.v. die voortdurende aanvallen die ik op hem uitvoer? Dat moet in elke pedagogiek zitten.
Dat kan echter alleen maar, als je inzicht hebt in de hele menselijke organisatie, wanneer je werkelijk begrijpt wat er met deze menselijke organisatie aan de hand is. Alleen wanneer je dit principe van verkeerd vormen en weer harmoniseren kan begrijpen, kan je een goede leraar en opvoeder zijn. Want dan sta je t.o.v. het opgroeiende kind zo dat je steeds kan weten: wat doe je als je hem het ene of het andere bijbrengt en daardoor het ene of het andere orgaansysteem op een bijzondere manier aanspreekt; hoe verlammend werk je als je dat op een eenzijdige manier doet? Dat vraagt een

Blz. 75

wirkliche konkrete Pädagogik und Didaktik, die der Lehrer brauchen kann, die den Lehrer im richtigen Sinne zum Menschenkenner macht, fragt. Sie kann eigentlich nur entstehen, wenn man wirklich dahin kommt, den ganzen Menschen nach seinen Gesundheits- und Krank­heitsmöglichkeiten zu erkennen.
Da tritt nun etwas auf, was die heutige mehr materialistisch gesinnte Medizin weniger zu berücksichtigen braucht, was aber sofort bedeutsam wird, wenn man den Menschen nach seiner Neigung zum Kranksein auf der einen Seite und, ich sage vorläufig, nach seiner Neigung zum Gesundsein nach der anderen Seite betrachtet, so, daß das einfließt, was man über den Menschen erkennt, in das pädagogische und didaktische Anschauen.
Man betrachtet ja heute Gesundheit und Krankheit eigentlich als zwei Gegensätze. Der Mensch ist entweder gesund oder krank. Aber so ist überhaupt die Sache gar nicht, ihrer Realität, ihrer Wirklichkeit nach gedacht. So ist es gar nicht. Gesundheit und Krankheit stehen nicht etwa einander polar entgegen, sondern das Gegenteil der Krankheit ist etwas ganz anderes als die Gesundheit.

echt concrete pedagogiek en didactiek die de leraar kan gebruiken, die de leraar op de juiste manier tot iemand maakt die de mens kent, zich af. Die kan eigenlijk alleen maar ontstaan, wanneer je werkelijk zover komt dat je de hele mens wat betreft zijn mogelijkheden om gezond of ziek te zijn, kent. Dan kom je op iets waarvoor de huidige, meer materialistisch gerichte geneeskunde minder aandacht hoeft te hebben, wat echter direct van betekenis wordt, wanneer je de mens enerzijds bekijkt wat zijn neiging tot ziekzijn betreft, anderzijds wat zijn neiging om gezond te zijn betreft, zodat dit een deel kan worden van wat je over de mens leert bij het pedagogisch en didactisch waarnemen. Tegenwoordig beschouwt men gezondheid en ziekte als twee tegengestelden. De mens is of gezond of ziek. Maar zo ligt het zeker niet als je vanuit de realiteit, de werkelijkheid denkt. Zo zit het helemaal niet. Gezondheid en ziekte staan niet polair tegenover elkaar, het tegendeel van ziekte is heel iets anders dan gezondheid.

Von der Krankheit bekommt man einen Begriff – natürlich, es ist dann nur ein abstrakter, ein allgemeiner Begriff, man hat es ja nur mit einzelnen Erkrankungen und eigentlich im Grunde genommen nur mit einzelnen kranken Menschen zu tun; aber man würde auch auf dieses geführt, wenn man die Sache in einer konkreten Allgemeinheit betrachtet -, von der Krankheit bekommt man schon einen Begriff, wenn man aufsteigt von diesen Mißbildungen und dann sich allmählich eine Anschauung verschafft von dem, wie solche Mißbildungen zunächst äußerlich weniger bemerkbar auftreten im tieri­schen, im menschlichen Organismus. Aber dasjenige, was bei der Krank­heit auftritt, daß ein einzelnes Organ, ein Organsystem herausfällt aus der ganzen Organisation, daß es gewissermaßen als Einzelnes sich besonders hervortut, dem steht entgegen, daß das einzelne Organ in der Gesamtorganisation untergeht.
Nehmen Sie im Sinne des Goetheschen Prinzips: statt daß an dieser  Stelle hier (es wird gezeichnet) ein gesundes Blatt entsteht, entsteht, sagen wir, eine Mißbildung. Aber es kann ja auch etwas anderes entste­hen. Es kann das entstehen, daß die Pflanze, statt daß sie in ihr Organ

Van ziekte krijg je een begrip – natuurlijk, dat is dan maar een abstract, algemeen begrip, in de aard van de zaak heb je maar met een paar ziektes te maken, eigenlijk maar met een paar zieke mensen; maar je komt er ook op wanneer je de zaak in een concrete algemeenheid beschouwt – van ziekte krijg je al een begrip, wanneer je verdergaat dan de afwijkingen en je dan een blik krijgt op hoe zulke afwijkingen in eerste instantie uiterlijk minder opvallen bij het dier en in het menselijk organisme. Maar wat er bij ziekte gebeurt is, dat een enkel orgaan, een orgaansysteem op een opvallende manier anders gaat doen binnen het hele organisme, dat het zich in zekere zin als een apart iets voordoet, terwijl het anders deel is van het organisme als geheel.
Als we met het principe van Goethe kijken: in plaats dat op deze plaats hier (het wordt getekend – tekening niet in de uitgave -) een gezond blad ontstaat, ontstaat er een misvorming. Maar ook kan het zijn dat de plant, in plaats dat ze in haar orgaan

