Van oudsher heeft de omgang met de vier elementen aarde, water, lucht en vuur behoord tot wetenschappelijke onderzoekingen en gestimuleerd tot kunstzinnige activiteiten. In vier beschouwingen deelt Peer de Smit de elementen in volgens de jaargetijden. In deze eerste bijdrage staat het water als element van de lente, centraal.
Aan alle kanten hangt ons leven samen met water. Water hebben wij om te drinken, om te wassen; er is water om schoon te maken en water om in te baden. Er bestaat bluswater, koelwater, waterkracht, geneeskrachtig water, doopwater en reinigend water. Wij leven van water en kunnen echt leven dankzij het vloeibare element dat ons omgeeft en door ons heen stroomt.
Desondanks is het wezen van het water buiten onze horizon komen te liggen. Wij hebben het in huis gehaald en ons verwijderd van de plaatsen die in verbinding staan met de oorsprong van het water. Beken en rivieren nemen de giftige lozingen van onze steden en industrieën met zich mee. Het grondwater is besmet. De wereldzeeën sterven. Een stof die meer dan duizenden jaren het ideaalbeeld van reinheid belichaamde, moet nu zelf worden gereinigd. Ons leven op aarde is ten nauwste verweven met het zuiver houden van het water. Wanneer zuiverheid meer is dan de vraag naar de chemische samenstelling, zal in de komende jaren veel afhangen van het feit of het ons lukt ons eigen wezen opnieuw met het wezen van het water te verbinden en aan zijn eigen dromende wijsheid zelf de genezende maatregelen af te lezen.
Het waterputten, de inspiratie en het bezielende woord hebben altijd een eenheid gevormd. De waterput in het centrum of voor de poorten van een dorp was bij uitstek een bron van het leven. Als werkplaats van goede geesten werd deze in ere gehouden. Met het water vloeide er uit de oergrond van de aarde wijsheid binnen in een sociale gemeenschap. Aan de bron werd beraadslaagd en recht gesproken. Hier kwam men met elkaar in gesprek en trof men elkaar. Een plaats van ontmoeting en uitwisseling, waar de eigenschappen van het water direct overgingen op de mensen. Een klaterende bron maakte de tongen los en stimuleerde de fantasie. De Kastalische bron in Delphi verloste het dichterlijke woord. Stromend water en ritmisch gesproken woord, ontvangend bekken en opnemend oor werden beleefd als bij elkaar horende organen, waaraan een gemeenschappelijk vormingsprincipe ten grondslag ligt. Maar ook de kalmerende en krampstillende werking behoorde tot de goede eigenschappen van het water, die men binnen de invloedssfeer van klaterende fonteinen waardeerde en die men tegenwoordig nog in grote steden kan ervaren. Al het leven komt voort uit het water en al het leven wordt door het water behouden. Zonder water is er geen groei, geen wording, geen verandering. Het menselijk lichaam verdicht zich vanuit het vloeibare element. Een embryo bestaat in de eerste drie maanden van de zwangerschap voor 97% uit vloeistof en zelfs het lichaam van een volwassene bestaat nog voor tweederde hieruit. De totale evolutie en elke organische vorming stemmen overeen met het geschapen zijn uit het water. De woorden schepper, scheppen en schepsel verwijzen naar het ontstaan van de wereld uit het water, door de geest die de vormbare substantie van de vloeistof vastgrijpt. Met een gelijkenis verklaart Goethe dit in zijn West-Östlicher Divan:
“Schöpft des Dichters reine Hand, Wasser wird sich ballen”.
Zo staat het water ook in een bijzondere relatie met de nieuwe geboorte van de vegetatie in de lente. Doorwarmd water verlost de natuur uit haar winterse verstarring, brengt bloemen en bladeren tevoorschijn, laat kruiden en grassen ontspruiten. Datgene wat door de winter tot sneeuw en ijs werd samengetrokken, doordringt nu de aarde en de atmosfeer die hierdoor tot leven worden gebracht, en opent zich veelkleurig in bloemen. Voorjaarsriten en -gebruiken herinneren aan de reinigende en vernieuwende kracht van het lentewater dat afzettingen en verhardingen van het oude jaar wegspoelt.
Water is steeds onderweg en is in een voortdurende toestand van verandering. Het vloeit van de bronnen naar de zee. Het circuleert tussen hemel en aarde. Het bemiddelt tussen de lichtkrachten van de zon en de zwaartekrachten van de aarde. Verdampend onttrekt het zich aan onze blik en wordt weer zichtbaar in de vorm van nevel. Water stijgt met de lucht de hoogte in, beweegt zich rijk aan veranderingen door de wereld van de wolken en keert naar de aarde terug als dauw, regen, sneeuw en hagel. Water is kleurloos en neemt elke kleur aan; het is vormloos en past zich aan elke vorm aan; het is zacht en holt toch de hardste steen uit. Waar water invloed heeft, ontstaan ronde vormen. Er is geen beek die rechtuit stroomt. Of het nu om een dauwdruppel gaat of om de met water bedekte aarde, de sferische of bolvormige signatuur van de kosmos lijkt in dit element te zijn gegrift. De grote kringloop van het water komt overeen met de kringloop van de menselijke lichaamsvloeistoffen. Er is een voortdurende uitwisseling tussen het water in ons lichaam en het water buiten ons. Drie tot zeven liter gaat dagelijks door ons organisme heen en sluit fysiologisch aan bij de grote kringloop van het water. De verhouding van vloeistof en vaste stof in ons lichaam komt ongeveer overeen met de oppervlakteverdeling tussen het vaste land en de zee op aarde. En het percentage zout in de zee komt overeen met de hoeveelheid zout die in het menselijk bloed terecht komt. Er bestaat geen voedsel, dat ons lichaam zonder water zou kunnen opnemen.
De cultuurgeschiedenis van het water openbaart een polair principe. Water is het alom levenschenkende element, maar het kan ook de dood betekenen. Lag in de oudheid de waterstand van de Beneden-Egyptische Nijl op 8 meter, dan was deze rivier een bron van levenszekerheid; wanneer de stand anderhalve meter hoger was, betekende dat verwoesting. Zo ver als wij kunnen terugdenken hebben overstromingen steeds weer de grondslag van het menselijk leven verstoord en talrijke slachtoffers geëist. “Het water is het beste” heeft de Griekse dichter Pindarus twee en een half duizend jaar geleden een overwinnaar bij de Olympische Spelen toegeroepen. In de “Tovenaarsleerling” uit de gelijknamige ballade van Goethe, toont het losgeslagen element zich juist van een andere kant. Overvloed vraagt om begrenzing: water heeft, net als de andere elementen, de juiste maat nodig, moet door vorm binnen de perken worden gehouden.
Het heeft de scheppende hand nodig waar het gaat om de werking voor het welzijn van de mensen en het gedijen van het leven. “Alleen dichters moeten met het vloeibare omgaan”, heeft Novalis geschreven. Dat is een appel aan de scheppende geest van de mens. Van hem en zijn invloed zal de toekomst van het water en de natuurrijken net zo afhangen als de toekomst van de menselijke ontwikkeling op aarde.
.
*Peer de Smit: geboren in 1953 in Mannheim. Schipper op de Rijn tussen Basel en de Noordzee. Toneelopleiding in Zürich. Hoofdzakelijk geëngageerd bij het ’ ’Schauspieihaus” in Zürich. Thans [artikel uit 1991] in de omgeving van Stuttgart actief als schrijver en toneelspeler.
Dieuwkje Hesselsholkamp, via Facebookgroep vrijeschool, juni 2022
.
het sint-jansfeest en de zomerzonnewende
.
Ik ben de moeder zon en draag de aarde bij nacht, de aarde bij dag. Ik houd haar vast en schenk haar licht, dat alles op haar groeien kan. Steen en plant, mens en dier, alles ontvangt zijn licht van hier. Doe open je hart als een beker klein, laat mijn licht ook daarbinnen zijn. Doe open je hartje, mijn kindekein, dat wij tezamen één licht mogen zijn. Ik ben de moeder zon.
Christian Morgenstern
Het Sint-Jansfeest en de zomerzonnewende
De zomerzonnewende wordt steeds vaker weer gevierd en daarom wil ik je hier iets meer over vertellen. Op 24 juni wordt onder andere op de vrijeschool het Sint-Jansfeest gevierd. De geboortedag van Johannes de Doper wordt herdacht. Van andere heiligen wordt de sterfdag gevierd, maar niet van Johannes. Zijn geboortedag valt net na de zomerzonnewende (21 juni), maar dat is niet altijd zo geweest. Voor de invoering van de Gregoriaanse kalender vielen die dagen samen. Johannes was een man die dicht bij de natuur leefde en een zeer groot/hoog geestelijk wezen was. Hij was de wegbereider van Christus. Hij doopte Christus in de Jordaan, terwijl een duif neerdaalde op Zijn hoofd. Het was het begin van de drie jaren dat Christus preekte en genas. Johannes sprak de legendarische woorden: ‘Ik moet afnemen, Hij moet groeien.’ Daarin geeft hij zowel het geestelijke aspect weer (zijn geest en invloed werden kleiner), als het proces dat zich in de natuur laat zien. Eigenlijk is het Sint-Jansfeest een samensmelting van het oude Germaanse midzomerfeest met de christelijke heiligendag. Het Sint-Jansfeest staat tegenover het kerstfeest, waarbij we de geboorte van Christus en de winterzonnewende vieren. Bij het oude Germaanse feest op 21 juni – de langste dag- werden vuren ontstoken ter zuivering en braken er magische krachten los. Men verzamelde geneeskrachtige kruiden voor het komend jaar. In spiritueel opzicht werd het zware aardse verheven zodat de ziel met zijn vleugels naar de zon (zonnegeest) kon vliegen (en in extase kon raken). Rond de zomerzonnewende is de atmosfeer van de aarde groter. De mensen en vooral de druïden ervoeren dat het geestelijke dichterbij was. Letterlijk door in contact te komen met die geesten en het hogere, maar ook via de (extra) krachtige werking op dat moment van dromen en de geneeskrachtige kruiden. De feesten waren een uitdrukking van het extatische buiten zichzelf raken van de menselijke ziel in de zomer. Maar het gebeurde allemaal in een ‘dromerige’ sfeer. De mens was toen namelijk nog niet wakker. In deze tijd zijn de mensen en kinderen erg wakker en verbonden met de aarde, maar wij kunnen nog wel iets merken van die extatische zomersfeer. Het vuur kan ons doen inspireren en ontvlammen. Als dat met bewustzijn gebeurt, kunnen we als mens groeien, maar als dat zonder bewustzijn gebeurt, kunnen er letterlijke en figuurlijke branden ontstaan. Dat laatste zagen we bij het uitbreken van WO I en ook bij zomerse schietpartijen. Positief kunnen wij nieuwe krachten opdoen, geïnspireerd en zelfs buiten onszelf raken. Wij reizen en verlaten daarmee letterlijk ons huis en zijn in de zomer veel buiten. We zijn wat soezerig van de warmte, dromerig en zijn daardoor figuurlijk uit ons huis (lichaam). Dat is niet helemaal de bedoeling. Geniet van de zomer, maar blijf wakker en bij jezelf. Zeg ook tegen de uitgelaten of dromerige kinderen: ‘Pas op!’ (Bijvoorbeeld buiten op straat), want ze letten zelf niet op. De zon is steeds hoger geklommen aan de hemel en alles in de natuur heeft zijn hoogtepunt bereikt. Letterlijk doordat de planten vaak niet hoger worden en ook de bloemenpracht is nu op zijn mooist. Na 21 juni worden de dagen weer korter en de nachten langer. Het zomerhoogtepunt is ook een ommekeer en dat is in de natuur waar te nemen; de bloei en groei neemt af en de vruchten beginnen te rijpen. Grassen en granen worden geel. Er is een oud gezegde dat luidt: ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om.’ Dit geeft die langzame verandering in de natuur weer. Rond de zonnewende bloeit ook het gele en genezende sint-janskruid. Dat wonden geneest en als supplement helpt bij (milde) depressieve klachten en slapeloosheid, maar het kan niet altijd ingezet worden (even check voor gebruik dus)! Het Sint-Jansfeest is op de vrijeschool een laatste uitspatting voor de zomervakantie begint. Het is een buitenfeest met zang, muziek, volksdansen, spelletjes, bloemenkransen, vuurspringen en een picknick (met drie in de pan en vlierbloesemsiroop). Op de vrijescholen wordt er vanaf de eerste klas over het vuur gesprongen, niet alleen omdat het kind hier jaren naar uitkeek en het spannend, nu pas verantwoord en leuk is, maar ook om in de warmte van het vuur opgetild en geïnspireerd te worden. Voor de volwassen zijn de jaarfeesten ook een mogelijkheid om te groeien. Dit feest is er een van innerlijke groei: Verbinden met het geestelijke zonder jezelf te verliezen. De vrucht, die zich vormt, vasthouden zodat je in de herfst – als je weer tot en in jezelf gekomen bent- kunt oogsten. – http://www.antroposofiekind.nl
Sint-Jan, die komt er an!
23 juni 2015 Jaarfeesten [Naomi Rowaan : Antroposofisch leven.]
Het jaarfeest van Sint-Jan Sint-Jan wordt gevierd op 24 juni; het valt samen met de zomerzonnewende en het is het laatste jaarfeest dat op vrijescholen gevierd wordt voor de zomervakantie begint. Maar wie was Sint-Jan, en waarom vieren we dit feest? Dit stuk gaat in op de eeuwenoude geschiedenis en de gebruiken van Sint-Jan.
Oogst en blijdschap
Sint-Jan is op de vrijescholen een van de uitbundigste jaarfeesten. Kinderen dragen veelal wit of wit met rode kleding*, en dossen zich uit met grote gevlochten kransen gemaakt van veldbloemen. Alle planten en bloemen om ons heen zijn in bloei, de bomen zijn groen en vol, de dieren hebben jongen. Overal om ons heen in de natuur zien we geluk en overvloed. Dit herinnert ons eraan dat eind juni een begin gemaakt wordt met de oogst. Wij hebben nu kassen en kunnen ons voedsel importeren, maar vroeger waren de mensen afhankelijk van hun oogst en waren ze blij als de oogsttijd weer aanbrak.
Zomerzonnewende en heidense gebruiken
Midzomernacht, omstreeks 21 juni, is het keerpunt van het licht, de zomerzonnewende. De dagen worden vanaf deze dag weer korter en de nachten langer. De oude, voorchristelijke natuurreligies, die veel aandacht hadden voor de werelden naast de onze, beschouwden dit moment in het jaar als bijzonder. Contact met de wereld van de natuurwezens en die van de overledenen werd even wat gemakkelijker; de sluier tussen onze wereld en de andere werd veel dunner. Door middel van rituelen legde men contact en vroeg om hulp. De keerzijde was dat er ook meer bescherming gevraagd moest worden omdat ook kwade wezens dichterbij konden komen. De paganisten en heksen van nu vieren midzomer of Litha vandaag de dag nog steeds, gebaseerd op deze oude gebruiken.
Van heidens naar christelijk feest
Toen het christendom begon te overheersen, werden de al bestaande jaarfeesten omgevormd naar christelijke feesten, zoals we ze vandaag de dag nog grotendeels kennen. De oude kern is soms voor een deel bewaard gebleven. Voor 24 juni geldt dat deze datum binnen het christendom wordt beschouwd als de geboortedag van Johannes de Doper. Johannes de Doper werd een half jaar eerder geboren dan Jezus, en hij bereidde de mensen voor op de komst van Christus. Hij doopte de mensen tot christen in de rivier de Jordaan. Johannes de Doper gaf de mensen als boodschap mee dat zij niet altijd zorgeloos konden genieten, maar dat er nu een tijd zou komen van het naar binnen kijken.
Sint Jan en de antroposofie
Het Sint-Jan van nu is vanuit antroposofisch oogpunt een vrolijk en uitbundig feest, een feest van samenzijn met elkaar. De diepere vertaling van het Sint-Jansfeest van nu gaat ook over de intuïtieve mens, harmonie in de wereld om ons heen en tussen de mensen. Het ervaren van eenheid tussen onszelf en de elementen, de aarde… wij stammen allemaal uit dezelfde goddelijke oorsprong.
Sint-Jansfeest [komt van: http://www.beleven.org] Datum: vrijdag 24 juni 2022 Land/ gebied: Wereld (Christenen) Soort: Folkloristisch (Heiligendag) Religie: Christendom (Rooms-Katholicisme) Midzomerfeest/ Sint-Jan. Jaarlijks op 24 juni. Op deze dag herdenkt men de geboortedag van Johannes de Doper, de profeet die Jezus in de rivier de Jordaan doopte. Deze dag valt samen met het Midzomerfeest dat van oudsher op veel plaatsen in Europa wordt gevierd. Op de avond van Sint-Jan kwamen vroeger buurtgenoten bij elkaar en maakten met zijn allen een groot vuur. Men zong en danste en de moedigsten sprongen over het vuur heen. Als een jongen en een meisje hand in hand over het vuur sprongen, was hun band voor eeuwig verzegeld.
Geboorte van de heilige Johannes
Feest dat met name in Orthodoxe (Katholieke) landen een zeer oude traditie kent, die teruggaat naar nog veel oudere zonnewendefeesten en -rituelen.
Sint-Jansfeest/ Midzomerfeest
Met Sint-Jan was het voor vrouwen mogelijk een vrijer te vinden. In de zeventiende eeuw was het gebruikelijk bloemen aan de huizen te hangen of boven de straat en ’s avonds feest te vieren met elkaar. Jongens en meisjes trokken gearmd door het dorp of de buurt. Volgens een ooggetuige uit 1606 werd er gedanst en zong men ‘ijdelicke liedekens’. Wist de vrouw een man te strikken dan werd deze ‘mijn Sint-Jan’ genoemd. Bredero dichtte over dit feest en liet Bouwen Langhlijf vertellen over zijn ontmoeting met Sinnelijcke Nel van Gooswegen:
So haest als zij mijn sach, So stong ick huer wel an Want sij riep, int volle seltscip: Dit is mijn eyghen Sint-Jan
In Nederland wordt het Jansvuur nog ontstoken in verschillende dorpen. Met name op vrijescholen neemt het Jansfeest een belangrijke plaats in bij het stilstaan bij de jaarcyclus. De kinderen dragen dan een krans van gras met daarin bloemen gestoken. Bij sommige scholen wordt ook een vuur ontstoken waar de kinderen uit de hoogste klassen overheen springen. Van Sint-Jan wordt, net als bij Maria, de geboortedag herdacht en niet het sterven. Sint-Jan wordt dan ook gezien als het begin van een nieuwe periode in het jaar. Ook de natuur verandert. ‘Met Sint-Jan draait het blad zich om’ is het gezegde. Sint-Jan markeert een overgangsperiode. Het sterven van Johannes de Doper wordt jaarlijks door de kerk herdacht op 29 augustus. Johannes de Doper is patroon van: wevers, kleermakers, schilders, leerlooiers, timmerlieden, smidse, kuipers, schoorsteenvegers, herbergiers, bontwerkers, wijnbouwers, architecten, drankbestrijders, bioscoopbezitters, herders, dansers, muzikanten, zangers, huisdieren, schapen, lammeren, vasten, Karmelieten, Maltezer ridderorde. Johannes de Doper is patroon tegen: hoofdpijn, schorheid, duizeligheid, epilepsie, kinderziekten, angst, hagel.
