Tagarchief: hart waarnemingsorgaan

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-3-2)

.

Dr. Hans Ghristoph Kümmell, arts, Weledaberichten nr. 149 december 1989

.

HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN

.

Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe persoonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.

Veelzijdige functies

Net als bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschillende binnenruimten die men ging onderzoeken. Het hart is een holle spier. Uiterlijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de beweging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme veroorzaken. Men weet ook, dat in de hartwanden verschillende heel kleine waarnemingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs [art. uit 1989] heeft men verder ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon produceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. Hierbij komt nog, dat het een heel bijzondere stofwisseling heeft.

Historisch overzicht

Een kort historisch overzicht over de ontdekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren.
In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder operaties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daarvan het bloed buiten het hart werd omgeleid.
Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig
zuurstoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststoffen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttransplantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!

De dubbele geaardheid van het hart

Door deze bewonderenswaardige technische prestaties wordt in hoge mate duidelijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.

Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoordigt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest persoonlijke en intieme kleur. Het hart is zowel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpelijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwikkelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdekking van Rudolf Steiner omtrent de driegeleding van de mens. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om beide kanten van zo’n orgaanfunctie te doorgronden.

Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voornaamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke organisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig doordringen dat zij de totale menselijke organisatie vormen. De ene functionele eenheid is samengevat in de zintuiglijke waarnemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuigstelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsprocessen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt evenwicht scheppend tussen die beide gebieden. Zij verenigt alle ritmische processen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.

Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prikkels. Dit behoort tot ons meer bewuste zielenleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons zielenleven.
En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme.
In het hart worden de kant van het bewustzijn van de mens – uitgedrukt door het individueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge afwisseling. Ook worden hier de doelstellingen beleefd die al of niet tot daden moeten worden.

Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit ritmisch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.

In het ademhalingsritme, het andere ritmische centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kunnen de meest persoonlijke gevoelens worden opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen ”van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds helderder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde gevoelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons belangrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht geschoolde en daardoor individueel geworden gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.

De hartfunctie – die op de ademhalingsfunctie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons heldere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zielenleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties.
Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de individualisering van het zielenleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zetten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aangeboren hartafwijking.

Relaties met de omringende wereld

Tot dusver hebben wij het hart als het centrum van de mens wat betreft zijn individualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zintuiglijke indrukken, wordt in het hart verenigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit integreert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt.

De krachten van de planeten worden bijvoorbeeld langs allerlei wegen in de menselijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel. [niet op deze blog] Met het hartritme correspondeert op het kosmische niveau het ritme van de zons-op en -ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hartritme door de ademhaling wordt bepaald.

Allerlei ziekten

De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraakprocessen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de huidige samenleving spelen gebrek aan beweging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwerking van onze waarnemingen ten gevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.

In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken.

Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileuritmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.

Het hart in het taalgebruik

Ten slotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een innige lichamelijk-psychische ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stokken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barmhartig, of harteloos zijn.
In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiografie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd nader ligt dan de geest en ons dan voor problemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegenheid van het hart steeds de belangrijkste.”

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 2: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Meer over het hart

.

2661