Blz. 76

schießt, mehr die harmonisierende Grundtendenz, die eigentlich im Geistigen zurückbleiben sollte, entwickelt, daß dieses Aufgehen des einzelnen Organs in dem ganzen Organismus überwuchert, daß das Organ gewissermaßen nicht zuviel hervortritt im Physisch-Leiblichen, sondern zuwenig, daß das Ganze viel zu geistähnlich aussieht, daß es also vergeistigt ist, daß das Geistige zu stark das Physisch-Leibliche durchdringt. Das kann auch geschehen. Es kann also auch nach der entgegengesetzten Seite ausarten. Und das ist der Gegensatz der Krank­heit. Die Krankheit hat eine Polarität, die eigentlich darinnen liegt, daß das einzelne Organ gewissermaßen aufgesogen wird vom Gesamtorga­nismus und zu seiner besonderen Wollust, zu seiner besonderen inneren Befriedigung beiträgt. Ein, ich möchte sagen, Überlust-Erlebnis ist eigentlich der polarische Gegensatz der Krankheit,
Nehmen Sie die Sache selbst sprachlich. Wenn Sie das Verbum bilden von krank, so haben Sie kränken; kränken: Schmerz bereiten. Nehmen Sie ein Zeitwort, das das polarische Gegenteil bedeuten würde, so hätten
Sie:Lust bereiten. Und zwischen diesen zwei Extremen, zwischen dem Kranksein und Lustvollsein, muß der Mensch das Gleichgewicht halten.

schiet, meer de harmoniserende grondtendens die eigenlijk geestelijk teruggehouden zou moeten worden, ontwikkelt, dat de wording van een enkel orgaan in het hele organisme overwoekert, dat het orgaan in zekere zin in het fysiek-levende niet zo tevoorschijn komt, maar te weinig, dat het geheel er teveel uitziet als het geestelijke idee, dat het dus vergeestelijkt is, dat het geestelijke het fysiek-levende te veel doordringt. Dat kan ook gebeuren. Het kan dus ook in de tegenovergestelde richting ontaarden. En dat is het tegendeel van ziekte. Ziekte heeft een polariteit waarbij het zo is dat het aparte orgaan in zekere zin opgezogen wordt door het totaalorganisme en daarmee draagt het bij aan een bijzonder gevoel van genieten, een bijzondere je innerlijke tevreden voelen. De polaire tegenstelling van ziekte is eigenlijk een bovenmatige beleving dat je je goed voelt.
Bekijk het eens vanuit de taal. Wanneer je het werkwoord vormt van ‘krank’ = ziek, dan krijg je ‘kränken’; pijn doen, in het Nederlands hebben we ‘krenken’. Neem een werkwoord dat er polair tegenover staat, dan zou je krijgen: plezier doen, lust geven. En tussen deze beide extremen, tussen het ziekzijn en vol lust zijn, moet de mens het evenwicht bewaren.

 Das ist die Gesundheit. Der Mensch hat nicht die polarischen Gegen­sätze Krankheit und Gesundheit, sondern Krankheit und einen ganz anderen polarischen Gegensatz, und die Gesundheit ist der Gleichge­wichtszustand, den wir uns fortwährend organisch bemühen müssen zu erhalten. Wir pendeln gewissermaßen hin und her zwischen Kranksein und innerlich Lustvollsein, organisch lustvoll sein. Das Gesundsein ist der Gleichgewichtszustand zwischen den beiden Polaritäten. Das ist die Realität.
Und das ist ganz besonders wichtig, wenn wir das heranwachsende Kind vor uns haben; denn wie haben wir eigentlich das heranwachsende Kind? Nun, nehmen wir zunächst einmal das Kind im Volksschulalter. Wir haben es zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Was bedeutet der Zahnwechsel?
Sehen Sie, der Zahnwechsel bedeutet, daß etwas, was als Kraftprinzip
– ich habe das einmal in einem der hiesigen Hochschulkursvorträge ausgeführt -, was als Wachstumskräfte den Organismus durchtränkt, was in dem Menschen lebt, bis die zweiten Zähne herauskommen, was in

Dat is gezondheid. De mens heeft niet de polaire tegenstellingen ziekte en gezondheid, maar ziek-zijn en een heel andere polaire tegenstelling en gezondheid is een evenwichtstoestand, die we voortdurend organisch moeten zien te bewaren. We pendelen op een bepaalde manier heen en weer tussen ziekzijn en een innerlijk welbehagen, een organisch aangenaam gevoel. Gezondheid is de evenwichtstoestand tussen beide polariteiten. Dat is de realiteit.
En dat is heel belangrijk, wanneer we het opgroeiende kind bij ons hebben; want hoe is het eigenlijk met het opgroeiende kind? Laten we eerst eens een kind van de basisschool nemen. Dat is tussen de tandenwisseling en de puberteit bij ons.
Wat betekent de tandenwisseling?
Tanden wisselen betekent dat er in de mens iets wat als een krachtprincipe – ik heb dat een keer in een voordracht bij een hogeschoolcursus hier naar voren gebracht – wat als groeikrachten het organisme doordrenkt, wat in de mens leeft tot de blijvende tanden verschijnen; dat net zoals