De datum van Midzomer
Volgens de Juliaanse kalender viel het zomersolstitium, de langste dag van het jaar, op 24 juni, net als later het christelijke Sint-Jansfeest. Hoewel het solstitium in de loop der eeuwen steeds verder van deze datum ging afwijken, bleef 24 juni aan dit feest gekoppeld. Pas bij de invoering van de Gregoriaanse kalender, in grote delen van Nederland niet eerder dan 1700, werd het zomersolstitium op 21 juni vastgesteld. Tegen die tijd was het Midzomerfeest al zo ingekapseld in het Sint-Jansfeest dat het begrip Midzomer nog steeds wordt verbonden met 24 juni. Het Woordenboek der Nederlandsche taal geeft als omschrijving van Midzomer: ‘Het midden van den zomer, de langste dag, ook wel 24 Juni, St-Jan Baptist.’ In het Engels wordt onderscheid gemaakt tussen midsummer, waarmee meestal het zomersolstitium, 21 of 22 juni, wordt aangeduid, en Midsummer Day, waarmee nog steeds uitsluitend 24 juni wordt bedoeld. Als tweede betekenis van midsummer geeft de Oxford English Dictionary: ‘midsummer = Midsummer Day, June 24th’. Midsummer Day was vanouds in Engeland en Ierland een van de quarter-days, waarmee het jaar in vieren werd gedeeld, naast Lady Day (25 maart), Michaelmas (29 september) en Christmas (25 december). De Gregoriaanse kalender werd, zoals gezegd, pas in 1752 ingevoerd in Engeland en de Engelse koloniën en pas vanaf dat moment was 21 juni ook daar de langste dag, maar de Midzomerviering bleef gekoppeld aan de oude datum. Strikt genomen kan Midzomer het beste op 21 of 22 juni gevierd worden, maar voor het zoeken naar volksgebruiken rond deze viering moeten we ons richten op 23 juni (Sint-Jansavond), de nacht van 23 op 24 juni (Sint-Jansnacht) en 24 juni (Sint-Jansdag). Soms wordt Midzomer gevierd op een vaste weekdag in de buurt van 24 juni. In Finland en Zweden is dit bijvoorbeeld de zaterdag tussen 20 en 26 juni (Midsommardagen).
Een feestdag in Andorra, Canada, Litouwen Sint-Jan: een nacht vol toverkracht 17 juni 2020 Over het vuur springen, hoe cool is dat? Voor veel kinderen (en ook volwassenen) is het het hoogtepunt van het Sint-Jansfeest. Je koopt er een jaar gezondheid en geluk mee, wordt gezegd. En jonge paartjes die er met z’n tweeën overheen springen hopen samen een gelukkig leven te leiden. Op 24 juni is het weer zover, dan vieren vrijescholen hun eigen midzomerfeest. Een traditie in veel Europese landen, waaronder Zuid-Engeland, Scandinavië en ook veel Slavische landen, maar minder bekend in Nederland. Tekst: Tineke Croese
Midzomerfeesten, we vieren ze in de lichtste tijd van het jaar, als de dagen lang zijn en de korte nachten niet echt donker lijken te worden. Bij het vuur vlechten kinderen bloemenkransen, er wordt muziek gemaakt, gedanst en gepicknickt. Soms verbranden mensen een als heks uitgedoste stropop: zij neemt alle narigheid van het voorbije jaar mee in het vuur. En wie durft, springt over het vuur en koopt op die manier een jaar gezondheid en geluk voor zichzelf. De korte, lichte nachten van Sint-Jan hebben iets geheimzinnigs. Volgens het volksgeloof kunnen mensen in deze nachten de taal van de dieren verstaan en bezitten sommige planten grote magische kracht. Die kun je bijvoorbeeld gebruiken om je van de trouw van je geliefde te verzekeren. Niet alleen de mensen blijven in deze nacht wakker tot de zon opgaat, ook het ‘kleine volkje’ is op pad. Misschien is het ook door hun toedoen dat de nacht van Sint-Jan vol toverkracht is. Als de elfen je gunstig gezind zijn, wijzen ze je de weg naar verborgen schatten. Maar vaker zijn deze plagerige natuurgeesten geneigd om mensen voor de gek te houden, zoals Shakespeare in zijn Midzomernachtsdroom laat zien.
Licht
De midzomerfeesten die op 21 juni gevierd worden, stammen al uit de voorchristelijke tijd. Het Sint-Jansfeest van 24 juni was eigenlijk bedoeld als de christelijke
voortzetting ervan, maar er veranderde in de praktijk zo weinig dat de vroegere midzomerfeesten er zonder problemen naast bleven bestaan. Sint-Jansfeest, midzomerfeest – het lijkt niet echt uit te maken. De gebruiken zijn hetzelfde. Het is geen toeval dat de Kerk ervoor koos om Kerstmis en Sint-Jan kort na het midwinterfeest van 21 december en het midzomerfeest van 21 juni te vieren. De nieuwe christelijke feesten werden gebracht als een voortzetting en vernieuwing van de oude voorchristelijke feesten. Tijdens de midwinterzonnewende bereikt de zon het laagste punt aan de hemel. Het is de donkerste tijd van het jaar. Vroeger wachtten de mensen elk jaar weer in spanning af of het licht wel terug zou keren. Via rituelen probeerden ze die terugkeer te bewerkstelligen. Met Kerstmis, het geboortefeest van Jezus, vieren we de geboorte van het licht op aarde. Het wordt daarom kort ná de kortste dag gevierd, als de zon het diepste punt al voorbij is. Bij de midzomerzonnewende bereikt de zon het hoogste punt aan de hemel. Het is de lichtste tijd van het jaar. Maar kort daarna volgt een dramatische ommekeer: de zon begint weer te dalen en verliest zijn lichtkracht. Dat merken we niet direct, maar toch neemt het licht langzaam weer af en worden de dagen korter. Op 24 juni is het volgens de kerkelijke heiligenkalender de geboortedag van Johannes de Doper. Hij doopte Christus in de Jordaan en verkondigde zijn volgelingen dat hijzelf – Johannes – minder krachtig moest worden, terwijl Christus moest groeien. Om die reden kreeg het feest van Sint-Jan de Doper een plaats op 24 juni, als de zon al ‘minder wordt’, in kracht begint af te nemen. De zon laat rond midzomer zien waar Johannes op wees: alles wat voorchristelijk is, tot en met Johannes zelf – de laatste voorchristelijke profeet – is als die uiterlijke zon wiens luister en grootheid na 21 juni minder worden. Johannes de Doper sluit de voorchristelijke tijd af, maar als ‘engel van de Heer’ was hij ook de wegbereider van Christus die aan het begin van een nieuwe tijd verschijnt.
Van oud naar nieuw
Johannes de Doper riep op tot inkeer. Hij riep op om het oude los te laten en een andere innerlijke houding aan te nemen. Dat maakte hem tot een eenling, een roepende in de woestijn. Mensen hadden ontzag voor hem, maar ze vonden het te moeilijk om hem te volgen. Dat zien we ook bij het Sint-Jansfeest. Terwijl Kerstmis wel de vernieuwing van het midwinterfeest werd, bracht het Sint-Jansfeest die vernieuwing niet voor het midzomerfeest. Eigenlijk is dat wel te begrijpen: iedereen verheugt zich op de komst van het licht, iedereen wil het donker graag achter zich laten. Wat het Sint-Jansfeest vraagt is veel moeilijker: afstand doen van het licht, van het bekende, van wat vanzelfsprekend en vertrouwd is. En jezelf in plaats daarvan openstellen voor het nieuwe en onbekende. Net als de kersttijd is de Sint-Janstijd een tijd van ‘oud en nieuw’, van terugkijken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst. In de kersttijd houd je dat klein: je reflecteert op jezelf, je maakt goede voornemens om iets in je persoonlijk leven aan te pakken. In de Sint-Janstijd kijk je terug op een groter geheel, op de samenleving of op je eigen sociale omgeving. Moet daar iets worden aangepakt? In het verleden was het nog mogelijk om veel meer vanuit vaste sociale patronen en rollen te handelen, tegenwoordig moeten we een situatie vaker zelf beoordelen en een eigen aanpak bedenken. Oude tradities en door de groep bepaalde normen verdwijnen in hoog tempo. We zijn aangewezen op ons eigen inzicht en oordeel en het vertrouwen daarin moet nog groeien.
Vrolijk
Het Sint-Jansfeest is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Maar het is ook een periode van reflectie. Lang niet alle vruchten zijn rijp in juni. De meeste hebben de hele zomer nodig om te rijpen, om zoet en sappig en eetbaar te worden. Zo heeft ook alles wat je in het voorbije jaar aan kennis en inzicht hebt opgenomen tijd nodig om te rijpen. Het moet even met rust gelaten worden, net als schoolkinderen in de zomervakantie. Na dit feest volgt die heerlijk lange, zorgeloze zomertijd. Pas aan het eind van de zomer, als de vakantie voorbij is en iedereen klaar staat om opnieuw de oude patronen binnen te glippen, is de tijd rijp om met onze nieuwe voornemens aan de slag te gaan. Dit artikel is gepubliceerd in de jaarfeestenrubriek van AM-nummer 2, juni 2016.
Kringdans:
De jongens en meisjes vormen hand-in-hand een paar en dansen samen in de kring en bij de laatste regel van het liedje maken de meisjes een reverence naar de jongens en de jongens maken een mooie buiging naar de meisjes en vervolgens wordt het liedje weer opnieuw gezongen en gedanst.
Rudolf Steiner: weekspreuk 12: Johannesstemming
de gespiegelde spreuk 41
Sint-Jan is echt een buitenfeest. Meestal is het ook erg mooi weer. Het gevoel van saamhorigheid hoort bij de Sint-Jansviering. Sint-Jan vier je niet alleen, maar met het gezin of met een groep. Hoe meer zielen hoe meer vreugd! ▪ Picknicken, als iedereen die komt iets te eten en/of drinken meeneemt, liefst zelfgemaakt, ongeveer genoeg voor twee volwassenen. Als iedereen ongeveer dezelfde hoeveelheid meeneemt is er genoeg voor iedereen, en is de picknick een heus feestmaal! ▪ Over het vuur springen Dit is een traditie die ons ver terugvoert in de tijd, naar onze Keltische voorouders. Zij maakten vuur en sprongen eroverheen. De symboliek voor onze voorouders was een nieuwe periode in springen, en ziekten en narigheid de baas zijn. Over het vuur springen kan ook gezien worden als de poort naar de elfenwereld door gaan. Vandaag de dag kan het gezien worden als het overwinnen van angsten en het achterlaten van een deel van jezelf dat je niet meer nodig hebt. ▪ Zingen en dansen en spelen! ▪ Het vlechten van een bloemenkrans: Veldbloemen en wilde bloemen horen bij de overvloed van Sint-Jan. Bloemenkransen blijven langer mooi als je ze voor het gebruik op een bord in de koelkast legt met een natte doek eroverheen ▪ Het is heel leuk om de avond voor Sint-Jan samen in het bos of het veld wilde bloemen te verzamelen en er een krans van te vlechten om met Sint-Jan te dragen. ▪ Natuurlijk is het ook heel leuk om de seizoenstafel in Sint-Janssfeer te brengen! ▪ Speurtocht met opdrachten gerelateerd aan de elementen lucht, aarde, water vuur. • Blijf tot middernacht op, zing en dans om het vuur. • Spring over een echt vuur(tje) of een vuurtje gemaakt van gele en rode doeken. • Organiseer zomerse spelletjes zoals eieren lopen maar dan met waterballonnen. • Bak koekjes met eetbare bloemen. • Maak ijsklontjes met eetbare bloemen. • Doe een kersenpitten ‘wie kan het verste spugen?’ wedstrijd.
Maak samen een eenvoudige Bucketlist voor de zomervakantie (je kan als voorwaarde voor kinderen maken dat het (bijna) geen geld mag kosten: In de zee zwemmen. Een schaap knuffelen. Een ijsje eten. Een boek lezen. Een ochtendwandeling maken met het hele gezin. Fietsen langs een rivier. Picknicken in de tuin. Stokbrood maken boven een kampvuurtje. Slapen in de tent bij iemand in de tuin. Een hut maken in het bos. Samen naar de sterren kijken. Schelpen verzamelen op het strand met een gaatje erin en een zomerketting maken.
Laat mij het levenswater zoeken van Ineke Verschuren, Het hele jaar rond van Marijke van Raephorst, Het hele jaar rond van Sandra Klaassen, Leven met het jaar, Christiane Kutik
Sprookjes bij de Sint-Janstijd: Kleuters: Grimm: “het klosje , de schietspoel en de naald’. “de gouden gans”, “de bijenkonngin”, ‘de kristallen bol”, “roodkapje “, “de zes zwanen”´ Bakersprookjes: “het bootje “, “robin roodborst”,
Sint -Jansfeest/tijd en kleuters:
Een wiebelige tijd, de zomervakantie komt eraan, de natuur staat in lichterlaaie, De spanningsboog van kleuters verandert in kleine spanningsboogjes met grote of minder grote valpartijtjes en ongelukjes: ze komen gauw uit evenwicht en worden naar buiten [bijna buiten zichzelf] getrokken… Er wordt in deze tijd van het jaar vaak gezongen:
“hele hele zegen, Drie dagen regen, Drie dagen zonneschijn, Dan zal het vast weer beter zijn”
Het helpt om met de kleuters evenwichtsoefeningen te doen [“zit of staat de kring”, “wie kan er op 1 been staan, een sprongetje maken, in de vingers knippen, je oren laten wiebelen. zoveel mogelijk variëren in’t groot en in’t klein], of liedjes met gebaren [zoals : “Hoofd schouders knie en teen”, of “dit zijn mijn wangen”…, of in een lange rij naar buiten en samen over de zandbakrand lopen of evenwichtsbalk, of twee aan twee een bootje maken [“varen varen over de baren” “Berend Botje ging uit varen”, “ik voer laatst over zee, ga je mee…”]. veel touwtjespringen, in t grote touw of individueel dansspelen buiten doen: “Jan en piet gaan dansen” en “schipper mag ik overvaren” en “you put your left foot in, you put your right foot in…” Zingen, veel zingen: harmoniserend bij elkaar zijn en blijf met de klas in het klassenritme: dat geeft houvast en daardoor brengt het evenwicht.
Knutselen met Sint-Jan:
Andere activiteiten:
spelen met zand en water: zandkastelen maken, stenen zoeken en wassen en poetsen [en schilderen] bellenblaasstokken zelf maken, veren verzamelen, bloemen plukken: sommigen in een boeket, anderen gaan drogen, een mobiel ermee maken. hinkelbaan buiten maken met stoepkrijt [verf] waaier vouwen [van papier] of een zonnetje
Vogeltje: [kinderen] zelf een vogeltje laten tekenen en laten kleuren en prikken, vleugeltjes vouwen [als bij een pinksterduifje]. touwtje eraan, aan het touwtje een stokje…. En zie ze vrolijk zingend lopen met hun vogeltje: “als ik eens een vogeltje was, oh wat zou ik vliegen ….” Knikkerbaan laten maken met gevormd en ongevormd materiaal Spelen met schaduw; in elkaar schaduw lopen, bijvoorbeeld of één lijf met 4 armen ….
In het artikelover de methoden om voedselproducten te kweken, werd verwezen naar onderstaand artikel. Hoewel dit niet meteen stof is voor klas 7, plaats ik het artikel wel, als leerkracht kun je eigenlijk nooit over te veel achtergrondinformatie beschikken.
. Bruno Busse, apotheker, WeledaBerichten, 150, september 1990
.
KWALITEITSVORMING BIJ HET KWEKEN VAN GENEESPLANTEN
.
De harmonische verbinding van de aardse en kosmische krachten, die in de elementenparen aarde/water en licht/warmte wordt weerspiegeld, is een belangrijke doelstelling van het biologisch-dynamisch verbouwen van geneesplanten. In het hierna volgende zal aan de hand van enkele voorbeelden worden beschreven, hoe de hantering van het vaste-vloeibare aan de Ene kant en het licht-warmte-element aan de andere kant ertoe bijdraagt, geneesplanten al naar gelang van hun geaardheid te activeren. In onze in hoge mate geciviliseerde streken bestaat de zogenaamde vrije natuur alleen nog maar in kleine reservaten, zodat de mogelijkheid om geneesplanten op hun natuurlijke standplaats te oogsten, steeds meer is beperkt. Reeds in 1924 geeft Rudolf Steiner in zijn land-bouwcursus aanwijzingen*, hoe met verantwoording zonder het milieu te beschadigen planten kunnen worden gekweekt. Deze aanwijzingen culmineren in de vijf vaste en twee vloeibare compostpreparaten. Hieronder zullen de preparaten hoornmest en hoornkiezel in hun relatie met de elementen besproken worden. Deze bemestingspreparaten zijn in de akkerbouw en bij het verbouwen van geneesplanten onontbeerlijk gebleken.
De omgang met de krachten van de aarde en het water
In tegenstelling tot de conventionele manier van verbouwen, waarbij met de snel-oplossende kunstmestsoorten meer een vegetatieve kwantiteitsvermeerdering wordt bereikt, gaat de biologisch-dynamische landbouw in de eerste plaats uit van het levend maken van aarde en water. Daarom heet het vaktijdschrift van de biologisch-dynamische landbouwmethode “Vruchtbare Aarde” om duidelijk te maken, dat de levenskrachten die onontbeerlijk zijn voor de planten, in de bodem moeten worden geleid, wil men gezonde voedings- en geneeskrachtige planten oogsten. Het levend maken van de grond lukt in ons vochtige klimaat het beste met dierlijke mest, die – opgezet in composthopen – gaandeweg moet verrotten en na de rijping als vaste mest op de akker wordt gebracht. Deze rijpe compostgrond versterkt en bevordert de groei- en voortplantingskrachten, dat wil zeggen eenvoudigweg de levenskrachten van het gewas. Vele geneesplanten hebben om te gedijen een hogere humusspiegel nodig. Planten zoals engelwortel, lavas of goudsbloem hebben door hun geaardheid regelmatig bemesting nodig om levenskrachten op te kunnen nemen. Behalve dierlijke mest zijn andere bestanddelen gunstig voor het composteren. Uit die veelheid ontstaan dan de stabiele leemhumuscomplexen, die de vruchtbaarheid van de grond bepalen. Substanties uit drie natuurrijken zijn beproefd gebleken bij het verbouwen van geneesplanten:
Toevoegingen uit het mineralenrijk zoals basaltmeel verwarmen vochtig-koude grond, omdat basalt wordt gewonnen uit diepliggend gesteente en een intensieve relatie heeft met het vuur. Het vaste-vloeibare wordt hier met de licht-warmtepool doordrongen. De gemalen koraalkalk die uit de Grote Oceaan dat wil zeggen uit het waterelement stamt, dient voornamelijk voor het neutraliseren van de zure plantenresten.
Kalk heeft – rechtstreeks op de bodem gestrooid – altijd de eigenschap voedingsstoffen te mobiliseren. Hij maakt “rijke vaders en arme zonen”, moet dus met kennis van zaken zoveel mogelijk het composteren vergezellen. Het dierenrijk wordt bij de bemesting het meest evenwichtig door de koemest, “het goud van de landbouwer” vertegenwoordigd. Paardenmest heeft ten gevolge van het temperament van het paard eerder vurige eigenschappen en wekt door zijn meestal hoog gehalte aan stro in de composthoop warmte op. Het plantaardig materiaal moet, al zoveel mogelijk tot rotting gebracht en goed composteerbaar zijn.
In de eerdergenoemde landbouwcursus wordt erop aangedrongen, dat de landbouwer duidelijk een “persoonlijke relatie” ontwikkelt met de mest. Daarmee is ook bedoeld, dat hij zich met de levenskrachten in de grond en het water bezig houdt. Net als het minerale stoffen bevattende stromende water is humusrijke grond doortrokken van levenskrachten. Gedegenereerde grond is dood, evenals opgevangen, gekanaliseerd water zonder contact met de aarde levenloos wordt. Bij een persoonlijke relatie met deze elementen beleeft men bij het bemesten en bevloeien de juistheid van die aanwijzing. De levens- en doodskrachten in de natuur blijken duidelijker. De verbinding van de aarde en de kosmische krachten worden bij het composteren versterkt door de toepassing van de compostpreparaten, die het biologisch verbouwen pas tot de biologisch-dynamische landbouw maken. Het gaat hier om de preparaten hoornmest en hoornkiezel. Het hoornmestpreparaat wordt van koemest met optimale kwaliteit in een koehoorn bereid; deze wordt gedurende de winter in de grond begraven, waar de inhoud aan een verrottingsproces wordt blootgesteld. Omdat op onze breedtegraad de krachten van de aarde en het water in de winter overheersen – onze grond wordt ’s winters nauwelijks droog – kunnen die in de vochtig-koude maanden in het hoornmestpreparaat worden opgevangen. De gerijpte koemest wordt na het opgraven een uur lang in lauw water geroerd. Door het roeren wordt de werking van deze mest eerst op het water en daarna op de akkers en weiden overgebracht.