Blz. 77

ihm organisch lebt, was am Leibe organisierend ist, daß das so, wie die latente Wärme in die äußerlich fühlbare Wärme übergeht, daß das, was als Geistig-Seelisches im Menschen organisierend ist. auch geistig-seelisch wird. Nachdem die zweiten Zähne heraus sind, braucht der Mensch eine gewisse Wachstumskraft eine gewisse innere durchorganisierende Kraft nicht mehr. Die wird jetzt frei wird geistig-seelisch, lebt sich in alledem aus, was wir im Alter, wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, verwenden können. Wenn ich schematisch zeichnen soll, möchte ich sagen: Wenn dies hier der physische Orgarismus ist, so haben wir diesen physischen Organis­mus durchzogen von ein Kraft die ihn durchorganisiert. die in ihm ihren Abschluß findet im Zrahnwechsel, und später ist dasjenige, was da in ihm noch gewirkt hat im früheren Leben, während des schulpflichti­gen Lebens freigeworden. tritt im Geistig Seelischen auf als veränderte Vorstellungskraft. als veränderte Erinnerungskraft und so weiter. Das heißt, innerlich erkennen den Zusammenhang des Seelisch- Geistigen mit dem physisch-Leiblichen wenn man zum Beispiel weiß, daß dasjenige gerade, womit man es zu tun hat im kindlichen Volksschulalter. daß das wie freigewordene Wärme so freigewordenes Seelenwesen ist;

dat net zoals de latente warmte overgaat naar de uiterlijk voelbare warmte, dat wat mentaal-psychisch bij de mens opbouwend is, nu mentaal-psychisch wordt. Als de blijvende tanden tevoorschijn zijn gekomen, heeft de mens een bepaalde groeikracht, een kracht die innerlijk organiserend werkzaam is, niet meer nodig. Die komt vrij en wordt tot geestkracht en gevoel, komt tot volle ontplooiing, waarmee wij dan op de leeftijd waarop het kind bij ons op school komt, kunnen werken.
Wanneer ik dit schematisch zou willen tekenen, [er is bij mijn weten geen afbeelding van] moet ik zeggen: wanneer dit hier het fysieke organisme is, dan hebben we hier dit fysieke organisme dat doortrokken is van een kracht die het doorvormt, die daarin tot een afsluiting komt bij het wisselen van de tanden en later werkt, wat er in zijn eerdere leven, tijdens de basisschoolleeftijd vrij gekomen is, nu verder in geest en ziel als een omgevormde voorstellingskracht, als omgevormde geheugenkracht enz. Dat betekent dat je innerlijk weet hebt van wat de samenhang is van geest en ziel met het levend-lichamelijke; wanneer je bijv. weet dat dit waarmee je te maken hebt op de basisschool, dat dit net als vrijgekomen warmte, vrijgekomen gevoelskwaliteit is,

während dieses Seelenwesen früher am Leibe beschäftigt war, haben wir es jetzt freigeworden, können es erfüllen mit demjenigen, was eben das Kin nach dem betreffenden Kulturzustand irgendeiner Epoche lernen muß, denn der Kulturzustand kommt ja doch in Betracht.
Da stehen wir vor dem Kinde so, daß wir uns sagen: In diesem Momente, wo du das Kind bekomst, da zieht sich etwas geistigseelisch gewissermaßen heraus aus dem Leiblich-Physischen. Ein Teil der organisierenden Kraft wird geistig-seelisch, hat gewissermaßen noch die Nachformen des physisch-Leiblichen; der ist noch eingewöhnt, in seinem ganzen Bilden das physisch-Leibliche nachzubilden. Du tust dem Kinde nichts Gutes wenn du ihm jetzt etwas ganz Fremdes beibringst, wenn du zum Beispiel ihm jetzt beibringst die Buchstaben-formen, die dem Kinde ganz fremd sind , die schon viele Veränderungen durchgemacht haben on der alten gemalten Schrift.
Deshalb führen wirveinen künstlerisch aufgefaßten Unterricht von der Waldorfschule ein, lehren das Kind nicht einfach schreiben, sondern

dat dit aspect van de ziel  eerder werkte aan het lichaam, dat dit nu is vrijgekomen, dan kunnen we het voeden met wat een kind nu eenmaal in een bepaalde culturele fase moet leren, want we moeten rekening houden met de culturele toestand.

Nu staan we voor het kind en dan moeten we zeggen: op het ogenblik waarop je dit kind in de klas krijgt, komt er op een bepaalde manier iets van de geest en de ziel uit het etherisch-fysieke naar buiten. Een deel van de opbouwende kracht wordt geest, ziel; het neemt nog iets mee van dat vormen van het fysiek-etherische; die kracht on fysiek-etherisch te vormen, draagt het nog met zich mee bij alles wat het vormen wil. Je bewijst het kind helemaal geen dienst wanneer je bijv. het nu de lettervormen aan wil leren die voor het kind totaal vreemd zijn, die al aan vele veranderingen onderhevig zijn geweest vanaf het oude getekende schrift. Daarom beginnen wij op de vrijeschool met een kunstzinnige opvatting van onderwijs, we leren het kind niet simpelweg schrijven, maar

Blz. 78

lehren es zuerst zeichnend Malen, so daß es aus den Formen, wo es den ganzen Menschen in Bewegung bringt, dasjenige herausgestalten muß, was aus dem Zahnwechsel herausgestaltet ist; gewissermaßen in den ganzen Menschen in Gemäßheit seiner Leibesform verlegt wird, wo versucht wird, die Hände, die Finger in solche Bewegung zu bringen, indem sie zeichnen, indem sie malen, daß dasjenige, was in dem Seeli­schen gewebt hat, während das Seelische noch organisierend war, daß das weiter weben kann.

Sehen Sie, wir bedenken dadurch, womit wir es eigentlich zu tun haben. Wir haben es zu tun damit, daß von der Geburt bis zum Zahnwechsel das Kind das Geistig-Seelische, das später herauskommt, noch stark im Leiblichen drinnen hat. Jetzt zieht sich das Geistig-Seelische zurück. Das Leibliche entwickelt sich einseitig. Wir haben mit dem ganzen Leiblichen einen ähnlichen Vorgang wie bei der Mißbil­dung. wo die ganze pflanzenbildende Kraft in das einzelne Organ hineinschießt. Bei der Mißbildung wird es eben, man kann sagen eine Mißbildung; normal, wie man sagt, verläuft es, indem der menschliche Organismus abgesondert wird mit dem Zahnwechsel. Wir haben es richtig zu tun mit dem Zahnwechsel, eigentlich mit dem Beginnen derjenigen Prozesse, die, wenn sie sich einseitig fortentwickeln, zu Krankheitsprozessen werden.

we leren het eerst tekenend schilderen, zodat het uit de vormen die de hele mens in beweging brengen, datgene vorm moeten geven wat vanuit de tandenwisseling gestalte heeft gekregen; in zekere zin krijgt dat een plaats in de totale mens, overeenkomstig zijn lichaamsvorm wanneer daarbij geprobeerd wordt de handen, de vingers die bewegingen te laten uitvoeren wanneer die tekenen, schilderen wat het psychische deed toen dit nog lichamelijk vormend bezig was; dat dit verder kan gaan.
Hierdoor bedenken we waarmee we eigenlijk van doen hebben. We hebben ermee te maken dat vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling bij het kind geest en ziel die later naar buiten komen, nog sterk in het lichamelijke zitten. Nu trekken geest en ziel zich terug. Het lichamelijke ontwikkelt zich eenzijdig. We hebben bij al het lichamelijke eenzelfde proces als bij de afwijkende kracht wanneer heel de plantenvormende kracht in een apart orgaan doorschiet. Bij de misvorming wordt het nu eenmaal een misvorming; normaal zou je zeggen,  verloopt het als het menselijke organisme zich bij de tandenwisseling afzondert. We hebben bij de tandenwisseling, eigenlijk te maken met het begin van processen, die wanneer ze zich eenzijdig verder zouden ontwikkelen, ziekteprocessen zouden worden.

Daher auch die begleitenden Krankheits­prozesse beim Zahnwechsel; die sind nichts anderes als davon herrüh­rend. Man kann ganz genau hineinsehen in den kindlichen Organismus, wenn das Kind den Zahnwechsel hat, wenn da herausgesondert wird dieses Leiblich-Seelische und der Leib sich vereinseitigt, verhärtet, wie da eigentlich dieselben Kräfte, aber in den höheren, normalen Grenzen wirken, die, wenn sie überwuchern, eigentlich in den Krankheitsprozes­sen wirken. Immer sind in den normalen Prozessen diejenigen vorhan­den, die, wenn sie überwuchern, eben ins Kranksein hineinführen. So daß wir sagen: an der Kippe des Krankseins ist der Mensch, wenn er Zähne bekommt, und wir wirken um so gesundender auf das Kind, je mehr wir nun dasjenige, was als Geistig-Seelisches jetzt frei wird – wir nennen es in anthroposophischer Terminologie den ätherischen Leib -, je mehr wir das so beschäftigen, daß die Beschäftigung ganz dem Leiblich-Physischen des Kindes angemessen ist, daß wir gewissermaße

Vandaar ook de bijkomende ziekteprocessen bij het tandenwisselen; die komen niet anders dan daar vandaan. Je kan in het kinderlijke organisme heel precies zien, als het kind zijn tanden aan het wisselen is, dat het levenskrachtenlijf met de ziel losraken en het lichaam eenzijdiger wordt, zich verhardt, hoe daar dezelfde krachten werken, maar nu binnen normale grenzen die, wanneer ze zouden overwoekeren, eigenlijk in ziekteprocessen zouden werken. In de normale processen zitten steeds die processen, als die zouden overwoekeren, leiden tot ziek-zijn. We zeggen dus: de mens bevindt zich aan de kant van ziek-zijn als hij tanden krijgt en wij werken des te gezonder met het kind, hoe meer wij met wat er als geest en ziel nu vrijkomt – wij noemen het in antroposofische woorden het etherlijf – aan het werk gaan, zodanig dat dit bezig-zijn past bij het levend-fysieke van kind, dat wij in zekere zin

Blz. 79

nachbilden in diesem Geistig-Seelischen das Leiblich-Physische. Wir müssen erkennen den zum Kranksein und zum Gesundsein neigenden Leib, denn wir müssen ihn hineinbilden in dasjenige, was da beim Kinde herauskommt.
Betrachten wir das andere Ende des Volksschulalters, die Geschlechts­reife. Wir haben genau den umgekehrten Prozeß. Während sich herauszieht etwas aus dem kindlichen Organismus im Zahnwechsel, während gewissermaßen der Leib abgestoßen wird von dem Geistig-Seelischen, das dann frei wird, haben wir in der Geschlechtsreife das nunmehr entwickelte Geistig-Seelische, das wiederum zurück will in den Leib, das den Leib durchdringt und durchtränkt. In der Geschlechtsreife haben wir eben umgekehrt ein Untertauchen des Geistig-Seelischen in das Leibliche. Der Leib wird von dem instinktiv wirkenden Geistig-Seeli­schen durchtränkt, durchwuchert. Das ist der umgekehrte Prozeß; das ist der Prozeß, der nach der entgegengesetzten Seite des Krankwerdens geht, der nach dem innerlichen Wohisein, nach dem Durchfreudetsein, möchte ich sagen, hintendiert.

in dit geest-zielewezen het levend-lichamelijke navormen. We moeten het lichaam leren kennen in zijn neiging tot ziek en gezond zijn, want wij moeten wat geest en ziel is ontwikkelen bij wat er uit het kind komt.
Als we naar de andere kant van de basisschoolleeftijd kijken, hebben we de geslachtsrijpheid. Dan hebben we precies het omgekeerde proces. Terwijl er bij de tandenwisseling iets wegtrekt, als het lichaam afgestoten wordt uit wat geest en ziel is die dan vrij komen, hebben we bij de geslachtrijpheid dat de ontwikkelde ziel en geest nu weer terug willen naar het lichaam, dat ze het lichaam willen doordringen en doordrenken. Bij de geslachtsrijpheid hebben we het omgekeerde proces; het is het proces dat naar de tegenovergestelde kant van het ziel-zijn gaat, dat naar het innerlijk zich prettig voelen gaat, tendeert naar het vol vreugde zijn.