Dit winterpreparaat is uiterst geschikt voor het kweken van geneesplanten. De meeste hiervan moeten eerst met veel moeite worden opgekweekt eer ze kunnen worden verspeend. Hoornmest vóór het zaaien op de akker of op de zaailingen gespoten, bevordert de wortelvorming. De jonge plantjes kunnen daardoor beter wortel schieten. De kiemkracht van het zaad wordt versterkt, wat vooral bij gekocht zaaigoed van belang is. Een schema kan vooreerst de polariteit van beide preparaten verduidelijken:
Hoornkoemest
Aarde-/waterkrachten aards (vanuit het centrum) Vitalisering (bijvoorbeeld wortelvorming) Kalkprocessen
Hoornkiezelmest
Licht-/warmtekrachten kosmisch (vanuit de omtrek) Ontvitalisering (bijvoorbeeld blad- en bloemvorming) Kiezelprocessen.
Het omgaan met de licht- en warmtekrachten
Pas het elkaar doordringen van beide polen, het met elkaar verbinden van de kosmische en aardse elementen laat de plantenwereld ontstaan. Uitgestrekte landschappen zoals bijvoorbeeld in de Oekraïne met haar zwarte aarde kunnen ons doen herinneren aan de vruchtbaarheid van de koehoornmest. Hier lijkt het aardse in het landschap te overheersen. Extreem dorre steppegebieden met kwartshoudende zandgronden laten ons daarentegen denken aan de licht-warmtekwaliteiten van het koehoornkiezelpreparaat. Het kosmische lijkt hier sterker te stralen. In Zuid-Afrika zijn zulke steppen in de kleine en grote Karroo. Sneeuwwitte kwartsaders komen in de woestijn te voorschijn en breken uit elkaar in grote en kleine brokken. Het zijn kwartsvelden, die in het landschap al van verre zichtbaar worden. Hier zijn talloze middagbloemgewassen die bij deze overvloed van licht en warmte behoren. Als antwoord op het licht scheppen zij exotisch stralende bloemen. Omdat het heel zelden regent ontbreekt het water in de omgeving. De middagbloemen vergaren het water in hun saprijke weefsel; zij creëren hun eigen vochtig omhulsel in hun verschijning. De vruchtbaarheid van de grond aldaar kan alleen maar in verbinding met het water worden gemobiliseerd, zodat karigheid het landschapsbeeld bepaalt. De altijd heldere lucht, de overvloed van licht en intense warmte laten zien, wat de koehoornkiezel aan de plant moet geven. Op die manier staat met de licht-warmteverhoudingen in het bijzonder de keus van een geschikte plaats voor het verbouwen van geneesplanten in verband. Veel geneesplanten hebben een warme, lichte standplaats nodig. Ezelsdistel, st.-janskruid, wijnruit of muurpeper behoeven tijdens hun bloei licht en warmte. Niet in de eerste plaats door bemesting, maar door een toegift van zand is het mogelijk, de kwaliteit van kwarts aan de bodem toe te voegen. Dan kan het water, dat de andere pool vertegenwoordigt, beter afvloeien en de warmte dringt sterker de grond binnen. Omdat aarde en water de levenspool vertegenwoordigen, wordt nu ook de warmte in de grond actiever. Na deze eenvoudige verbetering van de grond hoeven de rijkelijk bloeiende kussens muurpeper alleen nog maar uit het zand te worden getrokken. De verbinding met de aarde is losjes, maar bij het verwerken van de geoogste planten verraadt een bijtende scherpe geur het vurige karakter van deze saprijke geneesplant. En dat vuur kan in de genezende werking op de mens worden overgebracht.
Dat dus door besproeien met hoornkiezelpreparaat bij het kweken van muurpeper de medicinale werking ervan verhoogd wordt, blijkt uit het boven beschreven schema van de beide landbouwpreparaten. Voor de vervaardiging van hoornkiezel wordt kwarts tot meel of zoutkorrelgrootte verpulverd. Een pap hiervan wordt in een koehoorn gegoten en deze laat men gedurende de zomer op een lichte, zonnige plek van het voorjaar tot de herfst staan. Bij de toepassing ervan moet men de substantie ook weer een uur lang in lauw water stevig roeren. Het kiezelpreparaat wordt dan heel fijn verdund uitgesproeid om vooral het blad van de groene planten te kunnen bereiken. Beide preparaten in een zinrijke combinatie kunnen aan onze cultuurplanten datgene geven, wat hun eventueel door eenzijdige verbouwingsmethoden ontbreekt. Dat zijn de fasen van het verbouwen van biologisch-dynamische geneesplanten, als de basis ervan een gezonde compostering is.
Wat ik zelf nog zou willen weten is hoe men aan koraal komt, nu dat in deze tijd ook te lijden heeft van allerlei, meest door de mens gecreëerde negatieve groei-omstandigheden.
[1] De enige aanwijzing van Steiner voor het tuinbouwonderwijs heb ik gevonden in GA 300C, waar het vooral gaat over mest, waarbij paardenmest wordt afgeraden:
Es werden Fragen vorgebracht, die den Schulgarten betreffen, und wie man ihn für den botanischen Unterricht benutzen kann.
Er worden vragen gesteld over de schooltuin en hoe je die kan gebruiken bij het tuinbouwonderwijs.
Dr. Steiner: Rinderdung! Pferdedung ist nicht gut. Man muß das rationell durchführen, so gut man es finanziell kann. Zum Schluß ist es so für ein begrenzbares Gebiet, daß der ganze Zusammenklang nicht herauskommt, wenn nicht eine bestimmte Anzahl von Rindvieh da ist auf der Bodenfläche und eine bestimmte Pflanzenmenge. Dieses Rindvieh gibt dann den Dung, und wenn mehr Pflanzen da sind, als das Rindvieh Dung gibt, so sind es ungesunde Verhältnisse.Man kann nicht ein Spätprodukt wie Torf verwenden. Das ist ungesund. Mit Torf kann man nicht vermehren. Es kommt darauf an, wozu Sie die Pflanzen verwenden. Bei Pflanzen zum Anschauen wird die Sache nicht stark in Betracht kommen.
Dr. Steiner: Koemest! Paardenmest is niet goed. Je moet er rationeel mee omgaan, afhankelijk van je financiën. Uiteindelijk gaat het om een begrensd gebied, waarbij de harmonie niet bereikt wordt wanneer er niet een bepaald aantal koeien is voor die oppervlakte en een bepaalde hoeveelheid planten. De koeien geven dan de mens en wanneer er meer planten zijn dan het rundvee aan mest geeft, is dat een ongezonde verhouding. Turf, als jongste voortbrengsel, kan je niet gebruiken. Dat is ongezond. Met turf kan je niet vermeerderen. Het gaat erom waarvoor je de planten nodig hebt. Voor sierbloemen is dat niet zo belangrijk.
Wenn Sie mit Torf Nahrungspflanzen vermehren, so ist das nur scheinbar. Sie vermehren doch nicht den Nährwert dadurch. Versuchen Sie darauf zu kommen, wie Sie den Nährwert beeinträchtigen, wenn Sie Stecklinge in Torf ziehen. Man muß durch Beimischung von soviel Humuserde den Boden bearbeitbar zu machen suchen. Da ist es noch besser, wenn Sie Maierschen Dünger verwenden, von Alfred Maier, Hornabfälle. Da wird die Erde schon etwas weicher. Er verwendet die Hornabfälle. Das ist wirklich homöopathischer Dünger für den botanischen Garten, fettiger Boden. Im Schulgarten kann man die Pflanzen so nach Ordnungen und Arten pflanzen, wie man sie durchnehmen will. – Die Systematik der Pflanzen in zwölf Klassen, das kann ich einmal geben.
Wanneer je voedingsplanten wil kweken met turf, is dat maar schijn. Je verhoogt de voedingswaarde daardoor niet. Probeer te ontdekken hoe je de voedingswaarde van planten wil beïnvloeden, wanneer je stekjes in turf kweekt. Dan moet je door bijmenging van zoveel humusaarde de bodem bewerkbaar proberen te maken. Dan is het nog beter wanneer je de mest van Maier gebruikt, van Alfred Maier, hoornafval. Dan wordt de aarde wat losser. Hij gebruikt hoornafval. Dat is echt homeopathische mest voor de botanische tuin, vettige bodem. In de schooltuin kan je de planten naar orde en soort planten, hoe je ze zou willen behandelen. De systematiek van de planten in 12 klassen kan ik nog wel een keer geven. GA 300C/130 Niet vertaald
Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan. In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.
Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.
WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?
.
Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.
Het natuurlandschap
Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).
Het cultuurlandschap
Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).
Moderne landbouw
Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.
Vragen over de kwaliteit
Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?
De biologisch-dynamische landbouwmethode
Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titel “Geesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.
Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?
Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.
Verzorging van de bodem en de mest
Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.
Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse uitsluitsel.
Kwaliteit
Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.
Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw
Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.
Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.
Niet ieder artikel heeft, hoewel het over het kennen van de mens gaat, een relatie tot de pedagogie. Dat is met onderstaand artikel het geval.
.
Paul Paede, arts, WeledaBerichten nr.151, september 1990
.
OVER HET HOOFDHAAR EN DE BAARD VAN DE MENS
.
.Niets aan zijn lichaam heeft de mens altijd zo goed verzorgd als zijn haar. De Assyriërs en de Perzen krulden en zalfden het, de Egyptenaren maakten er pruiken van. Volkeren, die volgens een strenge ritus leefden, zoals de Joden en de Spartanen, brachten dit in een korte haardracht tot uiting. Bij Romeinse jongens werd het als zij volwassen waren afgeschoren en aan de goden geofferd. Daarna droegen zij het lang. Ook de Grieken en de Germanen deden dat.
Geschiedenis van de haardracht
In de 4e eeuw kwam bij de christelijke monniken de tonsuur in zwang. Deze werd tegelijk met de priesterwijding aangebracht en betekende de acceptatie van het kloosterlijk gezag en een verlies van vrijheid. Een soortgelijke ontwikkeling vertoont de haardracht van de vrouwen: terwijl de meisjes hun haar lang en gevlochten mochten dragen, moesten getrouwde vrouwen het afknippen of onder een kapje verbergen. Dat symboliseerde een beperking van de persoonlijke ontplooiing. Als een fraaie compensatie waren in vroeger tijden al kunstig met gouddraad doortrokken haarnetten en haarspelden van edelmetaal in zwang. Volgens Germaans recht werd bestraft wie een vrouw aan de haren trok of haar hoofdbedekking afrukte. In de bloeitijd van de Middeleeuwen droegen de edelen hun haar tot op de schouders en de horigen hadden kort haar. Statig werden de coiffures in het tijdperk van de Barok en het Rococo en ook de tegenwoordige [artikel is uit 1990] punks hebben er heel wat voor over om hun ietwat eigenaardige persoonlijkheid in een soort van hanenkam uit te drukken. Hoewel de haardracht in de loop van duizenden jaren dikwijls veranderde, had deze toch altijd één ding gemeen: er is een menselijke waardigheid en een stuk persoonlijkheid in belichaamd. Op grond van hun grote betekenis worden de haren bij conflicten geattaqueerd of gebruikt om de tegenstander te vellen. Men kan iemand “in de haren vliegen”. Je “haren uit het hoofd trekken” is een uiting van grote ellende, “haarkloverij” staat voor een naar het absurde leidende manier van denken.
Het hoofdhaar in het sprookje
Wij worden over het verband van de mens met zijn haren iets gewaar door de sprookjes. Daarin wordt over haar gesproken dat fijn is als gesponnen goud. In het sprookje, ”De duivel met de 3 gouden haren” trekt de duivelsmoer haar man achtereenvolgens drie kostbare haren uit en telkens geeft hij haar toornig zijn weten prijs omtrent een onheil dat de mens belaagt. Die kennis verschaft de held van het sprookje groot aanzien en rijkdom. In “Raponsje” laat het meisje, dat in de toren woont, haar vlecht tot op de grond zakken als de toverkol weg is. In het beeld van dat in een torenkamer haar weelderige hoofdhaar verzorgend meisje kunnen wij het vermogen van ons hoofd zien dat ons in staat stelt ons met de omgeving geestelijk te verbinden. Als de toverkol de koningszoon bij Raponsje ontdekt knipt ze haar meisjestooi af. Die was een van haar moeder geërfd, niet zelf verworven bezit. (Vergelijk het offeren van de haarlok door de Romeinse jongelingen). De koningszoon in het sprookje “IJzeren Hans” verbergt zijn haar, zelfs voor de koning, onder een hoed omdat het door het goud uit de oude bron is bedekt. Hij wil zich in de strijd om de drie gouden appels een wijsheid veroveren die naar de toekomst is gericht. In de “Ganzenhoedster” komt de koningsdochter ten gevolge van haar moederbinding in moeilijkheden. En steeds, als Falada haar daaraan heeft herinnerd, maakt zij op de weide haar prachtige gouden haar los om het te kammen en weer te vlechten. Dit leidt ertoe, dat Koertje haar lot aan de koning vertelt. Als de haren zoiets als de aangeboren of door de opvoeding veroorzaakte rijkdom aan gedachten voorstellen, dan is het kammen een belangrijke stap om ze te ordenen en ten slotte de eigen identiteit te vinden. Sneeuwwitjes stiefmoeder wil met een giftige kam het tegendeel bewerkstelligen. Nog meer vernemen wij over dit beeld in het sprookje “De Waternimf in de vijver“. Zij heeft de jager naar haar rijk ontvoerd. Na een moeilijke speurtocht krijgt de vrouw van de jager een gouden kam met de raad, zich aan de vijver bij volle maan te kammen tot de waternimf opduikt. Daarop verheft de man voor het eerst zijn hoofd boven het wateroppervlak. Hij wordt ten slotte helemaal bevrijd als zijn vrouw in de derde nacht op een gouden spinnewiel een spoel vlas spint én die aan de nimf geeft. In dit sprookje zien wij een relatie van de haren met een gesponnen draad; wij zien dit in de uitdrukking, dat er door een betoog “een rode draad” loopt. Natuurlijk is het actief spinnen van een draad meer waard dan het orde scheppen in de reeds voorhanden haren. De overgang van het kammen naar het zelfstandig spinnen is in de levensloop een markant verschijnsel. Raponsje verliest haar vlecht als ze twaalf jaar is geworden, Doornroosje en het meisje in “Het klosje, de schietspoel en de naald” beginnen als ze veertien jaar zijn te spinnen, waarmee wel het zelfstandige denken kan zijn bedoeld.
Anatomie van het haar
Anatomisch onderscheidt men aan het haar de schacht die uit de huid komt en de haarwortel die schuin in de huid steekt. Deze laatste is aan het eind verdikt en wordt van onderaf door een bindweefselachtige haarpapil gevoed. Bij elke haar hoort een talgklier en een fijn spiertje voor de oprichting. Door de kracht hiervan kunnen dunne haren een beetje overeind komen (“iemands haren staan overeind”). Ook het “kippenvel” wordt door de haarspiertjes veroorzaakt. De totale beharing heeft dus nog een relatie met gevoelsuitingen, zoals bijvoorbeeld angst en schrik.
Hoofdhaar en hersenfuncties
Waarom is de haargroei van de mens, in tegenstelling tot de dieren, voornamelijk op diens hoofd geconcentreerd en wel in een mate zoals dat bij geen enkel dier voorkomt? Een voordeel voor het fysieke bestaan, zoals het Darwinisme dat veronderstelt, is niet aantoonbaar. En nog iets merkwaardigs ontdekken wij: terwijl in de haarpapil de haarschacht zich voortdurend vernieuwt, is hij aan de buitenkant van de huid verhoornd en praktisch afgestorven. Deze tegenstelling van leven en afgestorven zijn vinden wij vergelijkbaar terug op een hoger plan nl. in het denken: het wordt voortdurend geproduceerd en zinkt, als het abstract wordt, in het levenloze omlaag, het voelen en het willen daarentegen behouden hun vitaliteit. Rudolf Steiner wijst erop, dat de oerwijsheid van de mensen heel anders geaard was dan het huidige weten. Zij was nog ten nauwste verbonden met de groeikracht. In de loop van de ontwikkeling werd zij steeds meer in het hoofd geconcentreerd en verstild. Als wij onze door de sprookjes opgewekte voorstelling van een verband tussen het haar en het denken verder willen nagaan, dan beantwoordt deze beschouwing van Rudolf Steiner ook de vraagnaar de bijzondere positie van het menselijke haar. Op grond daarvan zou men zich het hoofdhaar o.a. als een tegenbeeld van het in het hoofd opgehoopte weten kunnen voorstellen, allicht zonder enige onderlinge afhankelijkheid van elkaar. Dat hersenfunctie en groei van het hoofdhaar helemaal niet zover van elkaar afstaan wordt zichtbaar door twee gruwelijke rituele handelingen van primitieve volken die ten doel hadden zich meester te maken van de geestelijke potentie van de vijand: Oost-Aziatische kannibalen verorberden de hersenen van de overwonnen vijand, de Indianen plantten diens scalp als trofee op de speer of de tent.
Geschiedenis van de baardtooi
Net als het hoofdhaar varieert ook de baarddracht vanaf de oudste tijden. Bij de volkeren van het vroege Voor-Azië was de volle baard in zwang. De Egyptische farao’s droegen een kunstbaard. Pas in de Romeinse tijd kwam de geschoren kin in de mode. De rode baard van keizer Frederik I werd tot een soort symbool in de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk (Frederik Barbarossa). In de Renaissance onderging de baard allerlei veranderingen. Een mooi voorbeeld is de Mozes van Michelangelo. Een bijzonder de mannelijkheid benadrukkend attribuut is later de snor geworden. Beroemd is de snor van de laatste Duitse keizer en die van de surrealistische schilder Salvador Dali.
Baard en taal
De baard komt weliswaar bij enkele hogere zoogdieren voor, maar duidelijk heeft alleen de mens hem. Onder invloed van het manlijk geslachtshormoon ontspruit hij in de puberteit aan de boven- en onderkaak en het voorste gedeelte van de hals waar te-zelfder tijd de lengte van het strottenhoofd ongeveer wordt verdubbeld en de stemhoogte ongeveer een octaaf zakt. De stem verschaft aan het dier en de mens de mogelijkheid om zielsstemmingen te uiten. De mens kan die daarenboven door middel van zijn spraakorganen tot taal omvormen, waardoor hij zich als een geestelijk wezen manifesteert. Op de plaats, waar binnenin de stem ontstaat en de spraak wordt gearticuleerd, ontspruit aan de daarbij behorende buitenkant de baard. Zonder iets over hormonen te weten bezat men in de Middeleeuwen kennelijk een gevoel voor dit verband van baard en taal. Want om de waarachtigheid van een bewering te staven, zwoer men bij zijn baard. De Moslim beroept zich ook nu nog op ”de baard van de profeet”. En wat zou Michelangelo’s Mozes zijn zonder zijn baard. Beide, stem en baardgroei zijn gedurende het hele leven afhankelijk van het seksuele hormoon. Zoals men kan zien bij bejaarden die met hormonen zijn behandeld.
Hoofdhaar en baard
Hoofdhaar en baard hebben een verschillende oorsprong en verschillen in leeftijd; zij kunnen echter samen een manlijk gezicht omlijsten. Wat onderscheidt de regionen waarin zij groeien en wat is het verbindende van beiden? Het hoofdhaar omhult en beschermt het hoofd, terwijl de baard eerder agressief naar buiten komt of omlaag hangt. Wij kunnen hierin de tegenstelling van manlijke en vrouwelijke krachten zien. Nu nog treft ons de Bijbelse scène, waarin Magdalena de voeten van Jezus met haar haren droogt, als een tedere uitdrukking van de vrouwelijke ziel. Zou men zich iets dergelijks kunnen voorstellen met een golvende baard? En de baard van de keizer in deKyffhauserbergdie zo lang om de poot van de tafel golft tot de raven het aanbreken van een nieuw tijdperk verkondigen: is die niet het teken van machtige heerschappij? Tegenwoordig is het hoofdhaar voornamelijk het sieraad van de vrouw dat haar ook fysiologisch tot op hoge leeftijd tooit. Omgekeerd kan bij de man het kale hoofd worden gecompenseerd door een krachtige baardgroei, wat op een goed functioneren van de geslachtshormonen wijst.