 Das ist der entgegengesetzte Pol. Und wir haben, indem wir das Kind in dem Volksschulalter erziehen, fortwäh­rend eigentlich in der Hand zu haben diese Gleichgewichtslage zwischen dem, was nach dem Geistig-Seelischen hinstrebt vom Zahnwechsel an, um frei zu werden, was vom Geistig-Seelischen wiederum zurückitrebt in den Körper. Wir müssen fortwährend in diesem Hin und Her, das ja in dem ganzen Volksschulalter da ist, versuchen, den Gleichgewichtszu­stand zu erhalten.
Das wird ganz besonders eine wichtige, eine spannende Aufgabe zwischen dem neunten und zehnten Jahr, wo das Kind dann infolge dieses Gegeneinanderschießens der zwei Kräfte in einem Zustand ist, so daß es tatsächlich nach allen möglichen Richtungen hintendiert, und daß es von dem Erzieher und Lehrer abhängt, ob er vielleicht im richtigen Augenblicke zwischen dem neunten und zehnten Jahr dem Kinde ein richtiger Berater ist, das richtige Wort zu ihm spricht, oder sich auch dessen enthält und so weiter. Es kommt ungeheuer viel darauf an für das ganze Leben, ob der Lehrer sich in richtiger Weise zu dem Kinde zwischen dem neunten und zehnten Jahr zu verhalten weiß.
Aber, sehen Sie, nur wenn man in der richtigen Weise dieses Ineinanderwirken

Dat is de tegengestelde pool. En we moeten, wanneer we het kind in de basisschoolleeftijd opvoeden, eigenlijk voortdurend dit evenwicht tussen wat streeft naar geest en ziel in de hand houden vanaf de tandenwisseling om vrij te laten komen wat vanuit geest en ziel weer terug wil naar het lichaam. We moeten bij dit heen en weer dat er gedurende de hele basisschoolleeftijd is, proberen het evenwicht te bewaren.
Dat wordt tussen het negende en het tiende jaar een spannende opgave, als het kind dan als gevolg van het tegen elkaar botsen van deze twee krachten in een toestand verkeert waarbij het feitelijk alle mogelijke kanten uit zou willen gaan en dat het van de opvoeder en de leerkracht afhangt of deze wellicht op het juiste ogenblik tussen het negende en het tiende jaar voor het kind de goede raadgever is, het juiste tegen hem zegt of hem dat juist onthoudt enz.
Voor het hele leven komt het er buitengewoon op aan of de leerkracht zich op de juiste manier op kan stellen tegenover het kind tussen het negende en het tiende jaar.
Maar alleen wanneer je op de juiste manier dit in elkaar doorwerken

Blz. 80

des Geistig-Seelischen und des Physisch-Leiblichen versteht, versteht man eigentlich erst dasjenige, was das Kind ist und was man in dem Kinde heranzubehandeln hat. Es ist gar nicht möglich, überhaupt über Pädagogik und Didaktik zu sprechen ohne diese auf- und abstei­genden Prozesse, die nur einseitig sind, wenn wir sie geistig-seelisch oder leiblich-physisch nennen, weil sie immer ein Ineinanderfluten der beiden sind; die Realität ist das Ineinanderfluten. Es kann das Kind nur verstan­den werden, wenn man dasjenige, was man als die beiden Seiten erkennt, so wie es zusammengewirkt hat, im Behandeln des Kindes auch als eine Einheit zu gestalten weiß.
Daher, was hat man vom Zahnwechsel an mit dem Kinde zu tun? Man hat dasjenige zu tun, daß man fortdauernd sieht, daß nun wirklich dasjenige, was da frei wird an Geistig-Seelischem, daß das im Sinne des Menschenwachstums sich gestaltet; daß wir gewissermaßen nachbilden dasjenige, was im Organismus heraus will, auch im Geistig-Seelischen, daß wir den Menschen kennen und ihm dasjenige beibringen, was die ganze Harmonie seines Wesens in Regsamkeit bringt. Aus dem Inneren des Menschen haben wir ja alles hervorzuholen.

van geest en ziel en het fysiek-levende begrijpt, begrijp eigenlijk pas wat een kind is en wat je met een kind moet doen. Eigenlijk is het helemaal niet mogelijk om over pedagogiek en didactiek te spreken zonder deze komende en gaande processen die alleen eenzijdig zijn wanneer we ze processen van geest en ziel noemen of van het fysiek-levende, omdat die altijd in elkaar overgaan; de werkelijkheid is dat ze in elkaar doorwerken. Het kind kan alleen begrepen worden, als je die twee kanten kent, hoe die samenwerken, em als je die in de omgang met het kind ook als een eenheid vorm weet te geven.
Dus vandaar de vraag: wat moet je met het kind vanaf de tandenwisseling doen? Je moet voortdurend zien dat wat er daadwerkelijk vrij komt aan geest en ziel, dat dat vormt krijgt voor de groei van de mens; dat we op een bepaalde manier imiteren wat vanuit het organisme naar buiten wil, ook in geest en ziel, dat we daar de mens kennen en hem geven wat de hele harmonie van zijn wezen activeert. We moeten alles vanuit het innerlijk van de mens halen.

Und nähern wir uns dem Geschlechtsreifealter, dann haben wir dasjenige, was der Mensch ist, in dem zu suchen, daß er sein Geistig-­Seelisches untertauchen läßt in den Leib. Er wird unnormal sich entwik­keIn, er wird innerlich ein aufgeregter, ein nervöser oder neurastheni­scher Mensch werden – ich will die anderen Zustände nicht schildern -, wenn wir für dieses Alter nicht die Möglichkeit haben, einzusehen, wie wir dasjenige, was da in seine leiblich-physische Organisation untertaucht, mit Interessen durchsetzen sollen gegenüber der Außenwelt. Wir müssen den Menschen hinlenken darauf, daß er sich für die Außenwelt interessiert, damit er moglichst viel von dem, was ihn mit der Außenwelt verbindet, hinunternimmt in seine Leiblichkeit. Während wir also wis­sen müssen beim Kinde, was da heraus will, wenn es uns übergeben wird für die Volksschule, damit wir es ihm nachbilden, müssen wir Weltener­kenner sein, damit wir wissen, für was der Mensch sich interessieren kann, wenn wir mitgeben wollen dem untertauchenden Geistig-Seeli­schen dasjenige, was den Menschen nicht ins Fleischliche hinein untertauchen läßt, nicht wollüstig in sich selber untergehen läßt, sondern

En als we bij de puberteit komen, moeten we, wat de mens is, daar zoeken waar hij geest en ziel laat onderduiken in zijn lichaam. En dat zal zich niet normaal ontwikkelen, innerlijk zal er onrust ontstaan, hij zal een zenuwachtig of een neurastheen mens worden – ik zal de andere omstandigheden niet schetsen – wanneer wij niet in staat zijn voor deze leeftijd in te zien hoe we wat nu onderduikt in zijn fysiek-levende wezen, te doordrenken met interesse voor de buitenwereld
We moeten de aandacht van de mens op de buitenwereld richten, dat hij zich voor die wereld interesseert, zodat hij zoveel mogelijk van wat hem met de buitenwereld verbindt, opneemt in zijn lichamelijke wezen. Terwijl we moeten weten wat er bij het kind uit wil als hij bij ons in de basisschool komt, zodat wij dat voor hem kunnen imiteren, moeten we kenners van de wereld zijn zodat we weten waarvoor de mens interesse kan hebben, wanneer wij geest en ziel die onder duiken, mee willen geven, wat de mens niet in het vleselijke laat onderduiken, niet wellustig in zichzelf laat ondergaan, maar

Blz. 81

wenn wir ihn zu einem Menschen machen wollen, der mit der Welt mitlebt, der von sich loskommen kann, der nicht im Egoismus aufgeht, der nicht innerlich erglüht vor Egoismus, sondern der ein richtiges harmonisches Verhältnis zur Welt hat.
Das sind die Dinge, die Ihnen zeigen können, wie eine real gedachte, eine aus dem ganzen Menschenwesen heraus gedachte Pädagogik und Didaktik vorgehen muß. Ich konnte Ihnen natürlich diese Dinge nur andeuten.Es ist einem schmerzlich, wenn man, wie ich das neulich wiederum erlebt habe, von solchen Dingen zu heutigen Erziehern oder Pädagogen oftmals spricht, und sie einem sagen: Ja, das ist merkwürdig, da liegen ja zufällig auch medizinische Erkenntnisse vor! – Die liegen natürlich nicht «zufällig» vor, sondern die gehören ganz notwendig ins pädagogische System hinein. Ohne diese ist ein gesundes pädagogisches System überhaupt nicht zu denken, sondern verliert sich in inhaltsleere Abstraktionen, mit denen man dann das Kind behandelnd, nichts anfan­gen kann. Geisteswissenschaft führt nicht in ein nebuloses, mystisches Wolken­kuckucksheim, sondern Geisteswissenschaft führt gerade in die wirkli­che Erkenntnis des realen, des materiellen Lebens hinein, weil den Geist nur derjenige erkennt, der erkennt, wie der Geist an dem Materiellen und im Materiellen schafft.

wanneer we hem tot een mens willen vormen die met de wereld meeleeft, die van zichzelf los kan komen, die niet in zijn egoïsme opgaat, die innerlijk niet gloeit van egoïsme, maar die een echte harmonische relatie heeft met de wereld.
Dat zijn de dingen die kunnen laten zien hoe een echte, een vanuit de hele mens gedachte pedagogiek en didactiek moet werken. Ik kan deze dingen natuurlijk alleen maar aanduiden.
Ik vind het pijnlijk wanneer, zoals ik dat laatst weer meemaakte, daar ik vaak over zulke dingen met de opvoeders of pedagogen van nu spreek, er iemand tegen je zegt: Ja, wel vreemd, het gaat toevallig wel over medische kennis! Dat is natuurlijk niet ‘toevallig’, dat hoort zeer noodzakelijk bij het pedagogische systeem. Zonder is een gezond pedagogisch systeem helemaal niet denkbaar, maar verliest zich in inhoudsloze abstracties, waarmee men dan werkend met jet kind, niets kan beginnen.
Geesteswetenschap leidt niet tot vage, mystieke luchtkastelen, maar brengt je juist bij een echte kennis van het werkelijke, stoffelijke leven, omdat degene die de geest kent, weet hoe de geest met en in het materiële scheppend werkt.

Nicht derjenige, der irgendwie fort will vom Materiellen, erhebt sich ins Geistige, sondern derjenige, der im Geiste die Macht erblickt, wie der Geist im Materiellen schafft. Das ist auch einzig und allein das, was die Grundlage abgeben kann für eine gesunde Pädagogik und Didaktik. Und wenn man nur im einzelnen einsehen würde, wie diese anthroposophische Geisteswissenschaft überall im Realen arbeiten will, wie sie weit, weit entfernt ist von all den ungesun­den Dingen, die heute so vielfach wuchern in allen möglichen Mystizis­men und Spiritismen und so weiter, wenn man einsehen würde, wie wirkliche Geist-Erkenntnis eben Wirklichkeit erkennt, auch zugleich Erkenntnis des Materiellen ist, dann würde man ein gesünderes Urteil über die anthroposophische Geisteswissenschaft gewinnen können. Denn, schließlich, das ist dasjenige, was immer wieder und wieder gesagt werden muß: unsere Naturwissenschaft hat ihre großen Triumphe gefei­ert in der neueren Zeit, sie hat große, bedeutende Ergebnisse für die