De weg van de macrokosmos naar de aarde
Wie zich met deze verschijnselen meditatief wil bezighouden kan bij een aanwijzing van Rudolf Steiner aanknopen: men bekijkt het fijn gewelfde schedeldak en ziet dit als een afbeelding van het hemelgewelf, een geschenk van de macrokosmos; daarna richt men zijn aandacht op het tegenbeeld daarvan: een bot van de ledematen met zijn dragende en mechanische functie als een uitdrukking van aardse wetmatigheden. In de kaakbeenderen is het sferische hoofd op weg naar voor het aardse leven geschikte vormen en functies zoals uit de tanden en kaakgewrichten blijkt. De ontwikkeling van de beharing wijst op het verloop in de tijd: op het hoofdhaar volgt met de puberteit (aarde-rijpheid) de zogenaamde secundaire beharing van het lichaam, die typerend bij de oorsprong van de ledematen en bij de man bovendien aan de kaken verschijnt. Deze afdaling naar de aarde wordt ook hoorbaar als de stem van de veertienjarige jongen uit een kinderlijke hoogte in een diepe bas verandert en weerklinkt tussen de pas ontloken baard.
Het meisje vertoont de rijping minder in een stemverandering dan wel in de opbouw van de voortplantingsorganen. Maar toch zijn beide geslachten niet zover van elkaar verwijderd als het lichamelijke verschil zou doen vermoeden.
De vrouw wordt de omhulling voor de belichaming van een mensenziel. Op die manier geeft zij haar bijdrage aan het voortbestaan van de soort. Maar is niet ook de taal een afdalen van het zich onder de bescherming van het schedeldak vrij bewegende denken in de door het strottenhoofd en de kaakorganen opgewekte fysieke en in beweging gebrachte luchtvormen? Het woord, dat hier wordt geboren, is de drager van de totale cultuur van een volk. Voortplanting en taalschepping, biologische en culturele evolutie staan tot in de hormoon-processen met elkaar in verband en scheppen de mensheidsgeschiedenis. Een, hoewel bescheiden, beeld voor het manlijke aandeel hierin is de baard. Het hoofdhaar blijft levenslang voor beide geslachten een symbool van hun “macrokosmische” oorsprong.
Wolfgang Schad, bioloog, WeledaBerichten nr.151 september 1990
.
HET HAAR ALS ORGANISCHE UITDRUKKING VAN DE MENSELIJKE DRIEGELEDING
.
Het haar van de mens behoort tot het gebied van de huid. Het is daarvan een rechtstreekse uitdrukking. De specifieke hoedanigheid ervan blijkt uit een vergelijking met de dieren. Vissen en amfibieën hebben een vochtige huid. Een kikker kan niet lang in de zon zitten, hij moet zijn huid in de vijver of de sloot weer nat maken als deze begint uit te drogen. Een druppel verdunde azijn doet hem al pijn op zijn rug; hij proeft met zijn hele lichaamsoppervlakte, zijn huid is één en al zintuig en overgeleverd aan de omgeving. Bij de dieren die een trede hoger staan, de reptielen, wordt dit principe overwonnen: de huid wordt met droge schubben bedekt bij slangen en hagedissen en met nog dikkere pantsers bij krokodillen en schildpadden. Hier wordt de huid een sterke bescherming tegen de buitenwereld; de levensprocessen zetten zich daar tegen af. Ook het verenkleed van de vogels is het resultaat van een bijzondere sterke hoornafzetting uit de huid in een uiterst gedifferentieerde specialisering die de op zichzelf naakte huid overal omhult. Pas bij de zoogdieren en de mens verschijnt het echte haar als een fijne, uiterst dunne hoornvorming, een luchtige omhulling voor de huid, doorlaatbaar en afdekkend tegelijk.
Niet in de uitersten van de open of gepantserde huid culmineert de evolutie, maar in het bereiken van een bijzondere middenvorm: de menselijke huid staat in relatie met de omgeving en beschermt tegelijk het organisme tegen invloeden van buiten af. Zij is vol subtiele zintuigen (tast-, warmte- en koude-lichaampjes, pijnreceptoren enz.) en biedt tegelijk ook de noodzakelijke afscherming (door huidtalg soepel gehouden subtiele afdekking). Bij beschadigingen van de huid (bijvoorbeeld door verbranding) van meer dan 10% van de totale oppervlakte kan het menselijke organisme niet meer normaal functioneren. De menselijk huid heeft contactuele en afsluitende eigenschappen, zij is zowel zintuig- als beschermend orgaan. Haar bijzondere eigenschap is, dat zij de beide grote tegenstellingen van toekeren en afweren harmonisch kan verenigen. Daardoor is zij een indrukwekkende lichamelijke uitdrukking van het menselijke ik; de eigen persoonlijkheid te manifesteren en zich tevens te openen voor het andere. Het contact via de huid is van bijzonder belang voor het heel jonge kind. Op de arm te worden gedragen en te worden geknuffeld, dat gevoel van geborgenheid en vertrouwen wekt levensmoed en open staan voor de wereld op. Dat contact betekent voor het kind niet alleen een lichamelijk, maar tevens een psychische en geestelijke verbinding. Tastzin en ik-zin (het zintuig waarmee de ander als mens wordt waargenomen) zijn nog één. Daarom is het grootste deel van de menselijke huid onbehaard, in tegenstelling tot de meestal geheel behaarde huid van het zoogdier.
Het haar in de levensloop
Vóór de geboorte heeft de mens een tijdelijke totale beharing, die uit heel kleine, fijne haartjes bestaat. Die wordt al afgestoten als kort voor de geboorte de tweede beharing begint. Deze is weer zacht en donzig; bovendien ontstaan de oogwimpers, wenkbrauwen en het voorlopig nog gladde hoofdhaar. Het eerstgenoemde haar van de foetus heeft niets met de dierenvacht te maken (zoals dikwijls ten onrechte wordt gedacht). Die immers ontwikkelt zich ook pas als de tweede generatie van de beharing. Het meestal zwarte hoofdhaar van de pasgeborene wordt in de loop van de eerste levensmaanden afgestoten en maakt plaats voor het eigenlijke hoofdhaar, dat verschillende kleuren en vormen kan hebben. Een vierde en laatste haargeneratie ontwikkelt zich in de puberteit als oksel- en schaamhaar en verder bij de man als baard- en rompbeharing. Dit dikkere haar ontstaat in samenhang met de dan sterker wordende stofwisseling en vertoont meer dan de andere haarvormen de neiging om te gaan kroezen.
Afgezien van de eerste haargroei bij de foetus blijkt duidelijk een drieledige orde in de opeenvolgende stadia.
Het eerste hoofdhaar (bij alle menselijke rassen, ook de Afrikanen) is, net als de wimpers en wenkbrauwen, sluik en glad. In de lange tastharen aan het voorhoofd en de lippen vooral van nachtdieren (muizen, katten) zien wij daarvan de extreemste variant. Het blijkt dus, dat de totale eerste, vanaf de geboorte zichtbare beharing te maken heeft met het zenuw-zintuigstelsel.
Het daarna volgende hoofdhaar heeft bij ons dikwijls de neiging om lokken te vormen. Door middel van wassen, kammen en inwrijven besteden wij er veel zorg aan. Het bepaalt immers meestal in hoge mate ons hele leven lang de
fysionomische indruk van onze verschijning.
De laatste generatie van beharing komt dan weer meer terughoudend tot verschijning (dit geldt iets minder voor de man met zijn baardgroei en lichaamsbeharing) en is duidelijk het gevolg van verhoogde hormonale stofwisselingsprocessen, van de levenskrachten.
Mensentypen en haarvormen
Bij ons in Europa bijvoorbeeld kunnen de blijvende hoofdharen met hun ovale doorsnede alle drie haarvormen met alle overgangen vertonen: ongekruld, steil-glad, gekruld of kroezend. Dit komt duidelijk gescheiden ook bij de grote rassen van de mensheid te voorschijn. De Oost-Aziatische en de Amerikaanse oerbewoners hebben steil haar met een ronde doorsnede. Het is merkwaardig, dat deze haarsoort voornamelijk te vinden is in de streken rondom de Stille Oceaan. Het verst hiervan verwijderd ligt Afrika. Hier is ook de tegengestelde haarsoort algemeen: het dicht gekroesde haar met een niervormige doorsnede. Daartussen ontstond in Europa, Noord-Afrika, Voor- en Zuid-Azië tot Australië en Polynesië oorspronkelijk de gekrulde haarvorm. Deze vertoont een sterke baardgroei en lichaamsbeharing van de man; hier blijkt een geringere afremming van de beharing dan bij de mongoloïde en negroïde volkeren. Die hebben niet zo’n zware baard als de in de evolutie oorspronkelijk krulharigen. Het waren de Duitse onderzoekers Reinhold en Georg Forster die tijdens hun reis om de wereld (1772 -1775) met de Engelse kapitein Cook de rijke gevarieerdheid van de haarvorming bij de mensheid opmerkten en ontdekten dat die de verwantschap van alle volkeren onderling veel beter typeert dan de huidskleur, waaraan later veel te veel gewicht werd toegekend.
Het haar: een uitdrukking van de psychische gesteldheid
Hiermee hebben wij de biologische driegeleding van de menselijke haarvormen aangeduid. Wij willen nu nog stilstaan bij de betekenis van het haar in oude culturen. In het boek Richteren van het Oude Testament wordt verteld over de geweldige kracht van Simson en dat zijn bovenmenselijk vermogen in de zeven haarlokken van zijn hoofd schuilde. “Indien ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken en ik zou zwak worden en zijn als alle andere mensen”. Dat gebeurde dan later, toen Delila een man opdracht gaf hem in zijn slaap de lokken af te scheren. In het haar, zo nam men aan, werkt een bijzondere magische kracht. Bij de Kelten bestond er een regelrechte haarcultus. Daarvan getuigen de in een moeras in Denemarken gevonden platen van de “Zilveren keten van Gundestrup” (Nationaal Museum te Kopenhagen). Vele godengedaanten zijn daarop afgebeeld met geprononceerde haar- en baardgroei. Een priesteres kamt plechtig het haar van een godin.
Wat voor de zintuigen slechts een hoornachtig uitscheidingsproduct van de huid is, had in mythen, sagen en sprookjes een hoge geestelijke waarde. Juist waar het fysiologische leven terugwijkt, ontstaat een soort uitgespaarde ruimte voor iets hogers, het psychisch-geestelijke.
Veel komt nog (of reeds weer?) tegenwoordig in de haardracht tot uitdrukking. Of men zijn haar laat millimeteren of als een lang gordijn, wijduitstaand of koket warrig laat groeien; steeds drukken wij daarmee onze psychische gesteldheid uit. Het is de moeite waard op ons haar te letten en het te verzorgen. Want het informeert ons over onszelf.
Centaur komt van de Griekse naam Kentaurus, het mythologisch dubbelwezen. (→ Boogschutter). In het sterrenbeeld van de Centaur zagen de oude Grieken een centaur die van goddelijke oorsprong was, van Chiron die ook als de heerser over de centaurs wordt gezien. Uit de Griekse mythologie komen we te weten hoe Chiron geboren werd. Toen Chronos, die zijn kinderen opslokte, Zeus zocht die door zijn moeder in het geheim op het eiland Kreta het levenslicht aanschouwde en daar door haar verborgen werd gehouden (→ Kleine Beer), zocht hij in de gestalte van een paard, koortsachtig over de hele wereld. In een bos vond hij de Oceanide Philyra en vol liefde bleef hij bij haar haar. Toen de vrucht van hun verbinding ter wereld kwam, was het een wezen, voor de helft nog dier, en voor de helft al mens, een centaur. Alleen was deze, in tegenstelling tot alle andere, van goddelijke aard, want hij droeg de oerwijsheid van de Titanen met zich mee. Door de Grieken werd hij Cheiron genoemd (van Cheir = de hand), waarmee gewezen wordt op zijn vaardigheid die hem tot een gezochte leermeester maakte. Later heette hij Chiron. Chiron groeide op in de ondoordringbare bossen van het Pelikongebergte [1]. Hij woonde in een ruime grot, wist alle geheimen van de aarde en de hemel, kende alle geneeskruiden en dodelijke giffen, maar ook zang en kunst en de sterren aan de hemel. De mensen kwamen naar hem toe om raad te krijgen of om van hem te leren en zo werd Chiron de opvoeder van de meeste grote helden. Jason, de leider van de Argonauten, Peleus en Achilles waren zijn leerlingen. Chiron voedde ze op tot dapperheid, wapenkunde en in de jacht, maar ook tot waardige moraliteit en ridderlijke beschaving. Maar zijn leerlingen leerden ook op de lier spelen en zingen en ze kregen een geneeskundige opleiding, want Chiron kende alle kruiden die in het Pelikongebergte groeiden, waar het zijn bekendheid aan dankte. Achilles leerde de geneeskunst bij hem zo goed, dat hij in de Trojaanse Oorlog veel wonden kon genezen en verbinden. De later zo beroemde leerling van hem Asclepius, was de god van de geneeskunst (→ Slangendrager). OokHeracles, de grote held van de Grieken, werd al heel jong onder de hoede van Chiron gesteld. Deze leerling was door het lot aangewezen om zijn leermeester groot leed te bezorgen en voor zijn dood te zorgen. Toen Heracles de slang van Lerna gedood had (→Hydra) ging hij bij zijn vroegere leermeester Chiron in de bossen van Helicon op bezoek. Vol bewondering luisterde deze naar de grote daden van zijn leerling, hoe hij de leeuw van Nemea had overwonnen (→ Leeuw) en naar zijn laatste avontuur met de slang. Heracles, liet hem ook de pijlen zien die hij in het bloed van de Hydra had gedoopt. Ongelukkigerwijs liet hij daarbij een pijl vallen die op de voet van Chiron viel en doorboorde. Chiron die goed wist dat het bloed van de Hydra een ongeneselijke wond veroorzaakte, probeerde toch nog met al zijn geneeskundige kennis zichzelf te helpen, maar tevergeefs! Als de ziekte de pest vrat het gif zich door zijn lichaam en veroorzaakte ondraaglijke pijn. Zo zakte hij doodziek in elkaar, zonder te kunnen sterven, want zijn goddelijke afkomst van Chronos had hem onsterfelijk gemaakt. Herakles was hierover zeer bedroefd. Toen hij een paar dagen later Prometheus van zijn ketenen had bevrijd (→Adelaar) en hoorde dat deze alleen maar van zijn straf verlost zou kunnen worden, wanneer een onsterfelijk wezen bereid zou zijn in zijn plaats te sterven, dacht hij aan Chiron die zo leed. En Chiron was bereid zijn onsterfelijkheid aan Prometheus te schenken. Zeus aanvaardde dit offer en gaf de wijze centaur als eeuwig sterrenbeeld een plaats aan de hemel.
In deze legende wordt niets over de wolf en over de staf verteld waarmee Chiron de wolf in toom hield. Er lijkt geen legende van te zijn. Toch is het bekend dat de Babyloniërs op deze plaats aan de hemel een wolf of een wilde hond zagen. Later werd dit eenvoudigweg ‘het dier’ genoemd. Een sleutel voor wat de Grieken ermee tot uitdrukking wilde brengen toen ze de wijze Chiron samen met een wolf noemden, is wellicht de staf die Ptolemaeus nadrukkelijk de naam ‘Thyrsusstaf’ gaf. Dit was een staf, met klimopbladeren omrankt, het teken van de ingewijden. Misschien wil het beeld van Chiron met de Thyrsusstaf ons zeggen: wie de dierlijke krachten in zichzelf door wijsheid leert te beheersen, krijgt ook het wapen om de wolf die van buiten komt in toom te houden en wanneer het nodig is, deze te doden. Daar zouden we aan kunnen denken wanneer de sterrenbeelden Centaur en Wolf zien.
[1] Voor ‘Pelikon’ verschijnt bij zoeken de naamPilion
Zo z zw
mei 1 1°°u* juni 1 23°°u* juli 1 21°°u*
15 24°°u* 15 22°°u* 15 20°°u*
*zomertijd
Centaur en wolf zijn bij ons en verder naar het noorden alleen onder gunstige voorwaarden en dan nog maar gedeeltelijk bij de zuidelijke horizon te zien waar ze hun hoogste positie bereiken. (hierboven), In zuidelijke landen, bijv. in Griekenland, zie je al veel meer van hen. Wie ze helemaal wil zien, zoals op ons voorbeeld, moet nog verder naar het zuiden afreizen, bijv. naar Afrika. De viert sterren bij de rechterpoot van de centaur vormen het ‘Zuiderkruis’ waar voor de zeelieden uit de zuidelijke landen verheugd naar opkeken, omdat de sterren ervan zo helder oplichten.
ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293
voordracht 13
De bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993
Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen: Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [2- Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [13-1] Het derde cijfer [13-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [13-1] Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen, al horen ze er inhoudelijk wel bij. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [13-1] [13-2] [13-3] enz. Als kleur: rood
[13-1] Blz. 185-186
Tegenstelling hoofd-ledematen; omstulping naar bolvorm; stuwing bij voorhoofd; ik en neuswortelpunt; de geest stroomt; verwijzing naar GA 294.
[13-1-1] Blz. 185-186
Het geestelijke, gaat verbonden met ziel, als een stroom door de mens heen; ‘stroom’ vanuit verschillende karakteriseringen; wat betekent dit voor leerstof eigen maken; op welk gebied werkt leerstof; voorbeelden van verschillende vakken; uitvoerig over leren lezen; uit GA 302 zeer wezenlijke gezichtspunten geciteerd.
[13-2] Blz. 187-188
Noodzakelijk: contact ouders-school; het ‘drukkende en het zuigende’; over ‘materie’; oorzaak van ‘vervetten’ in samenhang met bewegen.
[13-3] Blz. 186-189
Over materie; geest drukt zich fysiek uit; wat is ‘stof, materie’ – uit GA 66 en GA 134. Materie en de hiërarchische wereld; materie als uiteengevallen geest; over de zenuw.
Dr. Hans Ghristoph Kümmell, arts, Weledaberichten nr. 149 december 1989
.
HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN
.
Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe persoonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.
Veelzijdige functies
Net als bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschillende binnenruimten die men ging onderzoeken. Het hart is een holle spier. Uiterlijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de beweging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme veroorzaken. Men weet ook, dat in de hartwanden verschillende heel kleine waarnemingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs [art. uit 1989] heeft men verder ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon produceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. Hierbij komt nog, dat het een heel bijzondere stofwisseling heeft.
Historisch overzicht
Een kort historisch overzicht over de ontdekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren. In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder operaties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daarvan het bloed buiten het hart werd omgeleid. Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig zuurstoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststoffen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttransplantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!
De dubbele geaardheid van het hart
Door deze bewonderenswaardige technische prestaties wordt in hoge mate duidelijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.
Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoordigt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest persoonlijke en intieme kleur. Het hart is zowel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpelijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwikkelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdekking van Rudolf Steiner omtrent de driegeleding van de mens. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om beide kanten van zo’n orgaanfunctie te doorgronden.
Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voornaamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke organisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig doordringen dat zij de totale menselijke organisatie vormen. De ene functionele eenheid is samengevat in de zintuiglijke waarnemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuigstelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsprocessen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt evenwicht scheppend tussen die beide gebieden. Zij verenigt alle ritmische processen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.
Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prikkels. Dit behoort tot ons meer bewuste zielenleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons zielenleven. En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme. In het hart worden de kant van het bewustzijn van de mens – uitgedrukt door het individueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge afwisseling. Ook worden hier de doelstellingen beleefd die al of niet tot daden moeten worden.
Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit ritmisch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.