Niet wie op de een of andere manier weg wil lopen voor het stoffelijke bereikt het geestelijke, maar wel wie in de geest de kracht ziet. hoe de geest in de stof werkzaam is. Dat alleen kan de basis vormen voor een gezonde pedagogiek en didactiek. En wanneer men nu eens tot in detail zou zien hoe deze antroposofische geesteswetenschap overal in de werkelijkheid werkzaam wil zijn, hoe ze ver, ver af staat van ongezonde zaken, die tegenwoordig zo vaak in alle mogelijke mystieke zaken, in spiritisme enz. woekeren, wanneer men zou inzien hoe een echte kennis van de geest nu juist de werkelijkheid kent, ook tegelijkertijd kennis van de stof betekent, dan zou men een gezonder oordeel over de antroposofische geesteswetenschap kunnen krijgen. Want, uiteindelijk is het zo, wat steeds opnieuw gezegd moet worden, dat onze natuurwetenschap in de moderne tijd haar grote triomfen kon vieren, dat ze grote, belangrijke resultaten voor de

Blz. 82

Menschheitsentwickelung gezüchtet, aber sie ist dasjenige, was eigent­lich so dasteht, wie der Körper des Menschen, ohne Seele betrachtet , dasteht. Wie der Körper des Menschen nur etwas ist mit der Seele, so ist die Naturwissenschaft nur etwas mit der Geisteswissenschaft.
Das läßt sich vielleicht weder einsehen noch kritisieren, wenn man nur einiges aus der Geisteswissenschaft kennt; aber das wird derjenige immer mehr und mehr einsehen, der gerade in die Spezialkapitel der Geisteswis­senschaft sich einläßt. Und speziell auf pädagogisch-didaktischem Gebiete zeigt sich, wie diese Geisteswissenschaft dadurch, daß sie über­haupt zu universellen Begriffen kommt, vor allen Dingen dem Lehrer dasjenige auch in der Erkenntnis des gesunden und kranken Menschen gerade aus ihren Prinzipien heraus geben kann, was er in der Schule braucht. Wie Geisteswissenschaft sonst das Spezialistentum überwindet, so wird sie auch dasjenige, was Erkenntnis vom gesunden und kranken Menschen in der Schule leisten soll, dem Lehrer als solche zurückgeben; denn es könnte doch nur ein äußerliches Zusammenwirken da sein, wenn der Arzt neben dem Lehrer stehen müßte. Gesundes Wirken kann nur da sein, wenn im Lehrer zu gleicher Zeit die lebendige Erkenntnis des gesunden und des kranken Menschen auch in das Pädagogische hineinwirkt.

ontwikkeling van de mensheid opgeleverd heeft, maar het is ook zo dat ze er eigenlijk net zo uitziet als het lichaam van de mens zonder ziel. En zoals het lichaam van de mens alleen iets betekent met de ziel, zo betekent de natuurwetenschap alleen iets met de geesteswetenschap.
Dat kun je wellicht noch inzien, noch bekritiseren wanneer je slechts een paar dingen uit de geesteswetenschap kent; maar iemand zal dat steeds meer gaan inzien die zich m.n. met de bijzondere hoofdstukken uit de geesteswetenschap bezighoudt. En in het bijzonder op pedagogisch-didactisch terrein is het zichtbaar hoe deze geesteswetenschap doordat deze tot universele begrippen komt, vooral voor de de leerkracht juist ook bij de kennis van de gezonde en zieke mens vanuit haar standpunten kan geven, wat hij op school nodig heeft. Zoals geesteswetenschap aan de ene kant het specialisme overwint, zo zal zij aan de andere kant wat de kennis van de gezonde en zieke mens op school kan betekenen, aan de leraar geven; want het zou toch een uiterlijke samenwerking zijn, wanneer de arts naast de leerkracht zou moeten staan. Het werk kan alleen gezond zijn wanneer in de leerkracht tegelijkertijd de levende kennis van de gezonde en zieke mens juist in het pedagogische doorwerkt.

 Das kann aber allerdings nur dann wirken, wenn eine lebendige Wissenschaft, wie sie durch Anthroposophie angestrebt wird, auch vom gesunden und kranken Menschen da ist.
Wie oft habe ich betont, anthroposophische Geisteswissenschaft geht in den ganzen, in den vollen Menschen über; der ganze Mensch bekommt ein Verhältnis zu dem, was ihm ein einzelner Wissenszweig der Geisteswissenschaft sagt. Und indem der Lehrer in lebendiger Weise eingeführt wird in das gesunde und kranke Wachstum des Kindes und in das Harmonisieren der beiden, so bekommt er einen innigen Gefühlsanteil. Jeder steht dann jedem einzelnen Kinde mit seinen besonderen Veranlagungen wie ein ganzer Mensch auch gegenüber. Lehrt er dem Kinde dasjenige, was aus dem Künstlerischen heraus zum Schreiben führt, so führt er allerdings das Kind zu einer Einseitigkeit, die einer Mißbildung sehr ähnlich wird: aber dann steht er wiederum als der ganze Mensch da, der mit dem ganzen Kinde fühlt, und er ist selbst als die lebendige Pädagogik die Gegenwirkung gegen diese Einseitigkeit.