In het ademhalingsritme, het andere ritmische centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kunnen de meest persoonlijke gevoelens worden opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen ”van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds helderder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde gevoelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons belangrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht geschoolde en daardoor individueel geworden gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.
De hartfunctie – die op de ademhalingsfunctie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons heldere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zielenleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties. Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de individualisering van het zielenleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zetten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aangeboren hartafwijking.
Relaties met de omringende wereld
Tot dusver hebben wij het hart als het centrum van de mens wat betreft zijn individualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zintuiglijke indrukken, wordt in het hart verenigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit integreert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt.
De krachten van de planeten worden bijvoorbeeld langs allerlei wegen in de menselijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel. [niet op deze blog] Met het hartritme correspondeert op het kosmische niveau het ritme van de zons-op en -ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hartritme door de ademhaling wordt bepaald.
Allerlei ziekten
De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraakprocessen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de huidige samenleving spelen gebrek aan beweging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwerking van onze waarnemingen ten gevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.
In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken.
Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileuritmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.
Het hart in het taalgebruik
Ten slotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een innige lichamelijk-psychische ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stokken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barmhartig, of harteloos zijn. In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiografie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd nader ligt dan de geest en ons dan voor problemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegenheid van het hart steeds de belangrijkste.”
.
Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 2:alle artikelen
Dr Heribert Kaufmann, arts, Weledaberichten nr. 148, september 1989
.
OVER BEWEGING VAN DE MENS
.
Elk gezond mens beweegt zich, hij aanvaardt dat als een gegeven. Dit is vooreerst een uiterst simpele constatering. Het ziet er anders uit, als een tekort aan bewegingsmogelijkheid, bijvoorbeeld bij een ziekte (reuma, ischias, enz.) op pijnlijke wijze de vraag oproept wat beweging eigenlijk is. Wat altijd als vanzelfsprekend ter beschikking staat voelt men in die situatie als afgenomen. Daardoor wordt de belangstelling op de menselijke beweging gericht en wie geduldig zoekt kan op den duur veel ontdekkingen doen.
Een groot gebied van bewegingsmogelijkheden wordt zichtbaar. Wij zien dansers, skiërs, sportbeoefenaren, zwemmers, alpinisten, ook musici en ten slotte heel eenvoudig: lopende mensen die ons allengs opvallen door het persoonlijke van hun beweging. Al die bewegingen kunnen worden herleid tot bepaalde grondelementen.
De ontwikkeling van de menselijke beweging
Een meer dynamische kijk op dit vraagstuk kan beginnen bij de wordende mens. Wat wij als volwassenen als beweging kennen, ontwikkelt zich bij het kleine kind uit de wisseling van lust en onlust, van sympathie en antipathie. In volledige overgave drinkt de zuigeling aan de moederborst, handjes en voetjes bewegen daarbij levendig. Als de lust van de honger komt, ontstaan er heel andere bewegingen. Hevig getrappel, samentrekken van het gezicht voor het schreeuwen, zelfs de beweging van het bloed wordt geactiveerd. Het gezicht wordt rood, bijna paars als uitdrukking van antipathie. In de antroposofische menskunde wordt grote aandacht besteed aan de eerste drie levensjaren van het kind. Daardoor kan men gewaar worden dat het zich oprichten, lopen, spreken en denken heel bijzondere processen zijn. Dat kan resulteren in de vraag: wat brengt het kleine kind ertoe, trapsgewijs de liggende houding te gaan vervangen door de opgerichte houding? Anatomisch-fysiologisch gaat het om zeer gecompliceerde processen van de wervelkolom, het spierstelsel, de bloedvaten enz., die het kind op een geheimzinnige manier gaat beheersen. Ook hier zien wij het wisselspel van sympathie en antipathie, in- en ontspanning, lust en onlust. Het is bekend, dat daarbij de omgeving, vooral de rechtopgaande mensen, een belangrijke rol spelen. Men kan navoelen met wat voor (onbewuste) inspanning het kleine wezen vanuit het horizontale zich met het verticale probeert vertrouwd te maken. Met hoeveel verbazing, zelfs met plezier wordt het zich oprichten, het staan door het gezonde kind beleefd. Dit vindt dan zijn voortzetting in de eerste stappen die worden gedaan.
Te beginnen bij het embryo tot en met de eerste drie jaren zien wij een hele “symfonie” van bewegingen zoals cel-, vloeistof-, groeibewegingen, waarbij dan ten slotte de spraak- en denkbewegingen komen.
De verschillende fasen van dit proces zijn slechts de uitdrukking van een “compositie”, een schepping van hogere orde, die duidelijk de menswording tot doel heeft. Elk tekort, veroorzaakt door een gestoorde ontwikkeling, kan ons schokken, omdat wij al of niet bewust voelen: hier is het ontwerp van het mensbeeld niet of slechts onvolkomen verwerkelijkt.
In oude tijden werd door vele volken de beweging als een geschenk van de goden gezien en bij grote feesten speelde de cultische dans een belangrijke rol. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde dansen op Bali. De beelden van de tempels in India laten dikwijls zulke scènes zien. Voorts kent men bij alle volken de volksdansen, die een cultisch-feestelijke betekenis hadden en die steeds een onderdeel waren van het gemeenschappelijke leven. Kennelijk zag men eertijds de oorsprong van de beweging als een geschenk van de hemel in de meest omvattende zin.
Wat nu het kind betreft; is het niet zo – overdrachtelijk gesproken – dat iets gaandeweg in het kind neerdaalt wat zich met het kind verbindt en dat steeds meer erdoor wordt geïntegreerd? Wij moeten echter beseffen, dat al in de eerste fase van het kinderleven lust en onlust, sympathie en antipathie opduiken en onze aandacht richten op de fundamentele activiteiten van de ziel. Het probleem van de beweging is ten nauwste verwant aan de incorporatie van de zielenkrachten. Wat wij dus organisch-lichamelijk beschouwen, brengt ons altijd ook op psychische factoren die zich in de bewegingsfuncties willen uiten.
Hiervoor zijn de gestes en de loop van de mens kenmerkend.
Het proces van het binnendringen in het lichamelijke bereikt bij gezonde kinderen in de tweede zevenjarenfase een zeker hoogtepunt. Het wordt dan in de puberteit dikwijls ernstig verstoord. In extreme gevallen wordt het meisje te mager (met gevaar voor anorexia nervosa), de jongen daarentegen te zwaar. In één beeld samengevat: het “lichtvoetige” meisje en de logge onhandige jongen. Vanzelfsprekend worden hier slechts de principes bedoeld, waarvan alle mogelijke mengingen en afwijkingen bestaan. In geen geval mag men die verschijnselen moraliserend beoordelen. Uit het bovenstaande blijkt, dat zich het bewegen tussen licht en zwaar, tussen kosmos en aarde ontplooit – op verschillend niveau: kindsheid, jeugd, ouderdom – opdat het echt- menselijke, bij de verschillende leeftijdfasen behorende “midden” wordt gevonden.
De degeneratie van de beweging
Met de opkomst van de moderne natuurwetenschap – die als belangrijkste vrucht de techniek heeft voortgebracht- werden alle gebieden van het leven ook met de daarbij behorende methodes resp. denkwijze doortrokken. Daar horen drie functies bij: meten, tellen en wegen, die voor een zogenaamde wetenschappelijke exactheid maatgevend zijn. Uit het medische vlak zou men vele voorbeelden kunnen noemen die deze stelling staven.
Onze tijd laat tal van voorbeelden zien, hoe die denkwijze ook op al het bewegen van de mens en de daarbij betrokken organen wordt toegepast. De extreemste voorbeelden vinden wij in de sport. Toen men aan het eind van de vorige eeuw de gedachte van de Olympische Spelen weer tot nieuw leven wilde wekken, zag men over het hoofd, in welke tendenties zo’n onderneming werd ingebed. In het oude Griekenland waren die spelen een cultisch-religieus feest, gewijd aan Zeus; zij waren ontsproten uit een totaal andere levenshouding. Het ging toen niet om 1/100 seconde of om een centimeter, zelfs een millimeter, maar om een dienst ter ere van de godheid. Daarvan is niets meer overgebleven. De zuiver fysieke en op de een of andere manier meet- of telbare sportieve prestatie is doorslaggevend. Deze ontwikkeling demonstreert de volledige mechanisering van de menselijke beweging, om maar te zwijgen van alle politieke en commerciële manipulaties die met het geheel zijn gemoeid.
Bij onze beschouwing gaat het er niet om sport, die nog steeds talloze mensen door gezonde beweging plezier en ontspanning kan verschaffen, vanuit een eenzijdige benadering te veroordelen. Wij bekijken hier extreme ontwikkelingen omdat daar de kern van het probleem van de beweging het duidelijkst kan blijken. De aan de gezondheid toegebrachte schade door topprestaties in de sport zijn elke vakman bekend. Wij behoeven maar aan het spierstelsel, de gewrichten, pezen, de wervelkolom te denken. Hierboven is er al op gewezen, dat beweging als zodanig eigenlijk uit een niet-fysiek gebied komt. De ontwikkeling van het kind verduidelijkt dit. Het verval van die krachten, waardoor zij steeds meer in het gebied van de aardse zwaarte en het technisch berekenbare afglijden, roept als reactie bewegingsexcessen (moderne dans, rock enz.) op. De mens tracht dan zijn te sterk aan het lichaam gebonden ziel explosief te bevrijden. Dit verval, de degeneratie van de beweging, is niet slechts een biologische kwestie. Maar wij worden daardoor gewaar, hoezeer onze ziel, zelfs ons ik wordt bedreigd. Een ontstellende situatie! Staan wij daar alleen maar hulpeloos tegenover?
Genezing door beweging
Wij vatten nog een keer de lichamelijk-organische kant van het hier behandelde vraagstuk samen. Reeds uit de embryologie wordt duidelijk, hoe uit iets wat vloeibaar-plastisch is, het lichaamseiwit, het menselijke lichaam, het spierstelsel en de organen en voorlopig heel voorzichtig het beenderstelsel ontstaan. Het skelet wordt weliswaar in de ontwikkeling aan de ene kant tot steun opdat wij op de aarde kunnen staan, aan de andere kant echter maakt dit het ons mogelijk, d.m.v. de gewrichten het gevormde in beweging te kunnen oplossen. Vanuit deze gedachte komen wij op het spierstelsel dat als een gestold vloeistoforganisme bij de gezonde mens zichtbaar wordt; zachter, meer vloeibaar bij het vrouwelijke, meer naar het vaste neigend bij het mannelijke lichaam.
De antroposofische menskunde spreekt dan van het “etherisch lichaam”, dat als niet-fysiek, bovenzinnelijk principe in alle vloeibare processen actief is. Dit “lichaam” reguleert ook alle voedings- en opbouwprocessen. In die levensprocessen grijpen de hogere psychisch – geestelijke wezensdelen van de mens in. Dit blijkt uit de hierboven genoemde uitingen van sympathie en antipathie, lust en onlust, ook van in- en ontspannen. Het ik van de mens dirigeert dan dit geheel in de doelgerichte beweging. Voor onze beschouwing omtrent het wezenlijke van de beweging kan het volgende beeld gelden: uit hogere geestelijke gebieden komt de ziel omlaag en doordringt van fase tot fase het lichaam, d.w.z. zij incarneert zich. Als zij zich van het instrument van het lichaam heeft meester gemaakt, wil zij het samenklinken van geest, ziel en lichaam op allerlei manieren tot uiting brengen, voortdurend zich ritmisch oriënterend tussen kosmos en aarde. Alles wat beweging is kunnen wij als de uitdrukking van een oermenselijk gebeuren opvatten. Daarbij kunnen wij in de mens een belangrijke metamorfose gewaar worden die verloopt van de lichamelijke beweging, die in het bijzonder de bloedsomloop, het spierstelsel en het skelet met zijn gewrichten omvat, naar de spraakbeweging en ten slotte naar de denkbeweging. Doordat de materialistische natuurwetenschap heeft getracht om de mens als een totaal berekenbaar object op te vatten, is ook het wezenlijke van de beweging daaraan ten prooi gevallen. Maar de mens zelf merkt dat het “instrument” van de ziel, het lichaam steeds minder als zodanig geschikt wordt. Er zijn tegenwoordig talrijke pogingen om die negatieve ontwikkeling een halt toe te roepen. Dans en gymnastiek bijvoorbeeld worden door verschillende stromingen vernieuwd. In yoga en oude cultische praktijken wordt geprobeerd door intensivering van de beweging de mens te helpen om zijn innerlijk te bevrijden en bewegend tot uiting te brengen. Ook het streven om het volksdansen weer nieuw leven in te blazen ligt in deze richting.
Dit voor de totale mens zo belangrijke vraagstuk stond ruim 70 jaar* geleden Rudolf Steiner, de inaugurator van de antroposofie, voor de geest. Naar aanleiding van vragen in zijn omgeving ontwikkelde hij een nieuwe bewegingskunst: de euritmie. Zij ontstond op grond van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek. De grondelementen van de beweging, zoals hij die in de mens en de kosmos zag en die door klank (spraak) en tonen (muziek) in de mens tot verschijning komen, werden stap voor stap op kunstzinnige wijze ontwikkeld tot hetgeen thans sinds meer dan 60 jaar* als euritmie in de wereld is geplaatst. Zij is kunst, hygiëne in de ruimste betekenis en tevens therapie in de vorm van heileuritmie, wat euritmie in wezen is. Euritmie moet men eigenlijk door haar te beoefenen ervaren.
In de euritmie komt het vormen en bezielen van de beweging niet slechts vanuit subjectieve gevoelens maar door de verbinding van de ziel met objectieve wetmatigheden tot stand, zoals die in de mens en in de wereld aanwezig zijn. Daardoor beleeft de mens een bevrijding en tevens een versterking van zijn ik, wat ook een organisch heilzame werking kan hebben. De hierna volgende woorden van Rudolf Steiner mogen dit artikel besluiten: ”De euritmie als bezield, doorgeestelijkt turnen is een belangrijke factor in de opvoeding. Het turnen ontleent zijn wetten aan de kennis van het menselijke lichaam. Slechts het bezielde turnen kan bereiken, wat het zuiver lichamelijk beoefende niet kan, het zal bijvoorbeeld wils-initiatieven in de mens opwekken. Het zal de totale mens naar lichaam, ziel en geest opvoeden, maar geenszins het lichaam veronachtzamen. Het element van de wil impulseert de euritmie. Door haar maakt men zichtbaar wat de musicus in de tonen, de echte dichter in de taal nastreeft. De Olympische Spelen waren voor de Griekse aard wat de mens in dat tijdperk nodig had. In onze tijd hebben wij iets nodig, wat de mens ook met betrekking tot zijn ziel en geest in de totaliteit van de wereld plaatst.”
Miriam Haenen (Facebookgroep ‘vrijeschool’, juni 2022 (24 mei 2015)
.
In veel scholen wordt vandaag het Pinksterfeest gevierd.
Een stuk wat ik 7 jaar geleden schreef…
De sluier voor het bruidspaar was een vondst waar ik intens blij mee was, en dat echt klopte met het beeld dat ik zichtbaar wilde maken. Het kosmische huwelijk, het huwelijk IN ieder mens…
Ooit zei ik in een gesprek met een Indiase vriend….Als je van binnen niet ‘getrouwd’ bent, dat wil zeggen het vrouwelijke en mannelijke verenigd/in balans hebt, is een aards huwelijk ook niet ‘in balans’
Welkom op de Universele Pinksteren Festival tafel.
Vandaag is het Pinksterenfeest voor het christelijke deel van de wereld.
Maar wat is vieren, wat is een festival als slechts een deel van je vrienden meedoet…?
En als er één festival te vieren is met onze christelijke vrienden, dan is het Pinksteren.
Dat festival, waar gevierd wordt dat de hemel opengaat, en vuurvlammen op de mens komen, klaar om te ontvangen. Een vlam, die warmte en enthousiasme in deze mensen doet sprankelen en ALLE TALEN kunnen begrijpen….
Christelijk zijn, is niets meer, en niets minder dan de christelijke taal spreken over hoe je contact met God moet maken.Hindoe zijn, is niets meer en niets minder, dan de hindoetaal spreken over hoe je contact met God moet maken.
Moslim zijn, is niets meer en niets minder, dan om de islamitische taal te spreken over hoe je contact met God kunt maken.
Twee kanttekeningen…:
– Ik gebruik het woord God. Wanneer je handiger bent met een ander woord, vul alsjeblieft je eigen woord in, in je eigen ‘taal’. De ‘enige’ essentie is dat, wat een mens tot zijn volle ‘menselijke edelheid’ kan brengen.
-Spreken, in de bovenstaande tekst, is spreken en handelen tegelijk, woorden komen uit.
– We hebben diep respect voor mensen die veel talen spreken, en de meesten van ons verlangen daar naar, want dan hebben we zoveel meer plekken op aarde om echt te kunnen verbinden en te leren. Met deze verschillende religie-talen is het precies hetzelfde…
– De oorsprong van het woord ‘ religie’ is verbinden, opnieuw verbinden. Vrij vertaald wat de mens verbindt met God, of met de puurste essentie van de mens. Dat omdraaien betekent dat een religie die niet leidt naar de puurste edelheid in de mensheid, het recht verliest om religie genoemd te worden…
Mijn twee lieve vrienden in de hemel…:
“De mensheid moet boven alles universaliteit zoeken en de moed hebben om dingen van alle kanten te bekijken. ” — Rudolf Steiner
“Wanneer je tot de essentie van je eigen religie bent gekomen, ben je tot de essentie van alle religies gekomen.
Ik wil dat de culturen van alle landen, zo vrij mogelijk door mijn huis waaien, maar ik weiger om door één van hen geblazen te worden. Gandhi.” Een
.
Pinksterparel:
Was will aber Geisteswissenschaft in bezug auf die Religionen? Sie will gerade dasjenige erkennen, was die wissenschaftlichen Religionsforscher nicht erkennen können, dasjenige, was in den einzelnen Religionen als tiefstes Wahrheitsgut enthalten ist. Wovon geht die Geisteswissenschaft aus? Davon, daß die Menschheit ihren Ursprung genommen hat aus einem gemeinschaftlichen Gott und daß nur, wie in eine Anzahl von Strahlen gebrochen, verteilt ist eine Zeit hindurch auf die verschiedenen Völker und Menschengruppen jene Urweisheit der ganzen Menschheit, die aus dem gemeinsamen Gottesursprung stammt.
Diese Urwahrheit und Urweisheit, ungetrübt durch dieses oder jenes Bekenntnis, wiederum aufzufinden und der Menschheit zurückzugeben, das ist das Ideal der Geisteswissenschaft. Daher kann sie auf die einzelnen Religionen eingehen. Sie schaut aber nicht auf die äußeren Riten und Zeremonien, sondern darauf, wie in dieser Religion ebenso wie in jener dieser uralte Weisheitskern enthalten ist. Die Religionen sind ihr so und so viele Kanäle, durch die sich in einzelnen Strahlen dasjenige ergießt, was einst über die ganze Menschheit gleichmäßig sich ergossen hat.
.
“Maar wat is het doel van spirituele wetenschap met betrekking tot de verschillende religies? Het zoekt naar iets dat buiten het bereik van de wetenschappelijke onderzoekers ligt, namelijk naar de essentiële waarheden in de religies.
Waar begint spirituele wetenschap? Uit het feit dat de mensheid is ontstaan uit een gemeenschappelijk god en dat een oerwijsheid die de mensheid als geheel toebehoort en voortkomt uit één Goddelijke bron slechts een tijd is verdeeld, als het ware, in een aantal stralen over de verschillende mensen en groepen van mensen op de aarde.
Het doel en ideaal van spirituele wetenschap is om deze oerwaarheid, deze oerwijsheid, ongekleurd door dit of dat specifieke geloof, te herontdekken en het opnieuw aan de mensheid te geven. Spirituele wetenschap is in staat om door te dringen tot de essentie van de verschillende religies omdat de aandacht ervan is gericht, niet op externe riten en ceremonies, maar op de kern van oerwijsheid in elk van hen. Spirituele wetenschap beschouwt de religies als zoveel kanalen voor de stralen van wat ooit in gelijke mate over de hele mensheid uitgestroomd is.” GA 130/279
Niet vertaald
In de Germaanse mythologie – de vertelstof van klas 4 – komen uiteraard vele namen voor. Een verklaring van die namen vind je hier.
Bij deze namen ontbreekt (o.a.) de naam ‘WELEDA’. Vanuit de antroposofie is destijds het farmaceutisch bedrijf ‘Weleda’ ontstaan. In het tijdschrift ‘Weleda’ wordt over dit ontstaan e.e.a. verteld waarbij tevens ingegaan wordt op de historische naam.
WAT BETEKENT DE NAAM WELEDA? .
In het voorjaar van 1920 hield Rudolf Steiner (1861 -1925) op verzoek van artsen in Dornach twintig lezingen over “Geesteswetenschap en geneeskunde” (De ”1e artsencursus”). Daarin werd de antroposofisch georiënteerde medische wetenschap als een weg ter verruiming van de geneeskunst op geesteswetenschappelijke grondslag beschreven. De cursisten wilden over de door Rudolf Steiner ontwikkelde nieuwe, aan de mens aangepaste geneesmiddelen kunnen beschikken. Dientengevolge ontstond het laboratorium, waar geneesmiddelen op de grondslag van antroposofisch inzicht konden worden vervaardigd, de “Internationale Laboratorien AG”, verkort ILAG genaamd. Reeds in de zomer van 1921 werden de eerste preparaten afgeleverd. Het abstractum ILAG werd echter als ontoereikend gezien – gemeten aan de idee, de taken en doelstellingen van de nieuwe onderneming – en daarom stelde Rudolf Steiner in september 1924 de naam WELEDA voor. Als reden van deze keus zei hij slechts dat “Weleda een Oud-Germaanse individualiteit was, die behalve met de geneeskunst ook nog met vele andere dingen te maken had.”
De geschiedenis kent een Weleda, die in de oorlog tussen Romeinen en Germanen (rondom 69 n. Chr.) politiek bemiddelde en daardoor ook de stad Keulen – een Romeinse nederzetting – wist te redden van de dreigende ondergang. Zij behoorde tot de Germaanse stam van de Bructeri, die in het gebied van de bronnen van de Lippe thuis waren. 1) In documenten van antieke schrijvers wordt deze Weleda herhaaldelijk genoemd. Zij werd door haar volk als een zieneres en profetes vereerd. Maagdelijkheid werd van het hoogste belang geacht en daarom leefde Weleda geïsoleerd in een hoge toren.
Dat zij over genezende vermogens beschikte, wordt nergens vermeld. Maar Rudolf Steiner kon als geestesvorser de occulte achtergronden van vroegere culturen onderzoeken en beschrijven. Daarmede doorgrondde hij ook de cultuur van de Keltisch sprekende Germanen, Galliërs, Britten en leren.
Voor deze oervolken, die nog waren ingebed in de eenheid van God en de natuur, was het verband van de mens met de natuur ook in gezondheid en ziekte vanzelfsprekend. Bij de verschillende volken en stammen ontstonden kleine groeperingen van leidinggevende priesters, ingewijden, die over grote helderziendheid beschikten en daardoor ook geneesmiddelen in de natuur konden vinden. Er waren ook vrouwen die dat konden. Zij werden “Weleda’s” genoemd. Zij werden door het volk diep vereerd. Het woord Weleda (in de klassieke Oudheid Veleda, in Gallië Velleda) is van Keltische oorsprong en betekent zieneres, profetes. Weleda was dus een bijnaam.
De naamgeving Weleda voor de onderneming die geneesmiddelen op basis van antroposofische inzichten vervaardigt, wil evenwel niet zeggen, dat hier wordt aangeknoopt aan het boven beschreven Keltisch-Germaanse verleden. Dat zou ook niet kunnen, omdat de oude vermogens van de mensheid reeds lang totaal verloren zijn gegaan. In de plaats daarvoor kreeg de mens in de afgelopen eeuwen de kans zich tot een in vrijheid beslissende individualiteit te ontwikkelen. In de Oudheid bestond er een groepsziel, die in zeker opzicht haar wetten van de priesters ontving en bezat men een occult weten omtrent de processen in de mens en de natuur. Thans is er een eenzijdige natuurwetenschap, waarvan de mens vaak slechts het object is, die ook voor de moderne geneeskunde intellectuele theorieën opstelt. Het geheim van het noodzakelijke evenwicht in het samenspel van lichaam, ziel en geest moeten artsen en farmaceuten door een strenge spirituele scholing weer trachten te ontraadselen. Van principiële betekenis is daarbij de morele houding en een verantwoordelijkheidsbewustzijn zoals dat in het verleden de priesterlijke artsen kenmerkte.
1) Een omvangrijke literair-historische beschrijving door Willem F. Daems en Bert Hecksteden
.
Een mededeling van een kinderarts, Weledaberichten nr 143, dec. 1987
.
SLAAPSTOORNISSEN BIJ KINDEREN
.
Wij maken in ’t algemeen een onderscheid tussen moeilijkheden bij het inslapen of tijdens de hele slaap. Beide vormen zijn, vooral bij kinderen, meestal een uitdrukking van een totale stoornis. Dit geldt ook voor chronische vermoeidheid, d.w.z. het onvermogen om volledig wakker te zijn. Wij moeten in samenhang met stoornissen van de slaap altijd bedenken, dat de slaap geen “activiteit”, geen organisch-fysiologisch proces zoals bijv. de spijsvertering is, maar een toestand van de totale mens gedurende een zich ritmisch herhalend tijdsverloop. Wat de slaap van de waaktoestand onderscheidt, is het feit dat denken, psychische en zintuiglijke gewaarwordingen in hun activiteit in hoge mate zijn onderbroken, terwijl de organen – hart, longen, maag, darmen, nieren, klieren – onafgebroken werken. Het leven in het organisme verloopt dus tijdens de slaap op praktisch dezelfde manier als in de waaktoestand; het wordt echter niet met ons bewustzijn doordrongen.
Gedurende de ontwikkeling van het kind treden er verschillende vormen van stoornissen van de slaap op. De verschijningsvorm ervan is afhankelijk van de constitutie en het karakter van het kind, voorts van het geboorteproces en van invloeden van de omgeving waarin het leeft.
Het slapen van kinderen en volwassenen verschilt principieel van dat van de zuigelingen tijdens hun eerste levensweken en -maanden. Meestal stuit men op de voorstelling dat het leven van de zuigeling alleen maar bestaat uit een regelmatige afwisseling van het opnemen van voedsel en slapen. Recente onderzoekingen evenwel hebben aangetoond, dat de ontwikkeling na de geboorte wordt gekenmerkt door min of meer onregelmatig over een etmaal verdeelde, relatief korte periodes van slapen en waken. De langste samenhangende slaapperiode, die in de eerste levensweek werd waargenomen, bedroeg 3 uur en 40 minuten. Typisch voor het gedrag in de slaap van de zuigeling is een onregelmatige, dikwijls snelle afwisseling van waken en slapen, zonder een duidelijk ritme en zonder enige geleding in het dagverloop. Pas langzaam, dikwijls met gekreun, allerlei bewegingen en diepe ademhalingen past zich het opgroeiende wezen aan het aardse ritme aan.
Vormen van onrust zijn een uitdrukking van de activiteiten van onze levens-, zielen- en geestelijke krachten, die in vaak op en af golvende aanpassingsprocessen de menswording mogelijk maken. Als die activiteiten de “normale” maat overschrijden, dan noemen wij dat geen slaapstoornissen.
Wij beschouwen dan deze toestand als de uitdrukking van een bemoeilijkte incarnatie. Men stelle zich de zuigeling voor: alles aan hem is rond – het grote hoofd, de buik, de naar het lichaam toegetrokken beentjes – alles vertoont bijna uitsluitend een “hoofd”, met alles wordt er waargenomen. Het hele organisme blijkt een zintuig te zijn, alles, van het hoofd tot in de tenen, is leven (de zuigeling spartelt met handen en voeten, als hij gretig drinkt aan de moederborst). Dit zintuigorganisme is nog een grote eenheid en dus nog lang niet gedifferentieerd. Stap voor stap, door het toenemen van het zielenleven (de eerste glimlach) wordt de baby aldoor meer wakker. De zintuigen ontwaken, allengs beginnen zij de omgeving waar te nemen. Als die ontwikkeling zich niet harmonisch voltrekt, dan kan het hierboven beschreven zachte gekreun, de subtiele veranderingen in de ademhaling zich verhevigen tot duidelijke onrust, schreeuwen en krampen. Vanuit het gezichtspunt van die levende, vormende, de ontwikkeling bevorderende slaap van de zuigeling wordt het begrijpelijk, dat elk kind zijn eigen ritmen heeft, dat gemiddelden van de waak-slaap-fasen en van hun duur voor het afzonderlijke kind niet gelden. Normaal gesproken verovert de zuigeling zoveel slaap als hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Wanneer kunnen wij van een gestoord ontwikkelingsproces spreken dat zich manifesteert in de slaap van de zuigeling? Enerzijds, als de fasen van de slaap duidelijk te kort zijn, anderzijds als het ontwaken gepaard gaat met schrik en geschreeuw. In deze gevallen komen alle mogelijke oorzaken: gasvorming, tanden krijgen, verborgen infecties (bijv. van de oren) in aanmerking of – last not least – een te onrustig verloop van de dag wat de zuigeling stoort tot in de nacht. In de eerste tijd van het aardeleven zijn korte ogenblikken van onrust – vooral bij het eerste kind – vanzelfsprekend: dikwijls zijn de ouders al bij het eerste gerucht bezorgd. Hoe rustiger men – natuurlijk met de nodige zorgvuldigheid – de zuigeling zich laat ontwikkelen, des te meer beloont hij de ouders met een ongestoorde nachtrust.
Als de onrust gepaard gaat met zweten, vooral tijdens het inslapen ’s avonds, dan moet de arts eerst stoornissen van de minerale stofwisseling (bijv. door niet of onzorgvuldig toegediende rachitisprofylaxe) of constitutionele bijzonderheden uitsluiten.
Dikwijls klagen ouders, dat hun zuigeling van de nacht een dag en van de dag een nacht maakt. Maar al te vaak, niet altijd, leven in dit geval de volwassenen “chaotisch”, d.w.z. zonder ritme. Regelmaat, bijv. door gelijke afstanden tussen de maaltijden, kan harmonie brengen in het verloop van dag en nacht, ook voor de zuigeling.
Een verdere oorzaak voor slaapstoornissen is de gewoonte van zuigelingen om steeds als ze ’s nachts wakker worden te willen drinken, hetzij uit de fles of aan de borst. Volgens mijn ervaring treedt deze storing meestal op bij zuigelingen, bij wie overdag het ritme van het drinken aan hen zelf wordt overgelaten. Hier is het zaak tussen de maaltijden een pauze van 3½ – 4½ uur te bereiken, ’s Nachts zou men, als het dan toch al nodig is, alleen maar water moeten geven.
Zuigelingen, die ouder zijn dan één jaar of kleuters kunnen vaak alleen maar in de armen van hun moeder of in haar bed inslapen. Aan deze gewoonte ging wel in de meeste gevallen een inbreuk vooraf in het harmonische verloop van de ontwikkeling, hetzij door een schok, hetzij door een ziekte. Hier is het van belang, door een gesprek met de arts de oorzaken te vinden en – dikwijls met behulp van een medicament – een weg te zoeken om het kind van zijn onzekerheid af te helpen. Van belang is, dat er bij deze nachtelijke onrust veel geduld en begrip wordt opgebracht door de ouders.
Met betrekking tot de gestoorde slaap van baby’s kan heel in ’t algemeen worden opgemerkt: niet zelden worden die kinderen in de nacht onrustig en schrikken zij op uit de slaap, als de dag was vervuld van onrust in de omgeving. Te veel en al te verschillende optische en akoestische indrukken, zenuwachtige ouders, onbeheerst optreden van de medemensen in hun omgeving bijv. beïnvloeden in hoge mate op ongunstige wijze de kwaliteit van de slaap van het kind.
Ook een al te overvloedige maaltijd, nog kort voor het naar bed gaan, is voor de slaap niet bevorderlijk, omdat de spijsverteringsorganen daardoor overbelast zijn. Steeds weer zien wij, dat dikke, plompe van beweging afkerige kinderen, die gauw gaan zweten, niet op de goede manier een toegang tot de slaap vinden.
Het meeste echter komt de angst voor, die als een grote, donkere wolk boven de hemel van het inslapen in de avond boven de kinderen hangt. Angst heeft, zoals wij dat uit andere situaties (bijv. astma) kennen, met de adem, de benauwdheid te maken. Bij het angstige kind, dat niet kan inslapen, ziet men de klassieke veranderingen van de ademhaling: de borstkas vernauwt zich, het middenrif wordt naar boven gedrukt, de spieren van de ademhaling komen in een kramptoestand, de ademhaling wordt flauw, het volume van de longen wordt minder. Het gevolg is: zuurstofvermindering, versnelling van de hartslag (”mijn hart klopt me in de keel”). Alle pogingen om het inslapen in deze situatie te bewerkstelligen zijn vergeefs. Natuurlijk vertonen niet alle angsttoestanden ’s avonds zulke krasse vormen, maar toch geven de meesten aanleiding tot een luidkeels geuite behoefte aan licht en de smeekbede, bij het inslapen niet alleen te worden gelaten. Het ene kind ligt, de hand van de moeder stevig omklemmend, onrustig in zijn bedje, het andere klimt er steeds weer uit, dikwijls met fantasievolle redenen; bij veel kinderen is de behoefte aan beschutting zo groot, dat ze bij de moeder in bed willen inslapen. Nu is het stellig gemakkelijker de oorzaken van een slaapstoornis aan te wijzen, dan raad te schaffen, hoe men een kind van deze, vaak alleen maar ’s avonds optredende angst kan afhelpen. Natuurlijk is het mogelijk en ook nodig, de oorzaken uit de weg te ruimen: dit echter heeft niet in alle gevallen onmiddellijk succes. Een warme drank met een beetje honing kan hier helpen.
Van oudsher is het, zowel voor gezonde als zieke kinderen, een beproefd middel om de dag altijd met een gesprek ’s avonds af te sluiten. De belangrijkste gebeurtenissen van overdag zouden nog een keer als beeld in de herinnering moeten terugkeren; wat mooi en goed is kan worden geprezen, misschien moet er een beetje worden berispt, in elk geval moet er altijd vergiffenis zijn. Een gebed of een lied besluit de kleine, intieme “plechtigheid”. Men kan zich als volwassene nauwelijks voorstellen hoe positief en genezend de krachten zijn, die van zo’n hulp van de ouders uitgaan voordat het kind de wereld van de slaap binnengaat. Ouders zouden er ook niet voor moeten terugschrikken over de beschermende werking van de engelen te vertellen: voor de meeste kinderen zijn engelen een realiteit en ze zijn dankbaar, als volwassenen aan hun wereld oprecht deelnemen. Bij kinderen die min of meer goed inslapen maar waarvan de slaap niet ongestoord verloopt, zien wij de meest verschillende varianten van onrust: schreeuwend wakker worden, gejammer dat in hevigheid kan toenemen als er geen aandacht aan wordt geschonken, verlangen naar eten, drinken of spelen, in het bed van de ouders slapen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Wij zien dan kinderen, die zich om allerlei redenen in de nacht niet volledig kunnen losmaken van hetgeen zij overdag hebben beleefd. Op de een of andere manier spoken er nog zintuigelijke indrukken, belevenissen, gevoelens in hun binnenste waarvan zij zich in de nacht niet volledig kunnen bevrijden.
Dan wordt het gesprek met de arts nodig, die samen met de ouders probeert de oorzaken te vinden en die kan aangeven hoe zij door hun gedrag ertoe kunnen bijdragen om uit de crisis te komen. De arts zal ook proberen een beeld van de disharmonie te verkrijgen een een therapie te vinden. Er staan vele geneesmiddelen ter beschikking (dit geldt voor alle hier besproken stoornissen). Het is evenwel voor de arts niet altijd eenvoudig, het voor ieder kind juiste medicament te vinden.
. In de ‘Algemene menskunde’ komt het wakker-zijn en het slapen als bewustzijnstoestanden in de 6e voordracht aan bod. Onderstaand artikel belicht deze aspecten vanuit een bepaalde invalshoek die hert begrijpen van de inhoud van voordracht 6 kan ondersteunen. Tevens komen er weer begrippen aan bod die al eerder werden besproken.
.
Dr.med. Olaf Titze, Weledaberichten nr. 143, dec 1987
.
WAKEN EN SLAPEN
.
Wie wel eens nadenkt over waken en slapen, doet de verbazingwekkende ontdekking, dat hij, afgezien van de slechts seconden durende dromen, ongeveer een derde van zijn leven letterlijk heeft verslapen – dat anderzijds zijn herinnering hem de continuïteit van zijn levensloop laat zien die niet door de periodes van de slaap is onderbroken. Ondanks de onderbrekingen door de slaap die aan ons gewone bewustzijn worden onttrokken, beleven wij dus onze levensloop als een eenheid en wel in dubbele betekenis, nl. zowel met betrekking tot het beleven van de buitenwereld als ook wat het beleven van onszelf betreft. Het bewustzijn knoopt a.h.w. elke morgen weer aan waar het ’s avonds bij het inslapen is opgehouden. Daaraan zijn wij gewend en wij denken er niet verder over na dat het ook anders zou kunnen zijn; dat bijvoorbeeld bij bepaalde hersenbeschadigingen allerlei periodes van de herinnering zouden kunnen verdwijnen of, wat nog ernstiger is, de mens door een onderbreking van zijn bewustzijn niet meer in staat is om zijn identiteit te vinden. Ook blijft het een open vraag of er gedurende de slaap helemaal geen bewustzijnsbelevingen zijn. Voor de periodes van de droom zijn er wel belevingen in de vorm van beelden, die men zich echter heel vaak na het ontwaken niet meer kan herinneren.
Hoe echter is het met het bewustzijn gesteld in de periodes van de diepe slaap? Bestaat er daar geen bewustzijn of kunnen belevingen in die tijd alleen maar niet worden herinnerd? In welke wereld leeft de menselijke ziel tijdens de slaap? In de laatste tijd zijn immers de belevingen van schijndoden bekend geworden, die zelfs later kunnen worden herinnerd. (G. Ritchie – “Terugkeer uit de dood”) Het is mogelijk, dat de mens, als hij slaapt net op dezelfde manier een wereld binnengaat – maar een andere – als hij bij het ontwaken in een wereld binnenkomt die voor de fysieke zintuigen toegankelijk is. Stellig moet de vraag omtrent het bewustzijn geheel nieuw worden gesteld als men aan de realiteit recht wil doen wedervaren en zeker zijn er naast de ziekelijke bewustzijnsveranderingen ook nog de meest gevarieerde belevingsgebieden die zich onttrekken aan de fysieke zintuigen en aan het normale verstand. Van wetenschappelijk en dus van algemeen belang zou de vraag echter pas zijn, als men de voorwaarden zou kunnen doorzien die gelden voor verruimingen van het bewustzijn.
In de moderne geesteswetenschap van Rudolf Steiner, de antroposofie, werden die voorwaarden beschreven. (Vgl. Rudolf Steiner “Occulte fysiologie”, 2e voordracht en ”De weg tot inzicht in hogere werelden”)
Terwijl aan het gewone, dagbewustzijn volgens Rudolf Steiner afbraakprocessen ten grondslag liggen, die uiteindelijk ook tot de noodzaak van het uitblussen van het bewustzijn en het op gang brengen van regeneratieprocessen tijdens de slaap leiden, is het helderziende bewustzijn van zodanige aard, dat het door een geestelijke scholing tot een soortgelijke bevrijding van het psychisch-geestelijke deel uit het lichaam van de mens leidt zoals dat in het gewone leven tijdens de slaap gebeurt. Er moet evenwel de nadruk op worden gelegd, dat het bij deze scholing niet om allerlei ondoorzichtig mystiek gedoe maar om een exact controleerbare scholing van het bewustzijn gaat. Er bestaat dus volgens de gegevens van de geesteswetenschap inderdaad een weg om ook overdag bewust de wereld van de slaap te betreden. Een terugblik ’s avonds op de gebeurtenissen van de dag, een gebed of een meditatie zijn daarvoor werkzame voorbereidingen. De vraag omtrent het bewustzijn is de ene kwestie die ons bezighoudt als wij over waken en slapen nadenken. De andere is, dat het daarbij duidelijk om een ritmisch gebeuren gaat. Het behoort tot de meest fundamentele ontdekkingen van onze eeuw, die in 1917 in artikelen onder de titel ”Von Seelenrätseln” [GA 21, niet vertaald] door Rudolf Steiner werden gepubliceerd, dat als de fysiologische basis van denken, voelen en willen drie verschillende functiesystemen in het menselijke organisme kunnen worden gezien: het zenuw-zintuigsysteem voor het denken, een ritmisch systeem voor het voelen en een stofwisselings-ledematensysteem voor het willen. Vanuit dit gezichtspunt zouden waken en slapen als ritmisch gebeuren ook een grondslag zijn voor het voelen.