Het kan echter alleen dan werken, wanneer er ook een levende wetenschap waar de antroposofie naar streeft, over de gezonde en zieke mens is.
Hoe vaak heb ik niet benadrukt dat de antroposofische geesteswetenschap een deel wordt van de hele mens; de hele mens krijgt een verbinding met wat de aparte onderdelen van de geesteswetenschap zeggen. En wanneer de leerkracht op een levendige manier ingeleid wordt tot de gezonde en ongezonde groei van het kind en bij het harmoniseren van beide, dan raakt hij daar zeer bij betrokken. Ieder ziet dan ieder kind met zijn bijzondere aanleg als een totaal mens tegenover zich. Geeft hij het kind wat vanuit het kunstzinnige tot schrijven wordt, dan brengt hij het kind toch tot een eenzijdigheid die gaat lijken op een afwijking: maar dan staat hij daar weer als volledig mens die met heel het kind meevoelt en hij zelf als de levende pedagogiek de tegenkracht is voor deze eenzijdigheid.

Blz. 83

Meine sehr verehrten Anwesenden, wenn ich das Kind zu einer Einseitigkeit im Lesen bringen muß, indem ich als ein Mensch, der mit allem, was an den Menschen herantritt, ein lebendiges Verhältnis habe, wirke ich in der Einseitigkeit so, daß ich das Kind, indem ich es nach der Einseitigkeit hinführe, zugleich wiederum harmonisiere im Ganzen. Immer muß der Lehrer, der als Ganzes wirkt, neben dem dastehen, was er im einzelnen am Kinde zu verrichten hat. Beides muß immer dastehen in der Pädagogik; auf der einen Seite das einzelne Unterrichtsziel, auf der anderen Seite die tausend Imponderabilien. die intim von Mensch zu Mensch wirken. Indem der Lehrer durchdrungen ist von Menschener-kenntnis und Welterkenntnis und diese lebendig in ihm werden und er so dem Kinde gegenübersteht. dann ist es geradeso wie bei der Pflanze:
wie da die Gesamtbildungskraft ins einzelne Organ schießt und in der richtigen Weise wieder zurückgeht, um in das andere Organ zu schießen, so hält der Lehrer diese Gesamtheit, diese Gesamtkraft, diese Totalkraft in seinem ganzen Wesen und führt das Kind von Stufe zu Stufe. Zu solcher Führung kann aber die anthroposophische Geisteswissen­schaft anregen, denn sie ist einmal für alle Zweige des menschlichen Lebens dasjenige. was sich zu der äußeren Naturwissenschaft verhält, wie die Seele sich zu dem Leibe verhält. Und wie in einem gesunden Leib nach einem alten Spruch eine gesunde Seele zu finden ist, so ist auch in einer gesunden Naturwissenschaft und durch eine gesunde Naturwissen­schaft eine gesunde Geisteswissenschaft, eine gesunde Anthroposophie zu finden.

Zeer geachte aanwezigen, wanneer ik het kind in het lezen een eenzijdigheid mee moet geven, wanneer ik als een mens die met alles wat de mens zo tegenkomt, in een levende verbinding sta, zwerk ik in die eenzijdigheid zodanig dat ik het kind als ik het tot een eenzijdigheid breng, tegelijkertijd weer tot een geheel harmoniseer. Steeds moet de leerkracht die als een totaliteit werkt, naast datgene staan wat hij in detail met het kind moet doen. Die twee moeten in de pedagogiek steeds aanwezig zijn; aan de ene kant het aparte onderwijsdoel, aan de andere kant die duizend onweegbare dingen die fijntjes van mens tot mens werken. Als de leerkracht doordrongen is met de menskunde, mensenkennis en wereldkennis en deze levend in hem worden en hij dan zo voor het kind staat, dan is net zoals bij de plant: zoals daar de kracht die het geheel vormt in het aparte orgaan schiet en op de juiste manier weer teruggaat, om in het andere orgaan te schieten, zo bewaart de leraar dit geheel,  deze totaalkracht in zijn hele  wezen en leidt het kind van fase naar fase.
De antroposofische geesteswetenschap kan nu juist zo’n begeleiding stimuleren, want voor alle takken van het menselijk leven is zij nu eenmaal wat zich zo tot de natuurwetenschap verhoudt, als de ziel tot het lichaam. En zoals in een gezond lichaam, volgens een oude spreuk, een gezonde ziel te vinden is, zo is ook in een gezonde natuurwetenschap en door een gezonde natuurwetenschap een gezonde geesteswetenschap, een gezonde antroposofie te vinden.

GA 304 (Duits)

Steineralle pedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2531-2372

.

.

.

 

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 2

.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave; voordracht [1] [3] [4] [5] [6] [7]  [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording
bij de 3e voordracht.

ERZIEHUNGS- UND UNTERRICHTSMETHODEN AUF ANTHROPOSOFISCHER GRUNDLAGE

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN VANUIT DE ANTROPOSOFIE

Voordracht 2, Den Haag 27 februari 1921

Erziehungs-, Unterrichts- und praktische Lebensfragen vom Gesichtspunkte anthroposophischer Geisteswissenschaft

Een antroposofische kijk op opvoeding, onderwijs en het praktische leven 

Deze voordracht is vertaald:

Wat is de betekenis van de antroposofie? Dat zij de mens de weg tot inzicht in hogere werelden wijzen kan? Zeker. Maar daar kan het niet bij blijven.
De antroposofie biedt ook inzicht in de vraagstukken van het dagelijkse, praktische leven. Want dáár wil de antroposofie tot bloei komen: in de grote vragen waarvoor de moderne mens zich gesteld ziet. Niet voor niets richtte Rudolf Steiner zich ook op thema’s als onderwijs, landbouw, geneeskunde, economie.
In de twee voordrachten in deze bundel laat hij zien hoe en waarom de antroposofie opgenomen kan en wil worden in de werkelijkheid van het leven.
Ze werden in 1921 in Den Haag gehouden.

Vertaling: Bernard Asselbergs, John Hogervorst en Michiel Scager.
Uitgeverij Nearchus

.

Steineralle pedagogische voordrachten

Steineralle artikelen op deze blog

.

2530-2371

.

.

.