Men beleeft immers juist het voelen net zo gepolariseerd als men de polen ervaart waartussen zich een ritme ontwikkelt. Elk gevoel is op de een of andere manier in de richting van sympathie of antipathie gekleurd. Treffend drukt Goethe dit uit in dichtvorm als hij spreekt over het ritmische proces van het ademhalen:
”lm Atemholen sind zweierlei Gnaden,
die Luft einziehen, sich ihrer entladen,
jenes bedrangt, dieses erfrischt,
so wunderbar is das Leben gemischt.
Du danke Gott, wenn er dich presst
und dank ihm, wenn er dich wieder entlasst.”
Goethe, J. W., Gedichte. West-östlicher Divan, 1814 – 1819. Buch des Sängers
De inademing wordt als antipathiek, de uitademing als sympathiek gevoeld. Als men dit gezichtspunt toepast op ontwaken en inslapen, dan beleeft de volwassene het wakker worden antipathiek, het inslapen sympathiek gekleurd. Het aangolven van de zintuigprikkels benauwt in de zin van Goethe. De ontspanning bij het inslapen verkwikt.
In voordrachten van Rudolf Steiner over heileuritmie wordt het proces van de zintuigactiviteit, bijvoorbeeld het luisteren, als een subtiel inslapen, het proces van het begrijpen van hetgeen werd gehoord, als een subtiel ontwaken beschreven. Ook binnen het zenuw-zingtuigstelsel treedt dus, wat de functie daarvan betreft, de polariteit weer aan de dag, waarbij de zintuigfunctie meer het aspect van de slaap, de zenuwfunctie het wakker-zijn vertegenwoordigt.
Ten slotte de activiteit van het stofwisselingssysteem en van de ledematen.
Dit systeem heeft te maken met het willen, d.w.z. door de activiteit van de stofwisseling en de ledematen kan de mens in de wereld daden verrichten. Normaliter slaapt de mens voortdurend met betrekking tot de functies van zijn stofwisselingsorganen of van zijn ledematen. Door een ziekte kan dit evenwel snel veranderen, bijvoorbeeld bij een koliek of spierkramp. Maar hierover willen wij het niet hebben. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het willekeurige en het onwillekeurige spierstelsel. Op het onwillekeurige spierstelsel heeft het bewustzijn van de mens geen directe invloed. Het willekeurige spierstelsel, nl. dat van zijn bewegingsorganen kan hij spannen of ontspannen, hij kan er handelingen mee volbrengen of nalaten, die hij in zijn bewustzijn controleert. Weer andere voltrekt hij, en dat zijn de meeste, zonder dat hij zich daarvan volledig bewust is. Maar zelfs bij de handelingen, die door het bewustzijn worden gecontroleerd, is het in de grond niet het verloop van de bewegingen op zichzelf, die men zich bewust maakt, maar alleen de doelgerichtheid. Het bewustzijn geeft aan de beweging een richting, een doel. Dit is aan het motief van de handeling gekoppeld, waarin o.a. ook de moraliteit van de mens is betrokken. De wezenlijke kern van de mens, zijn ik is het dat wij met het oog op waken en slapen vanuit deze drie gezichtspunten bekijken:
1e vanuit het gezichtspunt van verschillende bewustzijnstoestanden,
2e vanuit het gezichtspunt van een ritmisch zich verenigen met en weer losmaken van het lichaam,
3e als een min of meer bewust handelend wezen.
Bij het optreden van slaapstoornissen is het van belang, deze drie gezichtspunten in het oog te vatten. Er is bijv. een groep van slaapstoornissen, waarvan de oorzaak ligt in een voortzetting van het dagbewustzijn: de mens kan niet “uitschakelen”. Dan is het ’t beste, om eerst de gebeurtenissen van de dag nog eens in omgekeerde volgorde van de avond tot de ochtend na te gaan, zonder daarbij aan bijzonderheden te blijven haken. Men kan daarna misschien iets opbouwends lezen of zich concentreren op een bepaalde gedachte of een gebed.
Als medicament kunnen hier preparaten met lood, vervaardigd op een speciale manier, hulp bieden.
Een andere groep van slaapstoornissen berust op stoornissen in het ritmische systeem. Het hart kan bijv. in vergelijking met de ademhaling veel te snel kloppen. Men spreekt dan van hartkloppingen. Dit kan psychische maar stellig ook lichamelijke oorzaken hebben, bijv. hoge bloeddruk. In elk geval bestaat er innerlijke onrust of angst. De lichaamsritmen komen weer in harmonie o.a. doordat men van kunst geniet of, beter nog, zelf kunstzinnig bezig is. Deze stoornissen kunnen medicamenteus worden verholpen door bepaalde speciaal bereide plantaardige- en goudpreparaten.
De derde groep van slaapstoornissen staat in verband met ons stofwisselings- en bewegingssysteem. Stellig zijn er op dit gebied ook een hele reeks van organische oorzaken waarvoor een speciale behandeling nodig is, maar er liggen ook dikwijls oorzaken diep in het emotionele gebied – alle mogelijke belastingen van het geweten, schokkende gebeurtenissen, verdriet, nalatigheden, kwalijke ondoordachte daden enz.
Hier kan de bewuste daad uitkomst bieden. Men probeert bijv. verschillende keren per dag zich van het bewegingsproces bij het lopen bewust te worden, d.w.z. heel bewust te lopen, de voet van de grond te tillen, hem naar voren te brengen en daarna weer bewust neer te zetten, enz.
Dikwijls vinden patiënten baat bij de toepassing van zilverpreparaten als medicament. Als zulke aanduidingen in de richting van medicamenteuze therapie worden gemaakt, is dit op geen enkele manier een pleidooi voor het zelf hanteren van medische voorschriften. Het gaat er hier veeleer om dat er begrip voor wordt gewekt als de arts i.p.v. een gangbaar slaapmiddel speciale preparaten toepast die aangepast zijn aan het wezen van de mens. De algemene hygiënische aanwijzingen kunnen evenwel, mits consequent toegepast, dikwijls een belangrijke hulp bieden.
In de volgende artikelen wordt beschreven, hoe het probleem van waken en slapen, dat hierboven principieel werd behandeld, met betrekking tot kinderen en bejaarden op een andere manier verschijnt. [nog niet oproepbaar]
Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (april 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.
.
Pinksteren
Verbinding tussen hemel en aarde met Pinksteren staat beschreven in het N.T. van de Bijbel, dat : “de Geest daalde ‘gelijk een duif‘ op Hem neer”, dan wordt hier ook iets specifieks mee bedoeld en aangeduid. De meeste vogels dalen in glijvlucht; de duif kan zich echter loodrecht naar beneden laten zakken. Zij maakt dus een héél directe verbinding tussen boven en beneden, ‘De Geest daalt neer gelijk een duif’ kunnen we dan begrijpen. Duiven werden , in vroegere tijden, nog voor het Pinksteren zoals in de bijbel wordt aangeduid, wel ‘gasten van de goden’ genoemd, niet verwonderlijk als we ons een voorstelling proberen te maken van de oude tempels, waar in de verweerde muren, verscholen in holen en gaten, honderden duiven huisden die voortdurend af en aan vlogen, als boden van de goden. In het Oude Testament bracht een duif aan Noach het reddende bericht. De duif met een takje mét blaadjes. In Spanje was er in de Middeleeuwen een orde die zich ‘De Ridders van de Witte Duif’ noemde. De leden droegen een witte duif op schild, zadeldek en wapen. Zij volgden het gebod overal te helpen waar vervolgden en onschuldig lijdenden in nood waren, Zij behoorden tot het Graalridderschap en streefden ernaar, door zelfoverwinning de lage driften te veranderen in geestelijke kennis over zichzelf. Is de duif ook niet de belangrijkste bode van de geest in het Graalsverhaal? Ooit verloor Lucifer een robijn uit zijn kroon. De Graalschaal werd uit deze kostbare steen geslepen. Jozef van Arimathea ving hierin tijdens de kruisiging het bloed van Christus op. Later kreeg Titurel de schaal, en het verhaal vertelt hoe een duif ieder Goede Vrijdag opnieuw naar beneden daalt en een hostie legt in de Graalkelk, waardoor deze gaat stralen met een bovenaardse glans. Rudolf Steiner zei: “De vogel houdt verband met de engelhiërarchieën. Wij mensen moeten weer leren op te nemen wat ons uit hogere sferen tegemoet komt. Zoals de priesters in de oudheid iets konden opmaken uit de vogelorakels, zo kunnen wij weer leren luisteren naar de vogelstemmen van de geestelijke inspiratie.” Veel sprookjes geven in beelden geestelijke werkelijkheden weer, en spreken zo een ‘Pinkster-taal ‘ die ieder vanuit zijn eigen taal verstaan kan. Hun christelijke boodschap vinden we in het beeld van het witte duifje vaak terug, bv. in het sprookje ‘De Drie Talen’. Alles wat de beproefde hoofdpersoon als nieuwe Paus aan de mensen te zeggen heeft, wordt hem door twee witte duiven, links en rechts op zijn schouders gezeten, ingegeven. In ‘Hans en Grietje ‘ zit het witte duifje op het dak om Hans vaarwel te zeggen. Hun weg, door broodkruimels gemarkeerd, voert dóór het heksenhuis en door een scheiding van elkaar heen, terug naar het vaderhuis, dat zij met hun vergaarde schatten: parels en edelstenen (doorzichtig geworden materie) verrijken. Waarom zou dat duifje op het dak wel genoemd worden? Witte duifjes hielpen Assepoester in haar moeizame keukenmeidenbestaan. Als zij voor de eerste maal met de prins gedanst heeft, verbergt ze zich in de duiventil. En aan het slot van het sprookje zijn het weer de twee witte duifjes die de prins de waarheid toeroepen als hij met zijn nieuwe bruid langs het graf van Assepoesters moeder bij de hazelaar rijdt. Ten slotte: toen Doornroosje achter de doornhaag ontwaakte voor een nieuw leven met haar prins, trokken de duiven op het dak hun kopjes onder hun vleugels vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, als boden om de wereld te vertellen dat de mens voor een hoger bewustzijn ontwaken kan.
De witte vogel
Niet altijd wordt specifiek de duif genoemd. Er is ook vaak sprake van de hulp van een wit vogeltje. Een wit vogeltje in de hazelaar bij haar moeders graf werpt steeds dat voor Assepoester naar beneden wat zij zich wenst: glanzende gewaden van goud en zilver, muiltjes van goud om op het feest met de prins te dansen. Ook in ‘Hans en Grietje’ verschijnt als de nood het hoogst is en ze totaal verdwaald zijn, een klein wit vogeltje dat een heel schoon lied zingt en hen verder leidt en daardoor het lot een wending ten goede geeft. Later neemt een wit eendje deze taak over en zwemt hen over het water naar huis, hun hemelse thuis. Het is alsof dit witte dier, dat zich zowel op het land als in het water en de lucht thuis voelt, hun iets te leren heeft.
En hoe is dat met de zwaan?
Zwanen tonen ons de gereinigde ziel van de mens die, zich stil in het Geestesmeer spiegelend, het bewustzijn steeds in hogere werelden opheft. Zingt een zwaan zijn zwanenzang niet door tot in de dood? En beteugelt Lohengrin zijn zwaan niet door te luisteren naar de zwaan in zichzelf? Zangvogels: zij tonen ons het beeld van onze van vreugde zingende ziel die, zegevierend over alle zwaarmoedigheid, op kan stijgen tot de hoge wijde ruimte van de geest en de etherwereld. De etherwereld die als kwintessens de vier elementen aarde, water, lucht en vuur doordringt als vijfde element van hogere aard. “Zing mij o Muze…” sprak de Griekse dichter. De dichter was voor de Griek gelijk de zangvogel: uit beiden sprak God/de Muze. Mens en vogel zijn immers de enige wezens die stemtonen kunnen voortbrengen. De vogels zijn door doorlaatbaarheid van hun schedeldak veel meer dan de mens met de zon verbonden, waardoor ze onmiddellijk reageren als de zon op of onder gaat met hun jubelzang. In het Perzisch betekent het woord ‘murgh’ ziel én vogel tegelijk; en in de Egyptische hiërogliefen wordt de ziel ook als vogel uitgebeeld, vaak als ibis, waaruit de heilige zielenstemming spreekt. De ziel van een dode kan immers als een vogel het lichaam verlaten. De vogel herinnert ons van alle dieren het meest aan onze afkomst en verwantschap met de geest, en daarom hoort het witte vogeltje bij Pinksteren, tot aan het Oudhollandse ganzenbord toe, waarin de witte gans ons door gevangenis en put, naar het middelpunt, het labyrint leidt, naar de overwinning op onszelf.
Voor het volledige artikel ga naar : ” Het Zonnejaar”.
Op veel vrijescholen wordt het Pinksterfeest gevierd. De kinderen dansen om de meiboom, er is een pinksterbruid en een pinksterbruidegom en iedereen is in het wit gekleed. Elke keer weer word ik ontroerd door de speciale sfeer die dit feest uitstraalt. Maar wat vieren we nu eigenlijk met Pinksteren? Pinksteren is een christelijk feest, maar ook voor de geboorte van Christus werden er al Meifeesten gevierd. De Germanenvierden feest om de komst van de zomer te vieren. Ook toen al was er een pinksterbruid, als symbool voor vruchtbaarheid en groeikracht. Het christelijke feest Pinksteren is afgeleid van het Griekse Pentecostes, dat betekent 50ste dag. Het Pinksterfeest wordt 50 dagen na Pasen gevierd. Met Pasen stond Christus op uit de dood en bleef 40 dagen zichtbaar voor zijn volgelingen. Tien dagen later is het Pinksterfeest en wordt herdacht dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen. Hoe kunnen we dit feest nu vieren? Hoe kunnen we dit vormgeven in de huidige tijd? Ook als de christelijke betekenis van Pinksteren je misschien niet zo veel zegt? Het vieren van Pinksteren vraagt veel meer van de mens, dan het vieren van Kerstmis en Pasen. Er zijn geen volle, versierde etalages, geen commercie, geen folders in de brievenbus die je op weg helpen. Pinksteren zullen wij zélf moeten invullen! Er wordt dus een beroep gedaan op de scheppende geest van de mens. De bloemen, die tijdens het Pinksterfeest gedragen worden, zijn dan ook door de mens zelf gemaakt, van papier. Pas op het feest van Sint-Jan dragen we de bloemen uit de natuur, ten teken dat de zomer er is. Met Pinksteren is iedereen in het wit gekleed. Wit als symbool van reinheid en schoonheid. De witte duif is het symbool van de verbinding tussen hemel en aarde (de Heilige Geest). In de kleuterklassen is er een Pinksterbruid en een Pinksterbruidegom. Een bruiloft, symbool van vruchtbaarheid en verbintenis. De natuur wint aan scheppingskracht, er heerst vreugde. De meiboom is het symbool voor de boom, de plaats van ontmoeting. Deze wordt door de mens zélf opgericht tussen hemel en aarde. Hij is getooid met linten als takken, een mooi beeld voor de opgerichte houding van de mens. De linten zijn de verbinding tussen hemel en aarde. De linten, die verweven worden in de Pinksterdansen. Een mooi beeld vind ik dat je op aarde lopend met het lint, iets veroorzaakt, dat boven je hoofd, in hogere sferen, gevolgen heeft, ook voor anderen (een knoop in je vlechtwerk, bijvoorbeeld!). Pinksteren is een feest van verbondenheid met elkaar, van je realiseren dat datgene wat een individu doet, gevolgen heeft voor het geheel, voor de toekomst. Met dat in je achterhoofd is het nog specialer om naar die dans om de meiboom te kijken! Susan Sneijders-van Eijk
Liedje en Kringspel: Hier is onze fiere Pinksterblom. En ik wou hem zo graag eens wezen! Met zijn groene kransen op het hoofd en met zijn klinkende bellen. Recht is recht, krom is krom! Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom? Want de fiere Pinksterblom moet voortgaan!
De kinderen staan met de handen los in een kring, en zingen: Hier is onze fiere Pinksterblom. In het midden loopt een kind, dat op het hoofd een bloemenkrans draagt en in de hand een klein belletje. Het kind in het midden laat de bloemenkrans zien bij met zijn groene kransen op het hoofd en rinkelt met de bel bij en met zijn klinkende bellen. Bij recht is recht klappen de kinderen in de kring in hun handen; bij krom is krom buigen zij voorover. Bij de laatste regel van het lied staat het kind in het midden van de kring stil voor een ander kind, dat nu de bloemenkrans en de bel krijgt, waarna het spel opnieuw begint. Pinksteren is een van de belangrijkste christelijke feesten van het jaar. We vieren het vijftig dagen na Pasen en tien dagen na Hemelvaart, en herdenken het als ‘uitstorting van De Ziel van Christus’. Het Pinksterfeest werd ook al bij veel heidense volkeren gevierd, als een feest dat met de bloei en ontwikkeling van de natuur verbonden was. In de loop der eeuwen zijn de elementen uit de niet-christelijke en christelijke Pinksterfeestvieringen samengevoegd. Pinksteren is een feest van licht, lucht en kleur geworden, van vogels en van bloemen. In streken waar Pinksteren nog als volksfeest gevierd wordt, kun je de Pinksterbruid vinden, getooid met bloemen. In vele kleuterklassen wordt de Pinksterbruiloft gevierd.
Pinksteren in de kleuterklas
In de kleuterklassen vieren we Pinksterfeest, de vrijdag voor Pinksteren. Er is een pinksterbruidspaar [vaak oudste jongen en meisje [[de kinderen dus met wie de leidster al een lange verbinding heeft]]]. De kleuters en juffies zijn allen gekleed in het wit. Er staat een speciaal plaatsje klaar voor het bruidspaar: witte troon met een dakje [schommelboot, bankje, hemeltje erboven, allemaal wit.] op dit speciale plaatsje zijn ook een sluier en strop-strik te vinden [door leidster genaaid] en een bellenstok. De bruid en bruidegom hebben van het duifje [hebben ouders in een envelop meegekregen van de leidster:] een zakdoekje voor het bruidje en een bellenketting [grote bel aan gouden lintje] voor de bruidegom. De leidster geeft deze envelop mee in de loop van de pinksterweek. Het tafeltje in het midden van de kring: ook wit kleedje, met een vaasje voor het boeketje van de bruid [zij krijgt die van de bruidegom] de bruid neemt een corsage mee voor de bruidegom, witte kaars in kandelaar. Alle kleuters krijgen een hoofdtooi van crêpepapier.
Voorbereidingen: Pakketjes maken van crêpepapier, belletjes, rimpelelastiek, stickertjes met naam, zakjes, vloeipapier voor bloemetjes, werkbeschrijving. Leidsters leggen alle materialen bij elkaar en klassenmoeder verdeelt verder aan de ouders die thuis de band gaan maken. Ouderbrief opstellen. Brief opstellen bruidspaar. Maandags ligt er op het middelste tafeltje een speciaal briefje klaar, waarin vermeld staat dat het gauw pinksterfeest is, wie het bruidspaar wordt en dat alle kinderen welkom zijn op het feest. [Briefje in de vorm van een hartje bijvoorbeeld betekend met bloemetjes.] Seizoen tafel: lichte lentekleurtjes, papieren bloemen [ook in de klas in vaasjes op tafel], pinksterbruidspaartje [eventueel met bruiloftstoet erachteraan.], poortje waar bruidspaartje onderstaat [met papieren bloemetjes, klein wit duifje], vijvertje met zwanen. Klas versierd met witte papieren duifjes, papieren bloemen, Dag zelf: Tafels zijn gedekt met witte lakens, lopertjes, papieren bloemen, hoofdtooien liggen klaar op de tafels, bordje, bekers en servetten staan ook klaar op de tafel. Kleine waxinepotjes met bloemetjes of lichte lentekleurtjes. Op het aanrecht is plaats voor de luilakbollen door ouders die ochtend in te leveren. Stroop , honing staat klaar. Gordijnen zijn gesloten, kaars op het middelste tafeltje brandt, kleuters komen binnen, zoeken hun stoel op, op de seizoentafel staat het bruidspaartje onder het poortje. Bruiloftsplaats is klaar met al het eerder genoemde. [ alles wordt klaargezet op donderdags voorafgaande aan het Pinksterfeest. Veel aandacht gaat hier in zitten. In de verschillende hoeken staan activiteiten klaar voor de kinderen voor na het dansen op het kleuterplein [ tekenen, bouwen, puzzelen, mandala kleuren of leggen enz. Kleuters komen binnen, ouders van bruidspaar mag even blijven helpen met de hoofdtooien omdoen van alle kleuters. 9.00 uur gaat de stoet uit beide klassen op weg naar buiten, waar de ouders en leerlingen van school staan te wachten in een haag: zij zingen pinksterliedjes.
Kleuters gaan onder de rozenpoort door naar kleuterplein om daar kringspelen met beide kleuterklassen te doen [ hier is onze fiere pinksterblom, voor mijn venster vliegt een duifje, we maken een kringetje, ik heb een mooie bloemenmand, daar liep een aardig meisje enz. leidsters hebben afspraken gemaakt welke liedjes] op Vrijeschooliederen staan nog meer liedjes. Na het dansen op het plein gaan we naar binnen om te spelen, in de hoeken. Daarna opruimen en eten: aan de gedekte tafels. Na het eten gaan we naar het grote plein om daar te luisteren, te kijken en uiteindelijk mee te dansen met: Joepie, Joepie is gekomen… Kinderen hoge klassen hebben banken neergezet voor kleuters. Als kleuters onder de rozenpoort doorgaan, dan wordt er gezongen door alle aanwezigen.: “Hier is onze fiere pinksterblom.” Alle kinderen en leerkrachten van school zijn gekleed in het wit en getooid met een gevlochten lichtgroene crêpepapieren band met bloemen of belletjes, Echte duifjes worden opgelaten, door de jongste en oudste leerling van school.
Kinderen dansen rond de meiboom, de pinksterzon brengt ons allen samen [als de blaadjes van een madelief=meizoentje].
Pinksteren valt meestal tussen half mei en half juni. Waar dit feest eigenlijk over gaat, is voor veel mensen vervaagd, maar toch lijkt er rond de pinksterdagen wel altijd iets feestelijks in de lucht te hangen. In sommige regio´s bestaat de traditie om een pinksterbruid te kiezen en op vrijescholen kiezen de kinderen een bruid én bruidegom. Waar komt de bruidsstemming vandaan die laat in de lente over de natuur komt? Tekst: Tineke Croese Beeld: Fokke van Saane
In de prille lente, zo rond Pasen, wordt de natuur voorzichtig groen. Zeven weken later is het Pinksteren en staat alles volop in bloei. Als fijn kantwerk omzoomt het fluitekruid de zilverglinsterende sloten, de fruitbomen dragen prachtige sluiers van tere, zacht gekleurde bloesem. Wakker gekust door haar bruidegom de lentezon tooit de natuur zich als bruid. En ja, vroeger kwamen na de bruiloft de kinderen. Als hemel en aarde bruiloft vieren, als de aarde zich in bloesems opent voor de stralen van de zon, dan leidt dat, heel prozaïsch, tot bevruchting en vruchtzetting. Elk jaar belooft de bruiloft tussen hemel en aarde een nieuwe oogst.
De fiere pinksterblom
Omdat een goede oogst vroeger heel belangrijk was, was de bruiloft tussen hemel en aarde een heilig ritueel. Elk dorp koos een pinksterbruid- of blom. Zij symboliseerde de ziel van de dorpsgemeenschap die zich opende voor hemelse krachten: in milde regen en zachte zonneschijn daalde de bruidegom af naar de aardebruid. Het hele dorp was bij dit vruchtbaarheidsritueel betrokken. Daarom werd de pinksterbruid in de vroege ochtend van Pinksteren van huis tot huis gedragen en stond elk gezin (tijdelijk) een sieraad aan haar af. Want hoe rijker de bruidstooi was, hoe rijker de oogst zou zijn. Op het eerste gezicht lijkt het christelijk pinksterfeest ver af te staan van wat in de natuur gebeurt en van vruchtbaarheidsrituelen. Met Pinksteren herdenken we dat Christus na de opstanding niet van de aarde verdween, maar een andere gedaante aannam. De twaalf leerlingen laten plaatsvervangend zien dat alle mensen Christus kunnen gaan ervaren als een troostende of inspirerende innerlijke kracht. Die kracht, die als de Heilige Geest uit hemelse hoogten op de leerlingen neerdaalt, wordt vaak verbeeld als een duif. Maar als de Heilige Geest wordt opgevat als inspiratie door hemelse wijsheid, dan wordt ze voorgesteld als de hemelse jonkvrouw Sophia die van bovenaf haar licht op de leerlingen laat schijnen. Er is dus toch een parallel met het natuurgebeuren: als het Pinksteren is, stellen we ons open voor een uit de hemel neerdalende kracht die inspireert en op die manier ‘bevruchtend’ werkt. In voorchristelijke culturen zagen de mensen de hele natuur als een openbaring van goddelijke wijsheid. Die goddelijke wijsheid openbaarde zich ook aan de mens, en wel in de vorm van recht en wet: die moesten de harmonie en vrede tussen mensen waarborgen. In de pinkstertijd kon iedereen, en vooral de sociaal zwakke, zich over geleden onrecht beklagen. Ten overstaan van het hele dorp werd dan recht gesproken onder de boom op het dorpsplein ‒ vaak een es of een linde ‒ die hemel en aarde met elkaar verbond. De ‘bruiloft’ tussen hemelse wijsheid en aardse rechtvaardigheid leidt tot harmonie in de mensengemeenschap. Uit vele richtingen zijn wij gekomen… In het pinksterverhaal uit de Bijbel speelt bij de vereniging, de bruiloft tussen aardse en hemelse krachten de wisselwerking een rol tussen de individuele mens en de gemeenschap die hij met andere mensen vormt. Het pinkstergebeuren leidt tot het ontstaan van nieuwe gemeenschappen. Geïnspireerd door de Heilige Geest waren de leerlingen in staat zo te spreken, dat iedereen hen verstond. Iedereen hoorde hun woorden in zijn eigen taal. In het oudtestamentische verhaal over de Toren van Babel raakten de mensen van elkaar vervreemd doordat ze verschillende talen gingen spreken. In het pinksterverhaal is het andersom: daar komen mensen tot elkaar, omdat ze geen taalverschil meer ervaren. Later trekken de leerlingen in alle richtingen weg om overal gemeenschappen te stichten waar mensen vanuit de verbindende kracht van Christus konden leven. Een ander aspect van Pinksteren is dus het vormen van nieuwe gemeenschappen. Dat maakt Pinksteren een feest voor deze tijd en voor de samenleving in Europa. Alleen is de beweging omgekeerd: de leerlingen trokken vanuit een centrum ‒ Jeruzalem ‒ in alle richtingen de wereld in, terwijl nu mensen uit alle richtingen naar een centrum ‒ naar Europa ‒ komen. Bovendien hebben veel mensen, van binnen of buiten Europa, zo hun eigen manier van leven. Onze samenleving is een lapjesdeken van allerlei culturen en individuele levensopvattingen aan het worden. Al die lapjes hebben een eigen schoonheid. Het is een uitdaging om te zorgen voor een deken die warm genoeg is voor iedereen, terwijl de schoonheid van de afzonderlijke lapjes toch behouden blijft. Het is een uitdaging om ons te laten inspireren door een kracht die mensen met elkaar verbindt. Alleen die geeft zicht op een toekomst vol vrede en harmonie. Dit artikel verscheen in Antroposofie Magazine.
LUILAKBOLLEN
Ingrediënten 750 gram bloem 3 mespunt zout 3,75 deciliter melk 75 gram gist 150 gram boter 150 gram krenten 150 gram rozijnen 3 theelepel kaneel 3 ei stroop of bruine suiker om over de broodjes te doen.
Bereidingswijze:
Zeef de bloem met het zout boven een kom. Verwarm de melk lauwwarm en los de gist op in wat lauwe melk. Smelt de boter in een pannetje en laat het afkoelen. Maak een kuiltje in de bloem en giet er de gistoplossing en de gesmolten boter in. Kneed alles tot een soepel deeg en laat dit – afgedekt met een vochtige doek – 1 uur op een warme plaats rijzen. Was de krenten en de rozijnen en laat ze goed uitlekken. Kneed de krenten en de rozijnen vervolgens door het gerezen deeg en maak van het deeg 30 bolletjes. Beboter een bakplaat, leg de bolletjes erop en druk ze een beetje plat. Knip het deeg met een schaar op gelijke afstand viermaal in. Laat dan de bollen nog eens 30 minuten rijzen. Klop het ei los en bestrijk daarmee de bovenkant van de bolletjes. Bak de broodjes in een voorverwarmde oven (225 graden C) in 15 minuten gaar en bruin.
Draaiend pinksterpaar
Gerrie Delen
Zoek of maak een boomschijf (1) en knip een kartonnen schijf (2). Buig van ijzerdraad een poortje en prik het ene uiteinde door het karton in het hout, het andere alleen in het hout. Versier het en beplak de kartonnen schijf met iets groens. Maak nu een bruidspaartje en bevestig dat op de kartonnen schijf. Laat bruid en bruidegom statig onder het rozenpoortje doorschrijden!
Kleine pinksterknutsels
Om de eerste bloempjes in het vroege voorjaar goed te kunnen zien, moet je heel diep bukken: de sneeuwklokjes, de krokusjes – ze bloeien vlak op de grond. De narcissen die volgen zijn al hoger, dan komen de tulpen en daarna de vele bloeiende struiken. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is vooral die van de bloeiende bomen – nu moet je je helemaal oprichten en omhoog kijken om bloemen te zien! Bij de kastanjes reiken de bloesems zelfs boven de kroon uit. Het is ook de tijd van de vogels! De lucht is vol van hun activiteit: gevlieg en gezang. En vlinders! De vlinders zijn uit hun nauwe poppen gekropen en dansen stralend en gewichtloos door de lucht. De hele sfeer van de aarde ademt blijheid. En de toekomst wordt voorbereid. De ‘paaseitjes’ zijn uitgekomen, de bijen zoemen om de bomen, de vruchtbeginsels zetten zich en de bloesemblaadjes vallen als een tere regen omlaag. Pinksteren kunnen we versieren met vogels, vlinders en bloesemboomkronen.
Vogeltje
=Knip uit dubbelgevouwen stevig papier een vogeltje, een wit duifje bijvoorbeeld (lengte snavelstaartpunt 8 à 9 cm). =Vouw een reep zijdevloepapier van 18 x 21 cm in harmonicavorm in de lengte. Knip hier een stuk van 6 cm af (voor de staart) maak een snee in de romp en haal daar de opgevouwen vleugels door. Uitvouwen en naar achteren toe wat korter knippen. =Steek de staart tussen de twee romppapieren en lijm deze vast. Met een draad ophangen, aan een stokje voor een kind om mee te spelen, of meerdere aan een hoepeltje of als mobile aan takjes.
Vlinder
=plak twee velletjes zijdevloe met prittstift op elkaar =vouw het dubbel en knip de twee vleugelvormen uit (circa 6½ cm breed) en vouw ze weer open =vouw een pijpenrager van 15 cm dubbel, klem de vleugels er tussen en draai er vanboven een kop en voelsprieten van = schuif de vleugels een beetje rimpelend naar de kop toe = ophangen aan drie samenkomende draadjes (vanaf voelsprieten en middenlijfje) verder als vogeltje.
Jonge vogeltjes op tak
=Frommel van zijdevloei een vogeltje, ’t is niet zo moeilijk als het lijkt. =Met velpon uitsteeksels vastplakken. =Knip van dubbelgevouwen stevig geel of oranje papier een snaveltje en plak dat aan de kop. =Teken de oogjes. =Boor onderin de romp met een schaarpunt een gat en steek daar 2 stukjes pijpenrager in. =Buig deze pootjes stevig om een takje en knip ze op de goede lengte af. =Zet een aantal op een tak naast elkaar en hang de tak op. Je kunt ze ook van pompoentjes maken
Meiboomkroon
=Een krans maken van twee elkaar kruisende halve hoepels en een hele hoepel, versieren met papieren bloemen en slingers, goud- en zilverpapier
Bloemen maken
Bij het pinksterfeest hoort helemaal zelf bloemen maken. Vroeger spaarde men gedurende het hele jaar allerlei kleurige papiertjes om daar bloemen van te maken. Het pinksterfeest is niet zozeer het feest van de scheppende aardekrachten, maar van de scheppende menselijke geest. Daarom maken we zelf bloemen bij voorkeur zelf bedachte bloemen. Hier volgen enkele manieren om bloemen te maken.
Rimpel rechte of geschulpte enz. stroken van ca 20 cm lang en 3 tot 6 cm breed en trek de draad aan. Een paar maal omwinden en afhechten.
1.knip van zijdepapier drie vierkanten van 15 x 15 cm:
2.vouw elk vierkant schuin doormidden waardoor een driehoek ontstaat:
3.vouw elke driehoek dubbel:
4.vouw de driehoeken nog een keer dubbel:
5.vouw de driehoeken nog een keer dubbel, maak de vouwen zo scherp mogelijk:
6.houd de punt van het eerste hoorntje stevig vast en knip de bovenkant rond af:
7.houd de punt van het tweede hoorntje vast en knip de bovenkant af; begin echter wat lager te knippen dan bij het eerste hoorntje:
8.houd de punt van het derde hoorntje vast en knip de bovenkant nog lager af:
9.vouw de driehoeken open en leg ze in volgorde van grootte op elkaar met de kleinste bovenop:
10. houd de laagjes (dit worden de bloemblaadjes) in de linkerhand; plaats de rechterhand in het midden van het kleinste laagje bloemblaadjes en duw deze voorzichtig naar beneden, terwijl aan de onderkant de andere hand alle laagjes tot de steel van de bloem worden samengeknepen:
11.draai het verkregen steeltje stevig en omwikkel het met plakband. Spreid de blaadjes uit zodat een bloem ontstaat. Wanneer de bloemblaadjes op een andere manier worden geknipt, ontstaan andere vormen. Vouw eerst weer een aantal vierkanten zoals hierboven beschreven is:
Hier volgt de werkbeschrijving voor de ouders, voor het maken van de hoofdtooien: de benodigdheden zaten , klaar om er mee aan de slag te gaan, in een papieren zakje. Werkbeschrijving Hoofdtooi -Pinksteren Benodigdheden van jezelf: • Naald • Wit naaidraad van max. 30 cm • Stukje rimpelelastiek
Benodigdheden van school: Voor de jongens: • Een strook groen crêpepapier van 3 cm breed • Een strook geel crêpepapier van 3 cm breed • Een strook wit crêpepapier van 3 cm breed • Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang • Een belletje • Stickertje met de naam erop • Dit alles in een plastic zakje met de naam erop
Voor de meisjes: • 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed • Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is
Voor de meisjes:
• 3 stroken groen crêpepapier van 3 cm breed • Gekleurd vloeipapier in rondjes. 2x 5, 6 of 7 stuks, afhankelijk van hoe oud het kind is • Stickertje met de naam erop • Dun elastiek van ongeveer 25 cm lang • Dit alles in een plastic zakje met de naam erop
Werkwijze:
• Ontrol de 3 stroken • Leg na 30 cm een knoop hierin en begin vanaf hier te vlechten. Dit gaat het handigst door de knoop onder en zware pot te leggen • Maak een vlecht van ongeveer 30 cm en eindig met een knoop met weer slierten van 30cm (zoals je ook begon) • Voor de meisjes: Maak van de gekleurde vloeipapierrondjes bloemen, zoveel als je kind jaren telt. Bevestig deze op de voorzijde van de vlecht met naald en naaidraad. • Voor de jongens: bevestig het belletje aan een draadje en knoop dit aan de hoofdtooi[ voorkant]. • Verbind aan de achterkant de beide knopen met elkaar, met rimpelelastiek, op een afstand dat de hoofdtooi fijn om het hoofdje sluit. Overleg even met je kind of de hoofdtooi lekker zit. • Plak de naamstikker op een van de 6 uiteindes.
De brief voor de ouders van pinksterbruid en bruidegom: zat in een envelopje : het zakdoekje voor de bruid en de bellenketting voor de bruidegom zaten goed ingepakt bij de enveloppe in. Lieve ouders van de pinksterbruid en pinksterbruidegom. Namen van de ouders
Op vrijdag 7 juni aanstaande vieren we op school het Pinksterfeest: Namen van bruid en bruidegom mogen deze dag het bruidspaartje zijn… Maandag 3 juni zal het duifje een brief brengen waarin dit vermeld staat. Jullie mogen vrijdags aan het begin van de dag even aanwezig zijn in de klas om even te helpen met de hoofdbanden bij de kleuters omdoen. Ook mogen jullie even helpen bij de dansen rond de meiboom [[aangeven van de meiboomlinten en na ons dansje weer inhalen daarvan [ zie de ouderbrief pinksteren]] Verwacht wordt dat het bruidspaar in het wit gekleed is en dat Teus zorgt voor een bruidsboeketje voor Eva en dat Eva zorgt voor een corsage voor Teus. In de Pinksterweek geef ik voor Teus een bellen-ketting mee en voor Eva een zakdoekje in enveloppe… Dit kettinkje en zakdoekje leggen jullie op de dag van het pinksterfeest neer naast het bedje van jullie kinderen, dan weten ze dat het duifje “echt” langs geweest is. Ik wens jullie veel plezier bij de voorbereidingen!!!! Enne nog even voor je houden tot de week voor Pinksteren :die maandag vertel ik het namelijk [ brief duifje…]
Hartelijke groet Dieuwke
Sprookjes in de pinkstertijd:
Assepoester , Jorinde en Joringel ,
De drie talen, Doornroosje De roos zonder doornen ofwel De pinksterroos [ uit leven met het jaar van Kutik] Bakersprookjes: Robin Roodborst, Mooi Katrientje en Piefpafpoffel, et kind dat wilde vliegen.
Meer knutsels kun je vinden in:
Leven met het jaar, Pinterest, Met het oog op de natuur, All year round HOW TO MAKE SUNCATCHERS | WALDORF WINDOW ART CRAFT – Pepper and Pine Versjes en liedjes in boekjes van Hennie de Gans Wiggermans [ Natuurlijk, Ochtendspelen] Handgebarenversjes: Waldorfdwarf op instagram Youtube: handgebaren vrijeschool [ waldorf inspiration o.a.] Antropoanne Jacqueline Eversteijn
Dienend hüten wir im Lichte… De canon gezongen, [dagelijks] op de Kindergarten Pfingsttagungen … zo verschrikkelijk mooi om mee te zingen en mee te maken… juffen over de hele wereld verzameld daar in Hamburg…het totaalprogramma [ euritmie, schilderen, lezingen, praatgroepen, handelingen] het slapen op de veldbedjes, de gezamenlijke maaltijden, de talen daar gesproken….de mooie, gewone inkijk in een andere school…. Zo goed te weten dat er zovele wereldwijd zijn die het jonge kind, in het licht van de antroposofie, als hemels geschenk omhullen en begeleiden….